Artikel 1. Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding, wordt aangevuld met volgende begripsomschrijvingen :
"24° BNCTO : het Brussels Nederlandstalig Comité voor Tewerkstelling en Opleiding waarvan de opdracht, bevoegdheid en samenstelling worden geregeld op basis van het samenwerkingsakkoord van 4 april 1996 tussen de Vlaamse regering en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
25° EduFora : samenwerkingsverbanden tussen publieke opleidingsverstrekkers in elke streek van Vlaanderen, het werkingsgebied van een EduForum valt samen met de STC-ambtsgebieden;
26° Streekplatformen : de streekplatformen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 1994 betreffende de erkenning en betoelaging in het kader van het regionaal economisch beleid en het afsluiten van streekcharters;
27° VIONA : het Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering;
28° SERV : de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
7 JULI 1998. - Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van artikelen 1 en 6 tot en met 23 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding.
Titre
7 JUILLET 1998. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant les articles 1er et 6 à 23 inclus de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 1988 portant organisation de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Tekst (4)
Texte (4)
Article 1. L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 1988 portant organisation de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle est complété par les définitions suivantes :
" 24° le BNCTO : le Comité bruxellois néerlandophone pour l'emploi et la formation, dont les missions, les compétences et la composition sont réglées sur la base de l'accord de coopération du 4 avril 1996 entre le Gouvernement flamand et la Région de Bruxelles-Capitale;
25° les EduFora : structures de coopération entre les organisateurs publics de formations dans toutes les sous-régions de la Flandre; le rayon d'action d'un EduForum coïncide avec celui des S.T.C. (comités subrégionaux de l'emploi);
26° les plates-formes subrégionales : les plates-formes subrégionales telles que définies par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 1994 portant agrément et fixant le subventionnement des plates-formes subrégionales dans le cadre de la politique économique régionale et de la conclusion des chartes subrégionales;
27° le VIONA : le réseau de recherche interuniversitaire flamand pour l'observation du marché de l'emploi;
28° le SERV : le Conseil socio-économique de la Flandre. ".
" 24° le BNCTO : le Comité bruxellois néerlandophone pour l'emploi et la formation, dont les missions, les compétences et la composition sont réglées sur la base de l'accord de coopération du 4 avril 1996 entre le Gouvernement flamand et la Région de Bruxelles-Capitale;
25° les EduFora : structures de coopération entre les organisateurs publics de formations dans toutes les sous-régions de la Flandre; le rayon d'action d'un EduForum coïncide avec celui des S.T.C. (comités subrégionaux de l'emploi);
26° les plates-formes subrégionales : les plates-formes subrégionales telles que définies par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 1994 portant agrément et fixant le subventionnement des plates-formes subrégionales dans le cadre de la politique économique régionale et de la conclusion des chartes subrégionales;
27° le VIONA : le réseau de recherche interuniversitaire flamand pour l'observation du marché de l'emploi;
28° le SERV : le Conseil socio-économique de la Flandre. ".
Art. 2. Titel I, Hoofdstuk II, Afdeling 3 van hetzelfde besluit, dat de artikelen 6 tot en met 23 bevat, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
"Art. 6. § 1. Bij elke subregionale tewerkstellingsdienst (STD) wordt een subregionaal tewerkstellingscomite (STC) opgericht waarvan het territoriaal bevoegdheidsgebied (subregio) samenvalt met het ambtsgebied van de betrokken subregionale tewerkstellingsdienst(en).
De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, kan op voorstel of na raadpleging van het Beheerscomité, afwijken van deze regel.
§ 2. Het Beheerscomité enerzijds en de administratie Werkgelegenheid van het Departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap anderzijds nemen, met goedkeuring van de Vlaamse minister bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, de nodige schikkingen om de werking van de subregionale tewerkstellingscomités mogelijk te maken.
§ 3. Een Stuurgroep, zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit, coördineert op Vlaams niveau de werking van de STC's. Deze stuurgroep functioneert als VESOC-werkgroep.
§ 4. De opdracht, bevoegdheid en samenstelling, van het Brussels Nederlandstalig Comité voor Tewerkstelling en Opleiding (BNCTO) worden geregeld op basis van het samenwerkingsakkoord van 4 april 1996 tussen de Vlaamse regering en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De ondersteuning en werking van het BNCTO gebeuren, waar mogelijk, op basis van dit besluit.
Art. 7. § 1. Het STC coördineert en stimuleert het arbeidsmarktbeleid binnen zijn subregio, met daarbij bijzondere aandacht voor het doelgroepenbeleid.
§ 2. Het STC beschikt hiertoe over :
1° een autonome studie-, advies- en aanbevelingsbevoegdheid betreffende het arbeidsmarktbeleid, inzonderheid inzake tewerkstelling, begeleiding en opleiding;
2° beslissingsrecht in die materies waarover de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, of het Beheerscomité die bevoegdheid gedelegeerd heeft;
3° eigen initiatiefrecht inzake materies zoals onder meer vermeld in artikel 9, § 2 van dit besluit.
§ 3. Het STC bevordert de samenwerking en het overleg tussen werkgevers, werkgeversorganisaties, werknemers, werknemersorganisaties, onderwijs- en opleidingsinstanties, lokale besturen en andere voor het subregionaal arbeidsmarktbeleid relevant geachte actoren.
Er dient regelmatig overleg georganiseerd te worden met vertegenwoordigers van het onderwijs, de lokale besturen en met andere subregionale lokale actoren, waaronder de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen.
Het STC werkt ook samen met andere advies- en overlegorganen, in het bijzonder met de EduFora en de Streekplatforms.
Art. 8. § 1. Het STC behandelt alle aangelegenheden die worden voorgelegd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, door het Beheerscomité of door de Stuurgroep.
§ 2. Het STC wordt er in het kader van het subregionaal arbeidsmarktbeleid ondermeer mee belast :
1° jaarlijks een beleidsplan op te maken, waarin ondermeer het STD-beleidsplan opgenomen is;
2° informatie te verstrekken over de arbeidsmarktproblematiek;
3° advies te verstrekken over aangelegenheden betreffende het arbeidsmarktbeleid, inzonderheid inzake tewerkstelling, begeleiding en opleiding. Deze worden voorgelegd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, door het Beheerscomité, door de Stuurgroep of door de Edufora;
4° toe te zien op een objectieve behandeling van de werkzoekenden bij de arbeidsbemiddeling, begeleiding en opleiding, georganiseerd door de dienst of door andere instellingen, die ofwel erkend zijn door de dienst ofwel gesubsidieerd zijn door de Vlaamse overheid. Daarbij wordt uitgegaan van het Charter van de Werkzoekende;
5° te adviseren over federale materies waarover de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, met de federale overheid overleg heeft gepleegd.
§ 3. De STC's kunnen in opdracht van de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, het Beheerscomité, de Stuurgroep of op eigen initiatief, gezamenlijk aangelegenheden behandelen die de eigen subregio overschrijden.
§ 4. De STC's leggen jaarlijks aan de Stuurgroep enerzijds een omstandig verslag over hun werkzaamheden, waaronder een werkingsverslag van de VZW opgericht in toepassing van artikel 9 van dit besluit, en anderzijds hun aanbevelingen voor.
De adviezen en aanbevelingen die de STC's op eigen initiatief uitbrengen, worden onmiddellijk ter informatie aan de Stuurgroep overgemaakt.
Art. 9. § 1. De STC's kunnen ter uitvoering van het hen toegekende initiatiefrecht, zoals bepaald in artikel 7, § 2, 3°, van dit besluit, een v.z.w. oprichten, die erkend wordt door de Stuurgroep.
§ 2. Deze v.z.w. laat het STC toe initiatieven te nemen op het vlak van onder meer :
1° het stimuleren van de afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt;
2° het stimuleren van de sociale economie, zowel binnen als buiten het normaal economisch circuit;
3° het stimuleren van positieve actieprojecten die de reguliere tewerkstelling van doelgroepwerkzoekenden beogen.
§ 3. Deze v.z.w. kan hiertoe het nodige personeel aanwerven, waaronder een coördinator en projectontwikkelaar(s).
Art. 10. § 1. De inhoudelijke ondersteuning van de werking van het STC geschiedt, elk voor wat zijn materies en bevoegdheden betreft, door : 1° de vertegenwoordiger van de Administratie Werkgelegenheid;
2° een voltijds personeelslid van de STD;
3° de personeelsleden van de v.z.w. zoals bedoeld in artikel 9, § 3;
4° wanneer relevant het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming.
§ 2. De administratieve ondersteuning van ieder STC wordt verzorgd door een voltijds personeelslid van de STD, dat door de directeur van de dienst in overleg met de voorzitter van het STC ter beschikking gesteld wordt en de opdrachten uitvoert die de voorzitter van het STC hem opdraagt.
§ 3. De STC's kunnen ter uitvoering van hun taken beschikken over studies, rapporten en verslagen, inzonderheid van de dienst, de administratie Werkgelegenheid, VIONA, de SERV.
§ 4. Het STC kan desgevallend beschikken over andere middelen en personeelsleden die ter beschikking gesteld worden :
1° door de directeur van de STD,
2° door de directeur-generaal van de Administratie Werkgelegenheid,
dit na overleg en rekening houdend met het personeelsbestand en de uit te voeren taken binnen deze diensten.
Art. 11. § 1. De werkingskosten van de STC's worden aangerekend op het krediet dat daartoe jaarlijks wordt ingeschreven op de begroting van de dienst.
Het Beheerscomité stelt daartoe jaarlijks, na raadpleging van de STC's en rekening houdend met de door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, verstrekte richtlijnen, een begroting op met vermelding van het bedrag waarover elk STC binnen dit krediet autonoom kan beschikken.
§ 2. In het kader van de werking van de v.z.w. worden middelen voorzien op de begroting werkgelegenheid.
§ 3. In het kader van de werking van de Stuurgroep en het ondersteunend team worden middelen voorzien op de begroting werkgelegenheid.
Art. 12. § 1. Elk STC is samengesteld uit :
1° de voorzitter;
2° de stemgerechtigde leden :
- zes vertegenwoordigers en een gelijk aantal plaatsvervangers, van de werkgeversorganisaties die in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen zitting hebben;
- zes vertegenwoordigers en een gelijk aantal plaatsvervangers, van de werknemersorganisaties die in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen zitting hebben;
3° de toegevoegde leden :
- de secretaris, personeelslid van de dienst zoals bepaald in artikel 10, § 2, van dit besluit;
- de directeur(s) van de STD('s) uit het werkingsgebied van het STC;
- de vertegenwoordiger van de Administratie Werkgelegenheid;
- de coördinator, zoals bedoeld in artikel 9, § 3, van dit besluit;
- de vertegenwoordiger van de lokale besturen met het statuut van waarnemer; deze vertegenwoordiger wordt in onderling overleg tweejaarlijks door de lokale besturen aangeduid;
- de vertegenwoordiger van de lokale opleidings- en tewerkstellingsinitiatieven, met het statuut van waarnemer.
§ 2. Op verzoek van het STC kunnen aan de vergadering, hetzij permanent - hetzij ad hoc, deelnemen :
- de medewerker van de STD zoals bedoeld in artikel 10, § 1, 2°, van dit besluit;
- deskundigen wier medewerking het STC nodig acht voor de uitvoering van zijn opdrachten.
Art. 13. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, benoemt de effectieve en plaatsvervangende leden van de werkgevers- en werknemersorganisaties, die daartoe een dubbele lijst van kandidaten voordragen.
Elk effectief lid kan door één van de plaatsvervangers van dezelfde organisatie worden vervangen.
Het aantal mandaten van elke werknemersorganisatie in elk STC wordt bepaald op grond van het totaal aantal stemmen behaald tijdens de meest recente verkiezingen van de comités voor preventie en bescherming op het werk. Hierbij wordt geen rekening gehouden met het stemmenaantal behaald in het onderwijs.
De berekening van het aantal mandaten per werknemersorganisatie gebeurt volgens de techniek van de evenredige vertegenwoordiging.
Art. 14. § 1. De voorzitter van het STC wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, benoemd : - op voordracht van de leden van het STC indien deze voordracht eenparig gebeurt;
- rechtstreeks indien geen eenparigheid wordt bereikt.
Indien de voorzitter wordt gekozen uit de werkgevers- of werknemersafvaardiging, wordt hij in deze afvaardiging vervangen.
§ 2. De werkgevers- en werknemersorganisaties wijzen elk in hun afvaardiging een ondervoorzitter van het STC aan.
Indien daarover binnen elk van deze afvaardigingen geen eenstemmigheid wordt bereikt, worden de ondervoorzitters door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, aangewezen.
De ondervoorzitter is niet stemgerechtigd wanneer hij de vergadering voorzit.
Art. 15. De duur van de mandaten is vastgesteld op vier jaar. Deze mandaten kunnen worden vernieuwd.
Art. 16. § 1. De beslissingen van het STC worden met gewone meerderheid genomen.
§ 2. Het STC kan alleen geldig beraadslagen wanneer de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is.
Indien, tijdens twee achtereenvolgende vergaderingen, aan deze voorwaarde niet is voldaan, kan het subregionale tewerkstellingscomité over de agendapunten van deze vergaderingen geldig beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden.
Art. 17. Het STC stelt een huishoudelijk reglement op dat met eenparigheid van stemmen aangenomen wordt. Alleen bij ontstentenis van eenparigheid van stemmen, stelt de Stuurgroep zelf een huishoudelijk reglement vast.
Art. 18. Het STC kan tijdelijke en permanente werkgroepen oprichten volgens de wijze bepaald in het huishoudelijk reglement. Deze werkgroepen werken als adviesorganen ten aanzien van het STC.
Aan deze werkgroepen en subcomités kunnen ook, met eenparigheid van stemmen, duidelijk omschreven bevoegdheden gedelegeerd worden.
Art. 19. § 1. In elk STC wordt een permanente werkgroep "risicogroepen" (PWR) opgericht. § 2. De PWR heeft onder meer tot taak :
1° het bepalen van de risicogroepen op de subregionale arbeidsmarkt;
2° een beleidsplan opstellen over deze risicogroepen en over de door de Vlaamse regering bepaalde doelgroepen. Dit beleidsplan wordt geïntegreerd in het beleidsplan van het STC;
3° het bevorderen van het overleg en de netwerkvorming tussen organisaties, instellingen en verenigingen die zich de professionele integratie van risicogroepen tot taak stellen;
4° het bevorderen van de evenredige participatie van deze risicogroepen in de diverse voorzieningen, inzonderheid in de door de overheid gesubsidieerde initiatieven inzake opleiding, begeleiding en tewerkstelling;
5° het stimuleren en ondersteunen van initiatieven betreffende de professionele integratie van risicogroepen;
6° de coördinatie van het (geïntegreerd) aanbod van de initiatieven ten aanzien van de risicogroepen, opgezet door de openbare en private instellingen voor bemiddeling, begeleiding en opleiding;
7° het formuleren van beleidsaanbevelingen ten aanzien van het STC, inzake de professionele integratie van risicogroepen.
De Stuurgroep kan, mits goedkeuring van de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, een verdere taakomschrijving van deze permanente werkgroep bepalen.
§ 3. De PWR is samengesteld uit :
1° leden aangeduid door het STC :
- de voorzitter;
- twee vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers van de werkgeversorganisaties;
- twee vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers van de werknemersorganisaties;
2° toegevoegde leden :
- de secretaris, personeelslid van de STD, zoals bepaald in artikel 10, § 2, van dit besluit;
- de directeur of de door hem aangeduide ambtenaar van de STD uit de subregio;
- de vertegenwoordiger van de Administratie Werkgelegenheid;
- de medewerker van de STD zoals bedoeld in artikel 10, § 1, 2°, van dit besluit;
- de coördinator zoals bedoeld in artikel 9, § 3, van dit besluit;
- de projectontwikkelaar(s) zoals bedoeld in artikel 9, § 3, van dit besluit;
- de vertegenwoordiger van de particuliere opleidings- en tewerkstellingsinitiatieven voor risicogroepen;
- de vertegenwoordiger van de lokale besturen;
3° op verzoek van het STC kunnen aan de vergadering, hetzij permanent hetzij ad hoc, deskundigen deelnemen, zoals in het bijzonder :
- een vertegenwoordiger van de sector van de professionele integratie van personen met een handicap, aangeduid door de Vlaamse minister, bevoegd voor het gehandicaptenbeleid;
- een vertegenwoordiger van onderwijsinstanties uit het werkingsgebied.
§ 4. De ondersteuning van de werking van de PWR geschiedt zoals de ondersteuning ten aanzien van het STC, vermeld in artikel 10 van dit besluit.
Art. 20. § 1. Op Vlaams niveau wordt er een Stuurgroep opgericht die instaat voor de coördinatie en het stimuleren van het subregionale arbeidsmarktbeleid.
Deze Stuurgroep fungeert als overlegplatform tussen de STC's onderling, tussen de STC's en het centrale beleid en zorgt voor ondersteuning en stimulering van een gezamenlijke aanpak op ondermeer :
1° de domeinen van de behoeftendetectie;
2° de lokale tewerkstellingsintiatieven;
3° de tewerkstelling van doelgroepen op het subregionale niveau;
4° de afstemming van opleiding op de noden van de arbeidsmarkt.
§ 2. De Stuurgroep is bevoegd in haar schoot technische werkgroepen op te richten.
§ 3. De Stuurgroep bestaat uit de volgende leden :
1° 2 vertegenwoordigers van de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, waaronder de voorzitter;
2° 1 vertegenwoordiger van elke andere Vlaamse minister die zitting heeft in het Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité, zijnde de minister-president van de Vlaamse regering, de minister vice-president van de Vlaamse regering, de Vlaamse minister bevoegd voor Economie, de Vlaamse minister bevoegd voor Begroting;
3° 3 vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers van de werkgeversorganisaties die in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen zitting hebben;
4° 3 vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers van de werknemersorganisaties die in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen zitting hebben;
5° 2 vertegenwoordigers van de administratie Werkgelegenheid, waaronder de coördinator van het ondersteunend team, zoals bepaald in § 4, 1°, van dit artikel;
6° 2 vertegenwoordigers van de dienst;
7° de voorzitter en een plaatsvervanger van elk STC en van het BNCTO;
8° een vertegenwoordiger van de lokale en particuliere opleidings- en tewerkstellingsprojecten;
9° een vertegenwoordiger van de lokale besturen;
10° een vertegenwoordiger van de SERV.
Elk effectief lid kan door zijn/haar plaatsvervanger van dezelfde organisatie vervangen worden.
§ 4. De werking van deze stuurgroep wordt ondersteund door een team bestaande uit :
1° een algemeen coördinator die voor de algemene coördinatie en werking instaat;
2° een coördinator in het kader van de tewerkstellingsproblematiek van migranten;
3° een coördinator in het kader van projectontwikkeling voor risicogroepen;
4° ondersteunend administratief personeel.
§ 5. Het Team werkt vanuit de administratie Werkgelegenheid.
§ 6. De Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen vervult de secretariaatsfunctie van de Stuurgroep (uitnodiging en verslag).
§ 7. De Stuurgroep stelt een huishoudelijk reglement op, dat haar werking regelt.".
"Art. 6. § 1. Bij elke subregionale tewerkstellingsdienst (STD) wordt een subregionaal tewerkstellingscomite (STC) opgericht waarvan het territoriaal bevoegdheidsgebied (subregio) samenvalt met het ambtsgebied van de betrokken subregionale tewerkstellingsdienst(en).
De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, kan op voorstel of na raadpleging van het Beheerscomité, afwijken van deze regel.
§ 2. Het Beheerscomité enerzijds en de administratie Werkgelegenheid van het Departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap anderzijds nemen, met goedkeuring van de Vlaamse minister bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, de nodige schikkingen om de werking van de subregionale tewerkstellingscomités mogelijk te maken.
§ 3. Een Stuurgroep, zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit, coördineert op Vlaams niveau de werking van de STC's. Deze stuurgroep functioneert als VESOC-werkgroep.
§ 4. De opdracht, bevoegdheid en samenstelling, van het Brussels Nederlandstalig Comité voor Tewerkstelling en Opleiding (BNCTO) worden geregeld op basis van het samenwerkingsakkoord van 4 april 1996 tussen de Vlaamse regering en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De ondersteuning en werking van het BNCTO gebeuren, waar mogelijk, op basis van dit besluit.
Art. 7. § 1. Het STC coördineert en stimuleert het arbeidsmarktbeleid binnen zijn subregio, met daarbij bijzondere aandacht voor het doelgroepenbeleid.
§ 2. Het STC beschikt hiertoe over :
1° een autonome studie-, advies- en aanbevelingsbevoegdheid betreffende het arbeidsmarktbeleid, inzonderheid inzake tewerkstelling, begeleiding en opleiding;
2° beslissingsrecht in die materies waarover de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, of het Beheerscomité die bevoegdheid gedelegeerd heeft;
3° eigen initiatiefrecht inzake materies zoals onder meer vermeld in artikel 9, § 2 van dit besluit.
§ 3. Het STC bevordert de samenwerking en het overleg tussen werkgevers, werkgeversorganisaties, werknemers, werknemersorganisaties, onderwijs- en opleidingsinstanties, lokale besturen en andere voor het subregionaal arbeidsmarktbeleid relevant geachte actoren.
Er dient regelmatig overleg georganiseerd te worden met vertegenwoordigers van het onderwijs, de lokale besturen en met andere subregionale lokale actoren, waaronder de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappijen.
Het STC werkt ook samen met andere advies- en overlegorganen, in het bijzonder met de EduFora en de Streekplatforms.
Art. 8. § 1. Het STC behandelt alle aangelegenheden die worden voorgelegd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, door het Beheerscomité of door de Stuurgroep.
§ 2. Het STC wordt er in het kader van het subregionaal arbeidsmarktbeleid ondermeer mee belast :
1° jaarlijks een beleidsplan op te maken, waarin ondermeer het STD-beleidsplan opgenomen is;
2° informatie te verstrekken over de arbeidsmarktproblematiek;
3° advies te verstrekken over aangelegenheden betreffende het arbeidsmarktbeleid, inzonderheid inzake tewerkstelling, begeleiding en opleiding. Deze worden voorgelegd door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, door het Beheerscomité, door de Stuurgroep of door de Edufora;
4° toe te zien op een objectieve behandeling van de werkzoekenden bij de arbeidsbemiddeling, begeleiding en opleiding, georganiseerd door de dienst of door andere instellingen, die ofwel erkend zijn door de dienst ofwel gesubsidieerd zijn door de Vlaamse overheid. Daarbij wordt uitgegaan van het Charter van de Werkzoekende;
5° te adviseren over federale materies waarover de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, met de federale overheid overleg heeft gepleegd.
§ 3. De STC's kunnen in opdracht van de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, het Beheerscomité, de Stuurgroep of op eigen initiatief, gezamenlijk aangelegenheden behandelen die de eigen subregio overschrijden.
§ 4. De STC's leggen jaarlijks aan de Stuurgroep enerzijds een omstandig verslag over hun werkzaamheden, waaronder een werkingsverslag van de VZW opgericht in toepassing van artikel 9 van dit besluit, en anderzijds hun aanbevelingen voor.
De adviezen en aanbevelingen die de STC's op eigen initiatief uitbrengen, worden onmiddellijk ter informatie aan de Stuurgroep overgemaakt.
Art. 9. § 1. De STC's kunnen ter uitvoering van het hen toegekende initiatiefrecht, zoals bepaald in artikel 7, § 2, 3°, van dit besluit, een v.z.w. oprichten, die erkend wordt door de Stuurgroep.
§ 2. Deze v.z.w. laat het STC toe initiatieven te nemen op het vlak van onder meer :
1° het stimuleren van de afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt;
2° het stimuleren van de sociale economie, zowel binnen als buiten het normaal economisch circuit;
3° het stimuleren van positieve actieprojecten die de reguliere tewerkstelling van doelgroepwerkzoekenden beogen.
§ 3. Deze v.z.w. kan hiertoe het nodige personeel aanwerven, waaronder een coördinator en projectontwikkelaar(s).
Art. 10. § 1. De inhoudelijke ondersteuning van de werking van het STC geschiedt, elk voor wat zijn materies en bevoegdheden betreft, door : 1° de vertegenwoordiger van de Administratie Werkgelegenheid;
2° een voltijds personeelslid van de STD;
3° de personeelsleden van de v.z.w. zoals bedoeld in artikel 9, § 3;
4° wanneer relevant het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming.
§ 2. De administratieve ondersteuning van ieder STC wordt verzorgd door een voltijds personeelslid van de STD, dat door de directeur van de dienst in overleg met de voorzitter van het STC ter beschikking gesteld wordt en de opdrachten uitvoert die de voorzitter van het STC hem opdraagt.
§ 3. De STC's kunnen ter uitvoering van hun taken beschikken over studies, rapporten en verslagen, inzonderheid van de dienst, de administratie Werkgelegenheid, VIONA, de SERV.
§ 4. Het STC kan desgevallend beschikken over andere middelen en personeelsleden die ter beschikking gesteld worden :
1° door de directeur van de STD,
2° door de directeur-generaal van de Administratie Werkgelegenheid,
dit na overleg en rekening houdend met het personeelsbestand en de uit te voeren taken binnen deze diensten.
Art. 11. § 1. De werkingskosten van de STC's worden aangerekend op het krediet dat daartoe jaarlijks wordt ingeschreven op de begroting van de dienst.
Het Beheerscomité stelt daartoe jaarlijks, na raadpleging van de STC's en rekening houdend met de door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, verstrekte richtlijnen, een begroting op met vermelding van het bedrag waarover elk STC binnen dit krediet autonoom kan beschikken.
§ 2. In het kader van de werking van de v.z.w. worden middelen voorzien op de begroting werkgelegenheid.
§ 3. In het kader van de werking van de Stuurgroep en het ondersteunend team worden middelen voorzien op de begroting werkgelegenheid.
Art. 12. § 1. Elk STC is samengesteld uit :
1° de voorzitter;
2° de stemgerechtigde leden :
- zes vertegenwoordigers en een gelijk aantal plaatsvervangers, van de werkgeversorganisaties die in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen zitting hebben;
- zes vertegenwoordigers en een gelijk aantal plaatsvervangers, van de werknemersorganisaties die in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen zitting hebben;
3° de toegevoegde leden :
- de secretaris, personeelslid van de dienst zoals bepaald in artikel 10, § 2, van dit besluit;
- de directeur(s) van de STD('s) uit het werkingsgebied van het STC;
- de vertegenwoordiger van de Administratie Werkgelegenheid;
- de coördinator, zoals bedoeld in artikel 9, § 3, van dit besluit;
- de vertegenwoordiger van de lokale besturen met het statuut van waarnemer; deze vertegenwoordiger wordt in onderling overleg tweejaarlijks door de lokale besturen aangeduid;
- de vertegenwoordiger van de lokale opleidings- en tewerkstellingsinitiatieven, met het statuut van waarnemer.
§ 2. Op verzoek van het STC kunnen aan de vergadering, hetzij permanent - hetzij ad hoc, deelnemen :
- de medewerker van de STD zoals bedoeld in artikel 10, § 1, 2°, van dit besluit;
- deskundigen wier medewerking het STC nodig acht voor de uitvoering van zijn opdrachten.
Art. 13. De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, benoemt de effectieve en plaatsvervangende leden van de werkgevers- en werknemersorganisaties, die daartoe een dubbele lijst van kandidaten voordragen.
Elk effectief lid kan door één van de plaatsvervangers van dezelfde organisatie worden vervangen.
Het aantal mandaten van elke werknemersorganisatie in elk STC wordt bepaald op grond van het totaal aantal stemmen behaald tijdens de meest recente verkiezingen van de comités voor preventie en bescherming op het werk. Hierbij wordt geen rekening gehouden met het stemmenaantal behaald in het onderwijs.
De berekening van het aantal mandaten per werknemersorganisatie gebeurt volgens de techniek van de evenredige vertegenwoordiging.
Art. 14. § 1. De voorzitter van het STC wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, benoemd : - op voordracht van de leden van het STC indien deze voordracht eenparig gebeurt;
- rechtstreeks indien geen eenparigheid wordt bereikt.
Indien de voorzitter wordt gekozen uit de werkgevers- of werknemersafvaardiging, wordt hij in deze afvaardiging vervangen.
§ 2. De werkgevers- en werknemersorganisaties wijzen elk in hun afvaardiging een ondervoorzitter van het STC aan.
Indien daarover binnen elk van deze afvaardigingen geen eenstemmigheid wordt bereikt, worden de ondervoorzitters door de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, aangewezen.
De ondervoorzitter is niet stemgerechtigd wanneer hij de vergadering voorzit.
Art. 15. De duur van de mandaten is vastgesteld op vier jaar. Deze mandaten kunnen worden vernieuwd.
Art. 16. § 1. De beslissingen van het STC worden met gewone meerderheid genomen.
§ 2. Het STC kan alleen geldig beraadslagen wanneer de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is.
Indien, tijdens twee achtereenvolgende vergaderingen, aan deze voorwaarde niet is voldaan, kan het subregionale tewerkstellingscomité over de agendapunten van deze vergaderingen geldig beslissen, ongeacht het aantal aanwezige leden.
Art. 17. Het STC stelt een huishoudelijk reglement op dat met eenparigheid van stemmen aangenomen wordt. Alleen bij ontstentenis van eenparigheid van stemmen, stelt de Stuurgroep zelf een huishoudelijk reglement vast.
Art. 18. Het STC kan tijdelijke en permanente werkgroepen oprichten volgens de wijze bepaald in het huishoudelijk reglement. Deze werkgroepen werken als adviesorganen ten aanzien van het STC.
Aan deze werkgroepen en subcomités kunnen ook, met eenparigheid van stemmen, duidelijk omschreven bevoegdheden gedelegeerd worden.
Art. 19. § 1. In elk STC wordt een permanente werkgroep "risicogroepen" (PWR) opgericht. § 2. De PWR heeft onder meer tot taak :
1° het bepalen van de risicogroepen op de subregionale arbeidsmarkt;
2° een beleidsplan opstellen over deze risicogroepen en over de door de Vlaamse regering bepaalde doelgroepen. Dit beleidsplan wordt geïntegreerd in het beleidsplan van het STC;
3° het bevorderen van het overleg en de netwerkvorming tussen organisaties, instellingen en verenigingen die zich de professionele integratie van risicogroepen tot taak stellen;
4° het bevorderen van de evenredige participatie van deze risicogroepen in de diverse voorzieningen, inzonderheid in de door de overheid gesubsidieerde initiatieven inzake opleiding, begeleiding en tewerkstelling;
5° het stimuleren en ondersteunen van initiatieven betreffende de professionele integratie van risicogroepen;
6° de coördinatie van het (geïntegreerd) aanbod van de initiatieven ten aanzien van de risicogroepen, opgezet door de openbare en private instellingen voor bemiddeling, begeleiding en opleiding;
7° het formuleren van beleidsaanbevelingen ten aanzien van het STC, inzake de professionele integratie van risicogroepen.
De Stuurgroep kan, mits goedkeuring van de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, een verdere taakomschrijving van deze permanente werkgroep bepalen.
§ 3. De PWR is samengesteld uit :
1° leden aangeduid door het STC :
- de voorzitter;
- twee vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers van de werkgeversorganisaties;
- twee vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers van de werknemersorganisaties;
2° toegevoegde leden :
- de secretaris, personeelslid van de STD, zoals bepaald in artikel 10, § 2, van dit besluit;
- de directeur of de door hem aangeduide ambtenaar van de STD uit de subregio;
- de vertegenwoordiger van de Administratie Werkgelegenheid;
- de medewerker van de STD zoals bedoeld in artikel 10, § 1, 2°, van dit besluit;
- de coördinator zoals bedoeld in artikel 9, § 3, van dit besluit;
- de projectontwikkelaar(s) zoals bedoeld in artikel 9, § 3, van dit besluit;
- de vertegenwoordiger van de particuliere opleidings- en tewerkstellingsinitiatieven voor risicogroepen;
- de vertegenwoordiger van de lokale besturen;
3° op verzoek van het STC kunnen aan de vergadering, hetzij permanent hetzij ad hoc, deskundigen deelnemen, zoals in het bijzonder :
- een vertegenwoordiger van de sector van de professionele integratie van personen met een handicap, aangeduid door de Vlaamse minister, bevoegd voor het gehandicaptenbeleid;
- een vertegenwoordiger van onderwijsinstanties uit het werkingsgebied.
§ 4. De ondersteuning van de werking van de PWR geschiedt zoals de ondersteuning ten aanzien van het STC, vermeld in artikel 10 van dit besluit.
Art. 20. § 1. Op Vlaams niveau wordt er een Stuurgroep opgericht die instaat voor de coördinatie en het stimuleren van het subregionale arbeidsmarktbeleid.
Deze Stuurgroep fungeert als overlegplatform tussen de STC's onderling, tussen de STC's en het centrale beleid en zorgt voor ondersteuning en stimulering van een gezamenlijke aanpak op ondermeer :
1° de domeinen van de behoeftendetectie;
2° de lokale tewerkstellingsintiatieven;
3° de tewerkstelling van doelgroepen op het subregionale niveau;
4° de afstemming van opleiding op de noden van de arbeidsmarkt.
§ 2. De Stuurgroep is bevoegd in haar schoot technische werkgroepen op te richten.
§ 3. De Stuurgroep bestaat uit de volgende leden :
1° 2 vertegenwoordigers van de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, waaronder de voorzitter;
2° 1 vertegenwoordiger van elke andere Vlaamse minister die zitting heeft in het Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité, zijnde de minister-president van de Vlaamse regering, de minister vice-president van de Vlaamse regering, de Vlaamse minister bevoegd voor Economie, de Vlaamse minister bevoegd voor Begroting;
3° 3 vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers van de werkgeversorganisaties die in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen zitting hebben;
4° 3 vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers van de werknemersorganisaties die in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen zitting hebben;
5° 2 vertegenwoordigers van de administratie Werkgelegenheid, waaronder de coördinator van het ondersteunend team, zoals bepaald in § 4, 1°, van dit artikel;
6° 2 vertegenwoordigers van de dienst;
7° de voorzitter en een plaatsvervanger van elk STC en van het BNCTO;
8° een vertegenwoordiger van de lokale en particuliere opleidings- en tewerkstellingsprojecten;
9° een vertegenwoordiger van de lokale besturen;
10° een vertegenwoordiger van de SERV.
Elk effectief lid kan door zijn/haar plaatsvervanger van dezelfde organisatie vervangen worden.
§ 4. De werking van deze stuurgroep wordt ondersteund door een team bestaande uit :
1° een algemeen coördinator die voor de algemene coördinatie en werking instaat;
2° een coördinator in het kader van de tewerkstellingsproblematiek van migranten;
3° een coördinator in het kader van projectontwikkeling voor risicogroepen;
4° ondersteunend administratief personeel.
§ 5. Het Team werkt vanuit de administratie Werkgelegenheid.
§ 6. De Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen vervult de secretariaatsfunctie van de Stuurgroep (uitnodiging en verslag).
§ 7. De Stuurgroep stelt een huishoudelijk reglement op, dat haar werking regelt.".
Art. 2. Le Titre 1er, Chapitre II, Section 3 du même arrêté, qui contient les articles 6 à 23 inclus, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 6. § 1er. Il est créé auprès de chaque Service subrégional de l'Emploi (S.T.D.) un Comité subrégional de l'emploi (S.T.C.) dont la compétence territoriale (sous-région) coïncide avec le ressort du (des) Service(s) subrégional (aux) de l'Emploi concerné(s).
Le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi peut, sur la proposition ou après consultation du Comité de gestion, déroger à cette règle.
§ 2. Le Comité de gestion, d'une part, et l'Administration de l'Emploi du Département de l'Economie, de l'Emploi, des Affaires intérieures et de l'Agriculture du Ministère de la Communauté flamande d'autre part, prennent, moyennant l'approbation du Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, les mesures nécessaires au fonctionnement des comités subrégionaux de l'emploi.
§ 3. Un Comité d'accompagnement tel que défini à l'article 20 du présent arrêté coordonne, au niveau flamand, les activités des S.T.C.. Ce Comité d'accompagnement fonctionne comme groupe de travail du VESOC.
§ 4. Les missions, les compétences et la composition du Comité bruxellois néerlandophone pour l'emploi et la formation (BNCTO) sont réglées sur la base de l'accord de coopération du 4 avril 1996 entre le Gouvernement flamand et la Région de Bruxelles-Capitale. L'encadrement et le fonctionnement du BNCTO s'effectuent, dans la mesure du possible, sur la base du présent arrêté. ".
" Art. 7. § 1er. Le S.T.C. coordonne et stimule la politique du marché de l'emploi dans sa sous-région, se focalisant sur la politique en matière de groupes-cibles.
§ 2. Le S.T.C. dispose à cet effet :
1° d'une compétence autonome d'étude, d'avis et de recommandation portant sur la politique du marché de l'emploi, notamment en matière d'emploi, d'accompagnement et de formation;
2° d'une compétence décisionnelle dans les matières qui lui ont été subdéléguées par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi ou par le Comité de gestion;
3° du droit d'initiative pour les matières notamment énumérées à l'article 9, § 2, du présent arrêté.
§ 3. Le S.T.C. stimulent la coopération et la concertation entre employeurs, organisations patronales, travailleurs, organisations syndicales, établissements d'enseignement et de formation, administrations locales et autres acteurs jugés d'importance pour la politique subrégionale du marché de l'emploi.
Une concertation régulière doit être organisée avec des représentants de l'enseignement, des administrations locales et d'autres acteurs locaux subrégionaux, tels les sociétés de développement régional.
Le S.T.C. collabore par ailleurs avec d'autres organes consultatifs et de concertations, et en particulier avec les EduFora et les plates-formes subrégionales. ".
" Art. 8. § 1er. Le S.T.C. examine toute question qui lui est soumise par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, par le Comité de gestion ou par le Comité d'accompagnement.
§ 2. Dans le cadre de la politique subrégionale du marché de l'emploi, le S.T.C. est notamment chargé :
1° d'établir un plan de gestion qui incorpore notamment la plan de gestion des S.T.D.;
2° de donner des informations sur la problématique du marché de l'emploi;
3° d'émettre des avis sur les questions relatives à la politique de l'emploi, notamment en matière de placement, d'accompagnement et de formation. Ces questions leur sont soumises par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, par le Comité de gestion, par le Comité d'accompagnement ou par les Edufora;
4° d'assurer un traitement objectif aux demandeurs d'emploi lors du placement, de l'accompagnement et de la formation organisés par le service ou par d'autres organismes qui sont soit agréés par le service, soit subventionnés par les autorités flamandes, et ce sur la base de la Charte du demandeur d'emploi;
5° d'émettre des avis sur des matières fédérales qui ont fait l'objet d'une concertation entre le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi et le Gouvernement fédéral.
§ 3. A la demande du Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, du Comité de gestion, du Comité d'accompagnement ou d'initiative, les S.T.C. peuvent traiter conjointement des questions qui dépassent la propre sous-région.
§ 4. Les S.T.C. soumettent annuellement au Comité d'accompagnement un rapport circonstancié sur leurs activités, dont un rapport d'activité de l'a.s.b.l. créée en application de l'article 9 du présent arrêté, d'une part, et leurs recommandations, d'autre part.
Les avis et recommandations formulés d'initiative par les S.T.C. sont transmises immédiatement au Comité d'accompagnement à titre d'information. ".
" Art. 9. § 1er. En exécution du droit d'initiative leur conféré en vertu de l'article 7, § 2, 3°, du présent arrêté, les S.T.C. peuvent créer une a.s.b.l., qui est agréée par le Comité d'accompagnement.
§ 2. Cette a.s.b.l. permet au S.T.C. de développer des initiatives, notamment dans les domaines suivants :
1° stimuler l'adéquation de l'offre et de la demande dans le marché de l'emploi;
2° stimuler l'économie sociale, tant à l'intérieur qu'en dehors du circuit économique normal;
3° stimuler les projets d'action positive en vue du placement en circuit normal des demandeurs d'emploi appartenant à des groupes-cibles.
§ 3. Cette a.s.b.l. peut à cet effet recruter le personnel requis, dont un coordinateur et un ou plusieurs concepteurs-projeteurs. ".
" Art. 10. § 1er. L'encadrement des activités du S.T.C. est assuré, chacun en ce qui concerne ses matières et compétences, par :
1° le représentant de l'Administration de l'Emploi;
2° un membre du personnel du S.T.D. occupé à temps plein;
3° les membres de l'a.s.b.l. telle que visée à l'article 9, § 3;
4° s'il y a lieu, le " Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming ".
§ 2. Le soutien administratif de chaque S.T.C. est assuré par un membre du personnel du S.T.D. occupé à temps plein, et mis à la disposition par le directeur du service après concertation avec le président du S.T.C.. Ce membre du personnel remplira les tâches lui confiées par le président du S.T.C..
§ 3. En vue de l'exécution de leurs missions, les S.T.C. peuvent disposer d'études, de rapports et de comptes rendus, provenant notamment du service, de l'Administration de l'Emploi, du VIONA, du SERV.
§ 4. Le S.T.C. peut éventuellement faire appel à d'autres instruments ou membres du personnel mis à sa disposition :
1° par le directeur du S.T.D.,
2° par le directeur général de l'Administration de l'Emploi,
ce après concertation et compte tenu des effectifs et des tâches à accomplir au sein de ces services. ".
" Art. 11. § 1er. Les frais de fonctionnement des S.T.C. sont imputés au crédit inscrit annuellement à cette fin au budget du service.
Le Comité de gestion établit à cet effet chaque année, après consultation des S.T.C. et compte tenu des instructions fournies par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, un budget mentionnant le montant dont chaque S.T.C. peut disposer de manière autonome dans les limites de ce crédit.
§ 2. Dans le cadre du fonctionnement de l'a.s.b.l., des moyens sont prévus au budget " emploi ".
§ 3. Dans le cadre du fonctionnement du Comité d'accompagnement et de l'équipe d'encadrement, des moyens sont prévus au budget " emploi ". ".
" Art. 12. § 1er. Chaque S.T.C. est composé comme suit :
1° le président;
2° les membres ayant voix délibérative :
- six représentants, et un nombre égal de suppléants, des organisations patronales siégeant dans le Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
- six représentants, et un nombre égal de suppléants, des organisations syndicales siégeant dans le Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
3° les membres adjoints :
- le secrétaire, membre du personnel du service tel que défini à l'article 10, § 2, du présent arrêté;
- le(s) directeur(s) du (des) S.T.D. du ressort du S.T.C.;
- le représentant de l'Administration de l'Emploi;
- le coordinateur tel que visé à l'article 9, § 3, du présent arrêté;
- le représentant des services publics en qualité d'observateur; ce représentant sera désigné tous les deux ans par les administrations locales agissant de concert;
- le représentant des initiatives locales de formation et de placement, en qualité d'observateur.
§ 2. Peuvent participer à la réunion, à la demande du S.T.C., soit sur une base permanente, soit ad hoc :
- le collaborateur du S.T.C., tel que visé à l'article 10, § 1er, 2°, du présent arrêté;
- des experts dont le S.T.C. juge la collaboration à l'exécution de ses missions nécessaire. ".
" Art. 13. Le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi nomme les membres effectifs et les membres suppléants des organisations patronales et syndicales, qui présentent à cette fin une liste double de candidats.
Tout membre effectif peut être remplacé par un des suppléants de la même organisation.
Le nombre de mandats de chaque organisation syndicale au sein de chaque S.T.C. est déterminé sur la base du nombre de voix obtenues lors des élections les plus récentes des comités de prévention et de protection dans les lieux de travail. Il n'est pas tenu compte du nombre de voix obtenues dans l'enseignement.
Le calcul du nombre de mandats par organisation syndicale se fait selon la technique de la représentation proportionnelle. ".
" Art. 14. § 1er. Le président du S.T.C. est nommé par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi :
- sur la proposition des membres du S.T.C., si cette proposition se fait à l'unanimité;
- directement, faute d'unanimité.
Lorsque le président est choisi parmi les membres de la délégation syndicale ou de la délégation patronale, il est remplacé au sein de cette délégation.
§ 2. Les organisations patronales et syndicales désignent respectivement dans leur délégation un vice-président du S.T.C..
Faute d'unanimité au sujet de cette désignation, les vice-présidents sont désignés par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi.
Lorsqu'il préside la réunion, le vice-président n'a pas voix délibérative. ".
" Art. 15. La durée des mandats est fixée à quatre ans. Ils sont renouvelables. ".
" Art. 16. § 1er. Les décisions du S.T.C. sont prises à la majorité simple.
§ 2. Le S.T.C. ne peut délibérer valablement que si la moitié des membres ayant voix délibérative sont présents.
Si cette condition n'est pas remplie pendant deux réunions consécutives, le Comité subrégional de l'emploi peut statuer valablement sur l'ordre du jour de ces réunions, quel que soit le nombre des membres présents. ".
" Art. 17. Le S.T.C. établit un règlement d'ordre intérieur, qui est adopté à l'unanimité. Faute d'unanimité, le Comité d'accompagnement établit arrête lui-même un règlement. ".
" Art. 18. Le S.T.C. peut mettre sur pied des groupes de travail temporaires et permanents selon les modalités fixées par le règlement d'ordre intérieur.
Ces groupes de travail sont des organes consultatifs à l'égard du S.T.C..
Des compétences bien définies peuvent être déléguées, à l'unanimité, à ces groupes de travail et sous-comités. ".
" Art. 19. § 1er. Il est créé, dans chaque S.T.C., un groupe de travail permanent " groupes à risques " (PWR).
§ 2. Ce PWR a notamment pour but :
1° de définir les groupes à risques sur le marché de l'emploi;
2° d'élaborer un plan de gestion pour ces groupes à risques et pour les groupes-cibles définis par le Gouvernement flamand;
3° de stimuler la concertation et la constitution de réseaux entre organisations, institutions et associations qui se sont fixé pour but l'insertion professionnelle des groupes à risques;
4° de favoriser la participation proportionnelle de ces groupes à risques aux diverses initiatives, notamment aux initiatives subventionnées par les pouvoirs publics en matière de formation, d'accompagnement et de placement;
5° de stimuler et de soutenir des initiatives relatives à l'insertion professionnelle de groupes à risques;
6° d'assurer la coordination de l'offre (intégrée)des initiatives en faveur des groupes à risques, mises sur pied par les organismes publics et privés de placement, d'accompagnement et de formation;
7° de formuler des recommandations à l'égard du S.T.C. au sujet de l'insertion professionnelle de groupes à risques.
Le Comité d'accompagnement peut, moyennant l'accord du Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, élargir la définition des tâches de ce groupe de travail permanent.
§ 3. Le PWR est composé :
1° de membres désignés par le S.T.C.;
- le président;
- deux représentants des organisations patronales, et leurs suppléants;
- deux représentants des organisations syndicales, et leurs suppléants;
2° de membres adjoints :
- le secrétaire, membre du personnel du S.T.D. tel que défini à l'article 10, § 2, du présent arrêté;
- le directeur du S.T.D. de la sous-région, ou le fonctionnaire désigné par lui;
- le représentant de l'Administration de l'Emploi;
- le collaborateur du S.T.C., tel que visé à l'article 10, § 1er, 2°, du présent arrêté;
- le coordinateur tel que visé à l'article 9, § 3, du présent arrêté;
- le(s) concepteur(s)-projeteur(s) tel(s) que visé(s) à l'article 9, § 3, du présent arrêté;
- le représentant des initiatives privées de formation et d'emploi pour groupes à risques;
- le représentant des administrations locales;
3° peuvent participer à la réunion, à la demande du S.T.C., soit sur une base permanente, soit ad hoc, des experts tels que notamment :
- un représentant du secteur de l'insertion professionnelle de personnes handicapées, désigné par le Ministre flamand compétent pour la Politique en matière d'handicapés;
- un représentant des instances d'enseignement du ressort concerné.
§ 4. L'encadrement des activités du PWR s'effectue comme pour le S.T.C. tel que prévu à l'article 10 du présent arrêté. ".
" Art. 20. § 1er. Il est créé, au niveau flamand, un Comité d'accompagnement chargé de coordonner et de stimuler la politique subrégionale du marché de l'emploi.
Ce Comité d'accompagnement sert de plate-forme de concertation entre les S.T.C., entre les S.T.C. et la direction centrale et vise à encadrer et stimuler une approche conjointe notamment dans les domaines suivants :
1° la détection des besoins;
2° les initiatives locales en matière d'emploi;
3° le placement de groupes-cibles au niveau subrégional;
4° l'adéquation des formations aux besoins du marché de l'emploi.
§ 2. Le Comité d'accompagnement peut constituer en son sein des groupes de travail techniques.
§ 3. Le Comité d'accompagnement se compose des membres suivants :
1° 2 représentants du Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, dont le président;
2° 1 représentant de chaque autre Ministre flamand siégeant dans le " Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité " (Comité flamand de concertation économique et sociale), soit le Ministre-Président du Gouvernement flamand, le Ministre flamand compétent pour l'Economie, le Ministre flamand compétent pour le Budget;
3° 3 représentants, et un nombre égal de suppléants, des organisations patronales siégeant dans le Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
4° 3 représentants, et un nombre égal de suppléants, des organisations syndicales siégeant dans le Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
5° 2 représentants de l'Administration de l'Emploi, dont le coordinateur de l'équipe d'encadrement tel que visé au § 4, 1°, du présent arrêté;
6° 2 représentants du service;
7° le président et un suppléant de chaque S.T.C. et du BNCTO;
8° un représentant des projets locaux et privés de formation et de placement;
9° un représentant des administrations locales;
10° un représentant du SERV.
Tout membre effectif peut être remplacé par un des suppléants de la même organisation.
§ 4. Les activités de ce Comité d'accompagnement sont encadrées par une équipe composée comme suit :
1° un coordinateur général chargé de la coordination et du fonctionnement général;
2° un coordinateur dans le cadre de la problématique de l'emploi des migrants;
3° un coordinateur dans le cadre de la conception de projets pour groupes-cibles;
4° du personnel administratif.
§ 5. L'équipe a sa base dans l'Administration de l'Emploi.
§ 6. Le Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen assume le secrétariat du Comité d'accompagnement (convocation et compte rendu).
§ 7. Le Comité d'accompagnement établit un règlement d'ordre intérieur, qui règle son fonctionnement. ".
" Art. 6. § 1er. Il est créé auprès de chaque Service subrégional de l'Emploi (S.T.D.) un Comité subrégional de l'emploi (S.T.C.) dont la compétence territoriale (sous-région) coïncide avec le ressort du (des) Service(s) subrégional (aux) de l'Emploi concerné(s).
Le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi peut, sur la proposition ou après consultation du Comité de gestion, déroger à cette règle.
§ 2. Le Comité de gestion, d'une part, et l'Administration de l'Emploi du Département de l'Economie, de l'Emploi, des Affaires intérieures et de l'Agriculture du Ministère de la Communauté flamande d'autre part, prennent, moyennant l'approbation du Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, les mesures nécessaires au fonctionnement des comités subrégionaux de l'emploi.
§ 3. Un Comité d'accompagnement tel que défini à l'article 20 du présent arrêté coordonne, au niveau flamand, les activités des S.T.C.. Ce Comité d'accompagnement fonctionne comme groupe de travail du VESOC.
§ 4. Les missions, les compétences et la composition du Comité bruxellois néerlandophone pour l'emploi et la formation (BNCTO) sont réglées sur la base de l'accord de coopération du 4 avril 1996 entre le Gouvernement flamand et la Région de Bruxelles-Capitale. L'encadrement et le fonctionnement du BNCTO s'effectuent, dans la mesure du possible, sur la base du présent arrêté. ".
" Art. 7. § 1er. Le S.T.C. coordonne et stimule la politique du marché de l'emploi dans sa sous-région, se focalisant sur la politique en matière de groupes-cibles.
§ 2. Le S.T.C. dispose à cet effet :
1° d'une compétence autonome d'étude, d'avis et de recommandation portant sur la politique du marché de l'emploi, notamment en matière d'emploi, d'accompagnement et de formation;
2° d'une compétence décisionnelle dans les matières qui lui ont été subdéléguées par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi ou par le Comité de gestion;
3° du droit d'initiative pour les matières notamment énumérées à l'article 9, § 2, du présent arrêté.
§ 3. Le S.T.C. stimulent la coopération et la concertation entre employeurs, organisations patronales, travailleurs, organisations syndicales, établissements d'enseignement et de formation, administrations locales et autres acteurs jugés d'importance pour la politique subrégionale du marché de l'emploi.
Une concertation régulière doit être organisée avec des représentants de l'enseignement, des administrations locales et d'autres acteurs locaux subrégionaux, tels les sociétés de développement régional.
Le S.T.C. collabore par ailleurs avec d'autres organes consultatifs et de concertations, et en particulier avec les EduFora et les plates-formes subrégionales. ".
" Art. 8. § 1er. Le S.T.C. examine toute question qui lui est soumise par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, par le Comité de gestion ou par le Comité d'accompagnement.
§ 2. Dans le cadre de la politique subrégionale du marché de l'emploi, le S.T.C. est notamment chargé :
1° d'établir un plan de gestion qui incorpore notamment la plan de gestion des S.T.D.;
2° de donner des informations sur la problématique du marché de l'emploi;
3° d'émettre des avis sur les questions relatives à la politique de l'emploi, notamment en matière de placement, d'accompagnement et de formation. Ces questions leur sont soumises par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, par le Comité de gestion, par le Comité d'accompagnement ou par les Edufora;
4° d'assurer un traitement objectif aux demandeurs d'emploi lors du placement, de l'accompagnement et de la formation organisés par le service ou par d'autres organismes qui sont soit agréés par le service, soit subventionnés par les autorités flamandes, et ce sur la base de la Charte du demandeur d'emploi;
5° d'émettre des avis sur des matières fédérales qui ont fait l'objet d'une concertation entre le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi et le Gouvernement fédéral.
§ 3. A la demande du Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, du Comité de gestion, du Comité d'accompagnement ou d'initiative, les S.T.C. peuvent traiter conjointement des questions qui dépassent la propre sous-région.
§ 4. Les S.T.C. soumettent annuellement au Comité d'accompagnement un rapport circonstancié sur leurs activités, dont un rapport d'activité de l'a.s.b.l. créée en application de l'article 9 du présent arrêté, d'une part, et leurs recommandations, d'autre part.
Les avis et recommandations formulés d'initiative par les S.T.C. sont transmises immédiatement au Comité d'accompagnement à titre d'information. ".
" Art. 9. § 1er. En exécution du droit d'initiative leur conféré en vertu de l'article 7, § 2, 3°, du présent arrêté, les S.T.C. peuvent créer une a.s.b.l., qui est agréée par le Comité d'accompagnement.
§ 2. Cette a.s.b.l. permet au S.T.C. de développer des initiatives, notamment dans les domaines suivants :
1° stimuler l'adéquation de l'offre et de la demande dans le marché de l'emploi;
2° stimuler l'économie sociale, tant à l'intérieur qu'en dehors du circuit économique normal;
3° stimuler les projets d'action positive en vue du placement en circuit normal des demandeurs d'emploi appartenant à des groupes-cibles.
§ 3. Cette a.s.b.l. peut à cet effet recruter le personnel requis, dont un coordinateur et un ou plusieurs concepteurs-projeteurs. ".
" Art. 10. § 1er. L'encadrement des activités du S.T.C. est assuré, chacun en ce qui concerne ses matières et compétences, par :
1° le représentant de l'Administration de l'Emploi;
2° un membre du personnel du S.T.D. occupé à temps plein;
3° les membres de l'a.s.b.l. telle que visée à l'article 9, § 3;
4° s'il y a lieu, le " Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming ".
§ 2. Le soutien administratif de chaque S.T.C. est assuré par un membre du personnel du S.T.D. occupé à temps plein, et mis à la disposition par le directeur du service après concertation avec le président du S.T.C.. Ce membre du personnel remplira les tâches lui confiées par le président du S.T.C..
§ 3. En vue de l'exécution de leurs missions, les S.T.C. peuvent disposer d'études, de rapports et de comptes rendus, provenant notamment du service, de l'Administration de l'Emploi, du VIONA, du SERV.
§ 4. Le S.T.C. peut éventuellement faire appel à d'autres instruments ou membres du personnel mis à sa disposition :
1° par le directeur du S.T.D.,
2° par le directeur général de l'Administration de l'Emploi,
ce après concertation et compte tenu des effectifs et des tâches à accomplir au sein de ces services. ".
" Art. 11. § 1er. Les frais de fonctionnement des S.T.C. sont imputés au crédit inscrit annuellement à cette fin au budget du service.
Le Comité de gestion établit à cet effet chaque année, après consultation des S.T.C. et compte tenu des instructions fournies par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, un budget mentionnant le montant dont chaque S.T.C. peut disposer de manière autonome dans les limites de ce crédit.
§ 2. Dans le cadre du fonctionnement de l'a.s.b.l., des moyens sont prévus au budget " emploi ".
§ 3. Dans le cadre du fonctionnement du Comité d'accompagnement et de l'équipe d'encadrement, des moyens sont prévus au budget " emploi ". ".
" Art. 12. § 1er. Chaque S.T.C. est composé comme suit :
1° le président;
2° les membres ayant voix délibérative :
- six représentants, et un nombre égal de suppléants, des organisations patronales siégeant dans le Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
- six représentants, et un nombre égal de suppléants, des organisations syndicales siégeant dans le Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
3° les membres adjoints :
- le secrétaire, membre du personnel du service tel que défini à l'article 10, § 2, du présent arrêté;
- le(s) directeur(s) du (des) S.T.D. du ressort du S.T.C.;
- le représentant de l'Administration de l'Emploi;
- le coordinateur tel que visé à l'article 9, § 3, du présent arrêté;
- le représentant des services publics en qualité d'observateur; ce représentant sera désigné tous les deux ans par les administrations locales agissant de concert;
- le représentant des initiatives locales de formation et de placement, en qualité d'observateur.
§ 2. Peuvent participer à la réunion, à la demande du S.T.C., soit sur une base permanente, soit ad hoc :
- le collaborateur du S.T.C., tel que visé à l'article 10, § 1er, 2°, du présent arrêté;
- des experts dont le S.T.C. juge la collaboration à l'exécution de ses missions nécessaire. ".
" Art. 13. Le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi nomme les membres effectifs et les membres suppléants des organisations patronales et syndicales, qui présentent à cette fin une liste double de candidats.
Tout membre effectif peut être remplacé par un des suppléants de la même organisation.
Le nombre de mandats de chaque organisation syndicale au sein de chaque S.T.C. est déterminé sur la base du nombre de voix obtenues lors des élections les plus récentes des comités de prévention et de protection dans les lieux de travail. Il n'est pas tenu compte du nombre de voix obtenues dans l'enseignement.
Le calcul du nombre de mandats par organisation syndicale se fait selon la technique de la représentation proportionnelle. ".
" Art. 14. § 1er. Le président du S.T.C. est nommé par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi :
- sur la proposition des membres du S.T.C., si cette proposition se fait à l'unanimité;
- directement, faute d'unanimité.
Lorsque le président est choisi parmi les membres de la délégation syndicale ou de la délégation patronale, il est remplacé au sein de cette délégation.
§ 2. Les organisations patronales et syndicales désignent respectivement dans leur délégation un vice-président du S.T.C..
Faute d'unanimité au sujet de cette désignation, les vice-présidents sont désignés par le Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi.
Lorsqu'il préside la réunion, le vice-président n'a pas voix délibérative. ".
" Art. 15. La durée des mandats est fixée à quatre ans. Ils sont renouvelables. ".
" Art. 16. § 1er. Les décisions du S.T.C. sont prises à la majorité simple.
§ 2. Le S.T.C. ne peut délibérer valablement que si la moitié des membres ayant voix délibérative sont présents.
Si cette condition n'est pas remplie pendant deux réunions consécutives, le Comité subrégional de l'emploi peut statuer valablement sur l'ordre du jour de ces réunions, quel que soit le nombre des membres présents. ".
" Art. 17. Le S.T.C. établit un règlement d'ordre intérieur, qui est adopté à l'unanimité. Faute d'unanimité, le Comité d'accompagnement établit arrête lui-même un règlement. ".
" Art. 18. Le S.T.C. peut mettre sur pied des groupes de travail temporaires et permanents selon les modalités fixées par le règlement d'ordre intérieur.
Ces groupes de travail sont des organes consultatifs à l'égard du S.T.C..
Des compétences bien définies peuvent être déléguées, à l'unanimité, à ces groupes de travail et sous-comités. ".
" Art. 19. § 1er. Il est créé, dans chaque S.T.C., un groupe de travail permanent " groupes à risques " (PWR).
§ 2. Ce PWR a notamment pour but :
1° de définir les groupes à risques sur le marché de l'emploi;
2° d'élaborer un plan de gestion pour ces groupes à risques et pour les groupes-cibles définis par le Gouvernement flamand;
3° de stimuler la concertation et la constitution de réseaux entre organisations, institutions et associations qui se sont fixé pour but l'insertion professionnelle des groupes à risques;
4° de favoriser la participation proportionnelle de ces groupes à risques aux diverses initiatives, notamment aux initiatives subventionnées par les pouvoirs publics en matière de formation, d'accompagnement et de placement;
5° de stimuler et de soutenir des initiatives relatives à l'insertion professionnelle de groupes à risques;
6° d'assurer la coordination de l'offre (intégrée)des initiatives en faveur des groupes à risques, mises sur pied par les organismes publics et privés de placement, d'accompagnement et de formation;
7° de formuler des recommandations à l'égard du S.T.C. au sujet de l'insertion professionnelle de groupes à risques.
Le Comité d'accompagnement peut, moyennant l'accord du Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, élargir la définition des tâches de ce groupe de travail permanent.
§ 3. Le PWR est composé :
1° de membres désignés par le S.T.C.;
- le président;
- deux représentants des organisations patronales, et leurs suppléants;
- deux représentants des organisations syndicales, et leurs suppléants;
2° de membres adjoints :
- le secrétaire, membre du personnel du S.T.D. tel que défini à l'article 10, § 2, du présent arrêté;
- le directeur du S.T.D. de la sous-région, ou le fonctionnaire désigné par lui;
- le représentant de l'Administration de l'Emploi;
- le collaborateur du S.T.C., tel que visé à l'article 10, § 1er, 2°, du présent arrêté;
- le coordinateur tel que visé à l'article 9, § 3, du présent arrêté;
- le(s) concepteur(s)-projeteur(s) tel(s) que visé(s) à l'article 9, § 3, du présent arrêté;
- le représentant des initiatives privées de formation et d'emploi pour groupes à risques;
- le représentant des administrations locales;
3° peuvent participer à la réunion, à la demande du S.T.C., soit sur une base permanente, soit ad hoc, des experts tels que notamment :
- un représentant du secteur de l'insertion professionnelle de personnes handicapées, désigné par le Ministre flamand compétent pour la Politique en matière d'handicapés;
- un représentant des instances d'enseignement du ressort concerné.
§ 4. L'encadrement des activités du PWR s'effectue comme pour le S.T.C. tel que prévu à l'article 10 du présent arrêté. ".
" Art. 20. § 1er. Il est créé, au niveau flamand, un Comité d'accompagnement chargé de coordonner et de stimuler la politique subrégionale du marché de l'emploi.
Ce Comité d'accompagnement sert de plate-forme de concertation entre les S.T.C., entre les S.T.C. et la direction centrale et vise à encadrer et stimuler une approche conjointe notamment dans les domaines suivants :
1° la détection des besoins;
2° les initiatives locales en matière d'emploi;
3° le placement de groupes-cibles au niveau subrégional;
4° l'adéquation des formations aux besoins du marché de l'emploi.
§ 2. Le Comité d'accompagnement peut constituer en son sein des groupes de travail techniques.
§ 3. Le Comité d'accompagnement se compose des membres suivants :
1° 2 représentants du Ministre flamand compétent pour la Politique de l'emploi, dont le président;
2° 1 représentant de chaque autre Ministre flamand siégeant dans le " Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité " (Comité flamand de concertation économique et sociale), soit le Ministre-Président du Gouvernement flamand, le Ministre flamand compétent pour l'Economie, le Ministre flamand compétent pour le Budget;
3° 3 représentants, et un nombre égal de suppléants, des organisations patronales siégeant dans le Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
4° 3 représentants, et un nombre égal de suppléants, des organisations syndicales siégeant dans le Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen;
5° 2 représentants de l'Administration de l'Emploi, dont le coordinateur de l'équipe d'encadrement tel que visé au § 4, 1°, du présent arrêté;
6° 2 représentants du service;
7° le président et un suppléant de chaque S.T.C. et du BNCTO;
8° un représentant des projets locaux et privés de formation et de placement;
9° un représentant des administrations locales;
10° un représentant du SERV.
Tout membre effectif peut être remplacé par un des suppléants de la même organisation.
§ 4. Les activités de ce Comité d'accompagnement sont encadrées par une équipe composée comme suit :
1° un coordinateur général chargé de la coordination et du fonctionnement général;
2° un coordinateur dans le cadre de la problématique de l'emploi des migrants;
3° un coordinateur dans le cadre de la conception de projets pour groupes-cibles;
4° du personnel administratif.
§ 5. L'équipe a sa base dans l'Administration de l'Emploi.
§ 6. Le Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen assume le secrétariat du Comité d'accompagnement (convocation et compte rendu).
§ 7. Le Comité d'accompagnement établit un règlement d'ordre intérieur, qui règle son fonctionnement. ".
Art. 3. Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 3. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 4. De Vlaamse minister bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 7 juli 1998.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling,
Th. KELCHTERMANS
Brussel, 7 juli 1998.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling,
Th. KELCHTERMANS
Art. 4. Le Ministre flamand qui a la Politique de l'emploi dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 7 juillet 1998.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
L. VAN DEN BRANDE
Le Ministre flamand de l'Environnement et de l'Emploi,
Th. KELCHTERMANS
Bruxelles, le 7 juillet 1998.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
L. VAN DEN BRANDE
Le Ministre flamand de l'Environnement et de l'Emploi,
Th. KELCHTERMANS