Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 JANUARI 1999. - Koninklijk besluit tot wijziging van de artikelen 164, 165, 166 en 170 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering wat de verificatieprocedure betreft en tot wijziging van artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 september 1991 tot vaststelling van de vergoedingen voor administratiekosten van de uitbetalingsinstellingen belast met de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen.
Titre
26 JANVIER 1999. - Arrêté royal modifiant les articles 164, 165, 166 et 170 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage en ce qui concerne la procédure de vérification et modifiant l'article 2 de l'arrêté royal du 16 septembre 1991 portant fixation des indemnités pour les frais d'administration des organismes de paiement des allocations de chômage.
Documentinformatie
Numac: 1999012056
Datum: 1999-01-26
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1999012056
Date: 1999-01-26
Moniteur: Voir
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. Artikel 164 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 maart 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 164. § 1. De uitbetalingsinstelling groepeert de uitgaven die in de loop van een maand krachtens artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verricht werden, in gegevensbestanden "C 10".
Voor de toepassing van onderhavig artikel en van artikel 165, wordt verstaan onder :
"refertemaand" : de werkloosheidsmaand waarop de betaling betrekking heeft;
"indieningsmaand" : de maand tijdens dewelke de uitbetalingsinstelling de uitgave heeft verricht; voor een uitgave die verricht werd tijdens de eerste tien kalenderdagen van een maand, wordt de voorgaande maand als indieningsmaand beschouwd, in zoverre de refertemaand samenvalt met deze voorgaande maand of met een daarvoor gelegen maand.
§ 2. De uitbetalingsinstelling bezorgt de gegevensbestanden C 10, tegen een ontvangstbewijs, aan het hoofdbestuur van de Rijksdienst. Deze indiening gebeurt uiterlijk de twintigste kalenderdag van de kalendermaand volgend op de indieningsmaand.
De Rijksdienst voert een preliminaire verificatie uit door een geautomatiseerde vergelijking van de gegevens vermeld in de gegevensbestanden C 10 met de gegevens waarover hij reeds beschikt in de dossiers van de sociaal verzekerden. Deze verificatie wordt uitgevoerd in de periode die aanvangt de veertiende kalenderdag volgend op de in het voorgaande lid vermelde uiterste indieningsdag. De resultaten van deze preliminaire verificatie en hun motivering worden ten informatieve titel aan de uitbetalingsinstelling meegedeeld uiterlijk de vijfde werkdag volgend op de voormelde veertiende kalenderdag.
De gegevens betreffende de betalingen die verricht werden door de financiële instellingen, handelend in opdracht van de uitbetalingsinstelling, worden gegroepeerd in gegevensbestanden "FO". De uitbetalingsinstelling bezorgt deze gegevensbestanden, tegen een ontvangstbewijs, uiterlijk de vijftiende kalenderdag van de derde kalendermaand volgend op de indieningsmaand, aan het hoofdbestuur van de Rijksdienst. Binnen dezelfde termijn bezorgt de uitbetalingsinstelling de papieren geïndividualiseerde verantwoordingsstukken aan het bevoegde werkloosheidsbureau, samen met het begeleidend borderel "C 11" dat voor de toepassing van § 3, eerste lid, dienst doet als ontvangstbewijs en aan de uitbetalingsinstelling zal worden teruggezonden.
Op vraag van de uitbetalingsinstelling kan de Rijksdienst tevens een preliminaire verificatie uitvoeren door een geautomatiseerde vergelijking van de gegevens vermeld in de gegevensbestanden FO met de gegevens waarover hij reeds beschikt in de dossiers van de sociaal verzekerden, en dit voor zover het materieel mogelijk is deze bewerking uit te voeren vooraleer de verificatie ten gronde wordt aangevat. De resultaten van deze preliminaire verificatie en hun motivering worden ten informatieve titel aan de uitbetalingsinstelling meegedeeld.
§ 3. Ingeval één van de in § 2 bedoelde gegevensbestanden of in geval de geïndividualiseerde verantwoordingsstukken buiten de vastgestelde termijnen worden ingediend, worden de betreffende uitgaven globaal en definitief uitgeschakeld. Deze uitgaven kunnen niet heringediend worden.
De Rijksdienst voert op de uitgaven niet bedoeld in het eerste lid, een verificatie ten gronde uit, rekening houdend met de gegevens waarover hij beschikt in de dossiers van de sociaal verzekerden en met de gegevens over de betreffende sociaal verzekerde vermeld in de in § 2 bedoelde gegevensbestanden C 10, gegevensbestanden FO en papieren geïndividualiseerde verantwoordingsstukken.
De Rijksdienst schakelt geheel of gedeeltelijk, de uitgaven uit die niet gedekt zijn door een geldige uitkeringskaart die het recht op uitkeringen verleent of die, wegens een reden die door de Rijksdienst werd bepaald, niet geldig ingediend zijn. De Rijksdienst gaat na, voor zover de gegevens dit redelijkerwijs toelaten, of er tevens redenen zijn om de uitgaven te verwerpen.
De uitgaven of de gedeelten van de uitgaven die niet werden uitgeschakeld, worden aanvaard. De aanvaarde uitgaven kunnen geheel of gedeeltelijk het voorwerp uitmaken van een goedkeuring of een verwerping. De Rijksdienst kan eveneens een bijpassing voorstellen.
De resultaten van de eerste verificatie ten gronde en hun motivering worden aan de uitbetalingsinstelling ter kennis gebracht de laatste kalenderdag van de vijfde kalendermaand volgend op de indieningsmaand. Gebeurt de kennisgeving voordien, dan wordt zij toch geacht gebeurd te zijn op deze laatste kalenderdag. De kennisgeving geschiedt door het overmaken van gegevensbestanden "C 12" bevattende de uitgeschakelde uitgaven bedoeld in het derde lid, gegevensbestanden "C 13" bevattende de verworpen uitgaven, gegevensbestanden "C 14" bevattende de voorstellen tot bijpassing en borderellen "C 15" bevattende de boekhoudkundige resultaten. De geïndividualiseerde verantwoordingsstukken die betrekking hebben op de betwiste uitgaven, of een kopie ervan, worden aan de uitbetalingsinstelling bezorgd of ten haren beschikking gehouden. Bij ontstentenis van tijdige kennisgeving worden deze uitgaven beschouwd als globaal en definitief goedgekeurd.
§ 4. De uitbetalingsinstelling groepeert de uitgaven, niet bedoeld in § 3, eerste lid, die zij wenst her in te dienen in nieuwe gegevensbestanden C 10 bevattende de heringediende uitgeschakelde uitgaven en in nieuwe gegevensbestanden C 10 bevattende de heringediende verworpen uitgaven. Zij vermeldt het antwoord op de voorstellen tot bijpassing op een gegevensbestand C 10bis. De heringediende uitgaven en het geformuleerde antwoord moeten betrekking hebben op een in § 3, vijfde lid, bedoeld gegevensbestand C 12, C 13 of C 14. De uitbetalingsinstelling mag enkel de uitgaven waarvoor zij een behoorlijke motivering kan aanvoeren, herindienen.
De uitbetalingsinstelling bezorgt de in het eerste lid bedoelde gegevensbestanden C 10 en C 10bis, tegen een ontvangstbewijs, aan het hoofdbestuur van de Rijksdienst. Deze herindiening gebeurt ten vroegste na de datum van kennisgeving van de resultaten van de eerste verificatie ten gronde, en uiterlijk de laatste werkdag van de negende kalendermaand volgend op de indieningsmaand. Binnen dezelfde termijn worden de geïndividualiseerde verantwoordingsstukken die betrekking hebben op de gevallen vermeld in de bestanden C 10 en C 10bis, zonodig aangevuld met aanvullende verantwoordingsstukken, tegen een ontvangstbewijs, bezorgd aan het bevoegde werkloosheidsbureau.
Voor de niet heringediende uitgaven wordt het resultaat van de eerste verificatie ten gronde geacht definitief te zijn. Voor de uitgaven die heringediend werden zonder dat er een motivering werd aangevoerd, wordt het resultaat van de eerste verificatie ten gronde bevestigd. De in dit lid bedoelde uitgaven kunnen niet meer heringediend worden.
Ingeval de herindiening van de gegevensbestanden of van de verantwoordingsstukken, bedoeld in het tweede lid, geschiedt buiten de vastgestelde termijn, wordt het resultaat van de eerste verificatie ten gronde bevestigd. De in dit lid bedoelde uitgaven kunnen niet heringediend worden.
Op vraag van de uitbetalingsinstelling kan de Rijksdienst een preliminaire verificatie uitvoeren door een geautomatiseerde vergelijking van de gegevens vermeld in de gegevensbestanden C 10 met de gegevens waarover hij reeds beschikt in de dossiers van de sociaal verzekerden, en dit voor zover het materieel mogelijk is deze bewerking uit te voeren vooraleer de tweede verificatie ten gronde wordt aangevat. De resultaten van deze preliminaire verificatie en hun motivering worden ten informatieve titel aan de uitbetalingsinstelling meegedeeld.
§ 5. De Rijksdienst voert op de heringediende uitgaven, niet bedoeld in § 4, vierde lid, een tweede verificatie ten gronde uit, zoals bedoeld in § 3, tweede, derde en vierde lid. Hij houdt hierbij tevens rekening met de eventuele aanvullende geïndividualiseerde verantwoordingsstukken en met de motivering van de uitbetalingsinstelling.
Vooraleer een nieuwe beslissing tot uitschakeling of verwerping te nemen of een voorstel tot bijpassing te bevestigen nodigt de Rijksdienst de uitbetalingsinstelling uit voor een bespreking van de betwiste uitgaven. Tijdens de bespreking kunnen de voorstellen tot bijpassing, rekening houdend met de bepaling van § 8, eerste lid, nader onderzocht worden en individueel bevestigd worden.
De uitgaven of gedeelten van uitgaven die na uitschakeling opnieuw werden ingediend, kunnen het voorwerp uitmaken van een tweede gehele of gedeeltelijke uitschakeling. Deze uitschakelingen zijn definitief en deze uitgaven kunnen niet heringediend worden.
De uitgaven of gedeelten van uitgaven die na uitschakeling opnieuw werden ingediend en niet opnieuw worden uitgeschakeld, worden aanvaard. De aanvaarde uitgaven kunnen geheel of gedeeltelijk het voorwerp uitmaken van een goedkeuring of een verwerping. De Rijksdienst kan eveneens een bijpassing voorstellen.
De uitgaven of gedeelten van uitgaven die na verwerping opnieuw werden ingediend, kunnen geheel of gedeeltelijk het voorwerp uitmaken van een goedkeuring of een verwerping. De Rijksdienst kan eveneens een bijpassing voorstellen.
De resultaten van de tweede verificatie ten gronde en hun motivering worden aan de uitbetalingsinstelling ter kennis gebracht de laatste kalenderdag van de elfde kalendermaand volgend op de indieningsmaand. Gebeurt de kennisgeving voordien, dan wordt zij toch geacht gebeurd te zijn op deze laatste kalenderdag. De kennisgeving geschiedt door het overmaken van nieuwe gegevensbestanden C 12, C 13 en C 14 en borderellen C 15. De geïndividualiseerde verantwoordingsstukken die betrekking hebben op de betwiste uitgaven, of een kopie ervan, worden aan de uitbetalingsinstelling bezorgd of ten haren beschikking gehouden. Bij ontstentenis van tijdige kennisgeving worden deze uitgaven beschouwd als globaal en definitief goedgekeurd.
§ 6. De uitbetalingsinstelling groepeert de uitgaven die zij opnieuw wenst her in te dienen in nieuwe gegevensbestanden C 10 bevattende de heringediende verworpen uitgaven bedoeld in § 5, vierde lid, en in nieuwe gegevensbestanden C 10 bevattende de heringediende verworpen uitgaven bedoeld in § 5, vijfde lid. Zij vermeldt het antwoord op de voorstellen tot bijpassing op een nieuw gegevensbestand C 10bis. De heringediende uitgaven en het geformuleerde antwoord moeten betrekking hebben op een in § 5, zesde lid, bedoelde nieuwe gegevensbestand C 13 of C 14. De uitbetalingsinstelling mag enkel de uitgaven waarvoor zij een behoorlijke motivering kan aanvoeren, herindienen.
De uitbetalingsinstelling bezorgt de in het eerste lid bedoelde gegevensbestanden C 10 en C 10bis, tegen een ontvangstbewijs, aan het hoofdbestuur van de Rijksdienst. Deze herindiening gebeurt ten vroegste na de datum van kennisgeving van de resultaten van de tweede verificatie ten gronde, en uiterlijk de laatste werkdag van de twaalfde kalendermaand volgend op de indieningsmaand. Binnen dezelfde termijn worden de geïndividualiseerde verantwoordingsstukken, die betrekking hebben op de gevallen vermeld in de bestanden C 10 en C 10bis, zonodig aangevuld met aanvullende verantwoordingsstukken, tegen een ontvangstbewijs, bezorgd aan het bevoegde werkloosheidsbureau.
Voor de niet opnieuw heringediende uitgaven wordt het resultaat van de tweede verificatie ten gronde geacht definitief te zijn. Voor de uitgaven die heringediend werden zonder dat er een motivering werd aangevoerd, wordt het resultaat van de tweede verificatie ten gronde bevestigd. De in dit lid bedoelde uitgaven kunnen niet meer heringediend worden.
Ingeval de herindiening van de gegevensbestanden of van de verantwoordingsstukken, bedoeld in het tweede lid geschiedt buiten de vastgestelde termijnen, wordt het resultaat van de tweede verificatie ten gronde bevestigd. Deze uitgaven kunnen niet heringediend worden.
§ 7. De Rijksdienst voert op de opnieuw heringediende uitgaven, niet bedoeld in § 6, vierde lid, een derde en definitieve verificatie ten gronde uit.
Hij houdt hierbij tevens rekening met de eventuele aanvullende geïndividualiseerde verantwoordingsstukken en met de motivering van de uitbetalingsinstelling.
Vooraleer een nieuwe beslissing tot verwerping te nemen of een voorstel tot bijpassing te bevestigen, nodigt de Rijksdienst de uitbetalingsinstelling uit voor een bespreking van de betwiste uitgaven. Tijdens de bespreking kunnen de voorstellen tot bijpassing, rekening houdend met de bepaling van § 8, eerste lid, nader onderzocht worden en individueel bevestigd worden.
De uitgaven of gedeelten van uitgaven die opnieuw werden ingediend, kunnen geheel of gedeeltelijk het voorwerp uitmaken van een goedkeuring of een verwerping. De Rijksdienst kan eveneens een bijpassing voorstellen.
De uitgaven of gedeelten van uitgaven die bij de derde verificatie verworpen worden, zijn definitief verworpen en kunnen niet meer heringediend worden.
De resultaten van de derde en definitieve verificatie ten gronde en hun motivering worden aan de uitbetalingsinstelling ter kennis gebracht de laatste kalenderdag van de dertiende kalendermaand volgend op de indieningsmaand. Gebeurt de kennisgeving voordien, dan wordt zij toch geacht gebeurd te zijn op deze laatste kalenderdag. De kennisgeving geschiedt door het overmaken van nieuwe gegevensbestanden C 13 en C 14 en borderellen C 15. Bij ontstentenis van tijdige kennisgeving worden deze uitgaven beschouwd als globaal en definitief goedgekeurd.
§ 8. Het in dit artikel bedoelde voorstel tot bijpassing vervalt indien de voorgestelde bijpassing intussen reeds werd verricht. Het voorstel stelt de uitbetalingsinstelling niet vrij van het nazicht of de voorgestelde bijpassing, rekening houdend met de aanduidingen vermeld op de uitkeringskaart bedoeld in artikel 146 en met de wettelijke en reglementaire bepalingen, aan de werknemer toekomt. Het voorstel stelt de uitbetalingsinstelling slechts vrij van het nazicht indien het, op vraag van de uitbetalingsinstelling, door het werkloosheidsbureau tijdens de bespreking bedoeld in § 5, tweede lid, of in § 7, tweede lid, zonodig op zicht van de vereiste toegevoegde geïndividualiseerde verantwoordingsstukken, individueel werd bevestigd. De individuele bevestiging wordt geattesteerd op een geschrift dat aan de uitbetalingsinstelling wordt overgemaakt.
De Minister bepaalt, na advies van het beheerscomité, of de gegevensoverdrachten, de mededelingen en de kennisgevingen van de uitbetalingsinstelling naar de Rijksdienst en omgekeerd, bedoeld in onderhavig artikel, gebeuren via papieren drager, via elektronische drager of via elektronische weg.
De Rijksdienst bepaalt in zijn onderrichtingen, inzonderheid rekening houdend met de artikelen 160 tot 163,
hoe de indiening en de herindiening van de uitgaven en het opmaken van de gegevensbestanden en borderellen bedoeld in onderhavig artikel, in concreto geschiedt, alsmede de modellen van de ontvangstbewijzen;
de modaliteiten inzake de transmissie van de in het tweede lid bedoelde gegevensoverdrachten, mededelingen en kennisgevingen;
de termijnen waarbinnen de preliminaire verificatie, bedoeld in § 2, vierde lid en in § 4, vijfde lid geschiedt, indien het materieel mogelijk is deze verificatie uit te voeren;
welke geïndividualiseerde verantwoordingsstukken ingediend moeten worden;
de redenen waarom een uitgave uitgeschakeld, en dus niet aanvaard wordt en de wijze waarop de motivering van deze beslissing wordt opgesteld en aan de uitbetalingsinstelling wordt meegedeeld;
de redenen waarom een uitgave verworpen, en dus niet goedgekeurd wordt en de wijze waarop de motivering van deze beslissing wordt opgesteld en aan de uitbetalingsinstelling wordt meegedeeld;
de gevallen waarin een voorstel tot bijpassing wordt gedaan;
de wijze en het tijdstip waarop de in § 5, tweede lid, en in § 7, tweede lid, voorziene eventuele bespreking met de uitbetalingsinstelling wordt georganiseerd;
in welke gevallen de originele geïndividualiseerde verantwoordingsstukken die betrekking hebben op de betwiste uitgaven, dan wel een kopie ervan, in toepassing van § 3, vijfde lid en van § 5, zesde lid, aan de uitbetalingsinstelling worden bezorgd;
10° de gevallen waarin en de wijze waarop de werkloze in kennis wordt gesteld van een voorstel tot bijpassing.".
Article 1. L'article 164 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 164. § 1. L'organisme de paiement regroupe dans des fichiers de données "C 10" les dépenses effectuées au cours d'un mois conformément à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Pour l'application du présent article et de l'article 165, on entend par :
"mois de référence" : le mois de chômage auquel le paiement se rapporte;
"mois d'introduction" : le mois au cours duquel l'organisme de paiement a effectué la dépense; pour une dépense qui a été effectuée pendant les dix premiers jours calendrier d'un mois, le mois précédent est considéré comme mois d'introduction, pour autant que le mois de référence coïncide avec ce mois précédent ou avec un mois antérieur à celui-ci.
§ 2. L'organisme de paiement transmet les fichiers de données C10 à l'Administration centrale de l'Office contre accusé de réception. Cette introduction s'effectue au plus tard le vingtième jour calendrier du mois calendrier qui suit le mois d'introduction.
L'Office effectue une vérification préliminaire par une comparaison automatisée des données mentionnées dans les fichiers de données C 10 avec les données dont il dispose déjà dans les dossiers des assurés sociaux. Cette vérification est effectuée au cours de la période qui prend cours le quatorzième jour calendrier qui suit le dernier jour d'introduction mentionné à l'alinéa précédent. Les résultats de cette vérification préliminaire et leur motivation sont communiqués à titre d'information à l'organisme de paiement, au plus tard le cinquième jour ouvrable qui suit le quatorzième jour calendrier susmentionné.
Les données relatives aux paiements qui ont été effectués par les organismes financiers agissant sur ordre de l'organisme de paiement sont regroupées dans des fichiers de données "OF". L'organisme de paiement transmet ces fichiers de données à l'Administration centrale contre accusé de réception, au plus tard le quinzième jour calendrier du troisième mois calendrier qui suit le mois d'introduction. Dans le même délai, l'organisme de paiement transmet au bureau du chômage compétent, sur support papier, les pièces justificatives individualisées avec le bordereau d'accompagnement "C 11" qui fait office d'accusé de réception pour l'application du § 3, alinéa 1er, et qui sera retourné à l'organisme de paiement.
A la demande de l'organisme de paiement, l'Office peut également effectuer une vérification préliminaire par une comparaison automatisée des données mentionnées dans les fichiers de données OF avec les données dont il dispose déjà dans les dossiers des assurés sociaux, et ce pour autant qu'il soit matériellement possible d'effectuer cette opération avant que la vérification au fond ne débute. Les résultats de cette vérification préliminaire et leur motivation sont communiqués à titre d'information à l'organisme de paiement.
§ 3. Lorsqu'un des fichiers de données visés au § 2 ou les pièces justificatives individualisées sont introduits en dehors des délais fixés, les dépenses concernées sont intégralement et définitivement éliminées. Ces dépenses ne peuvent pas être réintroduites.
L'Office effectue une vérification au fond des dépenses non visées à l'alinéa premier, en tenant compte des données dont il dispose dans les dossiers des assurés sociaux et des données relatives à l'assuré social concerné mentionnées dans les fichiers de données C 10, les fichiers de données OF et les pièces justificatives individualisées sur support papier visés au § 2.
L'Office élimine, en tout ou en partie, les dépenses qui ne sont pas couvertes par une carte d'allocations valable qui accorde le droit aux allocations ou qui, pour un des motifs déterminés par l'Office, ne sont pas valablement introduites. L'Office vérifie, pour autant que les données le permettent raisonnablement, s'il y a également des motifs justifiant le rejet des dépenses.
Les dépenses ou les parties de dépenses qui n'ont pas été éliminées, sont acceptées. Les dépenses acceptées peuvent faire l'objet, en tout ou en partie, d'une approbation ou d'un rejet. L'Office peut également proposer un complément.
Les résultats de la première vérification au fond et leur motivation sont communiqués à l'organisme de paiement au plus tard le dernier jour calendrier du cinquième mois calendrier qui suit le mois d'introduction. Si la notification est faite auparavant, elle est néanmoins censée avoir été effectuée ce dernier jour calendrier. La notification s'effectue par le transfert des fichiers de données "C 12" comprenant les dépenses éliminées visées à l'alinéa 3, des fichiers de données "C 13" comprenant les dépenses rejetées, des fichiers de données "C 14" comprenant les propositions de complément et des bordereaux "C 15" comprenant les résultats comptables. Les pièces justificatives individualisées relatives aux dépenses contestées, ou une copie de celles-ci, sont transmises à l'organisme de paiement ou tenues à sa disposition. A défaut de notification en temps utile, ces dépenses sont considérées comme intégralement et définitivement approuvées.
§ 4. L'organisme de paiement regroupe les dépenses, non visées au § 3, alinéa 1er, qu'il souhaite réintroduire dans de nouveaux fichiers de données C 10 comprenant les dépenses éliminées réintroduites et dans de nouveaux fichiers de données C 10 comprenant les dépenses rejetées réintroduites. Il mentionne la réponse aux propositions de complément sur un fichier de données C 10bis. Les dépenses réintroduites et la réponse formulée doivent avoir trait au fichier de données C 12, C 13 ou C 14 visé au § 3, alinéa 5. L'organisme de paiement ne peut réintroduire que les dépenses pour lesquelles il peut invoquer une motivation valable.
L'organisme de paiement transmet les fichiers de données C 10 et C 10bis visés à l'alinéa 1er à l'Administration centrale contre accusé de réception.
Cette réintroduction s'effectue au plus tôt après la date de notification des résultats de la première vérification au fond, et au plus tard le dernier jour ouvrable du neuvième mois calendrier qui suit le mois d'introduction. Dans le même délai, les pièces justificatives individualisées relatives aux cas mentionnés dans les fichiers C 10 et C 10bis, au besoin complétées par des pièces justificatives complémentaires, sont transmises au bureau du chômage compétent contre accusé de réception.
Pour les dépenses qui ne sont pas réintroduites, le résultat de la première vérification au fond est réputé être définitif. Pour les dépenses qui ont été réintroduites sans qu'une motivation ait été invoquée, le résultat de la première vérification au fond est confirmé. Les dépenses visées dans le présent alinéa ne peuvent plus être réintroduites.
Lorsque la réintroduction des fichiers de données ou des pièces justificatives, visée à l'alinéa 2, s'effectue en dehors du délai fixé, le résultat de la première vérification au fond est confirmé. Les dépenses visées dans le présent alinéa ne peuvent pas être réintroduites.
A la demande de l'organisme de paiement, l'Office peut effectuer une vérification préliminaire par une comparaison automatisée des données mentionnées dans les fichiers de données C 10 avec les données dont il dispose déjà dans les dossiers des assurés sociaux, et ce pour autant qu'il soit matériellement possible d'effectuer cette opération avant que la deuxième vérification au fond ne débute. Les résultats de cette vérification préliminaire et leur motivation sont communiqués à l'organisme de paiement.
§ 5. L'Office soumet les dépenses réintroduites, non visées au § 4, alinéa 4, à une deuxième vérification au fond, telle que prévue au § 3, alinéas 2, 3 et 4. A cet effet, il tient également compte des éventuelles pièces justificatives individualisées complémentaires et de la motivation de l'organisme de paiement.
Avant de prendre une nouvelle décision d'élimination ou de rejet ou de confirmer une proposition de complément, l'Office invite l'organisme de paiement à une discussion sur les dépenses contestées. Au cours de celle-ci, les propositions de complément peuvent, compte tenu de la disposition du § 8, alinéa 1er, être examinées de manière détaillée et être confirmées individuellement.
Les dépenses ou parties de dépenses qui ont été à nouveau introduites après une élimination, peuvent faire l'objet d'une deuxième élimination totale ou partielle. Ces éliminations sont définitives et ces dépenses ne peuvent pas être réintroduites.
Les dépenses ou parties de dépenses qui ont été à nouveau introduites après une élimination et qui ne sont pas à nouveau éliminées sont acceptées. Les dépenses acceptées peuvent faire l'objet, en tout ou en partie, d'une approbation ou d'un rejet. L'Office peut également proposer un complément.
Les dépenses ou parties de dépenses qui ont été à nouveau introduites après un rejet peuvent faire l'objet, en tout ou en partie, d'une approbation ou d'un rejet. L'Office peut également proposer un complément.
Les résultats de la deuxième vérification au fond et leur motivation sont communiqués à l'organisme de paiement le dernier jour calendrier du onzième mois calendrier qui suit le mois d'introduction. Si la notification est faite auparavant, elle est néanmoins censée avoir été effectuée ce dernier jour calendrier. La notification s'effectue par le transfert de nouveaux fichiers de données C 12, C 13 et C 14 et bordereaux C 15. Les pièces justificatives individualisées relatives aux dépenses contestées ou une copie de celles-ci sont transmises à l'organisme de paiement ou tenues à sa disposition. A défaut de notification en temps utile, ces dépenses sont considérées comme intégralement et définitivement approuvées.
§ 6. L'organisme de paiement regroupe les dépenses qu'il souhaite réintroduire à nouveau dans de nouveaux fichiers de données C 10 comprenant les dépenses rejetées réintroduites visées au § 5, alinéa 4, et dans de nouveaux fichiers de données C 10 comprenant les dépenses rejetées réintroduites visées au § 5, alinéa 5. Il mentionne la réponse aux propositions de complément sur un nouveau fichier de données C 10bis. Les dépenses réintroduites et la réponse formulée doivent avoir trait au nouveau fichier de données C 13 ou C 14 visé au § 5, alinéa 6. L'organisme de paiement ne peut réintroduire que les dépenses pour lesquelles il peut invoquer une motivation valable.
L'organisme de paiement transmet les fichiers de données C 10 et C 10bis visés à l'alinéa 1er à l'Administration centrale de l'Office contre accusé de réception. Cette réintroduction s'effectue au plus tôt après la date de notification des résultats de la deuxième vérification au fond, et au plus tard le dernier jour ouvrable du douzième mois calendrier qui suit le mois d'introduction. Dans le même délai, les pièces justificatives individualisées relatives aux cas mentionnés dans les fichiers C 10 et C 10bis, au besoin complétées par des pièces justificatives complémentaires, sont transmises au bureau du chômage compétent contre accusé de réception.
Pour les dépenses qui ne sont pas à nouveau réintroduites, le résultat de la deuxième vérification au fond est réputé être définitif. Pour les dépenses qui ont été réintroduites sans qu'une motivation ait été invoquée, le résultat de la deuxième vérification au fond est confirmé. Les dépenses visées dans le présent alinéa ne peuvent plus être réintroduites.
Lorsque la réintroduction des fichiers de données ou des pièces justificatives, visée à l'alinéa 2, s'effectue en dehors des délais fixés, le résultat de la deuxième vérification au fond est confirmé. Ces dépenses ne peuvent pas être réintroduites.
§ 7. L'Office soumet les dépenses à nouveau réintroduites, non visées au § 6, alinéa 4, à une troisième vérification au fond définitive. A cet effet, il tient également compte des éventuelles pièces justificatives individualisées complémentaires et de la motivation de l'organisme de paiement.
Avant de prendre une nouvelle décision de rejet ou de confirmer une proposition de complément, l'Office invite l'organisme de paiement à une discussion sur les dépenses contestées. Au cours de celle-ci, les propositions de complément peuvent, compte tenu de la disposition du § 8, alinéa 1er, être examinées de manière détaillée et être confirmées individuellement.
Les dépenses ou parties de dépenses qui ont été à nouveau introduites peuvent faire l'objet, en tout ou en partie, d'une approbation ou d'un rejet.
L'Office peut également proposer un complément.
Les dépenses ou parties de dépenses qui sont rejetées lors de la troisième vérification sont définitivement rejetées et ne peuvent plus être réintroduites.
Les résultats de la troisième vérification au fond définitive et leur motivation sont communiqués à l'organisme de paiement le dernier jour calendrier du treizième mois calendrier qui suit le mois d'introduction. Si la notification est faite auparavant, elle est néanmoins censée avoir été effectuée ce dernier jour calendrier. La notification s'effectue par le transfert de nouveaux fichiers de données C 13 et C 14 et bordereaux C 15. A défaut de notification en temps utile, ces dépenses sont considérées comme intégralement et définitivement approuvées.
§ 8. La proposition de complément visée dans le présent article est annulée si le complément proposé a entre-temps déjà été effectué. La proposition ne dispense pas l'organisme de paiement de vérifier si le complément proposé, compte tenu des indications mentionnées sur la carte d'allocations visée à l'article 146 et des dispositions légales et réglementaires, peut être octroyé au travailleur. La proposition ne dispense l'organisme de paiement de la vérification que si elle a été, à sa demande, confirmée individuellement par le bureau du chômage au cours de la discussion visée au § 5, alinéa 2, ou au § 7, alinéa 2, au besoin au vu des pièces justificatives individualisées complémentaires requises. La confirmation individuelle est attestée sur un écrit qui est transmis à l'organisme de paiement.
Le Ministre détermine, après avis du comité de gestion, si les transferts de données, les communications et les notifications de l'organisme de paiement à l'Office et inversement, visés dans le présent article, s'effectuent sur support papier, sur support électronique ou par voie électronique.
L'Office détermine dans ses instructions, en tenant compte notamment des articles 160 à 163,
la procédure concrète d'introduction et de réintroduction des dépenses et d'établissement des fichiers de données et des bordereaux visés dans le présent article, ainsi que les modèles d'accusés de réception;
les modalités relatives à la transmission des transferts de données, des communications et des notifications visées à l'alinéa 2;
les délais dans lesquels s'effectue la vérification préliminaire visée au § 2, alinéa 4, et au § 4, alinéa 5, est effectuée, lorsqu'il est matériellement possible d'effectuer cette vérification;
les pièces justificatives individualisées qui doivent être introduites;
les raisons pour lesquelles une dépense est éliminée et n'est donc pas acceptée et la manière selon laquelle la motivation de cette décision est établie et communiquée à l'organisme de paiement;
les raisons pour lesquelles une dépense est rejetée et n'est donc pas approuvée et la manière selon laquelle la motivation de cette décision est établie et communiquée à l'organisme de paiement;
les cas dans lesquels une proposition de complément doit être faite;
la manière et le moment où la discussion éventuelle avec l'organisme de paiement, prévue au § 5, alinéa 2, et au § 7, alinéa 2, est organisée;
les cas dans lesquels les pièces justificatives individualisées originales, relatives aux dépenses contestées, ou une copie de celles-ci sont transmises à l'organisme de paiement en application du § 3, alinéa 5 et du § 5, alinéa 6;
10° les cas dans lesquels et la manière selon laquelle le chômeur est informé d'une proposition de complément.".
Art. 2. Artikel 165 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 juli 1998, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 165. Het bedrag van de definitief uitgeschakelde uitgaven bedoeld in artikel 164, § 3, eerste lid, in § 4, derde en vierde lid en in § 5, derde lid, wordt geacht beschikbaar te zijn op de financiële rekening van de uitbetalingsinstelling uiterlijk op het einde van de twaalfde kalendermaand volgend op de datum van de kennisgeving van de resultaten van de eerste verificatie ten gronde.
Het bedrag van de definitief verworpen uitgaven bedoeld in artikel 164, § 4, derde en vierde lid, § 6, derde en vierde lid, en § 7, vierde lid, wordt geacht beschikbaar te zijn op de financiële rekening van de uitbetalingsinstelling uiterlijk op het einde van de dertigste kalendermaand volgend op de datum van de kennisgeving van de resultaten van de eerste verificatie ten gronde.
De beschikbaarheid op de financiële rekening van de uitbetalingsinstelling beduidt dat de bedragen die niet werden ingevorderd bij de werkloze en evenmin uit de rekeningen werden geschrapt in toepassing van artikel 168, derde lid, via overschrijving van een externe financiële rekening of van een financiële rekening betreffende de werkingskosten, naar de financiële rekening van de uitbetalingsinstelling, dienstig voor de betalingen van de uitkeringen, beschikbaar worden gesteld.
De bedragen die in strijd met het derde lid, niet beschikbaar worden gesteld op de financiële rekening dienstig voor de betalingen van de uitkeringen, worden voor de toepassing van artikel 168bis, § 4, tweede lid, gelijkgesteld met financieel beschikbare middelen en aldus in rekening gebracht voor vergelijking met de door het beheerscomité vastgestelde liquiditeitsmarge.
De uitbetalingsinstellingen zijn ertoe gehouden trimesterieel de geconsolideerde toestand van hun schuldpositie ingevolge definitieve uitschakelingen en definitieve verwerpingen aan de Rijksdienst mee te delen op de wijze bepaald in de boekhoudkundige onderrichtingen van de Rijksdienst.".
Art. 2. L'article 165 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 16 juillet 1998, est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 165. Le montant des dépenses définitivement éliminées visées à l'article 164, § 3, alinéa 1er, § 4, alinéas 3 et 4, et § 5, alinéa 3, est réputé être disponible sur le compte financier de l'organisme de paiement au plus tard à la fin du douzième mois calendrier qui suit la date de notification des résultats de la première vérification au fond.
Le montant des dépenses définitivement rejetées visées à l'article 164, § 4, alinéas 3 et 4, § 6, alinéas 3 et 4, et § 7, alinéa 4, est réputé être disponible sur le compte financier de l'organisme de paiement au plus tard à la fin du trentième mois calendrier qui suit la date de notification des résultats de la première vérification au fond.
La disponibilité sur le compte financier de l'organisme de paiement signifie que les montants qui n'ont pas été recouvrés auprès du chômeur, ni rayés des comptes en application de l'article 168, alinéa 3, sont mis à disposition par le biais d'un virement d'un compte financier externe ou d'un compte financier relatif aux frais de fonctionnement vers un compte financier de l'organisme de paiement, utilisé pour les paiements d'allocations.
Les montants qui, contrairement à ce qui est stipulé à l'alinéa 3, ne sont pas mis à disposition sur le compte financier utilisé pour les paiements d'allocations, sont pour l'application de l'article 168bis, § 4, alinéa 2, assimilés à des moyens financièrement disponibles et donc pris en compte pour la comparaison avec la marge de liquidité fixée par le comité de gestion.
Les organismes de paiement sont tenus de communiquer trimestriellement à l'Office, la situation consolidée de leur position débitrice suite aux éliminations définitives et aux rejets définitifs selon la procédure fixée dans les instructions comptables de l'Office.".
Art. 3. Artikel 166 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 166. De artikelen 144 tot 146 zijn niet van toepassing op de beslissingen bedoeld in artikel 164.".
Art. 3. L'article 166 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
"Art. 166. Les articles 144 à 146 ne sont pas d'application aux décisions visées à l'article 164.".
Art. 4. In artikel 170 van hetzelfde besluit wordt het laatste lid vervangen door de volgende leden :
"Onder inhouding van de eventuele kosten worden de door het voornoemde bestuur ingevorderde bedragen overgemaakt aan het hoofdbestuur van de Rijksdienst, of, indien het een schuld betreft bedoeld in het vierde lid, aan de betreffende uitbetalingsinstelling.
In geval de werkloze, na het overmaken van het dossier overeenkomstig het vierde lid, nog terugbetalingen verricht aan de uitbetalingsinstelling, brengt deze instelling het voornoemde bestuur ervan in kennis dat de schuld dienovereenkomstig wordt verminderd.".
Art. 4. A l'article 170 du même arrêté, le dernier alinéa est remplacé par les alinéas suivants :
"Sous déduction des frais éventuels, les sommes récupérées par ladite administration sont transmises à l'administration centrale de l'Office ou, s'il s'agit d'une dette visée à l'alinéa 4, à l'organisme de paiement concerné.
Lorsque après le transfert du dossier conformément à l'alinéa 4, le chômeur effectue encore des remboursements à l'organisme de paiement, celui-ci informe l'administration précitée que la dette est réduite à due concurrence.".
Art. 5. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 september 1991 tot vaststelling van de vergoedingen voor administratiekosten van de uitbetalingsinstellingen belast met de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. het tweede lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Voor de toepassing van onderhavig besluit wordt als een geval beschouwd, de uitgave van werkloosheidsuitkeringen voor een werkloosheidsmaand, aan een werkloze vermeld in de gegevensbestanden bedoeld in artikel 164, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, voor zover gelijktijdig voldaan is aan de volgende voorwaarden :
de uitgave wordt door het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geheel of gedeeltelijk aanvaard;
de uitgave heeft geen betrekking op een werkloosheidsmaand waarvoor door eenzelfde betalingsinstelling voor eenzelfde werkloze, reeds een geval in rekening werd gebracht;
de uitgave wordt vermeld in de gegevensbestanden betreffende de maand die samenvalt met de refertemaand of met de zes daaropvolgende maanden.";
B. het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Voor de toepassing van het tweede lid, 3°, wordt als refertemaand beschouwd, de maand tijdens dewelke het werkloosheidsbureau de uitkeringskaart aan het betalingsorganisme heeft bezorgd,
indien dit bureau de in artikel 145 van voormeld besluit van 25 november 1991 vermelde termijnen niet heeft nageleefd,
of indien de aflevering van de uitkeringskaart het gevolg is van een gerechtelijke beslissing, of van een beslissing van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in toepassing van artikel 73 van voormeld besluit van 25 november 1991.";
C. het vierde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
"De voorwaarde vermeld in het tweede lid, 3°, is niet van toepassing op uitgaven die het voorwerp uitmaakten van een uitschakeling, voor zover zij heringediend worden binnen de termijn bedoeld in artikel 164, § 4, tweede lid, van het voormeld besluit van 25 november 1991, en geheel of gedeeltelijk worden aanvaard.".
Art. 5. A l'article 2 de l'arrêté royal du 16 septembre 1991 portant fixation des indemnités pour les frais d' administration des organismes de paiement des allocations de chômage, modifié par l'arrêté royal du 6 avril 1995, sont apportées les modifications suivantes :
A. l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
"Pour l'application du présent arrêté, est considérée comme un cas, la dépense d'allocations de chômage pour un mois de chômage, pour un chômeur mentionné dans les fichiers de données visés à l'article 164, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, pour autant qu'il soit satisfait simultanément aux conditions suivantes :
la dépense est acceptée, en tout ou en partie, par le bureau du chômage de l'Office national de l'Emploi;
la dépense ne concerne pas un mois de chômage pour lequel un cas a déjà été porté en compte par un même organisme de paiement pour un même chômeur;
la dépense est mentionnée dans les fichiers de données relatifs au mois qui coïncide avec le mois de référence ou avec les six mois suivants.";
B. l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
"Pour l'application de l'alinéa 2, 3°, est considéré comme mois de référence, le mois au cours duquel le bureau du chômage a transmis la carte d'allocations à l'organisme de paiement,
lorsque ce bureau n'a pas respecté les délais mentionnés à l'article 145 de l'arrêté du 25 novembre 1991 précité,
ou lorsque la délivrance de la carte d'allocations est la conséquence d'une décision judiciaire ou d'une décision du comité de gestion de l'Office national de l'Emploi en application de l'article 73 de l'arrêté du 25 novembre 1991 précité.";
C. l'alinéa 4 est remplacé par la disposition suivante :
"La condition mentionnée à l'alinéa 2, 3° n'est pas applicable aux dépenses qui ont fait l'objet d'une élimination, pour autant qu'elles soient réintroduites dans le délai visé à l'article 164, § 4, alinéa 2, de l'arrêté du 25 novembre 1991 précité, et qu'elles soient acceptées, en tout ou en partie.".
Art. 6. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1999. De artikelen 1, 2, 3 en 5 zijn toepasselijk op de uitgaven behorende tot de indieningsmaand januari 1999 of tot een daarop volgende indieningsmaand.
Art. 6. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 1999. Les articles 1, 2, 3 et 5 sont applicables aux dépenses du mois d'introduction de janvier 1999 ou d'un mois d'introduction qui suit.
Art. 7. Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 26 januari 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
Art. 7. Notre Ministre de l'Emploi et du Travail est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 26 janvier 1999.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de l'Emploi et du Travail,
Mme M. SMET