Artikel 1. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" moet voldoen om erkend te worden, wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt :
" De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke de functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" beurtelings georganiseerd kan worden op één van de meerdere vestigingsplaatsen van een ziekenhuis. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 MAART 1999. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg " moet voldoen om erkend te worden. (NOTA : het arrest nr. 96289, uitgesproken op 11 juni 2001 door de Raad van State, vernietigt het onderhavig besluit, zie B.S. 16-05-2002, p. 20836)
Titre
26 MARS 1999. - ArrĂȘtĂ© royal modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 27 avril 1998 fixant les normes auxquelles une fonction "soins urgents spĂ©cialisĂ©s" doit rĂ©pondre pour ĂȘtre agréée. (NOTE : l'arrĂȘt n° 96289, rendu par le Conseil d'Etat le 11 juin 2001, annule le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, voir M.B. 16-05-2002, p. 20836)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (8)
Texte (8)
Article 1. L'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 avril 1998 fixant les normes auxquelles une fonction "soins urgents spĂ©cialisĂ©s" doit rĂ©pondre pour ĂȘtre agréée, est complĂ©tĂ© par un deuxiĂšme alinĂ©a, libellĂ© comme suit :
" Le Roi fixe les modalitĂ©s selon lesquelles la fonction "soins urgents spĂ©cialisĂ©s" peut ĂȘtre organisĂ©e alternativement sur un des plusieurs sites d'un hĂŽpital. ".
" Le Roi fixe les modalitĂ©s selon lesquelles la fonction "soins urgents spĂ©cialisĂ©s" peut ĂȘtre organisĂ©e alternativement sur un des plusieurs sites d'un hĂŽpital. ".
Art. 2. In artikel 5, tweede lid, van voornoemd koninklijk besluit van 27 april 1998, wordt het woord "vier" vervangen door het woord "drie".
Art. 2. A l'article 5, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 1998, le mot "quatre" est remplacĂ© par le mot "trois".
Art. 3. Artikel 8 van voornoemd koninklijk besluit van 27 april 1998, wordt aangevuld met een tweede en derde lid, luidend als volgt :
" In afwijking van het eerste lid, kan een geneesheer-specialist in een van de disciplines bedoeld in artikel 2, § 1, van het ministerieel besluit van 12 november 1993 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, houders van de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde, alsook van de stagemeesters en stagediensten in de urgentiegeneeskunde, die geen houder is van de bijzondere titel in de urgentiegeneeskunde, doch op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit tenminste 5 jaar ervaring heeft als diensthoofd van een spoedgevallendienst die beantwoordt aan de omschrijving in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 28 november 1986 houdende vaststelling van de normen waaraan een dienst voor medische beeldvorming waarin een transversale axiale tomograaf wordt opgesteld, moet voldoen om te worden erkend als medisch-technische dienst, zoals bedoeld in artikel 6bis, § 2, 6°bis, van de wet op de ziekenhuizen, geneesheer-diensthoofd van de functie zijn, voor zover deze beantwoordt aan een van de kwalificaties bedoeld in artikel 9, § 1, eerste lid.
De geneesheer-diensthoofd, bedoeld in dit artikel kan tegelijkertijd de geneesheer zijn die de leiding heeft van de functie "mobiele urgentiegroep " (MUG), zoals bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend. ".
" In afwijking van het eerste lid, kan een geneesheer-specialist in een van de disciplines bedoeld in artikel 2, § 1, van het ministerieel besluit van 12 november 1993 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, houders van de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde, alsook van de stagemeesters en stagediensten in de urgentiegeneeskunde, die geen houder is van de bijzondere titel in de urgentiegeneeskunde, doch op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit tenminste 5 jaar ervaring heeft als diensthoofd van een spoedgevallendienst die beantwoordt aan de omschrijving in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 28 november 1986 houdende vaststelling van de normen waaraan een dienst voor medische beeldvorming waarin een transversale axiale tomograaf wordt opgesteld, moet voldoen om te worden erkend als medisch-technische dienst, zoals bedoeld in artikel 6bis, § 2, 6°bis, van de wet op de ziekenhuizen, geneesheer-diensthoofd van de functie zijn, voor zover deze beantwoordt aan een van de kwalificaties bedoeld in artikel 9, § 1, eerste lid.
De geneesheer-diensthoofd, bedoeld in dit artikel kan tegelijkertijd de geneesheer zijn die de leiding heeft van de functie "mobiele urgentiegroep " (MUG), zoals bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend. ".
Art. 3. L'article 8 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 1998, est complĂ©tĂ© par un deuxiĂšme et troisiĂšme alinĂ©a, rĂ©diges comme suit :
" Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, un mĂ©decin spĂ©cialiste dans une des disciplines visĂ©es Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 12 dĂ©cembre 1993 fixant les critĂšres spĂ©ciaux d'agrĂ©ment des mĂ©decins spĂ©cialistes porteurs du titre professionnel particulier en soins d'urgence, ainsi que des maĂźtres de stage et des services de stage en soins d'urgence, qui n'est pas porteur du titre professionnel particulier en soins d'urgence, mais qui, Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, possĂšde au moins 5 ans d'expĂ©rience comme chef de service d'un service d'urgences rĂ©pondant Ă la description figurant Ă l'annexe 1 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1986 fixant les normes auxquelles un service d'imagerie mĂ©dicale oĂč est installĂ© un tomographe axial transverse doit rĂ©pondre pour ĂȘtre agréé comme service mĂ©dical technique au sens de l'article 6°bis, § 2, 6°bis, de la loi sur les hĂŽpitaux, peut ĂȘtre mĂ©decin chef de service de la fonction, pour autant que celui-ci rĂ©ponde Ă une des qualifications visĂ©es Ă l'article 9, § 1er, alinĂ©a 1.
Le mĂ©decin chef de service, visĂ© au prĂ©sent article, peut simultanĂ©ment assumer la direction de la fonction "service mobile d'urgence" (SMUR), telle que visĂ©e Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 aoĂ»t 1998 fixant les normes auxquelles doit rĂ©pondre une fonction "service mobile d'urgence" (SMUR) pour ĂȘtre agréée. ".
" Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, un mĂ©decin spĂ©cialiste dans une des disciplines visĂ©es Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 12 dĂ©cembre 1993 fixant les critĂšres spĂ©ciaux d'agrĂ©ment des mĂ©decins spĂ©cialistes porteurs du titre professionnel particulier en soins d'urgence, ainsi que des maĂźtres de stage et des services de stage en soins d'urgence, qui n'est pas porteur du titre professionnel particulier en soins d'urgence, mais qui, Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, possĂšde au moins 5 ans d'expĂ©rience comme chef de service d'un service d'urgences rĂ©pondant Ă la description figurant Ă l'annexe 1 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1986 fixant les normes auxquelles un service d'imagerie mĂ©dicale oĂč est installĂ© un tomographe axial transverse doit rĂ©pondre pour ĂȘtre agréé comme service mĂ©dical technique au sens de l'article 6°bis, § 2, 6°bis, de la loi sur les hĂŽpitaux, peut ĂȘtre mĂ©decin chef de service de la fonction, pour autant que celui-ci rĂ©ponde Ă une des qualifications visĂ©es Ă l'article 9, § 1er, alinĂ©a 1.
Le mĂ©decin chef de service, visĂ© au prĂ©sent article, peut simultanĂ©ment assumer la direction de la fonction "service mobile d'urgence" (SMUR), telle que visĂ©e Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 aoĂ»t 1998 fixant les normes auxquelles doit rĂ©pondre une fonction "service mobile d'urgence" (SMUR) pour ĂȘtre agréée. ".
Art. 4. § 1. Artikel 9, § 1, van voornoemd koninklijk besluit van 27 april 1998, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 9. § 1. De medische permanentie wordt waargenomen door minstens één, minstens halftijds aan het ziekenhuis verbonden, geneesheer met één van de volgende kwalificaties :
1° een geneesheer-specialist, houder van de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde of van de bijzondere beroepstitel in de intensieve zorg;
2° een geneesheer-specialist in opleiding om de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde te behalen;
3° een geneesheer die hetzij de opleiding, bedoeld in artikel 5, § 2, 2°, b), van het ministerieel besluit van 12 november 1993 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, houders van de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde, alsook van de stagemeesters en stagediensten in de urgentiegeneeskunde, gevolgd heeft, hetzij wordt beschouwd deze opleiding gevolgd te hebben, zoals bedoeld in artikel 6, § 4, van hetzelfde ministerieel besluit;
4° een geneesheer-specialist in een van de disciplines bedoeld in artikel 2, § 1, van voormeld ministerieel besluit van 12 november 1993, of een kandidaat-geneesheer-specialist in opleiding in één van deze disciplines, voor zover in hun opleiding is voldaan aan minimale criteria inzake multidisciplinaire urgentiegeneeskunde, bepaald bij ministerieel besluit in uitvoering van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen.
De in deze paragraaf bedoelde geneesheren die de permanentie waarnemer, moeten voortdurend hun kennis en kunde handhaven en ontwikkelen overeenkomstig de evolutie van de wetenschap. ".
§ 2. Artikel 9, § 3, van voornoemd koninklijk besluit van 27 april 1998, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. De in § 1, bedoelde geneesheren verzekeren de permanentie in de functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" en kunnen, met uitzondering van de toepassing van artikel 18, § 5, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend, tegelijkertijd geen andere medische permanentie uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie voor intensieve zorg moet voldoen om erkend te worden en in artikel 6 van voornoemd koninklijk besluit van 10 augustus 1998.
De in § 1, bedoelde geneesheren mogen tegelijkertijd de permanente aanwezigheid vervullen, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van ziekenhuisgroeperingen en bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen of, indien de permanentie wordt waargenomen door een geneesheer-specialist in de anesthesie-reanimatie, de permanentie bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 25 november 1997 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "chirurgische daghospitalisatie" moet voldoen om te worden erkend.
De in het eerste lid bedoelde geneesheren moeten tijdens de permanentie aanwezig zijn op de vestigingsplaats en onmiddellijk inzetbaar zijn voor de functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg". ".
§ 3. Artikel 9, § 5, van voornoemd koninklijk besluit van 27 april 1998 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 5. De geneesheren die aan de medische permanentie deelnemen mogen niet langer dan 24 uur na elkaar een medische permanentie in een ziekenhuis vervullen. ".
" Art. 9. § 1. De medische permanentie wordt waargenomen door minstens één, minstens halftijds aan het ziekenhuis verbonden, geneesheer met één van de volgende kwalificaties :
1° een geneesheer-specialist, houder van de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde of van de bijzondere beroepstitel in de intensieve zorg;
2° een geneesheer-specialist in opleiding om de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde te behalen;
3° een geneesheer die hetzij de opleiding, bedoeld in artikel 5, § 2, 2°, b), van het ministerieel besluit van 12 november 1993 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, houders van de bijzondere beroepstitel in de urgentiegeneeskunde, alsook van de stagemeesters en stagediensten in de urgentiegeneeskunde, gevolgd heeft, hetzij wordt beschouwd deze opleiding gevolgd te hebben, zoals bedoeld in artikel 6, § 4, van hetzelfde ministerieel besluit;
4° een geneesheer-specialist in een van de disciplines bedoeld in artikel 2, § 1, van voormeld ministerieel besluit van 12 november 1993, of een kandidaat-geneesheer-specialist in opleiding in één van deze disciplines, voor zover in hun opleiding is voldaan aan minimale criteria inzake multidisciplinaire urgentiegeneeskunde, bepaald bij ministerieel besluit in uitvoering van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen.
De in deze paragraaf bedoelde geneesheren die de permanentie waarnemer, moeten voortdurend hun kennis en kunde handhaven en ontwikkelen overeenkomstig de evolutie van de wetenschap. ".
§ 2. Artikel 9, § 3, van voornoemd koninklijk besluit van 27 april 1998, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. De in § 1, bedoelde geneesheren verzekeren de permanentie in de functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" en kunnen, met uitzondering van de toepassing van artikel 18, § 5, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "mobiele urgentiegroep" (MUG) moet voldoen om te worden erkend, tegelijkertijd geen andere medische permanentie uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie voor intensieve zorg moet voldoen om erkend te worden en in artikel 6 van voornoemd koninklijk besluit van 10 augustus 1998.
De in § 1, bedoelde geneesheren mogen tegelijkertijd de permanente aanwezigheid vervullen, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van ziekenhuisgroeperingen en bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen of, indien de permanentie wordt waargenomen door een geneesheer-specialist in de anesthesie-reanimatie, de permanentie bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 25 november 1997 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "chirurgische daghospitalisatie" moet voldoen om te worden erkend.
De in het eerste lid bedoelde geneesheren moeten tijdens de permanentie aanwezig zijn op de vestigingsplaats en onmiddellijk inzetbaar zijn voor de functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg". ".
§ 3. Artikel 9, § 5, van voornoemd koninklijk besluit van 27 april 1998 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 5. De geneesheren die aan de medische permanentie deelnemen mogen niet langer dan 24 uur na elkaar een medische permanentie in een ziekenhuis vervullen. ".
Art. 4. § 1er. L'article 9, § 1er, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 1998, est remplacĂ© par la disposition suivante :
" Art. 9. § 1er. La permanence médicale est assurée par au minimum un médecin, attaché au moins à mi-temps à l'hÎpital et possédant une des qualifications suivantes :
1° médecin spécialiste porteur du titre professionnel particulier en soins d'urgence ou porteur du titre professionnel particulier en soins intensifs;
2° médecin spécialiste en formation en vue d'obtenir le titre professionnel particulier en soins d'urgence;
3° mĂ©decin qui, soit a suivi la formation visĂ©e Ă l'article 5, § 2, 2°, b), de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 12 novembre 1993 fixant les critĂšres spĂ©ciaux d'agrĂ©ment des mĂ©decins spĂ©cialistes porteurs du titre professionnel particulier en soins d'urgence, ainsi que des maĂźtres de stage et des services de stage en soins d'urgence, soit est considĂ©rĂ© comme ayant suivi cette formation, tel que visĂ© Ă l'article 6, § 4, du mĂȘme arrĂȘtĂ© ministĂ©riel;
4° mĂ©decin spĂ©cialiste dans une des disciplines visĂ©es Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel prĂ©citĂ© du 12 novembre 1993, ou un candidat-mĂ©decin spĂ©cialiste en formation dans une des ces disciplines, pour autant que sa formation rĂ©ponde aux critĂšres minimum en matiĂšre de mĂ©decine d'urgence multidisciplinaire, dĂ©finis par arrĂȘtĂ© en exĂ©cution de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 avril 1983 fixant les modalitĂ©s de l'agrĂ©ation des mĂ©decins spĂ©cialistes et des mĂ©decins gĂ©nĂ©ralistes en matiĂšre de mĂ©decine d'urgence multidisciplinaire.
Les médecins visés au présent paragraphe, qui assument la permanence, doivent entretenir et développer continuellement leurs connaissances et leur savoir-faire en fonction de l'évolution de la science. ".
§ 2. L'article 9, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 1998 est remplacĂ© par la disposition suivante :
" § 3. Les mĂ©decins visĂ©s au § 1er assurent la permanence mĂ©dicale de la fonction "soins urgents spĂ©cialisĂ©s" et ne peuvent, Ă l'exception de l'application de l'article 18, § 5, de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 aoĂ»t 1998 fixant les normes auxquelles doit rĂ©pondre une fonction "service mobile d'urgence" (SMUR) pour ĂȘtre agréé, simultanĂ©ment assurer aucune autre permanence mĂ©dicale telle que visĂ©e Ă l'article 14 de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 avril 1998 fixant les normes auxquelles une fonction de soins intensifs doit rĂ©pondre pour ĂȘtre agréée et Ă l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 10 aoĂ»t 1998.
Les mĂ©decins visĂ©s au § 1er, peuvent toutefois assurer simultanĂ©ment la permanence telle que visĂ©e Ă l'article 2, § 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 janvier 1989 fixant les normes complĂ©mentaires d'agrĂ©ment des hĂŽpitaux et des services hospitaliers et prĂ©cisant la dĂ©finition des groupements d'hĂŽpitaux et les normes particuliĂšres qu'ils doivent respecter ainsi que, si la permanence est assurĂ©e par un mĂ©decin spĂ©cialiste en anesthĂ©sie-rĂ©animation, la permanence visĂ©e Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1997 fixant les normes auxquelles doit rĂ©pondre une fonction "hospitalisation chirurgicale du jour" pour ĂȘtre agréée.
Les mĂ©decins visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er, doivent ĂȘtre prĂ©sents durant la permanence sur le site et ĂȘtre immĂ©diatement disponibles pour la fonction "soins urgents spĂ©cialisĂ©s". ".
§ 3. L'article 9, § 5, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 1998 est remplacĂ© par la disposition suivante :
" § 5. Les médecins qui participent à la permanence médicale ne peuvent effectuer de permanence médicale dans un hÎpital durant plus de 24 heures consécutives. ".
" Art. 9. § 1er. La permanence médicale est assurée par au minimum un médecin, attaché au moins à mi-temps à l'hÎpital et possédant une des qualifications suivantes :
1° médecin spécialiste porteur du titre professionnel particulier en soins d'urgence ou porteur du titre professionnel particulier en soins intensifs;
2° médecin spécialiste en formation en vue d'obtenir le titre professionnel particulier en soins d'urgence;
3° mĂ©decin qui, soit a suivi la formation visĂ©e Ă l'article 5, § 2, 2°, b), de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 12 novembre 1993 fixant les critĂšres spĂ©ciaux d'agrĂ©ment des mĂ©decins spĂ©cialistes porteurs du titre professionnel particulier en soins d'urgence, ainsi que des maĂźtres de stage et des services de stage en soins d'urgence, soit est considĂ©rĂ© comme ayant suivi cette formation, tel que visĂ© Ă l'article 6, § 4, du mĂȘme arrĂȘtĂ© ministĂ©riel;
4° mĂ©decin spĂ©cialiste dans une des disciplines visĂ©es Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel prĂ©citĂ© du 12 novembre 1993, ou un candidat-mĂ©decin spĂ©cialiste en formation dans une des ces disciplines, pour autant que sa formation rĂ©ponde aux critĂšres minimum en matiĂšre de mĂ©decine d'urgence multidisciplinaire, dĂ©finis par arrĂȘtĂ© en exĂ©cution de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 avril 1983 fixant les modalitĂ©s de l'agrĂ©ation des mĂ©decins spĂ©cialistes et des mĂ©decins gĂ©nĂ©ralistes en matiĂšre de mĂ©decine d'urgence multidisciplinaire.
Les médecins visés au présent paragraphe, qui assument la permanence, doivent entretenir et développer continuellement leurs connaissances et leur savoir-faire en fonction de l'évolution de la science. ".
§ 2. L'article 9, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 1998 est remplacĂ© par la disposition suivante :
" § 3. Les mĂ©decins visĂ©s au § 1er assurent la permanence mĂ©dicale de la fonction "soins urgents spĂ©cialisĂ©s" et ne peuvent, Ă l'exception de l'application de l'article 18, § 5, de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 aoĂ»t 1998 fixant les normes auxquelles doit rĂ©pondre une fonction "service mobile d'urgence" (SMUR) pour ĂȘtre agréé, simultanĂ©ment assurer aucune autre permanence mĂ©dicale telle que visĂ©e Ă l'article 14 de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 avril 1998 fixant les normes auxquelles une fonction de soins intensifs doit rĂ©pondre pour ĂȘtre agréée et Ă l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 10 aoĂ»t 1998.
Les mĂ©decins visĂ©s au § 1er, peuvent toutefois assurer simultanĂ©ment la permanence telle que visĂ©e Ă l'article 2, § 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 janvier 1989 fixant les normes complĂ©mentaires d'agrĂ©ment des hĂŽpitaux et des services hospitaliers et prĂ©cisant la dĂ©finition des groupements d'hĂŽpitaux et les normes particuliĂšres qu'ils doivent respecter ainsi que, si la permanence est assurĂ©e par un mĂ©decin spĂ©cialiste en anesthĂ©sie-rĂ©animation, la permanence visĂ©e Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1997 fixant les normes auxquelles doit rĂ©pondre une fonction "hospitalisation chirurgicale du jour" pour ĂȘtre agréée.
Les mĂ©decins visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er, doivent ĂȘtre prĂ©sents durant la permanence sur le site et ĂȘtre immĂ©diatement disponibles pour la fonction "soins urgents spĂ©cialisĂ©s". ".
§ 3. L'article 9, § 5, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 1998 est remplacĂ© par la disposition suivante :
" § 5. Les médecins qui participent à la permanence médicale ne peuvent effectuer de permanence médicale dans un hÎpital durant plus de 24 heures consécutives. ".
Art. 5. In artikel 11, § 2, eerste lid, van voornoemd koninklijk besluit van 27 april 1998, worden de woorden "tenzij hij/zij kan bewijzen dat hij/zij" vervangen door de woorden "tenzij hij/zij als gegradueerd of gebrevetteerd verpleger of verpleegster kan bewijzen dat hij/zij".
Art. 5. A l'article 11, § 2, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 1998, les mots "sauf s'il/elle peut justifier qu'il/elle" sont remplacĂ©s par les mots "sauf s'il/elle peut justifier en tant qu'infirmier ou infirmiĂšre graduĂ©(e) ou brevetĂ©(e) qu'il/elle".
Art. 6. Artikel 13 van voornoemd koninklijk besluit van 27 april 1998, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 13. § 1. Gedurende twee jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit kan het in artikel 8 bedoelde diensthoofd ook een geneesheer-specialist zijn, bedoeld in artikel 2, § 1, van het ministerieel besluit van 12 november 1993.
§ 2. Gedurende de in § 1, bedoelde periode kan de in artikel 9, § 1, van dit besluit bedoelde medische permanentie ook worden waargenomen door een geneesheer-specialist bedoeld in artikel 2, § 1, van hoger vermeld ministerieel besluit van 12 november 1993.
§ 3. Gedurende de in § 1, bedoelde periode mag de medische permanentie eveneens worden waargenomen door een kandidaat-geneesheer-specialist in opleiding, bedoeld in artikel 2, § 1, van hoger vermeld ministerieel besluit van 12 november 1993, voor zover deze tenminste twee jaar opleiding heeft genoten, dat de dienst waarin hij de permanentie waarneemt opgenomen is in zijn stageprogramma en dat hij in een spoedgevallendienst vertrouwd werd gemaakt met alle aspecten van de reanimatie en de dringende medische behandeling. Indien de permanentie wordt waargenomen door een in deze paragraaf bedoelde kandidaat-geneesheer-specialist in opleiding, dient een geneesheer-specialist oproepbaar te zijn.
Zolang de minimale criteria bedoeld in artikel 9, § 1, eerste lid, 4°, niet zijn bepaald, wordt de in het eerste lid, bedoelde overgangstermijn, telkens met een jaar verlengd.
§ 4. De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, kan de in §§ 1, 2, en 3, bedoelde overgangstermijnen verlengen indien zou blijken dat bij het verstrijken van deze termijnen nog niet voldoende geneesheren beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in artikelen 8, en 9, § 1, van dit besluit. ".
" Art. 13. § 1. Gedurende twee jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit kan het in artikel 8 bedoelde diensthoofd ook een geneesheer-specialist zijn, bedoeld in artikel 2, § 1, van het ministerieel besluit van 12 november 1993.
§ 2. Gedurende de in § 1, bedoelde periode kan de in artikel 9, § 1, van dit besluit bedoelde medische permanentie ook worden waargenomen door een geneesheer-specialist bedoeld in artikel 2, § 1, van hoger vermeld ministerieel besluit van 12 november 1993.
§ 3. Gedurende de in § 1, bedoelde periode mag de medische permanentie eveneens worden waargenomen door een kandidaat-geneesheer-specialist in opleiding, bedoeld in artikel 2, § 1, van hoger vermeld ministerieel besluit van 12 november 1993, voor zover deze tenminste twee jaar opleiding heeft genoten, dat de dienst waarin hij de permanentie waarneemt opgenomen is in zijn stageprogramma en dat hij in een spoedgevallendienst vertrouwd werd gemaakt met alle aspecten van de reanimatie en de dringende medische behandeling. Indien de permanentie wordt waargenomen door een in deze paragraaf bedoelde kandidaat-geneesheer-specialist in opleiding, dient een geneesheer-specialist oproepbaar te zijn.
Zolang de minimale criteria bedoeld in artikel 9, § 1, eerste lid, 4°, niet zijn bepaald, wordt de in het eerste lid, bedoelde overgangstermijn, telkens met een jaar verlengd.
§ 4. De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, kan de in §§ 1, 2, en 3, bedoelde overgangstermijnen verlengen indien zou blijken dat bij het verstrijken van deze termijnen nog niet voldoende geneesheren beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in artikelen 8, en 9, § 1, van dit besluit. ".
Art. 6. L'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 27 avril 1998 est remplacĂ© par la disposition suivante :
" Art. 13. § 1er. Le chef de service, visĂ© Ă l'article 8, peut, pendant une durĂ©e de deux ans Ă dater de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, Ă©galement ĂȘtre un mĂ©decin spĂ©cialiste, tel que visĂ© Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel prĂ©citĂ© du 12 novembre 1993.
§ 2. La permanence mĂ©dicale visĂ©e Ă l'article 9, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peut Ă©galement ĂȘtre assurĂ©e, durant la pĂ©riode visĂ©e au § 1er, par un mĂ©decin spĂ©cialiste, tel que visĂ© Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel prĂ©citĂ© du 12 novembre 1993.
§ 3. La permanence mĂ©dicale peut, durant la pĂ©riode visĂ©e au § 1er, Ă©galement ĂȘtre assurĂ©e par un mĂ©decin candidat spĂ©cialiste en formation, tel que visĂ© Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel prĂ©citĂ© du 12 novembre 1993, pour autant que celui-ci ait suivi une formation d'au moins deux ans, que le service dans lequel il assure la permanence figure dans son programme de stage et qu'il se soit familiarisĂ© dans un service des urgences avec tous les aspects affĂ©rents Ă la rĂ©animation et au traitement mĂ©dical d'urgence. Si la permanence est assurĂ©e par un mĂ©decin candidat spĂ©cialiste en formation, tel que visĂ© dans le prĂ©sent paragraphe, un mĂ©decin spĂ©cialiste doit ĂȘtre appelable.
Aussi longtemps que les critÚres visés à l'article 9, § 1er, alinéa 1er, 4°, ne sont pas fixés, la période transitoire visée à l'alinéa 1er, est prorogée chaque année d'un an.
§ 4. Le Ministre qui a la santĂ© publique dans ses attributions peut prolonger la pĂ©riode transitoire visĂ©e au §§ 1er, 2, et 3, s'il s'avĂšre qu'Ă l'expiration de cette pĂ©riode, un nombre encore insuffisant de mĂ©decins rĂ©pond aux conditions visĂ©es aux articles 8 et 9, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ".
" Art. 13. § 1er. Le chef de service, visĂ© Ă l'article 8, peut, pendant une durĂ©e de deux ans Ă dater de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, Ă©galement ĂȘtre un mĂ©decin spĂ©cialiste, tel que visĂ© Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel prĂ©citĂ© du 12 novembre 1993.
§ 2. La permanence mĂ©dicale visĂ©e Ă l'article 9, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, peut Ă©galement ĂȘtre assurĂ©e, durant la pĂ©riode visĂ©e au § 1er, par un mĂ©decin spĂ©cialiste, tel que visĂ© Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel prĂ©citĂ© du 12 novembre 1993.
§ 3. La permanence mĂ©dicale peut, durant la pĂ©riode visĂ©e au § 1er, Ă©galement ĂȘtre assurĂ©e par un mĂ©decin candidat spĂ©cialiste en formation, tel que visĂ© Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel prĂ©citĂ© du 12 novembre 1993, pour autant que celui-ci ait suivi une formation d'au moins deux ans, que le service dans lequel il assure la permanence figure dans son programme de stage et qu'il se soit familiarisĂ© dans un service des urgences avec tous les aspects affĂ©rents Ă la rĂ©animation et au traitement mĂ©dical d'urgence. Si la permanence est assurĂ©e par un mĂ©decin candidat spĂ©cialiste en formation, tel que visĂ© dans le prĂ©sent paragraphe, un mĂ©decin spĂ©cialiste doit ĂȘtre appelable.
Aussi longtemps que les critÚres visés à l'article 9, § 1er, alinéa 1er, 4°, ne sont pas fixés, la période transitoire visée à l'alinéa 1er, est prorogée chaque année d'un an.
§ 4. Le Ministre qui a la santĂ© publique dans ses attributions peut prolonger la pĂ©riode transitoire visĂ©e au §§ 1er, 2, et 3, s'il s'avĂšre qu'Ă l'expiration de cette pĂ©riode, un nombre encore insuffisant de mĂ©decins rĂ©pond aux conditions visĂ©es aux articles 8 et 9, § 1er, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ".
Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 december 1998.
Art. 7. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er dĂ©cembre 1998.
Art. 8. Onze Minister van Volksgezondheid en Pensioenen en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 26 maart 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid en Pensioenen,
M. COLLA
De Minister van Sociale Zaken,
Mevr. M. DE GALAN
Gegeven te Brussel, 26 maart 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid en Pensioenen,
M. COLLA
De Minister van Sociale Zaken,
Mevr. M. DE GALAN
Art. 8. Notre Ministre de la SantĂ© publique et des Pensions et Notre Ministre des Affaires sociales sont chargĂ©s, chacun en ce qui le concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Donné à Bruxelles, le 26 mars 1999.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Santé publique et des Pensions,
M. COLLA
La Ministre des Affaires sociales,
Mme M. DE GALAN
Donné à Bruxelles, le 26 mars 1999.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Santé publique et des Pensions,
M. COLLA
La Ministre des Affaires sociales,
Mme M. DE GALAN