Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
5 JULI 1998. - Wet betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-07-1998 en tekstbijwerking tot 19-06-2019)
Titre
5 JUILLET 1998. - Loi relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-07-1998 et mise à jour au 19-06-2019)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling.
HOOFDSTUK II. - Procedure van collectieve schul...
HOOFDSTUK III. - Andere wijzigingen van het Ger...
HOOFDSTUK IV. - Diverse wijzigingsbepalingen.
HOOFDSTUK V. - (Centrale voor kredieten aan par...
HOOFDSTUK VI. - [1 FOD Economie]1
HOOFDSTUK VII. - Inwerkingtreding.
Inhoud
CHAPITRE I. - Disposition introductive.
CHAPITRE II. - De la procédure de règlement col...
CHAPITRE III. - Autres modifications du Code ju...
CHAPITRE IV. - Diverses dispositions modificati...
CHAPITRE V. - (Centrale des crédits aux particu...
CHAPITRE VI. - [1 SPF Economie]1
CHAPITRE VII. - Entrée en vigueur.
Tekst (31)
Texte (31)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling.
CHAPITRE I. - Disposition introductive.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Procedure van collectieve schuldenregeling en schuldbemiddelaar.
CHAPITRE II. - De la procédure de règlement collectif de dettes et du médiateur de dettes.
Art. 2. § 1. Het opschrift van het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen door het volgende opschrift :
"Bewarend beslag, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling."
§ 2. In het vijfde deel van hetzelfde Wetboek wordt een titel IV ingevoegd met als opschrift "Collectieve schuldenregeling", die de artikelen 1675/2 tot 1675/19 bevat, luidend als volgt :
"HOOFDSTUK I. - Procedure van collectieve schuldenregeling.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 1675/2. Elke natuurlijke persoon met woonplaats in België, die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel kan, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.
Indien de in het eerste lid bedoelde persoon vroeger koopman is geweest, kan hij dat verzoek slechts indienen ten minste zes maanden na het stopzetten van zijn handel of, zo hij failliet werd verklaard, na de sluiting van het faillissement.
De persoon waarvan de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling werd herroepen bij toepassing van artikel 1675/15, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot 5°, kan gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis van herroeping geen verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.
Art. 1675/3. Bij wege van een collectieve schuldenregeling stelt de schuldenaar, onder toezicht van de rechter, aan zijn schuldeisers voor een minnelijke aanzuiveringsregeling te treffen.
Indien over deze minnelijke aanzuiveringsregeling geen akkoord wordt bereikt, kan de rechter een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen.
De aanzuiveringsregeling strekt ertoe de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen, met name hem in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden.
Afdeling 2. - Inleiding van de procedure.
Art. 1675/4. § 1. De vordering tot collectieve schuldenregeling wordt ingeleid bij verzoekschrift en behandeld overeenkomstig de artikelen 1027 tot 1034.
§ 2. Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen :
1° de dag, de maand, en het jaar;
2° de naam, de voornamen, de geboortedatum, het beroep en de woonplaats van de verzoeker en in voorkomend geval de naam, de voornamen, de woonplaats en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers;
3° het onderwerp en in het kort de gronden van de vordering;
4° de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen;
5° de identiteit van de eventueel voorgestelde schuldbemiddelaar;
6° naam, voornamen, beroep, woonplaats en geboortedatum van de echtgenoot van de verzoeker of de met de verzoeker samenwonende(n), desgevallend hun huwelijksvermogensstelsel evenals de samenstelling van het gezin;
7° een gedetailleerde staat en raming van de baten en de lasten van het vermogen van de verzoeker, van het gemeenschappelijk vermogen indien hij gehuwd is onder een stelsel van gemeenschap van goederen en van het vermogen van de echtgenoot of de met de verzoeker samenwonende(n);
8° een gedetailleerde staat en raming van de, binnen de zes maanden voorafgaand aan de inleiding van het verzoekschrift, vervreemde goederen die deel uitmaakten van de vermogens bedoeld in 7°;
9° de naam, de voornamen en de woonplaats of, wanneer het een rechtspersoon betreft, de benaming en de zetel van de schuldeisers van de verzoeker en in voorkomend geval van de schuldenaars van de verzoeker en van de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld :
10° in voorkomend geval de geheel of gedeeltelijk betwiste schulden en de gronden van betwisting;
11° de procedures tot het verkrijgen van uitstel van betaling, bedoeld in artikel 1334, en die tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten, bedoeld in artikel 1337bis en in artikel 59, § 1, tweede lid, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, waarin de verzoeker betrokken is :
12° de redenen van de onmogelijkheid om zijn schulden terug te betalen;
13° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
§ 3. Als de vermeldingen onvolledig zijn, vraagt de rechter binnen acht dagen de verzoeker om zijn verzoekschrift aan te vullen.
Art. 1675/5. De procedures bedoeld in artikel 1675/4, § 2, 11°, zijn geschorst, zolang geen uitspraak is gedaan over de toelaatbaarheid van de vordering tot het bekomen van een collectieve schuldenregeling.
De beschikking van toelaatbaarheid houdt van rechtswege de schrapping in van de ingediende vorderingen op grond van de procedures bedoeld in het eerste lid.
Art. 1675/6. § 1. Onverminderd artikel 1028, tweede lid, doet de rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van de vordering binnen acht dagen na indiening van het verzoekschrift. Als de rechter aan de verzoeker vraagt zijn verzoekschrift aan te vullen overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, volgt de beschikking over de toelaatbaarheid uiterlijk acht dagen na neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift ter griffie.
§ 2 Als de rechter het verzoek toelaatbaar acht, stelt hij in zijn beschikking, met diens akkoord, een schuldbemiddelaar aan en, in voorkomend geval, een gerechtsdeurwaarder en/of een notaris.
§ 3. In zijn beschikking doet de rechter ambtshalve uitspraak over de eventuele toekenning van volledige of gedeeltelijke rechtsbijstand.
§ 4. De griffie betekent de beschikking aan de griffies van de rechtbanken waarbij de in artikel 1675/5 bedoelde procedures aanhangig zijn gemaakt.
Art. 1675/7. § 1. Onverminderd de toepassing van § 3, doet de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de loop van de interesten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg.
Tot de boedel behoren alle goederen van de verzoeker op het ogenblik van de beschikking, alsmede de goederen die hij tijdens de uitvoering van de collectieve aanzuiveringsregeling verkrijgt.
§ 2. Alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot betaling van een geldsom worden geschorst. De reeds gelegde beslagen behouden echter hun bewarende werking.
Indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel.
§ 3. De beschikking van toelaatbaarheid houdt voor de verzoeker het verbod in om, behoudens toestemming van de rechter :
- enige daad te stellen die een normaal vermogensbeheer te buiten gaat;
- enige daad te stellen die een schuldeiser zou bevoordelen, behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft;
- zijn onvermogen te vergroten.
§ 4. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid lopen verder, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling, tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling.
§ 5. Onverminderd de toepassing van artikel 1675/15 is iedere daad gesteld door de schuldenaar in weerwil van de gevolgen verbonden aan de beschikking van toelaatbaarheid niet tegenwerpbaar aan de schuldeisers.
§ 6. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid vangen aan de eerste dag die volgt op het opmaken van het bericht van collectieve schuldenregeling bedoeld in artikel 1390quinquies.
Art. 1675/8. Tenzij deze opdracht hem reeds was toevertrouwd in de beschikking van toelaatbaarheid kan de schuldbemiddelaar, belast met een procedure van minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, zich richten tot de rechter overeenkomstig (artikel 1675/14, § 2, derde lid,) teneinde de schuldenaar of een derde te gelasten hem al de nuttige inlichtingen te verstrekken over verrichtingen uitgevoerd door de schuldenaar en over de samenstelling en de vindplaats van diens vermogen.
Hoedanook kan de derde gehouden tot het beroepsgeheim of tot de zwijgplicht, zich daarop niet beroepen. De artikelen 877 tot 882 zijn op hem van toepassing.
Art. 1675/9. § 1. Uiterlijk drie dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid moet de griffier deze bij gerechtsbrief ter kennis brengen van :
1° de verzoeker onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7, evenals aan zijn echtgenoot-niet verzoeker;
2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van een afschrift van het verzoekschrift en van de als bijlage toegevoegde stukken, van een formulier van aangifte van schuldvordering, van de tekst van § 2, van dit artikel en van de tekst van artikel 1675/7;
3° de schuldbemiddelaar onder toevoeging van een afschrift van het verzoekschrift en van de als bijlage toegevoegde stukken;
4° de betrokken schuldenaars onder toevoeging van een afschrift van de tekst van artikel 1675/7. Zij worden ervan op de hoogte gebracht dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, in handen van de schuldbemiddelaar moet gebeuren.
Deze kennisgeving geldt als (betekening).
§ 2. De aangifte van schuldvordering moet uiterlijk een maand na toezending van de beschikking van toelaatbaarheid bij de schuldbemiddelaar worden verricht, hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht, hetzij bij aangifte op zijn kantoor met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde.
Die aangifte omschrijft de aard van de schuldvordering alsmede de verantwoording ervan, het bedrag ervan in hoofdsom, interesten en kosten, de eventuele redenen van voorrang, alsook de procedures waartoe ze aanleiding kan geven.
Afdeling 3. - Minnelijke aanzuiveringsregeling.
Art. 1675/10. § 1. De schuldbemiddelaar neemt ter plaatse op de griffie kennis van de op naam van de schuldenaar opgestelde berichten van beslag, delegatie en overdracht.
§ 2. De schuldbemiddelaar stelt een ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling op dat de noodzakelijke maatregelen bevat voor de verwezenlijking van de in artikel 1675/3, derde lid, bedoelde doelstelling.
§ 3. Alleen de niet betwiste schuldvorderingen of die welke bij een titel, zelfs een onderhandse, zijn vastgesteld, kunnen in het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling worden opgenomen ten belope van de aldus verantwoorde bedragen.
§ 4. De schuldbemiddelaar zendt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht naar de schuldenaar, in voorkomend geval diens echtgenoot, en de schuldeisers.
De regeling moet door alle belanghebbende partijen goedgekeurd worden. Ieder bezwaar moet ofwel bij ter post aangetekende brief met ontvangstbericht ofwel door middel van een verklaring bij de schuldbemiddelaar uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden ingebracht. Bij ontstentenis van bezwaar onder die voorwaarden en binnen die termijn, worden de partijen geacht met de regeling in te stemmen.
Artikel 51 is niet van toepassing.
Het bericht gezonden naar de belanghebbende partijen neemt de tekst over van het tweede lid van deze paragraaf.
§ 5. Bij instemming bezorgt de schuldbemiddelaar de minnelijke aanzuiveringsregeling, het verslag van zijn werkzaamheden en de dossierstukken aan de rechter.
De rechter doet uitspraak op stukken en neemt akte van het gesloten akkoord. Artikel 1043, tweede lid, is van toepassing.
Afdeling 4. - Gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
Art. 1675/11. § 1. Wanneer de schuldbemiddelaar vaststelt dat geen overeenkomst over een minnelijke aanzuiveringsregeling kan worden bereikt en in ieder geval wanneer binnen de vier maanden te rekenen van zijn aanwijzing geen overeenkomst kon worden bereikt, maakt hij een proces-verbaal in die zin op dat hij, met het oog op een eventuele gerechtelijke aanzuiveringsregeling, aan de rechter bezorgt.
De schuldbemiddelaar legt het dossier van de procedure van minnelijke aanzuiveringsregeling, met toevoeging van zijn opmerkingen, ter griffie neer.
§ 2. De rechter bepaalt op een nabije datum een rechtsdag. De griffier roept de partijen en de schuldbemiddelaar op bij gerechtsbrief. De schuldbemiddelaar brengt verslag uit. De rechter doet uitspraak uiterlijk vijftien dagen volgend op het sluiten van de debatten.
§ 3. Wanneer het bestaan of het bedrag van een schuldvordering betwist wordt, stelt de rechter, totdat daarover uitspraak zal zijn gedaan, voorlopig vast welk gedeelte van het betwist bedrag in consignatie moet worden gegeven, rekening ook gehouden, in voorkomend geval, met het dividend dat op grond van de aanzuiveringsregeling wordt toegewezen. In voorkomend geval, zijn de artikelen 661 en 662 van toepassing.
§ 4. In afwijking van de artikelen 2028 tot 2032 en 2039 van het Burgerlijk Wetboek, hebben de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld slechts verhaal op de schuldenaar in de mate dat zij deelnemen aan de aanzuiveringsregeling en mits eerbiediging ervan.
Art. 1675/12. § 1. De rechter, kan, mits eerbiediging van de gelijkheid onder schuldeisers, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen die de volgende maatregelen kan bevatten :
1° uitstel of herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, interesten en kosten;
2° vermindering van de conventionele rentevoet tot de wettelijke rentevoet;
3° opschorting, voor de duur van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, van de gevolgen van de zakelijke zekerheden, zonder dat deze maatregel de grondslag kan schaden, evenals opschorting van de uitwerking van de overdrachten van schuldvordering;
4° gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire interesten, vergoedingen en kosten.
§ 2. Het vonnis geeft de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die de vijf jaar niet mag overschrijden.
De terugbetalingstermijn van de kredietovereenkomsten kan worden verlengd. De verlengde terugbetalingstermijn van deze kredietovereenkomsten mag de duurtijd van de aanzuiveringsregeling, zoals vastgesteld door de rechter, vermeerderd met de helft van de resterende looptijd van deze kredietovereenkomsten niet overschrijden.
§ 3. De rechter maakt die maatregelen afhankelijk van de vervulling door de schuldenaar van passende handelingen om de betaling van de schuld te vergemakkelijken of te waarborgen. Hij maakt ze ook afhankelijk van het zich onthouden door de schuldenaar van daden die zijn onvermogen zouden doen toenemen.
§ 4. Onverminderd de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op het bestaansminimum en met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412.
Art. 1675/13. § 1. Indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12, § 1, niet volstaan om de in artikel 1675/3, derde lid, genoemde doelstelling te bereiken, kan de rechter, op vraag van de schuldenaar, besluiten tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal onder de volgende voorwaarden :
- alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar, overeenkomstig de regels inzake de gedwongen tenuitvoerleggingen. De verdeling heeft plaats met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang;
- na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen maakt het saldo, nog verschuldigd door de schuldenaar, het voorwerp uit van een aanzuiveringsregeling met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers, behalve wat de lopende onderhoudsverplichtingen betreft, bedoeld in artikel 1412, eerste lid.
Onverminderd artikel 1675/15, § 2, kan de kwijtschelding van schulden maar verkregen worden als de schuldenaar de door de rechter opgelegde aanzuiveringsregeling heeft nageleefd, en behoudens terugkeer van de schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
§ 2. Het vonnis duidt de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die ligt tussen drie en vijf jaar. Artikel 51 is niet van toepassing.
§ 3. De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende schulden :
- de onderhoudsgelden die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling;
- de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;
- de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement.
§ 4. In afwijking van de voorgaande paragraaf kan de rechter kwijtschelding verlenen voor de schulden van een gefailleerde die overblijven na een faillissement waarvan de sluiting is uitgesproken met toepassing van de wet van 18 april 1851 op het faillissement, de bankbreuk en de opschorting van betaling sedert ten minste 10 jaar op het moment van neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4. Deze kwijtschelding kan niet worden verleend aan de gefailleerde die veroordeeld werd wegens eenvoudige of bedrieglijke bankbreuk.
§ 5. Onverminderd de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op het bestaansminimum en met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412.
Afdeling 5. - Bepalingen gemeenschappelijk aan beide procedures.
Art. 1675/14. § 1. De schuldbemiddelaar wordt belast met de opvolging en de controle van de in de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling bepaalde maatregelen.
De schuldenaar stelt de schuldbemiddelaar onverwijld in kennis van iedere wijziging van zijn vermogenstoestand die optrad na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4.
§ 2. De zaak blijft ingeschreven op de rol van de beslagrechter, ook in geval van beschikking van toelaatbaarheid in hoger beroep, tot het einde of de herroeping van de regeling.
Artikel 730, § 2, a, eerste lid, is niet van toepassing.
Bij moeilijkheden die de tenuitvoerlegging van de regeling belemmeren of wanneer nieuwe feiten opduiken, die de aanpassing of herziening van de regeling rechtvaardigen, laat de schuldbemiddelaar, de schuldenaar of een belanghebbende schuldeiser, door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden, de zaak opnieuw voor de rechter brengen.
De griffier stelt de schuldenaar en de schuldeisers in kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt.
§ 3. De schuldbemiddelaar laat op het bericht van collectieve schuldenregeling, de collectieve aanzuiveringsregeling vermelden, haar verwerping, en de datum waarop die eindigt of wordt herroepen.
Art. 1675/15. § 1. De herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan worden uitgesproken door de rechter, aan wie de zaak, door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden, opnieuw wordt voorgelegd, op verzoek van de schuldbemiddelaar of van een belanghebbende schuldeiser wanneer de schuldenaar :
1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;
2° hetzij zijn verplichtingen niet nakomt;
3° hetzij onrechtmatig zijn lasten heeft verhoogd of zijn baten heeft verminderd;
4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt;
5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd.
De griffier stelt de schuldenaar en de schuldeisers in kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt.
§ 2. Elke schuldeiser kan vanaf het einde van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling die een kwijtschelding van schulden in hoofdsom inhoudt, gedurende een periode van vijf jaar aan de rechter een herroeping van de regeling vragen omwille van een bedrieglijke handeling in zijn nadeel gesteld door de schuldenaar.
§ 3. In geval van herroeping herwinnen de schuldeisers individueel het recht hun vordering uit te oefenen op de goederen van de schuldenaar voor de inning van het niet betaalde deel van hun schuldvorderingen.
Art. 1675/16. De uitspraken die door de rechter worden gedaan in het raam van de procedure van de collectieve schuldenregeling, worden door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht.
Zij zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling.
Behalve wat de beschikking van toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/6 betreft, zijn zij niet vatbaar voor derdenverzet.
De vonnissen en arresten die bij verstek werden gewezen zijn niet vatbaar voor verzet.
HOOFDSTUK II. - De schuldbemiddelaar.
Art. 1675/17. § 1. Als schuldbemiddelaar kunnen slechts worden aangewezen :
- de advocaten, de ministeriële ambtenaren of de gerechtelijke mandatarissen in de uitoefening van hun beroep of ambt;
- de overheidsinstellingen of de particuliere instellingen, die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend. Deze instellingen doen hiervoor een beroep op natuurlijke personen die aan de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden voldoen.
§ 2. De schuldbemiddelaar moet onafhankelijk en onpartijdig zijn tegenover de betrokken partijen.
De schuldbemiddelaar kan worden gewraakt indien er wettige redenen zijn om te twijfelen aan zijn onpartijdigheid of zijn onafhankelijkheid. Een partij kan de door haar voorgedragen schuldbemiddelaar alleen wraken om een reden of een feit waarvan ze pas in kennis werd gesteld nadat de schuldbemiddelaar was aangewezen. Geen wraking kan nog worden voorgedragen na het verstrijken van de in artikel 1675/9, § 2, bedoelde termijn voor aangifte van de schuldvordering, tenzij de partij slechts na verloop van deze termijn kennis heeft gekregen van de reden van wraking. De wrakingsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 970 en 971.
§ 3. De rechter ziet toe op de naleving van de bepalingen inzake de collectieve schuldenregeling. Stelt hij een verzuim vast in hoofde van de schuldbemiddelaar, dan geeft hij hiervan kennis aan de procureur des Konings, die oordeelt welke tuchtrechtelijke gevolgen zulks kan meebrengen of aan de in § 1, tweede streepje, van dit artikel, bedoelde bevoegde overheid.
Ieder jaar, telkens de rechter het (verzoekt) en op het einde van de aanzuiveringsregeling maakt de schuldbemiddelaar aan de rechter een verslag over omtrent de stand van de procedure en haar verloop.
De staat van kosten, ereloon of emolumenten bedoeld in artikel 1675/19, wordt opgenomen op het einde van het verslag.
De schuldenaar en de schuldeisers kunnen kennisnemen van dit verslag ter griffie en zonder verplaatsing.
§ 4. In geval van verhindering van de schuldbemiddelaar voorziet de rechter ambtshalve in diens vervanging. De rechter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van iedere belanghebbende, te allen tijde en zo dit volstrekt noodzakelijk blijkt, de schuldbemiddelaar vervangen. De schuldbemiddelaar wordt vooraf opgeroepen om in raadkamer (te worden gehoord).
Art. 1675/18. Onverminderd de verplichtingen die hem door de wet worden opgelegd en behalve wanneer hij wordt opgeroepen om in rechte te getuigen, mag de schuldbemiddelaar geen feiten bekend maken waarvan hij kennis had uit hoofde van zijn functie. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.
Art. 1675/19. De regels en barema's tot vaststelling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar worden door de Koning bepaald. De Koning oefent deze bevoegdheden uit op de gezamenlijke voordracht van de Ministers tot wier bevoegdheid Justitie en Economische Zaken behoren.
De staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar komt ten laste van de schuldenaar en wordt bij voorrang betaald.
Tenzij deze maatregelen getroffen werden door de beschikking bedoeld in (artikel 1675/10, § 5), in artikel 1675/12 of in artikel 1675/13, geeft de rechter, op verzoek van de schuldbemiddelaar, een bevel tot tenuitvoerlegging voor het voorschot dat hij bepaalt of ten belope van het bedrag van de erelonen, emolumenten en kosten dat hij vaststelt. Zo nodig hoort hij voorafgaandelijk in raadkamer de opmerkingen van de schuldenaar, van de schuldeisers en van de schuldbemiddelaar. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Bij elk verzoek van de schuldbemiddelaar wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties en van de gedragen of te dragen kosten gevoegd.".
"Bewarend beslag, middelen tot tenuitvoerlegging en collectieve schuldenregeling."
§ 2. In het vijfde deel van hetzelfde Wetboek wordt een titel IV ingevoegd met als opschrift "Collectieve schuldenregeling", die de artikelen 1675/2 tot 1675/19 bevat, luidend als volgt :
"HOOFDSTUK I. - Procedure van collectieve schuldenregeling.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 1675/2. Elke natuurlijke persoon met woonplaats in België, die geen koopman is in de zin van artikel 1 van het Wetboek van Koophandel kan, indien hij niet in staat is om, op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd, bij de rechter een verzoek tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.
Indien de in het eerste lid bedoelde persoon vroeger koopman is geweest, kan hij dat verzoek slechts indienen ten minste zes maanden na het stopzetten van zijn handel of, zo hij failliet werd verklaard, na de sluiting van het faillissement.
De persoon waarvan de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling werd herroepen bij toepassing van artikel 1675/15, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot 5°, kan gedurende een periode van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis van herroeping geen verzoekschrift tot het verkrijgen van een collectieve schuldenregeling indienen.
Art. 1675/3. Bij wege van een collectieve schuldenregeling stelt de schuldenaar, onder toezicht van de rechter, aan zijn schuldeisers voor een minnelijke aanzuiveringsregeling te treffen.
Indien over deze minnelijke aanzuiveringsregeling geen akkoord wordt bereikt, kan de rechter een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen.
De aanzuiveringsregeling strekt ertoe de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen, met name hem in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden.
Afdeling 2. - Inleiding van de procedure.
Art. 1675/4. § 1. De vordering tot collectieve schuldenregeling wordt ingeleid bij verzoekschrift en behandeld overeenkomstig de artikelen 1027 tot 1034.
§ 2. Het verzoekschrift bevat de volgende vermeldingen :
1° de dag, de maand, en het jaar;
2° de naam, de voornamen, de geboortedatum, het beroep en de woonplaats van de verzoeker en in voorkomend geval de naam, de voornamen, de woonplaats en de hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordigers;
3° het onderwerp en in het kort de gronden van de vordering;
4° de aanwijzing van de rechter die ervan kennis moet nemen;
5° de identiteit van de eventueel voorgestelde schuldbemiddelaar;
6° naam, voornamen, beroep, woonplaats en geboortedatum van de echtgenoot van de verzoeker of de met de verzoeker samenwonende(n), desgevallend hun huwelijksvermogensstelsel evenals de samenstelling van het gezin;
7° een gedetailleerde staat en raming van de baten en de lasten van het vermogen van de verzoeker, van het gemeenschappelijk vermogen indien hij gehuwd is onder een stelsel van gemeenschap van goederen en van het vermogen van de echtgenoot of de met de verzoeker samenwonende(n);
8° een gedetailleerde staat en raming van de, binnen de zes maanden voorafgaand aan de inleiding van het verzoekschrift, vervreemde goederen die deel uitmaakten van de vermogens bedoeld in 7°;
9° de naam, de voornamen en de woonplaats of, wanneer het een rechtspersoon betreft, de benaming en de zetel van de schuldeisers van de verzoeker en in voorkomend geval van de schuldenaars van de verzoeker en van de personen die voor hem een persoonlijke zekerheid hebben gesteld :
10° in voorkomend geval de geheel of gedeeltelijk betwiste schulden en de gronden van betwisting;
11° de procedures tot het verkrijgen van uitstel van betaling, bedoeld in artikel 1334, en die tot het verkrijgen van betalingsfaciliteiten, bedoeld in artikel 1337bis en in artikel 59, § 1, tweede lid, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, waarin de verzoeker betrokken is :
12° de redenen van de onmogelijkheid om zijn schulden terug te betalen;
13° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
§ 3. Als de vermeldingen onvolledig zijn, vraagt de rechter binnen acht dagen de verzoeker om zijn verzoekschrift aan te vullen.
Art. 1675/5.
De beschikking van toelaatbaarheid houdt van rechtswege de schrapping in van de ingediende vorderingen op grond van de procedures bedoeld in het eerste lid.
Art. 1675/6. § 1. Onverminderd artikel 1028, tweede lid, doet de rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van de vordering binnen acht dagen na indiening van het verzoekschrift. Als de rechter aan de verzoeker vraagt zijn verzoekschrift aan te vullen overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, volgt de beschikking over de toelaatbaarheid uiterlijk acht dagen na neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift ter griffie.
§ 2 Als de rechter het verzoek toelaatbaar acht, stelt hij in zijn beschikking, met diens akkoord, een schuldbemiddelaar aan en, in voorkomend geval, een gerechtsdeurwaarder en/of een notaris.
§ 3. In zijn beschikking doet de rechter ambtshalve uitspraak over de eventuele toekenning van volledige of gedeeltelijke rechtsbijstand.
§ 4. De griffie betekent de beschikking aan de griffies van de rechtbanken waarbij de in artikel 1675/5 bedoelde procedures aanhangig zijn gemaakt.
Art. 1675/7. § 1. Onverminderd de toepassing van § 3, doet de beschikking van toelaatbaarheid een toestand van samenloop ontstaan tussen de schuldeisers en heeft de opschorting van de loop van de interesten en de onbeschikbaarheid van het vermogen van de verzoeker tot gevolg.
Tot de boedel behoren alle goederen van de verzoeker op het ogenblik van de beschikking, alsmede de goederen die hij tijdens de uitvoering van de collectieve aanzuiveringsregeling verkrijgt.
§ 2. Alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot betaling van een geldsom worden geschorst. De reeds gelegde beslagen behouden echter hun bewarende werking.
Indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende of onroerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel.
§ 3. De beschikking van toelaatbaarheid houdt voor de verzoeker het verbod in om, behoudens toestemming van de rechter :
- enige daad te stellen die een normaal vermogensbeheer te buiten gaat;
- enige daad te stellen die een schuldeiser zou bevoordelen, behoudens de betaling van een onderhoudsschuld voor zover deze geen achterstallen betreft;
- zijn onvermogen te vergroten.
§ 4. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid lopen verder, onder voorbehoud van de bepalingen van de aanzuiveringsregeling, tot de verwerping, het einde of de herroeping van de aanzuiveringsregeling.
§ 5. Onverminderd de toepassing van artikel 1675/15 is iedere daad gesteld door de schuldenaar in weerwil van de gevolgen verbonden aan de beschikking van toelaatbaarheid niet tegenwerpbaar aan de schuldeisers.
§ 6. De gevolgen van de beschikking van toelaatbaarheid vangen aan de eerste dag die volgt op het opmaken van het bericht van collectieve schuldenregeling bedoeld in artikel 1390quinquies.
Art. 1675/8. Tenzij deze opdracht hem reeds was toevertrouwd in de beschikking van toelaatbaarheid kan de schuldbemiddelaar, belast met een procedure van minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling, zich richten tot de rechter overeenkomstig (artikel 1675/14, § 2, derde lid,) teneinde de schuldenaar of een derde te gelasten hem al de nuttige inlichtingen te verstrekken over verrichtingen uitgevoerd door de schuldenaar en over de samenstelling en de vindplaats van diens vermogen.
Hoedanook kan de derde gehouden tot het beroepsgeheim of tot de zwijgplicht, zich daarop niet beroepen. De artikelen 877 tot 882 zijn op hem van toepassing.
Art. 1675/9. § 1. Uiterlijk drie dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid moet de griffier deze bij gerechtsbrief ter kennis brengen van :
1° de verzoeker onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7, evenals aan zijn echtgenoot-niet verzoeker;
2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van een afschrift van het verzoekschrift en van de als bijlage toegevoegde stukken, van een formulier van aangifte van schuldvordering, van de tekst van § 2, van dit artikel en van de tekst van artikel 1675/7;
3° de schuldbemiddelaar onder toevoeging van een afschrift van het verzoekschrift en van de als bijlage toegevoegde stukken;
4° de betrokken schuldenaars onder toevoeging van een afschrift van de tekst van artikel 1675/7. Zij worden ervan op de hoogte gebracht dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, in handen van de schuldbemiddelaar moet gebeuren.
Deze kennisgeving geldt als (betekening).
§ 2. De aangifte van schuldvordering moet uiterlijk een maand na toezending van de beschikking van toelaatbaarheid bij de schuldbemiddelaar worden verricht, hetzij bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht, hetzij bij aangifte op zijn kantoor met ontvangstbericht gedagtekend en ondertekend door de bemiddelaar of zijn gemachtigde.
Die aangifte omschrijft de aard van de schuldvordering alsmede de verantwoording ervan, het bedrag ervan in hoofdsom, interesten en kosten, de eventuele redenen van voorrang, alsook de procedures waartoe ze aanleiding kan geven.
Afdeling 3. - Minnelijke aanzuiveringsregeling.
Art. 1675/10. § 1. De schuldbemiddelaar neemt ter plaatse op de griffie kennis van de op naam van de schuldenaar opgestelde berichten van beslag, delegatie en overdracht.
§ 2. De schuldbemiddelaar stelt een ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling op dat de noodzakelijke maatregelen bevat voor de verwezenlijking van de in artikel 1675/3, derde lid, bedoelde doelstelling.
§ 3. Alleen de niet betwiste schuldvorderingen of die welke bij een titel, zelfs een onderhandse, zijn vastgesteld, kunnen in het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling worden opgenomen ten belope van de aldus verantwoorde bedragen.
§ 4. De schuldbemiddelaar zendt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbericht naar de schuldenaar, in voorkomend geval diens echtgenoot, en de schuldeisers.
De regeling moet door alle belanghebbende partijen goedgekeurd worden. Ieder bezwaar moet ofwel bij ter post aangetekende brief met ontvangstbericht ofwel door middel van een verklaring bij de schuldbemiddelaar uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden ingebracht. Bij ontstentenis van bezwaar onder die voorwaarden en binnen die termijn, worden de partijen geacht met de regeling in te stemmen.
Artikel 51 is niet van toepassing.
Het bericht gezonden naar de belanghebbende partijen neemt de tekst over van het tweede lid van deze paragraaf.
§ 5. Bij instemming bezorgt de schuldbemiddelaar de minnelijke aanzuiveringsregeling, het verslag van zijn werkzaamheden en de dossierstukken aan de rechter.
De rechter doet uitspraak op stukken en neemt akte van het gesloten akkoord. Artikel 1043, tweede lid, is van toepassing.
Afdeling 4. - Gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
Art. 1675/11. § 1. Wanneer de schuldbemiddelaar vaststelt dat geen overeenkomst over een minnelijke aanzuiveringsregeling kan worden bereikt en in ieder geval wanneer binnen de vier maanden te rekenen van zijn aanwijzing geen overeenkomst kon worden bereikt, maakt hij een proces-verbaal in die zin op dat hij, met het oog op een eventuele gerechtelijke aanzuiveringsregeling, aan de rechter bezorgt.
De schuldbemiddelaar legt het dossier van de procedure van minnelijke aanzuiveringsregeling, met toevoeging van zijn opmerkingen, ter griffie neer.
§ 2. De rechter bepaalt op een nabije datum een rechtsdag. De griffier roept de partijen en de schuldbemiddelaar op bij gerechtsbrief. De schuldbemiddelaar brengt verslag uit. De rechter doet uitspraak uiterlijk vijftien dagen volgend op het sluiten van de debatten.
§ 3. Wanneer het bestaan of het bedrag van een schuldvordering betwist wordt, stelt de rechter, totdat daarover uitspraak zal zijn gedaan, voorlopig vast welk gedeelte van het betwist bedrag in consignatie moet worden gegeven, rekening ook gehouden, in voorkomend geval, met het dividend dat op grond van de aanzuiveringsregeling wordt toegewezen. In voorkomend geval, zijn de artikelen 661 en 662 van toepassing.
§ 4. In afwijking van de artikelen 2028 tot 2032 en 2039 van het Burgerlijk Wetboek, hebben de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld slechts verhaal op de schuldenaar in de mate dat zij deelnemen aan de aanzuiveringsregeling en mits eerbiediging ervan.
Art. 1675/12. § 1. De rechter, kan, mits eerbiediging van de gelijkheid onder schuldeisers, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opleggen die de volgende maatregelen kan bevatten :
1° uitstel of herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, interesten en kosten;
2° vermindering van de conventionele rentevoet tot de wettelijke rentevoet;
3° opschorting, voor de duur van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, van de gevolgen van de zakelijke zekerheden, zonder dat deze maatregel de grondslag kan schaden, evenals opschorting van de uitwerking van de overdrachten van schuldvordering;
4° gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire interesten, vergoedingen en kosten.
§ 2. Het vonnis geeft de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die de vijf jaar niet mag overschrijden.
De terugbetalingstermijn van de kredietovereenkomsten kan worden verlengd. De verlengde terugbetalingstermijn van deze kredietovereenkomsten mag de duurtijd van de aanzuiveringsregeling, zoals vastgesteld door de rechter, vermeerderd met de helft van de resterende looptijd van deze kredietovereenkomsten niet overschrijden.
§ 3. De rechter maakt die maatregelen afhankelijk van de vervulling door de schuldenaar van passende handelingen om de betaling van de schuld te vergemakkelijken of te waarborgen. Hij maakt ze ook afhankelijk van het zich onthouden door de schuldenaar van daden die zijn onvermogen zouden doen toenemen.
§ 4. Onverminderd de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op het bestaansminimum en met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412.
Art. 1675/13. § 1. Indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12, § 1, niet volstaan om de in artikel 1675/3, derde lid, genoemde doelstelling te bereiken, kan de rechter, op vraag van de schuldenaar, besluiten tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal onder de volgende voorwaarden :
- alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar, overeenkomstig de regels inzake de gedwongen tenuitvoerleggingen. De verdeling heeft plaats met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang;
- na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen maakt het saldo, nog verschuldigd door de schuldenaar, het voorwerp uit van een aanzuiveringsregeling met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers, behalve wat de lopende onderhoudsverplichtingen betreft, bedoeld in artikel 1412, eerste lid.
Onverminderd artikel 1675/15, § 2, kan de kwijtschelding van schulden maar verkregen worden als de schuldenaar de door de rechter opgelegde aanzuiveringsregeling heeft nageleefd, en behoudens terugkeer van de schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
§ 2. Het vonnis duidt de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die ligt tussen drie en vijf jaar. Artikel 51 is niet van toepassing.
§ 3. De rechter kan geen kwijtschelding verlenen voor volgende schulden :
- de onderhoudsgelden die niet vervallen zijn op de dag van de uitspraak houdende vaststelling van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling;
- de schulden die een schadevergoeding inhouden, toegestaan voor het herstel van een lichamelijke schade veroorzaakt door een misdrijf;
- de schulden van een gefailleerde die overblijven na het sluiten van het faillissement.
§ 4. In afwijking van de voorgaande paragraaf kan de rechter kwijtschelding verlenen voor de schulden van een gefailleerde die overblijven na een faillissement waarvan de sluiting is uitgesproken met toepassing van de wet van 18 april 1851 op het faillissement, de bankbreuk en de opschorting van betaling sedert ten minste 10 jaar op het moment van neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4. Deze kwijtschelding kan niet worden verleend aan de gefailleerde die veroordeeld werd wegens eenvoudige of bedrieglijke bankbreuk.
§ 5. Onverminderd de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op het bestaansminimum en met inachtneming van artikel 1675/3, derde lid, kan de rechter wanneer hij de regeling opstelt, bij bijzonder gemotiveerde beslissing afwijken van de artikelen 1409 tot 1412.
Afdeling 5. - Bepalingen gemeenschappelijk aan beide procedures.
Art. 1675/14. § 1. De schuldbemiddelaar wordt belast met de opvolging en de controle van de in de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling bepaalde maatregelen.
De schuldenaar stelt de schuldbemiddelaar onverwijld in kennis van iedere wijziging van zijn vermogenstoestand die optrad na de indiening van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1675/4.
§ 2. De zaak blijft ingeschreven op de rol van de beslagrechter, ook in geval van beschikking van toelaatbaarheid in hoger beroep, tot het einde of de herroeping van de regeling.
Artikel 730, § 2, a, eerste lid, is niet van toepassing.
Bij moeilijkheden die de tenuitvoerlegging van de regeling belemmeren of wanneer nieuwe feiten opduiken, die de aanpassing of herziening van de regeling rechtvaardigen, laat de schuldbemiddelaar, de schuldenaar of een belanghebbende schuldeiser, door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden, de zaak opnieuw voor de rechter brengen.
De griffier stelt de schuldenaar en de schuldeisers in kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt.
§ 3. De schuldbemiddelaar laat op het bericht van collectieve schuldenregeling, de collectieve aanzuiveringsregeling vermelden, haar verwerping, en de datum waarop die eindigt of wordt herroepen.
Art. 1675/15. § 1. De herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan worden uitgesproken door de rechter, aan wie de zaak, door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden, opnieuw wordt voorgelegd, op verzoek van de schuldbemiddelaar of van een belanghebbende schuldeiser wanneer de schuldenaar :
1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;
2° hetzij zijn verplichtingen niet nakomt;
3° hetzij onrechtmatig zijn lasten heeft verhoogd of zijn baten heeft verminderd;
4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt;
5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd.
De griffier stelt de schuldenaar en de schuldeisers in kennis van de datum waarop de zaak voor de rechter komt.
§ 2. Elke schuldeiser kan vanaf het einde van de minnelijke of gerechtelijke aanzuiveringsregeling die een kwijtschelding van schulden in hoofdsom inhoudt, gedurende een periode van vijf jaar aan de rechter een herroeping van de regeling vragen omwille van een bedrieglijke handeling in zijn nadeel gesteld door de schuldenaar.
§ 3. In geval van herroeping herwinnen de schuldeisers individueel het recht hun vordering uit te oefenen op de goederen van de schuldenaar voor de inning van het niet betaalde deel van hun schuldvorderingen.
Art. 1675/16. De uitspraken die door de rechter worden gedaan in het raam van de procedure van de collectieve schuldenregeling, worden door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht.
Zij zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling.
Behalve wat de beschikking van toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/6 betreft, zijn zij niet vatbaar voor derdenverzet.
De vonnissen en arresten die bij verstek werden gewezen zijn niet vatbaar voor verzet.
HOOFDSTUK II. - De schuldbemiddelaar.
Art. 1675/17. § 1. Als schuldbemiddelaar kunnen slechts worden aangewezen :
- de advocaten, de ministeriële ambtenaren of de gerechtelijke mandatarissen in de uitoefening van hun beroep of ambt;
- de overheidsinstellingen of de particuliere instellingen, die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend. Deze instellingen doen hiervoor een beroep op natuurlijke personen die aan de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden voldoen.
§ 2. De schuldbemiddelaar moet onafhankelijk en onpartijdig zijn tegenover de betrokken partijen.
De schuldbemiddelaar kan worden gewraakt indien er wettige redenen zijn om te twijfelen aan zijn onpartijdigheid of zijn onafhankelijkheid. Een partij kan de door haar voorgedragen schuldbemiddelaar alleen wraken om een reden of een feit waarvan ze pas in kennis werd gesteld nadat de schuldbemiddelaar was aangewezen. Geen wraking kan nog worden voorgedragen na het verstrijken van de in artikel 1675/9, § 2, bedoelde termijn voor aangifte van de schuldvordering, tenzij de partij slechts na verloop van deze termijn kennis heeft gekregen van de reden van wraking. De wrakingsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 970 en 971.
§ 3. De rechter ziet toe op de naleving van de bepalingen inzake de collectieve schuldenregeling. Stelt hij een verzuim vast in hoofde van de schuldbemiddelaar, dan geeft hij hiervan kennis aan de procureur des Konings, die oordeelt welke tuchtrechtelijke gevolgen zulks kan meebrengen of aan de in § 1, tweede streepje, van dit artikel, bedoelde bevoegde overheid.
Ieder jaar, telkens de rechter het (verzoekt) en op het einde van de aanzuiveringsregeling maakt de schuldbemiddelaar aan de rechter een verslag over omtrent de stand van de procedure en haar verloop.
De staat van kosten, ereloon of emolumenten bedoeld in artikel 1675/19, wordt opgenomen op het einde van het verslag.
De schuldenaar en de schuldeisers kunnen kennisnemen van dit verslag ter griffie en zonder verplaatsing.
§ 4. In geval van verhindering van de schuldbemiddelaar voorziet de rechter ambtshalve in diens vervanging. De rechter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van iedere belanghebbende, te allen tijde en zo dit volstrekt noodzakelijk blijkt, de schuldbemiddelaar vervangen. De schuldbemiddelaar wordt vooraf opgeroepen om in raadkamer (te worden gehoord).
Art. 1675/18. Onverminderd de verplichtingen die hem door de wet worden opgelegd en behalve wanneer hij wordt opgeroepen om in rechte te getuigen, mag de schuldbemiddelaar geen feiten bekend maken waarvan hij kennis had uit hoofde van zijn functie. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.
Art. 1675/19. De regels en barema's tot vaststelling van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaar worden door de Koning bepaald. De Koning oefent deze bevoegdheden uit op de gezamenlijke voordracht van de Ministers tot wier bevoegdheid Justitie en Economische Zaken behoren.
De staat van ereloon, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaar komt ten laste van de schuldenaar en wordt bij voorrang betaald.
Tenzij deze maatregelen getroffen werden door de beschikking bedoeld in (artikel 1675/10, § 5), in artikel 1675/12 of in artikel 1675/13, geeft de rechter, op verzoek van de schuldbemiddelaar, een bevel tot tenuitvoerlegging voor het voorschot dat hij bepaalt of ten belope van het bedrag van de erelonen, emolumenten en kosten dat hij vaststelt. Zo nodig hoort hij voorafgaandelijk in raadkamer de opmerkingen van de schuldenaar, van de schuldeisers en van de schuldbemiddelaar. De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Bij elk verzoek van de schuldbemiddelaar wordt een gedetailleerd overzicht van de te vergoeden prestaties en van de gedragen of te dragen kosten gevoegd.".
Art. 2. § 1er. L'intitulé de la cinquième partie du Code judiciaire est remplacé par l'intitulé suivant :
" Saisies conservatoires, voies d'exécution et règlement collectif de dettes. ".
§ 2. Il est inséré dans la cinquième partie du même Code un titre IV intitulé " Du règlement collectif de dettes " comprenant les articles 1675/2 à 1675/19, libellés comme suit :
" CHAPITRE I. - De la procédure de règlement collectif de dettes. ".
" Section 1. - Dispositions générales. ".
" Art. 1675/2. Toute personne physique domiciliée en Belgique, qui n'a pas la qualité de commerçant au sens de l'article 1er du Code de commerce, peut, si elle n'est pas en état, de manière durable, de payer ses dettes exigibles ou encore à échoir et dans la mesure où elle n'a pas manifestement organisé son insolvabilité, introduire devant le juge une requête visant à obtenir un règlement collectif de dettes.
Si la personne visée à l'alinéa 1er a eu autrefois la qualité de commerçant, elle ne peut introduire cette requête que six mois au moins après la cessation de son commerce ou, si elle a été déclarée en faillite, après la clôture de la faillite.
La personne dont le plan de règlement amiable ou judiciaire a été révoqué en application de l'article 1675/15, § 1er, premier alinéa, 1° et 3° à 5°, ne peut introduire une requête visant à obtenir un règlement collectif de dettes, pendant une période de cinq ans à dater du jugement de révocation. ".
" Art. 1675/3. Le débiteur propose à ses créanciers de conclure un plan de règlement amiable par la voie d'un règlement collectif de dettes, sous le contrôle du juge.
Si aucun accord n'est atteint quant à ce plan de règlement amiable, le juge peut imposer un plan de règlement judiciaire.
Le plan de règlement a pour objet de rétablir la situation financière du débiteur, en lui permettant notamment dans la mesure du possible de payer ses dettes et en lui garantissant simultanément ainsi qu'à sa famille, qu'ils pourront mener une vie conforme à la dignité humaine. ".
" Section 2. - Introduction de la procédure. ".
" Art. 1675/4. § 1er. La demande de règlement collectif de dettes est introduite par requête et instruite conformément aux articles 1027 à 1034.
§ 2. La requête contient les mentions suivantes :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° les nom, prénoms, date de naissance, profession et domicile du requérant, ainsi que, le cas échéant, les nom, prénoms, domicile et qualité de ses représentants légaux;
3° l'objet et l'indication sommaire des motifs de la demande;
4° la désignation du juge qui doit en connaître;
5° l'identité du médiateur de dettes éventuellement proposé;
6° les nom, prénoms, profession, domicile et date de naissance du conjoint du requérant ou de la ou des personnes cohabitant avec le requérant, le cas échéant, leur régime matrimonial ainsi que la composition du ménage;
7° un état détaillé et estimatif des éléments actifs et passifs du patrimoine du requérant, du patrimoine commun s'il est marié sous un régime de communauté et du patrimoine du conjoint ou de la ou des personnes cohabitant avec lui;
8° un état détaillé et estimatif des biens faisant partie des patrimoines visés au 7°, aliénés au cours des six mois précédant l'introduction de la requête;
9° les nom, prénoms et domicile ou, s'il s'agit d'une personne morale, la dénomination et le siège, des créanciers du requérant et le cas échéant, des débiteurs du requérant et des personnes qui ont constitué pour lui une sûreté personnelle;
10° le cas échéant, les dettes contestées en tout ou en partie ainsi que les motifs de contestation;
11° les procédures d'octroi de délais de grâce visées à l'article 1334, d'octroi de facilités de paiement visées à l'article 1337bis et à l'article 59, § 1er, alinéa 2, de la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire dans lesquelles le requérant est engagé;
12° les raisons de l'impossibilité de rembourser ses dettes;
13° la signature du requérant ou de son avocat.
§ 3. Si les mentions sont incomplètes, le juge invite le requérant dans les huit jours à compléter sa requête. ".
" Art. 1675/5. Les procédures visées à l'article 1675/4, § 2, 11°, sont suspendues, tant qu'il n'a pas été statué sur l'admissibilité de la demande visant à obtenir un règlement collectif de dettes.
La décision d'admissibilité emporte de plein droit radiation des demandes introduites sur la base des procédures visées à l'alinéa 1er. ".
" Art. 1675/6. § 1er. Sans préjudice de l'article 1028, alinéa 2, dans les huit jours du dépôt de la requête, le juge statue sur l'admissibilité de la demande. Si le juge demande au requérant de compléter sa requête conformément à l'article 1675/4, § 3, la décision sur l'admissibilité intervient dans les huit jours du dépôt au greffe de la requête complétée.
§ 2. Lorsqu'il déclare la demande admissible, le juge nomme dans sa décision un médiateur de dettes, moyennant l'accord de celui-ci, et, le cas échéant, un huissier de justice et/ou un notaire.
§ 3. Dans sa décision, le juge statue d'office sur l'octroi éventuel, en tout ou en partie, de l'assistance judiciaire.
§ 4. Le greffe notifie la décision aux greffes des juridictions près lesquelles les procédures visées à l'article 1675/5 sont pendantes. ".
" Art. 1675/7. § 1er. Sans préjudice de l'application du § 3, la décision d'admissibilité fait naître une situation de concours entre les créanciers et a pour conséquence la suspension du cours des intérêts et l'indisponibilité du patrimoine du requérant.
Font partie de la masse, tous les biens du requérant au moment de la décision, ainsi que les biens qu'il acquiert pendant l'exécution du règlement collectif de dettes.
§ 2. Toutes les voies d'exécution qui tendent au paiement d'une somme d'argent sont suspendues. Les saisies déjà pratiquées conservent cependant leur caractère conservatoire.
Si, antérieurement à la décision d'admissibilité, le jour de la vente forcée des meubles ou immeubles saisis a déjà été fixé et publié par les affiches, cette vente a lieu pour le compte de la masse.
§ 3. La décision d'admissibilité entraîne l'interdiction pour le requérant, sauf autorisation du juge :
- d'accomplir tout acte étranger à la gestion normale du patrimoine;
- d'accomplir tout acte susceptible de favoriser un créancier, sauf le paiement d'une dette alimentaire mais à l'exception des arriérés de celle-ci;
- d'aggraver son insolvabilité.
§ 4. Les effets de la décision d'admissibilité se prolongent jusqu'au rejet, jusqu'au terme ou jusqu'à la révocation du règlement collectif de dettes, sous réserve des stipulations du plan de règlement.
§ 5. Sans préjudice de l'application de l'article 1675/15, tout acte accompli par le débiteur au mépris des effets attachés à la décision d'admissibilité est inopposable aux créanciers.
§ 6. Les effets de la décision d'admissibilité prennent cours le premier jour qui suit l'établissement de l'avis de règlement collectif de dettes visé à l'article 1390quinquies. ".
" Art. 1675/8. A moins que cette mission ne lui ait été confiée par la décision d'admissibilité, le médiateur de dettes chargé d'une procédure de règlement amiable ou judiciaire des dettes peut s'adresser au juge, conformément à l'article 1675/14, § 2, alinéa 3, pour qu'il soit fait injonction au débiteur ou à un tiers de lui fournir tous renseignements utiles sur des opérations accomplies par le débiteur et sur la composition et la localisation du patrimoine de celui-ci.
En toute hypothèse. le tiers tenu au secret professionnel ou au devoir de réserve ne peut se prévaloir de celui-ci. Les articles 877 à 882 lui sont applicables. ".
" Art. 1675/9. § 1er. Dans les trois jours du prononcé de la décision d'admissibilité, celle-ci est notifiée sous pli judiciaire par le greffier :
1° au requérant en y joignant le texte de l'article 1675/7, ainsi qu'à son conjoint non requérant;
2° aux créanciers et aux personnes qui ont constitué une sûreté personnelle en y joignant copie de la requête et des pièces y annexées, un formulaire de déclaration de créance, le texte du § 2, du présent article ainsi que le texte de l'article 1675/7;
3° au médiateur de dettes en y joignant copie de la requête et les pièces y annexées;
4° aux débiteurs concernés en y joignant le texte de l'article 1675/7, et en les informant que dès la réception de la décision, tout paiement doit être effectué entre les mains du médiateur de dettes.
Cette notification vaut signification.
§ 2. La déclaration de créance doit être faite au médiateur de dettes dans le mois de l'envoi de la décision d'admissibilité, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par déclaration en ses bureaux avec accusé de réception daté et signé par le médiateur ou son mandataire.
Elle indique la nature de la créance, sa justification, son montant en principal, intérêts et frais, les causes éventuelles de préférence ainsi que les procédures auxquelles elle donnerait lieu. ".
" Section 3. - Plan de règlement amiable. ".
" Art. 1675/10. § 1er. Le médiateur de dettes prend connaissance au greffe, sans déplacement, des avis de saisie, de délégation et de cession établis au nom du débiteur.
§ 2. Le médiateur de dettes dresse un projet de plan de règlement amiable contenant les mesures nécessaires à la réalisation de l'objectif visé à l'article 1675/3, alinéa 3.
§ 3. Seules peuvent être reprises dans le plan de règlement amiable, les créances non contestées ou établies par un titre, même privé, à concurrence des sommes qui sont ainsi justifiées.
§ 4. Le médiateur de dettes adresse le projet de plan de règlement amiable par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception au requérant, le cas échéant à son conjoint, et aux créanciers.
Le plan doit être approuvé par toutes les parties intéressées. Tout contredit doit être formé, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par déclaration devant le médiateur de dettes, dans les deux mois de l'envoi du projet. A défaut de contredit formé dans les conditions et délai précités, les parties sont présumées consentir au plan.
L'article 51 n'est pas d'application.
L'avis adressé aux parties intéressées reproduit le texte de l'alinéa 2 du présent paragraphe.
§ 5. En cas d'approbation, le médiateur de dettes transmet au juge le plan de règlement amiable, le rapport de ses activités et les pièces du dossier.
Le juge statue sur pièces par une décision actant l'accord intervenu. L'article 1043, alinéa 2, est applicable. ".
" Section 4. - Plan de règlement judiciaire. ".
" Art. 1675/11. § 1er. Lorsque le médiateur constate qu'il n'est pas possible de conclure un accord sur un plan de règlement amiable et, en tout cas, lorsqu'il n'a pas été possible d'aboutir à un accord dans les quatre mois suivant sa désignation, il le consigne dans un procès-verbal qu'il transmet au juge en vue d'un éventuel (plan de règlement judiciaire.)
Le médiateur de dettes dépose au greffe le dossier de la procédure du règlement amiable auquel il joint ses observations.
§ 2. Le juge fixe l'audience à une date rapprochée. Le greffier convoque les parties et le médiateur de dettes par pli judiciaire. Le médiateur de dettes fait rapport. Le juge statue au plus tard dans les quinze jours suivant la clôture des débats.
§ 3. Lorsque l'existence ou le montant d'une créance est contesté, le juge fixe provisoirement, jusqu'à ce qu'il soit statué au fond, la partie du montant contesté qui doit être consignée, compte tenu également, le cas échéant, du dividende attribué sur la base du plan de règlement. Le cas échéant, les articles 661 et 662 sont applicables.
§ 4. Par dérogation aux articles 2028 à 2032 et 2039 du Code civil, les personnes qui ont constitué une sûreté personnelle n'ont de recours contre le débiteur que dans la mesure où elles participent au plan de règlement et dans le respect de celui-ci. ".
" Art. 1675/12. § 1er. Tout en respectant l'égalité des créanciers. le juge peut imposer un plan de règlement judiciaire pouvant comporter les mesures suivantes :
1° le report ou le rééchelonnement du paiement des dettes en principal, intérêts et frais;
2° la réduction des taux d'intérêt conventionnels au taux d'intérêt légal;
3° la suspension, pour la durée du plan de règlement judiciaire, de l'effet des sûretés réelles, sans que cette mesure ne puisse en compromettre l'assiette, de même que la suspension de l'effet des cessions de créance;
4° la remise de dettes totale ou partielle des intérêts moratoires, indemnités et frais.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui ne peut excéder cinq ans.
Le délai de remboursement des contrats de crédit peut être allongé. Dans ce cas, le nouveau délai de remboursement ne peut excéder la durée du plan de règlement, fixée par le juge, augmentée de la moitié de la durée restant à courir de ces contrats de crédit.
§ 3. Le juge subordonne ces mesures à l'accomplissement par le débiteur d'actes propres à faciliter ou à garantir le paiement de la dette. Il les subordonne également à l'abstention, par le débiteur, d'actes qui aggraveraient son insolvabilité.
§ 4. Sans préjudice de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence et dans le respect de l'article 1675/3, alinéa 3, le juge peut, lorsqu'il établit le plan, déroger aux articles 1409 à 1412 par décision spécialement motivée. ".
" Art. 1675/13. § 1er. Si les mesures prévues à l'article 1675/12, § 1er, ne permettent pas d'atteindre l'objectif visé à l'article 1673/3, alinéa 3, à la demande du débiteur, le juge peut décider toute autre remise partielle de dettes, même en capital, aux conditions suivantes :
- tous les biens saisissables sont réalisés à l'initiative du médiateur de dettes, conformément aux règles des exécutions forcées. La répartition a lieu dans le respect de l'égalité des créanciers, sans préjudice des causes légitimes de préférence;
- après réalisation des biens saisissables, le solde restant dû par le débiteur fait l'objet d'un plan de règlement dans le respect de l'égalité des créanciers, sauf en ce qui concerne les obligations alimentaires en cours visées à l'article 1412, alinéa 1er.
Sans préjudice de l'article 1675/15, § 2, la remise de dettes n'est acquise que lorsque le débiteur aura respecté le plan de règlement imposé par le juge et sauf retour à meilleure fortune du débiteur avant la fin du plan de règlement judiciaire.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui est comprise entre trois et cinq ans. L'article 51 n'est pas d'application.
§ 3. Le juge ne peut accorder de remise pour les dettes suivantes :
- les dettes alimentaires non échues au jour de la décision arrêtant le plan de règlement judiciaire;
- les dettes constituées d'indemnités accordées pour la réparation d'un préjudice corporel, causé par une infraction;
- les dettes d'un failli subsistant après la clôture de la faillite.
§ 4. Par dérogation au paragraphe précédent, le juge peut accorder la remise pour les dettes d'un failli, subsistant après une faillite dont la clôture a été prononcée en application de la loi du 18 avril 1851 sur les faillites, banqueroutes et sursis de paiement depuis plus de 10 ans au moment du dépôt de la requête visée à l'article 1675/4. Cette remise ne peut être accordée au failli qui a été condamné pour banqueroute simple ou frauduleuse.
§ 5. Sans préjudice de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence et dans le respect de l'article 1675/3, alinéa 3, le juge peut, lorsqu'il établit le plan, déroger aux articles 1409 à 1412 par décision spécialement motivée. ".
" Section (5). - Dispositions communes aux deux procédures. ".
" Art. 1675/14. § 1er. Le médiateur de dettes est chargé de suivre et de contrôler l'exécution des mesures prévues dans le plan de règlement amiable ou judiciaire.
Le débiteur informe sans délai le médiateur de dettes de tout changement intervenu dans sa situation patrimoniale après l'introduction de la requête visée à l'article 1675/4.
§ 2. La cause reste inscrite au rôle du juge des saisies, y compris en cas de décision d'admissibilité rendue en degré d'appel, jusqu'au terme ou la révocation du plan.
L'article 730, § 2, a, alinéa 1er, n'est pas d'application.
En cas de difficultés qui entravent l'exécution du plan ou en cas de survenance de faits nouveaux justifiant l'adaptation ou la révision du plan, le médiateur de dettes, le débiteur ou tout créancier intéressé, fait ramener la cause devant le juge par simple déclaration écrite déposée ou adressée au greffe.
Le greffier informe le débiteur et les créanciers de la date à laquelle la cause sera fixée devant le juge.
§ 3. Le médiateur de dettes fait mentionner sur l'avis de règlement collectif de dettes, le plan de règlement collectif, son rejet, son terme ou sa révocation. ".
" Art. 1675/15. § 1er. La révocation de la décision d'admissibilité ou du plan de règlement amiable ou judiciaire peut être prononcée par le juge devant lequel la cause est ramenée à la demande du médiateur de dettes ou d'un créancier intéressé par le biais d'une simple déclaration écrite déposée ou expédiée au greffe, lorsque le débiteur :
1° soit a remis des documents inexacts en vue d'obtenir ou conserver le bénéfice de la procédure de règlement collectif de dettes;
2° soit ne respecte pas ses obligations;
3° soit a fautivement augmenté son passif ou diminué son actif;
4° soit a organisé son insolvabilité;
5° soit a fait sciemment de fausses déclarations.
Le greffier informe le débiteur et les créanciers de la date à laquelle la cause est amenée devant le juge.
§ 2. Pendant une durée de cinq ans après la fin du plan de règlement amiable ou judiciaire comportant remise de dettes en principal, tout créancier peut demander au juge la révocation de celle-ci, en raison d'un acte accompli par le débiteur en fraude de ses droits.
§ 3. En cas de révocation, les créanciers recouvrent le droit d'exercer individuellement leur action sur les biens du débiteur pour la récupération de la partie non acquittée de leurs créances. ".
" Art. 1675/16. Les décisions du juge prises dans le cadre de la procédure de règlement collectif de dettes sont notifiées par le greffier, sous pli judiciaire.
Elles sont exécutoires par provision nonobstant appel et sans caution.
Sauf en ce qui concerne la décision d'admissibilité visée à l'article 1675/6, elles ne sont pas susceptibles de tierce-opposition.
Les jugements et arrêts rendus par défaut ne sont pas susceptibles d'opposition. ".
" CHAPITRE II. - Du médiateur des dettes. ".
" Art. 1675/17. § 1er. Peuvent seuls être désignés comme médiateurs de dettes :
- les avocats, les officiers ministériels ou les mandataires de justice dans l'exercice de leur profession ou de leur fonction;
- les institutions publiques ou les institutions privées agréées à cet effet par l'autorité compétente. Ces institutions font appel dans ce cadre à des personnes physiques répondant aux conditions fixées par l'autorité compétente.
§ 2. Le médiateur de dettes doit être indépendant et impartial à l'égard des parties concernées.
Le médiateur de dettes peut être récusé s'il existe des raisons légitimes de douter de son impartialité ou de son indépendance. Une partie ne peut récuser le médiateur de dettes proposé par elle que pour une cause ou un fait dont elle a eu connaissance après la désignation du médiateur de dettes. Aucune récusation ne peut être proposée après l'expiration du délai de déclaration de créance visé à l'article 1675/9, § 2, à moins que la cause de la récusation n'ait été révélée à la partie après ce délai. La procédure de récusation se déroule conformément aux articles 970 et 971.
§ 3. Le juge veille au respect des dispositions en matière de règlement collectif de dettes. S'il constate une négligence dans le chef du médiateur de dettes, il en informe le procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou l'autorité compétente visée au § 1er, 2e tiret, du présent article.
Chaque année, chaque fois que le juge le demande et au terme du plan de règlement, le médiateur de dettes remet au juge un rapport sur l'état de la procédure et son évolution.
L'état des frais, honoraires ou émoluments, visés à l'article 1675/19, est inscrit au bas du rapport.
Le débiteur et les créanciers peuvent prendre connaissance de ce rapport au greffe et sans déplacement.
§ 4. En cas d'empêchement du médiateur de dettes, le juge pourvoit d'office à son remplacement. Le juge peut, soit d'office, soit à la demande de tout intéressé, procéder à tout moment au remplacement du médiateur de dettes, pour autant que cela s'avère absolument nécessaire. Le médiateur de dettes est préalablement convoqué en chambre du conseil pour y être entendu. ".
" Art. 1675/18. Sans préjudice des obligations que lui impose la loi et sauf lorsqu'il est appelé à témoigner en justice, le médiateur de dettes ne peut divulguer des faits dont il a eu connaissance de par sa fonction. L'article 458 du Code pénal lui est applicable. ".
" Art. 1675/19. Les règles et tarifs fixant les honoraires, émoluments et frais du médiateur de dettes sont déterminés par le Roi. Le Roi exerce ses pouvoirs sur la proposition conjointe des Ministres ayant la Justice et les Affaires économiques dans leurs attributions.
L'état d'honoraires, émoluments et frais du médiateur de dettes est à charge du débiteur et est payé par préférence.
A moins que ces mesures n'aient été arrêtées par la décision visée à l'article 1675/10, § 5, à l'article 1675/12 ou à l'article 1675/13, le juge, sur requête du médiateur de dettes, délivre un titre exécutoire pour la provision qu'il détermine ou pour le montant des honoraires, émoluments et frais qu'il fixe. S'il échet, il entend au préalable en chambre du conseil, les observations du débiteur, des créanciers, et du médiateur de dettes. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel. A chaque demande du médiateur de dettes est joint un décompte détaillé des prestations à rémunérer et des frais exposés ou à exposer. ".
" Saisies conservatoires, voies d'exécution et règlement collectif de dettes. ".
§ 2. Il est inséré dans la cinquième partie du même Code un titre IV intitulé " Du règlement collectif de dettes " comprenant les articles 1675/2 à 1675/19, libellés comme suit :
" CHAPITRE I. - De la procédure de règlement collectif de dettes. ".
" Section 1. - Dispositions générales. ".
" Art. 1675/2. Toute personne physique domiciliée en Belgique, qui n'a pas la qualité de commerçant au sens de l'article 1er du Code de commerce, peut, si elle n'est pas en état, de manière durable, de payer ses dettes exigibles ou encore à échoir et dans la mesure où elle n'a pas manifestement organisé son insolvabilité, introduire devant le juge une requête visant à obtenir un règlement collectif de dettes.
Si la personne visée à l'alinéa 1er a eu autrefois la qualité de commerçant, elle ne peut introduire cette requête que six mois au moins après la cessation de son commerce ou, si elle a été déclarée en faillite, après la clôture de la faillite.
La personne dont le plan de règlement amiable ou judiciaire a été révoqué en application de l'article 1675/15, § 1er, premier alinéa, 1° et 3° à 5°, ne peut introduire une requête visant à obtenir un règlement collectif de dettes, pendant une période de cinq ans à dater du jugement de révocation. ".
" Art. 1675/3. Le débiteur propose à ses créanciers de conclure un plan de règlement amiable par la voie d'un règlement collectif de dettes, sous le contrôle du juge.
Si aucun accord n'est atteint quant à ce plan de règlement amiable, le juge peut imposer un plan de règlement judiciaire.
Le plan de règlement a pour objet de rétablir la situation financière du débiteur, en lui permettant notamment dans la mesure du possible de payer ses dettes et en lui garantissant simultanément ainsi qu'à sa famille, qu'ils pourront mener une vie conforme à la dignité humaine. ".
" Section 2. - Introduction de la procédure. ".
" Art. 1675/4. § 1er. La demande de règlement collectif de dettes est introduite par requête et instruite conformément aux articles 1027 à 1034.
§ 2. La requête contient les mentions suivantes :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° les nom, prénoms, date de naissance, profession et domicile du requérant, ainsi que, le cas échéant, les nom, prénoms, domicile et qualité de ses représentants légaux;
3° l'objet et l'indication sommaire des motifs de la demande;
4° la désignation du juge qui doit en connaître;
5° l'identité du médiateur de dettes éventuellement proposé;
6° les nom, prénoms, profession, domicile et date de naissance du conjoint du requérant ou de la ou des personnes cohabitant avec le requérant, le cas échéant, leur régime matrimonial ainsi que la composition du ménage;
7° un état détaillé et estimatif des éléments actifs et passifs du patrimoine du requérant, du patrimoine commun s'il est marié sous un régime de communauté et du patrimoine du conjoint ou de la ou des personnes cohabitant avec lui;
8° un état détaillé et estimatif des biens faisant partie des patrimoines visés au 7°, aliénés au cours des six mois précédant l'introduction de la requête;
9° les nom, prénoms et domicile ou, s'il s'agit d'une personne morale, la dénomination et le siège, des créanciers du requérant et le cas échéant, des débiteurs du requérant et des personnes qui ont constitué pour lui une sûreté personnelle;
10° le cas échéant, les dettes contestées en tout ou en partie ainsi que les motifs de contestation;
11° les procédures d'octroi de délais de grâce visées à l'article 1334, d'octroi de facilités de paiement visées à l'article 1337bis et à l'article 59, § 1er, alinéa 2, de la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire dans lesquelles le requérant est engagé;
12° les raisons de l'impossibilité de rembourser ses dettes;
13° la signature du requérant ou de son avocat.
§ 3. Si les mentions sont incomplètes, le juge invite le requérant dans les huit jours à compléter sa requête. ".
" Art. 1675/5. Les procédures visées à l'article 1675/4, § 2, 11°, sont suspendues, tant qu'il n'a pas été statué sur l'admissibilité de la demande visant à obtenir un règlement collectif de dettes.
La décision d'admissibilité emporte de plein droit radiation des demandes introduites sur la base des procédures visées à l'alinéa 1er. ".
" Art. 1675/6. § 1er. Sans préjudice de l'article 1028, alinéa 2, dans les huit jours du dépôt de la requête, le juge statue sur l'admissibilité de la demande. Si le juge demande au requérant de compléter sa requête conformément à l'article 1675/4, § 3, la décision sur l'admissibilité intervient dans les huit jours du dépôt au greffe de la requête complétée.
§ 2. Lorsqu'il déclare la demande admissible, le juge nomme dans sa décision un médiateur de dettes, moyennant l'accord de celui-ci, et, le cas échéant, un huissier de justice et/ou un notaire.
§ 3. Dans sa décision, le juge statue d'office sur l'octroi éventuel, en tout ou en partie, de l'assistance judiciaire.
§ 4. Le greffe notifie la décision aux greffes des juridictions près lesquelles les procédures visées à l'article 1675/5 sont pendantes. ".
" Art. 1675/7. § 1er. Sans préjudice de l'application du § 3, la décision d'admissibilité fait naître une situation de concours entre les créanciers et a pour conséquence la suspension du cours des intérêts et l'indisponibilité du patrimoine du requérant.
Font partie de la masse, tous les biens du requérant au moment de la décision, ainsi que les biens qu'il acquiert pendant l'exécution du règlement collectif de dettes.
§ 2. Toutes les voies d'exécution qui tendent au paiement d'une somme d'argent sont suspendues. Les saisies déjà pratiquées conservent cependant leur caractère conservatoire.
Si, antérieurement à la décision d'admissibilité, le jour de la vente forcée des meubles ou immeubles saisis a déjà été fixé et publié par les affiches, cette vente a lieu pour le compte de la masse.
§ 3. La décision d'admissibilité entraîne l'interdiction pour le requérant, sauf autorisation du juge :
- d'accomplir tout acte étranger à la gestion normale du patrimoine;
- d'accomplir tout acte susceptible de favoriser un créancier, sauf le paiement d'une dette alimentaire mais à l'exception des arriérés de celle-ci;
- d'aggraver son insolvabilité.
§ 4. Les effets de la décision d'admissibilité se prolongent jusqu'au rejet, jusqu'au terme ou jusqu'à la révocation du règlement collectif de dettes, sous réserve des stipulations du plan de règlement.
§ 5. Sans préjudice de l'application de l'article 1675/15, tout acte accompli par le débiteur au mépris des effets attachés à la décision d'admissibilité est inopposable aux créanciers.
§ 6. Les effets de la décision d'admissibilité prennent cours le premier jour qui suit l'établissement de l'avis de règlement collectif de dettes visé à l'article 1390quinquies. ".
" Art. 1675/8. A moins que cette mission ne lui ait été confiée par la décision d'admissibilité, le médiateur de dettes chargé d'une procédure de règlement amiable ou judiciaire des dettes peut s'adresser au juge, conformément à l'article 1675/14, § 2, alinéa 3, pour qu'il soit fait injonction au débiteur ou à un tiers de lui fournir tous renseignements utiles sur des opérations accomplies par le débiteur et sur la composition et la localisation du patrimoine de celui-ci.
En toute hypothèse. le tiers tenu au secret professionnel ou au devoir de réserve ne peut se prévaloir de celui-ci. Les articles 877 à 882 lui sont applicables. ".
" Art. 1675/9. § 1er. Dans les trois jours du prononcé de la décision d'admissibilité, celle-ci est notifiée sous pli judiciaire par le greffier :
1° au requérant en y joignant le texte de l'article 1675/7, ainsi qu'à son conjoint non requérant;
2° aux créanciers et aux personnes qui ont constitué une sûreté personnelle en y joignant copie de la requête et des pièces y annexées, un formulaire de déclaration de créance, le texte du § 2, du présent article ainsi que le texte de l'article 1675/7;
3° au médiateur de dettes en y joignant copie de la requête et les pièces y annexées;
4° aux débiteurs concernés en y joignant le texte de l'article 1675/7, et en les informant que dès la réception de la décision, tout paiement doit être effectué entre les mains du médiateur de dettes.
Cette notification vaut signification.
§ 2. La déclaration de créance doit être faite au médiateur de dettes dans le mois de l'envoi de la décision d'admissibilité, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par déclaration en ses bureaux avec accusé de réception daté et signé par le médiateur ou son mandataire.
Elle indique la nature de la créance, sa justification, son montant en principal, intérêts et frais, les causes éventuelles de préférence ainsi que les procédures auxquelles elle donnerait lieu. ".
" Section 3. - Plan de règlement amiable. ".
" Art. 1675/10. § 1er. Le médiateur de dettes prend connaissance au greffe, sans déplacement, des avis de saisie, de délégation et de cession établis au nom du débiteur.
§ 2. Le médiateur de dettes dresse un projet de plan de règlement amiable contenant les mesures nécessaires à la réalisation de l'objectif visé à l'article 1675/3, alinéa 3.
§ 3. Seules peuvent être reprises dans le plan de règlement amiable, les créances non contestées ou établies par un titre, même privé, à concurrence des sommes qui sont ainsi justifiées.
§ 4. Le médiateur de dettes adresse le projet de plan de règlement amiable par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception au requérant, le cas échéant à son conjoint, et aux créanciers.
Le plan doit être approuvé par toutes les parties intéressées. Tout contredit doit être formé, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par déclaration devant le médiateur de dettes, dans les deux mois de l'envoi du projet. A défaut de contredit formé dans les conditions et délai précités, les parties sont présumées consentir au plan.
L'article 51 n'est pas d'application.
L'avis adressé aux parties intéressées reproduit le texte de l'alinéa 2 du présent paragraphe.
§ 5. En cas d'approbation, le médiateur de dettes transmet au juge le plan de règlement amiable, le rapport de ses activités et les pièces du dossier.
Le juge statue sur pièces par une décision actant l'accord intervenu. L'article 1043, alinéa 2, est applicable. ".
" Section 4. - Plan de règlement judiciaire. ".
" Art. 1675/11. § 1er. Lorsque le médiateur constate qu'il n'est pas possible de conclure un accord sur un plan de règlement amiable et, en tout cas, lorsqu'il n'a pas été possible d'aboutir à un accord dans les quatre mois suivant sa désignation, il le consigne dans un procès-verbal qu'il transmet au juge en vue d'un éventuel (plan de règlement judiciaire.)
Le médiateur de dettes dépose au greffe le dossier de la procédure du règlement amiable auquel il joint ses observations.
§ 2. Le juge fixe l'audience à une date rapprochée. Le greffier convoque les parties et le médiateur de dettes par pli judiciaire. Le médiateur de dettes fait rapport. Le juge statue au plus tard dans les quinze jours suivant la clôture des débats.
§ 3. Lorsque l'existence ou le montant d'une créance est contesté, le juge fixe provisoirement, jusqu'à ce qu'il soit statué au fond, la partie du montant contesté qui doit être consignée, compte tenu également, le cas échéant, du dividende attribué sur la base du plan de règlement. Le cas échéant, les articles 661 et 662 sont applicables.
§ 4. Par dérogation aux articles 2028 à 2032 et 2039 du Code civil, les personnes qui ont constitué une sûreté personnelle n'ont de recours contre le débiteur que dans la mesure où elles participent au plan de règlement et dans le respect de celui-ci. ".
" Art. 1675/12. § 1er. Tout en respectant l'égalité des créanciers. le juge peut imposer un plan de règlement judiciaire pouvant comporter les mesures suivantes :
1° le report ou le rééchelonnement du paiement des dettes en principal, intérêts et frais;
2° la réduction des taux d'intérêt conventionnels au taux d'intérêt légal;
3° la suspension, pour la durée du plan de règlement judiciaire, de l'effet des sûretés réelles, sans que cette mesure ne puisse en compromettre l'assiette, de même que la suspension de l'effet des cessions de créance;
4° la remise de dettes totale ou partielle des intérêts moratoires, indemnités et frais.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui ne peut excéder cinq ans.
Le délai de remboursement des contrats de crédit peut être allongé. Dans ce cas, le nouveau délai de remboursement ne peut excéder la durée du plan de règlement, fixée par le juge, augmentée de la moitié de la durée restant à courir de ces contrats de crédit.
§ 3. Le juge subordonne ces mesures à l'accomplissement par le débiteur d'actes propres à faciliter ou à garantir le paiement de la dette. Il les subordonne également à l'abstention, par le débiteur, d'actes qui aggraveraient son insolvabilité.
§ 4. Sans préjudice de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence et dans le respect de l'article 1675/3, alinéa 3, le juge peut, lorsqu'il établit le plan, déroger aux articles 1409 à 1412 par décision spécialement motivée. ".
" Art. 1675/13. § 1er. Si les mesures prévues à l'article 1675/12, § 1er, ne permettent pas d'atteindre l'objectif visé à l'article 1673/3, alinéa 3, à la demande du débiteur, le juge peut décider toute autre remise partielle de dettes, même en capital, aux conditions suivantes :
- tous les biens saisissables sont réalisés à l'initiative du médiateur de dettes, conformément aux règles des exécutions forcées. La répartition a lieu dans le respect de l'égalité des créanciers, sans préjudice des causes légitimes de préférence;
- après réalisation des biens saisissables, le solde restant dû par le débiteur fait l'objet d'un plan de règlement dans le respect de l'égalité des créanciers, sauf en ce qui concerne les obligations alimentaires en cours visées à l'article 1412, alinéa 1er.
Sans préjudice de l'article 1675/15, § 2, la remise de dettes n'est acquise que lorsque le débiteur aura respecté le plan de règlement imposé par le juge et sauf retour à meilleure fortune du débiteur avant la fin du plan de règlement judiciaire.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui est comprise entre trois et cinq ans. L'article 51 n'est pas d'application.
§ 3. Le juge ne peut accorder de remise pour les dettes suivantes :
- les dettes alimentaires non échues au jour de la décision arrêtant le plan de règlement judiciaire;
- les dettes constituées d'indemnités accordées pour la réparation d'un préjudice corporel, causé par une infraction;
- les dettes d'un failli subsistant après la clôture de la faillite.
§ 4. Par dérogation au paragraphe précédent, le juge peut accorder la remise pour les dettes d'un failli, subsistant après une faillite dont la clôture a été prononcée en application de la loi du 18 avril 1851 sur les faillites, banqueroutes et sursis de paiement depuis plus de 10 ans au moment du dépôt de la requête visée à l'article 1675/4. Cette remise ne peut être accordée au failli qui a été condamné pour banqueroute simple ou frauduleuse.
§ 5. Sans préjudice de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence et dans le respect de l'article 1675/3, alinéa 3, le juge peut, lorsqu'il établit le plan, déroger aux articles 1409 à 1412 par décision spécialement motivée. ".
" Section (5). - Dispositions communes aux deux procédures. ".
" Art. 1675/14. § 1er. Le médiateur de dettes est chargé de suivre et de contrôler l'exécution des mesures prévues dans le plan de règlement amiable ou judiciaire.
Le débiteur informe sans délai le médiateur de dettes de tout changement intervenu dans sa situation patrimoniale après l'introduction de la requête visée à l'article 1675/4.
§ 2. La cause reste inscrite au rôle du juge des saisies, y compris en cas de décision d'admissibilité rendue en degré d'appel, jusqu'au terme ou la révocation du plan.
L'article 730, § 2, a, alinéa 1er, n'est pas d'application.
En cas de difficultés qui entravent l'exécution du plan ou en cas de survenance de faits nouveaux justifiant l'adaptation ou la révision du plan, le médiateur de dettes, le débiteur ou tout créancier intéressé, fait ramener la cause devant le juge par simple déclaration écrite déposée ou adressée au greffe.
Le greffier informe le débiteur et les créanciers de la date à laquelle la cause sera fixée devant le juge.
§ 3. Le médiateur de dettes fait mentionner sur l'avis de règlement collectif de dettes, le plan de règlement collectif, son rejet, son terme ou sa révocation. ".
" Art. 1675/15. § 1er. La révocation de la décision d'admissibilité ou du plan de règlement amiable ou judiciaire peut être prononcée par le juge devant lequel la cause est ramenée à la demande du médiateur de dettes ou d'un créancier intéressé par le biais d'une simple déclaration écrite déposée ou expédiée au greffe, lorsque le débiteur :
1° soit a remis des documents inexacts en vue d'obtenir ou conserver le bénéfice de la procédure de règlement collectif de dettes;
2° soit ne respecte pas ses obligations;
3° soit a fautivement augmenté son passif ou diminué son actif;
4° soit a organisé son insolvabilité;
5° soit a fait sciemment de fausses déclarations.
Le greffier informe le débiteur et les créanciers de la date à laquelle la cause est amenée devant le juge.
§ 2. Pendant une durée de cinq ans après la fin du plan de règlement amiable ou judiciaire comportant remise de dettes en principal, tout créancier peut demander au juge la révocation de celle-ci, en raison d'un acte accompli par le débiteur en fraude de ses droits.
§ 3. En cas de révocation, les créanciers recouvrent le droit d'exercer individuellement leur action sur les biens du débiteur pour la récupération de la partie non acquittée de leurs créances. ".
" Art. 1675/16. Les décisions du juge prises dans le cadre de la procédure de règlement collectif de dettes sont notifiées par le greffier, sous pli judiciaire.
Elles sont exécutoires par provision nonobstant appel et sans caution.
Sauf en ce qui concerne la décision d'admissibilité visée à l'article 1675/6, elles ne sont pas susceptibles de tierce-opposition.
Les jugements et arrêts rendus par défaut ne sont pas susceptibles d'opposition. ".
" CHAPITRE II. - Du médiateur des dettes. ".
" Art. 1675/17. § 1er. Peuvent seuls être désignés comme médiateurs de dettes :
- les avocats, les officiers ministériels ou les mandataires de justice dans l'exercice de leur profession ou de leur fonction;
- les institutions publiques ou les institutions privées agréées à cet effet par l'autorité compétente. Ces institutions font appel dans ce cadre à des personnes physiques répondant aux conditions fixées par l'autorité compétente.
§ 2. Le médiateur de dettes doit être indépendant et impartial à l'égard des parties concernées.
Le médiateur de dettes peut être récusé s'il existe des raisons légitimes de douter de son impartialité ou de son indépendance. Une partie ne peut récuser le médiateur de dettes proposé par elle que pour une cause ou un fait dont elle a eu connaissance après la désignation du médiateur de dettes. Aucune récusation ne peut être proposée après l'expiration du délai de déclaration de créance visé à l'article 1675/9, § 2, à moins que la cause de la récusation n'ait été révélée à la partie après ce délai. La procédure de récusation se déroule conformément aux articles 970 et 971.
§ 3. Le juge veille au respect des dispositions en matière de règlement collectif de dettes. S'il constate une négligence dans le chef du médiateur de dettes, il en informe le procureur du Roi, qui apprécie les suites disciplinaires qu'elle peut comporter, ou l'autorité compétente visée au § 1er, 2e tiret, du présent article.
Chaque année, chaque fois que le juge le demande et au terme du plan de règlement, le médiateur de dettes remet au juge un rapport sur l'état de la procédure et son évolution.
L'état des frais, honoraires ou émoluments, visés à l'article 1675/19, est inscrit au bas du rapport.
Le débiteur et les créanciers peuvent prendre connaissance de ce rapport au greffe et sans déplacement.
§ 4. En cas d'empêchement du médiateur de dettes, le juge pourvoit d'office à son remplacement. Le juge peut, soit d'office, soit à la demande de tout intéressé, procéder à tout moment au remplacement du médiateur de dettes, pour autant que cela s'avère absolument nécessaire. Le médiateur de dettes est préalablement convoqué en chambre du conseil pour y être entendu. ".
" Art. 1675/18. Sans préjudice des obligations que lui impose la loi et sauf lorsqu'il est appelé à témoigner en justice, le médiateur de dettes ne peut divulguer des faits dont il a eu connaissance de par sa fonction. L'article 458 du Code pénal lui est applicable. ".
" Art. 1675/19. Les règles et tarifs fixant les honoraires, émoluments et frais du médiateur de dettes sont déterminés par le Roi. Le Roi exerce ses pouvoirs sur la proposition conjointe des Ministres ayant la Justice et les Affaires économiques dans leurs attributions.
L'état d'honoraires, émoluments et frais du médiateur de dettes est à charge du débiteur et est payé par préférence.
A moins que ces mesures n'aient été arrêtées par la décision visée à l'article 1675/10, § 5, à l'article 1675/12 ou à l'article 1675/13, le juge, sur requête du médiateur de dettes, délivre un titre exécutoire pour la provision qu'il détermine ou pour le montant des honoraires, émoluments et frais qu'il fixe. S'il échet, il entend au préalable en chambre du conseil, les observations du débiteur, des créanciers, et du médiateur de dettes. La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel. A chaque demande du médiateur de dettes est joint un décompte détaillé des prestations à rémunérer et des frais exposés ou à exposer. ".
HOOFDSTUK III. - Andere wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek.
CHAPITRE III. - Autres modifications du Code judiciaire.
Art. 3. In artikel 1326, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "en de verkoop uit de hand vermeld in de artikelen 1580bis en 1580ter" ingevoegd tussen de woorden "De openbare verkopingen vermeld in artikel 1621" en het woord "brengen".
Art. 3. A l'article 1326, alinéa 1er, du même Code, les mots " et la vente de gré à gré mentionnée aux articles 1580bis et 1580ter " sont insérés entre les mots " les ventes publiques mentionnées à l'article 1621 " et " emportent de plein droit ".
Art. 4. Een artikel 1390quinquies, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek :
"Art. 1390quinquies. Binnen de vierentwintig uur na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid, wordt door de griffier een bericht van collectieve schuldenregeling opgemaakt om, desgevallend, te worden gevoegd bij de berichten van beslag bedoeld in artikel 1390. Het model van de berichten van collectieve schuldenregeling wordt door de Koning opgemaakt.".
"Art. 1390quinquies. Binnen de vierentwintig uur na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid, wordt door de griffier een bericht van collectieve schuldenregeling opgemaakt om, desgevallend, te worden gevoegd bij de berichten van beslag bedoeld in artikel 1390. Het model van de berichten van collectieve schuldenregeling wordt door de Koning opgemaakt.".
Art. 4. Un article 1390quinquies, rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
" Art. 1390quinquies. Dans les vingt-quatre heures du prononcé de la décision d'admissibilité, un avis de règlement collectif de dettes est établi par le greffier pour être joint, le cas échéant, aux avis de saisie visés à l'article 1390. Le modèle des avis de règlement collectif de dettes est établi par le Roi. ".
" Art. 1390quinquies. Dans les vingt-quatre heures du prononcé de la décision d'admissibilité, un avis de règlement collectif de dettes est établi par le greffier pour être joint, le cas échéant, aux avis de saisie visés à l'article 1390. Le modèle des avis de règlement collectif de dettes est établi par le Roi. ".
Art. 5. In artikel 1391 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "berichten van beslag, delegatie en overdracht" telkens vervangen door de woorden "berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling".
Art. 5. A l'article 1391 du même Code, les mots " avis de saisie, de délégation et de cession " sont remplacés chaque fois par les mots " avis de saisie, de délégation, de cession et de règlement collectif de dettes ".
Art. 6. Artikel 1564, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met het volgende lid :
"Het bevel brengt ter kennis van de schuldenaar dat hij aan de rechter elk aankoopbod uit de hand van zijn onroerend goed kan overmaken binnen de acht dagen van het betekenen van het exploot van beslaglegging.".
"Het bevel brengt ter kennis van de schuldenaar dat hij aan de rechter elk aankoopbod uit de hand van zijn onroerend goed kan overmaken binnen de acht dagen van het betekenen van het exploot van beslaglegging.".
Art. 6. L'article 1564, du même Code, est complété par l'alinéa suivant :
" Le commandement informe le débiteur qu'il peut transmettre au juge toute offre d'achat de gré à gré de son immeuble dans les huit jours de la signification de l'exploit de saisie. ".
" Le commandement informe le débiteur qu'il peut transmettre au juge toute offre d'achat de gré à gré de son immeuble dans les huit jours de la signification de l'exploit de saisie. ".
Art. 7. In artikel 1567, tweede lid, worden tussen de woorden "hetzij uit hoofde van een verzoek om uitstel," en de woorden "kan de vervolger" de woorden "hetzij uit hoofde van een procedure van collectieve schuldenregeling," ingevoegd.
Art. 7. A l'article 1567, alinéa 2, les mots " soit d'une procédure de règlement collectif de dettes, " sont insérés entre les mots " soit d'une demande de délais, " et les mots " le poursuivant ".
Art. 8. Artikel 1568, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met een 4°, luidend als volgt :
"4° de vermelding van de mogelijkheid die de schuldenaar geboden wordt, om binnen de acht dagen die volgen op het betekenen van het exploot van beslaglegging, op straffe van onontvankelijkheid, aan de rechter elk aankoopbod uit de hand van zijn onroerend goed over te maken.".
"4° de vermelding van de mogelijkheid die de schuldenaar geboden wordt, om binnen de acht dagen die volgen op het betekenen van het exploot van beslaglegging, op straffe van onontvankelijkheid, aan de rechter elk aankoopbod uit de hand van zijn onroerend goed over te maken.".
Art. 8. L'article 1568, du même Code, est complété par un 4°, rédigé comme suit :
" 4° l'indication de la faculté offerte au débiteur de transmettre au juge, à peine d'irrecevabilité, dans les huit jours qui suivent la signification de l'exploit de saisie, toute offre d'achat de gré à gré de son immeuble. ".
" 4° l'indication de la faculté offerte au débiteur de transmettre au juge, à peine d'irrecevabilité, dans les huit jours qui suivent la signification de l'exploit de saisie, toute offre d'achat de gré à gré de son immeuble. ".
Art. 9. In artikel 1580, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden tussen de woorden "de veiling" en "van de in beslag genomen goederen" de woorden "of de verkoop uit de hand" ingevoegd.
Art. 9. A l'article 1580, alinéa 1er, du même Code, les mots " ou à la vente de gré à gré " sont insérés entre les mots " à l'adjudication " et les mots " des biens saisis ".
Art. 10. Een artikel 1580bis, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek :
"Art. 1580bis. Indien het belang van de partijen zulks vereist, kan de rechter de verkoop uit de hand bevelen.
Bij tegeldemaking van het onroerend goed dat als hoofdverblijf van de schuldenaar dient, kan de rechter bovendien als verkrijger de persoon aanduiden die aan de schuldenaar het gebruik van zijn woning laat.
De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een exploot van beslaglegging hebben laten overschrijven, de beslagene en desgevallend de derde houder moeten worden gehoord of bij gerechtsbrief behoorlijk worden opgeroepen.
De beschikking moet aangeven om welke redenen de verkoop uit de hand en, desgevallend, de aanduiding van de verkrijger overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en desgevallend van de derde houder, dienen.
Bij het aanwenden van deze verkoopsvorm kan een minimumprijs worden opgelegd.
De verkoop moet geschieden binnen de vastgestelde termijn en door het ambt van de notaris die bij de beschikking is benoemd.
Alle nietigheden die een voorgaande procedurehandeling zouden aantasten worden gedekt door de beschikking.
De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.".
"Art. 1580bis. Indien het belang van de partijen zulks vereist, kan de rechter de verkoop uit de hand bevelen.
Bij tegeldemaking van het onroerend goed dat als hoofdverblijf van de schuldenaar dient, kan de rechter bovendien als verkrijger de persoon aanduiden die aan de schuldenaar het gebruik van zijn woning laat.
De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een exploot van beslaglegging hebben laten overschrijven, de beslagene en desgevallend de derde houder moeten worden gehoord of bij gerechtsbrief behoorlijk worden opgeroepen.
De beschikking moet aangeven om welke redenen de verkoop uit de hand en, desgevallend, de aanduiding van de verkrijger overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en desgevallend van de derde houder, dienen.
Bij het aanwenden van deze verkoopsvorm kan een minimumprijs worden opgelegd.
De verkoop moet geschieden binnen de vastgestelde termijn en door het ambt van de notaris die bij de beschikking is benoemd.
Alle nietigheden die een voorgaande procedurehandeling zouden aantasten worden gedekt door de beschikking.
De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.".
Art. 10. Un article 1580bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
" Art. 1580bis. Lorsque l'intérêt des parties le requiert, le juge peut ordonner la vente de gré à gré.
En cas de réalisation de l'immeuble servant d'habitation principale au débiteur, le juge peut en outre désigner comme acquéreur, la personne qui laisse au débiteur l'usage de son habitation.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie, le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être entendus ou dûment appelés par pli judiciaire.
L'ordonnance doit indiquer les raisons pour lesquelles la vente de gré à gré et le cas échéant, la désignation de l'acquéreur conformément à l'alinéa 2 du présent article, servent l'intérêt des créanciers, du débiteur et le cas échéant, du tiers détenteur.
Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
La vente doit avoir lieu dans le délai fixé et par le ministère du notaire commis par l'ordonnance.
Toutes nullités qui entacheraient un acte de procédure antérieur sont couvertes par l'ordonnance.
La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel. ".
" Art. 1580bis. Lorsque l'intérêt des parties le requiert, le juge peut ordonner la vente de gré à gré.
En cas de réalisation de l'immeuble servant d'habitation principale au débiteur, le juge peut en outre désigner comme acquéreur, la personne qui laisse au débiteur l'usage de son habitation.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie, le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être entendus ou dûment appelés par pli judiciaire.
L'ordonnance doit indiquer les raisons pour lesquelles la vente de gré à gré et le cas échéant, la désignation de l'acquéreur conformément à l'alinéa 2 du présent article, servent l'intérêt des créanciers, du débiteur et le cas échéant, du tiers détenteur.
Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
La vente doit avoir lieu dans le délai fixé et par le ministère du notaire commis par l'ordonnance.
Toutes nullités qui entacheraient un acte de procédure antérieur sont couvertes par l'ordonnance.
La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel. ".
Art. 11. Een artikel 1580ter, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek :
"Art. 1580ter. Wanneer de beslagleggende schuldeiser machtiging vraagt om uit de hand te verkopen, legt hij de rechter een door een notaris opgesteld ontwerp van verkoopakte voor en zet de redenen uiteen waarom de verkoop uit de hand geboden is.
De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een beslag hebben laten overschrijven, de beslagene en desgevallend de derde houder moeten worden gehoord of bij gerechtsbrief behoorlijk worden opgeroepen.
De machtiging wordt verleend indien het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder zulks vereist.
De beschikking moet aangeven om welke redenen de verkoop uit de hand het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder, dient.
Bij het aanwenden van deze verkoopsvorm kan een minimumprijs worden opgelegd.
De verkoop moet geschieden, binnen de vastgestelde termijn, door het ambt van de notaris die bij de beschikking is benoemd en overeenkomstig het ontwerp van verkoopakte dat aan de rechter is voorgelegd.
Alle nietigheden die een voorgaande procedurehandeling zouden aantasten worden gedekt door de beschikking.
De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.".
"Art. 1580ter. Wanneer de beslagleggende schuldeiser machtiging vraagt om uit de hand te verkopen, legt hij de rechter een door een notaris opgesteld ontwerp van verkoopakte voor en zet de redenen uiteen waarom de verkoop uit de hand geboden is.
De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een beslag hebben laten overschrijven, de beslagene en desgevallend de derde houder moeten worden gehoord of bij gerechtsbrief behoorlijk worden opgeroepen.
De machtiging wordt verleend indien het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder zulks vereist.
De beschikking moet aangeven om welke redenen de verkoop uit de hand het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder, dient.
Bij het aanwenden van deze verkoopsvorm kan een minimumprijs worden opgelegd.
De verkoop moet geschieden, binnen de vastgestelde termijn, door het ambt van de notaris die bij de beschikking is benoemd en overeenkomstig het ontwerp van verkoopakte dat aan de rechter is voorgelegd.
Alle nietigheden die een voorgaande procedurehandeling zouden aantasten worden gedekt door de beschikking.
De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.".
Art. 11. Un article 1580ter, rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
" Art. 1580ter. Dans le cas où le créancier saisissant sollicite l'autorisation de vente de gré à gré, il soumet au juge un projet d'acte de vente établi par un notaire, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s'impose.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou une saisie, ainsi que le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être entendus ou dûment appelés par pli judiciaire.
L'autorisation est accordée si l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur le requiert.
L'ordonnance doit indiquer les raisons pour lesquelles la vente de gré à gré sert l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur.
Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
La vente doit avoir lieu, dans le délai fixé. par le ministère du notaire commis par l'ordonnance et conformément au projet d'acte de vente soumis au juge.
Toutes nullités qui entacheraient un acte de procédure antérieur sont couvertes par l'ordonnance.
La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel. ".
" Art. 1580ter. Dans le cas où le créancier saisissant sollicite l'autorisation de vente de gré à gré, il soumet au juge un projet d'acte de vente établi par un notaire, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s'impose.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou une saisie, ainsi que le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être entendus ou dûment appelés par pli judiciaire.
L'autorisation est accordée si l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur le requiert.
L'ordonnance doit indiquer les raisons pour lesquelles la vente de gré à gré sert l'intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur.
Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
La vente doit avoir lieu, dans le délai fixé. par le ministère du notaire commis par l'ordonnance et conformément au projet d'acte de vente soumis au juge.
Toutes nullités qui entacheraient un acte de procédure antérieur sont couvertes par l'ordonnance.
La décision n'est susceptible ni d'opposition ni d'appel. ".
Art. 12. Een artikel 1580quater, luidend als volgt, wordt ingevoegd in hetzelfde Wetboek :
"Art. 1580quater. Wanneer artikel 1580bis of artikel 1580ter wordt toegepast, blijft de zaak ingeschreven op de rol tot het verlijden van de notariële akte. Bij moeilijkheden kan zij opnieuw voor de rechter gebracht worden door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden.
Bij weigering van toelating tot verkoop uit de hand of bij het niet plaats vinden ervan benoemt de rechter een notaris belast met de veiling van de goederen en met de verrichtingen tot rangregeling.".
"Art. 1580quater. Wanneer artikel 1580bis of artikel 1580ter wordt toegepast, blijft de zaak ingeschreven op de rol tot het verlijden van de notariële akte. Bij moeilijkheden kan zij opnieuw voor de rechter gebracht worden door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden.
Bij weigering van toelating tot verkoop uit de hand of bij het niet plaats vinden ervan benoemt de rechter een notaris belast met de veiling van de goederen en met de verrichtingen tot rangregeling.".
Art. 12. Un article 1580quater, rédigé comme suit. est inséré dans le même Code :
" Art. 1580quater. Lorsqu'il est fait application de l'article 1580bis ou de l'article 1580ter, la cause reste inscrite au rôle jusqu'à la passation de l'acte notarié. En cas de difficultés, elle peut être ramenée devant le juge par simple déclaration écrite déposée ou adressée au greffe.
En cas de refus d'autorisation de vente de gré à gré ou de non réalisation de celle-ci, le juge nomme un notaire chargé de procéder à l'adjudication des biens et aux opérations d'ordre. ".
" Art. 1580quater. Lorsqu'il est fait application de l'article 1580bis ou de l'article 1580ter, la cause reste inscrite au rôle jusqu'à la passation de l'acte notarié. En cas de difficultés, elle peut être ramenée devant le juge par simple déclaration écrite déposée ou adressée au greffe.
En cas de refus d'autorisation de vente de gré à gré ou de non réalisation de celle-ci, le juge nomme un notaire chargé de procéder à l'adjudication des biens et aux opérations d'ordre. ".
Art. 13. In artikel 1581, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden tussen de woorden "de veiling" en "van de in beslag genomen goederen" de woorden "of de verkoop uit de hand" ingevoegd.
Art. 13. A l'article 1581, alinéa 1er, du même Code. les mots " ou à la vente de gré à gré ", sont insérés entre les mots " à l'adjudication " et les mots " des biens saisis ".
HOOFDSTUK IV. - Diverse wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE IV. - Diverses dispositions modificatives.
Art. 14. Artikel 69, § 4, eerste lid, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, gewijzigd door artikel 3, 2°, van de wet van 6 juli 1992, wordt aangevuld met een 8° luidend als volgt :
"8° de schuldbemiddelaar bij de uitvoering van zijn opdracht in het kader van een collectieve schuldenregeling, zoals bedoeld in de artikelen 1675/2 tot 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek.".
"8° de schuldbemiddelaar bij de uitvoering van zijn opdracht in het kader van een collectieve schuldenregeling, zoals bedoeld in de artikelen 1675/2 tot 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art. 14. L'article 69, § 4, premier alinéa, de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation, modifié par l'article 3, 2°, de la loi du 6 juillet 1992, est complété par un 8° rédigé comme suit :
" 8° au médiateur de dettes dans l'exercice de sa mission dans le cadre d'un règlement collectif de dettes, visé aux articles 1675/2 à 1675/19 du Code judiciaire. ".
" 8° au médiateur de dettes dans l'exercice de sa mission dans le cadre d'un règlement collectif de dettes, visé aux articles 1675/2 à 1675/19 du Code judiciaire. ".
Art. 15. In het Burgerlijk Wetboek wordt een artikel 2276quater ingevoegd luidend als volgt :
"Art. 2276quater. De schuldbemiddelaars zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid vijf jaar na het beëindigen van hun taak.".
"Art. 2276quater. De schuldbemiddelaars zijn ontlast van hun beroepsaansprakelijkheid vijf jaar na het beëindigen van hun taak.".
Art. 15. Il est inséré un article 2276quater dans le Code civil libellé comme suit :
" Art. 2276quater. Les médiateurs de dettes sont déchargés de leur responsabilité professionnelle cinq ans après la fin de leur mission. ".
" Art. 2276quater. Les médiateurs de dettes sont déchargés de leur responsabilité professionnelle cinq ans après la fin de leur mission. ".
Art. 16. Artikel 162 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt aangevuld met een 46°, luidend als volgt :
"46° de akten, vonnissen en arresten, betreffende de procedure van collectieve schuldenregeling ingesteld overeenkomstig de artikelen 1675/2 tot en met 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek.".
"46° de akten, vonnissen en arresten, betreffende de procedure van collectieve schuldenregeling ingesteld overeenkomstig de artikelen 1675/2 tot en met 1675/19 van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art. 16. L'article 162 du Code des droits d'enregistrement. d'hypothèque et de greffe est complété par un 46° rédige comme suit :
" 46° les actes, jugements et arrêts relatifs à la procédure de règlement collectif de dettes visée aux articles 1675/2 à 1675/19 du Code judiciaire. ".
" 46° les actes, jugements et arrêts relatifs à la procédure de règlement collectif de dettes visée aux articles 1675/2 à 1675/19 du Code judiciaire. ".
Art. 17. Artikel 99 van de hypotheekwet van 16 december 1851 wordt aangevuld met het volgende lid :
"In de aanmaning wordt de mogelijkheid van de derde-bezitter vermeld om, op straffe van onontvankelijkheid, binnen de acht dagen die volgen op de betekening van het op hem verrichte beslag, aan de rechter ieder koopaanbod uit de hand van zijn onroerend goed over te maken.".
"In de aanmaning wordt de mogelijkheid van de derde-bezitter vermeld om, op straffe van onontvankelijkheid, binnen de acht dagen die volgen op de betekening van het op hem verrichte beslag, aan de rechter ieder koopaanbod uit de hand van zijn onroerend goed over te maken.".
Art. 17. L'article 99 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851 est complété par l'alinéa suivant :
" Mention est faite dans la sommation de la faculté offerte au tiers détenteur de transmettre au juge, à peine d'irrecevabilité, dans les huit jours qui suivent la signification de la saisie faite sur lui, toute offre d'achat de gré à gré de son immeuble. ".
" Mention est faite dans la sommation de la faculté offerte au tiers détenteur de transmettre au juge, à peine d'irrecevabilité, dans les huit jours qui suivent la signification de la saisie faite sur lui, toute offre d'achat de gré à gré de son immeuble. ".
Art. 18. Artikel 97 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn wordt aangevuld met een derde lid, luidend als volgt :
"Het voorgaande lid heeft geen toepassing op de door een OCMW, bij toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, gemaakte kosten inzake schuldbemiddeling.".
"Het voorgaande lid heeft geen toepassing op de door een OCMW, bij toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, gemaakte kosten inzake schuldbemiddeling.".
Art. 18. L'article 97 de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale est complété par un alinéa 3, libellé comme suit :
" L'alinéa précédent ne s'applique pas aux frais exposés par le C.P.A.S. dans le cadre de la médiation de dettes, en application de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis. ".
" L'alinéa précédent ne s'applique pas aux frais exposés par le C.P.A.S. dans le cadre de la médiation de dettes, en application de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis. ".
HOOFDSTUK V. - (Centrale voor kredieten aan particulieren) van de Nationale Bank van België.
CHAPITRE V. - (Centrale des crédits aux particuliers) de la Banque nationale de Belgique.
Art. 19. § 1. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de gegevens met betrekking tot de berichten van collectieve schuldenregeling, die in de (Centrale voor kredieten aan particulieren van de Nationale Bank van België moeten worden geregistreerd, evenals de personen die ertoe gehouden zijn deze gegevens te sturen naar deze Centrale voor Kredieten). <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 2. Deze gegevens moeten overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels worden ingezien door de personen bedoeld in artikel 69, § 4, eerste lid, 1°, 2°, 3° en 5°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, gewijzigd door artikel 3, 2°, van de wet van 6 juli 1992 (...) <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
De aanvragen tot raadpleging moeten de personen individualiseren op wie de raadpleging betrekking heeft aan de hand van hun [1 identificatienummer van het Rijksregister,]1 naam, voornaam, en geboortedatum.
§ 3. Deze gegevens mogen enkel gebruikt worden in het raam van :
1° het verstrekken, het beheer of het uitvoeren van kredietovereenkomsten of betalingsmiddelen, of
2° de opdracht toevertrouwd aan een schuldbemiddelaar krachtens een procedure van collectieve schuldenregeling.
Zodra zij verkregen zijn mogen zij niet meer medegedeeld worden aan andere personen.
§ 4. Deze gegevens moeten worden uitgewist wanneer het behoud ervan in de (Centrale voor kredieten aan particulieren) niet meer verantwoord is. De Koning bepaalt een termijn voor de bewaring van de gegevens of van categorieën van gegevens. <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 5. De Nationale Bank van België kan, met het akkoord van de Minister van Financiën en van de Minister van Economische Zaken, de bedragen vaststellen die haar verschuldigd zijn uit hoofde van de kosten met betrekking tot de raadpleging van deze gegevens.
§ 6. De buitenlandse risicocentrales die belast zijn met een gelijkaardige opdracht kunnen eveneens de gegevens verworven door de (Centrale voor kredieten aan particulieren) ontvangen. <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 7. De Koning (oefent de bevoegdheden uit), Hem toegekend bij dit artikel, op de gezamenlijke voordracht van de ministers die Financiën, Economische Zaken en Justitie onder hun bevoegdheid hebben, na raadpleging van de Nationale Bank van België en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
§ 2. Deze gegevens moeten overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels worden ingezien door de personen bedoeld in artikel 69, § 4, eerste lid, 1°, 2°, 3° en 5°, van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, gewijzigd door artikel 3, 2°, van de wet van 6 juli 1992 (...) <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
De aanvragen tot raadpleging moeten de personen individualiseren op wie de raadpleging betrekking heeft aan de hand van hun [1 identificatienummer van het Rijksregister,]1 naam, voornaam, en geboortedatum.
§ 3. Deze gegevens mogen enkel gebruikt worden in het raam van :
1° het verstrekken, het beheer of het uitvoeren van kredietovereenkomsten of betalingsmiddelen, of
2° de opdracht toevertrouwd aan een schuldbemiddelaar krachtens een procedure van collectieve schuldenregeling.
Zodra zij verkregen zijn mogen zij niet meer medegedeeld worden aan andere personen.
§ 4. Deze gegevens moeten worden uitgewist wanneer het behoud ervan in de (Centrale voor kredieten aan particulieren) niet meer verantwoord is. De Koning bepaalt een termijn voor de bewaring van de gegevens of van categorieën van gegevens. <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 5. De Nationale Bank van België kan, met het akkoord van de Minister van Financiën en van de Minister van Economische Zaken, de bedragen vaststellen die haar verschuldigd zijn uit hoofde van de kosten met betrekking tot de raadpleging van deze gegevens.
§ 6. De buitenlandse risicocentrales die belast zijn met een gelijkaardige opdracht kunnen eveneens de gegevens verworven door de (Centrale voor kredieten aan particulieren) ontvangen. <W 2005-12-13/35, art. 23, 004; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
§ 7. De Koning (oefent de bevoegdheden uit), Hem toegekend bij dit artikel, op de gezamenlijke voordracht van de ministers die Financiën, Economische Zaken en Justitie onder hun bevoegdheid hebben, na raadpleging van de Nationale Bank van België en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Art. 19. § 1er. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les données des avis de règlement collectif de dettes (qui doivent être enregistrées dans la Centrale des crédits aux particuliers de la Banque Nationale de Belgique, ainsi que les personnes tenues de transmettre ces données à ladite Centrale des Crédits). <L 2005-12-13/35, art. 23, 004; En vigueur : 31-12-2005>
§ 2. Ces données doivent être consultées, selon les modalités fixées par le Roi, par les personnes visées à l'article 69, § 4, alinéa 1er, 1°, 2°, 3° et 5°, de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation, modifié par l'article 3, 2°, de la loi du 6 juillet 1992 (...). <L 2005-12-13/35, art. 23, 004; En vigueur : 31-12-2005>
Les demandes de consultation doivent individualiser les personnes sur lesquelles elles portent par leurs [1 numéro d'identification du Registre national,]1 nom, prénom, et date de naissance.
§ 3. Ces données ne peuvent être utilisées que dans le cadre de :
1° l'octroi, la gestion, ou l'exécution de contrats de crédit ou de moyens de paiement, ou;
2° la mission confiée au médiateur de dettes en vertu de la procédure de règlement collectif de dettes.
Une fois reçues. elles ne peuvent plus être communiquées à d'autres personnes.
§ 4. Ces données doivent être effacées lorsque leur maintien dans la (Centrale des crédits aux particuliers) a cessé de se justifier. Le Roi fixe un délai pour la conservation des données ou des catégories de données. <L 2005-12-13/35, art. 23, 004; En vigueur : 31-12-2005>
§ 5. La Banque nationale de Belgique peut, moyennant l'accord du Ministre des Finances et du Ministre des Affaires économiques, fixer les montants qui lui sont dus du chef des frais concernant la consultation des données.
§ 6. Les centrales de risques étrangères qui sont chargées d'une mission similaire peuvent également recevoir les données recueillies par la (Centrale des crédits aux particuliers). <L 2005-12-13/35, art. 23, 004; En vigueur : 31-12-2005>
§ 7. Le Roi exerce les pouvoirs qui Lui sont conférés par le présent article, sur la proposition conjointe des ministres ayant les Finances, les Affaires économiques et la Justice dans leurs attributions, après consultation de la Banque nationale de Belgique et de la Commission de la protection de la vie privée.
§ 2. Ces données doivent être consultées, selon les modalités fixées par le Roi, par les personnes visées à l'article 69, § 4, alinéa 1er, 1°, 2°, 3° et 5°, de la loi du 12 juin 1991 relative au crédit à la consommation, modifié par l'article 3, 2°, de la loi du 6 juillet 1992 (...). <L 2005-12-13/35, art. 23, 004; En vigueur : 31-12-2005>
Les demandes de consultation doivent individualiser les personnes sur lesquelles elles portent par leurs [1 numéro d'identification du Registre national,]1 nom, prénom, et date de naissance.
§ 3. Ces données ne peuvent être utilisées que dans le cadre de :
1° l'octroi, la gestion, ou l'exécution de contrats de crédit ou de moyens de paiement, ou;
2° la mission confiée au médiateur de dettes en vertu de la procédure de règlement collectif de dettes.
Une fois reçues. elles ne peuvent plus être communiquées à d'autres personnes.
§ 4. Ces données doivent être effacées lorsque leur maintien dans la (Centrale des crédits aux particuliers) a cessé de se justifier. Le Roi fixe un délai pour la conservation des données ou des catégories de données. <L 2005-12-13/35, art. 23, 004; En vigueur : 31-12-2005>
§ 5. La Banque nationale de Belgique peut, moyennant l'accord du Ministre des Finances et du Ministre des Affaires économiques, fixer les montants qui lui sont dus du chef des frais concernant la consultation des données.
§ 6. Les centrales de risques étrangères qui sont chargées d'une mission similaire peuvent également recevoir les données recueillies par la (Centrale des crédits aux particuliers). <L 2005-12-13/35, art. 23, 004; En vigueur : 31-12-2005>
§ 7. Le Roi exerce les pouvoirs qui Lui sont conférés par le présent article, sur la proposition conjointe des ministres ayant les Finances, les Affaires économiques et la Justice dans leurs attributions, après consultation de la Banque nationale de Belgique et de la Commission de la protection de la vie privée.
Wijzigingen
HOOFDSTUK VI. - [1 FOD Economie]1
CHAPITRE VI. - [1 SPF Economie]1
Art. 20. [1 § 1. De FOD Economie wordt belast met de betaling van :
1° het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaars, voor de verrichtingen, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Vijfde Deel, Titel IV, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren gericht tot de personen bedoeld in deze wet met betrekking tot de doelstellingen en de werking van deze wet, en meer in het algemeen, de financiering van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren omtrent schuldoverlast. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de modaliteiten en de nadere regels betreffende de toekenning van de middelen van de FOD Economie die worden gebruikt voor deze maatregelen inzake informatie en sensibiliseren;
3° het gedeelte van de erelonen, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaars dat door de rechter bepaald is overeenkomstig artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek;
4° de inrichtings- en werkingskosten van de FOD Economie, van de kosten van het administratieve personeel en van het controlepersoneel toegewezen voor de uitvoering van de opdrachten bedoeld in deze paragraaf.
5° [4 ...]4
§ 2. [5 Om de tussenkomst van de FOD Economie te verkrijgen, delen de schuldbemiddelaars aan de FOD Economie hun aanvraag tot betaling mee, met vermelding van het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van hun ereloon, de emolumenten en de kosten voor de verrichtingen uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Vijfde Deel, Titel IV, van het Gerechtelijk Wetboek. Deze aanvraag bevat de volgende stukken en gegevens :
1° het bevel van tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek en waar nodig een afschrift van de verslagen, bedoeld in artikel 1675/17, § 3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° voor de bedragen die door de rechter niet ten laste zijn gelegd aan de FOD Economie, het bewijs van het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de toepassing van deze wet worden de gerechtelijke beslissingen die verwijzen naar het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast geacht te verwijzen naar de FOD Economie;
3° de naam van de consument voor wie hij tussenkomt, het bedrag van het onbetaald gebleven saldo evenals het gerechtelijk arrondissement binnen hetwelk de uitvoerbare titel bedoeld in artikel 1675/19, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek werd afgeleverd;
4° het rekeningnummer waarop de betaling door de FOD Economie gebeurt;
5° elke inlichting die van aard is om de aanvraag tot betaling te staven.
De FOD Economie controleert naar vorm en inhoud de aanvraag tot betaling van de schuldbemiddelaar. Wanneer de aanvraag niet volledig is, deelt de FOD zulks mee aan de schuldbemiddelaar met vermelding van de ontbrekende stukken en gegevens. De aanvraag wordt geacht volledig te zijn op de dag dat de FOD Economie alle ontbrekende gegevens en documenten heeft ontvangen.
De betaling door de FOD Economie gebeurt binnen de drie maanden nadat de volledige aanvraag bij de FOD is toegekomen. Indien de betaling niet kan plaatsvinden binnen de drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag, wordt dit meegedeeld aan de schuldbemiddelaar.]5
Wanneer de lopende middelen van de FOD Economie een tekort vertonen voor het lopende begrotingsjaar, worden de betalingen bedoeld bij het derde lid, overgedragen naar het volgende begrotingsjaar. Zij worden bij voorrang vereffend.
Wanneer ingevolge een materiële vergissing blijkt dat de FOD tot een niet-verschuldigde betaling is overgegaan, vordert hij de terugbetaling van de niet-verschuldigde sommen. Wanneer ingevolge bedrog, list of valse verklaring vanwege de schuldbemiddelaar blijkt dat het FOD Economie tot een niet-verschuldigde betaling is overgegaan, vordert het de terugbetaling van de niet-verschuldigde sommen, verhoogd met een nalatigheidsintrest die berekend wordt tegen de wettelijke intrestvoet te rekenen vanaf de dag van de betaling van deze sommen. In voorkomend geval zijn de artikelen 1289 tot 1299 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
§ 3. Om de uitgaven van de FOD Economie te stijven, zijn gehouden een jaarlijkse bijdrage te betalen :
1° de kredietgevers. Worden als kredietgevers beschouwd, de ondernemingen die onderworpen zijn [2 aan Titel 4, Hoofdstuk 4]2, afdeling 1 tot 3, van boek VII van het Wetboek van economisch recht;
2° het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) voor rekening van de operatoren die activiteiten uitoefenen bedoeld in artikel 2, 4° en 5°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
3° de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) voor rekening van de ondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
4° de Kansspelcommissie voor rekening van de kansspelinrichtingen bedoeld in de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.
De jaarlijkse bijdrage is eenmalig en ondeelbaar verschuldigd. De bijdrageplichtigen zijn ertoe gehouden op verzoek van de FOD Economie, de verschuldigde bijdragen over te schrijven op de ontvangstenrekening van de FOD. Het verzoek gebeurt bij een aangetekende zending. De bijdrageplichtigen maken de bijdragen over ten laatste binnen de maand vanaf de dag die volgt op de afgifte van de aangetekende zending.
De FOD Economie gaat over tot een nazicht van de overschrijving. In geval de bijdragen niet, onvolledig of niet tijdig worden betaald, handelt de FOD overeenkomstig artikel 20bis.
De berekening van de bijdrage van de kredietgevers gebeurt op basis van een coëfficiënt toegepast op het totaal bedrag van de betalingsachterstanden van de kredietovereenkomsten geregistreerd op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bijdrage is verschuldigd in de Centrale voor kredieten aan particulieren beheerd door de Nationale Bank van België. Deze gegevens worden door de Nationale Bank van België medegedeeld aan de FOD Economie.
Deze coëfficiënt bedraagt :
1° 0,30 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten verstrekt door de personen die hypothecair krediet verstrekken;
2° 3 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten verstrekt door de personen die consumentenkrediet verstrekken.
De bijdrage van de kredietgevers is slechts verschuldigd wanneer zij meer bedraagt dan 25 euro. De Koning kan dit bedrag wijzigen in functie van de inningskosten van de FOD Economie, na advies van het Begeleidingscomité.
De bijdrage van de personen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, bedraagt respectievelijk 1.200.000 euro, 600.000 euro en 200.000 euro.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de coëfficiënten weerhouden voor de bijdrage van de kredietgevers, de bedragen van de bijdragen van de personen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, de lijst van de bijdrageplichtigen of de verdeling onder hen, wijzigen, rekening houdend met het deel dat hun schuldvorderingen vertegenwoordigen in de schuldenlast van particulieren en de bijdragen die zij verrichten krachtens andere wettelijke bepalingen om voormelde schuldenlast te verminderen.
De Koning kan nadere voorwaarden en regels bepalen betreffende het innen van de toegewezen ontvangsten en de betaling van de toegestane uitgaven.
In geval van intrekking of schorsing van de vergunning of de registratie met toepassing van boek VII van het Wetboek van economisch recht, blijft de kredietgever onderworpen aan de verplichting tot bijdrage. Indien de rechten die voortvloeien uit een kredietovereenkomst het voorwerp uitmaken van een overdracht van schuldvordering, blijft de bijdrage verschuldigd door de overdrager; wanneer de overdrager niet meer bestaat, is de bijdrage verschuldigd door de overnemer.
§ 4. Er wordt een Begeleidingscomité opgericht dat de werkzaamheden van de FOD Economie verder opvolgt. Dit Begeleidingscomité is samengesteld als volgt :
1° de leidinggevende ambtenaar aangeduid door de minister bevoegd voor Economie, die het voorzitterschap waarneemt;
2° een ambtenaar van de FOD Economie aangeduid door de minister bevoegd voor de Economie;
3° een ambtenaar van de FOD Justitie, Bestuur Burgerlijke Wetgeving en Erediensten, aangeduid door de minister bevoegd voor Justitie;
4° een lid, aangeduid door de Nationale Bank van België;
5° een lid, aangeduid door de Belgische Vereniging van Banken en een lid aangeduid door de Beroepsverening van het Krediet, die niet tot een kredietinstelling behoort;
6° een lid aangeduid door de Orde van Vlaamse Balies en een lid aangeduid door de "Ordre des barreaux francophones et germanophone";
7° een lid aangeduid door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders;
8° een lid aangeduid door de Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen;
9° een lid aangeduid door de Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten.
Het Begeleidingscomité heeft als opdracht :
1° aan de ministers die Economie, Justitie en Financiën onder hun bevoegdheden hebben, een jaarverslag uitbrengen over de opdrachten uitgevoerd door de FOD Economie overeenkomstig paragraaf 1. De leidinggevende ambtenaar van de FOD Economie of zijn gedelegeerde verschaft hierover ruimschoots op voorhand aan het begeleidingscomité of aan elk lid die hier om vraagt de nodige informatie over de cijfers betreffende de inkomsten en uitgaven van de FOD Economie in de uitoefening van zijn taken bedoeld in dit artikel;
2° de adviezen op te maken die voorzien zijn door deze wet;
3° het opstellen van het reglement van inwendige orde.
Aan de leden van het Begeleidingscomité worden geen presentiegelden, noch vergoedingen of terugbetalingen van kosten toegekend. Het secretariaat van het Begeleidingscomité wordt waargenomen door de FOD Economie.
§ 5. Een bedrag van ten hoogste 25 % van de door de bijdragebetalers verschuldigde bijdragen mag worden gebruikt ter betaling van de maatregelen inzake informatie en sensibiliseren, bedoeld in paragraaf 1, 2°.
Het begeleidingscomité selecteert, volgens de procedure die het bepaalt, de projecten die beantwoorden aan de doelstelling beoogd door paragraaf 1, 2°. Het legt die ter goedkeuring voor aan de minister bevoegd voor Economie.
Het begeleidingscomité bepaalt de beoordelingscriteria voor de projecten en brengt elk jaar aan de minister bevoegd voor Economie advies uit over de uitgevoerde maatregelen inzake informatie en sensibiliseren omtrent schuldoverlast op basis van een verslag van de bevoegde ambtenaar bij de FOD Economie. De bevoegde ambtenaar van de FOD Economie of zijn gemachtigde is belast met de opvolging en de controle van de opdrachten toevertrouwd aan derden. Voor elke opdracht wordt de bevoegde ambtenaar, of zijn gemachtigde, bijgestaan door het Begeleidingscomité, dat hiertoe onder zijn leden een of meer personen kan aanduiden.
§ 6. De Koning oefent de Hem bij dit artikel toegekende bevoegdheden uit op de gezamenlijke voordracht van de Ministers die Economie en Justitie onder hun bevoegdheid hebben.]1
1° het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van het ereloon, de emolumenten en de kosten van de schuldbemiddelaars, voor de verrichtingen, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Vijfde Deel, Titel IV, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren gericht tot de personen bedoeld in deze wet met betrekking tot de doelstellingen en de werking van deze wet, en meer in het algemeen, de financiering van maatregelen inzake informatie en sensibiliseren omtrent schuldoverlast. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de modaliteiten en de nadere regels betreffende de toekenning van de middelen van de FOD Economie die worden gebruikt voor deze maatregelen inzake informatie en sensibiliseren;
3° het gedeelte van de erelonen, emolumenten en kosten van de schuldbemiddelaars dat door de rechter bepaald is overeenkomstig artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek;
4° de inrichtings- en werkingskosten van de FOD Economie, van de kosten van het administratieve personeel en van het controlepersoneel toegewezen voor de uitvoering van de opdrachten bedoeld in deze paragraaf.
5° [4 ...]4
§ 2. [5 Om de tussenkomst van de FOD Economie te verkrijgen, delen de schuldbemiddelaars aan de FOD Economie hun aanvraag tot betaling mee, met vermelding van het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van hun ereloon, de emolumenten en de kosten voor de verrichtingen uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het Vijfde Deel, Titel IV, van het Gerechtelijk Wetboek. Deze aanvraag bevat de volgende stukken en gegevens :
1° het bevel van tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek en waar nodig een afschrift van de verslagen, bedoeld in artikel 1675/17, § 3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° voor de bedragen die door de rechter niet ten laste zijn gelegd aan de FOD Economie, het bewijs van het onbetaald gebleven saldo na toepassing van artikel 1675/19, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de toepassing van deze wet worden de gerechtelijke beslissingen die verwijzen naar het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast geacht te verwijzen naar de FOD Economie;
3° de naam van de consument voor wie hij tussenkomt, het bedrag van het onbetaald gebleven saldo evenals het gerechtelijk arrondissement binnen hetwelk de uitvoerbare titel bedoeld in artikel 1675/19, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek werd afgeleverd;
4° het rekeningnummer waarop de betaling door de FOD Economie gebeurt;
5° elke inlichting die van aard is om de aanvraag tot betaling te staven.
De FOD Economie controleert naar vorm en inhoud de aanvraag tot betaling van de schuldbemiddelaar. Wanneer de aanvraag niet volledig is, deelt de FOD zulks mee aan de schuldbemiddelaar met vermelding van de ontbrekende stukken en gegevens. De aanvraag wordt geacht volledig te zijn op de dag dat de FOD Economie alle ontbrekende gegevens en documenten heeft ontvangen.
De betaling door de FOD Economie gebeurt binnen de drie maanden nadat de volledige aanvraag bij de FOD is toegekomen. Indien de betaling niet kan plaatsvinden binnen de drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag, wordt dit meegedeeld aan de schuldbemiddelaar.]5
Wanneer de lopende middelen van de FOD Economie een tekort vertonen voor het lopende begrotingsjaar, worden de betalingen bedoeld bij het derde lid, overgedragen naar het volgende begrotingsjaar. Zij worden bij voorrang vereffend.
Wanneer ingevolge een materiële vergissing blijkt dat de FOD tot een niet-verschuldigde betaling is overgegaan, vordert hij de terugbetaling van de niet-verschuldigde sommen. Wanneer ingevolge bedrog, list of valse verklaring vanwege de schuldbemiddelaar blijkt dat het FOD Economie tot een niet-verschuldigde betaling is overgegaan, vordert het de terugbetaling van de niet-verschuldigde sommen, verhoogd met een nalatigheidsintrest die berekend wordt tegen de wettelijke intrestvoet te rekenen vanaf de dag van de betaling van deze sommen. In voorkomend geval zijn de artikelen 1289 tot 1299 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
§ 3. Om de uitgaven van de FOD Economie te stijven, zijn gehouden een jaarlijkse bijdrage te betalen :
1° de kredietgevers. Worden als kredietgevers beschouwd, de ondernemingen die onderworpen zijn [2 aan Titel 4, Hoofdstuk 4]2, afdeling 1 tot 3, van boek VII van het Wetboek van economisch recht;
2° het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) voor rekening van de operatoren die activiteiten uitoefenen bedoeld in artikel 2, 4° en 5°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;
3° de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) voor rekening van de ondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen;
4° de Kansspelcommissie voor rekening van de kansspelinrichtingen bedoeld in de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers.
De jaarlijkse bijdrage is eenmalig en ondeelbaar verschuldigd. De bijdrageplichtigen zijn ertoe gehouden op verzoek van de FOD Economie, de verschuldigde bijdragen over te schrijven op de ontvangstenrekening van de FOD. Het verzoek gebeurt bij een aangetekende zending. De bijdrageplichtigen maken de bijdragen over ten laatste binnen de maand vanaf de dag die volgt op de afgifte van de aangetekende zending.
De FOD Economie gaat over tot een nazicht van de overschrijving. In geval de bijdragen niet, onvolledig of niet tijdig worden betaald, handelt de FOD overeenkomstig artikel 20bis.
De berekening van de bijdrage van de kredietgevers gebeurt op basis van een coëfficiënt toegepast op het totaal bedrag van de betalingsachterstanden van de kredietovereenkomsten geregistreerd op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de bijdrage is verschuldigd in de Centrale voor kredieten aan particulieren beheerd door de Nationale Bank van België. Deze gegevens worden door de Nationale Bank van België medegedeeld aan de FOD Economie.
Deze coëfficiënt bedraagt :
1° 0,30 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten verstrekt door de personen die hypothecair krediet verstrekken;
2° 3 per duizend van het totaal van de betalingsachterstanden van de kredieten verstrekt door de personen die consumentenkrediet verstrekken.
De bijdrage van de kredietgevers is slechts verschuldigd wanneer zij meer bedraagt dan 25 euro. De Koning kan dit bedrag wijzigen in functie van de inningskosten van de FOD Economie, na advies van het Begeleidingscomité.
De bijdrage van de personen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, bedraagt respectievelijk 1.200.000 euro, 600.000 euro en 200.000 euro.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de coëfficiënten weerhouden voor de bijdrage van de kredietgevers, de bedragen van de bijdragen van de personen bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, de lijst van de bijdrageplichtigen of de verdeling onder hen, wijzigen, rekening houdend met het deel dat hun schuldvorderingen vertegenwoordigen in de schuldenlast van particulieren en de bijdragen die zij verrichten krachtens andere wettelijke bepalingen om voormelde schuldenlast te verminderen.
De Koning kan nadere voorwaarden en regels bepalen betreffende het innen van de toegewezen ontvangsten en de betaling van de toegestane uitgaven.
In geval van intrekking of schorsing van de vergunning of de registratie met toepassing van boek VII van het Wetboek van economisch recht, blijft de kredietgever onderworpen aan de verplichting tot bijdrage. Indien de rechten die voortvloeien uit een kredietovereenkomst het voorwerp uitmaken van een overdracht van schuldvordering, blijft de bijdrage verschuldigd door de overdrager; wanneer de overdrager niet meer bestaat, is de bijdrage verschuldigd door de overnemer.
§ 4. Er wordt een Begeleidingscomité opgericht dat de werkzaamheden van de FOD Economie verder opvolgt. Dit Begeleidingscomité is samengesteld als volgt :
1° de leidinggevende ambtenaar aangeduid door de minister bevoegd voor Economie, die het voorzitterschap waarneemt;
2° een ambtenaar van de FOD Economie aangeduid door de minister bevoegd voor de Economie;
3° een ambtenaar van de FOD Justitie, Bestuur Burgerlijke Wetgeving en Erediensten, aangeduid door de minister bevoegd voor Justitie;
4° een lid, aangeduid door de Nationale Bank van België;
5° een lid, aangeduid door de Belgische Vereniging van Banken en een lid aangeduid door de Beroepsverening van het Krediet, die niet tot een kredietinstelling behoort;
6° een lid aangeduid door de Orde van Vlaamse Balies en een lid aangeduid door de "Ordre des barreaux francophones et germanophone";
7° een lid aangeduid door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders;
8° een lid aangeduid door de Koninklijke Federatie van Belgische Notarissen;
9° een lid aangeduid door de Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten.
Het Begeleidingscomité heeft als opdracht :
1° aan de ministers die Economie, Justitie en Financiën onder hun bevoegdheden hebben, een jaarverslag uitbrengen over de opdrachten uitgevoerd door de FOD Economie overeenkomstig paragraaf 1. De leidinggevende ambtenaar van de FOD Economie of zijn gedelegeerde verschaft hierover ruimschoots op voorhand aan het begeleidingscomité of aan elk lid die hier om vraagt de nodige informatie over de cijfers betreffende de inkomsten en uitgaven van de FOD Economie in de uitoefening van zijn taken bedoeld in dit artikel;
2° de adviezen op te maken die voorzien zijn door deze wet;
3° het opstellen van het reglement van inwendige orde.
Aan de leden van het Begeleidingscomité worden geen presentiegelden, noch vergoedingen of terugbetalingen van kosten toegekend. Het secretariaat van het Begeleidingscomité wordt waargenomen door de FOD Economie.
§ 5. Een bedrag van ten hoogste 25 % van de door de bijdragebetalers verschuldigde bijdragen mag worden gebruikt ter betaling van de maatregelen inzake informatie en sensibiliseren, bedoeld in paragraaf 1, 2°.
Het begeleidingscomité selecteert, volgens de procedure die het bepaalt, de projecten die beantwoorden aan de doelstelling beoogd door paragraaf 1, 2°. Het legt die ter goedkeuring voor aan de minister bevoegd voor Economie.
Het begeleidingscomité bepaalt de beoordelingscriteria voor de projecten en brengt elk jaar aan de minister bevoegd voor Economie advies uit over de uitgevoerde maatregelen inzake informatie en sensibiliseren omtrent schuldoverlast op basis van een verslag van de bevoegde ambtenaar bij de FOD Economie. De bevoegde ambtenaar van de FOD Economie of zijn gemachtigde is belast met de opvolging en de controle van de opdrachten toevertrouwd aan derden. Voor elke opdracht wordt de bevoegde ambtenaar, of zijn gemachtigde, bijgestaan door het Begeleidingscomité, dat hiertoe onder zijn leden een of meer personen kan aanduiden.
§ 6. De Koning oefent de Hem bij dit artikel toegekende bevoegdheden uit op de gezamenlijke voordracht van de Ministers die Economie en Justitie onder hun bevoegdheid hebben.]1
Wijzigingen
Art. 20. [1 § 1er. Le SPF Economie est chargé d'effectuer les paiements :
1° du solde resté impayé après application de l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire, des honoraires, émoluments et frais des médiateurs de dettes, dus pour les prestations effectuées conformément aux dispositions de la Cinquième partie, Titre IV, du Code judiciaire;
2° des mesures d'information et de sensibilisation à destination des personnes visées par la présente loi concernant les objectifs et le fonctionnement de la loi, et plus généralement, le financement de mesures d'information et de sensibilisation concernant le surendettement. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités et les règles spécifiques concernant l'attribution des moyens du SPF Economie qui sont utilisées pour ces mesures d'information et de sensibilisation;
3° de la partie des honoraires, émoluments et frais des médiateurs de dettes fixée par le juge conformément à l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire;
4° des frais d'installation et de fonctionnement du SPF Economie, des frais de personnel administratif et de contrôle affectés à l'exécution des missions visées au présent paragraphe.
5° [4 ...]4
§ 2. [5 Pour obtenir l'intervention du SPF Economie, les médiateurs de dettes lui communiquent leur demande de paiement, en indiquant le solde resté impayé après application de l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire, de leurs honoraires, émoluments et frais, dus pour les prestations effectuées conformément aux dispositions de la Cinquième partie, Titre IV, du Code judiciaire. Cette demande est accompagnée des pièces et données suivants :
1° le titre exécutoire visé à l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire et au besoin une copie des rapports visés à l'article 1675/17, § 3, alinéa 3, du Code judiciaire;
2° pour les montants qui n'auraient pas été mis à charge du SPF Economie par le juge, la preuve du solde resté impayé après application de l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire. Aux fins de la présente loi, les décisions judiciaires qui se réfèrent au Fonds de Traitement du Surendettement sont présumées faire référence au SPF Economie;
3° le nom du consommateur pour lequel il intervient, le montant du solde resté impayé, ainsi que l'arrondissement judiciaire dans lequel le titre exécutoire visé à l'article 1675/19, § 3, du Code judiciaire a été délivré;
4° le numéro de compte sur lequel le SPF Economie effectue le paiement;
5° tout renseignement de nature à étayer la demande de paiement.
Le SPF Economie contrôle la forme et le contenu de la demande de paiement faite par le médiateur de dettes. Lorsque la demande est incomplète, le SPF le communique au médiateur de dettes en indiquant les données et documents manquants. La demande est réputée complète le jour où le SPF Economie reçoit toutes les données et documents manquants.
Le paiement effectué par le SPF Economie se fait dans les trois mois de la réception de la demande complète auprès du SPF. Si le paiement ne peut avoir lieu dans les trois mois de la réception de la demande complète, le SPF le communique au médiateur de dettes.]5
Lorsque les moyens disponibles du SPF Economie accusent un déficit pour l'année budgétaire en cours, les paiements visés à l'alinéa 3 sont reportés à l'année budgétaire suivante. Ils sont réglés par priorité.
Lorsqu'il apparaît que, suite à une erreur matérielle, le SPF a effectué un paiement indu, il procède à la récupération des sommes indûment payées. Lorsqu'il apparaît que, suite à une fraude, une tromperie ou une fausse déclaration du médiateur de dettes, le SPF Economie a effectué un paiement indu, il procède à la récupération des sommes indûment payées, augmentées des intérêts de retard calculés au taux légal à dater du jour du paiement de ces sommes. Le cas échéant, les articles 1289 à 1299 du Code civil sont d'application.
§ 3. Pour alimenter le SPF Economie, sont tenus de payer une cotisation annuelle :
1° les prêteurs. Sont considérés comme prêteurs, les entreprises soumis [2 au Titre 4, Chapitre 4]2, section 1re à 3, du livre VII du Code de droit économique;
2° l'Institut belge des services postaux et des télécommunications (IBPT) pour compte des opérateurs exerçant les activités visées à l'article 2, 4° et 5°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
3° l'Autorité des services et marchés financiers (FSMA) pour compte des entreprises visées à l'article 2, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurance;
4° la Commission des jeux de hasard pour compte des établissements de jeux de hasard visés dans la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs.
La cotisation annuelle est due de façon unique et indivisible. Les redevables de la contribution sont tenus de verser, à la demande du SPF Economie, les cotisations dues au compte des recettes du SPF. La demande se fait par envoi recommandé. Les redevables de la contribution versent les cotisations au plus tard dans le mois à compter du lendemain du dépôt de l'envoi recommandé.
Le SPF Economie procède à une vérification du versement. En cas de non-paiement, de paiement incomplet ou tardif des cotisations, le SPF agit conformément à l'article 20bis.
Le calcul de la cotisation des prêteurs s'effectue sur la base d'un coefficient appliqué sur le montant total des arriérés de paiement des contrats de crédits enregistrés au 31 décembre de l'année qui précède l'année où la cotisation est due, dans la Centrale des crédits aux particuliers gérée par la Banque nationale de Belgique. Ces données sont communiquées au SPF Economie par la Banque nationale de Belgique.
Ce coefficient s'élève à :
1° 0,30 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits octroyés par les personnes qui octroient du crédit hypothécaire;
2° 3 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits octroyées par les personnes qui octroient du crédit à la consommation.
La cotisation des prêteurs n'est due que lorsqu'elle atteint un montant supérieur à 25 euros. Le Roi peut modifier ce montant en fonction des frais de recouvrement du SPF Economie après avis du Comité d'accompagnement.
La cotisation des personnes visées à l'alinéa 1er, 2° à 4°, s'élève respectivement à 1.200.000 euros, 600.000 euros et 200.000 euros.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier les coefficients retenus pour la cotisation des prêteurs, les montants des cotisations des personnes visées à l'alinéa 1er, 2° à 4°, la liste des redevables de contribution ou la répartition entre ceux-ci, en tenant compte de la part que représentent leurs créances dans l'endettement des particuliers et des cotisations qu'ils effectuent en vertu d'autres dispositions légales afin de réduire ledit endettement.
Le Roi peut déterminer d'autres conditions et règles plus spécifiques concernant la perception des recettes allouées et le paiement des dépenses autorisées.
En cas de retrait ou de suspension d'agrément ou d'enregistrement en application du livre VII du Code de droit économique, le prêteur reste soumis à l'obligation de cotisation. Si les droits découlant d'un contrat de crédit font l'objet d'une cession de créance, la cotisation reste due par le cédant; si le cédant n'existe plus, la cotisation est due par le cessionnaire.
§ 4. Est institué un Comité d'accompagnement qui contrôle de manière plus détaillée les activités du SPF Economie. Ce Comité d'accompagnement est composé comme suit :
1° le fonctionnaire dirigeant désigné par le ministre de l'Economie qui assure la présidence;
2° un fonctionnaire du SPF Economie, désigné par le ministre compétent pour l'Economie;
3° un fonctionnaire du SPF Justice, Administration de la Législation civile et des Cultes, désigné par le ministre qui a la Justice dans ses attributions;
4° un membre, désigné par la Banque nationale de Belgique;
5° un membre désigné par l'Association belge des Banques et un membre, désigné par l'Union professionnelle du Crédit, n'appartenant pas à un établissement de crédit;
6° un membre désigné par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et un membre désigné par l'"Orde van Vlaamse Balies";
7° un membre désigné par la Chambre nationale des Huissiers de Justice;
8° un membre désigné par la Fédération royale des Notaires de Belgique;
9° un membre de l'Union des Villes et Communes belges.
Le Comité d'accompagnement a pour mission :
1° de procurer aux ministres qui ont dans leurs compétences l'Economie, la Justice et les Finances, un rapport annuel sur les compétences exercées par le SPF Economie conformément au paragraphe 1er. A ce sujet, le fonctionnaire dirigeant du SPF Economie ou son délégué fournit suffisamment à l'avance au Comité d'accompagnement ou à chaque membre qui en fait la demande les informations utiles relatives aux chiffres concernant les recettes et les dépenses du SPF Economie dans l'exercice des missions visées au présent article;
2° de donner les avis qui sont prévus par la présente loi;
3° d'établir le règlement d'ordre intérieur.
Il n'est pas attribué de jetons de présence, d'indemnités ou de remboursement des frais aux membres du Comité d'accompagnement. Le secrétariat du Comité d'accompagnement est assuré par le SPF Economie.
§ 5. Un montant maximal de 25 % des cotisations dues par les payeurs peut être utilisé pour le paiement de mesures d'information et de sensibilisation visées au paragraphe 1er, 2°.
Le Comité d'accompagnement sélectionne, selon la procédure qu'il détermine, les projets rencontrant l'objectif visé au paragraphe 1er, 2°. Il les soumet à l'approbation du ministre ayant l'Economie dans ses attributions.
Le Comité d'accompagnement détermine les critères d'évaluation des projets et rend, chaque année, au ministre ayant l'Economie dans ses attributions, un avis sur les mesures d'information et de sensibilisation exécutées sur base d'un rapport présenté par le fonctionnaire compétent du SPF Economie. Le fonctionnaire compétent du SPF Economie, ou son délégué, est chargé du suivi et du contrôle de la mission confiée à des tiers. Pour chaque mission, le fonctionnaire compétent, ou son délégué, est assisté par le Comité d'accompagnement, qui peut désigner à cet effet une ou plusieurs personnes parmi ses membres.
§ 6. Le Roi exerce les compétences qui lui sont attribuées par le présent article, sur proposition conjointe des ministres qui ont l'Economie et la Justice dans leurs attributions.]1
1° du solde resté impayé après application de l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire, des honoraires, émoluments et frais des médiateurs de dettes, dus pour les prestations effectuées conformément aux dispositions de la Cinquième partie, Titre IV, du Code judiciaire;
2° des mesures d'information et de sensibilisation à destination des personnes visées par la présente loi concernant les objectifs et le fonctionnement de la loi, et plus généralement, le financement de mesures d'information et de sensibilisation concernant le surendettement. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités et les règles spécifiques concernant l'attribution des moyens du SPF Economie qui sont utilisées pour ces mesures d'information et de sensibilisation;
3° de la partie des honoraires, émoluments et frais des médiateurs de dettes fixée par le juge conformément à l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire;
4° des frais d'installation et de fonctionnement du SPF Economie, des frais de personnel administratif et de contrôle affectés à l'exécution des missions visées au présent paragraphe.
5° [4 ...]4
§ 2. [5 Pour obtenir l'intervention du SPF Economie, les médiateurs de dettes lui communiquent leur demande de paiement, en indiquant le solde resté impayé après application de l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire, de leurs honoraires, émoluments et frais, dus pour les prestations effectuées conformément aux dispositions de la Cinquième partie, Titre IV, du Code judiciaire. Cette demande est accompagnée des pièces et données suivants :
1° le titre exécutoire visé à l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire et au besoin une copie des rapports visés à l'article 1675/17, § 3, alinéa 3, du Code judiciaire;
2° pour les montants qui n'auraient pas été mis à charge du SPF Economie par le juge, la preuve du solde resté impayé après application de l'article 1675/19, § 2, du Code judiciaire. Aux fins de la présente loi, les décisions judiciaires qui se réfèrent au Fonds de Traitement du Surendettement sont présumées faire référence au SPF Economie;
3° le nom du consommateur pour lequel il intervient, le montant du solde resté impayé, ainsi que l'arrondissement judiciaire dans lequel le titre exécutoire visé à l'article 1675/19, § 3, du Code judiciaire a été délivré;
4° le numéro de compte sur lequel le SPF Economie effectue le paiement;
5° tout renseignement de nature à étayer la demande de paiement.
Le SPF Economie contrôle la forme et le contenu de la demande de paiement faite par le médiateur de dettes. Lorsque la demande est incomplète, le SPF le communique au médiateur de dettes en indiquant les données et documents manquants. La demande est réputée complète le jour où le SPF Economie reçoit toutes les données et documents manquants.
Le paiement effectué par le SPF Economie se fait dans les trois mois de la réception de la demande complète auprès du SPF. Si le paiement ne peut avoir lieu dans les trois mois de la réception de la demande complète, le SPF le communique au médiateur de dettes.]5
Lorsque les moyens disponibles du SPF Economie accusent un déficit pour l'année budgétaire en cours, les paiements visés à l'alinéa 3 sont reportés à l'année budgétaire suivante. Ils sont réglés par priorité.
Lorsqu'il apparaît que, suite à une erreur matérielle, le SPF a effectué un paiement indu, il procède à la récupération des sommes indûment payées. Lorsqu'il apparaît que, suite à une fraude, une tromperie ou une fausse déclaration du médiateur de dettes, le SPF Economie a effectué un paiement indu, il procède à la récupération des sommes indûment payées, augmentées des intérêts de retard calculés au taux légal à dater du jour du paiement de ces sommes. Le cas échéant, les articles 1289 à 1299 du Code civil sont d'application.
§ 3. Pour alimenter le SPF Economie, sont tenus de payer une cotisation annuelle :
1° les prêteurs. Sont considérés comme prêteurs, les entreprises soumis [2 au Titre 4, Chapitre 4]2, section 1re à 3, du livre VII du Code de droit économique;
2° l'Institut belge des services postaux et des télécommunications (IBPT) pour compte des opérateurs exerçant les activités visées à l'article 2, 4° et 5°, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;
3° l'Autorité des services et marchés financiers (FSMA) pour compte des entreprises visées à l'article 2, § 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurance;
4° la Commission des jeux de hasard pour compte des établissements de jeux de hasard visés dans la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs.
La cotisation annuelle est due de façon unique et indivisible. Les redevables de la contribution sont tenus de verser, à la demande du SPF Economie, les cotisations dues au compte des recettes du SPF. La demande se fait par envoi recommandé. Les redevables de la contribution versent les cotisations au plus tard dans le mois à compter du lendemain du dépôt de l'envoi recommandé.
Le SPF Economie procède à une vérification du versement. En cas de non-paiement, de paiement incomplet ou tardif des cotisations, le SPF agit conformément à l'article 20bis.
Le calcul de la cotisation des prêteurs s'effectue sur la base d'un coefficient appliqué sur le montant total des arriérés de paiement des contrats de crédits enregistrés au 31 décembre de l'année qui précède l'année où la cotisation est due, dans la Centrale des crédits aux particuliers gérée par la Banque nationale de Belgique. Ces données sont communiquées au SPF Economie par la Banque nationale de Belgique.
Ce coefficient s'élève à :
1° 0,30 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits octroyés par les personnes qui octroient du crédit hypothécaire;
2° 3 pour mille du total des arriérés de paiement des crédits octroyées par les personnes qui octroient du crédit à la consommation.
La cotisation des prêteurs n'est due que lorsqu'elle atteint un montant supérieur à 25 euros. Le Roi peut modifier ce montant en fonction des frais de recouvrement du SPF Economie après avis du Comité d'accompagnement.
La cotisation des personnes visées à l'alinéa 1er, 2° à 4°, s'élève respectivement à 1.200.000 euros, 600.000 euros et 200.000 euros.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier les coefficients retenus pour la cotisation des prêteurs, les montants des cotisations des personnes visées à l'alinéa 1er, 2° à 4°, la liste des redevables de contribution ou la répartition entre ceux-ci, en tenant compte de la part que représentent leurs créances dans l'endettement des particuliers et des cotisations qu'ils effectuent en vertu d'autres dispositions légales afin de réduire ledit endettement.
Le Roi peut déterminer d'autres conditions et règles plus spécifiques concernant la perception des recettes allouées et le paiement des dépenses autorisées.
En cas de retrait ou de suspension d'agrément ou d'enregistrement en application du livre VII du Code de droit économique, le prêteur reste soumis à l'obligation de cotisation. Si les droits découlant d'un contrat de crédit font l'objet d'une cession de créance, la cotisation reste due par le cédant; si le cédant n'existe plus, la cotisation est due par le cessionnaire.
§ 4. Est institué un Comité d'accompagnement qui contrôle de manière plus détaillée les activités du SPF Economie. Ce Comité d'accompagnement est composé comme suit :
1° le fonctionnaire dirigeant désigné par le ministre de l'Economie qui assure la présidence;
2° un fonctionnaire du SPF Economie, désigné par le ministre compétent pour l'Economie;
3° un fonctionnaire du SPF Justice, Administration de la Législation civile et des Cultes, désigné par le ministre qui a la Justice dans ses attributions;
4° un membre, désigné par la Banque nationale de Belgique;
5° un membre désigné par l'Association belge des Banques et un membre, désigné par l'Union professionnelle du Crédit, n'appartenant pas à un établissement de crédit;
6° un membre désigné par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et un membre désigné par l'"Orde van Vlaamse Balies";
7° un membre désigné par la Chambre nationale des Huissiers de Justice;
8° un membre désigné par la Fédération royale des Notaires de Belgique;
9° un membre de l'Union des Villes et Communes belges.
Le Comité d'accompagnement a pour mission :
1° de procurer aux ministres qui ont dans leurs compétences l'Economie, la Justice et les Finances, un rapport annuel sur les compétences exercées par le SPF Economie conformément au paragraphe 1er. A ce sujet, le fonctionnaire dirigeant du SPF Economie ou son délégué fournit suffisamment à l'avance au Comité d'accompagnement ou à chaque membre qui en fait la demande les informations utiles relatives aux chiffres concernant les recettes et les dépenses du SPF Economie dans l'exercice des missions visées au présent article;
2° de donner les avis qui sont prévus par la présente loi;
3° d'établir le règlement d'ordre intérieur.
Il n'est pas attribué de jetons de présence, d'indemnités ou de remboursement des frais aux membres du Comité d'accompagnement. Le secrétariat du Comité d'accompagnement est assuré par le SPF Economie.
§ 5. Un montant maximal de 25 % des cotisations dues par les payeurs peut être utilisé pour le paiement de mesures d'information et de sensibilisation visées au paragraphe 1er, 2°.
Le Comité d'accompagnement sélectionne, selon la procédure qu'il détermine, les projets rencontrant l'objectif visé au paragraphe 1er, 2°. Il les soumet à l'approbation du ministre ayant l'Economie dans ses attributions.
Le Comité d'accompagnement détermine les critères d'évaluation des projets et rend, chaque année, au ministre ayant l'Economie dans ses attributions, un avis sur les mesures d'information et de sensibilisation exécutées sur base d'un rapport présenté par le fonctionnaire compétent du SPF Economie. Le fonctionnaire compétent du SPF Economie, ou son délégué, est chargé du suivi et du contrôle de la mission confiée à des tiers. Pour chaque mission, le fonctionnaire compétent, ou son délégué, est assisté par le Comité d'accompagnement, qui peut désigner à cet effet une ou plusieurs personnes parmi ses membres.
§ 6. Le Roi exerce les compétences qui lui sont attribuées par le présent article, sur proposition conjointe des ministres qui ont l'Economie et la Justice dans leurs attributions.]1
Wijzigingen
Art. 20bis. <INGEVOEGD bij W 2002-04-19/39, art. 3; Inwerkingtreding : 17-06-2002> Ingeval de in dit hoofdstuk bedoelde bijdragen niet, onvolledig of niet tijdig worden betaald door de kredietgevers, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, wordt de kredietgever verbod opgelegd nog verder hypothecaire leningen en kredietopeningen, hypothecaire kredieten of consumentenkredieten te verlenen vanaf de vijftiende kalenderdag, volgend op de dag van de kennisgeving van de ingebrekestelling van de betaling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
De ingebrekestelling herneemt de tekst van het voorgaande lid.
De voornoemde maatregel neemt van rechtswege een einde op de eerste dag, volgend op die waarop de verplichte bijdrage op de rekening van [2 de FOD Economie]2 wordt gecrediteerd.
[1 Ingeval de in dit hoofdstuk bedoelde bijdragen niet, onvolledig of niet tijdig worden betaald door de personen bedoeld [2 in artikel 20, § 1, eerste lid, 2° tot 4°]2, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, wordt de bijdrage ambtshalve verhoogd met 50 % vanaf de vijftiende kalenderdag volgend op de dag van de kennisgeving van de ingebrekestelling van de betaling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
De ingebrekestelling herneemt de tekst van het voorgaande lid.]1
De ingebrekestelling herneemt de tekst van het voorgaande lid.
De voornoemde maatregel neemt van rechtswege een einde op de eerste dag, volgend op die waarop de verplichte bijdrage op de rekening van [2 de FOD Economie]2 wordt gecrediteerd.
[1 Ingeval de in dit hoofdstuk bedoelde bijdragen niet, onvolledig of niet tijdig worden betaald door de personen bedoeld [2 in artikel 20, § 1, eerste lid, 2° tot 4°]2, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, wordt de bijdrage ambtshalve verhoogd met 50 % vanaf de vijftiende kalenderdag volgend op de dag van de kennisgeving van de ingebrekestelling van de betaling bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
De ingebrekestelling herneemt de tekst van het voorgaande lid.]1
Art. 20bis. En cas de non-paiement, de paiement incomplet ou tardif des cotisations visées au présent chapitre par les prêteurs, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, il est interdit au prêteur de continuer à conclure des prêts et ouvertures de crédit hypothécaires, des crédits hypothécaires ou des crédits à la consommation à partir du quinzième jour calendrier qui suit celui de la notification de la mise en demeure de paiement par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
La mise en demeure reproduit le texte de l'alinéa précédent.
La mesure précitée cesse ses effets de plein droit le premier jour qui suit celui où les cotisations obligatoires ont été créditées au compte [2 du SPF Economie]2.
[1 En cas de non-paiement, de paiement incomplet ou tardif des cotisations visées au présent chapitre par les personnes visées [2 à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 2° à 4°]2, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, la cotisation est augmentée d'office de 50 % à partir du quinzième jour calendrier qui suit celui de la notification de la mise en demeure de paiement par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
La mise en demeure reproduit le texte de l'alinéa précédent.]1
La mise en demeure reproduit le texte de l'alinéa précédent.
La mesure précitée cesse ses effets de plein droit le premier jour qui suit celui où les cotisations obligatoires ont été créditées au compte [2 du SPF Economie]2.
[1 En cas de non-paiement, de paiement incomplet ou tardif des cotisations visées au présent chapitre par les personnes visées [2 à l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 2° à 4°]2, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, la cotisation est augmentée d'office de 50 % à partir du quinzième jour calendrier qui suit celui de la notification de la mise en demeure de paiement par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
La mise en demeure reproduit le texte de l'alinéa précédent.]1
Art. 20ter. <INGEVOEGD bij W 2002-04-19/39, art. 3; Inwerkingtreding : 17-06-2002> § 1. Met een geldboete van 250 EUR tot 50.000 EUR worden gestraft :
1° zij die de bijdragen, verschuldigd aan [1 de FOD Economie]1, niet betalen, onvolledig betalen of niet tijdig betalen;
2° zij die in weerwil van het verbod bedoeld in artikel 20bis , doorgaan met het afsluiten van hypothecaire leningen of kredietopeningen, hypothecaire kredieten of consumentenkredieten;
3° zij die opzettelijk het vervullen van de opdracht van de in artikel 20quater genoemde personen met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken aan de bepalingen van dit hoofdstuk verhinderen of belemmeren.
§ 2. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in § 1.
1° zij die de bijdragen, verschuldigd aan [1 de FOD Economie]1, niet betalen, onvolledig betalen of niet tijdig betalen;
2° zij die in weerwil van het verbod bedoeld in artikel 20bis , doorgaan met het afsluiten van hypothecaire leningen of kredietopeningen, hypothecaire kredieten of consumentenkredieten;
3° zij die opzettelijk het vervullen van de opdracht van de in artikel 20quater genoemde personen met het oog op de opsporing en vaststelling van de inbreuken aan de bepalingen van dit hoofdstuk verhinderen of belemmeren.
§ 2. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in § 1.
Art. 20ter. § 1er. Sont punis d'une amende de 250 EUR à 50.000 EUR :
1° ceux qui ne paient pas les cotisations dues [1 au SPF Economie]1, qui ne les paient pas en totalité ou qui ne paient pas dans les délais;
2° ceux qui en dépit de l'interdiction visée à l'article 20bis , continuent à conclure des prêts ou ouvertures de crédit hypothécaires, des crédits hypothécaires ou des crédits à la consommation;
3° ceux qui, volontairement, empêchent ou entravent l'exécution de la mission des personnes mentionnées à l'article 20quater , chargées de rechercher et de constater les infractions aux dispositions du présent chapitre.
§ 2. Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85 sont applicables aux infractions visées au § 1er.
1° ceux qui ne paient pas les cotisations dues [1 au SPF Economie]1, qui ne les paient pas en totalité ou qui ne paient pas dans les délais;
2° ceux qui en dépit de l'interdiction visée à l'article 20bis , continuent à conclure des prêts ou ouvertures de crédit hypothécaires, des crédits hypothécaires ou des crédits à la consommation;
3° ceux qui, volontairement, empêchent ou entravent l'exécution de la mission des personnes mentionnées à l'article 20quater , chargées de rechercher et de constater les infractions aux dispositions du présent chapitre.
§ 2. Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85 sont applicables aux infractions visées au § 1er.
Wijzigingen
Art. 20quater. <INGEVOEGD bij W 2002-04-19/39, art. 3; Inwerkingtreding : 17-06-2002> § 1. Onverminderd de plichten van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de door de Minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren aangestelde ambtenaren bevoegd om de in artikel 20ter vermelde inbreuken op te sporen en vast te stellen. De processen-verbaal welke door die ambtenaren worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift ervan wordt bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding binnen dertig dagen na de datum van de vaststellingen, aan de overtreder toegezonden.
§ 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren :
1° binnentreden tijdens de gewone openings- of werkuren in de lokalen en vertrekken waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering en ter plaatse de bescheiden, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
3° tegen ontvangstbewijs beslag leggen op de in punt 2. bedoelde documenten, noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen; bij ontstentenis van een bevestiging door het openbaar ministerie binnen de tien werkdagen is het beslag van rechtswege opgeheven;
4° indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank. De bezoeken in de bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk geschieden.
§ 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren de bijstand van de federale politie vorderen.
§ 4. De gemachtigde ambtenaren oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal. Voor hun overige taken blijven zij ondergeschikt aan hun meerderen in het bestuur.
§ 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren :
1° binnentreden tijdens de gewone openings- of werkuren in de lokalen en vertrekken waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering en ter plaatse de bescheiden, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
3° tegen ontvangstbewijs beslag leggen op de in punt 2. bedoelde documenten, noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen; bij ontstentenis van een bevestiging door het openbaar ministerie binnen de tien werkdagen is het beslag van rechtswege opgeheven;
4° indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank. De bezoeken in de bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk geschieden.
§ 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren de bijstand van de federale politie vorderen.
§ 4. De gemachtigde ambtenaren oefenen de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal. Voor hun overige taken blijven zij ondergeschikt aan hun meerderen in het bestuur.
Art. 20quater. § 1er. Sans préjudice des devoirs incombant aux officiers de police judiciaire, les agents commissionnés par le Ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions sont compétents pour rechercher et constater les infractions mentionnées à l'article 20ter . Les procès-verbaux dressés par ces agents font foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie en est adressée au contrevenant, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, dans les trente jours de la date des constatations.
§ 2. Dans l'exercice de leurs fonctions, les agents visés au § 1er peuvent :
1° pénétrer, pendant les heures habituelles d'ouverture ou de travail, dans les locaux et pièces dont l'accès est nécessaire pour l'accomplissement de leur mission;
2° faire toutes les constatations utiles, se faire produire, sur première réquisition et sans déplacement, les documents, pièces ou livres nécessaires à leurs recherches et constatations et en prendre copie;
3° saisir, contre récépissé, les documents visés au point 2. qui sont nécessaires pour faire la preuve d'une infraction ou pour rechercher les coauteurs ou complices des contrevenants; la saisie est levée de plein droit à défaut de confirmation par le ministère public dans les dix jours ouvrables;
4° s'ils ont des raisons de croire à l'existence d'une infraction, pénétrer dans les locaux habités, avec l'autorisation préalable du juge du tribunal de police. Les visites dans les locaux habités doivent s'effectuer entre huit et dix-huit heures et être faites conjointement par deux agents au moins.
§ 3. Dans l'exercice de leurs fonctions, les agents visés au § 1er peuvent requérir l'assistance de la police fédérale.
§ 4. Les agents commissionnés exercent les pouvoirs qui leur sont accordés par le présent article sous la surveillance du procureur général. Pour leurs autres tâches, ils demeurent subordonnés à leurs supérieurs au sein de l'administration.
§ 2. Dans l'exercice de leurs fonctions, les agents visés au § 1er peuvent :
1° pénétrer, pendant les heures habituelles d'ouverture ou de travail, dans les locaux et pièces dont l'accès est nécessaire pour l'accomplissement de leur mission;
2° faire toutes les constatations utiles, se faire produire, sur première réquisition et sans déplacement, les documents, pièces ou livres nécessaires à leurs recherches et constatations et en prendre copie;
3° saisir, contre récépissé, les documents visés au point 2. qui sont nécessaires pour faire la preuve d'une infraction ou pour rechercher les coauteurs ou complices des contrevenants; la saisie est levée de plein droit à défaut de confirmation par le ministère public dans les dix jours ouvrables;
4° s'ils ont des raisons de croire à l'existence d'une infraction, pénétrer dans les locaux habités, avec l'autorisation préalable du juge du tribunal de police. Les visites dans les locaux habités doivent s'effectuer entre huit et dix-huit heures et être faites conjointement par deux agents au moins.
§ 3. Dans l'exercice de leurs fonctions, les agents visés au § 1er peuvent requérir l'assistance de la police fédérale.
§ 4. Les agents commissionnés exercent les pouvoirs qui leur sont accordés par le présent article sous la surveillance du procureur général. Pour leurs autres tâches, ils demeurent subordonnés à leurs supérieurs au sein de l'administration.
HOOFDSTUK VII. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE VII. - Entrée en vigueur.
Art. 21. Deze wet treedt in werking de eerste dag van de zesde maand na die waarin zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art. 21. La présente loi entre en vigueur le premier jour du sixième mois qui suit celui au cours duquel elle aura été publiée au Moniteur belge.