Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
16 JANUARI 1998. - Ministerieel besluit tot wijziging van het ministerieel besluit van 20 november 1978 houdende oprichting en samenstelling der colleges van dienstchefs van het Ministerie van Financiën en waarbij aan deze colleges sommige bevoegdheden inzake de loopbaan van het Rijkspersoneel worden toevertrouwd.
Titre
16 JANVIER 1998. - ArrĂȘtĂ© ministĂ©riel modifiant l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 20 novembre 1978 portant la crĂ©ation et la composition des collĂšges des Chefs de service du MinistĂšre des Finances et confiant, Ă  ces collĂšges, certains pouvoirs en matiĂšre de carriĂšre des agents de l'Etat.
Documentinformatie
Numac: 1998003030
Datum: 1998-01-16
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1998003030
Date: 1998-01-16
Moniteur: Voir
Tekst (5)
Texte (5)
Artikel 1. Artikel 2 van het ministerieel besluit van 20 november 1978 houdende oprichting en samenstelling der colleges van dienstchefs van het Ministerie van Financiën, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 23 maart 1983, 16 december 1994 en 2 augustus 1995, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 2. § 1. Het college van dienstchefs van de Algemene Diensten is samengesteld uit de ambtenaren-generaal die een in de personeelsformatie opgenomen betrekking bezetten, met uitzondering van de adviseurs-generaal.
  § 2. De bij artikel 1, 2° tot 4° en 5° tot 9° bedoelde colleges zijn samengesteld uit de ambtenaren-generaal die een in de personeelsformatie opgenomen betrekking bezetten.
  § 3. Het in artikel 1, 4°bis bedoeld college is samengesteld uit de Administrateur-generaal van de belastingen, de Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen en de directeurs-generaal van de administraties die samen deel uitmaken van de Algemene Administratie van de belastingen.
  § 4. Bij ministerieel besluit genomen op advies van de Directieraad, kunnen één of meer dienstchefs van het hoofdbestuur, titularis van een graad van ten minste rang 13, toegevoegd worden aan de ambtenaren-generaal die deel uitmaken van de colleges van dienstchefs.
  § 5. Wat betreft het college bedoeld in artikel 1, 4°bis, mogen er, overeenkomstig § 4, alleen ambtenaren-generaal aangeduid worden die deel uitmaken van één van de administraties die behoren tot de Algemene administratie van de belastingen. ".
Article 1. L'article 2 de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 20 novembre 1978 portant la crĂ©ation et la composition des collĂšges des Chefs de service du MinistĂšre des Finances, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s ministĂ©riels des 23 mars 1989, 16 dĂ©cembre 1994, et 2 aoĂ»t 1995, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 2. § 1er. Le collÚge des Chefs de service des services généraux est composé des fonctionnaires généraux occupant un emploi prévu au cadre, à l'exception des conseillers généraux.
  § 2. Les collÚges, visés à l'article 1er, 2° à 4° et 5° à 9°, sont composés des fonctionnaires généraux occupant un emploi prévu au cadre.
  § 3. Le collÚge, visé à l'article 1er, 4°bis, est composé de l'administrateur général des ImpÎts, de l'administrateur général adjoint des ImpÎts et des directeurs généraux des administrations composant l'Administration générale des ImpÎts.
  § 4. Par arrĂȘtĂ© ministĂ©riel pris sur avis du Conseil de direction, un ou plusieurs chefs de service de l'Administration centrale, titulaire d'un grade du rang 13 au moins, peuvent ĂȘtre adjoints aux fonctionnaires gĂ©nĂ©raux faisant partie des collĂšges des Chefs de service.
  § 5. En ce qui concerne le collĂšge visĂ© Ă  l'article 1er, 4°bis, ne peuvent ĂȘtre dĂ©signĂ©s, conformĂ©ment au § 4, que des fonctionnaires gĂ©nĂ©raux faisant partie d'une des administration composant l'Administration gĂ©nĂ©rale des ImpĂŽts. ".
Art. 2. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 16 december 1994, worden de woorden " artikel 2, § 3 "vervangen door de woorden " artikel 2 § 4 ".
Art. 2. A l'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 16 dĂ©cembre 1994, les mots " article 2, § 3 " sont remplacĂ©s par les mots " article 2, § 4 ".
Art. 3. In artikel 4, § 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 23 maart 1989 en 16 december 1994, worden de woorden " Het college van dienstchefs van de Algemene Diensten wordt voorgezeten door de Secretaris-generaal " opgeheven.
Art. 3. A l'article 4, § 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s ministĂ©riels des 23 mars 1989 et du 16 dĂ©cembre 1994, les mots " Le collĂšge des Chefs de service des services gĂ©nĂ©raux est prĂ©sidĂ© par le secrĂ©taire gĂ©nĂ©ral " sont supprimĂ©s.
Art. 4. Artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 23 maart 1989, 10 juni 1994 en 16 december 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 5. § 1. De bij de artikelen 23, 26 en 67 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel aan de Directieraad toegekende machten worden toevertrouwd aan het college van dienstchefs van de administratie waar de benoeming door verandering van graad, bevordering door verhoging in graad of door verhoging in weddeschaal moet geschieden, behalve :
  a) voor de ambtenaren van niveau 1 van de centrale administraties;
  b) voor de ambtenaren van de buitendiensten, kandidaten voor de betrekkingen van rang 13, met uitsluiting van de overtallige benoemingen correlatief met de benoeming van de hypotheekbewaarders.
  § 2. Wanneer het college van dienstchefs van een van de in artikel 1, 5° tot 8°, bedoelde administraties de aanspraken voor benoeming door verandering van graad, voor bevordering door verhoging in graad of door verhoging in weddeschaal moet onderzoeken van kandidaten ter beschikking gesteld of te stellen van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie of van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, kan de Administrateur-generaal van de belastingen, één of meer ambtenaren van bedoelde administraties van ten minste rang 13 met raadgevende stem aan dit college toevoegen.
  Hetzelfde geldt wanneer het bij het eerste lid bedoelde college zich moet uitspreken over andere individuele maatregelen betreffende een ambtenaar ter beschikking gesteld van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie of van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit. ".
Art. 4. L'article 5 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s ministĂ©riels des 23 mars 1989, 10 juin 1994 et 16 dĂ©cembre 1994, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 5. § 1er. Les pouvoirs confĂ©rĂ©s, au Conseil de direction, par les articles 23, 26 et 67 de l'arrĂȘtĂ© royal du 7 aoĂ»t 1939 organisant l'Ă©valuation et la carriĂšre des agents de l'Etat sont dĂ©lĂ©guĂ©s au CollĂšge des Chefs de service de l'administration dans laquelle la nomination par changement de grade, la promotion par avancement de grade ou par avancement barĂ©mique doit ĂȘtre effectuĂ©e, sauf :
  a) pour les agents du niveau 1 des administrations centrales;
  b) pour les agents des services extérieurs, candidats aux emplois de rang 13, à l'exclusion des nominations s'effectuant en surnombre corrélativement à la nomination des conservateurs des hypothÚques.
  § 2. Lorsque le CollÚge des Chefs de service d'une des administrations, visées à l'article 1er, 5° à 8°, est appelé à examiner les titres à la nomination par changement de grade, la promotion par avancement de grade ou par avancement barémique de candidats mis ou à mettre à la disposition de l'Administration de l'Inspection spéciale des impÎts ou de l'Administration de la Fiscalité des entreprises et des revenus, l'administrateur général des ImpÎts peut adjoindre à ce collÚge, à titre consultatif, un ou plusieurs fonctionnaires desdites administrations du rang 13 au moins.
  Il en est de mĂȘme lorsque le collĂšge, visĂ© Ă  l'alinĂ©a 1er, est appelĂ© Ă  se prononcer sur d'autres mesures individuelles visant un agent mis Ă  la disposition de l'Administration de l'Inspection spĂ©ciale des impĂŽts ou de l'Administration de la FiscalitĂ© des entreprises et des revenus. ".
Art. 5. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  Brussel, 16 januari 1998.
  Ph. MAYSTADT
Art. 5. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
  Bruxelles, le 16 janvier 1998.
  Ph. MAYSTADT