Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 DECEMBER 1998. - Koninklijk besluit betreffende het verkrijgen van vaarbewijzen voor het besturen van binnenvaartuigen bestemd voor het goederen- en personenvervoer. (NOTA : opgeheven voor het Vlaams Gewest bij BVR2022-05-06/11, art. 57,1°, 005; Inwerkingtreding : 17-09-2022)(NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij BWG2022-08-25/05, art. 57, 006; Inwerkingtreding : 17-01-2022) (NOTA : opgeheven voor het Brusselse Gewest bij BESL2023-07-13/02, art. 28, 007; Inwerkingtreding : 04-08-2023) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1998 en tekstbijwerking tot 25-07-2023)
Titre
23 DECEMBRE 1998. - Arrêté royal relatif à l'obtention de certificats de conduite de bateaux de navigation intérieure destinés au transport de marchandises et de personnes. (NOTE : abrogé pour la Région flamande par AGF2022-05-06/11, art. 57,1°, 005; En vigueur : 17-09-2022)(NOTE : abrogé pour la Région wallonne par ARW2022-08-25/05, art. 57, 006; En vigueur : 17-01-2022) (NOTE : abrogé pour la Région Bruxelloise par ARR2023-07-13/02, art. 28, 007; En vigueur : 04-08-2023) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-1998 et mise à jour au 25-07-2023)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (83)
Texte (83)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit besluit strekt tot de omzetting van de richtlijn 91/672 /EEG van de Raad van 16 december 1991 inzake de wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren en van de richtlijn 96/50/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnenvaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden.
Artikel 1. Le présent arrêté transpose la directive 91/672/CEE du Conseil du 16 décembre 1991 sur la reconnaissance réciproque des certificats de conduite nationaux de bateaux pour le transport de marchandises et de personnes par navigation intérieure, ainsi que la directive 96/50/CE du Conseil du 23 juillet 1996 concernant l'harmonisation des conditions d'obtention des certificats nationaux de conduite de bateaux de navigation intérieure pour le transport de marchandises et de personnes dans la Communauté.
Art. 1bis. (vroeger art. 1) Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° "de wet" : de wet van 21 mei 1991 betreffende het invoeren van een stuurbrevet voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk;
  2° "de Minister" : de Minister die de reglementering van het vervoer in zijn bevoegdheid heeft;
  3° ("het Bestuur" : het Directoraat-generaal Vervoer te Land); <KB 2007-03-27/32, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  4° "schip" : een binnenvaartuig bestemd voor het vervoer van goederen of personen;
  5° "schipper" : persoon die de nodige geschiktheid en kwalificaties bezit om een schip op de waterwegen te besturen en die aan boord het gezag voert;
  6° "lid van de dekbemanning" : een persoon die regelmatig bij de besturing van een schip betrokken is en aan het roer staat;
  7° "richtlijn" : de richtlijn van de Raad van de Europese Unie nr. 96/50/EG van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnen- vaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden.
Art. 1bis. (ancien art. 1) Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par : <AR 2007-03-27/32, art. 1, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  1° " la loi " : la loi du 21 mai 1991 relative à l'instauration d'un brevet de conduite pour la navigation sur les voies navigables du Royaume;
  2° " le Ministre " : le Ministre qui a la Réglementation du transport dans ses attributions;
  3° (" l'Administration " : la Direction générale Transport terrestre); <AR 2007-03-27/32, art. 1, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  4° " bateau " : un bâtiment de navigation intérieure destiné au transport de marchandises ou de personnes;
  5° " conducteur de bateau " : la personne qui possède l'aptitude et la qualification nécessaires pour assurer la conduite du bateau sur les voies d'eau et qui exerce la responsabilité nautique à bord;
  6° " membre d'équipage de pont " : une personne qui participe régulièrement à la conduite et tient la barre d'un bateau;
  7° " directive " : la directive du Conseil de l'Union européenne n° 96/50/CE du 23 juillet 1996 concernant l'harmonisation des conditions d'obtention des certificats nationaux de conduite de bateaux de navigation intérieure pour le transport de marchandises et de personnes dans la Communauté.
Art. 1bis_VLAAMS_GEWEST.    (vroeger art. 1) Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° "de wet" : de wet van 21 mei 1991 betreffende het invoeren van een stuurbrevet voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk;
  2° "de Minister" : [1 de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer]1;
  3° [1 de bevoegde Vlaamse instantie: de Vlaamse minister of zijn gemachtigde;]1
  4° "schip" : een binnenvaartuig bestemd voor het vervoer van goederen of personen;
  5° "schipper" : persoon die de nodige geschiktheid en kwalificaties bezit om een schip op de waterwegen te besturen en die aan boord het gezag voert;
  6° "lid van de dekbemanning" : een persoon die regelmatig bij de besturing van een schip betrokken is en aan het roer staat;
  7° "richtlijn" : de richtlijn van de Raad van de Europese Unie nr. 96/50/EG van 23 juli 1996 betreffende de harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van nationale vaarbewijzen voor binnen- vaartuigen welke bij het goederen- en personenvervoer in de Gemeenschap gebruikt worden.
  
Art.1bis _REGION_FLAMANDE.
   (ancien art. 1) Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par : <AR 2007-03-27/32, art. 1, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  1° " la loi " : la loi du 21 mai 1991 relative à l'instauration d'un brevet de conduite pour la navigation sur les voies navigables du Royaume;
  2° " le Ministre " : [1 le Ministre flamand ayant la politique de la mobilité, les travaux publics et les transports dans ses attributions]1;
  3° [1 l'autorité flamande compétente : le Ministre flamand ou son délégué;]1
  4° " bateau " : un bâtiment de navigation intérieure destiné au transport de marchandises ou de personnes;
  5° " conducteur de bateau " : la personne qui possède l'aptitude et la qualification nécessaires pour assurer la conduite du bateau sur les voies d'eau et qui exerce la responsabilité nautique à bord;
  6° " membre d'équipage de pont " : une personne qui participe régulièrement à la conduite et tient la barre d'un bateau;
  7° " directive " : la directive du Conseil de l'Union européenne n° 96/50/CE du 23 juillet 1996 concernant l'harmonisation des conditions d'obtention des certificats nationaux de conduite de bateaux de navigation intérieure pour le transport de marchandises et de personnes dans la Communauté.
  
Art.2. § 1. Dit besluit is van toepassing op de schippers van alle types schepen zoals motorschepen, sleep- en duwboten, aken, duwstellen en gekoppelde samenstellen, met uitzondering van :
  1° de schippers van voor het vervoer van goederen bestemde schepen met een lengte van minder dan 20 meter;
  2° de schippers van voor het vervoer van passagiers bestemde schepen, die naast de bemanning, niet meer dan twaalf personen vervoeren;
  3° de schippers van de schepen van de diensten belast met controle en schepen van de brandweer;
  4° de schippers van militaire schepen.
  § 2. Dit besluit is eveneens van toepassing op schippers van vissersschepen die in de officiële lijst der Belgische vissersvaartuigen ingeschreven zijn als behorende tot de Scheldevisserijvloot.
Art.2. § 1er. Le présent arrêté s'applique aux conducteurs de tous les types de bateaux tels qu'automoteurs, remorqueurs, pousseurs, chalands, convois poussés ou de formations à couple, à l'exception :
  1° des conducteurs de bateaux destinés au transport de marchandises, d'une longueur inférieure à 20 mètres;
  2° des conducteurs de bateaux destinés au transport de passagers qui ne transportent pas plus de douze personnes en dehors de l'équipage;
  3° des conducteurs de bateaux de service des autorités de contrôle et de bateaux de service d'incendie;
  4° des conducteurs de bateaux militaires.
  § 2. Le présent arrêté s'applique également aux conducteurs de bateaux de pêche qui sont immatriculés dans la liste officielle des navires de pêche belges comme faisant partie de la flotte de pêche de l'Escaut.
Art.3. Voor de toepassing van dit besluit worden twee vaarbewijzen ingevoerd :
  1° het vaarbewijs A, geldig op alle waterwegen van de Lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van de waterwegen waarop het reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten, overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte van toepassing is;
  2° het vaarbewijs B, geldig op alle waterwegen van de Lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van de maritieme waterwegen vermeld in bijlage 1 bij dit besluit en met uitzondering van de waterwegen waarop het reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten, overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte van toepassing is.
  De vaarbewijzen A of B afgegeven door een bevoegde autoriteit van een andere Lidstaat van de Europese Unie in uitvoering van de richtlijn, zijn geldig, respectievelijk :
  - op alle waterwegen van het Rijk;
  - op alle waterwegen van het Rijk met uitzondering van de Beneden-Zeeschelde en haar aanhorigheden zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende politiereglement van de Beneden-Zeeschelde, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 februari 1996.
  Het Groot patent afgegeven bij toepassing van het reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte is geldig op alle waterwegen van het Rijk.
Art.3. Pour l'application du présent arrêté, deux certificats de conduite sont instaurés :
  1° le certificat de conduite A, valable pour toutes les voies d'eau des Etats, membres de l'Union européenne à l'exception des voies d'eau sur lesquelles s'applique le règlement relatif à la délivrance des patentes du Rhin, conformément aux dispositions de la Convention révisée pour la navigation du Rhin;
  2° le certificat de conduite B, valable pour toutes les voies d'eau des Etats, membres de l'Union européenne à l'exception des voies d'eau à caractère maritime visées à l'annexe 1 du présent arrêté et à l'exception des voies d'eau sur lesquelles s'applique le règlement relatif à la délivrance des patentes du Rhin, conformément aux dispositions de la Convention révisée pour la navigation du Rhin.
  Les certificats de conduite A ou B, délivrés par une autorité compétente d'un autre Etat, membre de l'Union européenne en exécution de la directive sont valables respectivement :
  - pour toutes les voies d'eau du Royaume;
  - pour les voies d'eau du Royaume autres que l'Escaut maritime inférieur et ses dépendances tels qu'ils sont définis par l'arrêté royal du 23 septembre 1992 portant règlement de police de l'Escaut maritime inférieur, modifié par l'arrête royal du 9 février 1996.
  La grande patente, délivrée en application du règlement relatif à la délivrance des patentes du Rhin conformément aux dispositions de la Convention révisée pour la navigation du Rhin, est valable pour toutes les voies d'eau du Royaume.
Art. 3_VLAAMS_GEWEST.    Voor de toepassing van dit besluit worden twee vaarbewijzen ingevoerd :
  1° het vaarbewijs A, geldig op alle waterwegen van de Lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van de waterwegen waarop het reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten, overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte van toepassing is;
  2° het vaarbewijs B, geldig op alle waterwegen van de Lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van de maritieme waterwegen vermeld in bijlage 1 bij dit besluit en met uitzondering van de waterwegen waarop het reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten, overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte van toepassing is.
  De vaarbewijzen A of B afgegeven door een bevoegde autoriteit van een andere Lidstaat van de Europese Unie in uitvoering van de richtlijn, zijn geldig, respectievelijk :
  - [1 op alle waterwegen]1;
  - [1 op alle waterwegen]1 met uitzondering van de Beneden-Zeeschelde en haar aanhorigheden zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende politiereglement van de Beneden-Zeeschelde, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 februari 1996.
  Het Groot patent afgegeven bij toepassing van het reglement betreffende het verlenen van Rijnpatenten overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte is geldig op alle waterwegen van het Rijk.
  
Art.3 _REGION_FLAMANDE.
   Pour l'application du présent arrêté, deux certificats de conduite sont instaurés :
  1° le certificat de conduite A, valable pour toutes les voies d'eau des Etats, membres de l'Union européenne à l'exception des voies d'eau sur lesquelles s'applique le règlement relatif à la délivrance des patentes du Rhin, conformément aux dispositions de la Convention révisée pour la navigation du Rhin;
  2° le certificat de conduite B, valable pour toutes les voies d'eau des Etats, membres de l'Union européenne à l'exception des voies d'eau à caractère maritime visées à l'annexe 1 du présent arrêté et à l'exception des voies d'eau sur lesquelles s'applique le règlement relatif à la délivrance des patentes du Rhin, conformément aux dispositions de la Convention révisée pour la navigation du Rhin.
  Les certificats de conduite A ou B, délivrés par une autorité compétente d'un autre Etat, membre de l'Union européenne en exécution de la directive sont valables respectivement :
  - [1 sur toutes les voies d'eau]1;
  - [1 sur toutes les voies d'eau]1 autres que l'Escaut maritime inférieur et ses dépendances tels qu'ils sont définis par l'arrêté royal du 23 septembre 1992 portant règlement de police de l'Escaut maritime inférieur, modifié par l'arrête royal du 9 février 1996.
  La grande patente, délivrée en application du règlement relatif à la délivrance des patentes du Rhin conformément aux dispositions de la Convention révisée pour la navigation du Rhin, est valable pour toutes les voies d'eau du Royaume.
  
Art.4. § 1 De Minister of zijn gemachtigde is belast met de afgifte van vaarbewijzen A en B aan de aanvragers die aan de in artikel 3 van de wet bepaalde voorwaarden voldoen.
  § 2. De vaarbewijzen worden opgemaakt volgens het in bijlage 2 (A) van dit besluit aangegeven model. <KB 2007-03-27/32, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  § 3. Bij verlies of diefstal van het vaarbewijs kan de houder op voorlegging van een attest van verlies of diefstal gedaan bij politie- of rijkswachtdiensten een duplicaat verkrijgen bij de autoriteit die het origineel heeft afgegeven.
  Bij beschadiging van het vaarbewijs kan de houder tegen inlevering van zijn beschadigd vaarbewijs een duplicaat verkrijgen bij de autoriteit die het origineel heeft afgegeven.
Art.4. § 1er. Le Ministre ou son délégué est habilité à délivrer les certificats de conduite A et B aux demandeurs qui répondent aux conditions prévues à l'article 3 de la loi.
  § 2. Les certificats de conduite sont établis sur le modèle prévu à l'annexe 2 (A) du présent arrêté. <AR 2007-03-27/32, art. 2, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  § 3. En cas de perte ou de vol du certificat de conduite, le titulaire peut obtenir un duplicata auprès de l'autorité qui a délivré l'original sur présentation d'une attestation de perte ou de vol faite auprès des services de police ou de gendarmerie.
  En cas de détérioration du certificat de conduite, le titulaire peut, contre remise de son certificat, obtenir un duplicata auprès de l'autorité qui a délivré l'original.
HOOFDSTUK II. - Modaliteiten tot het verkrijgen van de vaarbewijzen.
CHAPITRE II. - Des modalités pour l'obtention des certificats de conduite.
Afdeling 1. - Indiening van de aanvraag.
Section 1. - De l'introduction de la demande.
Art.5. De aanvraag tot het verkrijgen van het vaarbewijs wordt bij de (het Bestuur) ingediend door middel van het formulier waarvan het model door de Minister of zijn gemachtigde wordt bepaald. <KB 2007-03-27/32, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  Zij wordt gedagtekend en ondertekend door de aanvrager en vermeldt het vaarbewijs waarvoor zij wordt ingediend.
Art.5. La demande en vue de l'obtention du certificat de conduite est introduite auprès de (l'Administration), au moyen du formulaire dont le modèle est fixé par le Ministre ou son délégué. <AR 2007-03-27/32, art. 3, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  Elle est datée et signée par le demandeur et désigne le certificat de conduite pour lequel elle est introduite.
Art. 5_VLAAMS_GEWEST.    De aanvraag tot het verkrijgen van het vaarbewijs wordt bij de [1 de bevoegde Vlaamse instantie]1 ingediend door middel van het formulier waarvan het model door de Minister of zijn gemachtigde wordt bepaald.  Zij wordt gedagtekend en ondertekend door de aanvrager en vermeldt het vaarbewijs waarvoor zij wordt ingediend.
  
Art.5 _REGION_FLAMANDE.   La demande en vue de l'obtention du certificat de conduite est introduite auprès de [1 l'autorité flamande compétente]1, au moyen du formulaire dont le modèle est fixé par le Ministre ou son délégué.  Elle est datée et signée par le demandeur et désigne le certificat de conduite pour lequel elle est introduite.
  
Art.6. Bij het indienen van zijn aanvraag moet de aanvrager :
  1° ten volle 17 jaar oud zijn;
  2° een fotocopie van zijn identiteitskaart of paspoort en een recente pasfoto bijvoegen;
  3° (een medische verklaring bijvoegen die niet ouder dan 3 maanden mag zijn volgens het in bijlage 3 B aangegeven model;) <KB 2007-03-27/32, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  (4° de stukken bijvoegen die moeten aantonen dat de diensttijd vereist overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 4, is volbracht.) <KB 2007-03-27/32, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Art.6. Lors de l'introduction de sa demande, le demandeur doit :
  1° être âgé de 17 ans accomplis;
  2° joindre une photocopie de sa carte d'identité ou de son passeport et une photo d'identité récente;
  3° (joindre un certificat médical ne datant pas de plus de 3 mois établi sur le modèle prévu à l'annexe 3 B;) <AR 2007-03-27/32, art. 4, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  (4° joindre les documents destinés à prouver que le temps de service requis conformément aux dispositions du chapitre 2, section 4, est effectué.) <AR 2007-03-27/32, art. 6, 003; En vigueur : 15-03-2007>
Afdeling 2. - Lichamelijke en geestelijke geschiktheid : geneeskundig onderzoek.
Section 2. - De l'aptitude physique et mentale : examen médical.
Art.8. <KB 2007-03-27/32, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007> Om de in artikel 6, 3°, bedoelde medische verklaring te verkrijgen dient de aanvrager zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek in een door hem gekozen medisch centrum van het Bestuur van Medische Expertise.
Art.8. <AR 2007-03-27/32, art. 6, 003; En vigueur : 15-03-2007> Pour obtenir le certificat médical visé à l'article 6, 3°, le demandeur doit se soumettre à un examen médical dans un centre médical de l'Administration de l'Expertise médicale de son choix.
Art.9. Het geneeskundig onderzoek is bedoeld om na te gaan of de aanvrager niet lijdt aan lichaamsgebreken of kwalen die voor de veiligheid in de scheepvaart nadelig zouden kunnen zijn. Dit onderzoek heeft met name betrekking op :
  1° het gezichtsvermogen, het gehoor en het kleurenonderscheidingsvermogen;
  2° de toestand van hart, longen en de bloeddruk;
  3° de goede werking van de ledematen;
  4° de neurologische en psychische gesteldheid.
  De minimumnormen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid zijn bepaald in bijlage 3 (A) bij dit besluit. <KB 2007-03-27/32, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Art.9. L'examen médical a pour but de vérifier si le demandeur n'est pas atteint de défauts physiques ou affections pouvant nuire à la sécurité de la navigation. Il porte notamment :
  1° sur la vue, l'ouïe et l'aptitude à distinguer les couleurs;
  2° sur l'état du coeur et des poumons ainsi que sur la tension artérielle;
  3° sur le bon fonctionnement des membres moteurs;
  4° sur l'état neuropsychiatrique.
  Les exigences minimales relatives à l'aptitude physique et mentale sont fixées à l'annexe 3 (A) du présent arrêté. <AR 2007-03-27/32, art. 7, 003; En vigueur : 15-03-2007>
Art.10. <KB 2007-03-27/32, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007> Het Bestuur van de Medische Expertise spreekt zich uit over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de aanvrager en levert de medische verklaring volgens het in bijlage 3 B aangegeven model, af.
Art.10. <AR 2007-03-27/32, art. 8, 003; En vigueur : 15-03-2007> L'Administration de l'Expertise médicale se prononce sur l'aptitude physique et mentale du demandeur et délivre le certificat médical établi sur le modèle prévu à l'annexe 3 B.
Art.11. § 1. Binnen zestig dagen nadat de aanvrager ervan in kennis is gesteld dat hij ongeschikt is bevonden, kan hij tegen die beslissing beroep instellen bij ter post aangetekende brief, gericht aan (het Bestuur van Medische Expertise); die brief moet de naam en het adres van een geneesheer van zijn keuze vermelden. <KB 2007-03-27/32, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  Binnen de daaropvolgende dertig dagen deelt (het Bestuur van Medische Expertise) de door de aanvrager aangewezen geneesheer de redenen mede die geleid hebben tot de ongeschiktheidsverklaring. Deze redenen mogen niet door (het Bestuur van Medische Expertise) aan de aanvrager worden medegedeeld. <KB 2007-03-27/32, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  § 2. Binnen dertig dagen na de mededeling van de redenen voor de beslissing tot ongeschiktheidsverklaring, kan de aangewezen geneesheer :
  1° aan (het Bestuur van Medische Expertise) een verslag richten waarin die beslissing wordt betwist; <KB 2007-03-27/32, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  2° of een onderzoek op tegenspraak aanvragen met de geneesheer-inspecteur die de beslissing getroffen heeft.
  (Het Bestuur van Medische Expertise) doet uitspraak : <KB 2007-03-27/32, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  1° binnen dertig dagen na ontvangst van het verslag bedoeld in het eerste lid, 1°;
  2° binnen vijfenveertig dagen na ontvangst van het verzoek om een onderzoek bedoeld in het eerste lid, 2°.
  Wanneer de aangewezen geneesheer en (het Bestuur van Medische Expertise) het onderling eens zijn, is de beslissing definitief. (Het Bestuur van Medische Expertise) brengt die beslissing ter kennis van de aanvrager (...). <KB 2007-03-27/32, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  In het geval zij het oneens zijn, wordt het geschil met het oog op een eindbeslissing voorgelegd aan de hoofdgeneesheer van (het Bestuur van Medische Expertise) of aan zijn gemachtigde. <KB 2007-03-27/32, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  Die geneesheer mag in geen enkel stadium zijn tussengekomen bij het nemen van de betwiste beslissing.
  (Het Bestuur van Medische Expertise) brengt de eindbeslissing ter kennis van de aanvrager (...). <KB 2007-03-27/32, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Art.11. § 1er. Dans les soixante jours de la notification de son inaptitude, le demandeur peut introduire un recours contre cette décision par lettre recommandée à la poste, adressée à (l'Administration de l'Expertise médicale); cette lettre doit préciser les nom et adresse d'un médecin de son choix. <AR 2007-03-27/32, art. 9, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  Dans les trente jours qui suivent, (l'Administration de l'Expertise médicale) communique au médecin désigné par le demandeur les raisons qui ont motivé la décision d'inaptitude. Ces raisons ne peuvent être portées à la connaissance du demandeur par (l'Administration de l'Expertise médicale). <AR 2007-03-27/32, art. 9, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  § 2. Dans les trente jours de la communication des motifs de la décision d'inaptitude, le médecin désigné peut :
  1° soit adresser à (l'Administration de l'Expertise médicale) un rapport contestant la décision; <AR 2007-03-27/32, art. 9, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  2° soit demander un examen médical contradictoire avec le médecin-inspecteur qui a pris la décision.
  (L'Administration de l'Expertise médicale) statue : <AR 2007-03-27/32, art. 9, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  1° dans les trente jours de la réception du rapport visé à l'alinéa 1er, 1°;
  2° dans les quarante-cinq jours de la réception de la demande d'examen visée à l'alinéa 1er, 2°.
  En cas d'accord entre le médecin désigné et (l'Administration de l'Expertise médicale), la décision est définitive. (L'Administration de l'Expertise médicale) notifie cette décision au demandeur (...). <AR 2007-03-27/32, art. 9, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  En cas de désaccord, le litige est soumis pour décision finale au médecin en chef de (l'Administration de l'Expertise médicale) ou de son délégué. <AR 2007-03-27/32, art. 9, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  Ce médecin ne peut être intervenu dans la décision contestée à quelque stade que ce soit.
  (L'Administration de l'Expertise médicale) notifie la décision finale au demandeur (...). <AR 2007-03-27/32, art. 9, 003; En vigueur : 15-03-2007>
Art.12. De kosten van de door (het Bestuur van Medische Expertise) uitgevoerde geneeskundige onderzoeken zijn ten laste van de aanvrager. <KB 2007-03-27/32, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Art.12. Les frais des examens médicaux effectués par (l'Administration de l'Expertise médicale) sont à charge du demandeur. <AR 2007-03-27/32, art. 10, 003; En vigueur : 15-03-2007>
Afdeling 3. - Examens over de vakkennis.
Section 3. - Des examens de connaissances professionnelles.
Art.13. De aanvrager moet met gunstig gevolg een examen afleggen om aan te tonen dat hij de nodige vakkennis heeft.
  (Voor de tijd gelegen tussen het slagen voor het examen en de afgifte van het vaarbewijs volgens het in bijlage 2 A aangegeven model verstrekt de Minister of zijn gemachtigde een voorlopig vaarbewijs volgens het in bijlage 2 B aangegeven model.) <KB 2007-03-27/32, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Art.13. Le demandeur doit réussir un examen pour justifier qu'il possède les connaissances professionnelles nécessaires.
  (Pour la période comprise entre la réussite de l'examen et la délivrance du certificat de conduite établi sur le modèle prévu à l'annexe 2 A, le Ministre ou son délégué octroie un certificat de conduite provisoire établi sur le modèle prévu à l'annexe 2 B.) <AR 2007-03-27/32, art. 11, 003; En vigueur : 15-03-2007>
Art.14. <KB 2007-03-27/32, art. 12, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007> De Centrale Examencommissie, opgericht bij koninklijk besluit van 27 maart 2007 houdende de organisatie van de examens en de vaststelling van de retributies voor de bekwaamheidsbewijzen in Rijn- en binnenvaart, is belast met de organisatie van de examens over de vakkennis met het oog op het behalen van de in artikel 3 bedoelde vaarbewijzen A en B.
  De examens verlopen volgens de modaliteiten bepaald in hetzelfde besluit van 27 maart 2007.
Art.14. <AR 2007-03-27/32, art. 12, 003; En vigueur : 15-03-2007> La Commission centrale d'examen, instituée par l'arrêté royal du 27 mars 2007 portant organisation des examens et fixation des rétributions pour les attestations de qualification en navigation rhénane et intérieure, est chargée de procéder à l'organisation des examens de connaissances professionnelles en vue de l'obtention des certificats de conduite A et B visés à l'article 3.
  Les examens se déroulent selon les modalités fixées dans le même arrêté royal du 27 mars 2007.
Art.20. De examens worden afgenomen in het Nederlands, het Frans of het Duits volgens de taal die de aanvrager in zijn aanvraag kiest.
Art.20. Les examens ont lieu en français, en néerlandais ou en allemand, selon la langue choisie par le demandeur dans sa demande.
Art.21. De examens lopen over de materie bepaald in hoofdstuk A van bijlage 4 bij dit besluit.
Art.21. Les examens portent sur les matières visées au chapitre A de l'annexe 4 du présent arrêté.
Art.24. Het examen is een schriftelijk examen. (...). <KB 2007-03-27/32, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Art.24. L'examen consiste en une épreuve écrite. (...). <AR 2007-03-27/32, art. 13, 003; En vigueur : 15-03-2007>
Art.25. Kandidaten, houder van een vaarbewijs B kunnen het vaarbewijs A bekomen na met goed gevolg het examen te hebben afgelegd over de bijkomende materie bepaald in deel 2 van hoofdstuk A van bijlage 4 bij dit besluit.
Art.25. Les candidats, titulaires du certificat de conduite B, peuvent obtenir le certificat de conduite A après avoir réussi l'examen portant sur les matières supplémentaires visées dans la partie 2 du chapitre A de l'annexe 4 du présent arrêté.
Afdeling 4. - Diensten aan dek.
Section 4. - Des services sur le pont.
Art.27. De aanvrager moet een diensttijd van ten minste vier jaar als lid van een dekbemanning aan boord van een schip hebben volbracht.
  Als een jaar diensttijd gelden 180 effectieve vaardagen in de binnenvaart. Binnen een periode van 365 opeenvolgende dagen kunnen maximaal 180 dagen als diensttijd worden meegerekend.
Art.27. Le demandeur doit avoir effectué un temps de service de quatre ans au moins comme membre d'équipage de pont, à bord d'un bateau de navigation intérieure.
  Comptent pour un an de temps de service 180 jours de navigation effective en navigation intérieure. Dans un délai de 365 jours consécutifs, on peut prendre en considération au maximum 180 jours de navigation effective.
Art.28. De in artikel 27 bedoelde diensttijd wordt met maximaal drie jaar verminderd :
  1° wanneer de aanvrager houder is van een einddiploma uitgereikt door een onderwijsinstelling waar theoretische en praktische cursussen over binnenvaart worden gegeven, voor zover deze onderwijscyclus door de Minister werd erkend; de vermindering mag de duur van de onderwijscyclus niet te boven gaan;
  2° wanneer de aanvrager kan aantonen als lid van de dekbemanning diensttijd op een zeeschip te hebben volbracht; voor de maximale vermindering met drie jaar moet de aanvrager aantonen minstens vier jaar ervaring in de zeevaart te hebben, waarbij 250 zeedagen als één jaar diensttijd gelden; de diensttijd op een zeeschip moet worden aangetoond door middel van een monsterboekje.
Art.28. Le temps de service visé à l'article 27 est réduit de trois ans au maximum :
  1° si le demandeur est titulaire d'un certificat de fin d'études délivré par un établissement d'enseignement dispensant des cours théoriques et pratiques de navigation intérieure, pour autant que ce cycle d'études soit agréé par le Ministre; la réduction ne peut être supérieure à la durée du cycle d'études;
  2° si le demandeur peut justifier d'un temps de service sur un navire de mer comme membre d'équipage de pont; pour obtenir la réduction maximale de trois ans, le demandeur doit justifier d'une expérience d'au moins quatre ans en navigation maritime, étant entendu que 250 jours de navigation maritime sont comptés pour un an de temps de service; le temps de service sur un navire de mer doit être justifié au moyen d'un livret de service de la navigation maritime.
Art.29. De diensttijd mag op alle waterwegen van de Lidstaten van de Europese Unie, zonder onderscheid van de scheepvaartgebieden, zijn volbracht.
  Wat de waterwegen betreft die de buitengrens van de Europese Unie overschrijden, zoals de Donau, de Elbe en de Oder, zal de op alle trajecten van deze waterwegen opgedane ervaring in aanmerking worden genomen.
Art.29. Les services peuvent avoir été effectués sur toutes les voies d'eau des Etats, membres de l'Union européenne, sans distinction suivant les zones de navigation.
  Pour les voies d'eau qui ont leur cours de part et d'autre du territoire communautaire, telles que le Danube, l'Elbe et l'Oder, l'expérience professionnelle acquise sur toutes les sections de ces voies d'eau sera prise en considération.
Art.30. Om in aanmerking te kunnen worden genomen moeten de diensten in het dienstboekje van de aanvrager worden ingeschreven. Dit dienstboekje dient bij afgifte en vervolgens telkens binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum van afgifte ten minste éénmaal te zijn afgestempeld door de Minister of zijn gemachtigde of door een bevoegde autoriteit van een andere Lidstaat van de Europese Unie.
  Het model van het dienstboekje is bepaald in bijlage 5 bij dit besluit.
Art.30. Pour pouvoir être pris en considération, les services doivent être inscrits dans le livret de service du demandeur. Ce livret de service doit être visé au moment de la délivrance et ensuite au moins une fois tous les 12 mois à compter de la date à laquelle il a été délivré par le Ministre ou son délégué ou par une autorité compétente d'un autre Etat, membre de l'Union européenne.
  Le modèle du livret de service est fixé à l'annexe 5 du présent arrêté.
Art.31. <KB 2007-03-27/32, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007> Het dienstboekje en de stukken die aantonen dat de diensttijd overeenkomstig artikel 28 kan worden verminderd, worden gevalideerd door het Bestuur.
Art.31. <AR 2007-03-27/32, art. 14, 003; En vigueur : 15-03-2007> Le livret de service et les documents établissant que le temps de service peut être réduit conformément à l'article 28 sont validés par l'Administration.
Art. 31_VLAAMS_GEWEST.    <KB 2007-03-27/32, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007> Het dienstboekje en de stukken die aantonen dat de diensttijd overeenkomstig artikel 28 kan worden verminderd, worden gevalideerd door [1 de bevoegde Vlaamse instantie]1.
  
Art.31 _REGION_FLAMANDE.   <AR 2007-03-27/32, art. 14, 003; En vigueur : 15-03-2007> Le livret de service et les documents établissant que le temps de service peut être réduit conformément à l'article 28 sont validés par [1 l'autorité flamande compétente]1.
  
Art.32. Het Bestuur kan de aanvrager verzoeken aanvullende bewijsstukken over te leggen.
Art.32. L'administration peut inviter le demandeur à présenter des documents probants complémentaires.
Art. 32_VLAAMS_GEWEST.    [1 De bevoegde Vlaamse instantie]1 kan de aanvrager verzoeken aanvullende bewijsstukken over te leggen.
  
Art.32 _REGION_FLAMANDE.   [1 L'autorité flamande compétente]1 peut inviter le demandeur à présenter des documents probants complémentaires.
  
Art.33. <KB 2007-03-27/32, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007> Indien de diensttijd voldoende vaststaat wordt de aanvrager uitgenodigd voor het examen.
  Indien de diensttijd onvoldoende vaststaat brengt het Bestuur dit ter kennis van de aanvrager binnen zestig dagen na de indiening van de stukken die moeten aantonen dat de vereiste diensttijd is volbracht.
Art.33. <AR 2007-03-27/32, art. 15, 003; En vigueur : 15-03-2007> Si le temps de service est suffisamment établi, le demandeur est convoqué à l'examen.
  Si le temps de service est insuffisamment établi, l'Administration le notifie au demandeur dans les soixante jours de la transmission des documents destinés à prouver que le temps de service requis a été effectué.
Art. 33_VLAAMS_GEWEST.    <KB 2007-03-27/32, art. 15, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007> Indien de diensttijd voldoende vaststaat wordt de aanvrager uitgenodigd voor het examen.  Indien de diensttijd onvoldoende vaststaat brengt [1 de bevoegde Vlaamse instantie]1 dit ter kennis van de aanvrager binnen zestig dagen na de indiening van de stukken die moeten aantonen dat de vereiste diensttijd is volbracht.
  
Art.33 _REGION_FLAMANDE.   <AR 2007-03-27/32, art. 15, 003; En vigueur : 15-03-2007> Si le temps de service est suffisamment établi, le demandeur est convoqué à l'examen.  Si le temps de service est insuffisamment établi, [1 l'autorité flamande compétente]1 le notifie au demandeur dans les soixante jours de la transmission des documents destinés à prouver que le temps de service requis a été effectué.
  
Art.34. Binnen zestig dagen nadat de aanvrager ervan in kennis is gesteld dat de diensttijd onvoldoende vaststaat, kan hij tegen die beslissing beroep instellen bij ter post aangetekende brief gericht aan een hiertoe opgericht Beroepscomité.
Art.34. Dans les soixante jours de la notification que le temps de service est insuffisamment établi, le demandeur peut introduire un recours contre cette décision par lettre recommandée à la poste, adressée à un Comité de recours institué à cette fin.
Art.35. <KB 2007-03-27/32, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007> Het Beroepscomité bestaat uit :
  1° een voorzitter, ambtenaar van het Bestuur van minstens klasse A3;
  2° twee afgevaardigden van het Bestuur;
  3° twee afgevaardigden van de werkgeversorganisaties die in het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart vertegenwoordigd zijn;
  4° twee afgevaardigden van de werknemersorganisaties die in het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart vertegenwoordigd zijn.
  Voor ieder werkend lid wordt ten minste een plaatsvervangend lid aangewezen.
  De werkende en de plaatsvervangende leden worden door de Minister benoemd voor een duur van drie jaar. Hun opdracht kan verlengd worden.
Art.35. <AR 2007-03-27/32, art. 16, 003; En vigueur : 15-03-2007> Le Comité de recours est composé :
  1° d'un président, fonctionnaire de l'Administration de la classe A3 au moins;
  2° de deux délégués de l'Administration;
  3° de deux délégués des organisations d'employeurs représentées au sein de la Commission paritaire de la batellerie;
  4° de deux délégués des organisations de travailleurs représentées au sein de la Commission paritaire de la batellerie.
  Un membre suppléant au moins est désigné pour chacun des membres effectifs
  Les membres effectifs et les membres suppléants sont nommés par le Ministre pour une durée de trois ans. Leur mandat est renouvelable.
Art. 35_VLAAMS_GEWEST.    <KB 2007-03-27/32, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007> Het Beroepscomité bestaat uit :
  1° een voorzitter, ambtenaar van [1 de bevoegde Vlaamse instantie]1 van minstens klasse A3;
  2° twee afgevaardigden van [1 de bevoegde Vlaamse instantie]1;
  3° twee afgevaardigden van de werkgeversorganisaties die in het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart vertegenwoordigd zijn;
  4° twee afgevaardigden van de werknemersorganisaties die in het Paritair Comité voor de binnenscheepvaart vertegenwoordigd zijn.
  Voor ieder werkend lid wordt ten minste een plaatsvervangend lid aangewezen.
  De werkende en de plaatsvervangende leden worden door de Minister benoemd voor een duur van drie jaar. Hun opdracht kan verlengd worden.
  
Art.35 _REGION_FLAMANDE.
   <AR 2007-03-27/32, art. 16, 003; En vigueur : 15-03-2007> Le Comité de recours est composé :
  1° d'un président, fonctionnaire de [1 l'autorité flamande compétente]1 de la classe A3 au moins;
  2° de deux délégués de [1 l'autorité flamande compétente]1;
  3° de deux délégués des organisations d'employeurs représentées au sein de la Commission paritaire de la batellerie;
  4° de deux délégués des organisations de travailleurs représentées au sein de la Commission paritaire de la batellerie.
  Un membre suppléant au moins est désigné pour chacun des membres effectifs
  Les membres effectifs et les membres suppléants sont nommés par le Ministre pour une durée de trois ans. Leur mandat est renouvelable.
  
Art.36. Een secretaris, aangewezen door de Directeur-generaal van het Bestuur, wordt aan het Beroepscomité toegevoegd. Hij is niet stemgerechtigd.
Art.36. Un secrétaire, désigné par le directeur général de l'administration, est adjoint au Comité de recours. Il n'a pas voix délibérative.
Art.37. Het Beroepscomité stelt zijn huishoudelijk reglement op en bepaalt zijn werkwijze.
Art.37. Le Comité de recours arrête son règlement d'ordre intérieur et fixe les modalités de son fonctionnement.
Art.38. De beraadslagingen van het Beroepscomité zijn geheim.
Art.38. Les délibérations du Comité de recours sont secrètes.
Art.39. De beslissingen van het Beroepscomité worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
  De beslissingen worden in een proces-verbaal opgenomen.
  Na sluiting van het proces-verbaal wordt de aanvrager die een beroep heeft ingesteld, in kennis gesteld van de beslissing van het Beroepscomité.
  (Vierde lid opgeheven) <KB 2007-03-27/32, art. 17, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Art.39. Les décisions du Comité de recours sont prises à la majorité des voix. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
  Les décisions sont consignées dans un procès-verbal.
  Après clôture du procès-verbal, le demandeur qui a introduit un recours est informé de la décision du Comité de recours.
  (Alinéa 4 abrogé) <AR 2007-03-27/32, art. 17, 003; En vigueur : 15-03-2007>
HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen voor de schipper die een schip met behulp van een radar wil besturen of die meer dan twaalf personen, naast de bemanning wil vervoeren.
CHAPITRE III. - Dispositions particulières pour le conducteur de bateau désirant conduire un bateau au radar ou transportant plus de douze personnes en dehors de l'équipage.
Art.40. § 1. Om een schip met behulp van een radar te mogen besturen, moet de schipper in het bezit zijn van een vaarbewijs voorzien van een aantekening waaruit blijkt dat hij bevoegd is tot het besturen van een schip met radar.
  Het radardiploma voor de Rijn afgegeven bij toepassing van het reglement betreffende het verlenen van radardiploma's voor de Rijn, overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte is gelijkwaardig aan de in lid 1 bedoelde aantekening.
  § 2. (De aantekening dat de schipper bevoegd is tot het besturen van een schip met radar wordt door de minister of zijn gemachtigde op het vaarbewijs van de aanvrager aangebracht op voorlegging van zijn radardiploma voor de Rijn afgegeven bij toepassing van het reglement betreffende het verlenen van radardiploma's voor de Rijn, overeenkomstig de bepalingen van de Herziene Rijnvaartakte.) <KB 2007-03-27/32, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Art.40. § 1er. Pour être admis à conduire un bateau au radar, le conducteur de bateau doit être en possession d'un certificat de conduite portant une mention de laquelle il ressort qu'il possède l'aptitude à la conduite d'un bateau au radar.
  Le diplôme de conducteur au radar pour le Rhin, délivré en application du règlement relatif à la délivrance des diplômes de conducteur au radar pour le Rhin, conformément aux dispositions de la Convention révisée pour la navigation du Rhin, est équivalent à la mention visée à l'alinéa 1er.
  § 2. (La mention de laquelle il ressort que le conducteur de bateau possède l'aptitude à la conduite d'un bateau au radar est apposée sur le certificat de conduite du demandeur par le Ministre ou son délégué sur présentation de son diplôme de conducteur au radar pour le Rhin, délivré en application du règlement relatif à la délivrance des diplômes de conducteur au radar pour le Rhin, conformément aux dispositions de la Convention révisée pour la Navigation du Rhin.) <AR 2007-03-27/32, art. 18, 003; En vigueur : 15-03-2007>
Art.41. § 1. Om een schip bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf personen, naast de bemanning te besturen moet de schipper of een ander lid van de bemanning in het bezit zijn van een door de Minister of zijn gemachtigde afgegeven getuigschrift, volgens het model bepaald in bijlage 6 van dit besluit.
  § 2. Het getuigschrift afgegeven door een bevoegde autoriteit van een andere Lidstaat van de Europese Unie in uitvoering van artikel 10 van de richtlijn wordt als gelijkwaardig erkend als het getuigschrift bedoeld in § 1.
  § 3. Indien het de schipper zelf is die in het bezit is van het getuigschrift bedoeld in § 1 geeft de Minister of zijn gemachtigde door middel van een aantekening op zijn vaarbewijs aan dat hij bevoegd is tot het besturen van een schip bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf personen, naast de bemanning.
Art.41. § 1er. Pour être admis à conduire un bateau destiné au transport de plus de douze personnes en dehors de l'équipage, le conducteur de bateau ou un autre membre de l'équipage doit être en possession d'une attestation délivrée par le Ministre ou son délégué sur le modèle prévu à l'annexe 6 du présent arrêté.
  § 2. L'attestation délivrée par une autorité compétente d'un autre Etat, membre de l'Union européenne en exécution de l'article 10 de la directive est reconnue équivalente à l'attestation visée au § 1er.
  § 3. Si c'est le conducteur de bateau qui est en possession de l'attestation visée au § 1er, le Ministre ou son délégué atteste qu'il possède l'aptitude à la conduite d'un bateau transportant plus de douze personnes en dehors de l'équipage par une mention apposée sur le certificat de conduite.
Art.42. De aanvraag tot het verkrijgen van het getuigschrift bedoeld in artikel 41 wordt bij (het Bestuur) ingediend door middel van het formulier waarvan het model door de Minister of zijn gemachtigde wordt bepaald. <KB 2007-03-27/32, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  Zij wordt gedagtekend en ondertekend door de aanvrager.
  Bij het indienen van zijn aanvraag moet de aanvrager :
  1° ten volle 17 jaar oud zijn;
  2° een fotocopie van zijn identiteitskaart of paspoort bijvoegen.
Art.42. La demande en vue de l'obtention de l'attestation visée à l'article 41 est introduite auprès de (l'Administration), au moyen du formulaire dont le modèle est fixé par le Ministre ou son délégué. <AR 2007-03-27/32, art. 19, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  Elle est datée et signée par le demandeur.
  Lors de l'introduction de sa demande, le demandeur doit :
  1° être âgé de 17 ans accomplis;
  2° joindre une photocopie de sa carte d'identité ou de son passeport.
Art. 42_VLAAMS_GEWEST.    De aanvraag tot het verkrijgen van het getuigschrift bedoeld in artikel 41 wordt bij [1 de bevoegde Vlaamse instantie]1 ingediend door middel van het formulier waarvan het model door de Minister of zijn gemachtigde wordt bepaald.
  Zij wordt gedagtekend en ondertekend door de aanvrager.
  Bij het indienen van zijn aanvraag moet de aanvrager :
  1° ten volle 17 jaar oud zijn;
  2° een fotocopie van zijn identiteitskaart of paspoort bijvoegen.
  
Art.42 _REGION_FLAMANDE.
   La demande en vue de l'obtention de l'attestation visée à l'article 41 est introduite auprès de [1 l'autorité flamande compétente]1, au moyen du formulaire dont le modèle est fixé par le Ministre ou son délégué.
  Elle est datée et signée par le demandeur.
  Lors de l'introduction de sa demande, le demandeur doit :
  1° être âgé de 17 ans accomplis;
  2° joindre une photocopie de sa carte d'identité ou de son passeport.
  
Art.43. Het getuigschrift bedoeld in artikel 41 wordt afgegeven aan de aanvrager die met goed gevolg een examen heeft afgelegd over hoofdstuk B van bijlage 4 bij dit besluit en die tenminste 18 jaar oud is.
  De kennis van punt 2 van hoofdstuk B van bijlage 4 van dit besluit moet blijken uit een attest van minder dan vijf jaar oud, afgegeven door een daartoe bevoegde instantie waaruit blijkt dat de aanvrager een opleiding genoten heeft inzake benadering van een noodsituatie, reanimatietechnieken, optreden bij een hartstilstand en optreden bij een uitwendige bloeding.
  (Het examen over hoofdstuk B van bijlage 4 wordt georganiseerd door de Centrale Examencommissie opgericht bij koninklijk besluit van 27 maart 2007 houdende de organisatie van de examens en de vaststelling van de retributies voor de bekwaamheidsbewijzen in Rijn- en binnenvaart.
  Het examen verloopt volgens de modaliteiten bepaald in hetzelfde koninklijk besluit van 27 maart 2007.) <KB 2007-03-27/32, art. 20, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Art.43. L'attestation visée à l'article 41 est délivrée au demandeur qui a réussi l'examen portant sur les matières visées au chapitre B de l'annexe 4 du présent arrêté et qui est âgé de 18 ans au moins.
  La connaissance requise sous le point 2 du chapitre B de l'annexe 4 du présent arrêté doit être établie par une attestation de moins de cinq ans délivrée par une institution agréée à cette fin et dont il ressort que le demandeur a suivi une formation concernant la gestion d'une situation de crise, les techniques de réanimation, l'intervention en cas d'arrêt cardiaque et l'intervention en cas d'hémorragie.
  (L'examen portant sur le chapitre B de l'annexe 4 est organisé par la Commission centrale d'examen instituée par l'arrêté royal du 27 mars 2007 portant organisation des examens et fixation des rétributions pour les attestations de qualification en navigation rhénane et intérieure.
  L'examen se déroule selon les modalités fixées dans le même arrêté royal du 27 mars 2007.) <AR 2007-03-27/32, art. 20, 003; En vigueur : 15-03-2007>
HOOFDSTUK IV. - Controle van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid.
CHAPITRE IV. - Contrôle de l'aptitude physique et mentale.
Art.45. De houder van een vaarbewijs die de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, dient zich binnen de drie daarop volgende maanden en verder ieder jaar aan het in artikel 9 bedoeld geneeskundig onderzoek te onderwerpen.
  (Hij richt zich hiertoe tot een door hem gekozen medisch centrum van het Bestuur van Medische Expertise.) <KB 2007-03-27/32, art. 22, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  Het geneeskundig onderzoek heeft plaats volgens de modaliteiten van afdeling 2, hoofdstuk II van dit besluit.
  De Minister of zijn gemachtigde tekent op het vaarbewijs aan dat de schipper aan de verplichting bedoeld in het eerste lid heeft voldaan.
Art.45. Le titulaire d'un certificat de conduite qui a atteint l'âge de 65 ans doit dans les trois mois qui suivent et ultérieurement tous les ans se soumettre à l'examen médical visé à l'article 9.
  (Il s'adresse à cette fin à un centre médical de l'Administration de l'Expertise médicale de son choix.) <AR 2007-03-27/32, art. 22, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  L'examen médical a lieu selon les modalités prévues au chapitre II, section 2 du présent arrêté.
  Le Ministre ou son délégué atteste par une mention portée sur le certificat de conduite que le conducteur de bateau a satisfait à cette obligation.
HOOFDSTUK V. - Retributies.
CHAPITRE V. - Des redevances.
HOOFDSTUK VI. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions abrogatoires, transitoires et finales.
Art.47. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 30 september 1992 betreffende het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het goederenvervoer, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 april 1993, 2 juni 1993, 27 oktober 1995 en 29 januari 1997;
  2° het koninklijk besluit van 29 april 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 september 1992 betreffende het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het goederenvervoer;
  3° het koninklijk besluit van 27 oktober 1995 betreffende het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het vervoer van passagiers gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 januari 1997.
Art.47. Sont abrogés :
  1° l'arrêté royal du 30 septembre 1992 relatif au brevet de conduite exigé pour la navigation sur les voies navigables du Royaume en ce qui concerne le transport de marchandises, modifié par les arrêtés royaux des 29 avril 1993, 2 juin 1993, 27 octobre 1995 et 29 janvier 1997;
  2° l'arrêté royal du 29 avril 1993 modifiant l'arrêté royal du 30 septembre 1992 relatif au brevet de conduite exigé pour la navigation sur les voies navigables du Royaume en ce qui concerne le transport de marchandises;
  3° l'arrêté royal du 27 octobre 1995 relatif au brevet de conduite exigé pour la navigation sur les voies navigables du Royaume en ce qui concerne le transport de passagers, modifié par l'arrêté royal du 29 janvier 1997.
Art.48. § 1. De stuurbrevetten A en B afgegeven vóór 8 april 1998 overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 september 1992 betreffende het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het goederenvervoer gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 april 1993, 2 juni 1993, 27 oktober 1995 en 29 januari 1997 en de stuurbrevetten C en D afgegeven vóór 8 april 1998 overeenkomstig het koninklijk besluit van 27 oktober 1995 betreffende het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het vervoer van passagiers gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 januari 1997 blijven zonder inwisselverplichting geldig.
  § 2. De in § 1 bedoelde stuurbrevetten afgegeven tussen 8 april 1998 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit dienen voor 1 oktober 1999 te worden ingewisseld.
  § 3. Wanneer een stuurbrevet dient te worden vervangen zal deze worden vervangen door een vaarbewijs volgens de hierna vermelde bepalingen :
  een stuurbrevet A wordt vervangen door een vaarbewijs A;
  een stuurbrevet B wordt vervangen door een vaarbewijs B;
  een stuurbrevet C wordt vervangen door een vaarbewijs A met een aantekening dat de houder bevoegd is tot het besturen van een schip bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers, naast de bemanning;
  een stuurbrevet D wordt vervangen door een vaarbewijs B met een aantekening dat de houder bevoegd is tot het besturen van een schip bestemd voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers, naast de bemanning.
  § 4. De getuigschriften afgegeven door een bevoegde autoriteit van een andere Lidstaat van de Europese Unie en die als gelijkwaardig zijn erkend aan de stuurbrevetten A, B, C of D overeenkomstig het ministerieel besluit van 6 januari 1993 tot erkenning van de getuigschriften gelijkwaardig aan het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het goederenvervoer en het ministerieel besluit van 18 mei 1998 tot erkenning van de getuigschriften gelijkwaardig aan het stuurbrevet vereist voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk met betrekking tot het vervoer van passagiers, blijven geldig voor zover hun geldigheidsduur niet verstreken is.
Art.48. § 1er. Les brevets de conduite A et B, délivrés avant le 8 avril 1998 conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 30 septembre 1992 relatif au brevet de conduite exigé pour la navigation sur les voies navigables du Royaume en ce qui concerne le transport de marchandises, modifié par les arrêtés royaux des 29 avril 1993, 2 juin 1993, 27 octobre 1995 et 29 janvier 1997 et les brevets de conduite C et D, délivrés avant le 8 avril 1998 conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 27 octobre 1995 relatif au brevet de conduite exigé pour la navigation sur les voies navigables du Royaume en ce qui concerne le transport de passagers, modifié par l'arrêté royal du 29 janvier 1997, restent valables sans obligation d'échange.
  § 2. Les brevets de conduite visés au § 1er, délivrés entre le 8 avril 1998 et la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, doivent être échangés avant le 1er octobre 1999.
  § 3. Si un brevet de conduite doit être remplacé, il sera remplacé par un certificat de conduite suivant les principes définis ci-après :
  un brevet de conduite A est remplacé par un certificat de conduite A;
  un brevet de conduite B est remplacé par un certificat de conduite B;
  un brevet de conduite C est remplacé par un certificat de conduite A avec mention que le titulaire possède l'aptitude à la conduite d'un bateau transportant plus de douze personnes en dehors de l'équipage;
  un brevet de conduite D est remplacé par un certificat de conduite B avec mention que le titulaire possède l'aptitude à la conduite d'un bateau transportant plus de douze personnes en dehors de l'équipage.
  § 4. Les certificats délivrés par une autorité compétente d'un autre Etat, membre de l'Union européenne et qui sont reconnus équivalents aux brevets de conduite A, B, C ou D conformément à l'arrêté ministériel du 6 janvier 1993 relatif à la reconnaissance des certificats équivalents au brevet de conduite exigé pour la navigation sur les voies navigables du Royaume en ce qui concerne le transport de marchandises et à l'arrêté ministériel du 18 mai 1998 relatif à la reconnaissance des certificats équivalents au brevet de conduite exigé pour la navigation sur les voies navigables du Royaume en ce qui concerne le transport de passagers, restent valables pour autant que leur durée de validité n'est pas expirée.
Art.49. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, zijn de ambtenaren en de beambten vermeld in artikel 101 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende Algemeen Reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk, evenals de ambtenaren van het Bestuur die met een mandaat van gerechtelijke politie bekleed zijn, belast met het opsporen en het vaststellen van de overtredingen van dit besluit.
Art.49. Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires et agents mentionnés à l'article 101 de l'arrêté royal du 15 octobre 1935 portant règlement général des voies navigables du Royaume, ainsi que les fonctionnaires de l'administration investis d'un mandat de police judiciaire, recherchent et constatent les infractions au présent arrêté.
Art. 49_VLAAMS_GEWEST.    Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, zijn de [1 personeelsleden]1 vermeld in artikel 101 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende Algemeen Reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk, evenals de [1 de personeelsleden van de bevoegde Vlaamse instantie]1 die met een mandaat van gerechtelijke politie bekleed zijn, belast met het opsporen en het vaststellen van de overtredingen van dit besluit.
  
Art.49 _REGION_FLAMANDE.   Sans préjudice des pouvoirs des officiers de police judiciaire, les [1 membres du personnel]1 mentionnés à l'article 101 de l'arrêté royal du 15 octobre 1935 portant règlement général des voies navigables du Royaume, ainsi que les [1 les membres du personnel de l'autorité flamande compétente]1 investis d'un mandat de police judiciaire, recherchent et constatent les infractions au présent arrêté.
  
Art.50. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1999.
Art.50. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 1999.
Art.51. Onze Minister van Vervoer is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.51. Notre Ministre des Transports est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. Lijst van de maritieme waterwegen, waar enkel het vaarbewijs A geldig is.
  Koninkrijk België.
  Beneden-Zeeschelde en haar aanhorigheden, zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende politiereglement van de Beneden-Zeeschelde, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 februari 1996.
  Bondsrepubliek Duitsland.
  Ems : van de verbindingslijn tussen de vuurtorens van Delfzijl en Knock, zeeinwaarts tot 53° 30' noorderbreedte en 6° 45' oosterlengte, dat wil zeggen iets buiten de overslagplaats voor droge-ladingschepen in de Alte Ems, met inachtneming van het Samenwerkingsverdrag Ems-Dollard en van de verbindingslijn van de haveningang naar Papenburg over de Ems, tussen het Diemer Schöpfwerk en de dijksluis bij Halte tot aan de verbindingslijn tussen de vuurtorens van Delfzijl en Knock, met inachtneming van het Samenwerkingsverdrag Ems-Dollard.
  Jade : binnenwaarts van de verbindingslijn tussen de vuurtoren Schillighörn en de kerktoren van Langwarden.
  Weser : van de spoorwegbrug in Bremen tot aan de verbindingslijn tussen de kerktorens van Langwarden en van Cappel met de zijarm Schweiburg, met inbegrip van de zijarmen Kleine Weser, Rekumer-Loch en de rechter zijarm.
  Elbe : van de onderste grens van de haven van Hamburg tot de verbindingslijn tussen de Kugelbake bij Döse en de noordwestelijke punt van het Hohes Ufer (Dieksand) met de zijrivieren Este, Lühe, Schwinge, Oste, Pinnau, Krückau en Stör (telkens van de vloedkering tot aan de monding) en met inbegrip van de Zij-Elbe.
  Meldorfer Bucht : binnenwaarts van de verbindingslijn van de noordwestelijke punt van het Hohes Ufer (Dieksand) tot het westelijke havenhoofd Büsum.
  Flensburger Förde : binnenwaarts van de verbindingslijn tussen de vuurtoren Kekenis en Birknack.
  Eckernförder Bucht : binnenwaarts van de verbindingslijn van Bocknis-Eck tot de noordoostelijke punt van het vasteland bij Dnisch Nienhof.
  Kieler Förde : binnenwaarts van de verbindingslijn tussen de vuurtoren van Bulk en het marinegedenkteken Laboe.
  Leda : van de ingang tot de voorhaven van de zeesluis van Leer tot aan de monding.
  Hunte : van de haven Oldenburg en van 200 m beneden de Amalienbrug in Oldenburg tot aan de monding.
  Lesum : van de spoorwegbrug in Bremen-Burg tot aan de monding.
  Este : van de afsluiting bij Buxtehude tot aan de vloedkering Este.
  Lühe : van de molen 250 m boven het viaduct op de Marschdamm in Horneburg tot aan de vloedkering Lühe.
  Schwinge : van de voetgangersbrug beneden het Güldensternbastion in Stade tot aan de vloedkering Schwinge.
  Freiburger-Hafenpriel : van de sluizen bij Freiburg/Elbe tot aan de monding.
  Oste : van Mühlenwehr Bremervörde tot aan de vloedkering Oste.
  Pinnau : van de spoorwegbrug in Pinneberg tot aan de vloedkering Pinnau.
  Krückau : van de watermolen in Elmshorn tot aan de vloedkering Krückau.
  Stör : van Pegel Rensing tot aan de vloedkering Stör.
  Eider : van het Gieselaukanaal tot aan de vloedkering Eider.
  Nord-Ostsee-Kanal : van de verbindingslijn tussen de havenhoofden in Brunsbüttel tot aan de toegangsbakens in Kiel-Holtenau met Schirnauer See, Bergstedter See, Audorfer See, Obereidersee met Enge, Achterwehrer Schiffahrtskanal en Flemhuder See.
  Trave : van de spoorwegbrug en de Holstenbrug (Stadttrave) in Lübeck tot aan de verbindingslijn van de beide uiterste havenhoofden bij Travemünde met de Pötenitzer Wiek en de Dassower See.
  Schlei : binnenwaarts van de verbindingslijn van de havenhoofden Schleimünde.
  Koninkrijk der Nederlanden.
  Dollard, Eems, Waddenzee, IJsselmeer, Oosterschelde en Westerschelde.
Art. N1. Annexe 1. Liste des voies d'eau à caractère maritime où seul le certificat de conduite A est valable.
  Royaume de Belgique.
  L'Escaut maritime inférieur et ses dépendances, tels qu'ils sont définis par l'arrêté royal du 23 septembre 1992 portant règlement de police de l'Escaut maritime inférieur, modifié par l'arrêté royal du 9 février 1996.
  République fédérale d'Allemagne.
  Ems : de la ligne qui relie les phares de Delfzijl et de Knock en direction du large jusqu'à 53° 30' de latitude nord et 6° 45' de longitude est, c'est-à-dire quelque peu au large de la zone de transbordement pour les vraquiers dans l'ancienne Ems (Alte Ems), compte tenu du traité de coopération Ems-Dollard et de la ligne allant de l'entrée du port vers Papenburg en franchissant l'Ems, qui relie l'usine de pompage de Diemen (Diemer Schöpfwerk) et l'ouverture de la digue à Halte jusqu'à la ligne qui relie les phares de Delfzijl et de Knock, compte tenu du traité de coopération Ems-Dollard.
  Jade : à l'intérieur de la ligne qui relie le feu supérieur (Oberfeuer) de Schillighörn et le clocher de Langwarden.
  Weser : du pont de chemin de fer de Brême jusqu'à la ligne qui relie les clochers de Langwarden et de Cappel au bras secondaire Schweiburg, y compris les bras secondaires Kleine Weser, Rekumer-Loch et Rechter Nebenarm.
  Elbe : de la limite inférieure du port de Hambourg jusqu'à la ligne qui relie la balise sphérique de Döse et la pointe nord-ouest du Hohe Ufer (Dieksand) avec les affluents Este, Lühe, Schwinge, Oste, Pinnau, Krückau et Stör (à chaque fois de la digue de barrage à l'embouchure) y compris la Nebenelbe.
  Meldorfer Bucht : à l'intérieur de la ligne qui relie la pointe nord-ouest du Hohe Ufer (Dieksand) et le musoir du môle ouest de Büsum.
  Flensburger Förde : à l'intérieur de la ligne qui relie le phare de Kekenis et Birknack.
  Eckernförder Bucht : à l'intérieur de la ligne qui relie Bocknis-Eck à la pointe nord-est du continent à DÝnisch Nienhof.
  Kieler Förde : à l'intérieur de la ligne qui relie le phare de Bülk et le monument aux morts de la marine de Laboe.
  Leda : de l'entrée de l'avant-port de l'écluse maritime de Leer jusqu'à l'embouchure.
  Hunte : du port de Oldenburg et de 200 mètres en aval du pont Amélie (Amalienbrücke) à Oldenburg jusqu'à l'embouchure.
  Lesum : du pont de chemin de fer de Bremen-Burg jusqu'à l'embouchure.
  Este : de la Sperrtor (porte de barrage) de Buxtehude jusqu'à la digue de barrage de Este.
  Lühe : du moulin situé à 250 mètres en amont du pont routier de Marschdamm à Horneburg jusqu'à la digue de barrage de Lühe.
  Schwinge : du pont pour piétons en aval du bastion de Güldenstern à Stade jusqu'à la digue de barrage de Schwinge.
  Freiburger-Hafenpriel : des écluses de Freiburg/Elbe jusqu'à l'embouchure.
  Oste : de la retenue du moulin de Bremervörde jusqu'à la digue de barrage de Oste.
  Pinnau : du pont de chemin de fer de Pinneberg jusqu'à la digue de barrage de Pinnau.
  Krückau : du moulin à eau de Elmshorn jusqu'à la digue de barrage de Krückau.
  Stör : de Pegel Rensing jusqu'à la digue de barrage de Stör.
  Eider : du canal de Gieselau jusqu'à la digue de barrage de Eider.
  Nord-Ostsee-Kanal (canal de Kiel) : de la ligne qui relie les musoirs de môle de Brunsbüttel jusqu'à la ligne qui relie les feux d'entrée de Kiel-Holtenau et les lacs Schirnauer See, Bergstedter See, Audorfer See, Obereider See avec Enge, le canal navigable de Achterwehrer et le lac Flemhuder See.
  Trave : du pont de chemin de fer et du pont Holsten (Stadttrave) à Lübeck jusqu'à la ligne qui relie les deux musoirs de môle extérieurs de Travemünde et le Pötenitzer Wiek et le lac Dassower See.
  Schlei : à l'intérieur de la ligne qui relie les musoirs de môle de Schleimünde.
  Royaume des Pays-Bas.
  Dollard, Eems, Waddenzee, IJsselmeer, Escaut oriental et Escaut occidental.
Art. N2. Bijlage 2. Model Vaarbewijs.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 30-12-1998, p. 41728).
  Gewijzigd door :
  <KB 2007-03-27/32, art. 24, Inwerkingtreding : 15-03-2007; B.St. 30-03-2007, p. 18399>
Art. N2. Annexe 2. Modèle de certificat de conduite de bateau.
  (Modèle non repris pour des raisons techniques. Voir M.B. 30-12-1998, p. 41729).
  Modifié par :
  <AR 2007-03-27/32, art. 24, En vigueur : 15-03-2007; M.B. 30-03-2007, p. 18395>
Art. N3. Bijlage 3.
Art. N3. Annexe 3.
Art. 1N3. (Bijlage 3A). Minimumnormen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de kandidaten voor een vaarbewijs. <KB 2007-03-27/32, art. 25, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  I. Gezichtsvermogen.
  1. De gezichtsscherpte :
  De gezichtsscherpte bij daglicht van het beste oog bedraagt met of zonder corrigerende glazen of contactlenzen ten minste 0,8. Met één oog zien is toegestaan.
  2. Nachtblindheid :
  Contrast 1 : 2, alleen in twijfelgevallen te onderzoeken.
  3. Gewenning aan de duisternis :
  Alleen in twijfelgevallen te onderzoeken. Het resultaat mag niet meer dan een logeenheid van de normaal kromme afwijken.
  4. Gezichtsveld :
  In geval van twijfel dient perimetrisch onderzoek verricht te worden.
  5. Kleuronderscheidingsvermogen :
  Het kleuronderscheidingsvermogen wordt als voldoende beschouwd indien de kandidaat voldoet aan de test van Farnworth Panel D15 test, de test van Ishihara, volgens de platen 12 tot en met (14), of een andere als gelijkwaardig erkende test. In geval van twijfel onderzoeken met de anomaloscoop, waarbij met genoemde testmethode een gelijkwaardige uitkomst bereikt moet worden. <KB 2007-03-27/32, art. 25, 003; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
  6. Motiliteit :
  Onbelemmerde beweeglijkheid van beide ogen, geen dubbelzien.
  7. Optische hulpmiddelen :
  Ook bij gebruik van optische hulpmiddelen (kontaktlenzen, bril) moet aan de eisen voor de gezichtsscherpte en het gezichtsveld voldaan zijn.
  II. Gehoor.
  Het gehoor wordt als voldoende beschouwd, wanneer de kandidaat aan elk van beide zijden een gefluisterd woord met of zonder gehoorapparaat kan horen :
  - op een afstand van 3 m, wanneer hij 25 jaar of jonger is;
  - op een afstand van 2 m, wanneer hij ouder dan 25 is.
  Bij het vermoeden van een toenemend gehoorverlies, alsmede in geval van twijfel moet een toon- of een spraakaudiogram gemaakt worden. Het gehoorverlies van het beste oor mag gemiddeld niet meer dan 40 decibel bedragen voor de frequenties 500, 1000 en 2000 hertz.
  III. Algemene toestand.
  In staat zijn om alleen een last van 20 kg te tillen.
  Er mogen geen andere bevindingen uit medische keuring aanwezig zijn die de lichamelijke en geestelijke geschiktheid uitsluiten.
  Indien de navolgende ziekten of lichamelijke gebreken bij de aanvrager voorkomen kan dit aanleiding geven tot twijfel aan zijn lichamelijke en geestelijke geschiktheid :
  1. aandoeningen die gepaard gaan met bewustzijns- of evenwichtsstoornissen;
  2. aandoeningen of laesies van het centrale of perifere zenuwstelsel, gepaard gaande met duidelijke functionele stoornissen; in het bijzonder organische aandoeningen van de hersenen of het ruggemerg en de daarbij optredende restverschijnselen, functionele stoornissen na schedel- of hersenletsel, cerebrale doorbloedingsstoornissen;
  3. geestesziekten;
  4. suikerziekte met niet goed instelbare, aanzienlijke schommelingen van de bloedglucose-waarden;
  5. manifeste endocriene stoornissen;
  6. ernstige aandoeningen van de bloedvormende orgaansystemen;
  7. asthmatische bronchitis met aanvallen;
  8. aandoeningen of veranderingen in het hart of de bloedsomloop met beperking van de belastbaarheid in absolute, respectievelijk relatieve zin;
  9. aandoeningen of gevolgen na een ongeval, die leiden tot een aanzienlijke bewegingsbeperking, verlies of sterke vermindering van de kracht in een der ledematen die voor de uit te oefenen arbeid van belang zijn;
  10. chronisch alcoholisme, alsmede verslaving aan verdovende middelen, of andere vormen van verslaving.
Art. 1N3. (Annexe 3A). Exigences minimales relatives à l'aptitude physique et mentale des candidats à un certificat de conduite. <AR 2007-03-27/32, art. 25, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  I. Vue.
  1. Acuité visuelle :
  Acuité du meilleur oeil avec ou sans correction supérieure ou égale à 0,8. La monophtalmie est admise;
  2. acuité visuelle nocturne :
  Contraste 1 : 2, à vérifier en cas de doute uniquement;
  3. adaptation au noir :
  A vérifier en cas de doute uniquement. Le résultat ne doit pas diverger de plus d'une unité logarithmique de la courbe normale;
  4. champ visuel :
  En cas de doute, examen périmétrique;
  5. Sens chromatique :
  Le sens chromatique est considéré comme suffisant si le candidat satisfait au test Farnworth Panel D15, au test d'Ishihara pour les tableaux 12 à (14) ou à un autre test équivalent. En cas de doute, vérification à l'anomaloscope, les résultats devant être équivalents à ceux des tests susmentionnés; <AR 2007-03-27/32, art. 25, 003; En vigueur : 15-03-2007>
  6. Motilité :
  Motilité des yeux, pas de doubles images;
  7. Corrections :
  Les exigences relatives à l'acuité visuelle et au champ visuel doivent également être remplies en cas d'utilisation de moyens de correction (lentilles, lunettes).
  II. Ouïe.
  L'ouïe est considérée comme suffisante si la parole chuchotée peut être comprise distinctement des deux côtés par le candidat avec ou sans appareil auditif :
  - jusqu'à 25 ans accomplis, à une distance de 3 m;
  - au-delà de 25 ans accomplis, à une distance de 2 m.
  Si une surdité progressive est à craindre et en cas de doute, il y a lieu d'effectuer un audiogramme tonal ou vocal. La valeur moyenne de la perte auditive de la meilleure oreille ne doit pas dépasser 40 décibels sur les fréquences de 500, 1000 et 2000 hertz.
  III. Etat général.
  Etre capable de soulever seul une charge de 20 kg.
  Il ne faut pas qu'il y ait d'autres résultats d'examen médical qui s'opposent à l'aptitude physique et mentale.
  La présence des maladies ou des défaillances physiques suivantes peuvent donner lieu à des doutes quant à l'aptitude physique et mentale du candidat :
  1. des maladies accompagnées de troubles de la conscience ou de l'équilibre;
  2. des maladies ou des atteintes du système nerveux central ou périphérique entraînant des troubles fonctionnels importants, notamment des maladies du cerveau ou de la moelle épinière et leurs conséquences, des troubles fonctionnels consécutifs à des lésions cranio-cérébrales, des troubles vasculaires cérébraux;
  3. des maladies mentales;
  4. le diabète sucré présentant de fortes variations non contrôlables du taux de glycémie;
  5. un dysfonctionnement important des glandes endocrines;
  6. de graves anomalies du système hématopoïétique;
  7. de l'asthme bronchique avec des crises;
  8. des affections cardio-vasculaires entraînant une réduction significative de la capacité fonctionnelle cardiaque;
  9. des maladies ou séquelles d'accident entrainant une diminution considérable de la mobilité, une perte ou une réduction de la force d'un membre nécessaire à l'exécution de la tâche;
  10. l'éthylisme chronique et toute forme de toxicomanie ou de pharmaco-dépendance.
Art. 2N3. Bijlage 3B. Model Medische Verklaring.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-03-2007, p. 18400-18401).
Art. 2N3. Annexe 3B. Modèle de Certificat médical.
  (Modèle non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 30-03-2007, p. 18396-18397).
Art. N4. Bijlage 4. Vereiste vakkennis voor het verkrijgen van de vaarbewijzen.
Art. N4. Annexe 4. Connaissances professionnelles requises pour l'obtention des certificats de conduite.
Art. 1N4. HOOFDSTUK A. - Algemene vakkennis voor het verkrijgen van de vaarbewijzen A en B.
  Deel 1. - Gemeenschappelijke materie voor het behalen van de vaarbewijzen A en B.
  1. Navigatie.
  a) Nauwkeurige kennis van de verkeersregels op de binnenwateren met name van het "Algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk" en van het Europees Reglement voor binnenlandse waterwegen (CEVNI) inclusief de markering en betonning van waterwegen, evenals wat ten aanzien van het varen op radar wordt bepaald.
  b) Kennis van de algemene kenmerken van de voornaamste binnenlandse waterwegen uit geografisch, hydrologisch, meteorologisch en morfologisch oogpunt.
  c) Routebepaling, nautische drukwerken en publikaties, betonningssystemen.
  2. Hanteren en besturen van het schip.
  a) Besturen van het schip, met inachtneming van het effect van wind, stroming, turbulentie en diepgang met het oog op voldoende drijfvermogen en stabiliteit.
  b) Rol en werking van roer en schroef.
  c) Ankeren en aanleggen in alle omstandigheden.
  d) Manoeuvers in een sluis of haven en manoeuvers bij tegengestelde en oplopende koersen.
  3. Constructie en stabiliteit van het schip.
  a) Kennis van de grondbeginselen van de scheepsbouw, vooral in verband met de veiligheid van passagiers, bemanning en schip.
  b) Elementaire kennis van Richtlijn nr. 82/714/EEG van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, omgezet bij koninklijk besluit van 1 juni 1993 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen.
  c) Elementaire kennis van de hoofdzaken van de scheepsconstructie.
  d) Theoretische kennis van de regels betreffende stabiliteit en drijfvermogen en de praktische toepassing daarvan met name de bevaarbaarheid.
  4. Machines van het schip.
  a) Elementaire kennis van de constructie en de werking van de scheepsmotoren om ervoor te zorgen dat deze goed functioneren.
  b) Bediening en controle van het functioneren van hoofd- en hulpmotoren en te volgen procedures in geval van nood.
  5. Laden en lossen.
  a) Gebruik van diepgangschalen.
  b) Bepaling van het gewicht van een lading met behulp van de meetbrief.
  c) Laden en lossen van het schip, stuwing van de lading (stuwplan).
  6. Gedrag in bijzondere omstandigheden.
  a) Basisprincipes van het voorkomen van ongevallen.
  b) Te nemen maatregelen bij averij, aanvaring of stranding, met inbegrip van het dichten van gaten in de scheepsromp.
  c) Gebruik van gereedschap en reddingsmateriaal.
  d) Eerste hulp bij ongevallen.
  e) Brandpreventie en gebruik van brandbestrijdingsinrichtingen en -apparaten.
  f) Voorkomen van vervuiling van de waterwegen.
  Deel 2. - Bijkomende materie voor het behalen van het vaarbewijs A.
  1. Navigatie.
  a) Nauwkeurige kennis van de verkeersregels op de maritieme waterwegen met name van het "Scheepvaartreglement voor de Beneden-Zeeschelde", van het "Politiereglement van de Beneden-Zeeschelde" en van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee.
  b) Elementaire kennis van het "Politie- en scheepvaartreglement van de Belgische territoriale zee, kusthavens en -stranden".
  c) Kennis van de algemene kenmerken van de voornaamste maritieme waterwegen uit geografisch, hydrologisch, meteorologisch en morfologisch oogpunt.
  d) Peilingen en posities van het schip, het gebruik van zeekaarten, navigatiehulpmiddelen, procedures voor het controleren van het kompas en basiskennis inzake getijdenwerking.
  2. Constructie en stabiliteit van het schip.
  Aanvullende uitrusting op de maritieme waterwegen.
  3. Gedrag in bijzondere omstandigheden.
  Bijzondere omstandigheden bij het redden van personen, van het schip en van de lading op maritieme waterwegen, overleven op zee.
Art. 1N4. CHAPITRE A. - Connaissances professionnelles générales pour l'obtention des certificats de conduite A et B.
  Partie 1. - Matières communes pour l'obtention des certificats de conduite A et B.
  1. Navigation.
  a) Connaissance exacte des règles de route sur les voies d'eau intérieures notamment du " Règlement général des voies navigables du Royaume " et du Code européen des voies de navigation intérieure (CEVNI) y inclus la signalisation et le balisage des voies navigables ainsi que les règles concernant la navigation au radar.
  b) Connaissance des caractéristiques générales des principales voies d'eau intérieures du point de vue géographique, hydrologique, météorologique et morphologique.
  c) Détermination de la route, imprimés et publications nautiques, systèmes de balisage.
  2. Manoeuvre et conduite du bateau.
  a) Gouverne du bateau, compte tenu de l'influence du vent, du courant, du remous et du tirant d'eau en vue d'une flottabilité et d'une stabilité suffisantes.
  b) Rôle et fonctionnement du gouvernail et de l'hélice.
  c) Manoeuvre d'ancrage et d'amarrage dans toutes les conditions.
  d) Manoeuvres dans l'écluse et dans les ports, manoeuvres en cas de rencontre et de dépassement.
  3. Construction et stabilité du bateau.
  a) Connaissance des principes fondamentaux de la construction des bateaux en relation surtout avec la sécurité des passagers, de l'équipage et du bateau.
  b) Connaissance élémentaire de la directive n° 82/714/CEE du Conseil du 4 octobre 1982 établissant les prescriptions techniques des bateaux de la navigation intérieure, transposée par l'arrêté royal du 1er juin 1993 établissant les prescriptions techniques des bateaux de la navigation intérieure.
  c) Connaissance élémentaire des principaux éléments de la structure des bateaux.
  d) Connaissance théorique des règles de stabilité et concernant la flottabilité ainsi que leur application pratique, notamment la navigabilité.
  4. Machines du bateau.
  a) Connaissance élémentaire de la construction et du fonctionnement des machines afin d'assurer leur bonne marche.
  b) Commande et contrôle du fonctionnement des machines principales et auxiliaires, conduite à tenir en cas de panne.
  5. Chargement et déchargement.
  a) Utilisation des échelles de tirant d'eau.
  b) Détermination de la capacité de chargement à l'aide du certificat de jaugeage.
  c) Opérations de chargement et de déchargement, arrimage de la cargaison (plan d'arrimage).
  6. Conduite en cas de circonstances particulières.
  a) Principes fondamentaux de la prévention des accidents.
  b) Mesures à prendre en cas d'avarie, d'abordage et d'échouage, y compris le colmatage des breches.
  c) Utilisation d'outils et de matériel de sauvetage.
  d) Premiers secours en cas d'accident.
  e) Prévention des incendies et utilisation des installations et des dispositifs de lutte contre l'incendie.
  f) Prévention de la pollution des voies d'eau.
  Partie 2. - Matières supplémentaires pour l'obtention du certificat de conduite A.
  1. Navigation.
  a) Connaissance exacte des règles de route sur les voies d'eau à caractère maritime, notamment du " Règlement pour la navigation sur l'Escaut maritime inférieur ", du " Règlement de police de l'Escaut maritime inférieur " et du Règlement international pour prévenir les abordages en mer.
  b) Connaissance élémentaire du " Règlement de police et de navigation pour la mer territoriale belge, ports et plages du littoral belge ".
  c) Connaissance des caractéristiques générales des principales voies d'eau à caractère maritime du point de vue géographique, hydrologique, météorologique et morphologique.
  d) Droites de position du bateau et positions du bateau, utilisation de cartes marines, aides à la navigation, procédures de contrôle du compas et bases des conditions des marées.
  2. Construction et stabilité du bateau.
  Equipement supplémentaire sur les voies d'eau à caractere maritime.
  3. Conduite en cas de circonstances particulières.
  Conditions particulières du sauvetage de personnes, du bateau et de la cargaison sur les voies d'eau à caractère maritime, survie en mer.
Art. 2N4. HOOFDSTUK B. - Verplichte aanvullende vakkennis voor het personenvervoer.
  1. Summiere kennis van de technische voorschriften met betrekking tot de stabiliteit van passagiersschepen in geval van averij, waterdichte schotten, niveau van de grootste diepgang.
  2. EHBO.
  3. Brandpreventie en brandbestrijdingsinrichtingen.
  4. Omgaan met reddingsmiddelen en -materieel.
  5. Maatregelen voor de bescherming van passagiers in het algemeen en met name in geval van evacuatie, averij, aanvaring, standing, brand, explosie of andere panieksituaties.
  6. Kennis van de veiligheidsvoorschriften (nooduitgangen, valreep, gebruik van het noodroer).
Art. 2N4. CHAPITRE B. - Connaissances professionnelles obligatoires pour le transport de personnes.
  1. Connaissances sommaires des prescriptions techniques concernant : la stabilité des bateaux à passagers en cas d'avarie, le compartimentage étanche, le plan du plus grand enfoncement.
  2. Premiers secours en cas d'accidents.
  3. Préventions des incendies et dispositifs de lutte contre l'incendie.
  4. Utilisation des moyens et du matériel de sauvetage.
  5. Mesures à prendre pour la protection des passagers en général, et notamment en cas d'évacuation, d'avarie, d'abordage, d'échouage, d'incendie, d'explosion et autres situations de panique.
  6. Connaissance des consignes de sécurité (issues de secours, passerelle, utilisation du gouvernail de secours).
Art. N5. Bijlage 5. Dienstboekje.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 30-12-1998, p. 41733 - 41745).
Art. N5. Annexe 5. Livret de service.
  (Modèle non repris pour des raisons techniques. Voir M.B. 30-12-1998, p. 41733 - 41745).
Art. N6. Bijlage 6. Model bijkomend getuigschrift voor het personenvervoer.
  (Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 30-12-1998, p. 41746).
  Gewijzigd door :
  <KB 2007-03-27/32, art. 26, Inwerkingtreding : 15-03-2007; B.St. 30-03-2007, p. 18402>
Art. N6. Annexe 6. Modèle de l'attestation complémentaire pour le transport de personnes.
  (Modèle non repris pour des raisons techniques. Voir M.B. 30-12-1998, p. 41746).
  Modifié par :
  <AR 2007-03-27/32, art. 26, En vigueur : 15-03-2007; M.B. 30-03-2007, p. 18398>