Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
14 JULI 1998. - Decreet betreffende het onderwijs IX (1) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-08-1998 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
Titre
14 JUILLET 1998. - Décret relatif à l'enseignement IX. (TRADUCTION) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-08-1998 et mise à jour au 13-02-2017)
Documentinformatie
Numac: 1998035973
Datum: 1998-07-14
Info du document
Numac: 1998035973
Date: 1998-07-14
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Personeelsaangelegenheden.
HOOFDSTUK III. - Basisonderwijs.
HOOFDSTUK IV. - Secundair onderwijs.
HOOFDSTUK V. - Hogescholen.
HOOFDSTUK VI. - Universiteiten.
HOOFDSTUK VII. - Inspectie en begeleiding.
HOOFDSTUK VIII. - Deeltijds kunstonderwijs.
HOOFDSTUK IX. - Onderwijs voor Sociale Promotie.
HOOFDSTUK X. - Psycho-medisch-sociale centra.
HOOFDSTUK XI. - Leerlingenvervoer.
HOOFDSTUK XII. - Diverse bepalingen.
Inhoud
CHAPITRE I. - Dispositions préliminaires.
CHAPITRE II. - Dispositions relatives au person...
CHAPITRE III. - Enseignement primaire.
CHAPITRE IV. - Enseignement secondaire.
CHAPITRE V. - Instituts supérieurs.
CHAPITRE VI. - Universites.
CHAPITRE VII. - Inspection et encadrement.
CHAPITRE VIII. - Enseignement artistique à temp...
CHAPITRE IX. - Enseignement de promotion sociale.
CHAPITRE X. - Centres psycho-médico-sociaux.
CHAPITRE XI. - Transport des élèves.
CHAPITRE XII. - Dispositions diverses.
Tekst (145)
Texte (145)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions préliminaires.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire.
HOOFDSTUK II. - Personeelsaangelegenheden.
CHAPITRE II. - Dispositions relatives au personnel.
Art.2. In artikel 2, § 1, vierde gedachtenstreepje, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs wordt tussen de woorden "het psychologisch" en de woorden "en medisch personeel" het woord "orthopedagogisch" ingevoegd.
Art.2. A l'article 2, § 1er, quatrième tiret, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire, les mots ",les membres du personnel orthopédagogique" sont insérés entre les mots "psychologique" et "les membres du personnel médical".
Art.3. Artikel 21, § 6, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Voor tijdelijke aanstellingen ter vervanging van een personeelslid met loopbaanonderbreking geldt de in § 1 vermelde voorrangsregel niet, behalve indien een voorrangsgerechtigde kandidaat voldoet an de voorwaarden die gesteld worden aan de vervanger van een loopbaanonderbreker."
"Voor tijdelijke aanstellingen ter vervanging van een personeelslid met loopbaanonderbreking geldt de in § 1 vermelde voorrangsregel niet, behalve indien een voorrangsgerechtigde kandidaat voldoet an de voorwaarden die gesteld worden aan de vervanger van een loopbaanonderbreker."
Art.3. L'article 21, § 6, du même décres est remplacé par la disposition suivante:
Pour ce qui concerne les désignations temporaires à titre de remplacement d'un membre du personnel en interruption de carrière, la règle de priorité visée au § 1er ne s'applique pas, sauf lorsqu'un candidat prioritaire répond aux conditions définies pour le remplacant d'un membre du personnel bénéficiant d'une interruption de carrière."
Pour ce qui concerne les désignations temporaires à titre de remplacement d'un membre du personnel en interruption de carrière, la règle de priorité visée au § 1er ne s'applique pas, sauf lorsqu'un candidat prioritaire répond aux conditions définies pour le remplacant d'un membre du personnel bénéficiant d'une interruption de carrière."
Art.4. Artikel 46, 1°, van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
"1° In het eerste lid wordt het zinsdeel "de kandidaten voor een benoeming tot lid van de pedagogische begeleidingsdiensten dienen vast benoemd te zijn als lid van de inspectie of één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten voor ten minste een halve opdracht", geschrapt.
2° Tussen het derde en het vierde lid wordt een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt: "In afwijking van het eerste lid moeten de kandidaten voor toelating tot de proeftijd in de pedagogische begeleidingsdiensten vast benoemd zijn, als lid van de inspectie, of, voor minstens en halve opdracht, in één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten in het Gemeenschapsonderwijs of in een Vlaamse hogeschool zoals bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Deze bepaling geldt ook voor dezelfde personeelsleden wier hogeschool geïntegreerd is in het universitair onderwijs."
"1° In het eerste lid wordt het zinsdeel "de kandidaten voor een benoeming tot lid van de pedagogische begeleidingsdiensten dienen vast benoemd te zijn als lid van de inspectie of één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten voor ten minste een halve opdracht", geschrapt.
2° Tussen het derde en het vierde lid wordt een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt: "In afwijking van het eerste lid moeten de kandidaten voor toelating tot de proeftijd in de pedagogische begeleidingsdiensten vast benoemd zijn, als lid van de inspectie, of, voor minstens en halve opdracht, in één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten in het Gemeenschapsonderwijs of in een Vlaamse hogeschool zoals bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. Deze bepaling geldt ook voor dezelfde personeelsleden wier hogeschool geïntegreerd is in het universitair onderwijs."
Art.4. L'article 46, 1°, du même décret est modifié comme suit:
"1° A l'alinéa premier, la phrase "les candidats à une nomination en qualité de membre des services d'encadrement pédagogique doivent être nommés à titre définitief dans une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion pour une demi-charge au moins" est supprimée.
2° Entre l'alinéa trois et l'alinéa quatre, est inséré une nouvel alinéa, libellé comme suit: "Par dérogation à l'alinéa premier, les candidats à une admission au stage au sein des services d'encadrement pédagogique doivent être nommés à titre définitif, en qualité de membre de l'inspection, ou, pour une demi-charge au moins, dans une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion dans l'enseignement communautaire ou dans une école supérieure flamande telle que visée au décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. La présente disposition s''pplique aussi aux membres du personnel dont l'institut supérieur est intégré dans l'enseignement universitaire."
"1° A l'alinéa premier, la phrase "les candidats à une nomination en qualité de membre des services d'encadrement pédagogique doivent être nommés à titre définitief dans une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion pour une demi-charge au moins" est supprimée.
2° Entre l'alinéa trois et l'alinéa quatre, est inséré une nouvel alinéa, libellé comme suit: "Par dérogation à l'alinéa premier, les candidats à une admission au stage au sein des services d'encadrement pédagogique doivent être nommés à titre définitif, en qualité de membre de l'inspection, ou, pour une demi-charge au moins, dans une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion dans l'enseignement communautaire ou dans une école supérieure flamande telle que visée au décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. La présente disposition s''pplique aussi aux membres du personnel dont l'institut supérieur est intégré dans l'enseignement universitaire."
Art.5. In artikel 4, § 1, a), vierde gedachtestreepje, van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de psychomedisch-sociale centra wordt het woord "psychopedagogisch" vervangen door de woorden "psychologisch, orthopedagogisch".
Art.5. A l'article 4, § 1er, a), quatrième tiret, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psycho-médico-sociaux subventionnés, le mot "psycho-pédagogique" est remplacé par les mots, "psychologique, orthopédagogique".
Art.6. Artikel 23, § 10, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Voor tijdelijke aanstellingen ter vervanging van een personeelslid met loopbaanonderbreking geldt de in § 1 vermelde voorrangsregel niet, behalve indien een voorrangsgerechtigde kandidaat voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan de vervanger van een loopbaanonderbreker."
"Voor tijdelijke aanstellingen ter vervanging van een personeelslid met loopbaanonderbreking geldt de in § 1 vermelde voorrangsregel niet, behalve indien een voorrangsgerechtigde kandidaat voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan de vervanger van een loopbaanonderbreker."
Art.6. L'article 23, § 10, du même décret est remplacé par la disposition suivante:
"Pour ce qui concerne les désignations temporaires à titre de remplacement d'un membre du personnel en interruption de carrière, la règle de priorité visée au § 1er ne s'applique pas, sauf lorsqu'un candidat prioritaire répond aux conditions définies pour le remplacant d'un membre du personnel bénéficiant d'une interruption de carrière."
"Pour ce qui concerne les désignations temporaires à titre de remplacement d'un membre du personnel en interruption de carrière, la règle de priorité visée au § 1er ne s'applique pas, sauf lorsqu'un candidat prioritaire répond aux conditions définies pour le remplacant d'un membre du personnel bénéficiant d'une interruption de carrière."
Art.8. Artikel 70, 4°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"de voorzitter stemgerechtigd is: bij staking van stemmen na een tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend."
"de voorzitter stemgerechtigd is: bij staking van stemmen na een tweede stemronde is de stem van de voorzitter doorslaggevend."
Art.8. L'article 70, 4°, du même décret est remplacé par la disposition suivante:
"le président a voix délibérative: s'il y a partage, la voix du président est prépondérante, après un deuxième tour."
"le président a voix délibérative: s'il y a partage, la voix du président est prépondérante, après un deuxième tour."
Art.9. In artikel 198 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II wordt een § 4 ingevoegd, die luidt als volgt:
"§ 4. Om geldig te zijn moet de vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij en ter post aangetekend schrijven met vermelding van:
1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;
2° de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan.
Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd."
"§ 4. Om geldig te zijn moet de vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij en ter post aangetekend schrijven met vermelding van:
1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;
2° de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan.
Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd."
Art.9. A l'article 198 du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II, un § 4 est inséré, libellé comme suit:
"§ 4. Pour être valable, la demande de remboursement doit être portée à la connaissance du débiteur par lettre recommandée à la poste, moyennant mention:
1° du montant total de la somme réclamée, accompagnée d'un relevé, su base annuelle, des paiements indus;
2° des dispositions auxquelles les paiements sont contraires.
A compter de la date du dépôt de la lettre recommandée, le montant indu peut être réclamé durant une période de trente ans."
"§ 4. Pour être valable, la demande de remboursement doit être portée à la connaissance du débiteur par lettre recommandée à la poste, moyennant mention:
1° du montant total de la somme réclamée, accompagnée d'un relevé, su base annuelle, des paiements indus;
2° des dispositions auxquelles les paiements sont contraires.
A compter de la date du dépôt de la lettre recommandée, le montant indu peut être réclamé durant une période de trente ans."
Art.10. In artikel 5, § 1, van het decreet van 9 april 1992 betreffende het Onderwijs III wordt tussen het vijfde en zesde gedachtestreepje een nieuw gedachtestreepje ingevoegd met de volgende tekst:
"- een vrijwillig afzien door een personeelslid van zijn vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt, overeenkomstig artikel 43ter van het decreet van 27 maart 191 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;"
"- een vrijwillig afzien door een personeelslid van zijn vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt, overeenkomstig artikel 43ter van het decreet van 27 maart 191 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra;"
Art.10. A l'article 5, § 1er, du décret du 9 avril 1992 relatif à l'Enseignement III, un nouveau tiret est inséré entre les cinquième et sixième alinéas, libellé comme suit:
"- tout renon volontaire par um membre du personnel à sa nomination définitive à une fonction de sélction ou de promotion, conformément à l'article 43ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psychomédico-sociaux subventionnés."
"- tout renon volontaire par um membre du personnel à sa nomination définitive à une fonction de sélction ou de promotion, conformément à l'article 43ter du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psychomédico-sociaux subventionnés."
Art.11. De personeelsleden die op 30 juni 1997 deel uitmaken van het bestuurs- en onderwijzend personeel van de Nederlandse onderwijsinstellingen, Burgemeester Marnixschool te Schoten en Prinses Julianaschool te Brussel, die met ingang van 1 september 1997 gesubsidieerde personeelsleden zijn van het gesubsidieerd vrij onderwijs, zoals bedoeld in het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, worden geacht al de diensten die bij deze instellingen in aanmerking werden genomen voor het bepalen van hun administratieve en geldelijke anciënniteit:
_ te hebben gepresteerd als personeelslid in het gesubsidieerd vrij onderwijs, voor de toepassing van de bepalingen van het voormelde decreet van 27 maart 1991 en van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;
_ verstrekt te hebben als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties aan een door de Staat of door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde school, voor de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.
_ te hebben gepresteerd als personeelslid in het gesubsidieerd vrij onderwijs, voor de toepassing van de bepalingen van het voormelde decreet van 27 maart 1991 en van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III;
_ verstrekt te hebben als titularis van een bezoldigd ambt met volledige of onvolledige prestaties aan een door de Staat of door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde school, voor de toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.
Art.11. Les membres du personnel faisant partie, en date du 30 juin 1997, du personnel administratif et enseignant des établissements d'enseignement néerlandophones, de la Burgemeester Marnixschool à Schoten et de la Prinses Julianaschool à Bruxelles, qui sont des membres du personnel subventionnés de l'enseignement libre subventionné à partir du 1er septembre 1997, conformément au décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psychomédico-sociaux subventionnés, sont censés :
- avoir presté en qualité de membre du personnel dans l'enseignement libre subventionné, tous les services ayant été pris en compte auprès de ces établissements pour la détermination de leur ancieneté administrative et pécuniaire, pour l'application des dispositions du décret précite du 27 mars 1991 et du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement III;
- avoir fourni tous les services visés au tiret précédent en qualité de titulaire d'un emploi rémunéré à prestations complètes ou incomplètes dans une école subventionnée par l'Etat ou par la Communauté flamande, pour l'application des dispositions de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant le régime de rémunération du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Enseignement public.
- avoir presté en qualité de membre du personnel dans l'enseignement libre subventionné, tous les services ayant été pris en compte auprès de ces établissements pour la détermination de leur ancieneté administrative et pécuniaire, pour l'application des dispositions du décret précite du 27 mars 1991 et du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement III;
- avoir fourni tous les services visés au tiret précédent en qualité de titulaire d'un emploi rémunéré à prestations complètes ou incomplètes dans une école subventionnée par l'Etat ou par la Communauté flamande, pour l'application des dispositions de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant le régime de rémunération du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Enseignement public.
Art.15. 1° Artikel 9 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1990.
2° Artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1993.
3° Artikel 14 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
4° Artikel 4 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
5° De artikelen 2, 5 en 11 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1997.
6° Artikel 7 heeft uitwerking met ingang van het schooljaar 1997-1998.
7° De artikelen 3, 6 en 12 treden in werking op 1 september 1998.
8° Artikel 8 treedt in werking op 1 september 1998. De aangelegenheden die op deze datum in behandeling zijn bij de kamers van beroep, worden verder afgehandeld volgens de procedure van kracht op het ogenblik van de indiening ervan.
9° Artikel 13 treedt in werking op de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
2° Artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1993.
3° Artikel 14 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
4° Artikel 4 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
5° De artikelen 2, 5 en 11 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1997.
6° Artikel 7 heeft uitwerking met ingang van het schooljaar 1997-1998.
7° De artikelen 3, 6 en 12 treden in werking op 1 september 1998.
8° Artikel 8 treedt in werking op 1 september 1998. De aangelegenheden die op deze datum in behandeling zijn bij de kamers van beroep, worden verder afgehandeld volgens de procedure van kracht op het ogenblik van de indiening ervan.
9° Artikel 13 treedt in werking op de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art.15. 1° L'article 9 produit ses effets le 1er septembre 1990.
2° L'article 10 produit ses effets le 1er septembre 1993.
3° L'article 14 produit ses effets le 1er janvier 1996.
4° L'article 4 produit ses effets le 1er janvier 1997.
5° Les articles 2, 5 et 11 produisent leurs effets le 1er septembre 1997.
6° L'article 7 produit ses effets à partir de l'année scolaire 1997-1998.
7° Les articles 3, 6 et 12 entrent en vigueur le 1er septembre 1998.
8° L'article 8 entre en vigueur le 1er septembre 1998. Les matières qui sont à cette date-là à l'examen devant les chambres de recours, continueront d'être traitées selon la procédure en vigueur à la date du dépôt.
9° L'article 13 entre en vigueur à la date de la publication au Moniteur belge.
2° L'article 10 produit ses effets le 1er septembre 1993.
3° L'article 14 produit ses effets le 1er janvier 1996.
4° L'article 4 produit ses effets le 1er janvier 1997.
5° Les articles 2, 5 et 11 produisent leurs effets le 1er septembre 1997.
6° L'article 7 produit ses effets à partir de l'année scolaire 1997-1998.
7° Les articles 3, 6 et 12 entrent en vigueur le 1er septembre 1998.
8° L'article 8 entre en vigueur le 1er septembre 1998. Les matières qui sont à cette date-là à l'examen devant les chambres de recours, continueront d'être traitées selon la procédure en vigueur à la date du dépôt.
9° L'article 13 entre en vigueur à la date de la publication au Moniteur belge.
HOOFDSTUK III. - Basisonderwijs.
CHAPITRE III. - Enseignement primaire.
Art.16. In artikel 3, 44°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden de woorden "van twee jaar en zes maanden" vervangen door de woorden "van drie jaar".
Art.16. A l'article 3, 44°, du décret enseignement primaire du 25 février 1997, les mots "de deux ans et six mois" sont remplacés par les mots "de trois ans".
Art.17. In artikel 3, 46°, van hetzelfde decreet worden de woorden "een onderwijsniveau" ingevoegd tussen de woorden "een vestigingsplaats", en de woorden "of een type".
Art.17. A l'article 3,46°, du même décret, les mots "un niveau d'enseignement" sont insérés entre les mots "un lieu d'établissement" et les mots "ou un type".
Art.18. In artikel 11, § 1, van hetzelfde decreet worden telkens de woorden "buitengewoon basisonderwijs" vervangen door de woorden "buitengewoon onderwijs".
Art.18. A l'article 11,§ 1er, du même décret, les mots "enseignement primaire spécial" sont chaque fois remplacés par les mots "enseignement spécial".
Art.19. In artikel 22 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 3 toegevoegd luidend als volgt:
"§ 3. De diensten van de Vlaamse gemeenten zullen medewerking verlenen aan de controle op de leerplicht. De Vlaamse regering bepaalt de procedure."
"§ 3. De diensten van de Vlaamse gemeenten zullen medewerking verlenen aan de controle op de leerplicht. De Vlaamse regering bepaalt de procedure."
Art.19. A l'article 22 du même décret, un paragraphe 3 est inséré, libellé comme suit:
"§ 3. Les services des communes flamandes apporteront leur collaboration au contrôle en matière de scolarité. Le Gouvernement flamand détermine la procédure."
"§ 3. Les services des communes flamandes apporteront leur collaboration au contrôle en matière de scolarité. Le Gouvernement flamand détermine la procédure."
Art.20. Aan artikel 27 van hetzelfde decreet wordt een § 4 toegevoegd luidend als volgt:
"§ 4. Het kostgeld van een leerplichtig kind wiens ouders geen vaste verblijfplaats hebben, en toevertrouwd is aan één van de erkende internaten bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs of aan gelijk welk ander internaat toegevoegd aan een gesubsidieerde school, georganiseerd door een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, door een andere openbare of privé-persoon, valt ten laste van zijn ouders.
De Gemeenschap draagt bij in het kostgeld. Deze bijdrage wordt toegevoegd aan de werkingstoelagen toegekend aan het erkend internaat, aan het internaat toegevoegd aan en gesubsidieerde school of aan het autonoom internaat en wordt in mindering gebracht op het in het vierde lid bedoelde kostgeld. Deze bijdrage is gelijk aan degene bedoeld in artikel 20, § 2, van vermeld koninklijk besluit.
De bijdrage wordt uitgekeerd aan de inrichtende macht van het internaat dat het kind huisvest op voorlegging van een staat ingediend door de inrichtende macht en juist verklaard door de onderwijsinspectie.
De inrichtende macht bepaalt autonoom het kostgeld."
"§ 4. Het kostgeld van een leerplichtig kind wiens ouders geen vaste verblijfplaats hebben, en toevertrouwd is aan één van de erkende internaten bedoeld in artikel 21 van het koninklijk besluit van 20 augustus 1957 houdende coördinatie van de wetten op het lager onderwijs of aan gelijk welk ander internaat toegevoegd aan een gesubsidieerde school, georganiseerd door een provincie, een gemeente, een vereniging van gemeenten, door een andere openbare of privé-persoon, valt ten laste van zijn ouders.
De Gemeenschap draagt bij in het kostgeld. Deze bijdrage wordt toegevoegd aan de werkingstoelagen toegekend aan het erkend internaat, aan het internaat toegevoegd aan en gesubsidieerde school of aan het autonoom internaat en wordt in mindering gebracht op het in het vierde lid bedoelde kostgeld. Deze bijdrage is gelijk aan degene bedoeld in artikel 20, § 2, van vermeld koninklijk besluit.
De bijdrage wordt uitgekeerd aan de inrichtende macht van het internaat dat het kind huisvest op voorlegging van een staat ingediend door de inrichtende macht en juist verklaard door de onderwijsinspectie.
De inrichtende macht bepaalt autonoom het kostgeld."
Art.20. A l'article 27 du même décret est inséré un § 4; libellé comme suit:
"4. La pension d'un élève en âge de scolarité dont les parents sont sans domicile fixe et qui est confié à l'un des internats agréés visés à l'article 21 de l'arrête royal du 20 août 1957 portant coordination des lois relatives à l'enseignement primaire ou à n'importe quel autre internat adjoint à une école subventionnée, organisée par une province, une commune, une association de communes ou par une autre personne privée ou publique, est à charge de ses parents.
La Communauté participe dans la pension. Cette contribution s'ajoute aux allocations de fonctionnement accordées à l'internat agréé, à l'internat adjoint à une école subventionnée ou à l'internat autonome et est portée en déduction de la pension visée à l'alinéa quatre. Cette contribution est égale à celle visée à l'article 20, § 2, de l'arrêté royal précité.
La contribution est versée au pouvoir organisateur de l'internat accueillant l'enfant sur présentation d'un relevé déposé par le pouvoir organisateur et certifié authentique par l'inspection de l'enseignement.
Le pouvoir organisateur détermine la pension sur une base autonome.".
"4. La pension d'un élève en âge de scolarité dont les parents sont sans domicile fixe et qui est confié à l'un des internats agréés visés à l'article 21 de l'arrête royal du 20 août 1957 portant coordination des lois relatives à l'enseignement primaire ou à n'importe quel autre internat adjoint à une école subventionnée, organisée par une province, une commune, une association de communes ou par une autre personne privée ou publique, est à charge de ses parents.
La Communauté participe dans la pension. Cette contribution s'ajoute aux allocations de fonctionnement accordées à l'internat agréé, à l'internat adjoint à une école subventionnée ou à l'internat autonome et est portée en déduction de la pension visée à l'alinéa quatre. Cette contribution est égale à celle visée à l'article 20, § 2, de l'arrêté royal précité.
La contribution est versée au pouvoir organisateur de l'internat accueillant l'enfant sur présentation d'un relevé déposé par le pouvoir organisateur et certifié authentique par l'inspection de l'enseignement.
Le pouvoir organisateur détermine la pension sur une base autonome.".
Art.21. In artikel 28 van hetzelfde decreet worden de woorden "PMS-centra" vervangen door de woorden "het begeleidend PMS-centrum".
Art.21. A l'article 28 du même décret, les mots "centres PMS" sont remplacés par les mots "le centre PMS accompagnateur".
Art.22. In artikel 44, § 2, 1°, van hetzelfde decreet wordt het woord "leerlingengroep" telkens vervangen door het woord "leerlingenpopulatie".
Art.22. A l'article 44, 6 2, 1° du même décret, les mots "groupe d'élèves" sont chaque fois remplacés par les mots "population d'élèves".
Art.23. In artikel 62, 6°, van hetzelfde decreet wordt het getal "20" vervangen door het getal "2".
Art.23. A l'article 62, 6°, du même décret, le chiffre "20" est remplacé par "2".
Art.24. Aan artikel 67 van hetzelfde decreet wordt een § 3 toegevoegd luidend als volgt:
"§ 3. De gesubsidieerde scholen ontvangen vanwege de Gemeenschap de terugbetaling van de tegemoetkoming in de vervoerskosten van hun personeel zoals bedoeld in het besluit van 22 juli 1993 van de Vlaamse regering betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerskosten van hun personeel. Deze terugbetaling geschiedt in het begrotingsjaar volgend op het einde van het schooljaar van de tegemoetkoming.
De Vlaamse regering bepaalt de wijze van aanvraag en uitvoering van de terugbetaling."
"§ 3. De gesubsidieerde scholen ontvangen vanwege de Gemeenschap de terugbetaling van de tegemoetkoming in de vervoerskosten van hun personeel zoals bedoeld in het besluit van 22 juli 1993 van de Vlaamse regering betreffende de tegemoetkoming van de werkgevers in de onderwijssector in de vervoerskosten van hun personeel. Deze terugbetaling geschiedt in het begrotingsjaar volgend op het einde van het schooljaar van de tegemoetkoming.
De Vlaamse regering bepaalt de wijze van aanvraag en uitvoering van de terugbetaling."
Art.24. A l'article 67 du même décret est ajouté un § 3, libellé comme suit:
"§ 3. Les écoles subventionnées reçoivent de la part de la Communauté, le remboursement de l'intervention dans les frais de transport de leur personnel telle que visée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993, relatif à l'intervention des employeurs du secteur de l'enseignement dans les frais de transport de leur personnel. Ce remboursement s'effectue au cours de l'année budgétaire suivant la fin de l'année scolaire de l'octroi de l'intervention.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités de demande et d'exécution du remboursement."
"§ 3. Les écoles subventionnées reçoivent de la part de la Communauté, le remboursement de l'intervention dans les frais de transport de leur personnel telle que visée dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993, relatif à l'intervention des employeurs du secteur de l'enseignement dans les frais de transport de leur personnel. Ce remboursement s'effectue au cours de l'année budgétaire suivant la fin de l'année scolaire de l'octroi de l'intervention.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités de demande et d'exécution du remboursement."
Art.25. Artikel 82, § 1, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende bepaling:
"Het wordt tevens verminderd met de bijdrage in de tegemoetkoming in de vervoerskosten zoals bedoeld in artikel 67, § 3, en met de bijdrage in het kostgeld zoals bedoeld in artikel 71 van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs."
"Het wordt tevens verminderd met de bijdrage in de tegemoetkoming in de vervoerskosten zoals bedoeld in artikel 67, § 3, en met de bijdrage in het kostgeld zoals bedoeld in artikel 71 van de gecoördineerde wetten op het lager onderwijs."
Art.25. L'article 82, § 1er, du même décret est complété par la disposition suivante:
"Il sera en outre diminué de la participation dans l'intervention dans les frais de transport telle que visée à l'article 67, § 3, et de la contribution à la pension telle que visée à l'article 71 des lois coordonnées sur l'enseignement primaire."
"Il sera en outre diminué de la participation dans l'intervention dans les frais de transport telle que visée à l'article 67, § 3, et de la contribution à la pension telle que visée à l'article 71 des lois coordonnées sur l'enseignement primaire."
Art.26. De paragrafen 1 en 2 van artikel 105 van hetzelfde decreet worden vervangen door de volgende bepaling:
"§ 1. De volgens artikelen 102 of 103 gefinancierde of gesubsidieerde scholen kunnen na het derde bestaansjaar een beroep doen op de door de Gemeenschap aan de ARGO of aan de DIGO toegekende investeringsmiddelen."
§ 2. Paragraaf 3 van hetzelfde artikel wordt § 2 en de woorden "en § 2" worden geschrapt.
"§ 1. De volgens artikelen 102 of 103 gefinancierde of gesubsidieerde scholen kunnen na het derde bestaansjaar een beroep doen op de door de Gemeenschap aan de ARGO of aan de DIGO toegekende investeringsmiddelen."
§ 2. Paragraaf 3 van hetzelfde artikel wordt § 2 en de woorden "en § 2" worden geschrapt.
Art.26. § 1er. Les paragraphes 1er et 2 de l'article 105 du même décret sont remplacés par la disposition suivante:
"§ 1er. Les écoles financées ou subventionnées en vertu des articles 102 ou 103 peuvent, après la troisième année de leur existence, faire appel aux moyens d'investissement accordés par la Communauté à l'ARGO ou au DIGO."
§ 2. Le paragraphe 3 du même article devient le § 2 et les mots "et le § 2" sont supprimés.
"§ 1er. Les écoles financées ou subventionnées en vertu des articles 102 ou 103 peuvent, après la troisième année de leur existence, faire appel aux moyens d'investissement accordés par la Communauté à l'ARGO ou au DIGO."
§ 2. Le paragraphe 3 du même article devient le § 2 et les mots "et le § 2" sont supprimés.
Art.27. In artikel 121, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "meer dan vijfhonderd" vervangen door de woorden "vijfenzeventig en meer".
Art.27. A l'article 121, § 2, du même décret, les mots "plus de cinq cents" sont remplacés par les mots "septante-cinq et davantage".
Art.28. Artikel 129 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Artikel 129. § 1. In een school die ontstaan is uit vrijwillige fusie kan één van de wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde directeurs van de bij de fusie betrokken scholen door het schoolbestuur belast worden met de functie van adjunct-directeur, op voorwaarde dat:
1° de scholen die bij de fusie betrokken zijn op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal bereikten dat tenminste 15 % boven de rationalisatienormen ligt. Als meer dan twee scholen bij de fusie betrokken zijn, is het toegelaten dat één school die verhoogde rationalisatienorm niet bereikt;
2° tenminste twee directeurs van de bij de fusie betrokken scholen vastbenoemd zijn.
§ 2. De functie van adjunct-directeur wordt tijdelijk niet georganiseerd gedurende de tijdelijke uitdiensttreding om welke reden ook van:
- de directeur;
- diegene die de functie van adjunct-directeur waarneemt.
De functie van adjunct-directeur wordt niet meer georganiseerd van zodra:
- de directeur definitief uit dienst treedt;
- de functie van adjunct-directeur definitief niet meer waargenomen wordt tenzij er nog een directeur is die ter beschikking gesteld is zoals bedoeld in § 1;
- het schoolbestuur een nieuwe kleuter-, lagere of basisschool opricht in dezelfde of aangrenzende gemeente."
"Artikel 129. § 1. In een school die ontstaan is uit vrijwillige fusie kan één van de wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gestelde directeurs van de bij de fusie betrokken scholen door het schoolbestuur belast worden met de functie van adjunct-directeur, op voorwaarde dat:
1° de scholen die bij de fusie betrokken zijn op de eerste schooldag van februari van het voorgaande schooljaar een leerlingenaantal bereikten dat tenminste 15 % boven de rationalisatienormen ligt. Als meer dan twee scholen bij de fusie betrokken zijn, is het toegelaten dat één school die verhoogde rationalisatienorm niet bereikt;
2° tenminste twee directeurs van de bij de fusie betrokken scholen vastbenoemd zijn.
§ 2. De functie van adjunct-directeur wordt tijdelijk niet georganiseerd gedurende de tijdelijke uitdiensttreding om welke reden ook van:
- de directeur;
- diegene die de functie van adjunct-directeur waarneemt.
De functie van adjunct-directeur wordt niet meer georganiseerd van zodra:
- de directeur definitief uit dienst treedt;
- de functie van adjunct-directeur definitief niet meer waargenomen wordt tenzij er nog een directeur is die ter beschikking gesteld is zoals bedoeld in § 1;
- het schoolbestuur een nieuwe kleuter-, lagere of basisschool opricht in dezelfde of aangrenzende gemeente."
Art.28. L'article 129 du même décret est remplacé par la disposition suivante:
"Article 129. § 1er. Dans une école née d'une fusion volontaire, l'un des directeurs des écoles associées à la fusion, mis en disponibilité à défaut d'emploi, peut être chargé par la direction de l'école de la fonction de directeur adjoint pour autant que:
1° les écoles associées à la fusion atteignent le premier jour scolaire de février de l'année scolaire précédante, un effectif d'élèves dépassant de 15 % au moins les normes de rationalisation. Lorsque plus de deux écoles sont associées à la fusion, une des deux écoles ne doit pas nécessairement atteindre cette norme de rationalisation majorée;
2° deux directeurs au moins des écoles associées à la fusion soient nommés à titre définitif.
§ 2. La fonction de directeur adjoint n'est temporairement pas organisée durant la cessation de service temporaire, pour quelque raison que ce soit:
- du directeur;
- de la personne exerçant la fonction de directeur adjoint.
- La fonction de directeur adjoint n'est plus organisée dès que:
- le directeur cesse définitivement ses fonctions;
- la fonction de directeur adjoint n'est définitivement plus assumée à moins qu'il y ait un autre directeur mis en disponibilité conformément aux dispositions du § 1er;
- la direction de l'école crée une nouvelle école maternelle, primaire ou fondamentale dans la même commune ou une commune voisine.
"Article 129. § 1er. Dans une école née d'une fusion volontaire, l'un des directeurs des écoles associées à la fusion, mis en disponibilité à défaut d'emploi, peut être chargé par la direction de l'école de la fonction de directeur adjoint pour autant que:
1° les écoles associées à la fusion atteignent le premier jour scolaire de février de l'année scolaire précédante, un effectif d'élèves dépassant de 15 % au moins les normes de rationalisation. Lorsque plus de deux écoles sont associées à la fusion, une des deux écoles ne doit pas nécessairement atteindre cette norme de rationalisation majorée;
2° deux directeurs au moins des écoles associées à la fusion soient nommés à titre définitif.
§ 2. La fonction de directeur adjoint n'est temporairement pas organisée durant la cessation de service temporaire, pour quelque raison que ce soit:
- du directeur;
- de la personne exerçant la fonction de directeur adjoint.
- La fonction de directeur adjoint n'est plus organisée dès que:
- le directeur cesse définitivement ses fonctions;
- la fonction de directeur adjoint n'est définitivement plus assumée à moins qu'il y ait un autre directeur mis en disponibilité conformément aux dispositions du § 1er;
- la direction de l'école crée une nouvelle école maternelle, primaire ou fondamentale dans la même commune ou une commune voisine.
Art.29. In artikel 132, § 1, 3e lid, van hetzelfde decreet wordt de laatste zin opgeheven.
Art.29. A l'article 132, alinéa trois, du même décret, la dernière phrase est abrogée.
Art.30. In artikel 140, 6°, van hetzelfde decreet worden de woorden "elke leerling in het gewoon basisonderwijs telt voor één teleenheid" vervangen door de woorden "elke leerling telt voor één teleenheid".
Art.30. A l'article 140, 6°, du même décret, les mots "chaque élève de l'enseignement primaire ordinaire compte pour une unité" sont remplacés par les mots "chaque élève compte pour une unité".
Art.31. In artikel 141, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "op e instapdata bedoeld in artikel 194" vervangen door de woorden "tijdens het lopende schooljaar".
Art.31. A l'article 141, § 2, du même décret, les mots "aux dates d'adhésion visées à l'article 194" sont remplacés par les mots "durant l'année scolaire en cours".
Art.32. § 1. Artikel 142, 3°, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"3° de overdracht van lestijden naar een andere school van eenzelfde of een ander schoolbestuur, zonder dat de overdracht meer mag bedragen dan drie procent van het totale lestijdenpakket dat het voorgaande schooljaar was gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die overdraagt."
§ 2. Hetzelfde artikel 142 wordt aangevuld met de volgende leden:
"De overdracht van lestijden zoals bedoeld in het eerste lid, moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren.
Er kunnen geen lestijden overgedragen worden van een school of afdeling van het Nederlands taalstelsel naar een school of afdeling van het Frans taalstelsel of omgekeerd."
"3° de overdracht van lestijden naar een andere school van eenzelfde of een ander schoolbestuur, zonder dat de overdracht meer mag bedragen dan drie procent van het totale lestijdenpakket dat het voorgaande schooljaar was gefinancierd of gesubsidieerd voor de school die overdraagt."
§ 2. Hetzelfde artikel 142 wordt aangevuld met de volgende leden:
"De overdracht van lestijden zoals bedoeld in het eerste lid, moet vóór 15 oktober van het lopende schooljaar gebeuren.
Er kunnen geen lestijden overgedragen worden van een school of afdeling van het Nederlands taalstelsel naar een school of afdeling van het Frans taalstelsel of omgekeerd."
Art.32. § 1er. L'article 142,3°, du même décret est remplacé par la disposition suivante:
"3° le transfert d'heures de cours vers une autre école relevant de la même ou d'une autre direction, sans que le transfert ne puisse dépasser trois pour cent de l'horaire total financé ou subventionné au cours de l'année scolaire précédente pour l'école qui les transfère."
§ 2. Le même article 142 est complété par les alinéas suivants:
"Le transfert d'heures de cours tel que visé à l'alinéa premier, doit se faire avant le 15 octobre de l'année scolaire en cours.
Des heures de cours ne peuvent être transférés d'une école ou section du régime linguistique néerlandais vers une école ou section du régime francophone ou inversement."
"3° le transfert d'heures de cours vers une autre école relevant de la même ou d'une autre direction, sans que le transfert ne puisse dépasser trois pour cent de l'horaire total financé ou subventionné au cours de l'année scolaire précédente pour l'école qui les transfère."
§ 2. Le même article 142 est complété par les alinéas suivants:
"Le transfert d'heures de cours tel que visé à l'alinéa premier, doit se faire avant le 15 octobre de l'année scolaire en cours.
Des heures de cours ne peuvent être transférés d'une école ou section du régime linguistique néerlandais vers une école ou section du régime francophone ou inversement."
Art.33. In artikel 148 van hetzelfde decreet worden de woorden "de artikelen 131 en 132" vervangen door "de artikelen 131, 132 en 133".
Art.33. A l'article 148 du même décret, les mots "les articles 131 et 132" sont remplacés par les mots "les articles 131, 132 et 133".
Art.34. Artikel 155, tweede lid, van hetzelfde decreet, wordt aangevuld als volgt:
"De regering zal het salarisequivalent van vijf procent van deze extra lestijden of -uren met ingang van 1 januari 1998 prioritair aanwenden om de integratietoelage voor het geïntegreerd basisonderwijs aan te passen."
"De regering zal het salarisequivalent van vijf procent van deze extra lestijden of -uren met ingang van 1 januari 1998 prioritair aanwenden om de integratietoelage voor het geïntegreerd basisonderwijs aan te passen."
Art.34. L'article 155, alinéa deux, du même décret est complété comme suit:
"A partir du 1er janvier 1998, le Gouvernement affectera prioritairement l'équivalent salarial de cinq pour cent de ces périodes supplémentaires à l'adaptation de la subvention d'intégration pour l'enseignement primaire intégré."
"A partir du 1er janvier 1998, le Gouvernement affectera prioritairement l'équivalent salarial de cinq pour cent de ces périodes supplémentaires à l'adaptation de la subvention d'intégration pour l'enseignement primaire intégré."
Art.35. In artikel 175 van hetzelfde decreet wordt een paragraaf 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
"§ 3. Om geldig te zijn moet de vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij een ter post aangetekend schrijven met vermelding van:
1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;
2° de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan.
Te rekenen vanaf de afgiste van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd."
"§ 3. Om geldig te zijn moet de vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij een ter post aangetekend schrijven met vermelding van:
1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;
2° de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan.
Te rekenen vanaf de afgiste van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd."
Art.35. A l'article 174 du même décret, un paragraphe 3 est inséré, libellé comme suit:
"§ 3. Pour être valable, la demande de remboursement doit être portée à la connaissance du débiteur par lettre recommandée à la poste moyennant mention:
1° du montant total de la somme réclamée avec, sur base annuelle, le relevé des paiements indus;
2° des dispositions auxquelles les paiements sont contraires.
A compter de la date de dépôt de la lettre recommandée, tout montant indu peut être réclamé durant une période de trente ans."
"§ 3. Pour être valable, la demande de remboursement doit être portée à la connaissance du débiteur par lettre recommandée à la poste moyennant mention:
1° du montant total de la somme réclamée avec, sur base annuelle, le relevé des paiements indus;
2° des dispositions auxquelles les paiements sont contraires.
A compter de la date de dépôt de la lettre recommandée, tout montant indu peut être réclamé durant une période de trente ans."
Art.36. Artikel 194 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"§ 1. In afwijking van de artikelen 3, 44°, 5 en 12 van dit decreet kunnen kinderen tussen 2 jaar en 6 maanden en drie jaar, tot op een datum door de Vlaamse regering bepaald, toegelaten worden tot het kleuteronderwijs.
Voor het gewoon kleuteronderwijs gelden volgende instapdata:
1° de eerste schooldag na de zomervakantie;
2° de eerste schooldag na de herfstvakantie;
3° de eerste schooldag na de kerstvakantie;
4° de eerste schooldag na de krokusvakantie;
5° de eerste schooldag na de paasvakantie.
§ 2. Tot op de datum bedoeld in § 1 worden de kinderen tussen 2 jaar en zes maanden en drie jaar geacht te voldoen aan de toelatingsvoorwaarde bepaald in artikel 12."
"§ 1. In afwijking van de artikelen 3, 44°, 5 en 12 van dit decreet kunnen kinderen tussen 2 jaar en 6 maanden en drie jaar, tot op een datum door de Vlaamse regering bepaald, toegelaten worden tot het kleuteronderwijs.
Voor het gewoon kleuteronderwijs gelden volgende instapdata:
1° de eerste schooldag na de zomervakantie;
2° de eerste schooldag na de herfstvakantie;
3° de eerste schooldag na de kerstvakantie;
4° de eerste schooldag na de krokusvakantie;
5° de eerste schooldag na de paasvakantie.
§ 2. Tot op de datum bedoeld in § 1 worden de kinderen tussen 2 jaar en zes maanden en drie jaar geacht te voldoen aan de toelatingsvoorwaarde bepaald in artikel 12."
Art.36. L'article 194 du même décret est remplacé par la disposition suivante:
"§ 1er. Par dérogation aux articles 3, 4 4°, 5 et 12 du présent décret, les enfants ayant entre 2 ans et 6 mois et trois ans peuvent être admis à l'enseignement maternel jusqu'à une date à déterminer par le Gouvernement flamand.
Pour l'enseignement maternel ordinaire, les dates d'adhésion sont les suivantes:
1° le premier jour scolaire après les vacances d'été;
2° le premier jour scolaire après les vacances d'automne;
3° le premier jour scolaire après les vacances de Noël;
4° le premier jour scolaire après les vacances de carnaval;
5° le premier jour scolaire après les vacances de Pâques.
§ 2. Jusqu'à la date visée au § 1er, les enfants entre 2 ans et six mois et trois ans sont censés répondre à la condition d'admission définie à l'article 12."
"§ 1er. Par dérogation aux articles 3, 4 4°, 5 et 12 du présent décret, les enfants ayant entre 2 ans et 6 mois et trois ans peuvent être admis à l'enseignement maternel jusqu'à une date à déterminer par le Gouvernement flamand.
Pour l'enseignement maternel ordinaire, les dates d'adhésion sont les suivantes:
1° le premier jour scolaire après les vacances d'été;
2° le premier jour scolaire après les vacances d'automne;
3° le premier jour scolaire après les vacances de Noël;
4° le premier jour scolaire après les vacances de carnaval;
5° le premier jour scolaire après les vacances de Pâques.
§ 2. Jusqu'à la date visée au § 1er, les enfants entre 2 ans et six mois et trois ans sont censés répondre à la condition d'admission définie à l'article 12."
Art.37. In hetzelfde decreet wordt een artikel 194bis ingevoegd luidend als volgt:
"Artikel 194bis. De scholen die op 1 september 1995 en op 1 september 1996 ontstaan zijn uit een vrijwillige fusie, conform de ministeriële omzendbrief OND/II/1/CDG/SVC/SD van 27 juli 1995, verliezen hun adjunctdirecteur en hun bijkomende lestijden niet na en herstructurering die uiterlijk op 1 september 1997 plaatsvond, tenzij die herstructurering voor het betrokken schoolbestuur gepaard gaat met de oprichting van een nieuwe kleuter-, lagere of basisschool in dezelfde of aangrenzende gemeente."
"Artikel 194bis. De scholen die op 1 september 1995 en op 1 september 1996 ontstaan zijn uit een vrijwillige fusie, conform de ministeriële omzendbrief OND/II/1/CDG/SVC/SD van 27 juli 1995, verliezen hun adjunctdirecteur en hun bijkomende lestijden niet na en herstructurering die uiterlijk op 1 september 1997 plaatsvond, tenzij die herstructurering voor het betrokken schoolbestuur gepaard gaat met de oprichting van een nieuwe kleuter-, lagere of basisschool in dezelfde of aangrenzende gemeente."
Art.37. Dans le même décret est inséré un article 194bis, libellé comme suit:
"Article 194bis. Les écoles nées d'une fusion volontaire entre le 1er septembre 1995 et le 1er septembre 1996, conformément à la circulaire ministérielle OND/II/1/CDG/SVC/SD du 27 juillet 1995 ne perdent pas leur directeur adjoint ni leurs heures de cours supplémentaires après une restructuration qui a eu lieu le 1er septembre 1997 au plus tard, à moins que cette restructuration n'aille de pair, pour la direction d'école concernée, avec la création d'une nouvelle école maternelle, primaire ou fondamentale dans la même commune ou une commune voisine."
"Article 194bis. Les écoles nées d'une fusion volontaire entre le 1er septembre 1995 et le 1er septembre 1996, conformément à la circulaire ministérielle OND/II/1/CDG/SVC/SD du 27 juillet 1995 ne perdent pas leur directeur adjoint ni leurs heures de cours supplémentaires après une restructuration qui a eu lieu le 1er septembre 1997 au plus tard, à moins que cette restructuration n'aille de pair, pour la direction d'école concernée, avec la création d'une nouvelle école maternelle, primaire ou fondamentale dans la même commune ou une commune voisine."
Art.38. In artikel 195, 3°, van hetzelfde decreet wordt "134" vervangen door "134, § 2".
Art.38. A l'article 195,3°, du même décret, le mot "134" est remplacé par "134,§ 2".
Art.39. De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 september 1997 met uitzondering van:
1° het artikel 18 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1994;
2° het artikel 34 dat in werking treedt op 1 januari 1998;
3° de artikelen 19, 26, 28 en 32 die in werking treden op 1 september 1998.
1° het artikel 18 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1994;
2° het artikel 34 dat in werking treedt op 1 januari 1998;
3° de artikelen 19, 26, 28 en 32 die in werking treden op 1 september 1998.
Art.39. Les dispositions du présent chapitre produisent leurs effets le 1er septembre 1997, à l'exception de:
1° l'article 18 qui produit ses effets le 1er septembre 1994;
2° l'article 34 qui produit ses effets le 1er janvier 1998;
3° les articles 19, 26, 28 et 32 qui produisent leurs effets le 1er septembre 1998.
1° l'article 18 qui produit ses effets le 1er septembre 1994;
2° l'article 34 qui produit ses effets le 1er janvier 1998;
3° les articles 19, 26, 28 et 32 qui produisent leurs effets le 1er septembre 1998.
HOOFDSTUK IV. - Secundair onderwijs.
CHAPITRE IV. - Enseignement secondaire.
Art.40. Artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs; artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 66 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het administratief en opvoedend hulppersoneel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs; artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 67 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het paramedisch personeel worden bepaald in de inrichtingen voor het buitengewoon onderwijs, met uitzondering van de internaten of semiinternaten en artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 184 van 30 december 1982 tot vaststelling van de wijze waarop voor de Rijksinstituten voor buitengewoon onderwijs en de tehuizen van het Rijk de ambten worden bepaald van het paramedisch personeel en van het personeel toegekend in het kader van het internaat, worden aangevuld als volgt:
"§ 3. De regering zal het salarisequivalent van vijf procent van het totaal van deze extra lesuren en/of uren met ingang van 1 januari 1998 prioritair aanwenden om de integratietoelage voor het geïntegreerd onderwijs aan te passen."
De huidige paragraaf 3 van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, wordt § 4.
"§ 3. De regering zal het salarisequivalent van vijf procent van het totaal van deze extra lesuren en/of uren met ingang van 1 januari 1998 prioritair aanwenden om de integratietoelage voor het geïntegreerd onderwijs aan te passen."
De huidige paragraaf 3 van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, wordt § 4.
Art.40. L'article 5 de l'arrêté royal n° 65 du 20 juillet 1982 fixant les modalités de détermination des fonctions du personnel administratif et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial; l'article 4, § 2, de l'arrêté royal n° 66 du 20 juillet 1982 définissant les modalités de détermination des fonctions du personnel administratif et du personnel aidant éducatif au sein des établissements d'enseignement spécial; l'article 6, § 2, de l'arrêté royal n° 67 du 20 juillet 1982 fixant les modalités de détermination des fonctions du personnel paramédical dans les établissements d'enseignement spécial, à l'exception des internats ou semi internats et l'article 9, § 2, de l'arrêté royal n° 184 du 30 décembre 1982 fixant les modalités de détermination du personnel paramédical et du personnel accordé dans le cadre de l'internat pour ce qui concerne les Instituts nationaux d'enseignement spécial et les établissements de l'Etat, sont complétés comme suit:
"§ 3. A partir du 1er janvier 1998, le Gouvernement affectera prioritairement l'équivalent salarial de cinq pour cent du total de ces heures de cours supplémentaires et/ou heures supplémentaires à l'adaptation de la subvention d'intégration en faveur de l'enseignement intégré."
L'actuel paragraphe 3 de l'article 5 de l'arrêté royal n° 65 du 20 juillet 1982 fixant les modalités de détermination des fonctions du personnel administratif et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial, devient le § 4.
"§ 3. A partir du 1er janvier 1998, le Gouvernement affectera prioritairement l'équivalent salarial de cinq pour cent du total de ces heures de cours supplémentaires et/ou heures supplémentaires à l'adaptation de la subvention d'intégration en faveur de l'enseignement intégré."
L'actuel paragraphe 3 de l'article 5 de l'arrêté royal n° 65 du 20 juillet 1982 fixant les modalités de détermination des fonctions du personnel administratif et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial, devient le § 4.
Art.41. De huidige tekst van artikel 21 van het koninklijk besluit nr. 65 van 20 juli 1982 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel worden bepaald in de inrichtingen voor buitengewoon onderwijs, wordt een paragraaf 1.
Aan hetzelfde artikel wordt een § 2 toegevoegd luidend als volgt:
"§ 2. Bij het lesurenpakket kunnen de uren klassendirectie worden gevoegd voor het organiseren van uren die geen lesuren zijn.
De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden voor het organiseren van uren die geen lesuren zijn en de administratieve en geldelijke gevolgen voor de personeelsleden die hiermee belast worden."
Aan hetzelfde artikel wordt een § 2 toegevoegd luidend als volgt:
"§ 2. Bij het lesurenpakket kunnen de uren klassendirectie worden gevoegd voor het organiseren van uren die geen lesuren zijn.
De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden voor het organiseren van uren die geen lesuren zijn en de administratieve en geldelijke gevolgen voor de personeelsleden die hiermee belast worden."
Art.41. L'actuel texte de l'article 21 de l'arrêté royal n° 65 du 20 juillet 1982 fixant les modalités de détermination des fonctions du personnel administratif et enseignant dans les établissements d'enseignement spécial, devient un paragraphe 1er.
Au même article est ajouté un § 2, libellé comme suit:
"§ 2. Les heures direction de classes peuvent être ajoutées au programme pour l'organisation d'heures qui ne sont pas des heures de cours.
Le Gouvernement flamand détermine les conditions d'organisation des heures qui ne sont pas des heures de cours et les répercussions administratives et pécuniaires pour les membres du personnel qui en sont chargés."
Au même article est ajouté un § 2, libellé comme suit:
"§ 2. Les heures direction de classes peuvent être ajoutées au programme pour l'organisation d'heures qui ne sont pas des heures de cours.
Le Gouvernement flamand détermine les conditions d'organisation des heures qui ne sont pas des heures de cours et les répercussions administratives et pécuniaires pour les membres du personnel qui en sont chargés."
Art.43. Aan het tweede streepje van artikel 4 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geïntegreerd onderwijs toevoegen: "of als die jongere in maximaal drie schooljaren een tweede kwalificatiegetuigschrift van opleidingsvorm 3 kan behalen, mits jaarlijks gunstig advies van de Commissie van Advies voor het Buitengewoon Onderwijs".
Art.43. Au deuxième tiret de l'article 4 de la loi du 6 juillet 1970 sur l'enseignement spécial et intégré, ajouter: "ou lorsque le jeune en question peut obtenir en trois années scolaires maximum, un deuxième certificat de qualification de formation type 3, moyennant un avis favorable annuel de la Commission consultative pour l'Enseignement spécial."
Art.44. 1° De artikelen 41 en 42 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1997;
2° Het artikel 40 treedt in werking op 1 januari 1998;
3° Het artikel 43 treedt in werking op 1 september 1998.
2° Het artikel 40 treedt in werking op 1 januari 1998;
3° Het artikel 43 treedt in werking op 1 september 1998.
Art.44. 1° Les articles 41 et 42 produisent leurs effets le 1er septembre 1997;
2° L'article 40 produit ses effets le 1er janvier 1998;
3° L'article 43 produit ses effets le 1er septembre 1998.
2° L'article 40 produit ses effets le 1er janvier 1998;
3° L'article 43 produit ses effets le 1er septembre 1998.
HOOFDSTUK V. - Hogescholen.
CHAPITRE V. - Instituts supérieurs.
Art.45. Aan artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een 28bis toegevoegd luidend als volgt:
"28°bis artistieke bekendheid: de erkenning van de vermaardheid van een persoon in een kunsttak of aan de kunsten gerelateerde beroepstak als voorwaarde tot benoeming zoals bedoeld in artikel 128,§ 2";
2° er wordt een 28°ter toegevoegd luidend als volgt:
"28°ter artistieke faam: de erkenning van de vermaardheid van een persoon in een kunsttak of aan de kunsten gerelateerde beroepstak als voorwaarde tot concordantie tot docent, zoals bedoeld in artikel 317bis".
1° er wordt een 28bis toegevoegd luidend als volgt:
"28°bis artistieke bekendheid: de erkenning van de vermaardheid van een persoon in een kunsttak of aan de kunsten gerelateerde beroepstak als voorwaarde tot benoeming zoals bedoeld in artikel 128,§ 2";
2° er wordt een 28°ter toegevoegd luidend als volgt:
"28°ter artistieke faam: de erkenning van de vermaardheid van een persoon in een kunsttak of aan de kunsten gerelateerde beroepstak als voorwaarde tot concordantie tot docent, zoals bedoeld in artikel 317bis".
Art.45. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 2 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande:
1° un 28°bis est inséré, libellé comme suit:
"28°bis notoriété artistique: la reconnaissance de la réputation d'une personne dans une branche artistique ou une activité professionnelle liée aux arts comme condition de nomination telle que visée à l'article 128, § 2;
2° un 28°ter est ajouté, libellé comme suit:
"28°ter réputation artistique: la reconnaissance de la notoriété d'une personne dans une branche artistique ou une activité professionnelle liée aux arts comme condition de nomination en qualité de chargé de cours, conformément à l'article 317bis."
1° un 28°bis est inséré, libellé comme suit:
"28°bis notoriété artistique: la reconnaissance de la réputation d'une personne dans une branche artistique ou une activité professionnelle liée aux arts comme condition de nomination telle que visée à l'article 128, § 2;
2° un 28°ter est ajouté, libellé comme suit:
"28°ter réputation artistique: la reconnaissance de la notoriété d'une personne dans une branche artistique ou une activité professionnelle liée aux arts comme condition de nomination en qualité de chargé de cours, conformément à l'article 317bis."
Art.46. Artikel 12 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt: 1° In § 1 wordt de datum "1 mei 1998" vervangen door de datum "1 mei 2002".
Art.46. L'article 12 du même décret est modifié comme suit: 1° Au § 1er, la date "1er mai 1998" est remplacée par la date du "1er mai 2002".
Art.47. Aan artikel 13, § 1, van hetzelfde decreet wordt een zin toegevoegd, luidend als volgt:
"De Vlaamse regering past jaarlijks de tekst in Bijlage II aan aan de reële wijzigingen die in toepassing van dit decreet plaatsvinden."
"De Vlaamse regering past jaarlijks de tekst in Bijlage II aan aan de reële wijzigingen die in toepassing van dit decreet plaatsvinden."
Art.47. A l'article 13, § 1er, du même décret est ajoutée une phrase, libellée comme suit:
"Le Gouvernement flamand adapte annuellement le texte de l'Annexe II en fonction des modifications réelles qui se produisent en application du présent décret."
"Le Gouvernement flamand adapte annuellement le texte de l'Annexe II en fonction des modifications réelles qui se produisent en application du présent décret."
Art.48. Aan artikel 14, § 1, van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het vorige lid kan de Hogeschool Antwerpen de basisopleiding van één cyclus grafische bedrijven in de vestiging Turnhout blijven organiseren, ongeacht het aantal financierbare studenten."
"In afwijking van het vorige lid kan de Hogeschool Antwerpen de basisopleiding van één cyclus grafische bedrijven in de vestiging Turnhout blijven organiseren, ongeacht het aantal financierbare studenten."
Art.48. A l'article 14, § 1er, du même décret est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa précédent, la Hogeschool Antwerpen peut continuer d'organiser la formation initiale comportant un cycle d'entreprises graphiques dans le siège de Turnhout, quel que soit le nombre d'étudiants admissibles au financement"
"Par dérogation à l'alinéa précédent, la Hogeschool Antwerpen peut continuer d'organiser la formation initiale comportant un cycle d'entreprises graphiques dans le siège de Turnhout, quel que soit le nombre d'étudiants admissibles au financement"
Art.49. Aan artikel 20sexies van hetzelfde decreet wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt:
"§ 6. Een hogeschool die zowel het studiegebied onderwijs als ten minste twee basisopleidingen van twee cycli van de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst organiseert, kan een voortgezette lerarenopleiding muzische vorming inrichten voor houders van een diploma van een initiële lerarenopleiding of van een initiële lerarenopleiding van academisch niveau."
"§ 6. Een hogeschool die zowel het studiegebied onderwijs als ten minste twee basisopleidingen van twee cycli van de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst organiseert, kan een voortgezette lerarenopleiding muzische vorming inrichten voor houders van een diploma van een initiële lerarenopleiding of van een initiële lerarenopleiding van academisch niveau."
Art.49. A l'article 20sexies du même décret est ajouté un § 6, libelle comme suit:
"§ 6. Un institut supérieur qui organise tant la discipline enseignement que deux formations initiales au moins comportant deux cycles des disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique, peut organiser une formation complémentaire d'instructeur formation musicale pour les titulaires d'un diplôme initiale d'enseignants ou une formation initiale d'enseignants de niveau académique."
"§ 6. Un institut supérieur qui organise tant la discipline enseignement que deux formations initiales au moins comportant deux cycles des disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique, peut organiser une formation complémentaire d'instructeur formation musicale pour les titulaires d'un diplôme initiale d'enseignants ou une formation initiale d'enseignants de niveau académique."
Art.50. In Bijlage I van hetzelfde decreet onderaan punt 8. Studiegebied onderwijs, wordt de volgende zin toegevoegd:
"_ de voortgezette lerarenopleiding muzische vorming, waardoor het overeenkomstig diploma wordt verleend;"
"_ de voortgezette lerarenopleiding muzische vorming, waardoor het overeenkomstig diploma wordt verleend;"
Art.50. La phrase suivante est ajoutée en Annexe I du même décret, au bas du point 8:
"la formation complémentaire d'enseignants formation musicale, pour laquelle le diplôme correspondant est conféré."
"la formation complémentaire d'enseignants formation musicale, pour laquelle le diplôme correspondant est conféré."
Art.51. Aan artikel 41,§ 1 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"In afwijking van het vorige lid kan een getuigschrift, uitgereikt ter bekrachtiging van posthogeschoolvorming, geen aanleiding geven tot het verlenen van vrijstellingen of studieduurverkorting."
"In afwijking van het vorige lid kan een getuigschrift, uitgereikt ter bekrachtiging van posthogeschoolvorming, geen aanleiding geven tot het verlenen van vrijstellingen of studieduurverkorting."
Art.51. A l'article 41, § 1er, du même décret, est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa précédent, un certificat, délivré à titre de confirmation d'un postgraduat, peut donner lieu à l'octroi de dispenses ou à une réduction de la durée des études."
"Par dérogation à l'alinéa précédent, un certificat, délivré à titre de confirmation d'un postgraduat, peut donner lieu à l'octroi de dispenses ou à une réduction de la durée des études."
Art.52. Aan artikel 94 van hetzelfde decreet wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het personeelslid waartegen een preventieve schorsing wordt uitgesproken na ontslag, bevindt zich tijdens de preventieve schorsing in de administratieve stand waarin het zich bevond de dag vóór het ontslag. Tijdens de preventieve schorsing wordt het personeelslid ontheven van de verplichting om dienstprestaties te leveren."
"Het personeelslid waartegen een preventieve schorsing wordt uitgesproken na ontslag, bevindt zich tijdens de preventieve schorsing in de administratieve stand waarin het zich bevond de dag vóór het ontslag. Tijdens de preventieve schorsing wordt het personeelslid ontheven van de verplichting om dienstprestaties te leveren."
Art.52. A l'article 94 du même décret, est ajouté un alinéa cinq, libellé comme suit:
"Le membre du personnel contre lequel est prononcée une suspension préventive après licenciement, se trouve durant la période de suspension préventive dans la position administrative dans laquelle il se trouvait la veille du licenciement. Durant la suspension préventive, le membre du personnel est déchargé de l'obligation de fournir des prestations de service."
"Le membre du personnel contre lequel est prononcée une suspension préventive après licenciement, se trouve durant la période de suspension préventive dans la position administrative dans laquelle il se trouvait la veille du licenciement. Durant la suspension préventive, le membre du personnel est déchargé de l'obligation de fournir des prestations de service."
Art.53. Aan artikel 97 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt:
"In afwijking van het eerste lid, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk betreffende de algemeen directeur eveneens van toepassing op het administratief en technisch personeel van de hogeschool."
"In afwijking van het eerste lid, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk betreffende de algemeen directeur eveneens van toepassing op het administratief en technisch personeel van de hogeschool."
Art.53. A l'article 97 du même décret, est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa premier, les dispositions du présent chapitre relatives au directeur général s'appliquent également au personnel administratif et technique des écoles supérieures."
"Par dérogation à l'alinéa premier, les dispositions du présent chapitre relatives au directeur général s'appliquent également au personnel administratif et technique des écoles supérieures."
Art.54. De tekst van artikel 100 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
"Artikel 100. § 1. De erkenning van de artistieke bekendheid zoals bedoeld in artikel 2,28bis wordt verleend door een commissie bestaande uit deskundigen.
§ 2. De beoordeling van de artistieke bekendheid staat los van het toewijzen van een betrekking. De beslissing van de commissie houdt evenwel op uitwerking te hebben indien het personeelslid binnen de tien jaar na het oordeel van de commissie geen ambt zoals bedoeld in artikel 128 heeft opgenomen.
§ 3. Voor het toekennen van de artistieke bekendheid hanteert de commissie de volgende criteria, voor zover deze relevant zijn voor de betrokken artistieke discipline:
- publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten;
- eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene;
- regionale, federale of internationale prijzen;
- deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland;
- realisaties voor binnenlandse instellingen of bedrijven;
- relevante bijdragen aan belangrijke producties;
- tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea.
Het bewijsmateriaal moet de artistieke bekendheid op het ogenblik van het indienen van het stavingsdossier aantonen.
§ 4. De commissie wordt samengesteld uit twee permanente leden, aangeduid door de Vlaamse regering op basis van hun grondige vertrouwdheid met het brede domein van de kunsten, en uit vier niet-permanente leden die uit dezelfde artistieke discipline afkomstig zijn als degene waarvoor de aanvrager zijn artistieke bekendheid wil laten gelden.
Voor de volgende disciplines worden telkens vier leden aangeduid:
- architectuur;
- audiovisuele kunst;
- beeldende kunst;
- dramatische kunst;
- muziek;
- productontwikkeling en productdesign.
De directeur-generaal van de Administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek zit de commissie voor; hij duidt een ambtenaar aan als secretaris.
§ 5. De Vlaamse regering stelt de leden van de commissie aan voor een periode van vijf jaar en bepaalt de werking van de commissie."
"Artikel 100. § 1. De erkenning van de artistieke bekendheid zoals bedoeld in artikel 2,28bis wordt verleend door een commissie bestaande uit deskundigen.
§ 2. De beoordeling van de artistieke bekendheid staat los van het toewijzen van een betrekking. De beslissing van de commissie houdt evenwel op uitwerking te hebben indien het personeelslid binnen de tien jaar na het oordeel van de commissie geen ambt zoals bedoeld in artikel 128 heeft opgenomen.
§ 3. Voor het toekennen van de artistieke bekendheid hanteert de commissie de volgende criteria, voor zover deze relevant zijn voor de betrokken artistieke discipline:
- publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten;
- eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene;
- regionale, federale of internationale prijzen;
- deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland;
- realisaties voor binnenlandse instellingen of bedrijven;
- relevante bijdragen aan belangrijke producties;
- tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea.
Het bewijsmateriaal moet de artistieke bekendheid op het ogenblik van het indienen van het stavingsdossier aantonen.
§ 4. De commissie wordt samengesteld uit twee permanente leden, aangeduid door de Vlaamse regering op basis van hun grondige vertrouwdheid met het brede domein van de kunsten, en uit vier niet-permanente leden die uit dezelfde artistieke discipline afkomstig zijn als degene waarvoor de aanvrager zijn artistieke bekendheid wil laten gelden.
Voor de volgende disciplines worden telkens vier leden aangeduid:
- architectuur;
- audiovisuele kunst;
- beeldende kunst;
- dramatische kunst;
- muziek;
- productontwikkeling en productdesign.
De directeur-generaal van de Administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek zit de commissie voor; hij duidt een ambtenaar aan als secretaris.
§ 5. De Vlaamse regering stelt de leden van de commissie aan voor een periode van vijf jaar en bepaalt de werking van de commissie."
Art.54. Le texte de l'article 100 du même décret est modifié comme suit:
"Article 100. § 1er. La notoriété artistique telle que visée à l'article 2, 28bis, est reconnue par une commission d'experts.
§ 2. L'évaluation de la notoriété artistique est dissociée de l'attribution d'un emploi. La décision dela commission cesse toutefois de produire ses effets lorsque le membre du personnel n'a pas assumé d'emploi au sens de l'article 128, dans les dix années suivant la décision de la commission.
§ 3. Pour l'octroi de la notoriété artistique, l commission prend en compte les critères suivants dans la mesure où ils sont pertinents pour la discipline artistique concernée:
- publications concernant sur l'oeuvre de l'intéressé dans des revues spécialisées, magazines ou journaux;
- publications propres ou dossiers réalisés dans le cadre de la pratique artistique libre ou appliquée de l'intéressé;
- prix régionaux, fédéraux ou internationaux;
- participation à des manifestations importantes à l'intérieur du pays et à l'étranger;
- réalisations pour le compte d'institutions ou entreprises intérieures ou étrangères;
- contributions importantes à des productions d'envergure;
- expositions dans des galeries ou musées de renom à l'intérieur et à l'extérieur du pays.
Les justificatifs doivent attester de la notoriété artistique au moment du dépôt du dossier.
§ 4. La commission se compose de deux membres permanents, désignés par le Gouvernement flamand sur la base de leur connaissance approfondie du vaste domaine des arts, ainsi que de quatre membres non permanents issus de la même discipline artistique que la discipline pour laquelle le demandeur veut faire valoir sa notoriété artistique.
Pour les disciplines suivantes, quatre membres sont chaque fois désignés:
- architecture;
- arts audiovisuels;
- arts plastiques;
- art dramatique;
- musique;
- développement et conception de produits.
le directeur général de l'Administration Enseignement supérieur et Recherche scientifique préside la commission; il désigne un fonctionnaire comme secrétaire.
§ 5. Le Gouvernement flamand désigne les membres de la commission pour une période de cinq ans et détermine les modalités de fonctionnement de la commission."
"Article 100. § 1er. La notoriété artistique telle que visée à l'article 2, 28bis, est reconnue par une commission d'experts.
§ 2. L'évaluation de la notoriété artistique est dissociée de l'attribution d'un emploi. La décision dela commission cesse toutefois de produire ses effets lorsque le membre du personnel n'a pas assumé d'emploi au sens de l'article 128, dans les dix années suivant la décision de la commission.
§ 3. Pour l'octroi de la notoriété artistique, l commission prend en compte les critères suivants dans la mesure où ils sont pertinents pour la discipline artistique concernée:
- publications concernant sur l'oeuvre de l'intéressé dans des revues spécialisées, magazines ou journaux;
- publications propres ou dossiers réalisés dans le cadre de la pratique artistique libre ou appliquée de l'intéressé;
- prix régionaux, fédéraux ou internationaux;
- participation à des manifestations importantes à l'intérieur du pays et à l'étranger;
- réalisations pour le compte d'institutions ou entreprises intérieures ou étrangères;
- contributions importantes à des productions d'envergure;
- expositions dans des galeries ou musées de renom à l'intérieur et à l'extérieur du pays.
Les justificatifs doivent attester de la notoriété artistique au moment du dépôt du dossier.
§ 4. La commission se compose de deux membres permanents, désignés par le Gouvernement flamand sur la base de leur connaissance approfondie du vaste domaine des arts, ainsi que de quatre membres non permanents issus de la même discipline artistique que la discipline pour laquelle le demandeur veut faire valoir sa notoriété artistique.
Pour les disciplines suivantes, quatre membres sont chaque fois désignés:
- architecture;
- arts audiovisuels;
- arts plastiques;
- art dramatique;
- musique;
- développement et conception de produits.
le directeur général de l'Administration Enseignement supérieur et Recherche scientifique préside la commission; il désigne un fonctionnaire comme secrétaire.
§ 5. Le Gouvernement flamand désigne les membres de la commission pour une période de cinq ans et détermine les modalités de fonctionnement de la commission."
Art.55. Aan artikel 109 van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd dat luidt als volgt:
"In afwijking van het eerste lid kan in de departementen bevoegd voor de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst ook een tijdelijk personeelslid het mandaat van departementshoofd uitoefenen."
"In afwijking van het eerste lid kan in de departementen bevoegd voor de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst ook een tijdelijk personeelslid het mandaat van departementshoofd uitoefenen."
Art.55. A l'article 109 du même décret est ajouté un alinéa trois, libellé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa premier, un membre du personnel temporaire peut exercer le mandat de chef de département dans les départements qui sont compétents pour les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
"Par dérogation à l'alinéa premier, un membre du personnel temporaire peut exercer le mandat de chef de département dans les départements qui sont compétents pour les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
Art.56. Artikel 127 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
1° in de eerste zin wordt het woord "aanstellen" vervangen door "tewerkstellen";
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het vorige lid kan het hogeschoolbestuur in de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst, contractueel buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen voor een periode van onbepaalde duur."
1° in de eerste zin wordt het woord "aanstellen" vervangen door "tewerkstellen";
2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"In afwijking van het vorige lid kan het hogeschoolbestuur in de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst, contractueel buiten de personeelsformatie voltijdse en deeltijdse gastprofessoren tewerkstellen voor een periode van onbepaalde duur."
Art.56. L'article 127 du même décret est modifié comme suit:
1° dans la première phrase, le mot "désigner" est remplacé par "employer";
2° un alinéa deux est inséré, libellé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa précédent, la direction de l'institut supérieur peut employer des professeurs invités à temps plein et à temps partiel, sur base contractuelle, hors cadre, pour une durée indéterminée, dans les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
1° dans la première phrase, le mot "désigner" est remplacé par "employer";
2° un alinéa deux est inséré, libellé comme suit:
"Par dérogation à l'alinéa précédent, la direction de l'institut supérieur peut employer des professeurs invités à temps plein et à temps partiel, sur base contractuelle, hors cadre, pour une durée indéterminée, dans les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
Art.57. Het tweede gedachtenstreepje van artikel 128,§ 2 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende woorden:
"zoals omschreven in artikel 100,§ 2."
"zoals omschreven in artikel 100,§ 2."
Art.57. Le deuxième tiret de l'article 128, § 2, du même décret est complété par les mots suivants:
"telle que définie à l'article 100, 6 2."
"telle que définie à l'article 100, 6 2."
Art.58. Artikel 136 van hetzelfde decreet wordt vervangen door het volgende artikel:
"Artikel 136. § 1. De personeelsleden belast met een mandaat, kunnen bezoldigd worden hetzij met een mandaatsvergoeding, hetzij met een niet verworven salarisschaal.
§ 2. Behoudens het bepaalde in de artikelen 137 en 138 bepaalt het hogeschoolbestuur vrij het bedrag van de vergoeding dat het in voorkomend geval aan het vervullen van een mandaat in de hogeschool kan verbinden. Het salaris, eventuele mandaatsvergoeding inbegrepen, mag echter maximum 20 % hoger zijn dan het salaris dat het personeelslid in kwestie zou genieten indien hij niet belast was met een mandaat."
"Artikel 136. § 1. De personeelsleden belast met een mandaat, kunnen bezoldigd worden hetzij met een mandaatsvergoeding, hetzij met een niet verworven salarisschaal.
§ 2. Behoudens het bepaalde in de artikelen 137 en 138 bepaalt het hogeschoolbestuur vrij het bedrag van de vergoeding dat het in voorkomend geval aan het vervullen van een mandaat in de hogeschool kan verbinden. Het salaris, eventuele mandaatsvergoeding inbegrepen, mag echter maximum 20 % hoger zijn dan het salaris dat het personeelslid in kwestie zou genieten indien hij niet belast was met een mandaat."
Art.58. L'article 136 du même décret est remplacé par l'article suivant:
"Article 136. § 1er. Les membres du personnel chargés d'un mandat peuvent être rémunérés soit sur la base d'une indemnité de mandat, soit par le biais d'une échelle de traitement non acquise.
§ 2. Sans préjudice des dispositions des articles 137 et 138, la direction de l'institut supérieur détermine librement le montant de l'indemnité qu'elle peut lier le cas échéant à l'accomplissement d'un mandat au sein de l'institut supérieur. Le salaire, en ce compris l'éventuelle indemnité de mandat, peut au maximum dépasser de 20 % le salaire dont bénéficierait le membre du personnel en question s'il n'était pas chargé d'un mandat."
"Article 136. § 1er. Les membres du personnel chargés d'un mandat peuvent être rémunérés soit sur la base d'une indemnité de mandat, soit par le biais d'une échelle de traitement non acquise.
§ 2. Sans préjudice des dispositions des articles 137 et 138, la direction de l'institut supérieur détermine librement le montant de l'indemnité qu'elle peut lier le cas échéant à l'accomplissement d'un mandat au sein de l'institut supérieur. Le salaire, en ce compris l'éventuelle indemnité de mandat, peut au maximum dépasser de 20 % le salaire dont bénéficierait le membre du personnel en question s'il n'était pas chargé d'un mandat."
Art.59. Artikel 137,§ 1,2° van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
1° het zinsdeel "in geval van externe werving via een contract van onbepaalde duur" wordt geschrapt;
2° in § 2 wordt het zinsdeel " 1°" geschrapt.
1° het zinsdeel "in geval van externe werving via een contract van onbepaalde duur" wordt geschrapt;
2° in § 2 wordt het zinsdeel " 1°" geschrapt.
Art.59. L'article 137,§ 1er,2°, du même décret, est modifié comme suit:
1° la phrase "en cas de recrutement externe par contrat de durée indéterminée" est supprimée;
2° la phrase "1°" est supprimée au § 2.
1° la phrase "en cas de recrutement externe par contrat de durée indéterminée" est supprimée;
2° la phrase "1°" est supprimée au § 2.
Art.60. Artikel 142,§ 2, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende zin:
"De toekenning van de gangbare salarisschaal is geen recht voor het personeelslid, heeft altijd een tijdelijk karakter en dient jaarlijks geëvalueerd te worden. De gangbare salarisschaal blijft verworven zolang het personeelslid blijft voldoen aan de voorwaarden waarbij zij werd toegekend."
"De toekenning van de gangbare salarisschaal is geen recht voor het personeelslid, heeft altijd een tijdelijk karakter en dient jaarlijks geëvalueerd te worden. De gangbare salarisschaal blijft verworven zolang het personeelslid blijft voldoen aan de voorwaarden waarbij zij werd toegekend."
Art.60. L'article 142,§ 2, du même décret est complété par la phrase suivante:
"L'octroi de l'échelle de traitement habituelle ne constitue pas un droit dans le chef du membre du personnel, présente toujours un caractère temporaire et doit être soumis à une évaluation annuelle. L'échelle de traitement habituelle reste acquise aussi longtemps que le membre du personnel continue de remplir les conditions d'octroi de cette échelle."
"L'octroi de l'échelle de traitement habituelle ne constitue pas un droit dans le chef du membre du personnel, présente toujours un caractère temporaire et doit être soumis à une évaluation annuelle. L'échelle de traitement habituelle reste acquise aussi longtemps que le membre du personnel continue de remplir les conditions d'octroi de cette échelle."
Art.61. Artikel 158 van hetzelfde decreet wordt vervangen door:
"Artikel 158. § 1. De personeelsleden belast met een mandaat kunnen bezoldigd worden hetzij met een mandaatsvergoeding, hetzij met een niet verworven salarisschaal.
§ 2. Het hogeschoolbestuur bepaalt vrij het bedrag van de vergoeding dat het in voorkomend geval aan het vervullen van een mandaat in de hogeschool kan verbinden. Behoudens het bepaalde in artikel 137 mag het salaris, eventuele mandaatsvergoeding inbegrepen, maximum 20 % hoger zijn dan het salaris dat het personeelslid in kwestie zou genieten indien hij niet belast was met een mandaat."
"Artikel 158. § 1. De personeelsleden belast met een mandaat kunnen bezoldigd worden hetzij met een mandaatsvergoeding, hetzij met een niet verworven salarisschaal.
§ 2. Het hogeschoolbestuur bepaalt vrij het bedrag van de vergoeding dat het in voorkomend geval aan het vervullen van een mandaat in de hogeschool kan verbinden. Behoudens het bepaalde in artikel 137 mag het salaris, eventuele mandaatsvergoeding inbegrepen, maximum 20 % hoger zijn dan het salaris dat het personeelslid in kwestie zou genieten indien hij niet belast was met een mandaat."
Art.61. L'article 158 du même décret est remplacé par la disposition suivante:
"Article 158. § 1er. Les membres du personnel chargés d'un mandat peuvent être rémunérés soit sur la base d'une indemnité de mandat, soit par le biais d'une échelle de traitement non acquise.
§ 2. La direction de l'institut supérieur détermine librement le montant de l'indemnité qu'elle peut lier le cas echéant à l'accomplissement d'un mandat au sein de l'institut supérieur. Sans préjudice des dispositions de l'article 137, le salaire, en ce compris l'éventuelle indemnité de mandat, peut au maximum dépasser de 20 % le salaire dont bénéficierait le membre du personnel en question s'il n'était pas chargé d'un mandat."
"Article 158. § 1er. Les membres du personnel chargés d'un mandat peuvent être rémunérés soit sur la base d'une indemnité de mandat, soit par le biais d'une échelle de traitement non acquise.
§ 2. La direction de l'institut supérieur détermine librement le montant de l'indemnité qu'elle peut lier le cas echéant à l'accomplissement d'un mandat au sein de l'institut supérieur. Sans préjudice des dispositions de l'article 137, le salaire, en ce compris l'éventuelle indemnité de mandat, peut au maximum dépasser de 20 % le salaire dont bénéficierait le membre du personnel en question s'il n'était pas chargé d'un mandat."
Art.62. In artikel 175, § 2, van hetzelfde decreet wordt het tweede lid vervangen door:
"De voorwaarden vermeld in § 1, 3°, zijn niet van toepassing op de opleidingen van de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst."
"De voorwaarden vermeld in § 1, 3°, zijn niet van toepassing op de opleidingen van de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst en muziek en dramatische kunst."
Art.62. A l'article 175, § 2, du même décret, l'alinéa deux est remplacé par:
"Les conditions visées au § 1er, 3°, ne s'appliquent pas aux formations des disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
"Les conditions visées au § 1er, 3°, ne s'appliquent pas aux formations des disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
Art.63. Artikel 177,§ 1, van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt:
1° In 2°,e), wordt de tweede zin vervangen door:
"Dit aantal studenten per hogeschool mag niet hoger zijn dan twee procent van het totale aantal Belgische studenten die het vorig academiejaar regelmatig in de hogeschool zijn ingeschreven;"
2° Aan 3° wordt een bepaling toegevoegd, luidend als volgt:
"Voor de vaststelling van het aantal inschrijvingen:
_ worden de inschrijvingen voor voorheen gevolgde studiejaren die tot het behalen van een diploma hebben geleid, niet in aanmerking genomen;
_ wordt de inschrijving voor het eerste studiejaar van de tweede cyclus beschouwd als een inschrijving voor het derde studiejaar van de opleiding, de inschrijving voor het tweede studiejaar van de tweede cyclus als een inschrijving voor het vierde studiejaar en in voorkomend geval de inschrijving voor het derde studiejaar van de tweede cyclus als een inschrijving voor het vijfde studiejaar."
3° In ten 4° wordt het laatste lid als volgt vervangen:
"Voor de vaststelling van de maximale financieringsduur worden de voorheen gevolgde studiejaren die tot het behalen van een diploma hebben geleid, niet in aanmerking genomen."
1° In 2°,e), wordt de tweede zin vervangen door:
"Dit aantal studenten per hogeschool mag niet hoger zijn dan twee procent van het totale aantal Belgische studenten die het vorig academiejaar regelmatig in de hogeschool zijn ingeschreven;"
2° Aan 3° wordt een bepaling toegevoegd, luidend als volgt:
"Voor de vaststelling van het aantal inschrijvingen:
_ worden de inschrijvingen voor voorheen gevolgde studiejaren die tot het behalen van een diploma hebben geleid, niet in aanmerking genomen;
_ wordt de inschrijving voor het eerste studiejaar van de tweede cyclus beschouwd als een inschrijving voor het derde studiejaar van de opleiding, de inschrijving voor het tweede studiejaar van de tweede cyclus als een inschrijving voor het vierde studiejaar en in voorkomend geval de inschrijving voor het derde studiejaar van de tweede cyclus als een inschrijving voor het vijfde studiejaar."
3° In ten 4° wordt het laatste lid als volgt vervangen:
"Voor de vaststelling van de maximale financieringsduur worden de voorheen gevolgde studiejaren die tot het behalen van een diploma hebben geleid, niet in aanmerking genomen."
Art.63. L'article 177,§ 1er, du même décret est modifié comme suit:
1° Au 2°,e), la deuxième phrase est remplacée par:
"Ce nombre d'étudiants par institut supérieur ne peut excéder deux pour cent du total d'étudiantes belges régulièrement inscrits auprès de l'institut supérieur au cours de l'année académique précédente;"
2° Au 3° est ajoutée une disposition comme suit:
"Pour la fixation du nombre d'inscriptions:
_ les inscriptions pour les années d'étude suivies antérieurement ayant abouti à l'obtention d'un diplôme ne sont pas prises en compte;
_ l'inscription pour la première année du deuxième cycle est considérée comme une inscription pour la troisième année de la formation, l'inscription pour la deuxième année du second cycle comme une inscription pour la quatrième année et le cas échéant, l'inscription pour la troisième année du deuxième cycle comme une inscription pour la cinquième année."
3° Au 4°, le dernier alinéa est remplacé comme suit:
"Pour la fixation de la durée mximale de financement, les années d'études suivies antérieurement qui ont abouti à l'obtention d'un diplôme, ne sont pas prises en compte."
1° Au 2°,e), la deuxième phrase est remplacée par:
"Ce nombre d'étudiants par institut supérieur ne peut excéder deux pour cent du total d'étudiantes belges régulièrement inscrits auprès de l'institut supérieur au cours de l'année académique précédente;"
2° Au 3° est ajoutée une disposition comme suit:
"Pour la fixation du nombre d'inscriptions:
_ les inscriptions pour les années d'étude suivies antérieurement ayant abouti à l'obtention d'un diplôme ne sont pas prises en compte;
_ l'inscription pour la première année du deuxième cycle est considérée comme une inscription pour la troisième année de la formation, l'inscription pour la deuxième année du second cycle comme une inscription pour la quatrième année et le cas échéant, l'inscription pour la troisième année du deuxième cycle comme une inscription pour la cinquième année."
3° Au 4°, le dernier alinéa est remplacé comme suit:
"Pour la fixation de la durée mximale de financement, les années d'études suivies antérieurement qui ont abouti à l'obtention d'un diplôme, ne sont pas prises en compte."
Art.64. Artikel 190 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt: § 2 wordt aangevuld met een ten 5° die luidt als volgt:
"5° voor de organisatie van een opleiding tot meester in de conservatie/restauratie twee extra onderwijsbelastingseenheden voor de eerste tot en met de 100ste student."
"5° voor de organisatie van een opleiding tot meester in de conservatie/restauratie twee extra onderwijsbelastingseenheden voor de eerste tot en met de 100ste student."
Art.64. L'article 190 du même décret est modifié comme suit: § 2 est complété par un 5°, libellé comme suit:
"5° pour l'organisation d'une formation de maître en conservation/restauration deux unités de charge d'enseignement supplémentaires du premier au 100ème étudiant inclus."
"5° pour l'organisation d'une formation de maître en conservation/restauration deux unités de charge d'enseignement supplémentaires du premier au 100ème étudiant inclus."
Art.65. In Bijlage I van hetzelfde decreet (Lijst van studiegebieden, opleidingen en opties) wordt punt 5 (Studiegebied Audiovisuele en Beeldende Kunst) gewijzigd als volgt:
1° de bepaling "- 1C +2C restauratie" onder "- beeldende kunst, waarvoor de graden van kandidaat en meester in beeldende kunst wordt verleend", wordt opgeheven;
2° er wordt een gedachtestreepje toegevoegd, luidend als volgt:
"- conservatie/restauratie, waarvoor de graden van kandidaat en meester in conservatie/restauratie wordt verleend."
1° de bepaling "- 1C +2C restauratie" onder "- beeldende kunst, waarvoor de graden van kandidaat en meester in beeldende kunst wordt verleend", wordt opgeheven;
2° er wordt een gedachtestreepje toegevoegd, luidend als volgt:
"- conservatie/restauratie, waarvoor de graden van kandidaat en meester in conservatie/restauratie wordt verleend."
Art.65. Dans l'Annexe I au même décret (Liste des Disciplines, formations et options), le point 5 (Discipline Arts audiovisuels et plastiques) est modifié comme suit:
1° la disposition "- 1C + 2C restauration" sous "arts graphiques, pour lesquels sont conférés les grades de candidat et la maîtrise en arts graphiques" est abrogée;
2° un tiret est ajouté, libellé comme suit:
"- conservation/restauration, pour laquelle sont conférés les grades de candidat et maître en conservation/restauration."
1° la disposition "- 1C + 2C restauration" sous "arts graphiques, pour lesquels sont conférés les grades de candidat et la maîtrise en arts graphiques" est abrogée;
2° un tiret est ajouté, libellé comme suit:
"- conservation/restauration, pour laquelle sont conférés les grades de candidat et maître en conservation/restauration."
Art.66. In hetzelfde decreet wordt een artikel 195quater ingevoegd dat luidt als volgt:
"Voor de toepassing van deze afdeling wordt het aantal financierbare studenten in de opleiding optiek en optometrie voor de academiejaren voorafgaand aan 1998-1999 vastgesteld op:
1 februari 1991 87
1 februari 1992 84
1 februari 1993 71
1 februari 1994 61
1 februari 1995 52
1 februari 1996 52
1 februari 1997 39
1 februari 1998 37.
"Voor de toepassing van deze afdeling wordt het aantal financierbare studenten in de opleiding optiek en optometrie voor de academiejaren voorafgaand aan 1998-1999 vastgesteld op:
1 februari 1991 87
1 februari 1992 84
1 februari 1993 71
1 februari 1994 61
1 februari 1995 52
1 februari 1996 52
1 februari 1997 39
1 februari 1998 37.
Art.66. Dans le même décret, un article 195quater est inséré, libellé comme suit:
"Pour l'application de cette section le nombre d'étudiants admissibles au financement dans la formation optique et optométrie est fixé pour les années académiques antérieures à 1998-1999 à:
1er février 1991 87
1er février 1992 84
1er février 1993 71
1er février 1994 61
1er février 1995 52
1er février 1996 52
1er février 1997 39
1er février 1998 37.
"Pour l'application de cette section le nombre d'étudiants admissibles au financement dans la formation optique et optométrie est fixé pour les années académiques antérieures à 1998-1999 à:
1er février 1991 87
1er février 1992 84
1er février 1993 71
1er février 1994 61
1er février 1995 52
1er février 1996 52
1er février 1997 39
1er février 1998 37.
Art.67. In artikel 209, § 1, van hetzelfde decreet wordt het bedrag "3.000" vervangen door "4.000", het jaartal "1996" door "1999", het jaartal "1994" door "1998" en "I 94" door "I 98".
Art.67. A l'article 209, § 1er, du même décret, le montant "3.000" est remplacé par "4.000", l'année "1996" par "1999", l'année "1994" par "1998" et "I 94" par "I 98".
Art.68. In artikel 214, laatste zin van hetzelfde decreet worden de woorden "het hogeschoolbestuur" vervangen door de woorden "de raad van beheer van de vzw.".
Art.68. A l'article 214, dernière phrase, du même décret, les mots "la direction de l'institut supérieur" sont remplacés par les mots "le conseil d'administration de l'asbl".
Art.69. Artikel 222, § 3, van hetzelfde decreet wordt opgehe
en.
en.
Art.69. L'article 222, § 3, du même décret est abr
gé.
gé.
Art.70. Artikel 228 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt: 1° In het eerste lid wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als gevolg hiervan wordt de uitbetaling van de werkingsuitkering van het betreffende begrotingsjaar bedoeld in artikel 229, opgeschort tot op het ogenblik dat de Vlaamse regering de begroting goedkeurt";
2° De laatste zin van het derde lid wordt opgeheven.
"Als gevolg hiervan wordt de uitbetaling van de werkingsuitkering van het betreffende begrotingsjaar bedoeld in artikel 229, opgeschort tot op het ogenblik dat de Vlaamse regering de begroting goedkeurt";
2° De laatste zin van het derde lid wordt opgeheven.
Art.70. L'article 228 du même décret est modifié comme suit: 1° à l'alinéa premier, la phrase suivante est ajoutée:
"Par conséquent, le paiement de l'allocation de fonctionnement de l'année budgétaire concernée, visée à l'article 229, est suspendu jusqu'au moment de l'approbation du budget par le Gouvernement flamand.";
2° la dernière phrase du troisième alinéa est abrogée.
"Par conséquent, le paiement de l'allocation de fonctionnement de l'année budgétaire concernée, visée à l'article 229, est suspendu jusqu'au moment de l'approbation du budget par le Gouvernement flamand.";
2° la dernière phrase du troisième alinéa est abrogée.
Art.71. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 231quater toegevoegd, luidend als volgt:
"Artikel 231quater. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 122,§ 2, en 231 kan het hogeschoolbestuur personeelsleden bedoeld in artikel 318,2°, die de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben op hun verzoek benoemen.
Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Deze benoeming is mogelijk in het ambt waarvoor zij overgangsmaatregelen genieten en voor het volume van de opdracht waarop zij krachtens artikel 326 aanspraak kunnen maken."
"Artikel 231quater. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 122,§ 2, en 231 kan het hogeschoolbestuur personeelsleden bedoeld in artikel 318,2°, die de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben op hun verzoek benoemen.
Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Deze benoeming is mogelijk in het ambt waarvoor zij overgangsmaatregelen genieten en voor het volume van de opdracht waarop zij krachtens artikel 326 aanspraak kunnen maken."
Art.71. Au même décret est ajouté un article 231quater, libellé comme suit:
"Article 231quater. Par dérogation aux dispositions des articles 122, § 2, et 231, la direction de l'institut supérieur peut nommer les membres du personnel visés a l'article 318, 2°, qui ont atteint l'âge de 55 ans, à leur demande.
Chaque membre du personnel qui est nommé doit être en possession du certificat d'aptitude requis.
Cette nomination peut se faire dans la fonction pour laquelle ils bénéficient de mesures transitoires et pour le volume de la charge qu'ils peuvent réclamer en vertu de l'article 326.
"Article 231quater. Par dérogation aux dispositions des articles 122, § 2, et 231, la direction de l'institut supérieur peut nommer les membres du personnel visés a l'article 318, 2°, qui ont atteint l'âge de 55 ans, à leur demande.
Chaque membre du personnel qui est nommé doit être en possession du certificat d'aptitude requis.
Cette nomination peut se faire dans la fonction pour laquelle ils bénéficient de mesures transitoires et pour le volume de la charge qu'ils peuvent réclamer en vertu de l'article 326.
Art.72. Aan artikel 239 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de eerste zin wordt vervangen door wat volgt:
"Als het hogeschoolbestuur of de bevoegde overheid de salarissen van het onderwijzend personeel of van het administratief en technisch personeel verkeerd heeft vastgesteld, moet het de terugbetaling vragen binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de eerste januari volgend op de datum van betaling";
2° een tweede lid wordt toegevoegd, luidend als volgt:
"Om geldig te zijn moet de vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij een ter post aangetekend schrijven met vermelding van:
1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;
2° de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan.
Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd."
1° de eerste zin wordt vervangen door wat volgt:
"Als het hogeschoolbestuur of de bevoegde overheid de salarissen van het onderwijzend personeel of van het administratief en technisch personeel verkeerd heeft vastgesteld, moet het de terugbetaling vragen binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de eerste januari volgend op de datum van betaling";
2° een tweede lid wordt toegevoegd, luidend als volgt:
"Om geldig te zijn moet de vraag tot terugbetaling ter kennis van de schuldenaar gebracht worden bij een ter post aangetekend schrijven met vermelding van:
1° het totale bedrag van de teruggevraagde som met, per jaar, de opgave van de ten onrechte uitgevoerde betalingen;
2° de bepalingen in strijd waarmede de betalingen zijn gedaan.
Te rekenen vanaf de afgifte van de aangetekende brief kan het onverschuldigde bedrag gedurende dertig jaar worden teruggevorderd."
Art.72. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 239 du même décret:
1° la première phrase est remplacée par ce qui suit:
"Lorsque la direction de l'institut supérieur ou l'autorité compétente a fixé incorrectement les traitements du personnel enseignant ou du personnel administratif et technique elle doit en réclamer le remboursement dans un délai d'un an à compter du premier janvier suivant la date du paiement.";
2° un alinéa deux est ajoutée, libellé comme suit:
"Pour être valable la demande de remboursement doit être portée à la connaissance du débiteur par lettre recommandée à la poste, moyennant mention:
1° du montant total de la somme réclamée avec, sur base annuelle, le relevé des paiements effectués indûment;
2° des dispositions auxquelles les paiements sont contraires.
A compter de la date de remise de la lettre recommandée, le montant indu peut être réclamé durant une période de trente ans."
1° la première phrase est remplacée par ce qui suit:
"Lorsque la direction de l'institut supérieur ou l'autorité compétente a fixé incorrectement les traitements du personnel enseignant ou du personnel administratif et technique elle doit en réclamer le remboursement dans un délai d'un an à compter du premier janvier suivant la date du paiement.";
2° un alinéa deux est ajoutée, libellé comme suit:
"Pour être valable la demande de remboursement doit être portée à la connaissance du débiteur par lettre recommandée à la poste, moyennant mention:
1° du montant total de la somme réclamée avec, sur base annuelle, le relevé des paiements effectués indûment;
2° des dispositions auxquelles les paiements sont contraires.
A compter de la date de remise de la lettre recommandée, le montant indu peut être réclamé durant une période de trente ans."
Art.73. Aan artikel 277 van hetzelfde decreet wordt een § 4 toegevoegd, luidend als volgt:
"§ 4. In afwijking van de bepalingen van § 1 kunnen in de departementen bevoegd voor de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst ook tijdelijke personeelsleden tot departementshoofd verkozen worden."
"§ 4. In afwijking van de bepalingen van § 1 kunnen in de departementen bevoegd voor de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst ook tijdelijke personeelsleden tot departementshoofd verkozen worden."
Art.73. A l'article 277 du même décret est ajouté un § 4, libellé comme suit:
"§ 4. Par derogation aux dispositions du § 1er, des membres du personnel temporaires peuvent être élus chef de département dans les départements qui sont compétents pour les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique.
"§ 4. Par derogation aux dispositions du § 1er, des membres du personnel temporaires peuvent être élus chef de département dans les départements qui sont compétents pour les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique.
Art.74. Aan artikel 286 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt:
"In afwijking van de bepalingen van het eerste lid kan het hogeschoolbestuur in de departementen bevoegd voor de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst het departementshoofd ook aanwijzen onder de leden van het tijdelijk onderwijzend personeel die verbonden zijn aan het departement."
"In afwijking van de bepalingen van het eerste lid kan het hogeschoolbestuur in de departementen bevoegd voor de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, en muziek en dramatische kunst het departementshoofd ook aanwijzen onder de leden van het tijdelijk onderwijzend personeel die verbonden zijn aan het departement."
Art.74. A l'article 286 du même décret est ajouté un alinéa deux, libellé comme suit:
"Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, la direction de l'institut supérieur peut désigner le chef de département parmi les membres du personnel enseignant temporaire rattachés au départements, dans les départements qui sont compétents pour les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
"Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, la direction de l'institut supérieur peut désigner le chef de département parmi les membres du personnel enseignant temporaire rattachés au départements, dans les départements qui sont compétents pour les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique."
Art.75. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 307ter toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Artikel 307ter. De vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs voor sociale promotie van het Instituut voor Optica Raymond Thibaut die ingevolge de afbouw van de afdeling optiek en optometrie terbeschikkinggesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking, kunnen met ingang van 1 september 1998 tot en met 31 augustus 2001 aangesteld worden in de Katholieke Vlaamse Sociale Hogeschool Brussel en Parnas Dilbeek. Deze aanstelling wordt met betrekking tot hun geldelijke en statutaire toestand in het onderwijs voor sociale promotie beschouwd als een wedertewerkstelling in de zin van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage. De personeelsleden blijven gedurende de periode van deze aanstelling bezoldigd uit de begroting van het onderwijs voor sociale promotie.
De hogeschool kan deze personeelsleden, in afwijking van artikel 231 voor wat betreft het volume van de opdracht waarvoor zij in het OSP benoemd waren, uiterlijk tot 31 augustus 2001 benoemen in een ambt waarvoor zij over het vereiste bekwaamheidsbewijs beschikken. De personeelsleden worden vanaf dit ogenblik bezoldigd uit de werkingsuitkeringen van de hogeschool."
"Artikel 307ter. De vastbenoemde personeelsleden van het onderwijs voor sociale promotie van het Instituut voor Optica Raymond Thibaut die ingevolge de afbouw van de afdeling optiek en optometrie terbeschikkinggesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking, kunnen met ingang van 1 september 1998 tot en met 31 augustus 2001 aangesteld worden in de Katholieke Vlaamse Sociale Hogeschool Brussel en Parnas Dilbeek. Deze aanstelling wordt met betrekking tot hun geldelijke en statutaire toestand in het onderwijs voor sociale promotie beschouwd als een wedertewerkstelling in de zin van het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage. De personeelsleden blijven gedurende de periode van deze aanstelling bezoldigd uit de begroting van het onderwijs voor sociale promotie.
De hogeschool kan deze personeelsleden, in afwijking van artikel 231 voor wat betreft het volume van de opdracht waarvoor zij in het OSP benoemd waren, uiterlijk tot 31 augustus 2001 benoemen in een ambt waarvoor zij over het vereiste bekwaamheidsbewijs beschikken. De personeelsleden worden vanaf dit ogenblik bezoldigd uit de werkingsuitkeringen van de hogeschool."
Art.75. Au même décret est ajouté un article 307ter, libellé comme suit:
"Article 307ter. Les membres du personnel, nommés à titre définitif, de l'enseignement de promotion sociale de l'Institut voor Optica Raymond Thibaut qui ont été mis en disponibilité suite à la suppression de la section optique et optométrie à défaut d'emploi, peuvent, à partir du 1er septembre 1998 jusqu'au 31 août 2001 être désignés dans la Katholieke Vlaamse Sociale Hogeschool Brussel et Parnas Dilbeek. Pour ce qui concerne leur position pécuniaire et statutaire dans l'enseignement de promotion sociale, cette désignation est considérée comme une remise au travail au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la mise en disponibilité à défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'octroi d'une indemnité d'attente ou allocation d'attente. Durant la période de cette désignation, la rémunération des membres du personnel reste à charge du budget de l'enseignement de promotion sociale.
Par dérogation à l'article 231 pour ce qui concerne le volume de la charge pour laquelle ils étaient nommés au OSP, l'institut supérieur peut nommer ces membres du personnel jusqu'au 31 août 2001 au plus tard, à une fonction pour laquelle il disposent du certificat d'aptitude requis. A partir de ce moment-là, les membres du personnel sont rémunérés sur les allocations de fonctionnement de l'institut supérieur."
"Article 307ter. Les membres du personnel, nommés à titre définitif, de l'enseignement de promotion sociale de l'Institut voor Optica Raymond Thibaut qui ont été mis en disponibilité suite à la suppression de la section optique et optométrie à défaut d'emploi, peuvent, à partir du 1er septembre 1998 jusqu'au 31 août 2001 être désignés dans la Katholieke Vlaamse Sociale Hogeschool Brussel et Parnas Dilbeek. Pour ce qui concerne leur position pécuniaire et statutaire dans l'enseignement de promotion sociale, cette désignation est considérée comme une remise au travail au sens de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 1992 relatif à la mise en disponibilité à défaut d'emploi, à la réaffectation, à la remise au travail et à l'octroi d'une indemnité d'attente ou allocation d'attente. Durant la période de cette désignation, la rémunération des membres du personnel reste à charge du budget de l'enseignement de promotion sociale.
Par dérogation à l'article 231 pour ce qui concerne le volume de la charge pour laquelle ils étaient nommés au OSP, l'institut supérieur peut nommer ces membres du personnel jusqu'au 31 août 2001 au plus tard, à une fonction pour laquelle il disposent du certificat d'aptitude requis. A partir de ce moment-là, les membres du personnel sont rémunérés sur les allocations de fonctionnement de l'institut supérieur."
Art.76. In Bijlage I van hetzelfde decreet wordt aan punt "2. Studiegebid gezondheidszorg basisopleidingen van één cyclus" de volgende bepaling toegevoegd:
"- optiek en optometrie, waarvoor de graad van gegradueerde in de optiek en optometrie wordt verleend."
"- optiek en optometrie, waarvoor de graad van gegradueerde in de optiek en optometrie wordt verleend."
Art.76. Dans l'annexe I au même décret, la disposition suivante est ajoutée au point 2. Discipline soins de santé formations initiales comportant un cycle":
"- optique et optométrie pour lesquelles le degré de gradué en optique et optométrie est conféré."
"- optique et optométrie pour lesquelles le degré de gradué en optique et optométrie est conféré."
Art.77. In Bijlage II, 69°, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "Gezondheidszorg" en "fysische behandelingen" de woorden "optiek en optometrie" gevoegd."
Art.77. Dans l'Annexe II, 69°, du même décret, les mots "optique et optométrie" sont insérés entre les mots "Soins de santé" et "traitements physiques".
Art.78. Aan artikel 314ter van hetzelfde decreet wordt een § 5 toegevoegd, luidend als volgt:
"§ 5. De omzendbrief KO/M/85-3 van 26 augustus 1985 betreffende "koninklijke muziekconservatoria - pedagogische leergang herstructurering", gewijzigd door de omzendbrief van 21 oktober 1994, wordt bekrachtigd. De hogescholen die de rechtsopvolger zijn van vermelde conservatoria, kunnen de overeenstemmende getuigschriften uitreiken uiterlijk tot 30 september 1997."
"§ 5. De omzendbrief KO/M/85-3 van 26 augustus 1985 betreffende "koninklijke muziekconservatoria - pedagogische leergang herstructurering", gewijzigd door de omzendbrief van 21 oktober 1994, wordt bekrachtigd. De hogescholen die de rechtsopvolger zijn van vermelde conservatoria, kunnen de overeenstemmende getuigschriften uitreiken uiterlijk tot 30 september 1997."
Art.78. A l'article 314ter du même décret est ajoute un § 5, libellé comme suit:
"§ 5. La circulaire KO/M.85-3 du 26 août 1985 relative aux "conservatoires royaux de musique - formation pédagogique - restructuration", modifiée par la circulaire du 21 octobre 1994, est confirmée. Les ecoles supérieures qui ont été subrogées dans les droits des conservatoires précités peuvent délivrer les certificats correspondants jusqu'au 30 septembre 1997 au plus tard."
"§ 5. La circulaire KO/M.85-3 du 26 août 1985 relative aux "conservatoires royaux de musique - formation pédagogique - restructuration", modifiée par la circulaire du 21 octobre 1994, est confirmée. Les ecoles supérieures qui ont été subrogées dans les droits des conservatoires précités peuvent délivrer les certificats correspondants jusqu'au 30 septembre 1997 au plus tard."
Art.79. Er wordt aan hetzelfde decreet en artikel 317bis toegevoegd, luidend als volgt:
"Artikel 317bis. § 1. Voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, die op 30 juni 1995 één van de in het derde lid vermelde ambten uitoefenden in een basisopleiding van twee cycli of in de erbij aansluitende lerarenopleiding in de studiegebieden, audiovisuele en beeldende kunst, muziek en dramatische kunst, productontwikkeling en architectuur, opleiding tot interieurarchitect, geldt dat hun ambt wordt geconcordeerd naar het ambt van assistent. In afwijking van artikel 104 hebben deze personeelsleden tot taak onderwijs te verstrekken en begeleidingsopdrachten te vervullen. Hun takenpakket kan ook projectmatig wetenschappelijk onderzoek, maatschappelijke dienstverlening en organisatorische taken omvatten. Zij mogen de titel van leraar hoger kunstonderwijs dragen.
Het in eerste lid vermelde ambt van assistent vervangt:
a) het wervingsambt van leraar aristieke vakken aan instellingen voor hoger kunstonderwijs of aan de niet-gerangschikte afdeling binnenhuisarchitectuur van het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Diepenbeek en van het Stedelijk Hoger Architectuurinstituut "De Bijloke" in Gent;
b) het wervingsambt van docent aan instellingen voor hoger technisch onderwijs van de derde graad;
c) het wervingsambt van hoofd van studiebureau aan instellingen voor hoger technisch onderwijs van de derde graad;
d) het selectieambt van gewoon hoogleraar aan instellingen voor hoger technisch onderwijs van de derde graad;
e) de wervingsambten van lesgever en leraar artistieke vakken aan het Hoger Architectuurinstituut Henry Van de Velde in Antwerpen in de afdelingen binnenhuisarcitectuur en productontwikkeling;
f) het wervingsambt van leraar algemene vakken aan instellingen voor hoger kunstonderwijs of aan de niet-gerangschikte afdeling binnenhuisarchitectuur van het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Diepenbeek en van het Stedelijk Hoger Architectuurinstituut 'De Bijloke' in Gent of aan het Hoger Architectuurinstituut Sint Lucas in Gent - afdeling binnenhuisarchitectuur;
g) het wervingsambt van leraar technische vakken aan instellingen voor hoger kunstonderwijs of aan de niet-gerangschikte afdeling binnenhuisarchitecuut van het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut Sint Lucas in Gent, afdeling binnenhuisarchitectuur, of aan de Hogeschool voor Audiovisuele Communicatie RITS in Brussel, afdeling animatie;
h) het wervingsambt van werkleider aan instellingen voor hoger kunstonderwijs;
i) het wervingsambt van adjunct-leraar aan instellingen voor hoger kunstonderwijs.
§ 2. In afwijking van § 1 worden deze ambten geconcordeerd naar het ambt van docent, voor zover het betrokken personeelslid, belast met aristiekgebonden onderwijsactiviteiten over een ruime artistieke faam beschikt, zoals omschreven in artikel 2,28° en 28°ter.
§ 3. Het hogeschoolbestuur erkent de ruime artistieke faam en hanteert hiervoor de volgende criteria, voor zover deze relevant zijn voor de betrokken artistieke discipline:
- publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten;
- eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene;
- regionale, federale of internationale prijzen;
- deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland;
- realisaties voor binnenlands of buitenlandse instellingen of bedrijven;
- relevante bijdragen aan belangrijke producties;
- tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea.
Bovendien moeten de artistiekgebonden onderwijsactiviteiten aansluiten bij de artistieke of aan de kunsten gerelateerde beroepsactiviteiten waarvoor de artistieke faam wordt aangevraagd."
"Artikel 317bis. § 1. Voor de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel belast met artistiekgebonden onderwijsactiviteiten, die op 30 juni 1995 één van de in het derde lid vermelde ambten uitoefenden in een basisopleiding van twee cycli of in de erbij aansluitende lerarenopleiding in de studiegebieden, audiovisuele en beeldende kunst, muziek en dramatische kunst, productontwikkeling en architectuur, opleiding tot interieurarchitect, geldt dat hun ambt wordt geconcordeerd naar het ambt van assistent. In afwijking van artikel 104 hebben deze personeelsleden tot taak onderwijs te verstrekken en begeleidingsopdrachten te vervullen. Hun takenpakket kan ook projectmatig wetenschappelijk onderzoek, maatschappelijke dienstverlening en organisatorische taken omvatten. Zij mogen de titel van leraar hoger kunstonderwijs dragen.
Het in eerste lid vermelde ambt van assistent vervangt:
a) het wervingsambt van leraar aristieke vakken aan instellingen voor hoger kunstonderwijs of aan de niet-gerangschikte afdeling binnenhuisarchitectuur van het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Diepenbeek en van het Stedelijk Hoger Architectuurinstituut "De Bijloke" in Gent;
b) het wervingsambt van docent aan instellingen voor hoger technisch onderwijs van de derde graad;
c) het wervingsambt van hoofd van studiebureau aan instellingen voor hoger technisch onderwijs van de derde graad;
d) het selectieambt van gewoon hoogleraar aan instellingen voor hoger technisch onderwijs van de derde graad;
e) de wervingsambten van lesgever en leraar artistieke vakken aan het Hoger Architectuurinstituut Henry Van de Velde in Antwerpen in de afdelingen binnenhuisarcitectuur en productontwikkeling;
f) het wervingsambt van leraar algemene vakken aan instellingen voor hoger kunstonderwijs of aan de niet-gerangschikte afdeling binnenhuisarchitectuur van het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut in Diepenbeek en van het Stedelijk Hoger Architectuurinstituut 'De Bijloke' in Gent of aan het Hoger Architectuurinstituut Sint Lucas in Gent - afdeling binnenhuisarchitectuur;
g) het wervingsambt van leraar technische vakken aan instellingen voor hoger kunstonderwijs of aan de niet-gerangschikte afdeling binnenhuisarchitecuut van het Provinciaal Hoger Architectuurinstituut Sint Lucas in Gent, afdeling binnenhuisarchitectuur, of aan de Hogeschool voor Audiovisuele Communicatie RITS in Brussel, afdeling animatie;
h) het wervingsambt van werkleider aan instellingen voor hoger kunstonderwijs;
i) het wervingsambt van adjunct-leraar aan instellingen voor hoger kunstonderwijs.
§ 2. In afwijking van § 1 worden deze ambten geconcordeerd naar het ambt van docent, voor zover het betrokken personeelslid, belast met aristiekgebonden onderwijsactiviteiten over een ruime artistieke faam beschikt, zoals omschreven in artikel 2,28° en 28°ter.
§ 3. Het hogeschoolbestuur erkent de ruime artistieke faam en hanteert hiervoor de volgende criteria, voor zover deze relevant zijn voor de betrokken artistieke discipline:
- publicaties over het werk van betrokkene in vakbladen, tijdschriften of kranten;
- eigen publicaties of gerealiseerde dossiers in verband met de vrije of toegepaste artistieke praktijk van de betrokkene;
- regionale, federale of internationale prijzen;
- deelname aan belangrijke manifestaties in binnen- en buitenland;
- realisaties voor binnenlands of buitenlandse instellingen of bedrijven;
- relevante bijdragen aan belangrijke producties;
- tentoonstellingen in vooraanstaande binnenlandse of buitenlandse galerijen of musea.
Bovendien moeten de artistiekgebonden onderwijsactiviteiten aansluiten bij de artistieke of aan de kunsten gerelateerde beroepsactiviteiten waarvoor de artistieke faam wordt aangevraagd."
Art.79. Un article 317bis est ajouté au même décret, libellé comme suit:
"Article 217bis. § 1er. Pour ce qui concerne les membres du personnel administratif et enseignant chargé d'activités d'enseignement de nature artistique, qui exercaient en date du 30 juin 1995, l'une des fonctions visées à l'alinéa trois dans une formation initiale de deux cycles ou dans la formation d'enseignant correspondante dans les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique, développement de produits et architecture, formation de decorateur, leur fonction sera mise en concordance avec celle d'assistant. Par dérogation à l'article 104, ces membres du personnel ont pour mission de dispenser l'enseignement et d'accomplir des missions d'accompagnement. Leurs missions peuvent également comprendre la recherche scientifique axée sur des projets, les services sociaux et des missions organisationnelles. Ils peuvent porter le titre de professeur de l'enseignements artistique supérieur.
La fonction d'assistant visée à l'alinéa premier remplace:
a) la fonction de recrutement de professeur de cours artistiques aux institutions d'enseignement supérieur artistique ou à la section non classée d'esthétique d'intérieur du Provinciaal Hoger Achitectuurinstituut à Diepenbeek et du Stedelijk Hoger Architectuurinstituut "De Bijloke" à Gand;
b) la fonction de recrutement de chargé de cours aux établissements d'enseignement supérieur technique du troisième degré;
c) la fonction de recrutement de chef de bureau d'étude à des établissements d'enseignement supérieur technique du troisième degré;
d) la fonction de sélection de professeur ordinaire à des établissements d'enseignement supérieur technique du troisième degré;
e) les fonctions de recrutement de maître de conference et professeur cours artistiques au Hoger Architectuurinstituut Henry Van de Velde à Anvers dans les sections esthétique d'intérieur et développement de produits;
f) la fonction de recrutement de professeur de cours généraux à des établissements d'enseignement artistique supérieur ou à la section non classée d'esthétique d'intérieur du Provinciaal Hoger Architectuurinstituut à Diepenbeek et du Stedelijk Hoger Architectuurinstituut 'De Bijloke' à Gand ou au Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas à Gand - section esthetique d'intérieur;
g) la fonction de recrutement de professeur de cours techniques à des établissements d'enseignement artistique supérieur ou la section non classée d'esthétique d'intérieur du Provinciaal Hoger Architectuurinstituut à Diepenbeek et du Stedelijk Hoger Architectuurinstituut 'De Bijloke' à Gand ou du Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas à Gand, section esthétique d'interieur ou de la Hogeschool voor Audiovisuele Communicatie RITS à Bruxelles, section animation;
h) la fonction de recrutement de chef de travaux à des établissements d'enseignement artistique supérieur;
i) la fonction de recrutement de professeur adjoint à des établissements d'enseignement artistique superieur.
§ 2. Par dérogation au § 1er, ces fonctions s'alignent sur celle de chargé de cours, pour autant que le membre du personnel concerné, chargé d'activités d'enseignement d'ordre artistique dispose d'une large notorieté artistique, telle que définie à l'article 2, 28° et 28°ter.
§ 3. La direction de l'institut supérieur reconnait la vaste notoriété artistique et applique à cette fin les critères suivants, dans la mesure où ceux-ci sont pertinents pour la discipline artistique concernée:
- publications concernant sur l'oeuvre de l'intéressé dans des revues spécialisées, magazines ou journaux;
- publications propres ou dossiers réalisés dans le cadre de la pratique libre ou appliquée de l'intéressé;
- prix régionaux, fédéraux ou internationaux;
- participation à des manifestations importantes à l'intérieur du pays et à l'étranger;
- réalisations pour le compte d'institutions ou entreprises intérieures ou étrangères;
- contributions importantes à des productions d'envergure;
- expositions dans des galeries ou musées de renom à l'intérieur et a l'extérieur du pays.
(NOTE : alinéa non traduit)
"Article 217bis. § 1er. Pour ce qui concerne les membres du personnel administratif et enseignant chargé d'activités d'enseignement de nature artistique, qui exercaient en date du 30 juin 1995, l'une des fonctions visées à l'alinéa trois dans une formation initiale de deux cycles ou dans la formation d'enseignant correspondante dans les disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique, développement de produits et architecture, formation de decorateur, leur fonction sera mise en concordance avec celle d'assistant. Par dérogation à l'article 104, ces membres du personnel ont pour mission de dispenser l'enseignement et d'accomplir des missions d'accompagnement. Leurs missions peuvent également comprendre la recherche scientifique axée sur des projets, les services sociaux et des missions organisationnelles. Ils peuvent porter le titre de professeur de l'enseignements artistique supérieur.
La fonction d'assistant visée à l'alinéa premier remplace:
a) la fonction de recrutement de professeur de cours artistiques aux institutions d'enseignement supérieur artistique ou à la section non classée d'esthétique d'intérieur du Provinciaal Hoger Achitectuurinstituut à Diepenbeek et du Stedelijk Hoger Architectuurinstituut "De Bijloke" à Gand;
b) la fonction de recrutement de chargé de cours aux établissements d'enseignement supérieur technique du troisième degré;
c) la fonction de recrutement de chef de bureau d'étude à des établissements d'enseignement supérieur technique du troisième degré;
d) la fonction de sélection de professeur ordinaire à des établissements d'enseignement supérieur technique du troisième degré;
e) les fonctions de recrutement de maître de conference et professeur cours artistiques au Hoger Architectuurinstituut Henry Van de Velde à Anvers dans les sections esthétique d'intérieur et développement de produits;
f) la fonction de recrutement de professeur de cours généraux à des établissements d'enseignement artistique supérieur ou à la section non classée d'esthétique d'intérieur du Provinciaal Hoger Architectuurinstituut à Diepenbeek et du Stedelijk Hoger Architectuurinstituut 'De Bijloke' à Gand ou au Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas à Gand - section esthetique d'intérieur;
g) la fonction de recrutement de professeur de cours techniques à des établissements d'enseignement artistique supérieur ou la section non classée d'esthétique d'intérieur du Provinciaal Hoger Architectuurinstituut à Diepenbeek et du Stedelijk Hoger Architectuurinstituut 'De Bijloke' à Gand ou du Hoger Architectuurinstituut Sint-Lucas à Gand, section esthétique d'interieur ou de la Hogeschool voor Audiovisuele Communicatie RITS à Bruxelles, section animation;
h) la fonction de recrutement de chef de travaux à des établissements d'enseignement artistique supérieur;
i) la fonction de recrutement de professeur adjoint à des établissements d'enseignement artistique superieur.
§ 2. Par dérogation au § 1er, ces fonctions s'alignent sur celle de chargé de cours, pour autant que le membre du personnel concerné, chargé d'activités d'enseignement d'ordre artistique dispose d'une large notorieté artistique, telle que définie à l'article 2, 28° et 28°ter.
§ 3. La direction de l'institut supérieur reconnait la vaste notoriété artistique et applique à cette fin les critères suivants, dans la mesure où ceux-ci sont pertinents pour la discipline artistique concernée:
- publications concernant sur l'oeuvre de l'intéressé dans des revues spécialisées, magazines ou journaux;
- publications propres ou dossiers réalisés dans le cadre de la pratique libre ou appliquée de l'intéressé;
- prix régionaux, fédéraux ou internationaux;
- participation à des manifestations importantes à l'intérieur du pays et à l'étranger;
- réalisations pour le compte d'institutions ou entreprises intérieures ou étrangères;
- contributions importantes à des productions d'envergure;
- expositions dans des galeries ou musées de renom à l'intérieur et a l'extérieur du pays.
(NOTE : alinéa non traduit)
Art.80. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 317ter toegevoegd, luidend als volgt:
"Artikel 317ter. De concordantie door het hogeschoolbestuur van de leden van het onderwijzend personeel in een basisopleiding of in de erbij aansluitende lerarenopleiding, behorend tot de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, muziek en dramatische kunst, productontwikkeling en architectuur en opleiding tot interieurarchitect, tot docent op 1 januari 1996, in toepassing van artikel 317, wordt bekrachtigd."
"Artikel 317ter. De concordantie door het hogeschoolbestuur van de leden van het onderwijzend personeel in een basisopleiding of in de erbij aansluitende lerarenopleiding, behorend tot de studiegebieden audiovisuele en beeldende kunst, muziek en dramatische kunst, productontwikkeling en architectuur en opleiding tot interieurarchitect, tot docent op 1 januari 1996, in toepassing van artikel 317, wordt bekrachtigd."
Art.80. Au même décret est ajouté un article 317ter, libellé comme suit:
"Article 317ter. la concordance par la direction de l'institut supérieur des membres du personnel enseignant dans une formation initiale ou dans la formation d'enseignant correspondante, relevant des disciplines disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique, développement de produits et architecture et formation de décorateur, comme chargé de cours en date du 1er janvier 1996, en application de l'article 317, est confirmée.
"Article 317ter. la concordance par la direction de l'institut supérieur des membres du personnel enseignant dans une formation initiale ou dans la formation d'enseignant correspondante, relevant des disciplines disciplines arts audiovisuels et plastiques et musique et art dramatique, développement de produits et architecture et formation de décorateur, comme chargé de cours en date du 1er janvier 1996, en application de l'article 317, est confirmée.
Art.81. Artikel 323,§ 2, tweede lid van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Wanneer zij evenwel op hun verzoek en met instemming van het hogeschoolbestuur de toepassing verkrijgen van artikel 142,§ 2, verkrijgen zij in het ambt waarnaar zij op grond van artikel 317 werden geconcordeerd, de gangbare salarisschaal van de houder van het vereiste bekwaamheidsbewijs."
"Wanneer zij evenwel op hun verzoek en met instemming van het hogeschoolbestuur de toepassing verkrijgen van artikel 142,§ 2, verkrijgen zij in het ambt waarnaar zij op grond van artikel 317 werden geconcordeerd, de gangbare salarisschaal van de houder van het vereiste bekwaamheidsbewijs."
Art.81. L'article 323, § 2, alinéa deux, du même décret est rempalcé par la disposition suivante:
"Cependant, lorsqu'ils obtiennent à leur propre demande et moyennant l'accord de la direction de l'institut superieur, l'application de l'article 142, § 2, ils bénéficient dans la fonction pour laquelle la concordance a été établie en vertu de l'article 317, l'échelle de traitement habituelle du titulaire du certificat d'aptitude requis."
"Cependant, lorsqu'ils obtiennent à leur propre demande et moyennant l'accord de la direction de l'institut superieur, l'application de l'article 142, § 2, ils bénéficient dans la fonction pour laquelle la concordance a été établie en vertu de l'article 317, l'échelle de traitement habituelle du titulaire du certificat d'aptitude requis."
Art.82. In Titel VII van hetzelfde decreet wordt Hoofdstuk IIbis gewijzigd als volgt:
"HOOFDSTUK IIbis. - Projecten voor het Hoger Kunstonderwijs.
Artikel 340ter. § 1. De Vlaamse regering draagt jaarlijks bij in de financiering van instituten en van uitzonderlijke projecten in het kader van het hoger kunstonderwijs.
Het totale bedrag van deze bijdragen wordt vastgesteld op 71,1 miljoen frank voor het begrotingsjaar 1998. Dit bedrag wordt jaarlijks op de volgende wijze aangepast:
0,8 x (Ln/L97) + 0,2 x (Cn/C97);
waarbij:
- Ln/L97 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begroting jaar 1997;
- Cn/C97 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 1997.
§ 2. De Vlaamse regering kan de in § 1 vermelde kredieten aanwenden voor projecten of instituten die kaderen binnen de hierna vermelde dolstellingen:
- de posthogeschoolvorming voor de departementen kunst van alle hogescholen;
- de coördinatie van allerhande onderzoeksinitiatieven voor de kunst;
- de coördinatie van de internationalisering van de departementen kunst van de hogescholen;
- het fungeren als een overlegplatform m.b.t. langlopende projecten op het vlak van hoger kunstonderwijs.
Artikel 340quater. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring moet voor elk project of instituut bij de aanvraag een concrete omschrijving van de doelstellingen en een meerjarenplanning ingediend worden bij de in artikel 340quinquies bedoelde commissie. Daarenboven wordt elk jaar vóór 31 mei aan deze commissie een jaarverslag ingediend. Het jaarverslag bevat ten minste een overzicht omtrent de doelmatige aanwending van de overheidsbijdrage waaruit blijkt in hoeverre de werkzaamheden waarvoor zij is verleend, behoorlijk zijn uitgevoerd.
Artikel 340quinquies. Een interdisciplinaire commissie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de overheid, de academische wereld en de voorzitters van de commissies die deel uitmaken van de Raad voor Kunsten, adviseren de Vlaamse regering omtrent de financiering op basis van de ingediende concrete omsmchrijving van de doelstellingen en de meerjarenplanning.
De commissie evalueert het jaarverslag en brengt daaromtrent advies uit aan de Vlaamse regering. De Vlaamse regering stelt de leden van de commissie aan en bepaalt de werking van de commissie.
Artikel 340sexies. § 1. Voor de organisatie van de posthogeschoolvorming kunnen instituten worden opgericht die de posthogeschoolvorming bekrachtigen met de titel van "Laureaat van het Hoger Instituut voor Kunst". Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen, moeten de hogere instituten voor kunst, onverminderd de bepalingen van artikel 340quater voldoen aan volgende voorwaarden:
1° zij worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel, hierna vzw genoemd;
2° zij onderwerpen zich aan de controle van de commissarissen van de Vlaamse regering bij de hogescholen op de wijze zoals bepaald in titel IV, hoofdstuk V van dit decreet;
3° zij dienen een begroting in, voeren een volledige boekhouding, leggen een jaarrekening voor op de wijze zoals bepaald in Titel IV, hoofdstuk IV van dit decreet.
§ 2. De vzw's kunnen akkoorden afsluiten met hogescholen, met universiteiten en met andere openbare en privé-instellingen. De overeenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald.
De vzw's kunnen alleen personeel bij arbeidsovereenkomst aanwerven. Bij overeenkomst gesloten tussen een vzw en een hogeschool kan een personeelslid van een hogeschool met zijn instemming belast worden met een opdracht. Het personeelslid blijft juridisch en administratief behoren tot zijn hogeschool en bevindt zich gedurende deze opdracht in de administratieve stand "dienstactiviteit". De overeenkomst bepaalt de termijn van de opdracht en de financiële vergoeding die door de vzw aan de hogeschool waartoe het personeel behoort, wordt betaald."
"HOOFDSTUK IIbis. - Projecten voor het Hoger Kunstonderwijs.
Artikel 340ter. § 1. De Vlaamse regering draagt jaarlijks bij in de financiering van instituten en van uitzonderlijke projecten in het kader van het hoger kunstonderwijs.
Het totale bedrag van deze bijdragen wordt vastgesteld op 71,1 miljoen frank voor het begrotingsjaar 1998. Dit bedrag wordt jaarlijks op de volgende wijze aangepast:
0,8 x (Ln/L97) + 0,2 x (Cn/C97);
waarbij:
- Ln/L97 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begroting jaar 1997;
- Cn/C97 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 1997.
§ 2. De Vlaamse regering kan de in § 1 vermelde kredieten aanwenden voor projecten of instituten die kaderen binnen de hierna vermelde dolstellingen:
- de posthogeschoolvorming voor de departementen kunst van alle hogescholen;
- de coördinatie van allerhande onderzoeksinitiatieven voor de kunst;
- de coördinatie van de internationalisering van de departementen kunst van de hogescholen;
- het fungeren als een overlegplatform m.b.t. langlopende projecten op het vlak van hoger kunstonderwijs.
Artikel 340quater. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring moet voor elk project of instituut bij de aanvraag een concrete omschrijving van de doelstellingen en een meerjarenplanning ingediend worden bij de in artikel 340quinquies bedoelde commissie. Daarenboven wordt elk jaar vóór 31 mei aan deze commissie een jaarverslag ingediend. Het jaarverslag bevat ten minste een overzicht omtrent de doelmatige aanwending van de overheidsbijdrage waaruit blijkt in hoeverre de werkzaamheden waarvoor zij is verleend, behoorlijk zijn uitgevoerd.
Artikel 340quinquies. Een interdisciplinaire commissie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de overheid, de academische wereld en de voorzitters van de commissies die deel uitmaken van de Raad voor Kunsten, adviseren de Vlaamse regering omtrent de financiering op basis van de ingediende concrete omsmchrijving van de doelstellingen en de meerjarenplanning.
De commissie evalueert het jaarverslag en brengt daaromtrent advies uit aan de Vlaamse regering. De Vlaamse regering stelt de leden van de commissie aan en bepaalt de werking van de commissie.
Artikel 340sexies. § 1. Voor de organisatie van de posthogeschoolvorming kunnen instituten worden opgericht die de posthogeschoolvorming bekrachtigen met de titel van "Laureaat van het Hoger Instituut voor Kunst". Deze laureaatsvorming heeft tot doel aan afgestudeerden uit de betrokken sectoren en aan jonge kunstenaars de mogelijkheid te bieden hun artistiek talent verder te ontplooien. Om voor subsidiëring in aanmerking te komen, moeten de hogere instituten voor kunst, onverminderd de bepalingen van artikel 340quater voldoen aan volgende voorwaarden:
1° zij worden beheerd door een vereniging zonder winstgevend doel, hierna vzw genoemd;
2° zij onderwerpen zich aan de controle van de commissarissen van de Vlaamse regering bij de hogescholen op de wijze zoals bepaald in titel IV, hoofdstuk V van dit decreet;
3° zij dienen een begroting in, voeren een volledige boekhouding, leggen een jaarrekening voor op de wijze zoals bepaald in Titel IV, hoofdstuk IV van dit decreet.
§ 2. De vzw's kunnen akkoorden afsluiten met hogescholen, met universiteiten en met andere openbare en privé-instellingen. De overeenkomst vermeldt ten minste de voorwaarden van samenwerking en de financiële vergoeding die in voorkomend geval voor de dienstverlening zal worden betaald.
De vzw's kunnen alleen personeel bij arbeidsovereenkomst aanwerven. Bij overeenkomst gesloten tussen een vzw en een hogeschool kan een personeelslid van een hogeschool met zijn instemming belast worden met een opdracht. Het personeelslid blijft juridisch en administratief behoren tot zijn hogeschool en bevindt zich gedurende deze opdracht in de administratieve stand "dienstactiviteit". De overeenkomst bepaalt de termijn van de opdracht en de financiële vergoeding die door de vzw aan de hogeschool waartoe het personeel behoort, wordt betaald."
Art.82. Au Titre VII du même décret, le Chapitre Ibis est modifie comme suit:
"CHAPITRE Ibis. - Projets pour l'Enseignement supérieur artistique.
Article 340ter. § 1er. Le Gouvernement flamand participe annuellement au financement d'instituts et de projets exceptionnels dans le cadre de l'enseignement supérieur artistique.
Le montant total de ces contributions est fixé à 71,1 millions francs pour l'année budgétaire 1998. Ce montant est annuellement adapté selon les modalités suivantes:
0,8 x (Ln/L97) + 0,2 x (Cn/C97);
où:
- Ln/L97 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 1997;
- Cn/C97 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix a la consommation à la fin de l'anée budgetaire 1997.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut affecter les crédits visés au § 1er à des projets ou instituts qui s'inscrivent dans les objectifs cités ci-après:
- les postgraduats pour les départements arts de toutes les écoles supérieures;
- la coordination de toutes sortes d'initiatives de recherche en matière d'art;
- la coordination de l'internationalisation des départements arts des écoles supérieures;
- le fonctionnement comme une plate-forme de concertation pour ce qui concerne des projets de longue durée dans le domaine de l'enseignement supérieur artistique.
Article 340quater. Pour entrer en ligne de compte pour l'octroi de subventions, la demande pour tout projet ou institut doit s'accompagner d'une description concrète des objectifs et d'un planning pluriannuel, à déposer auprès de la commission visée à l'article 340quinquies. De plus, avant le 31 mai de chaque année un rapport annuel est soumis à cette commission. Le rapport annuel comporte au moins un apercu de l'affectation efficace de la contribution publique indiquant dans quelle mesure les travaux pour lesquels elle est accordée ont été dûment exécutés.
Article 340quinquies. Une commission interdisciplinaire, composé de représentants des pouvoirs publics, du monde académique et des présidents des commissions qui font partie du Conseil des Arts, conseillent le Gouvernement flamand sur le financement sur la base de la description concrète déposée des objectifs et du planning pluriannuel.
La commission évalue le rapport annuel et émet un avis à ce sujet au Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand désigne les membres de la commission et détermine les modalités de son fonctionnement.
Article 340sexies. § 1er. Pour l'organisation des postgraduats, des instituts peuvent être créés qui confirment les postgraduats par le titre "Lauréat de l'Institut supérieur des Arts". Cette formation de lauréat a pour objet de permettre aux diplômés des secteurs concernés à des jeunes artistes de deployer leurs talents artistiques. Pour entrer en ligne de compte pour l'octroi de subventions, les instituts supérieurs des arts, doivent, sans préjudice des dispositions de l'article 340quater, répondre aux conditions suivantes:
1° être gérés par une association sans but lucratif, ci-après dénommée l'asbl;
2° se soumettre au contrôle par les commissaires du Gouvernement flamand auprès des écoles supérieures selon les modalités définies au Titre IV, Chapitre V du présent décret;
3° déposer un budget, tenir une comptabilité intégrale, déposer des comptes annuels selon les modalités définies au Titre IV, Chapitre IV du présent décret.
§ 2. Les asbl peuvent conclure des accords avec des écoles supérieures, avec des universités et avec d'autres organismes publics et privés. La convention precisera au moins lejs conditions de collaboration et l'indemnité financière qui sera le cas échéant payée pour le service.
Les asbl peuvent uniquement recruter du personnel par contrat de travail. Par le biais d'une convention conclue entre une asbl et un institut supérieur, un membre du personnel d'un institut supérieur peut être chargé d'une mission moyennant son assentiment. Au plan juridique et administratif, le membre du personnel continue de relever de son institut supérieur et durant cette mission, il se trouve dans la position administrative "activité de service". La convention fixe la durée de la mission et l'indemnité financière que l'asbl verse à l'institut supérieur dont fait partie le membre du personnel.
"CHAPITRE Ibis. - Projets pour l'Enseignement supérieur artistique.
Article 340ter. § 1er. Le Gouvernement flamand participe annuellement au financement d'instituts et de projets exceptionnels dans le cadre de l'enseignement supérieur artistique.
Le montant total de ces contributions est fixé à 71,1 millions francs pour l'année budgétaire 1998. Ce montant est annuellement adapté selon les modalités suivantes:
0,8 x (Ln/L97) + 0,2 x (Cn/C97);
où:
- Ln/L97 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 1997;
- Cn/C97 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix a la consommation à la fin de l'anée budgetaire 1997.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut affecter les crédits visés au § 1er à des projets ou instituts qui s'inscrivent dans les objectifs cités ci-après:
- les postgraduats pour les départements arts de toutes les écoles supérieures;
- la coordination de toutes sortes d'initiatives de recherche en matière d'art;
- la coordination de l'internationalisation des départements arts des écoles supérieures;
- le fonctionnement comme une plate-forme de concertation pour ce qui concerne des projets de longue durée dans le domaine de l'enseignement supérieur artistique.
Article 340quater. Pour entrer en ligne de compte pour l'octroi de subventions, la demande pour tout projet ou institut doit s'accompagner d'une description concrète des objectifs et d'un planning pluriannuel, à déposer auprès de la commission visée à l'article 340quinquies. De plus, avant le 31 mai de chaque année un rapport annuel est soumis à cette commission. Le rapport annuel comporte au moins un apercu de l'affectation efficace de la contribution publique indiquant dans quelle mesure les travaux pour lesquels elle est accordée ont été dûment exécutés.
Article 340quinquies. Une commission interdisciplinaire, composé de représentants des pouvoirs publics, du monde académique et des présidents des commissions qui font partie du Conseil des Arts, conseillent le Gouvernement flamand sur le financement sur la base de la description concrète déposée des objectifs et du planning pluriannuel.
La commission évalue le rapport annuel et émet un avis à ce sujet au Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand désigne les membres de la commission et détermine les modalités de son fonctionnement.
Article 340sexies. § 1er. Pour l'organisation des postgraduats, des instituts peuvent être créés qui confirment les postgraduats par le titre "Lauréat de l'Institut supérieur des Arts". Cette formation de lauréat a pour objet de permettre aux diplômés des secteurs concernés à des jeunes artistes de deployer leurs talents artistiques. Pour entrer en ligne de compte pour l'octroi de subventions, les instituts supérieurs des arts, doivent, sans préjudice des dispositions de l'article 340quater, répondre aux conditions suivantes:
1° être gérés par une association sans but lucratif, ci-après dénommée l'asbl;
2° se soumettre au contrôle par les commissaires du Gouvernement flamand auprès des écoles supérieures selon les modalités définies au Titre IV, Chapitre V du présent décret;
3° déposer un budget, tenir une comptabilité intégrale, déposer des comptes annuels selon les modalités définies au Titre IV, Chapitre IV du présent décret.
§ 2. Les asbl peuvent conclure des accords avec des écoles supérieures, avec des universités et avec d'autres organismes publics et privés. La convention precisera au moins lejs conditions de collaboration et l'indemnité financière qui sera le cas échéant payée pour le service.
Les asbl peuvent uniquement recruter du personnel par contrat de travail. Par le biais d'une convention conclue entre une asbl et un institut supérieur, un membre du personnel d'un institut supérieur peut être chargé d'une mission moyennant son assentiment. Au plan juridique et administratif, le membre du personnel continue de relever de son institut supérieur et durant cette mission, il se trouve dans la position administrative "activité de service". La convention fixe la durée de la mission et l'indemnité financière que l'asbl verse à l'institut supérieur dont fait partie le membre du personnel.
Art.83. 1° Artikel 78 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1982.
2° Artikel 68 heeft uitwerking vanaf het academiejaar 1994-1995.
3° Artikel 72 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995.
4° De artikelen 45, 52, 53, 60, 69, 79, 80 en 81 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
5° Het artikel 71 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997.
6° De artikelen 58, 59 en 61 hebben uitwerking met ingang van 1 december 1997.
7° De artikelen 46, 63, 1°, 67 en 82 treden in werking op 1 januari 1998.
8° De artikelen 47, 48, 50, 51, 54, 55, 56, 57, 62, 65, 73, 74, 75, 76 en 77 treden in werking op 1 september 1998.
9° De artikelen 63, ten 2° en ten 3°, en 70 hebben uitwerking 10 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
10° De artikelen 64 en 66 treden in werking op 1 januari 1999.
2° Artikel 68 heeft uitwerking vanaf het academiejaar 1994-1995.
3° Artikel 72 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995.
4° De artikelen 45, 52, 53, 60, 69, 79, 80 en 81 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
5° Het artikel 71 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997.
6° De artikelen 58, 59 en 61 hebben uitwerking met ingang van 1 december 1997.
7° De artikelen 46, 63, 1°, 67 en 82 treden in werking op 1 januari 1998.
8° De artikelen 47, 48, 50, 51, 54, 55, 56, 57, 62, 65, 73, 74, 75, 76 en 77 treden in werking op 1 september 1998.
9° De artikelen 63, ten 2° en ten 3°, en 70 hebben uitwerking 10 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
10° De artikelen 64 en 66 treden in werking op 1 januari 1999.
Art.83. 1° L'article 78 produit ses effets le 1er septembre 1982.
2° L'article 68 produit ses effets à partir de l'année académique 19941995.
3° L'article 72 produit ses effets le 1er septembre 1995.
4° Les articles 45, 52, 53, 60, 69, 79, 80 et 81 produisent leurs effets le 1er janvier 1996.
5° L'article 71 produit ses effets le 1er septembre 1997.
6° Les articles 58, 59 et 61 produisent leurs effets le 1er décembre 1997.
7° Les articles 46, 63, 1°, 67 et 82 entrent en vigueur le 1er janvier 1998.
8° Les articles 47, 48, 50, 51, 54, 55, 56, 57, 62, 65, 73, 74, 75, 76 et 77 produisent leurs effets le 1er septembre 1998.
9° Les articles 63, 2° et 3°, et 70 produisent leurs effets 10 jours après la publication au Moniteur belge.
10° Les articles 64 et 66 entrent en vigueur le 1er janvier 1999.
2° L'article 68 produit ses effets à partir de l'année académique 19941995.
3° L'article 72 produit ses effets le 1er septembre 1995.
4° Les articles 45, 52, 53, 60, 69, 79, 80 et 81 produisent leurs effets le 1er janvier 1996.
5° L'article 71 produit ses effets le 1er septembre 1997.
6° Les articles 58, 59 et 61 produisent leurs effets le 1er décembre 1997.
7° Les articles 46, 63, 1°, 67 et 82 entrent en vigueur le 1er janvier 1998.
8° Les articles 47, 48, 50, 51, 54, 55, 56, 57, 62, 65, 73, 74, 75, 76 et 77 produisent leurs effets le 1er septembre 1998.
9° Les articles 63, 2° et 3°, et 70 produisent leurs effets 10 jours après la publication au Moniteur belge.
10° Les articles 64 et 66 entrent en vigueur le 1er janvier 1999.
HOOFDSTUK VI. - Universiteiten.
CHAPITRE VI. - Universites.
Art.84. § 1. In artikel 14 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap worden in het tweede lid de volgende woorden geschrapt: "kandidaat in de Godgeleerdheid".
§ 2. In hetzelfde artikel 14 worden in het derde lid na de woorden "licentiaat in het Notariaat" de woorden "en van licentiaat in de Godgeleerdheid" ingevoegd.
§ 2. In hetzelfde artikel 14 worden in het derde lid na de woorden "licentiaat in het Notariaat" de woorden "en van licentiaat in de Godgeleerdheid" ingevoegd.
Art.84. § 1er. A l'article 14 du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités en Communauté flamande, les mots suivants sont supprimés à l'alinéa deux: "candidat en théologie".
§ 2. Au même article 14, alinéa trois, les mots "et de licencié en théologie" sont insérés après les mots "licencié en notariat."
§ 2. Au même article 14, alinéa trois, les mots "et de licencié en théologie" sont insérés après les mots "licencié en notariat."
Art.85. In artikel 34 van hetzelfde decreet wordt het vijfde lid, ingevoegd bij het decreet van 24 juli 1996, vervangen door wat volgt:
"Het toelatingsexamen, bedoeld in het derde lid, wordt georganiseerd onder de volgende voorwaarden:
1° het examen wordt tweemaal per jaar voor het begin van het academiejaar ingericht; de organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt;
2° de Vlaamse regering kan een examengeld van ten hoogste 1.000 frank vastleggen als bijdrage in het dekken van de organisatiekosten. Vanaf 1998 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 1997.
De Vlaamse regering organiseert het examen volgens de nadere regels die zij daartoe bepaalt."
"Het toelatingsexamen, bedoeld in het derde lid, wordt georganiseerd onder de volgende voorwaarden:
1° het examen wordt tweemaal per jaar voor het begin van het academiejaar ingericht; de organisatie ervan wordt tijdig bekendgemaakt;
2° de Vlaamse regering kan een examengeld van ten hoogste 1.000 frank vastleggen als bijdrage in het dekken van de organisatiekosten. Vanaf 1998 wordt het bedrag aangepast aan de jaarlijkse stijging van de index van de consumptieprijzen met als referentiedatum 1 januari 1997.
De Vlaamse regering organiseert het examen volgens de nadere regels die zij daartoe bepaalt."
Art.85. A l'article 34 du même décret, l'alinéa cinq, inséré par le décret du 24 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante:
"L'examen d'admission visé à l'alinéa trois est organisé dans les conditions suivantes:
1° l'examen est organisé deux fois par an avant le début de l'année académique; l'organisation de l'examen est publiée en temps utile;
2° le Gouvernement flamand peut fixer un droit de participation à l'examen de 1.000 francs maximum à titre de participation dans les frais d'organisation. A partir de 1998, le montant est adapté à l'augmentation annuelle de l'indice des prix à la consommation avec comme date de référence, le 1er janvier 1997.
Le Gouvernement flamand organise l'examen selon des modalités qu'il détermine.
"L'examen d'admission visé à l'alinéa trois est organisé dans les conditions suivantes:
1° l'examen est organisé deux fois par an avant le début de l'année académique; l'organisation de l'examen est publiée en temps utile;
2° le Gouvernement flamand peut fixer un droit de participation à l'examen de 1.000 francs maximum à titre de participation dans les frais d'organisation. A partir de 1998, le montant est adapté à l'augmentation annuelle de l'indice des prix à la consommation avec comme date de référence, le 1er janvier 1997.
Le Gouvernement flamand organise l'examen selon des modalités qu'il détermine.
Art.86. In artikel 36 van hetzelfde decreet wordt een tweede zin toegevoegd die luidt als volgt:
"Voor de inschrijving voor een licentiaat in de Godgeleerdheid geldt het bezit van een diploma van een licentiaat in de godsdienstwetenschappen als enige toelatingsvoorwaarde."
"Voor de inschrijving voor een licentiaat in de Godgeleerdheid geldt het bezit van een diploma van een licentiaat in de godsdienstwetenschappen als enige toelatingsvoorwaarde."
Art.86. A l'article 36 du même décret, est ajoutéeune deuxième phrase, libellée comme suit:
"Pour l'inscription à une licence en théologie, la détention d'un diplôme de licencié en sciences religieuses tient lieu d'unique condition d'admission."
"Pour l'inscription à une licence en théologie, la détention d'un diplôme de licencié en sciences religieuses tient lieu d'unique condition d'admission."
Art.87. § 1. In artikel 49, eerste lid, 3°, van hetzelfde decreet worden de volgende woorden geschrapt: "kandidaat in de Godgeleerdheid".
§ 2. In hetzelfde artikel 49 worden in het eerste lid ten 5° tussen de woorden "licentiaat in het Notariaat" en de woorden "gediplomeerde in de aanvullende studies van" de woorden "licentiaat in de Godgeleerdheid" gevoegd."
§ 2. In hetzelfde artikel 49 worden in het eerste lid ten 5° tussen de woorden "licentiaat in het Notariaat" en de woorden "gediplomeerde in de aanvullende studies van" de woorden "licentiaat in de Godgeleerdheid" gevoegd."
Art.87. § 1er. A l'article 49, premier alinéa, 3°, du même décret, les mots suivants sont supprimés: "candidat en théologie".
§ 2. Au même article 49, au premier alinéa, 5°, les mots "licencié en théologie" sont insérés entre les mots "licencié en notariat" et les mots "diplômé en études complémentaires de".
§ 2. Au même article 49, au premier alinéa, 5°, les mots "licencié en théologie" sont insérés entre les mots "licencié en notariat" et les mots "diplômé en études complémentaires de".
Art.88. In artikel 51, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de passus"... diploma van een andere academische opleiding van de tweede cyclus" aangevuld met "of einddiploma van de hele cyclus van een opleiding die leidt tot het ambt van bedienaar van een erkende eredienst".
Art.88. A l'article 51, alinéa premier, du même décret, le passage "... diplôme d'une autre formation académique du second cycle" est complété par "ou le diplôme final du cycle complet d'une formation aboutissant à la fonction de ministre d'un culte agréé."
Art.89. In artikel 70, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de tweede volzin vervangen door de volgende bepaling:
"In het jaarverslag bedoeld in artikel 162, brengt het universiteitsbestuur over deze onderwijsbegeleiding verslag uit."
"In het jaarverslag bedoeld in artikel 162, brengt het universiteitsbestuur over deze onderwijsbegeleiding verslag uit."
Art.89. A l'article 70, première phrase, du même décret, la deuxième phrase est remplacée par la disposition suivante:
"Dans le rapport annuel visé à l'article 162, la direction de l'université fait rapport sur cet accompagnement d'enseignement."
"Dans le rapport annuel visé à l'article 162, la direction de l'université fait rapport sur cet accompagnement d'enseignement."
Art.90. Artikel 92, derde lid van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een tweede volzin luidend als volgt:
"Voor de berekening van de maximaal toelaatbare aanstellingsduur van assistenten bedoeld in het eerste lid, wordt de periode gedurende dewelke de betrokkene een stipendium van een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap genoot voor de voorbereiding van een doctoraal proefschrift, in rekening gebracht. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de lopende aanstellingen doorlopen tot het einde van het tweejarig mandaat in het geval dat de maximaal toelaatbare aanstellingsduur overschreden is."
"Voor de berekening van de maximaal toelaatbare aanstellingsduur van assistenten bedoeld in het eerste lid, wordt de periode gedurende dewelke de betrokkene een stipendium van een universiteit in de Vlaamse Gemeenschap genoot voor de voorbereiding van een doctoraal proefschrift, in rekening gebracht. Bij wijze van overgangsmaatregel blijven de lopende aanstellingen doorlopen tot het einde van het tweejarig mandaat in het geval dat de maximaal toelaatbare aanstellingsduur overschreden is."
Art.90. L'article 92, alinéa trois, du même décret est complété par une deuxième phrase, libellée comme suit:
"Pour le calcul de la durée de désignation maximale admissible d'assistants visés, à l'alinéa premier, la période durant laquelle l'intéresse bénéficiait d'une bourse d'une université en Communauté flamande pour la préparation d'un mémoire de doctorat, sera prise en compte. A titre de mesure transitoire, les désignations en cours continuent de sortir leurs effets jusqu'a l'expiration du mandat de deux ans en cas de dépassement de la durée de désignation maximale admissible."
"Pour le calcul de la durée de désignation maximale admissible d'assistants visés, à l'alinéa premier, la période durant laquelle l'intéresse bénéficiait d'une bourse d'une université en Communauté flamande pour la préparation d'un mémoire de doctorat, sera prise en compte. A titre de mesure transitoire, les désignations en cours continuent de sortir leurs effets jusqu'a l'expiration du mandat de deux ans en cas de dépassement de la durée de désignation maximale admissible."
Art.91. In artikel 96 van hetzelfde decreet gewijzigd bij decreet van 5 april 1995 worden de woorden "de bezoldigingsregeling" vervangen door de woorden "de salarisschalen".
Art.91. A l'article 96 du même décret, tel que modifié par le décret du 5 avril 1995, les mots "le régime de rémunération" sont remplacés par les mots "les échelles de traitement".
Art.92. § 1. Artikel 98 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"Artikel 98. De ranginneming voor het verkrijgen van de periodieke verhogingen in de salarisschalen van de ambten van gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, hoofddocent of docent, benoemd of aangesteld zowel met een voltijds als met een deeltijds procentueel dienstverband, wordt vastgesteld op de datum van de inwerkingtreding van het besluit houdende benoeming of aanstelling tot het ambt waarin de betrokkene het eerst werd benoemd of aangesteld, met dien verstande dat de datum van ranginneming niet voor de datum van de daadwerkelijke indiensttreding kan vallen."
§ 2. Artikel 98 wordt aangevuld met een tweede lid luidend als volgt:
"In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de Vlaamse regering in het uitvoeringsbesluit genomen krachtens artikel 63, tweede lid bepalen dat bepaalde onderbrekingen van de ambtsvervulling niet meegerekend worden in de anciënniteit met het oog op het verkrijgen van een periodieke verhoging in de salarisschaal."
"Artikel 98. De ranginneming voor het verkrijgen van de periodieke verhogingen in de salarisschalen van de ambten van gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, hoofddocent of docent, benoemd of aangesteld zowel met een voltijds als met een deeltijds procentueel dienstverband, wordt vastgesteld op de datum van de inwerkingtreding van het besluit houdende benoeming of aanstelling tot het ambt waarin de betrokkene het eerst werd benoemd of aangesteld, met dien verstande dat de datum van ranginneming niet voor de datum van de daadwerkelijke indiensttreding kan vallen."
§ 2. Artikel 98 wordt aangevuld met een tweede lid luidend als volgt:
"In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan de Vlaamse regering in het uitvoeringsbesluit genomen krachtens artikel 63, tweede lid bepalen dat bepaalde onderbrekingen van de ambtsvervulling niet meegerekend worden in de anciënniteit met het oog op het verkrijgen van een periodieke verhoging in de salarisschaal."
Art.92. § 1er. L'article 98 du même décret est remplacé par la disposition suivante:
"Article 98. La prise de rang pour l'obtention des augmentations périodiques dans les échelles de traitement des fonctions de professeur ordinaire, de professeur extraordinaire, de professeur, de chargé de cours principal ou de chargé de cours ou, nommé ou désigné dans le cadre d'un emploi à temps plein ou à temps partiel exprimé en pourcentage, est déterminée à la date d'entrée en vigueur del'arrêté portant nomination ou désignation à la fonction dans laquelle l'intéressé a été nommé ou désigné la première fois, étant entendu que la date de prise de rang ne peut être antérieure à la date d'entrée en service effective.
§ 2. L'article 98 est complété par un alinéa deux, libellé comme suit:
"Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, le Gouvernement flamand peut stipuler dans l'arrêté d'exécution adopté en vertu de l'article 63, alinéa deux, que certaines interruptions de l'exercice de la fonction ne sont pas prises en compte pour le calcul de l'ancienneté en vue de l'obtention d'une augmentation périodique de l'échelle de traitement."
"Article 98. La prise de rang pour l'obtention des augmentations périodiques dans les échelles de traitement des fonctions de professeur ordinaire, de professeur extraordinaire, de professeur, de chargé de cours principal ou de chargé de cours ou, nommé ou désigné dans le cadre d'un emploi à temps plein ou à temps partiel exprimé en pourcentage, est déterminée à la date d'entrée en vigueur del'arrêté portant nomination ou désignation à la fonction dans laquelle l'intéressé a été nommé ou désigné la première fois, étant entendu que la date de prise de rang ne peut être antérieure à la date d'entrée en service effective.
§ 2. L'article 98 est complété par un alinéa deux, libellé comme suit:
"Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, le Gouvernement flamand peut stipuler dans l'arrêté d'exécution adopté en vertu de l'article 63, alinéa deux, que certaines interruptions de l'exercice de la fonction ne sont pas prises en compte pour le calcul de l'ancienneté en vue de l'obtention d'une augmentation périodique de l'échelle de traitement."
Art.93. Artikel 99 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een tweede lid luidend als volgt:
"Bij wijze van overgangsmaatregel kan het universiteitsbestuur alsnog retroactief een anciënniteitsbijslag toekennen op het moment dat de omvang van een deeltijds procentueel dienstverband werd uitgebreid hetzij tot een deeltijds dienstverband van ten minste 50 % hetzij tot een voltijds dienstverband. Deze overgangsmaatregel slaat op beslissingen die het universiteitsbestuur genomen heeft in de periode van 1 oktober 1991 tot 31 december 1997. Het universiteitsbestuur dient de beslissingen van toekenning van deze retroactieve anciënniteitsbijslagen te nemen vóór 1 januari 1999."
"Bij wijze van overgangsmaatregel kan het universiteitsbestuur alsnog retroactief een anciënniteitsbijslag toekennen op het moment dat de omvang van een deeltijds procentueel dienstverband werd uitgebreid hetzij tot een deeltijds dienstverband van ten minste 50 % hetzij tot een voltijds dienstverband. Deze overgangsmaatregel slaat op beslissingen die het universiteitsbestuur genomen heeft in de periode van 1 oktober 1991 tot 31 december 1997. Het universiteitsbestuur dient de beslissingen van toekenning van deze retroactieve anciënniteitsbijslagen te nemen vóór 1 januari 1999."
Art.93. L'article 99 du même décret est complété par un alinéa deux, libellé comme suit:
"A titre de mesure transitoire, la direction de l'université peut octroyer un supplément d'ancienneté avec effet rétroactif au moment de l'extension d'un lien contractuel à temps partiel, exprimé en pourcentage, en un contrat de 50 % au moins soit en un contrat à temps plein. Cette mesure transitoire porte sur les décisions prises par la direction de l'université au cours de la période du 1er octobre 1991 jusqu'au 31 décembre 1997. La direction de l'université est tenue de prendre les décisions d'octroi de ces suppléments d'ancienneté rétroactifs avant le 1er janvier 1999."
"A titre de mesure transitoire, la direction de l'université peut octroyer un supplément d'ancienneté avec effet rétroactif au moment de l'extension d'un lien contractuel à temps partiel, exprimé en pourcentage, en un contrat de 50 % au moins soit en un contrat à temps plein. Cette mesure transitoire porte sur les décisions prises par la direction de l'université au cours de la période du 1er octobre 1991 jusqu'au 31 décembre 1997. La direction de l'université est tenue de prendre les décisions d'octroi de ces suppléments d'ancienneté rétroactifs avant le 1er janvier 1999."
Art.94. Artikel 110, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art.94. L'article 110, alinéa deux, du même décret est abrogé.
Art.95. Artikel 128, derde lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling:
"De uitgaven in verband met de sociale voorzieningen voor het personeel bezoldigd ten laste van de werkingsuitkering, kunnen aangerekend worden op de werkingsuitkering. In dat geval worden deze uitgaven meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel 160 bedoelde 80 percent- of 85 percent-norm."
"De uitgaven in verband met de sociale voorzieningen voor het personeel bezoldigd ten laste van de werkingsuitkering, kunnen aangerekend worden op de werkingsuitkering. In dat geval worden deze uitgaven meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel 160 bedoelde 80 percent- of 85 percent-norm."
Art.95. L'article 128, alinéa trois, du même décret est remplacé par la disposition suivante:
"Les dépenses liées aux prestations sociales en faveur du personnel rémunéré à charge de l'allocation de fonctionnement peuvent être imputées à celle-ci. Dans ce cas, ces dépenses sont comptabilisées comme dépenses de personnel pour la fixation de la norme de 80 ou de 85 pour cent, visée a l'article 160.
"Les dépenses liées aux prestations sociales en faveur du personnel rémunéré à charge de l'allocation de fonctionnement peuvent être imputées à celle-ci. Dans ce cas, ces dépenses sont comptabilisées comme dépenses de personnel pour la fixation de la norme de 80 ou de 85 pour cent, visée a l'article 160.
Art. 96. § 1. In artikel 130 van hetzelfde decreet worden de paragrafen 1 tot en met 5 vervangen door wat volgt:
"§ 1. In 1995 worden aan de Vlaamse universiteiten de volgende werkingsuitkeringen, uitgedrukt in miljoenen franken, toegekend:
"§ 1. In 1995 worden aan de Vlaamse universiteiten de volgende werkingsuitkeringen, uitgedrukt in miljoenen franken, toegekend:
Art. 96. § 1er. A l'article 130 du même décret, les paragraphes 1 jusqu'à 5 inclus, sont remplacés par ce qui suit:
"§ 1er. En 1995, les allocations de fonctionnement suivantes, exprimées en millions de francs, sont accordées aux universités flamandes:
"§ 1er. En 1995, les allocations de fonctionnement suivantes, exprimées en millions de francs, sont accordées aux universités flamandes:
| 1995 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 1. | Katholieke Universiteit Leuven | 7.022,3 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 2. | Vrije Universiteit Brussel | 2.445,8 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 3. | Universiteit Antwerpen | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| a. Universitair Centrum Antwerpen | 747,1 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| b. Universitaire Instelling Antwerpen | 989,4 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| C. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen | 773,8 | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 4. | Limburgs Universitair Centrum | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 5. | Katholieke Universiteit Brussel | 649,1 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 6. | Universiteit Gent | 195,1 | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Wijzigingen<tr><td valign="top"> <td valign="top"> <td valign="top">4.744,0</td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></td></td></td></tr></table>19951.Katholieke Universiteit Leuven7.022,32.Vrije Universiteit Brussel2.445,83.Universiteit Antwerpena. Universitair Centrum Antwerpen747,1b. Universitaire Instelling Antwerpen989,4C. Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen773,84.Limburgs Universitair Centrum5.Katholieke Universiteit Brussel649,16.Universiteit Gent195,1--------------4.744,0
|