Artikel 1. Enig artikel. De bijlage 2 aan het ministerieel besluit van 5 augustus 1996 houdende goedkeuring van het huishoudelijk reglement van het Beheerscomité van het Fonds voor de analyse van aardolieproducten, ingesteld bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 februari 1995 tot vaststelling van de modaliteiten voor de werking van het Fonds voor de analyse van aardolieproducten, gewijzigd door het ministerieel besluit van 18 februari 1997, wordt vervangen door de bijlage aan het huidig besluit.
Brussel, 24 februari 1998.
E. DI RUPO
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
24 FEBRUARI 1998. - Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 5 augustus 1996 houdende goedkeuring van het huishoudelijk reglement van het Beheerscomité van het Fonds voor de analyse van aardolieproducten, ingesteld bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 februari 1995 tot vaststelling van de modaliteiten voor de werking van het Fonds voor de analyse van aardolieproducten. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-06-1998 en tekstbijwerking tot 20-02-2002).
Titre
24 FEVRIER 1998. - Arrêté ministériel modifiant l'arrêté ministériel du 5 août 1996 approuvant le règlement d'ordre intérieur du Comité de Gestion du Fonds d'analyse des produits pétroliers, institué par l'article 5 de l'arrêté royal du 8 février 1995 fixant les modalités de fonctionnement du Fonds d'analyse des produits pétroliers. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-06-1998 et mise à jour au 20-02-2002).
Documentinformatie
Info du document
Tekst (7)
Texte (7)
Article 1. Article unique. L'annexe 2 à l'arrêté ministériel du 5 août 1996 approuvant le règlement d'ordre intérieur du Comité de Gestion du Fonds d'analyse des produits pétroliers, institué par l'article 5 de l'arrêté royal du 8 février 1995 fixant les modalités de fonctionnement du Fonds d'analyse des produits pétroliers, modifié par l'arrêté ministériel du 18 février 1997, est remplacée par l'annexe au présent arrêté.
Bruxelles, le 24 février 1998.
E. DI RUPO
Bruxelles, le 24 février 1998.
E. DI RUPO
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage 2. Toezicht op de kwaliteit van de bevoorrading van aardolieproducten.
Art. N. Annexe 2. Surveillance de la qualité de l'approvisionnement des produits pétroliers.
Art. 1N1. 1. Historiek en wettelijke basis.
België heeft systematisch de karakteristieken van de aardolieproducten genormaliseerd. Voor alle belangrijke aardolieproducten bestaan aldus kwaliteitsnormen.
Dit is een proces dat verschillende jaren terug werd gestart, maar dat thans nog altijd voortgaat.
Deze normen werden allen bekrachtigd door koninklijke besluiten. In deze besluiten werd bovendien gespecifieerd dat op de in de handel gebrachte producten op een statistisch verantwoorde methode, systematisch zou toezicht uitgeoefend worden.
De belangrijkste koninklijke besluiten i.v.m. de aardolieproducten zijn :
- Het koninklijk besluit van 20 maart 2000 tot vervanging van het koninklijk besluit van 26 september 1997 betreffende de benamingen, de kenmerken en het loodgehalte van de benzines voor motorvoertuigen;
- Het koninklijk besluit van 20 maart 2000 ter vervanging van het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie-diesel voor wegvoertuigen;
- Het koninklijk besluit van 19 oktober 1988 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming;
- Het koninklijk besluit van 18 november 1988 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de residuele brandstoffen.
Punctueel toezicht heeft, in de loop van de jaren, aanwijzingen verstrekt dat de kwaliteit niet altijd aan de wettelijke voorschriften beantwoordde.
De betrokken beroepsverenigingen en het Departement hebben ervoor geijverd om een systematisch kwaliteitstoezicht uit te bouwen.
Vanaf 1989 werd gewerkt aan een uitbouw van dit systematisch toezicht, waarvan de conceptie en de details in deze nota zijn opgenomen.
Het Bestuur Energie beschikte echter niet over de nodige budgettaire middelen om dit toezicht uit te werken.
Het is pas door de publikatie van de organieke wet van 27 december 1990, en de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen en meer in het bijzonder van artikel 160 dat de oprichting van het Fonds en de organisatie van dit toezicht in principe mogelijk werden.
Alhoewel de sector erop heeft aangedrongen de financiering van het toezicht te laten geschieden via nieuwe fiscale maatregelen ten laste van de gebruiker, heeft de Minister beslist dit te laten gebeuren via een heffing ten laste van de sector.
Bijgevolg zal de sector samen met de Besturen er in het Beheerscomité over waken dat deze heffing exclusief voor de kosten, verbonden aan de analyse van aardolieproducten, zoals bepaald in artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 8 februari 1995 zal gebruikt worden.
De financiering van het toezicht op de kwaliteit van de aardolieproducten werd mogelijk door het koninklijk besluit van 8 februari 1995. Dit koninklijk besluit vertrouwt het beheer toe aan een Beheerscomité en belast het Bestuur Energie met de dagelijkse werking van het Fonds.
Het koninklijk besluit van 29 september 1995 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van beproevingslaboratoria gelast met de analyse van aardolieproducten krachtens artikel 160 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen legt de criteria vast waaraan de laboratoria dienen te voldoen, om analyses van petroleumproducten te kunnen uitvoeren.
Samen met het huishoudelijk reglement van het Beheerscomité van het Fonds, vormen deze besluiten de wettelijke basis voor het Fonds.
België heeft systematisch de karakteristieken van de aardolieproducten genormaliseerd. Voor alle belangrijke aardolieproducten bestaan aldus kwaliteitsnormen.
Dit is een proces dat verschillende jaren terug werd gestart, maar dat thans nog altijd voortgaat.
Deze normen werden allen bekrachtigd door koninklijke besluiten. In deze besluiten werd bovendien gespecifieerd dat op de in de handel gebrachte producten op een statistisch verantwoorde methode, systematisch zou toezicht uitgeoefend worden.
De belangrijkste koninklijke besluiten i.v.m. de aardolieproducten zijn :
- Het koninklijk besluit van 20 maart 2000 tot vervanging van het koninklijk besluit van 26 september 1997 betreffende de benamingen, de kenmerken en het loodgehalte van de benzines voor motorvoertuigen;
- Het koninklijk besluit van 20 maart 2000 ter vervanging van het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie-diesel voor wegvoertuigen;
- Het koninklijk besluit van 19 oktober 1988 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming;
- Het koninklijk besluit van 18 november 1988 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de residuele brandstoffen.
Punctueel toezicht heeft, in de loop van de jaren, aanwijzingen verstrekt dat de kwaliteit niet altijd aan de wettelijke voorschriften beantwoordde.
De betrokken beroepsverenigingen en het Departement hebben ervoor geijverd om een systematisch kwaliteitstoezicht uit te bouwen.
Vanaf 1989 werd gewerkt aan een uitbouw van dit systematisch toezicht, waarvan de conceptie en de details in deze nota zijn opgenomen.
Het Bestuur Energie beschikte echter niet over de nodige budgettaire middelen om dit toezicht uit te werken.
Het is pas door de publikatie van de organieke wet van 27 december 1990, en de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen en meer in het bijzonder van artikel 160 dat de oprichting van het Fonds en de organisatie van dit toezicht in principe mogelijk werden.
Alhoewel de sector erop heeft aangedrongen de financiering van het toezicht te laten geschieden via nieuwe fiscale maatregelen ten laste van de gebruiker, heeft de Minister beslist dit te laten gebeuren via een heffing ten laste van de sector.
Bijgevolg zal de sector samen met de Besturen er in het Beheerscomité over waken dat deze heffing exclusief voor de kosten, verbonden aan de analyse van aardolieproducten, zoals bepaald in artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 8 februari 1995 zal gebruikt worden.
De financiering van het toezicht op de kwaliteit van de aardolieproducten werd mogelijk door het koninklijk besluit van 8 februari 1995. Dit koninklijk besluit vertrouwt het beheer toe aan een Beheerscomité en belast het Bestuur Energie met de dagelijkse werking van het Fonds.
Het koninklijk besluit van 29 september 1995 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van beproevingslaboratoria gelast met de analyse van aardolieproducten krachtens artikel 160 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen legt de criteria vast waaraan de laboratoria dienen te voldoen, om analyses van petroleumproducten te kunnen uitvoeren.
Samen met het huishoudelijk reglement van het Beheerscomité van het Fonds, vormen deze besluiten de wettelijke basis voor het Fonds.
Art. 1N1. 1. Historique et base légale.
La Belgique a systématiquement normalisé les caractéristiques des produits pétroliers. Il existe donc des normes de qualité pour tous les produits pétroliers.
Il s'agit d'un processus qui a démarré il y a quelques années mais qui se poursuit toujours.
Toutes ces normes ont été ratifiées par des arrêtés royaux. En outre, ces arrêtés ont spécifié que les produits mis sur le marché seraient contrôlés systématiquement selon une méthode statistique appropriée.
Les arrêtés royaux les plus importants relatifs aux produits pétroliers sont les suivants :
- l'arrêté royal du 20 mars 2000 remplaçant l'arrêté royal du 26 septembre 1997 relatif aux dénominations, aux caractéristiques et à la teneur en plomb des essences pour véhicules à moteur;
- l'arrêté royal du 20 mars 2000 remplaçant l'arrêté royal du 28 octobre 1996 relatif à la dénomination, aux caractéristiques et à la teneur en souffre du gasoil - diesel pour les véhicules routiers;
- l'arrêté royal du 19 octobre 1988 relatif à la dénomination, aux caractéristiques et à la teneur en soufre du gasoil chauffage;
- l'arrêté royal du 18 novembre 1988 relatif à la dénomination, aux caractéristiques et à la teneur en soufre de combustibles résiduels.
Au cours des années, des contrôles ponctuels ont fourni des indications selon lesquelles la qualité ne correspondait pas toujours aux prescriptions légales.
Les associations professionnelles concernées et le Département ont plaidé pour l'élaboration d'un contrôle de qualité systématique.
A partir de 1989, il a été procédé au développement de cette surveillance systématique dont la conception et les détails sont repris dans la présente note.
Néanmoins, l'Administration ne disposait pas des moyens budgétaires nécessaires pour la mettre en oeuvre.
C'est la publication de la loi organique du 27 décembre 1990 et de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, notamment l'article 160, qui ont permis le principe de la création du Fonds et l'organisation de ces vérifications.
Bien que le secteur ait insisté pour que le financement de cette surveillance se fasse par le biais de nouvelles mesures fiscales à charge du consommateur, le Ministre a décidé de le réaliser par voie d'une redevance à charge du secteur.
Par conséquent, le secteur et les Administrations veilleront au sein du Comité de Gestion à ce que cette redevance soit destinée exclusivement aux frais liés à l'analyse des produits pétroliers, comme le prévoit l'article 4, § 3, de l'arrêté royal du 8 février 1995.
Le financement de la surveillance de la qualité des produits pétroliers a été rendu possible par l'arrêté royal du 8 février 1995. Cet arrêté royal confie la gestion à un Comité de gestion et charge l'Administration de l'Energie du fonctionnement quotidien du Fonds.
L'arrêté royal du 29 septembre 1995 fixant les conditions d'agrément des laboratoires d'essai chargés de l'analyse des produits pétroliers en vertu de l'article 160 de la loi du 30 décembre 1992 relative aux dispositions sociales et diverses fixe les critères auxquels les laboratoires doivent répondre afin de pouvoir effectuer les analyses des produits pétroliers.
Conjointement avec le règlement d'ordre intérieur du Comité de gestion, ces arrêtés constituent la base légale du Fonds.
La Belgique a systématiquement normalisé les caractéristiques des produits pétroliers. Il existe donc des normes de qualité pour tous les produits pétroliers.
Il s'agit d'un processus qui a démarré il y a quelques années mais qui se poursuit toujours.
Toutes ces normes ont été ratifiées par des arrêtés royaux. En outre, ces arrêtés ont spécifié que les produits mis sur le marché seraient contrôlés systématiquement selon une méthode statistique appropriée.
Les arrêtés royaux les plus importants relatifs aux produits pétroliers sont les suivants :
- l'arrêté royal du 20 mars 2000 remplaçant l'arrêté royal du 26 septembre 1997 relatif aux dénominations, aux caractéristiques et à la teneur en plomb des essences pour véhicules à moteur;
- l'arrêté royal du 20 mars 2000 remplaçant l'arrêté royal du 28 octobre 1996 relatif à la dénomination, aux caractéristiques et à la teneur en souffre du gasoil - diesel pour les véhicules routiers;
- l'arrêté royal du 19 octobre 1988 relatif à la dénomination, aux caractéristiques et à la teneur en soufre du gasoil chauffage;
- l'arrêté royal du 18 novembre 1988 relatif à la dénomination, aux caractéristiques et à la teneur en soufre de combustibles résiduels.
Au cours des années, des contrôles ponctuels ont fourni des indications selon lesquelles la qualité ne correspondait pas toujours aux prescriptions légales.
Les associations professionnelles concernées et le Département ont plaidé pour l'élaboration d'un contrôle de qualité systématique.
A partir de 1989, il a été procédé au développement de cette surveillance systématique dont la conception et les détails sont repris dans la présente note.
Néanmoins, l'Administration ne disposait pas des moyens budgétaires nécessaires pour la mettre en oeuvre.
C'est la publication de la loi organique du 27 décembre 1990 et de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, notamment l'article 160, qui ont permis le principe de la création du Fonds et l'organisation de ces vérifications.
Bien que le secteur ait insisté pour que le financement de cette surveillance se fasse par le biais de nouvelles mesures fiscales à charge du consommateur, le Ministre a décidé de le réaliser par voie d'une redevance à charge du secteur.
Par conséquent, le secteur et les Administrations veilleront au sein du Comité de Gestion à ce que cette redevance soit destinée exclusivement aux frais liés à l'analyse des produits pétroliers, comme le prévoit l'article 4, § 3, de l'arrêté royal du 8 février 1995.
Le financement de la surveillance de la qualité des produits pétroliers a été rendu possible par l'arrêté royal du 8 février 1995. Cet arrêté royal confie la gestion à un Comité de gestion et charge l'Administration de l'Energie du fonctionnement quotidien du Fonds.
L'arrêté royal du 29 septembre 1995 fixant les conditions d'agrément des laboratoires d'essai chargés de l'analyse des produits pétroliers en vertu de l'article 160 de la loi du 30 décembre 1992 relative aux dispositions sociales et diverses fixe les critères auxquels les laboratoires doivent répondre afin de pouvoir effectuer les analyses des produits pétroliers.
Conjointement avec le règlement d'ordre intérieur du Comité de gestion, ces arrêtés constituent la base légale du Fonds.
Art. 2N1. 2. Het Fonds.
2.1. Algemeen.
Met het Fonds wordt alles bedoeld dat het systematisch toezicht op de kwaliteit van de aardolieproducten mogelijk maakt en aan de hiernavolgende criteria beantwoordt :
- een systematisch toezicht op alle aardolieproducten;
- op alle niveaus van de distributie;
- het aantal genomen monsters moet representatief zijn voor de distributie van de diverse aardolieproducten en geografisch gespreid zijn;
- de monstername en de bekendmaking aan het Bestuur Energie van de analyseresultaten moeten gebeuren binnen de 48 uur;
het toezicht op de kwaliteit is in eerste instantie bedoeld als "bewaking" van de kwaliteit en pas in laatste instantie als repressief, met uitzondering van de fiscale fraude.
Om praktische redenen - o.a. door het nog ontbreken van een bemonsteringsnorm voor de producten in de diverse stadia van de distributie, zoals voor gasolieverwarming en levering van motorbrandstoffen in bulk - werd het toezicht in eerste instantie beperkt tot de motorbrandstoffen aan de pomp, wat de voorrang had. In een tweede fase werd dit toezicht uitgebreid tot de natuurlijke of rechtspersonen met een pomp voor eigen gebruik.
2.2. Beheer van het Fonds.
Het Fonds wordt beheerd door een Beheerscomité samengesteld uit 3 vaste vertegenwoordigers met stemrecht en 1 vertegenwoordiger met adviesrecht uit de publieke sector en 4 vertegenwoordigers uit de representatieve beroepsverenigingen eveneens met stemrecht.
De samenstelling is als volgt :
- één vertegenwoordiger, aangeduid door de Directeur-generaal van het Bestuur Energie;
- één vertegenwoordiger, aangeduid door de heer Secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken;
- één vertegenwoordiger, aangeduid door de Directeur-generaal van de Administratie der Douane en Accijnzen van het Ministerie van Financiën;
de Inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij het Ministerie van Economische Zaken, met adviesrecht
en de vertegenwoordigers van de Beroepsverenigingen te weten :
- 1 voor de Belgische Petroleum Federatie
- 1 voor de Belgische Petroleum Unie
- 1 voor Federauto
- 1 voor de Federatie van de Brandstoffenhandelaars.
De voorzitter van het Beheerscomité is de vertegenwoordiger van het Bestuur Energie. Dit Beheerscomité stelt een huishoudelijk reglement op.
Dit Beheerscomité komt in principe éénmaal per trimester samen en heeft inzage in alle financiële verrichtingen en zal bovendien om advies gevraagd worden voor elke beleidsbeslissing in verband met de organisatie van het toezicht en de werking van het Fonds. Deze adviezen zullen door het Bestuur Energie telkens aan de Minister overgemaakt worden.
Het dagelijks beheer van het Fonds, en bijgevolg de organisatie van het toezicht wordt toevertrouwd aan het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen.
De verantwoordelijke ambtenaar die krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 februari 1995 de maatschappijen kan aanschrijven, is het Hoofd van deze Dienst.
2.3. Inkomsten van het Fonds
Het koninklijk besluit van 16 november 1999 bepaalt het bedrag dat bij het in verbruik stellen van de aardolieproducten aan het Fonds verschuldigd is, nl :
0,025 EUR per 1 000 l voor de benzines en de gasolie-diesel gedurende drie jaar volgend op de inwerkingtreding van dit besluit.
De heffing voor de andere aardolieproducten is momenteel op 0 EUR vastgelegd.
2.4. Organisatie van de inning van de heffingen.
2.4.1. De heffingsplichtige.
De heffing is verschuldigd bij het in verbruik stellen van aardolieproducten.
Rekening houdende met de diverse aardolieproducten die in het koninklijk besluit geciteerd worden, kan "in verbruik stellen" gelijkgeschakeld worden met het ogenblik dat de accijnzen verschuldigd worden.
Dit houdt in dat elk erkend bedrijf, houder van een belastingsentrepot en elk geregistreerd bedrijf, (beiden houder van een accijnsnummer), evenals de niet-geregistreerde bedrijven die punctueel motorbrandstoffen op de Belgische markt brengen, de vastgestelde bijdrage verschuldigd zijn.
Dit dekt de motorbrandstoffen die via de Belgische raffinaderijen evenals via de E.U. op de Belgische markt gebracht worden.
De heffingen worden geïnd bij de maatschappijen die op de lijst van de accijnsnummers voorkomen.
Deze lijst wordt door het Ministerie van Financiën, Administratie van de Douane en Accijnzen opgesteld. Zij wordt op continue basis bijgewerkt.
Diegenen die aardolieproducten, uit transit of van buiten de E.U. in verbruik stellen, zijn eveneens de heffing aan het Fonds verschuldigd.
Deze hoeveelheden zullen afgeleid worden uit de gegevens van de petroleumbalans die door het Bestuur Energie opgesteld wordt.
2.4.2. Inning van de heffingen.
A. Vastleggen van de heffing
In het koninklijk besluit van 16 november 1999 wordt de heffing als volgt bepaald :
- benzines en gasolie-diesel 0,025 EUR/1 000 l
Deze heffingen worden per kwartaal gegroepeerd.
Het Bestuur Energie heeft vóór 1 april 1995 alle bedrijven, houders van een accijnsnummer en de bedrijven die motorbrandstoffen in het verbruik aanbieden, aangeschreven en geïnformeerd betreffende de inning van de heffingen. Elk nieuw bedrijf dat na 1 april 1995 houder van een accijnsnummer voor petroleumproducten is geworden, is door het Bestuur Energie schriftelijk geïnformeerd geworden omtrent deze heffingen.
De Administratie der Douane en Accijnzen meldt aan het Bestuur Energie uiterlijk op de laatste werkdag van de tweede maand volgend op een kwartaal, de hoeveelheden die ieder bedrijf in verbruik heeft gesteld.
Dit gebeurt voor de eerste keer, vóór eind augustus 1995 (zie artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 8 februari 1995)
Het Bestuur Energie heeft de mogelijkheid deze gegevens te vervolledigen met de gegevens die uit de maandelijkse petroleumbalans komen.
De door de Minister gemachtigde ambtenaar betekent het te storten bedrag uiterlijk op de laatste werkdag van de derde maand volgend op ieder kwartaal (d.w.z. de eerste maal gedurende de maand september 1996).
B. Betwisting
In geval van betwisting van het betekend bedrag, kan het betrokken bedrijf voor de twintigste van de maand volgend op de betekening, per aangetekend schrijven gericht aan het Bestuur Energie bezwaar aantekenen.
Bezwaren die betekend worden na de bovenvermelde datum of die betrekking hebben op een verschil kleiner dan 25 EUR zijn niet ontvankelijk.
Het Bestuur Energie moet voor de laatste dag van de maand volgend op het bezwaar uitspraak doen.
Zelfs indien het betrokken bedrijf het betekende bedrag blijft betwisten, dient het eerst betaald te worden vooraleer het bedrijf haar rechten kan laten gelden voor de rechtbank.
C. Kleine facturen
Indien het verschuldigde bedrag voor één trimester minder dan 6,25 EUR bedraagt wordt dit bedrag in dat trimester niet gefactureerd.
D. Wanbetaling of niet-betaling
De bedrijven hebben 1 maand om de betekende bedragen aan te zuiveren door storting op de ontvangstenrekening van het Bestuur Energie.
Indien op de laatste dag van de maand volgend op de betekening de verschuldigde bedragen nog niet gestort zijn, stuurt het Bestuur Energie aan de in gebreke blijvende bedrijven een aanmaning.
2.4.3. Financieel beheer.
Het Fonds beschikt over twee rekeningen nl. de ontvangstenrekening en de fondsenvoorschotrekening.
1. De ontvangstenrekening.
De geïnde bedragen worden gestort op de ontvangstenrekening met nummer prk. 679-2005884-26 - Fonds voor de Analyse van Aardolieproducten van het Bestuur Energie. Deze rekening wordt beheerd door een rekenplichtige die ten behoeve van het Beheerscomité, driemaandelijks een gedetailleerd verslag en elke maand een voorlopig verslag, i.v.m. de stand van de rekening opstelt.
Ten laatste op het einde van elk kwartaal, worden de bedragen die op deze ontvangstenrekening gestort worden, aan de Thesaurie overgemaakt.
Het Bestuur Energie brengt op de vergadering van het Beheerscomité verslag uit over de ontvangsten en ook over de achterstallige betalingen.
Wat deze laatste betreft, wordt het Beheerscomité ingelicht over de stappen die gezet zijn om deze toch te innen.
Het Beheerscomité heeft geen toegang tot de individuele gegevens.
Er kunnen op deze rekening geen uitgaven geboekt worden.
2. De fondsenvoorschotrekening.
De ontvangsten die aan de Thesaurie worden doorgestort zullen via de Administratie van de Begroting onder de vorm van begrotingskredieten ter beschikking gesteld worden op het begrotingskrediet FAPETRO van het Bestuur Energie.
Deze kredieten worden aangewend tot dekking van alle uitgaven van het Fonds en zijn jaarlijks overdraagbaar.
Alle verbintenissen ten laste van het Fonds worden aangegaan met inachtneming van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake overheidsopdrachten en Rijkscomptabiliteit.
De verbintenissen kunnen opgesplitst worden in :
a) De kleine uitgaven
Ze zijn beperkt tot 750 EUR per verbintenis. Ze mogen geen vergoedingen aan personeelsleden van het Ministerie van Economische Zaken zijn en mogen niet bestemd zijn voor opdrachten in het buitenland.
Zij worden aangegaan door de Directeur-generaal van het Bestuur Energie die hiervoor uitdrukkelijk de machtiging ontvangt.
De uitgaven m.b.t. deze verbintenissen worden verricht via de fondsenvoorschotrekening met nummer prk. 679-2009630-81 - Fonds voor de Analyse van Aardolieproducten van het Bestuur Energie.
Het jaarlijkse bedrag dat op deze rekening mag gestort worden, is beperkt tot 200.000 EUR, te storten in 4 schijven van 50.000 EUR.
Het maximale bedrag dat op deze rekening mag voorkomen is beperkt tot 75.000 EUR.
b) De overige verbintenissen :
De overige verbintenissen volgen de procedure ingesteld door artikel 6, § 2, van het huishoudelijk reglement.
De facturen met betrekking tot deze verbintenissen worden in ontvangst genomen door het Bestuur Energie en voor vereffening aan het Bestuur Algemene Diensten - Financiële Afdeling overgemaakt.
De vertegenwoordiger van het Bestuur Energie geeft op de vergadering van het Beheerscomité een overzicht van de kleine uitgaven en van de stand van het begrotingskrediet.
Hij verstrekt meer in het bijzonder toelichting i.v.m. de geplande, vastgelegde en gedane uitgaven.
2.1. Algemeen.
Met het Fonds wordt alles bedoeld dat het systematisch toezicht op de kwaliteit van de aardolieproducten mogelijk maakt en aan de hiernavolgende criteria beantwoordt :
- een systematisch toezicht op alle aardolieproducten;
- op alle niveaus van de distributie;
- het aantal genomen monsters moet representatief zijn voor de distributie van de diverse aardolieproducten en geografisch gespreid zijn;
- de monstername en de bekendmaking aan het Bestuur Energie van de analyseresultaten moeten gebeuren binnen de 48 uur;
het toezicht op de kwaliteit is in eerste instantie bedoeld als "bewaking" van de kwaliteit en pas in laatste instantie als repressief, met uitzondering van de fiscale fraude.
Om praktische redenen - o.a. door het nog ontbreken van een bemonsteringsnorm voor de producten in de diverse stadia van de distributie, zoals voor gasolieverwarming en levering van motorbrandstoffen in bulk - werd het toezicht in eerste instantie beperkt tot de motorbrandstoffen aan de pomp, wat de voorrang had. In een tweede fase werd dit toezicht uitgebreid tot de natuurlijke of rechtspersonen met een pomp voor eigen gebruik.
2.2. Beheer van het Fonds.
Het Fonds wordt beheerd door een Beheerscomité samengesteld uit 3 vaste vertegenwoordigers met stemrecht en 1 vertegenwoordiger met adviesrecht uit de publieke sector en 4 vertegenwoordigers uit de representatieve beroepsverenigingen eveneens met stemrecht.
De samenstelling is als volgt :
- één vertegenwoordiger, aangeduid door de Directeur-generaal van het Bestuur Energie;
- één vertegenwoordiger, aangeduid door de heer Secretaris-generaal van het Ministerie van Economische Zaken;
- één vertegenwoordiger, aangeduid door de Directeur-generaal van de Administratie der Douane en Accijnzen van het Ministerie van Financiën;
de Inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij het Ministerie van Economische Zaken, met adviesrecht
en de vertegenwoordigers van de Beroepsverenigingen te weten :
- 1 voor de Belgische Petroleum Federatie
- 1 voor de Belgische Petroleum Unie
- 1 voor Federauto
- 1 voor de Federatie van de Brandstoffenhandelaars.
De voorzitter van het Beheerscomité is de vertegenwoordiger van het Bestuur Energie. Dit Beheerscomité stelt een huishoudelijk reglement op.
Dit Beheerscomité komt in principe éénmaal per trimester samen en heeft inzage in alle financiële verrichtingen en zal bovendien om advies gevraagd worden voor elke beleidsbeslissing in verband met de organisatie van het toezicht en de werking van het Fonds. Deze adviezen zullen door het Bestuur Energie telkens aan de Minister overgemaakt worden.
Het dagelijks beheer van het Fonds, en bijgevolg de organisatie van het toezicht wordt toevertrouwd aan het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen.
De verantwoordelijke ambtenaar die krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 februari 1995 de maatschappijen kan aanschrijven, is het Hoofd van deze Dienst.
2.3. Inkomsten van het Fonds
Het koninklijk besluit van 16 november 1999 bepaalt het bedrag dat bij het in verbruik stellen van de aardolieproducten aan het Fonds verschuldigd is, nl :
0,025 EUR per 1 000 l voor de benzines en de gasolie-diesel gedurende drie jaar volgend op de inwerkingtreding van dit besluit.
De heffing voor de andere aardolieproducten is momenteel op 0 EUR vastgelegd.
2.4. Organisatie van de inning van de heffingen.
2.4.1. De heffingsplichtige.
De heffing is verschuldigd bij het in verbruik stellen van aardolieproducten.
Rekening houdende met de diverse aardolieproducten die in het koninklijk besluit geciteerd worden, kan "in verbruik stellen" gelijkgeschakeld worden met het ogenblik dat de accijnzen verschuldigd worden.
Dit houdt in dat elk erkend bedrijf, houder van een belastingsentrepot en elk geregistreerd bedrijf, (beiden houder van een accijnsnummer), evenals de niet-geregistreerde bedrijven die punctueel motorbrandstoffen op de Belgische markt brengen, de vastgestelde bijdrage verschuldigd zijn.
Dit dekt de motorbrandstoffen die via de Belgische raffinaderijen evenals via de E.U. op de Belgische markt gebracht worden.
De heffingen worden geïnd bij de maatschappijen die op de lijst van de accijnsnummers voorkomen.
Deze lijst wordt door het Ministerie van Financiën, Administratie van de Douane en Accijnzen opgesteld. Zij wordt op continue basis bijgewerkt.
Diegenen die aardolieproducten, uit transit of van buiten de E.U. in verbruik stellen, zijn eveneens de heffing aan het Fonds verschuldigd.
Deze hoeveelheden zullen afgeleid worden uit de gegevens van de petroleumbalans die door het Bestuur Energie opgesteld wordt.
2.4.2. Inning van de heffingen.
A. Vastleggen van de heffing
In het koninklijk besluit van 16 november 1999 wordt de heffing als volgt bepaald :
- benzines en gasolie-diesel 0,025 EUR/1 000 l
Deze heffingen worden per kwartaal gegroepeerd.
Het Bestuur Energie heeft vóór 1 april 1995 alle bedrijven, houders van een accijnsnummer en de bedrijven die motorbrandstoffen in het verbruik aanbieden, aangeschreven en geïnformeerd betreffende de inning van de heffingen. Elk nieuw bedrijf dat na 1 april 1995 houder van een accijnsnummer voor petroleumproducten is geworden, is door het Bestuur Energie schriftelijk geïnformeerd geworden omtrent deze heffingen.
De Administratie der Douane en Accijnzen meldt aan het Bestuur Energie uiterlijk op de laatste werkdag van de tweede maand volgend op een kwartaal, de hoeveelheden die ieder bedrijf in verbruik heeft gesteld.
Dit gebeurt voor de eerste keer, vóór eind augustus 1995 (zie artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 8 februari 1995)
Het Bestuur Energie heeft de mogelijkheid deze gegevens te vervolledigen met de gegevens die uit de maandelijkse petroleumbalans komen.
De door de Minister gemachtigde ambtenaar betekent het te storten bedrag uiterlijk op de laatste werkdag van de derde maand volgend op ieder kwartaal (d.w.z. de eerste maal gedurende de maand september 1996).
B. Betwisting
In geval van betwisting van het betekend bedrag, kan het betrokken bedrijf voor de twintigste van de maand volgend op de betekening, per aangetekend schrijven gericht aan het Bestuur Energie bezwaar aantekenen.
Bezwaren die betekend worden na de bovenvermelde datum of die betrekking hebben op een verschil kleiner dan 25 EUR zijn niet ontvankelijk.
Het Bestuur Energie moet voor de laatste dag van de maand volgend op het bezwaar uitspraak doen.
Zelfs indien het betrokken bedrijf het betekende bedrag blijft betwisten, dient het eerst betaald te worden vooraleer het bedrijf haar rechten kan laten gelden voor de rechtbank.
C. Kleine facturen
Indien het verschuldigde bedrag voor één trimester minder dan 6,25 EUR bedraagt wordt dit bedrag in dat trimester niet gefactureerd.
D. Wanbetaling of niet-betaling
De bedrijven hebben 1 maand om de betekende bedragen aan te zuiveren door storting op de ontvangstenrekening van het Bestuur Energie.
Indien op de laatste dag van de maand volgend op de betekening de verschuldigde bedragen nog niet gestort zijn, stuurt het Bestuur Energie aan de in gebreke blijvende bedrijven een aanmaning.
2.4.3. Financieel beheer.
Het Fonds beschikt over twee rekeningen nl. de ontvangstenrekening en de fondsenvoorschotrekening.
1. De ontvangstenrekening.
De geïnde bedragen worden gestort op de ontvangstenrekening met nummer prk. 679-2005884-26 - Fonds voor de Analyse van Aardolieproducten van het Bestuur Energie. Deze rekening wordt beheerd door een rekenplichtige die ten behoeve van het Beheerscomité, driemaandelijks een gedetailleerd verslag en elke maand een voorlopig verslag, i.v.m. de stand van de rekening opstelt.
Ten laatste op het einde van elk kwartaal, worden de bedragen die op deze ontvangstenrekening gestort worden, aan de Thesaurie overgemaakt.
Het Bestuur Energie brengt op de vergadering van het Beheerscomité verslag uit over de ontvangsten en ook over de achterstallige betalingen.
Wat deze laatste betreft, wordt het Beheerscomité ingelicht over de stappen die gezet zijn om deze toch te innen.
Het Beheerscomité heeft geen toegang tot de individuele gegevens.
Er kunnen op deze rekening geen uitgaven geboekt worden.
2. De fondsenvoorschotrekening.
De ontvangsten die aan de Thesaurie worden doorgestort zullen via de Administratie van de Begroting onder de vorm van begrotingskredieten ter beschikking gesteld worden op het begrotingskrediet FAPETRO van het Bestuur Energie.
Deze kredieten worden aangewend tot dekking van alle uitgaven van het Fonds en zijn jaarlijks overdraagbaar.
Alle verbintenissen ten laste van het Fonds worden aangegaan met inachtneming van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake overheidsopdrachten en Rijkscomptabiliteit.
De verbintenissen kunnen opgesplitst worden in :
a) De kleine uitgaven
Ze zijn beperkt tot 750 EUR per verbintenis. Ze mogen geen vergoedingen aan personeelsleden van het Ministerie van Economische Zaken zijn en mogen niet bestemd zijn voor opdrachten in het buitenland.
Zij worden aangegaan door de Directeur-generaal van het Bestuur Energie die hiervoor uitdrukkelijk de machtiging ontvangt.
De uitgaven m.b.t. deze verbintenissen worden verricht via de fondsenvoorschotrekening met nummer prk. 679-2009630-81 - Fonds voor de Analyse van Aardolieproducten van het Bestuur Energie.
Het jaarlijkse bedrag dat op deze rekening mag gestort worden, is beperkt tot 200.000 EUR, te storten in 4 schijven van 50.000 EUR.
Het maximale bedrag dat op deze rekening mag voorkomen is beperkt tot 75.000 EUR.
b) De overige verbintenissen :
De overige verbintenissen volgen de procedure ingesteld door artikel 6, § 2, van het huishoudelijk reglement.
De facturen met betrekking tot deze verbintenissen worden in ontvangst genomen door het Bestuur Energie en voor vereffening aan het Bestuur Algemene Diensten - Financiële Afdeling overgemaakt.
De vertegenwoordiger van het Bestuur Energie geeft op de vergadering van het Beheerscomité een overzicht van de kleine uitgaven en van de stand van het begrotingskrediet.
Hij verstrekt meer in het bijzonder toelichting i.v.m. de geplande, vastgelegde en gedane uitgaven.
Art. 2N1. 2. Le Fonds.
2.1. Généralités.
Par le Fonds, on entend tout ce qui permet la vérification systématique de la qualité des produits pétroliers et qui répond aux critères suivants :
- une surveillance systématique de tous les produits pétroliers;
- prise en considération de tous les niveaux de la distribution;
- le nombre d'échantillons prélevés doit être représentatif de la distribution des divers produits pétroliers et doit être géographiquement dispersé;
- la prise d'échantillons et la communication des résultats à l'Administration de l'Energie doivent se faire dans les 48 heures;
- le contrôle de la qualité sert en première instance "de vérification" de la qualité et n'est répressif qu'en dernière instance, sauf cas de fraude fiscale.
Pour des raisons pratiques - entre autres en l'absence d'une norme de prise d'échantillons pour les produits tels que le mazout de chauffage et les carburants en vrac aux divers stades de la distribution - la surveillance se limitait en première instance aux carburants à la pompe, ce qui était prioritaire. Dans une deuxième phase, cette surveillance a été élargie aux personnes physiques ou morales disposant d'une pompe à usage propre.
2.2. La gestion du Fonds.
Le Fonds est géré par un Comité de gestion composé de quatre représentants du secteur public - trois ayant un droit de vote, un quatrième avec voix consultative - et de quatre représentants des organisations professionnelles représentatives avec voix consultative.
La composition est la suivante :
- un représentant désigné par le Directeur général de l'Administration de l'Energie;
- un représentant désigné par Monsieur le Secrétaire général du Ministère des Affaires économiques;
- un représentant désigné par le Directeur général de l'Administration des Douanes et Accises du Ministère des Finances;
- l'Inspecteur des Finances accrédité auprès du Ministère des Affaires Economiques, avec voix consultative;
et les représentants des Organisations professionnelles, à savoir :
- un représentant pour la Fédération pétrolière belge;
- un représentant pour l'Union belge du pétrole;
- un représentant pour Federauto;
- un représentant pour la Fédération belge des négociants en combustibles et carburants.
Le président du Comité de gestion est le représentant de l'Administration de l'Energie. Ce Comité rédige un règlement d'ordre intérieur.
En principe, ce Comité de gestion se réunit une fois par trimestre et peut prendre connaissance de toutes les opérations financières. En outre, son avis sera demandé pour chaque décision politique relative à l'organisation des contrôles et au fonctionnement du Fonds. Ces avis seront chaque fois communiqués au Ministre par l'Administration de l'Energie.
La gestion quotidienne du Fonds et l'organisation des contrôles sont confiées à l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons.
Le fonctionnaire responsable, qui en vertu de l'article 3 de l'arrêté royal du 8 février 1995 peut notifier aux sociétés leurs obligations, est le Chef de ce service.
2.3. Recettes du Fonds.
L'arrêté royal du 16 novembre 1999 fixe la redevance due au Fonds lors de la mise à la consommation des produits pétroliers, notamment :
0,025 EUR par 1 000 l pour les essences et le gasoil diesel durant les trois années suivant l'entrée en vigueur de cet arrêté.
La redevance pour les autres produits pétroliers est actuellement fixée à 0 EUR.
2.4. Organisation de la perception des redevances.
2.4.1. Le redevable.
La redevance est due lors de la mise à la consommation de produits pétroliers.
Compte tenu des divers produits pétroliers cités dans l'arrêté royal, la "mise à la consommation" peut être assimilée au moment où les accises deviennent redevables.
Cela implique que tout opérateur agréé, soit détenteur d'un entrepôt fiscal, soit opérateur enregistré (tous les deux détenteurs d'un numéro d'accises) ainsi que les opérateurs non enregistrés qui mettent ponctuellement des carburants sur le marché belge, doivent payer la redevance fixée.
Ceci couvre les carburants mis en consommation sur le marché belge, via les raffineries belges ainsi que via l'Union européenne.
Les redevances sont perçues auprès des sociétés qui figurent sur la liste des numéros d'accises.
Cette liste est rédigée par le Ministère des Finances, Administration des Douanes et Accises. Elle est constamment actualisée.
La redevance au Fonds est également due par ceux qui mettent en consommation des produits pétroliers provenant du transit ou émanant de pays étrangers à l'Union européenne.
Ces quantités seront établies sur base de la balance pétrolière établie par l'Administration de l'Energie.
2.4.2. Perception des redevances.
A. Détermination de la redevance.
L'arrêté royal du 16 novembre 1999 fixe la redevance comme suit :
- essences et gasoil diesel 0,025 EUR/1 000 l
Ces redevances sont groupées par trimestre.
L'Administration de l'Energie a informé par lettre, avant le 1 avril 1995, les opérateurs concernés par la redevance et détenteurs d'un numéro d'accises, qui offrent des carburants à la consommation, de l'entrée en vigueur de la perception des redevances. Tout nouvel opérateur devenu détenteur d'un numéro d'accises après le 1 avril 1995 est aussi informé par écrit de cette redevance par l'Administration de l'Energie.
L'Administration des Douanes et Accises communique à l'Administration de l'Energie, au plus tard le dernier jour ouvrable du deuxième mois suivant un trimestre, les quantités que chaque opérateur a mises en consommation.
Ceci a lieu pour la première fois, avant fin août 1995 (voir article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 8 février 1995).
L'Administration dispose de la possibilité de compléter ces données au moyen des données de la statistique pétrolière mensuelle.
Le fonctionnaire désigné par le Ministre notifie le montant total à verser au plus tard le dernier jour ouvrable du troisième mois suivant chaque trimestre (c'est-à-dire, pour la première fois au cours du mois de septembre 1996).
B. Contestation.
En cas de contestation du montant signifié, l'opérateur concerné peut introduire une réclamation par lettre recommandée adressée à l'Administration de l'Energie, avant le 20ème jour du mois suivant la signification.
Les réclamations signifiées après la date susvisée ou relatives à un écart inférieur à 25 EUR ne sont pas recevables.
L'Administration de l'Energie doit statuer avant le dernier jour du mois suivant la réclamation.
L'opérateur qui continue à contester le montant signifié doit néanmoins le payer avant qu'il puisse faire valoir ses droits en justice.
C. Petites factures
Si le montant dû pour un trimestre est inférieur à 6,25 EUR, ce montant ne sera pas facturé lors de ce trimestre.
D. Paiement incomplet ou non-paiement
Les opérateurs disposent d'un mois pour acquitter les montants signifiés, par versement sur le compte des recettes de l'Administration de l'Energie.
Si le dernier jour du mois suivant la signification les montants dus ne sont pas encore versés, l'Administration de l'Energie adresse une mise en demeure aux opérateurs concernés.
2.4.3. Gestion financière.
Le Fonds dispose de deux comptes : le compte des recettes et le compte des avances de fonds.
1. Le compte des recettes.
Les montants perçus sont versés sur le compte de recettes CCP N° 679-2005884-26 - Fonds d'Analyse des Produits pétroliers de l'Administration de l'Energie. Ce compte est géré par un comptable qui établit, à l'attention du Comité de gestion, un rapport trimestriel détaillé et un rapport mensuel provisoire concernant l'état du compte.
Au plus tard à la fin de chaque trimestre, les montants versés sur ce compte de recettes sont transmis au Trésor.
Lors de la réunion du Comité de gestion, l'Administration de l'Energie fait rapport sur les recettes ainsi que sur les arriérés de paiements.
En ce qui concerne ces derniers, le Comité de gestion est informé des démarches entreprises en vue de leur recouvrement.
Le Comité de gestion n'a pas accès aux données individuelles.
Aucune dépense ne peut être enregistrée sur ce compte.
2. Le compte des avances de fonds.
Les recettes transférées au Trésor sont mises à la disposition du Fonds par l'Administration du Budget, sous forme de crédits budgétaires, sur le budget FAPETRO de l'Administration de l'Energie.
Ces crédits sont destinés à couvrir toutes les dépenses du Fonds et peuvent annuellement être reportés.
Tous les engagements pris par le Fonds respectent les dispositions légales et réglementaires relatives aux marchés publics et à la comptabilité de l'Etat.
Ces engagements peuvent être répartis en deux catégories :
a) Petites dépenses :
Elles sont limitées à 750 EUR par engagement. Elles ne peuvent servir ni à rémunérer les membres du personnel des Affaires économiques, ni à couvrir les frais de missions à l'étranger.
Elles sont autorisées par le chef de l'Administration de l'Energie qui est expressément mandaté à cette fin.
Les dépenses relatives à ces engagements sont effectuées par voie d'un compte d'avance de fonds CCP n° 679-2009630-81 - Fonds d'Analyse des Produits pétroliers, de l'Administration de l'Energie.
Le montant annuel qui peut être versé sur ce compte est limité à 200.000 EUR, en 4 tranches de 50.000 EUR.
Le montant maximum qui peut figurer sur ce compte est limité à 75.000 EUR.
b) Les autres engagements :
Les autres engagements suivent la procédure prévue par l'article 6, § 2, du règlement d'ordre intérieur.
Les factures relatives à ces engagements sont reçues par l'Administration de l'Energie et sont transmises pour liquidation aux Services généraux - Division financière.
Lors de la réunion du Comité de gestion, l'Administration de l'Energie donne un aperçu des petites dépenses et de l'état du crédit budgétaire.
Il fournit en particulier des explications concernant les dépenses envisagées, engagées et effectuées.
2.1. Généralités.
Par le Fonds, on entend tout ce qui permet la vérification systématique de la qualité des produits pétroliers et qui répond aux critères suivants :
- une surveillance systématique de tous les produits pétroliers;
- prise en considération de tous les niveaux de la distribution;
- le nombre d'échantillons prélevés doit être représentatif de la distribution des divers produits pétroliers et doit être géographiquement dispersé;
- la prise d'échantillons et la communication des résultats à l'Administration de l'Energie doivent se faire dans les 48 heures;
- le contrôle de la qualité sert en première instance "de vérification" de la qualité et n'est répressif qu'en dernière instance, sauf cas de fraude fiscale.
Pour des raisons pratiques - entre autres en l'absence d'une norme de prise d'échantillons pour les produits tels que le mazout de chauffage et les carburants en vrac aux divers stades de la distribution - la surveillance se limitait en première instance aux carburants à la pompe, ce qui était prioritaire. Dans une deuxième phase, cette surveillance a été élargie aux personnes physiques ou morales disposant d'une pompe à usage propre.
2.2. La gestion du Fonds.
Le Fonds est géré par un Comité de gestion composé de quatre représentants du secteur public - trois ayant un droit de vote, un quatrième avec voix consultative - et de quatre représentants des organisations professionnelles représentatives avec voix consultative.
La composition est la suivante :
- un représentant désigné par le Directeur général de l'Administration de l'Energie;
- un représentant désigné par Monsieur le Secrétaire général du Ministère des Affaires économiques;
- un représentant désigné par le Directeur général de l'Administration des Douanes et Accises du Ministère des Finances;
- l'Inspecteur des Finances accrédité auprès du Ministère des Affaires Economiques, avec voix consultative;
et les représentants des Organisations professionnelles, à savoir :
- un représentant pour la Fédération pétrolière belge;
- un représentant pour l'Union belge du pétrole;
- un représentant pour Federauto;
- un représentant pour la Fédération belge des négociants en combustibles et carburants.
Le président du Comité de gestion est le représentant de l'Administration de l'Energie. Ce Comité rédige un règlement d'ordre intérieur.
En principe, ce Comité de gestion se réunit une fois par trimestre et peut prendre connaissance de toutes les opérations financières. En outre, son avis sera demandé pour chaque décision politique relative à l'organisation des contrôles et au fonctionnement du Fonds. Ces avis seront chaque fois communiqués au Ministre par l'Administration de l'Energie.
La gestion quotidienne du Fonds et l'organisation des contrôles sont confiées à l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons.
Le fonctionnaire responsable, qui en vertu de l'article 3 de l'arrêté royal du 8 février 1995 peut notifier aux sociétés leurs obligations, est le Chef de ce service.
2.3. Recettes du Fonds.
L'arrêté royal du 16 novembre 1999 fixe la redevance due au Fonds lors de la mise à la consommation des produits pétroliers, notamment :
0,025 EUR par 1 000 l pour les essences et le gasoil diesel durant les trois années suivant l'entrée en vigueur de cet arrêté.
La redevance pour les autres produits pétroliers est actuellement fixée à 0 EUR.
2.4. Organisation de la perception des redevances.
2.4.1. Le redevable.
La redevance est due lors de la mise à la consommation de produits pétroliers.
Compte tenu des divers produits pétroliers cités dans l'arrêté royal, la "mise à la consommation" peut être assimilée au moment où les accises deviennent redevables.
Cela implique que tout opérateur agréé, soit détenteur d'un entrepôt fiscal, soit opérateur enregistré (tous les deux détenteurs d'un numéro d'accises) ainsi que les opérateurs non enregistrés qui mettent ponctuellement des carburants sur le marché belge, doivent payer la redevance fixée.
Ceci couvre les carburants mis en consommation sur le marché belge, via les raffineries belges ainsi que via l'Union européenne.
Les redevances sont perçues auprès des sociétés qui figurent sur la liste des numéros d'accises.
Cette liste est rédigée par le Ministère des Finances, Administration des Douanes et Accises. Elle est constamment actualisée.
La redevance au Fonds est également due par ceux qui mettent en consommation des produits pétroliers provenant du transit ou émanant de pays étrangers à l'Union européenne.
Ces quantités seront établies sur base de la balance pétrolière établie par l'Administration de l'Energie.
2.4.2. Perception des redevances.
A. Détermination de la redevance.
L'arrêté royal du 16 novembre 1999 fixe la redevance comme suit :
- essences et gasoil diesel 0,025 EUR/1 000 l
Ces redevances sont groupées par trimestre.
L'Administration de l'Energie a informé par lettre, avant le 1 avril 1995, les opérateurs concernés par la redevance et détenteurs d'un numéro d'accises, qui offrent des carburants à la consommation, de l'entrée en vigueur de la perception des redevances. Tout nouvel opérateur devenu détenteur d'un numéro d'accises après le 1 avril 1995 est aussi informé par écrit de cette redevance par l'Administration de l'Energie.
L'Administration des Douanes et Accises communique à l'Administration de l'Energie, au plus tard le dernier jour ouvrable du deuxième mois suivant un trimestre, les quantités que chaque opérateur a mises en consommation.
Ceci a lieu pour la première fois, avant fin août 1995 (voir article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 8 février 1995).
L'Administration dispose de la possibilité de compléter ces données au moyen des données de la statistique pétrolière mensuelle.
Le fonctionnaire désigné par le Ministre notifie le montant total à verser au plus tard le dernier jour ouvrable du troisième mois suivant chaque trimestre (c'est-à-dire, pour la première fois au cours du mois de septembre 1996).
B. Contestation.
En cas de contestation du montant signifié, l'opérateur concerné peut introduire une réclamation par lettre recommandée adressée à l'Administration de l'Energie, avant le 20ème jour du mois suivant la signification.
Les réclamations signifiées après la date susvisée ou relatives à un écart inférieur à 25 EUR ne sont pas recevables.
L'Administration de l'Energie doit statuer avant le dernier jour du mois suivant la réclamation.
L'opérateur qui continue à contester le montant signifié doit néanmoins le payer avant qu'il puisse faire valoir ses droits en justice.
C. Petites factures
Si le montant dû pour un trimestre est inférieur à 6,25 EUR, ce montant ne sera pas facturé lors de ce trimestre.
D. Paiement incomplet ou non-paiement
Les opérateurs disposent d'un mois pour acquitter les montants signifiés, par versement sur le compte des recettes de l'Administration de l'Energie.
Si le dernier jour du mois suivant la signification les montants dus ne sont pas encore versés, l'Administration de l'Energie adresse une mise en demeure aux opérateurs concernés.
2.4.3. Gestion financière.
Le Fonds dispose de deux comptes : le compte des recettes et le compte des avances de fonds.
1. Le compte des recettes.
Les montants perçus sont versés sur le compte de recettes CCP N° 679-2005884-26 - Fonds d'Analyse des Produits pétroliers de l'Administration de l'Energie. Ce compte est géré par un comptable qui établit, à l'attention du Comité de gestion, un rapport trimestriel détaillé et un rapport mensuel provisoire concernant l'état du compte.
Au plus tard à la fin de chaque trimestre, les montants versés sur ce compte de recettes sont transmis au Trésor.
Lors de la réunion du Comité de gestion, l'Administration de l'Energie fait rapport sur les recettes ainsi que sur les arriérés de paiements.
En ce qui concerne ces derniers, le Comité de gestion est informé des démarches entreprises en vue de leur recouvrement.
Le Comité de gestion n'a pas accès aux données individuelles.
Aucune dépense ne peut être enregistrée sur ce compte.
2. Le compte des avances de fonds.
Les recettes transférées au Trésor sont mises à la disposition du Fonds par l'Administration du Budget, sous forme de crédits budgétaires, sur le budget FAPETRO de l'Administration de l'Energie.
Ces crédits sont destinés à couvrir toutes les dépenses du Fonds et peuvent annuellement être reportés.
Tous les engagements pris par le Fonds respectent les dispositions légales et réglementaires relatives aux marchés publics et à la comptabilité de l'Etat.
Ces engagements peuvent être répartis en deux catégories :
a) Petites dépenses :
Elles sont limitées à 750 EUR par engagement. Elles ne peuvent servir ni à rémunérer les membres du personnel des Affaires économiques, ni à couvrir les frais de missions à l'étranger.
Elles sont autorisées par le chef de l'Administration de l'Energie qui est expressément mandaté à cette fin.
Les dépenses relatives à ces engagements sont effectuées par voie d'un compte d'avance de fonds CCP n° 679-2009630-81 - Fonds d'Analyse des Produits pétroliers, de l'Administration de l'Energie.
Le montant annuel qui peut être versé sur ce compte est limité à 200.000 EUR, en 4 tranches de 50.000 EUR.
Le montant maximum qui peut figurer sur ce compte est limité à 75.000 EUR.
b) Les autres engagements :
Les autres engagements suivent la procédure prévue par l'article 6, § 2, du règlement d'ordre intérieur.
Les factures relatives à ces engagements sont reçues par l'Administration de l'Energie et sont transmises pour liquidation aux Services généraux - Division financière.
Lors de la réunion du Comité de gestion, l'Administration de l'Energie donne un aperçu des petites dépenses et de l'état du crédit budgétaire.
Il fournit en particulier des explications concernant les dépenses envisagées, engagées et effectuées.
Art. 3N1. 3. Organisatie van het toezicht van de kwaliteit van de aardolieproducten bij leveringen in de benzinestations.
Het systematisch toezicht op de kwaliteit van de aardolieproducten gebeurt via een steekproef.
Principieel wordt ervan uitgegaan dat een afwijking van de kwaliteit vastgelegd in de Belgische normen, te wijten is aan een technisch gebrek of een menselijke fout en niet doelbewust wordt begaan.
Aldus is het toezichtsysteem in eerste instantie bedoeld als een bewakingssysteem en niet als een repressief systeem; behalve voor gevallen waar fiscale fraude wordt vastgesteld.
Het is echter evident dat de kwaliteit van de producten dient te beantwoorden aan de wettelijke bepalingen.
Zoals verder wordt beschreven, worden de maatschappijen die niet-conforme producten in de handel brengen, uitgenodigd om aanstonds de nodige maatregelen te nemen om de kwaliteit aan te passen of om de verkoop van de niet-conforme producten op te schorten.
Indien de betrokkene geen gevolg heeft gegeven aan dit verzoek wordt de normale vervolgingsprocedure (inbeslagname, proces-verbaal, gerechtelijke vervolging enz.) ingezet.
Het georganiseerde toezicht is zodanig opgevat :
1) dat het strikt neutraal is : d.w.z. dat alle betrokkenen evenveel kans hebben om gecontroleerd te worden. Het is evenwel zo dat aan diegenen, bij wie een afwijking werd vastgesteld, in de populatie van benzinestations een groter gewicht zal toegekend worden waardoor ze, gedurende een bepaalde periode, meer kans maken om gecontroleerd te worden;
2) dat de strikste geheimhouding gewaarborgd blijft om de commerciële gegevens te beschermen en om te vermijden dat maatregelen zouden genomen worden om de kwaliteit van de genomen stalen te wijzigen;
3) dat zij die de stalen nemen, evenals de laboratoria die de analyses uitvoeren zullen gecontroleerd worden om de hoogst mogelijke betrouwbaarheid te bereiken.
Het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen organiseert het toezicht en draagt er de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor.
De monstername kan wettelijk uitgevoerd worden door de agenten van :
- het Bestuur Economische Inspectie;
- het Bestuur Energie;
- het Centraal Laboratorium;
en gelet op het toezichtkarakter, in principe ook door aanvaarde en wettelijk erkende ijkers en meters.
De systematische analyses mogen verricht worden door alle laboratoria die wettelijk erkend zijn voor het verrichten van analyses op aardolieproducten en die beantwoorden aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 29 september 1995 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van beproevingslaboratoria gelast met de analyse van aardolieproducten krachtens artikel 160 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.
Het contract voortvloeiend uit de prijsofferte, heeft een looptijd van maximum drie jaar, maximaal verlengbaar voor één periode van één jaar.
Het Beheerscomité heeft met het Bestuur Economische Inspectie en het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid een resultaatsverbintenis aangegaan waarbij de kwaliteit en de tijdslimiet van de monstername en de analyse wordt vastgelegd.
De tegenanalyses worden verricht door het Centraal Laboratorium.
Indien het Bestuur Economische Inspectie niet aan de toezichttaken voldoet, zal het Fonds beroep doen op een andere dienst van het Departement. Deze resultaatsverbintenis zal enerzijds de taken vastleggen van de respectieve diensten en anderzijds de middelen bepalen die ter beschikking van deze diensten gesteld worden. Indien zij de bepalingen van deze resultaatsverbintenis niet naleven, komen deze middelen terug naar het Beheerscomité, die ze kan toewijzen aan andere instanties.
Het Beheerscomité bepaalt welke middelen aan het Bestuur Economische Inspectie en aan het Centraal Laboratorium zullen ter beschikking gesteld worden.
3.1. Steekproef.
Het toezicht gebeurt door middel van een steekproef die representatief is voor :
- de geografische spreiding
- het aandeel van de diverse merken (zowel in volume, als in aantal stations)
- het type van station
Het algoritme voor het vastleggen van de steekproef wordt door het Beheerscomité bepaald.
Bovendien moet de grootte van de steekproef zo zijn dat de bekomen resultaten met een betrouwbaarheidsgraad van 95 % kunnen gelden voor alle verkochte brandstoffen.
3.2. Steekproef voor de motorbrandstoffen
3.2.1. Totale populatie
De monsters voor motorbrandstoffen worden aan de pomp genomen.
Daartoe stelt het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen een lijst op van alle bestaande distributiepunten van motorbrandstoffen.
Deze lijst omvat elke installatie waar motorbrandstoffen uit grote tanks worden verdeeld, m.a.w. :
- alle benzinestations, d.w.z. publieke benzinestations;
- alle private pompen, zowel voor eigen gebruik als voor derden.
Voor elk distributiepunt wordt een technische fiche opgesteld.
3.2.2. Groepering van de totale populatie
Actueel wordt aanvaard dat de distributiepunten uniform over het grondgebied verdeeld zijn.
Wekelijks worden minimaal 80 publieke benzinestations en 50 private verdeelpunten gecontroleerd.
Bij de distributiepunten wordt een staal benzine en/of een staal diesel genomen.
Het aantal genomen monsters voor de analyses worden opgesplitst in 3 groepen. Het aantal monsters per groep bedraagt minimaal 70 per week en omvat voor :
gasolie-diesel : minimaal 60 % van het aantal monsters en maximaal 80 % van het aantal monsters;
benzine : minimaal 20 % van het aantal monsters en maximaal 40 % van het aantal monsters.
Het Beheerscomité fixeert driemaandelijks de onderlinge verhouding tussen het aantal stalen gasolie-diesel en benzine.
Bovendien kan het Beheerscomité beslissen om het wekelijks aantal stalen te verhogen tot maximaal 100 per groep.
3.2.3. Eigenlijke steekproef.
De 80 publieke benzinestations per week worden opgesplitst in 2 groepen van 8 per dag en de 50 private pompen per week in 2 groepen van 5 per dag.
De totale populatie wordt dus opgesplitst in publieke en private verdeelpunten.
Uit de deelgroep van de publieke benzinestations wordt een willekeurige steekproef van 2 maal 8 stalen per dag met terugleggen van distributiepunten genomen uit de totale populatie.
Uit de deelgroep van de private pompen wordt een willekeurige steekproef van 2 maal 5 stalen per dag met terugleggen van de distributiepunten genomen uit de totale populatie.
Door het willekeurig karakter van de steekproef kan ervan uitgegaan worden dat aan de eisen van de representativiteit is voldaan.
Zoniet zal aan het Beheerscomité voorgesteld worden om de bemonsteringsmethode aan te passen.
Bij de keuze van deze distributiepunten wordt rekening gehouden met een malus systeem en wordt ernaar gestreefd om de representativiteit i.v.m. het merk te respecteren.
Op de lijst wordt naast elk distributiepunt aangeduid welk product bemonsterd dient te worden en welke analyses gevraagd worden. Deze gegevens zijn bestemd voor het laboratorium en dienen door de ambtenaar die de monsters heeft genomen overgenomen te worden op het label dat aan de overeenkomstige monsters gehecht zal worden.
3.2.4. Kwaliteitsbewaking van het toezichtsysteem
In functie van de kostprijs van de analyses worden thans wekelijks 210 monsters genomen. Teneinde de betrouwbaarheid van de genomen monsters en de kwaliteit van de afgeleverde analyses boven elke discussie te stellen, wordt aan een organisme of een maatschappij, die geen banden heeft met diegenen die de monsters nemen, noch met de laboratoria die de analyses uitvoeren, opdracht gegeven om per week 10 bijkomende monsters te nemen bij dezelfde distributiepunten van motorbrandstoffen.
Daartoe wordt dagelijks aan dit organisme of deze maatschappij, de lijst, vermeld in § 3.2.3, toegestuurd van de distributiepunten die zullen bemonsterd worden.
De organisatie van deze kwaliteitsbewaking wordt overgelaten aan deze onderneming op voorwaarde dat :
1. de bijkomende monsters afkomstig zijn van de hierboven geciteerde lijst,
2. de bijkomende monsters op dezelfde dag genomen worden als de overeenkomstige monsters, genomen door Fapetro,
3. na een periode van zes maanden, de geografische spreiding, het aandeel van de diverse merken en het type van het station gerespecteerd worden.
4. de bijkomende monsters, door deze onderneming afgegeven worden aan laboratoria die voorkomen op de lijst van de erkende laboratoria.
Als uit deze kwaliteitsbewaking zou blijken dat er systematische afwijkingen vastgesteld worden tussen de analyses van het eigenlijke monster en deze van het overeenkomstig bijkomend monster en dat deze te wijten zijn aan de bemonstering door Fapetro, zullen onverwijld maatregelen genomen worden om de bemonstering te verbeteren.
Als uit deze kwaliteitsbewaking zou blijken dat er systematische afwijkingen vastgesteld worden tussen de analyses van het eigenlijke monster en deze van het overeenkomstig bijkomend monster en dat deze te wijten zijn aan de analyses van de labo's zullen onverwijld maatregelen genomen worden om de analyses te verbeteren.
Indien de analyses, uitgevoerd door de labo's, aanleiding blijven geven tot afwijkingen, vormt zulks een voldoende reden om de resultaatsverbintenis met deze labo's op te zeggen.
3.3. De monstername
De gemachtigde ambtenaar organiseert de monstername.
Het Fonds zorgt ervoor dat de volgende middelen ter beschikking zijn en neemt de daaraan verbonden lasten voor haar rekening :
- personeel : - 5 personen aangeworven met een contract van bepaalde duur, houder van een rijbewijs voor het besturen van voertuigen van de Staat. Deze personen kunnen ook toegewezen worden aan een andere dienst van het Departement als vervanging van personeelsleden die ter beschikking van het Fonds werden gesteld;
- de wedden, vergoedingen en eventuele toelagen van het personeel;
- materieel : - één of meerdere opslagplaatsen voor de recipiënten;
- de recipiënten;
- 5 voertuigen waarin de recipiënten vast kunnen gestapeld worden, het bestuurderscompartiment zal met een vaste wand gescheiden zijn van de achterliggende ruimte, deze laatste zal voorzien zijn van een ventilatie-eenheid en extra voorzieningen voor de brandbestrijding;
- een draagbare computer met printer;
- een GSM-telefoon met een beperkte nummerkeuze;
- eventueel een GSP- toestel;
- het nodige materiaal voor computer-computerverbinding, het verzenden van telefax en telex;
- al het bijkomstig materieel zoals etiketten, stoppen, verzegeltang,... dat rechtstreeks betrekking heeft op de monstername;
- de benodigde software;
- de nodige betaalkaarten en financiële middelen voor het betalen van de genomen monsters;
- een databank met de technische fiches van de verkooppunten.
Bij aankomst in het distributiepunt maakt de ambtenaar zich kenbaar en gaat in eerste instantie na of de gegevens die voorkomen op de technische fiche van het distributiepunt nog geldig zijn.
In elk distributiepunt neemt de aangeduide ambtenaar drie monsters conform aan de norm NBN T 52-603. Het eerste monster is bestemd voor het laboratorium dat de analyses zal uitvoeren. Het tweede is bestemd voor de gebeurlijke tegenanalyse en het derde blijft ter beschikking van het bemonsterde verkooppunt.
Indien het gaat om een automatisch distributiepunt zal het derde monster eveneens meegenomen worden en zal de betrokken maatschappij van de monstername verwittigd worden.
De betrokken ambtenaar stelt het proces-verbaal van monsterneming op en laat dit tegentekenen door de verantwoordelijke of zijn vertegenwoordiger van het distributiepunt.
De ambtenaar waakt erover dat de monsters ten laatste om 17 uur afgeleverd worden bij de aangewezen laboratoriums.
De bijkomende monsters voor de kwaliteitsbewaking moeten vóór 21 uur in de laboratoria afgeleverd worden.
3.4. Analyses van de monsters.
3.4.1. Keuze van de laboratoria.
Conform de bepaling van artikel 160 van de wet van 30 december 1992 houdende de sociale en diverse bepalingen worden door een koninklijk besluit de erkenningsvoorwaarden voor de proeflaboratoria vastgelegd.
Het Beheerscomité werkt een lastenboek voor de prijsofferte uit en stelt aan de heer Minister één of meerdere laboratoria voor.
3.4.2. De eigenlijke analyse.
De kenmerken waaraan de aardolieproducten moeten voldoen zijn in drie groepen ingedeeld.
Deze indeling is geschied in samenspraak met de experten van de petroleumsector en kan, indien technisch verantwoord, aangepast worden.
Groepen 1 en 2 omvatten de kenmerken die in elk geval dienen bepaald te worden. De karakteristieken van groep 3 worden slechts bepaald indien bij de analyse van groep 1 en 2 een afwijking wordt vastgesteld.
Deze procedure wordt gevolgd voor een monster, genomen bij een distributiepunt dat geen strafpunten heeft.
Wanneer er vermoedens of aanwijzingen bestaan dat een bepaald kenmerk niet gerespecteerd wordt, kan aan het laboratorium de opdracht gegeven worden om naast de analyses voor groepen 1 en 2, de analyses van de andere groep uit te voeren.
Indien het monster afkomstig is van een distributiepunt met malus punten, zal men eveneens de analyses van de groep doorvoeren waar de afwijkingen vastgesteld werden die aanleiding gegeven hebben tot de malus punten.
De ambtenaar vermeldt elke bijkomende analyse op het etiket dat het monster identificeert.
De analyses moeten binnen de 24 uur na afgifte van de monsters uitgevoerd worden.
De monsters voor de tegenanalyses worden ter beschikking gesteld van het Centraal Laboratorium van het Ministerie van Economische Zaken.
In alle gevallen zal het laboratorium dat de systematische analyses uitvoert, binnen de 24 uren na de afgifte van het monster, een analyseverslag aan het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen laten geworden.
Indien in dit analyseverslag afwijkingen ten opzichte van de specificaties vermeld zijn en op voorwaarde dat deze afwijkingen eveneens door de tegenanalyse zijn bevestigd, zal de aangeduide ambtenaar van het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen het Bestuur Economische Inspectie verwittigen en wordt de verantwoordelijke van het distributiepunt en houder van het eventuele merk van de inbreuk op de hoogte gebracht.
De verantwoordelijke van het distributiepunt krijgt dan 24 uren tijd om het product terug in overeenstemming te brengen met de specificaties te brengen, of uit de handel te nemen en dient het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen onmiddellijk op de hoogte te stellen van de genomen maatregelen.
In dit geval zal het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen het Bestuur Economische Inspectie op de hoogte stellen van het gebeurlijk compromis dat met de verantwoordelijke van het distributiepunt wordt uitgewerkt ten einde de afwijking te elimineren.
Indien het distributiepunt, tot voor de huidige controle, nog geen strafpunten had, zal door het Bestuur Economische Inspectie een proces-verbaal van waarschuwing, conform artikel 101 van de wet van 14 juli 1991 houdende de handelspraktijken opgesteld worden.
Indien de afwijking reeds vroeger werd vastgesteld en het betrokken distributiepunt nog strafpunten heeft, zal het Bestuur Economische Inspectie een pro-justitia opstellen en de gerechtelijke procedure inleiden.
Indien er een vermoeden van fiscale fraude bestaat, zal het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen onmiddellijk het Ministerie van Financiën verwittigen. In dat geval dient de verantwoordelijke van het distributiepunt, bij het nemen van de maatregelen om de producten terug in overeenstemming te brengen met de specificaties, zich te schikken naar de richtlijnen van de bevoegde diensten van het Ministerie van Financiën.
Is binnen de 24 uren het product nog steeds niet conform aan de specificaties, dan neemt het Bestuur Economische Inspectie de nodige maatregelen om de verkoop te beletten en om pro-justitia op te stellen.
3.4.3. Het Bonus-Mali systeem.
Elk distributiepunt start met een neutrale puntenstand (0 strafpunten).
Als bij het toezicht op het distributiepunt één of meerdere afwijkingen t.o.v. van de specificaties wordt vastgesteld, krijgt het distributiepunt een aantal strafpunten, die als volgt worden bepaald :
a) voor een normaal monster (complete analyse)
- men begint met de analyses van categorie 1 en indien in deze categorie een afwijking ten opzichte van de specificaties wordt vastgesteld wordt 1 strafpunt toegekend en gaat men over naar de analyses van categorie 2 en zo voort voor categorie 3;
- voor elk van de categorieën waar een afwijking wordt vastgesteld, wordt 1 strafpunt toegekend
b) men kan slechts één strafpunt per geanalyseerde categorie toekennen.
Dit houdt in dat de distributiepunten met strafpunten frequenter zullen bemonsterd worden door :
- bij de samenstelling van de dagelijkse steekproef, eerst de distributiepunten met strafpunten te weerhouden;
- bij de samenstelling van de steekproef van de speciale toezichtsdag, enkel distributiepunten met strafpunten te weerhouden.
Wanneer de volgende analyse correct is, wordt het aantal strafpunten van het distributiepunt met één verminderd.
Wanneer het distributiepunt strafpunten heeft, wordt, indien bij het nieuwe toezicht opnieuw de afwijking wordt vastgesteld die aan de basis heeft gelegen van de strafpunten, direct een pro-justitia opgemaakt.
Een distributiepunt met strafpunten zal aan voldoende toezicht onderworpen worden om binnen een redelijke termijn terug de neutrale positie te kunnen bereiken.
3.4.4. Rapportering aan het Beheerscomité.
Driemaandelijks zal het Bestuur Energie verslag uitbrengen van de uitgevoerde analyses. Dit verslag bevat enkel geglobaliseerde gegevens.
Het Beheerscomité heeft geen toegang tot de individuele resultaten.
Het Beheerscomité kan in geen enkel geval de procedure van ingebrekestelling van het distributiepunt beïnvloeden.
Het systematisch toezicht op de kwaliteit van de aardolieproducten gebeurt via een steekproef.
Principieel wordt ervan uitgegaan dat een afwijking van de kwaliteit vastgelegd in de Belgische normen, te wijten is aan een technisch gebrek of een menselijke fout en niet doelbewust wordt begaan.
Aldus is het toezichtsysteem in eerste instantie bedoeld als een bewakingssysteem en niet als een repressief systeem; behalve voor gevallen waar fiscale fraude wordt vastgesteld.
Het is echter evident dat de kwaliteit van de producten dient te beantwoorden aan de wettelijke bepalingen.
Zoals verder wordt beschreven, worden de maatschappijen die niet-conforme producten in de handel brengen, uitgenodigd om aanstonds de nodige maatregelen te nemen om de kwaliteit aan te passen of om de verkoop van de niet-conforme producten op te schorten.
Indien de betrokkene geen gevolg heeft gegeven aan dit verzoek wordt de normale vervolgingsprocedure (inbeslagname, proces-verbaal, gerechtelijke vervolging enz.) ingezet.
Het georganiseerde toezicht is zodanig opgevat :
1) dat het strikt neutraal is : d.w.z. dat alle betrokkenen evenveel kans hebben om gecontroleerd te worden. Het is evenwel zo dat aan diegenen, bij wie een afwijking werd vastgesteld, in de populatie van benzinestations een groter gewicht zal toegekend worden waardoor ze, gedurende een bepaalde periode, meer kans maken om gecontroleerd te worden;
2) dat de strikste geheimhouding gewaarborgd blijft om de commerciële gegevens te beschermen en om te vermijden dat maatregelen zouden genomen worden om de kwaliteit van de genomen stalen te wijzigen;
3) dat zij die de stalen nemen, evenals de laboratoria die de analyses uitvoeren zullen gecontroleerd worden om de hoogst mogelijke betrouwbaarheid te bereiken.
Het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen organiseert het toezicht en draagt er de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor.
De monstername kan wettelijk uitgevoerd worden door de agenten van :
- het Bestuur Economische Inspectie;
- het Bestuur Energie;
- het Centraal Laboratorium;
en gelet op het toezichtkarakter, in principe ook door aanvaarde en wettelijk erkende ijkers en meters.
De systematische analyses mogen verricht worden door alle laboratoria die wettelijk erkend zijn voor het verrichten van analyses op aardolieproducten en die beantwoorden aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 29 september 1995 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van beproevingslaboratoria gelast met de analyse van aardolieproducten krachtens artikel 160 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen.
Het contract voortvloeiend uit de prijsofferte, heeft een looptijd van maximum drie jaar, maximaal verlengbaar voor één periode van één jaar.
Het Beheerscomité heeft met het Bestuur Economische Inspectie en het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid een resultaatsverbintenis aangegaan waarbij de kwaliteit en de tijdslimiet van de monstername en de analyse wordt vastgelegd.
De tegenanalyses worden verricht door het Centraal Laboratorium.
Indien het Bestuur Economische Inspectie niet aan de toezichttaken voldoet, zal het Fonds beroep doen op een andere dienst van het Departement. Deze resultaatsverbintenis zal enerzijds de taken vastleggen van de respectieve diensten en anderzijds de middelen bepalen die ter beschikking van deze diensten gesteld worden. Indien zij de bepalingen van deze resultaatsverbintenis niet naleven, komen deze middelen terug naar het Beheerscomité, die ze kan toewijzen aan andere instanties.
Het Beheerscomité bepaalt welke middelen aan het Bestuur Economische Inspectie en aan het Centraal Laboratorium zullen ter beschikking gesteld worden.
3.1. Steekproef.
Het toezicht gebeurt door middel van een steekproef die representatief is voor :
- de geografische spreiding
- het aandeel van de diverse merken (zowel in volume, als in aantal stations)
- het type van station
Het algoritme voor het vastleggen van de steekproef wordt door het Beheerscomité bepaald.
Bovendien moet de grootte van de steekproef zo zijn dat de bekomen resultaten met een betrouwbaarheidsgraad van 95 % kunnen gelden voor alle verkochte brandstoffen.
3.2. Steekproef voor de motorbrandstoffen
3.2.1. Totale populatie
De monsters voor motorbrandstoffen worden aan de pomp genomen.
Daartoe stelt het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen een lijst op van alle bestaande distributiepunten van motorbrandstoffen.
Deze lijst omvat elke installatie waar motorbrandstoffen uit grote tanks worden verdeeld, m.a.w. :
- alle benzinestations, d.w.z. publieke benzinestations;
- alle private pompen, zowel voor eigen gebruik als voor derden.
Voor elk distributiepunt wordt een technische fiche opgesteld.
3.2.2. Groepering van de totale populatie
Actueel wordt aanvaard dat de distributiepunten uniform over het grondgebied verdeeld zijn.
Wekelijks worden minimaal 80 publieke benzinestations en 50 private verdeelpunten gecontroleerd.
Bij de distributiepunten wordt een staal benzine en/of een staal diesel genomen.
Het aantal genomen monsters voor de analyses worden opgesplitst in 3 groepen. Het aantal monsters per groep bedraagt minimaal 70 per week en omvat voor :
gasolie-diesel : minimaal 60 % van het aantal monsters en maximaal 80 % van het aantal monsters;
benzine : minimaal 20 % van het aantal monsters en maximaal 40 % van het aantal monsters.
Het Beheerscomité fixeert driemaandelijks de onderlinge verhouding tussen het aantal stalen gasolie-diesel en benzine.
Bovendien kan het Beheerscomité beslissen om het wekelijks aantal stalen te verhogen tot maximaal 100 per groep.
3.2.3. Eigenlijke steekproef.
De 80 publieke benzinestations per week worden opgesplitst in 2 groepen van 8 per dag en de 50 private pompen per week in 2 groepen van 5 per dag.
De totale populatie wordt dus opgesplitst in publieke en private verdeelpunten.
Uit de deelgroep van de publieke benzinestations wordt een willekeurige steekproef van 2 maal 8 stalen per dag met terugleggen van distributiepunten genomen uit de totale populatie.
Uit de deelgroep van de private pompen wordt een willekeurige steekproef van 2 maal 5 stalen per dag met terugleggen van de distributiepunten genomen uit de totale populatie.
Door het willekeurig karakter van de steekproef kan ervan uitgegaan worden dat aan de eisen van de representativiteit is voldaan.
Zoniet zal aan het Beheerscomité voorgesteld worden om de bemonsteringsmethode aan te passen.
Bij de keuze van deze distributiepunten wordt rekening gehouden met een malus systeem en wordt ernaar gestreefd om de representativiteit i.v.m. het merk te respecteren.
Op de lijst wordt naast elk distributiepunt aangeduid welk product bemonsterd dient te worden en welke analyses gevraagd worden. Deze gegevens zijn bestemd voor het laboratorium en dienen door de ambtenaar die de monsters heeft genomen overgenomen te worden op het label dat aan de overeenkomstige monsters gehecht zal worden.
3.2.4. Kwaliteitsbewaking van het toezichtsysteem
In functie van de kostprijs van de analyses worden thans wekelijks 210 monsters genomen. Teneinde de betrouwbaarheid van de genomen monsters en de kwaliteit van de afgeleverde analyses boven elke discussie te stellen, wordt aan een organisme of een maatschappij, die geen banden heeft met diegenen die de monsters nemen, noch met de laboratoria die de analyses uitvoeren, opdracht gegeven om per week 10 bijkomende monsters te nemen bij dezelfde distributiepunten van motorbrandstoffen.
Daartoe wordt dagelijks aan dit organisme of deze maatschappij, de lijst, vermeld in § 3.2.3, toegestuurd van de distributiepunten die zullen bemonsterd worden.
De organisatie van deze kwaliteitsbewaking wordt overgelaten aan deze onderneming op voorwaarde dat :
1. de bijkomende monsters afkomstig zijn van de hierboven geciteerde lijst,
2. de bijkomende monsters op dezelfde dag genomen worden als de overeenkomstige monsters, genomen door Fapetro,
3. na een periode van zes maanden, de geografische spreiding, het aandeel van de diverse merken en het type van het station gerespecteerd worden.
4. de bijkomende monsters, door deze onderneming afgegeven worden aan laboratoria die voorkomen op de lijst van de erkende laboratoria.
Als uit deze kwaliteitsbewaking zou blijken dat er systematische afwijkingen vastgesteld worden tussen de analyses van het eigenlijke monster en deze van het overeenkomstig bijkomend monster en dat deze te wijten zijn aan de bemonstering door Fapetro, zullen onverwijld maatregelen genomen worden om de bemonstering te verbeteren.
Als uit deze kwaliteitsbewaking zou blijken dat er systematische afwijkingen vastgesteld worden tussen de analyses van het eigenlijke monster en deze van het overeenkomstig bijkomend monster en dat deze te wijten zijn aan de analyses van de labo's zullen onverwijld maatregelen genomen worden om de analyses te verbeteren.
Indien de analyses, uitgevoerd door de labo's, aanleiding blijven geven tot afwijkingen, vormt zulks een voldoende reden om de resultaatsverbintenis met deze labo's op te zeggen.
3.3. De monstername
De gemachtigde ambtenaar organiseert de monstername.
Het Fonds zorgt ervoor dat de volgende middelen ter beschikking zijn en neemt de daaraan verbonden lasten voor haar rekening :
- personeel : - 5 personen aangeworven met een contract van bepaalde duur, houder van een rijbewijs voor het besturen van voertuigen van de Staat. Deze personen kunnen ook toegewezen worden aan een andere dienst van het Departement als vervanging van personeelsleden die ter beschikking van het Fonds werden gesteld;
- de wedden, vergoedingen en eventuele toelagen van het personeel;
- materieel : - één of meerdere opslagplaatsen voor de recipiënten;
- de recipiënten;
- 5 voertuigen waarin de recipiënten vast kunnen gestapeld worden, het bestuurderscompartiment zal met een vaste wand gescheiden zijn van de achterliggende ruimte, deze laatste zal voorzien zijn van een ventilatie-eenheid en extra voorzieningen voor de brandbestrijding;
- een draagbare computer met printer;
- een GSM-telefoon met een beperkte nummerkeuze;
- eventueel een GSP- toestel;
- het nodige materiaal voor computer-computerverbinding, het verzenden van telefax en telex;
- al het bijkomstig materieel zoals etiketten, stoppen, verzegeltang,... dat rechtstreeks betrekking heeft op de monstername;
- de benodigde software;
- de nodige betaalkaarten en financiële middelen voor het betalen van de genomen monsters;
- een databank met de technische fiches van de verkooppunten.
Bij aankomst in het distributiepunt maakt de ambtenaar zich kenbaar en gaat in eerste instantie na of de gegevens die voorkomen op de technische fiche van het distributiepunt nog geldig zijn.
In elk distributiepunt neemt de aangeduide ambtenaar drie monsters conform aan de norm NBN T 52-603. Het eerste monster is bestemd voor het laboratorium dat de analyses zal uitvoeren. Het tweede is bestemd voor de gebeurlijke tegenanalyse en het derde blijft ter beschikking van het bemonsterde verkooppunt.
Indien het gaat om een automatisch distributiepunt zal het derde monster eveneens meegenomen worden en zal de betrokken maatschappij van de monstername verwittigd worden.
De betrokken ambtenaar stelt het proces-verbaal van monsterneming op en laat dit tegentekenen door de verantwoordelijke of zijn vertegenwoordiger van het distributiepunt.
De ambtenaar waakt erover dat de monsters ten laatste om 17 uur afgeleverd worden bij de aangewezen laboratoriums.
De bijkomende monsters voor de kwaliteitsbewaking moeten vóór 21 uur in de laboratoria afgeleverd worden.
3.4. Analyses van de monsters.
3.4.1. Keuze van de laboratoria.
Conform de bepaling van artikel 160 van de wet van 30 december 1992 houdende de sociale en diverse bepalingen worden door een koninklijk besluit de erkenningsvoorwaarden voor de proeflaboratoria vastgelegd.
Het Beheerscomité werkt een lastenboek voor de prijsofferte uit en stelt aan de heer Minister één of meerdere laboratoria voor.
3.4.2. De eigenlijke analyse.
De kenmerken waaraan de aardolieproducten moeten voldoen zijn in drie groepen ingedeeld.
Deze indeling is geschied in samenspraak met de experten van de petroleumsector en kan, indien technisch verantwoord, aangepast worden.
Groepen 1 en 2 omvatten de kenmerken die in elk geval dienen bepaald te worden. De karakteristieken van groep 3 worden slechts bepaald indien bij de analyse van groep 1 en 2 een afwijking wordt vastgesteld.
Deze procedure wordt gevolgd voor een monster, genomen bij een distributiepunt dat geen strafpunten heeft.
Wanneer er vermoedens of aanwijzingen bestaan dat een bepaald kenmerk niet gerespecteerd wordt, kan aan het laboratorium de opdracht gegeven worden om naast de analyses voor groepen 1 en 2, de analyses van de andere groep uit te voeren.
Indien het monster afkomstig is van een distributiepunt met malus punten, zal men eveneens de analyses van de groep doorvoeren waar de afwijkingen vastgesteld werden die aanleiding gegeven hebben tot de malus punten.
De ambtenaar vermeldt elke bijkomende analyse op het etiket dat het monster identificeert.
De analyses moeten binnen de 24 uur na afgifte van de monsters uitgevoerd worden.
De monsters voor de tegenanalyses worden ter beschikking gesteld van het Centraal Laboratorium van het Ministerie van Economische Zaken.
In alle gevallen zal het laboratorium dat de systematische analyses uitvoert, binnen de 24 uren na de afgifte van het monster, een analyseverslag aan het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen laten geworden.
Indien in dit analyseverslag afwijkingen ten opzichte van de specificaties vermeld zijn en op voorwaarde dat deze afwijkingen eveneens door de tegenanalyse zijn bevestigd, zal de aangeduide ambtenaar van het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen het Bestuur Economische Inspectie verwittigen en wordt de verantwoordelijke van het distributiepunt en houder van het eventuele merk van de inbreuk op de hoogte gebracht.
De verantwoordelijke van het distributiepunt krijgt dan 24 uren tijd om het product terug in overeenstemming te brengen met de specificaties te brengen, of uit de handel te nemen en dient het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen onmiddellijk op de hoogte te stellen van de genomen maatregelen.
In dit geval zal het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen het Bestuur Economische Inspectie op de hoogte stellen van het gebeurlijk compromis dat met de verantwoordelijke van het distributiepunt wordt uitgewerkt ten einde de afwijking te elimineren.
Indien het distributiepunt, tot voor de huidige controle, nog geen strafpunten had, zal door het Bestuur Economische Inspectie een proces-verbaal van waarschuwing, conform artikel 101 van de wet van 14 juli 1991 houdende de handelspraktijken opgesteld worden.
Indien de afwijking reeds vroeger werd vastgesteld en het betrokken distributiepunt nog strafpunten heeft, zal het Bestuur Economische Inspectie een pro-justitia opstellen en de gerechtelijke procedure inleiden.
Indien er een vermoeden van fiscale fraude bestaat, zal het Bestuur Energie - Afdeling Petroleum-Steenkolen onmiddellijk het Ministerie van Financiën verwittigen. In dat geval dient de verantwoordelijke van het distributiepunt, bij het nemen van de maatregelen om de producten terug in overeenstemming te brengen met de specificaties, zich te schikken naar de richtlijnen van de bevoegde diensten van het Ministerie van Financiën.
Is binnen de 24 uren het product nog steeds niet conform aan de specificaties, dan neemt het Bestuur Economische Inspectie de nodige maatregelen om de verkoop te beletten en om pro-justitia op te stellen.
3.4.3. Het Bonus-Mali systeem.
Elk distributiepunt start met een neutrale puntenstand (0 strafpunten).
Als bij het toezicht op het distributiepunt één of meerdere afwijkingen t.o.v. van de specificaties wordt vastgesteld, krijgt het distributiepunt een aantal strafpunten, die als volgt worden bepaald :
a) voor een normaal monster (complete analyse)
- men begint met de analyses van categorie 1 en indien in deze categorie een afwijking ten opzichte van de specificaties wordt vastgesteld wordt 1 strafpunt toegekend en gaat men over naar de analyses van categorie 2 en zo voort voor categorie 3;
- voor elk van de categorieën waar een afwijking wordt vastgesteld, wordt 1 strafpunt toegekend
b) men kan slechts één strafpunt per geanalyseerde categorie toekennen.
Dit houdt in dat de distributiepunten met strafpunten frequenter zullen bemonsterd worden door :
- bij de samenstelling van de dagelijkse steekproef, eerst de distributiepunten met strafpunten te weerhouden;
- bij de samenstelling van de steekproef van de speciale toezichtsdag, enkel distributiepunten met strafpunten te weerhouden.
Wanneer de volgende analyse correct is, wordt het aantal strafpunten van het distributiepunt met één verminderd.
Wanneer het distributiepunt strafpunten heeft, wordt, indien bij het nieuwe toezicht opnieuw de afwijking wordt vastgesteld die aan de basis heeft gelegen van de strafpunten, direct een pro-justitia opgemaakt.
Een distributiepunt met strafpunten zal aan voldoende toezicht onderworpen worden om binnen een redelijke termijn terug de neutrale positie te kunnen bereiken.
3.4.4. Rapportering aan het Beheerscomité.
Driemaandelijks zal het Bestuur Energie verslag uitbrengen van de uitgevoerde analyses. Dit verslag bevat enkel geglobaliseerde gegevens.
Het Beheerscomité heeft geen toegang tot de individuele resultaten.
Het Beheerscomité kan in geen enkel geval de procedure van ingebrekestelling van het distributiepunt beïnvloeden.
Art. 3N1. 3. Organisation de la surveillance de la qualité des produits pétroliers lors des livraisons aux stations-service.
La vérification systématique de la qualité des produits pétroliers se fait par échantillonnage.
On part du principe qu'un manquement aux normes belges de qualité est dû à un défaut technique ou à une erreur humaine et qu'il n'a pas été intentionnel.
Ainsi le système de contrôle se veut en première instance un système de surveillance et non un système répressif, sauf en cas de fraude fiscale.
Cependant, il est clair que la qualité des produits doit répondre aux dispositions légales.
Comme il est décrit plus loin, les sociétés qui mettent dans le commerce des produits non conformes, sont invitées à prendre immédiatement des mesures pour adapter la qualité ou suspendre la vente des produits non conformes.
Si l'intéressé n'a pas donné suite à cette demande, la procédure normale de poursuite est entamée (saisie, procès-verbal, poursuite judiciaire etc.).
La surveillance organisée est conçue de telle sorte que :
1) elle est strictement neutre : c'est-à-dire que tous les intéressés ont les mêmes chances d'être contrôlés. Cependant, les opérateurs chez qui une infraction a été constatée recevront une pondération plus élevée dans la population des stations, de sorte que pendant une certaine période, ils seront susceptibles d'être davantage surveillés;
2) le secret strict est garanti en vue de protéger les données commerciales et en vue d'éviter que des mesures soient prises pour modifier la qualité du produit échantillonné;
3) ceux qui prennent les échantillons ainsi que les laboratoires qui effectuent les analyses, seront également contrôlés afin d'assurer une fiabilité maximale.
L'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons - organise les contrôles et en est responsable.
La prise d'échantillons peut être effectuée légalement par les agents de :
l'Administration de l'Inspection économique;
- l'Administration de l'Energie;
- le Laboratoire central;
et, vu le caractère de surveillance, en principe aussi par des étalonneurs et mesureurs légalement reconnus et agréés.
Les analyses systématiques peuvent être effectuées par tous les laboratoires qui sont légalement agréés pour l'exécution d'analyses des produits pétroliers et qui répondent aux dispositions de l'arrêté royal du 29 septembre 1995 fixant les conditions d'agrément des laboratoires d'essai chargés de l'analyse des produits pétroliers en vertu de l'article 160 de la loi du 30 décembre 1992 relative aux dispositions sociales et diverses.
Le contrat découlant de l'appel d'offres est d'une durée de trois ans, pouvant être reconduit pour une période maximale d'un an.
Le Comité de gestion a conclu avec l'Administration de l'Inspection économique et le Laboratoire central un engagement d'obligation de résultat qui détermine la qualité et le délai de la prise d'échantillons et de l'analyse.
Les contre-analyses sont effectuées par le Laboratoire central.
Si l'Administration de l'Inspection économique ne satisfait pas aux tâches de surveillance, le Fonds fait appel à un autre service du Département. Cet engagement d'obligation de résultat fixe les tâches des services respectifs et définit les moyens mis à la disposition de ces services. Si les dispositions de cet engagement d'obligation de résultat ne sont pas respectées, ces moyens reviennent au Comité de gestion qui peut les mettre à la disposition d'autres instances.
Le Comité de gestion détermine les moyens attribués à l'Administration de l'Inspection économique et au Laboratoire central.
3.1. L'échantillonnage.
La surveillance s'effectue sur base d'un échantillon qui est représentatif de :
- la répartition géographique;
- la quote-part des diverses marques (volume + stations);
- le type de la station.
L'algorithme déterminant l'échantillonnage est fixé par le Comité de gestion.
En outre, la taille de l'échantillonnage doit être telle qu'elle garantisse un degré de fiabilité de 95 % pour tous les carburants vendus.
3.2. Echantillonnage des produits.
3.2.1. Population totale.
Les échantillons de carburants sont pris à la pompe.
A cette fin, l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons établit une liste de tous les points de distribution de carburants.
Cette liste comprend toute installation où des carburants sont distribués à partir de grands réservoirs :
- toutes les stations-service, c.à.d. les stations-service publiques;
- toutes les pompes privées, aussi bien pour l'usage propre que pour des tiers.
Une fiche technique est rédigée pour chaque point de distribution.
3.2.2. Regroupement au sein de la population totale.
Actuellement, on part du principe que les points de distribution sont répartis de façon uniforme sur le territoire.
Chaque semaine au moins 80 stations-service publiques et 50 points de distribution privés sont contrôlés.
Un échantillon d'essence et/ou un échantillon de diesel sont prélevés aux points de distribution.
Le nombre d'échantillons prélevés pour les analyses est réparti en trois groupes. Le nombre d'échantillons par groupe s'élève à minimum 70 par semaine et comporte pour :
le gasoil diesel : minimum 60 % du nombre d'échantillons et maximum 80 % du nombre d'échantillons;
l'essence : minimum 20 % du nombre d'échantillons et maximum 40 % du nombre d'échantillons.
Le Comité de gestion fixe trimestriellement le rapport entre le nombre d'échantillons gasoil diesel et essence.
En outre le Comité de gestion peut décider d'augmenter le nombre d'échantillons jusqu'à 100 par groupe.
3.2.3. La prise d'échantillons des produits.
Les 80 stations-service publiques par semaine sont réparties en 2 groupes de 8 par jour et les 50 pompes privées par semaine sont réparties en deux groupes de 5 par jour.
La population totale est donc fractionnée en points de distribution publiques et privés.
Un échantillonnage aléatoire de 2 fois 8 échantillons par jour est prélevé du groupe des stations-service publiques avec redisposition des points de distribution, pris de la population totale.
Du groupe des pompes privées un échantillonnage aléatoire de 2 fois 5 échantillons par jour est prélevé avec redisposition des points de distribution, pris de la population totale.
Vu le caractère aléatoire de l'échantillonnage, on peut accepter que les exigences de la représentativité soient respectées.
Sinon, on propose au Comité de gestion une nouvelle méthode de prise d'échantillons.
Lors du choix de ces points de distribution, on tiens compte du malus et l'on tend à faire en sorte que l'échantillon soit représentatif des marques.
La liste détermine pour chaque point de distribution le produit à échantillonner et le type des analyses demandées. Ces données sont destinées au laboratoire et doivent être notées par le fonctionnaire ayant effectué la prise d'échantillons, sur l'étiquette qui est attachée aux échantillons correspondants.
3.2.4. Garantie de la qualité du système de surveillance.
En fonction du coût des analyses, on prend chaque semaine 210 échantillons. Afin d'éviter toute discussion concernant la fiabilité des échantillons pris et de la qualité des analyses, on charge un organisme ou une société, indépendante de ceux qui ont pris les échantillons ou des laboratoires qui effectuent les analyses, de prendre chaque semaine 10 échantillons supplémentaires, auprès des points de distribution des carburants.
A cette fin, on communique journalièrement la liste mentionnée dans le § 3.2.3 à cet organisme ou à cette société.
L'organisation de cette garantie de qualité est confiée à l'entreprise, à condition que :
1. les échantillons supplémentaires proviennent de la liste citée ci-dessus;
2. les échantillons supplémentaires soient pris le même jour que les échantillons correspondants pris par Fapetro;
3. après une période de six mois, la répartition géographique, le respect des quotes-parts des sociétés et le respect du type des stations soient garantis.
4. les échantillons supplémentaires soient déposés par cette société dans des laboratoires agréés qui figurent sur la liste des laboratoires agréés.
Si cette surveillance de qualité fait apparaître des divergences systématiques entre les analyses de l'échantillon supplémentaire et celles de l'échantillon originel correspondant et que ces divergences sont dues à la méthode d'échantillonnage utilisée par Fapetro, on prendra immédiatement des mesures en vue d'améliorer la méthode d'échantillonnage.
Si cette surveillance de qualité fait apparaître des divergences systématiques entre les analyses de l'échantillon supplémentaire et celle de l'échantillon originel correspondant et que ces divergences sont dues aux analyses faites par les laboratoires, on prendra immédiatement des mesures en vue d'améliorer les analyses.
Si les analyses faites par les laboratoires continuent à donner des divergences, l'engagement d'obligation conclu avec les laboratoires sera résilié.
3.3. La prise d'échantillons.
Le fonctionnaire délégué organise la prise d'échantillons.
Le Fonds veille à ce que les moyens suivants soient disponibles et prend à son compte les charges suivantes :
- personnel : - 5 personnes engagées avec un contrat à durée déterminée, titulaires d'un permis de conduire pour les véhicules de l'Etat. Ces personnes peuvent également être affectées à un autre service du Département, en remplacement des membres du personnel ayant été affectés au Fonds.
- les salaires, rétributions et indemnités éventuels du personnel.
- matériel : - un ou plusieurs lieux de stockage pour les récipients;
- les récipients;
- 5 véhicules dans lesquels les récipients peuvent être rangés de manière fixe; la cabine du conducteur sera séparée par une paroi fixe de l'espace arrière où sont installés les récipients; cet espace sera muni d'une unité de ventilation et de dispositifs supplémentaires pour la lutte contre l'incendie;
- un ordinateur portable avec imprimante;
- un téléphone GSM avec choix de numéro limité;
- éventuellement, un appareil GSP;
- matériel nécessaire pour assurer les communications ordinateur - ordinateur, l'envoi de téléfax et l'envoi de télex;
- tout le matériel accessoire : étiquettes, bouchons, un poinçon etc. qui est directement relatif à la prise d'échantillons;
- les logiciels nécessaires;
- les cartes de paiement et les moyens financiers nécessaires pour le paiement des échantillons;
- une banque de données avec les fiches techniques des points de vente.
Dès son arrivée dans chaque point de distribution, l'agent doit se faire connaître et vérifier en premier lieu si les données qui sont reprises sur la fiche technique du point de distribution sont toujours valables.
Dans chaque point de distribution, l'agent désigné prend trois échantillons, conformément à la norme NBN T 52-603. Le premier échantillon est destiné au laboratoire qui effectuera les analyses. Le second est destiné à la contre-analyse éventuelle et le troisième reste à la disposition du point de distribution échantillonné.
S'il s'agit d'un point de distribution automatique, le troisième échantillon est également emporté et la société concernée est informée de la prise d'échantillons.
L'agent rédige le procès-verbal d'échantillonnage et le fait contresigner par le responsable, ou son délégué, du point de distribution.
L'agent veille à ce que les échantillons arrivent aux laboratoires indiqués au plus tard à 17 heures.
Les échantillons supplémentaires relatifs à la surveillance de la qualité du système doivent être remis aux laboratoires avant 21 heures.
3.4. Analyses des échantillons.
3.4.1. Le choix des laboratoires.
Conformément à la disposition de l'article 160 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, les conditions d'agrément des laboratoires d'essai sont fixées par un arrêté royal.
Le Comité de gestion élabore un cahier de charges pour l'appel d'offre et propose au Ministre un ou plusieurs laboratoires.
3.4.2. L'analyse proprement dite.
Les caractéristiques auxquelles doivent répondre les produits pétroliers sont réparties en trois groupes.
Cette répartition s'est effectuée en accord avec les experts du secteur pétrolier et peut être adoptée si cela se justifie sur le plan technique.
Les groupes 1 et 2 comprennent les caractéristiques qui doivent être contrôlées systématiquement. Les caractéristiques du groupe 3 sont seulement vérifiées si l'on constate une anomalie lors de l'analyse des groupes 1 et 2.
Cette procédure est suivie pour un échantillon pris dans un point de vente qui n'a pas de malus.
Lorsqu'il existe des présomptions ou des indications qu'une caractéristique déterminée n'est pas respectée, le laboratoire peut, outre des analyses prévues pour les groupes 1 et 2, être chargé de pratiquer les analyses de l'autre groupe.
Si l'échantillon provient d'un point de distribution ayant des points malus, on passe aux analyses du groupe dans lequel les anomalies qui ont provoqué les points malus ont été constatées.
L'agent mentionne toute analyse supplémentaire sur l'étiquette qui identifie l'échantillon.
Les analyses doivent être effectuées dans les 24 heures après la remise des échantillons.
Les échantillons en vue de contre-analyse sont mis à la disposition du Laboratoire central du Ministère des Affaires économiques.
Le laboratoire qui effectue les analyses systématiques transmet toujours le rapport d'analyse à l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons dans les 24 heures qui suivent la remise de l'échantillon.
Si ce rapport d'analyse fait mention des manquements par rapport aux spécifications et si ces mêmes manquements sont confirmés par la contre-analyse, l'agent désigné de l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons - avertit l'Administration de l'Inspection économique et le responsable du point de distribution ainsi que le titulaire de la marque éventuelle sont informés de l'infraction.
Le responsable du point de distribution dispose alors de 24 heures pour rendre le produit conforme aux spécifications ou pour le retirer de la vente et il doit immédiatement informer l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons des mesures qu'il a prises.
Dans ce cas, l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons informe l'Administration de l'Inspection économique d'un compromis éventuel qui serait établi avec le responsable du point de distribution afin de se conformer aux normes.
Si le point de distribution n'a pas de points de malus jusqu'au contrôle actuel, l'Administration de l'Inspection économique redige un procès-verbal d'avertissement, conformément à l'article 101 de la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce.
Si l'infraction a déjà été constatee au cours d'un contrôle précédent et si le point de distribution a toujours des points de malus, l'Administration de l'Inspection économique rédige un pro-justitia et introduit une procédure judiciaire.
S'il y a présomption de fraude fiscale, l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons avertit immédiatement le Ministère des Finances. Dans ce cas, le responsable du point de distribution doit se conformer aux directives des services compétents du Ministère des Finances lors de la remise en conformité des produits aux spécifications.
Si endéans les 24 heures, le produit n'est toujours pas conforme aux spécifications, l'Administration de l'Inspection économique prend les mesures nécessaires pour empêcher la vente et dresser un pro-justitia.
3.4.3. Le système de bonus malus.
Chaque point de distribution démarre avec une situation de point neutre (0 point de malus).
Si, lors du contrôle du point de distribution, une ou plusieurs anomalies aux spécifications sont constatées, le point de distribution reçoit des points de malus dont le nombre est fixé de la manière suivante :
a) pour un échantillon normal (analyse complète)
- on commence les analyses de la catégorie 1 et si on constate une anomalie aux spécifications dans cette catégorie, un point de malus est attribué; ensuite, on procède aux analyses de la catégorie 2 et ainsi de suite pour la catégorie 3.
- un point de malus est attribué pour chacune des catégories où une anomalie est constatée.
b) on ne peut attribuer qu'un seul point de malus par catégorie d'analyses.
Ceci implique que les points de distribution avec des points de malus sont échantillonnés plus fréquemment. En effet :
- lors de la composition de l'échantillonnage quotidien, on retient d'abord les points de vente avec points de malus.
- lors de la composition de l'échantillonnage pour le jour des contrôles spéciaux, on ne retient que les points de ventes avec des points de malus.
Lorsque l'analyse suivante est correcte, le nombre de points de malus du point de distribution est diminué d'un point.
Si lors d'un nouveau contrôle auprès d'un point de distribution ayant déjà des points de malus, l'infraction qui a provoqué des points de malus est à nouveau constatée, un pro justitia est rédigé automatiquement.
Un point de distribution avec points de malus sera soumis à suffisamment de contrôles pour qu'il puisse revenir à la position neutre dans un délai raisonnable.
3.4.4. Rapport au Comité de gestion.
Tous les trois mois, l'Administration de l'Energie fait rapport sur les analyses effectuées. Ce rapport ne contient que des données globalisées.
Le Comité de gestion n'a aucun accès aux résultats individuels.
Le Comité de gestion ne peut en aucun cas influencer la procédure de mise en demeure d'un point de distribution.
La vérification systématique de la qualité des produits pétroliers se fait par échantillonnage.
On part du principe qu'un manquement aux normes belges de qualité est dû à un défaut technique ou à une erreur humaine et qu'il n'a pas été intentionnel.
Ainsi le système de contrôle se veut en première instance un système de surveillance et non un système répressif, sauf en cas de fraude fiscale.
Cependant, il est clair que la qualité des produits doit répondre aux dispositions légales.
Comme il est décrit plus loin, les sociétés qui mettent dans le commerce des produits non conformes, sont invitées à prendre immédiatement des mesures pour adapter la qualité ou suspendre la vente des produits non conformes.
Si l'intéressé n'a pas donné suite à cette demande, la procédure normale de poursuite est entamée (saisie, procès-verbal, poursuite judiciaire etc.).
La surveillance organisée est conçue de telle sorte que :
1) elle est strictement neutre : c'est-à-dire que tous les intéressés ont les mêmes chances d'être contrôlés. Cependant, les opérateurs chez qui une infraction a été constatée recevront une pondération plus élevée dans la population des stations, de sorte que pendant une certaine période, ils seront susceptibles d'être davantage surveillés;
2) le secret strict est garanti en vue de protéger les données commerciales et en vue d'éviter que des mesures soient prises pour modifier la qualité du produit échantillonné;
3) ceux qui prennent les échantillons ainsi que les laboratoires qui effectuent les analyses, seront également contrôlés afin d'assurer une fiabilité maximale.
L'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons - organise les contrôles et en est responsable.
La prise d'échantillons peut être effectuée légalement par les agents de :
l'Administration de l'Inspection économique;
- l'Administration de l'Energie;
- le Laboratoire central;
et, vu le caractère de surveillance, en principe aussi par des étalonneurs et mesureurs légalement reconnus et agréés.
Les analyses systématiques peuvent être effectuées par tous les laboratoires qui sont légalement agréés pour l'exécution d'analyses des produits pétroliers et qui répondent aux dispositions de l'arrêté royal du 29 septembre 1995 fixant les conditions d'agrément des laboratoires d'essai chargés de l'analyse des produits pétroliers en vertu de l'article 160 de la loi du 30 décembre 1992 relative aux dispositions sociales et diverses.
Le contrat découlant de l'appel d'offres est d'une durée de trois ans, pouvant être reconduit pour une période maximale d'un an.
Le Comité de gestion a conclu avec l'Administration de l'Inspection économique et le Laboratoire central un engagement d'obligation de résultat qui détermine la qualité et le délai de la prise d'échantillons et de l'analyse.
Les contre-analyses sont effectuées par le Laboratoire central.
Si l'Administration de l'Inspection économique ne satisfait pas aux tâches de surveillance, le Fonds fait appel à un autre service du Département. Cet engagement d'obligation de résultat fixe les tâches des services respectifs et définit les moyens mis à la disposition de ces services. Si les dispositions de cet engagement d'obligation de résultat ne sont pas respectées, ces moyens reviennent au Comité de gestion qui peut les mettre à la disposition d'autres instances.
Le Comité de gestion détermine les moyens attribués à l'Administration de l'Inspection économique et au Laboratoire central.
3.1. L'échantillonnage.
La surveillance s'effectue sur base d'un échantillon qui est représentatif de :
- la répartition géographique;
- la quote-part des diverses marques (volume + stations);
- le type de la station.
L'algorithme déterminant l'échantillonnage est fixé par le Comité de gestion.
En outre, la taille de l'échantillonnage doit être telle qu'elle garantisse un degré de fiabilité de 95 % pour tous les carburants vendus.
3.2. Echantillonnage des produits.
3.2.1. Population totale.
Les échantillons de carburants sont pris à la pompe.
A cette fin, l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons établit une liste de tous les points de distribution de carburants.
Cette liste comprend toute installation où des carburants sont distribués à partir de grands réservoirs :
- toutes les stations-service, c.à.d. les stations-service publiques;
- toutes les pompes privées, aussi bien pour l'usage propre que pour des tiers.
Une fiche technique est rédigée pour chaque point de distribution.
3.2.2. Regroupement au sein de la population totale.
Actuellement, on part du principe que les points de distribution sont répartis de façon uniforme sur le territoire.
Chaque semaine au moins 80 stations-service publiques et 50 points de distribution privés sont contrôlés.
Un échantillon d'essence et/ou un échantillon de diesel sont prélevés aux points de distribution.
Le nombre d'échantillons prélevés pour les analyses est réparti en trois groupes. Le nombre d'échantillons par groupe s'élève à minimum 70 par semaine et comporte pour :
le gasoil diesel : minimum 60 % du nombre d'échantillons et maximum 80 % du nombre d'échantillons;
l'essence : minimum 20 % du nombre d'échantillons et maximum 40 % du nombre d'échantillons.
Le Comité de gestion fixe trimestriellement le rapport entre le nombre d'échantillons gasoil diesel et essence.
En outre le Comité de gestion peut décider d'augmenter le nombre d'échantillons jusqu'à 100 par groupe.
3.2.3. La prise d'échantillons des produits.
Les 80 stations-service publiques par semaine sont réparties en 2 groupes de 8 par jour et les 50 pompes privées par semaine sont réparties en deux groupes de 5 par jour.
La population totale est donc fractionnée en points de distribution publiques et privés.
Un échantillonnage aléatoire de 2 fois 8 échantillons par jour est prélevé du groupe des stations-service publiques avec redisposition des points de distribution, pris de la population totale.
Du groupe des pompes privées un échantillonnage aléatoire de 2 fois 5 échantillons par jour est prélevé avec redisposition des points de distribution, pris de la population totale.
Vu le caractère aléatoire de l'échantillonnage, on peut accepter que les exigences de la représentativité soient respectées.
Sinon, on propose au Comité de gestion une nouvelle méthode de prise d'échantillons.
Lors du choix de ces points de distribution, on tiens compte du malus et l'on tend à faire en sorte que l'échantillon soit représentatif des marques.
La liste détermine pour chaque point de distribution le produit à échantillonner et le type des analyses demandées. Ces données sont destinées au laboratoire et doivent être notées par le fonctionnaire ayant effectué la prise d'échantillons, sur l'étiquette qui est attachée aux échantillons correspondants.
3.2.4. Garantie de la qualité du système de surveillance.
En fonction du coût des analyses, on prend chaque semaine 210 échantillons. Afin d'éviter toute discussion concernant la fiabilité des échantillons pris et de la qualité des analyses, on charge un organisme ou une société, indépendante de ceux qui ont pris les échantillons ou des laboratoires qui effectuent les analyses, de prendre chaque semaine 10 échantillons supplémentaires, auprès des points de distribution des carburants.
A cette fin, on communique journalièrement la liste mentionnée dans le § 3.2.3 à cet organisme ou à cette société.
L'organisation de cette garantie de qualité est confiée à l'entreprise, à condition que :
1. les échantillons supplémentaires proviennent de la liste citée ci-dessus;
2. les échantillons supplémentaires soient pris le même jour que les échantillons correspondants pris par Fapetro;
3. après une période de six mois, la répartition géographique, le respect des quotes-parts des sociétés et le respect du type des stations soient garantis.
4. les échantillons supplémentaires soient déposés par cette société dans des laboratoires agréés qui figurent sur la liste des laboratoires agréés.
Si cette surveillance de qualité fait apparaître des divergences systématiques entre les analyses de l'échantillon supplémentaire et celles de l'échantillon originel correspondant et que ces divergences sont dues à la méthode d'échantillonnage utilisée par Fapetro, on prendra immédiatement des mesures en vue d'améliorer la méthode d'échantillonnage.
Si cette surveillance de qualité fait apparaître des divergences systématiques entre les analyses de l'échantillon supplémentaire et celle de l'échantillon originel correspondant et que ces divergences sont dues aux analyses faites par les laboratoires, on prendra immédiatement des mesures en vue d'améliorer les analyses.
Si les analyses faites par les laboratoires continuent à donner des divergences, l'engagement d'obligation conclu avec les laboratoires sera résilié.
3.3. La prise d'échantillons.
Le fonctionnaire délégué organise la prise d'échantillons.
Le Fonds veille à ce que les moyens suivants soient disponibles et prend à son compte les charges suivantes :
- personnel : - 5 personnes engagées avec un contrat à durée déterminée, titulaires d'un permis de conduire pour les véhicules de l'Etat. Ces personnes peuvent également être affectées à un autre service du Département, en remplacement des membres du personnel ayant été affectés au Fonds.
- les salaires, rétributions et indemnités éventuels du personnel.
- matériel : - un ou plusieurs lieux de stockage pour les récipients;
- les récipients;
- 5 véhicules dans lesquels les récipients peuvent être rangés de manière fixe; la cabine du conducteur sera séparée par une paroi fixe de l'espace arrière où sont installés les récipients; cet espace sera muni d'une unité de ventilation et de dispositifs supplémentaires pour la lutte contre l'incendie;
- un ordinateur portable avec imprimante;
- un téléphone GSM avec choix de numéro limité;
- éventuellement, un appareil GSP;
- matériel nécessaire pour assurer les communications ordinateur - ordinateur, l'envoi de téléfax et l'envoi de télex;
- tout le matériel accessoire : étiquettes, bouchons, un poinçon etc. qui est directement relatif à la prise d'échantillons;
- les logiciels nécessaires;
- les cartes de paiement et les moyens financiers nécessaires pour le paiement des échantillons;
- une banque de données avec les fiches techniques des points de vente.
Dès son arrivée dans chaque point de distribution, l'agent doit se faire connaître et vérifier en premier lieu si les données qui sont reprises sur la fiche technique du point de distribution sont toujours valables.
Dans chaque point de distribution, l'agent désigné prend trois échantillons, conformément à la norme NBN T 52-603. Le premier échantillon est destiné au laboratoire qui effectuera les analyses. Le second est destiné à la contre-analyse éventuelle et le troisième reste à la disposition du point de distribution échantillonné.
S'il s'agit d'un point de distribution automatique, le troisième échantillon est également emporté et la société concernée est informée de la prise d'échantillons.
L'agent rédige le procès-verbal d'échantillonnage et le fait contresigner par le responsable, ou son délégué, du point de distribution.
L'agent veille à ce que les échantillons arrivent aux laboratoires indiqués au plus tard à 17 heures.
Les échantillons supplémentaires relatifs à la surveillance de la qualité du système doivent être remis aux laboratoires avant 21 heures.
3.4. Analyses des échantillons.
3.4.1. Le choix des laboratoires.
Conformément à la disposition de l'article 160 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, les conditions d'agrément des laboratoires d'essai sont fixées par un arrêté royal.
Le Comité de gestion élabore un cahier de charges pour l'appel d'offre et propose au Ministre un ou plusieurs laboratoires.
3.4.2. L'analyse proprement dite.
Les caractéristiques auxquelles doivent répondre les produits pétroliers sont réparties en trois groupes.
Cette répartition s'est effectuée en accord avec les experts du secteur pétrolier et peut être adoptée si cela se justifie sur le plan technique.
Les groupes 1 et 2 comprennent les caractéristiques qui doivent être contrôlées systématiquement. Les caractéristiques du groupe 3 sont seulement vérifiées si l'on constate une anomalie lors de l'analyse des groupes 1 et 2.
Cette procédure est suivie pour un échantillon pris dans un point de vente qui n'a pas de malus.
Lorsqu'il existe des présomptions ou des indications qu'une caractéristique déterminée n'est pas respectée, le laboratoire peut, outre des analyses prévues pour les groupes 1 et 2, être chargé de pratiquer les analyses de l'autre groupe.
Si l'échantillon provient d'un point de distribution ayant des points malus, on passe aux analyses du groupe dans lequel les anomalies qui ont provoqué les points malus ont été constatées.
L'agent mentionne toute analyse supplémentaire sur l'étiquette qui identifie l'échantillon.
Les analyses doivent être effectuées dans les 24 heures après la remise des échantillons.
Les échantillons en vue de contre-analyse sont mis à la disposition du Laboratoire central du Ministère des Affaires économiques.
Le laboratoire qui effectue les analyses systématiques transmet toujours le rapport d'analyse à l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons dans les 24 heures qui suivent la remise de l'échantillon.
Si ce rapport d'analyse fait mention des manquements par rapport aux spécifications et si ces mêmes manquements sont confirmés par la contre-analyse, l'agent désigné de l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons - avertit l'Administration de l'Inspection économique et le responsable du point de distribution ainsi que le titulaire de la marque éventuelle sont informés de l'infraction.
Le responsable du point de distribution dispose alors de 24 heures pour rendre le produit conforme aux spécifications ou pour le retirer de la vente et il doit immédiatement informer l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons des mesures qu'il a prises.
Dans ce cas, l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons informe l'Administration de l'Inspection économique d'un compromis éventuel qui serait établi avec le responsable du point de distribution afin de se conformer aux normes.
Si le point de distribution n'a pas de points de malus jusqu'au contrôle actuel, l'Administration de l'Inspection économique redige un procès-verbal d'avertissement, conformément à l'article 101 de la loi du 14 juillet 1991 sur les pratiques du commerce.
Si l'infraction a déjà été constatee au cours d'un contrôle précédent et si le point de distribution a toujours des points de malus, l'Administration de l'Inspection économique rédige un pro-justitia et introduit une procédure judiciaire.
S'il y a présomption de fraude fiscale, l'Administration de l'Energie - Division Pétrole - Charbons avertit immédiatement le Ministère des Finances. Dans ce cas, le responsable du point de distribution doit se conformer aux directives des services compétents du Ministère des Finances lors de la remise en conformité des produits aux spécifications.
Si endéans les 24 heures, le produit n'est toujours pas conforme aux spécifications, l'Administration de l'Inspection économique prend les mesures nécessaires pour empêcher la vente et dresser un pro-justitia.
3.4.3. Le système de bonus malus.
Chaque point de distribution démarre avec une situation de point neutre (0 point de malus).
Si, lors du contrôle du point de distribution, une ou plusieurs anomalies aux spécifications sont constatées, le point de distribution reçoit des points de malus dont le nombre est fixé de la manière suivante :
a) pour un échantillon normal (analyse complète)
- on commence les analyses de la catégorie 1 et si on constate une anomalie aux spécifications dans cette catégorie, un point de malus est attribué; ensuite, on procède aux analyses de la catégorie 2 et ainsi de suite pour la catégorie 3.
- un point de malus est attribué pour chacune des catégories où une anomalie est constatée.
b) on ne peut attribuer qu'un seul point de malus par catégorie d'analyses.
Ceci implique que les points de distribution avec des points de malus sont échantillonnés plus fréquemment. En effet :
- lors de la composition de l'échantillonnage quotidien, on retient d'abord les points de vente avec points de malus.
- lors de la composition de l'échantillonnage pour le jour des contrôles spéciaux, on ne retient que les points de ventes avec des points de malus.
Lorsque l'analyse suivante est correcte, le nombre de points de malus du point de distribution est diminué d'un point.
Si lors d'un nouveau contrôle auprès d'un point de distribution ayant déjà des points de malus, l'infraction qui a provoqué des points de malus est à nouveau constatée, un pro justitia est rédigé automatiquement.
Un point de distribution avec points de malus sera soumis à suffisamment de contrôles pour qu'il puisse revenir à la position neutre dans un délai raisonnable.
3.4.4. Rapport au Comité de gestion.
Tous les trois mois, l'Administration de l'Energie fait rapport sur les analyses effectuées. Ce rapport ne contient que des données globalisées.
Le Comité de gestion n'a aucun accès aux résultats individuels.
Le Comité de gestion ne peut en aucun cas influencer la procédure de mise en demeure d'un point de distribution.
Art. 4N1. 4. Financiële beslissingen
Het Beheerscomité kan conform het koninklijk besluit van 8 februari 1995 en artikel 6 van het huishoudelijk reglement alle financiële beslissingen voorstellen die voor de werking van het Fonds nodig zijn.
Het Beheerscomité doet voorstellen, in verband met de middelen, zowel op het vlak van de materiële middelen als op dat van de personen, die ter beschikking van het Bestuur Economische Inspectie, het Centraal Laboratorium, het Bestuur Energie en elke andere betrokken openbare dienst zouden moeten worden gesteld, zodat deze de taken die zij voor het Fonds uitvoeren, naar behoren kunnen vervullen.
Het Beheerscomité doet het nodige opdat de Diensten daartoe een resultaatsverbintenis aangaan.
Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van tot wijziging van het ministerieel besluit van 24 februari 1988 houdende goedkeuring van het huishoudelijk reglement van het Beheerscomité van het Fonds voor de analyse van aardolieproducten, ingesteld bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 februari 1995 tot vaststelling van de modaliteiten voor de werking van het Fonds voor de analyse van aardolieproducten.
De Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer,
Mevr. I. DURANT
De Minister van Economie,
Ch. PICQUE
De Staatssecretaris voor Energie,
O. DELEUZE.
Het Beheerscomité kan conform het koninklijk besluit van 8 februari 1995 en artikel 6 van het huishoudelijk reglement alle financiële beslissingen voorstellen die voor de werking van het Fonds nodig zijn.
Het Beheerscomité doet voorstellen, in verband met de middelen, zowel op het vlak van de materiële middelen als op dat van de personen, die ter beschikking van het Bestuur Economische Inspectie, het Centraal Laboratorium, het Bestuur Energie en elke andere betrokken openbare dienst zouden moeten worden gesteld, zodat deze de taken die zij voor het Fonds uitvoeren, naar behoren kunnen vervullen.
Het Beheerscomité doet het nodige opdat de Diensten daartoe een resultaatsverbintenis aangaan.
Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van tot wijziging van het ministerieel besluit van 24 februari 1988 houdende goedkeuring van het huishoudelijk reglement van het Beheerscomité van het Fonds voor de analyse van aardolieproducten, ingesteld bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 februari 1995 tot vaststelling van de modaliteiten voor de werking van het Fonds voor de analyse van aardolieproducten.
De Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer,
Mevr. I. DURANT
De Minister van Economie,
Ch. PICQUE
De Staatssecretaris voor Energie,
O. DELEUZE.
Art. 4N1. 4. Dispositions financières.
Conformément à l'arreté royal du 8 février 1995 et à l'article 6 du règlement d'ordre intérieur, le Comité de gestion peut proposer des décisions financières au fonctionnement du Fonds.
Le Comité de Gestion émet des propositions quant aux moyens, tant en matériel qu'en personnel, qui devraient être mis à la disposition de l'Administration de l'Inspection économique, du Laboratoire central, de l'administration de l'Energie et de tout autre service concerné, de sorte que ces services puissent exécuter dûment les tâches qu'ils accomplissent pour le Fonds.
Le Comité de Gestion suscite à cette fin des engagements de résultat de la part des services concernés.
Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du modifiant l'arrêté ministériel du 24 février 1998 approuvant le règlement d'ordre intérieur du Comité de Gestion du Fonds d'analyse des produits pétroliers, institué par l'article 5 de l'arrêté royal du 8 février 1995 fixant les modalités de fonctionnement du Fonds d'analyse des produits pétroliers.
La Vice-Première Ministre et Ministre de la Mobilité et des Transports,
Mme I. DURANT
Le Ministre de l'Economie,
Ch. PICQUE
Le Secrétaire d'Etat à l'Energie,
O. DELEUZE.
Conformément à l'arreté royal du 8 février 1995 et à l'article 6 du règlement d'ordre intérieur, le Comité de gestion peut proposer des décisions financières au fonctionnement du Fonds.
Le Comité de Gestion émet des propositions quant aux moyens, tant en matériel qu'en personnel, qui devraient être mis à la disposition de l'Administration de l'Inspection économique, du Laboratoire central, de l'administration de l'Energie et de tout autre service concerné, de sorte que ces services puissent exécuter dûment les tâches qu'ils accomplissent pour le Fonds.
Le Comité de Gestion suscite à cette fin des engagements de résultat de la part des services concernés.
Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du modifiant l'arrêté ministériel du 24 février 1998 approuvant le règlement d'ordre intérieur du Comité de Gestion du Fonds d'analyse des produits pétroliers, institué par l'article 5 de l'arrêté royal du 8 février 1995 fixant les modalités de fonctionnement du Fonds d'analyse des produits pétroliers.
La Vice-Première Ministre et Ministre de la Mobilité et des Transports,
Mme I. DURANT
Le Ministre de l'Economie,
Ch. PICQUE
Le Secrétaire d'Etat à l'Energie,
O. DELEUZE.