Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 MEI 1997. - Collectieve arbeidsovereenkomst van 7 mei 1997 van het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf. - Regeling van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van deeltijds tewerkgestelde werklieden (Overeenkomst geregistreerd op 23 september 1997 onder het nummer 45304/CO/145).
Titre
7 MAI 1997. - Convention collective de travail du 7 mai 1997 de la Commission paritaire pour les entreprises horticoles. - Mesures en faveur des groupes à risque parmi les demandeurs d'emploi (Convention enregistrée le 23 septembre 1997 sous le numéro 45307/CO/145.04).
Documentinformatie
Numac: 1998A12545
Datum: 1997-05-07
Info du document
Numac: 1998A12545
Date: 1997-05-07
Tekst (9)
Texte (9)
Artikel 1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en op de werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf en waarvan de activiteit bestaat in het inplanten en onderhouden van parken en tuinen, met inbegrip van het onderhouden van graven van vreemde militairen in België.
Article 1. La présente convention collective de travail s'applique aux employeurs et aux travailleurs qui ressortissent à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles et dont l'activité consiste en l'implantation et l'entretien de parcs et jardins, y compris l'entretien de tombes de militaires étrangers en Belgique.
Art. 2. Deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten in toepassing van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.
Overeenkomstig artikel 2 van het hierboven vermeld koninklijk besluit hebben de ondertekenende partijen de bedoeling om door middel van deze collectieve arbeidsovereenkomst voor de jaren 1997 en 1998 een inspanning te voorzien ten belope van 0,20 pct. berekend op het volledige loon van de werknemers zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
De ondertekenende partijen zullen de bijkomende inspanning van 0,10 pct. in vergelijking met de inspanning van 0,10 pct. die vermeld is in het voormeld koninklijk besluit van 27 januari 1997 aanrekenen op de voor 1997 en 1998 geldende loonmarge. Zij zullen dit vermelden in de inzake de loonmarge afgesloten specifieke collectieve arbeidsovereenkomst.
De hierboven bedoelde 0,20 pct. bijdrage wordt geïnd en ingevorderd door de Rijksdienst voor sociale zekerheid en doorgestort aan het Sociaal Fonds voor de inplanting en het onderhoud van parken en tuinen, opgericht bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 1976, tot oprichting van een fonds voor bestaanszekerheid en tot vaststelling van zijn statuten, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 7 oktober 1976.
Overeenkomstig artikel 2 van het hierboven vermeld koninklijk besluit hebben de ondertekenende partijen de bedoeling om door middel van deze collectieve arbeidsovereenkomst voor de jaren 1997 en 1998 een inspanning te voorzien ten belope van 0,20 pct. berekend op het volledige loon van de werknemers zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
De ondertekenende partijen zullen de bijkomende inspanning van 0,10 pct. in vergelijking met de inspanning van 0,10 pct. die vermeld is in het voormeld koninklijk besluit van 27 januari 1997 aanrekenen op de voor 1997 en 1998 geldende loonmarge. Zij zullen dit vermelden in de inzake de loonmarge afgesloten specifieke collectieve arbeidsovereenkomst.
De hierboven bedoelde 0,20 pct. bijdrage wordt geïnd en ingevorderd door de Rijksdienst voor sociale zekerheid en doorgestort aan het Sociaal Fonds voor de inplanting en het onderhoud van parken en tuinen, opgericht bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 1976, tot oprichting van een fonds voor bestaanszekerheid en tot vaststelling van zijn statuten, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 7 oktober 1976.
Art. 2. La présente convention collective de travail est conclue en exécution de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 contenant des mesures pour la promotion de l'emploi en application de l'article 7, § 2 de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité.
Conformément à l'article 2 de l'arrêté royal précité, les parties signataires visent par la présente convention collective de travail à prévoir pour les années 1997 et 1998 un effort de 0,20 p.c., calculé sur la base de la rémunération globale des travailleurs, comme prévu à l'article 23 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Les parties signataires porteront l'effort supplémentaire de 0,10 p.c. par rapport à l'effort de 0,10 p.c. mentionné dans l'arrêté royal précité du 27 janvier 1997 en compte de la marge salariale applicable pour 1997 et 1998. Elles en feront mention dans la convention collective de travail spécifique conclue à propos de la marge salariale.
La cotisation susvisée de 0,20 p.c. est percue et recouvrée par l'Office national de Sécurité sociale et versée au Fonds social pour l'implantation de parcs et jardins, institué par la convention collective de travail du 23 juin 1976, instituant un Fonds de sécurité d'existence et fixant ses statuts, rendue obligatoire par arrêté royal du 7 octobre 1976.
Conformément à l'article 2 de l'arrêté royal précité, les parties signataires visent par la présente convention collective de travail à prévoir pour les années 1997 et 1998 un effort de 0,20 p.c., calculé sur la base de la rémunération globale des travailleurs, comme prévu à l'article 23 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Les parties signataires porteront l'effort supplémentaire de 0,10 p.c. par rapport à l'effort de 0,10 p.c. mentionné dans l'arrêté royal précité du 27 janvier 1997 en compte de la marge salariale applicable pour 1997 et 1998. Elles en feront mention dans la convention collective de travail spécifique conclue à propos de la marge salariale.
La cotisation susvisée de 0,20 p.c. est percue et recouvrée par l'Office national de Sécurité sociale et versée au Fonds social pour l'implantation de parcs et jardins, institué par la convention collective de travail du 23 juin 1976, instituant un Fonds de sécurité d'existence et fixant ses statuts, rendue obligatoire par arrêté royal du 7 octobre 1976.
Art. 3. De in artikel 2 van deze collectieve arbeidsovereenkomst vermelde inspanning van 0,20 pct. wordt besteed ten behoeve van personen die, bij hun aanwerving, behoren tot de risicogroepen onder de werkzoekenden en/of ten behoeve van de personen op wie het begeleidingsplan dat bedoeld wordt in het samenwerkingsakkoord van 22 september 1992 tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffende het begeleidingsplan van toepassing is.
Art. 3. La cotisation de 0,20 p.c. visée par l'article 2 de la présente convention collective de travail est utilisée en faveur des personnes qui, à leur embauche, appartiennent aux groupes à risque parmi les demandeurs d'emploi et/ou des personnes auxquelles s'applique le plan d'accompagnement visé par l'accord de coopération du 22 septembre 1992 entre l'Etat, les communautés et les régions, concernant le plan d'accompagnement.
Art. 4. § 1. Voor de uitvoering van deze collectieve arbeidsovereenkomst, wordt onder "risicogroepen" verstaan, de personen die behoren tot één van de volgende categorieën : langdurige werklozen, laaggeschoolde werklozen, gehandicapten, deeltijds leerplichtingen, herintreders, bestaansminimumtrekkers en laaggeschoolde werknemers.
a. Onder langdurige werkloze wordt verstaan, de werkzoekende die, gedurende de twaalf maanden die aan zijn indienstneming voorafgaan, zonder onderbreking genoten heeft van werkloosheids- of wachtuitkeringen voor alle dagen van de week.
b. Onder laageschoolde werkloze wordt verstaan, de werkzoekende, ouder dan 18 jaar, die geen houder is van :
1° ofwel een diploma van het universitair onderwijs;
2° ofwel een diploma of een getuigschrift van het hoger onderwijs van het lange of het korte type;
3° ofwel een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.
c. Onder gehandicapte wordt verstaan, de werkzoekende mindervalide die op het ogenblik van zijn indienstneming bij het Vlaams Fonds voor sociale integratie voor personen met een handicap of het "Fonds communautaire pour l'intégration sociale et professionnelle des handicapés" ingeschreven is.
d. Onder deeltijds leerplichtige wordt verstaan, de werkzoekende van minder dan 18 jaar die onderworpen is aan de deeltijdse leerplicht en die het secundair onderwijs met volledig leerplan niet meer volgt.
e. Onder herintreder wordt verstaan, de werkzoekende die tegelijkertijd de volgende voorwaarden vervult :
1° geen werkloosheidsuitkeringen of loopbaanonderbrekingsuitkeringen genoten heeft gedurende de periode van drie jaar die zijn indienstneming voorafgaat;
2° geen beroepsactiviteit verricht heeft gedurende de periode van drie jaar die zijn indienstneming voorafgaat;
3° voor de periode van drie jaar voorzien in 1° en 2°, zijn beroepsactiviteit onderbroken heeft ofwel nooit een dergelijke activiteit begonnen is.
f. Onder bestaansminimumtrekker wordt verstaan, de werkzoekende die op het ogenblik van zijn indienstneming sinds minstens zes maanden zonder onderbreking het bestaansminimum ontvangt.
g. Onder laaggeschoolde werknemer wordt verstaan, de werknemer, ouder dan 18 jaar, die geen houder is van :
1° ofwel een diploma van het universitair onderwijs;
2° ofwel een diploma of een getuigschrift van het hoger onderwijs van het lange of het korte type;
3° ofwel een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.
§ 2. Ook de personen die het begeleidingsplan dat voor werklozen uitgewerkt is, gevolgt hebben vallen onder de in deze collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde doelgroepen.
a. Onder langdurige werkloze wordt verstaan, de werkzoekende die, gedurende de twaalf maanden die aan zijn indienstneming voorafgaan, zonder onderbreking genoten heeft van werkloosheids- of wachtuitkeringen voor alle dagen van de week.
b. Onder laageschoolde werkloze wordt verstaan, de werkzoekende, ouder dan 18 jaar, die geen houder is van :
1° ofwel een diploma van het universitair onderwijs;
2° ofwel een diploma of een getuigschrift van het hoger onderwijs van het lange of het korte type;
3° ofwel een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.
c. Onder gehandicapte wordt verstaan, de werkzoekende mindervalide die op het ogenblik van zijn indienstneming bij het Vlaams Fonds voor sociale integratie voor personen met een handicap of het "Fonds communautaire pour l'intégration sociale et professionnelle des handicapés" ingeschreven is.
d. Onder deeltijds leerplichtige wordt verstaan, de werkzoekende van minder dan 18 jaar die onderworpen is aan de deeltijdse leerplicht en die het secundair onderwijs met volledig leerplan niet meer volgt.
e. Onder herintreder wordt verstaan, de werkzoekende die tegelijkertijd de volgende voorwaarden vervult :
1° geen werkloosheidsuitkeringen of loopbaanonderbrekingsuitkeringen genoten heeft gedurende de periode van drie jaar die zijn indienstneming voorafgaat;
2° geen beroepsactiviteit verricht heeft gedurende de periode van drie jaar die zijn indienstneming voorafgaat;
3° voor de periode van drie jaar voorzien in 1° en 2°, zijn beroepsactiviteit onderbroken heeft ofwel nooit een dergelijke activiteit begonnen is.
f. Onder bestaansminimumtrekker wordt verstaan, de werkzoekende die op het ogenblik van zijn indienstneming sinds minstens zes maanden zonder onderbreking het bestaansminimum ontvangt.
g. Onder laaggeschoolde werknemer wordt verstaan, de werknemer, ouder dan 18 jaar, die geen houder is van :
1° ofwel een diploma van het universitair onderwijs;
2° ofwel een diploma of een getuigschrift van het hoger onderwijs van het lange of het korte type;
3° ofwel een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.
§ 2. Ook de personen die het begeleidingsplan dat voor werklozen uitgewerkt is, gevolgt hebben vallen onder de in deze collectieve arbeidsovereenkomst bedoelde doelgroepen.
Art. 4. § 1er. Pour l'exécution de la présente convention collective de travail, on entend par " groupes à risque ", les personnes qui appartiennent à l'une des catégories suivantes : les chômeurs de longue durée, les chômeurs à qualification réduite, les jeunes à scolarité obligatoire partielle, les personnes qui réintègrent le marché de l'emploi, les bénéficiaires du minimum de moyens d'existence et les travailleurs peu qualifiés.
a. Par chômeur de longue durée, on entend le demandeur d'emploi qui, pendant les douze mois précédant son embauche, a bénéficié sans interruption d'allocations de chômage ou d'attente pour tous les jours de la semaine.
b. Par chômeur à qualification réduite, on entend le chômeur, âgé de plus de 18 ans, qui n'est pas porteur :
1° soit d'un diplôme de l'enseignement universitaire;
2° soit d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement supérieur du type long ou du type court;
3° soit d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur.
c. Par handicapé, on entend la personne handicapée-demandeur d'emploi qui, au moment de son embauche, est inscrite auprès du Fonds communautaire pour l'intégration sociale et professionnelle des handicapés ou du " Vlaams Fonds voor sociale integratie voor personen met een handicap ".
d. Par jeune à scolarité obligatoire à temps partiel, on entend le demandeur d'emploi âgé de moins de 18 ans qui est soumis à la scolarité obligatoire partielle et qui ne suit plus les cours de l'enseignement secondaire de plein exercice.
e. Par personne qui réintègre le marché de l'emploi, on entend le demandeur d'emploi qui satisfait à la fois aux conditions suivantes :
1° n'avoir pas bénéficié d'allocations de chômage ou d'allocations d'interruption pendant une période de trois ans précédant son embauche;
2° n'avoir pas exercé une activité professionnelle pendant une période de trois ans précédant son embauche;
3° pour la période de trois ans prévue aux 1° et 2°, avoir interrompu son activité professionnelle ou n'avoir jamais commencé une telle activité.
f. Par bénéficiaire du minimum de moyens d'existence, on entend le demandeur d'emploi qui, au moment de son embauche, reçoit depuis au moins six mois sans interruption le minimum de moyens d'existence.
g. Par travailleur peu qualifié, on entend le travailleur, âgé de plus de 18 ans, qui n'est pas porteur :
1° soit d'un diplôme de l'enseignement universitaire;
2° soit d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement supérieur du type long ou du type court;
3° soit d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur.
§ 2. Les personnes ayant suivi le plan d'accompagnement élaboré pour les chômeurs tombent également dans les groupes-cibles visés par la présente convention collective de travail.
a. Par chômeur de longue durée, on entend le demandeur d'emploi qui, pendant les douze mois précédant son embauche, a bénéficié sans interruption d'allocations de chômage ou d'attente pour tous les jours de la semaine.
b. Par chômeur à qualification réduite, on entend le chômeur, âgé de plus de 18 ans, qui n'est pas porteur :
1° soit d'un diplôme de l'enseignement universitaire;
2° soit d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement supérieur du type long ou du type court;
3° soit d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur.
c. Par handicapé, on entend la personne handicapée-demandeur d'emploi qui, au moment de son embauche, est inscrite auprès du Fonds communautaire pour l'intégration sociale et professionnelle des handicapés ou du " Vlaams Fonds voor sociale integratie voor personen met een handicap ".
d. Par jeune à scolarité obligatoire à temps partiel, on entend le demandeur d'emploi âgé de moins de 18 ans qui est soumis à la scolarité obligatoire partielle et qui ne suit plus les cours de l'enseignement secondaire de plein exercice.
e. Par personne qui réintègre le marché de l'emploi, on entend le demandeur d'emploi qui satisfait à la fois aux conditions suivantes :
1° n'avoir pas bénéficié d'allocations de chômage ou d'allocations d'interruption pendant une période de trois ans précédant son embauche;
2° n'avoir pas exercé une activité professionnelle pendant une période de trois ans précédant son embauche;
3° pour la période de trois ans prévue aux 1° et 2°, avoir interrompu son activité professionnelle ou n'avoir jamais commencé une telle activité.
f. Par bénéficiaire du minimum de moyens d'existence, on entend le demandeur d'emploi qui, au moment de son embauche, reçoit depuis au moins six mois sans interruption le minimum de moyens d'existence.
g. Par travailleur peu qualifié, on entend le travailleur, âgé de plus de 18 ans, qui n'est pas porteur :
1° soit d'un diplôme de l'enseignement universitaire;
2° soit d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement supérieur du type long ou du type court;
3° soit d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur.
§ 2. Les personnes ayant suivi le plan d'accompagnement élaboré pour les chômeurs tombent également dans les groupes-cibles visés par la présente convention collective de travail.
Art. 5. Gelet op artikel 13 van voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst van 23 juni 1976, genieten de ondernemingen die in 1997 en 1998 een werknemer in dienst nemen die behoort tot de categorieën vermeld in artikel 3 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, een forfaitaire tegemoetkoming van maximum 10.000 F. per maand tewerkstelling met een maximum van 120.000 F op jaarbasis.
Deze tegemoetkoming wordt uitbetaald door het Sociaal Fonds voor de inplanting en het onderhoud van parken en tuinen.
De raad van bestuur van het Sociaal Fonds voor de inplanting en het onderhoud van parken en tuinen bepaalt de practische toekenningsvoorwaarden.
Deze tegemoetkoming wordt uitbetaald door het Sociaal Fonds voor de inplanting en het onderhoud van parken en tuinen.
De raad van bestuur van het Sociaal Fonds voor de inplanting en het onderhoud van parken en tuinen bepaalt de practische toekenningsvoorwaarden.
Art. 5. Vu l'article 13 de la convention collective de travail précitée du 23 juin 1976, les entreprises qui embauchent en 1997 et 1998 un travailleur appartenant aux catégories mentionnées à l'article 3 de la présente convention collective de travail bénéficient d'une intervention forfaitaire de 10.000 F au maximum par mois d'occupation, avec un maximum de 120.000 F sur une base annuelle.
Cette intervention est versée par le Fonds social pour l'implantation et l'entretien de parcs et jardins.
Le Conseil d'administration du Fonds social pour l'implantation et l'entretien de parcs et jardins détermine les conditions d'octroi pratiques.
Cette intervention est versée par le Fonds social pour l'implantation et l'entretien de parcs et jardins.
Le Conseil d'administration du Fonds social pour l'implantation et l'entretien de parcs et jardins détermine les conditions d'octroi pratiques.
Art. 6. De ondernemingen die in de jaren 1997 en 1998, de werknemers waarvoor een tewerkstellingspremie is toegekend of de laaggeschoolde werknemers een opleidings-, een omscholings- of een bijscholingsprogramma laten volgen, kunnen ten laste van het fonds een forfaitaire tegemoetkoming van maximum 8.000 F per maand ontvangen met een maximum van 80.000 F op jaarbasis.
Aan de werknemers die een attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat zij regelmatig een cursus "tuinbouw of tuinaanleg" behorende tot het korte type en van minimum 20 uren gevolgd hebben, wordt een forfaitair bedrag van 5.000 F uitbetaald.
Aan de werknemers die een attest kunnen voorleggen waaruit blijkt dat zij regelmatig een cursus "tuinbouw of tuinaanleg" behorende tot het korte type en van minimum 20 uren gevolgd hebben, wordt een forfaitair bedrag van 5.000 F uitbetaald.
Art. 6. Les entreprises qui, en 1997 et 1998, permettent aux travailleurs pour lesquels une prime d'embauche est octroyée ou aux travailleurs peu qualifiés de suivre un programme de formation, de recyclage ou de perfectionnement professionnel, peuvent, à charge du Fonds, recevoir une indemnité forfaitaire de 8.000 F par mois au maximum, avec un maximum de 80.000 F sur une base annuelle.
Il est payé un montant forfaitaire de 5.000 F aux travailleurs qui peuvent produire une attestation certifiant qu'ils ont suivi régulièrement un cours " horticulture ou aménagement de jardins " du type court et d'au moins 20 heures.
Il est payé un montant forfaitaire de 5.000 F aux travailleurs qui peuvent produire une attestation certifiant qu'ils ont suivi régulièrement un cours " horticulture ou aménagement de jardins " du type court et d'au moins 20 heures.
Art. 7. De bedragen en de periodes van tussenkomst vermeld in deze collectieve arbeidsovereenkomst evenals de uitgewerkte practische toekenningsvoorwaarden, kunnen door de raad van bestuur van het Sociaal Fonds voor de inplanting en het onderhoud van parken en tuinen aangepast worden in functie van de jaarlijks voorziene budgettaire bestedingsmogelijkheden.
Art. 7. Les montants et les périodes d'intervention mentionnés dans la présente convention collective de travail, ainsi que les conditions d'octroi pratiques, peuvent être adaptés par le Conseil d'administration du Fonds social pour l'implantation et l'entretien de parcs et jardins en fonction des possibilités d'affectation budgétaires annuelles.
Art. 8. In toepassing van artikel 3 van voornoemd koninklijk besluit van 27 januari 1997 zullen de ondertekenende partijen een evaluatieverslag en een financieel rapport neerleggen op de Griffie van de Dienst van de collectieve arbeidsbetrekkingen van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en dit tegen uiterlijk 1 juli van het jaar dat volgt op het jaar 1997 en het jaar 1998.
Art. 8. En application de l'article 3 de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 précité, les parties signataires déposeront un rapport d'évaluation et un rapport financier au Greffe du Service des Relations collectives de travail du Ministère de l'Emploi et du Travail au plus tard le 1er juillet de l'année suivant l'année 1997 et l'année 1998.
Art. 9. Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 1 januari 1997 en houdt op van kracht te zijn op 1 januari 1999.
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 juli 1998.
(Voor het KB, zie %%1998-07-05/63%%).
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 juli 1998.
(Voor het KB, zie %%1998-07-05/63%%).
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
Art. 9. La présente convention collective de travail entre en vigueur le 1er janvier 1997 et cesse d'être en vigueur le 1er janvier 1999.
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 5 juillet 1998.
(Pour l'AR, voir %%1998-07-05/63%%).
La Ministre de l'Emploi et du Travail,
Mme M. SMET
Vu pour être annexé à l'arrêté royal du 5 juillet 1998.
(Pour l'AR, voir %%1998-07-05/63%%).
La Ministre de l'Emploi et du Travail,
Mme M. SMET