Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 DECEMBER 1998. - Omzendbrief. - Artikel 65 van de wet van 15 juli 1996. - Wijzigingen aangebracht bij het arrest van het Arbitragehof van 22 april 1998 (Belgisch Staatsblad van 29 april 1998).
Titre
9 DECEMBRE 1998. - Circulaire. - Article 65 de la loi du 15 juillet 1996. - Modifications apportées par l'arrêt de la Cour d'arbitrage du 22 avril 1998 (Moniteur belge du 29 avril 1998).
Documentinformatie
Numac: 1998022795
Datum: 1998-12-09
Info du document
Numac: 1998022795
Date: 1998-12-09
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel M. (Om technische redenen, wordt deze omzendbrief onderverdeeld in fictieve artikelen : M1 - M4).
Article M. (Pour des raisons techniques, cette circulaire a été subdivisée en articles fictifs : M1 - M4).
Art. M1. 1. Grenzen van de toepassing van het arrest van het Arbitragehof.
Zoals duidelijk wordt gesteld in het arrest kan maatschappelijke dienstverlening eventueel worden toegekend aan vreemdelingen wier asielaanvraag werd verworpen en die een beroep tot vernietiging, desgevallend in samenhang met een beroep tot schorsing, van de beslissing van het CGVS of van de VBV hebben ingediend.
Het gaat dus enkel om vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend, dit wil zeggen die de status van vluchteling wensen te verkrijgen en daartoe een verklaring hebben afgelegd, mét uitsluiting van elke andere categorie vreemdelingen. Daarenboven mogen de beroepen die bij de Raad van State tot vernietiging en eventueel tot schorsing werden ingediend enkel betrekking hebben op de negatieve beslissingen van het CGVS en van de VBV. Een negatieve beslissing van het CGVS houdt in dat de oorspronkelijke beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken waarbij de asielaanvraag als niet-ontvankelijk werd afgewezen, wordt bevestigd. Een negatieve beslissing van de VBV houdt in dat de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling als niet-gegrond wordt afgewezen.
Dit betekent dus dat het arrest van het Arbitragehof niet van toepassing is op elk ander beroep, bijvoorbeeld het beroep ingediend tegen het bevel om het grondgebied te verlaten (een bijlage 26bis terug in voege ingevolge een negatieve beslissing van het CGVS, een bijlage 13 afgeleverd door een gemeente op verzoek van de Dienst Vreemdelingenzaken naar aanleiding van een negatieve beslissing van de VBV,...), tegen een negatieve beslissing met betrekking tot een verzoek voor een verblijf om humanitaire redenen op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of tegen een negatief advies ingevolge een herzieningsaanvraag. Voor al deze gevallen blijft de situatie onveranderd.
Zoals duidelijk wordt gesteld in het arrest kan maatschappelijke dienstverlening eventueel worden toegekend aan vreemdelingen wier asielaanvraag werd verworpen en die een beroep tot vernietiging, desgevallend in samenhang met een beroep tot schorsing, van de beslissing van het CGVS of van de VBV hebben ingediend.
Het gaat dus enkel om vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend, dit wil zeggen die de status van vluchteling wensen te verkrijgen en daartoe een verklaring hebben afgelegd, mét uitsluiting van elke andere categorie vreemdelingen. Daarenboven mogen de beroepen die bij de Raad van State tot vernietiging en eventueel tot schorsing werden ingediend enkel betrekking hebben op de negatieve beslissingen van het CGVS en van de VBV. Een negatieve beslissing van het CGVS houdt in dat de oorspronkelijke beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken waarbij de asielaanvraag als niet-ontvankelijk werd afgewezen, wordt bevestigd. Een negatieve beslissing van de VBV houdt in dat de aanvraag tot erkenning als politiek vluchteling als niet-gegrond wordt afgewezen.
Dit betekent dus dat het arrest van het Arbitragehof niet van toepassing is op elk ander beroep, bijvoorbeeld het beroep ingediend tegen het bevel om het grondgebied te verlaten (een bijlage 26bis terug in voege ingevolge een negatieve beslissing van het CGVS, een bijlage 13 afgeleverd door een gemeente op verzoek van de Dienst Vreemdelingenzaken naar aanleiding van een negatieve beslissing van de VBV,...), tegen een negatieve beslissing met betrekking tot een verzoek voor een verblijf om humanitaire redenen op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of tegen een negatief advies ingevolge een herzieningsaanvraag. Voor al deze gevallen blijft de situatie onveranderd.
Art. M1. 1. Les limites de l'application de l'arrêt de la Cour d'arbitrage.
Comme le précise clairement l'arrêt, l'aide sociale peut éventuellement être accordée à des étrangers déboutés de leur demande d'asile et ayant introduit un recours en annulation accompagné, le cas échéant, d'un recours en suspension contre la décision du CGRA ou de la CPRR.
Il ne s'agit donc que des étrangers ayant introduit une demande d'asile, c'est-à-dire des étrangers qui souhaitent obtenir le statut de réfugié et qui ont fait une déclaration dans ce sens, à l'exclusion de toute autre catégorie d'étrangers. De plus, les recours introduits auprès du Conseil d'Etat en annulation et éventuellement en suspension doivent être introduits exclusivement contre les décisions négatives du CGRA ou de la CPRR. Par une décision négative, le CGRA confirme la décision initiale de l'Office des Etrangers de rejeter la demande d'asile comme non recevable. Par une décision négative, la CPRR déclare la demande de reconnaissance du statut de réfugié politique non fondée.
Cela signifie donc que l'arrêt de la Cour d'arbitrage n'est pas d'application à tout autre recours. Le recours introduit, par exemple, contre l'ordre de quitter le territoire (une annexe 26bis de nouveau en vigueur suite à une décision négative du CGRA, une annexe 13 délivrée par une commune sur demande de l'Office des Etrangers suite à une décision négative de la CPRR, ...), contre une décision négative relative à une demande de séjour pour motifs humanitaires sur la base de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ou encore contre un avis négatif suite à une demande en révision, ne tombe pas sous l'application de l'arrêt de la Cour d'arbitrage. Pour tous ces cas, la situation reste donc inchangée.
Comme le précise clairement l'arrêt, l'aide sociale peut éventuellement être accordée à des étrangers déboutés de leur demande d'asile et ayant introduit un recours en annulation accompagné, le cas échéant, d'un recours en suspension contre la décision du CGRA ou de la CPRR.
Il ne s'agit donc que des étrangers ayant introduit une demande d'asile, c'est-à-dire des étrangers qui souhaitent obtenir le statut de réfugié et qui ont fait une déclaration dans ce sens, à l'exclusion de toute autre catégorie d'étrangers. De plus, les recours introduits auprès du Conseil d'Etat en annulation et éventuellement en suspension doivent être introduits exclusivement contre les décisions négatives du CGRA ou de la CPRR. Par une décision négative, le CGRA confirme la décision initiale de l'Office des Etrangers de rejeter la demande d'asile comme non recevable. Par une décision négative, la CPRR déclare la demande de reconnaissance du statut de réfugié politique non fondée.
Cela signifie donc que l'arrêt de la Cour d'arbitrage n'est pas d'application à tout autre recours. Le recours introduit, par exemple, contre l'ordre de quitter le territoire (une annexe 26bis de nouveau en vigueur suite à une décision négative du CGRA, une annexe 13 délivrée par une commune sur demande de l'Office des Etrangers suite à une décision négative de la CPRR, ...), contre une décision négative relative à une demande de séjour pour motifs humanitaires sur la base de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ou encore contre un avis négatif suite à une demande en révision, ne tombe pas sous l'application de l'arrêt de la Cour d'arbitrage. Pour tous ces cas, la situation reste donc inchangée.
Art. M2. 2. Bepaling van het bevoegd OCMW.
Overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling van de asielzoekers over de gemeenten met toepassing van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen kan de Dienst Vreemdelingenzaken een bevoegd OCMW of een onthaalcentrum aanwijzen om maatschappelijke dienstverlening toe te kennen. De aanwijzing van het bevoegd OCMW is in het wachtregister vermeld onder code nr. 207.
Met het oog op de naleving van het koninklijk besluit tot vaststelling van de verdelingscriteria enerzijds en met het oog op de administratieve soepelheid anderzijds, werd, in samenspraak met het Ministerie van Binnenlandse Zaken, beslist dat een OCMW dat door de Dienst Vreemdelingenzaken onder code 207 werd aangewezen, bevoegd blijft totdat een arrest over het ingediend beroep tot vernietiging door de Raad van State wordt gewezen. Het OCMW is niet langer bevoegd wanneer het arrest voor de verzoeker ongunstig is; in het tegenovergesteld geval blijft het wel bevoegd.
Wanneer een asielzoeker onder code 207 een onthaalcentrum als verplichte plaats van inschrijving kreeg toegewezen, blijft dit centrum bevoegd en dit zolang er geen wijziging optreedt in deze toewijzing. Een wijziging van de code 207 voor de vreemdelingen die onder het toepassingsgebied van het arrest van het Arbitragehof vallen, blijft steeds mogelijk.
Wanneer de asielzoeker niet werd toegewezen door de Dienst Vreemdelingenzaken, is het OCMW van de verblijfplaats van de aanvrager bevoegd, overeenkomstig artikel 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Overeenkomstig het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de criteria voor een harmonieuze verdeling van de asielzoekers over de gemeenten met toepassing van artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen kan de Dienst Vreemdelingenzaken een bevoegd OCMW of een onthaalcentrum aanwijzen om maatschappelijke dienstverlening toe te kennen. De aanwijzing van het bevoegd OCMW is in het wachtregister vermeld onder code nr. 207.
Met het oog op de naleving van het koninklijk besluit tot vaststelling van de verdelingscriteria enerzijds en met het oog op de administratieve soepelheid anderzijds, werd, in samenspraak met het Ministerie van Binnenlandse Zaken, beslist dat een OCMW dat door de Dienst Vreemdelingenzaken onder code 207 werd aangewezen, bevoegd blijft totdat een arrest over het ingediend beroep tot vernietiging door de Raad van State wordt gewezen. Het OCMW is niet langer bevoegd wanneer het arrest voor de verzoeker ongunstig is; in het tegenovergesteld geval blijft het wel bevoegd.
Wanneer een asielzoeker onder code 207 een onthaalcentrum als verplichte plaats van inschrijving kreeg toegewezen, blijft dit centrum bevoegd en dit zolang er geen wijziging optreedt in deze toewijzing. Een wijziging van de code 207 voor de vreemdelingen die onder het toepassingsgebied van het arrest van het Arbitragehof vallen, blijft steeds mogelijk.
Wanneer de asielzoeker niet werd toegewezen door de Dienst Vreemdelingenzaken, is het OCMW van de verblijfplaats van de aanvrager bevoegd, overeenkomstig artikel 1, 1°, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. M2. 2. Détermination du C.P.A.S. compétent.
Conformément à l'arrêté royal du 23 décembre 1994 fixant les critères d'une répartition harmonieuse des demandeurs d'asile entre les communes en application de l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, l'Office des Etrangers peut désigner un C.P.A.S. compétent ou un Centre d'accueil pour accorder une aide sociale. La désignation du C.P.A.S. compétent apparaît dans le registre d'attente sous le code n° 207.
Dans le souci de respecter l'arrêté royal fixant les critères de répartition d'une part et pour une question de facilité administrative d'autre part, il est décidé, en accord avec le Ministère de l'Intérieur, qu'un C.P.A.S. qui a été désigné par l'Office des Etrangers sous le code 207 reste compétent jusqu'à ce qu'un arrêt relatif au recours en annulation introduit, intervienne au Conseil d'Etat. Le C.P.A.S. cesse d'être compétent si l'arrêt est défavorable au demandeur; il le reste dans le cas contraire.
Lorsqu'un Centre d'accueil a été désigné à un demandeur d'asile comme lieu obligatoire d'inscription sous le code 207, c'est ce Centre qui reste compétent tant que cette désignation n'est pas modifiée. Une modification du code 207 pour les étrangers qui tombent sous le champ d'application de l'arrêt de la Cour d'arbitrage reste toujours possible.
Si aucun lieu obligatoire d'inscription n'a été désigné par l'Office des Etrangers, le C.P.A.S. compétent sera celui du lieu de résidence du demandeur conformément à l'article 1er, 1°, de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale.
Conformément à l'arrêté royal du 23 décembre 1994 fixant les critères d'une répartition harmonieuse des demandeurs d'asile entre les communes en application de l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, l'Office des Etrangers peut désigner un C.P.A.S. compétent ou un Centre d'accueil pour accorder une aide sociale. La désignation du C.P.A.S. compétent apparaît dans le registre d'attente sous le code n° 207.
Dans le souci de respecter l'arrêté royal fixant les critères de répartition d'une part et pour une question de facilité administrative d'autre part, il est décidé, en accord avec le Ministère de l'Intérieur, qu'un C.P.A.S. qui a été désigné par l'Office des Etrangers sous le code 207 reste compétent jusqu'à ce qu'un arrêt relatif au recours en annulation introduit, intervienne au Conseil d'Etat. Le C.P.A.S. cesse d'être compétent si l'arrêt est défavorable au demandeur; il le reste dans le cas contraire.
Lorsqu'un Centre d'accueil a été désigné à un demandeur d'asile comme lieu obligatoire d'inscription sous le code 207, c'est ce Centre qui reste compétent tant que cette désignation n'est pas modifiée. Une modification du code 207 pour les étrangers qui tombent sous le champ d'application de l'arrêt de la Cour d'arbitrage reste toujours possible.
Si aucun lieu obligatoire d'inscription n'a été désigné par l'Office des Etrangers, le C.P.A.S. compétent sera celui du lieu de résidence du demandeur conformément à l'article 1er, 1°, de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale.
Art. M3. 3. Onderzoek van de dossiers door de OCMW's.
3.1. Documenten die moeten worden gevraagd.
Twee belangrijke vragen moeten worden beantwoord :
1. Welke documenten moeten worden gevraagd wanneer de betrokken persoon een nieuwe aanvraag om maatschappelijke dienstverlening indient of het OCMW inlicht over de wijziging van zijn toestand ingevolge het beroep tot vernietiging dat hij bij de Raad van State heeft ingediend ?
2. hoe heeft men kennis van het arrest dat door de Raad van State over het beroep tot vernietiging, desgevallend na een beroep tot schorsing, wordt gewezen ?
Antwoord op vraag 1.
De hulpaanvrager moet het bevoegd OCMW een door hemzelf voor eensluidend gewaarmerkt afschrift (1) van het verzoek tot vernietiging voorleggen, zodat kan worden nagegaan of het wel degelijk gaat om een beroep tegen één van de voormelde instanties (CGVS of VBV), de juiste referentie van het nummer van inschrijving op de rol bij de griffie van de Raad van State mededelen en een kopie van het ontvangstbewijs van het aangetekend schrijven overhandigen. Het is wel degelijk de asielzoeker die om maatschappelijke dienstverlening verzoekt, die gehouden is om het bewijs te leveren van een ingediend beroep bij de Raad van State aan de hand van bovenvermelde bewijsstukken.
( (1) Het betreft hier een afschrift dat door de indiener van het verzoekschrift wordt geattesteerd als zijnde in volkomen overeenstemming met het door hem ingediend officieel exemplaar.)
Om de terugbetaling te verkrijgen vanwege de Staat van maatschappelijke dienstverlening die desgevallend door een OCMW aan een vreemdeling wordt toegekend op basis van het arrest van het Arbitragehof in kwestie, moeten afschriften van bovenvermelde bescheiden aan het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu worden overgemaakt als elementen van bewijs van het bij de Raad van State ingediende beroep.
Antwoord op vraag 2.
Nadat de Raad van State het arrest heeft gewezen, wordt de instantie waartegen het beroep tot vernietiging werd ingediend, hierover ingelicht door de griffie binnen de veertien dagen daaropvolgend. Het OCMW zal dus ofwel het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen ofwel de Dienst Vreemdelingenzaken (Dienst Beroepen), die kennis neemt van de beroepen gericht tegen de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen, moeten aanspreken om kennis te nemen van het arrest om vervolgens een nieuwe beslissing te nemen indien het arrest voor de verzoeker ongunstig is. Het OCMW moet ook het Bestuur van de Maatschappelijke Integratie onverwijld inlichten over het gewezen arrest. Het OCMW kan verzocht worden niet-verschuldigde bedragen terug te betalen indien het Ministerie vaststelt dat het kosten voor maatschappelijke dienstverlening heeft terugbetaald nadat de Raad van State een arrest tot verwerping heeft gewezen.
3.2. Acties die het OCMW moet ondernemen.
Het bevoegd OCMW moet daarenboven nagaan of de aanvrager nog op het grondgebied verblijft en dit gegeven regelmatig controleren. De aanvrager moet het OCMW dus inlichten over zijn verblijfplaats.
Het gaat hier om een vanzelfsprekende verplichting, aangezien het OCMW een nauwgezet sociaal onderzoek moet verrichten om de werkelijke behoeften van de aanvrager hic et nunc precies te kunnen inschatten.
3.1. Documenten die moeten worden gevraagd.
Twee belangrijke vragen moeten worden beantwoord :
1. Welke documenten moeten worden gevraagd wanneer de betrokken persoon een nieuwe aanvraag om maatschappelijke dienstverlening indient of het OCMW inlicht over de wijziging van zijn toestand ingevolge het beroep tot vernietiging dat hij bij de Raad van State heeft ingediend ?
2. hoe heeft men kennis van het arrest dat door de Raad van State over het beroep tot vernietiging, desgevallend na een beroep tot schorsing, wordt gewezen ?
Antwoord op vraag 1.
De hulpaanvrager moet het bevoegd OCMW een door hemzelf voor eensluidend gewaarmerkt afschrift (1) van het verzoek tot vernietiging voorleggen, zodat kan worden nagegaan of het wel degelijk gaat om een beroep tegen één van de voormelde instanties (CGVS of VBV), de juiste referentie van het nummer van inschrijving op de rol bij de griffie van de Raad van State mededelen en een kopie van het ontvangstbewijs van het aangetekend schrijven overhandigen. Het is wel degelijk de asielzoeker die om maatschappelijke dienstverlening verzoekt, die gehouden is om het bewijs te leveren van een ingediend beroep bij de Raad van State aan de hand van bovenvermelde bewijsstukken.
( (1) Het betreft hier een afschrift dat door de indiener van het verzoekschrift wordt geattesteerd als zijnde in volkomen overeenstemming met het door hem ingediend officieel exemplaar.)
Om de terugbetaling te verkrijgen vanwege de Staat van maatschappelijke dienstverlening die desgevallend door een OCMW aan een vreemdeling wordt toegekend op basis van het arrest van het Arbitragehof in kwestie, moeten afschriften van bovenvermelde bescheiden aan het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu worden overgemaakt als elementen van bewijs van het bij de Raad van State ingediende beroep.
Antwoord op vraag 2.
Nadat de Raad van State het arrest heeft gewezen, wordt de instantie waartegen het beroep tot vernietiging werd ingediend, hierover ingelicht door de griffie binnen de veertien dagen daaropvolgend. Het OCMW zal dus ofwel het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen ofwel de Dienst Vreemdelingenzaken (Dienst Beroepen), die kennis neemt van de beroepen gericht tegen de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen, moeten aanspreken om kennis te nemen van het arrest om vervolgens een nieuwe beslissing te nemen indien het arrest voor de verzoeker ongunstig is. Het OCMW moet ook het Bestuur van de Maatschappelijke Integratie onverwijld inlichten over het gewezen arrest. Het OCMW kan verzocht worden niet-verschuldigde bedragen terug te betalen indien het Ministerie vaststelt dat het kosten voor maatschappelijke dienstverlening heeft terugbetaald nadat de Raad van State een arrest tot verwerping heeft gewezen.
3.2. Acties die het OCMW moet ondernemen.
Het bevoegd OCMW moet daarenboven nagaan of de aanvrager nog op het grondgebied verblijft en dit gegeven regelmatig controleren. De aanvrager moet het OCMW dus inlichten over zijn verblijfplaats.
Het gaat hier om een vanzelfsprekende verplichting, aangezien het OCMW een nauwgezet sociaal onderzoek moet verrichten om de werkelijke behoeften van de aanvrager hic et nunc precies te kunnen inschatten.
Art. M3. 3. Examen des dossiers par le C.P.A.S..
3.1. Documents à exiger.
Deux questions importantes se posent :
1. Quels sont les documents à exiger au moment où la personne concernée introduit une nouvelle demande d'aide sociale ou informe le C.P.A.S. du fait que sa situation s'est modifiée suite au recours en annulation qu'elle a introduit auprès du Conseil d'Etat ?
2. comment connaître de l'arrêt en annulation suivant, le cas échéant, un arrêt en suspension, rendu par le Conseil d'Etat ?
Réponse à la question 1.
Le demandeur d'aide présentera au C.P.A.S. compétent une copie (1) certifiée conforme par le signataire lui-même de la requête en annulation laquelle permettra de vérifier s'il s'agit bien d'un recours contre l'une des deux instances susdites (CGRA ou CPRR), la référence exacte du numéro d'inscription au greffe du Conseil d'Etat et une copie du reçu du recommandé. Il incombe au demandeur d'asile qui sollicite l'aide sociale, de fournir sur la base des pièces justificatives prérappelées la preuve qu'il a introduit un recours auprès du Conseil d'Etat.
( (1) Il s'agit ici d'une copie que l'auteur de la requête certifie entièrement conforme à l'exemplaire officiel qu'il a introduit.)
Pour obtenir le remboursement par l'Etat d'une aide sociale éventuellement accordée par un C.P.A.S. à un étranger sur la base de l'arrêt de la Cour d'arbitrage dont question, il est nécessaire de faire parvenir au Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement des copies des documents précités attestant l'introduction d'un recours au Conseil d'Etat.
Réponse à la question 2.
Lorsque l'arrêt est prononcé par le Conseil d'Etat, l'instance contre laquelle le recours en annulation a été dirigée est informée par le greffe dans la quinzaine qui suit. C'est donc auprès du Commissariat général aux Réfugiés et aux Apatrides ou bien auprès de l'Office des Etrangers (Service des Recours) qui prend connaissance des recours contre les décisions prises par la Commission permanente de recours des réfugiés, que le C.P.A.S. devra intervenir pour connaître de l'arrêt rendu et prendre alors une nouvelle décision si l'arrêt est défavorable au demandeur. Il incombera également au C.P.A.S. concerné de prévenir sans délai, l'Administration de l'Intégration sociale de l'arrêt intervenu. Des remboursements d'indus pourront être demandés au C.P.A.S. si le Ministère constate avoir effectué des remboursements de frais d'aide sociale après un arrêt de rejet rendu par le Conseil d'Etat.
3.2. Démarches à effectuer par le C.P.A.S..
Le C.P.A.S. compétent devra en outre vérifier si le demandeur réside encore sur le territoire et procéder régulièrement à la vérification de ce fait. Le demandeur devra donc informer le C.P.A.S. du lieu où il réside.
Cette exigence va de soi dès lors qu'une enquête sociale minutieuse devra être effectuée par le C.P.A.S. de façon à éclairer de manière précise le réel état de besoin du demandeur hic et nunc.
3.1. Documents à exiger.
Deux questions importantes se posent :
1. Quels sont les documents à exiger au moment où la personne concernée introduit une nouvelle demande d'aide sociale ou informe le C.P.A.S. du fait que sa situation s'est modifiée suite au recours en annulation qu'elle a introduit auprès du Conseil d'Etat ?
2. comment connaître de l'arrêt en annulation suivant, le cas échéant, un arrêt en suspension, rendu par le Conseil d'Etat ?
Réponse à la question 1.
Le demandeur d'aide présentera au C.P.A.S. compétent une copie (1) certifiée conforme par le signataire lui-même de la requête en annulation laquelle permettra de vérifier s'il s'agit bien d'un recours contre l'une des deux instances susdites (CGRA ou CPRR), la référence exacte du numéro d'inscription au greffe du Conseil d'Etat et une copie du reçu du recommandé. Il incombe au demandeur d'asile qui sollicite l'aide sociale, de fournir sur la base des pièces justificatives prérappelées la preuve qu'il a introduit un recours auprès du Conseil d'Etat.
( (1) Il s'agit ici d'une copie que l'auteur de la requête certifie entièrement conforme à l'exemplaire officiel qu'il a introduit.)
Pour obtenir le remboursement par l'Etat d'une aide sociale éventuellement accordée par un C.P.A.S. à un étranger sur la base de l'arrêt de la Cour d'arbitrage dont question, il est nécessaire de faire parvenir au Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement des copies des documents précités attestant l'introduction d'un recours au Conseil d'Etat.
Réponse à la question 2.
Lorsque l'arrêt est prononcé par le Conseil d'Etat, l'instance contre laquelle le recours en annulation a été dirigée est informée par le greffe dans la quinzaine qui suit. C'est donc auprès du Commissariat général aux Réfugiés et aux Apatrides ou bien auprès de l'Office des Etrangers (Service des Recours) qui prend connaissance des recours contre les décisions prises par la Commission permanente de recours des réfugiés, que le C.P.A.S. devra intervenir pour connaître de l'arrêt rendu et prendre alors une nouvelle décision si l'arrêt est défavorable au demandeur. Il incombera également au C.P.A.S. concerné de prévenir sans délai, l'Administration de l'Intégration sociale de l'arrêt intervenu. Des remboursements d'indus pourront être demandés au C.P.A.S. si le Ministère constate avoir effectué des remboursements de frais d'aide sociale après un arrêt de rejet rendu par le Conseil d'Etat.
3.2. Démarches à effectuer par le C.P.A.S..
Le C.P.A.S. compétent devra en outre vérifier si le demandeur réside encore sur le territoire et procéder régulièrement à la vérification de ce fait. Le demandeur devra donc informer le C.P.A.S. du lieu où il réside.
Cette exigence va de soi dès lors qu'une enquête sociale minutieuse devra être effectuée par le C.P.A.S. de façon à éclairer de manière précise le réel état de besoin du demandeur hic et nunc.
Art. M4. 4. Datum van aanvang van de door de OCMW's toegekende maatschappelijke dienstverlening.
Een aanvraag om maatschappelijke dienstverlening geldt altijd voor de toekomst.
4.1. De datum vanaf dewelke een OCMW maatschappelijke dienstverlening kan toekennen aan een afgewezen asielzoeker die een aanvraag indient op basis van het arrest van het Arbitragehof is de datum van de nieuwe aanvraag. Deze datum kan niet vroeger zijn dan 29 april 1998, datum waarop voormeld arrest van het Arbitragehof in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt.
4.2. Indien een arbeidsgerecht het OCMW heeft veroordeeld tot het hervatten van de maatschappelijke dienstverlening op basis van het arrest van het Arbitragehof voor een periode voorafgaand aan de datum van de aanvraag, kunnen de kosten van de maatschappelijke dienstverlening in beginsel ten laste van de Staat worden gelegd vanaf de datum die in het vonnis is vermeld maar wel ten vroegste vanaf 10 januari 1997, datum van inwerkingtreding van artikel 65 van de wet van 15 juli 1996 tot wijziging van artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
4.3. Indien een asielzoeker die in kennis wordt gesteld van een negatieve beslissing van het CGVS of van de VBV niet vrijwillig wenst te vertrekken en hij beslist een beroep tot vernietiging bij de Raad van State in te dienen, kan de maatschappelijke dienstverlening slechts worden hervat na een grondig sociaal onderzoek door het betrokken OCMW en ten vroegste vanaf de datum waarop dit beroep werd ingediend, voor zover de betrokkene om maatschappelijke dienstverlening heeft verzocht en hij de in punt 3.1. gevraagde documenten voorlegt.
4.4. De terugbetaling door de Staat van toegekende maatschappelijke dienstverlening wordt stopgezet zodra de Raad van State zich uitspreekt over het beroep tot vernietiging van de negatieve beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, voor zover het beroep van de aanvrager wordt afgewezen.
Alle bijkomende inlichtingen over deze omzendbrief kunnen worden verkregen bij het Ministerie van Sociale Zaken op het telefoonnummer 02/509.81.58.
De Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie,
J. Peeters.
Een aanvraag om maatschappelijke dienstverlening geldt altijd voor de toekomst.
4.1. De datum vanaf dewelke een OCMW maatschappelijke dienstverlening kan toekennen aan een afgewezen asielzoeker die een aanvraag indient op basis van het arrest van het Arbitragehof is de datum van de nieuwe aanvraag. Deze datum kan niet vroeger zijn dan 29 april 1998, datum waarop voormeld arrest van het Arbitragehof in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt.
4.2. Indien een arbeidsgerecht het OCMW heeft veroordeeld tot het hervatten van de maatschappelijke dienstverlening op basis van het arrest van het Arbitragehof voor een periode voorafgaand aan de datum van de aanvraag, kunnen de kosten van de maatschappelijke dienstverlening in beginsel ten laste van de Staat worden gelegd vanaf de datum die in het vonnis is vermeld maar wel ten vroegste vanaf 10 januari 1997, datum van inwerkingtreding van artikel 65 van de wet van 15 juli 1996 tot wijziging van artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
4.3. Indien een asielzoeker die in kennis wordt gesteld van een negatieve beslissing van het CGVS of van de VBV niet vrijwillig wenst te vertrekken en hij beslist een beroep tot vernietiging bij de Raad van State in te dienen, kan de maatschappelijke dienstverlening slechts worden hervat na een grondig sociaal onderzoek door het betrokken OCMW en ten vroegste vanaf de datum waarop dit beroep werd ingediend, voor zover de betrokkene om maatschappelijke dienstverlening heeft verzocht en hij de in punt 3.1. gevraagde documenten voorlegt.
4.4. De terugbetaling door de Staat van toegekende maatschappelijke dienstverlening wordt stopgezet zodra de Raad van State zich uitspreekt over het beroep tot vernietiging van de negatieve beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, voor zover het beroep van de aanvrager wordt afgewezen.
Alle bijkomende inlichtingen over deze omzendbrief kunnen worden verkregen bij het Ministerie van Sociale Zaken op het telefoonnummer 02/509.81.58.
De Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie,
J. Peeters.
Art. M4. 4. Date du début de l'aide sociale accordée par les C.P.A.S..
Une demande d'aide sociale est toujours valable pour le futur.
4.1. La date à partir de laquelle une aide sociale peut être accordée par un C.P.A.S. en faveur d'un demandeur d'asile débouté introduisant une demande sur la base de l'arrêt de la Cour d'arbitrage est celle de la nouvelle demande. Cette date ne peut être antérieure au 29 avril 1998, date de la parution au Moniteur belge de l'arrêt de la Cour d'arbitrage susdit.
4.2. Si le C.P.A.S. a été condamné par une juridiction du travail à reprendre l'aide sociale sur base de l'arrêt de la Cour d'arbitrage pour une période précédant la date de la demande, les frais de l'aide sociale peuvent, en principe, être mis à charge de l'Etat à partir de la date indiquée dans le jugement mais au plus tôt à partir du 10 janvier 1997, date de l'entrée en vigueur de l'article 65 de la loi du 15 juillet 1996 modifiant l'article 57, § 2, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale.
4.3. Si un demandeur d'asile qui a reçu une décision négative du CGRA ou de la CPRR, ne demande pas son départ volontaire et décide d'introduire un recours en annulation au Conseil d'Etat, l'aide sociale ne pourra reprendre qu'après une enquête sociale approfondie du C.P.A.S. concerné et au plus tôt à la date d'introduction de ce recours pour autant que l'intéressé en ait effectué la demande et qu'il fournisse les documents exigés au point 3.1.
4.4. Le remboursement par l'Etat d'une aide sociale accordée cessera dès que le Conseil d'Etat aura statué quant au recours en annulation introduit contre la décision négative du Commissariat général aux Réfugiés et aux Apatrides ou de la Commission permanente des recours aux réfugiés, pour autant que le demandeur soit débouté.
Pour tout renseignement complémentaire relatif à la présente, on peut contacter le Service d'Etudes de l'Administration de l'Aide sociale au numéro suivant : 02/509.84.43.
Le Secrétaire d'Etat à l'Intégration sociale,
J. Peeters.
Une demande d'aide sociale est toujours valable pour le futur.
4.1. La date à partir de laquelle une aide sociale peut être accordée par un C.P.A.S. en faveur d'un demandeur d'asile débouté introduisant une demande sur la base de l'arrêt de la Cour d'arbitrage est celle de la nouvelle demande. Cette date ne peut être antérieure au 29 avril 1998, date de la parution au Moniteur belge de l'arrêt de la Cour d'arbitrage susdit.
4.2. Si le C.P.A.S. a été condamné par une juridiction du travail à reprendre l'aide sociale sur base de l'arrêt de la Cour d'arbitrage pour une période précédant la date de la demande, les frais de l'aide sociale peuvent, en principe, être mis à charge de l'Etat à partir de la date indiquée dans le jugement mais au plus tôt à partir du 10 janvier 1997, date de l'entrée en vigueur de l'article 65 de la loi du 15 juillet 1996 modifiant l'article 57, § 2, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale.
4.3. Si un demandeur d'asile qui a reçu une décision négative du CGRA ou de la CPRR, ne demande pas son départ volontaire et décide d'introduire un recours en annulation au Conseil d'Etat, l'aide sociale ne pourra reprendre qu'après une enquête sociale approfondie du C.P.A.S. concerné et au plus tôt à la date d'introduction de ce recours pour autant que l'intéressé en ait effectué la demande et qu'il fournisse les documents exigés au point 3.1.
4.4. Le remboursement par l'Etat d'une aide sociale accordée cessera dès que le Conseil d'Etat aura statué quant au recours en annulation introduit contre la décision négative du Commissariat général aux Réfugiés et aux Apatrides ou de la Commission permanente des recours aux réfugiés, pour autant que le demandeur soit débouté.
Pour tout renseignement complémentaire relatif à la présente, on peut contacter le Service d'Etudes de l'Administration de l'Aide sociale au numéro suivant : 02/509.84.43.
Le Secrétaire d'Etat à l'Intégration sociale,
J. Peeters.