Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
16 JULI 1998. - Ordonnantie betreffende de toekenning van subsidies om investeringen van openbaar nut aan te moedigen (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-08-1998 en tekstbijwerking tot 23-12-2021)
Titre
16 JUILLET 1998. - Ordonnance relative à l'octroi de subsides destinés à encourager la réalisation d'investissements d'intérêt public(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-08-1998 et mise à jour au 23-12-2021)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Begrotingsbepalingen.
HOOFDSTUK III. [1 - Subsidieaanvraagprocedure.]1
HOOFDSTUK IV. [1 - Het driejarig gemeentelijk i...
HOOFDSTUK V. - De driejarige investeringsdotatie.
HOOFDSTUK VI. - De driejarige ontwikkelingsdota...
HOOFDSTUK VIbis. [1 - Begeleidingscomité.]1
HOOFDSTUK VII. - De subsidieerbare investeringen.
HOOFDSTUK VIII. - De toekenning van de subsidies.
HOOFDSTUK IX. - Berekening van de subsidie.
HOOFDSTUK X. - Opheffings- en overgangsbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE I. - Généralités.
CHAPITRE II. - Dispositions budgétaires.
CHAPITRE III. [1 - Procédure de demande de subv...
CHAPITRE IV. [1 - Le programme triennal d'inves...
CHAPITRE V. - La dotation triennale d'investiss...
CHAPITRE VI. - La dotation triennale de dévelop...
CHAPITRE VIbis. [1 - Comité d'accompagnement.]1
CHAPITRE VII. - Les investissements subsidiables.
CHAPITRE VIII. - L'octroi des subsides.
CHAPITRE IX. - Calcul du subside.
CHAPITRE X. - Dispositions abrogatoires et tran...
Tekst (48)
Texte (48)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Généralités.
Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Article 1. La présente ordonnance règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
Art. 2. Overeenkomstig de bepalingen van deze ordonnantie [2 en voor zover de overeenstemming is gewaarborgd met de ordonnantie tot oprichting van een kader inzake mobiliteitsplanning en tot wijziging van sommige bepalingen die een impact hebben op het vlak van mobiliteit,]2 gaat de Regering over tot de toewijzing en de verdeling van subsidies, bestemd voor de aanmoediging van investeringen van openbaar nut betreffende de openbare ruimten, de gebouwen en de sanering op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
[1 De investeringen bedoeld in de artikelen 16, 7°, en 17, 3°, mogen betrekking hebben op begraafplaatsen, columbariums of crematoriums die gelegen zijn buiten het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op voorwaarde dat ze eigendom zijn van een Brusselse gemeente of intercommunale.]1
[1 De investeringen bedoeld in de artikelen 16, 7°, en 17, 3°, mogen betrekking hebben op begraafplaatsen, columbariums of crematoriums die gelegen zijn buiten het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, op voorwaarde dat ze eigendom zijn van een Brusselse gemeente of intercommunale.]1
Art. 2. Le Gouvernement alloue et répartit, conformément aux dispositions de la présente ordonnance [2 et pour autant que soit garantie la conformité avec l'ordonnance instituant un cadre en matière de planification de la mobilité et modifiant diverses dispositions ayant un impact en matière de mobilité]2 , des subsides destinés à encourager la réalisation d'investissements d'intérêt public relatifs aux espaces publics, aux bâtiments et à l'assainissement sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.
[1 Toutefois, les investissements visés à l'article 16, 7°, et 17, 3°, peuvent concerner des cimetières, columbariums ou crématoriums situés hors du territoire de la Région de Bruxelles-Capitale pour autant qu'il s'agisse d'un bien appartenant à une commune ou une intercommunale bruxelloise.]1
[1 Toutefois, les investissements visés à l'article 16, 7°, et 17, 3°, peuvent concerner des cimetières, columbariums ou crématoriums situés hors du territoire de la Région de Bruxelles-Capitale pour autant qu'il s'agisse d'un bien appartenant à une commune ou une intercommunale bruxelloise.]1
Art. 3. Voor de berekening van de termijnen die aan de Regering of de aanvragers of ontvangers van een subsidie worden toegewezen, zijn de volgende regels van toepassing :
1° de termijn begint te lopen vanaf de dag volgend op die waarop de documenten ontvangen worden;
2° de vervaldag is in de termijn begrepen.
Wanneer de vervaldag een zaterdag, een zondag of een feestdag is, wordt de vervaldag uitgesteld tot de volgende werkdag. Onder feestdagen verstaat men de volgende dagen: 1 januari, Paasmaandag, 1 mei, Hemelvaartdag, Pinkstermaandag, 21 juli, 15 augustus, 1, 2, 11 en 15 november, 25 en 26 december, alsmede de bij besluit van de Regering bepaalde dagen.
De akten van de aanvragers, de begunstigden en van de Regering worden verstuurd hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, hetzij per drager, met dien verstande dat de akte in dit laatste geval overhandigd wordt tegen afgifte van een ontvangstbewijs. [1 De Regering kan ook de elektronische verzending van documenten toestaan op de wijze die ze bepaalt.]1
1° de termijn begint te lopen vanaf de dag volgend op die waarop de documenten ontvangen worden;
2° de vervaldag is in de termijn begrepen.
Wanneer de vervaldag een zaterdag, een zondag of een feestdag is, wordt de vervaldag uitgesteld tot de volgende werkdag. Onder feestdagen verstaat men de volgende dagen: 1 januari, Paasmaandag, 1 mei, Hemelvaartdag, Pinkstermaandag, 21 juli, 15 augustus, 1, 2, 11 en 15 november, 25 en 26 december, alsmede de bij besluit van de Regering bepaalde dagen.
De akten van de aanvragers, de begunstigden en van de Regering worden verstuurd hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, hetzij per drager, met dien verstande dat de akte in dit laatste geval overhandigd wordt tegen afgifte van een ontvangstbewijs. [1 De Regering kan ook de elektronische verzending van documenten toestaan op de wijze die ze bepaalt.]1
Art. 3. Pour le calcul des délais qui sont impartis au Gouvernement et aux demandeurs ou bénéficiaires de subsides, les règles suivantes sont d'application :
1° le point de départ du délai est le lendemain du jour de la réception des documents;
2° le jour de l'échéance est compté dans le délai.
Lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié, l'échéance est reportée au jour ouvrable suivant. On entend par jours fériés, les jours suivants : le 1er janvier, le lundi de Pâques, le 1er mai, l'Ascension, le lundi de Pentecôte, le 21 juillet, le 15 août, les 1er, 2, 11 et 15 novembre, les 25 et 26 décembre, ainsi que les jours déterminés par arrêté du Gouvernement.
L'envoi des actes par les demandeurs, les bénéficiaires et par le Gouvernement se fait soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par porteur, étant entendu que, dans ce dernier cas, la remise de l'acte a lieu moyennant la délivrance d'un récépissé. [1 Le Gouvernement peut également autoriser l'envoi électronique de documents par la voie qu'il détermine.]1
1° le point de départ du délai est le lendemain du jour de la réception des documents;
2° le jour de l'échéance est compté dans le délai.
Lorsque le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié, l'échéance est reportée au jour ouvrable suivant. On entend par jours fériés, les jours suivants : le 1er janvier, le lundi de Pâques, le 1er mai, l'Ascension, le lundi de Pentecôte, le 21 juillet, le 15 août, les 1er, 2, 11 et 15 novembre, les 25 et 26 décembre, ainsi que les jours déterminés par arrêté du Gouvernement.
L'envoi des actes par les demandeurs, les bénéficiaires et par le Gouvernement se fait soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par porteur, étant entendu que, dans ce dernier cas, la remise de l'acte a lieu moyennant la délivrance d'un récépissé. [1 Le Gouvernement peut également autoriser l'envoi électronique de documents par la voie qu'il détermine.]1
Wijzigingen
Art. 4. Kunnen genieten van de subsidies toegekend krachtens deze ordonnantie :
1° de gemeenten;
2° de intercommunales;
3° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
4° [1 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]1;
5° [2 ...]2
6° de rechtspersonen die de onroerende goederen beheren noodzakelijk voor het uitoefenen van de lekenmoraal;
7° de publiekrechtelijke rechtspersonen die hiertoe worden aangewezen door de Regering.
1° de gemeenten;
2° de intercommunales;
3° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
4° [1 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]1;
5° [2 ...]2
6° de rechtspersonen die de onroerende goederen beheren noodzakelijk voor het uitoefenen van de lekenmoraal;
7° de publiekrechtelijke rechtspersonen die hiertoe worden aangewezen door de Regering.
Art. 4. Peuvent bénéficier des subsides accordés en vertu de la présente ordonnance :
1° les communes;
2° les intercommunales;
3° les centres publics d'[1 action]1 sociale;
4° [2 les établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]2;
5° [3 ...]3
6° les personnes morales gérant des biens immobiliers nécessaires à l'exercice de la morale laïque;
7° les personnes morales de droit public désignées à cet effet par le Gouvernement.
1° les communes;
2° les intercommunales;
3° les centres publics d'[1 action]1 sociale;
4° [2 les établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]2;
5° [3 ...]3
6° les personnes morales gérant des biens immobiliers nécessaires à l'exercice de la morale laïque;
7° les personnes morales de droit public désignées à cet effet par le Gouvernement.
HOOFDSTUK II. - Begrotingsbepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions budgétaires.
Art. 5. Het bedrag van de subsidies bestemd voor de [2 begunstigden bedoeld in artikel 4, 1°, 3° en 4°]2 wordt bepaald voor opeenvolgende periodes van drie jaar. De eerste periode van drie jaar vangt aan op 1 januari van het jaar waarin deze ordonnantie in voege treedt.
Het eerste jaar van elke driejarige periode wordt een vastleggingskrediet uitgetrokken op de gewestbegroting om subsidies toe te kennen om de investeringen van openbaar nut aan te moedigen door [2 begunstigden bedoeld in artikel 4, 1°, 3° en 4°]2. Van dit krediet is zeventig procent bestemd voor de driejarige investeringsdotatie bepaald in hoofdstuk V. Dertig procent van deze kredieten is bestemd voor de driejarige ontwikkelingsdotatie bepaald in hoofdstuk VI.
[1 Derde lid opgeheven.]1
Het eerste jaar van elke driejarige periode wordt een vastleggingskrediet uitgetrokken op de gewestbegroting om subsidies toe te kennen om de investeringen van openbaar nut aan te moedigen door [2 begunstigden bedoeld in artikel 4, 1°, 3° en 4°]2. Van dit krediet is zeventig procent bestemd voor de driejarige investeringsdotatie bepaald in hoofdstuk V. Dertig procent van deze kredieten is bestemd voor de driejarige ontwikkelingsdotatie bepaald in hoofdstuk VI.
[1 Derde lid opgeheven.]1
Art. 5. Le montant des subsides destinés aux [2 bénéficiaires visés à l'article 4, 1°, 3° et 4°]2 est fixé pour des périodes successives de trois années. Le premier triennat prend cours le 1er janvier de l'année de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
La première année de chaque triennat, un crédit d'engagement est inscrit au budget régional en vue d'allouer des subsides destinés à encourager la réalisation d'investissements d'intérêt public par les [2 bénéficiaires visés à l'article 4, 1°, 3° et 4°]2. Septante pour-cent de ce crédit est destiné à la dotation triennale d'investissement définie au chapitre V. Trente pour-cent de ces crédits sont destinés à la dotation triennale de développement définie au chapitre VI.
[1 ...]1.
La première année de chaque triennat, un crédit d'engagement est inscrit au budget régional en vue d'allouer des subsides destinés à encourager la réalisation d'investissements d'intérêt public par les [2 bénéficiaires visés à l'article 4, 1°, 3° et 4°]2. Septante pour-cent de ce crédit est destiné à la dotation triennale d'investissement définie au chapitre V. Trente pour-cent de ces crédits sont destinés à la dotation triennale de développement définie au chapitre VI.
[1 ...]1.
Art. 5bis. [1 Het gedeelte van de driejarige investeringsdotatie waarvan wordt vastgesteld dat het niet wordt gebruikt voor projecten die ingeschreven staan in het driejarig investeringsprogramma bedoeld in artikel 8, wordt gevoegd bij de lopende driejarige ontwikkelingsdotatie en aangewend voor de subsidiëring tegen honderd procent van investeringen als bedoeld in artikel 17, 4°.]1
Art. 5bis. [1 La partie de la dotation triennale d'investissement dont il est constaté qu'elle n'est pas utilisée pour des projets inscrits dans le programme triennal d'investissement visé à l'article 8 est ajoutée à la dotation triennale de développement en cours et est affectée à la subsidiation au taux de cent pour cent d'investissements visés à l'article 17, 4°.]1
Wijzigingen
Art. 6. De subsidies toegekend aan de gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [2 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]2 worden toegekend binnen de perken van de driejarige investeringsdotatie bepaald in hoofdstuk V.
Specifieke subsidies kunnen worden toegekend aan de gemeenten [1 en openbare centra voor maatschappelijk welzijn]1 binnen de perken van de driejarige ontwikkelingsdotatie bepaald in hoofdstuk VI.
De subsidies voor de intercommunales, voor de bestuursorganen van erkende erediensten niet bedoeld in het eerste lid, voor rechtspersonen die de onroerende goederen beheren noodzakelijk voor de lekenmoraal en voor publiekrechtelijke rechtspersonen die door de Regering worden aangewezen, worden door de Regering toegekend binnen de perken van de kredieten die daartoe beschikbaar zijn.
Specifieke subsidies kunnen worden toegekend aan de gemeenten [1 en openbare centra voor maatschappelijk welzijn]1 binnen de perken van de driejarige ontwikkelingsdotatie bepaald in hoofdstuk VI.
De subsidies voor de intercommunales, voor de bestuursorganen van erkende erediensten niet bedoeld in het eerste lid, voor rechtspersonen die de onroerende goederen beheren noodzakelijk voor de lekenmoraal en voor publiekrechtelijke rechtspersonen die door de Regering worden aangewezen, worden door de Regering toegekend binnen de perken van de kredieten die daartoe beschikbaar zijn.
Art. 6. Les subsides octroyés aux communes, centres publics d'[1 action]1 sociale, [3 établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]3 sont alloués dans les limites de la dotation triennale d'investissement définie au chapitre V.
Des subsides spécifiques peuvent être alloués aux communes [2 et centres publics d'action sociale]2 dans les limites de la dotation triennale de développement définie au chapitre VI.
Les subsides octroyés aux intercommunales, aux organes d'administration des cultes reconnus non visés à l'alinéa premier, aux personnes morales gérant des biens immobiliers nécessaires à l'exercice de la morale laïque et aux personnes morales de droit public désignées par le Gouvernement, sont alloués par le Gouvernement dans les limites des crédits disponibles à cette fin.
Des subsides spécifiques peuvent être alloués aux communes [2 et centres publics d'action sociale]2 dans les limites de la dotation triennale de développement définie au chapitre VI.
Les subsides octroyés aux intercommunales, aux organes d'administration des cultes reconnus non visés à l'alinéa premier, aux personnes morales gérant des biens immobiliers nécessaires à l'exercice de la morale laïque et aux personnes morales de droit public désignées par le Gouvernement, sont alloués par le Gouvernement dans les limites des crédits disponibles à cette fin.
HOOFDSTUK III. [1 - Subsidieaanvraagprocedure.]1
CHAPITRE III. [1 - Procédure de demande de subvention.]1
Art. 7. [1 § 1. Wat de projecten betreft van de gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [2 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]2, volgen de gemeenten onderstaande procedure :
1° de projecten opnemen in het ontwerp van gemeentelijk driejarig investeringsprogramma zoals omschreven in hoofdstuk IV;
2° hun ontwerp van gemeentelijk driejarig investeringsprogramma indienen bij het begeleidingscomité vooraleer ze de goedkeuring van de Regering vragen. Na de beraadslagingen van het begeleidingscomité worden er notulen van de vergadering opgesteld en bezorgd aan de Regering en aan de gemeente;
3° voor elk project een subsidieaanvraag indienen in overeenstemming met artikel 23.
§ 2. Intercommunales, administratieve organen van de erkende erediensten die niet bedoeld worden in § 1, en de rechtspersonen die onroerende goederen beheren noodzakelijk voor de uitoefening van de lekenmoraal, volgen de hieronder beschreven procedure voor elk project :
1° een principiële instemming voor de toekenning van subsidies aanvragen in overeenstemming met artikel 22, behalve voor de studieprojecten bedoeld in artikel 19;
2° een subsidieaanvraag indienen in overeenstemming met artikel 23.
§ 3. Voor de begunstigden bedoeld in artikel 4, 7°, wordt één van de hierboven vermelde procedures toegepast al naargelang hun projecten al dan niet opgenomen zijn in het driejarig gemeentelijk investeringsprogramma.]1
1° de projecten opnemen in het ontwerp van gemeentelijk driejarig investeringsprogramma zoals omschreven in hoofdstuk IV;
2° hun ontwerp van gemeentelijk driejarig investeringsprogramma indienen bij het begeleidingscomité vooraleer ze de goedkeuring van de Regering vragen. Na de beraadslagingen van het begeleidingscomité worden er notulen van de vergadering opgesteld en bezorgd aan de Regering en aan de gemeente;
3° voor elk project een subsidieaanvraag indienen in overeenstemming met artikel 23.
§ 2. Intercommunales, administratieve organen van de erkende erediensten die niet bedoeld worden in § 1, en de rechtspersonen die onroerende goederen beheren noodzakelijk voor de uitoefening van de lekenmoraal, volgen de hieronder beschreven procedure voor elk project :
1° een principiële instemming voor de toekenning van subsidies aanvragen in overeenstemming met artikel 22, behalve voor de studieprojecten bedoeld in artikel 19;
2° een subsidieaanvraag indienen in overeenstemming met artikel 23.
§ 3. Voor de begunstigden bedoeld in artikel 4, 7°, wordt één van de hierboven vermelde procedures toegepast al naargelang hun projecten al dan niet opgenomen zijn in het driejarig gemeentelijk investeringsprogramma.]1
Art. 7. [1 § 1er. En ce qui concerne les projets des communes, centres publics d'action sociale, [2 établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]2, les communes suivent la procédure suivante :
1° inscrire les projets dans le projet de programme triennal d'investissement communal défini au chapitre IV;
2° soumettre leur projet de programme triennal d'investissement communal au comité d'accompagnement avant de solliciter l'approbation du Gouvernement. Au terme des consultations du comité d'accompagnement, un procès-verbal de la réunion est rédigé et communiqué au Gouvernement et à la commune;
3° pour chaque projet, introduire une demande d'octroi de subsides conformément à l'article 23.
§ 2. Les intercommunales, les organes d'administration des cultes reconnus non visés au § 1er et les personnes morales gérant des biens immobiliers nécessaires à l'exercice de la morale laïque suivent la procédure suivante pour chaque projet :
1° introduire une demande d'accord de principe d'octroi de subsides conformément à l'article 22, hormis pour les projets d'études visé à l'article 19;
2° introduire une demande d'octroi de subsides conformément à l'article 23.
§ 3. Pour les bénéficiaires visés à l'article 4, 7°, une des procédures susvisées s'applique selon que leurs projets sont intégrés ou non au programme triennal d'investissement communal.]1
1° inscrire les projets dans le projet de programme triennal d'investissement communal défini au chapitre IV;
2° soumettre leur projet de programme triennal d'investissement communal au comité d'accompagnement avant de solliciter l'approbation du Gouvernement. Au terme des consultations du comité d'accompagnement, un procès-verbal de la réunion est rédigé et communiqué au Gouvernement et à la commune;
3° pour chaque projet, introduire une demande d'octroi de subsides conformément à l'article 23.
§ 2. Les intercommunales, les organes d'administration des cultes reconnus non visés au § 1er et les personnes morales gérant des biens immobiliers nécessaires à l'exercice de la morale laïque suivent la procédure suivante pour chaque projet :
1° introduire une demande d'accord de principe d'octroi de subsides conformément à l'article 22, hormis pour les projets d'études visé à l'article 19;
2° introduire une demande d'octroi de subsides conformément à l'article 23.
§ 3. Pour les bénéficiaires visés à l'article 4, 7°, une des procédures susvisées s'applique selon que leurs projets sont intégrés ou non au programme triennal d'investissement communal.]1
HOOFDSTUK IV. [1 - Het driejarig gemeentelijk investeringsprogramma.]1
CHAPITRE IV. [1 - Le programme triennal d'investissement communal.]1
Art. 8. [1 Nadat de gemeenteraad kennis heeft genomen van de notulen over de beraadslagingen van het begeleidingscomité, keurt de raad het gemeentelijke driejarige investeringsprogramma goed. Dit programma mag tijdens de driejarige periode gewijzigd worden door de gemeenteraad als die daarvoor dezelfde procedure volgt als voor het oorspronkelijke programma. Enkel projecten ingeschreven in het gewestelijke driejarige investeringsprogramma komen in aanmerking voor een subsidie.]1
Art. 8. [1 Après avoir pris connaissance du procès- verbal des consultations du comité d'accompagnement, le conseil communal approuve le programme triennal d'investissement communal. Ce programme peut être modifié par le conseil communal en cours de triennat en suivant la même procédure que celle suivie pour l'élaboration du programme initial. Seuls des projets inscrits dans le pro- gramme triennal d'investissement communal sont susceptibles d'être subsidiés.]1
Wijzigingen
Art. 9. Het driejarig investeringsprogramma wordt opgesteld op een formulier overeenkomstig het door de Regering bepaalde voorbeeld. Het bevat ten minste de volgende elementen :
1° [2 ...]2 een lijst van de geplande investeringen in het kader van de driejarige investeringsdotatie, vergezeld van een nota waarin uitdrukkelijk geformuleerd wordt op welke manier tegemoet gekomen wordt aan de prioriteiten van het gemeentelijk ontwikkelingsplan [1 , van het gewestelijk mobiliteitsplan, en van het gemeentelijk mobiliteitsplan.]1
2° [2 ...]2
3° [2 ...]2
4° een beschrijving van het doel van de investeringen;
5° een raming van de uitgaven voor elke investering;
6° het gevraagde subsidiëringspercentage;
7° de vermelding van de financieringsmiddelen voor het niet-gesubsidieerde deel van de investering;
[2 8° een planning van de werken en de procedures;
9° de notulen van de vergadering van het begeleidingscomité, voorafgaand aan de indiening van het programma.]2
1° [2 ...]2 een lijst van de geplande investeringen in het kader van de driejarige investeringsdotatie, vergezeld van een nota waarin uitdrukkelijk geformuleerd wordt op welke manier tegemoet gekomen wordt aan de prioriteiten van het gemeentelijk ontwikkelingsplan [1 , van het gewestelijk mobiliteitsplan, en van het gemeentelijk mobiliteitsplan.]1
2° [2 ...]2
3° [2 ...]2
4° een beschrijving van het doel van de investeringen;
5° een raming van de uitgaven voor elke investering;
6° het gevraagde subsidiëringspercentage;
7° de vermelding van de financieringsmiddelen voor het niet-gesubsidieerde deel van de investering;
[2 8° een planning van de werken en de procedures;
9° de notulen van de vergadering van het begeleidingscomité, voorafgaand aan de indiening van het programma.]2
Art. 9. Le programme triennal d'investissement est établi sur un formulaire conforme au modèle fixé par le Gouvernement. Il comprend au minimum les éléments suivants :
1° [2 ...]2 une liste des investissements envisagés dans le cadre de la dotation triennale d'investissement, accompagnée d'une note explicitant la manière dont sont rencontrées les priorités du Plan communal de développement [1 , du plan régional de mobilité et du plan communal de mobilité;]1
2° [2 ...]2
3° [2 ...]2
4° une description de l'objet des investissements;
5° une estimation des dépenses pour chaque investissement;
6° le taux du subside demandé;
7° l'indication des moyens de financement de la partie non subsidiée de l'investissement;
[2 8° un planning des travaux et des procédures;
9° le procès-verbal de la réunion du comité d'accompagnement préalable au dépôt du programme.]2
1° [2 ...]2 une liste des investissements envisagés dans le cadre de la dotation triennale d'investissement, accompagnée d'une note explicitant la manière dont sont rencontrées les priorités du Plan communal de développement [1 , du plan régional de mobilité et du plan communal de mobilité;]1
2° [2 ...]2
3° [2 ...]2
4° une description de l'objet des investissements;
5° une estimation des dépenses pour chaque investissement;
6° le taux du subside demandé;
7° l'indication des moyens de financement de la partie non subsidiée de l'investissement;
[2 8° un planning des travaux et des procédures;
9° le procès-verbal de la réunion du comité d'accompagnement préalable au dépôt du programme.]2
Art. 10. § 1. De gemeenten sturen hun driejarig investeringsprogramma naar de Regering ten laatste [2 twaalf maanden vóór het einde van de driejarige periode waarop het programma slaat]2. Dit programma wordt uitgewerkt rekening houdend met het aandeel van de [2 gemeentelijk]2 driejarige investeringsdotatie met toepassing van hoofdstuk V en vermeldt het geheel van de subsidieerbare investeringen gepland tot het einde van de betrokken driejarige periode.
Het [2 gemeentelijk driejarig investeringsprogramma]2 van de gemeenten bevat de door de gemeenten in aanmerking genomen investeringen opgenomen in de driejarige investeringsprogramma's overgemaakt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en door [3 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]3.
§ 2. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn en [3 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]3 sturen hun driejarig investeringsprogramma naar de gemeente waaronder ze ressorteren in de loop van het trimester dat aan het begin van elke driejarige periode voorafgaat. Dit programma omvat het geheel van de subsidieerbare investeringen die gepland zijn tot het einde van de betrokken driejarige periode.
[1 De gemeenten kunnen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [3 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]3 uitnodigen om hun driejarig investeringsprogramma in te dienen als het niet werd overgemaakt voor de aanvang van de driejarige periode of om hun driejaarlijks investeringsprogramma te wijzigen tijdens de driejarige periode.]1
§ 3. [2 ...]2
Het [2 gemeentelijk driejarig investeringsprogramma]2 van de gemeenten bevat de door de gemeenten in aanmerking genomen investeringen opgenomen in de driejarige investeringsprogramma's overgemaakt door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en door [3 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]3.
§ 2. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn en [3 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]3 sturen hun driejarig investeringsprogramma naar de gemeente waaronder ze ressorteren in de loop van het trimester dat aan het begin van elke driejarige periode voorafgaat. Dit programma omvat het geheel van de subsidieerbare investeringen die gepland zijn tot het einde van de betrokken driejarige periode.
[1 De gemeenten kunnen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [3 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]3 uitnodigen om hun driejarig investeringsprogramma in te dienen als het niet werd overgemaakt voor de aanvang van de driejarige periode of om hun driejaarlijks investeringsprogramma te wijzigen tijdens de driejarige periode.]1
§ 3. [2 ...]2
Art. 10. § 1er. Les communes transmettent au Gouvernement leur programme triennal d'investissement [3 communal]3 au plus tard [3 douze mois avant la fin du triennat s'y rapportant]3. Ce programme est élaboré en tenant compte de la quote-part de la dotation triennale d'investissement qui leur est attribuée en application du chapitre V, et reprend l'ensemble des investissements subsidiables envisagés jusqu'au terme du triennat concerné.
Le programme triennal d'investissement [3 communal]3 comprend, parmi les investissements contenus dans les programmes triennaux d'investissement transmis par les centres publics d'[2 action]2 sociale et [4 les établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]4, communes prennent en considération.
§ 2. Les centres publics d'[2 action]2 sociale et [4 les établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]4 transmettent leur programme triennal d'investissement à la commune dont ils relèvent au cours du trimestre précédant le début de chaque triennat. Ce programme reprend l'ensemble des investissements subsidiables envisagés jusqu'au terme du triennat concerné.
[1 Les communes peuvent inviter les centres publics d'action sociale, [4 les établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]4 à présenter leur programme triennal d'investissement s'il n'a pas été transmis avant le début du triennat ou à modifier leur programme triennal d'investissement en cours de triennat.]1
§ 3. [3 ...]3
Le programme triennal d'investissement [3 communal]3 comprend, parmi les investissements contenus dans les programmes triennaux d'investissement transmis par les centres publics d'[2 action]2 sociale et [4 les établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]4, communes prennent en considération.
§ 2. Les centres publics d'[2 action]2 sociale et [4 les établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]4 transmettent leur programme triennal d'investissement à la commune dont ils relèvent au cours du trimestre précédant le début de chaque triennat. Ce programme reprend l'ensemble des investissements subsidiables envisagés jusqu'au terme du triennat concerné.
[1 Les communes peuvent inviter les centres publics d'action sociale, [4 les établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]4 à présenter leur programme triennal d'investissement s'il n'a pas été transmis avant le début du triennat ou à modifier leur programme triennal d'investissement en cours de triennat.]1
§ 3. [3 ...]3
Art. 11. [1 De Regering keurt de gemeentelijke driejarige investeringsplannen binnen dertig dagen na ontvangst ervan goed. Deze termijn kan eenmalig verlengd worden door de Regering voor een duur van maximaal vijftien da- gen.
De goedkeuring van de Regering kan gedeeltelijk zijn en enkel bepaalde projecten van het programma betreffen.
Als het programma niet volledig goedgekeurd wordt, motiveert de Regering haar beslissing. Na het verstrijken van deze termijn wordt het driejarige gemeentelijk investeringsprogramma beschouwd als goedgekeurd door de Regering.
De termijn bedoeld in het eerste lid wordt opgeschort van 15 juli tot 15 augustus.]1
De goedkeuring van de Regering kan gedeeltelijk zijn en enkel bepaalde projecten van het programma betreffen.
Als het programma niet volledig goedgekeurd wordt, motiveert de Regering haar beslissing. Na het verstrijken van deze termijn wordt het driejarige gemeentelijk investeringsprogramma beschouwd als goedgekeurd door de Regering.
De termijn bedoeld in het eerste lid wordt opgeschort van 15 juli tot 15 augustus.]1
Art. 11. [1 Dans les trente jours de leur réception, le Gouvernement approuve les programmes triennaux d'investissement communaux. Ce délai peut être prorogé une seule fois par le Gouvernement pour une durée n'excédant pas quinze jours.
L'approbation du Gouvernement peut être partielle et ne porter que sur certains projets du programme.
Dans le cas où le programme n'est pas entièrement approuvé, le Gouvernement motive sa décision. A défaut d'approbation du Gouvernement dans les délais prévus à l'alinéa 1er, le programme triennal d'investissement communal est considéré comme approuvé par le Gouvernement
Les délais visés à l'alinéa 1er sont suspendus du 15 juillet au 15 août.]1
L'approbation du Gouvernement peut être partielle et ne porter que sur certains projets du programme.
Dans le cas où le programme n'est pas entièrement approuvé, le Gouvernement motive sa décision. A défaut d'approbation du Gouvernement dans les délais prévus à l'alinéa 1er, le programme triennal d'investissement communal est considéré comme approuvé par le Gouvernement
Les délais visés à l'alinéa 1er sont suspendus du 15 juillet au 15 août.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - De driejarige investeringsdotatie.
CHAPITRE V. - La dotation triennale d'investissement.
Art. 12. Aan elke gemeente wordt een deel van de driejarige investeringsdotatie toegekend. De subsidies betreffende de driejarige investeringsprogramma's van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, [1 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]1 die in aanmerking genomen worden door de gemeenten waaronder ze ressorteren worden geboekt op de driejarige investeringsdotatie van deze laatste. Deze subsidies worden uitbetaald aan de gemeente die het bedrag doorstort aan de begunstigde.
De Regering maakt aan de gemeenten het bedrag van hun aandeel in de driejarige investeringsdotatie bekend, vóór het begin van elke driejarige periode.
De Regering maakt aan de gemeenten het bedrag van hun aandeel in de driejarige investeringsdotatie bekend, vóór het begin van elke driejarige periode.
Art. 12. Une quote-part de la dotation triennale d'investissement est allouée à chaque commune. Les subsides relatifs aux programmes triennaux d'investissement des centres publics d'[1 action]1 sociale, [2 des établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]2 pris en considération par les communes dont ils relèvent, sont imputés sur la dotation triennale d'investissement de celles-ci. Ces subsides sont liquidés à la commune qui rétrocède le montant au bénéficiaire.
Le Gouvernement notifie aux communes le montant de leur quote-part dans la dotation triennale d'investissement avant le début de chaque triennat.
Le Gouvernement notifie aux communes le montant de leur quote-part dans la dotation triennale d'investissement avant le début de chaque triennat.
Art. 13. De driejarige investeringsdotatie wordt verdeeld tussen de gemeenten evenredig met hun aandeel van de algemene dotatie aan de gemeenten bedoeld in de ordonnantie van 10 maart 1994 tot vaststelling van de regels voor de verdeling van de algemene dotatie aan de gemeenten, voor het jaar dat aan het begin van elke driejarige periode voorafgaat.
[1 Ze maakt het voorwerp uit van een boekhoudkundige vastlegging per gemeente bij de aanvang van de driejarige periode.]1
[1 Ze maakt het voorwerp uit van een boekhoudkundige vastlegging per gemeente bij de aanvang van de driejarige periode.]1
Art. 13. La dotation triennale d'investissement est répartie entre les communes au prorata de la quote-part qu'elles obtiennent dans la dotation générale aux communes visée dans l'ordonnance du 10 mars 1994 fixant les règles de répartition de la dotation générale aux communes de la Région de Bruxelles-Capitale, pour l'année qui précède le début de chaque triennat.
[1 Elle fait l'objet d'un engagement comptable par commune dès le début du triennat.]1
[1 Elle fait l'objet d'un engagement comptable par commune dès le début du triennat.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK VI. - De driejarige ontwikkelingsdotatie.
CHAPITRE VI. - La dotation triennale de développement.
Art. 14. Binnen de perken van de driejarige ontwikkelingsdotatie, kan de Regering [1 ...]1 subsidies toekennen voor projecten van gewestelijk belang, voor zover deze projecten opgenomen zijn in door de Regering vastgelegde lijst van de prioriteiten van het Gewestelijk ontwikkelingsplan genomen in uitvoering van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw [1 of van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening]1, en die betrekking heeft op de krachtens hoofdstuk VII subsidieerbare investeringen [2 , voor zover ze in overeenstemming zijn met het gewestelijk mobiliteitsplan.]2
De projecten die in het kader van de driejarige ontwikkelingsdotatie in aanmerking kunnen komen worden aan de [1 rechtspersonen bedoeld in artikel 4] voorgesteld door de Regering in de loop (...) van elke driejarige periode. [3 In voorkomend geval neemt de Regering de projecten die ze selecteert in het kader van de driejarige ontwikkelingsdotatie op in het gemeentelijke driejarige investeringsprogramma.]3 <ORD 2002-06-27/31, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 23-07-2002>
[1 Het bedrag van de driejarige ontwikkelingsdotatie maakt het voorwerp uit van een boekhoudkundige vastlegging per projectenveloppe, waarbij de projecten door de Regering worden voorgesteld aan de personen bedoeld in artikel 4, vanaf de verdeling van de dotatie door de Regering.]1
De projecten die in het kader van de driejarige ontwikkelingsdotatie in aanmerking kunnen komen worden aan de [1 rechtspersonen bedoeld in artikel 4] voorgesteld door de Regering in de loop (...) van elke driejarige periode. [3 In voorkomend geval neemt de Regering de projecten die ze selecteert in het kader van de driejarige ontwikkelingsdotatie op in het gemeentelijke driejarige investeringsprogramma.]3 <ORD 2002-06-27/31, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 23-07-2002>
[1 Het bedrag van de driejarige ontwikkelingsdotatie maakt het voorwerp uit van een boekhoudkundige vastlegging per projectenveloppe, waarbij de projecten door de Regering worden voorgesteld aan de personen bedoeld in artikel 4, vanaf de verdeling van de dotatie door de Regering.]1
Art. 14. Dans les limites de la dotation triennale de développement, le Gouvernement peut octroyer [1 ...]1 des subsides pour des projets d'intérêt régional, pour autant que ces projets soient repris dans une liste des priorités du Plan régional de développement pris en exécution de l'ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l'urbanisme [1 ou du Code bruxellois de l'Aménagement du Territoire]1, arrêtée par le Gouvernement et qui porte sur des investissements subsidiables en vertu du chapitre VII [2 pour autant qu'elles soient conformes au plan régional de mobilité.]2
Les projets pouvant bénéficier de la dotation triennale de développement sont proposés aux [1 personnes visées à l'article 4]1 par le Gouvernement dans le courant (...) de chaque triennat. [3 Le cas échéant, le Gouvernement inscrit les projets qu'il sélectionne dans le cadre de la dotation triennale de développement dans le programme triennal d'investissement communal.]3 <ORD 2002-06-27/31, art. 3, 003; En vigueur : 23-07-2002>
[1 Le montant de la dotation triennale de développement fait l'objet d'un engagement comptable par enveloppe de projets qui sont proposés par le Gouvernement aux personnes visées à l'article 4, dès la répartition de la dotation par le Gouvernement.]1
Les projets pouvant bénéficier de la dotation triennale de développement sont proposés aux [1 personnes visées à l'article 4]1 par le Gouvernement dans le courant (...) de chaque triennat. [3 Le cas échéant, le Gouvernement inscrit les projets qu'il sélectionne dans le cadre de la dotation triennale de développement dans le programme triennal d'investissement communal.]3 <ORD 2002-06-27/31, art. 3, 003; En vigueur : 23-07-2002>
[1 Le montant de la dotation triennale de développement fait l'objet d'un engagement comptable par enveloppe de projets qui sont proposés par le Gouvernement aux personnes visées à l'article 4, dès la répartition de la dotation par le Gouvernement.]1
HOOFDSTUK VIbis. [1 - Begeleidingscomité.]1
CHAPITRE VIbis. [1 - Comité d'accompagnement.]1
Art. 15. [1 Voor elke gemeente wordt er een begeleidingscomité opgericht. Het begeleidingscomité bestaat uit vertegenwoordigers van het Gewest en van de betrokken gemeente.
Elk begeleidingscomité komt samen om het ontwerp van gemeentelijk driejarig investeringsprogramma van de betrokken gemeente te onderzoeken.
Na deze beraadslagingen worden er notulen van de vergadering opgesteld en bezorgd aan de Regering en aan de gemeente.
De Regering bepaalt de werking van de begeleidingscomités en kan andere opdrachten toevertrouwen aan de comités.]1
Elk begeleidingscomité komt samen om het ontwerp van gemeentelijk driejarig investeringsprogramma van de betrokken gemeente te onderzoeken.
Na deze beraadslagingen worden er notulen van de vergadering opgesteld en bezorgd aan de Regering en aan de gemeente.
De Regering bepaalt de werking van de begeleidingscomités en kan andere opdrachten toevertrouwen aan de comités.]1
Art. 15. [1 Un comité d'accompagnement est créé pour chaque commune. Il est composé de représentants de la Région et de la commune concernée.
Chaque comité d'accompagnement se réunit pour examiner le projet de programme triennal d'investissement communal de la commune s'y rattachant.
Au terme de ces consultations, un procès-verbal de la réunion est rédigé et communiqué au Gouvernement et à la commune.
Le Gouvernement arrête le fonctionnement des comités d'accompagnement et peut confier d'autres missions à ceux-ci.]1
Chaque comité d'accompagnement se réunit pour examiner le projet de programme triennal d'investissement communal de la commune s'y rattachant.
Au terme de ces consultations, un procès-verbal de la réunion est rédigé et communiqué au Gouvernement et à la commune.
Le Gouvernement arrête le fonctionnement des comités d'accompagnement et peut confier d'autres missions à ceux-ci.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK VII. - De subsidieerbare investeringen.
CHAPITRE VII. - Les investissements subsidiables.
Art. 16. De uit hoofde van deze ordonnantie subsidieerbare investeringen inzake openbare ruimten zijn :
1° de wegeninfrastructuur [2 en de openbare ruimtes]2 :
a) [3 de realisatie van wegen en infrastructuur voorzien door het gewestelijk ontwikkelingsplan of door de gemeentelijke ontwikkelingsplannen of nog door het gewestelijk mobiliteitsplan of door de gemeentelijke mobiliteitsplannen]3 ;
b) de aanleg, de heraanleg, de verbetering van de wegenis en de vernieuwing van het wegdek, [1 ...]1;
c) de realisatie, de aanleg, de verbetering of de restauratie van fietspaden en trottoirs;
[1 d) de aanleg van de wegenis met het oog op een verbeterde doorlaatbaarheid van het wegdek en de bodem, op een verbetering van de biodiversiteit, op het gebruik van materialen met een kleine ecologische impact.]1
2° de uitrusting van de wegeninfrastructuur :
a) het plaatsen en de verbetering van installaties voor openbare verlichting;
b) de verwerving, de vernieuwing en de installatie van stadsmeubilair, voor zover hierover geen concessie-overeenkomst bestaat;
c) de aanplantingen en de vernieuwing ervan;
3° de groene ruimten :
a) de verwerving van terreinen die zullen dienen als groene ruimte toegankelijk voor het publiek [1 ...]1;
b) de aanleg en de heraanleg van terreinen die zullen worden bestemd of die verder zullen bestemd blijven als groene ruimte toegankelijk voor het publiek;
c) de aanplantingen en de vernieuwing ervan in de groene ruimten toegankelijk voor het publiek;
4° de uitrusting van groene ruimten :
a) de installatie en de verbetering van verlichtingsinstallaties;
b) de verwerving, de vernieuwing en de installatie van stadsmeubilair, voor zover hierover geen concessie-overeenkomst bestaat;
c) het rioleringsnet;
5° het verlichten van gevels of van delen van gevels van beschermde, bewaarde of in de inventaris opgenomen gebouwen, met toepassing van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerende erfgoed, voor zover deze gevels of delen van gevels zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte;
6° [1 de verwerving, de installatie en de restauratie van kunstwerken]1 op de gemeentewegen of in de voor het publiek toegankelijke groene ruimten;
7° de realisatie, de aanleg en de uitbreiding van begraafplaatsen (, crematoria ) of columbariums, met inbegrip van de wegen, de toegangswegen, de beplanting en de hekken. <ORD 2008-12-19/85, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 28-01-2009>
1° de wegeninfrastructuur [2 en de openbare ruimtes]2 :
a) [3 de realisatie van wegen en infrastructuur voorzien door het gewestelijk ontwikkelingsplan of door de gemeentelijke ontwikkelingsplannen of nog door het gewestelijk mobiliteitsplan of door de gemeentelijke mobiliteitsplannen]3 ;
b) de aanleg, de heraanleg, de verbetering van de wegenis en de vernieuwing van het wegdek, [1 ...]1;
c) de realisatie, de aanleg, de verbetering of de restauratie van fietspaden en trottoirs;
[1 d) de aanleg van de wegenis met het oog op een verbeterde doorlaatbaarheid van het wegdek en de bodem, op een verbetering van de biodiversiteit, op het gebruik van materialen met een kleine ecologische impact.]1
2° de uitrusting van de wegeninfrastructuur :
a) het plaatsen en de verbetering van installaties voor openbare verlichting;
b) de verwerving, de vernieuwing en de installatie van stadsmeubilair, voor zover hierover geen concessie-overeenkomst bestaat;
c) de aanplantingen en de vernieuwing ervan;
3° de groene ruimten :
a) de verwerving van terreinen die zullen dienen als groene ruimte toegankelijk voor het publiek [1 ...]1;
b) de aanleg en de heraanleg van terreinen die zullen worden bestemd of die verder zullen bestemd blijven als groene ruimte toegankelijk voor het publiek;
c) de aanplantingen en de vernieuwing ervan in de groene ruimten toegankelijk voor het publiek;
4° de uitrusting van groene ruimten :
a) de installatie en de verbetering van verlichtingsinstallaties;
b) de verwerving, de vernieuwing en de installatie van stadsmeubilair, voor zover hierover geen concessie-overeenkomst bestaat;
c) het rioleringsnet;
5° het verlichten van gevels of van delen van gevels van beschermde, bewaarde of in de inventaris opgenomen gebouwen, met toepassing van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerende erfgoed, voor zover deze gevels of delen van gevels zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte;
6° [1 de verwerving, de installatie en de restauratie van kunstwerken]1 op de gemeentewegen of in de voor het publiek toegankelijke groene ruimten;
7° de realisatie, de aanleg en de uitbreiding van begraafplaatsen (, crematoria ) of columbariums, met inbegrip van de wegen, de toegangswegen, de beplanting en de hekken. <ORD 2008-12-19/85, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 28-01-2009>
Art. 16. Les investissements subsidiables en vertu de la présente ordonnance en matière d'espaces publics sont :
1° en ce qui concerne la voirie [2 et les espaces publics]2 :
a) [3 la création de voiries et infrastructures prévues par le plan régional de développement ou par les plans communaux de développement, ou encore, par le plan régional de mobilité ou par les plans communaux de mobilité;]3
b) l'aménagement, le réaménagement, l'amélioration de la voirie et le renouvellement du revêtement [1 ...]1;
c) la création, l'aménagement, l'amélioration ou la restauration d'itinéraires cyclables et piétons;
[1 d) l'aménagement de la voirie en vue d'augmenter la perméabilité des revêtements et du sol, l'augmentation de la biodiversité, l'utilisation de matériaux à faible impact écologique.]1
2° en ce qui concerne l'équipement de la voirie :
a) l'établissement et l'amélioration des installations d'éclairage public;
b) l'acquisition, le renouvellement et l'installation de mobilier urbain, pour autant que celui-ci ne fasse pas l'objet d'une convention de concession;
c) les plantations et leur renouvellement;
3° en ce qui concerne les espaces verts :
a) l'acquisition de terrains en vue de leur affectation en espace vert accessible au public [1 ...]1;
b) l'aménagement et le réaménagement de terrains, en vue de leur affectation ou du maintien de leur affectation en espace vert accessible au public;
c) les plantations et leur renouvellement dans les espaces verts accessibles au public;
4° en ce qui concerne l'équipement des espaces verts :
a) l'établissement et l'amélioration des installations d'éclairage;
b) l'acquisition, le renouvellement et l'installation de mobilier urbain pour autant que celui-ci ne fasse par l'objet d'une convention de concession;
c) les installations d'égouttage;
5° la mise en lumière de façades ou parties de façades de bâtiments classés, sauvegardés ou repris dans l'inventaire, en application de l'ordonnance du 4 mars 1993 relative à la conservation du patrimoine immobilier, pour autant que celles-ci soient visibles depuis l'espace public;
6° [1 l'acquisition, l'installation et la restauration d'oeuvres d'art]1 sur les voiries communales ou dans les espaces verts accessibles au public;
7° la création, l'aménagement et l'agrandissement de cimetières (, crématoriums) ou columbariums, y compris les voiries, les chemins d'accès, les plantations et les clôtures. <ORD 2008-12-19/85, art. 2, 005; En vigueur : 28-01-2009>
1° en ce qui concerne la voirie [2 et les espaces publics]2 :
a) [3 la création de voiries et infrastructures prévues par le plan régional de développement ou par les plans communaux de développement, ou encore, par le plan régional de mobilité ou par les plans communaux de mobilité;]3
b) l'aménagement, le réaménagement, l'amélioration de la voirie et le renouvellement du revêtement [1 ...]1;
c) la création, l'aménagement, l'amélioration ou la restauration d'itinéraires cyclables et piétons;
[1 d) l'aménagement de la voirie en vue d'augmenter la perméabilité des revêtements et du sol, l'augmentation de la biodiversité, l'utilisation de matériaux à faible impact écologique.]1
2° en ce qui concerne l'équipement de la voirie :
a) l'établissement et l'amélioration des installations d'éclairage public;
b) l'acquisition, le renouvellement et l'installation de mobilier urbain, pour autant que celui-ci ne fasse pas l'objet d'une convention de concession;
c) les plantations et leur renouvellement;
3° en ce qui concerne les espaces verts :
a) l'acquisition de terrains en vue de leur affectation en espace vert accessible au public [1 ...]1;
b) l'aménagement et le réaménagement de terrains, en vue de leur affectation ou du maintien de leur affectation en espace vert accessible au public;
c) les plantations et leur renouvellement dans les espaces verts accessibles au public;
4° en ce qui concerne l'équipement des espaces verts :
a) l'établissement et l'amélioration des installations d'éclairage;
b) l'acquisition, le renouvellement et l'installation de mobilier urbain pour autant que celui-ci ne fasse par l'objet d'une convention de concession;
c) les installations d'égouttage;
5° la mise en lumière de façades ou parties de façades de bâtiments classés, sauvegardés ou repris dans l'inventaire, en application de l'ordonnance du 4 mars 1993 relative à la conservation du patrimoine immobilier, pour autant que celles-ci soient visibles depuis l'espace public;
6° [1 l'acquisition, l'installation et la restauration d'oeuvres d'art]1 sur les voiries communales ou dans les espaces verts accessibles au public;
7° la création, l'aménagement et l'agrandissement de cimetières (, crématoriums) ou columbariums, y compris les voiries, les chemins d'accès, les plantations et les clôtures. <ORD 2008-12-19/85, art. 2, 005; En vigueur : 28-01-2009>
Art. 17. De uit hoofde van deze ordonnantie subsidieerbare investeringen inzake gebouwen zijn :
1° de oprichting en de renovatie van gebouwen, met inbegrip van hun verwerving, waaraan de gemeenten of de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een administratieve bestemming geven of zullen geven;
2° de oprichting en de renovatie van gebouwen, met inbegrip van hun verwerving, bestemd voor het uitoefenen van erkende erediensten en de lekenmoraal;
3° [1 de oprichting en de renovatie van gebouwen, inclusief hun verwerving, bestemd voor het beheer en het onderhoud van begraafplaatsen, columbariums en crematoriums of bestemd voor begrafenisplechtigheden;]1
(4° De werken uitgevoerd in gebouwen toebehoren aan de gemeenten of de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die bijdragen tot een rationeel energiegebruik.) <ORD 2002-06-27/31, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 23-07-2002>
1° de oprichting en de renovatie van gebouwen, met inbegrip van hun verwerving, waaraan de gemeenten of de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een administratieve bestemming geven of zullen geven;
2° de oprichting en de renovatie van gebouwen, met inbegrip van hun verwerving, bestemd voor het uitoefenen van erkende erediensten en de lekenmoraal;
3° [1 de oprichting en de renovatie van gebouwen, inclusief hun verwerving, bestemd voor het beheer en het onderhoud van begraafplaatsen, columbariums en crematoriums of bestemd voor begrafenisplechtigheden;]1
(4° De werken uitgevoerd in gebouwen toebehoren aan de gemeenten of de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die bijdragen tot een rationeel energiegebruik.) <ORD 2002-06-27/31, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 23-07-2002>
Art. 17. Les investissements subsidiables en vertu de la présente ordonnance en matière de bâtiments, sont :
1° la construction et la rénovation des bâtiments en ce compris leur acquisition, que les communes et les centres publics d'[2 action]2 sociale affectent ou vont affecter à un usage administratif;
2° la construction et la rénovation des bâtiments, en ce compris leur acquisition, affectés ou à affecter à l'exercice des cultes reconnus et de la morale laïque;
3° [1 la construction et la rénovation des bâtiments, en ce compris leur acquisition, affectés à la gestion et à l'entretien des cimetières, des columbariums et des crématoriums ou affectés aux cérémonies funèbres;]1
(4° Les travaux effectués dans des bâtiments appartenant aux communes ou aux centres publics d'[2 action]2 sociale qui contribuent à une utilisation rationnelle de l'énergie.) <ORD 2002-06-27/31, art. 4, 003; En vigueur : 23-07-2002>
1° la construction et la rénovation des bâtiments en ce compris leur acquisition, que les communes et les centres publics d'[2 action]2 sociale affectent ou vont affecter à un usage administratif;
2° la construction et la rénovation des bâtiments, en ce compris leur acquisition, affectés ou à affecter à l'exercice des cultes reconnus et de la morale laïque;
3° [1 la construction et la rénovation des bâtiments, en ce compris leur acquisition, affectés à la gestion et à l'entretien des cimetières, des columbariums et des crématoriums ou affectés aux cérémonies funèbres;]1
(4° Les travaux effectués dans des bâtiments appartenant aux communes ou aux centres publics d'[2 action]2 sociale qui contribuent à une utilisation rationnelle de l'énergie.) <ORD 2002-06-27/31, art. 4, 003; En vigueur : 23-07-2002>
Art. 18. De uit hoofde van deze ordonnantie subsidieerbare investeringen inzake sanering zijn de creatie, de vernieuwing en de herstelling van het rioleringsnetwerk.
Art. 18. Les investissements subsidiables en vertu de la présente ordonnance en matière d'assainissement, sont la création, le renouvellement et la réfection des réseaux d'égouttage.
Art. 19. De studies die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de in de artikelen 16. 17 en 18 opgesomde investeringen zijn subsidieerbaar [1 op voorwaarde dat de investeringen waaraan ze zijn gerelateerd werkelijk zijn gebeurd]1.
Art. 19. Les études nécessaires à la réalisation des investissements énumérés aux articles 16, 17 et 18 sont subsidiables [1 à condition que les investissements auxquels elles se rapportent soient effectivement réalisés]1.
Wijzigingen
Art. 20. [1 De werken en de studies die subsidieerbaar zijn krachtens [3 de ordonnantie van 6 oktober 2016 houdende organisatie van de stedelijke herwaardering " :
1° in de artikelen 341 en 353 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordering]3 of krachtens hoofdstuk V van de Titel V van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordenering, alsook de werken en studies die betrekking hebben op de goederen van het onroerend erfgoed die het voorwerp zijn van een beschermingsprocedure, zijn niet subsidieerbaar krachtens deze ordonnantie.]1
[2 Komen niet in aanmerking voor subsidies, de werken die niet in overeenstemming zijn met het gewestelijk mobiliteitsplan en het gemeentelijk mobiliteitsplan, zoals opgemaakt volgens de ordonnantie tot vaststelling van een kader inzake mobiliteitsplanning en tot wijzing van sommige bepalingen die een impact hebben op het vlak van mobiliteit.]2
1° in de artikelen 341 en 353 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordering]3 of krachtens hoofdstuk V van de Titel V van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordenering, alsook de werken en studies die betrekking hebben op de goederen van het onroerend erfgoed die het voorwerp zijn van een beschermingsprocedure, zijn niet subsidieerbaar krachtens deze ordonnantie.]1
[2 Komen niet in aanmerking voor subsidies, de werken die niet in overeenstemming zijn met het gewestelijk mobiliteitsplan en het gemeentelijk mobiliteitsplan, zoals opgemaakt volgens de ordonnantie tot vaststelling van een kader inzake mobiliteitsplanning en tot wijzing van sommige bepalingen die een impact hebben op het vlak van mobiliteit.]2
Art. 20. [1 Ne sont pas subsidiables en vertu de la présente ordonnance, les travaux et études qui sont subsidiables en vertu de [3 l'ordonnance organique du 6 octobre 2016 de la revitalisation urbaine]3 ou en vertu du chapitre V du Titre V du Code bruxellois de l'Aménagement du Territoire, ainsi que les travaux et études qui se rapportent à des biens du patrimoine immobilier qui font l'objet d'une procédure de classement.]1
[2 Ne sont pas subsidiables, les travaux non conformes au plan régional de mobilité et au plan communal de mobilité, tels qu'établis par l'ordonnance instituant un cadre en matière de planification de la mobilité et modifiant diverses dispositions ayant un impact en matière de mobilité.]2
[2 Ne sont pas subsidiables, les travaux non conformes au plan régional de mobilité et au plan communal de mobilité, tels qu'établis par l'ordonnance instituant un cadre en matière de planification de la mobilité et modifiant diverses dispositions ayant un impact en matière de mobilité.]2
HOOFDSTUK VIII. - De toekenning van de subsidies.
CHAPITRE VIII. - L'octroi des subsides.
Art. 21. [1 § 1. De Regering stelt de samenstelling vast van de aanvraagdossiers die ingediend moeten worden in overeenstemming met artikelen 22, 23 en 24, alsook de aard van de vereiste verantwoordingsstukken en de procedure voor de toekenning en uitbetaling van de subsidie.
§ 2. De projecten gesubsidieerd door de Regering moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de begunstigde verbindt zich ertoe het gesubsidieerde goed te onderhouden en te beheren. Daartoe stelt de begunstigde een specifiek onderhoudsprogramma op voor het project, dat slaat op de vijf jaar die volgen op de definitieve oplevering van de werken en dat de financiële ramingen aangeeft voor elk begrotingsjaar;
2° de begunstigde verbindt zich ertoe het goed waarvoor een subsidie toegekend wordt niet te vervreemden of de bestemming ervan te wijzigen binnen de twintig jaar na de toekenning van de subsidie. De Regering kan een subsidieaanvraag aanvaarden die deze verbintenis niet naleeft voor zover er uitzonderlijke omstandigheden zijn die de investering verantwoorden;
3° de begunstigde heeft de voorbije twintig jaar geen subsidies gekregen met hetzelfde doel. De Regering kan een subsidieaanvraag aanvaarden die niet aan deze voorwaarde voldoet voor zover onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden de investering verantwoorden;
4° indien de investering betrekking heeft op een gebouw bedoeld in artikel 17, dan dient de aanvrager eigenaar of erfpachter te zijn van het goed waarop de investering van toepassing is. Hij kan hiervan evenwel pas eigenaar zijn vanaf de terbeschikkingstelling van het werk als de werken zijn uitgevoerd op grond van een promotieopdracht die voorziet in de verwerving van bouwwerken vanaf hun terbeschikkingstelling mits jaarlijkse aflossingen worden betaald, of na afloop van de opdracht als de werken zijn uitgevoerd op grond van een promotieopdracht die voorziet in de verhuur van bouwwerken na het verstrijken van een eigendomsoverdracht;
5° wat de werken betreft die bedoeld worden in artikelen 16, 17 en 18, gesubsidieerd in het kader van de driejarige investeringsdotatie, bedraagt de geraamde kostprijs van elk project minimum 75.000 EUR inclusief btw. De Regering kan dit bedrag aanpassen;
6° als de investering een aan te kopen goed betreft, moet de bestemming ervan overeenstemmen met de bestemming waarin de plannen bedoeld in artikel 13 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening voorzien;
7° ze worden ofwel door de gemeenteraad goedgekeurd als de aanvraag afkomstig is van de begunstigden bedoeld in artikel 4, 1°, 3° en 4°, ofwel door het orgaan bevoegd om de andere aanvragers te vertegenwoordigen.
§ 3. De Regering kan voor de projecten bijkomende ontvankelijkheidsvoorwaarden bepalen, die verband houden met :
1° de kwaliteit van de werken;
2° de invoering, in het kader van de uitbestedingsprocedure voor de werken, van clausules die de inschrijvers verplichten stagiairs ten laste te nemen of werklozen tewerk te stellen bij de uitvoering van de opdracht;
3° de minimale lichtefficiëntie en verlichtingsgraad van de investeringen bedoeld in artikel 16, 2°, a);
4° de energieprestatie van de investeringen bedoeld in artikel 17.
§ 4. De Regering kan bijkomende ontvankelijkheids- voorwaarden bepalen die verband houden met de kwaliteit en de prijs van de studies bedoeld in artikel 19.]1
§ 2. De projecten gesubsidieerd door de Regering moeten aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de begunstigde verbindt zich ertoe het gesubsidieerde goed te onderhouden en te beheren. Daartoe stelt de begunstigde een specifiek onderhoudsprogramma op voor het project, dat slaat op de vijf jaar die volgen op de definitieve oplevering van de werken en dat de financiële ramingen aangeeft voor elk begrotingsjaar;
2° de begunstigde verbindt zich ertoe het goed waarvoor een subsidie toegekend wordt niet te vervreemden of de bestemming ervan te wijzigen binnen de twintig jaar na de toekenning van de subsidie. De Regering kan een subsidieaanvraag aanvaarden die deze verbintenis niet naleeft voor zover er uitzonderlijke omstandigheden zijn die de investering verantwoorden;
3° de begunstigde heeft de voorbije twintig jaar geen subsidies gekregen met hetzelfde doel. De Regering kan een subsidieaanvraag aanvaarden die niet aan deze voorwaarde voldoet voor zover onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden de investering verantwoorden;
4° indien de investering betrekking heeft op een gebouw bedoeld in artikel 17, dan dient de aanvrager eigenaar of erfpachter te zijn van het goed waarop de investering van toepassing is. Hij kan hiervan evenwel pas eigenaar zijn vanaf de terbeschikkingstelling van het werk als de werken zijn uitgevoerd op grond van een promotieopdracht die voorziet in de verwerving van bouwwerken vanaf hun terbeschikkingstelling mits jaarlijkse aflossingen worden betaald, of na afloop van de opdracht als de werken zijn uitgevoerd op grond van een promotieopdracht die voorziet in de verhuur van bouwwerken na het verstrijken van een eigendomsoverdracht;
5° wat de werken betreft die bedoeld worden in artikelen 16, 17 en 18, gesubsidieerd in het kader van de driejarige investeringsdotatie, bedraagt de geraamde kostprijs van elk project minimum 75.000 EUR inclusief btw. De Regering kan dit bedrag aanpassen;
6° als de investering een aan te kopen goed betreft, moet de bestemming ervan overeenstemmen met de bestemming waarin de plannen bedoeld in artikel 13 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening voorzien;
7° ze worden ofwel door de gemeenteraad goedgekeurd als de aanvraag afkomstig is van de begunstigden bedoeld in artikel 4, 1°, 3° en 4°, ofwel door het orgaan bevoegd om de andere aanvragers te vertegenwoordigen.
§ 3. De Regering kan voor de projecten bijkomende ontvankelijkheidsvoorwaarden bepalen, die verband houden met :
1° de kwaliteit van de werken;
2° de invoering, in het kader van de uitbestedingsprocedure voor de werken, van clausules die de inschrijvers verplichten stagiairs ten laste te nemen of werklozen tewerk te stellen bij de uitvoering van de opdracht;
3° de minimale lichtefficiëntie en verlichtingsgraad van de investeringen bedoeld in artikel 16, 2°, a);
4° de energieprestatie van de investeringen bedoeld in artikel 17.
§ 4. De Regering kan bijkomende ontvankelijkheids- voorwaarden bepalen die verband houden met de kwaliteit en de prijs van de studies bedoeld in artikel 19.]1
Art. 21. [1 § 1er. Le Gouvernement fixe la composition des dossiers de demandes à introduire conformément aux articles 22, 23 et 24, la nature des pièces justificatives nécessaires et la procédure d'octroi et de liquidation du subside.
§ 2. Les projets subsidiés par le Gouvernement doivent répondre aux conditions suivantes :
1° le bénéficiaire s'engage à assurer l'entretien et la gestion du bien subsidié. A cette fin, il dresse un programme d'entretien spécifique au projet portant sur les cinq années qui suivent la réception définitive de l'ouvrage, indiquant les prévisions financières pour chaque exercice budgétaire;
2° le bénéficiaire s'engage à ne pas aliéner ni modifier l'affectation du bien pour lequel il bénéficie d'un subside dans les vingt ans de l'octroi de ce dernier. Le Gouvernement peut accepter une demande de subsides ne respectant pas cet engagement pour autant que des circonstances exceptionnelles justifient l'investissement;
3° le bénéficiaire atteste n'avoir pas obtenu de subsides pour le même objet dans les vingt ans précédant la demande. Le Gouvernement peut accepter une demande de subsides ne respectant pas cette condition pour autant que des circonstances imprévisibles et exceptionnelles justifient l'investissement;
4° si l'investissement porte sur un bâtiment visé à l'article 17, le demandeur doit être propriétaire ou emphytéote du bien sur lequel porte l'investissement. Il peut cependant n'en être propriétaire qu'au moment de la mise à disposition de l'ouvrage lorsque les travaux sont exécutés sur la base d'un marché de promotion qui pré- voit l'acquisition d'ouvrages dès leur mise à disposition moyennant paiement d'annuités, ou au terme du marché lorsque les travaux sont exécutés sur la base d'un marché de promotion qui prévoit la mise en location d'ouvrages, suivie à terme d'un transfert de propriété;
5° en ce qui concerne les travaux visés aux articles 16, 17 et 18, subsidiés dans le cadre de la dotation triennale d'investissement, l'estimation du coût de chaque projet atteint un montant minimum de 75.000 EUR, T.V.A. comprise. Le Gouvernement peut adapter ce montant;
6° lorsque l'investissement porte sur un bien à acquérir, sa destination doit être conforme à celle prévue par les plans visés à l'article 13 du Code bruxellois de l'Aménagement du Territoire;
7° être approuvés soit par le conseil communal lorsque la demande émane des bénéficiaires visés à l'article 4, 1°, 3° et 4°, soit par l'organe compétent pour représenter les autres demandeurs.
§ 3. Le Gouvernement peut arrêter des conditions supplémentaires de recevabilité pour les projets, liées à :
1° la qualité des ouvrages;
2° l'introduction, dans le cadre de la procédure de mise en concurrence des travaux, de clauses obligeant les soumissionnaires à assurer la prise en charge de stagiaires ou la mise au travail de chômeurs dans le cadre de l'exécution du marché;
3° l'efficacité lumineuse et le degré d'éclairage minimum des investissements visés à l'article 16, 2°, a);
4° la performance énergétique des investissements visés à l'article 17.
§ 4. Le Gouvernement peut arrêter des conditions supplémentaires de recevabilité liées à la qualité et au prix des études visées à l'article 19.]1
§ 2. Les projets subsidiés par le Gouvernement doivent répondre aux conditions suivantes :
1° le bénéficiaire s'engage à assurer l'entretien et la gestion du bien subsidié. A cette fin, il dresse un programme d'entretien spécifique au projet portant sur les cinq années qui suivent la réception définitive de l'ouvrage, indiquant les prévisions financières pour chaque exercice budgétaire;
2° le bénéficiaire s'engage à ne pas aliéner ni modifier l'affectation du bien pour lequel il bénéficie d'un subside dans les vingt ans de l'octroi de ce dernier. Le Gouvernement peut accepter une demande de subsides ne respectant pas cet engagement pour autant que des circonstances exceptionnelles justifient l'investissement;
3° le bénéficiaire atteste n'avoir pas obtenu de subsides pour le même objet dans les vingt ans précédant la demande. Le Gouvernement peut accepter une demande de subsides ne respectant pas cette condition pour autant que des circonstances imprévisibles et exceptionnelles justifient l'investissement;
4° si l'investissement porte sur un bâtiment visé à l'article 17, le demandeur doit être propriétaire ou emphytéote du bien sur lequel porte l'investissement. Il peut cependant n'en être propriétaire qu'au moment de la mise à disposition de l'ouvrage lorsque les travaux sont exécutés sur la base d'un marché de promotion qui pré- voit l'acquisition d'ouvrages dès leur mise à disposition moyennant paiement d'annuités, ou au terme du marché lorsque les travaux sont exécutés sur la base d'un marché de promotion qui prévoit la mise en location d'ouvrages, suivie à terme d'un transfert de propriété;
5° en ce qui concerne les travaux visés aux articles 16, 17 et 18, subsidiés dans le cadre de la dotation triennale d'investissement, l'estimation du coût de chaque projet atteint un montant minimum de 75.000 EUR, T.V.A. comprise. Le Gouvernement peut adapter ce montant;
6° lorsque l'investissement porte sur un bien à acquérir, sa destination doit être conforme à celle prévue par les plans visés à l'article 13 du Code bruxellois de l'Aménagement du Territoire;
7° être approuvés soit par le conseil communal lorsque la demande émane des bénéficiaires visés à l'article 4, 1°, 3° et 4°, soit par l'organe compétent pour représenter les autres demandeurs.
§ 3. Le Gouvernement peut arrêter des conditions supplémentaires de recevabilité pour les projets, liées à :
1° la qualité des ouvrages;
2° l'introduction, dans le cadre de la procédure de mise en concurrence des travaux, de clauses obligeant les soumissionnaires à assurer la prise en charge de stagiaires ou la mise au travail de chômeurs dans le cadre de l'exécution du marché;
3° l'efficacité lumineuse et le degré d'éclairage minimum des investissements visés à l'article 16, 2°, a);
4° la performance énergétique des investissements visés à l'article 17.
§ 4. Le Gouvernement peut arrêter des conditions supplémentaires de recevabilité liées à la qualité et au prix des études visées à l'article 19.]1
Wijzigingen
Art. 22. [1 Een aanvraag om principiële instemming voor de toekenning van subsidies voor de investeringen bedoeld in artikelen 16, 17 en 18 voor de begunstigden bedoeld in artikel 4, 2°, 5°, 6° en 7°, is ontvankelijk voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de investeringen stemmen overeen met de bepalingen van deze ordonnantie, alsook met de bepalingen inroepbaar tegen de aanvrager;
2° de vereiste gewestelijke vergunningen voorafgaand aan de uitvoering van de werken werden uitgereikt;
3° als de investering een aan te kopen goed betreft, moet het project voor de werken dat bij de aanvraag om principiële instemming voor de toekenning van subsidies hoort aan de Regering bezorgd worden binnen de honderdtachtig dagen na de datum van aankoop;
4° de aanvraag betreffende de werken bedoeld in artikel 16, 1° bevat een advies van Brussel Mobiliteit met de analyse van de overeenstemming met het gewestelijk mobiliteitsplan. De Regering bepaalt de opmaakmodaliteiten van de nota en van het advies van Brussel Mobiliteit.
De Regering kan een aanvraag om principiële instemming voor de toekenning van subsidies aanvaarden dat de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 2°, niet naleeft, bij een noodgeval dat naar behoren gemotiveerd wordt door de aanvrager.
De Regering kan een aanvraag om principiële instemming voor de toekenning van subsidies aanvaarden voor werken aan een verworven goed, die de termijn bedoeld in het eerste lid, 3° niet naleeft, voor zover bijzondere omstandigheden de vertraging verantwoorden.]1
1° de investeringen stemmen overeen met de bepalingen van deze ordonnantie, alsook met de bepalingen inroepbaar tegen de aanvrager;
2° de vereiste gewestelijke vergunningen voorafgaand aan de uitvoering van de werken werden uitgereikt;
3° als de investering een aan te kopen goed betreft, moet het project voor de werken dat bij de aanvraag om principiële instemming voor de toekenning van subsidies hoort aan de Regering bezorgd worden binnen de honderdtachtig dagen na de datum van aankoop;
4° de aanvraag betreffende de werken bedoeld in artikel 16, 1° bevat een advies van Brussel Mobiliteit met de analyse van de overeenstemming met het gewestelijk mobiliteitsplan. De Regering bepaalt de opmaakmodaliteiten van de nota en van het advies van Brussel Mobiliteit.
De Regering kan een aanvraag om principiële instemming voor de toekenning van subsidies aanvaarden dat de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 2°, niet naleeft, bij een noodgeval dat naar behoren gemotiveerd wordt door de aanvrager.
De Regering kan een aanvraag om principiële instemming voor de toekenning van subsidies aanvaarden voor werken aan een verworven goed, die de termijn bedoeld in het eerste lid, 3° niet naleeft, voor zover bijzondere omstandigheden de vertraging verantwoorden.]1
Art. 22. [1 Une demande d'accord de principe d'octroi de subsides portant sur les investissements visés aux articles 16, 17 et 18 pour les bénéficiaires visés à l'article 4, 2°, 5°, 6° et 7°, est recevable pour autant que les conditions suivantes soient respectées :
1° les investissements sont conformes aux dispositions prévues par la présente ordonnance, ainsi qu'aux dispositions opposables au demandeur;
2° les autorisations régionales requises préalables à l'exécution des travaux ont été obtenues;
3° si l'investissement porte sur un bien à acquérir, le projet de travaux accompagnant la demande d'accord de principe d'octroi de subsides doit être transmis au Gouvernement dans les cent quatre-vingts jours de la date de l'acquisition;
4° la demande relative aux travaux visés à l'article 16, 1°, intègre un avis de Bruxelles Mobilité analysant la conformité avec le plan régional de mobilité. Le Gouvernement arrête les modalités de rédaction de la note ainsi que l'avis de Bruxelles Mobilité.
Le Gouvernement peut accepter une demande d'accord de principe d'octroi de subsides ne respectant pas la condition visée à l'alinéa 1er, 2°, en cas d'urgence dûment motivée par le demandeur.
Le Gouvernement peut accepter une demande d'accord de principe d'octroi de subsides concernant des travaux à exécuter à un bien acquis ne respectant pas le délai visé à l'alinéa 1er, 3°, pour autant que des circonstances particulières justifient le retard.]1
1° les investissements sont conformes aux dispositions prévues par la présente ordonnance, ainsi qu'aux dispositions opposables au demandeur;
2° les autorisations régionales requises préalables à l'exécution des travaux ont été obtenues;
3° si l'investissement porte sur un bien à acquérir, le projet de travaux accompagnant la demande d'accord de principe d'octroi de subsides doit être transmis au Gouvernement dans les cent quatre-vingts jours de la date de l'acquisition;
4° la demande relative aux travaux visés à l'article 16, 1°, intègre un avis de Bruxelles Mobilité analysant la conformité avec le plan régional de mobilité. Le Gouvernement arrête les modalités de rédaction de la note ainsi que l'avis de Bruxelles Mobilité.
Le Gouvernement peut accepter une demande d'accord de principe d'octroi de subsides ne respectant pas la condition visée à l'alinéa 1er, 2°, en cas d'urgence dûment motivée par le demandeur.
Le Gouvernement peut accepter une demande d'accord de principe d'octroi de subsides concernant des travaux à exécuter à un bien acquis ne respectant pas le délai visé à l'alinéa 1er, 3°, pour autant que des circonstances particulières justifient le retard.]1
Wijzigingen
Art. 23. [1 Een subsidieaanvraag voor investeringen is ontvankelijk voor zover aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° de investeringen stemmen overeen met de bepalingen van deze ordonnantie, alsook met de bepalingen inroepbaar tegen de aanvrager;
2° de vereiste gewestelijke vergunningen voorafgaand aan de uitvoering van de werken zijn uitgereikt. Als er geen vergunning vereist is, bezorgt de aanvrager alle vereiste verantwoordingen;
3° de aanvraag stemt overeen met het project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een principiële instemming voor de toekenning van subsidies, voor de aanvragers bedoeld in artikel 4, 2°, 5°, 6° en 7° ;
4° De aanvraag stemt overeen met het gemeentelijke driejarige investeringsprogramma en is uiterlijk op de laatste werkdag voor het einde van de driejarige periode ingediend, voor de aanvragers bedoeld in artikel 4, 1°, 3° en 4°.]1
1° de investeringen stemmen overeen met de bepalingen van deze ordonnantie, alsook met de bepalingen inroepbaar tegen de aanvrager;
2° de vereiste gewestelijke vergunningen voorafgaand aan de uitvoering van de werken zijn uitgereikt. Als er geen vergunning vereist is, bezorgt de aanvrager alle vereiste verantwoordingen;
3° de aanvraag stemt overeen met het project dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een principiële instemming voor de toekenning van subsidies, voor de aanvragers bedoeld in artikel 4, 2°, 5°, 6° en 7° ;
4° De aanvraag stemt overeen met het gemeentelijke driejarige investeringsprogramma en is uiterlijk op de laatste werkdag voor het einde van de driejarige periode ingediend, voor de aanvragers bedoeld in artikel 4, 1°, 3° en 4°.]1
Art. 23. [1 Une demande d'octroi de subsides portant sur les investissements est recevable pour autant que les conditions suivantes soient respectées :
1° les investissements sont conformes aux dispositions prévues par la présente ordonnance, ainsi qu'aux dispositions opposables au demandeur;
2° les autorisations régionales requises préalables à l'exécution des travaux ont été obtenues. Si aucune autorisation n'est exigée, le demandeur fournit toutes les justifications nécessaires;
3° la demande est conforme au projet qui a fait l'objet d'un accord de principe d'octroi de subsides pour les demandeurs visés à l'article 4, 2°, 5°, 6° et 7° ;
4° la demande est conforme au programme triennal d'investissement communal et elle a été introduite au plus tard le dernier jour ouvrable avant la fin du triennat pour les demandeurs visés à l'article 4, 1°, 3° et 4°.]1
1° les investissements sont conformes aux dispositions prévues par la présente ordonnance, ainsi qu'aux dispositions opposables au demandeur;
2° les autorisations régionales requises préalables à l'exécution des travaux ont été obtenues. Si aucune autorisation n'est exigée, le demandeur fournit toutes les justifications nécessaires;
3° la demande est conforme au projet qui a fait l'objet d'un accord de principe d'octroi de subsides pour les demandeurs visés à l'article 4, 2°, 5°, 6° et 7° ;
4° la demande est conforme au programme triennal d'investissement communal et elle a été introduite au plus tard le dernier jour ouvrable avant la fin du triennat pour les demandeurs visés à l'article 4, 1°, 3° et 4°.]1
Wijzigingen
Art. 24. [1 § 1. Binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst van de aanvraag om principiële instemming van toekenning van subsidies voor de investeringen bedoeld in de artikelen 16, 17 en 18 betekent de Regering aan de aanvrager ofwel de weigering van subsidies ofwel de principiële instemming samen met de toestemming om de op- dracht in mededinging te stellen. Deze termijn kan door de Regering één maal verlengd worden voor een duur die vijftig dagen niet overschrijdt. Het uitblijven van een beslissing van de Regering binnen deze termijnen geldt als principiële instemming ten belope van het gevraagde subsidiebedrag.
Vanaf de datum van ontvangst van de principiële instemming beschikt de aanvrager over een termijn van honderdtachtig dagen om de subsidieaanvraag bedoeld in artikel 23 over te maken aan de Regering. Na verstrijken van deze termijn vervalt de principiële instemming. Deze termijn kan door de Regering eenmaal worden verlengd ingevolge een met redenen omklede aanvraag.
§ 2. Binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst van de subsidieaanvraag bedoeld in artikel 23, geeft de Regering kennis van de weigering of de toekenning van de subsidie met bijkomende vergunning voor de uitvoering van de werken. Het ontbreken van een beslissing zijdens de Regering binnen die termijn, geldt als toekenning van de subsidie. De Regering beschikt niettemin over een bij- komende termijn van vijftig dagen om kennis te geven van het bedrag van de subsidie en toelating voor de aanvrager om de bestelling van de werken te betekenen aan de aannemer. Na het verstrijken van die termijn is het bedrag van de subsidie het overeenkomstig het in § 1 vastgestelde bedrag.
Vanaf de datum van de ontvangst van de beslissing van de toekenning van de subsidies beschikt de aanvrager over een termijn van honderdtachtig dagen om aan de Regering een afschrift over te maken van de bestelling van de werken aan de aannemer. Na het verstrijken van deze termijn, vervalt het recht op subsidie. Deze termijn kan door de Regering éénmaal worden verlengd ingevolge een met redenen omklede aanvraag.
§ 3. Het opleggen aan de aanvrager van het verkrijgen van een voorafgaande vergunning voor het uitvoeren van de werken, schort de termijn bedoeld in § 2, tweede lid, op totdat de overheidsdienst die de vergunning dient af te leveren, een beslissing heeft genomen.]1
Vanaf de datum van ontvangst van de principiële instemming beschikt de aanvrager over een termijn van honderdtachtig dagen om de subsidieaanvraag bedoeld in artikel 23 over te maken aan de Regering. Na verstrijken van deze termijn vervalt de principiële instemming. Deze termijn kan door de Regering eenmaal worden verlengd ingevolge een met redenen omklede aanvraag.
§ 2. Binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst van de subsidieaanvraag bedoeld in artikel 23, geeft de Regering kennis van de weigering of de toekenning van de subsidie met bijkomende vergunning voor de uitvoering van de werken. Het ontbreken van een beslissing zijdens de Regering binnen die termijn, geldt als toekenning van de subsidie. De Regering beschikt niettemin over een bij- komende termijn van vijftig dagen om kennis te geven van het bedrag van de subsidie en toelating voor de aanvrager om de bestelling van de werken te betekenen aan de aannemer. Na het verstrijken van die termijn is het bedrag van de subsidie het overeenkomstig het in § 1 vastgestelde bedrag.
Vanaf de datum van de ontvangst van de beslissing van de toekenning van de subsidies beschikt de aanvrager over een termijn van honderdtachtig dagen om aan de Regering een afschrift over te maken van de bestelling van de werken aan de aannemer. Na het verstrijken van deze termijn, vervalt het recht op subsidie. Deze termijn kan door de Regering éénmaal worden verlengd ingevolge een met redenen omklede aanvraag.
§ 3. Het opleggen aan de aanvrager van het verkrijgen van een voorafgaande vergunning voor het uitvoeren van de werken, schort de termijn bedoeld in § 2, tweede lid, op totdat de overheidsdienst die de vergunning dient af te leveren, een beslissing heeft genomen.]1
Art. 24. [1 § 1er. Dans un délai de cinquante jours qui suit la réception de la demande d'accord de principe d'octroi de subsides portant sur les investissements visés aux articles 16, 17 et 18, le Gouvernement notifie au demandeur un refus ou un accord de principe accompagné de l'autorisation de mise en concurrence du marché. Ce délai peut être prorogé une seule fois par le gouvernement pour une durée n'excédant pas cinquante jours. L'absence de décision du Gouvernement dans ce délai vaut accord de principe pour le montant du subside demandé.
Le demandeur dispose d'un délai de cent quatre-vingts jours à dater de la réception de l'accord de principe pour transmettre au Gouvernement la demande d'octroi de subsides visée à l'article 23. Passé ce délai, il perd le bénéfice de l'accord de principe. Sur demande motivée, ce délai peut être prorogé une fois par le Gouvernement.
§ 2. Dans un délai de cinquante jours qui suit la réception de la demande d'octroi de subsides visée à l'article 23, le Gouvernement notifie le refus ou l'octroi du subside accompagné de l'autorisation de mise en travaux. L'absence de décision du Gouvernement dans ce délai vaut octroi du subside et autorisation pour le demandeur de notifier la commande des travaux à l'adjudicataire. Le Gouvernement dispose néanmoins d'un délai supplémentaire de cinquante jours pour notifier le montant du subside. Passé ce délai, le montant du subside est le montant fixé conformément au § 1er.
Le demandeur dispose d'un délai de cent quatre-vingts jours à dater de la réception de la décision d'octroi de subsides pour transmettre au Gouvernement copie de la notification de la commande des travaux à l'adjudicataire. Passé ce délai, il perd le bénéfice du subside. Sur demande motivée, ce délai peut être prorogé une fois par le Gouvernement.
§ 3. Lorsqu'une autorisation de mise en travaux est imposée au demandeur préalablement à la commande des travaux, le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2, est suspendu jusqu'à ce que l'autorité délivrant l'autorisation se soit prononcée.]1
Le demandeur dispose d'un délai de cent quatre-vingts jours à dater de la réception de l'accord de principe pour transmettre au Gouvernement la demande d'octroi de subsides visée à l'article 23. Passé ce délai, il perd le bénéfice de l'accord de principe. Sur demande motivée, ce délai peut être prorogé une fois par le Gouvernement.
§ 2. Dans un délai de cinquante jours qui suit la réception de la demande d'octroi de subsides visée à l'article 23, le Gouvernement notifie le refus ou l'octroi du subside accompagné de l'autorisation de mise en travaux. L'absence de décision du Gouvernement dans ce délai vaut octroi du subside et autorisation pour le demandeur de notifier la commande des travaux à l'adjudicataire. Le Gouvernement dispose néanmoins d'un délai supplémentaire de cinquante jours pour notifier le montant du subside. Passé ce délai, le montant du subside est le montant fixé conformément au § 1er.
Le demandeur dispose d'un délai de cent quatre-vingts jours à dater de la réception de la décision d'octroi de subsides pour transmettre au Gouvernement copie de la notification de la commande des travaux à l'adjudicataire. Passé ce délai, il perd le bénéfice du subside. Sur demande motivée, ce délai peut être prorogé une fois par le Gouvernement.
§ 3. Lorsqu'une autorisation de mise en travaux est imposée au demandeur préalablement à la commande des travaux, le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2, est suspendu jusqu'à ce que l'autorité délivrant l'autorisation se soit prononcée.]1
Wijzigingen
Art. 25. [1 De Regering kan de volledige of gedeeltelijke terugbetaling eisen van de toegekende subsidies als de begunstigde van de subsidies zijn/haar verbintenissen of de voorwaarden van de ordonnantie niet naleeft.]1
Art. 25. [1 Le Gouvernement peut exiger le remboursement de tout ou partie des subsides octroyés si le bénéficiaire des subsides ne respecte pas ses engagements ou les conditions de l'ordonnance.]1
Wijzigingen
Art. 27. § 1. Binnen de honderdtachtig dagen na ontvangst van het afschrift van de betekening van de opdracht aan de aannemer wordt [3 tachtig]3 procent van het subsidiebedrag uitbetaald aan de begunstigde.
Het saldo van de subsidie wordt uitbetaald binnen honderdtachtig dagen na ontvangst van de volledige eindafrekening.
De begunstigde beschikt over een termijn van honderdtachtig dagen vanaf de voorlopige oplevering [1 ...]1 van de werken om de volledige afrekening samen met de voor de uitbetaling van de subsidie vereiste verantwoordingsstukken over te maken. Na het verstrijken van deze termijn vervalt het recht op subsidie [1 De begunstigde is ertoe gehouden de administratie de datum en de plaats van de voorlopige oplevering mee te delen, 15 dagen vóór deze oplevering.]1.
Indien de begunstigde en zijn aannemer het niet eens kunnen worden over het bedrag van de eindafrekening, mag er door de begunstigde een voorlopige eindafrekening ingediend worden.
[1 De uitbetaling van het saldo van de subsidie op basis van de voorlopige afrekening sluit het dossier af.]1
§ 2. [3 ...]3
[2 § 3. B De uitbetaling van de subsidie voor de verwezenlijking van een studie vindt gelijktijdig en in dezelfde percentages plaats als de uitbetaling van de subsidie voor de werken waaraan de studie is gerelateerd.]2
Het saldo van de subsidie wordt uitbetaald binnen honderdtachtig dagen na ontvangst van de volledige eindafrekening.
De begunstigde beschikt over een termijn van honderdtachtig dagen vanaf de voorlopige oplevering [1 ...]1 van de werken om de volledige afrekening samen met de voor de uitbetaling van de subsidie vereiste verantwoordingsstukken over te maken. Na het verstrijken van deze termijn vervalt het recht op subsidie [1 De begunstigde is ertoe gehouden de administratie de datum en de plaats van de voorlopige oplevering mee te delen, 15 dagen vóór deze oplevering.]1.
Indien de begunstigde en zijn aannemer het niet eens kunnen worden over het bedrag van de eindafrekening, mag er door de begunstigde een voorlopige eindafrekening ingediend worden.
[1 De uitbetaling van het saldo van de subsidie op basis van de voorlopige afrekening sluit het dossier af.]1
§ 2. [3 ...]3
[2 § 3. B De uitbetaling van de subsidie voor de verwezenlijking van een studie vindt gelijktijdig en in dezelfde percentages plaats als de uitbetaling van de subsidie voor de werken waaraan de studie is gerelateerd.]2
Art. 27. § 1er. [3 Quatre-vingts]3 pour-cent du montant du subside sont liquidés au bénéficiaire dans les cent quatre-vingt jours de la réception de la copie de la notification de la commande à l'adjudicataire.
Le solde du subside est liquidé dans les cent quatre-vingt jours de la réception du décompte final complet.
Le bénéficiaire dispose d'un délai de cent quatre-vingt jours à dater de la réception provisoire des [1 ...]1 travaux pour transmettre un décompte final complet, accompagné des pièces justificatives requises pour la liquidation du subside. Passé ce délai, il perd le bénéfice du subside. [1 Le bénéficiaire est tenu d'avertir l'administration de la date et du lieu de la réception provisoire 15 jours avant celle-ci.]1
Si le bénéficiaire et l'entrepreneur ne s'entendent pas sur le montant du décompte final, un décompte final provisoire peut être transmis par le bénéficiaire.
[1 La liquidation du solde du subside sur la base du décompte provisoire clôt le dossier.]1
§ 2. [3 ...]3
[2 § 3. La liquidation du subside pour la réalisation d'une étude s'effectue en même temps et selon les mêmes pourcentages que la liquidation du subside pour les travaux auxquels l'étude se rapporte.]2
Le solde du subside est liquidé dans les cent quatre-vingt jours de la réception du décompte final complet.
Le bénéficiaire dispose d'un délai de cent quatre-vingt jours à dater de la réception provisoire des [1 ...]1 travaux pour transmettre un décompte final complet, accompagné des pièces justificatives requises pour la liquidation du subside. Passé ce délai, il perd le bénéfice du subside. [1 Le bénéficiaire est tenu d'avertir l'administration de la date et du lieu de la réception provisoire 15 jours avant celle-ci.]1
Si le bénéficiaire et l'entrepreneur ne s'entendent pas sur le montant du décompte final, un décompte final provisoire peut être transmis par le bénéficiaire.
[1 La liquidation du solde du subside sur la base du décompte provisoire clôt le dossier.]1
§ 2. [3 ...]3
[2 § 3. La liquidation du subside pour la réalisation d'une étude s'effectue en même temps et selon les mêmes pourcentages que la liquidation du subside pour les travaux auxquels l'étude se rapporte.]2
HOOFDSTUK IX. - Berekening van de subsidie.
CHAPITRE IX. - Calcul du subside.
Art. 28. De werken en studies worden ten belope van [1 vijftig percent]1 van de kostprijs van de subsidieerbare werken gesubsidieerd.
Dit percentage wordt echter verhoogd tot [1 zeventig percent]1 voor de werken en studies die voorkomen in de lijst van de prioriteiten van het Gewestelijk ontwikkelingsplan dat de Regering vastlegde [1 alsook voor de investeringen zoals bedoeld in artikel 18]1.
Het percentage wordt van [1 zeventig percent]1 naar negentig percent verhoogd voor :
1° de gemeenten die dit uitdrukkelijk aanvragen en die voor het jaar dat aan elke driejarige periode voorafgaat een algemene dotatie per inwoner ontvangen hebben die het gewestelijk gemiddelde overschrijdt;
2° de Stad Brussel, voor zover de werken verwezenlijkt worden in de Vijfhoek, namelijk het grondgebied dat omgrensd wordt door de lanen die de kleine ring vormen.
[1 3° de investeringen bedoeld in artikel 17 als de energieprestatie de passieve standaard bereikt bij investeringen voor de bouw van gebouwen en de standaard lage energie bij investeringen voor de renovatie van gebouwen.]1
Dit percentage wordt echter verhoogd tot [1 zeventig percent]1 voor de werken en studies die voorkomen in de lijst van de prioriteiten van het Gewestelijk ontwikkelingsplan dat de Regering vastlegde [1 alsook voor de investeringen zoals bedoeld in artikel 18]1.
Het percentage wordt van [1 zeventig percent]1 naar negentig percent verhoogd voor :
1° de gemeenten die dit uitdrukkelijk aanvragen en die voor het jaar dat aan elke driejarige periode voorafgaat een algemene dotatie per inwoner ontvangen hebben die het gewestelijk gemiddelde overschrijdt;
2° de Stad Brussel, voor zover de werken verwezenlijkt worden in de Vijfhoek, namelijk het grondgebied dat omgrensd wordt door de lanen die de kleine ring vormen.
[1 3° de investeringen bedoeld in artikel 17 als de energieprestatie de passieve standaard bereikt bij investeringen voor de bouw van gebouwen en de standaard lage energie bij investeringen voor de renovatie van gebouwen.]1
Art. 28. Les travaux et études sont subsidiés à concurrence de [1 cinquante pour cent]1 du coût des investissements subsidiables.
Toutefois, ce taux est porté à [1 septante pour cent]1 pour les travaux et études repris dans la liste des priorités du Plan régional de développement arrêtée par le Gouvernement [1 ainsi que pour les investissements visés à l'article 18]1.
Le taux de [1 septante pour cent]1 est porté à nonante pour-cent pour :
1° les communes qui en font la demande expresse et qui perçoivent pour l'année qui précède le début de chaque triennat, une dotation générale par habitant supérieure à la moyenne régionale;
2° la Ville de Bruxelles, pour autant que les travaux soient réalisés dans le Pentagone, à savoir, le territoire circonscrit par les boulevards constituant la petite ceinture.
[1 3° les investissements visés à l'article 17, lorsque la performance énergétique atteint le standard passif pour les investissements relatifs à la construction de bâtiments et le standard basse énergie pour les investissements relatifs à la rénovation de bâtiments.]1
Toutefois, ce taux est porté à [1 septante pour cent]1 pour les travaux et études repris dans la liste des priorités du Plan régional de développement arrêtée par le Gouvernement [1 ainsi que pour les investissements visés à l'article 18]1.
Le taux de [1 septante pour cent]1 est porté à nonante pour-cent pour :
1° les communes qui en font la demande expresse et qui perçoivent pour l'année qui précède le début de chaque triennat, une dotation générale par habitant supérieure à la moyenne régionale;
2° la Ville de Bruxelles, pour autant que les travaux soient réalisés dans le Pentagone, à savoir, le territoire circonscrit par les boulevards constituant la petite ceinture.
[1 3° les investissements visés à l'article 17, lorsque la performance énergétique atteint le standard passif pour les investissements relatifs à la construction de bâtiments et le standard basse énergie pour les investissements relatifs à la rénovation de bâtiments.]1
Art. 29. De Regering stelt het percentage vast voor de subsidiëring van de projecten die onder de driejarige ontwikkelingsdotatie vallen.
Art. 29. Le Gouvernement fixe le taux du subside des projets émargeant à la dotation triennale de développement.
Art. 30. [1 § 1. Het bedrag dat in aanmerking komt voor de berekening van de subsidie, is dat van de kostprijs der werken en studies, btw inbegrepen, verminderd met :
1° het bedrag van de niet subsidieerbare werken, studies en kosten die in de investering zijn begrepen. De Regering stelt de lijst van deze posten vast;
2° de bedragen die de begunstigden uit hoofde van andere wetgevingen, reglementeringen, overeenkomsten of eenzijdige akten, ontvangen hebben of zullen ontvangen voor de verwezenlijking van dezelfde investering.
De Regering kan bovendien voor elke categorie van werken of studies een maximumbedrag vaststellen voor de berekening van de subsidie.
Indien er een bijdrage verschuldigd is aan een collectief opzoekingscentrum wordt ze opgenomen in het bedrag dat voor de berekening van de subsidie in aanmerking wordt genomen.
§ 2. Indien de investering betrekking heeft op een verwerving, wordt het bedrag van de subsidie als volgt berekend :
1° in geval van verwerving in der minne, wordt de subsidie berekend op basis van de aankoopprijs, die de raming verricht door de ontvanger van de registratie niet mag overschrijden;
2° in geval van onteigening wordt het bedrag van de subsidie berekend op grond van de door de hoven en recht- banken vastgestelde vergoedingen.]1
1° het bedrag van de niet subsidieerbare werken, studies en kosten die in de investering zijn begrepen. De Regering stelt de lijst van deze posten vast;
2° de bedragen die de begunstigden uit hoofde van andere wetgevingen, reglementeringen, overeenkomsten of eenzijdige akten, ontvangen hebben of zullen ontvangen voor de verwezenlijking van dezelfde investering.
De Regering kan bovendien voor elke categorie van werken of studies een maximumbedrag vaststellen voor de berekening van de subsidie.
Indien er een bijdrage verschuldigd is aan een collectief opzoekingscentrum wordt ze opgenomen in het bedrag dat voor de berekening van de subsidie in aanmerking wordt genomen.
§ 2. Indien de investering betrekking heeft op een verwerving, wordt het bedrag van de subsidie als volgt berekend :
1° in geval van verwerving in der minne, wordt de subsidie berekend op basis van de aankoopprijs, die de raming verricht door de ontvanger van de registratie niet mag overschrijden;
2° in geval van onteigening wordt het bedrag van de subsidie berekend op grond van de door de hoven en recht- banken vastgestelde vergoedingen.]1
Art. 30. [1 § 1er. Le montant pris en compte pour le calcul du subside est le coût des travaux et études, T.V.A. comprise, diminué des éléments suivants :
1° les montants des travaux, études et frais non subsidiables compris dans l'investissement. Le Gouvernement arrête la liste de ces postes;
2° les montants perçus ou à percevoir par les bénéficiaires pour la réalisation du même investissement en vertu de toute autre législation, réglementation, convention ou acte unilatéral.
Le Gouvernement peut en outre, pour chaque catégorie de travaux ou études, arrêter un montant maximum à prendre en compte pour le calcul du subside.
Lorsqu'une redevance à un centre de recherche collective est due, elle est incluse dans le montant pris en compte pour le calcul du subside.
§ 2. Lorsque l'investissement comprend une acquisition, le montant du subside est calculé comme suit :
1° en cas d'acquisition à l'amiable, le subside est calculé sur la base du prix, qui ne peut dépasser l'estimation du receveur de l'enregistrement;
2° en cas d'expropriation, le montant du subside est calculé sur la base d'indemnités convenues ou fixées par les cours et tribunaux.]1
1° les montants des travaux, études et frais non subsidiables compris dans l'investissement. Le Gouvernement arrête la liste de ces postes;
2° les montants perçus ou à percevoir par les bénéficiaires pour la réalisation du même investissement en vertu de toute autre législation, réglementation, convention ou acte unilatéral.
Le Gouvernement peut en outre, pour chaque catégorie de travaux ou études, arrêter un montant maximum à prendre en compte pour le calcul du subside.
Lorsqu'une redevance à un centre de recherche collective est due, elle est incluse dans le montant pris en compte pour le calcul du subside.
§ 2. Lorsque l'investissement comprend une acquisition, le montant du subside est calculé comme suit :
1° en cas d'acquisition à l'amiable, le subside est calculé sur la base du prix, qui ne peut dépasser l'estimation du receveur de l'enregistrement;
2° en cas d'expropriation, le montant du subside est calculé sur la base d'indemnités convenues ou fixées par les cours et tribunaux.]1
Wijzigingen
Art. 31. De subsidie wordt forfaitair berekend op basis van het bedrag van de aangenomen offerte. [1 Afrekeningen die betrekking hebben op bijkomende hoeveelheden subsidieerbare posten die vervat zijn in de aangenomen offerte, worden in aanmerking genomen binnen de grenzen van de toegekende subsidie, terwijl prijsherzieningen en aanhangsels niet in overweging worden genomen]1.
De Regering kan bijzondere modaliteiten vaststellen voor de berekening van de subsidie indien de investering betrekking heeft op werken die niet konden voorzien worden.
De Regering kan bijzondere modaliteiten vaststellen voor de berekening van de subsidie indien de investering betrekking heeft op werken die niet konden voorzien worden.
Art. 31. Le subside est calculé forfaitairement sur base du montant de l'offre approuvée. [1 Les décomptes portant sur des quantités supplémentaires de postes subsidiables figurant dans l'offre approuvée sont pris en compte dans les limites du subside octroyé, tandis que les révisions et avenants ne sont pas pris en considération.]1
Le Gouvernement peut arrêter des modalités particulières de calcul du montant du subside lorsque l'investissement porte sur des travaux imprévisibles.
Le Gouvernement peut arrêter des modalités particulières de calcul du montant du subside lorsque l'investissement porte sur des travaux imprévisibles.
HOOFDSTUK X. - Opheffings- en overgangsbepalingen.
CHAPITRE X. - Dispositions abrogatoires et transitoires.
Art. 32. Het besluit van de Regent van 2 juli 1949 betreffende de Staatstussenkomst inzake toelagen voor het uitvoeren van werken door de provincies, gemeenten, verenigingen van gemeenten, commissies van openbare onderstand, kerkfabrieken, en verenigingen van polders of van wateringen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 januari 1951, 26 september 1951, 1 juli 1952, 12 december 1955, 26 april 1956, 1 februari 1960, 2 juni 1961, 13 december 1966, 26 maart 1969, 12 september 1969, 17 juli 1970, 23 november 1971, 22 februari 1974, 20 december 1976, 4 april 1980, 28 juli 1980, 23 juli 1981, bij de besluiten van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 6 december 1990 en 29 april 1993 en bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 november 1997 wordt opgeheven voor wat betreft de materies geregeld door deze ordonnantie;
Worden eveneens opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 15 september 1978 betreffende de toekenning van toelagen aan de gemeenten voor het herstellen in het Brusselse Gewest van de wegen voor voetgangersverkeer, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 1981;
2° het koninklijk besluit van 26 april 1982 betreffende de toekenning van toelagen aan de gemeenten voor de aanleg, de geschiktmaking, de verbetering of de herstelling van het fietswegennet in het Brusselse Gewest;
3° het koninklijk besluit van 9 oktober 1985 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en het percentage van de toelagen voor laanbeplantingen en voor beplantingen, voorzieningen, inrichting en herinrichting van gronden met het oog op het behoud of de aanleg van groene ruimten;
4° het koninklijk besluit van 22 juli 1987 tot bepaling van de voorwaarden tot toekenning en het percentage van de subsidies voor het verwerven van onroerende goederen met het oog op het behoud of de inrichting van openbare groenruimten;
5° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 16 juli 1992 tot regeling van de betoelaging van de aanleg van wandelwegen op het grondgebied van de Stad Brussel in het raam van het programma "De Stadswandelingen", gewijzigd bij het besluit van 26 november 1996 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
De verplichtingen die voor het Gewest voortvloeien uit de besluiten bedoeld in het eerste en tweede lid en die uitsluitend betrekking hebben op de uitbetaling van de subsidies zullen vervallen, zonder aanleiding te geven tot de betaling van enige schadevergoeding ten laste van het Gewest, na afloop van een termijn van vijf jaar volgend op de inwerkingtreding van deze ordonnantie.
Worden eveneens opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 15 september 1978 betreffende de toekenning van toelagen aan de gemeenten voor het herstellen in het Brusselse Gewest van de wegen voor voetgangersverkeer, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 1981;
2° het koninklijk besluit van 26 april 1982 betreffende de toekenning van toelagen aan de gemeenten voor de aanleg, de geschiktmaking, de verbetering of de herstelling van het fietswegennet in het Brusselse Gewest;
3° het koninklijk besluit van 9 oktober 1985 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en het percentage van de toelagen voor laanbeplantingen en voor beplantingen, voorzieningen, inrichting en herinrichting van gronden met het oog op het behoud of de aanleg van groene ruimten;
4° het koninklijk besluit van 22 juli 1987 tot bepaling van de voorwaarden tot toekenning en het percentage van de subsidies voor het verwerven van onroerende goederen met het oog op het behoud of de inrichting van openbare groenruimten;
5° het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 16 juli 1992 tot regeling van de betoelaging van de aanleg van wandelwegen op het grondgebied van de Stad Brussel in het raam van het programma "De Stadswandelingen", gewijzigd bij het besluit van 26 november 1996 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
De verplichtingen die voor het Gewest voortvloeien uit de besluiten bedoeld in het eerste en tweede lid en die uitsluitend betrekking hebben op de uitbetaling van de subsidies zullen vervallen, zonder aanleiding te geven tot de betaling van enige schadevergoeding ten laste van het Gewest, na afloop van een termijn van vijf jaar volgend op de inwerkingtreding van deze ordonnantie.
Art. 32. L'arrêté du Régent du 2 juillet 1949 relatif à l'intervention de l'Etat en matière de subsides pour l'exécution de travaux par les provinces, communes, associations de communes, commissions d'assistance publique, fabriques d'église et associations de polders ou de wateringues, modifié par les arrêtés royaux des 23 janvier 1951, 26 septembre 1951, 1er juillet 1952, 12 décembre 1955, 26 avril 1956, 1er février 1960, 2 juin 1961, 13 décembre 1966, 26 mars 1969, 12 septembre 1969, 17 juillet 1970, 23 novembre 1971, 22 février 1974, 20 décembre 1976, 4 avril 1980, 28 juillet 1980, 23 juillet 1981, par les arrêtés de l'Exécutif de la Région de Bruxelles-Capitale des 6 décembre 1990 et 29 avril 1993 et par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 13 novembre 1997 est abrogé en ce qui concerne les matières réglées par la présente ordonnance.
Sont également abrogés :
1° l'arrêté royal du 15 septembre 1978 relatif à l'octroi de subventions aux communes pour la restauration des voies de circulation piétonnière dans la Région bruxelloise, modifié par l'arrêté royal du 13 juillet 1981;
2° l'arrêté royal du 26 avril 1982 relatif à l'octroi de subventions aux communes pour la création, l'aménagement, l'amélioration ou la restauration de réseaux d'itinéraires cyclables dans la Région bruxelloise;
3° l'arrêté royal du 9 octobre 1985 déterminant les conditions d'octroi et le taux des subventions pour les plantations d'alignement et pour les plantations, l'équipement, l'aménagement et le réaménagement de terrains en vue de la conservation ou la création d'espaces verts publics;
4° l'arrêté royal du 22 juillet 1987 déterminant les conditions d'octroi et le taux des subventions pour l'acquisition de biens immeubles en vue de la conservation ou de la création d'espaces verts publics;
5° l'arrêté de l'Exécutif de la Région de Bruxelles-Capitale du 16 juillet 1992 fixant les modalités d'octroi de subventions en vue de l'aménagement sur le territoire de la Ville de Bruxelles de promenades d'agrément réalisé dans le cadre du programme " Les Chemins de la Ville ", modifié par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 novembre 1996.
Les obligations résultant pour la Région des arrêtés visés aux alinéas 1er et 2 qui concernent exclusivement la liquidation des subsides prendront fin, sans que cela puisse donner lieu au paiement d'une quelconque indemnité à charge de la Région, à l'expiration d'un délai de cinq ans suivant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
Sont également abrogés :
1° l'arrêté royal du 15 septembre 1978 relatif à l'octroi de subventions aux communes pour la restauration des voies de circulation piétonnière dans la Région bruxelloise, modifié par l'arrêté royal du 13 juillet 1981;
2° l'arrêté royal du 26 avril 1982 relatif à l'octroi de subventions aux communes pour la création, l'aménagement, l'amélioration ou la restauration de réseaux d'itinéraires cyclables dans la Région bruxelloise;
3° l'arrêté royal du 9 octobre 1985 déterminant les conditions d'octroi et le taux des subventions pour les plantations d'alignement et pour les plantations, l'équipement, l'aménagement et le réaménagement de terrains en vue de la conservation ou la création d'espaces verts publics;
4° l'arrêté royal du 22 juillet 1987 déterminant les conditions d'octroi et le taux des subventions pour l'acquisition de biens immeubles en vue de la conservation ou de la création d'espaces verts publics;
5° l'arrêté de l'Exécutif de la Région de Bruxelles-Capitale du 16 juillet 1992 fixant les modalités d'octroi de subventions en vue de l'aménagement sur le territoire de la Ville de Bruxelles de promenades d'agrément réalisé dans le cadre du programme " Les Chemins de la Ville ", modifié par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 novembre 1996.
Les obligations résultant pour la Région des arrêtés visés aux alinéas 1er et 2 qui concernent exclusivement la liquidation des subsides prendront fin, sans que cela puisse donner lieu au paiement d'une quelconque indemnité à charge de la Région, à l'expiration d'un délai de cinq ans suivant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
Art. 33. § 1. De aanvragen om principiële instemming voor de toekenning van subsidie voor investeringen ingeschreven in een driejarig investeringsprogramma waarvoor een ontwerp voor het in mededinging stellen van de werken werd ingediend bij het Gewest voor de inwerkingtreding van deze ordonnantie en waarvoor tot nog toe geen principiële subsidietoezegging werd toegekend, worden behandeld volgens de procedure vermeld in artikel 24, eerste lid. De termijn vermeld in artikel 24, eerste lid gaat echter in op de datum van de ontvangst van het driejarige investeringsprogramma uitgewerkt door de aanvragen.
De aanvragen om toekenning van subsidie voor investeringen ingeschreven in een driejarig investeringsprogramma waarvoor een principiële subsidietoezegging werd toegekend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie, en waarvoor een analyse van de offertes en een voorstel van toewijzing van de aannemer niet op die datum aan het Gewest werden overgemaakt, worden behandeld volgens de procedure bedoeld in artikel 24, tweede lid. De termijn bedoeld in artikel 24, tweede lid, gaat in vanaf de datum van de ontvangst van het driejarig investeringsprogramma uitgewerkt door de aanvrager.
De aanvragen om toekenning van subsidie voor investeringen ingeschreven in een driejarig investeringsprogramma waarvoor er een principiële subsidietoezegging werd toegekend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie en waarvoor een analyse van de offertes en een voorstel van toewijzing van de aannemer op die datum aan het Gewest werden overgemaakt, worden behandeld volgens de procedure bedoeld in artikel 24, derde lid. De termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, gaat echter in vanaf de datum van de ontvangst van het driejarig investeringsprogramma uitgewerkt door de aanvrager.
§ 2. Om ontvankelijk te zijn, moet een aanvraag om toekenning van subsidie voor investeringen bedoeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 22, § 1.
De voorwaarden vermeld in artikel 22, § 1, zijn niet toepasbaar op de investeringen bedoeld in § 1, derde lid.
§ 3. De berekening van de subsidie toegekend voor de investeringen bedoeld in § 1 gebeurt volgens de bepalingen van deze ordonnantie.
De aanvragen om toekenning van subsidie voor investeringen ingeschreven in een driejarig investeringsprogramma waarvoor een principiële subsidietoezegging werd toegekend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie, en waarvoor een analyse van de offertes en een voorstel van toewijzing van de aannemer niet op die datum aan het Gewest werden overgemaakt, worden behandeld volgens de procedure bedoeld in artikel 24, tweede lid. De termijn bedoeld in artikel 24, tweede lid, gaat in vanaf de datum van de ontvangst van het driejarig investeringsprogramma uitgewerkt door de aanvrager.
De aanvragen om toekenning van subsidie voor investeringen ingeschreven in een driejarig investeringsprogramma waarvoor er een principiële subsidietoezegging werd toegekend vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie en waarvoor een analyse van de offertes en een voorstel van toewijzing van de aannemer op die datum aan het Gewest werden overgemaakt, worden behandeld volgens de procedure bedoeld in artikel 24, derde lid. De termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, gaat echter in vanaf de datum van de ontvangst van het driejarig investeringsprogramma uitgewerkt door de aanvrager.
§ 2. Om ontvankelijk te zijn, moet een aanvraag om toekenning van subsidie voor investeringen bedoeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, voldoen aan de voorwaarden vermeld in artikel 22, § 1.
De voorwaarden vermeld in artikel 22, § 1, zijn niet toepasbaar op de investeringen bedoeld in § 1, derde lid.
§ 3. De berekening van de subsidie toegekend voor de investeringen bedoeld in § 1 gebeurt volgens de bepalingen van deze ordonnantie.
Art. 33. § 1er. Les demandes d'accord de principe d'octroi de subside relatives à des investissements inscrits dans un programme triennal d'investissement pour lesquels un projet de mise en concurrence des travaux a été transmis à la Région avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance et qui, à cette date n'ont pas fait l'objet d'une promesse de principe de subside sont traités selon la procédure visée à l'article 24, alinéa 1er. Toutefois, le délai visé à l'article 24, alinéa 1er, prend cours à la date de réception du programme triennal d'investissement élaboré par le demandeur.
Les demandes d'octroi de subside relatives à des investissements inscrits dans un programme triennal d'investissement qui ont fait l'objet d'une promesse de principe de subside avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance et pour lesquels une analyse des offres et une proposition de désignation de l'adjudicataire n'ont pas été transmis à la Région à cette date sont traités selon la procédure visée à l'article 24, alinéa 2. Toutefois, le délai visé à l'article 24, alinéa 2, prend cours à la date de réception du programme triennal d'investissement élaboré par le demandeur.
Les demandes d'octroi de subside relatives à des investissements inscrits dans un programme triennal d'investissement qui ont fait l'objet d'une promesse de principe de subside avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance et pour lesquels une analyse des offres et une proposition de désignation de l'adjudicataire ont été transmis à la Région à cette date sont traités selon la procédure visée à l'article 24, alinéa 3. Toutefois, le délai visé à l'article 24, alinéa 3, prend cours à la date de réception du programme triennal d'investissement élaboré par le demandeur.
§ 2. Pour être recevable, une demande d'octroi de subside relative à des investissements visés au § 1er, alinéas 1er et 2, doit satisfaire aux conditions visées à l'article 22, § 1er.
Les conditions visées à l'article 22, § 1er, ne sont pas applicables aux investissements visés au § 1er, alinéa 3.
§ 3. Le calcul du subside octroyé pour les investissements visés au § 1er s'effectue selon les dispositions de la présente ordonnance.
Les demandes d'octroi de subside relatives à des investissements inscrits dans un programme triennal d'investissement qui ont fait l'objet d'une promesse de principe de subside avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance et pour lesquels une analyse des offres et une proposition de désignation de l'adjudicataire n'ont pas été transmis à la Région à cette date sont traités selon la procédure visée à l'article 24, alinéa 2. Toutefois, le délai visé à l'article 24, alinéa 2, prend cours à la date de réception du programme triennal d'investissement élaboré par le demandeur.
Les demandes d'octroi de subside relatives à des investissements inscrits dans un programme triennal d'investissement qui ont fait l'objet d'une promesse de principe de subside avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance et pour lesquels une analyse des offres et une proposition de désignation de l'adjudicataire ont été transmis à la Région à cette date sont traités selon la procédure visée à l'article 24, alinéa 3. Toutefois, le délai visé à l'article 24, alinéa 3, prend cours à la date de réception du programme triennal d'investissement élaboré par le demandeur.
§ 2. Pour être recevable, une demande d'octroi de subside relative à des investissements visés au § 1er, alinéas 1er et 2, doit satisfaire aux conditions visées à l'article 22, § 1er.
Les conditions visées à l'article 22, § 1er, ne sont pas applicables aux investissements visés au § 1er, alinéa 3.
§ 3. Le calcul du subside octroyé pour les investissements visés au § 1er s'effectue selon les dispositions de la présente ordonnance.
Art. 34. In afwijking van artikel 10, § 2, sturen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en [1 de door de regering erkende plaatselijke levensbeschouwelijke instellingen]1 hun driejarig investeringsprogramma naar de gemeente onder wier bevoegdheid zij vallen binnen een termijn van drie maanden en dit vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze ordonnantie.
In afwijking van artikel 10, § 3, sturen de intercommunales, de administratieve organen van de erkende erediensten niet bedoeld in artikel 6, eerste lid, de rechtspersonen die onroerende goederen beheren noodzakelijk voor de uitoefening van de lekenmoraal en de publiekrechtelijke rechtspersonen aangewezen door de Regering, hun driejarig investeringsprogramma naar de Regering binnen een termijn van drie maanden en dit vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze ordonnantie.
In afwijking van artikel 12 deelt de Regering het voorlopig bedrag van de driejarige investeringsdotatie mee voor de eerste periode van drie jaar, de dag waarop deze ordonnantie in werking treedt.
In afwijking van artikel 10, § 3, sturen de intercommunales, de administratieve organen van de erkende erediensten niet bedoeld in artikel 6, eerste lid, de rechtspersonen die onroerende goederen beheren noodzakelijk voor de uitoefening van de lekenmoraal en de publiekrechtelijke rechtspersonen aangewezen door de Regering, hun driejarig investeringsprogramma naar de Regering binnen een termijn van drie maanden en dit vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze ordonnantie.
In afwijking van artikel 12 deelt de Regering het voorlopig bedrag van de driejarige investeringsdotatie mee voor de eerste periode van drie jaar, de dag waarop deze ordonnantie in werking treedt.
Art. 34. En dérogation à l'article 10, § 2, les centres publics d'aide sociale et [1 les établissements cultuels locaux reconnus par le Gouvernement]1 transmettent leur programme triennal d'investissement à la commune dont ils relèvent dans un délai de trois mois à dater de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
En dérogation à l'article 10, § 3, les intercommunales, les organes d'administration des cultes reconnus non visés à l'article 6, alinéa 1er, les personnes morales gérant des biens immobiliers nécessaires à l'exercice de la morale laïque et les personnes morales de droit public désignées par le Gouvernement transmettent leur programme triennal d'investissement au Gouvernement dans un délai de trois mois à dater de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
En dérogation à l'article 12, le Gouvernement notifie le montant provisoire de la dotation triennale d'investissement relative au premier triennat le jour de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
En dérogation à l'article 10, § 3, les intercommunales, les organes d'administration des cultes reconnus non visés à l'article 6, alinéa 1er, les personnes morales gérant des biens immobiliers nécessaires à l'exercice de la morale laïque et les personnes morales de droit public désignées par le Gouvernement transmettent leur programme triennal d'investissement au Gouvernement dans un délai de trois mois à dater de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
En dérogation à l'article 12, le Gouvernement notifie le montant provisoire de la dotation triennale d'investissement relative au premier triennat le jour de l'entrée en vigueur de la présente ordonnance.
Wijzigingen
Art. 35. [1 § 1. De begunstigden van projecten die een subsidie hebben gekregen vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie en waarvan de voorlopige oplevering van de werken niet heeft plaatsgevonden, kunnen een bijkomend voorschot van maximaal zestig procent krijgen om het uitbetaalde bedrag vóór de indiening van de eindafrekening op te trekken tot tachtig procent.
§ 2. De driejarige investeringsprogramma's voor de driejarige periode 2016-2018 die ingediend zijn vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie moeten goedgekeurd worden door de Regering binnen de vijftig dagen vanaf de inwerkingtreding van deze ordonnantie. De goedkeuring van de Regering kan gedeeltelijk zijn en enkel bepaalde projecten van het programma betreffen. Na het verstrijken van deze termijn wordt het gemeentelijke driejarige investeringsprogramma beschouwd als goedgekeurd door de Regering.]1
§ 2. De driejarige investeringsprogramma's voor de driejarige periode 2016-2018 die ingediend zijn vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie moeten goedgekeurd worden door de Regering binnen de vijftig dagen vanaf de inwerkingtreding van deze ordonnantie. De goedkeuring van de Regering kan gedeeltelijk zijn en enkel bepaalde projecten van het programma betreffen. Na het verstrijken van deze termijn wordt het gemeentelijke driejarige investeringsprogramma beschouwd als goedgekeurd door de Regering.]1
Art. 35. [1 § 1er. Les bénéficiaires des projets ayant obtenu un octroi de subside avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance et pour lequel la réception provisoire des travaux n'a pas eu lieu, peuvent bénéficier d'une avance complémentaire de soixante pour cent maximum pour porter la somme versée avant l'introduction du décompte final à quatre-vingts pour cent.
§ 2. Les programmes triennaux d'investissement du triennat 2016-2018 des communes qui ont été introduits avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance doivent être approuvés par le Gouvernement dans un dé- lai de cinquante jours débutant à l'entrée en vigueur de la présente ordonnance. L'approbation du Gouvernement peut être partielle et ne porter que sur certains projets du programme. Passé ce délai, le programme triennal d'investissement communal est considéré comme approuvé par le Gouvernement.]1
§ 2. Les programmes triennaux d'investissement du triennat 2016-2018 des communes qui ont été introduits avant l'entrée en vigueur de la présente ordonnance doivent être approuvés par le Gouvernement dans un dé- lai de cinquante jours débutant à l'entrée en vigueur de la présente ordonnance. L'approbation du Gouvernement peut être partielle et ne porter que sur certains projets du programme. Passé ce délai, le programme triennal d'investissement communal est considéré comme approuvé par le Gouvernement.]1