Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
14 JULI 1998. - Decreet betreffende het onderwijs IX (1) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-08-1998 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
Titre
14 JUILLET 1998. - Décret relatif à l'enseignement IX. (TRADUCTION) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-08-1998 et mise à jour au 13-02-2017)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (145)
Texte (145)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions préliminaires.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK II. - Personeelsaangelegenheden.
CHAPITRE II. - Dispositions relatives au personnel.
Art.2. In artikel 2, § 1, vierde gedachtenstreepje, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt tussen de woorden "het psychologisch" en de woorden "en medisch personeel" het woord "orthopedagogisch" ingevoegd.
Art.2. A l'article 2, § 1er, quatrième tiret, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire, les mots ",les membres du personnel orthopédagogique" sont insérés entre les mots "psychologique" et "les membres du personnel médical".
Art.3. Artikel 21, § 6, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "Voor tijdelijke aanstellingen ter vervanging van een personeelslid met loopbaanonderbreking geldt de in § 1 vermelde voorrangsregel niet, behalve indien een voorrangsgerechtigde kandidaat voldoet an de voorwaarden die gesteld worden aan de vervanger van een loopbaanonderbreker."
Art.3. L'article 21, § 6, du même décres est remplacé par la disposition suivante:
  Pour ce qui concerne les désignations temporaires à titre de remplacement d'un membre du personnel en interruption de carrière, la règle de priorité visée au § 1er ne s'applique pas, sauf lorsqu'un candidat prioritaire répond aux conditions définies pour le remplacant d'un membre du personnel bénéficiant d'une interruption de carrière."
Art.4. Artikel 46, 1°, van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
  "1° In het eerste lid wordt het zinsdeel "de kandidaten voor een benoeming tot lid van de pedagogische begeleidingsdiensten dienen vast benoemd te zijn als lid van de inspectie of één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten voor ten minste een halve opdracht", geschrapt.
  2° Tussen het derde en het vierde lid wordt een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt: "In afwijking van het eerste lid moeten de kandidaten voor toelating tot de proeftijd in de pedagogische begeleidingsdiensten vast benoemd zijn, als lid van de inspectie, of, voor minstens en halve opdracht, in één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten in het Gemeenschapsonderwijs of in een Vlaamse hogeschool zoals bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Deze bepaling geldt ook voor dezelfde personeelsleden wier hogeschool geïntegreerd is in het universitair onderwijs."
Art.4. L'article 46, 1°, du même décret est modifié comme suit:
  "1° A l'alinéa premier, la phrase "les candidats à une nomination en qualité de membre des services d'encadrement pédagogique doivent être nommés à titre définitief dans une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion pour une demi-charge au moins" est supprimée.
  2° Entre l'alinéa trois et l'alinéa quatre, est inséré une nouvel alinéa, libellé comme suit: "Par dérogation à l'alinéa premier, les candidats à une admission au stage au sein des services d'encadrement pédagogique doivent être nommés à titre définitif, en qualité de membre de l'inspection, ou, pour une demi-charge au moins, dans une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion dans l'enseignement communautaire ou dans une école supérieure flamande telle que visée au décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. La présente disposition s''pplique aussi aux membres du personnel dont l'institut supérieur est intégré dans l'enseignement universitaire."
Art.5. In artikel 4, § 1, a), vierde gedachtestreepje, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de psychomedisch-sociale centra wordt het woord "psychopedagogisch" vervangen door de woorden "psychologisch, orthopedagogisch".
Art.5. A l'article 4, § 1er, a), quatrième tiret, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psycho-médico-sociaux subventionnés, le mot "psycho-pédagogique" est remplacé par les mots, "psychologique, orthopédagogique".
Art.6. Artikel 23, § 10, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "Voor tijdelijke aanstellingen ter vervanging van een personeelslid met loopbaanonderbreking geldt de in § 1 vermelde voorrangsregel niet, behalve indien een voorrangsgerechtigde kandidaat voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan de vervanger van een loopbaanonderbreker."
Art.6. L'article 23, § 10, du même décret est remplacé par la disposition suivante:
  "Pour ce qui concerne les désignations temporaires à titre de remplacement d'un membre du personnel en interruption de carrière, la règle de priorité visée au § 1er ne s'applique pas, sauf lorsqu'un candidat prioritaire répond aux conditions définies pour le remplacant d'un membre du personnel bénéficiant d'une interruption de carrière."
Art.8. Artikel 70, 4°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "de voorzitter stemgerechtigd is: bij staking van stemmen na een tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend."
Art.8. L'article 70, 4°, du même décret est remplacé par la disposition suivante:
  "le président a voix délibérative: s'il y a partage, la voix du président est prépondérante, après un deuxième tour."
Art.9. In artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II wordt een § 4 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "§ 4. Om geldig te zijn moet de vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij en ter post aangetekend schrijven met vermelding van:
  1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;
  2° de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan.
  Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd."
Art.9. A l'article 198 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II, un § 4 est inséré, libellé comme suit:
  "§ 4. Pour être valable, la demande de remboursement doit être portée à la connaissance du débiteur par lettre recommandée à la poste, moyennant mention:
  1° du montant total de la somme réclamée, accompagnée d'un relevé, su base annuelle, des paiements indus;
  2° des dispositions auxquelles les paiements sont contraires.
  A compter de la date du dépôt de la lettre recommandée, le montant indu peut être réclamé durant une période de trente ans."
Art.10. In artikel 5, § 1, van het decreet van 9 april 1992 betreffende het Onderwijs III wordt tussen het vijfde en zesde gedachtestreepje een nieuw gedachtestreepje ingevoegd met de volgende tekst:
  "- een vrijwillig afzien door een personeelslid van zijn vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt, overeenkomstig artikel 43ter van het decreet van 27 maart 191 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;"
Art.10. A l'article 5, § 1er, du décret du 9 avril 1992 relatif à l'Enseignement III, un nouveau tiret est inséré entre les cinquième et sixième alinéas, libellé comme suit:
  "- tout renon volontaire par um membre du personnel à sa nomination définitive à une fonction de sélction ou de promotion, conformément à l'article 43ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psychomédico-sociaux subventionnés."
Art.11. De personeelsleden die op 30 juni 1997 deel uitmaken van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de Nederlandse onderwijsinstellingen, Burgemeester Marnixschool te Schoten en Prinses Julianaschool te Brussel, die met ingang van 1 september 1997 gesubsidieerde personeelsleden zijn van het gesubsidieerd vrij onderwijs, zoals bedoeld in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, worden geacht al de diensten die bij deze instellingen in aanmerking werden genomen voor het bepalen van hun administratieve en geldelijke anciënniteit:
  _ te hebben gepresteerd als personeelslid in het gesubsidieerd vrij onderwijs, voor de toepassing van de bepalingen van het voormelde decreet van 27 maart 1991 en van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;
  _ verstrekt te hebben als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties aan een door de Staat of door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde school, voor de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.
Art.11. Les membres du personnel faisant partie, en date du 30 juin 1997, du personnel administratif et enseignant des établissements d'enseignement néerlandophones, de la Burgemeester Marnixschool à Schoten et de la Prinses Julianaschool à Bruxelles, qui sont des membres du personnel subventionnés de l'enseignement libre subventionné à partir du 1er septembre 1997, conformément au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psychomédico-sociaux subventionnés, sont censés :
  - avoir presté en qualité de membre du personnel dans l'enseignement libre subventionné, tous les services ayant été pris en compte auprès de ces établissements pour la détermination de leur ancieneté administrative et pécuniaire, pour l'application des dispositions du décret précite du 27 mars 1991 et du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement III;
  - avoir fourni tous les services visés au tiret précédent en qualité de titulaire d'un emploi rémunéré à prestations complètes ou incomplètes dans une école subventionnée par l'Etat ou par la Communauté flamande, pour l'application des dispositions de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant le régime de rémunération du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Enseignement public.
Art.15. 1° Artikel 9 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990.
  2° Artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1993.
  3° Artikel 14 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
  4° Artikel 4 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
  5° De artikelen 2, 5 en 11 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1997.
  6° Artikel 7 heeft uitwerking met ingang van het schooljaar 1997-1998.
  7° De artikelen 3, 6 en 12 treden in werking op 1 september 1998.
  8° Artikel 8 treedt in werking op 1 september 1998. De aangelegenheden die op deze datum in behandeling zijn bij de kamers van beroep, worden verder afgehandeld volgens de procedure van kracht op het ogenblik van de indiening ervan.
  9° Artikel 13 treedt in werking op de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
  
Art.15. 1° L'article 9 produit ses effets le 1er septembre 1990.
  2° L'article 10 produit ses effets le 1er septembre 1993.
  3° L'article 14 produit ses effets le 1er janvier 1996.
  4° L'article 4 produit ses effets le 1er janvier 1997.
  5° Les articles 2, 5 et 11 produisent leurs effets le 1er septembre 1997.
  6° L'article 7 produit ses effets à partir de l'année scolaire 1997-1998.
  7° Les articles 3, 6 et 12 entrent en vigueur le 1er septembre 1998.
  8° L'article 8 entre en vigueur le 1er septembre 1998. Les matières qui sont à cette date-là à l'examen devant les chambres de recours, continueront d'être traitées selon la procédure en vigueur à la date du dépôt.
  9° L'article 13 entre en vigueur à la date de la publication au Moniteur belge.
  
HOOFDSTUK III. - Basisonderwijs.
CHAPITRE III. - Enseignement primaire.
Art.16. In artikel 3, 44°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden de woorden "van twee jaar en zes maanden" vervangen door de woorden "van drie jaar".
Art.16. A l'article 3, 44°, du décret enseignement primaire du 25 février 1997, les mots "de deux ans et six mois" sont remplacés par les mots "de trois ans".
Art.17. In artikel 3, 46°, van hetzelfde decreet worden de woorden "een onderwijsniveau" ingevoegd tussen de woorden "een vestigingsplaats", en de woorden "of een type".
Art.17. A l'article 3,46°, du même décret, les mots "un niveau d'enseignement" sont insérés entre les mots "un lieu d'établissement" et les mots "ou un type".
Art.18. In artikel 11, § 1, van hetzelfde decreet worden telkens de woorden "buitengewoon basisonderwijs" vervangen door de woorden "buitengewoon onderwijs".
Art.18. A l'article 11,§ 1er, du même décret, les mots "enseignement primaire spécial" sont chaque fois remplacés par les mots "enseignement spécial".
Art.19. In artikel 22 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 3 toegevoegd luidend als volgt:
  "§ 3. De diensten van de Vlaamse gemeenten zullen medewerking verlenen aan de controle op de leerplicht. De Vlaamse regering bepaalt de procedure."
Art.19. A l'article 22 du même décret, un paragraphe 3 est inséré, libellé comme suit:
  "§ 3. Les services des communes flamandes apporteront leur collaboration au contrôle en matière de scolarité. Le Gouvernement flamand détermine la procédure."
Art.20. Aan artikel 27 van hetzelfde decreet wordt een § 4 toegevoegd luidend als volgt:
  "§ 4. Het kostgeld van een leerplichtig kind wiens ouders geen vaste verblijfplaats hebben, en toevertrouwd is aan één van de erkende internaten bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs of aan gelijk welk ander internaat toegevoegd aan een gesubsidieerde school, georganiseerd door een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, door een andere openbare of privé-persoon, valt ten laste van zijn ouders.
  De Gemeenschap draagt bij in het kostgeld. Deze bijdrage wordt toegevoegd aan de werkingstoelagen toegekend aan het erkend internaat, aan het internaat toegevoegd aan en gesubsidieerde school of aan het autonoom internaat en wordt in mindering gebracht op het in het vierde lid bedoelde kostgeld. Deze bijdrage is gelijk aan degene bedoeld in artikel 20, § 2, van vermeld koninklijk besluit.
  De bijdrage wordt uitgekeerd aan de inrichtende macht van het internaat dat het kind huisvest op voorlegging van een staat ingediend door de inrichtende macht en juist verklaard door de onderwijsinspectie.
  De inrichtende macht bepaalt autonoom het kostgeld."
Art.20. A l'article 27 du même décret est inséré un § 4; libellé comme suit:
  "4. La pension d'un élève en âge de scolarité dont les parents sont sans domicile fixe et qui est confié à l'un des internats agréés visés à l'article 21 de l'arrête royal du 20 août 1957 portant coordination des lois relatives à l'enseignement primaire ou à n'importe quel autre internat adjoint à une école subventionnée, organisée par une province, une commune, une association de communes ou par une autre personne privée ou publique, est à charge de ses parents.
  La Communauté participe dans la pension. Cette contribution s'ajoute aux allocations de fonctionnement accordées à l'internat agréé, à l'internat adjoint à une école subventionnée ou à l'internat autonome et est portée en déduction de la pension visée à l'alinéa quatre. Cette contribution est égale à celle visée à l'article 20, § 2, de l'arrêté royal précité.
  La contribution est versée au pouvoir organisateur de l'internat accueillant l'enfant sur présentation d'un relevé déposé par le pouvoir organisateur et certifié authentique par l'inspection de l'enseignement.
  Le pouvoir organisateur détermine la pension sur une base autonome.".
Art.21. In artikel 28 van hetzelfde decreet worden de woorden "PMS-centra" vervangen door de woorden "het begeleidend PMS-centrum".
Art.21. A l'article 28 du même décret, les mots "centres PMS" sont remplacés par les mots "le centre PMS accompagnateur".
Art.22. In artikel 44, § 2, 1°, van hetzelfde decreet wordt het woord "leerlingengroep" telkens vervangen door het woord "leerlingenpopulatie".
Art.22. A l'article 44, 6 2, 1° du même décret, les mots "groupe d'élèves" sont chaque fois remplacés par les mots "population d'élèves".
Art.23. In artikel 62, 6°, van hetzelfde decreet wordt het getal "20" vervangen door het getal "2".
Art.23. A l'article 62, 6°, du même décret, le chiffre "20" est remplacé par "2".
Art.24. Aan artikel 67 van hetzelfde decreet wordt een § 3 toegevoegd luidend als volgt:
  "§ 3. De gesubsidieerde scholen ontvangen vanwege de Gemeenschap de terugbetaling van de tegemoetkoming in de vervoerskosten van hun personeel zoals bedoeld in het besluit van 22 juli 1993 van de Vlaamse regering betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerskosten van hun personeel. Deze terugbetaling geschiedt in het begrotingsjaar volgend op het einde van het schooljaar van de tegemoetkoming.
  De Vlaamse regering bepaalt de wijze van aanvraag en uitvoering van de terugbetaling."
Art.24. A l'article 67 du même décret est ajouté un § 3, libellé comme suit:
  "§ 3. Les écoles subventionnées reçoivent de la part de la Communauté, le remboursement de l'intervention dans les frais de transport de leur personnel telle que visée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993, relatif à l'intervention des employeurs du secteur de l'enseignement dans les frais de transport de leur personnel. Ce remboursement s'effectue au cours de l'année budgétaire suivant la fin de l'année scolaire de l'octroi de l'intervention.
  Le Gouvernement flamand détermine les modalités de demande et d'exécution du remboursement."
Art.25. Artikel 82, § 1, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende bepaling:
  "Het wordt tevens verminderd met de bijdrage in de tegemoetkoming in de vervoerskosten zoals bedoeld in artikel 67, § 3, en met de bijdrage in het kostgeld zoals bedoeld in artikel 71 van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs."
Art.25. L'article 82, § 1er, du même décret est complété par la disposition suivante:
  "Il sera en outre diminué de la participation dans l'intervention dans les frais de transport telle que visée à l'article 67, § 3, et de la contribution à la pension telle que visée à l'article 71 des lois coordonnées sur l'enseignement primaire."
Art.26. De paragrafen 1 en 2 van artikel 105 van hetzelfde decreet worden vervangen door de volgende bepaling:
  "§ 1. De volgens artikelen 102 of 103 gefinancierde of gesubsidieerde scholen kunnen na het derde bestaansjaar een beroep doen op de door de Gemeenschap aan de ARGO of aan de DIGO toegekende investeringsmiddelen."
  § 2. Paragraaf 3 van hetzelfde artikel wordt § 2 en de woorden "en § 2" worden geschrapt.
Art.26. § 1er. Les paragraphes 1er et 2 de l'article 105 du même décret sont remplacés par la disposition suivante:
  "§ 1er. Les écoles financées ou subventionnées en vertu des articles 102 ou 103 peuvent, après la troisième année de leur existence, faire appel aux moyens d'investissement accordés par la Communauté à l'ARGO ou au DIGO."
  § 2. Le paragraphe 3 du même article devient le § 2 et les mots "et le § 2" sont supprimés.
Art.27. In artikel 121, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "meer dan vijfhonderd" vervangen door de woorden "vijfenzeventig en meer".
Art.27. A l'article 121, § 2, du même décret, les mots "plus de cinq cents" sont remplacés par les mots "septante-cinq et davantage".
Art.28. Artikel 129 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "Artikel 129. § 1. In een school die ontstaan is uit vrijwillige fusie kan één van de wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde directeurs van de bij de fusie betrokken scholen door het schoolbestuur belast worden met de functie van adjunct-directeur, op voorwaarde dat:
  1° de scholen die bij de fusie betrokken zijn op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal bereikten dat tenminste 15 % boven de rationalisatienormen ligt. Als meer dan twee scholen bij de fusie betrokken zijn, is het toegelaten dat één school die verhoogde rationalisatienorm niet bereikt;
  2° tenminste twee directeurs van de bij de fusie betrokken scholen vastbenoemd zijn.
  § 2. De functie van adjunct-directeur wordt tijdelijk niet georganiseerd gedurende de tijdelijke uitdiensttreding om welke reden ook van:
  - de directeur;
  - diegene die de functie van adjunct-directeur waarneemt.
  De functie van adjunct-directeur wordt niet meer georganiseerd van zodra:
  - de directeur definitief uit dienst treedt;
  - de functie van adjunct-directeur definitief niet meer waargenomen wordt tenzij er nog een directeur is die ter beschikking gesteld is zoals bedoeld in § 1;
  - het schoolbestuur een nieuwe kleuter-, lagere of basisschool opricht in dezelfde of aangrenzende gemeente."
Art.28. L'article 129 du même décret est remplacé par la disposition suivante:
  "Article 129. § 1er. Dans une école née d'une fusion volontaire, l'un des directeurs des écoles associées à la fusion, mis en disponibilité à défaut d'emploi, peut être chargé par la direction de l'école de la fonction de directeur adjoint pour autant que:
  1° les écoles associées à la fusion atteignent le premier jour scolaire de février de l'année scolaire précédante, un effectif d'élèves dépassant de 15 % au moins les normes de rationalisation. Lorsque plus de deux écoles sont associées à la fusion, une des deux écoles ne doit pas nécessairement atteindre cette norme de rationalisation majorée;
  2° deux directeurs au moins des écoles associées à la fusion soient nommés à titre définitif.
  § 2. La fonction de directeur adjoint n'est temporairement pas organisée durant la cessation de service temporaire, pour quelque raison que ce soit:
  - du directeur;
  - de la personne exerçant la fonction de directeur adjoint.
  - La fonction de directeur adjoint n'est plus organisée dès que:
  - le directeur cesse définitivement ses fonctions;
  - la fonction de directeur adjoint n'est définitivement plus assumée à moins qu'il y ait un autre directeur mis en disponibilité conformément aux dispositions du § 1er;
  - la direction de l'école crée une nouvelle école maternelle, primaire ou fondamentale dans la même commune ou une commune voisine.
Art.29. In artikel 132, § 1, 3e lid, van hetzelfde decreet wordt de laatste zin opgeheven.
Art.29. A l'article 132, alinéa trois, du même décret, la dernière phrase est abrogée.
Art.30. In artikel 140, 6°, van hetzelfde decreet worden de woorden "elke leerling in het gewoon basisonderwijs telt voor één teleenheid" vervangen door de woorden "elke leerling telt voor één teleenheid".
Art.30. A l'article 140, 6°, du même décret, les mots "chaque élève de l'enseignement primaire ordinaire compte pour une unité" sont remplacés par les mots "chaque élève compte pour une unité".
Art.31. In artikel 141, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "op e instapdata bedoeld in artikel 194" vervangen door de woorden "tijdens het lopende schooljaar".
Art.31. A l'article 141, § 2, du même décret, les mots "aux dates d'adhésion visées à l'article 194" sont remplacés par les mots "durant l'année scolaire en cours".
Art.32. § 1. Artikel 142, 3°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "3° de overdracht van lestijden naar een andere school van eenzelfde of een ander schoolbestuur, zonder dat de overdracht meer mag bedragen dan drie procent van het totale lestijdenpakket dat het voorgaande schooljaar was gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die overdraagt."
  § 2. Hetzelfde artikel 142 wordt aangevuld met de volgende leden:
  "De overdracht van lestijden zoals bedoeld in het eerste lid, moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren.
  Er kunnen geen lestijden overgedragen worden van een school of afdeling van het Nederlands taalstelsel naar een school of afdeling van het Frans taalstelsel of omgekeerd."
Art.32. § 1er. L'article 142,3°, du même décret est remplacé par la disposition suivante:
  "3° le transfert d'heures de cours vers une autre école relevant de la même ou d'une autre direction, sans que le transfert ne puisse dépasser trois pour cent de l'horaire total financé ou subventionné au cours de l'année scolaire précédente pour l'école qui les transfère."
  § 2. Le même article 142 est complété par les alinéas suivants:
  "Le transfert d'heures de cours tel que visé à l'alinéa premier, doit se faire avant le 15 octobre de l'année scolaire en cours.
  Des heures de cours ne peuvent être transférés d'une école ou section du régime linguistique néerlandais vers une école ou section du régime francophone ou inversement."
Art.33. In artikel 148 van hetzelfde decreet worden de woorden "de artikelen 131 en 132" vervangen door "de artikelen 131, 132 en 133".
Art.33. A l'article 148 du même décret, les mots "les articles 131 et 132" sont remplacés par les mots "les articles 131, 132 et 133".
Art.34. Artikel 155, tweede lid, van hetzelfde decreet, wordt aangevuld als volgt:
  "De regering zal het salarisequivalent van vijf procent van deze extra lestijden of -uren met ingang van 1 januari 1998 prioritair aanwenden om de integratietoelage voor het geïntegreerd basisonderwijs aan te passen."
Art.34. L'article 155, alinéa deux, du même décret est complété comme suit:
  "A partir du 1er janvier 1998, le Gouvernement affectera prioritairement l'équivalent salarial de cinq pour cent de ces périodes supplémentaires à l'adaptation de la subvention d'intégration pour l'enseignement primaire intégré."
Art.35. In artikel 175 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
  "§ 3. Om geldig te zijn moet de vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij een ter post aangetekend schrijven met vermelding van:
  1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;
  2° de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan.
  Te rekenen vanaf de afgiste van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd."
Art.35. A l'article 174 du même décret, un paragraphe 3 est inséré, libellé comme suit:
  "§ 3. Pour être valable, la demande de remboursement doit être portée à la connaissance du débiteur par lettre recommandée à la poste moyennant mention:
  1° du montant total de la somme réclamée avec, sur base annuelle, le relevé des paiements indus;
  2° des dispositions auxquelles les paiements sont contraires.
  A compter de la date de dépôt de la lettre recommandée, tout montant indu peut être réclamé durant une période de trente ans."
Art.36. Artikel 194 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "§ 1. In afwijking van de artikelen 3, 44°, 5 en 12 van dit decreet kunnen kinderen tussen 2 jaar en 6 maanden en drie jaar, tot op een datum door de Vlaamse regering bepaald, toegelaten worden tot het kleuteronderwijs.
  Voor het gewoon kleuteronderwijs gelden volgende instapdata:
  1° de eerste schooldag na de zomervakantie;
  2° de eerste schooldag na de herfstvakantie;
  3° de eerste schooldag na de kerstvakantie;
  4° de eerste schooldag na de krokusvakantie;
  5° de eerste schooldag na de paasvakantie.
  § 2. Tot op de datum bedoeld in § 1 worden de kinderen tussen 2 jaar en zes maanden en drie jaar geacht te voldoen aan de toelatingsvoorwaarde bepaald in artikel 12."
Art.36. L'article 194 du même décret est remplacé par la disposition suivante:
  "§ 1er. Par dérogation aux articles 3, 4 4°, 5 et 12 du présent décret, les enfants ayant entre 2 ans et 6 mois et trois ans peuvent être admis à l'enseignement maternel jusqu'à une date à déterminer par le Gouvernement flamand.
  Pour l'enseignement maternel ordinaire, les dates d'adhésion sont les suivantes:
  1° le premier jour scolaire après les vacances d'été;
  2° le premier jour scolaire après les vacances d'automne;
  3° le premier jour scolaire après les vacances de Noël;
  4° le premier jour scolaire après les vacances de carnaval;
  5° le premier jour scolaire après les vacances de Pâques.
  § 2. Jusqu'à la date visée au § 1er, les enfants entre 2 ans et six mois et trois ans sont censés répondre à la condition d'admission définie à l'article 12."
Art.37. In hetzelfde decreet wordt een artikel 194bis ingevoegd luidend als volgt:
  "Artikel 194bis. De scholen die op 1 september 1995 en op 1 september 1996 ontstaan zijn uit een vrijwillige fusie, conform de ministeriële omzendbrief OND/II/1/CDG/SVC/SD van 27 juli 1995, verliezen hun adjunctdirecteur en hun bijkomende lestijden niet na en herstructurering die uiterlijk op 1 september 1997 plaatsvond, tenzij die herstructurering voor het betrokken schoolbestuur gepaard gaat met de oprichting van een nieuwe kleuter-, lagere of basisschool in dezelfde of aangrenzende gemeente."
Art.37. Dans le même décret est inséré un article 194bis, libellé comme suit:
  "Article 194bis. Les écoles nées d'une fusion volontaire entre le 1er septembre 1995 et le 1er septembre 1996, conformément à la circulaire ministérielle OND/II/1/CDG/SVC/SD du 27 juillet 1995 ne perdent pas leur directeur adjoint ni leurs heures de cours supplémentaires après une restructuration qui a eu lieu le 1er septembre 1997 au plus tard, à moins que cette restructuration n'aille de pair, pour la direction d'école concernée, avec la création d'une nouvelle école maternelle, primaire ou fondamentale dans la même commune ou une commune voisine."
Art.38. In artikel 195, 3°, van hetzelfde decreet wordt "134" vervangen door "134, § 2".
Art.38. A l'article 195,3°, du même décret, le mot "134" est remplacé par "134,§ 2".
Art.39. De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 september 1997 met uitzondering van:
  1° het artikel 18 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1994;
  2° het artikel 34 dat in werking treedt op 1 januari 1998;
  3° de artikelen 19, 26, 28 en 32 die in werking treden op 1 september 1998.
Art.39. Les dispositions du présent chapitre produisent leurs effets le 1er septembre 1997, à l'exception de:
  1° l'article 18 qui produit ses effets le 1er septembre 1994;
  2° l'article 34 qui produit ses effets le 1er janvier 1998;
  3° les articles 19, 26, 28 et 32 qui produisent leurs effets le 1er septembre 1998.
HOOFDSTUK IV. - Secundair onderwijs.
CHAPITRE IV. - Enseignement secondaire.
Art.40. Artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs; artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief en opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs; artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de inrichtingen voor het buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semiinternaten en artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat, worden aangevuld als volgt:
  "§ 3. De regering zal het salarisequivalent van vijf procent van het totaal van deze extra lesuren en/of uren met ingang van 1 januari 1998 prioritair aanwenden om de integratietoelage voor het geïntegreerd onderwijs aan te passen."
  De huidige paragraaf 3 van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, wordt § 4.
Art.40. L'article 5 de l'arrêté royal n° 65 du 20 juillet 1982 fixant les modalités de détermination des fonctions du personnel administratif et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial; l'article 4, § 2, de l'arrêté royal n° 66 du 20 juillet 1982 définissant les modalités de détermination des fonctions du personnel administratif et du personnel aidant éducatif au sein des établissements d'enseignement spécial; l'article 6, § 2, de l'arrêté royal n° 67 du 20 juillet 1982 fixant les modalités de détermination des fonctions du personnel paramédical dans les établissements d'enseignement spécial, à l'exception des internats ou semi internats et l'article 9, § 2, de l'arrêté royal n° 184 du 30 décembre 1982 fixant les modalités de détermination du personnel paramédical et du personnel accordé dans le cadre de l'internat pour ce qui concerne les Instituts nationaux d'enseignement spécial et les établissements de l'Etat, sont complétés comme suit:
  "§ 3. A partir du 1er janvier 1998, le Gouvernement affectera prioritairement l'équivalent salarial de cinq pour cent du total de ces heures de cours supplémentaires et/ou heures supplémentaires à l'adaptation de la subvention d'intégration en faveur de l'enseignement intégré."
  L'actuel paragraphe 3 de l'article 5 de l'arrêté royal n° 65 du 20 juillet 1982 fixant les modalités de détermination des fonctions du personnel administratif et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial, devient le § 4.
Art.41. De huidige tekst van artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, wordt een paragraaf 1.
  Aan hetzelfde artikel wordt een § 2 toegevoegd luidend als volgt:
  "§ 2. Bij het lesurenpakket kunnen de uren klassendirectie worden gevoegd voor het organiseren van uren die geen lesuren zijn.
  De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden voor het organiseren van uren die geen lesuren zijn en de administratieve en geldelijke gevolgen voor de personeelsleden die hiermee belast worden."
Art.41. L'actuel texte de l'article 21 de l'arrêté royal n° 65 du 20 juillet 1982 fixant les modalités de détermination des fonctions du personnel administratif et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial, devient un paragraphe 1er.
  Au même article est ajouté un § 2, libellé comme suit:
  "§ 2. Les heures direction de classes peuvent être ajoutées au programme pour l'organisation d'heures qui ne sont pas des heures de cours.
  Le Gouvernement flamand détermine les conditions d'organisation des heures qui ne sont pas des heures de cours et les répercussions administratives et pécuniaires pour les membres du personnel qui en sont chargés."
Art.43. Aan het tweede streepje van artikel 4 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs toevoegen: "of als die jongere in maximaal drie schooljaren een tweede kwalificatiegetuigschrift van opleidingsvorm 3 kan behalen, mits jaarlijks gunstig advies van de Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs".
Art.43. Au deuxième tiret de l'article 4 de la loi du 6 juillet 1970 sur l'enseignement spécial et intégré, ajouter: "ou lorsque le jeune en question peut obtenir en trois années scolaires maximum, un deuxième certificat de qualification de formation type 3, moyennant un avis favorable annuel de la Commission consultative pour l'Enseignement spécial."
Art.44. 1° De artikelen 41 en 42 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1997;
  2° Het artikel 40 treedt in werking op 1 januari 1998;
  3° Het artikel 43 treedt in werking op 1 september 1998.
Art.44. 1° Les articles 41 et 42 produisent leurs effets le 1er septembre 1997;
  2° L'article 40 produit ses effets le 1er janvier 1998;
  3° L'article 43 produit ses effets le 1er septembre 1998.
HOOFDSTUK V. - Hogescholen.
CHAPITRE V. - Instituts supérieurs.
Art.45. Aan artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° er wordt een 28bis toegevoegd luidend als volgt:
  "28°bis artistieke bekendheid: de erkenning van de vermaardheid van een persoon in een kunsttak of aan de kunsten gerelateerde beroepstak als voorwaarde tot benoeming zoals bedoeld in artikel 128,§ 2";
  2° er wordt een 28°ter toegevoegd luidend als volgt:
  "28°ter artistieke faam: de erkenning van de vermaardheid van een persoon in een kunsttak of aan de kunsten gerelateerde beroepstak als voorwaarde tot concordantie tot docent, zoals bedoeld in artikel 317bis".
Art.45. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 2 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande:
  1° un 28°bis est inséré, libellé comme suit:
  "28°bis notoriété artistique: la reconnaissance de la réputation d'une personne dans une branche artistique ou une activité professionnelle liée aux arts comme condition de nomination telle que visée à l'article 128, § 2;
  2° un 28°ter est ajouté, libellé comme suit:
  "28°ter réputation artistique: la reconnaissance de la notoriété d'une personne dans une branche artistique ou une activité professionnelle liée aux arts comme condition de nomination en qualité de chargé de cours, conformément à l'article 317bis."
Art.46. Artikel 12 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt: 1° In § 1 wordt de datum "1 mei 1998" vervangen door de datum "1 mei 2002".
Art.46. L'article 12 du même décret est modifié comme suit: 1° Au § 1er, la date "1er mai 1998" est remplacée par la date du "1er mai 2002".
Art.47. Aan artikel 13, § 1, van hetzelfde decreet wordt een zin toegevoegd, luidend als volgt:
  "De Vlaamse regering past jaarlijks de tekst in Bijlage II aan aan de reële wijzigingen die in toepassing van dit decreet plaatsvinden."
Art.47. A l'article 13, § 1er, du même décret est ajoutée une phrase, libellée comme suit:
  "Le Gouvernement flamand adapte annuellement le texte de l'Annexe II en fonction des modifications réelles qui se produisent en application du présent décret."
Art.48. Aan artikel 14, § 1, van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het vorige lid kan de Hogeschool Antwerpen de basisopleiding van één cyclus grafische bedrijven in de vestiging Turnhout blijven organiseren, ongeacht het aantal financierbare studenten."
Art.48. A l'article 14, § 1er, du même décret est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit:
  "Par dérogation à l'alinéa précédent, la Hogeschool Antwerpen peut continuer d'organiser la formation initiale comportant un cycle d'entreprises graphiques dans le siège de Turnhout, quel que soit le nombre d'étudiants admissibles au financement"
Art.49. Aan artikel 20sexies van hetzelfde decreet wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
  "§ 6. Een hogeschool die zowel het studiegebied onderwijs als ten minste twee basisopleidingen van twee cycli van de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst organiseert, kan een voortgezette lerarenopleiding muzische vorming inrichten voor houders van een diploma van een initiële lerarenopleiding of van een initiële lerarenopleiding van academisch niveau."
Art.49. A l'article 20sexies du même décret est ajouté un § 6, libelle comme suit:
  "§ 6. Un institut supérieur qui organise tant la discipline enseignement que deux formations initiales au moins comportant deux cycles des disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique, peut organiser une formation complémentaire d'instructeur formation musicale pour les titulaires d'un diplôme initiale d'enseignants ou une formation initiale d'enseignants de niveau académique."
Art.50. In Bijlage I van hetzelfde decreet onderaan punt 8. Studiegebied onderwijs, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "_ de voortgezette lerarenopleiding muzische vorming, waardoor het overeenkomstig diploma wordt verleend;"
Art.50. La phrase suivante est ajoutée en Annexe I du même décret, au bas du point 8:
  "la formation complémentaire d'enseignants formation musicale, pour laquelle le diplôme correspondant est conféré."
Art.51. Aan artikel 41,§ 1 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het vorige lid kan een getuigschrift, uitgereikt ter bekrachtiging van posthogeschoolvorming, geen aanleiding geven tot het verlenen van vrijstellingen of studieduurverkorting."
Art.51. A l'article 41, § 1er, du même décret, est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit:
  "Par dérogation à l'alinéa précédent, un certificat, délivré à titre de confirmation d'un postgraduat, peut donner lieu à l'octroi de dispenses ou à une réduction de la durée des études."
Art.52. Aan artikel 94 van hetzelfde decreet wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het personeelslid waartegen een preventieve schorsing wordt uitgesproken na ontslag, bevindt zich tijdens de preventieve schorsing in de administratieve stand waarin het zich bevond de dag vóór het ontslag. Tijdens de preventieve schorsing wordt het personeelslid ontheven van de verplichting om dienstprestaties te leveren."
Art.52. A l'article 94 du même décret, est ajouté un alinéa cinq, libellé comme suit:
  "Le membre du personnel contre lequel est prononcée une suspension préventive après licenciement, se trouve durant la période de suspension préventive dans la position administrative dans laquelle il se trouvait la veille du licenciement. Durant la suspension préventive, le membre du personnel est déchargé de l'obligation de fournir des prestations de service."
Art.53. Aan artikel 97 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk betreffende de algemeen directeur eveneens van toepassing op het administratief en technisch personeel van de hogeschool."
Art.53. A l'article 97 du même décret, est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit:
  "Par dérogation à l'alinéa premier, les dispositions du présent chapitre relatives au directeur général s'appliquent également au personnel administratif et technique des écoles supérieures."
Art.54. De tekst van artikel 100 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
  "Artikel 100. § 1. De erkenning van de artistieke bekendheid zoals bedoeld in artikel 2,28bis wordt verleend door een commissie bestaande uit deskundigen.
  § 2. De beoordeling van de artistieke bekendheid staat los van het toewijzen van een betrekking. De beslissing van de commissie houdt evenwel op uitwerking te hebben indien het personeelslid binnen de tien jaar na het oordeel van de commissie geen ambt zoals bedoeld in artikel 128 heeft opgenomen.
  § 3. Voor het toekennen van de artistieke bekendheid hanteert de commissie de volgende criteria, voor zover deze relevant zijn voor de betrokken artistieke discipline:
  - publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten;
  - eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene;
  - regionale, federale of internationale prijzen;
  - deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland;
  - realisaties voor binnenlandse instellingen of bedrijven;
  - relevante bijdragen aan belangrijke producties;
  - tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea.
  Het bewijsmateriaal moet de artistieke bekendheid op het ogenblik van het indienen van het stavingsdossier aantonen.
  § 4. De commissie wordt samengesteld uit twee permanente leden, aangeduid door de Vlaamse regering op basis van hun grondige vertrouwdheid met het brede domein van de kunsten, en uit vier niet-permanente leden die uit dezelfde artistieke discipline afkomstig zijn als degene waarvoor de aanvrager zijn artistieke bekendheid wil laten gelden.
  Voor de volgende disciplines worden telkens vier leden aangeduid:
  - architectuur;
  - audiovisuele kunst;
  - beeldende kunst;
  - dramatische kunst;
  - muziek;
  - productontwikkeling en productdesign.
  De directeur-generaal van de Administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek zit de commissie voor; hij duidt een ambtenaar aan als secretaris.
  § 5. De Vlaamse regering stelt de leden van de commissie aan voor een periode van vijf jaar en bepaalt de werking van de commissie."
Art.54. Le texte de l'article 100 du même décret est modifié comme suit:
  "Article 100. § 1er. La notoriété artistique telle que visée à l'article 2, 28bis, est reconnue par une commission d'experts.
  § 2. L'évaluation de la notoriété artistique est dissociée de l'attribution d'un emploi. La décision dela commission cesse toutefois de produire ses effets lorsque le membre du personnel n'a pas assumé d'emploi au sens de l'article 128, dans les dix années suivant la décision de la commission.
  § 3. Pour l'octroi de la notoriété artistique, l commission prend en compte les critères suivants dans la mesure où ils sont pertinents pour la discipline artistique concernée:
  - publications concernant sur l'oeuvre de l'intéressé dans des revues spécialisées, magazines ou journaux;
  - publications propres ou dossiers réalisés dans le cadre de la pratique artistique libre ou appliquée de l'intéressé;
  - prix régionaux, fédéraux ou internationaux;
  - participation à des manifestations importantes à l'intérieur du pays et à l'étranger;
  - réalisations pour le compte d'institutions ou entreprises intérieures ou étrangères;
  - contributions importantes à des productions d'envergure;
  - expositions dans des galeries ou musées de renom à l'intérieur et à l'extérieur du pays.
  Les justificatifs doivent attester de la notoriété artistique au moment du dépôt du dossier.
  § 4. La commission se compose de deux membres permanents, désignés par le Gouvernement flamand sur la base de leur connaissance approfondie du vaste domaine des arts, ainsi que de quatre membres non permanents issus de la même discipline artistique que la discipline pour laquelle le demandeur veut faire valoir sa notoriété artistique.
  Pour les disciplines suivantes, quatre membres sont chaque fois désignés:
  - architecture;
  - arts audiovisuels;
  - arts plastiques;
  - art dramatique;
  - musique;
  - développement et conception de produits.
  le directeur général de l'Administration Enseignement supérieur et Recherche scientifique préside la commission; il désigne un fonctionnaire comme secrétaire.
  § 5. Le Gouvernement flamand désigne les membres de la commission pour une période de cinq ans et détermine les modalités de fonctionnement de la commission."
Art.55. Aan artikel 109 van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid kan in de departementen bevoegd voor de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst ook een tijdelijk personeelslid het mandaat van departementshoofd uitoefenen."
Art.55. A l'article 109 du même décret est ajouté un alinéa trois, libellé comme suit:
  "Par dérogation à l'alinéa premier, un membre du personnel temporaire peut exercer le mandat de chef de département dans les départements qui sont compétents pour les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
Art.56. Artikel 127 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
  1° in de eerste zin wordt het woord "aanstellen" vervangen door "tewerkstellen";
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het vorige lid kan het hogeschoolbestuur in de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst, contractueel buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen voor een periode van onbepaalde duur."
Art.56. L'article 127 du même décret est modifié comme suit:
  1° dans la première phrase, le mot "désigner" est remplacé par "employer";
  2° un alinéa deux est inséré, libellé comme suit:
  "Par dérogation à l'alinéa précédent, la direction de l'institut supérieur peut employer des professeurs invités à temps plein et à temps partiel, sur base contractuelle, hors cadre, pour une durée indéterminée, dans les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
Art.57. Het tweede gedachtenstreepje van artikel 128,§ 2 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende woorden:
  "zoals omschreven in artikel 100,§ 2."
Art.57. Le deuxième tiret de l'article 128, § 2, du même décret est complété par les mots suivants:
  "telle que définie à l'article 100, 6 2."
Art.58. Artikel 136 van hetzelfde decreet wordt vervangen door het volgende artikel:
  "Artikel 136. § 1. De personeelsleden belast met een mandaat, kunnen bezoldigd worden hetzij met een mandaatsvergoeding, hetzij met een niet verworven salarisschaal.
  § 2. Behoudens het bepaalde in de artikelen 137 en 138 bepaalt het hogeschoolbestuur vrij het bedrag van de vergoeding dat het in voorkomend geval aan het vervullen van een mandaat in de hogeschool kan verbinden. Het salaris, eventuele mandaatsvergoeding inbegrepen, mag echter maximum 20 % hoger zijn dan het salaris dat het personeelslid in kwestie zou genieten indien hij niet belast was met een mandaat."
Art.58. L'article 136 du même décret est remplacé par l'article suivant:
  "Article 136. § 1er. Les membres du personnel chargés d'un mandat peuvent être rémunérés soit sur la base d'une indemnité de mandat, soit par le biais d'une échelle de traitement non acquise.
  § 2. Sans préjudice des dispositions des articles 137 et 138, la direction de l'institut supérieur détermine librement le montant de l'indemnité qu'elle peut lier le cas échéant à l'accomplissement d'un mandat au sein de l'institut supérieur. Le salaire, en ce compris l'éventuelle indemnité de mandat, peut au maximum dépasser de 20 % le salaire dont bénéficierait le membre du personnel en question s'il n'était pas chargé d'un mandat."
Art.59. Artikel 137,§ 1,2° van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
  1° het zinsdeel "in geval van externe werving via een contract van onbepaalde duur" wordt geschrapt;
  2° in § 2 wordt het zinsdeel " 1°" geschrapt.
Art.59. L'article 137,§ 1er,2°, du même décret, est modifié comme suit:
  1° la phrase "en cas de recrutement externe par contrat de durée indéterminée" est supprimée;
  2° la phrase "1°" est supprimée au § 2.
Art.60. Artikel 142,§ 2, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende zin:
  "De toekenning van de gangbare salarisschaal is geen recht voor het personeelslid, heeft altijd een tijdelijk karakter en dient jaarlijks geëvalueerd te worden. De gangbare salarisschaal blijft verworven zolang het personeelslid blijft voldoen aan de voorwaarden waarbij zij werd toegekend."
Art.60. L'article 142,§ 2, du même décret est complété par la phrase suivante:
  "L'octroi de l'échelle de traitement habituelle ne constitue pas un droit dans le chef du membre du personnel, présente toujours un caractère temporaire et doit être soumis à une évaluation annuelle. L'échelle de traitement habituelle reste acquise aussi longtemps que le membre du personnel continue de remplir les conditions d'octroi de cette échelle."
Art.61. Artikel 158 van hetzelfde decreet wordt vervangen door:
  "Artikel 158. § 1. De personeelsleden belast met een mandaat kunnen bezoldigd worden hetzij met een mandaatsvergoeding, hetzij met een niet verworven salarisschaal.
  § 2. Het hogeschoolbestuur bepaalt vrij het bedrag van de vergoeding dat het in voorkomend geval aan het vervullen van een mandaat in de hogeschool kan verbinden. Behoudens het bepaalde in artikel 137 mag het salaris, eventuele mandaatsvergoeding inbegrepen, maximum 20 % hoger zijn dan het salaris dat het personeelslid in kwestie zou genieten indien hij niet belast was met een mandaat."
Art.61. L'article 158 du même décret est remplacé par la disposition suivante:
  "Article 158. § 1er. Les membres du personnel chargés d'un mandat peuvent être rémunérés soit sur la base d'une indemnité de mandat, soit par le biais d'une échelle de traitement non acquise.
  § 2. La direction de l'institut supérieur détermine librement le montant de l'indemnité qu'elle peut lier le cas echéant à l'accomplissement d'un mandat au sein de l'institut supérieur. Sans préjudice des dispositions de l'article 137, le salaire, en ce compris l'éventuelle indemnité de mandat, peut au maximum dépasser de 20 % le salaire dont bénéficierait le membre du personnel en question s'il n'était pas chargé d'un mandat."
Art.62. In artikel 175, § 2, van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door:
  "De voorwaarden vermeld in § 1, 3°, zijn niet van toepassing op de opleidingen van de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst."
Art.62. A l'article 175, § 2, du même décret, l'alinéa deux est remplacé par:
  "Les conditions visées au § 1er, 3°, ne s'appliquent pas aux formations des disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
Art.63. Artikel 177,§ 1, van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
  1° In 2°,e), wordt de tweede zin vervangen door:
  "Dit aantal studenten per hogeschool mag niet hoger zijn dan twee procent van het totale aantal Belgische studenten die het vorig academiejaar regelmatig in de hogeschool zijn ingeschreven;"
  2° Aan 3° wordt een bepaling toegevoegd, luidend als volgt:
  "Voor de vaststelling van het aantal inschrijvingen:
  _ worden de inschrijvingen voor voorheen gevolgde studiejaren die tot het behalen van een diploma hebben geleid, niet in aanmerking genomen;
  _ wordt de inschrijving voor het eerste studiejaar van de tweede cyclus beschouwd als een inschrijving voor het derde studiejaar van de opleiding, de inschrijving voor het tweede studiejaar van de tweede cyclus als een inschrijving voor het vierde studiejaar en in voorkomend geval de inschrijving voor het derde studiejaar van de tweede cyclus als een inschrijving voor het vijfde studiejaar."
  3° In ten 4° wordt het laatste lid als volgt vervangen:
  "Voor de vaststelling van de maximale financieringsduur worden de voorheen gevolgde studiejaren die tot het behalen van een diploma hebben geleid, niet in aanmerking genomen."
Art.63. L'article 177,§ 1er, du même décret est modifié comme suit:
  1° Au 2°,e), la deuxième phrase est remplacée par:
  "Ce nombre d'étudiants par institut supérieur ne peut excéder deux pour cent du total d'étudiantes belges régulièrement inscrits auprès de l'institut supérieur au cours de l'année académique précédente;"
  2° Au 3° est ajoutée une disposition comme suit:
  "Pour la fixation du nombre d'inscriptions:
  _ les inscriptions pour les années d'étude suivies antérieurement ayant abouti à l'obtention d'un diplôme ne sont pas prises en compte;
  _ l'inscription pour la première année du deuxième cycle est considérée comme une inscription pour la troisième année de la formation, l'inscription pour la deuxième année du second cycle comme une inscription pour la quatrième année et le cas échéant, l'inscription pour la troisième année du deuxième cycle comme une inscription pour la cinquième année."
  3° Au 4°, le dernier alinéa est remplacé comme suit:
  "Pour la fixation de la durée mximale de financement, les années d'études suivies antérieurement qui ont abouti à l'obtention d'un diplôme, ne sont pas prises en compte."
Art.64. Artikel 190 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt: § 2 wordt aangevuld met een ten 5° die luidt als volgt:
  "5° voor de organisatie van een opleiding tot meester in de conservatie/restauratie twee extra onderwijsbelastingseenheden voor de eerste tot en met de 100ste student."
Art.64. L'article 190 du même décret est modifié comme suit: § 2 est complété par un 5°, libellé comme suit:
  "5° pour l'organisation d'une formation de maître en conservation/restauration deux unités de charge d'enseignement supplémentaires du premier au 100ème étudiant inclus."
Art.65. In Bijlage I van hetzelfde decreet (Lijst van studiegebieden, opleidingen en opties) wordt punt 5 (Studiegebied Audiovisuele en Beeldende Kunst) gewijzigd als volgt:
  1° de bepaling "- 1C +2C restauratie" onder "- beeldende kunst, waarvoor de graden van kandidaat en meester in beeldende kunst wordt verleend", wordt opgeheven;
  2° er wordt een gedachtestreepje toegevoegd, luidend als volgt:
  "- conservatie/restauratie, waarvoor de graden van kandidaat en meester in conservatie/restauratie wordt verleend."
Art.65. Dans l'Annexe I au même décret (Liste des Disciplines, formations et options), le point 5 (Discipline Arts audiovisuels et plastiques) est modifié comme suit:
  1° la disposition "- 1C + 2C restauration" sous "arts graphiques, pour lesquels sont conférés les grades de candidat et la maîtrise en arts graphiques" est abrogée;
  2° un tiret est ajouté, libellé comme suit:
  "- conservation/restauration, pour laquelle sont conférés les grades de candidat et maître en conservation/restauration."
Art.66. In hetzelfde decreet wordt een artikel 195quater ingevoegd dat luidt als volgt:
  "Voor de toepassing van deze afdeling wordt het aantal financierbare studenten in de opleiding optiek en optometrie voor de academiejaren voorafgaand aan 1998-1999 vastgesteld op:
  1 februari 1991 87
  1 februari 1992 84
  1 februari 1993 71
  1 februari 1994 61
  1 februari 1995 52
  1 februari 1996 52
  1 februari 1997 39
  1 februari 1998 37.
Art.66. Dans le même décret, un article 195quater est inséré, libellé comme suit:
  "Pour l'application de cette section le nombre d'étudiants admissibles au financement dans la formation optique et optométrie est fixé pour les années académiques antérieures à 1998-1999 à:
  1er février 1991 87
  1er février 1992 84
  1er février 1993 71
  1er février 1994 61
  1er février 1995 52
  1er février 1996 52
  1er février 1997 39
  1er février 1998 37.
Art.67. In artikel 209, § 1, van hetzelfde decreet wordt het bedrag "3.000" vervangen door "4.000", het jaartal "1996" door "1999", het jaartal "1994" door "1998" en "I 94" door "I 98".
Art.67. A l'article 209, § 1er, du même décret, le montant "3.000" est remplacé par "4.000", l'année "1996" par "1999", l'année "1994" par "1998" et "I 94" par "I 98".
Art.68. In artikel 214, laatste zin van hetzelfde decreet worden de woorden "het hogeschoolbestuur" vervangen door de woorden "de raad van beheer van de vzw.".
Art.68. A l'article 214, dernière phrase, du même décret, les mots "la direction de l'institut supérieur" sont remplacés par les mots "le conseil d'administration de l'asbl".
Art.69. Artikel 222, § 3, van hetzelfde decreet wordt opgehe
  en.
Art.69. L'article 222, § 3, du même décret est abr
  gé.
Art.70. Artikel 228 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt: 1° In het eerste lid wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Als gevolg hiervan wordt de uitbetaling van de werkingsuitkering van het betreffende begrotingsjaar bedoeld in artikel 229, opgeschort tot op het ogenblik dat de Vlaamse regering de begroting goedkeurt";
  2° De laatste zin van het derde lid wordt opgeheven.
Art.70. L'article 228 du même décret est modifié comme suit: 1° à l'alinéa premier, la phrase suivante est ajoutée:
  "Par conséquent, le paiement de l'allocation de fonctionnement de l'année budgétaire concernée, visée à l'article 229, est suspendu jusqu'au moment de l'approbation du budget par le Gouvernement flamand.";
  2° la dernière phrase du troisième alinéa est abrogée.
Art.71. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 231quater toegevoegd, luidend als volgt:
  "Artikel 231quater. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 122,§ 2, en 231 kan het hogeschoolbestuur personeelsleden bedoeld in artikel 318,2°, die de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben op hun verzoek benoemen.
  Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
  Deze benoeming is mogelijk in het ambt waarvoor zij overgangsmaatregelen genieten en voor het volume van de opdracht waarop zij krachtens artikel 326 aanspraak kunnen maken."
Art.71. Au même décret est ajouté un article 231quater, libellé comme suit:
  "Article 231quater. Par dérogation aux dispositions des articles 122, § 2, et 231, la direction de l'institut supérieur peut nommer les membres du personnel visés a l'article 318, 2°, qui ont atteint l'âge de 55 ans, à leur demande.
  Chaque membre du personnel qui est nommé doit être en possession du certificat d'aptitude requis.
  Cette nomination peut se faire dans la fonction pour laquelle ils bénéficient de mesures transitoires et pour le volume de la charge qu'ils peuvent réclamer en vertu de l'article 326.
Art.72. Aan artikel 239 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de eerste zin wordt vervangen door wat volgt:
  "Als het hogeschoolbestuur of de bevoegde overheid de salarissen van het onderwijzend personeel of van het administratief en technisch personeel verkeerd heeft vastgesteld, moet het de terugbetaling vragen binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de eerste januari volgend op de datum van betaling";
  2° een tweede lid wordt toegevoegd, luidend als volgt:
  "Om geldig te zijn moet de vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij een ter post aangetekend schrijven met vermelding van:
  1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;
  2° de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan.
  Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd."
Art.72. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 239 du même décret:
  1° la première phrase est remplacée par ce qui suit:
  "Lorsque la direction de l'institut supérieur ou l'autorité compétente a fixé incorrectement les traitements du personnel enseignant ou du personnel administratif et technique elle doit en réclamer le remboursement dans un délai d'un an à compter du premier janvier suivant la date du paiement.";
  2° un alinéa deux est ajoutée, libellé comme suit:
  "Pour être valable la demande de remboursement doit être portée à la connaissance du débiteur par lettre recommandée à la poste, moyennant mention:
  1° du montant total de la somme réclamée avec, sur base annuelle, le relevé des paiements effectués indûment;
  2° des dispositions auxquelles les paiements sont contraires.
  A compter de la date de remise de la lettre recommandée, le montant indu peut être réclamé durant une période de trente ans."
Art.73. Aan artikel 277 van hetzelfde decreet wordt een § 4 toegevoegd, luidend als volgt:
  "§ 4. In afwijking van de bepalingen van § 1 kunnen in de departementen bevoegd voor de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst ook tijdelijke personeelsleden tot departementshoofd verkozen worden."
Art.73. A l'article 277 du même décret est ajouté un § 4, libellé comme suit:
  "§ 4. Par derogation aux dispositions du § 1er, des membres du personnel temporaires peuvent être élus chef de département dans les départements qui sont compétents pour les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique.
Art.74. Aan artikel 286 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt:
  "In afwijking van de bepalingen van het eerste lid kan het hogeschoolbestuur in de departementen bevoegd voor de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst het departementshoofd ook aanwijzen onder de leden van het tijdelijk onderwijzend personeel die verbonden zijn aan het departement."
Art.74. A l'article 286 du même décret est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit:
  "Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, la direction de l'institut supérieur peut désigner le chef de département parmi les membres du personnel enseignant temporaire rattachés au départements, dans les départements qui sont compétents pour les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
Art.75. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 307ter toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Artikel 307ter. De vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs voor sociale promotie van het Instituut voor Optica Raymond Thibaut die ingevolge de afbouw van de afdeling optiek en optometrie terbeschikkinggesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking, kunnen met ingang van 1 september 1998 tot en met 31 augustus 2001 aangesteld worden in de Katholieke Vlaamse Sociale Hogeschool Brussel en Parnas Dilbeek. Deze aanstelling wordt met betrekking tot hun geldelijke en statutaire toestand in het onderwijs voor sociale promotie beschouwd als een wedertewerkstelling in de zin van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage. De personeelsleden blijven gedurende de periode van deze aanstelling bezoldigd uit de begroting van het onderwijs voor sociale promotie.
  De hogeschool kan deze personeelsleden, in afwijking van artikel 231 voor wat betreft het volume van de opdracht waarvoor zij in het OSP benoemd waren, uiterlijk tot 31 augustus 2001 benoemen in een ambt waarvoor zij over het vereiste bekwaamheidsbewijs beschikken. De personeelsleden worden vanaf dit ogenblik bezoldigd uit de werkingsuitkeringen van de hogeschool."
Art.75. Au même décret est ajouté un article 307ter, libellé comme suit:
  "Article 307ter. Les membres du personnel, nommés à titre définitif, de l'enseignement de promotion sociale de l'Institut voor Optica Raymond Thibaut qui ont été mis en disponibilité suite à la suppression de la section optique et optométrie à défaut d'emploi, peuvent, à partir du 1er septembre 1998 jusqu'au 31 août 2001 être désignés dans la Katholieke Vlaamse Sociale Hogeschool Brussel et Parnas Dilbeek. Pour ce qui concerne leur position pécuniaire et statutaire dans l'enseignement de promotion sociale, cette désignation est considérée comme une remise au travail au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la mise en disponibilité à défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'octroi d'une indemnité d'attente ou allocation d'attente. Durant la période de cette désignation, la rémunération des membres du personnel reste à charge du budget de l'enseignement de promotion sociale.
  Par dérogation à l'article 231 pour ce qui concerne le volume de la charge pour laquelle ils étaient nommés au OSP, l'institut supérieur peut nommer ces membres du personnel jusqu'au 31 août 2001 au plus tard, à une fonction pour laquelle il disposent du certificat d'aptitude requis. A partir de ce moment-là, les membres du personnel sont rémunérés sur les allocations de fonctionnement de l'institut supérieur."
Art.76. In Bijlage I van hetzelfde decreet wordt aan punt "2. Studiegebid gezondheidszorg basisopleidingen van één cyclus" de volgende bepaling toegevoegd:
  "- optiek en optometrie, waarvoor de graad van gegradueerde in de optiek en optometrie wordt verleend."
Art.76. Dans l'annexe I au même décret, la disposition suivante est ajoutée au point 2. Discipline soins de santé formations initiales comportant un cycle":
  "- optique et optométrie pour lesquelles le degré de gradué en optique et optométrie est conféré."
Art.77. In Bijlage II, 69°, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "Gezondheidszorg" en "fysische behandelingen" de woorden "optiek en optometrie" gevoegd."
Art.77. Dans l'Annexe II, 69°, du même décret, les mots "optique et optométrie" sont insérés entre les mots "Soins de santé" et "traitements physiques".
Art.78. Aan artikel 314ter van hetzelfde decreet wordt een § 5 toegevoegd, luidend als volgt:
  "§ 5. De omzendbrief KO/M/85-3 van 26 augustus 1985 betreffende "koninklijke muziekconservatoria - pedagogische leergang herstructurering", gewijzigd door de omzendbrief van 21 oktober 1994, wordt bekrachtigd. De hogescholen die de rechtsopvolger zijn van vermelde conservatoria, kunnen de overeenstemmende getuigschriften uitreiken uiterlijk tot 30 september 1997."
Art.78. A l'article 314ter du même décret est ajoute un § 5, libellé comme suit:
  "§ 5. La circulaire KO/M.85-3 du 26 août 1985 relative aux "conservatoires royaux de musique - formation pédagogique - restructuration", modifiée par la circulaire du 21 octobre 1994, est confirmée. Les ecoles supérieures qui ont été subrogées dans les droits des conservatoires précités peuvent délivrer les certificats correspondants jusqu'au 30 septembre 1997 au plus tard."
Art.79. Er wordt aan hetzelfde decreet en artikel 317bis toegevoegd, luidend als volgt:
  "Artikel 317bis. § 1. Voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, die op 30 juni 1995 één van de in het derde lid vermelde ambten uitoefenden in een basisopleiding van twee cycli of in de erbij aansluitende lerarenopleiding in de studiegebieden, audiovisuele en beeldende kunst, muziek en dramatische kunst, productontwikkeling en architectuur, opleiding tot interieurarchitect, geldt dat hun ambt wordt geconcordeerd naar het ambt van assistent. In afwijking van artikel 104 hebben deze personeelsleden tot taak onderwijs te verstrekken en begeleidingsopdrachten te vervullen. Hun takenpakket kan ook projectmatig wetenschappelijk onderzoek, maatschappelijke dienstverlening en organisatorische taken omvatten. Zij mogen de titel van leraar hoger kunstonderwijs dragen.
  Het in eerste lid vermelde ambt van assistent vervangt:
  a) het wervingsambt van leraar aristieke vakken aan instellingen voor hoger kunstonderwijs of aan de niet-gerangschikte afdeling binnenhuisarchitectuur van het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Diepenbeek en van het Stedelijk Hoger Architectuurinstituut "De Bijloke" in Gent;
  b) het wervingsambt van docent aan instellingen voor hoger technisch onderwijs van de derde graad;
  c) het wervingsambt van hoofd van studiebureau aan instellingen voor hoger technisch onderwijs van de derde graad;
  d) het selectieambt van gewoon hoogleraar aan instellingen voor hoger technisch onderwijs van de derde graad;
  e) de wervingsambten van lesgever en leraar artistieke vakken aan het Hoger Architectuurinstituut Henry Van de Velde in Antwerpen in de afdelingen binnenhuisarcitectuur en productontwikkeling;
  f) het wervingsambt van leraar algemene vakken aan instellingen voor hoger kunstonderwijs of aan de niet-gerangschikte afdeling binnenhuisarchitectuur van het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Diepenbeek en van het Stedelijk Hoger Architectuurinstituut 'De Bijloke' in Gent of aan het Hoger Architectuurinstituut Sint Lucas in Gent - afdeling binnenhuisarchitectuur;
  g) het wervingsambt van leraar technische vakken aan instellingen voor hoger kunstonderwijs of aan de niet-gerangschikte afdeling binnenhuisarchitecuut van het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut Sint Lucas in Gent, afdeling binnenhuisarchitectuur, of aan de Hogeschool voor Audiovisuele Communicatie RITS in Brussel, afdeling animatie;
  h) het wervingsambt van werkleider aan instellingen voor hoger kunstonderwijs;
  i) het wervingsambt van adjunct-leraar aan instellingen voor hoger kunstonderwijs.
  § 2. In afwijking van § 1 worden deze ambten geconcordeerd naar het ambt van docent, voor zover het betrokken personeelslid, belast met aristiekgebonden onderwijsactiviteiten over een ruime artistieke faam beschikt, zoals omschreven in artikel 2,28° en 28°ter.
  § 3. Het hogeschoolbestuur erkent de ruime artistieke faam en hanteert hiervoor de volgende criteria, voor zover deze relevant zijn voor de betrokken artistieke discipline:
  - publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten;
  - eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene;
  - regionale, federale of internationale prijzen;
  - deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland;
  - realisaties voor binnenlands of buitenlandse instellingen of bedrijven;
  - relevante bijdragen aan belangrijke producties;
  - tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea.
  Bovendien moeten de artistiekgebonden onderwijsactiviteiten aansluiten bij de artistieke of aan de kunsten gerelateerde beroepsactiviteiten waarvoor de artistieke faam wordt aangevraagd."
Art.79. Un article 317bis est ajouté au même décret, libellé comme suit:
  "Article 217bis. § 1er. Pour ce qui concerne les membres du personnel administratif et enseignant chargé d'activités d'enseignement de nature artistique, qui exercaient en date du 30 juin 1995, l'une des fonctions visées à l'alinéa trois dans une formation initiale de deux cycles ou dans la formation d'enseignant correspondante dans les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique, développement de produits et architecture, formation de decorateur, leur fonction sera mise en concordance avec celle d'assistant. Par dérogation à l'article 104, ces membres du personnel ont pour mission de dispenser l'enseignement et d'accomplir des missions d'accompagnement. Leurs missions peuvent également comprendre la recherche scientifique axée sur des projets, les services sociaux et des missions organisationnelles. Ils peuvent porter le titre de professeur de l'enseignements artistique supérieur.
  La fonction d'assistant visée à l'alinéa premier remplace:
  a) la fonction de recrutement de professeur de cours artistiques aux institutions d'enseignement supérieur artistique ou à la section non classée d'esthétique d'intérieur du Provinciaal Hoger Achitectuurinstituut à Diepenbeek et du Stedelijk Hoger Architectuurinstituut "De Bijloke" à Gand;
  b) la fonction de recrutement de chargé de cours aux établissements d'enseignement supérieur technique du troisième degré;
  c) la fonction de recrutement de chef de bureau d'étude à des établissements d'enseignement supérieur technique du troisième degré;
  d) la fonction de sélection de professeur ordinaire à des établissements d'enseignement supérieur technique du troisième degré;
  e) les fonctions de recrutement de maître de conference et professeur cours artistiques au Hoger Architectuurinstituut Henry Van de Velde à Anvers dans les sections esthétique d'intérieur et développement de produits;
  f) la fonction de recrutement de professeur de cours généraux à des établissements d'enseignement artistique supérieur ou à la section non classée d'esthétique d'intérieur du Provinciaal Hoger Architectuurinstituut à Diepenbeek et du Stedelijk Hoger Architectuurinstituut 'De Bijloke' à Gand ou au Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas à Gand - section esthetique d'intérieur;
  g) la fonction de recrutement de professeur de cours techniques à des établissements d'enseignement artistique supérieur ou la section non classée d'esthétique d'intérieur du Provinciaal Hoger Architectuurinstituut à Diepenbeek et du Stedelijk Hoger Architectuurinstituut 'De Bijloke' à Gand ou du Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas à Gand, section esthétique d'interieur ou de la Hogeschool voor Audiovisuele Communicatie RITS à Bruxelles, section animation;
  h) la fonction de recrutement de chef de travaux à des établissements d'enseignement artistique supérieur;
  i) la fonction de recrutement de professeur adjoint à des établissements d'enseignement artistique superieur.
  § 2. Par dérogation au § 1er, ces fonctions s'alignent sur celle de chargé de cours, pour autant que le membre du personnel concerné, chargé d'activités d'enseignement d'ordre artistique dispose d'une large notorieté artistique, telle que définie à l'article 2, 28° et 28°ter.
  § 3. La direction de l'institut supérieur reconnait la vaste notoriété artistique et applique à cette fin les critères suivants, dans la mesure où ceux-ci sont pertinents pour la discipline artistique concernée:
  - publications concernant sur l'oeuvre de l'intéressé dans des revues spécialisées, magazines ou journaux;
  - publications propres ou dossiers réalisés dans le cadre de la pratique libre ou appliquée de l'intéressé;
  - prix régionaux, fédéraux ou internationaux;
  - participation à des manifestations importantes à l'intérieur du pays et à l'étranger;
  - réalisations pour le compte d'institutions ou entreprises intérieures ou étrangères;
  - contributions importantes à des productions d'envergure;
  - expositions dans des galeries ou musées de renom à l'intérieur et a l'extérieur du pays.
  (NOTE : alinéa non traduit)
Art.80. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 317ter toegevoegd, luidend als volgt:
  "Artikel 317ter. De concordantie door het hogeschoolbestuur van de leden van het onderwijzend personeel in een basisopleiding of in de erbij aansluitende lerarenopleiding, behorend tot de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, muziek en dramatische kunst, productontwikkeling en architectuur en opleiding tot interieurarchitect, tot docent op 1 januari 1996, in toepassing van artikel 317, wordt bekrachtigd."
  
Art.80. Au même décret est ajouté un article 317ter, libellé comme suit:
  "Article 317ter. la concordance par la direction de l'institut supérieur des membres du personnel enseignant dans une formation initiale ou dans la formation d'enseignant correspondante, relevant des disciplines disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique, développement de produits et architecture et formation de décorateur, comme chargé de cours en date du 1er janvier 1996, en application de l'article 317, est confirmée.
  
Art.81. Artikel 323,§ 2, tweede lid van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "Wanneer zij evenwel op hun verzoek en met instemming van het hogeschoolbestuur de toepassing verkrijgen van artikel 142,§ 2, verkrijgen zij in het ambt waarnaar zij op grond van artikel 317 werden geconcordeerd, de gangbare salarisschaal van de houder van het vereiste bekwaamheidsbewijs."
Art.81. L'article 323, § 2, alinéa deux, du même décret est rempalcé par la disposition suivante:
  "Cependant, lorsqu'ils obtiennent à leur propre demande et moyennant l'accord de la direction de l'institut superieur, l'application de l'article 142, § 2, ils bénéficient dans la fonction pour laquelle la concordance a été établie en vertu de l'article 317, l'échelle de traitement habituelle du titulaire du certificat d'aptitude requis."
Art.82. In Titel VII van hetzelfde decreet wordt Hoofdstuk IIbis gewijzigd als volgt:
  "HOOFDSTUK IIbis. - Projecten voor het Hoger Kunstonderwijs.
  Artikel 340ter. § 1. De Vlaamse regering draagt jaarlijks bij in de financiering van instituten en van uitzonderlijke projecten in het kader van het hoger kunstonderwijs.
  Het totale bedrag van deze bijdragen wordt vastgesteld op 71,1 miljoen frank voor het begrotingsjaar 1998. Dit bedrag wordt jaarlijks op de volgende wijze aangepast:
  0,8 x (Ln/L97) + 0,2 x (Cn/C97);
  waarbij:
  - Ln/L97 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begroting jaar 1997;
  - Cn/C97 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 1997.
  § 2. De Vlaamse regering kan de in § 1 vermelde kredieten aanwenden voor projecten of instituten die kaderen binnen de hierna vermelde dolstellingen:
  - de posthogeschoolvorming voor de departementen kunst van alle hogescholen;
  - de coördinatie van allerhande onderzoeksinitiatieven voor de kunst;
  - de coördinatie van de internationalisering van de departementen kunst van de hogescholen;
  - het fungeren als een overlegplatform m.b.t. langlopende projecten op het vlak van hoger kunstonderwijs.
  Artikel 340quater. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring moet voor elk project of instituut bij de aanvraag een concrete omschrijving van de doelstellingen en een meerjarenplanning ingediend worden bij de in artikel 340quinquies bedoelde commissie. Daarenboven wordt elk jaar vóór 31 mei aan deze commissie een jaarverslag ingediend. Het jaarverslag bevat ten minste een overzicht omtrent de doelmatige aanwending van de overheidsbijdrage waaruit blijkt in hoeverre de werkzaamheden waarvoor zij is verleend, behoorlijk zijn uitgevoerd.
  Artikel 340quinquies. Een interdisciplinaire commissie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de overheid, de academische wereld en de voorzitters van de commissies die deel uitmaken van de Raad voor Kunsten, adviseren de Vlaamse regering omtrent de financiering op basis van de ingediende concrete omsmchrijving van de doelstellingen en de meerjarenplanning.
  De commissie evalueert het jaarverslag en brengt daaromtrent advies uit aan de Vlaamse regering. De Vlaamse regering stelt de leden van de commissie aan en bepaalt de werking van de commissie.
  Artikel 340sexies. § 1. Voor de organisatie van de posthogeschoolvorming kunnen instituten worden opgericht die de posthogeschoolvorming bekrachtigen met de titel van "Laureaat van het Hoger Instituut voor Kunst". Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen, moeten de hogere instituten voor kunst, onverminderd de bepalingen van artikel 340quater voldoen aan volgende voorwaarden:
  1° zij worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel, hierna vzw genoemd;
  2° zij onderwerpen zich aan de controle van de commissarissen van de Vlaamse regering bij de hogescholen op de wijze zoals bepaald in titel IV, hoofdstuk V van dit decreet;
  3° zij dienen een begroting in, voeren een volledige boekhouding, leggen een jaarrekening voor op de wijze zoals bepaald in Titel IV, hoofdstuk IV van dit decreet.
  § 2. De vzw's kunnen akkoorden afsluiten met hogescholen, met universiteiten en met andere openbare en privé-instellingen. De overeenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald.
  De vzw's kunnen alleen personeel bij arbeidsovereenkomst aanwerven. Bij overeenkomst gesloten tussen een vzw en een hogeschool kan een personeelslid van een hogeschool met zijn instemming belast worden met een opdracht. Het personeelslid blijft juridisch en administratief behoren tot zijn hogeschool en bevindt zich gedurende deze opdracht in de administratieve stand "dienstactiviteit". De overeenkomst bepaalt de termijn van de opdracht en de financiële vergoeding die door de vzw aan de hogeschool waartoe het personeel behoort, wordt betaald."
Art.82. Au Titre VII du même décret, le Chapitre Ibis est modifie comme suit:
  "CHAPITRE Ibis. - Projets pour l'Enseignement supérieur artistique.
  Article 340ter. § 1er. Le Gouvernement flamand participe annuellement au financement d'instituts et de projets exceptionnels dans le cadre de l'enseignement supérieur artistique.
  Le montant total de ces contributions est fixé à 71,1 millions francs pour l'année budgétaire 1998. Ce montant est annuellement adapté selon les modalités suivantes:
  0,8 x (Ln/L97) + 0,2 x (Cn/C97);
  où:
  - Ln/L97 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 1997;
  - Cn/C97 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix a la consommation à la fin de l'anée budgetaire 1997.
  § 2. Le Gouvernement flamand peut affecter les crédits visés au § 1er à des projets ou instituts qui s'inscrivent dans les objectifs cités ci-après:
  - les postgraduats pour les départements arts de toutes les écoles supérieures;
  - la coordination de toutes sortes d'initiatives de recherche en matière d'art;
  - la coordination de l'internationalisation des départements arts des écoles supérieures;
  - le fonctionnement comme une plate-forme de concertation pour ce qui concerne des projets de longue durée dans le domaine de l'enseignement supérieur artistique.
  Article 340quater. Pour entrer en ligne de compte pour l'octroi de subventions, la demande pour tout projet ou institut doit s'accompagner d'une description concrète des objectifs et d'un planning pluriannuel, à déposer auprès de la commission visée à l'article 340quinquies. De plus, avant le 31 mai de chaque année un rapport annuel est soumis à cette commission. Le rapport annuel comporte au moins un apercu de l'affectation efficace de la contribution publique indiquant dans quelle mesure les travaux pour lesquels elle est accordée ont été dûment exécutés.
  Article 340quinquies. Une commission interdisciplinaire, composé de représentants des pouvoirs publics, du monde académique et des présidents des commissions qui font partie du Conseil des Arts, conseillent le Gouvernement flamand sur le financement sur la base de la description concrète déposée des objectifs et du planning pluriannuel.
  La commission évalue le rapport annuel et émet un avis à ce sujet au Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand désigne les membres de la commission et détermine les modalités de son fonctionnement.
  Article 340sexies. § 1er. Pour l'organisation des postgraduats, des instituts peuvent être créés qui confirment les postgraduats par le titre "Lauréat de l'Institut supérieur des Arts". Cette formation de lauréat a pour objet de permettre aux diplômés des secteurs concernés à des jeunes artistes de deployer leurs talents artistiques. Pour entrer en ligne de compte pour l'octroi de subventions, les instituts supérieurs des arts, doivent, sans préjudice des dispositions de l'article 340quater, répondre aux conditions suivantes:
  1° être gérés par une association sans but lucratif, ci-après dénommée l'asbl;
  2° se soumettre au contrôle par les commissaires du Gouvernement flamand auprès des écoles supérieures selon les modalités définies au Titre IV, Chapitre V du présent décret;
  3° déposer un budget, tenir une comptabilité intégrale, déposer des comptes annuels selon les modalités définies au Titre IV, Chapitre IV du présent décret.
  § 2. Les asbl peuvent conclure des accords avec des écoles supérieures, avec des universités et avec d'autres organismes publics et privés. La convention precisera au moins lejs conditions de collaboration et l'indemnité financière qui sera le cas échéant payée pour le service.
  Les asbl peuvent uniquement recruter du personnel par contrat de travail. Par le biais d'une convention conclue entre une asbl et un institut supérieur, un membre du personnel d'un institut supérieur peut être chargé d'une mission moyennant son assentiment. Au plan juridique et administratif, le membre du personnel continue de relever de son institut supérieur et durant cette mission, il se trouve dans la position administrative "activité de service". La convention fixe la durée de la mission et l'indemnité financière que l'asbl verse à l'institut supérieur dont fait partie le membre du personnel.
Art.83. 1° Artikel 78 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982.
  2° Artikel 68 heeft uitwerking vanaf het academiejaar 1994-1995.
  3° Artikel 72 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995.
  4° De artikelen 45, 52, 53, 60, 69, 79, 80 en 81 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
  
  5° Het artikel 71 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997.
  6° De artikelen 58, 59 en 61 hebben uitwerking met ingang van 1 december 1997.
  7° De artikelen 46, 63, 1°, 67 en 82 treden in werking op 1 januari 1998.
  8° De artikelen 47, 48, 50, 51, 54, 55, 56, 57, 62, 65, 73, 74, 75, 76 en 77 treden in werking op 1 september 1998.
  9° De artikelen 63, ten 2° en ten 3°, en 70 hebben uitwerking 10 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
  10° De artikelen 64 en 66 treden in werking op 1 januari 1999.
Art.83. 1° L'article 78 produit ses effets le 1er septembre 1982.
  2° L'article 68 produit ses effets à partir de l'année académique 19941995.
  3° L'article 72 produit ses effets le 1er septembre 1995.
  4° Les articles 45, 52, 53, 60, 69, 79, 80 et 81 produisent leurs effets le 1er janvier 1996.
  
  5° L'article 71 produit ses effets le 1er septembre 1997.
  6° Les articles 58, 59 et 61 produisent leurs effets le 1er décembre 1997.
  7° Les articles 46, 63, 1°, 67 et 82 entrent en vigueur le 1er janvier 1998.
  8° Les articles 47, 48, 50, 51, 54, 55, 56, 57, 62, 65, 73, 74, 75, 76 et 77 produisent leurs effets le 1er septembre 1998.
  9° Les articles 63, 2° et 3°, et 70 produisent leurs effets 10 jours après la publication au Moniteur belge.
  10° Les articles 64 et 66 entrent en vigueur le 1er janvier 1999.
HOOFDSTUK VI. - Universiteiten.
CHAPITRE VI. - Universites.
Art.84. § 1. In artikel 14 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap worden in het tweede lid de volgende woorden geschrapt: "kandidaat in de Godgeleerdheid".
  § 2. In hetzelfde artikel 14 worden in het derde lid na de woorden "licentiaat in het Notariaat" de woorden "en van licentiaat in de Godgeleerdheid" ingevoegd.
Art.84. § 1er. A l'article 14 du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités en Communauté flamande, les mots suivants sont supprimés à l'alinéa deux: "candidat en théologie".
  § 2. Au même article 14, alinéa trois, les mots "et de licencié en théologie" sont insérés après les mots "licencié en notariat."
Art.85. In artikel 34 van hetzelfde decreet wordt het vijfde lid, ingevoegd bij het decreet van 24 juli 1996, vervangen door wat volgt:
  "Het toelatingsexamen, bedoeld in het derde lid, wordt georganiseerd onder de volgende voorwaarden:
  1° het examen wordt tweemaal per jaar voor het begin van het academiejaar ingericht; de organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt;
  2° de Vlaamse regering kan een examengeld van ten hoogste 1.000 frank vastleggen als bijdrage in het dekken van de organisatiekosten. Vanaf 1998 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 1997.
  De Vlaamse regering organiseert het examen volgens de nadere regels die zij daartoe bepaalt."
Art.85. A l'article 34 du même décret, l'alinéa cinq, inséré par le décret du 24 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante:
  "L'examen d'admission visé à l'alinéa trois est organisé dans les conditions suivantes:
  1° l'examen est organisé deux fois par an avant le début de l'année académique; l'organisation de l'examen est publiée en temps utile;
  2° le Gouvernement flamand peut fixer un droit de participation à l'examen de 1.000 francs maximum à titre de participation dans les frais d'organisation. A partir de 1998, le montant est adapté à l'augmentation annuelle de l'indice des prix à la consommation avec comme date de référence, le 1er janvier 1997.
  Le Gouvernement flamand organise l'examen selon des modalités qu'il détermine.
Art.86. In artikel 36 van hetzelfde decreet wordt een tweede zin toegevoegd die luidt als volgt:
  "Voor de inschrijving voor een licentiaat in de Godgeleerdheid geldt het bezit van een diploma van een licentiaat in de godsdienstwetenschappen als enige toelatingsvoorwaarde."
Art.86. A l'article 36 du même décret, est ajoutéeune deuxième phrase, libellée comme suit:
  "Pour l'inscription à une licence en théologie, la détention d'un diplôme de licencié en sciences religieuses tient lieu d'unique condition d'admission."
Art.87. § 1. In artikel 49, eerste lid, 3°, van hetzelfde decreet worden de volgende woorden geschrapt: "kandidaat in de Godgeleerdheid".
  § 2. In hetzelfde artikel 49 worden in het eerste lid ten 5° tussen de woorden "licentiaat in het Notariaat" en de woorden "gediplomeerde in de aanvullende studies van" de woorden "licentiaat in de Godgeleerdheid" gevoegd."
Art.87. § 1er. A l'article 49, premier alinéa, 3°, du même décret, les mots suivants sont supprimés: "candidat en théologie".
  § 2. Au même article 49, au premier alinéa, 5°, les mots "licencié en théologie" sont insérés entre les mots "licencié en notariat" et les mots "diplômé en études complémentaires de".
Art.88. In artikel 51, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de passus"... diploma van een andere academische opleiding van de tweede cyclus" aangevuld met "of einddiploma van de hele cyclus van een opleiding die leidt tot het ambt van bedienaar van een erkende eredienst".
Art.88. A l'article 51, alinéa premier, du même décret, le passage "... diplôme d'une autre formation académique du second cycle" est complété par "ou le diplôme final du cycle complet d'une formation aboutissant à la fonction de ministre d'un culte agréé."
Art.89. In artikel 70, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de tweede volzin vervangen door de volgende bepaling:
  "In het jaarverslag bedoeld in artikel 162, brengt het universiteitsbestuur over deze onderwijsbegeleiding verslag uit."
Art.89. A l'article 70, première phrase, du même décret, la deuxième phrase est remplacée par la disposition suivante:
  "Dans le rapport annuel visé à l'article 162, la direction de l'université fait rapport sur cet accompagnement d'enseignement."
Art.90. Artikel 92, derde lid van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een tweede volzin luidend als volgt:
  "Voor de berekening van de maximaal toelaatbare aanstellingsduur van assistenten bedoeld in het eerste lid, wordt de periode gedurende dewelke de betrokkene een stipendium van een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap genoot voor de voorbereiding van een doctoraal proefschrift, in rekening gebracht. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de lopende aanstellingen doorlopen tot het einde van het tweejarig mandaat in het geval dat de maximaal toelaatbare aanstellingsduur overschreden is."
Art.90. L'article 92, alinéa trois, du même décret est complété par une deuxième phrase, libellée comme suit:
  "Pour le calcul de la durée de désignation maximale admissible d'assistants visés, à l'alinéa premier, la période durant laquelle l'intéresse bénéficiait d'une bourse d'une université en Communauté flamande pour la préparation d'un mémoire de doctorat, sera prise en compte. A titre de mesure transitoire, les désignations en cours continuent de sortir leurs effets jusqu'a l'expiration du mandat de deux ans en cas de dépassement de la durée de désignation maximale admissible."
Art.91. In artikel 96 van hetzelfde decreet gewijzigd bij decreet van 5 april 1995 worden de woorden "de bezoldigingsregeling" vervangen door de woorden "de salarisschalen".
Art.91. A l'article 96 du même décret, tel que modifié par le décret du 5 avril 1995, les mots "le régime de rémunération" sont remplacés par les mots "les échelles de traitement".
Art.92. § 1. Artikel 98 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "Artikel 98. De ranginneming voor het verkrijgen van de periodieke verhogingen in de salarisschalen van de ambten van gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, hoofddocent of docent, benoemd of aangesteld zowel met een voltijds als met een deeltijds procentueel dienstverband, wordt vastgesteld op de datum van de inwerkingtreding van het besluit houdende benoeming of aanstelling tot het ambt waarin de betrokkene het eerst werd benoemd of aangesteld, met dien verstande dat de datum van ranginneming niet voor de datum van de daadwerkelijke indiensttreding kan vallen."
  § 2. Artikel 98 wordt aangevuld met een tweede lid luidend als volgt:
  "In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de Vlaamse regering in het uitvoeringsbesluit genomen krachtens artikel 63, tweede lid bepalen dat bepaalde onderbrekingen van de ambtsvervulling niet meegerekend worden in de anciënniteit met het oog op het verkrijgen van een periodieke verhoging in de salarisschaal."
Art.92. § 1er. L'article 98 du même décret est remplacé par la disposition suivante:
  "Article 98. La prise de rang pour l'obtention des augmentations périodiques dans les échelles de traitement des fonctions de professeur ordinaire, de professeur extraordinaire, de professeur, de chargé de cours principal ou de chargé de cours ou, nommé ou désigné dans le cadre d'un emploi à temps plein ou à temps partiel exprimé en pourcentage, est déterminée à la date d'entrée en vigueur del'arrêté portant nomination ou désignation à la fonction dans laquelle l'intéressé a été nommé ou désigné la première fois, étant entendu que la date de prise de rang ne peut être antérieure à la date d'entrée en service effective.
  § 2. L'article 98 est complété par un alinéa deux, libellé comme suit:
  "Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, le Gouvernement flamand peut stipuler dans l'arrêté d'exécution adopté en vertu de l'article 63, alinéa deux, que certaines interruptions de l'exercice de la fonction ne sont pas prises en compte pour le calcul de l'ancienneté en vue de l'obtention d'une augmentation périodique de l'échelle de traitement."
Art.93. Artikel 99 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een tweede lid luidend als volgt:
  "Bij wijze van overgangsmaatregel kan het universiteitsbestuur alsnog retroactief een anciënniteitsbijslag toekennen op het moment dat de omvang van een deeltijds procentueel dienstverband werd uitgebreid hetzij tot een deeltijds dienstverband van ten minste 50 % hetzij tot een voltijds dienstverband. Deze overgangsmaatregel slaat op beslissingen die het universiteitsbestuur genomen heeft in de periode van 1 oktober 1991 tot 31 december 1997. Het universiteitsbestuur dient de beslissingen van toekenning van deze retroactieve anciënniteitsbijslagen te nemen vóór 1 januari 1999."
Art.93. L'article 99 du même décret est complété par un alinéa deux, libellé comme suit:
  "A titre de mesure transitoire, la direction de l'université peut octroyer un supplément d'ancienneté avec effet rétroactif au moment de l'extension d'un lien contractuel à temps partiel, exprimé en pourcentage, en un contrat de 50 % au moins soit en un contrat à temps plein. Cette mesure transitoire porte sur les décisions prises par la direction de l'université au cours de la période du 1er octobre 1991 jusqu'au 31 décembre 1997. La direction de l'université est tenue de prendre les décisions d'octroi de ces suppléments d'ancienneté rétroactifs avant le 1er janvier 1999."
Art.94. Artikel 110, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art.94. L'article 110, alinéa deux, du même décret est abrogé.
Art.95. Artikel 128, derde lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "De uitgaven in verband met de sociale voorzieningen voor het personeel bezoldigd ten laste van de werkingsuitkering, kunnen aangerekend worden op de werkingsuitkering. In dat geval worden deze uitgaven meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel 160 bedoelde 80 percent- of 85 percent-norm."
Art.95. L'article 128, alinéa trois, du même décret est remplacé par la disposition suivante:
  "Les dépenses liées aux prestations sociales en faveur du personnel rémunéré à charge de l'allocation de fonctionnement peuvent être imputées à celle-ci. Dans ce cas, ces dépenses sont comptabilisées comme dépenses de personnel pour la fixation de la norme de 80 ou de 85 pour cent, visée a l'article 160.
Art. 96. § 1. In artikel 130 van hetzelfde decreet worden de paragrafen 1 tot en met 5 vervangen door wat volgt:
  "§ 1. In 1995 worden aan de Vlaamse universiteiten de volgende werkingsuitkeringen, uitgedrukt in miljoenen franken, toegekend:
Art. 96. § 1er. A l'article 130 du même décret, les paragraphes 1 jusqu'à 5 inclus, sont remplacés par ce qui suit:
  "§ 1er. En 1995, les allocations de fonctionnement suivantes, exprimées en millions de francs, sont accordées aux universités flamandes:
  1995
1.Katholieke Universiteit Leuven7.022,3
2.Vrije Universiteit Brussel2.445,8
3.Universiteit Antwerpen 
 a. Universitair Centrum Antwerpen747,1
 b. Universitaire Instelling Antwerpen989,4
 C. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen773,8
4.Limburgs Universitair Centrum 
5.Katholieke Universiteit Brussel649,1
6.Universiteit Gent195,1
  

Wijzigingen

<tr><td valign="top"> <td valign="top"> <td valign="top">4.744,0</td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></table>19951.Katholieke Universiteit Leuven7.022,32.Vrije Universiteit Brussel2.445,83.Universiteit Antwerpena. Universitair Centrum Antwerpen747,1b. Universitaire Instelling Antwerpen989,4C. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen773,84.Limburgs Universitair Centrum5.Katholieke Universiteit Brussel649,16.Universiteit Gent195,1--------------4.744,0
  1995
1.Katholieke Universiteit Leuven7.022,3
2.Vrije Universiteit Brussel2.445,8
3.Universiteit Antwerpen 
 a. Universitair Centrum Antwerpen747,1
 b. Universitaire Instelling Antwerpen989,4
 C. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen773,8
4.Limburgs Universitair Centrum 
5.Katholieke Universiteit Brussel649,1
6.Universiteit Gent195,1
  

Wijzigingen

<tr><td valign="top"> <td valign="top"> <td valign="top">4.744,0</td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></table>19951.Katholieke Universiteit Leuven7.022,32.Vrije Universiteit Brussel2.445,83.Universiteit Antwerpena. Universitair Centrum Antwerpen747,1b. Universitaire Instelling Antwerpen989,4C. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen773,84.Limburgs Universitair Centrum5.Katholieke Universiteit Brussel649,16.Universiteit Gent195,1--------------4.744,0
  Aan het Limburgs Universitair Centrum worden in 1995 de volgende aanvullende werkingsuitkeringen toegekend (bedragen uitgedrukt in miljoenen franken): 27,1.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1996 wordt aan de gezamelijke universiteiten een bedrag van 450 miljoen frank (prijsniveau 1995) toegekend voor de organisatie van de voortgezette academische opleidingen, zoals gedefinieerd in artikel 8. Dit bedrag wordt vanaf 1996 jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de onderstaande indexeringsformule:
  - I= 0.80 x (L1/L0) + 0.20 x (C1/C0) waarbij I de indexeringsformule aangeeft;
  - L1/L0 de verhouding aangeeft tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 1995;
  - C1/C0 de verhouding aangeeft tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het desbetreffende begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 1995.
  § 3. Vanaf het begrotingsjaar 1996 wordt aan de gezamelijke universiteiten een bedrag van 25 miljoen franken toegekend voor de organisatie van de specifieke opleiding in de huisartsgeneeskunde. Vanaf het begrotingsjaar 1997 wordt dit bedrag jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de in § 2 van dit artikel bepaalde indexeringsformule.
  § 4. Vanaf het begrotingsjaar 1996 zijn de werkingsuitkeringen aan de universiteiten samengesteld uit drie delen: W(1995+n) = Wao(1995+n) + Wvao(1995+n) + Whuisarts(1995+n)
  waarbij:
  - W(1995+n) = het nominale bedrag van de werkingsuitkering voor het jaar 1995 + n;
  - Wao(1995+n) = het nominale bedrag van de werkingsuitkering academische opleidingen, doctoraten, doctoraatsopleidingen en lerarenopleidingen voor het jaar 1995 + n;
  - Wvao(1995+n) = het nominale bedrag van de werkingsuitkering voortgezette academische opleidingen voor het jaar 1995 + n;
  - Whuisarts(1995+n) = het nominale bedrag van de werkingsuitkering huisartsenopleiding voor het jaar 1995+n.
  § 5.
  1° Het nominale bedrag werkingsuitkering academische opleidingen, doctoraten, doctoraatsopleidingen en lerarenopleiding wordt vanaf het begrotingsjaar 1996 als volgt berekend:
  Wao(1995+n) = (Wao1995 + BEB x (OBE 94 + n - OBE 94)) x 1
  waarbij:
  -Wao1995 = het basisbedrag 1995 van de nominale werkingsuitkering academische opleidingen, doctoraten, doctoraatsopleidingen en lerarenopleidingen, zoals vastgelegd in § 6;
  - BEB: basiseenheidsbedrag per onderwijsbelastingseenheid = 97.402 frank;
  - OBE 94 + n: de som van de onderwijsbelastingseenheden van de desbetreffende universiteit op 1 februari 1994 + n berekend overeenkomstig artikel 135;
  - OBE 94: de som van de onderwijsbelastingseenheden van de desbetreffende universiteit op 1 februari 1994 zoals vastgelegd in § 7 van dit artikel;
  - I de indexeringsformule aangeeft zoals bepaald in § 2 van dit artikel.
  2° Voor de berekening van het nominale bedrag werkingsuitkering voortgezette academische opleidingen (Wvao 1995+n) wordt het globale bedrag werkingsuitkering voortgezette academische opleidingen, zoals vastgelegd in § 2 van dit artikel, omgeslagen over de universiteiten op basis van het gemiddeld aantal diploma's "Gediplomeerde in de aanvullende studies", zoals gedefinieerd in artikel 8, en het gemiddeld aantal diploma's "Gediplomeerde in de gespecialiseerde studies", zoals eveneens gedefinieerd in artikel 8, uitgereikt tijdens het voorlaatste en het tweede voorlaatste academiejaar.
  Hierbij wordt een diploma van "Gediplomeerde in de gespecialiseerde studies" dubbel aangerekend.
  3° Voor de berekening van het nominale bedrag werkingsuitkering huisartsenopleiding Whuisarts 1995+n) wordt het globale bedrag werkingsuitkering huisarts, zoals vastgelegd in § 3 van dit artikel, omgeslagen over de universiteiten naar het gemiddeld aantal diploma's van arts uitgereikt tijdens het voorlaatste en het tweede voorlaatste academiejaar.
  § 6. Het basisbedrag van de nominale werkingsuitkering academische opleidingen, doctoraten, doctoraatsopleidingen en lerarenopleidingen (Wao1995) bedraagt, uitgedrukt in miljoenen franken:
  En 1995, les allocations de fonctionnement suivantes sont accordées au Limburgs Universitair Centrum (montants exprimés en millions de francs): 27,1.
  § 2. A partir de l'année budgétaire 1996, l'ensemble des universités se voient attribuer un montant de 450 millions de francs (niveau des prix 1995) pour l'organisation des formations académiques continues, telles que définies à l'article 8. A partir de 1996, ce montant sera annuellement indexé conformément à la formule d'indexation suivante:
  - I= 0.80 x (L1/L0) + 0.20 x (C1/C0) où I reflète la formule d'indexation;
  - L1/L0 la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 1995;
  - C1/C0 la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 1995.
  § 3. A partir de l'année budgétaire 1996, l'ensemble des universités se voient attribuer un montant de 25 millions de francs pour l'organisation de la formation spécifique en médecine générale. A partir del'année budgétaire 1997, ce montant est annuellement indexé conformément à la formule d'indexation visée au § 2 du présent article.
  § 4. A partir de l'année budgétaire 1996, les allocations de fonctionnement en faveur des universités comportent trois parties, à savoir:
  W(1995+n) = Wao(1995+n) + Wvao(1995+n) + Whuisarts(1995+n)
  où:
  - W(1995+n) = le montant nominal de l'allocation de fonctionnement pour l'année 1995 + n;
  - Wao(1995+n) = le montant nominal de l'allocation de fonctionnement formations académiques; doctorats, formations de doctorat et formations d'enseignants pour l'année 1995 + n;
  - Wvao(1995+n) = le nominal de l'allocation de fonctionnement formations académiques continues pour l'année 1995 + n;
  - Whuisarts(1995+n) = le nominal de l'allocation de fonctionnement médecins généralistes pour l'année 1995+n.
  § 5.
  1° Le nominal de l'allocation de fonctionnement formations académiques, doctorats, formations de doctorat et formations d'enseignants est calcule comme suit à partir de l'année budgétaire 1996:
  Wao(1995+n) = (Wao1995 + BEB x (OBE 94 + n - OBE 94)) x 1
  où:
  -Wao1995 = le montant de base 1995 de l'allocation de fonctionnement nominale formations academiques, doctorats, formations de doctorat et formations d'enseignants, tel que fixé au § 6;
  - BEB: unité de base par charge d'enseignement = 97.402 francs;
  - OBE 94 + n: la somme des unités de charge d'enseignement de l'université concernée en date du 1er février 1994 + n calculé conformément à l'article 135;
  - OBE 94: la somme des unités de charge d'enseignement de l'université concernée à la date du 1er février 1994, telle que fixée au § 7 du présent article;
  - I la formule d'indexation conformément aux dispositions du § 2 du présent article.
  2° Pour le calcul du nominal de l'allocation de fonctionnement formations académiques continues (Wvao 1995+n), le montant global de l'allocation de fonctionnement académiques continues, tel que fixé au § 2 du présent article, est ventilé sur les universités sur la base du nombre moyen de diplômes "Diplômé en études complémentaires", tels que définis à l'article 8, et le nombre de moyen de diplômes "Diplômé en études spécialisees" tels que définis à l'article 8, délivrés durant l'avant-dernière et la deuxième avant-dernière année académique. A cet égard, un diplôme de "Diplômé en études spécialisées" est doublement pris en compte.
  3° Pour le calcul du nominal de l'allocation de fonctionnement formation de médecins généralistes (Whuisarts 1995+n, le montant global de l'allocation de fonctionnement médecins généralistes, tel que fixé au § 3 du présent article, est ventilé sur les universités en fonction du nombre moyen de diplômes de médecin délivrés au cours de l'avant-dernière et la deuxième avant-dernière année académique.
  § 6. Le montant de base de l'allocation nominale de fonctionnement formations académiques, doctorats, formations de doctorat et formations de professeurs (Wao1995), exprimé en millions de francs, s'élève à:
  Wao
  1995
1.Katholieke Universiteit Leuven6.846,8
2.Vrije Universiteit Brussel2.330,6
3.Universiteit Antwerpen 
 a. Universitair Centrum Antwerpen744,0
 b. Universitaire Instelling Antwerpen952,0
 c. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen764,9
4.Limburgs Universitair Centrum624,1
5.Katholieke Universiteit Brussel178,7
6.Universiteit Gent4.675,5
Wao
  19951.Katholieke Universiteit Leuven6.846,82.Vrije Universiteit Brussel2.330,63.Universiteit Antwerpena. Universitair Centrum Antwerpen744,0b. Universitaire Instelling Antwerpen952,0c. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen764,94.Limburgs Universitair Centrum624,15.Katholieke Universiteit Brussel178,76.Universiteit Gent4.675,5
  Wao
  1995
1.Katholieke Universiteit Leuven6.846,8
2.Vrije Universiteit Brussel2.330,6
3.Universiteit Antwerpen 
 a. Universitair Centrum Antwerpen744,0
 b. Universitaire Instelling Antwerpen952,0
 c. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen764,9
4.Limburgs Universitair Centrum624,1
5.Katholieke Universiteit Brussel178,7
6.Universiteit Gent4.675,5
Wao
  19951.Katholieke Universiteit Leuven6.846,82.Vrije Universiteit Brussel2.330,63.Universiteit Antwerpena. Universitair Centrum Antwerpen744,0b. Universitaire Instelling Antwerpen952,0c. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen764,94.Limburgs Universitair Centrum624,15.Katholieke Universiteit Brussel178,76.Universiteit Gent4.675,5
  Vanaf het begrotingsjaar 1998 bedraagt het basisbedrag Wao1995, uitgedrukt in miljoenen franken:
  - voor de Katholieke Universiteit Leuven: 6.956,2;
  - voor de Universiteit Gent: 4.847,9;
  - voor het Universitair Centrum Antwerpen: 751,5.
  § 7. Het aantal onderwijsbelastingseenheden op 1 februari 1994 wordt vastgesteld als volgt:
  A partir de l'année budgétaire 1998, le montant de base Wao1995, exprimé en millions de francs, correspond à:
  - Pour la Katholieke Universiteit leuven: 6.956,2;
  - Pour la Universiteit Gent: 4.847,9;
  - Pour le Universiteit Centrum Antwerpen: 751,5.
  § 7. Le nombre d'unités de charge d'enseignement en date du 1er février 1994 est déterminé comme suit:
  Wao
  1995
1.Katholieke Universiteit Leuven33.672,0
2.Vrije Universiteit Brussel8.020,5
3.Universiteit Antwerpen 
 a. Universitair Centrum Antwerpen3.341,0
 b. Universitaire Instelling Antwerpen2.757,5
 c. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen2.884,0
4.Limburgs Universitair Centrum2.488,5
5.Katholieke Universiteit Brussel527,0
6.Universiteit Gent22.838,0
Wao
  19951.Katholieke Universiteit Leuven33.672,02.Vrije Universiteit Brussel8.020,53.Universiteit Antwerpena. Universitair Centrum Antwerpen3.341,0b. Universitaire Instelling Antwerpen2.757,5c. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen2.884,04.Limburgs Universitair Centrum2.488,55.Katholieke Universiteit Brussel527,06.Universiteit Gent22.838,0
  Wao
  1995
1.Katholieke Universiteit Leuven33.672,0
2.Vrije Universiteit Brussel8.020,5
3.Universiteit Antwerpen 
 a. Universitair Centrum Antwerpen3.341,0
 b. Universitaire Instelling Antwerpen2.757,5
 c. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen2.884,0
4.Limburgs Universitair Centrum2.488,5
5.Katholieke Universiteit Brussel527,0
6.Universiteit Gent22.838,0
Wao
  19951.Katholieke Universiteit Leuven33.672,02.Vrije Universiteit Brussel8.020,53.Universiteit Antwerpena. Universitair Centrum Antwerpen3.341,0b. Universitaire Instelling Antwerpen2.757,5c. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen2.884,04.Limburgs Universitair Centrum2.488,55.Katholieke Universiteit Brussel527,06.Universiteit Gent22.838,0
  § 2. De huidige paragraaf 6 wordt paragraaf 8.
  § 2. L'actuel paragraphe 6 devient le paragraphe 8.
Art. 97. Artikel 136 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "De bedragen noodzakelijk voor de uitgaven voortvloeiend uit de wettelijke en conventionele werktgeversbijdragen en lasten, met inbegrip van het door de instelling gefinancierd aanvullend pensioen, teneinde een gelijkwaardig geldelijk statuut te verzekeren als voor de universiteiten andere dan die vermeld in artikel 3, 4°, a) en 5°, zijn vanaf 1997 gelijk aan, uitgedrukt in miljoenen franken:
Art. 97. L'article 136 du même décret est remplacé par la disposition suivante:
  "Les montants nécessaires pour les dépenses découlant des cotisations et charges patronales légales et conventionnelles, en ce compris la pension complémentaire financee par l'institution, afin d'assurer un statut pécuniaire équivalent a celui des universités autres que celles visées à l'article 3, 4°, a) et 5°, correspondent à partir de 1997 aux montants suivants, exprimés en millions de francs:
  1997 
de Katholieke Universiteit Leuven:271,8271,4
het Limburgs Universitair Centrum:5,25,2
de Katholieke Universiteit Brussel:5,95,9
de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen23,923,9
de Universitaire Instelling Antwerpen:9,39,3
6° de Vrije Universiteit Brussel:106,4106,2
19971°de Katholieke Universiteit Leuven:271,8271,42°het Limburgs Universitair Centrum:5,25,23°de Katholieke Universiteit Brussel:5,95,94°de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen23,923,95°de Universitaire Instelling Antwerpen:9,39,36°6° de Vrije Universiteit Brussel:106,4106,2
  1997 
de Katholieke Universiteit Leuven:271,8271,4
het Limburgs Universitair Centrum:5,25,2
de Katholieke Universiteit Brussel:5,95,9
de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen :23,923,9
de Universitaire Instelling Antwerpen:9,39,3
de Vrije Universiteit Brussel:106,4106,2
19971°de Katholieke Universiteit Leuven:271,8271,42°het Limburgs Universitair Centrum:5,25,23°de Katholieke Universiteit Brussel:5,95,94°de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen :23,923,95°de Universitaire Instelling Antwerpen:9,39,36°de Vrije Universiteit Brussel:106,4106,2
  De vermelde bedragen in kolom 2 worden vanaf 1998 geïndexeerd volgens de indexeringsformule L1/LO zoals bepaald in het tweede lid van artikel 130.
  De aldus bekomen bedragen kunnen worden aangepast telkens een wijziging van de wetgeving van de sociale zekerheid een evolutie van het kostenniveau van de in het eerste lid bedoelde wettelijke of conventionele werkgeversbijdrage veroorzaakt."
  Les montants mentionnés dans la colonne 2 sont indexés à partir de 1998 selon la formule d'indexation L1/L10 conformément aux dispositions de l'alinéa deux de l'article 130.
  Les montants ainsi obtenus peuvent être adaptés lorsqu'une modification légale de la sécurité sociale provoque une évolution du niveau du coût de la cotisation patronale légale ou conventionnelle visée à l'alinéa premier.
Art.98. Artikel 158, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "Het universiteitsbestuur bepaalt de globale formatie van het academisch en van het administratief en technisch personeel dat ten laste van de werkingsuitkeringen wordt bezoldigd. Tevens bepaalt het universiteitsbestuur hiervoor per kalenderjaar en binnen de perken van de voor dit jaar toegekende werkingsuitkeringen de begrote bezettingsgraad."
Art.98. L'article 158, alinéa premier, du même décret est remplacé par la disposition suivante:
  "La direction de l'université détermine le cadre global du personnel académique et du personnel administratif et technique qui est rémunéré à charge des allocations de fonctionnement. De plus, la direction de l'université détermine à cette fin le taux d'occupation budgétisé par année calendrier et dans les limites des allocations de fonctionnement accordées pour cette annee."
Art.99. In artikel 159 van hetzelfde decreet wordt na het tweede lid een nieuw lid ingevoegd luidend als volgt:
  "De voorschriften neergelegd in het eerste en tweede lid gelden ook voor de begrote bezettingsgraad."
Art.99. A l'article 159 du même décret, apres l'alinéa deux, est inséré un nouvel alinéa, libellé comme suit:
  "Les prescriptions définies aux premier et deuxième alinéas s'appliquent aussi au taux d'occupation budgétisé."
Art.100. In artikel 160 van hetzelfde decreet worden de woorden "vastgestelde personeelsformatie" vervangen door "begrote bezettingsgraad" en "formatiebepaling" door "bepaling van de begrote bezetting".
Art.100. A l'article 160 du même décret, les mots "cadre de personnel fixé" sont remplacés par les mots "taux d'effectif budgétisé" et "fixation de cadre" par "fixation de l'effectif budgétisé".
Art.101. § 1. In artikel 162 van hetzelfde decreet gewijzigd bij decreet van 27 januari 1993, wordt tussen het derde en de vierde lid het volgende ingevoegd:
  "De rekening van het universitair ziekenhuis dat deel uitmaakt van de rechtspersoon van de universiteit wordt als bijlage gevoegd bij de jaarrekening bedoeld in het eerste lid. Een overzicht van de geldstromen tussen het universitair ziekenhuis en de rest van de universiteit, en voor wat de Universiteit Gent betreft tussen het Universitair Ziekenhuis Gent en de Universiteit Gent, wordt eveneens als bijlage bij de in het eerste lid bedoelde jaarrekening gevoegd."
  § 2. In hetzelfde artikel wordt in het vierde lid de laatste volzin vervangen door de volgende bepaling:
  "De jaarrekening en haar bijlagen en het jaarverslag worden meegedeeld an het Vlaams Parlement."
Art.101. § 1er. A l'article 162 du même décret, modifié par le décret du 27 janvier 1993, la disposition suivante est insérée entre les troisième et quatrieme alinéas:
  "Le compte de l'hôpital universitaire qui fait partie de la personne morale de l'université est joint en annexe des comptes annuels visés à l'alinéa premier. Un relevé des flux financiers entre l'hôpital financier et le reste de l'université et pour ce qui concerne la Universiteit Gent, entre le Universitair Ziekenhuis Gent et la Universiteit Gent, est également joint en annexe des comptes annuels visés à l'alinéa premier."
  § 2. Au même article, la dernière phrase de l'alinéa quatre est remplacée par la disposition suivante:
  "Les comptes annuels et leurs annexes et le rapport annuel sont communiqués au Parlement flamand."
Art.102. Tussen het eerste en het tweede lid van het artikel 165 van hetzelfde decreet gewijzigd bij decreet van 8 juli 1996, worden een tweede en een derde lid ingevoegd luidend als volgt:
  "Indien een universiteit kennelijk nalaat een door de bevoegde overheid vastgestelde en via de regeringscommissaris meegedeelde onwettige handeling of toestand recht te zetten binnen een redelijke termijn, dan kan de Vlaamse regering bepalen dat de daarmee gemoeide bedragen in mindering worden gebracht op de toekomstige werkings- of investeringskredieten of de toekomstige sociale toelage naar gelang het geval.
  Indien een universiteit nalaat de gegevens bedoeld in artikel 134 binnen de voorgeschreven termijn te bezorgen of indien een universiteit nalaat de jaarrekening en het jaarverslag binnen de voorgeschreven termijn te bezorgen aan de Vlaamse regering, dan kan de Vlaamse regering bepalen dat maandelijks een bedrag van ten hoogste 5 % van de maandelijkse werkingsuitkering wordt ingehouden, zolang de nalatigheid voortduurt."
Art.102. Entre les premier et deuxième alinéas de l'article 165 du même décret, tel que modifié par le décret du 8 juillet 1996, un deuxième et un troisième alinéas sont insérés, libellés comme suit:
  "Lorsqu'une université omet manifestement de rectifier dans un délai raisonnable un acte ou une situation illégale constaté(e) par l'autorité compétente et communique(e) par le biais du commissmaire du Gouvernement, le Gouvernement flamand peut décider que les montants concernés seront portés en déduction des futurs crédits de fonctionnement ou d'investissement ou de la future allocation sociale, selon le cas.
  Lorsqu'une université omet de transmettre les données visées à l'article 134 dans les délais prescrits ou qu'une université omet de transmettre les comptes annuels et le rapport annuel au Gouvernement flamand dans les délais prescrits, ce dernier peut décider de prélever sur base mensuelle un montant maximum de 5 % de l'allocation mensuelle de fontionnement et ce, aussi longtemps que l'omission persiste."
Art.103. In hetzelfde decreet wordt er na artikel 169bis een Afdeling 8 ingevoegd luidend als volgt:
  "Afdeling 8. - Vermogensrechten op vindingen aan universiteiten.
  Artikel 169ter. § 1. De vermogensrechten op vindingen die, in het kader van hun onderzoekstaken, gedaan worden door personeelsleden van de universiteit en van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek alsook door de houders van een beurs toegekend door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, het Vlaams Instituut voor de Bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch Onderzoek in de Industrie of een Vlaamse universiteit, komen uitsluitend toe aan de universiteit. In dezelfde lijn verkrijgt de universiteit eveneens de vermogensrechten op vindingen gedaan door andere personen die aan de universiteit onderzoek verrichten voor zover deze overdracht van rechten in een schriftelijke overeenkomst met deze personen wordt bevestigd.
  Onder vindingen wordt verstaan potentieel octrooieerbare uitvindingen, kweekprodukten, tekeningen en modellen, topografieën van halfgeleidersprodukten, computerprogramma's en databanken die, met het oog op een industriële of landbouwkundige toepassing voor commerciële doeleinden aanwendbaar zijn.
  § 2. De onderzoeker heeft de plicht om zijn vinding voor elke andere vorm van bekendmaking aan te melden aan de binnen de universiteit bevoegde dienst.
  Met het oog op de bescherming van haar rechten kan de universiteit op een redelijke wijze en gedurende een termijn van maximum 12 maanden, de vrijheid van openbaarmaking van de onderzoeker beperken.
  § 3. De universiteit heeft het uitsluitend recht tot exploitatie van de vinding. Bij die exploitatie ziet de universiteit er op toe dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid tot gebruik van de onderliggende onderzoeksresultaten voor doeleinden van academisch onderwijs en onderzoek.
  Bij de exploitatie neemt zij tevens de mogelijke aantrekking van activiteiten naar de universiteit of haar regio in overweging.
  De onderzoeker heeft het recht om geïnformeerd te worden over de stappen die de universiteit onderneemt met betrekking tot de juridische bescherming en exploitatie van zijn vinding.
  De onderzoeker heeft het recht op een bij een intern reglement vastgesteld of overeengekomen billijk aandeel in de geldelijke opbrengsten die de universiteit verwerft uit de exploitatie van de vinding.
  § 4. De universiteit kan haar rechten op vindingen op een algemene of individuele basis overdragen aan de onderzoeker doch zij behoudt steeds een onvervreemdbaar, niet-exclusief en kosteloos recht tot gebruik ervan voor wetenschappelijke doeleinden. De universiteit kan eveneens een aandeel bedingen in de opbrengsten die de onderzoeker uit de exploitatie van die rechten verwerft.
  Onverminderd het bepaalde in § 5, beschikt de onderzoeker over de mogelijkheid om de rechten op zijn vinding op te eisen indien de universiteit, zonder geldige reden, nalaat de vinding binnen een redelijke termijn en uiterlijk binnen de drie jaar na de datum van aanmelding bedoeld in § 2 te exploiteren.
  § 5. Indien voor het verwerven van een bescherming van de vinding, formaliteiten moeten vervuld worden of termijnen moeten nageleefd worden en de universiteit nalaat daartoe de nodige stappen te zetten binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de aanmelding, komen, behoudens andersluidende afspraken tussen de onderzoeker en de universiteit, de rechten op de vinding, met inbegrip van de exploitatierechten, toe aan de onderzoeker, onverminderd het in § 4 omschreven wetenschappelijk gebruiksen vergoedingsrecht van de universiteit.
  Indien de universiteit tijdig de vereiste formaliteiten vervult, streeft zij nadien een geografische bescherming en exploitatie van de vinding na.
  In voorkomend geval, deelt zij uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van het Unionistisch recht van voorrang (Verdrag van Parijs) schriftelijk aan de onderzoeker mee voor welke landen bescherming wordt gevraagd. In de overblijvende landen verkrijgt de onderzoeker onmiddellijk het recht om zelf bescherming aan te vragen alsook om, overeenkomstig de gemaakte afspraken tussen de universiteit en de onderzoeker, de vinding te exploiteren.
  § 6. Het universiteitsbestuur stelt een intern reglement vast waarin de concrete modaliteiten voor de toepassing van de bepalingen van dit artikel nader worden uitgewerkt. Het universiteitsbestuur houdt hierbij rekening met de bij of krachtens de wet, het decreet of de Europese regelgeving vastgestelde voorwaarden met betrekking tot de eigendom en exploitatie van intellectuele eigendomsrechten.
  § 7. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid dat de universiteit onderzoeksovereenkomsten en dienstverleningscontracten met derden sluit overeenkomstig het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende e relaties van de universiteiten en hogescholen met andere rechtspersonen.
  § 8. De Vlaamse regering kan het toepassingsgebied van dit artikel uitbreiden tot andere instellingen voor wetenschappelijk onderzoek."
Art.103. Au même décret, après l'article 169bis, est insérée une section 8, libellée comme suit:
  "Section 8. - Droits patrimoniaux sur les découvertes aux universités
  Art. 169ter. § 1er. Les droits patrimoniaux des découvertes qui sont faites, dans le cadre de leurs missions de recherche, par les membres du personnel de l'université et du Fonds pour la Recherche scientifique ainsi que par les titulaires d'une bourse accordée par le Fonds pour la Recherche Scientifique, le Vlaams Instituut voor de Bevordering van het Wetenschappelijk-Technologisch Onderzoek in de Industrie ou une université flamande, appartiennent exclusivement à l'universite. Dans cette même optique, l'université acquiert les droits patrimoniaux sur les découvertes faites par d'autres personnes qui font de la recherche à l'université pour autant que cette cession de droits soit confirmée dans une convention écrite avec les intéressés.
  Il convient d'entendre par découvertes: des inventions susceptibles d'octroi de brevet, produits de culture, dessins et modèles, topographies de semi-conducteurs, programmes informatiques et bases de données qui peuvent être affectés à des fins commerciales en vue d'une application industrielle ou agricole.
  § 2. Le chercheur est tenu d'informer le service compétent au sein de l'université de sa découverte avant toute autre forme de publication.
  A des fins de protection de ses droits, l'université peut limiter la liberté de publication du chercheur, de manière raisonnable et durant un délai de 12 mois maximum.
  § 3. L'université a le droit exclusif d'exploiter la découverte. Dans le cadre de cette exploitation, l'université veille à ce qu'il ne soit porté préjudice à la possibilité d'utilisation des résultats de recherche à des fins d'enseignement et de recherche académiques.
  En cas d'exploitation, elle prend aussi en considération la possibilité d'attirer des activités vers l'université ou la région.
  Le chercheur a le droit d'être informé des démarches faites par l'université par rapport à sa protection juridique et à l'exploitation de sa decouverte.
  Le chercheur a droit à une part équitable, fixée par règlement interne ou sur une base conventionnelle, des produits financiers que l'université acquiert de l'exploitation de la découverte.
  § 4. L'université peut transférer ses droits sur les découvertes sur une base générale ou individuelle, au chercheur tout en maintenant un droit inaliénable, non exclusif et gratuit sur l'utilisation de celles-ci à des fins scientifiques. L'université peut en outre négocier une part des recettes que le chercheur acquiert de l'exploitation de ces droits.
  Sans préjudice des dispositions du § 5, le chercheur dispose de la possibilité de réclamer les droits sur sa découverte lorsque l'université omet, sans raison valable d'exploiter la découverte dans un délai raisonnable et au plus tard dans les trois années suivant la date de notification visée au § 2.
  § 5. Lorsque des formalités doivent être remplies en vue de l'acquisition d'une protection pour la découverte, ou que des délais doivent être respectés et que l'université omet de faire les demarches nécessaires dans un délai de six mois à compter de la notification, les droits sur la découverte, en ce compris les droits d'exploitation, reviennent au chercheur, sauf accords contraires entre le chercheur et l'université, sans préjudice du droit d'utilisation scientifique et de rémunération de l'université, visé au § 4.
  Lorsque l'université remplit les formalités requises en temps utile, elle veille ensuite aux protection et exploitation géographiques de la découverte.
  Le cas échéant, elle notifie au plus tard deux mois avant l'expiration du Droit unionistique de priorité (Traité de Paris) par écrit au chercheur pour quels pays la protection a été demandée. Dans les pays restants, le chercheur dispose immédiatement du droit de demander lui-même la protection ainsi que d'exploiter la découverte, conformément aux accords intervenus entre l'université et le chercheur.
  § 6. La direction de l'université détermine un règlement interne définissant les modalités concrètes pour l'application des dispositions du présent article. A cet égard, la direction de l'université tient compte des conditions fixées par ou en vertu de la loi, du décret ou de la réglementation européenne concernant la propriété et l'exploitation des droits de propriété intellectuelle.
  § 7. Le présent article ne porte pas préjudice à la possibilité dans le chef de l'université de conclure des conventions de recherche et contrats de service avec des tiers conformément au décret du 22 février 1995 relatif aux services scientifiques ou sociaux offerts par les universités ou les écoles supérieures et concernant les relations des universités et écoles supérieures avec d'autres personnes morales.
  § 8. Le Gouvernement flamand peut étendre le champ d'application du présent article à d'autres établissements de recherche scientifique.
Art.104. In hetzelfde decreet wordt een artikel 172bis ingevoegd luidend als volgt:
  "Artikel 172bis. De commissarissen van de Vlaamse regering mogen geen andere beroepsactiviteiten of andere gezoldigde activiteiten uitoefenen dan met toestemming van de minister."
Art.104. Au même décret est inséré un article 172bis, libellé comme suit:
  "Article 172bis. Les commissaires du Gouvernement flamand ne peuvent exercer d'autres activités professionnelles ou autres activités rémunérées que moyennant l'accord du ministre."
Art.105. In hetzelfde decreet wordt een artikel 172ter ingevoegd luidend als volgt:
  "Artikel 172ter. De Vlaamse regering stelt personeel ter beschikking van de commissarissen van de Vlaamse regering voor de uitoefening van hun functie.
  Zij legt de personeelsformatie vast.
  De Vlaamse Gemeenschap draagt de loonlast van de personeelsleden die met toestemming van de Vlaamse regering van andere publiekrechtelijke instellingen worden gedetacheerd om een functie te vervullen bij een regeringscommissaris."
Art.105. Au même décret est inséré un article 172ter, libellé comme suit:
  "Article 172ter. Le Gouvernement flamand met du personnel à la disposition des commissaires du Gouvernement flamand pour l'exercice de leur fonction.
  Il fixe le cadre du personnel.
  La communauté flamande supporte les charges salariales des membres du personnel qui sont détachés, avec l'accord du Gouvernement flamand, à partir d'autres organismes de droit de public pour remplir une fonction auprès du commissaire du Gouvernement."
Art.106. § 1. In artikel 181, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 27 januari 1993, wordt de zinsnede "hoger is dan de hoogste weddetrap voorzien in artikel 96,3°, behouden zij, in afwijking van het bepaalde in artikel 96" vervangen door de zinsnede luidend als volgt: "hoger is dan de hoogste salaristrap van de salarisschaal van hoofddocent vastgesteld krachtens artikel 96 behouden zij".
  § 2. Artikel 181, achtste lid, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een tweede volzin luidend als volgt:
  "De leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel die niet werden gerangschikt in één van de graden van het zelfstandig academisch personeel zijn onderworpen aan dezelfde voorschriften inzake de uitoefening van nevenactiviteiten als het academisch personeel."
  § 3. Aan artikel 181, wordt na het achtste lid een negende lid toegevoegd waarvan de tekst als volgt luidt:
  "De beslissingen tot benoeming of aanstelling in de graad van hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar en buitengewoon hoogleraar die in de periode tussen 1 oktober 1991 en 30 september 1994 werden genomen in uitvoering van de op dat ogenblik geldende bepalingen van artikel 87 van dit decreet, en waarbij de duur van de benoeming of aanstelling als lid van het onderwijzend personeel voor 1 oktober 1991 werd meegerekend voor de betrokken benoemingen of aanstellingen, worden als regelmatig aangezien."
Art.106. § 1er. A l'article 181, alinéa deux, du même décret, modifié par le décret du 27 janvier 1993, la phrase "supérieure à l'échelle de traitement la plus élevée prévue à l'article 96,3°, ils maintiennent, par dérogation aux dispositions de l'article 96" remplacée par la phrase "est supérieur à l'échelle la plus élevée de l'échelle de rémunération de chargé de cours principal, fixée en vertu de l'article 96, ils maintiennent".
  § 2. L'article 181, alinéa huit, du même décret est completé par une deuxième phrase,, libellée comme suit:
  "Les membres du personnel scientifique nommé à titre définitif qui n'ont pas été classés dans l'un des grades du personnel académique indépendant sont soumis aux mêmes prescriptions en matière d'exercice d'activités accessoires que le personnel académique."
  § 3. A l'article 181, après l'alinéa huit, est ajouté un alinéa neuf, libellé comme suit:
  "Les décisions de nomination ou de désignation au grade de chargé de cours principal, professeur, professeur ordinaire et professeur extraordinaire qui sont prises au cours de la période entre le 1er octobre 1991 et le 30 septembre 1994 en exécution des dispositions de l'article 87 du présent décret, en vigueur à ce moment-là, et prenant en compte la durée de la nomination ou de la désignation comme membre du personnel enseignant avant le 1er octrobre 1991 pour les nominations ou désignations concernees, sont considérées comme régulières."
Art.107. Artikel 186bis van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
  1° De eerste alinea van § 4 wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "De leden van het vast benoemd wetenschappelijk personeel, anders dan die bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 van dit artikel, die vóór 1 januari 1986 werden benoemd of bevorderd als lid van het wetenschappelijk personeel van een universiteit vermeld onder artikel 3 van het decreet, met miskenning van de voorschriften inzake wetenschappelijke anciënniteit of vereisten inzake diploma of vacantverklaring, voorwaarden voor toekenning van een salarisschaal of van meerdere van deze voorschriften, vereisten of voorwaarden en voor zover de regeringscommissaris de benoeming indertijd niet heeft aangevochten, behouden hun salarisschaal die zij genoten op 30 september 1991, onverminderd de mogelijkheid van een eventuele overheveling naar het administratief en technisch personeel overeenkomstig het bepaalde in artikel 181, zesde lid, van dit decreet."
  2° Een zevende paragraaf wordt toegevoegd luidend als volgt:
  "§ 7. De periodes van onderbreking van de ambtsvervulling die het universiteitsbestuur heeft toegestaan aan doctor-assistenten in de academiejaren 1993-1994 en 1994-1995 waarvan de duur de krachtens het decreet voorgeschreven duur overschreden, zijn rechtmatig."
Art.107. L'article 186bis du même décret est modifié comme suit:
  1° L'alinéa premier du § 4 est remplacé par la disposition suivante:
  "Les membres du personnel scientifique nommé à titre définitif, autre que celui visé aux paragraphes 1 à 3 du présent article, qui ont été nommés ou promus avant le 1er janvier 1996 comme membre du personnel scientifique d'une université visée à l'article 3 du décret, contrairement aux prescriptions en matière d'ancienneté scientifique ou des exigences en matière de diplômes ou de vacances, des conditions d'octroi d'une échelle de traitement ou de plusieurs de ces prescriptions, exigences ou conditions et pour autant que le commissaire du Gouvernement n'ait pas contesté la nomination à l'époque, maintiennent l'échelle de traitement dont ils bénéficiaient le 30 septembre 1991, sans préjudice de la possibilité d'un transfert éventuel vers le personnel administratif et technique conformément aux dispositions de l'article 181, alinéa six, du présent décret."
  2° Un paragraphe sept est inséré, libellé comme suit:
  "§ 7. Les périodes d'interruption de l'exercice de la fonction accordées par la direction de l'université aux assistants-docteurs au cours des années académiques 1993-1994 et 1994-1995 dont la durée dépasse celle prescrite par le décret, sont régulières."
Art.108. In artikel 189 van hetzelfde decreet worden de woorden "gedurende een periode van vijf jaar" vervangen door de woorden "gedurende een periode van acht jaar".
Art.108. A l'article 189 du même décret, les mots "durant une période de cinq ans" sont remplacés par les mots "durant une période de huis ans".
Art.109. Artikel 201 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een elfde lid, dat luidt als volgt:
  " In afwijking van de artikelen 14 en 49 verwerven de studenten die in het academiejaar 1997-1998 slagen voor de tweede kandidatuur of het tweede baccalaureaat in de Godgeleerdheid, reeds het diploma van kandidaat of baccalaureus.
  In afwijking van artikel 50 kunnen de studenten die in het academiejaar 1997-1998 of eerder slaagden voor de derde kandidatuur of het derde baccalaureaat in de Godgeleerdheid, verkorting van studieduur en vrijstelling van examens van de licentie in de godsdienstwetenschappen krijgen, voorzover zij nog met goed gevolg examen afleggen over een aantal opleidingsonderdelen van die academische opleiding die een equivalent van ten minste één studiejaar bedragen.
  In afwijking van artikel 35 kunnen de studenten die in het academiejaar 1997-1998 of eerder ingeschreven waren in de derde kandidatuur of het derde baccalaureaat in de Godgeleerdheid maar niet slaagden, toegelaten worden tot de eerste licentie in de godsdienstwetenschappen."
Art.109. L'article 201 du même décret est complété par un alinéa onze, libellé comme suit:
  "Par dérogation aux articles 14 et 49, les étudiants qui réussissent la deuxième candidature ou le deuxième baccalauréat de théologie au cours de l'année académique 1997-1998, acquièrent déjà le diplôme de candidat ou de baccalauréat.
  Par dérogation à l'article 50, les étudiants qui réussissent la troisième candidature ou le troisième baccalaureat de théologie au cours de l'année académique 1997-1998 ou avant, peuvent bénéficier d'une réduction de la durée des études et d'une dispense d'examens de la licence en sciences religieuses, pour autant qu'ils passent avec succès un examen sur un certain nombre de modules de cette formation académique équivalant au moins à une année d'étude.
  Par dérogation à l'article 35, les étudiants qui étaient inscrits au cours de l'année académique ou avant à la troisième candidature ou au troisième baccalauréat en théologie mais qui n'ont pas réussi peuvent être admis à la première licence des sciences religieuses."
Art.110. § 1. In het eerste lid van artikel 16 van de wet van 7 april 1971 houdende oprichting en werking van de Universitaire Instelling Antwerpen, gewijzigd bij decreet van 22 december 1995, worden de woordn "de beheerder" geschrapt.
  § 2. Artikel 16, derde lid, tweede volzin van dezelfde wet, gewijzigd bij decreet van 22 december 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling:
  "De beheerder geniet de salarisschaal van gewoon hoogleraar."
Art.110. § 1er. A l'alinéa premier de l'article 16 de la loi du 7 avril 1971 réglant la création et le fonctionnement de la Universitaire Instelling Antwerpen, modifiée par le décret du 22 décembre 1995, les mots "le gestionnaire" sont supprimés.
  § 2. L'article 16, alinéa trois, deuxième phrase de la même loi, modifié par décret du 22 décembre 1995, est remplacé par la disposition suivante:
  "Le gestionnaire bénéficie de l'échelle de traitement du professeur ordinaire."
Art.111. In de eerste zin van artikel 2, van het decreet van 21 december 1976 houdende organisatie van de Vlaamse Interuniversitaire samenwerking, gewijzigd bij decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen worden de woorden: "door de Koning benoemde" vervangen door de woorden "de volgende".
Art.111. A la première phrase de l'article 2 du décret 1976 portant organisation de la collaboration interuniversitaire flamande, modifié par le décret du 22 décembre 1995 portant modification de plusieurs décrets relatifs à la Universiteit Antwerpen, les mots ""ommés par le Roi""sont remplacés par les mots "les suivants."
Art.112. 1° Arikel 111 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1977. 2° De artikelen 93, 95, 105 en 107, ten 1°, hebben uitwerking met ingang van 1 oktober 1991.
  3° Artikel 107, ten 2°, heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1993.
  4° De artikelen 91, 92, § 1 en 106, § 1, hebben uitwerking met ingang van 1 november 1994.
  5° De artikelen 98, 99 en 100 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1995.
  6° De artikelen 97 en 101 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
  7° Artikel 89 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1997.
  8° Artikel 109 heeft uitwerking met ingang van het academiejaar 1997-1998.
  9° De artikelen 85 en 103 treden in werking op 1 januari 1998.
  10° De artikelen 90, 92, § 2, 94, 102, 104, 106, § 2, en 108 treden in werking op 1 oktober 1998. (Nota : voor artikel 106, § 2, werd de datum van inwerkingtreding vervangen door 1 oktober 1991; zie DVR 1999-05-18/63, art. 3.41, § 2.)
  11° De artikelen 84, 86, 87 en 88 treden in werking met ingang van het academiejaar 1998-1999.
  12° Artikel 110 treedt in werking op 1 oktober 1999.
Art.112. 1° L'article 111 produit ses effets le 1er octrobre 1977. 2° Les articles 93, 95, 105 et 107, 1°, produisent leurs effets le 1er octobre 1991.
  3° L'article 107, 2°, produit ses effets le 1er octobre 1993.
  4° Les articles 91, 92, § 1er et 106, § 1er, produisent leurs effets le 1er novembre 1994.
  5° Les articles 98, 99 et 100 produisent leurs effets le 1er janvier 1995.
  6° Les articles 97 et 101 produisent leurs effets le 1er janvier 1997.
  7° L'article 89 produit ses effets le 1er octobre 1997.
  8° L'article 109 produit ses effets à partir de l'année académique 19971998.
  9° Les articles 85 et 103 produisent leurs effets le 1er janvier 1998.
  10° Les articles 90, 92, § 2, 94, 102, 104, 106, § 2, et 108 produisent leurs effets le 1er octobre 1998. (Note : pour l'article 106, § 2, la date d'entrée en vigueur a été remplacée par le 01-10-1991; voir DCFL 1999-05-18/63, art. 3.41, § 2.)
  11° Les articles 84, 86, 87 et 88 produisent leurs effets à partir de l'année académique 1998-1999.
  12° L'article 110 produit ses effets le 1er octobre 1999.
HOOFDSTUK VII. - Inspectie en begeleiding.
CHAPITRE VII. - Inspection et encadrement.
Art.113. In het decreet van 17 juli 1991 betreffende inspectie en pedagogische begeleidingsdiensten wordt een nieuw artikel 20bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Artikel 20bis. § 1. De algemene sturing en leiding van de inspectie wordt toevertrouwd aan een inspectieraad. De inspectieraad is samengesteld uit de inspecteurs-generaal en de directeur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling.
  De algemeen inspecteur-generaal is voorzitter van de inspectieraad.
  § 2. De inspectieraad heeft als kerntaken het effectief functioneren van de onderwijsinspectie en het sturen van de kwaliteitsverzorgende opdrachten die de inspectie vanwege de overheid t.o.v. de onderwijsinstellingen en van de centra uitvoert.
  In die zin:
  1. bevordert de inspectieraad de samenwerking tussen de verschillende niveau-gebonden korpsen;
  2. coördineert en stuurt de inspectieraad de diverse concepten inzake onderwijskwaliteit die als inspirerend fundament dienen voor de kwaliteitscontrolerende opdracht van de inspectie;
  3. stuurt de inspectieraad de instrumenten en de procedures die bij de uitvoering van de inspectie-opdrachten gevolgd worden;
  4. onderhoudt de inspectieraad geregeld contact met het departement en reikt het desgevallend beleidssuggesties aan, naargelang het geval aan de bevoegde administratie, aan de directieraad van het departement, aan de Vlaamse regering;
  5. coördineert de inspectieraad de totstandkoming van het jaarverslag van de inspectie over de toestand van het onderwijs;
  6. kan de inspectieraad, binnen de bevoegdheidsdomeinen van de inspectie, alle initiatieven nemen die het functioneren van de inspectie, de samenwerking met de pedagogische begeleidingsdiensten en de kwaliteit van de nascholing bevorderen;
  7. regelt de inspectieraad, bij consensus, de zinvolle besteding van de middelen, uitgezonderd de weddetoelagen, die ter beschikking worden gesteld van de inspectie;
  8. de inspectieraad maakt aan de minister, bevoegd voor het onderwijs, de jaarverslagen van de pedagogische begeleidingsdiensten over."
Art.113. Dans le décret du 17 juillet 1991 relatif à l'inspection et aux services d'encadrement pédagogique, est inséré un nouvel article 20bis, libellé comme suit:
  "Article 20bis. § 1er. La direction générale de l'inspection est confiée à un conseil d'inspection. Le conseil d'inspection se compose d'inspecteurs généraux et du directeur du Service de Développement de l'Enseignement.
  Le premier inspecteur général est président du conseil d'inspection.
  § 2. Le conseil d'inspection a comme missions-clefs: le fonctionnement effectif de l'inspection de l'enseignement et la guidance des missions d'assurance de la qualité exécutées par l'inspection au nom de l'autorité auprès des établissements d'enseignement et des centres.
  En ce sens, le conseil d'inspection:
  1. encourage la collaboration entre les différents corps liés à des niveaux spécifiques;
  2. coordonne et dirige les différents concepts en matière de qualité de l'enseignement servant de source fondamentale d'inspiration à la mission de contrôle de la qualité de l'inspection;
  3. dirige les instruments et les procédures qui sont observés dans le cadre de l'exécution des missions d'inspection;
  4. entretient des contacts réguliers avec le departement et formule le cas échéant des suggestions politiques, selon le cas à l'administration compétente, au conseil de direction du département, au Gouvernement flamand;
  5. coordonne l'établissement du rapport annuel de l'inspection sur la situation de l'enseignement;
  6. peut, dans les limites des compétences de l'inspection, prendre toute initiative susceptible de promouvoir le fonctionnement de l'inspection, la collaboration avec les services d'encadrement pédagogique et la qualité de la formation complémentaire;
  7. organise, sur base consensuelle, l'affectation efficace des moyens, à l'exception des suppléments de traitement, mis à la disposition de l'inspection;
  8. transmet au ministre ayant l'enseignement dans ses attributions, les rapports annuels des services d'encadrement pédagogique.
Art.114. In artikel 28 van hetzelfde decreet worden het tweede, derde, vierde en vijfde lid vervangen door de volgende bepalingen:
  "De commissie stelt een lijst op van de geslaagde kandidaten in volgorde van hun bekwaamheid. Zij legt deze lijst met inbegrip van een motivatie voor aan de Vlaamse regering. De kandidaten op deze lijst komen gedurende een periode van vier jaar te rekenen vanaf de datum van het afsluiten van de werkzaamheden van de commissie, in aanmerking om voorgedragen te worden voor de toelating tot de proeftijd. De commissie hoort de kandidaten van de vorige lijsten en rangschikt hen in de nieuwe lijst op basis van een vergelijking van hun bekwaamheid, vastgesteld tijdens de proeven.
  Bij vacatures die ontstaan na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie en binnen de in het derde lid vermelde periode, draagt de bevoegde inspecteur-generaal of directeur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling in de volgorde van de hiervoor vermelde lijst en rekening houdend met de pariteit, per vacature twee kandidaten voor.
  Indien een kandidaat door de Vlaamse regering wordt toegelaten tot de proeftijd, wordt deze kandidaat van de lijst geschrapt."
Art.114. A l'article 28 du même décret, les deuxième, troisième, quatrième et cinquième alinéas sont remplacés par les dispositions suivantes:
  "La commission dresse la liste des candidats ayant réussi dans l'ordre de leur compétence. Elle soumet cette liste, accompagnée d'une motivation, au Gouvernement flamand. Les candidats figurant sur cette liste entrent en ligne de compte durant une période de quatre ans a compter dela date de clôture des travaux de la commission, pour une présentation d'admission à l'essai. La commission entend les candidats des listes précédentes et les classe dans la nouvelle liste sur la base d'une comparaison de leurs aptitudes, telles que constatées durant les tests.
  En cas de vacances qui s'ouvrent après la cessation des activités de la commission et dans la période visée à l'alinéa trois, l'inspecteur général compétent ou le directeur du Service de Developpement de l'Enseignement présente deux candidats par vacance, en respectantl'ordre de la liste précitée et compte tenu de la parité.
  Tout candidat admis à la période d'essai par le Gouvernement flamand est radié de la liste."
Art.115. In Titel II, Hoofdstuk II van hetzelfde decreet wordt een Afdeling 6bis ingevoegd die luidt als volgt:
  "Afdeling 6bis. - De evaluatie.
  Onderafdeling 1. - De evaluatie.
  Artikel 48bis. De Afdeling 6bis is van toepassing op elk personeelslid dat meer dan drie maanden per jaar effectief fungeert bij de diensten van de inspectie of de Dienst voor Onderwijsontwikkeling.
  Artikel 48ter. De evaluatie is het beoordelen van het functioneren van een personeelslid in de huidige functie ten opzichte van vooraf bepaalde verwachtingen.
  De evaluatie gebeurt op basis van de functiebeschrijving en de doelstellingen en is de appreciatie van het totaal functioneren van het betrokken personeelslid.
  Artikel 48quater. § 1. Deze verwachtingen worden bepaald bij het begin van de evaluatieperiode, nl. tijdens de planning.
  Daarbij zijn twee delen te onderscheiden: de relatief permanente opdracht en de periodegebonden doelstellingen.
  De opdracht wordt vastgelegd in een functiebeschrijving, die uit twee delen bestaat:
  - de resultaatgebieden, dit zijn de taken die door het personeelslid tot een goed einde moeten worden gebracht;
  - de competenties, zijnde de bekwaamheden, vaardigheden en kwaliteiten die het personeelslid nodig heeft om de in de resultaatgebieden bedoelde taken naar behoren te kunnen uitoefenen.
  Daarnaast kunnen jaarlijks doelstellingen worden afgesproken.
  § 2. De functiebeschrijving en/of de doelstellingen worden bij een substantiële wijziging van de opdracht of in onderling overleg aangepast.
  Artikel 48quinquies. Elke functiebeschrijving en/of wijziging wordt opgemaakt in onderling overleg tussen de evaluatoren en het betrokken personeelslid. Hetzelfde geldt voor de opmaak van de doelstellingen.
  Artikel 48sexies. In de loop van de evaluatieperiode kan de geëvalueerde bij zijn evaluatoren terecht voor opvolging en ondersteuning om de verwachte resultaten te behalen.
  Artikel 48septies. De evaluatie dient op een zorgvuldige wijze te gebeuren.
  Een opleiding tot evaluator is verplicht voor alle leden van de inspectie of de Dienst voor Onderwijsontwikkeling die met evaluatie belast zijn.
  Alleen de evaluaties opgemaakt door personeelsleden die deze opleiding hebben gevolgd, zijn geldig.
  De evaluatoren worden geëvalueerd op de kwaliteit van de evaluaties die zij opmaken.
  Artikel 48octies. De evaluatie verloopt zoals hierna bepaald:
  1° De functiehouder bereidt een zelfevaluatie voor.
  2° Tijdens een evaluatiegesprek volgt de bespreking van alle aspecten van het functioneren.
  Dat gesprek wordt gevoerd tussen de geëvalueerde die zijn zelfevaluatie naar voor brengt en één evaluator. Op verzoek van de geëvalueerde of één van zijn evaluatoren, heeft het evaluatiegesprek plaats met twee evaluatoren.
  3° De evaluatie wordt door de evaluatoren in een gemotiveerd evaluatieverslag neergeschreven dat geen eindconclusie bevat, tenzij in geval van de evaluatie "onvoldoende". Het verslag wordt door beide evaluatoren ondertekend.
  Artikel 48novies. Het betrokken personeelslid ontvangt binnen de maand na het evaluatiegesprek het verslag en heeft vanaf dat ogenblik vijftien kalenderdagen de tijd om dit verslag te ondertekenen voor kennisname.
  De geëvalueerde kan zijn opmerkingen toevoegen aan het evaluatieverslag. In dat geval wordt het verslag nogmaals ondertekend door de evaluatoren.
  Artikel 48decies. Het originele evaluatieverslag en de opmerkingen van het personeelslid worden bewaard in het evaluatiedossier van het personeelslid.
  Het personeelslid ontvangt een afschrift.
  Het personeelslid kan op elk ogenblik zijn evaluatiedossier inzien.
  Artikel 48undecies. § 1. Een personeelslid van de inspectie of van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling dat er niet mee kan instemmen dat zijn beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding "onvoldoende", kan de zaak binnen de vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag aanhangig maken bij de raad van beroep, die is voorzien in Afdeling 8 van dit decreet.
  § 2. De raad van beroep hoort het betrokken personeelslid en kan de betrokken evaluatoren horen en om uitleg vragen.
  § 3. De raad van beroep brengt een met redenen omkleed advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het beroepschrift. Indien er geen advies is binnen de vooropgestelde termijn, wordt het beroep behandeld alsof er een gunstig advies werd gegeven ten aanzien van het personeelslid dat het beroep heeft ingesteld.
  § 4. Het dossier wordt vervolgens binnen de vijftien kalenderdagen voorgelegd aan de inspectieraad die bevoegd is voor de definitieve beslissing over het al dan niet toekennen van de vermelding "onvoldoende".
  De als evaluator betrokken inspecteur-generaal neemt in dat geval niet aan de beraadslaging deel.
  Terzelfdertijd wordt het advies aan de verzoeker gestuurd.
  De inspectieraad beslist binnen de vijftien kalenderdagen na ontvangst van het advies van de raad; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is.
  Artikel 48duodecies. De inspecteur-generaal, de algemeen inspecteurgeneraal of de directeur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling die er niet mee kan instemmen dat zijn beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding "onvoldoende", kan de zaak binnen de vijftien kalenderdagen na het bezorgen van het beschrijvend evaluatieverslag aanhangig maken bij de Vlaamse regering.
  De Vlaamse regering kan de eerste evaluator horen en om uitleg vragen. Als de Vlaamse minister bevoegd voor onderwijs fungeert als tweede evaluator, neemt hij in dat geval niet aan de beraadslaging deel.
  De beslissing in beroep van de Vlaamse regering is bindend.
  De Vlaamse regering beslist binnen dertig kalenderdagen; zoniet gaat men ervan uit dat er een gunstige beslissing is.
  Artikel 48terdecies. De gemotiveerde beslissing in beroep wordt aan het evaluatiedossier van de geëvalueerde toegevoegd.
  Artikel 48quaterdecies. § 1. Het personeelslid dat als vastbenoemde fungeert bij de inspectie of bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid indien hij gedurende twee opeenvolgende jaren of drie keer tijdens de loopbaan als lid van de inspectie of van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling de evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen. Bij dit ontslag gelden dezelfde opzeggingstermijnen en modaliteiten zoals bedoeld in artikel 56.
  Het personeelslid dat als contractuele of als tijdelijke fungeert bij de inspectie of bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, wordt ontslagen wanneer hij één evaluatie "onvoldoende" heeft gekregen.
  Het ontslag wordt uitgesproken door de benoemende overheid.
  § 2. Voor personeelsleden die door middel van een verlof of een terbeschikkingstelling fungeren bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, heeft de evaluatie "onvoldoende" de onmiddellijke beëindiging van het verlof of de terbeschikkingstelling tot gevolg.
  Artikel 48quinquiesdecies. De tweede evaluator staat tijdens het volledige proces van planning, opvolging en evaluatie in voor de kwaliteitsbewaking en het billijk verloop van de evaluaties binnen zijn entiteit.
  Onderafdeling 2. - De evaluatieperiode.
  Artikel 48sexiesdecies. § 1. In principe gebeurt de evaluatie jaarlijks.
  Elk personeelslid moet éénmaal per schooljaar geëvalueerd worden in de eerste drie jaren van een loopbaan als contractueel of als vastbenoemde bij de onderwijsinspectie of de Dienst voor Onderwijsontwikkeling.
  De evaluatieperiode loopt van 16 augustus tot en met 15 augustus.
  Daarna moet een personeelslid van de onderwijsinspectie of de Dienst voor Onderwijsontwikkeling minstens om de twee schooljaren geëvalueerd worden, tenzij het personeelslid vraagt om twee opeenvolgende schooljaren geëvalueerd te worden.
  Wanneer een personeelslid de evaluatie "onvoldoende" krijgt, moet het na één jaar opnieuw geëvalueerd worden.
  § 2. Bij wijze van overgangsmaatregel moet elk personeelslid het eerste jaar na de inwerkingtreding van de evaluatie geëvalueerd worden, ongeacht de ervaring binnen de loopbaan.
  Artikel 48septiesdecies. § 1. De evaluatie over de afgelopen evaluatieperiode heeft plaats tussen 16 augustus en 15 september. Het beschrijvend evaluatieverslag dient uiterlijk op 15 oktober aan de geëvalueerde te worden bezorgd. De planning voor de nieuwe evaluatieperiode dient eveneens op dat tijdstip te zijn gefinaliseerd.
  § 2. De evaluatie gaat ook door indien tijdens de in § 1 vermelde periode:
  1° de geëvalueerde niet beschikbaar is;
  2° de te horen personeelsleden bedoeld in artikel 48undecies en in artikel 48duodecies niet bereikbaar zijn.
  Onderafdeling 3. - Instanties bevoegd voor het opmaken van de evaluatie.
  Artikel 48duodevicies. Alle personeelsleden van de inspectie en van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling worden geëvalueerd door minstens twee hiërarchisch meerderen. De evaluatoren behoren tot minstens twee verschillende rangen.
  Artikel 48undevicies. Als hiërarchisch meerderen worden beschouwd: de inspecteurs-coördinatoren, de inspecteurs-generaal, de algemeen inspecteurgeneraal, de directeur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling ten overstaan van de onder hun gezag staande personeelsleden, daarnaast ook de secretaris-generaal van het departement Onderwijs.
  Daarnaast kunnen de inspecteurs-generaal, de algemeen inspecteur-generaal of de directeur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling een personeelslid aanwijzen om gezag uit te oefenen over een aantal personeelsleden met een lagere rang dan de zijne en in uitzonderlijke gevallen over personeelsleden van zijn rang.
  De aanwijzing als hiërarchische meerdere over personeelsleden met dezelfde rang dient gemotiveerd te worden en ter bekrachtiging voorgelegd te worden aan de inspectieraad.
  De onmiddellijke hiërarchische meerdere is de hiërarchische meerdere die het dichtst in rang staat tot het onder zijn gezag staand personeel. Hij treedt op als eerste evaluator.
  Artikel 48vicies. De algemeen inspecteur-generaal en de directeur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling worden geëvalueerd door de secretarisgeneraal van het departement Onderwijs en door de functioneel bevoegde Vlaamse minister.
  De inspecteurs-generaal worden geëvalueerd door de algemeen inspecteurgeneraal en de secretaris-generaal van het departement Onderwijs.
  Artikel 48viciessemel. De inspecteur-coördinator wordt geëvalueerd door de functioneel bevoegde inspecteur-generaal en door de algemeen inspecteurgeneraal.
  Artikel 48viciesbis. De inspecteur wordt geëvalueerd door de functioneel bevoegde inspecteur-coördinator en de functioneel bevoegde inspecteurgeneraal. Bij ontstentenis aan een functioneel bevoegde inspecteurcoördinator, wordt zo mogelijk een hiërarchisch meerdere van gelijke rang aangeduid binnen de groep van de inspecteurs die bevoegd zijn voor een zelfde onderwijsniveau.
  Artikel 48viciester. Onder voorbehoud van een functioneel verantwoorde aanwijzing van een hiërarchische meerdere van gelijke rang, wordt de adviseur van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling geëvalueerd door de directeur van de dienst en door de algemeen inspecteur-generaal van het departement Onderwijs. Wanneer een hiërarchisch meerdere van gelijke rang wordt aangewezen, treedt die op als eerste evaluator en de directeur van de dienst als tweede evaluator."
Art.115. Au Titre II, Chapitre II du même décret, est insérée une Section 6bis, libellée comme suit:
  "Section 6bis. - L'évaluation.
  Sous-section 1. - L'évaluation.
  Article 48bis. La section 6bis s'applique a tout membre du personnel qui fonctionne effectivement durant plus de trois mois par an auprès des services de l'inspection ou du Service pour le Développement de l'Enseignement.
  Article 48ter. Il convient d'entendre par évaluation, évaluer le fontionnement d'un membre du personnel dans sa fonction actuelle par rapport à certaines attentes.
  L'évaluation se fait sur la base de la description de la fonction et des objectifs et constitue l'appréciation du fonctionnement global du membre du personnel concerné.
  Article 48quater. § 1er. Ces attentes sont déterminées au début de la période d'évaluation, à savoir: durant le planning.
  Il convient de distinguer deux volets: la mission relativement permanente et les objectifs liés à la période.
  La mission est définie dans une description de fonction qui comporte deux parties:
  - les engagements de résultat, à savoir: les missions que le membre du personnel doit mener à bien;
  - les compétences, à savoir: les aptitudes et qualites dont le membre du personnel a besoin pour dûment accomplir les missions visées dans les engagements de résultat.
  De plus, des objectifs annuels peuvent être fixés.
  § 2. La description de la fonction et/ou les objectifs sont adaptés en cas de modification substantielle de la mission ou de commun accord.
  Article 48quinquies. Toute description de fonction et/ou modification est rédigée de commun accord entre les évaluateurs et le membre du personnel concerné. La même règle s'applique à la détermination des objectifs.
  Article 48sexies. Au cours de la période d'évaluation, l'évaluation, l'évalué peut faire appel à ses évaluateurs pour tout suivi et soutien en vue d'atteindre les resultats envisagés.
  Article 48septies. L'évaluation doit se faire de manière soigneuse.
  Une formation comme évaluateur est obligatoire pour tous les membres de l'inspection ou du Service pour le Développement de l'Enseignement chargés de l'évaluation.
  Seules les évaluations établies par les membres du personnel ayant suivi cette formation sont valables.
  Les évaluateurs sont évalués en fonction de la qualité des évaluations qu'ils rédigent.
  Article 48octies. L'évaluation se déroule selon la procédure suivante:
  1° Le titulaire de la fonction prépare une auto-évaluation.
  2° Pendant un entretien d'évaluation, tous les aspects du fonctionnement sont abordés.
  Cet entretien a lieu entre l'évalué qui présente son auto-évaluation et un seul évaluateur. A la demande de l'évalué ou d'un de ses évaluateurs, l'entretien d'évaluation a lieu en présence de deux évaluateurs.
  3° L'évaluation est décrite par les évaluateurs dans un rapport d'évaluation motivé qui ne comporte pas de conclusions finales, sauf en cas d'évaluation "insuffisante". Le rapport est signé par les deux évaluateurs.
  Article 48novies. Le membre du personnel concerné reçoit le rapport dans le mois suivant l'entretien d'évaluation et dispose à partir de ce moment-là de quinze jours calendrier pour signer ce rapport pour prise de connaissance.
  L'évalué peut ajouter ses propres observations au rapport d'évaluation. Dans ce cas, le rapport sera signé une deuxième fois par les évaluateurs.
  Article 48decies. L'original du rapport d'évaluation et les observations du membre du personnel sont conservés dans le dossier d'évaluation du membre du personnel.
  Celui-ci en reçoit une copie.
  Le membre du personnel peut à tout moment consulter son dossier d'évaluation.
  Article 48undecies. § 1er. Un membre du personnel de l'inspection ou du Service pour le Développement de l'Enseignement qui ne peut accepter que son rapport d'évaluation descriptif soit clôturé par la mention "insuffisant" peut dans les quinze jours calendrier suivant la transmission du rapport d'évaluation descriptif saisir le conseil d'appel prévu à la section 8 du présent décret.
  § 2. Le conseil d'appel entend le membre du personnel concerné et peut entendre les et demander des explications aux evaluateurs concernés.
  § 3. Le conseil d'appel émet un avis motivé dans les trente jours calendrier suivant la réception du recours. A défaut d'avis dans le délai prescrit, le recours sera traité comme si un avis favorable avait été émis à l'égard du membre du personnel ayant introduit le recours.
  § 4. Ensuite, le dossier est soumis dans les quinze jours calendrier au conseil d'inspection qui est compétent pour la décision définitive sur l'octroi de la mention "insuffisant".
  Dans ce cas, l'inspecteur général impliqué en qualité d'évaluateur ne participe pas à la délibération.
  Dans une même temps, l'avis est transmis au demandeur.
  Le conseil d'inspection décide dans les quinze jours calendrier suivant la réception de l'avis du conseil; à défaut de décision, la décision est réputée favorable.
  Article 48duodecies. L'inspecteur général, le premier général ou le directeur du Service pour le Développement de l'Enseignement qui ne peut accepter que son rapport d'évaluation descriptif soit clôturé par la mention "insuffisant" peut saisir le Gouvernement flamand dans les quinze jours suivant la transmission du rapport d'évaluation descriptif.
  Le Gouvernement flamand peut entendre le premier évaluateur et lui demander des explications. Lorsque le Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions intervient comme deuxième évaluateur, il ne participe pas à la délibération.
  La décision en appel du Gouvernement flamand est contraignante.
  Le Gouvernement flamand statue dans les trente jours calendrier; à défaut, la décision est censée être favorable.
  Article 48terdecies. La décision motivée, adoptée en appel, est ajoutée au dossier d'évaluation de l'évalué.
  Article 48quaterdecies. § 1er. Le membre du personnel qui intervient comme membre nommé définitivement auprès de l'inspection ou du Service pour le Développement de l'Enseignement, est licencié pour incapacité professionnelle lorsqu'il a reçu l'évaluation "insuffissant" durant deux années consécutives ou trois durant sa carrière de membre de l'inspection ou du service pour le Développement de l'Enseignement. En cas de licenciement pour ce motif, les préavis et modalités visés à l'article 56 sont d'application.
  Le membre du personnel qui fonctionne sur une base contractuelle ou comme temporaire auprès de l'inspection ou du Service pour le Développement de l'Enseignement, est licencié après avoir reçu une évaluation "insuffissant".
  Le licenciement est prononcé par l'autorité qui nomme les membres du personnel.
  § 2. Pour les membres du personnel qui fonctionnent par le biais d'un conge ou d'une mise à disposition auprès du Service pour le Développement de l'Enseignement, l'évaluation "insuffisant" engendre la cessation immédiate du congé ou de la mise en disponibilité.
  Article 48quinquiesdecies. Durant tout le processus de planning, suivi et évaluation, le deuxième évaluateur assure le contrôle de la qualité et le déroulement équitable des évaluations au sein de son entité.
  Sous-section 2. - La période d'évaluation.
  Article 48sexiesdecies. § 1er. En principe, l'évaluation se fait sur base annuelle.
  Chaque membre du personnel doit être evalué une fois par année scolaire au cours des trois premières années d'une carrière comme contractuel ou comme membre nommé à titre définitif auprès de l'inspection de l'enseignement ou du Service pour le Développement de l'Enseignement.
  La période d'évaluation s'étend du 16 août jusqu'au 15 août.
  Après, un membre du personnel de l'inspection de l'enseignement ou du Service pour le Développement de l'Enseignement doit être évalué au moins toutes les deux années scolaires, à moins que le membre du personnel ne demande d'être évalué durant deux années scolaires consécutives.
  Lorsqu'un membre du personnel reçoit l'évaluation "insuffisant", il doit être soumis à une nouvelle évaluation après un an.
  § 2. A titre de mesure transitoire, chaque membre du personnel doit être évalué la première année suivant la prise d'effet de l'évaluation, quelle que soit son expérience dans la carrière.
  Article 48septiesdecies. § 1er. L'évaluation portant sur la periode d'évaluation écoulée a lieu entre le 16 août et le 15 septembre. Le rapport d'évaluation descriptif doit être transmis à l'évalué au plus tard le 15 octobre. Le planning pour la nouvelle période d'évaluation doit également être finalisé à la même date.
  § 2. L'évaluation aura lieu même si au cours de la période visée au § 1er;
  1° l'évalué n'est pas disponible;
  2° les membres du personnel à entendre, visés à l'aérticle 48undecies et à l'article 48duodecies ne sont pas disponibles.
  Sous-section 3. - Instances cométentes pour l'évaluation.
  Article 48duodevicies. Tous les membres du personnel de l'inspection et du Service pour le Développement de l'Enseignement sont évalués par deux supérieurs hiérarchiques au moins. Les évaluateurs appartiennent à deux rangs différents au moins.
  Article 48undevicies. Sont considérés comme supérieurs hiérarchiques: les inspecteurs coordinateurs, les inspecteurs généraux, le premier inspecteur général, le directeur du Service pour le Développement de l'Enseignement à l'égard des membres du personnel qui relèvent de leur autorité, outre le secrétaire général du département de l'Enseignement.
  De plus, les inspecteurs généraux, le premier général ou le directeur du Service pour le Développement de l'Enseignement peuvent désigner un membre du personnel pour exercer l'autorité sur un certain nombre de membres du personnel avec un rang inférieur au sien et dans des cas exceptionnels, sur des membres du personnel de son rang.
  La désignation comme supérieur hiérarchique de membres du personnel du même rang doit être motivée et soumise pour confirmation au conseil d'inspection.
  Le supérieur hiérarchique immédiat est le supérieur hiérarchique qui est le plus proche du personnel relevant de son autorité. Il intervient comme premier évaluateur.
  Article 48vicies. Le premier inspecteur général et le directeur du Service pour le Développement de l'Enseignement sont evalués par le secrétaire général du département de l'Enseignement et par le ministre flamand fonctionnellement compétent.
  Les inspecteurs généraux sont évalues par le premier inspecteur général et par le secrétaire général du département de l'Enseignement.
  Article 48viciessemel. L'inspecteur coordinateur est évalué par l'inspecteur général fonctionnellement compétent et par le premier inspecteur général.
  Article 48viciesbis. L'inspecteur est évalué par l'inspecteur coordinateur fonctionnellement compétent et l'inspecteur général fonctionnellement compétent. Faute d'inspecteur coordinateur fonctionnellement compétent, un supérieur hiérarchique du même rang sera désigné dans la mesure du possible au sein du groupe des inspecteurs competents pour un même niveau d'enseignement.
  Article 48viciester. Sous réserve d'une désignation fonctionnellement responsable d'un supérieur hiérarchique du même rang, le conseiller du Service pour le Développement de l'Enseignement est évalué par le directeur du service et par le premier inspecteur général du département Enseignement. Lorsqu'un supérieur hiérarchique du même rang est désigné, celui-ci intervient comme premier évaluateur et le directeur du service comme deuxième évaluateur."
Art.116. § 1. In artikel 86,§ 3, van hetzelfde decreet wordt het woord "wedde-" vervangen door "wedde en de geldelijke".
  § 2. In artikel 86 van hetzelfde decreet wordt een nieuwe § 5 toegevoegd die luidt als volgt:
  "§ 5. De in § 1 bedoelde personeelsleden die sedert 31 augustus 1991 wedertewerkgesteld werden bij de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en sedertdien ononderbroken in die hoedanigheid in dienst zijn gebleven, worden definitief als pedagogisch adviseur toegewezen aan de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs.
  Deze toewijzing impliceert een tijdelijke uitbreiding van de personeelsformatie, zoals bedoeld in artikel 89, § 1, van dit decreet.
  Wanneer de betrokken personeelsleden hun ambt neerleggen, is geen vervanging mogelijk.
  De in § 1 bedoelde personeelsleden die weder tewerkgesteld werden bij de onderwijsinspectie of bij de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, worden definitief als inspecteur of adviseur toegevoegd aan de onderwijsinspectie of de Dienst voor Onderwijsontwikkeling.
  De uitbreiding van de personeelsformatie van de onderwijsinspectie of van de Dienst voor Onderwijsontwikkeling, die hiervan het gevolg is, vervalt wanneer deze personeelsleden hun ambt neerleggen of gereaffecteerd worden in een vacant ambt."
Art.116. § 1er. A l'article 86,§ 3, du même décret, les mots "de traitement" sont remplacés par les mots "traitement et pécuniaire".
  § 2. A l'article 86 du même décret, un nouveau § 5 est inséré, libellé comme suit:
  "§ 5. Les membres du personnel visés au § 1er qui ont été remplies depuis le 31 août 1991 auprès du Conseil autonome pour l'Enseignement communautaire et qui sont depuis lors restés en service en cette qualité de manière ininterrompue, sont définitivement attribués comme conseiller pédagogique au Conseil autonome pour l'Enseignement communautaire.
  Cette attribution implique une extension temporaire du cadre du personnel tel que visé à l'article 89, § 1er, du présent décret.
  Lorsque les membres du personnel concernés déposent leur fonction, il n'y a pas de remplacement possible.
  Les membres du personnel visés au§ 1er qui sont à nouveau employés auprès de l'inspection de l'enseignement ou du Service pour le Développement de l'Enseignement, sont définitivement adjoints comme inspecteur ou conseiller à l'inspection de l'enseignement ou au Service pour le Développement de l'Enseignement.
  L'extension du cadre du personnel de l'inspection de l'enseignement ou du Service pour le Développement de l'Enseignement, qui en est la conséquence, est abrogée lorsque ces membres du personnel déposent leur fonction ou sont réaffectés à un emploi vacant."
Art.117. Artikel 92, § 1, van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt: "De bedragen vermeld in deze paragraaf en in artikel 87 worden vanaf 1 januari 1999 gekoppeld aan de spilindex 138,01 en schommelen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de onderwijssector aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld."
Art.117. Article 92, § 1er, du même décret est complété comme suit: "Les montants mentionnés dans le présent paragraphe et à l'article 87 sont liés le 1er janvier 1999 à l'indice-pivot 138,01 et fluctuent conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1997 organisant un régime liant certaines dépenses dans le secteur de l'enseignement à l'indice des prix à la consommation du Royaume."
Art.118. 1° Artikel 116, § 1, heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1991.
  2° Artikel 116, § 2, heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997.
  3° De artikelen 113 en 115 treden in werking op 1 augustus 1998.
  4° Artikel 114 treedt in werking op 1 september 1998, behalve voor de inspectie basisonderwijs waarvoor dit artikel uitwerking heeft met ingang van 1 september 1995.
  5° Artikel 117 treedt in werking op 1 januari 1999.
Art.118. 1° L'article 116, § 1er, produit ses effets le 1er juillet 1991.
  2° L'article 116, § 2, produit ses effets le 1er septembre 1997.
  3° Les articles 113 et 115 entrent en vigueur le 1er août 1998.
  4° L'article 114 entre en vigueur le 1er septembre 1998, sauf pour ce qui concerne l'inspection de l'enseignement primaire pour laquelle cet article produit ses effets le 1er septembre 1995.
  5° L'article 117 entre en vigueur le 1er janvier 1999.
HOOFDSTUK VIII. - Deeltijds kunstonderwijs.
CHAPITRE VIII. - Enseignement artistique à temps partiel.
Art.119. § 1. In artikel 94, § 3, van het decreet betreffende onderwijs II van 31 juli 1990 worden na de zinsnede "uitgezonderd de studierichting beeldende kunst die" de woorden ", wat de kunstvakken betreft," ingevoegd.
  § 2. In § 4 van hetzelfde artikel worden na de zinsnede "uitgezonderd de studierichting beeldende kunst die" de woorden ", wat de kunstvakken betreft," ingevoegd.
Art.119. § 1er. A l'article 94, § 3, du décret relatif à l'enseignement II du 31 juillet 1990, les mots "pour ce qui concerne les disciplines artistiques" sont inséres après les mots "à l'exception de la discipline arts plastiques".
  § 2. Au § 4 du même article, les mots ", pour ce qui concerne les disciplines artistiques" sont insérés après les mots "à l'exception de la discipline arts plastiques".
Art.120. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990.
Art.120. Le présent chapitre produit ses effets le 1er septembre 1990.
HOOFDSTUK IX. - Onderwijs voor Sociale Promotie.
CHAPITRE IX. - Enseignement de promotion sociale.
Art.121. In afwijking van de bepalingen van artikel 11, § 7, van het koninklijk besluit van 17 september 1986 houdende het rationalisatie - en programmatieplan van het onderwijs voor sociale promotie blijft de modulaire opleiding "elektricien voor industriële installaties", categorie hogere secundaire beroepsleergangen, georganiseerd door het Volwassenenonderwijs Westhoek Westkust-VTI Ieper, gesubsidieerd voor de schooljaren 1991-1992 tot en met 1998-1999.
Art.121. Par dérogation aux dispositions de l'article 11, § 7, de l'arrêté royal du 17 septembre 1986 portant le plan de rationalisation et de programmation de l'enseignement de promotion sociale, la formation modulaire "électricien pour installations industrielles", catégorie cours professionnels secondaires supérieurs, organisé par le Volwassenenonderwijs Westhoek Westkust - VTI Ypres, est subventionné pour les années scolaires 1991-1992 jusque et y compris 1998-1999.
Art.122. Artikel 9 van het koninklijk besluit van 17 september 1986 houdende het rationalisatie - en programmatieplan van het onderwijs voor sociale promotie en het koninklijk besluit nr. 64 houdende vaststelling van de minimale schoolbevolking van bepaalde afdelingen van het onderwijs voor sociale promotie worden opgeschort voor de schooljaren 1997-1998 en 19981999.
Art.122. L'article 9 de l'arrêté royal du 17 septembre 1986 portant le plan de rationalisation et de programmation de l'enseignement de promotion sociale et l'arrêté royal n° 64 fixant la population scolaire minimale de certaines sections de l'enseignement de promotion sociale est suspendu pour les années scolaires 1997-1998 et 1998-1999.
HOOFDSTUK X. - Psycho-medisch-sociale centra.
CHAPITRE X. - Centres psycho-médico-sociaux.
Art.123. § 1. In artikel 2, § 1, 1°, eerste lid van de wet van 1 april 1960 betreffende de psycho-medisch-sociale centra wordt tussen de woorden "hun personeelsomkadering" en "onderwijsinrichtingen", het woord "volledige" ingevoegd.
  Aan artikel 2, § 1, 1°, eerste lid, van dezelfde wet wordt de volgende zin toegevoegd: "Volledige onderwijsinrichtingen omvatten alle vestingsplaatsen en alle onderwijsniveaus van het voltijds onderwijs."
  § 2. In artikel 2, § 1, 3° en 4°, van dezelfde wet worden de woorden "van elke lopende termijn van zes jaar" geschrapt.
Art.123. § 1er. A l'article 2, § 1er, alinéa premier de la loi du 1er avril 1960 relative aux centres psycho-médico-sociaux, le mot "complets" est ajouté après les mots "établissements d'enseignement".
  A l'article 2, § 1er, alinéa premier, de la même loi est ajouté la phrase suivante: "De établissements d'enseignement complets comprennent tous les sièges et tous les niveaux d'enseignement de l'enseignement à temps plein."
  § 2. A l'article 2, § 1er, 3° et 4°, de la même loi, les mots "de chaque terme courant de six ans" sont supprimés.
Art.124. Aan artikel 4ter van dezelfde wet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als een betrekking bij een centrum niet meer kan gefinancierd of gesubsidieerd worden door het wegvallen van contracten met één of meer scholen en er tegelijkertijd een bijkomende betrekking kan gefinancierd of gesubsidieerd worden bij het centrum dat met deze scholen contracten afsluit, kan een vast benoemd personeelslid van het eerste naar het tweede centrum muteren of er een nieuwe aanwijzing of affectatie krijgen. In dat geval kan het eerste centrum afwijken van de opeenvolging der ambten en dit voor de duur van de lopende termijn van goedkeuring van de opeenvolging der ambten."
Art.124. A l'article 4ter de le même loi est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit:
  "Lorsqu'un emploi auprès d'un centre ne peut plus être financé ou subventionné suite a la suppression de contrats avec une ou plusieurs écoles et que, simultanément, un emploi supplémentaire peut être financé ou subventionné auprès du centre qui conclut des contrats avec ces écoles, un membre du personnel nommé définitivement peut muter du premier centre vers le deuxième ou y recevoir une nouvelle désignation ou affectation. Dans ce cas, le premier centre peut déroger à la succession des fonctions et ce, pour la durée du délai en cours d'approbation de la succession des fonctions."
Art.125. In dezelfde wet wordt een artikel 4quater ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Samenwerkingsverbanden van twee of meer centra, zetten hun personeel en hun werkingstoelagen samen in voor de uitvoering van hun opdrachten in het gezamelijk werkgebied.
  In afwijking van artikel 2 en tot 1 september 2000 wordt de personeelsomkadering van deze centra per dienstjaar berekend op basis van het aantal leerlingen geteld op 1 februari 1997 in de scholen die op die datum behoorden tot hun werkgebied.
  De Vlaamse regering kan deze termijn verlengen.
  Als er na 1 september 1997 scholen of delen van scholen aan het werkgebied worden toegevoegd, worden hun leerlingen, geteld op 1 februari van het voorgaande schooljaar, bijgeteld bij het centrum met het grootst aantal leerlingen. Als er na 1 september 1997 scholen of delen van scholen uit het werkgebied verdwijnen worden hun leerlingen geteld op 1 februari van het voorgaande schooljaar, afgetrokken bij het centrum met het grootst aantal leerlingen.
  De samenwerkingsverbanden van twee of meer centra moeten voldoen aan volgende voorwaarden:
  1° het samenwerkingsverband wordt georganiseerd door een rechtspersoon die daarvoor verantwoordelijk is;
  2° de beslissing tot oprichting vermeldt de verantwoordelijke rechtspersoon, de geldigheidsduur en de centra die erin zijn opgenomen;
  3° het samenwerkingsverband begeleidt zowel basisscholen als secundaire scholen;
  4° de inrichtende macht duidt onder de directeurs een coördinerend directeur aan;
  5° het samenwerkingsverband stelt één jaarprogramma op."
Art.125. Dans la même loi est inséré un article 4quater, libellé comme suit:
  "Des partenariats avec deux centres ou davantage affectent leur personnel et leurs allocations de fonctionnement ensemble à l'exécution de leurs missions au sein du ressort commun.
  Par dérogation à l'article 2 et jusqu'au 1er septembre 2000, l'encadrement de personnel de ces centres est calculé par année de service sur la base du nombre d'élèves recensés à la date du 1er février 1997 dans les écoles relevant à cette même date de leur ressort.
  Le Gouvernement flamand peut proroger ce délai.
  Lorsque, après le 1er septembre 1997, des écoles ou parties d'écoles sont ajoutées au ressort, leurs élèves, tels que recensés en date du 1er février de l'année scolaire précédente, sont ajoutés au centre qui compte le plus grand nombre d'élèves. Lorsque, après le 1er septembre 1997, des écoles ou parties d'écoles disparaissent du ressort, leurs élèves, tels que recensés le 1er février de l'année scolaire précédente, sont déduits auprès du centre qui compte le plus grand nombre d'élèves.
  Les partenariats de deux centres ou davantage doivent répondre aux conditions suivantes:
  1° le partenariat est organisé par une personne morale qui en répond;
  2° la décision de création fait mention de la personne morale responsable, de la durée de validité et des centres qui en font partie;
  3° le partenariat accompagne tant les écoles de base que des écoles secondaires;
  4° le pouvoir organisateur désigné un directeur de coordination parmi les directeurs;
  5° le partenariat établit un programme annuel."
Art.126. 1° Artikel 124 heeft uitwerking op 1 september 1997.
  2° Artikel 123, § 1, treedt in werking op 1 september 2001.
  3° De artikelen 123, § 2, en 125 treden in werking op de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Art.126. 1° L'article 124 produit ses effets le 1er septembre 1997.
  2° L'article 123, § 1er, entre en vigueur le 1er septembre 2001.
  3° Les articles 123, § 2, et 125 entrent en vigueur à la date de publication au Moniteur belge.
HOOFDSTUK XI. - Leerlingenvervoer.
CHAPITRE XI. - Transport des élèves.
Art.127. § 1. In artikel 4 van de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van een nationale dienst voor leerlingenvervoer wordt in paragraaf 1 tussen de woorden "leerlingen" en "naar" de woorden "van het secundair onderwijs" ingevoegd.
  § 2. In hetzelfde artikel wordt een § 1bis ingevoegd luidend als volgt:
  "§ 1bis. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 191 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, zijn de diensten voor leerlingenvervoer belast met het verzekeren van vervoer van de leerlingen van het basisonderwijs voor zover deze leerlingen in een school ingeschreven zijn die gelegen is in een door de diensten bediende zone en voor zover er geen passend openbaar vervoer bestaat naar de dichtstbijzijnde vrije of officiële school zoals bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, indien de ouders dergelijke school niet vinden binnen een afstand van vier kilometer."
  § 3. In § 2 van hetzelfde artikel wordt tussen de woorden "leerlingen" en "voorzover" de woorden "van het secundair onderwijs" ingevoegd.
  § 4. In hetzelfde artikel wordt § 2bis ingevoegd luidend als volgt:
  "§ 2bis. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 191 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, verzekeren de diensten eveneens vervoer voor niet onder § 1bis bedoelde leerlingen, voor zover deze in een school ingeschreven zijn die gelegen is in de door de diensten bediende zone en voor zover er geen passend openbaar vervoer bestaat. Voor de toegang tot dat vervoer wordt voorrang verleend aan de leerlingen die de dichtstbijzijnde vrije of officiële school zoals bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 bezoeken.
  De leerlingen die gebruik maken van dit faciliteitsvervoer, betalen de vervoerprijs volgens het tarief van de Vlaamse Vervoersmaatschappij."
  § 5. In dezelfde wet worden overal de woorden "Nationale Maatschappij voor Buurtspoorwegen" vervangen door de woorden "Vlaamse Vervoermaatschappij".
Art.127. § 1er. A l'article 4, § 1er, de la loi du 15 juillet 1983 portant création d'un service national pour le transport des élèves, les mots "de l'enseignement secondaire" sont ajoutés après les mots "élèves".
  § 2. Au même article est inséré un § 1erbis, libellé comme suit:
  "§ 1erbis. Sans préjudice des dispositions de l'article 191 du décret enseignement primaire du 25 février 1997, les services de transport des élèves sont chargés d'assurer le transport des élèves de l'enseignement primaire pour autant que ces élèves soient inscrits dans une école située dans une zone desservie par les services et pour autant qu'il n'existe pas de transports en commun adéquats vers l'école libre ou officielle la plus proche, telle que visée aux articles 97, 98 et 99 du décret sur l'enseignement primaire du 25 février 1997, lorsque les parents ne trouvent pas une telle école dans un rayon de quatre kilomètres."
  § 3. Au § 2 du même article, les mots "de l'enseignement secondaire" sont ajoutés après le mot "élèves".
  § 4. Au même article est inséré un § 2bis, libellé comme suit:
  "§ 2bis. Sans préjudice des dispositions de l'article 191 du décret enseignement primaire du 25 fevrier 1997, les services assurent également le transport des élèves non visés au § 1erbis pour autant que ces éleves soient inscrits dans une école située dans une zone desservie par les services et pour autant qu'il n'existe pas de transports en commun adéquats. Pour l'accès à ce type de transport, la priorite sera donnée aux élèves qui visitent l'école libre ou officielle la plus proche, telle que visée aux articles 97, 98 et 99 du décret sur l'enseignement primaire du 25 février 1997.
  Les élèves qui font usage de ces facilités de transport paient le prix de transport selon le tarif de la Vlaamse Vervoermaatschappij."
  § 5. Dans la même loi, les mots "Nationale Maatschappij voor Buurtspoorwegen" sont remplacés par les mots "Vlaamse Vervoermaatschappij".
Art.128. In artikel 20, 1° lid, van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs worden de woorden "een inrichting of een afdeling voor buitengewoon onderwijs, of van hun verblijfplaats naar het instituut voor buitengewoon onderwijs, tehuis of pleeggezin" vervangen door de woorden "de dichtstbijzijnde inrichting, school of afdeling of het dichtstbijzijnde instituut voor buitengewoon onderwijs waar onderwijs verstrekt wordt waarvoor zij geschikt werden verklaard, en dit binnen een groepering naar keuze of van hun verblijfplaats naar het tehuis, instituut of pleeggezin".
  In hetzelfde lid worden de woorden "naar de plaats van vertrek" geschrapt.
  Aan hetzelfde lid wordt een zin toegevoegd luidend als volgt:
  "Onder groepering dient te worden verstaan: een indeling van scholen en vestigingsplaatsen in het buitengewoon basisonderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs, naargelang ze behoren tot het gemeenschapsonderwijs, het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs naargelang van de onderscheidene godsdiensten, of het gesubsidieerd vrij niet-confessioneel onderwijs."
Art.128. A l'article 20, alinéa premier, de la loi du 6 juillet 1970 sur l'enseignement spécial et intégré, les mots "un établissement ou une section d'enseignement spécial, ou de leur domicile vers l'institut d'enseignement spécial, maison ou famille d'accueil" sont remplacés par les mots "l'institut, l'ecole ou la section la plus proche ou l'institut d'enseignement spécial le plus proche qui dispense l'enseignement pour lesquels ils ont été déclares aptes et ce, dans un groupement au choix et de leur domicile vers l'institut, la maison ou famille d'accueil."
  Dans le même alinéa, les mots "vers le lieu de départ" sont supprimés.
  Au même alinéa est ajoutée une phrase, libellée comme suit:
  "Il convient d'entendre par groupement: une repartition des écoles et sièges d'implantation dans l'enseignement primaire extraordinaire et l'enseignement secondaire spécial, selon qu'ils appartiennent a l'enseignement communautaire, à l'enseignement officiel subventionné, à l'enseignement libre subventionné en fonction des différents cultes, ou à l'enseignement libre non-confessionnel subventionné."
Art.129. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997.
Art.129. Le présent chapitre produit ses effets le 1er septembre 1997.
HOOFDSTUK XII. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE XII. - Dispositions diverses.
Art.130. In artikel 3 van de wet op leerplicht van 29 juni 1983 wordt een paragraaf 4 toegevoegd luidend als volgt:
  "§ 4. De diensten van de Vlaamse gemeenten zullen medewerking verlenen aan de controle op de leerplicht. De Vlaamse regering bepaalt de procedure."
Art.130. A l'article 3 de la loi sur la scolarité du 29 juin 1983 est ajouté un paragraphe 4, libelle comme suit :
  "§ 4. Les services des communes flamandes apporteront leur collaboration au contrôle en matière de scolarité. Le Gouvernement flamand détermine la procédure."
Art.131. In artikel 72 van het onderwijsdecreet VII van 8 juli 1996 wordt de vermelde periode van twee opeenvolgende schooljaren gewijzigd in "drie opeenvolgende schooljaren" en wordt een zin toegevoegd die luidt als volgt:
  "Nieuwe overeenkomsten voor een duurtijd van één schooljaar kunnen afgesloten worden met nieuwe scholen vanaf 1 september 1998."
Art.131. A l'article 72 du décret sur l'enseignement VII du 8 juillet 1996, la période mentionnée de deux années scolaires consécutives est modifiée en "trois années scolaires consecutives" et une phrase est ajoutée, libellée comme suit:
  "De nouvelles conventions pour une durée d'une année scolaire peuvent être conclues avec de nouvelles écoles à partir du 1er septembre 1998."
Art.132. Aan artikel 20 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijk of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen, worden een derde en een vierde paragraaf toegevoegd, die luiden als volgt:
  "§ 3. De universiteiten of hogescholen kunnen deelnemen in vennootschappen die als maatschappelijk doel hebben kapitaal, financiële know how of management know how ter beschikking te stellen van spin-off bedrijven zoals bedoeld in Hoofdstuk II van dit decreet. De artikelen 11, 13 tot 17 en artikel 18, behoudens de bepalingen inzake wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties ontwikkeld aan de universiteit of hogeschool, en artikel 19 zijn eveneens van toepassing op de deelname in vennootschappen zoals bedoeld in deze paragraaf.
  § 4. De universiteiten of hogescholen kunnen deelnemen in vennootschappen die een afsplitsing zijn, met het oog op industriële of commerciële exploitatie, van het bedrijfsactiviteiten die binnen de universiteiten of hogescholen werden ontwikkeld. De artikelen 11, 13, 15 tot 17 en artikel 18, behoudens de bepalingen inzake wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties ontwikkeld aan de universiteit of aan de hogeschool, en artikel 19 zijn eveneens van toepassing op de deelname in vennootschappen zoals bedoeld in deze paragraaf."
Art.132. A l'article 20 du décret du 22 férier 1995 relatif aux services scientifiques ou sociaux par les universités ou les instituts supérieures et aux relations des universités et instituts superieurs avec d'autres personnes morales, sont ajoutés un troisième et quatrième paragraphes, libellés comme suit:
  § 3. Les universités ou instituts supérieurs peuvent participer dans des sociétés qui ont pour objet social de mettre à disposition du capital, du know-how financier ou du savoir-faire en matière de management d'entreprises "spin-off" telles que visées au Chapitre II du présent décret. Les articles 11, 13 à 17 et 18, à l'exclusion des dispositions en matière de connaissances scientifiques, résultats de la recherche scientifique ou axée sur des projets, technologies ou innovations administratives ou logistiques développées à l'université ou à l'institut supérieur ainsi que l'article 19 s'appliquent également à la participation dans les sociétés visées dans le présent paragraphe.
  § 4. Les universités ou instituts supérieurs peuvent participer dans des sociétés qui constituent une division, en vue de l'exploitation industrielle ou commerciale, d'activités développées au sein des universités ou écoles supérieures. Les articles 11, 13 à 17 et 18, à l'exclusion des dispositions en matière de connaissances scientifiques, résultats de la recherche scientifique ou axée sur des projets, technologies ou innovations administratives ou logistiques développées à l'u'iversité ou à l'i'stitut supérieur ainsi que l'a'ticle 19 s'appliquent également à la participation dans les sociétés visées dans le présent paragraphe.
Art. 133. 1° Artikel 132 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995.
  2° Artikel 131 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1996.
  3° Artikel 130 treedt in werking op 1 september 1998.
Art. 133. 1° L'article 132 produit ses effets le 1er septembre 1995.
  2° L'article 131 produit ses effets le 1er septembre 1996.
  3° L'article 130 entre en vigueur le 1er septembre 1998.