Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
19 NOVEMBER 1998. - Koninklijk besluit betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-11-1998 en tekstbijwerking tot 28-06-2024)
Titre
19 NOVEMBRE 1998. - Arrêté royal relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-11-1998 et mise à jour au 28-06-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - Jaarlijks vakantieverlof en fee... HOOFDSTUK III. - Omstandigheidsverlof en uitzon... Afdeling 1. - Omstandigheidsverlof. Afdeling 2. - Uitzonderlijk verlof. HOOFDSTUK IV. - Moederschapsbescherming. HOOFDSTUK V. - Ouderschapsverlof. HOOFDSTUK VI. [1 Hoofdstuk VI.- Adoptieverlof, ... HOOFDSTUK VII. - Verlof om dwingende redenen va... HOOFDSTUK VIII. - Verlof wegens ziekte. Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Afdeling 2. - [1 Verminderde prestaties wegens ... HOOFDSTUK IX. - Disponibiliteit wegens ziekte. HOOFDSTUK IXbis. - Controle op de afwezigheden ... Afdeling 3. - Disponibiliteit wegens ziekte. HOOFDSTUK IXter [1 - Controle van de afwezighed... HOOFDSTUK IXquater. [1 - Het re-integratietraje... HOOFDSTUK X. - [1 Onthaal- en opleidingsactivit... Afdeling 1. - [1 Onthaal- en opleidingsactivite... Afdeling 2. - [1 De deelname aan testen]1 Afdeling 3. - De opleiding. [1 afgeschaft]1 Onderafdeling 1. - Dienstvrijstelling en opleid... Onderafdeling 2. - Dienstvrijstelling. - Voorwa... Onderafdeling 3. - Opleidingsverlof. - Voorwaar... Onderafdeling 4. - Duur van de dienstvrijstelli... Onderafdeling 5. - Toelating. [1 afgeschaft]1 Onderafdeling 6. - Controle van de dienstvrijst... Onderafdeling 7. - Aanwending van de dienstvrij... Onderafdeling 8. - Sancties. [1 afgeschaft]1 Onderafdeling 9. - Cumulatieverbod. [1 afgescha... Onderafdeling 10. - Reiskosten en inschrijvings... HOOFDSTUK XI. - Verlof wegens opdracht. Afdeling 1. - (Verlof voor het uitoefenen van e... Afdeling 2. - Verlof voor opdracht van algemeen... HOOFDSTUK XII. - Afwezigheid van lange duur weg... HOOFDSTUK XIII. - Verlof voor loopbaanonderbrek... Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Afdeling 2. - Vervanging. Afdeling 3. - Aanvraag van de onderbrekingsuitk... Afdeling 4. - Toezicht. HOOFDSTUK XIV. - Verminderde prestaties voor pe... HOOFDSTUK XV. - Wijziging van het koninklijk be... HOOFDSTUK XVI. - Wijziging van het koninklijk b... HOOFDSTUK XVII. - Overgangsbepalingen en slotbe... BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE I. - Dispositions générales. CHAPITRE II. - Congé annuel de vacances et jour... CHAPITRE III. - Congés de circonstances et cong... Section 1. - Congés de circonstances. Section 2. - Congés exceptionnels. CHAPITRE IV. - Protection de la maternité. CHAPITRE V. - Congé parental. CHAPITRE VI. [1 Congé d'adoption, congé d'accue... CHAPITRE VII. - Congé pour motifs impérieux d'o... CHAPITRE VIII. - Congé de maladie. Section 1. - Dispositions générales. Section 2. - [1 Prestations réduites pour raiso... CHAPITRE IX. - Disponibilité pour maladie. 2007... CHAPITRE IXbis. - Contrôle des absences par sui... Section 3. - Disponibilité pour maladie. CHAPITRE IXter. [1 - Contrôle des absences par ... CHAPITRE IXquater. [1 - Le trajet de réintégrat... CHAPITRE X. - [1 - Activités d'accueil et de fo... Section 1re. - [1 Activités d'accueil et de for... Section 2. - [1 La participation à des tests]1 Section 3. - La formation. [1 supprimée]1 Sous-section 1. - Dispense de service et congé ... Sous-section 2. - Dispense de service. - Condit... Sous-section 3. - Congé de formation. - Conditi... Sous-section 4. - Durée de la dispense de servi... Sous-section 5. - Autorisation. [1 supprimée]1 Sous-section 6. - Contrôle de la dispense de se... Sous-section 7. - Utilisation de la dispense de... Sous-section 8. - Sanctions. [1 supprimée]1 Sous-section 9. - Interdiction du cumul. [1 sup... Sous-section 10. - Frais de parcours et frais d... CHAPITRE XI. - Congé pour mission. Section 1. - (Congé pour l'exercice d'une fonct... Section 2. - Congé pour mission d'intérêt général. CHAPITRE XII. - Absence de longue durée pour ra... CHAPITRE XIII. - Congé pour interruption de la ... Section 1. - Dispositions générales. Section 2. - Remplacement. Section 3. - Demande de l'allocation d'interrup... Section 4. - Contrôle. CHAPITRE XIV. - Prestations réduites pour conve... CHAPITRE XV. - Modification de l'arrêté royal d... CHAPITRE XVI. - Modification de l'arrêté royal ... CHAPITRE XVII. - Dispositions transitoires et f... ANNEXES.
Tekst (228)
Texte (228)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. § 1. Dit besluit is van toepassing op de rijksambtenaren, die onderworpen zijn aan het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
  § 2. Dit besluit is van toepassing op de stagiairs, met uitzondering van de bepalingen betreffende :
  (1° het verlof om een stage of proefperiode te verrichten en het verlof om zijn kandidatuur bij verkiezingen in te dienen;) <KB 1999-05-26/35, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  2° [11 ...]11
  3° (...) <KB 2002-12-12/36, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  4° [3 deelname aan een selectie voor de overgang naar een hoger niveau;]3
  5° het verlof voor opdracht van algemeen belang;
  6° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
  7° [7 het verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van de loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging, de loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof en de loopbaanonderbreking voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte;]7
  8° [12 ...]12.
  [6 In afwijking van het eerste lid en van artikel 7, § 1, eerste lid, heeft een persoon met een handicap in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage, die een stage aflegt, recht op verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid [12 ...]12.]6
  § 3. Voor het bij [3 arbeidsovereenkomst]3 in dienst genomen personeel zijn de bepalingen van toepassing betreffende :
  1° het jaarlijks vakantieverlof en de feestdagen;
  2° [3 het omstandigheidsverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten voor dezelfde gebeurtenis.]3 [13 Het artikel 30, § 4, van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen en dat gebruik maakt van het omstandigheidsverlof voorzien bij dit besluit, bij de geboorte van een kind;]13
  3° [3 het verlof voor het afstaan van organen of weefsels, voor het afstaan van beenmerg en voor het geven van bloed, bloedplasma en bloedplaatjes;]3
  4° het verlof voor deelname aan een assisenjury;
  5° het verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps Civiele Bescherming als vrijwillige dienstnemer bij dit korps;
  (6° het ouderschapsverlof, met uitzondering van dat wat vermeld is in artikel 35;) <KB 1999-05-26/35, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  7° [3 [9 het adoptieverlof en het opvangverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30ter, §§ 1 tot 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het artikel 30ter, § 4, van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven en dat gebruik maakt van het adoptieverlof voorzien bij dit besluit]9;]3
  [9 ]7° /1 het pleegzorgverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]9
  [9 7° /2 het pleegouderverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30sexies, §§ 1 tot 4 en § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Het artikel 30sexies, § 5, van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven en dat gebruik maakt van het pleegouderverlof voorzien bij dit besluit;]9
  8° [3 de onthaal- en opleidingsactiviteiten en de deelname aan testen, met uitzondering van de deelname aan een selectie voor de overgang naar een hoger niveau;]3
  9° (het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, (een beleidscel) de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris [2 of bij het kabinet of het secretariaat van een politiek mandataris van de wetgevende macht]2.) <KB 2002-06-10/31, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> <KB 2003-10-23/32, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  (10° de borstvoedingspauzes.) <KB 2002-12-12/36, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (11° het verwittigen van de dienst van een afwezigheid ten gevolge van een ziekte of een ongeval, in toepassing van artikel 61, met uitzondering van het vierde lid, en de mogelijkheid voor het personeelslid om te opteren voor het gebruik van één dag jaarlijks vakantieverlof in het geval van een ongerechtvaardigde afwezigheid van één dag, in toepassing van artikel 62, § 2, zesde lid.) <KB 2007-01-17/37, art. 3, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  (12° de dienstvrijstelling bedoeld in artikel 41bis, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik heeft gemaakt van artikel 27, eerste lid, 2° van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.) <KB 2008-12-07/37, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [3 13° het uitzonderlijk verlof voor het vergezellen en bijstaan van zieken, personen met een handicap en maatschappelijk kwetsbare mensen tijdens vakantiereizen en -verblijven in België of het buitenland of voor het begeleiden van sporters met een handicap tijdens hun deelname aan de paralympische spelen of de " special olympics ".]3
  [4 14° [13 ...]13]4
  [5 15° de controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte.]5
  [8 16° het verlof voor erkende mantelzorgers;]8
  [13 17° het zorgverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30bis, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeids-overeenkomsten. Het artikel 30bis, § 2, zevende tot en met het negende lid, van dezelfde wet is evenwel van toepassing op het personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven en gebruik maakt van het zorgverlof bepaald bij dit besluit.
   "18° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang.]13

  [§ 4. Voor het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel in toepassing van artikel 4, § 1, 3° van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken zijn naast de verloven opgenomen onder § 3 de bepalingen van toepassing betreffende het verlof voor opdracht van algemeen belang in het kader van de Europees programma's Phare, Tacis of Meda.] <KB 2002-06-10/31, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  [10 Voor het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel zijn naast de verloven opgenomen onder paragraaf 3 de bepalingen van toepassing betreffende het verlof voor opdracht van algemeen belang voor opdrachten in toepassing van artikel 99, tweede lid, 6° .]10
  
Article 1. § 1er. Le présent arrêté s'applique aux agents de l'Etat soumis à l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
  § 2. Le présent arrêté s'applique aux stagiaires, à l'exception des dispositions relatives :
  [1 ° au congé pour accomplir un stage ou une période d'essai et au congé pour présenter sa candidature à des élections;] <AR 1999-05-26/35, art. 1, 002; En vigueur : 01-05-1999>
  2° [11 ...]1
1
  3° [...]; <AR 2002-12-12/36, art. 1, 011; En vigueur : 01-01-2003>
  4° [3 à la participation à une sélection pour l'accession à un niveau supérieur;]3
  5° au congé pour mission d'intérêt général;
  6° à l'absence de longue durée pour raisons personnelles;
  7° [7 au congé pour interruption de la carrière professionnelle, à l'exception de l'interruption de la carrière pour soins palliatifs, de l'interruption de la carrière pour congé parental et de l'interruption de la carrière pour l'assistance ou les soins à un enfant mineur pendant ou juste après l'hospitalisation de l'enfant des suites d'une maladie grave;]7
  8° [12 ...]12
  [6 Par dérogation à l'alinéa 1er, et à l'article 7, § 1er, alinéa 1er, une personne handicapée, au sens de l'article 1er de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant diverses mesures en matière de sélection comparative de recrutement et en matière de stage, qui effectue un stage, a droit à des prestations réduites pour convenance personnelle [12 ...]12.]6
  § 3. Sont applicables au personnel engagé par contrat de travail, les dispositions relatives :
  1° au congé annuel de vacances et au congé pour jours fériés;
  2° [3 au congé de circonstances, dans la mesure où l'agent n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail pour le même évènement.]3 [13 L'article 30, § 4, de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé de circonstances, prévu par le présent arrêté, à la naissance d'un enfant]13;
  3° [3 au congé pour don d'organes ou de tissus, pour don de moelle osseuse et pour don de sang, de plaquettes et de plasma sanguin;]3
  4° au congé pour participer au jury d'une Cour d'Assises;
  5° au congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce Corps;
  (6° au congé parental, à l'exception de celui visé à l'article 35;) <AR 1999-05-26/35, art. 1, 002; En vigueur : 01-05-1999>
  7° [3 [9 au congé d'adoption et au congé d'accueil, dans la mesure où l'agent n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30ter, §§ 1er à 3 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. L'article 30ter, § 4 de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé d'adoption prévu par le présent arrêté; ]9;]3
  [9 7° /1 au congé pour soins d'accueil, dans la mesure où l'agent n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]9
  [9 7° /2 au congé parental d'accueil, dans la mesure où l'agent n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30sexies, §§ 1er à 4 et § 6 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. L'article 30sexies, § 5 de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé parental d'accueil prévu par le présent arrêté; ]9
  8° [3 aux activités d'accueil et de formation et à la participation à des tests, à l'exception de la participation à une sélection d'accession à un niveau supérieur;]3
  9° (le congé pour l'exercice d'une fonction au sein d'un secrétariat, (d'une cellule stratégique,) de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou [2 au sein du cabinet ou du secrétariat d'un mandataire politique du pouvoir législatif]2.) <AR 2002-06-10/31, art. 1, 009; En vigueur : 01-07-2002> <AR 2003-10-23/32, art. 1, 012; En vigueur : 12-07-2003>
  (10° aux pauses d'allaitement.) <AR 2002-12-12/36, art. 4, 011; En vigueur : 01-07-2002>
  [1 1° à la communication au service d'une absence par suite de maladie ou d'accident, en application de l'article 61, à l'exception de l'alinéa 4, et à la possibilité pour le membre du personnel de choisir l'utilisation d'un jour de congé annuel de vacances dans le cas d'une absence injustifiée d'un jour, en application de l'article 62, § 2, alinéa 6.] <AR 2007-01-17/37, art. 3, 019; En vigueur : 01-01-2007>
  [12° à la dispense de service visée à l'article 41bis, pour autant que le membre du personnel n'ait pas invoqué l'article 27, alinéa 1er, 2° de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.] <AR 2008-12-07/37, art. 1, 023; En vigueur : 01-01-2007>
  [3 13° au congé exceptionnel pour accompagner ou assister des malades, des personnes handicapées et des personnes en précarité sociale lors de voyages et séjours de vacances en Belgique ou à l'étranger ou pour accompagner des sportifs handicapés lors de leur participation aux jeux paralympiques ou aux " spécial olympics ".]3
  [4 14° [13 ...]1
3]4
  [5 15° au contrôle des absences par suite d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail et d'une maladie professionnelle.]5
  [8 16° au congé pour aidants proches reconnus;]8
  [13 17° le congé d'aidant, dans la mesure où le membre du personnel n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30bis, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. L'article 30bis, § 2, alinéas 7 à 9, de la même loi est cependant applicable au membre du personnel engagé par contrat de travail qui fait usage du congé d'aidant défini par le présent arrêté.
   " 18° le congé pour motifs impérieux d'ordre familial.]13

  (§ 4. Pour le personnel engagé dans les liens d'un contrat de travail en application de l'article 4, § 1er, 3° de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, sont applicables, outre les congés repris sous le § 3, les dispositions relatives au congé pour mission d'intérêt général dans le cadre des programmes européens Phare, Tacis ou Meda.) <AR 2002-06-10/31, art. 1, 009; En vigueur : 01-07-2002>
  [10 Pour le personnel engagé sous contrat de travail, outre le congé prévu au paragraphe 3, les dispositions relatives au congé pour mission d'intérêt général en vertu de de l'article 99, alinéa 2, 6°, sont applicables.]10
  
Art.2. § 1. Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :
  1° de ambtenaar of ambtenaren : de persoon of personen bedoeld in artikel 1;
  [7 1° /1 mandaathouder: de ambtenaar die een management- of een staffunctie uitoefent in het kader van een mandaat van bepaalde duur in een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst, het Ministerie van Landsverdediging alsook de diensten die ervan afhangen, of een van de rechtspersonen bedoeld in artikel 1, 3°, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken;]7
  2° werkdagen : de dagen waarop de ambtenaar verplicht is te werken krachtens de arbeidsregeling die hem opgelegd is;
  [3 3° Bij de vaststelling van een verlof of een afwezigheid in toepassing van artikel 10, 11, 15, 20, 21, 22, 38 en 41 wordt één werkdag gelijkgesteld aan 7 u. 36 min. wanneer de ambtenaar werkt volgens een stelsel van de 38 uren-werkweek of 7 u. 12 min. in het stelsel van de 36 uren-werkweek;]3
  [4 4° langdurige pleegzorg : pleegzorg zoals omschreven in artikel 30sexies, § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [8 ...]8;
   5° kortdurende pleegzorg : alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg;
   6° pleegkind : het kind waarvoor de ambtenaar of [8 zijn echtgeno(o)t(e)]8 in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
   7° pleegvader en -moeder : de pleegouder die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;]4

  [7 8° voltijdse vierdaagse werkweek: de arbeidsregeling zoals bepaald in artikel 6bis;
   9° wisselend weekregime: de arbeidsregeling zoals bepaald in artikel 6ter.]7

  [In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, wordt onder werkdagen verstaan alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen, bedoeld in artikel 14, § 1, voor de toepassing van [2 [6 artikel 8ter,]6 artikel 48bis, [5 artikel 50, derde lid]5, artikel 53, § 1 en § 3, en artikel 63]2.] <KB 2007-01-17/37, art. 4, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [3 In afwijking van § 1, eerste lid, 3°, kan een specifieke arbeidsregeling worden bepaald op basis van een 38 uren-werkweek en een 40 uren-werkweek indien dit noodzakelijk is voor de werking van de dienst, met een in ministerraad overlegd besluit en met machtiging door de minister die ambtenarenzaken in zijn bevoegdheden heeft.]3
  § 2. Tijdens de afwezigheden bedoeld in artikel 1, § 3 behoudt het personeel dat in dienst genomen is bij arbeidsovereenkomst zijn wedde en zijn aanspraken tot bevordering in zijn weddeschaal, behoudens andere bepalingen.
  [1 § 3. Voor de toepassing van dit besluit, wordt gelijkgesteld met :
   1° het huwelijk, het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen van verschillend of gelijk geslacht die samenleven als koppel;
   2° de echtgenoot van de ambtenaar, de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie de ambtenaar samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
   3° de echtgenote van de ambtenaar, de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie de ambtenaar samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats;
   4° de vader, de persoon van het vrouwelijk of het mannelijk geslacht getrouwd met de moeder of die met haar samenleeft als koppel, op dezelfde woonplaats.]1

  
Art.2. § 1er. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
  1° l'agent ou les agents : la personne ou les personnes visées à l'article 1er;
  [6 1° /1 mandataire : l'agent qui exerce une fonction de management ou une fonction d'encadrement dans le cadre d'un mandat à durée déterminée dans un service public fédéral, un service public fédéral de programmation, le Ministère de la Défense ainsi que les services qui en dépendent, ou une des personnes morales visées à l'article 1er, 3°, de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique ;]6
  2° jours ouvrables : les jours où l'agent est tenu de travailler, en vertu du régime de travail qui lui est imposé;
  [3 3° Lors de la fixation d'un congé ou d'une absence en application de l'article 10, 11, 15, 20, 21, 22, 38 et 41, un jour de travail représente 7 h. 36 min. lorsque l'agent travaille selon un régime de la semaine de travail de 38 heures ou 7 h. 12 min. dans le régime de la semaine de travail de 36 heures;]3
  [4 4° placement familial de longue durée : le placement décrit à l'article 30sexies, § 6, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail [7 ...]7;
   5° placement familial de courte durée : toutes les formes de placement familial qui ne remplissent pas les conditions du placement familial de longue durée;
   6° enfant placé : l'enfant pour lequel l'agent [7 ou son conjoint]7 a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse;
   7° père ou mère d'accueil : le parent d'accueil qui a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse;]4

  [6 8° semaine de travail de quatre jours à temps plein : le régime de travail tel que visé à l'article 6bis ;
   9° régime hebdomadaire alterné : le régime de travail tel que visé à l'article 6ter.]6

  [Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, on entend par jours ouvrables tous les jours à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés, visés à l'article 14, § 1er, pour l'application [2 de [5 l'article 8ter,]5 l'article 48bis, [5 article 50, alinéa 3,]5 de l'article 53, § 1er et § 3 et de l'article 63]2.] <AR 2007-01-17/37, art. 4, 019; En vigueur : 01-01-2007>
  [3 Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 3°, un régime de travail spécifique peut être déterminé sur base d'une semaine de travail de 38 heures et d'une semaine de travail de 40 heures si ceci est nécessaire pour le fonctionnement du service, avec un arrêté délibéré en conseil des ministres et avec l'autorisation du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions.]3
  § 2. Pendant les absences visées à l'article 1er, § 3, le personnel engagé par contrat de travail conserve, sauf disposition contraire, son traitement et ses droits à l'avancement dans son échelle de traitement.
  [1 § 3. Pour l'application du présent arrêté, sont assimilés :
   1° au mariage, l'enregistrement d'une déclaration de cohabitation légale par deux personnes de sexe différent ou de même sexe qui cohabitent en tant que couple;
   2° au conjoint de l'agent, la personne, de sexe différent ou de même sexe, avec qui l'agent vit en couple au même domicile;
   3° à l'épouse de l'agent, la personne, de sexe différent ou de même sexe, avec qui l'agent vit en couple au même domicile;
   4° au père, la personne de sexe féminin ou masculin mariée à la mère ou vivant en couple avec cette dernière au même domicile.]1

  
Art.3. De ambtenaar mag niet afwezig zijn van zijn dienst tenzij hij vooraf een verlof of dienstvrijstelling heeft gekregen.
  Onder dienstvrijstelling wordt verstaan de toestemming gegeven aan een ambtenaar om gedurende de diensturen afwezig te zijn voor een bepaalde duur met behoud van al zijn rechten.
  Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.
  [1 De voorzitter van het directiecomité kan enkel een dienstvrijstelling van collectieve aard toekennen voor :
   1° een culturele of sportactiviteit georganiseerd door de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert of de sociale dienst;
   2° een activiteit georganiseerd ter gelegenheid van Nieuwjaar door de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert.]1

  
Art.3. L'agent ne peut s'absenter de son service s'il n'a obtenu au préalable un congé ou une dispense de service.
  Par dispense de service, il y a lieu d'entendre l'autorisation accordée à l'agent de s'absenter pendant les heures de service pour une durée déterminée avec maintien de tous ses droits.
  Le présent article est également applicable au personnel engagé par contrat de travail.
  [1 Le président du comité de direction ne peut accorder une dispense de service de nature collective que pour :
   1° une activité culturelle ou sportive organisée par l'autorité dont relève l'agent ou le service social;
   2° une activité organisée à l'occasion du Nouvel An par l'autorité dont relève l'agent.]1

  
Art.4. Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf of een administratieve maatregel is de ambtenaar die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, van rechtswege in non-activiteit.
  Dit artikel is niet van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.
Art.4. Sans préjudice de l'application éventuelle d'une peine disciplinaire ou d'une mesure administrative, l'agent qui s'absente sans autorisation ou dépasse sans motif valable le terme de son congé, se trouve de plein droit en non-activité.
  Le présent article n'est pas applicable au personnel engagé par contrat de travail.
Art.5. De deelneming van een ambtenaar aan een georganiseerde werkonderbreking wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Hij heeft evenwel geen recht op zijn wedde.
  Het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen dat deelneemt aan een georganiseerde werkonderbreking, heeft geen recht op wedde maar behoudt zijn rechten tot bevordering in zijn weddeschaal.
Art.5. La participation de l'agent à une cessation concertée du travail est assimilée à une période d'activité de service. Il n'a pas droit toutefois à son traitement.
  Le personnel engagé par contrat de travail, qui participe à une cessation concertée du travail, n'a pas droit au traitement mais conserve ses droits à l'avancement dans son échelle de traitement.
Art.6. [1 § 1.- De gemiddelde maximum arbeidsduur mag per week 38 uur niet overschrijden.
   Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.
   § 2.- De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal beslist over de invoering van een glijdend uurrooster of een vast uurrooster gespreid over vijf dagen.
   Voor het glijdend uurrooster bepaalt de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal ten minste het begin en einde van de periode waarbinnen de ambtenaar kan kiezen om zijn prestaties te verrichten.
   Voor het vast uurrooster bepaalt de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal het begin en het einde van elke werkdag en het ritme van de werkdagen.
   Deze paragraaf is niet van toepassing op ambtenaren en op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen die werken in opeenvolgende ploegen.
   § 3.- Het directiecomité kan de beslissing nemen tot invoering van de arbeidsregeling waarbij de normale prestaties op verzoek van de ambtenaar, worden verdeeld over vier dagen in toepassing van artikel 6bis en/of van het wisselend weekregime in toepassing van artikel 6ter.
   De beslissing om effectief beroep te doen op de arbeidsregeling waarbij de normale prestaties worden verdeeld over vier dagen in toepassing van artikel 6bis en/of het wisselend weekregime in toepassing van artikel 6ter wordt genomen door de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal.]1

  
Art.6. [1 § 1er.- La moyenne du temps de travail maximum ne peut dépasser 38 heures par semaine.
   Le présent article est également applicable au personnel engagé par contrat de travail.
   § 2.- Le président du comité de direction ou le secrétaire général décide de l'instauration d'un horaire flottant ou d'un horaire fixe réparti sur cinq jours.
   Pour l'horaire flottant, le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine au minimum le début et la fin de la période au cours de laquelle l'agent peut choisir d'effectuer ses prestations.
   Pour l'horaire fixe, le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine le début et la fin de chaque jour ouvrable et le rythme des jours ouvrables.
   Le présent paragraphe ne s'applique pas aux agents et au personnel engagé par contrat de travail qui travaillent en équipes successives.
   § 3.- Le comité de direction peut décider d'instaurer le régime de travail prévoyant une répartition des prestations normales sur quatre jours à la demande de l'agent, en application de l'article 6bis et/ou le régime hebdomadaire alterné en application de l'article 6ter.
   La décision de recourir effectivement au régime de travail prévoyant une répartition des prestations normales sur quatre jours en application de l'article 6bis et/ou au régime hebdomadaire alterné en application de l'article 6ter est prise par le président du comité de direction ou le secrétaire général.]1

  
Art. 6bis. [1 § 1.- Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder de "voltijdse vierdaagse werkweek" de arbeidsregeling waarbij de normale prestaties worden verricht over vier dagen en waarbij de dagelijkse grens van de arbeidsduur van een ambtenaar die voltijds tewerkgesteld is op 9 en een half uur wordt vastgesteld.
   Indien de normale voltijdse arbeidsprestaties georganiseerd zijn op een manier waarbij de effectieve wekelijkse arbeidsduur 38 uren te boven gaat met een maximum van 40 uren, kan de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal toestaan dat voormelde dagelijkse grens gebracht wordt op een aantal uren gelijk aan de effectieve wekelijkse arbeidsduur gedeeld door vier voor de ambtenaar die zijn normale voltijdse prestaties verricht gedurende vier dagen per week.
   § 2.- De ambtenaar die wenst zijn prestaties te verrichten volgens de voltijdse vierdaagse werkweek dient een voorafgaandelijk schriftelijk verzoek in bij de dienst waaronder hij ressorteert. De aanvraag gebeurt minstens twee maanden voor de aanvang van de arbeidsregeling, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt.
   De aanvraag bevat de wensen van de ambtenaar met betrekking tot de dagen waarop hij wenst te werken. Het verzoek heeft betrekking op een periode van minimum drie maanden en van maximum zes maanden en is telkens hernieuwbaar.
   Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt. Het uitblijven van een beslissing rond de verlenging wordt gelijkgesteld met een akkoord van de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal.
   § 3.- De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal bepaalt de aanvang en het einde van de werkdag, het tijdstip en de duur van de rusttijden en de dagen van regelmatige onderbreking van de arbeid die tijdens de arbeidsregeling, bedoeld in dit artikel, van toepassing zijn. Hij vermeldt eveneens de begin- en einddatum van de periode gedurende dewelke de arbeidsregeling, bedoeld in dit artikel, wordt toegepast zonder de maximale duur van zes maanden bedoeld in paragraaf 2 te overschrijden.
   De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal die weigert in te gaan op het verzoek, bedoeld in paragraaf 2, moet deze weigering binnen de maand volgend schriftelijk motiveren en aan de ambtenaar bezorgen.
   § 4.- De ambtenaar heeft het recht om de voltijds vierdaagse werkweek vroegtijdig stop te zetten ten einde zijn oorspronkelijke arbeidsregeling te hervatten, mits hij de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal hiervan twee weken voor de start van een nieuwe werkweek op de hoogte brengt en mits hij minstens drie maanden gewerkt heeft volgens de voltijdse vierdaagse werkweek.
   De verminderde prestaties wegens medische redenen stellen een einde aan de voltijds vierdaagse werkweek.
   § 5.- De ambtenaar die in toepassing van dit artikel zijn normale voltijdse prestaties verricht gedurende vier dagen per week kan geen overuren verrichten. Als overuren dienen, voor de toepassing van dit artikel, te worden beschouwd, alle werk bovenop de normale voltijdse arbeidsprestaties zoals bedoeld in paragraaf 1.
   § 6.- Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen, met uitzondering van zij die werken in opeenvolgende ploegen.
   Dit artikel is niet van toepassing op ambtenaren die werken in opeenvolgende ploegen en op de mandaathouders.]1

  
Art. 6bis. [1 § 1er.- Pour l'application du présent article, on entend par " semaine de travail de quatre jours à temps plein " le régime de travail prévoyant des prestations normales effectuées sur quatre jours et dans le cadre duquel la limite quotidienne de la durée de travail d'un agent employé à temps plein est fixée à 9 heures et demie.
   Si les prestations normales à temps plein sont organisées de manière à ce que la durée hebdomadaire effective du travail dépasse 38 heures avec un maximum de 40 heures, le président du comité de direction ou le secrétaire général peut autoriser que la limite quotidienne susmentionnée soit portée à un nombre d'heures égal à la durée hebdomadaire effective du travail divisée par quatre pour l'agent qui effectue ses prestations normales à temps plein durant quatre jours par semaine.
   § 2.- L'agent qui souhaite effectuer ses prestations selon la semaine de travail de quatre jours à temps plein introduit une demande écrite préalable auprès du service dont il relève. La demande doit être introduite au minimum deux mois avant le début du régime de travail, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent.
   La demande précise les souhaits de l'agent concernant les jours où il souhaite travailler. La demande porte sur une période de trois mois au minimum et de six mois au maximum, à chaque fois renouvelable.
   Toute prolongation nécessite une demande de la part de l'agent concerné. Elle doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent. L'absence de décision relative à la prolongation est assimilée à un accord du président du comité de direction ou du secrétaire général.
   § 3.- Le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine le début et la fin du jour ouvrable, le moment et la durée des intervalles de repos et les jours d'interruption régulière du travail qui sont applicables pendant le régime de travail visé par le présent article. Il mentionne également les dates de début et de fin de la période durant laquelle le régime de travail visé par le présent article est applicable, sans dépasser la période maximale de six mois visée au paragraphe 2.
   Le président du comité de direction ou le secrétaire général qui refuse de donner suite à la demande visée au paragraphe 2, doit motiver ce refus par écrit et le communiquer à l'agent endéans le mois.
   § 4.- L'agent a le droit de mettre anticipativement fin à la semaine de travail de quatre jours à temps plein afin de revenir à son régime de travail initial, moyennant notification au président du comité de direction ou au secrétaire général deux semaines avant le début d'une nouvelle semaine de travail et à condition qu'il ait travaillé selon la semaine de travail de quatre jours à temps plein pendant au moins trois mois.
   Les prestations réduites pour raisons médicales mettent fin à la semaine de travail de quatre jours à temps plein.
   § 5.- L'agent qui, en application du présent article, effectue ses prestations normales à temps plein durant quatre jours par semaine ne peut effectuer des heures supplémentaires. Pour l'application du présent article, il convient d'entendre par heures supplémentaires tout travail en sus des prestations de travail normales à temps plein telles que visées au paragraphe 1er.
   § 6.- Le présent article s'applique aussi aux membres du personnel engagés par contrat de travail, à l'exception de ceux qui travaillent en équipes successives.
   Le présent article ne s'applique ni aux agents qui travaillent en équipes successives ni aux mandataires.]1

  
Art. 6ter. [1 § 1.- Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
   1° wisselend weekregime: een arbeidsregeling georganiseerd volgens een cyclus die is gespreid over een periode van twee opeenvolgende weken waarbij de prestaties in de eerste week worden gecompenseerd door de prestaties in de tweede week, teneinde de normale wekelijkse arbeidsduur gemiddeld na te leven. In afwijking hierop kan tijdens het 3de trimester een cyclus zich spreiden over een periode van vier opeenvolgende weken tijdens dewelke de normale wekelijkse arbeidsduur gemiddeld moet worden nageleefd;
   2° cyclus: de opeenvolging van dagelijkse werkroosters in een vaste volgorde waarvan de prestaties zich situeren binnen het kader dat voor de toepassing van het wisselend weekregime is vastgesteld door de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal;
   3° week: een periode van zeven opeenvolgende dagen, die zich niet noodzakelijk uitstrekt van maandag tot en met zondag.
   In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 1°, en ten gevolge van een onvoorziene gebeurtenis in hoofde van de ambtenaar, kunnen de partijen overeenkomen dat de cyclus zich uitstrekt over een periode van vier opeenvolgende weken. In dergelijk geval zal de normale wekelijkse arbeidsduur gemiddeld nageleefd moeten worden tijdens deze cyclus van vier weken. Deze afwijking dient het voorwerp uit te maken van een geschreven en gemotiveerd verzoek vanwege de ambtenaar waarin de onvoorzienbare gebeurtenis in diens hoofde opgenomen is. De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal kan de aanvraag goedkeuren of weigeren. Als de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal akkoord gaat om de arbeidsregeling aan te passen dan bepaalt hij of de overeengekomen cyclus wordt gespreid over een periode van vier opeenvolgende weken, alsook de periode gedurende welke deze cyclus van toepassing is.
   § 2.- De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal bepaalt bij de invoering van het wisselend weekregime minstens het volgende:
   1° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur die moet worden nageleefd binnen de cyclus;
   2° de dagen van de week waarop arbeidsprestaties kunnen worden vastgesteld;
   3° het dagelijks tijdvak waarbinnen arbeidsprestaties kunnen worden vastgesteld;
   4° de minimale en maximale dagelijkse arbeidsduur, zonder dat de dagelijkse arbeidsduur negen uren mag overschrijden;
   5° de minimale en maximale wekelijkse arbeidsduur, zonder dat de arbeidsduur per week vijfenveertig uren mag overschrijden.
   § 3.- De ambtenaar die wenst zijn prestaties te verrichten volgens een wisselend weekregime dient een voorafgaandelijk schriftelijke verzoek in bij de dienst waaronder hij ressorteert. De aanvraag gebeurt minstens twee maanden voor de aanvang van de arbeidsregeling, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt.
   De aanvraag bevat de wensen van de ambtenaar met betrekking tot het wisselend weekregime dat hij wenst te werken. Het verzoek heeft betrekking op een periode van minimum drie maanden en maximum zes maanden en is telkens hernieuwbaar.
   Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt. Het uitblijven van een beslissing rond de verlenging wordt gelijkgesteld met een akkoord van de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal.
   Indien de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal ingaat op het verzoek van de ambtenaar, bepaalt hij de begin- en einddatum van de periode gedurende dewelke het wisselend weekregime wordt toegepast, zonder de maximale duur van zes maanden, bedoeld in het tweede lid, te overschrijden.
   Bij toepassing van een wisselend weekregime moet bovendien op elk tijdstip kunnen worden vastgesteld wanneer de cyclus begint.
   De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal die weigert in te gaan op het verzoek van de ambtenaar, bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, moet deze weigering schriftelijk motiveren en binnen de maand aan de ambtenaar bezorgen.
   § 4.- De ambtenaar heeft het recht om het wisselend weekregime vroegtijdig stop te zetten ten einde zijn oorspronkelijke arbeidsregeling te hervatten, mits hij de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal hiervan twee weken voor de start van een nieuwe cyclus op de hoogte brengt.
   De verminderde prestaties wegens medische redenen stellen een einde aan het wisselend weekregime.
   § 5.- De ambtenaar die in toepassing van dit artikel werkt volgens een wisselend weekregime kan enkel overuren verrichten in de weken waarin een overschrijding van de normale wekelijkse arbeidsduur is voorzien in toepassing van dit artikel.
   § 6.- Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen, met uitzondering van zij die werken in opeenvolgende ploegen.
   Dit artikel is niet van toepassing op ambtenaren die werken in opeenvolgende ploegen en op de mandaathouders.]1

  
Art. 6ter. [1 § 1er.- Pour l'application du présent article, on entend par :
   1° régime hebdomadaire alterné : un régime de travail organisé selon un cycle qui s'étend sur une période de deux semaines consécutives pendant laquelle les prestations de la première semaine sont compensées par les prestations de la seconde semaine, afin de respecter en moyenne la durée hebdomadaire normale de travail. Par dérogation, pendant le 3ème trimestre de l'année, le cycle peut s'étendre sur une période de quatre semaines consécutives pendant laquelle la durée hebdomadaire normale de travail doit être respectée en moyenne ;
   2° cycle : la succession d'horaires journaliers de travail dans un ordre fixe déterminé dont les prestations s'inscrivent dans le cadre fixé par le président du comité de direction ou le secrétaire général pour l'application du régime hebdomadaire alterné ;
   3° semaine : une période de sept jours consécutifs, qui ne va pas nécessairement du lundi au dimanche inclus.
   Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, et suite à un évènement imprévu dans le chef de l'agent, les parties peuvent convenir que le cycle s'étendra sur une période de quatre semaines consécutives. Dans ce cas, la durée hebdomadaire normale de travail doit être respectée en moyenne endéans ce cycle de quatre semaines. Cette dérogation doit faire l'objet d'une demande écrite et motivée de l'agent qui indique l'évènement imprévu dans son chef. Le président du comité de direction ou le secrétaire général peut approuver ou rejeter la demande. Si le président du comité de direction ou le secrétaire général est d'accord d'adapter le régime de travail, il détermine si le cycle convenu est étalé sur une période de quatre semaines consécutives, ainsi que la période pendant laquelle ce cycle s'applique.
   § 2.- Au moment de l'instauration du régime hebdomadaire alterné, le président du comité de direction ou le secrétaire général détermine au minimum les éléments suivants :
   1° la durée hebdomadaire moyenne de travail à respecter dans le cycle ;
   2° les jours de la semaine pendant lesquels des prestations de travail peuvent être fixées ;
   3° la plage journalière dans laquelle des prestations de travail peuvent être fixées ;
   4° la durée du travail journalière minimale et maximale, sans que la durée journalière de travail puisse excéder neuf heures ;
   5° la durée du travail hebdomadaire minimale et maximale, sans que la durée de travail puisse excéder 45 heures par semaine.
   § 3.- L'agent qui souhaite effectuer ses prestations selon un régime hebdomadaire alterné introduit une demande écrite préalable auprès du service dont il relève. La demande doit être introduite au minimum deux mois avant le début du régime de travail, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent.
   La demande précise les souhaits de l'agent relatifs au régime hebdomadaire alterné au sein duquel il souhaite travailler. La demande porte sur une période de trois mois au minimum et de six mois au maximum, qui est à chaque fois renouvelable.
   Toute prolongation nécessite une demande de la part de l'agent concerné. Elle doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cour, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de l'agent. L'absence de décision relative à la prolongation est assimilée à un accord du président du comité de direction ou du secrétaire général.
   Si le président du comité de direction ou le secrétaire général accède à la demande de l'agent, il détermine les dates de début et de fin de la période pendant laquelle le régime hebdomadaire alterné est appliqué, sans dépasser la durée maximale de six mois visée à l'alinéa 2.
   En outre, en cas d'application d'un régime hebdomadaire alterné, il doit pouvoir être déterminé à tout moment quand commence le cycle.
   Le président du comité de direction ou le secrétaire général qui refuse de donner suite à la demande de l'agent visée au paragraphe 3, alinéa 1er, doit motiver ce refus par écrit et le communiquer à l'agent endéans le mois.
   § 4.- L'agent a le droit de mettre anticipativement fin au régime hebdomadaire alterné afin de revenir à son régime de travail d'origine, moyennant notification au président du comité de direction ou au secrétaire général deux semaines avant le début d'un nouveau cycle.
   Les prestations réduites pour raisons médicales mettent fin au régime hebdomadaire alterné.
   § 5.- L'agent qui, en application du présent article, travaille selon un régime hebdomadaire alterné, ne peut effectuer des heures supplémentaires que pendant les semaines où un dépassement de la durée hebdomadaire normale du travail est prévu en application de cet article.
   § 6.- Le présent article s'applique aussi aux membres du personnel engagés par contrat de travail, à l'exception de ceux qui travaillent en équipes successives.
   Le présent article ne s'applique ni aux agents qui travaillent en équipes successives ni aux mandataires.]1

  
Art.7. (§ 1.) Al de ambtenaren die titularis zijn (van klasse A4 of A5 die de leiding hebben van een dienst) zijn uitgesloten van de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid, van de voltijdse en de (halftijdse) loopbaanonderbreking en van de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden. De minister bepaalt de andere ambten waarvan de titularissen, om redenen die inherent zijn aan de goede werking van de dienst, uitgesloten zijn van dezelfde verloven en afwezigheden. <KB 1999-05-26/35, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999> <KB 2002-06-10/31, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> <KB 2004-08-04/30, art. 128, 013; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
  (De voorzitter van het directiecomité) kan evenwel, in de gevallen waarin de goede werking van de dienst erdoor niet wordt verstoord, de titularissen van de ambten, uitgesloten door of krachtens het eerste lid, die erom verzoeken toestaan om de verloven en de afwezigheden te genieten opgesomd in hetzelfde lid. <KB 2002-09-05/37, art. 113, 010; Inwerkingtreding : 26-09-2002, zie ook KB 2002-09-05/37, art. 242>
  § 2. [1 In afwijking van § 1, bekomen de erin bedoelde ambtenaren de in de [2 artikelen 35, 35/1, 117, 117bis en 117ter]2 bedoelde verloven, onder de in het Hoofdstuk XIII van dit besluit voorziene voorwaarden en modaliteiten.]1
  
Art.7. (§ 1.) Tous les agents titulaires (des classes A4 ou A5 qui assurent la direction d'un service) sont exclus des prestations réduites pour convenance personnelle, du congé pour interruption complète ou (à mi-temps) de la carrière professionnelle et de l'absence de longue durée pour raisons personnelles. Le Ministre détermine les autres fonctions dont les titulaires sont, pour des raisons inhérentes au bon fonctionnement du service, exclus des mêmes congés et absences. <AR 1999-05-26/35, art. 2, 002; En vigueur : 01-05-1999> <AR 2002-06-10/31, art. 2, 009; En vigueur : 01-07-2002> <AR 2004-08-04/30, art. 128, 013; En vigueur : 01-12-2004>
  Toutefois, (le président du comité de direction) peut, pour autant que les nécessités du service ne s'y opposent pas, autoriser les titulaires des fonctions exclues par l'alinéa 1er ou en vertu de celui-ci, qui en font la demande, à bénéficier des congés et des absences énumérés au même alinéa. <AR 2002-09-05/37, art. 113, 010; En vigueur : 26-09-2002, voir aussi AR 2002-09-05/37, art. 242>
  § 2.[1 Par dérogation au § 1er, les agents y visés obtiennent les congés visés [2 aux articles 35, 35/1, 117, 117bis et 117ter]2 aux conditions et selon les modalités prévues par le Chapitre XIII du présent arrêté.]1
  
Art.8. De verloven, afwezigheden en dienstvrijstellingen bedoeld in dit besluit worden toegekend (door de voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde), met uitzondering echter van, de twee volgende verloven die worden toegekend door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert :
  1° het verlof voor opdracht van algemeen belang;
  2° (het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht.) <KB 2002-06-10/31, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  De verloven, afwezigheden en dienstvrijstellingen worden toegekend (aan de voorzitter van het directiecomité) door de minister onder wie deze ressorteert. <KB 2002-09-05/37, art. 114, 010; Inwerkingtreding : 26-09-2002, zie ook KB 2002-09-05/37, art. 242>
Art.8. Les congés, absences et dispenses de service visés par le présent arrêté sont accordés (par le président du comité de direction ou son délégué), à l'exception toutefois des congés ci-après qui sont accordés par le Ministre dont relève l'agent : <AR 2002-09-05/37, art. 114, 010; En vigueur : 26-09-2002, voir aussi AR 2002-09-05/37, art. 242>
  1° le congé pour mission d'intérêt général;
  2° (le congé pour l'exercice d'une fonction au sein d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif.) <AR 2002-06-10/31, art. 3, 009; En vigueur : 01-07-2002>
  Les congés, absences et dispenses de service sont accordés (au président du comité de direction) par le Ministre dont il relève. <AR 2002-09-05/37, art. 114, 010; En vigueur : 26-09-2002, voir aussi AR 2002-09-05/37, art. 242>
Art. 8bis. [1 § 1. De ambtenaar die een ouderschapsverlof wenst te genieten [2 in toepassing van de artikelen 34, 35 en 35/1,]2 een loopbaanonderbreking in toepassing van artikel 116, een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden in toepassing van artikel 113 of verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden in toepassing van artikel 140, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan.
   Die mededeling gebeurt schriftelijk en minstens twee maanden vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de ambtenaar een kortere termijn aanvaardt. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken ambtenaar vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend.
   § 2. In voorkomend geval wordt de arbeidsregeling voor de vermindering van de prestaties in toepassing van artikel 34, 35, 116 en 140, als volgt bepaald :
   1° de vermindering van de prestaties met één tiende is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar één tiende minder prestaties dient te verrichten dan die verbonden aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren en kunnen gespreid worden over twee weken;
   2° de vermindering van de prestaties met één vijfde is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar één vijfde minder prestaties dient te verrichten dan die verbonden aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren gespreid over één week;
   3° de vermindering van de prestaties met één vierde is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar één vierde minder prestaties dient te verrichten dan die verbonden aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren gespreid over twee weken;
   4° de vermindering van de prestaties met één derde is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar één derde minder prestaties dient te verrichten dan die verbonden aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren gespreid over drie weken;
  [3 4° /1 de vermindering van de prestaties met twee vijfden is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar twee vijfden minder prestaties dient te verrichten dan die verbonden aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren gespreid over één week;]3
   5° de vermindering van de prestaties met de helft is een arbeidsregeling waarbij de ambtenaar de helft minder prestaties dient te verrichten die verbonden zijn aan een voltijdse tewerkstelling; de verdeling van de prestaties geschiedt in halve dagen, volledige dagen of in uren gespreid over een week of een maand.
   In afwijking van het eerste lid kunnen de arbeidsregelingen opgesomd in het eerste lid worden aangepast zodat ze in een ploegensysteem kunnen worden ingepast.
   § 3. De aanvraag van het verlof in toepassing van paragraaf 1, bevat de wensen van de ambtenaar rond de dag of de dagen waarop hij in verlof is.
   De voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde kent het verlof toe en bepaalt de werkkalender. Indien de ambtenaar niet akkoord gaat met de werkkalender, kan hij van zijn verlofaanvraag afzien.
   In functie van de noden van de dienst of op vraag van de ambtenaar kan de werkkalender door de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde worden aangepast. Deze laatsten brengen de ambtenaar twee maanden op voorhand op de hoogte van deze aanpassing.
   Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk bij onderling akkoord tussen de ambtenaar en zijn functionele chef.]1

  
Art. 8bis. [1 § 1er. L'agent qui désire bénéficier d'un congé parental [2 en application des articles 34, 35 et 35/1,]2 d'une interruption de la carrière professionnelle en application de l'article 116, d'une absence de longue durée pour raisons personnelles en application de l'article 113 ou de prestations réduites pour convenance personnelle en application de l'article 140, communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée.
   Cette communication se fait par écrit au moins deux mois avant le début du congé, à moins qu'à la demande de l'agent, l'autorité n'accepte un délai plus court. Chaque prolongation est subordonnée à une demande de l'agent intéressé, introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours.
   § 2. Le cas échéant, le régime de travail pour la réduction des prestations par application des articles 34, 35, 116 et 140, est fixé comme suit :
   1° la réduction des prestations d'un dixième est un régime de travail en vertu duquel l'agent est tenu d'accomplir un dixième de prestations en moins que celles afférentes à une mise au travail à temps plein; la répartition des prestations est établie par demi-jours, par jours entiers ou par heures et les prestations peuvent être réparties sur deux semaines;
   2° la réduction des prestations d'un cinquième est un régime de travail en vertu duquel l'agent est tenu d'accomplir un cinquième de prestations en moins que celles afférentes à une mise au travail à temps plein; la répartition des prestations est établie par demi-jours, par jours entiers ou par heures sur une semaine;
   3° la réduction des prestations d'un quart est un régime de travail en vertu duquel l'agent est tenu d'accomplir un quart de prestations en moins que celles afférentes à une mise au travail à temps plein; la répartition des prestations est établie par demi-jours, par jours entiers ou par heures sur deux semaines;
   4° la réduction des prestations d'un tiers est un régime de travail en vertu duquel l'agent est tenu d'accomplir un tiers de prestations en moins que celles afférentes à une mise au travail à temps plein; la répartition des prestations est établie par demi-jours, par jours entiers ou par heures sur trois semaines;
  [3 4° /1 la réduction des prestations de deux cinquièmes est un régime de travail en vertu duquel l'agent est tenu d'accomplir deux cinquièmes de prestations en moins que celles afférentes à une mise au travail à temps plein; la répartition des prestations est établie par demi-jours, par jours entiers ou par heures sur une semaine;]3
   5° la réduction des prestations de moitié est un régime de travail en vertu duquel l'agent est tenu d'accomplir la moitié de prestations en moins que celles afférentes à une mise au travail à temps plein; la répartition des prestations est établie par demi-jours, par jours entiers ou par heures, sur une semaine ou un mois.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les régimes de travail énumérés à l'alinéa 1er peuvent être adaptés de manière à pouvoir être insérés dans un système de travail en équipe.
   § 3. La demande du congé en application du paragraphe 1er précise les souhaits de l'agent concernant le jour ou les jours auxquels il est en congé.
   Le président du comité de direction, le secrétaire général ou leur délégué accorde le congé et détermine le calendrier de travail. Si l'agent n'est pas d'accord avec le calendrier de travail, il peut renoncer à sa demande de congé.
   En fonction des besoins du service ou à la demande de l'agent, le calendrier de travail peut être adapté par le président du comité de direction, le secrétaire général ou leur délégué. Ces derniers informent l'agent de cette adaptation deux mois à l'avance.
   Une adaptation temporaire du calendrier de travail est possible par accord mutuel entre l'agent et son chef fonctionnel.]1

  
Art. 8ter. [1 § 1.- Onverminderd de wettelijke of reglementaire bepalingen die voorzien in een recht op aanpassing van de bestaande arbeidsregeling en het bestaande uurrooster, heeft de ambtenaar het recht om voor een aaneengesloten periode van maximum twaalf maanden een flexibele werkregeling aan te vragen voor zorgdoeleinden.
   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
   1° flexibele werkregeling: een aanpassing van het bestaande uurrooster van de ambtenaar;
   2° zorgdoeleinden:
   a) de zorg voor zijn kind vanaf de geboorte tot het kind twaalf jaar wordt,
   b) de zorg voor een kind in het kader van een adoptie, vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de ambtenaar zijn verblijfplaats heeft, en dit tot het kind twaalf jaar wordt;
   c) het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een welbepaald gezinslid of familielid dat om medische reden behoefte heeft aan zorg of steun;
   3° gezinslid: elk persoon die samenleeft met de ambtenaar op dezelfde woonplaats;
   4° familielid: de echtgenoot van de ambtenaar of de persoon met wie de ambtenaar wettelijk samenwoont, zoals geregeld door de artikelen 1475 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek, alsook de bloedverwanten in de eerste graad van de ambtenaar;
   5° een medische reden als gevolg waarvan men behoefte heeft aan zorg of steun: elke gezondheidstoestand, al dan niet het gevolg van een ziekte of medische ingreep, die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat er een behoefte is aan zorg of steun, dit is elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging.
   De leeftijdsgrens bepaald in het tweede lid, 2°, a) en b) wordt vastgesteld op 21 jaar wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
   Aan de voorwaarde van de twaalfde of eenentwintigste verjaardag moet zijn voldaan uiterlijk gedurende de overeenkomstig paragraaf 1 aangevraagde periode.
   § 2.- De ambtenaar maakt gebruik van het recht om een flexibele werkregeling aan te vragen voor het doel waarvoor het is ingesteld. Hij onthoudt zich van elk misbruik ervan.
   § 3.- De ambtenaar die een flexibele werkregeling wenst te bekomen, bezorgt de overheid waaronder hij ressorteert hiertoe minstens twee maanden en hoogstens drie maanden vooraf een schriftelijke aanvraag. Deze termijn kan worden ingekort op verzoek van de ambtenaar en als de overheid hiermee akkoord gaat.
   De aanvraag gebeurt hetzij door de overhandiging van een geschrift aan de overheid waaronder hij ressorteert waarbij deze laatste een duplicaat tekent als bericht van ontvangst, hetzij door middel van een aangetekend schrijven dat geacht wordt ontvangen te zijn de derde werkdag na de afgifte ervan bij de post, hetzij op elektronische wijze mits ontvangstbevestiging van het bericht door de overheid waaronder hij ressorteert.
   Uit de aanvraag moet blijken dat de ambtenaar zich beroept op het recht om flexibele werkregelingen aan te vragen. De aanvraag bevat minstens de volgende elementen:
   1° de gewenste flexibele werkregeling;
   2° de begin- en einddatum van de aaneengesloten periode waarvoor de flexibele werkregeling wordt gevraagd en die niet meer dan twaalf maanden kan omvatten;
   3° het zorgdoeleinde waarvoor de flexibele werkregeling wordt gevraagd, met inbegrip van de identiteit van de persoon ten behoeve van wie de flexibele werkregeling wordt aangevraagd.
   § 4.- De overheid waaronder de ambtenaar ressorteert beoordeelt deze aanvraag en geeft er een schriftelijk gevolg aan binnen de maand volgend op de aanvraag.
   De overheid waaronder de ambtenaar ressorteert kan de aanvraag inwilligen, weigeren of een met redenen omkleed tegenvoorstel doen bestaande uit een andere flexibele werkregeling of periode die beter aansluit bij zijn eigen behoeften.
   Het uitblijven van een antwoord van de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert wordt gelijkgesteld met een akkoord.
   § 5.- De overheid waaronder de ambtenaar ressorteert en de ambtenaar kunnen in onderling akkoord een flexibele werkregeling overeenkomen voor een aaneengesloten periode van meer dan twaalf maanden.
   § 6.- Uiterlijk op het moment dat de flexibele werkregeling een aanvang neemt, verstrekt de ambtenaar de overheid waaronder hij ressorteert het document of de documenten tot staving van het ingeroepen zorgdoeleinde.
   Ingeval de aanvraag is ingediend met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een welbepaald gezinslid of familielid dat om een medische reden behoefte heeft aan zorg of steun wordt het bewijs hiervan geleverd aan de hand van een attest dat ten vroegste in het kalenderjaar van de aanvraag is afgeleverd door de behandelend arts van het betrokken gezinslid of familielid en waaruit blijkt dat dit gezinslid of familielid om een medische reden behoefte heeft aan zorg of steun. Dit attest mag de medische reden zelf niet vermelden.
   § 7.- De ambtenaar heeft het recht om de flexibele werkregeling vroegtijdig stop te zetten ten einde zijn oorspronkelijk uurrooster te hervatten, mits hij de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal hiervan tien werkdagen vooraf schriftelijk op de hoogte brengt en mits hij minstens één maand heeft gewerkt volgens de overeengekomen flexibele werkregeling.]1

  
Art. 8ter. [1 § 1er.- Sans préjudice des dispositions légales ou réglementaires prévoyant un droit à l'adaptation du régime et de l'horaire de travail existants, l'agent a le droit de demander, pour une période continue de douze mois maximum, une formule souple de travail dans le but de s'occuper d'un proche.
   Pour l'application du présent article, on entend par :
   1° formule souple de travail : un aménagement de l'horaire de travail existant de l'agent ;
   2° dans le but de s'occuper d'un proche :
   a) s'occuper de son enfant de la naissance jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire,
   b) s'occuper d'un enfant dans le cadre d'une adoption, à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où l'agent a sa résidence et ce, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire ;
   c) l'octroi de soins personnels ou d'une aide personnelle à un membre déterminé du ménage ou de la famille qui nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale ;
   3° membre du ménage : toute personne cohabitant avec l'agent ;
   4° membre de la famille : le conjoint de l'agent ou la personne avec qui l'agent cohabite légalement, au sens des articles 1475 et suivants de l'ancien Code civil, de même que les parents de l'agent au premier degré ;
   5° une raison médicale rendant nécessaires des soins ou une aide : tout état de santé, consécutif ou non à une maladie ou à une intervention médicale, considéré comme tel par le médecin traitant et pour lequel le médecin estime qu'il nécessite des soins ou une aide, à savoir toute forme d'assistance ou de soin de type social, familial ou émotionnel.
   L'âge limite déterminé à l'alinéa 2, 2°, a) et b) est fixé à 21 ans lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont reconnus dans le pilier I de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou qu'au moins 9 points sont reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
   La condition relative au douzième ou au vingt et unième anniversaire doit être satisfaite au plus tard pendant la période demandée conformément au paragraphe 1er.
   § 2.- L'agent fait usage du droit de demander une formule souple de travail en vue de l'objectif pour lequel il a été instauré. Il s'abstient de tout usage abusif.
   § 3.- L'agent qui souhaite obtenir une formule souple de travail, transmet à l'autorité dont il relève une demande écrite au moins deux mois et au plus trois mois à l'avance. Ce délai peut être réduit à la demande de l'agent et moyennant l'accord de l'autorité.
   La demande est effectuée soit par la remise d'un écrit à l'autorité dont il relève dont ce dernier signe un double à titre d'accusé de réception, soit par lettre recommandée laquelle est censée être reçue le troisième jour ouvrable après son dépôt à la poste, soit par voie électronique moyennant un accusé de réception de l'autorité dont il relève.
   Il doit apparaître de la demande que l'agent invoque le droit à une formule souple de travail. En outre, la demande contient au moins les éléments suivants :
   1° la formule souple de travail souhaitée ;
   2° les dates de début et de fin de la période continue pour laquelle la formule souple de travail est demandée et qui ne peut pas compter plus de douze mois ;
   3° le but de s'occuper d'un proche pour lequel la formule souple de travail est demandée, y compris l'identité de la personne pour laquelle la formule souple de travail est demandée.
   § 4.- L'autorité dont l'agent relève examine la demande et fournit une réponse écrite dans le mois suivant la demande.
   L'autorité dont l'agent relève peut accepter ou rejeter la demande, ou faire une contreproposition motivée consistant en une autre formule souple de travail ou une autre période répondant mieux à ses propres besoins.
   L'absence de réponse de l'autorité dont l'agent relève est assimilée à un accord.
   § 5.- L'autorité dont l'agent relève et l'agent peuvent convenir de commun accord d'une formule souple de travail pour une période continue de plus de douze mois.
   § 6.- Au plus tard au moment où débute la formule souple de travail, l'agent fournit à l'autorité dont il relève le document ou les documents à l'appui du but invoqué.
   Dans le cas où la demande est introduite en vue de fournir des soins personnels ou une aide personnelle à un membre déterminé du ménage ou de la famille nécessitant des soins ou une aide pour une raison médicale, la preuve en est fournie au moyen d'une attestation délivrée par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille concerné au plus tôt au cours de l'année civile de la demande et dont il apparait que le membre du ménage ou de la famille nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale. Cette attestation ne peut pas indiquer la raison médicale elle-même.
   § 7.- L'agent a le droit de mettre fin anticipativement à la formule souple de travail afin de reprendre son horaire de travail initial, à condition d'en informer par écrit le président du comité de direction ou le secrétaire général dix jours ouvrables à l'avance et d'avoir travaillé pendant au moins un mois selon la formule souple de travail convenue.]1

  
HOOFDSTUK II. - Jaarlijks vakantieverlof en feestdagen.
CHAPITRE II. - Congé annuel de vacances et jours fériés.
Art.10. <KB 2009-01-31/30, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De ambtenaar heeft recht op een jaarlijks vakantieverlof waarvan de duur naargelang de leeftijd als volgt is bepaald :
  - minder dan 45 jaar : 26 werkdagen;
  - van 45 tot 49 jaar : 27 werkdagen;
  - van 50 tot 54 jaar : 28 werkdagen;
  - van 55 tot 59 jaar : 29 werkdagen;
  - van 60 tot 61 jaar : 30 werkdagen;
  - op 62 jaar : 31 werkdagen;
  - op 63 jaar : 32 werkdagen;
  - [2 op 64 jaar]2 : 33 werkdagen;
  [2 - op 65 jaar: 34 werkdagen;
   - vanaf 66 jaar: 35 werkdagen.]2

  
Art.10. <AR 2009-01-31/30, art. 1, 024; En vigueur : 01-01-2008> L'agent a droit à un congé annuel de vacances dont la durée est déterminée selon l'âge, comme suit :
  - moins de 45 ans : 26 jours ouvrables;
  - de 45 à 49 ans : 27 jours ouvrables;
  - de 50 à 54 ans : 28 jours ouvrables;
  - de 55 à 59 ans : 29 jours ouvrables;
  - de 60 à 61 ans : 30 jours ouvrables;
  - à 62 ans : 31 jours ouvrables;
  - à 63 ans : 32 jours ouvrables;
  - [2 à 64 ans]2 : 33 jours ouvrables;
  [2 - à 65 ans : 34 jours ouvrables ;
   - à partir de 66 ans : 35 jours ouvrables.]2

  
Art.11. [1 § 1. Het jaarlijks vakantieverlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
   Het jaarlijks vakantieverlof wordt genomen naar keuze van de ambtenaar en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
   Indien het verlof gesplitst wordt en indien de ambtenaar het vraagt, omvat het een doorlopende periode van ten minste twee weken.
   § 2. De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal bepaalt de modaliteiten van een eventuele overdracht van jaarlijks vakantieverlof naar het volgende jaar. Deze overdracht geldt voor maximum één jaar.
   Indien de ambtenaar zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen opnemen ten gevolge van een afwezigheid wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, dan is de overdracht niet beperkt tot één jaar. Bij de terugkeer van de ambtenaar wordt het jaarlijks vakantieverlof opgenomen naar keuze van de ambtenaar en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
   § 3. Op jaarbasis wordt het aantal werkdagen jaarlijks vakantieverlof dat kan worden opgespaard, begrensd tot het aantal werkdagen jaarlijks vakantieverlof dat hoger ligt dan de minimumduur bij voltijdse prestaties vastgelegd in artikel 9 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector komt in aanmerking. Voor deeltijdwerkers wordt dit pro rata berekend.
   Het totale opgespaarde jaarlijkse vakantieverlof mag niet hoger liggen dan 100 werkdagen.
   Bij de vaststelling van de maximumduur van 100 werkdagen bepaald in het tweede lid wordt geen rekening gehouden met het jaarlijks vakantieverlof dat overgedragen wordt in toepassing van paragraaf 2.
   Het opgespaarde jaarlijks vakantieverlof wordt genomen naar keuze van de ambtenaar en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
   Indien de ambtenaar een doorlopende periode van ten minste 20 werkdagen opgespaard jaarlijks vakantieverlof wenst op te nemen dan dient hij dit, in afwijking van het vierde lid, twee maanden voor de aanvang ervan aan te vragen, tenzij de overheid waaronder hij ressorteert een kortere termijn aanvaardt. Dit verlof kan hem niet geweigerd worden om dienstredenen.
   In afwijking van het vierde en vijfde lid, kan het opgespaard jaarlijks vakantieverlof aanvangen op de eerste dag van de week volgend op de aanvraag wanneer de ambtenaar wordt geconfronteerd met een ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een kind, de vader of de moeder van de ambtenaar of een kind, de vader of de moeder van zijn echtgeno(o)t(e).]1

  
Art.11. [1 § 1er. Le congé annuel de vacances est assimilé à une période d'activité de service.
   Il est pris au choix de l'agent dans le respect toutefois des nécessités du service.
   Si le congé est fractionné et si l'agent le demande, ce congé comporte une période continue d'au moins deux semaines.
   § 2. Le président du comité de direction ou le secrétaire général fixe les modalités d'un report éventuel du congé annuel de vacances à l'année suivante. Ce report est valable un an au maximum.
   Lorsque l'agent n'a pas pu prendre l'entièreté ou une partie de son congé annuel de vacances à cause d'une absence pour maladie, un accident de travail ou sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle, le report n'est pas limité à un an. Au retour de l'agent, le congé annuel de vacances est pris au choix de l'agent dans le respect toutefois des nécessités du service.
   § 3. Le nombre de jours ouvrables de congé annuel de vacances qui peut être épargné est limité au nombre de jours ouvrables de congé annuel de vacances supérieur à la durée minimale pour des prestations à temps plein fixée à l'article 9 de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public, entre en considération. Ce nombre est calculé au prorata pour les travailleurs à temps partiel.
   Le nombre total de jours de congé annuel de vacances ainsi épargnés ne peut pas dépasser les 100 jours ouvrables.
   Pour déterminer la durée maximum de 100 jours ouvrables définie à l'alinéa 2, il n'est pas tenu compte du congé annuel de vacances qui est reporté en application du paragraphe 2.
   Les jours de congé annuel de vacances épargnés sont pris au choix de l'agent dans le respect toutefois des nécessités du service.
   Si l'agent souhaite prendre une période continue d'au moins 20 jours ouvrables de congé annuel de vacances épargnés, il doit, par dérogation à l'alinéa 4, en faire la demande deux mois avant le début de son congé, à moins que l'autorité dont il relève n'accepte un délai plus court. Ce congé ne peut pas lui être refusé pour des raisons de service.
   Par dérogation aux alinéas 4 et 5, le congé annuel de vacances épargné peut commencer le premier jour de la semaine qui suit la demande lorsque l'agent est confronté à une hospitalisation d'une personne habitant sous le même toit que l'agent ou d'un enfant, du père ou de la mère de l'agent ou d'un enfant, du père ou de la mère de son conjoint.]1

  
Art.12. § 1. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof.
  Het vakantieverlof wordt echter in evenredige mate verminderd wanneer een ambtenaar in de loop van het jaar in dienst treedt, zijn ambt definitief neerlegt, in dienst is genomen om onvolledige prestaties te verrichten, of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft verkregen :
  1° de verloven vermeld in de artikelen 16 en 17 van dit besluit;
  2° de halftijdse vervroegde uittreding;
  3° de vrijwillige vierdagenweek;
  4° het verlof voor opdracht;
  5° het verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan;
  6° de afwezigheden waarbij de ambtenaar in de administratieve stand van non-activiteit of disponibiliteit is geplaatst;
  [1 7° de verminderde prestaties wegens medische redenen.]1
  [3 8° de vierdagenweek met en zonder premie;
   9° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.]3

  Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijke hogere eenheid.
  Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het [...] personeel dat [2 bij arbeidsovereenkomst]2 wordt aangeworven, worden de periodes van afwezigheid [wegens ouderschapsverlof bedoeld in artikel 34 en] verloven die met het oog op de bescherming van het moederschap zijn toegekend bij de artikelen 39, 41, 41bis, 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid. <KB 1999-05-26/35, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999> <KB 2007-01-17/37, art. 5, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [2 Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het personeel dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven, worden de periodes van afwezigheid voor [6 eboorteverlof, adoptieverlof, pleegzorgverlof en pleegouderverlof toegekend bij het artikel 30, § 2, het artikel 30ter, het artikel 30quater en het artikel 30sexies]6 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid.
   Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het personeel dat bij arbeidsovereenkomst wordt aangeworven, worden de periodes van volledige afwezigheid wegens ziekte, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid.]2

  § 2. [5 ...]5
  § 3. Het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra de ambtenaar een verlof wegens ziekte bekomt of in disponibiliteit wegens ziekte wordt geplaatst.
  
Art.12. § 1er. Toute période d'activité de service donne droit au congé annuel de vacances.
  Le congé de vacances est toutefois réduit à due concurrence, lorsqu'un agent entre en service dans le courant de l'année, démissionne de ses fonctions, est engagé pour effectuer des prestations incomplètes ou a obtenu au cours de l'année l'un des congés ou l'une des absences mentionnés ci-après :
  1° les congés visés aux articles 16 et 17 du présent arrêté;
  2° le départ anticipé à mi-temps;
  3° la semaine volontaire de quatre jours;
  4° les congés pour mission;
  5° le congé pour interruption de la carrière professionnelle;
  6° les absences pendant lesquelles l'agent est placé dans la position administrative de non-activité ou de disponibilité.
  [1 7° les prestations réduites pour raisons médicales.]1
  [3 8° la semaine de quatre jours avec et sans prime;
   9° le travail à mi-temps à partir de 50 of 55 ans. ]3

  Si le nombre de jours de congé ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.
  Pour le calcul de la durée du congé annuel de vacances accordé au personnel [...] engagé [2 par contrat de travail]2, les périodes d'absence causée (par le congé parental visé à l'article 34 et) par des congés accordés en vue de la protection de la maternité par les articles 39, 41, 41bis, 42 et 43 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail sont considérées comme des périodes d'activité de service au sens de l'alinéa 1er. <AR 1999-05-26/35, art. 4, 002; En vigueur : 01-05-1999> <AR 2007-01-17/37, art. 5, 019; En vigueur : 01-01-2007>
  [2 Pour le calcul de la durée du congé annuel de vacances accordé au personnel engagé par contrat de travail, les périodes d'absence pour [6 congé à l'occasion d'une naissance, congé d'adoption, congé pour soins d'accueil et congé parental d'accueil accordé par l'article 30, § 2, l'article 30ter, l'article 30quater et l'article 30sexies]6 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail sont considérées comme des périodes d'activité de service au sens de l'alinéa 1er.
   Pour le calcul de la durée du congé annuel de vacances accordé au personnel engagé par contrat de travail, les périodes d'absence complète pour maladie sont considérées comme des périodes d'activité de service au sens de l'alinéa 1er.]2

  § 2. [5 ...]5
  § 3. Le congé annuel de vacances est suspendu dès que l'agent obtient un congé de maladie ou est placé en disponibilité pour maladie.
  
Art.14. § 1. De ambtenaar is met verlof op de feestdagen, die zijn opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen alsook op (...), 2 november, 15 november en 26 december. <KB 1999-05-26/35, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  § 2. De ambtenaar is met verlof tijdens de periode van 27 december tot en met 31 december als compensatie voor de feestdagen bedoeld in § 1 die samenvallen met een niet-werkdag.
  § 3. De ambtenaar die krachtens de arbeidstijdregeling die op hem van toepassing is, of ten gevolge van de behoeften van de dienst verplicht is te werken op één van de dagen bedoeld in § 1 of gedurende de periode bedoeld in § 2, bekomt vervangende verlofdagen die kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.
  § 4. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Indien een ambtenaar echter op een feestdag om een andere reden met verlof is, of in disponibiliteit of in non-activiteit is geplaatst, blijft zijn administratieve stand bepaald overeenkomstig de verordeningsbepalingen die op hem van toepassing zijn.
  [1 Indien een vrije dag in het kader van deeltijds werken samenvalt met één van de dagen bedoeld in § 1 of gedurende de periode bedoeld in § 2, bekomt de ambtenaar geen vervangende verlofdag.]1
  (§ 5. Indien een ambtenaar zijn ambt definitief neerlegt vóór de periode bedoeld in § 2, dan heeft hij recht op een aantal verlofdagen gelijk aan het aantal feestdagen die samenvielen met een niet-werkdag in de periode dat hij nog wel in dienst was. Deze kunnen genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof, zoals bedoeld [2 in artikel 11 van dit besluit en artikel 22 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt]2.) <KB 2005-10-12/35, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
  
Art.14. § 1er. L'agent est en congé les jours fériés énumérés à l'article 1er de l'arrêté royal du 18 avril 1974 déterminant les modalités générales d'exécution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés ainsi que (...), le 2 novembre, le 15 novembre et le 26 décembre. <AR 1999-05-26/35, art. 5, 002; En vigueur : 01-01-1999>
  § 2. En remplacement des jours fériés visés au paragraphe 1er qui coïncident avec un jour non ouvrable, l'agent est en congé pendant la période du 27 décembre au 31 décembre inclus.
  § 3. L'agent qui en vertu du régime de travail qui lui est applicable ou en raison des nécessités du service, est obligé de travailler l'un des jours mentionnés au § 1er ou pendant la période visée au § 2 obtient en substitution des jours de vacances qui peuvent être pris aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances.
  § 4. Les congés visés au présent article sont assimilés à une période d'activité de service. Toutefois, si l'agent est en congé le jour férié pour un autre motif ou s'il est en disponibilité ou en non-activité, sa position administrative reste fixée conformément aux dispositions réglementaires qui lui sont applicables.
  [1 Si un jour libre dans le cadre du travail à temps partiel coïncide avec un des jours visés au § 1er ou avec la période visée au § 2, l'agent n'obtient pas de jour de congé de substitution.]1
  (§ 5. Si un agent démissionne de ses fonctions avant la période visée au § 2, il a droit à un nombre de jours de congé égal au nombre de jours fériés qui coïncidaient avec un jour non-ouvrable au cours de la période où il était encore en service. Ceux-ci peuvent être pris aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances, conformément [2 à l'article 11 du présent arrêté et à l'article 22 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale]2.) <AR 2005-10-12/35, art. 4, 016; En vigueur : 01-12-2005>
  
HOOFDSTUK III. - Omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof.
CHAPITRE III. - Congés de circonstances et congés exceptionnels.
Afdeling 1. - Omstandigheidsverlof.
Section 1. - Congés de circonstances.
Art.15. [1 Het omstandigheidsverlof wordt toegekend binnen de perken zoals hierna bepaald :
   1° huwelijk van de ambtenaar : 4 werkdagen;
   2° [4 de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van de ambtenaar vaststaat. Bij ontstentenis van een persoon die dit verlof opneemt op grond van de afstamming met het kind heeft de ambtenaar die samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats met de moeder van het kind recht op het verlof. Het recht op moederschapsverlof, vermeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, sluit voor een zelfde ouder het recht op het omstandigheidsverlof bij de geboorte uit. Het verlof bedraagt 20 werkdagen;]4
   3° [3 overlijden van de echtgeno(o)t(e) van de ambtenaar, overlijden van het natuurlijk kind [5 of het adoptiekind]5, van de ambtenaar, of van diens echtgeno(o)t(e) : 10 werkdagen, waarbij drie werkdagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en zeven werkdagen door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze verlofdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de ambtenaar mits een akkoord van de werkgever;]3
  [3 3°/1 overlijden van de vader, moeder, schoonvader, stiefvader, schoonmoeder, stiefmoeder, schoondochter, schoonzoon van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) : vier werkdagen waarbij drie werkdagen door de ambtenaar te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en één werkdag door de ambtenaar te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze werkdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de ambtenaar mits een akkoord van de werkgever;]3
  [3 3°/2 [5 ...]5]3
   4° huwelijk van een kind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) : 2 werkdagen;
   5° het huwelijk van een broer, een zuster, een schoonbroer, een schoonzuster, de vader, de moeder, de schoonvader, de stiefvader, de schoonmoeder, de stiefmoeder, een kleinkind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
   6° overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) maar onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 2 werkdagen;
   7° overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede of in de derde graad van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) maar niet onder hetzelfde dak wonend als de ambtenaar : 1 werkdag;
  [3 7°/1 overlijden van een pleegkind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden : een werkdag;]3
   8° verandering van standplaats opgelegd in het belang van de dienst, wanneer de verplaatsing een bijdrage van de Staat in de verhuiskosten meebrengt : 2 werkdagen;
   9° priesterwijding of intreden in het klooster of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
   10° plechtige communie of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) : 1 werkdag;
   11° deelneming van een kind van de ambtenaar of van zijn echtgeno(o)t(e) aan het feest van de "vrijzinnige jeugd" : 1 werkdag;
   12° oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege : voor de nodige duur;
   13° de uitoefening van het ambt van voorzitter, van bijzitter of van secretaris van een stembureau of een opnemingsbureau : de nodige tijd met een maximum van twee werkdagen;
  [6 14° zwangerschapsverlies van de vrouwelijke ambtenaar die zwanger was en de zwangerschap heeft gemeld aan de dienst waaronder zij ressorteert en zwangerschapsverlies van de echtgenote van de ambtenaar die zwanger was: twee werkdagen volgend op het zwangerschapsverlies als de ambtenaar het heeft gemeld aan de dienst waaronder deze ressorteert; onder zwangerschapsverlies wordt verstaan voor de toepassing van dit lid, alle vormen van zwangerschapsverlies, zowel medisch als spontaan ingeleid, vanaf het ogenblik dat het verlies zich voordoet, vanaf het begin van de zwangerschap tot en met 180 dagen zwangerschap, zonder dat de ambtenaar een attest hoeft voor te leggen.]6
   De verloven bedoeld in dit artikel worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.]1

  [5 De banden die ontstaan ingevolge een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg worden, voor de toepassing van het eerste lid, 3° en 3° /1, gelijkgesteld met de door die bepalingen geviseerde familiebanden, op voorwaarde dat het overlijden zich voordoet, hetzij tijdens een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg, hetzij na afloop van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg. In dat verband wordt het pleegkind gelijkgesteld met het kind, de pleegmoeder met de moeder, de pleegvader met de vader, enz...
   De banden die ontstaan ingevolge een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg worden, voor de toepassing van het eerste lid, 4°, 5°, 6°, 7°, 9°, 10° en 11°, gelijkgesteld met de door die bepalingen geviseerde familiebanden, op voorwaarde dat de gebeurtenis zich voordoet, hetzij tijdens een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg, hetzij na afloop van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg waarbij het pleegkind gedurende een onafgebroken periode van drie jaar op permanente en affectieve wijze deel heeft uitgemaakt van het pleeggezin. In dat verband wordt het pleegkind gelijkgesteld met het kind, de pleegmoeder met de moeder, de pleegvader met de vader, enz...]5

  
Art.15. [1 Des congés de circonstances sont accordés dans les limites fixées ci-après :
   1° le mariage de l'agent : 4 jours ouvrables;
   2° [4 la naissance d'un enfant dont la filiation est établie à l'égard de l'agent. A défaut d'une personne qui prend ce congé sur la base de la filiation avec l'enfant, l'agent qui est marié avec la mère de l'enfant ou qui vit en couple avec la mère de l'enfant au même domicile a droit au congé. Le droit au congé de maternité visé à l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail exclut pour un même parent le droit au congé de circonstances à la naissance. Le congé s'élève à 20 jours ouvrables]4;
   3° [3 le décès du conjoint de l'agent, le décès de l'enfant naturel [5 ou de l'enfant adoptif de l'agent ou de son conjoint]5, ou le décès de son conjoint : 10 jours ouvrables, dont trois jours ouvrables à choisir par l'agent pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et sept jours ouvrables à choisir par l'agent dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande de l'agent et moyennant l'accord de l'employeur, aux deux périodes au cours desquelles ces jours de congé doivent être pris;]3
  [3 3°/1 le décès du père, de la mère, du beau-père, du second mari de la mère, de la belle-mère, de la seconde femme du père, de la belle-fille, du beau-fils de l'agent ou de son conjoint: quatre jours ouvrables dont trois jours ouvrables à choisir par l'agent pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et un jour ouvrable à choisir par l'agent dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande de l'agent et moyennant l'accord de l'employeur, aux deux périodes au cours desquelles ces jours ouvrables doivent être pris;]3
  [3 3°/2 [5 ...]5]3
   4° le mariage d'un enfant de l'agent ou de son conjoint : 2 jours ouvrables;
   5° le mariage d'un frère, d'une soeur, d'un beau-frère, d'une belle-soeur, du père, de la mère, du beau-père, du second mari de la mère, de la belle-mère, de la seconde femme du père, d'un petit-enfant de l'agent ou de son conjoint : 1 jour ouvrable;
   6° le décès d'un parent ou allié, à quelque degré que ce soit, de l'agent ou de son conjoint, habitant sous le même toit que l'agent : 2 jours ouvrables;
   7° le décès d'un parent ou allié au deuxième ou au troisième degré de l'agent ou de son conjoint, n'habitant pas sous le même toit que l'agent : 1 jour ouvrable;
  [3 7°/1 le décès d'un enfant qui était placé auprès de l'agent ou de son conjoint dans le cadre d'un placement familial de courte durée au moment du décès : un jour ouvrable;]3
   8° le changement de résidence ordonné dans l'intérêt du service, lorsque la mutation entraîne l'intervention de l'Etat dans les frais de déménagement : 2 jours ouvrables;
   9° l'ordination, l'entrée au couvent ou tout autre événement similaire d'un culte reconnu d'un enfant de l'agent ou de son conjoint : 1 jour ouvrable;
   10° la communion solennelle ou tout autre événement similaire d'un culte reconnu d'un enfant de l'agent ou de son conjoint : 1 jour ouvrable;
   11° la participation à la fête de la jeunesse laïque, d'un enfant de l'agent ou de son conjoint : 1 jour ouvrable;
   12° la convocation comme témoin devant une juridiction ou comparution personnelle ordonnée par une juridiction : pour la durée nécessaire;
   13° l'exercice des fonctions de président, d'assesseur ou de secrétaire d'un bureau de vote ou d'un bureau de dépouillement : le temps nécessaire avec un maximum de deux jours ouvrables;
  [6 14° la perte de grossesse de l'agent féminin qui était enceinte et a déclaré la grossesse au service dont elle relève et la perte de grossesse de l'épouse de l'agent qui était enceinte : deux jours ouvrables suivant la perte de grossesse si l'agent l'a communiqué au service dont il ou elle relève ; on entend par " perte de grossesse " toutes les formes de perte de grossesse, qu'elle soit d'origine médicale ou spontanée, à partir du moment où la perte se produit, depuis le début de la grossesse jusqu'à 180 jours de grossesse inclus, sans que l'agent ne doive présenter de certificat.]6
   Les congés visés au présent article sont assimilés à une période d'activité de service.]1

  [5 Les liens qui découlent d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée sont, pour l'application de l'alinéa 1er, 3° et 3° /1, assimilés aux liens familiaux consacrés par ces dispositions, à condition que le décès survienne soit pendant un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée, soit après la fin d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée. Dans ce contexte, l'enfant placé est assimilé à l'enfant, la mère d'accueil à la mère, le père d'accueil au père, etc.
   Les liens qui découlent d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée sont, pour l'application de l'alinéa 1er, 4°, 5°, 6°, 7°, 9°, 10° et 11°, assimilés aux liens familiaux consacrés par ces dispositions, à condition que l'événement survienne soit pendant un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée, soit après la fin d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée dans lequel l'enfant placé a fait partie de la famille d'accueil de manière permanente et affective pendant une période ininterrompue de trois ans. Dans ce contexte, l'enfant placé est assimilé à l'enfant, la mère d'accueil à la mère, le père d'accueil au père, etc.]5

  
Art. 15bis. [1 In geval een verlof wegens ziekte andere dan een beroepsziekte, of ten gevolge van een ongeval, ander dan een arbeidsongeval of een ongeval van of naar het werk, aansluit op de afwezigheid wegens het omstandigheidsverlof dat op grond van artikel 15, 3°, wordt toegekend, dan worden de opgenomen dagen van omstandigheidsverlof vanaf de vijfde dag in mindering gebracht van het saldo van de verloven waarop artikel 41 van dit besluit recht geeft, op voorwaarde dat deze vijfde dag aansluit op een vierde dag afwezigheid toegestaan op grond van artikel 15, 3°.]1
  [2 In afwijking van het eerste lid, gebeurt de aanrekening voor bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel op de periode van het gewaarborgd loon zoals bepaald in artikel 52 en artikel 70 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]2
  
Art. 15bis. [1 Si un congé résultant d'une maladie autre qu'une maladie professionnelle, ou d'un accident autre qu'un accident du travail ou qu'un accident survenu sur le chemin du travail, suit directement l'absence résultant du congé de circonstance accordé conformément à l'article 15, 3°, les jours du congé de circonstance pris à partir du cinquième jour sont décomptés du solde des congés auxquels donne droit l'article 41 du présent arrêté, à condition que le cinquième jour suive un quatrième jour d'absence autorisé conformément à l'article 15, 3°.]1
  [2 En dérogation à l'alinéa 1er, l'imputation pour le personnel engagé par contrat de travail est effectué sur la période de la rémunération garantie, comme prévu dans les articles 52 et 70 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.]2
  
Afdeling 2. - Uitzonderlijk verlof.
Section 2. - Congés exceptionnels.
Art.16. (De ambtenaar bekomt verlof om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de gewest- en gemeenschapsraden, van de provincieraden, de gemeenteraden of van de europese vergaderingen.) <KB 1999-05-26/35, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  Deze verloven worden toegekend voor een periode die overeenkomt met de duur van de verkiezingscampagne waaraan de betrokkenen als kandidaat deelnemen.
  Deze verloven worden niet vergoed en worden voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art.16. (L'agent obtient des congés pour présenter sa candidature aux élections des chambres législatives fédérales, des conseils régionaux et communautaires, des conseils provinciaux, des conseils communaux ou des assemblées européennes.) <AR 1999-05-26/35, art. 7, 002; En vigueur : 01-05-1999>
  Ces congés sont accordés pour une période correspondant à la durée de la campagne électorale à laquelle les intéressés participent en qualité de candidat.
  Ces congés ne sont pas rémunérés et sont assimilés pour le surplus à une période d'activité de service.
Art.17. De ambtenaar bekomt [1 voltijds verlof]1 voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst of van het gesubsidieerd onderwijs.
  [Dit verlof wordt toegestaan voor de normale duur van de stage of van de proefperiode. Indien het statuut geen stage of proefperiode voorziet is de maximumduur van dit verlof beperkt tot 2 jaar.] <KB 2007-01-17/37, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Deze verloven worden niet vergoed en worden voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  [De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.] <KB 2002-06-10/31, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  
Art.17. L'agent obtient des [1 congés à temps plein]1 pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi dans un service public ou dans l'enseignement subventionné.
  [Ces congés sont accordés pour une période qui correspond à la durée normale du stage ou de la période d'essai. Si le statut ne prévoit pas de stage ni de période d'essai, la durée maximum de ces congés est limitée à 2 ans.] <AR 2007-01-17/37, art. 6, 019; En vigueur : 01-01-2007>
  Ces congés ne sont pas rémunérés et sont assimilés pour le surplus à des périodes d'activité de service.
  [L'agent qui désire bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé.] <AR 2002-06-10/31, art. 4, 009; En vigueur : 01-07-2002>
  
Art.18. De ambtenaar bekomt een verlof om deel uit te maken van de jury van het Hof van Assisen en dit tijdens de duur van de zitting.
  Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Art.18. L'agent obtient un congé pour participer à un jury de Cour d'Assises et ce, pour la durée de la session.
  Ce congé est assimilé à une période d'activité de service.
Art.19. De ambtenaar verkrijgt verlof om in vredestijd prestaties te verrichten hij het Korps Civiele Bescherming als vrijwillige dienstnemer bij dit korps.
  Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Art.19. L'agent obtient un congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce Corps.
  Ce congé est assimilé à une période d'activité de service.
Art.20. [1 § 1.- De ambtenaar bekomt zorgverlof met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een gezinslid of een familielid dat om medische redenen behoefte heeft aan zorg of steun.
   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
   1° gezinslid: het bepaalde onder artikel 8ter, § 1, 3° ;
   2° familielid: het bepaalde onder artikel 8ter, § 1, 4° ;
   3° een medische reden als gevolg waarvan men behoefte heeft aan zorg of steun: het bepaalde onder artikel 8ter, § 1, 5° ;
   De ambtenaar die gebruik wenst te maken van het zorgverlof, deelt dit vooraf mee aan de overheid waaronder hij ressorteert.
   De ambtenaar legt zo spoedig mogelijk ter staving een doktersattest voor dat in het jaar waarin het zorgverlof wordt opgenomen door de behandelend arts van het betrokken gezinslid of het familielid is afgeleverd en waaruit blijkt dat dit gezinslid of familielid om een medische reden behoefte heeft aan zorg of steun. Dit attest mag de medische reden zelf niet vermelden.
   § 2.- De duur van de verloven bedoeld in § 1 is beperkt tot vijf werkdagen per jaar. Het verlof wordt genomen per dag, in aaneensluitende dagen of per halve dag.
   De duur van de verloven bedoeld in § 1 wordt verminderd met het aantal werkdagen zorgverlof dat reeds werd opgenomen in hetzelfde jaar in toepassing van artikel 30bis, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   § 3.- De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit.]1

  
Art.20. [1 § 1er.- L'agent obtient le congé d'aidant dans le but de fournir des soins personnels ou une aide personnelle à un membre de la famille ou à un parent qui nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale.
   Pour l'application du présent article, on entend par :
   1° membre du ménage : la disposition de l'article 8ter, § 1er, 3° ;
   2° membre de la famille : la disposition de l'article 8ter, § 1er, 4° ;
   3° une raison médicale rendant nécessaires des soins ou une aide : la disposition de l'article 8ter, § 1er, 5° ;
   L'agent qui souhaite faire usage du congé d'aidant en informe préalablement l'autorité dont il relève.
   L'agent fournit aussi vite que possible, à titre de preuve, un certificat médical délivré par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille concerné au cours de l'année où le congé d'aidant est pris et dont il apparait que le membre du ménage ou de la famille nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale. Cette attestation ne peut pas indiquer la raison médicale elle-même.
   § 2.- La durée des congés visés au § 1er est limitée à cinq jours ouvrables par an. Le congé peut être pris par jour, par jours consécutifs ou par demi-jour.
   La durée des congés visés au § 1er est réduite du nombre de jours ouvrables de congé d'aidant déjà pris au cours de la même année, en application de l'article 30bis, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
   § 3.- Les congés visés dans le présent article sont assimilés à des périodes d'activité de service.]1

  
Art.21. [1 De ambtenaar heeft recht op een verlof van 5 werkdagen per jaar voor :
   1° zieken, personen met een handicap en maatschappelijke kwetsbare mensen te vergezellen en bij te staan tijdens vakantiereizen en -verblijven in België en het buitenland. Deze vakantiereizen en -verblijven moeten georganiseerd worden door een vereniging, een openbare instelling of een privé-instelling, waarvan de opdracht erin bestaat de zorg voor zieken, personen met een handicap of maatschappelijke kwetsbare mensen op zich te nemen en die hiervoor subsidies van de overheid krijgt;
   2° sporters met een handicap te begeleiden die deelnemen aan de paralympische spelen of de " special olympics ".
   Om het verlof in toepassing van artikel 21 van dit besluit te genieten, kan de dienst de ambtenaar vragen het bewijs te leveren van deelname aan de activiteiten.
   Het verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.]1

  
Art.21. [1 L'agent a droit à un congé de 5 jours ouvrables par an :
   1° pour accompagner et assister des malades, des personnes handicapées et des personnes en précarité sociale lors de voyages ou de séjours de vacances en Belgique et à l'étranger. Ces voyages et séjours de vacances doivent être organisés par une association, une institution publique ou une institution privée dont la mission consiste à s'occuper de malades, de personnes handicapées ou de personnes en précarité sociale et qui reçoit des subsides publics à cet effet;
   2° pour accompagner des sportifs handicapés qui participent aux jeux paralympiques ou aux " spécial olympics ".
   Pour bénéficier du congé en application de l'article 21 du présent arrêté, le service peut demander à l'agent de fournir la preuve de participation aux activités.
   Le congé est assimilé à une période d'activité de service.]1

  
Art.22. De ambtenaar verkrijgt een verlof van ten hoogste vier werkdagen voor het afstaan van beenmerg. Het verlof neemt een aanvang op de dag waarop de beenmergafstand in de verzorgingsinstelling plaatsvindt; het wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art.22. L'agent obtient un congé de quatre jours ouvrables au plus pour don de moelle osseuse. Ce congé prend cours le jour où la moelle osseuse est prélevée à l'établissement de soins; il est assimilé à une période d'activité de service.
Art.23. De ambtenaar verkrijgt een verlof voor het afstaan van organen of weefsels. Dit verlof wordt toegestaan voor een periode die overeenkomt met de duur van de hospitalisatie en van de eventueel vereiste herstelperiode alsook met de duur van de voorafgaande geneeskundige onderzoeken. Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art.23. L'agent obtient un congé pour don d'organes ou de tissus. Ce congé est accordé pour une période correspondant à la durée de l'hospitalisation et de la convalescence éventuellement requise ainsi qu'à la durée des examens médicaux préalables. Le congé est assimilé à une période d'activité de service.
Art. 23bis. [2 De ambtenaar bekomt een verlof voor het geven van bloed, bloedplasma en bloedplaatjes, op voorwaarde dat hij voorafgaandelijk aan de donatie toelating heeft gekregen van de overheid waaronder hij ressorteert. Dit verlof kan worden geweigerd om dienstredenen.
   De ambtenaar krijgt verlof voor de nodige duur voor het geven van bloed, bloedplasma of bloedplaatjes en voor een maximale verplaatsingstijd van twee uur.
   Het verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit . ]2

  
Art. 23bis. [2 L'agent obtient un congé pour don de sang, de plasma sanguin et de plaquettes à condition qu'il ait reçu l'autorisation de l'autorité dont il relève avant le don. Ce congé peut être refusé pour des raisons de service.
   L'agent obtient un congé pour la durée nécessaire pour le don de sang, de plasma sanguin ou de plaquettes ainsi que pour un temps de déplacement maximum de deux heures.
   Le congé est assimilé à une période d'activité de service.]2

  
HOOFDSTUK IV. - Moederschapsbescherming.
CHAPITRE IV. - Protection de la maternité.
Art.24. (het moederschapsverlof) bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. <KB 2005-10-12/35, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
Art.24. Le congé de maternité prévu par l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail est assimilé à une période d'activité de service.
Art.25. <KB 2005-10-12/35, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 01-07-2004> De bezoldiging over de periode gedurende welke de vrouwelijke ambtenaar moederschapsverlof geniet, mag niet meer dan vijftien weken bestrijken of negentien weken in geval van meervoudige geboorte.
  [1 ...]1
  De bezoldiging voor de verlenging van de postnatale rust toegestaan in toepassing van artikel 33bis mag niet meer dan 24 weken bestrijken.
  
Art.25. <AR 2005-10-12/35, art. 6, 016; En vigueur : 01-07-2004> La rémunération due pour la période pendant laquelle l'agent féminin se trouve en congé de maternité ne peut couvrir plus de quinze semaines ou de dix-neuf semaines en cas de naissance multiple.
  [1 ...]1
  La rémunération due pour la prolongation du repos postnatal accordé en application de l'article 33bis ne peut couvrir plus de 24 semaines.
  
Art.27. Wanneer de vrouwelijke ambtenaar het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum gebeurt wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Tijdens deze periode bevindt de vrouwelijke ambtenaar zich (in moederschapsverlof).
  In afwijking van artikel 25 is de bezoldiging verschuldigd. <KB 2005-10-12/35, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
Art.27. Lorsque l'agent féminin a épuisé le congé prénatal et que l'accouchement se produit après la date prévue, le congé prénatal est prolongé jusqu'à la date réelle de l'accouchement. Durant cette période, l'agent féminin se trouve en congé de maternité.
  Par dérogation à l'article 25, la rémunération est due.
Art.28. <KB 2002-12-12/36, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003> (Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt het moederschapsverlof, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.) <KB 2005-10-12/35, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  Worden daarvoor gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden :
  1° het jaarlijks vakantieverlof;
  2° de in artikel 14 bedoelde feestdagen;
  3° de in de artikelen 15 en 20 bedoelde verloven;
  4° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;
  5° de afwezigheden wegens ziekte [1 ...]1;
  [1 6° de volledige werkverwijdering bedoeld in artikel 31.]1
  [1 ...]1
  (Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde (in het tweede lid [1 ...]1), verlengd met een periode van (maximaal) twee weken.) <KB 2005-10-12/35, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 01-07-2004> <KB 2007-01-11/35, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 01-09-2006>
  
Art.28. <AR 2002-12-12/36, art. 8, 011; En vigueur : 01-03-2003> (A la demande de l'agent féminin, le congé de maternité est, en application de l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 prolongé, après la neuvième semaine, d'une période dont la durée est égale à la durée de la période au cours de laquelle elle a continué à travailler à partir de la sixième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue. En cas de naissance prématurée, cette période est réduite à concurrence des jours pendant lesquels elle a travaillé pendant la période de sept jours qui précède l'accouchement.) <AR 2005-10-12/35, art. 9, 016; En vigueur : 01-07-2004>
  Sont assimilés à des jours ouvrables qui peuvent être reportés jusqu'après le congé postnatal :
  1° le congé annuel de vacances;
  2° les jours fériés visés à l'article 14;
  3° les congés visés aux articles 15 et 20;
  4° le congé pour motifs impérieux d'ordre familial;
  5° les absences pour maladie [1 ...]1;
  [1 6° l'écartement complet du travail visé à l'article 31.]1
  [1 ...]1
  (En cas de naissance multiple, à la demande de l'agent féminin, la période d'interruption de travail après la neuvième semaine, éventuellement prolongée conformément aux dispositions [1 de l'alinéa 2]1, est prolongée au maximum d'une période de deux semaines.) <AR 2005-10-12/35, art. 9, 016; En vigueur : 01-07-2004> <AR 2007-01-11/35, art. 3, 017; En vigueur : 01-09-2006>
  
Art. 28bis. [1 Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, kunnen de laatste twee weken van de postnatale rustperiode op haar verzoek worden omgezet in verlofdagen van postnatale rust, wanneer de vrouwelijke ambtenaar de arbeidsonderbreking na de negende week met ten minste twee weken kan verlengen.
   Ten laatste vier weken voor het einde van de verplichte periode van postnatale rust, brengt de vrouwelijke ambtenaar de overheid waaronder ze ressorteert schriftelijk op de hoogte van de omzetting en de planning bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971.
   Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de Arbeidswet van 16 maart 1971, moeten de verlofdagen van postnatale rust worden opgenomen binnen acht weken te rekenen vanaf het einde van de ononderbroken periode van postnatale rust.
   De verlofdagen van postnatale rust worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.]1

  
Art. 28bis. [1 Conformément à l'article 39, alinéa 3, de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les deux dernières semaines de la période de repos postnatal peuvent être converties, à sa demande, en jours de congé de repos postnatal, lorsque l'agent féminin peut prolonger la période d'interruption de travail d'au moins deux semaines après la neuvième semaine.
   Au plus tard quatre semaines avant la fin de la période obligatoire de repos postnatal, l'agent féminin informe par écrit l'autorité dont elle relève de la conversion et du planning visés à l'article 39, alinéa 3, de la loi sur le travail du 16 mars 1971.
   Conformément à l'article 39, alinéa 3, de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les jours de congé de repos postnatal doivent être pris dans les huit semaines à compter de la fin de la période ininterrompue de repos postnatal.
   Les jours de congé de repos postnatal sont assimilés à une activité de service.]1

  
Art.29. Zwangere of de borstgevende ambtenaren mogen geen overuren verrichten. Als overuren dienen, voor de toepassing van dit artikel, te worden beschouwd, alle werk bovenop 38 uren per week.
  Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen is.
Art.29. En période de grossesse ou d'allaitement, les agents féminins ne peuvent effectuer du travail supplémentaire. Est à considérer comme travail supplémentaire, pour l'application du présent article, tout travail effectué au-delà de 38 heures par semaine.
  Le présent article est également applicable au personnel engagé par contrat de travail.
Art.30. De vrouwelijke ambtenaar die in dienstactiviteit is bekomt op haar verzoek het nodig verlof om haar in staat te stellen naar prenatale medische onderzoeken, die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden, te gaan en te ondergaan. De aanvraag van de ambtenaar moet worden gestaafd met elk nuttig bewijs.
  Het verlof is met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Art.30. L'agent féminin qui est en activité de service obtient, à sa demande, le congé nécessaire pour lui permettre de se rendre et de subir les examens médicaux prénatals qui ne peuvent avoir lieu en dehors des heures de service. La demande de l'agent doit être appuyée de toute preuve utile.
  Le congé est assimilé à une période d'activité de service.
Art.31. De ambtenaar die, (met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 en het artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector) is vrijgesteld van arbeid, wordt ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. <KB 2002-12-12/36, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.31. L'agent qui, (en application des articles 42 et 43 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail et de l'article 18 de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public) , est dispensé de travail, est mis d'office en congé pour la durée nécessaire. Le congé est assimilé à une période d'activité de service.<AR 2002-12-12/36, art. 9, 011; En vigueur : 01-01-2003>
Art.32. [1 De artikelen 24 en 25 zijn]1 zijn niet van toepassing in geval van miskraam vóór de 181e dag van de zwangerschap.
  
Art.32. [1 Les articles 24 et 25]1 ne s'appliquent pas en cas de fausse couche se produisant avant le 181ème jour de gestation.
  
Art.33. § 1. Als (...), de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de vader van het kind op eigen verzoek een [1 omgezet moederschapsverlof]1 om in de opvang van het kind te voorzien. <KB 2002-12-12/36, art. 10; 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2. In geval van overlijden van de moeder is de duur van het [1 omgezet moederschapsverlof]1 ten hoogste gelijk aan de duur van (het moederschapsverlof) dat de moeder nog niet opgebruikt had de ambtenaar die vader van het kind is en die het [1 omgezet moederschapsverlof]1 wenst te genieten stelt daar schriftelijk de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het [1 omgezet moederschapsverlof]1. Hij legt zo spoedig mogelijk een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder voor. <KB 2005-10-12/35, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
  § 3. In geval van hospitalisatie van de moeder kan de ambtenaar die vader van het kind is een [1 omgezet moederschapsverlof]1 krijgen onder de volgende voorwaarden :
  1° de pasgeborene moet het ziekenhuis verlaten hebben;
  2° de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren.
  Het [1 omgezet moederschapsverlof]1 kan niet aanvangen voor de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en wordt beëindigd op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van (het moederschapsverlof) dat door de moeder nog niet was opgebruikt. <KB 2005-10-12/35, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
  De ambtenaar die de vader van het kind is en die het [1 omgezet moederschapsverlof]1 wenst te genieten stelt daar schriftelijk de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte. De brief waarin hij dat doet vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
  § 4. Het [1 omgezet moederschapsverlof]1 wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
  
Art.33. § 1er. Si, (...) la mère de l'enfant décède ou est hospitalisée, le père de l'enfant obtient, à sa demande, un [1 congé de maternité converti]1 en vue d'assurer l'accueil de l'enfant. <AR 2002-12-12/36, art. 10, 011; En vigueur : 01-01-2003>
  § 2. En cas de décès de la mère, la durée du [1 congé de maternité converti]1 est au maximum égale à la durée du congé de maternité non encore épuisée par la mère. L'agent qui est le père de l'enfant et qui souhaite bénéficier du [1 congé de maternité converti]1 en informe par écrit l'autorité dont il relève dans les sept jours à dater du décès de la mère. Cet écrit mentionne la date du début du [1 congé de maternité converti]1 et sa durée probable. Un extrait de l'acte de décès de la mère est produit dans les meilleurs délais.
  § 3. En cas d'hospitalisation de la mère, l'agent qui est le père de l'enfant peut bénéficier du [1 congé de maternité converti]1 aux conditions suivantes :
  1° le nouveau-né doit avoir quitté l'hôpital;
  2° l'hospitalisation de la mère doit avoir une durée de plus de sept jours.
  Le [1 congé de maternité converti]1 ne peut débuter avant le septième jour qui suit le jour de la naissance de l'enfant et se termine au moment où prend fin l'hospitalisation de la mère et au plus tard au terme de la partie du congé de maternité non encore épuisée par la mère.
  L'agent qui est le père de l'enfant et qui souhaite bénéficier du [1 congé de maternité converti]1 en informe par écrit l'autorité dont il relève. Cet écrit mentionne la date du début du congé et sa durée probable. La demande de congé est appuyée par une attestation certifiant la durée de l'hospitalisation de la mère au-delà des sept jours qui suivent la date de l'accouchement et la date à laquelle le nouveau-né est sorti de l'hôpital.
  § 4. Le [1 congé de maternité converti]1 est assimilé à une période d'activité de service.
  
Art. 33bis. <KB 2005-10-12/35, art. 11, 016; Inwerkingtreding : 01-07-2004> Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert :
  1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
  2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.
Art. 33bis. <AR 2005-10-12/35, art. 11, 016; En vigueur : 01-07-2004> Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de l'agent féminin, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, l'agent féminin remet à l'autorité dont elle relève :
  1° à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation;
  2° le cas échéant, à la fin de la période de prolongation qui résulte des dispositions prévues dans le présent alinéa, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore quitté l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation.
Art. 33ter. <INGEVOEGD bij KB 2002-12-12/36, art. 12; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot [1 negen maanden]1 na de geboorte van het kind.
  [1 lid 2 opgeheven]1
  § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één keer of twee keer.
  De duur van borstvoedingspauze(s) is bij de duur van de prestaties van de werkdag begrepen.
  De vrouwelijke ambtenaar dient met de overheid waaronder zij ressorteert overeen te komen op welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen. Bij ontstentenis van een akkoord vallen de borstvoedingspauzes onmiddellijk vóór of na de in het arbeidsreglement bepaalde rusttijden.
  § 3. De vrouwelijke ambtenaar die wenst de borstvoedingspauzes te genieten brengt schriftelijk (twee weken) op voorhand de overheid waaronder ze ressorteert hiervan op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt. <KB 2005-10-12/35, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
  Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van de vrouwelijke ambtenaar geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, O.N.E. of Dienst für Kind und Familie) of door een medisch getuigschrift.
  Nadien bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waarvan zij afhangt elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan.
  
Art. 33ter. § 1er. L'agent féminin a droit à une dispense de service afin d'allaiter son enfant au lait maternel et/ou de tirer son lait jusqu'à [1 neuf mois]1 après la naissance de l'enfant.
  [1 alinéa 2 abrogé]1
  § 2. La pause d'allaitement dure une demi-heure. L'agent féminin qui preste quatre heures ou plus par journée de travail a droit à une pause à prendre pendant ce même jour. L'agent féminin qui preste au moins sept heures et demie par journée de travail a droit à deux pauses à prendre ce même jour. Lorsque l'agent féminin a droit à deux pauses au cours de la journée de travail, elle peut les prendre en une ou deux fois sur cette même journée.
  La durée de la ou des pause(s) d'allaitement est incluse dans la durée des prestations de la journée de travail.
  Le(s) moment(s) de la journée au(x)quel(s) l'agent féminin peut prendre la ou les pause(s) d'allaitement est (sont) à convenir entre l'agent et l'autorité dont elle relève. A défaut d'accord, les pauses d'allaitement suivent ou précèdent directement les temps de repos prévus au règlement du travail.
  § 3. L'agent féminin qui souhaite obtenir le bénéfice des pauses d'allaitement avertit par écrit (deux semaines) à l'avance l'autorité dont elle relève, à moins que celle-ci n'accepte de réduire ce délai à la demande de l'intéressée. <AR 2005-10-12/35, art. 12, 016; En vigueur : 01-12-2005>
  Le droit aux pauses d'allaitement est accordé moyennant la preuve de l'allaitement. La preuve de l'allaitement est, à partir du début de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement apportée, au choix de l'agent féminin, par une attestation d'un centre de consultation des nourrissons (O.N.E., Kind en Gezin ou Dienst für Kind und Familie) ou par un certificat médical.
  Une attestation ou un certificat médical doit ensuite être remis par l'agent féminin chaque mois à l'autorité dont elle relève, à la date anniversaire de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement.
  
HOOFDSTUK V. - Ouderschapsverlof.
CHAPITRE V. - Congé parental.
Art.34. [1 § 1. Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, [2 bij de geboorte of bij de adoptie van zijn kind]2, een ouderschapsverlof toegestaan dat kan genomen worden :
   - hetzij gedurende een periode van drie maanden als voltijds verlof; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in maanden;
   - hetzij gedurende een periode van zes maanden in het kader van een vermindering van de prestaties met de helft wanneer hij voltijds tewerkgesteld is; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van twee maanden of een veelvoud hiervan;
   - hetzij gedurende een periode van vijftien maanden in het kader van een vermindering van de prestaties met één vijfde wanneer hij voltijds tewerkgesteld is; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van vijf maanden of een veelvoud hiervan.
   De ambtenaar heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in het eerste lid. Bij een wijziging van opnamevorm moet rekening worden gehouden met het principe dat één maand voltijds verlof gelijk is aan twee maanden verminderde prestaties met de helft en gelijk is aan vijf maanden verminderde prestaties met één vijfde.
   De ambtenaar heeft recht op het ouderschapsverlof :
   - naar aanleiding van de geboorte van zijn kind tot het kind twaalf jaar wordt;
   - in het kader van de adoptie van een kind gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de ambtenaar zijn verblijfplaats heeft, tot het kind twaalf jaar wordt;
  [2 ...]2
   Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft, die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag [2 of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag]2, is er geen leeftijdsgrens.
   Aan de voorwaarde van de twaalfde verjaardag moet voldaan zijn uiterlijk gedurende de periode van het ouderschapsverlof.
   § 2. Het in dit artikel beoogde ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd; voor het overige wordt het gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit.]1

  
Art.34. [1 § 1er. L'agent en activité de service obtient, [2 lors de la naissance ou de l'adoption de son enfant ]2, un congé parental qui peut être pris :
   - soit sous la forme d'un congé à temps plein durant une période de trois mois; au choix de l'agent, cette période peut être fractionnée par mois;
   - soit, quand il est employé à temps plein, sous la forme d'une réduction des prestations de moitié durant une période de six mois; au choix de l'agent, cette période peut être fractionnée en périodes de deux mois ou un multiple de ce chiffre;
   - soit, quand il est employé à temps plein, sous la forme d'une réduction des prestations d'un cinquième durant une période de quinze mois; au choix de l'agent, cette période peut être fractionnée en périodes de cinq mois ou un multiple de ce chiffre.
   L'agent a la possibilité dans le cadre de l'exercice de son droit au congé parental de faire usage des différentes modalités prévues à l'alinéa 1er. Lors d'un changement de forme, il convient de tenir compte du principe qu'un mois de congé à temps plein est équivalent à deux mois de prestations réduites de moitié et à cinq mois de prestations réduites d'un cinquième.
   L'agent a droit au congé parental :
   - en raison de la naissance de son enfant, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire;
   - en raison de l'adoption d'un enfant, pendant une période qui court à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage, au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où l'agent a sa résidence, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire;
   [2 ...]2
   Lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont reconnus dans le pilier I de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales, [2 ou que 9 points au moins ont été reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales]2 il n'y a pas de limite d'âge.
   La condition du douzième [3 ...]3 anniversaire doit être satisfaite au plus tard pendant la période de congé parental.
   § 2. Le congé parental visé par le présent article n'est pas rémunéré; il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.]1

  
Art.35. <KB 1999-05-26/35, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999> § 1. ( [2 Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van zijn kind, een ouderschapsverlof toegestaan dat kan genomen worden :
   - hetzij gedurende een periode van vier maanden in het raam van de volledige onderbreking van de loopbaan bedoeld in artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in maanden;
   - hetzij gedurende een periode van acht maanden in het raam van de halftijdse onderbreking van de loopbaan bedoeld in artikel 102 van voornoemde wet wanneer hij voltijds is tewerkgesteld; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van twee maanden of een veelvoud hiervan;
   - hetzij gedurende een periode van twintig maanden in het raam van de onderbreking van de loopbaan met één vijfde zoals bedoeld in artikel 102 van voornoemde wet wanneer hij voltijds is tewerkgesteld; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van vijf maanden of een veelvoud hiervan.
  [5 - hetzij gedurende een periode van veertig maanden in het raam van de onderbreking van de loopbaan met één tiende zoals bedoeld in artikel 102 van voornoemde wet wanneer hij voltijds is tewerkgesteld; op vraag van de ambtenaar kan deze periode worden opgesplitst in periodes van tien maanden of een veelvoud hiervan.]5
   Het recht op een onderbrekingsuitkering in hoofde van ambtenaren die de vierde maand of een ander gelijkwaardig regime opnemen wordt slechts toegekend voor kinderen geboren of geadopteerd vanaf 8 maart 2012.]2

  De ambtenaar heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in het eerste lid. [5 Bij een wijziging van opnamevorm moet rekening worden gehouden met het principe dat één maand volledige loopbaanonderbreking gelijk is aan twee maanden halftijdse loopbaanonderbreking, gelijk is aan vijf maanden loopbaanonderbreking met één vijfde en gelijk is aan tien maanden loopbaanonderbreking met één tiende.]5) <KB 2006-12-18/38, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 17-02-2007>
  [3 De ambtenaar heeft recht op het ouderschapsverlof :
   - naar aanleiding van de geboorte van zijn kind tot het kind twaalf jaar wordt;
   - in het kader van de adoptie van een kind, gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de ambtenaar zijn verblijfplaats heeft, tot het kind twaalf jaar wordt.
   Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft, die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag [4 of dat ten minste 9 punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag]4, wordt de leeftijdsgrens vastgesteld op 21 jaar.
   Aan de voorwaarden van de twaalfde en de eenentwintigste verjaardag moet voldaan zijn uiterlijk gedurende de periode van het ouderschapsverlof.]3

  § 2. Een toelage van (508,92 EUR) per maand wordt toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de ambtenaar die zijn loopbaan volledig onderbreekt. <KB 2005-07-20/35, art. 1, 015 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 3>
  Een toelage van (254,46 EUR) per maand wordt toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de ambtenaar die zijn loopbaan halftijds onderbreekt. <KB 2005-07-20/35, art. 1, 015 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 3>
  (Een toelage van 86,32 EUR per maand wordt toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de ambtenaar die zijn loopbaan met een vijfde onderbreekt. Indien de ambtenaar uitsluitend samenwoont met één of meerdere kinderen die hij ten laste heeft, wordt dit bedrag van 86,32 EUR vervangen door 116,08 EUR.) <KB 2006-12-18/38, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 17-02-2007>
  [5 Een toelage van 43,16 euro per maand wordt toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de ambtenaar die zijn loopbaan met één tiende onderbreekt. Indien de ambtenaar uitsluitend samenwoont met één of meerdere kinderen die hij ten laste heeft, wordt dit bedrag van 43,16 euro vervangen door 58,04 euro.
   Als een ambtenaar, op grond van een koninklijk besluit genomen in uitvoering van artikel 105, § 1, vierde lid, 2°, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, met de overheid overeenkomt het recht op een onderbreking van de beroepsloopbaan in het kader van ouderschapsverlof of voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid te verdelen in weken, is het bedrag van de uitkering van de wekelijkse onderbreking gelijk aan het maandbedrag gedeeld door 26 en vermenigvuldigd met het aantal dagen van het verlof.]5

  § 3. Het in dit artikel beoogde ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd; voor het overige wordt het gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit.
  § 4. Onder voorbehoud van de bepalingen van dit artikel [5 en artikel 35/1]5 valt het ouderschapsverlof voor het overige onder de bepalingen van Hoofdstuk XIII van dit besluit.
  
Art.35. <AR 1999-05-26/35, art. 11, 002; En vigueur : 01-05-1999> § 1er. ( [2 L'agent en activité de service obtient, lors de la naissance ou de l'adoption de son enfant, un congé parental qui peut être pris pour :
   - soit interrompre complétement sa carrière professionnelle comme prévu à l'article 100 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales pendant une période de quatre mois; au choix de l'agent cette période peut être fractionnée par mois;
   - soit, quand il est employé à temps plein, interrompre partiellement sa carrière professionnelle sous la forme d'un mi-temps durant une période de huit mois comme prévu à l'article 102 de la loi susmentionnée; au choix de l'agent cette période peut être fractionnée en périodes de deux mois ou un multiple de ce chiffre;
   - soit, quand il est employé à temps plein, interrompre partiellement sa carrière professionnelle sous la forme d'une réduction d'un cinquième durant une période de vingt mois comme prévu à l'article 102 de la loi susmentionnée; au choix de l'agent cette période peut être fractionnée en périodes de cinq mois ou un multiple de ce chiffre.
  [5 - soit, quand il est employé à temps plein, interrompre partiellement sa carrière professionnelle sous la forme d'une réduction d'un dixième durant une période de quarante mois comme prévu à l'article 102 de la loi susmentionnée; au choix de l'agent cette période peut être fractionnée en périodes de dix mois ou un multiple de ce chiffre.]5
   Le droit a une allocation d'interruption en ce qui concerne les agents qui bénéficient d'un quatrième mois ou d'un autre régime équivalent n'est octroyé que pour les enfants nés ou adoptés à partir du 8 mars 2012.]2

  L'agent a la possibilité dans le cadre de l'exercice de son droit au congé parental de faire usage des différentes modalités prévues à l'alinéa 1er. [5 Lors d'un changement de forme, il convient de tenir compte du principe qu'un mois d'interruption complète de la carrière professionnelle est équivalent à deux mois d'interruption à mi-temps de la carrière professionnelle, à cinq mois d'interruption à raison d'un cinquième de la carrière professionnelle et à dix mois d'interruption à raison d'un dixième de la carrière professionnelle.]5) <AR 2006-12-18/38, art. 1, 018; En vigueur : 17-02-2007>
  [3 L'agent a droit au congé parental :
   - en raison de la naissance de son enfant, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire;
   - en raison de l'adoption d'un enfant, pendant une période qui court à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage, au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où l'agent a sa résidence, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire.
   Lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont reconnus dans le pilier I de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales [4 ou qu'au moins 9 points sont octroyés dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales]4, la limite d'âge est fixée à 21 ans.
   Les conditions du douzième et du vingt et unième anniversaire doivent être satisfaites au plus tard pendant la période de congé parental.]3

  § 2. Une allocation de (508,92 EUR) par mois est accordée par l'Office national de l'Emploi à l'agent qui interrompt complètement sa carrière. <AR 2005-07-20/35, art. 1, 015 ; En vigueur : 01-07-2005 ; voir également art. 3>
  Une allocation de (254,46 EUR) par mois est accordée par l'Office national de l'Emploi à l'agent qui interrompt sa carrière à mi-temps. <AR 2005-07-20/35, art. 1, 015 ; En vigueur : 01-07-2005>
  (Une allocation de 86,32 EUR par mois est accordée par l'Office national de l'Emploi à l'agent qui interrompt sa carrière à concurrence d'un cinquième. Pour l'agent qui habite seul avec un ou plusieurs enfants dont il a la charge, le montant de 86,32 EUR est remplacé par 116,08 EUR.) <AR 2006-12-18/38, art. 5, 018; En vigueur : 17-02-2007>
  [5 Une allocation de 43,16 euros par mois est accordée par l'Office national de l'Emploi à l'agent qui interrompt sa carrière à concurrence d'un dixième. Pour l'agent qui habite seul avec un ou plusieurs enfants dont il a la charge, le montant de 43,16 euros est remplacé par 58,04 euros.
   Lorsqu'un agent, en vertu d'un arrêté royal pris en exécution de l'article 105, § 1er, alinéa 4, 2°, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, convient avec l'autorité de diviser en semaines le droit à une interruption de la carrière professionnelle dans le cadre du congé parental ou pour l'assistance ou l'octroi de soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade, le montant de l'allocation d'interruption hebdomadaire est égal au montant mensuel divisé par 26 et multiplié par le nombre de jours de congé.]5

  § 3. Le congé parental visé par le présent article n'est pas rémunéré; il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
  § 4. Sous réserve des dispositions du présent article [5 et l'article 35/1]5, le congé parental est, pour le surplus, soumis aux dispositions du Chapitre XIII du présent arrêté.
  
Art. 35/1. [1 § 1. In afwijking van artikel 35, § 1, eerste lid, eerste gedachtestreep, kan de periode van vier maanden mits akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, geheel of gedeeltelijk worden opgesplitst in periodes van een week of een veelvoud hiervan. Bij een opsplitsing in weken moet rekening worden gehouden met het principe dat vier maanden onderbreking van de loopbaan gelijk is aan zestien weken onderbreking van de loopbaan.
   De ambtenaar heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in het eerste lid en in artikel 35, § 1, eerste lid. Onverminderd artikel 35, § 1, derde lid, moet bij een wijziging van opnamevorm na een gedeeltelijke opsplitsing in weken rekening worden gehouden met het principe dat vier weken onderbreking van de loopbaan gelijk is aan één maand onderbreking van de loopbaan.
   Wanneer ingevolge een gedeeltelijke opsplitsing in weken, het resterend gedeelte minder dan vier weken bedraagt, heeft de ambtenaar het recht om dit saldo zonder akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, op te nemen.
   § 2. In afwijking van artikel 35, § 1, eerste lid, tweede gedachtestreep, kan de periode van acht maanden mits akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, geheel of gedeeltelijk worden opgesplitst in periodes van een maand of een veelvoud hiervan.
   Wanneer ingevolge een gedeeltelijke opsplitsing in maanden, het resterend gedeelte een maand bedraagt, heeft de ambtenaar het recht om dit saldo zonder akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, op te nemen.
   § 3. De voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde kan de uitoefening van het in paragraaf 1, eerste lid, of paragraaf 2, eerste lid, van dit artikel of in artikel 35, § 1, eerste lid, vierde gedachtestreep, bedoelde recht weigeren.
   In dit geval dient de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, zijn [2 gemotiveerde]2 beslissing schriftelijk mee te delen aan de ambtenaar die de onderbreking van de loopbaan als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, of paragraaf 2, eerste lid, of de onderbreking van de loopbaan als bedoeld in artikel 35, paragraaf 1, eerste lid, vierde gedachtestreep, heeft aangevraagd, binnen een maand na de mededeling zoals gebeurd overeenkomstig artikel 8bis.]1

  [2 Het uitblijven van een beslissing wordt gelijkgesteld met een akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde.]2
  
Art. 35/1. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 35, § 1er, alinéa 1er, premier tiret, la période de quatre mois peut être fractionnée, moyennant l'accord du président du comité de direction, du secrétaire général ou de leur délégué, entièrement ou partiellement en périodes d'une semaine ou d'un multiple de ce chiffre. En cas de fractionnement en semaines, il convient de tenir compte du principe selon lequel quatre mois d'interruption de la carrière professionnelle équivalent à seize semaines d'interruption de la carrière professionnelle.
   Pour prendre son congé parental, l'agent a la possibilité de faire usage des différentes modalités mentionnées à l'alinéa 1er et à l'article 35, § 1er, alinéa 1er. Sans préjudice de l'article 35, § 1er, alinéa 3, lors d'un changement de forme après un fractionnement partiel en semaines, il convient de tenir compte du principe selon lequel quatre semaines d'interruption de la carrière professionnelle équivalent à un mois d'interruption de la carrière professionnelle.
   Lorsque, suite à un fractionnement partiel en semaines, la partie restante est inférieure à quatre semaines, l'agent a le droit de prendre ce solde sans l'accord du président du comité de direction, du secrétaire général ou de leur délégué.
   § 2. Par dérogation à l'article 35, § 1er, alinéa 1er, deuxième tiret, la période de huit mois peut être fractionnée, moyennant l'accord du président du comité de direction, du secrétaire général ou de leur délégué, entièrement ou partiellement en périodes d'un mois ou d'un multiple de ce chiffre.
   Lorsque, suite à un fractionnement partiel en mois, la partie restante est d'un mois, l'agent a le droit de prendre ce solde sans l'accord du président du comité de direction, du secrétaire général ou de leur délégué.
   § 3. Le président du comité de direction, le secrétaire général ou leur délégué peut refuser l'exercice du droit visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou au paragraphe 2, alinéa 1er, de cet article ou à l'article 35, § 1er, alinéa 1er, quatrième tiret.
   Dans ce cas, le président du comité de direction, le secrétaire général ou leur délégué, doit communiquer sa décision [2 motivée]2 par écrit à l'agent qui a demandé l'interruption de la carrière professionnelle visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou au paragraphe 2, alinéa 1er, ou l'interruption de la carrière professionnelle visée à l'article 35, § 1er, alinéa 1er, quatrième tiret, dans le mois qui suit la communication effectuée conformément à l'article 8bis.]1

  [2 L'absence de décision est assimilée à un accord du président du comité de direction, du secrétaire général ou leur délégué.]2
  
HOOFDSTUK VI. [1 Hoofdstuk VI.- Adoptieverlof, opvangverlof, pleegouderverlof en pleegzorgverlof ]1
CHAPITRE VI. [1 Congé d'adoption, congé d'accueil, congé parental d'accueil et congé pour soins d'accueil ]1
Art.36. [1 § 1.- Een adoptieverlof wordt toegestaan gedurende een periode van maximum zes weken. aan de ambtenaar die een minderjarig kind adopteert.
   Het adoptieverlof van zes weken per adoptieouder wordt als volgt opgetrokken voor de adoptieouder of voor beide adoptieouders samen:
   1° met twee weken vanaf 1 januari 2021;
   2° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
   3° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
   4° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
   In geval van twee adoptieouders worden deze bijkomende weken onderling tussen hen verdeeld.
   Het tweede lid is enkel van toepassing op aanvragen gebeurd overeenkomstig paragraaf 2 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het adoptieverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
   Het verlof kan worden gesplitst in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de zeven maanden na de opname van het kind in het gezin van de ambtenaar. In het kader van een interlandelijke adoptie kan de ambtenaar op zijn vraag ten hoogste vier weken van dit verlof opnemen vooraleer het kind effectief in het gezin wordt opgenomen om de daadwerkelijke opvang van kind in zijn gezin voor te bereiden.
   § 2.- De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. De mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
   De ambtenaar dient de volgende documenten voor te leggen:
   1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap, waarin de toewijzing van het kind aan de ambtenaar wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste vier weken te verkrijgen vooraleer het kind wordt opgenomen in het gezin;
   2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt om het resterend verlof te kunnen opnemen;
   3° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling van de bijkomende weken adoptieverlof tussen de twee adoptieouders of de toewijzing van deze weken aan de enige adoptieouder die van dit verlof gebruik maakt, vastlegt. Deze verklaring op eer is enkel nodig als het adoptiegezin bestaat uit twee adoptieouders.
   § 3.- De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
   De maximumduur van het adoptieverlof wordt met twee weken per adoptieouder verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.
   De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met [2 vier weken]2, wanneer de ambtenaar voor hetzelfde kind een omstandigheidsverlof in toepassing van artikel 15, eerste lid, 2°, of een geboorteverlof in toepassing van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten heeft genoten.
   De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof in toepassing van artikel 36bis dat de ambtenaar reeds heeft genoten voor hetzelfde kind ]1
.
  
Art.36. [1 § 1er.- Un congé d'adoption est accordé pendant une période de maximum six semaines à l'agent qui adopte un enfant mineur.
   Le congé d'adoption de six semaines par parent adoptif est allongé de la manière suivante pour le parent adoptif ou pour les deux parents adoptifs ensemble :
   1° de deux semaines à partir du 1er janvier 2021;
   2° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023;
   3° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025;
   4° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.
   S'il y a deux parents adoptifs, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines supplémentaires.
   L'alinéa 2 ne s'applique qu'aux demandes introduites conformément au paragraphe 2 à partir de l'entrée en vigueur de l'allongement concerné et pour autant que le congé d'adoption prenne cours au plus tôt à partir de la même date d'entrée en vigueur.
   Le congé peut être fractionné par semaine et doit être pris au plus tard dans les sept mois qui suivent l'accueil de l'enfant dans la famille de l'agent. Dans le cadre d'une adoption internationale, l'agent peut, à sa demande, prendre maximum quatre semaines de ce congé avant que l'enfant ne soit effectivement accueilli dans la famille afin de préparer l'accueil effectif de l'enfant dans sa famille.
   § 2.- L'agent qui souhaite bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé.
   L'agent doit présenter les documents suivants :
   1° une attestation, délivrée par l'autorité centrale communautaire compétente, qui confirme l'attribution de l'enfant à l'agent pour obtenir le congé de quatre semaines au plus avant que l'enfant ne soit accueilli dans la famille;
   2° une attestation qui confirme l'inscription de l'enfant au registre de la population ou au registre des étrangers pour pouvoir prendre le congé restant;
   3° une déclaration sur l'honneur attestant, selon le cas, de la répartition des semaines supplémentaires de congé d'adoption entre les deux parents adoptifs ou de l'attribution de ces semaines au seul parent adoptif qui utilise ce congé. Cette déclaration sur l'honneur n'est nécessaire que si la famille adoptive se compose de deux parents adoptifs.
   § 3.- La durée maximum du congé d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66% au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou d'au moins 9 points dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
   La durée maximale du congé d'adoption est allongé de deux semaines par parent adoptif en cas d'adoption simultanée de plusieurs enfants mineurs.
   La durée maximum du congé d'adoption est réduite de [2 quatre semaines]2, lorsque l'agent a obtenu pour le même enfant un congé de circonstances en application de l'article 15, alinéa 1er, 2°, ou un congé à l'occasion d'une naissance en application de l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
   La durée maximum du congé d'adoption est réduite du nombre de semaines de congé d'accueil en application de l'article 36bis, que l'agent a déjà obtenu pour le même enfant ]1
.
  
Art. 36bis. <INGEVOEGD bij KB 2005-10-12/35, art. 15; Inwerkingtreding : 01-12-2005> Een opvangverlof wordt toegestaan aan de ambtenaar die de pleegvoogdij opneemt van een kind beneden de tien jaar [1 ...]1.
  Het verlof bedraagt ten hoogste zes weken voor een kind beneden de 3 jaar en ten hoogste 4 weken in de andere gevallen. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan niet gesplitst worden.
  De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag [1 of dat ten minste 9 punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag]1.
  
Art. 36bis. Un congé d'accueil est accordé à l'agent qui assure la tutelle officieuse d'un enfant de moins de dix ans [1 ...]1.
  Le congé est de six semaines au plus pour un enfant de moins de 3 ans et de quatre semaines au plus dans les autres cas. Le congé débute le jour où l'enfant est accueilli dans la famille et ne peut pas être fractionné.
  La durée maximum du congé d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales [1 ou que 9 points au moins ont été reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales]1.
  
Art. 36ter. [1 § 1. Een pleegzorgverlof wordt toegestaan aan de ambtenaar die is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door een Gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, door de diensten van " l'Aide à la Jeunesse ", door het Comité Bijzondere Jeugdbijstand of door de " Jugendhilfedienst " voor de vervulling van de verplichtingen en opdrachten of om het hoofd te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van één of meerdere personen die in het kader van die pleegzorg aan hem zijn toevertrouwd.
   De duur van het verlof mag zes werkdagen per jaar niet overschrijden.
   § 2. Onder pleegouder moet worden verstaan de persoon die is aangesteld en vernoemd in een formele aanstellingsbeslissing uitgaande van één van de instellingen, opgesomd in § 1, eerste lid.
   Onder pleeggezin moet worden verstaan, het gezin van de persoon of van de personen die als pleegouder werd(en) aangesteld in de zin van het vorige lid.
   De plaatsing omvat alle vormen van plaatsing in het gezin waartoe kan worden besloten in het kader van een pleegzorgmaatregel, zowel de plaatsing van minderjarige personen, als de plaatsing van personen met een handicap.
   § 3. De soorten verplichtingen, opdrachten en situaties waarvoor het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen geldt, hebben betrekking op de volgende gebeurtenissen die specifiek verband houden met de pleegzorgsituatie en waarbij de tussenkomst van de ambtenaar vereist is, en dit voor zover dit niet kan plaatsvinden buiten de normale uren.
   a) alle soorten van zittingen bij de gerechtelijke en administratieve autoriteiten die bevoegd zijn voor het pleeggezin;
   b) contacten van de pleegouder of het pleeggezin met de ouders of met derden die belangrijk zijn voor het pleegkind en de pleeggast;
   c) contacten met de dienst voor pleegzorg.
   In andere dan de hiervoor vermelde situaties geldt het recht op verlof voor zover de bevoegde plaatsingsdienst een attest aflevert dat verduidelijkt waarom dergelijk verlof noodzakelijk is.
   § 4. De ambtenaar die gebruik maakt van het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen, is ertoe gehouden de overheid waaronder hij ressorteert hiervan ten minste twee weken op voorhand te verwittigen. Indien dit niet mogelijk is, moet hij de overheid waaronder hij ressorteert zo spoedig mogelijk verwittigen.
   Om het verlof te kunnen genieten, moet de ambtenaar het bewijs leveren dat hij pleegouder is aan de hand van de formele aanstellingsbeslissing uitgaande van één van de in § 1, eerste lid, bedoelde instellingen.
   Op verzoek van de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert, levert de ambtenaar aan de hand van de gepaste documenten of bij gebreke hieraan, door ieder ander bewijsmiddel, het bewijs van de gebeurtenissen die zijn afwezigheid op het werk rechtvaardigen.]1

  
Art. 36ter. [1 § 1er. Un congé pour soins d'accueil est accordé à l'agent qui a été désigné comme parent d'accueil par le tribunal, par un service de placement agréé par une Communauté, par les services de l'Aide à la Jeunesse, par " het Comité Bijzondere Jeugdbijstand " ou par le " Jugendhilfedienst " pour remplir les obligations et les missions ou pour faire face à des situations qui découlent du placement dans sa famille d'une ou de plusieurs personnes qui lui ont été confiées dans le cadre de ce placement.
   La durée du congé ne peut pas dépasser six jours ouvrables par an.
   § 2. Par parent d'accueil, il faut entendre la personne qui est désignée et nommée par une décision officielle émanant d'un des organismes visés au § 1er, alinéa 1er.
   Par famille d'accueil, il faut entendre la famille de la personne ou des personnes qui sont désignées comme parent(s) d'accueil au sens du précédent alinéa.
   Le placement comprend toutes les formes de placement dans la famille qui peuvent être décidées dans le cadre des mesures de placement, aussi bien le placement de mineurs d'âge, que le placement de personnes avec un handicap.
   § 3. Les types d'obligations, missions et situations pour lesquels le congé est prévu dans le but de dispenser des soins d'accueil, concernent les évènements suivants qui sont en rapport avec la situation de placement et dans lesquels l'intervention de l'agent est requise, et ce pour autant que cela ne puisse se faire en dehors des heures normales.
   a) tous types d'audience auprès des autorités judiciaires et administratives ayant compétence auprès de la famille d'accueil;
   b) les contacts du parent d'accueil ou de la famille d'accueil avec les parents ou des tiers qui sont importants pour l'enfant ou la personne placée;
   c) les contacts avec le service de placement.
   Dans les situations autres que celles mentionnées ci-dessus, le droit au congé ne s'applique que pour autant que le service de placement compétent délivre une attestation qui précise pourquoi un tel congé est indispensable.
   § 4. L'agent qui fait usage du congé dans le but de dispenser des soins d'accueil est tenu d'en informer l'autorité dont il relève au moins 2 semaines à l'avance. Dans le cas où il n'en a pas la possibilité, il doit avertir l'autorité dont il relève le plus vite possible.
   Pour pouvoir bénéficier du congé, l'agent doit prouver qu'il est parent d'accueil, au moyen d'une décision officielle émanant d'un des organismes visés au § 1er, alinéa 1er.
   A la demande de l'autorité dont relève l'agent, l'agent apporte la preuve de l'évènement qui légitime son absence au travail à l'aide des documents appropriés ou à défaut par tout autre moyen de preuve.]1

  
Art. 36quater. [1 § 1.- Onverminderd artikel 36ter, heeft de ambtenaar die is aangesteld als pleegouder door de rechtbank, door een door een gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, door de diensten van "l'Aide à la Jeunesse", door het Comité Bijzondere Jeugdbijstand of door de "Jugendhilfedienst" en die naar aanleiding een plaatsing in het kader van een langdurige pleegzorg een minderjarig kind in zijn gezin onthaalt, met het oog op de zorg voor dit kind, eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum zes weken.
   Indien de ambtenaar ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken pleegouderverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
   Het pleegouderverlof van zes weken per ouder wordt als volgt opgetrokken voor de pleegouder of voor beide pleegouders samen:
   1° met twee weken vanaf 1 januari 2021;
   2° met drie weken vanaf 1 januari 2023;
   3° met vier weken vanaf 1 januari 2025;
   4° met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
   Het derde lid is enkel van toepassing op aanvragen gebeurd overeenkomstig paragraaf 3 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het pleegouderverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
   Indien het pleeggezin bestaat uit twee personen, die beiden zijn aangesteld als pleegouder van het kind, worden de bijkomende weken bedoeld in het derde lid onderling tussen hen verdeeld.
   § 2.- Voor de toepassing van dit artikel wordt onder langdurige pleegzorg verstaan: pleegzorg waarvan bij aanvang duidelijk is dat het kind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin bij dezelfde pleegouder of dezelfde pleegouders zal verblijven.
   § 3.- Om het recht op pleegouderverlof te kunnen uitoefenen, moet dit verlof een aanvang nemen binnen twaalf maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de ambtenaar in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
   De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. De mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
   De ambtenaar dient, ten laatste bij de aanvang van het pleegouderverlof, de volgende documenten voor te leggen:
   1° de documenten ter staving van de gebeurtenis die het recht op pleegouderverlof doet ontstaan;
   2° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling van de bijkomende weken pleegouderverlof tussen de twee pleegouders of de toewijzing van deze weken aan de enige pleegouder die van dit verlof gebruik maakt, vastlegt. Deze verklaring op eer is enkel nodig als het pleeggezin bestaat uit twee pleegouders.
   § 4.- De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste 9 punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
   De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per pleegouder verlengd ingeval van gelijktijdig onthaal van meerdere minderjarige kinderen naar aanleiding van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg.
   De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof in toepassing van artikel 36bis dat de ambtenaar reeds heeft genoten voor hetzelfde kind. ]1

  
Art. 36quater. [1 § 1er.- Sans préjudice de l'article 36ter, l'agent qui est désigné comme parent d'accueil par le tribunal, par un service de placement agréé par une communauté compétente, par les services de l'Aide à la Jeunesse, par le " Comité Bijzondere Jeugdbijstand " ou par le " Jugendhilfedienst " et qui dans le cadre d'un placement familial de longue durée, accueille un enfant mineur dans sa famille, a droit une seule fois, pour prendre soin de cet enfant, à un congé parental d'accueil pendant une période ininterrompue de maximum six semaines.
   Dans le cas où l'agent choisit de ne pas prendre le nombre maximal de semaines prévues dans le cadre du congé parental d'accueil, le congé doit être au moins d'une semaine ou d'un multiple d'une semaine.
   Le congé parental d'accueil de six semaines par parent est allongé de la manière suivante pour le parent d'accueil ou pour les deux parents d'accueil ensemble :
   1° de deux semaines à partir du 1er janvier 2021;
   2° de trois semaines à partir du 1er janvier 2023;
   3° de quatre semaines à partir du 1er janvier 2025;
   4° de cinq semaines à partir du 1er janvier 2027.
   L'alinéa 3 ne s'applique qu'aux demandes introduites conformément au paragraphe 3 à partir de l'entrée en vigueur de l'allongement concerné et pour autant que le congé parental d'accueil prenne cours au plus tôt à partir de la même date d'entrée en vigueur.
   Si la famille d'accueil comprend deux personnes, qui sont désignées ensemble comme parent d'accueil de l'enfant, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines supplémentaires visées à l'alinéa 3.
   § 2.- Pour l'application de cet article, on entend par placement familial de longue durée : le placement à propos duquel il est clair dès le début que l'enfant séjournera au minimum six mois au sein de la même famille d'accueil auprès des mêmes parents d'accueil.
   3.- Pour pouvoir exercer le droit au congé parental d'accueil, ce congé doit prendre cours dans les douze mois qui suivent l'inscription de l'enfant comme faisant partie du ménage de l'agent dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence.
   L'agent qui souhaite bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. La communication se fait par écrit au minimum un mois avant le début du congé, sauf si l'autorité accepte un délai plus court à la demande de la personne intéressée.
   L'agent doit, au plus tard au début du congé parental d'accueil, présenter les documents suivants :
   1° les documents attestant l'évènement qui ouvre le droit au congé parental d'accueil;
   2° une déclaration sur l'honneur attestant, selon le cas, de la répartition des semaines supplémentaires de congé parental d'accueil entre les deux parents d'accueil ou de l'attribution de ces semaines au seul parent d'accueil qui utilise ce congé. Cette déclaration sur l'honneur n'est nécessaire que si la famille d'accueil se compose de deux parents d'accueil.
   § 4.- La durée maximale du congé parental d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou d'au moins 9 points dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
   La durée maximale du congé parental d'accueil est allongée de deux semaines par parent d'accueil en cas d'accueil simultané de plusieurs enfants mineurs dans le cadre d'un placement de longue durée.
   La durée maximum du congé parental d'accueil est réduite du nombre de semaines de congé d'accueil en application de l'article 36bis, que l'agent a déjà obtenu pour le même enfant. ]1

  
Art.37. [1 [2 Het adoptieverlof, het opvangverlof, het pleegzorgverlof en het pleegouderverlof worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit]2.
   Het opvangverlof wordt verminderd met het aantal werkdagen pleegzorgverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar voor hetzelfde kind in toepassing van artikel 36ter en in toepassing van artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   Het pleegzorgverlof in toepassing van artikel 36ter wordt verminderd met het aantal werkdagen opvangverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar.]1

  
Art.37. [1 [2 Le congé d'adoption, le congé d'accueil, le congé pour soins d'accueil et le congé parental d'accueil sont assimilés à une période d'activité de service]2.
   Le congé d'accueil est réduit du nombre de jours ouvrables de congé pour soins d'accueil qui ont déjà été pris au cours de la même année pour le même enfant en application de l'article 36ter et en application de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
   Le congé pour soins d'accueil en application de l'article 36ter est réduit du nombre de jours ouvrables de congé d'accueil qui ont déjà été pris au cours de la même année.]1

  
HOOFDSTUK VII. - Verlof om dwingende redenen van familiaal belang.
CHAPITRE VII. - Congé pour motifs impérieux d'ordre familial.
Art.38. [1 De ambtenaar heeft recht op een verlof om dwingende redenen van familiaal belang voor een periode van maximaal [2 twintig werkdagen]2 per jaar; het verlof wordt genomen per dag of per halve dag.
   De dwingende redenen van familiaal belang dienen erkend te worden door de dienst waaronder de ambtenaar ressorteert. Als dwingende redenen van familiaal belang worden van ambtswege erkend :
   1° de ziekenhuisopname van een persoon die met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont of van een bloed- of aanverwant in de eerste graad die niet met de ambtenaar onder hetzelfde dak woont;
   2° de opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen van de ambtenaar of van de echtgeno(o)t(e) van de ambtenaar die de leeftijd van 15 jaar niet hebben bereikt;
   3° de opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen van de ambtenaar of van de echtgeno(o)t(e) van de ambtenaar die de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag;
   4° de opvang tijdens de periodes van schoolvakantie van de kinderen van de ambtenaar of van de echtgeno(o)t(e) van de ambtenaar die onder het statuut van verlengde minderjarigheid werden geplaatst.]1

  
Art.38. [1 L'agent a droit à un congé pour motifs impérieux d'ordre familial pour une période maximum de [2 vingt jours ouvrables]2 par an; le congé est pris par jour ou par demi-jour.
   Les motifs impérieux d'ordre familial doivent être reconnus par le service dont l'agent relève. Toutefois, sont reconnus d'office les motifs impérieux d'ordre familial suivants :
   1° l'hospitalisation d'une personne habitant sous le même toit que l'agent ou d'un parent ou d'un allié au premier degré n'habitant pas sous le même toit que l'agent;
   2° l'accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, des enfants de l'agent ou du conjoint de l'agent qui n'ont pas atteint l'âge de 15 ans;
   3° l'accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, des enfants de l'agent ou du conjoint de l'agent qui n'ont pas atteint l'âge de 18 ans, lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales;
   4° l'accueil, pendant les périodes de vacances scolaires, des enfants de l'agent ou du conjoint de l'agent qui se trouvent sous le statut de la minorité prolongée.]1

  
Art.39. Het verlof om dwingende redenen van familiaal belang wordt niet vergoed. Het wordt voor het overige met periodes van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  (Om het verlof in toepassing van artikel 38 van dit besluit te genieten, kan de dienst de ambtenaar vragen het bewijs te leveren dat een dwingende reden van familiaal belang zich voordoet.) <KB 2005-10-12/35, art. 18, 016; Inwerkingtreding : 01-12-2005>
Art.39. Le congé pour motifs impérieux d'ordre familial n'est pas rémunéré. Pour le reste, il est assimilé à des périodes d'activité de service.
  (Pour bénéficier du congé en application de l'article 38 du présent arrêté, l'agent peut être tenu par son service de fournir la preuve de l'existence d'un motif impérieux d'ordre familial.) <AR 2005-10-12/35, art. 18, 016; En vigueur : 01-12-2005>
Art.40. De maximumduur van het verlof om dwingende redenen van familiaal belang wordt in evenredige mate verminderd overeenkomstig artikel 12, § 1 (...). <KB 2002-06-10/31, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  [1 Voorafgaand aan de vermindering bepaald in het eerste lid wordt de maximumduur van het verlof om dwingende redenen van familiaal belang voor het personeelslid in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst verminderd met de maximumduur van het verlof bedoeld in artikel 30bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Voor deze berekening wordt één werkdag verlof om dwingende redenen van familiaal belang gelijkgesteld met één dag verlof om dwingende reden in toepassing van artikel 30bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1
  
Art.40. La durée maximum du congé pour motifs impérieux d'ordre familial est réduite à due concurrence conformément à l'article 12, § 1er (...). <AR 2002-06-10/31, art. 8, 009; En vigueur : 01-07-2002>
  [1 Préalablement à la réduction visée à l'alinéa 1er, la durée maximum du congé pour motifs impérieux d'ordre familial est réduite, pour le membre du personnel engagé par contrat de travail, de la durée maximum du congé visé à l'article 30bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. Pour ce calcul, un jour ouvrable de congé pour motifs impérieux d'ordre familial est assimilé à un jour de congé pour raisons impérieuses en application de l'article 30bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.]1
  
HOOFDSTUK VIII. - Verlof wegens ziekte.
CHAPITRE VIII. - Congé de maladie.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art.41. Voor de ganse duur van zijn loopbaan kan de ambtenaar, die wegens ziekte verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, ziekteverlof krijgen tot maximum eenentwintig werkdagen per twaalf maanden dienstanciënniteit. Als hij nog geen 36 maanden in dienst is wordt zijn wedde hem niettemin gedurende 63 werkdagen gewaarborgd.
  Voor de ambtenaar die oorlogsinvalide is wordt het aantal in het eerste lid vastgestelde dagen respectievelijk op 32 en 95 gebracht.
  Het verlof wegens ziekte is met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Art.41. Pour l'ensemble de sa carrière, l'agent qui, par suite de maladie, est empêché d'exercer normalement ses fonctions, peut obtenir des congés de maladie à concurrence de vingt et un jours ouvrables par douze mois d'ancienneté de service. S'il n'est pas en service depuis 36 mois, son traitement lui est néanmoins garanti pendant 63 jours ouvrables.
  Pour l'agent invalide de guerre, le nombre de jours fixé à l'alinéa 1er est porté respectivement à 32 et à 95.
  Le congé de maladie est assimilé à une période d'activité de service.
Art. 41bis. <INGEVOEGD bij KB 2008-12-07/37, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Een ambtenaar die ziek wordt in de loop van de dag en van zijn dienstchef de toelating krijgt het werk te verlaten, om zich naar huis te begeven of medische zorgen te ontvangen, bekomt een dienstvrijstelling.
Art. 41bis. Un agent qui tombe malade au cours de la journée et qui obtient de son chef de service, l'autorisation de quitter le travail afin de rentrer chez lui ou de recevoir des soins médicaux, obtient une dispense de service.
Art.42. § 1. De eenentwintig en tweeëndertig dagen waarvan sprake in artikel 41 worden verminderd in evenredigheid met de tijdens de beschouwde periode van twaalf maanden niet verrichte prestaties, wanneer de ambtenaar in de loop van die periode :
  1° een of meer verloven heeft verkregen die [1 in artikel 12, § 1, 1° tot 5°, 8° en 9°]1, opgesomd zijn;
  2° afwezig is geweest wegens ziekte, het verlof bedoeld in (artikel 46 en 47) uitgezonderd; <KB 2007-01-17/37, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 01-12-1998>
  3° op non-activiteit is geplaatst met toepassing van artikel 4.
  § 2. Indien het aldus berekende aantal dagen ziekteverlof geen geheel getal vormt, wordt het afgerond naar de onmiddellijk hogere eenheid.
  § 3. Enkel de werkdagen begrepen in de periode van afwezigheid wegens ziekte worden aangerekend.
  
Art.42. § 1er. Les vingt et un et trente-deux jours visés à l'article 41 sont réduits au prorata des prestations non effectuées pendant la période de douze mois considérée, lorsqu'au cours de ladite période l'agent :
  1° a obtenu un ou des congés énumérés [1 à l'article 12, § 1er, 1° à 5°, 8° et 9°]1;
  2° a été absent pour maladie, à l'exclusion des congés visés (aux articles 46 et 47); <AR 2007-01-17/37, art. 7, 019; En vigueur : 01-12-1998>
  3° a été placé en non-activité en application de l'article 4.
  § 2. Si le nombre de jours de congé de maladie ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.
  § 3. Seuls les jours ouvrables compris dans la période d'absence pour maladie sont comptabilisés.
  
Art.43. § 1. Het verlof wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking zoals bedoeld in Hoofdstuk XIII, [1 noch aan de verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, zoals bedoeld in hoofdstuk XIV, noch aan de vierdagenweek met premie en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar, zoals bedoeld in de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector, noch aan de vierdagenweek zonder premie, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 20 september 2012 houdende diverse bepalingen betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector,]1, noch aan de stelsels van de halftijdse vervroegde uittreding en van de vierdagenweek bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector.
  De ambtenaar blijft de voor zijn verminderde prestaties verschuldigde wedde ontvangen.
  § 2. Wanneer de ambtenaar deeltijdse prestaties verricht, worden de afwezigheden wegens ziekte aangerekend op het aantal dagen verlof waarop hij krachtens artikel 41 recht heeft, naar rata van de te verrichten prestaties.
  Als het totale aantal aldus verrekende dagen per twaalf maanden dienstanciënniteit geen geheel aantal is wordt de dagbreuk verwaarloosd.
  Voor de ambtenaar die deeltijdse prestaties verricht, worden als dagen ziekteverlof de dagen afwezigheid aangerekend tijdens welke de ambtenaar prestaties diende te verrichten.
  
Art.43. § 1er. Le congé de maladie ne met pas fin aux régimes d'interruption de la carrière professionnelle visés au chapitre XIII, [1 ni aux prestations réduites pour convenance personnelle, visées au chapitre XIV, ni à la semaine de quatre jours avec prime, ni au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans visés dans la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public, ni à la semaine de quatre jours sans prime visée dans l'arrêté royal du 20 septembre 2012 portant des dispositions diverses concernant la semaine de quatre jours et le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public,]1, ni aux régimes du départ anticipé à mi-temps et de la semaine volontaire de quatre jours visés à la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public.
  L'agent continue à percevoir le traitement dû en raison des prestations réduites.
  § 2. Lorsque l'agent effectue des prestations à temps partiel, les absences pour cause de maladie sont imputées sur le nombre de jours de congé auxquels il a droit en vertu de l'article 41, au prorata des prestations qu'il aurait dû accomplir.
  Si le nombre total des jours ainsi comptabilisés par douze mois d'ancienneté de service n'est pas un nombre entier, la fraction de jour est négligée.
  Pour l'agent qui effectue des prestations à temps partiel, sont à comptabiliser comme congé de maladie les jours d'absence pendant lesquels l'agent aurait dû fournir des prestations.
  
Art.44. Het verlof wegens ziekte wordt tijdelijk onderbroken tijdens het verlof om dwingende redenen van familiaal belang. De dagen verlof om dwingende redenen die samenvallen met een ziekteverlof worden niet als ziekteverlofdagen beschouwd.
Art.44. Le conge de maladie est temporairement interrompu pendant le congé pour motifs impérieux d'ordre familial. Les jours de congé pour motifs impérieux qui coïncident avec le congé de maladie ne sont pas considérés comme des jours de congé de maladie.
Art.45. Voor de toepassing van artikel 41 worden de werkelijke prestaties in aanmerking genomen die de ambtenaar in welke hoedanigheid ook en zonder vrijwillige onderbreking verricht heeft, als titularis van ambten met volledige prestaties in een andere overheidsdienst of een door de Staat of een Gemeenschap opgerichte, erkende of gesubsidieerde onderwijsinrichting, (...) of medisch pedagogisch instituut. <KB 2002-01-28/33, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 13-02-2002>
  (Wanneer de ambtenaar of de stagiaire deeltijdse prestaties verricht heeft worden die in aanmerking genomen naar verhouding tot de werkelijk geleverde prestaties.) <KB 2002-01-28/33, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 13-02-2002>
Art.45. Pour l'application de l'article 41, sont également pris en considération, l'ensemble des services effectifs que l'agent a accomplis, à quelque titre que ce soit et sans interruption volontaire, comme titulaire de fonctions comportant des prestations complètes, en faisant partie d'un autre service public ou d'un établissement d'enseignement créé, reconnu ou subventionné par l'Etat ou une Communauté, (...) ou un Institut médico-pédagogique. <AR 2002-01-28/33, art. 9, 008; En vigueur : 13-02-2002>
  (Lorsque l'agent ou le stagiaire a accompli des prestations à temps partiel, celles-ci sont prises en considération au prorata des prestations réellement fournies.) <AR 2002-01-28/33, art. 9, 008; En vigueur : 13-02-2002>
Art.46. § 1. (Onder voorbehoud van artikel 48 en in afwijking van artikel 41, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van :
  1° een arbeidsongeval;
  2° een ongeval op de weg van en naar het werk;
  3° een beroepsziekte.
  Bovendien en behalve voor de toepassing van artikel 48 komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, zelfs na de datum van consolidering, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen welke de ambtenaar nog kan krijgen bij toepassing van artikel 41.) <KB 2002-06-10/31, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  § 2. De ambtenaren die door een beroepsziekte bedreigd worden en die, onder de door Ons vastgestelde voorwaarden, daardoor tijdelijk ophouden hun ambt uit te oefenen, worden ambtshalve in verlof gesteld voor de nodige periode. Het verlof wordt gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit.
Art.46. § 1er. (Sous réserve de l'article 48 et par dérogation à l'article 41, le congé de maladie est accordé sans limite de temps, lorsqu'il est provoqué par :
  1° un accident de travail;
  2° un accident survenu sur le chemin du travail;
  3° une maladie professionnelle.
  En outre et sauf pour l'application de l'article 48, les jours de congé accordés suite à un accident du travail, à un accident survenu sur le chemin du travail ou à une maladie professionnelle, même après la date de consolidation, ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 41.) <AR 2002-06-10/31, art. 9, 009; En vigueur : 01-07-2002>
  § 2. Les agents menacés par une maladie professionnelle et qui, selon des modalités fixées par Nous, sont amenés à cesser temporairement d'exercer leurs fonctions, sont mis d'office en congé pour la durée nécessaire. Le congé est assimilé à une période d'activité de service.
Art.47. De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een ongeval veroorzaakt door de fout van een derde dat geen ongeval is als bedoeld in artikel 46, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen dat de ambtenaar nog krachtens artikel 41 kan krijgen ten belope van het percentage aansprakelijkheid dat aan de derde is toegewezen en dat als grondslag dient voor de wettelijke indeplaatsstelling van de Staat.
  (De verlofdagen wegens ziekte ingevolge een arbeidsongeval dat of een beroepsziekte die de ambtenaar overkomen is bij een vorige werkgever, worden niet in aanmerking genomen om het aantal verlofdagen te bepalen dat de ambtenaar nog krachtens artikel 41 kan krijgen, voor zover dat de ambtenaar vergoedingen blijft genieten voor de ganse periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 22 van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, in artikel 34 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970 of in iedere equivalente norm.) <KB 2007-01-17/37, art. 8, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.47. Les jours de congé de maladie accordés à la suite d'un accident causé par la faute d'un tiers et autre qu'un accident visé à l'article 46 ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 41, à concurrence du pourcentage de responsabilité imputé au tiers et qui sert de fondement à la subrogation légale de l'Etat.
  (Les jours de congé de maladie accordés à la suite d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle dont l'agent a été victime chez un précédent employeur, ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 41, pour autant que l'agent continue à bénéficier, pendant toute la période d'incapacité temporaire de travail, des indemnités visées à l'article 22 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents de travail, à l'article 34 des lois relatives à la réparation des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970 ou par toute norme équivalente.) <AR 2007-01-17/37, art. 8, 019; En vigueur : 01-01-2007>
Art.48. In afwijking van (artikel 112, § 3, 4°) van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, kan de ambtenaar niet voorgoed ongeschikt worden verklaard wegens ziekte of gebrekkigheid alvorens hij de gezamenlijke verloven heeft uitgedaan waarop artikel 41 van dit besluit hem recht geeft. <KB 2007-01-17/37, art. 9, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Het eerste lid is niet toepasselijk op de ambtenaar die, nadat hij een opdracht heeft vervuld bij een buitenlandse regering, een buitenlands openbaar bestuur, of een internationale instelling, uit dien hoofde in rust werd gesteld wegens invaliditeit en een pensioen ontvangt.
Art.48. Par dérogation à (l'article 112, § 3, 4°), de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, l'agent ne peut être déclaré définitivement inapte pour maladie avant qu'il n'ait épuisé la somme de congés à laquelle lui donne droit l'article 41 du présent arrêté. <AR 2007-01-17/37, art. 9, 019; En vigueur : 01-01-2007>
  L'alinéa 1er n'est pas applicable à l'agent qui, après avoir accompli une mission auprès d'un Gouvernement étranger, d'une Administration publique étrangère ou d'un organisme international, a été, à ce titre, mis à la retraite pour cause d'invalidité et bénéficie d'une pension.
Art. 48bis. [1 Elke ambtenaar krijgt jaarlijks het overzicht van het saldo van de verloven waarop artikel 41 van dit besluit hem recht geeft.
   Indien de ambtenaar niet akkoord gaat met dit saldo, kan hij bij de directeur stafdienst Personeel en Organisatie binnen de 50 werkdagen een gemotiveerd bezwaar indienen. Deze laatste neemt een beslissing binnen de 50 werkdagen. Wanneer deze termijn verstreken is, wordt het bezwaar aanvaard.]1

  
Art. 48bis. [1 Chaque agent reçoit annuellement l'aperçu du solde des congés auxquels lui donne droit l'article 41 du présent arrêté.
   Si l'agent n'est pas d'accord avec ce solde, il peut adresser dans les 50 jours ouvrables une objection motivée au directeur du service d'encadrement Personnel et Organisation. Ce dernier prend une décision dans les 50 jours ouvrables. Passé ce délai, l'objection est acceptée.]1

  
Art. 48ter. [1 De voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde brengt de betrokken ambtenaar op de hoogte van de beslissing tot aanvraag van een onderzoek in het kader van de vroegtijdige oppensioenstelling wegens gezondheidsredenen bij het Bestuur van de medische expertise.]1
  
Art. 48ter. [1 Le président du comité de direction, le secrétaire général ou leur délégué informe l'agent intéressé de la décision de demander un examen dans le cadre de la mise à la pension prématurée pour raisons de santé auprès de l'Administration de l'expertise médicale.]1
  
Art. 48quater. [1 Indien het Bestuur van de medische expertise de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde meedeelt dat een ambtenaar een onderzoek in het kader van de vroegtijdige oppensioenstelling wegens gezondheidsredenen heeft belemmerd of geweigerd, dan nodigt de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde de ambtenaar uit om de redenen hiervan mee te delen binnen de veertien dagen.
   Indien de ambtenaar geen gevolg geeft aan deze vraag om toelichting te geven of geen geldige reden kan aantonen, wordt hij in non-activiteit gezet vanaf de dag waarop hij het onderzoek heeft belemmerd of geweigerd tot de dag van herneming van het werk.]1

  
Art. 48quater. [1 Si l'Administration de l'expertise médicale informe le président du comité de direction, le secrétaire général ou leur délégué qu'un agent a empêché ou refusé un examendans le cadre de la mise à la pension prématurée pour raisons de santé, le président du comité de direction, le secrétaire général ou leur délégué invite l'agent à en communiquer les raisons dans les quatorze jours.
   Si l'agent ne donne pas suite à cette demande d'explications ou ne peut fournir de motif valable, il est placé en non-activité à partir du jour où il a empêché ou refusé l'examen jusqu'au jour de sa reprise de travail.]1

  
Art.49. <KB 2007-01-17/37, art. 10, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De ten gevolge van ziekte of ongeval afwezige ambtenaar staat onder het geneeskundig toezicht van het in het derde lid bedoelde bestuur, overeenkomstig de artikelen 62 tot 64.
  Onverminderd de op het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeelslid van toepassing zijnde bepalingen, staat het personeelslid dat afwezig is ten gevolge van ziekte of ongeval onder het geneeskundig toezicht van het in het derde lid bedoelde bestuur.
  Het Bestuur van de medische expertise wordt aangewezen om de controle uit te voeren op de afwezigheden ten gevolge van ziekte of ongeval.
Art.49. <AR 2007-01-17/37, art. 10, 019; En vigueur : 01-01-2007> L'agent absent pour maladie ou accident est sous le contrôle médical de l'administration visée à l'alinéa 3, conformément aux articles 62 à 64.
  Sans préjudice des dispositions applicables au membre du personnel engagé dans les liens d'un contrat de travail, le membre du personnel absent pour maladie ou accident se trouve sous le contrôle médical de l'administration visée à l'alinéa 3.
  L'Administration de l'expertise médicale est désignée pour contrôler les absences par suite de maladie ou d'accident.
Afdeling 2. - [1 Verminderde prestaties wegens medische redenen.]1
Section 2. - [1 Prestations réduites pour raisons médicales.]1
Art.50. [1 De ambtenaar kan vragen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens medische redenen uit te oefenen :
   1° om zich opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen;
   2° wanneer hij wegens een langdurige medische ongeschiktheid, verhinderd is voltijds te werken na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen;
  [2 3° wanneer hij als persoon met een handicap, verhinderd is voltijds te werken als gevolg van zijn handicap; onder "persoon met een handicap" wordt verstaan de persoon bedoeld onder artikel 1 [3 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties]3.]2
   De beoordeling van de medische toestand van de ambtenaar en de toekenning van de verminderde prestaties wegens medische redenen gebeurt door een arts van het Bestuur van de medische expertise.]1

  [2 In afwijking van het eerste lid, 1°, kan de ambtenaar eveneens vragen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens medische redenen uit te oefenen wanneer hij na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen het werk minder dan tien werkdagen heeft hervat.]2
  
Art.50. [1 L'agent peut demander d'exercer sa fonction dans le cadre de prestations réduites pour raisons médicales :
   1° en vue de se réadapter au rythme de travail normal, après une absence ininterrompue pour maladie d'au moins trente jours;
   2° lorsque, suite à une inaptitude médicale de longue durée, il est empêché de travailler à temps plein après une absence ininterrompue pour maladie d'au moins trente jours;
  [2 3° lorsque, en tant que personne handicapée, il est empêché de travailler à temps plein en conséquence de son handicap ; par " personne handicapée ", on entend la personne visée à l'article 1 [3 de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant l'inclusion des personnes handicapées et des aménagements raisonnables lors de sélections]3.]2
   L'appréciation de la situation médicale de l'agent et l'octroi des prestations réduites pour raisons médicales sont assurés par un médecin de l'Administration de l'expertise médicale.]1

  [2 Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, l'agent peut également demander d'exercer sa fonction dans le cadre de prestations réduites pour raisons médicales lorsqu'il a repris le travail pour moins de dix jours ouvrables après une absence ininterrompue pour maladie de minimum trente jours.]2
  
Art.51. [1 § 1. [2 De ambtenaar bedoeld in artikel 50, eerste lid, 1°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 40%, 50%, 60% of 80% van zijn normale prestaties voor een periode van maximum vier maanden.
   De verminderde prestaties mogen worden toegestaan voor een periode van één maand, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise uitdrukkelijk beslist om meerdere aansluitende maanden toe te staan. Verlengingen mogen worden toegestaan indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit wettigt en op voorwaarde dat de maximumduur van vier maanden nog niet wordt overschreden. De bepalingen van artikel 53 zijn van toepassing.]2

   § 2. De ambtenaar, [2 bedoeld in artikel 50, eerste lid, 2°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50%, 60% of 80% van de normale prestaties voor een periode van maximum vierentwintig maanden]2, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise oordeelt dat het nieuw onderzoek vroeger moet plaatsvinden.
   Verlengingen mogen worden toegestaan voor [2 ten hoogste vierentwintig maanden]2, indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit wettigt. De bepalingen van artikel 53 zijn van toepassing.
  [2 § 2bis.- De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, eerste lid, 3°, kan zijn ambt opnemen ten belope van 50%, 60% of 80% van de normale prestaties voor een periode van maximum vierentwintig maanden, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise oordeelt dat het nieuw onderzoek vroeger moet plaatsvinden.
   Verlengingen mogen worden toegestaan voor ten hoogste vierentwintig maanden, indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar dit wettigt. De bepalingen van artikel 53 zijn van toepassing.]2

   § 3. [2 Bij elk onderzoek oordeelt de arts van het Bestuur van de medische expertise of de ambtenaar geschikt is om een bepaald arbeidspercentage van de normale prestaties zoals bedoeld in artikel 51 te leveren.]2
   Tijdens een lopende periode van verminderde prestaties wegens medische redenen kan de ambtenaar, [2 bedoeld in § 2 en § 2bis]2, een nieuw medisch onderzoek aanvragen bij het Bestuur van de medische expertise met het oog op het aanpassen van zijn arbeidsstelsel.
   § 4. De verminderde prestaties bedoeld in § 1 worden elke dag verricht, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise er uitdrukkelijk anders over beslist.
   De verminderde prestaties [2 bedoeld in § 2 en § 2bis]2 worden verricht volgens een verdeling van de prestaties over de week, conform het advies van de arts van het Bestuur van de medische expertise.]1

  
Art.51. [1 § 1er. [2 L'agent visé à l'article 50, alinéa 1er, 1°, peut reprendre sa fonction à concurrence de 40 %, 50 %, 60 % ou 80 % de ses prestations normales pour une période de maximum quatre mois.
   Les prestations réduites peuvent être accordées pour une période d'un mois sauf si le médecin de l'Administration de l'expertise médicale décide explicitement d'accorder plusieurs mois consécutifs. Les prolongations peuvent être accordées si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé de l'agent le justifie et à condition que la durée maximale de quatre mois ne soit pas encore dépassée. Les dispositions de l'article 53 sont d'application.]2

   § 2. L'agent [2 visé à l'article 50, alinéa 1er, 2°, peut reprendre sa fonction à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % des prestations normales pour une période de maximum vingt-quatre mois]2, à moins que le médecin de l'Administration de l'expertise médicale estime que le nouvel examen doit avoir lieu plus tôt.
   Des prolongations peuvent être accordées pour [2 tout au plus vingt-quatre mois]2, si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé de l'agent le justifie. Les dispositions de l'article 53 sont d'application.
  [2 L'agent visé à l'article 50, alinéa 1er, 3°, peut reprendre sa fonction à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % des prestations normales pour une période de maximum vingt-quatre mois sauf si le médecin de l'Administration de l'expertise médicale estime que le nouvel examen doit avoir lieu plus tôt.
   Les prolongations peuvent être accordées tout au plus pour vingt-quatre mois si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé de l'agent le justifie. Les dispositions de l'article 53 sont d'application.]2

   § 3. [2 A chaque examen, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale juge si l'agent est apte à prester un pourcentage de travail déterminé des prestations normales tel que visé à l'article 51.]2
   Au cours d'une période de prestations réduites pour raisons médicales, l'agent [2 visé au § 2 et § 2bis]2 peut demander un nouvel examen médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale en vue d'adapter son régime de travail.
   § 4. Les prestations réduites visées au § 1er sont effectuées tous les jours, à moins que le médecin de l'Administration de l'expertise médicale en décide autrement.
   Les prestations réduites [2 visées au § 2 et au § 2bis]2 sont effectuées selon une répartition des prestations sur la semaine, conformément à l'avis du médecin de l'Administration de l'expertise médicale.]1

  
Art.52. [1 § 1. De afwezigheden van een ambtenaar tijdens deze periode van verminderde prestaties wegens medische redenen worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
   § 2. [4 De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, eerste lid, 1°, 2° en 3° geniet zijn volledige wedde voor de eerste vier maanden van de verminderde prestaties wegens medische redenen.]4
   [4 De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, eerste lid, 2° en 3° geniet vanaf de vijfde maand]4 de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties, vermeerderd met 60 % van de wedde die verschuldigd zou zijn voor de prestaties die niet worden verstrekt.
   § 3. [2 De verminderde prestaties wegens medische redenen, bedoeld in [4 artikel 50, eerste lid, 2° en 3°]4]2 worden opgeschort door :
   1°de loopbaanonderbreking;
   2° de halftijdse vervroegde uittreding;
   3° de vrijwillige vierdagenweek;
   4° de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden;
   5° de afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden;
   6° de verloven in het kader van de moederschapsbescherming;
   7° het ouderschapsverlof.
  [3 8° de vierdagenweek met en zonder premie;
   9° het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar.]3

   De machtiging om verminderde prestaties wegens medische redenen te verrichten, wordt tijdelijk onderbroken tijdens een afwezigheid wegens ziekte, arbeidsongeval, een ongeval op de weg en naar het werk en een beroepsziekte.]1

  
Art.52. [1 § 1. Les absences d'un agent pendant cette période de prestations réduites pour raisons médicales sont assimilées à une période d'activité de service.
   § 2. [4 L'agent visé à l'article 50, alinéa 1er, 1°, 2° et 3° bénéficie de son traitement complet pour les quatre premiers mois des prestations réduites pour raisons médicales.]4
   [4 L'agent visé à l'article 50, alinéa 1er, 2° et 3° bénéficie à partir du cinquième mois]4 du traitement dû pour les prestations réduites, augmenté de 60 % du traitement qui aurait été dû pour les prestations non fournies.
   § 3. [2 Les prestations réduites pour raisons médicales, visées à l'[4 article 50, alinéa 1er, 2° et 3°]4]2 sont suspendues par :
   1° l'interruption de la carrière de la carrière professionnelle;
   2° le départ anticipé à mi-temps;
   3° la semaine volontaire de quatre jours;
   4° les prestations réduites pour convenance personnelle;
   5° l'absence de longue durée pour raisons personnelles;
   6° les congés dans le cadre de la protection de la maternité;
   7° le congé parental.
  [3 8° la semaine de quatre jours avec et sans prime;
   9° le travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans.]3

   L'autorisation d'effectuer des prestations réduites pour raisons médicales est temporairement interrompue lors d'une absence pour maladie, pour un accident du travail, pour un accident survenu sur le chemin du travail et pour une maladie professionnelle.]1

  
Art.53. [1 § 1. De ambtenaar die verminderde prestaties wegens medische redenen wenst te genieten, dient het advies verkregen te hebben van de arts van het Bestuur van de medische expertise ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de verminderde prestaties.
  [2 De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, eerste lid, 1°, dient een voorstel tot planning van de verminderde prestaties wegens medische redenen voor te leggen van zijn behandelend arts. In het voorstel vermeldt de behandelend arts de vermoedelijke datum van de volledige werkhervatting en de progressiviteit van de verminderde prestaties. Bij ontstentenis van het progressief karakter van de verminderde prestaties vermeldt de behandelend arts de medische reden hiervan.
   De ambtenaar, bedoeld in artikel 50, eerste lid, 2° en 3°, dient een recent omstandig geneeskundig verslag voor te leggen van een arts-specialist. In dit verslag vermeldt de arts-specialist de vermoedelijke aanvangsdatum van de verminderde prestaties en het voorgestelde arbeidspercentage, alsook de medische redenen die dit arbeidspercentage verantwoorden.]2

   § 2. De arts van het Bestuur van de medische expertise spreekt zich uit over de medische geschiktheid van de ambtenaar om zijn ambt [2 ten belope van een arbeidspercentage bedoeld in artikel 51]2 van de normale prestaties weer op te nemen. Deze overhandigt zo spoedig mogelijk, eventueel na de behandelend arts bedoeld in artikel 53, § 1, te hebben geraadpleegd, zijn bevindingen schriftelijk aan de ambtenaar.
   § 3. Na de overhandiging van de bevindingen door de arts van het Bestuur van de medische expertise in het kader van een aanvraag voor verminderde prestaties wegens medische redenen bedoeld in [2 artikel 50, eerste lid, 1°, 2° en 3°]2, kan de ambtenaar, in onderling akkoord met het Bestuur van de medische expertise, een arts-scheidsrechter aanwijzen binnen de twee werkdagen na de overhandiging met het oog op het beslechten van het medische geschil. Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan de ambtenaar met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
   De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Elke andere vaststelling blijft onder het beroepsgeheim.
   De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de ambtenaar, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
   De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de arts van het Bestuur van de medische expertise op de hoogte van zijn beslissing. Het Bestuur van de medische expertise en de ambtenaar worden onmiddellijk bij een ter post aangetekende brief verwittigd door de arts-scheidsrechter.]1

  
Art.53. [1 § 1er. L'agent qui désire bénéficier de prestations réduites pour raisons médicales doit avoir obtenu l'avis du médecin de l'administration de l'expertise médicale au moins cinq jours ouvrables avant le début des prestations réduites.
  [2 L'agent, visé à l'article 50, alinéa 1er, 1°, doit produire une proposition de planning de prestations réduites pour raisons médicales établie par son médecin traitant. Dans la proposition, le médecin traitant mentionne la date probable de reprise intégrale du travail, ainsi que la progressivité des prestations réduites. A défaut du caractère progressif des prestations réduites, le médecin traitant en indique la raison médicale.
   L'agent, visé à l'article 50, alinéa 1er, 2° et 3°, doit présenter un rapport médical détaillé récent établi par un médecin spécialiste. Dans ce rapport, le médecin spécialiste mentionne la date probable du début des prestations réduites et le pourcentage de travail proposé, ainsi que les raisons médicales justifiant ce pourcentage de travail.]2

   § 2. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale se prononce sur l'aptitude médicale de l'agent à reprendre ses fonctions [2 à concurrence d'un pourcentage de travail visé à l'article 51]2 des prestations normales. Celui-ci remet aussi rapidement que possible, le cas échéant, après avoir consulté le médecin traitant visé à l'article 53, § 1er, ses constatations écrites à l'agent.
   § 3. Après la remise des constatations par le médecin de l'Administration de l'expertise médicale dans le cadre d'une demande de prestations réduites pour raisons médicales visées à l'[2 article 50, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°]2, l'agent peut désigner un médecin-arbitre, de commun accord avec l'Administration de l'expertise médicale, dans les deux jours ouvrables qui suivent la remise des constatations en vue de régler le litige médical. Si aucun accord ne peut être conclu dans les deux jours ouvrables, l'agent peut désigner, en vue de régler le litige médical, un médecin-arbitre qui satisfait aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle et figure sur la liste fixée en exécution de la loi précitée.
   Le médecin-arbitre effectue l'examen médical et statue sur le litige médical dans les trois jours ouvrables qui suivent sa désignation. Toute autre constatation demeure couverte par le secret professionnel.
   Les frais de cette procédure, ainsi que les éventuels frais de déplacement de l'agent, sont à charge de la partie qui succombe.
   Le médecin-arbitre porte sa décision à la connaissance de celui qui a délivré le certificat médical et du médecin de l'Administration de l'expertise médicale. L'Administration de l'expertise médicale et l'agent en sont immédiatement avertis par lettre recommandée à la poste par le médecin-arbitre.]1

  
Art.54. [1 Indien het Bestuur van de medische expertise van oordeel is dat een ambtenaar geschikt is om zijn ambt terug op te nemen [2 ten belope van een arbeidspercentage, bedoeld in artikel 51]2 van zijn normale prestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de secretaris-generaal of de voorzitter van het directiecomité onder wie de ambtenaar ressorteert.
   De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal nodigt de ambtenaar uit het werk te hervatten.
   Indien de ambtenaar geen gevolg geeft aan deze vraag om het werk te hervatten, wordt hij in non-activiteit geplaatst. ]1

  
Art.54. [1 Si l'Administration de l'expertise médicale estime qu'un agent absent pour cause de maladie est apte à reprendre léxercice de ses fonctions [2 à concurrence d'un pourcentage de travail visé à l'article 51]2 des prestations normales, il en informe le secrétaire général ou le président du comité de direction dont relève l'agent.
   Le président du comité de direction ou le secrétaire général invite l'agent à reprendre le travail.
   Si l'agent ne donne pas suite à cette demande de reprendre le travail, il est placé en non-activité.]1

  
HOOFDSTUK IX. - Disponibiliteit wegens ziekte.
CHAPITRE IX. - Disponibilité pour maladie. 2007-01-17/37, art. 16, 019; ED / 01-01-2007&gt;&nbsp;&nbsp;Art. 55. La mise en disponibilité des agents pour maladie est prononcée par le président du comité de direction, le secrétaire général ou par le chef d'administration auquel il a délégué ce pouvoir.&nbsp;&nbsp;Art. 56. § 1er. Sans préjudice de l'article 46, l'agent qui est absent pour maladie après avoir atteint le nombre de jours de congé accordés en vertu de l'article 41 se trouve de plein droit en disponibilité pour maladie.&nbsp;&nbsp;§ 2. L'agent garde ses titres à la promotion et à l'avancement dans son échelle de traitement.&nbsp;&nbsp;§ 3. Les articles 47 et 62 à 64 sont applicables à l'agent en disponibilité pour maladie.&nbsp;&nbsp;Art. 57. L'agent en disponibilité pour maladie reçoit un traitement d'attente égal à 60 % de son dernier traitement d'activité.&nbsp;&nbsp;Toutefois, le montant de ce traitement d'attente ne peut en aucun cas être inférieur :&nbsp;&nbsp;1° aux indemnités que l'intéressé obtiendrait dans la même situation si le régime de la sécurité sociale lui avait été applicable dès le début de son absence;&nbsp;&nbsp;2° à la pension qu'il obtiendrait si, à la date de sa mise en disponibilité, il avait été admis à la retraite anticipée pour cause d'inaptitude physique.&nbsp;&nbsp;Le traitement d'attente est établi sur base du dernier traitement d'activité, revu, s'il y échet, en application de l'article 9 de l'arrêté royal du 29 juin 1973 portant statut pécuniaire du personnel des services publics fédéraux.&nbsp;&nbsp;En cas de cumul de fonctions, le traitement d'attente n'est accordé qu'en raison de la fonction principale.&nbsp;&nbsp;Art. 58. Par dérogation à l'article 57, l'agent en disponibilité pour maladie reçoit un traitement d'attente mensuel égal au montant de son dernier traitement d'activité si la maladie dont il souffre est reconnue par l'Administration de l'expertise médicale comme une maladie grave et de longue durée. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale détermine la date d'ouverture du droit.&nbsp;&nbsp;Art. 59. La disponibilité pour maladie ne met pas fin aux régimes de l'interruption de la carrière professionnelle visés au chapitre XIII, ni [1 aux prestations réduites pour convenance personnelle, à la semaine de quatre jours avec et sans prime, au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans]1 visé au chapitre XIV, ni aux régimes du départ anticipé à mi-temps et de la semaine volontaire de quatre jours visés à la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public.&nbsp;&nbsp;Pour l'application de l'article 58, le dernier traitement d'activité est celui qui était dû en raison du régime de prestations qui était celui appliqué au moment où l'agent s'est trouvé en disponibilité.&nbsp;&nbsp;
Art.55. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De disponibiliteit wegens ziekte wordt uitgesproken door de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal of door het hoofd van het bestuur aan wie hij deze bevoegdheid heeft toegekend.
Art. 55. <AR 2007-01-17/37, art. 16, 019; En vigueur : 01-01-2007> La mise en disponibilité des agents pour maladie est prononcée par le président du comité de direction, le secrétaire général ou par le chef d'administration auquel il a délégué ce pouvoir.
Art.56. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Onverminderd artikel 46 is de ambtenaar die wegens ziekte afwezig is na het maximum aantal verlofdagen hem toegekend bij artikel 41, van rechtswege in disponibiliteit wegens ziekte.
  § 2. Hij behoudt zijn recht op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal.
  § 3. De artikelen 47 en 62 tot 64 zijn van toepassing op de ambtenaar in disponibiliteit wegens ziekte.
Art. 56. <AR 2007-01-17/37, art. 16, 019; En vigueur : 01-01-2007> § 1er. Sans préjudice de l'article 46, l'agent qui est absent pour maladie après avoir atteint le nombre de jours de congé accordés en vertu de l'article 41 se trouve de plein droit en disponibilité pour maladie.
  § 2. L'agent garde ses titres à la promotion et à l'avancement dans son échelle de traitement.
  § 3. Les articles 47 et 62 à 64 sont applicables à l'agent en disponibilité pour maladie.
Art.57. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is, ontvangt een wachtgeld dat gelijk is aan 60 % van zijn laatste activiteitswedde.
  Het bedrag van dit wachtgeld mag echter in geen geval lager liggen dan :
  1° de vergoedingen die de betrokkene in dezelfde toestand zou ontvangen indien de socialezekerheidsregeling op hem toepasselijk was geweest sinds het begin van zijn afwezigheid;
  2° het pensioen dat hij zou verkregen hebben indien hij, op de datum van zijn indisponibiliteitstelling, tot de vervroegde oppensioenstelling wegens lichamelijke ongeschiktheid was toegelaten.
  Het wachtgeld wordt vastgesteld op grondslag van de laatste activiteitswedde, in voorkomend geval herzien bij toepassing van artikel 9 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der federale overheidsdiensten.
  In geval van cumulatie van betrekkingen wordt het wachtgeld slechts toegekend op grond van het hoofdambt.
Art. 57. <AR 2007-01-17/37, art. 16, 019; En vigueur : 01-01-2007> L'agent en disponibilité pour maladie reçoit un traitement d'attente égal à 60 % de son dernier traitement d'activité.
  Toutefois, le montant de ce traitement d'attente ne peut en aucun cas être inférieur :
  1° aux indemnités que l'intéressé obtiendrait dans la même situation si le régime de la sécurité sociale lui avait été applicable dès le début de son absence;
  2° à la pension qu'il obtiendrait si, à la date de sa mise en disponibilité, il avait été admis à la retraite anticipée pour cause d'inaptitude physique.
  Le traitement d'attente est établi sur base du dernier traitement d'activité, revu, s'il y échet, en application de l'article 9 de l'arrêté royal du 29 juin 1973 portant statut pécuniaire du personnel des services publics fédéraux.
  En cas de cumul de fonctions, le traitement d'attente n'est accordé qu'en raison de la fonction principale.
Art.58. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> In afwijking van artikel 57, ontvangt de ambtenaar die in disponibiliteit wegens ziekte is een maandelijks wachtgeld dat gelijk is aan het bedrag van zijn laatste activiteitswedde indien de ziekte waaraan hij lijdt door het Bestuur van de medische expertise als een ernstige en langdurige ziekte wordt erkend. De arts van het Bestuur van de medische expertise bepaalt de aanvangsdatum van het recht.
Art. 58. <AR 2007-01-17/37, art. 16, 019; En vigueur : 01-01-2007> Par dérogation à l'article 57, l'agent en disponibilité pour maladie reçoit un traitement d'attente mensuel égal au montant de son dernier traitement d'activité si la maladie dont il souffre est reconnue par l'Administration de l'expertise médicale comme une maladie grave et de longue durée. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale détermine la date d'ouverture du droit.
Art.59. <KB 2007-01-17/37, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De disponibiliteit wegens ziekte maakt geen einde aan de stelsels van loopbaanonderbreking bedoeld in hoofdstuk XIII, noch aan [1 verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, vierdagenweek met en zonder premie, halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar]1 bedoeld in hoofdstuk XIV, noch aan de stelsels van halftijdse vervroegde uittreding en van vrijwillige vierdagenweek zoals bedoeld in de wet van 10 april 1995 betreffende de arbeidsherverdeling in de openbare sector.
  Voor de toepassing van artikel 58, is de laatste activiteitswedde deze, welke verschuldigd was overeenkomstig het prestatiestelsel op het ogenblik waarop de ambtenaar zich in disponibiliteit bevond.
  
Art. 59. <AR 2007-01-17/37, art. 16, 019; En vigueur : 01-01-2007> La disponibilité pour maladie ne met pas fin aux régimes de l'interruption de la carrière professionnelle visés au chapitre XIII, ni [1 aux prestations réduites pour convenance personnelle, à la semaine de quatre jours avec et sans prime, au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans]1 visé au chapitre XIV, ni aux régimes du départ anticipé à mi-temps et de la semaine volontaire de quatre jours visés à la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public.
  Pour l'application de l'article 58, le dernier traitement d'activité est celui qui était dû en raison du régime de prestations qui était celui appliqué au moment où l'agent s'est trouvé en disponibilité.
  
Art.60. [1 De voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal beslist, volgens de behoeften van de dienst, of de betrekking waarvan de ambtenaar in disponibiliteit titularis was, als vacant moet worden beschouwd.
   Hij kan die beslissing nemen zodra de disponibiliteit van de ambtenaar één jaar bereikt.]1

  
Art. 60. [1 Le président du comité de direction ou le secrétaire général décide, selon les nécessités du service, si l'emploi dont était titulaire l'agent en disponibilité, doit être considéré comme vacant.
   Il peut prendre cette décision dès que la disponibilité de l'agent atteint un an.]1

  
HOOFDSTUK IXbis. - Controle op de afwezigheden tengevolge van ziekte of ongeval.
CHAPITRE IXbis. - Contrôle des absences par suite de maladie ou d'accident.
Art.61. Opgeheven art. 16 van 17 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de controle van afwezigheden wegens ziekte van de personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. De ambtenaar, die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, is verplicht de overheid waaronder hij ressorteert, hiervan onmiddellijk op de hoogte te brengen volgens de modaliteiten bepaald door de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal.
  Voor een afwezigheid wegens ziekte of ongeval die langer duurt dan één dag, dient de ambtenaar zo snel mogelijk een geneeskundig getuigschrift in te dienen bij het Bestuur van de medische expertise. Het geneeskundig getuigschrift maakt melding van de ziekte, de waarschijnlijke duur ervan, de verblijfplaats van de ambtenaar en of de ambtenaar zich met het oog op de controle al dan niet naar een andere plaats mag begeven.
  (In afwijking van de bepalingen van het tweede lid, dient de ambtenaar onmiddellijk een geneeskundig getuigschrift in bij het Bestuur van de medische expertise wanneer de afwezigheid die het gevolg is van ziekte of ongeval maar één dag bedraagt en wanneer de ambtenaar tijdens het lopende kalenderjaar reeds [1 drie maal]1 afwezig is geweest als gevolg van ziekte of ongeval met een duur van één dag zonder een geneeskundig getuigschrift.) <KB 2008-12-07/37, art. 5, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Indien de ambtenaar het nalaat van een geneeskundig getuigschrift in te dienen bij het Bestuur van de medische expertise overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, dan bevindt hij zich van rechtswege in non-activiteit.
  
Art. 61. Abrogé art. 16 van 17 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de controle van afwezigheden wegens ziekte van de personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. L'agent, qui, par suite de maladie ou accident, est empêché d'exercer normalement sa fonction, est tenu d'informer l'autorité dont il relève immédiatement selon des modalités fixées par le président du comité de direction ou le secrétaire général.
  Pour une absence pour maladie ou accident d'une durée supérieure à un jour, l'agent doit introduire le plus rapidement possible un certificat médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale. Le certificat médical mentionne la maladie, la durée probable de celle-ci, la résidence de l'agent et si l'agent peut se déplacer ou non en vue d'un contrôle.
  (Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 2, l'agent introduit immédiatement un certificat médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale lorsque l'absence par suite de maladie ou d'accident ne comporte qu'un seul jour et qu'[1 à trois reprises]1 au cours de l'année civile en cours, l'agent a déjà été absent par suite de maladie ou d'accident pour une durée d'un seul jour sans un certificat médical.) <AR 2008-12-07/37, art. 5, 023; En vigueur : 01-01-2007>
  Si l'agent omet d'introduire un certificat médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale conformément aux dispositions du présent article, il se trouve de plein droit en non-activité.
  
Art.62. Opgeheven art. 16 van 17 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de controle van afwezigheden wegens ziekte van de personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. § 1. De ambtenaar is verplicht de arts aangeduid door het Bestuur van de medische expertise, die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde, hierna de controlearts, te ontvangen of in te gaan op de oproep om zich aan te melden bij de controlearts. De ambtenaar kan het medisch onderzoek niet weigeren.
  De controle van de ambtenaar kan gebeuren op vraag van de overheid waaronder de ambtenaar ressorteert of op initiatief van het Bestuur van de medische expertise.
  De controle van de ambtenaar kan gebeuren vanaf de eerste dag van de afwezigheid en tijdens de volledige periode van de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval.
  (Het medisch onderzoek vindt plaats in de woon- of verblijfplaats van de ambtenaar. Wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, oordeelt dat de gezondheidstoestand van de ambtenaar hem toelaat zich naar een andere plaats te begeven, dan kan de ambtenaar ook worden opgeroepen door het Bestuur van de medische expertise om zich voor een onderzoek aan te melden bij de controlearts. Wanneer de controlearts de ambtenaar niet aantreft op de aangegeven woon- of verblijfplaats, dan laat hij een bericht achter. Behoudens wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift aan de ambtenaar heeft afgeleverd, oordeelt dat zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat zich naar een andere plaats te begeven, moet de ambtenaar zich op het vermelde uur aanmelden bij de controlearts.
  Wanneer de ambtenaar zich niet naar een andere plaats mag begeven, maar op het ogenblik van de controle afwezig was, wegens redenen van overmacht, brengt hij de controlearts onmiddellijk hiervan op de hoogte, zodat een nieuwe controle kan plaatshebben.) <KB 2008-12-07/37, art. 6, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
  De ambtenaar die het medisch onderzoek weigert of die het de controlearts onmogelijk maakt om het medisch onderzoek uit te voeren wordt van rechtswege in non-activiteit geplaatst.
  § 2. De controlearts gaat na of de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval gerechtvaardigd is en kan daarbij hoogstens constateren dat :
  1° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is,
  2° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is voor een kortere periode dan vermeld werd in het geneeskundig getuigschrift;
  3° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch ongerechtvaardigd is.
  De controlearts oefent zijn opdracht uit overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde.
  De controlearts overhandigt onmiddellijk, eventueel na raadpleging van diegene die het in artikel 61 bedoelde geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, zijn bevindingen schriftelijk aan de ambtenaar. Indien de ambtenaar op dat ogenblik kenbaar maakt dat hij niet akkoord gaat met de bevindingen van de controlearts, wordt dit door deze laatste vermeld op voornoemd geschrift.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 2° en 3° gaat de werkhervatting in respectievelijk op de door de controlearts vastgestelde datum of, onverminderd artikel 63, op de eerste dag volgend op het onderzoek.
  Wanneer de ambtenaar één dag afwezig is ten gevolge van ziekte of ongeval en geen arts heeft geraadpleegd, en de controlearts oordeelt na medisch onderzoek dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval niet gerechtvaardigd is, dan bevindt de ambtenaar zich van rechtswege in non-activiteit.
  Niettemin kan de ambtenaar opteren voor het gebruik van één dag jaarlijks vakantieverlof met akkoord van de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal of diens afgevaardigde voor een afwezigheid van één dag waarvoor de ambtenaar geen arts geraadpleegd heeft wanneer de controlearts geoordeeld heeft dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval ongerechtvaardigd is.
Art. 62. Abrogé art. 16 van 17 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de controle van afwezigheden wegens ziekte van de personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. § 1er. L'agent est tenu de recevoir le médecin désigné par l'Administration de l'expertise médicale satisfaisant aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle, dénommé ci-après médecin-contrôleur, ou de répondre à la convocation lui demandant de se présenter auprès de ce médecin-contrôleur. L'agent ne peut pas refuser l'examen médical.
  Le contrôle de l'agent peut se faire à la demande de l'autorité dont relève l'agent ou à l'initiative de l'Administration de l'expertise médicale.
  Le contrôle de l'agent peut se faire à partir du premier jour d'absence et pendant la totalité de la période d'absence par suite de maladie ou d'accident.
  (L'examen médical a lieu au domicile ou au lieu de résidence de l'agent. Lorsque le médecin qui a délivré le certificat médical estime que l'état de santé de l'agent lui permet de se déplacer, ce dernier peut être aussi convoqué par l'Administration de l'expertise médicale à se présenter chez le médecin-contrôleur pour un examen médical. Lorsque le médecin-contrôleur ne trouve pas l'agent au domicile ou au lieu de résidence indiqué, il laisse un message. Sauf dans le cas où le médecin qui a délivré le certificat médical à l'agent estime que l'état de santé de ce dernier ne lui permet pas de se déplacer, l'agent doit se rendre chez le médecin-contrôleur à l'heure indiquée.
  Lorsque l'agent ne peut pas se déplacer, mais était absent lors du contrôle pour cas de force majeure, il en informe immédiatement le médecin-contrôleur, afin qu'un nouveau contrôle puisse avoir lieu.) <AR 2008-12-07/37, art. 6, 023; En vigueur : 01-01-2009>
  L'agent qui refuse ou rend impossible l'exécution de l'examen médical par le médecin-contrôleur est placé de plein droit en non-activité.
  § 2. Le médecin-contrôleur vérifie si l'absence par suite de maladie ou d'accident est justifiée et peut constater tout au plus à cet égard que :
  1° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement justifiée,
  2° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement justifiée pour une période plus courte que celle mentionnée sur le certificat médical;
  3° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement injustifiée.
  Le médecin-contrôleur exerce sa mission conformément aux dispositions de l'article 3 de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle.
  Le médecin-contrôleur remet immédiatement, éventuellement après consultation de celui qui délivre le certificat médical visé à l'article 61, ses constatations écrites à l'agent. Si l'agent ne peut à ce moment marquer son accord avec les constatations du médecin-contrôleur, ceci sera acté par ce dernier sur l'écrit précité.
  Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 2° et 3° la reprise du travail prend respectivement cours à la date fixée par le médecin-contrôleur ou, sans préjudice de l'article 63, le premier jour suivant celui de l'examen.
  Lorsque l'agent est absent par suite de maladie ou d'accident, un jour et qu'il ne s'est pas fait examiner par un médecin et que le médecin-contrôleur estime après examen médical que l'absence par suite de maladie ou d'accident n'est pas justifiée, l'agent se trouve de plein droit en non-activité.
  L'agent peut toutefois choisir l'utilisation d'un jour de congé annuel de vacances avec l'accord du président du comité de direction ou du secrétaire général ou de son délégué pour une absence d'un jour pour laquelle l'agent ne s'est pas fait examiné par un médecin lorsque le médecin-contrôleur a estimé que l'absence par suite de maladie ou d'accident n'est pas justifiée.
Art.63. Opgeheven art. 16 van 17 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de controle van afwezigheden wegens ziekte van de personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. Binnen twee werkdagen na de overhandiging van de bevindingen door de controlearts, kan de meest belanghebbende partij met het oog op het beslechten van het medische geschil en in onderling akkoord een arts-scheidsrechter aanwijzen. Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan de meest belanghebbende partij met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
  Het Bestuur van de medische expertise kan de controlearts en de ambtenaar kan diegene die hem het geneeskundig getuigschrift overhandigd heeft, uitdrukkelijk machtiging geven om de arts-scheidsrechter aan te wijzen.
  De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Alle andere vaststellingen blijven onder het beroepsgeheim.
  Indien de arts-scheidsrechter een negatieve beslissing neemt, wordt, de periode tussen de datum van werkhervatting bepaald door de controlearts en de datum van de beslissing van de arts-scheidsrechter, omgezet in non-activiteit.
  De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de ambtenaar, vallen ten laste van de verliezende partij.
  De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de controlearts op de hoogte van zijn beslissing. Het Bestuur van de medische expertise en de ambtenaar worden schriftelijk bij een ter post aangetekende brief verwittigd.
Art. 63. Abrogé art. 16 van 17 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de controle van afwezigheden wegens ziekte van de personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. Dans les deux jours ouvrables qui suivent la remise des constatations par le médecin de l'Administration de l'expertise médicale, la partie la plus intéressée peut désigner, en vue de régler le litige médical et de commun accord, un médecin-arbitre. Si aucun accord ne peut être conclu dans les deux jours ouvrables, la partie la plus intéressée peut designer, en vue de régler le litige médical, un médecin-arbitre qui satisfait aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle et figure sur la liste fixée en exécution de la loi précitée.
  L'Administration de l'expertise médicale peut donner au médecin-contrôleur et l'agent peut donner à celui qui a rédigé le certificat médical, un mandat exprès pour la désignation du médecin-arbitre.
  Le médecin-arbitre effectue l'examen médical et statue sur le litige médical dans les trois jours ouvrables qui suivent sa désignation. Toutes autres constatations demeurent couvertes par le secret professionnel.
  Si le médecin-arbitre prend une décision négative, la période entre la date de reprise du travail fixée par le médecin-contrôleur et la date de la décision du médecin-arbitre, est convertie en non-activité.
  Les frais de cette procédure, ainsi que les éventuels frais de déplacement de l'agent, sont à charge de la partie perdante.
  Le médecin-arbitre porte sa décision à la connaissance de celui qui a délivré le certificat médical et du médecin-contrôleur. L'Administration de l'expertise médicale et l'agent sont avertis par écrit, par lettre recommandée à la poste.
Art.64. Opgeheven art. 16 van 17 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de controle van afwezigheden wegens ziekte van de personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. Wanneer een ambtenaar tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval in het buitenland wil verblijven, dient hij hiervoor voorafgaand de toestemming te krijgen van het Bestuur van de medische expertise. [1 De ambtenaar dient een gemotiveerde aanbeveling van zijn behandelend arts voor te leggen waaruit blijkt dat het verblijf in het buitenland de genezing en/of de behandeling niet in gevaar brengt. De arts vermeldt eveneens de begin- en einddatum van de aangevraagde verblijfperiode in het buitenland.]1
  
Art. 64. Abrogé art. 16 van 17 JANUARI 2007. - Koninklijk besluit houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de controle van afwezigheden wegens ziekte van de personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. Lorsqu'un agent veut séjourner à l'étranger pendant une absence par suite de maladie ou accident, il doit recevoir à cet effet, l'autorisation préalable de l'Administration de l'expertise médicale. [1 L'agent doit soumettre une recommandation motivée de son médecin traitant qui démontre que le séjour à l'étranger ne met pas en danger la guérison et/ou le traitement. Le médecin mentionne également les dates de début et de fin de la période de séjour à l'étranger demandée.]1
  
Afdeling 3. - Disponibiliteit wegens ziekte.
Section 3. - Disponibilité pour maladie.
Art.65. [1 Tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval heeft een ambtenaar de mogelijkheid met het oog op zijn werkhervatting om deel te nemen aan opleidingsactiviteiten en aan activiteiten in het kader van terug-naar-werkbegeleiding.]1
  
Art. 65. [1 Pendant une absence par suite de maladie ou accident, un agent a la possibilité, en vue de sa reprise du travail, de participer à des activités de formation et à des activités dans le cadre de l'accompagnement retour au travail.]1
  
HOOFDSTUK IXter [1 - Controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte]1
CHAPITRE IXter. [1 - Contrôle des absences par suite d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail et d'une maladie professionnelle]1
Art. 68bis. [1 Het Bestuur van de medische expertise wordt belast met de controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte.
   De controle gebeurt volgens de modaliteiten bepaald in artikel 62, § 1 en § 2, eerste tot derde lid.
   Het artikel 64 is van toepassing.]1

  
Art. 68bis. [1 L'Administration de l'expertise médicale est chargée du contrôle des absences par suite d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail et d'une maladie professionnelle.
   Le contrôle s'effectue selon les modalités fixées à l'article 62, § 1er et § 2, alinéas 1er à 3.
   L'article 64 est d'application.]1

  
HOOFDSTUK IXquater. [1 - Het re-integratietraject van een ambtenaar bij ziekte of ongeval.]1
CHAPITRE IXquater. [1 - Le trajet de réintégration d'un agent en cas de maladie ou d'accident.]1
Art. 68ter. [1 Deze afdeling beoogt de re-integratie te bevorderen van de ambtenaar die afwezig is wegens ziekte en ongeval met uitsluiting van de afwezigheden als gevolg van een arbeidsongeval, een ongeval van en naar het werk en een beroepsziekte.
   Voor de toepassing van hoofdstuk VI van titel 4 van boek I van de Codex over het welzijn op het werk wordt de rol van de arts van het Bestuur van de medische expertise zoals bepaald in dit hoofdstuk gelijkgesteld met de rol van de adviserend arts.]1

  
Art. 68ter. [1 La présente section vise à promouvoir la réintégration de l'agent qui est absent pour cause de maladie et d'accident, à l'exclusion des absences à la suite d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail et d'une maladie professionnelle.
   Pour l'application du chapitre VI du titre 4 du livre 1er du code du bien-être au travail, le rôle du médecin de l'Administration de l'expertise médicale visé dans ce chapitre est assimilé au rôle du médecin-conseil.]1

  
Art. 68quater. [1 § 1.- Ten laatste tien weken na de aanvang van de afwezigheidsperiode wegens ziekte of ongeval maakt de arts van het Bestuur van de medische expertise, op basis van het medisch dossier van de ambtenaar, een eerste inschatting van diens restcapaciteit op.
   § 2.- De arts van het Bestuur van de medische expertise plaatst de ambtenaar op basis van de inschatting in één van de volgende vier categorieën:
   1° categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de ambtenaar uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van de afwezigheid wegens ziekte spontaan zijn functie opnieuw kan uitoefenen;
   2° categorie 2: een werkhervatting lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
   3° categorie 3: een werkhervatting is voorlopig niet aan de orde, omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
   4° categorie 4: een werkhervatting lijkt mogelijk te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk.
   § 3.- De arts van het Bestuur van de medische expertise gaat niet tot de in de paragraaf 1 bedoelde inschatting over als de ambtenaar de preventieadviseur-arbeidsarts al verzocht heeft om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van titel 4 van boek I van de Codex over het welzijn op het werk, op te starten.]1

  
Art. 68quater. [1 § 1er.- Au plus tard dix semaines après le début de la période d'absence pour cause de maladie ou d'accident, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale effectue, sur la base du dossier médical de l'agent, une première estimation des capacités restantes de l'agent.
   § 2.- Sur la base de l'estimation, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale classe l'agent dans une des quatre catégories suivantes :
   1° catégorie 1 : il peut être présumé raisonnablement qu'au plus tard à la fin du sixième mois de l'absence pour maladie, l'agent pourra spontanément exercer à nouveau sa fonction ;
   2° catégorie 2 : une reprise du travail ne semble pas possible pour des raisons médicales ;
   3° catégorie 3 : une reprise du travail n'est momentanément pas d'actualité parce que la priorité doit être accordée au diagnostic médical ou au traitement médical ;
   4° catégorie 4 : une reprise du travail semble possible par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail.
   § 3.- Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne procède pas à l'estimation visée au paragraphe 1er si l'agent a déjà demandé au conseiller en prévention-médecin du travail de démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du titre 4 du livre 1er du code du bien-être au travail.]1

  
Art. 68quinquies. [1 § 1.- In de volgende gevallen en mits de toestemming van de ambtenaar verwijst de arts van het Bestuur van de medische expertise de ambtenaar door naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op het onderzoek om een re-integratietraject op te kunnen starten zoals bedoeld in hoofdstuk VI van titel 4 van boek I van de Codex over het welzijn op het werk:
   1° de ambtenaar is, op het moment van de in artikel 68quater bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 1. De ambtenaar is nog altijd afwezig wegens ziekte of ongeval na zes maanden en de arts van het Bestuur van de medische expertise maakt, op basis van het medisch dossier van de ambtenaar, een nieuwe inschatting dat een werkhervatting mogelijk lijkt te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk;
   2° de ambtenaar is, op het moment van de in artikel 68quater, bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 3. De arts van het Bestuur van de medische expertise herbekijkt om de twee maanden de situatie van de ambtenaar. Bij dergelijke herevaluatie is gebleken dat voor de ambtenaar een werkhervatting mogelijk lijkt te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk;
   3° de ambtenaar wordt overeenkomstig artikel 68quater, in categorie 4 geplaatst.
   De arts van het Bestuur van de medische expertise consulteert de preventieadviseur-arbeidsarts zes maanden na doorverwijzing om de status te kennen. Indien een re-integratietraject werd opgestart, zal de arts van het Bestuur van de medische expertise om de drie maanden de preventieadviseur-arbeidsarts consulteren teneinde de actuele status te kennen. Indien op dat moment nog geen re-integratietraject werd opgestart, zal de arts van het Bestuur van de medische expertise de situatie op basis van het dossier herevalueren en beslissen welke mogelijke stappen aangewezen zijn.
   § 2.- Zodra de arts van het Bestuur van de medische expertise een kopie krijgt van het re-integratieplan overeenkomstig artikel I.4-74. van de Codex over het welzijn op het werk, gaat hij na of het uitvoeren van het re-integratieplan een einde maakt aan de arbeidsongeschiktheid.
   Indien dit re-integratieplan verminderde prestaties wegens medische redenen inhoudt zoals bepaald in artikel 50, is de ambtenaar er niet toe gehouden om de toelating van de arts van het Bestuur van de medische expertise aan te vragen, maar gaat laatstgenoemde zelf na of het re-integratieplan overeenstemt met de voorwaarden voor de verminderde prestaties wegens medische redenen. In voorkomend geval beschrijft de arts van het Bestuur van de medische expertise de modaliteiten van zijn toelating.
   De arts van het Bestuur van de medische expertise deelt zo spoedig mogelijk zijn bevindingen met betrekking tot de verminderde prestaties wegens medische redenen aan de preventieadviseur-arbeidsarts mee.
   Als de arts van het Bestuur van de medische expertise geen reactie geeft binnen de drie weken na ontvangst van de kopie van het re-integratieplan, wordt er verondersteld dat de beslissing van de arts van het Bestuur van de medische expertise in verband met de verminderde prestaties wegens medische redenen positief is.
   § 3.- In afwijking van paragraaf 1, verwijst de arts van het Bestuur van de medische expertise de ambtenaar niet door naar de preventieadviseur-arbeidsarts wanneer uit de inschatting blijkt dat de werkhervatting mogelijk lijkt te zijn met aangepast werk onder de vorm van verminderde prestaties wegens medische redenen.
   De arts van het Bestuur van de medische expertise nodigt de ambtenaar uit om zijn medische toestand en de toekenning van de verminderde prestaties wegens medische redenen zoals bedoeld in artikel 50, eerste lid, 1°, te beoordelen. De bepalingen van artikel 51, artikel 52, artikel 53, § 2 en § 3 en artikel 54 zijn van toepassing.
   De arts van het Bestuur van de medische expertise bepaalt de aanvangsdatum en de duur van de machtiging tot verminderde prestaties wegens medische redenen in toepassing van artikel 51, § 1.]1

  
Art. 68quinquies. [1 § 1er.- Dans les cas suivants et moyennant le consentement de l'agent, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale renvoie l'agent au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de l'examen visant à démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du titre 4 du livre Ier du code du bien-être au travail :
   1° l'agent est classé en catégorie 1 au moment de l'estimation visée à l'article 68quater. L'agent est encore toujours absent pour cause de maladie ou d'accident après six mois et le médecin de l'Administration de l'expertise médicale effectue, sur la base du dossier médical de l'agent, une nouvelle estimation selon laquelle une reprise du travail semble possible par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail ;
   2° l'agent est classé en catégorie 3 au moment de l'estimation visée à l'article 68quater. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale réévalue tous les deux mois la situation de l'agent. Une telle évaluation a laissé apparaître qu'une reprise du travail semble possible pour l'agent par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail ;
   3° l'agent est classé en catégorie 4 conformément à l'article 68quater.
   Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale consulte le conseiller en prévention-médecin du travail six mois après le renvoi afin de connaître le statut. Si un trajet de réintégration a été démarré, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale consultera tous les trois mois le conseiller en prévention-médecin du travail afin de connaître le statut actuel. Si, à ce moment-là, aucun trajet de réintégration n'a encore été démarré, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale réévaluera la situation sur la base du dossier et décidera des étapes éventuelles appropriées.
   § 2.- Dès que le médecin de l'Administration de l'expertise médicale reçoit une copie du plan de réintégration conformément à l'article I.4-74. du code du bien-être au travail, il vérifie si l'exécution du plan de réintégration met fin à l'état d'incapacité de travail.
   Si ce plan de réintégration comprend des prestations réduites pour raisons médicales comme disposé à l'article 50, l'agent n'est pas obligé de demander l'autorisation du médecin de l'Administration de l'expertise médicale, mais ce dernier vérifiera lui-même si le plan de réintégration répond aux conditions posées pour les prestations réduites pour raisons médicales. Le cas échéant, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale décrit les modalités de son autorisation.
   Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale communique le plus rapidement possible au conseiller en prévention-médecin du travail ses conclusions quant aux prestations réduites pour raisons médicales.
   Lorsque le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne réagit pas dans les trois semaines après la réception de la copie du plan de réintégration, il est présumé que la décision du médecin de l'Administration de l'expertise médicale concernant les prestations réduites pour raisons médicales est positive.
   § 3.- Par dérogation au paragraphe 1er, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne renvoie pas l'agent au conseiller en prévention-médecin du travail s'il ressort de l'estimation que la reprise du travail semble être possible avec du travail adapté sous forme de prestations réduites pour raisons médicales.
   Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale invite l'agent à évaluer sa situation médicale et l'octroi des prestations réduites pour raisons médicales telles que visées à l'article 50, alinéa 1er, 1°. Les dispositions de l'article 51, de l'article 52, de l'article 53, § 2 et § 3, et de l'article 54 sont d'application.
   Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale fixe la date initiale et la durée de l'autorisation des prestations réduites pour raisons médicales en application de l'article 51, § 1er.]1

  
HOOFDSTUK X. - [1 Onthaal- en opleidingsactiviteiten en deelname aan testen]1
CHAPITRE X. - [1 - Activités d'accueil et de formation et participation à des tests]1
Afdeling 1. - [1 Onthaal- en opleidingsactiviteiten]1
Section 1re. - [1 Activités d'accueil et de formation]1
Art.69. [1 De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde organiseert met de medewerking van dienstchefs het onthaal van de nieuwe personeelsleden en zorgt voor integratie. De representatieve vakorganisaties krijgen de gelegenheid zich voor te stellen.
   De deelname aan de onthaal- en opleidingsactiviteiten wordt beschouwd als dienstactiviteit.]1

  
Art. 69. [1 Le président du comité de direction ou son délégué organise, avec le concours des chefs de service, l'accueil des nouveaux membres du personnel et veille à leur intégration. A cette occasion, les organisations syndicales représentatives ont la possibilité de se présenter.
   La participation aux activités d'accueil et de formation est considérée comme une activité de service.]1

  
Art.70. [1 Een dienstvrijstelling wordt toegekend door de voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde om opleidingsactiviteiten buiten de federale overheid bij te wonen.
   De dienstvrijstelling kan maximum 120 uren per jaar bedragen. De dienstvrijstelling kan volledig of gedeeltelijk worden geweigerd om dienstredenen of wanneer de opleiding niet overeenstemt met de gewenste ontwikkeling voor de ambtenaar.]1

  
Art. 70. [1 Une dispense de service est accordée par le président du comité de direction ou son délégué pour suivre des activités de formation hors de l'administration fédérale.
   La dispense de service peut comporter au maximum 120 heures par an. La dispense de service peut être refusée totalement ou partiellement pour des raisons de service ou lorsque la formation ne correspond pas au développement souhaité pour l'agent.]1

  
Afdeling 2. - [1 De deelname aan testen]1
Section 2. - [1 La participation à des tests]1
Art.71. [1 De ambtenaar bekomt een dienstvrijstelling voor de nodige tijd voor deelname aan een door SELOR, Selectiebureau voor de federale overheid, georganiseerde test in het kader van :
   1° de taalexamens;
   2° de vergelijkende selecties voor statutaire aanwerving binnen het federaal administratief openbaar ambt;
   3° de selecties voor de overgang naar een hoger niveau.
   De ambtenaar kan een compenserende dienstvrijstelling krijgen die kan opgenomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof wanneer de test doorgaat op een niet-werkdag of wanneer de ambtenaar afwezig is op het tijdstip van de test omdat hij geniet van :
   1° een vrije dag volgens zijn werkkalender in het kader van de deeltijdse loopbaanonderbreking, de vrijwillige vierdagenweek, de halftijdse vervroegde uittreding, de verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden of de verminderde prestaties wegens medische redenen;
   2° een verlof om dwingende redenen van familiaal belang.]1

  
Art. 71. [1 L'agent obtient une dispense de service pour le temps nécessaire à sa participation à un test organisé par SELOR, Bureau de sélection de l'administration fédérale, dans le cadre :
   1° des examens linguistiques;
   2° des sélections comparatives pour un engagement statutaire au sein de la fonction publique administrative fédérale;
   3° des sélections d'accession à un niveau supérieur.
   L'agent peut obtenir une dispense de service compensatoire qui peut être prise aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances lorsque le test a lieu un jour non-ouvrable ou lorsque l'agent est absent au moment du test parce qu'il bénéficie :
   1° d'un jour libre selon son calendrier de travail dans le cadre de l'interruption de la carrière à temps partiel, de la semaine volontaire de quatre jours, du départ anticipé à mi-temps, des prestations réduites pour convenance personnelle ou des prestations réduites pour maladie;
   2° d'un congé pour motifs impérieux d'ordre familial.]1

  
Afdeling 3. - De opleiding. [1 afgeschaft]1
Section 3. - La formation. [1 supprimée]1
Onderafdeling 1. - Dienstvrijstelling en opleidingsverlof. [1 opgeheven]1
Sous-section 1. - Dispense de service et congé de formation. [1 supprimée]1
Onderafdeling 2. - Dienstvrijstelling. - Voorwaarden. [1 afgeschaft]1
Sous-section 2. - Dispense de service. - Conditions. [1 supprimée]1
Onderafdeling 3. - Opleidingsverlof. - Voorwaarden. [1 afgeschaft]1
Sous-section 3. - Congé de formation. - Conditions. [1 supprimée]1
Onderafdeling 4. - Duur van de dienstvrijstelling en het opleidingsverlof. [1 afgeschaft]1
Sous-section 4. - Durée de la dispense de service et du congé de formation. [1 supprimée]1
Onderafdeling 5. - Toelating. [1 afgeschaft]1
Sous-section 5. - Autorisation. [1 supprimée]1
Onderafdeling 6. - Controle van de dienstvrijstelling en van het opleidingsverlof. [1 afgeschaft]1
Sous-section 6. - Contrôle de la dispense de service et du congé de formation. [1 supprimée]1
Onderafdeling 7. - Aanwending van de dienstvrijstelling of van het opleidingsverlof. [1 afgeschaft]1
Sous-section 7. - Utilisation de la dispense de service ou du congé de formation. [1 supprimée]1
Onderafdeling 8. - Sancties. [1 afgeschaft]1
Sous-section 8. - Sanctions. [1 supprimée]1
Onderafdeling 9. - Cumulatieverbod. [1 afgeschaft]1
Sous-section 9. - Interdiction du cumul. [1 supprimée]1
Onderafdeling 10. - Reiskosten en inschrijvingskosten. [1 afgeschaft]1
Sous-section 10. - Frais de parcours et frais d'inscription. [1 supprimée]1
HOOFDSTUK XI. - Verlof wegens opdracht.
CHAPITRE XI. - Congé pour mission.
Afdeling 1. - (Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, (een beleidscel,) de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris [1 of bij het kabinet of het secretariaat van een politiek mandataris van de wetgevende macht]1.)
Section 1. - (Congé pour l'exercice d'une fonction au sein d'un secrétariat, (d'une cellule stratégique,) de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou [1 au sein du cabinet ou du secrétariat d'un mandataire politique du pouvoir législatif]1.)
Art.95. <KB 2002-06-10/31, art. 12, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De ambtenaar kan, met akkoord van de minister waaronder hij ressorteert verlof krijgen wanneer hij aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, (de beleidscel,) de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris [1 of bij het kabinet of het secretariaat van een politiek mandataris van de wetgevende macht]1. <KB 2003-10-23/32, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  Met uitzondering van de Federale Regering is het akkoord voor wat betreft de andere organen afhankelijk van de voorwaarde dat deze een reglement hebben genomen waarbij de nadere regels inzake terugbetaling van de bezoldiging van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar worden bepaald. Voor wat betreft de Federale Regering, is het verlof (bezoldigd). <KB 2003-10-23/32, art. 3, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  
Art. 95. <AR 2002-06-10/31, art. 12; En vigueur : 01-07-2002> L'agent peut obtenir avec l'accord du ministre dont il relève, un congé pour exercer une fonction au sein d'un secrétariat, (d'une cellule stratégique,) de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local [1 au sein du cabinet ou du secrétariat d'un mandataire politique du pouvoir législatif]1. <AR 2003-10-23/32, art. 3, 012; En vigueur : 12-07-2003>
  A l'exception du Gouvernement fédéral, l'accord est, en ce qui concerne les autres organes, soumis à la condition que ces organes aient adopté un règlement dans lequel ils définissent les modalités de remboursement de la rémunération de l'agent visé à l'alinéa 1. En ce qui concerne le Gouvernement fédéral, le congé (est rémunéré). <AR 2003-10-23/32, art. 3, 012; En vigueur : 12-07-2003>
  
Art.96. Het verlof bedoeld in artikel 95 wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. [1 Dit verlof is voltijds.]1
  (De betrokken personeelsleden kunnen vervangen worden binnen de perken van de personeelsenveloppe van hun dienst van oorsprong.) <KB 2003-10-23/32, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  
Art. 96. Le congé visé à l'article 95 est assimilé à une période d'activité de service. [1 Ce congé est à temps plein.]1
  (Les membres du personnel concernés peuvent être remplacés dans les limites de l'enveloppe de personnel de leur service d'origine.) <AR 2003-10-23/32, art. 4, 012; En vigueur : 12-07-2003>
  
Art.98. <KB 2001-07-19/35, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 07-08-2001> Bij het einde van de aanstelling en tenzij de ambtenaar naar een ander secretariaat, (beleidscel,) cel algemene beleidscoördinatie of cel algemeen beleid van de Federale Regering of kabinet overgaat bekomt hij per maand activiteit in deze organen één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen. <KB 2003-10-23/32, art. 5, 012; Inwerkingtreding : 12-07-2003>
  Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
Art. 98. <AR 2001-07-19/35, art. 15, 006; En vigueur : 07-08-2001> A la fin de la désignation, et à moins que l'agent ne passe à un(e) autre secrétariat, (cellule stratégique,) cellule de coordination générale de la politique ou cellule de politique générale du Gouvernement fédéral ou cabinet, celui-ci reçoit un jour de congé par mois d'activité dans ces organes, avec un minimum de trois jours ouvrables et un maximum de quinze jours ouvrables. <AR 2003-10-23/32, art. 5, 012; En vigueur : 12-07-2003>
  Le congé est assimilé à une période d'activité de service.
Afdeling 2. - Verlof voor opdracht van algemeen belang.
Section 2. - Congé pour mission d'intérêt général.
Art.99. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De ambtenaar bekomt verlof voor de uitoefening van een opdracht.
  Onder opdracht moet worden verstaan :
  1° de uitoefening van ambten ter vervulling van een nationale of internationale opdracht toevertrouwd :
  a) door de Federale Regering, een Gewest- of Gemeenschapsregering, het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het College van de Franse Gemeenschapscommissie of een openbaar bestuur;
  b) door een buitenlandse regering of een buitenlands overheidsbestuur;
  c) door een internationale instelling;
  2° met voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort en de minister van begroting, elke opdracht die is toevertrouwd door een instelling die geen overheidskarakter heeft, die belast werd met de uitvoering van de Europese programma's Phare, Tacis of Meda; (NOTA : punt 2° heeft uitkering met ingang van 01-12-1998. Justel heeft de geldigheidsvorm van art. 99 van 01-12-1998 tot 30-06-2002 niet opgezocht.)
  3° elke internationale opdracht die is toevertrouwd door een beslissing van de ministerraad in het raam van de ontwikkelingssamenwerking, vredesopdrachten, de wetenschappelijke vorsing of de humanitaire hulp;
  4° elke nationale opdracht met voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort in dienst van jeugdbewegingen, jeugddiensten of jeugdgroeperingen of in dienst van sommige culturele instellingen die erkend zijn door de bevoegde overheid;
  [1 5° een ambt uit te oefenen bij het secretariaat van een politiek mandataris van het Europees parlement;]1
  [2 6° een ambt uit te oefenen in toepassing van artikel 56 van de Verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1052/2013 en Verordening (EU) 2016/1624.]2
  
Art. 99. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> L'agent obtient un congé pour l'exercice d'une mission.
  Par mission, il faut entendre :
  1° l'exercice de fonctions en exécution d'une mission nationale ou internationale confiée :
  a) par le Gouvernement fédéral, un Gouvernement régional ou communautaire, le Collège de la Commission communautaire commune, le Collège de la Commission communautaire française ou une administration publique;
  b) par un Gouvernement étranger ou une administration publique étrangère;
  c) par un organisme international;
  2° moyennant autorisation préalable du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions et le ministre du budget, toute mission confiée par un organisme qui n'a pas de caractère public, chargé de l'exécution des programmes européens Phare, Tacis ou Meda; (NOTE : le présent point 2° entre en vigueur le 01-12-1998; Juste n'a pas cherché quelle est la forme de validité de l'article 99 du 01-12-1998 au 30-06-2002.)
  3° toute mission internationale confiée par décision du Conseil des Ministres dans le cadre de la coopération au développement, des missions de paix, de la recherche scientifique ou de l'aide humanitaire;
  4° toute mission nationale, moyennant autorisation préalable du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions, exercée au service de mouvements, services ou groupements de jeunesse ou certains organismes culturels reconnus par l'autorité compétente;
  [1 5° l'exercice d'une fonction au sein du secrétariat d'un mandataire politique du parlement européen;]1
  [2 6° exercer une fonction en application de l'article 56 du règlement (UE) 2019/1896 du Parlement européen et du Conseil du 13 novembre 2019 relatif au corps européen de garde-frontières et de garde-côtes et abrogeant les règlements (UE) no 1052/2013 et (UE) 2016/1624UE) 2016/1624.]2
  
Art.100. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Indien de opdracht waarmede de ambtenaar belast is, hem in feite of in rechte verhindert het hem toevertrouwde ambt uit te oefenen, verkrijgt hij de vrijstellingen van dienst die voor het vervullen van een dergelijke opdracht vereist zijn.
  Die vrijstellingen worden toegekend voor een duur van ten hoogste twee jaar. Zij kunnen hernieuwd worden voor periodes waarvan er geen de duur van twee jaar mag overschrijden.
Art. 100. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> Si la mission dont l'agent est chargé l'empêche en fait ou en droit de s'acquitter des fonctions qui lui sont confiées, l'agent obtient les dispenses de service nécessaires à l'exécution d'une telle mission.
  Ces dispenses sont accordées au maximum pour deux ans. Elles sont renouvelables pour des périodes dont chacune ne peut excéder deux ans.
Art.101. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De duur van de in artikel 99, tweede lid, 2°, vermelde opdrachten mag voor de gehele loopbaan niet meer dan zes jaar bedragen.
Art. 101. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> La durée des missions visées à l'article 99, alinéa 2, 2° ne peut excéder six ans pour l'ensemble de la carrière.
Art.102. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. Iedere minister kan, met instemming van de betrokkene een ambtenaar die onder hem ressorteert, met de uitvoering van een opdracht belasten.
  Eveneens kan iedere ambtenaar, met akkoord van de minister onder wie hij ressorteert, de uitvoering van een opdracht aanvaarden.
  § 2. De ambtenaar die wordt aangewezen om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen wordt ambtshalve in verlof voor opdracht geplaatst voor de duur van het mandaat.
Art. 102. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> § 1er. Chaque ministre peut, avec l'assentiment de l'intéressé, charger de l'exercice d'une mission un agent qui relève de son autorité.
  De même, tout agent peut, avec l'accord du ministre dont il relève, accepter l'exercice d'une mission.
  § 2. L'agent désigne pour exercer un mandat dans un service public belge est mis d'office en congé pour mission pour la durée du mandat.
Art.103. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> [1 Met het oog op de toepassing van het besluit van de Europese Commissie van 12 november 2008 betreffende de regeling die van toepassing is op de nationale deskundigen die gedetacheerd zijn of een beroepsopleiding volgen bij de diensten van de Commissie en de toepassing van de beslissing van het College van het Europees Openbaar Ministerie van 20 oktober 2021 houdende regeling van toepassing op de nationale deskundigen die bij de diensten van het Europees Openbaar Ministerie zijn gedetacheerd, maakt de minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse betrekkingen behoren in het Belgisch Staatsblad een oproep bekend waarin duidelijk wordt uiteengezet welke bekwaamheid, geschiktheid en beroepservaring van de gegadigden gevergd worden alsook hoelang de opdracht duurt en onder welke voorwaarden die wordt uitgeoefend.]1
  De ambtenaar maakt binnen vijftien dagen na de datum van de bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde oproep via de hiërarchische weg zijn kandidatuur aan de minister onder wie hij ressorteert, over.
  Laatstgenoemde stuurt, wanneer hij meent zich met de uitoefening van de opdracht akkoord te kunnen verklaren, de kandidatuur, met uitsluiting van elk ander element, binnen vijftien dagen na de ontvangst ervan door naar de minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren.
  [1 De minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren legt de kandidatuur ter beslissing voor aan respectievelijk de Commissie van de Europese Gemeenschappen of het Europees Openbaar Ministerie.]1
  
Art. 103. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> [1 En vue de l'application de la décision de la Commission européenne du 12 novembre 2008 relative au régime applicable aux experts nationaux détachés et aux experts en formation professionnelle auprès des services de la Commission, et de la décision du collège du Parquet européen du 20 octobre 2021 relative au régime applicable aux experts nationaux détachés auprès des services du Parquet européen, le ministre qui a les affaires étrangères dans ses attributions publie au Moniteur belge un appel qui précise les qualifications, les aptitudes et l'expérience professionnelle requises des candidats ainsi que la durée et les conditions d'exercice de la mission.]1
  Dans les quinze jours qui suivent la date de la publication de l'appel visé à l'alinéa 1er, l'agent adresse, par la voie hiérarchique, sa candidature au ministre dont il relève.
  Ce dernier, s'il estime pouvoir donner son accord à l'exercice de la mission, transmet la candidature, à l'exclusion de tout autre élément, au ministre qui a les affaires étrangères dans ses attributions dans les quinze jours qui suivent la réception.
  [1 Le ministre qui a les affaires étrangères dans ses attributions soumet, pour décision, les candidatures respectivement à la Commission des Communautés européennes ou au Parquet européen.]1
  
Art.104. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. Tijdens de duur van een opdracht welke als van algemeen belang erkend is, is de ambtenaar met verlof.
  Het verlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
  § 2. In afwijking van § 1, tweede lid wordt het verlof bezoldigd :
  1° [3 wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens het besluit van de Europese Commissie van 12 november 2008 of krachtens de beslissing van het College van het Europees Openbaar Ministerie van 20 oktober 2021;]3
  2° [1 ...]1
  3° wanneer de opdracht is toegekend voor een opdracht in het kader van het Europees programma "Institution Building" ingevoerd door de Verordening nr. 622/98 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen;
  4° wanneer het een opdracht betreft zoals vermeld in [2 artikel 99, tweede lid, 3° en 6°]2.
  
Art. 104. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> § 1er. Pendant la durée d'une mission reconnue d'intérêt général, l'agent est placé en congé.
  Le congé n'est pas rémunéré. Il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
  § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le congé est rémunéré :
  1° [3 lorsque l'agent est désigné en qualité d'expert national en vertu de la décision de la Commission européenne du 12 novembre 2008 ou en vertu de la décision du collège du Parquet européen du 20 octobre 2021 ;]3
  2° [1 ...]1
  3° lorsque la mission est accordée dans le cadre du programme européen "Institution Building" institué par le Règlement n° 622/98 du Conseil des Communautés européennes relatif à l'assistance en faveur des Etats candidats;
  4° lorsqu'il s'agit d'une mission visée à l'[2 article 99, alinéa 2, 3° et 6°]2.
  
Art.105. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend :
  1° voor de opdrachten welke de uitoefening van een ambt in een ontwikkelingsland inhouden;
  2° [1 voor de opdrachten vermeld in [3 artikel 99, tweede lid, 3° tot en met 6°]3;]1
  3° voor de opdrachten vermeld in artikel 102, § 2;
  4° [4 voor de opdrachten uitgeoefend door de ambtenaar die als nationaal deskundige is aangewezen krachtens het besluit van de Europese Commissie van 12 november 2008 of krachtens de beslissing van het College van het Europees Openbaar Ministerie van 20 oktober 2021;]4
  5° voor de opdrachten uitgeoefend bij [2 het Federale Agentschap van de Schuld]2 voor het beheer van de federale staatsschuld;
  6° voor de opdrachten uitgeoefend in het raam van het Europees programma " Institution Building ", dat is ingesteld bij het reglement nr. 622/98 van de Raad van de Europese Unie betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen.
  § 2. Het verlof voor opdracht kan voor de niet in § 1 bedoelde internationale opdrachten worden toegestaan door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert. De minister kan tevens het karakter van algemeen belang erkennen indien de opdracht geacht wordt van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor de Federale Regering of de federale administratie.
  § 3. Iedere opdracht verliest van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het krijgen van een onmiddellijk ingaand dan wel uitgesteld pensioen ten laste van de buitenlandse regering, van het buitenlandse openbare bestuur of van de internationale instelling ten behoeve waarvan de opdracht werd vervuld.
  
Art. 105. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> § 1er. Le caractère d'intérêt général est reconnu de plein droit :
  1° aux missions qui comportent l'exercice de fonctions dans un pays en voie de développement;
  2° [1 aux missions visées par l'[3 article 99, alinéa 2, 3° à 6°]3;]1
  3° aux missions visées par l'article 102, § 2;
  4° [4 aux missions exercées par l'agent désigné en qualité d'expert national en vertu de la décision de la Commission européenne du 12 novembre 2008 ou en vertu de la décision du collège du Parquet européen du 20 octobre 2021 ;]4
  5° aux missions exercées auprès [2 de l'Agence fédérale de la Dette]2 pour la gestion de la dette de l'Etat fédéral;
  6° aux missions exercées dans le cadre du programme européen " Institution Building " institue par le règlement n° 622/98 du Conseil de l'Union européenne relatif à l'assistance en faveur des Etats candidats.
  § 2. Le congé pour mission peut être accordé aux missions internationales non visées au § 1er par le ministre dont relève l'agent. Le ministre peut également reconnaître le caractère d'intérêt général si la mission est censée présenter un intérêt prépondérant soit pour le pays, soit pour le Gouvernement fédéral ou l'administration fédérale.
  § 3. Toute mission perd de plein droit son caractère d'intérêt général à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'agent a atteint une ancienneté de service suffisante pour pouvoir prétendre à l'obtention d'une pension immédiate ou différée à charge du gouvernement étranger, de l'administration publique étrangère ou de l'organisme international au profit duquel la mission est accomplie.
  
Art.106. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De ambtenaar die met de uitvoering van een van algemeen belang erkende opdracht wordt belast, verkrijgt de verhogingen in zijn weddeschaal alsmede de bevorderingen (of de veranderingen van (klasse) of van graad) waarop hij aanspraak kan maken, op het tijdstip waarop hij die zou verkrijgen of zou verkregen hebben indien hij werkelijk in dienst was gebleven. <KB 2004-08-04/30, art. 131, 013; Inwerkingtreding : 01-12-2004> <KB 2008-11-19/30, art. 94, 022; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 106. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> L'agent chargé de l'exécution d'une mission reconnue d'intérêt général obtient les augmentations dans son échelle de traitement ainsi que les promotions ou (les changements de (classe) ou de grade) auxquels il peut prétendre, au moment où il les obtiendrait ou les aurait obtenus s'il était reste effectivement en service. <AR 2004-08-04/30, art. 131, 013; En vigueur : 01-12-2004> <AR 2008-11-19/30, art. 94, 022; En vigueur : 01-12-2008>
Art.107. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Tijdens de duur van een opdracht die niet erkend werd als zijnde van algemeen belang, wordt de ambtenaar op non-activiteit gesteld. In die stand heeft hij geen recht op wedde en kan hij zijn aanspraken op bevordering of op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden.
Art. 107. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> Pendant la durée d'une mission qui n'est pas reconnue d'intérêt général, l'agent est placé en non-activité. Dans cette position, il n'a pas droit au traitement et ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'avancement dans son échelle de traitement.
Art.108. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-08-1999> De ambtenaar met verlof wegens internationale opdracht, zoals vermeld in artikel 99, tweede lid, 1° en 3°, verkrijgt een vergoeding die bestemd is om werkelijke lasten te dragen en/of toelagen.
  De minister, onder wie de ambtenaar ressorteert, bepaalt het bedrag van deze vergoedingen en toelagen, volgens de nadere voorwaarden die van kracht zijn voor de ambtenaren van de carrière van de Buitendienst en van de Kanselarijcarrière Buitenlandse dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking en (afhankelijk van de (klasse) of de graad) waarmee de ambtenaar die met verlof is wegens opdracht bekleed is. <KB 2004-08-04/30, art. 132, 013; Inwerkingtreding : 01-12-2004> <KB 2008-11-19/30, art. 95, 022; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 108. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-08-1999> L'agent en congé pour une mission internationale visée à l'article 99, alinéa 2, 1° et 3°, obtient des indemnités destinées à supporter des charges réelles et/ou des allocations.
  Le ministre dont relève l'agent détermine le montant de ces indemnités et allocations, selon les modalités en vigueur pour les agents de la carrière du Service extérieur et de la carrière de la Chancellerie du Ministère des Affaires étrangères, du Commerce extérieur et de la Coopération internationale et (en fonction de la (classe) ou du grade) dont est revêtu l'agent en congé pour mission. <AR 2004-08-04/30, art. 132, 013; En vigueur : 01-12-2004> <AR 2008-11-19/30, art. 95, 022; En vigueur : 01-12-2008>
Art.109. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De minister, onder wie de met een opdracht belaste ambtenaar ressorteert, beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is als vacant moet worden beschouwd zodra de betrokken ambtenaar één jaar afwezig is.
  Aan de in het eerste lid bedoelde ministeriële beslissing moet het advies (van de voorzitter van het directiecomité) voorafgaan. <KB 2002-09-05/37, art. 131, 010; Inwerkingtreding : 26-09-2002, zie ook KB 2002-09-05/37, art. 242>
  [1 ...]1
  
Art. 109. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> Le ministre dont relève l'agent en mission décide, selon les nécessités du service, si l'emploi dont l'intéressé est titulaire doit être considéré comme vacant dès que l'agent intéressé est absent pendant un an.
  La décision ministérielle visée à l'alinéa 1er doit être précédée de l'avis (du président du comité de direction). <AR 2002-09-05/37, art. 131, 010; En vigueur : 26-09-2002, voir aussi AR 2002-09-05/37, art. 242>
  [1 ...]1
  
Art.110. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten hoogste drie maanden, kan de minister onder wie de ambtenaar ressorteert, ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht waarmee de ambtenaar is belast, tijdens de vervulling ervan.
  De ambtenaar kan op ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht tijdens de vervulling ervan.
Art. 110. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> Moyennant un préavis de trois mois au plus, le ministre dont relève l'agent peut à tout instant mettre fin, en cours d'exercice, à la mission dont est chargé l'intéressé.
  L'agent peut mettre fin à tout moment à sa mission pendant l'exercice de celle-ci.
Art.111. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of onderbroken wordt bij ministeriële beslissing, bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen [1 , bij beslissing van het Europees Openbaar Ministerie]1 of bij beslissing van de ambtenaar zelf, stelt zich ter beschikking van de minister onder wie hij ressorteert.
  Indien hij zonder geldige reden weigert of verwaarloost dit te doen wordt hij, na tien dagen afwezigheid, als ontslaggevend beschouwd.
  
Art. 111. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> L'agent dont la mission vient à expiration ou est interrompue par décision ministérielle, par décision de la Commission des Communautés européennes [1 , par décision du Parquet européen]1 ou par décision de l'agent lui-même, se remet à la disposition du ministre dont il relève.
  Si, sans motif valable, il refuse ou néglige de le faire, il est, après dix jours d'absence, considéré comme démissionnaire.
  
Art.112. <KB 2002-06-10/31, art. 13, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> Zodra zijn opdracht verstreken is, bezet de ambtenaar die in zijn opdracht niet werd vervangen, die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat.
Art. 112. <AR 2002-06-10/31, art. 13, 009; En vigueur : 01-07-2002> Dès que cesse sa mission, l'agent qui n'a pas été remplacé dans son emploi occupe cet emploi lorsqu'il reprend son activité.
HOOFDSTUK XII. - Afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden.
CHAPITRE XII. - Absence de longue durée pour raisons personnelles.
Art.113. [1 De ambtenaar bekomt een voltijds onbetaald verlof voor een periode van maximum vier jaar tijdens de hele loopbaan.
   Bij opsplitsing van deze afwezigheid moet de afwezigheid minstens zes maanden bedragen.
   In afwijking van het tweede lid, kan de ambtenaar zes maal tijdens de hele loopbaan vragen om een afwezigheid van één maand te bekomen.]1

  
Art. 113. [1 L'agent obtient l'autorisation de s'absenter à temps plein pour une période de quatre ans au maximum pour l'ensemble de sa carrière.
   Si cette absence est fractionnée, la période d'absence doit être de six mois au moins.
   Par dérogation à l'alinéa 2, l'agent peut demander six fois sur l'ensemble de sa carrière à s'absenter pour une période d'un mois.]1

  
Art.114. Op zijn verzoek herneemt de ambtenaar zijn functies voor het einde van de lopende periode van afwezigheid, behoudens een opzegperiode van drie maanden, tenzij de overheid een kortere periode aanvaardt.
Art. 114. A sa demande, l'agent reprend ses fonctions avant l'expiration de la période d'absence en cours moyennant un préavis de trois mois à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court.
Art.115. Tijdens de afwezigheid bedoeld in artikel 113, bevindt de ambtenaar zich in de administratieve stand non-activiteit. Hij mag tijdens dit verlof een bezoldigde activiteit uitoefenen op voorwaarde dat deze activiteit verenigbaar is met zijn functies. (Hij is verplicht zijn dienst op de hoogte te brengen van de aard van die activiteit.) <KB 2007-06-14/31, art. 8, 020; Inwerkingtreding : 02-07-2007>
Art. 115. Pendant l'absence visée à l'article 113, l'agent se trouve dans la position administrative de non-activité. Il peut exercer une activité lucrative à condition que cette activité soit compatible avec ses fonctions. (Il est tenu d'informer son service de la nature de cette activité.) <AR 2007-06-14/31, art. 8, 020; En vigueur : 02-07-2007>
HOOFDSTUK XIII. - Verlof voor loopbaanonderbreking.
CHAPITRE XIII. - Congé pour interruption de la carrière professionnelle.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art.116. § 1. (De ambtenaar bekomt verlof om zijn loopbaan volledig of halftijds te onderbreken met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden.
  De periodes waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig onderbreekt mogen in totaal niet meer bedragen dan tweeënzeventig maanden tijdens de hele loopbaan. Onverminderd de toepassing van het derde lid, geldt dit ook voor de periodes van halftijdse loopbaanonderbreking. De periode van volledige loopbaanonderbreking en de periode van halftijdse loopbaanonderbreking kunnen worden gecumuleerd.
  De maximumperiode van [1 zestig maanden]1 waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig kan onderbreken, kan op verzoek van de ambtenaar geheel of gedeeltelijk omgezet worden in eenzelfde maximumperiode van [1 zestig maanden]1 waarbinnen halftijdse loopbaanonderbreking kan opgenomen worden.
  Voor de berekening van de duur van de [1 zestig maanden]1 wordt geen rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking om palliatieve zorg te verstrekken, voor zorg voor een zwaar ziek gezins- en familielid en voor ouderschapsverlof. [3 Er wordt evenmin rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking in het kader van het verlof voor erkende mantelzorgers.]3
  [2 ...]2
  § 2. [2 De ambtenaar die zijn beroepsloopbaan wenst te onderbreken, voegt bij de mededeling bedoeld in artikel 8bis het formulier voor de aanvraag om uitkeringen bedoeld in artikel 134.]2
  (§ 3. De overheid vult het in artikel 134 vermelde formulier in en overhandigt het aan de ambtenaar.
  De overheid stuurt naar het werkloosheidsbureau van het gebied waar de ambtenaar zijn verblijfplaats heeft een getuigschrift waarin de verzekering gegeven wordt dat de vervanger de voorschriften van artikel 128 vervult.) <KB 1999-05-26/35, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  
Art. 116. § 1er. (L'agent obtient un congé pour interrompre sa carrière de manière complète ou à mi-temps, par périodes consécutives ou non de trois mois au mois et de douze mois au plus.
  Les périodes pendant lesquelles l'agent interrompt sa carrière de manière complète ne peuvent au total excéder septante-deux mois au cours de la carrière. Sans préjudice de l'application de l'alinéa 3, cette règle vaut également pour les périodes d'interruption à mi-temps de la carrière. La période d'interruption complète et la période d'interruption à mi-temps peuvent être cumulées.
  Le maximum de [1 soixante mois]1 d'interruption complète de la carrière peut, à la demande de l'agent, être converti en tout ou en partie en une même période maximum de [1 soixante mois]1 dans laquelle une interruption à mi-temps de la carrière peut être prise.
  Pour le calcul des périodes de [1 soixante mois]1, il n'est pas tenu compte des périodes d'interruption de la carrière pour donner des soins palliatifs, des soins à un membre de la famille ou à un parent gravement malade et pour congé parental. [3 Il n'est pas non plus tenu compte des périodes d'interruption de carrière dans le cadre du congé pour aidants proches reconnus.]3
  [2 ...]2
  § 2. [2 L'agent qui désire interrompre sa carrière professionnelle joint à la communication visée à l'article 8bis le formulaire de demande d'allocations visé à l'article 134.]2
  (§ 3. L'autorité remplit le formulaire visé à l'article 134 et le remet à l'agent.
  L'autorité transmet au bureau de chômage du ressort du domicile de l'agent une attestation certifiant que le remplaçant remplit les conditions de l'article 128.) <AR 1999-05-26/35, art. 16, 002; En vigueur : 01-05-1999>
  
Art.117. (§ 1.) In afwijking van artikel 116, kan de ambtenaar zijn loopbaan onderbreken voor een periode van één maand, eventueel verlengbaar met één maand, teneinde palliatieve zorg te verstrekken aan een persoon krachtens de bepalingen van de artikelen 100bis en 102bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.
  De ambtenaar dient niet te worden vervangen.
  Onder palliatieve zorg wordt verstaan elke vorm van bijstand en inzonderheid medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand en verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden.
  De ambtenaar die om deze reden zijn loopbaan wil onderbreken brengt er de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte, voegt bij die mededeling het formulier bedoeld in artikel 134 alsmede een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve zorg behoeft en waaruit blijkt dat het personeelslid zich bereid heeft verklaard deze palliatieve zorg te verlenen, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
  De onderbreking neemt een aanvang de eerste dag van de week volgend op die gedurende dewelke de voormelde mededeling is gebeurd.
  De overheid vult het in artikel 134 vermelde formulier in en geeft het af aan de ambtenaar.
  [1 § 1bis. In toepassing van artikel 99 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zijn de bepalingen voorzien in artikel 100ter en 102ter van de genoemde herstelwet van 22 januari 1985, van toepassing op de ambtenaren.]1
  (§ 2. In afwijking van artikel 116 kan de ambtenaar zijn loopbaan krachtens de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen onderbreken voor het bijstaan van of voor het verstrekken van verzorging aan een lid van zijn gezin of aan een familielid tot in de tweede graad, dat lijdt aan een ernstige ziekte, met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste een maand of ten hoogste drie maanden.
  De periodes gedurende welke de ambtenaar zijn loopbaan volledig onderbreekt mogen samen niet meer bedragen dan twaalf maanden per patiënt tijdens de loopbaan. De periodes gedurende welke de ambtenaar zijn loopbaan gedeeltelijk onderbreekt mogen samen niet meer bedragen dan vierentwintig maanden per patiënt tijdens de loopbaan.
  (derde lid opgeheven) <KB 2002-12-12/36, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als lid van het gezin beschouwd, elke persoon die met de ambtenaar samenwoont en als familielid zowel de bloed- als de aanverwanten.
  Onder ernstige ziekte dient te worden verstaan elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer als dusdanig wordt beschouwd en waarvoor deze van mening is dat enige vorm van sociale, familiale of geestelijke hulp noodzakelijk is voor het herstel.
  De ambtenaar die zijn loopbaan wil onderbreken om een lid van zijn gezin of een familielid dat ernstig ziek is bij te staan of het verzorging te verstrekken, brengt er de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte, voegt bij die mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het ernstig zieke lid van het gezin of familielid en waarbij vastgesteld wordt dat de ambtenaar zich bereid verklaard heeft de ernstig zieke persoon bij te staan of hem verzorging te verstrekken.
  De onderbreking neemt een aanvang de eerste dag van de week volgend op die gedurende welke de voormelde mededeling is gebeurd.
  De overheid vult het in artikel 134 vermelde formulier in en geeft het af aan de ambtenaar.) <KB 1999-05-26/35, art. 17, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  (Ingeval van zware ziekte van een kind dat hoogstens 16 jaar oud is en van wie de ambtenaar uitsluitend of hoofdzakelijk de last draagt in de zin van artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, wordt, wanneer de ambtenaar alleenstaand is, de maximumperiode van de onderbreking van loopbaan bedoeld in het tweede lid van deze paragraaf uitgebreid naar 24 maanden ingeval van volledige onderbreking van de loopbaan en wordt de maximumperiode van vermindering van arbeidsprestaties ingeval van gedeeltelijke onderbreking van de loopbaan uitgebreid naar 48 maanden.
  De periodes van volledige en gedeeltelijke loopbaanonderbreking kunnen enkel worden opgenomen met periodes van minimum één maand en maximum drie maanden, aaneensluitend of niet.
  Onder alleenstaande in de zin van dit artikel wordt verstaan de ambtenaar die uitsluitend en effectief samenwoont met één of meerdere van zijn kinderen.
  Ingeval van toepassing van het achtste lid van dit artikel moet de ambtenaar bovendien het bewijs leveren van de samenstelling van zijn gezin door middel van een attest dat wordt afgeleverd door de gemeentelijke overheid en waaruit blijkt dat het personeelslid op het moment van de aanvraag uitsluitend en effectief samenwoont met één of meerdere van zijn kinderen.
  Voor iedere verlenging van een periode van volledige en gedeeltelijke loopbaanonderbreking dient de ambtenaar dezelfde procedure te volgen en de door dit koninklijk besluit vereiste attest(en) in te dienen.) <KB 2006-12-18/38, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 17-02-2007>
  (§ 3. Aan de ambtenaar die zijn loopbaan voltijds met toepassing van dit artikel onderbreekt wordt een uitkering van (508,92 EUR) per maand toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. <KB 2005-07-20/35, art. 2, 015 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 3>
  (De ambtenaar die zijn loopbaan deeltijds met toepassing van dit artikel onderbreekt, ontvangt maandelijks van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een uitkering waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
  1° 86,32 EUR voor de ambtenaren die hun prestaties met één vijfde verminderen;
  2° (254,46 EUR) voor de ambtenaren die hun prestaties met de helft verminderen. ) <KB 2002-12-12/36, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2005-07-20/35, art. 2, 015 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 3>
  
Art. 117. (§ 1.) Par dérogation à l'article 116, l'agent peut interrompre sa carrière pour un mois, éventuellement prolongeable d'un mois, pour donner des soins palliatifs à une personne en vertu des articles 100bis et 102bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 portant des dispositions sociales. <AR 1999-05-26/35, art. 17, 002; En vigueur : 01-05-1999>
  L'agent ne doit pas être remplacé.
  Par soins palliatifs on entend toute forme d'assistance, notamment médicale, sociale, administrative et psychologique, ainsi que les soins, donnés à des personnes souffrant d'une maladie incurable et se trouvant en phase terminale.
  L'agent qui veut interrompre sa carrière pour ce motif en informe l'autorité dont il relève, joint à cette communication le formulaire de demande visé à l'article 134 ainsi qu'une attestation délivrée par le médecin traitant de la personne en nécessité de soins palliatifs et dont il paraît que le travailleur a déclaré qu'il est disposé à donner des soins palliatifs, sans que l'identité du patient soit mentionnée.
  L'interruption prend cours le premier jour de la semaine qui suit celle au cours de laquelle la communication précitée a été faite.
  L'autorité remplit le formulaire mentionné à l'article 134 et le délivre à l'agent.
  [1 § 1bis. En application de l'article 99 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, les dispositions prévues aux articles 100ter et 102ter de ladite loi de redressement du 22 janvier 1985 s'appliquent aux agents.]1
  (§ 2. Par dérogation à l'article 116, l'agent peut interrompre sa carrière en vertu des articles 100 et 102 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 portant des dispositions sociales pour l'assistance ou l'octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave, par périodes consécutives ou non d'un mois au moins et de trois mois au plus.
  Les périodes pendant lesquelles l'agent interrompt sa carrière de manière complète ne peuvent au total excéder douze mois par patient au cours de la carrière. Les périodes pendant lesquelles l'agent interrompt sa carrière de manière partielle ne peuvent au total excéder vingt-quatre mois par patient au cours de la carrière.
  (alinéa 3 abrogé) <AR 2002-12-12/36, art. 20; 011; En vigueur : 01-01-2002>
  Pour l'application du présent paragraphe est considéré comme membre du ménage, toute personne qui cohabite avec l'agent et comme membre de la famille, tant les parents que les alliés.
  Par maladie grave, il y a lieu d'entendre toute maladie ou intervention médicale qui est considérée comme telle par le médecin traitant et pour laquelle celui-ci est d'avis que toute forme d'assistance sociale, familiale ou mentale est nécessaire pour la convalescence.
  L'agent qui veut interrompre sa carrière pour l'assistance ou l'octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille qui souffre d'une maladie grave, en informe l'autorité dont il relève, joint à cette communication une attestation délivrée par le médecin traitant du membre du ménage ou du membre de la famille gravement malade et établissant que l'agent s'est déclaré disposé à assister ou à donner des soins à la personne gravement malade.
  L'interruption prend cours le premier jour de la semaine qui suit celle au cours de laquelle la communication précitée a été faite.
  L'autorité remplit le formulaire visé à l'article 134 et le délivre à l'agent.) <AR 1999-05-26/35, art. 17, 002; En vigueur : 01-05-1999>
  (En cas de maladie grave d'un enfant âgé de 16 ans au plus dont l'agent supporte exclusivement ou principalement la charge au sens de l'article 1er de la loi du 20 juillet 1971 instituant les prestations familiales garanties, la période maximale de l'interruption de la carrière professionnelle visée à l'alinéa 2 du présent paragraphe est portée à 24 mois en cas d'interruption complète et la période maximale de réduction des prestations de travail en cas d'interruption partielle est portée à 48 mois lorsque cet agent est isolé.
  Les périodes d'interruption complète et partielle de la carrière professionnelle peuvent seulement être prises par périodes d'un mois minimum et trois mois maximum, consécutives ou non.
  Est isolé au sens de présent article, l'agent qui habite exclusivement et effectivement avec un ou plusieurs de ses enfants.
  En cas d'application de l'alinéa 8 du présent article, l'agent isolé fournit en outre la preuve de la composition de son ménage au moyen d'une attestation délivrée par l'autorité communale et dont il ressort que l'agent, au moment de la demande, habite exclusivement et effectivement avec un ou plusieurs de ses enfants.
  Pour chaque prolongation d'une période d'interruption complète et partielle de la carrière professionnelle, l'agent doit à nouveau suivre la même procédure et introduire la ou les attestation(s) requise(s) en vertu du présent arrêté royal.) <AR 2006-12-18/38, art. 6, 018; En vigueur : 17-02-2007>
  (§ 3. Une allocation de (508,92 EUR) par mois est accordée par l'Office national de l'Emploi à l'agent qui interrompt complètement sa carrière en application du présent article. <AR 2005-07-20/35, art. 2, 015 ; En vigueur : 01-07-2005 ; voir également art. 3>
  (L'agent qui interrompt partiellement sa carrière en application du présent article perçoit par mois, de l'Office national de l'Emploi, une allocation dont le montant est fixé comme suit :
  1° 86,32 EUR pour les agents qui réduisent leurs prestations d'un cinquième;
  2° (254,46 EUR) pour les agents qui réduisent leurs prestations de moitié) <AR 2002-12-12/36, art. 20; 011; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2005-07-20/35, art. 2, 015 ; En vigueur : 01-07-2005 ; voir également art. 3>
  
Art. 117bis. [1 In afwijking van de duur van minimum één maand, zoals vermeld in artikel 117, § 2 kan de ambtenaar voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte, zijn beroepsloopbaan volledig onderbreken voor een duur van één week, eventueel verlengbaar met één week.
   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder zware ziekte, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de geneesheer oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of psychologische bijstand of verzorging noodzakelijk is.
   De door het eerste lid geboden mogelijkheid staat open voor :
   - de ambtenaar die ouder is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en ermee samenwoont;
   - de ambtenaar die samenwoont met het zwaar zieke kind en belast is met de dagelijkse opvoeding.
   Wanneer de in het derde lid bedoelde ambtenaren geen gebruik kunnen maken van de door het eerste lid geboden mogelijkheid, kunnen ook de volgende ambtenaren zich op die mogelijkheid beroepen :
   - de ambtenaar die ouder is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en er niet mee samenwoont;
   - of wanneer laatstgenoemde ambtenaar in de onmogelijkheid verkeert dit verlof op te nemen, een familielid van het zwaar zieke kind tot de tweede graad.
   De volledige onderbreking van de beroepsloopbaan kan genomen worden voor een periode die het mogelijk maakt de minimum duur van een maand te bereiken wanneer de ambtenaar aansluitend op de in het eerste lid bedoelde volledige onderbreking zijn recht bedoeld in artikel 117, § 2 wenst uit te oefenen voor hetzelfde zwaar zieke kind.
   De ambtenaar die zijn loopbaan wil onderbreken om het kind dat zwaar ziek is bij te staan of het verzorging te verstrekken, brengt er de overheid waaronder hij ressorteert van op de hoogte, voegt bij die mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar ziek kind, waarbij vastgesteld wordt dat de ambtenaar zich bereid verklaard heeft het zwaar ziek kind bij te staan of hem verzorging te verstrekken.
   Het bewijs van hospitalisatie van het kind wordt geleverd door een attest van het betrokken ziekenhuis.
   Wanneer de hospitalisatie van het kind onvoorzienbaar is, kan worden afgeweken van de voormelde termijn in artikel 116, § 2, tweede lid. In dat geval bezorgt de ambtenaar zo spoedig mogelijk een attest van de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind waaruit het onvoorzienbaar karakter van de hospitalisatie blijkt. Deze mogelijkheid geldt ook ingeval het verlof verlengd wordt met een week.]1

  
Art. 117bis. [1 Par dérogation à la durée minimale d'un mois mentionnée dans l'article 117, § 2 l'agent peut, pour l'assistance ou les soins à un enfant mineur pendant ou juste après l'hospitalisation de l'enfant des suites d'une maladie grave, interrompre complètement sa carrière professionnelle pour une durée d'une semaine, éventuellement prolongeable d'une semaine supplémentaire.
   Pour l'application de cet article, est considérée comme maladie grave toute maladie ou intervention médicale qui est considérée ainsi par le médecin traitant de l'enfant gravement malade et pour laquelle le médecin est d'avis que toute forme d'assistance sociale, familiale ou psychologique est nécessaire.
   La possibilité offerte à l'alinéa premier est ouverte pour :
   - l'agent qui est parent au premier degré de l'enfant gravement malade et qui cohabite avec lui;
   - l'agent qui cohabite avec l'enfant gravement malade et est chargé de son éducation quotidienne.
   Lorsque les agents visés au troisième alinéa ne peuvent faire usage de la possibilité offerte à l'alinéa premier, les agents suivants peuvent également utiliser cette possibilité :
   - l'agent qui est parent au premier degré de l'enfant gravement malade et qui ne cohabite pas avec lui;
   - ou lorsque ce dernier agent se trouve dans l'impossibilité de prendre ce congé, un membre de la famille jusqu'au deuxième degré de l'enfant.
   L'interruption complète de la carrière professionnelle peut être prise pour une période qui permet d'atteindre la durée minimum d'un mois lorsque l'agent, immédiatement après l'interruption complète visée à l'alinéa premier, souhaite exercer le droit prévu à l'article 117, § 2 pour le même enfant gravement malade.
   L'agent qui veut interrompre sa carrière pour l'assistance ou l'octroi de soins à un enfant qui souffre d'une maladie grave, en informe l'autorité dont il relève, joint à cette communication une attestation délivrée par le médecin traitant de l'enfant gravement malade et établissant que l'agent s'est déclaré disposé à assister ou à donner des soins à l'enfant gravement malade.
   La preuve de l'hospitalisation de l'enfant est apportée par une attestation de l'hôpital concerné.
   Lorsque l'hospitalisation de l'enfant est imprévue, il peut être dérogé au délai d'avertissement prévu dans l'article 116, § 2, deuxième alinéa. Dans ce cas, l'agent fournit, aussi vite que possible, une attestation du médecin traitant de l'enfant gravement malade, dans laquelle il est attesté du caractère imprévisible de l'hospitalisation. Cette possibilité vaut également dans le cas où le congé est prolongé d'une semaine.]1

  
Art. 117ter. [1 In afwijking van artikel 117, § 2, eerste en negende lid, kan de minimumperiode van onderbreking mits akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, worden ingekort tot hetzij een week, hetzij twee weken, hetzij drie weken.
   Wanneer het resterend gedeelte van de maximumperiode van onderbreking als bedoeld in artikel 117, § 2, tweede en achtste lid, ingevolge de toepassing van het eerste lid minder bedraagt dan de minimale onderbrekingsperiode van één maand, heeft de ambtenaar het recht om dit saldo zonder akkoord van de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde, op te nemen.
   De voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde kan de uitoefening van het in eerste lid bedoelde recht weigeren. In dit geval dient de voorzitter van het directiecomité, de secretaris-generaal of hun afgevaardigde zijn beslissing schriftelijk mee te delen aan de ambtenaar binnen twee werkdagen na de ontvangst van de mededeling zoals gebeurd overeenkomstig artikel 8bis.]1

  
Art. 117ter. [1 Par dérogation à l'article 117, § 2, alinéas 1er et 9, la période minimale d'interruption peut être réduite, moyennant l'accord du président du comité de direction, du secrétaire général ou de leur délégué, à soit une semaine, soit deux semaines, soit trois semaines.
   Lorsque, suite à l'application de l'alinéa 1er, la partie restante de la période maximale d'interruption visée à l'article 117, § 2, alinéas 2 et 8, est inférieure à la période d'interruption minimale d'un mois, l'agent a le droit de prendre ce solde sans l'accord du président du comité de direction, du secrétaire général ou de leur délégué.
   Le président du comité de direction, le secrétaire général ou leur délégué peut refuser l'exercice du droit visé à l'alinéa 1er. Dans ce cas, le président du comité de direction, le secrétaire général ou leur délégué doit communiquer sa décision par écrit à l'agent dans les deux jours ouvrables qui suivent la réception de la communication effectuée conformément à l'article 8bis.]1

  
Art.118. § 1. Aan de ambtenaar die zijn loopbaan voltijds onderbreekt, wordt een uitkering van (260,39 EUR) per maand toegekend. <KB 2000-07-20/72, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Het bedrag van de uitkering wordt nochtans tot (285,18 EUR) per maand verhoogd wanneer de loopbaanonderbreking ingaat binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie van een tweede kind waarvoor het personeelslid dat zijn loopbaan onderbreekt of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangt. <KB 2000-07-20/72, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Het bedrag van de uitkering wordt nochtans tot (309,97 EUR) verhoogd wanneer de loopbaanonderbreking ingaat binnen een termijn van drie jaar (vanaf elke geboorte of adoptie volgend op die van een tweede kind) waarvoor de werknemer die zijn loopbaan onderbreekt, of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangt. <KB 2000-07-20/72, art. 21, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2002-06-10/31, art. 16, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  De bedragen voorzien in het eerste en tweede lid blijven behouden, ook in geval van verlenging van de oorspronkelijke onderbrekingsperiode, tot maximaal de eerste dag van de maand volgend op de maand waarop het rechtgevend kind de leeftijd van drie jaar bereikt of, in geval van adoptie, tot maximaal de eerste dag van de maand volgend op de maand gedurende de welke de derde verjaardag van de homologatie van de adoptieakte wordt bereikt. In geval van overlijden van het kind dat het recht heeft geopend op dit bedrag blijft dit bedrag behouden voor de duur van de lopende onderbrekingsperiode of totdat het kind de leeftijd van drie jaar zou hebben bereikt of tot de derde verjaardag van de homologatie van de adoptieakte zou bereikt worden.
  Indien de ambtenaar tijdens een lopende loopbaanonderbreking een aanvraag doet tot het krijgen van een verhoogde onderbrekingsuitkering zoals voorzien in het eerste of het tweede lid, kan deze verhoogde uitkering toegekend worden vanaf de eerst dag van de maand volgend op de aanvraag. Als aanvraag geldt hier het indienen van de bewijsstukken waarvan sprake is in het artikel 134, tweede lid.
  § 3. Wanneer de in de vorige §§ voorziene uitkeringen niet voor een volledige maand verschuldigd zijn worden ze verminderd naar verhouding van de werkelijke duur van de loopbaanonderbreking voor die maand.
  § 4. De in dit artikel bedoelde uitkeringen worden betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
Art. 118. § 1er. Une allocation de (260,39 EUR) par mois est accordée à l'agent qui interrompt complètement sa carrière. <AR 2000-07-20/72, art. 21, 004; En vigueur : 01-01-2002>
  § 2. Le montant de l'allocation est toutefois porté à (285,18 EUR) par mois, lorsque l'interruption de la carrière prend cours dans un délai de trois ans à partir de la naissance ou de l'adoption d'un deuxième enfant, pour lequel l'agent, qui interrompt sa carrière ou son conjoint vivant sous le même toit perçoit des allocations familiales. <AR 2000-07-20/72, art. 21, 004; En vigueur : 01-01-2002>
  Le montant de l'allocation est toutefois porté à (309,97 EUR) par mois lorsque l'interruption de la carrière prend cours dans un délai de trois ans (à partir de chaque naissance ou adoption qui suit celle d'un deuxième enfant), pour lequel l'agent ou son conjoint vivant sous le même toit reçoit des allocations familiales. <AR 2000-07-20/72, art. 21, 004; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2002-06-10/31, art. 16, 009; En vigueur : 01-07-2002>
  Les montants prévus à l'alinéa 1er et 2 restent acquis, aussi en cas de prolongation de la période initiale d'interruption, au plus tard jusqu'au premier jour du mois suivant le mois au cours duquel l'enfant qui a ouvert le droit atteint l'âge de trois ans ou, en cas d'adoption, au plus tard jusqu'au premier jour du mois qui suit le mois au cours duquel le troisième anniversaire de l'homologation de l'acte d'adoption est atteint. En cas de décès de l'enfant qui a ouvert le droit à ce montant, ce dernier reste acquis jusqu'à la fin de la période d'interruption en cours ou jusqu'à ce que l'enfant eût atteint l'âge de trois ans ou le troisième anniversaire de l'homologation de l'acte d'adoption aurait été atteint.
  Si l'agent, pendant une interruption en cours, sollicite le bénéfice d'une allocation majorée telle que prévue aux alinéas 1er ou 2, celle-ci peut être octroyée à partir du premier jour du mois qui suit la demande. Est considérée comme demande, l'introduction des pièces justificatives dont question à l'article 134, alinéa 2.
  § 3. Lorsque les allocations prévues aux §§ précédents ne sont pas dues pour un mois complet, elles sont réduites au prorata de la durée réelle de l'interruption de carrière pour ce mois.
  § 4. Les allocations visées dans le présent article sont payées par l'Office national de l'Emploi.
Art.119. <KB 2002-06-10/31, art. 17, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De ambtenaar die zijn loopbaan halftijds onderbreekt ontvangt per maand een onderbrekingstoelage van 130,20 EUR.
  Wanneer de halftijdse onderbreking van de loopbaan aanvangt binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie van een tweede kind, wordt het maandelijkse bedrag van de onderbrekingstoelage, die bedoeld is in het eerste lid, verhoogd tot 142,59 EUR.
  Wanneer de halftijdse onderbreking van de loopbaan aanvangt binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie vanaf elke geboorte of adoptie volgend op die van een tweede kind, wordt het maandelijkse bedrag van de onderbrekingstoelage, die bedoeld is in het eerste lid, verhoogd tot 154,99 EUR.
  De in dit artikel vermelde uitkeringen worden betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
Art. 119. <AR 2002-06-10/31, art. 17, 009; En vigueur : 01-07-2002> L'agent qui interrompt sa carrière à mi-temps perçoit par mois une allocation d'interruption de 130,20 EUR.
  Lorsque l'interruption à mi-temps de la carrière prend cours dans un délai de trois ans à partir de la naissance ou de l'adoption d'un deuxième enfant le montant mensuel de l'allocation d'interruption visé à l'alinéa 1er, est augmenté jusqu'à 142,59 EUR.
  Lorsque l'interruption à mi-temps de la carrière prend cours dans un délai de trois ans à partir de chaque naissance ou adoption qui suit celle d'un deuxième enfant, le montant mensuel de l'allocation d'interruption visé à l'alinéa 1er, est augmenté jusqu'à 154,99 EUR.
  Les allocations visées dans le présent article sont payées par l'Office national de l'Emploi.
Art.120. De in artikelen 118 en 119 vastgestelde bedragen blijven nochtans slechts behouden gedurende de eerste twaalf maanden van loopbaanonderbreking. Na deze periode worden ze verminderd met 5 pct.
Art. 120. Les montants fixés aux articles 118 et 119 ne restent cependant acquis que pendant les douze premiers mois de l'interruption de la carrière. Après cette période ils sont diminués de 5 %.
Art.121. De onderbrekingsuitkeringen worden geïndexeerd en zijn gekoppeld aan de spilindex 143,59. De indexering geschiedt vanaf de tweede maand die volgt op het einde van de periode van twee maanden tijdens dewelke het gemiddeld indexcijfer het cijfer bereikt dat een wijziging rechtvaardigt.
  Voor de toepassing van deze indexering wordt het indexcijfer der consumptieprijzen van elke maand vervangen door het rekenkundig gemiddelde van het indexcijfer van de betrokken maand en de indexcijfers der drie voorgaande maanden.
  Iedere maal dat het gemiddelde van het volgens het tweede lid vervangen indexcijfer van twee opeenvolgende maanden een der spilindexen bereikt of er op teruggebracht wordt, worden de onderbrekingsuitkeringen gekoppeld aan de spilindex 143,59 opnieuw berekend door de coëfficiënt 1,02n er op toe te passen waarin n de rang van de bereikte spilindex vertegenwoordigt.
  Te dien einde, wordt iedere spilindex aangeduid met een volgnummer die zijn rang opgeeft, het nr. 1 duidt de spilindex aan die volgt op de spilindex 143,59.
  Voor het berekenen van de coëfficient 1,02n, worden de breuken van een tienduizendste van een eenheid afgerond tot het hogere tienduizendste of weggelaten naargelang zij al dan niet 50 pct. van een tienduizendste bereiken.
  Wanneer het overeenkomstig de voorgaande bepalingen berekend bedrag der onderbrekingsuitkering (wordt uitgedrukt in euro en cent wordt het afgerond naar de hogere of lager cent naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al dan niet 5 bereikt). <KB 2001-12-11/48, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 121. Les allocations d'interruption sont indexées et liées à l'indice-pivot 143.59. L'indexation est applicable à partir du deuxième mois qui suit la fin de la période de deux mois pendant laquelle l'indice moyen atteint le chiffre qui justifie une modification.
  Pour l'application de cette indexation, l'indice des prix à la consommation de chaque mois est remplacé par la moyenne arithmétique de l'indice des prix du mois concerné et des indices des prix des trois mois précédents.
  Chaque fois que la moyenne des indices des prix, remplacés selon l'alinéa 2 de deux mois consécutifs, atteint l'un des indices-pivot ou est ramenée à l'un d'eux, les allocations d'interruption rattachées à l'indice-pivot 143.59 sont calculées à nouveau en les affectant du coefficient 1,02n, représentant le rang de l'indice-pivot atteint.
  A cet effet, chacun des indices-pivot est désigne par un numéro de suite indiquant son rang, le n° 1 désignant l'indice-pivot qui suit l'indice 143,59.
  Pour le calcul du coefficient 1,02n, les fractions de dix millième d'unités sont arrondies au dix millième supérieur ou négligées, selon qu'elles atteignent ou non 50 % d'un dix millième.
  Quand le montant de l'allocation d'interruption calculé conformément aux dispositions qui précèdent, (est libellé en euros et cents, il est arrondi au cent supérieur selon que le chiffre des cent millièmes atteint ou n'atteint pas 5). <AR 2001-12-11/48, art. 9, 007; En vigueur : 01-01-2002>
Art.122. § 1. (Behoudens de bepalingen inzake belangenconflicten en mits voorafgaandelijke mededeling aan de overheid door de ambtenaar van de aard van de uitgeoefende activiteit), kunnen de onderbrekingsuitkeringen gecumuleerd worden met de inkomsten die voortvloeien, ofwel uit het uitoefenen van een politiek mandaat, ofwel uit een bijkomende activiteit als loontrekkende die reeds (gedurende ten minste drie maanden) werd uitgeoefend vóór de onderbreking van de loopbaan, ofwel uit de uitoefening van een zelfstandige activiteit. De cumulatie van inkomsten uit een zelfstandige activiteit is echter uitsluitend mogelijk in geval van volledige onderbreking en dit slechts gedurende een periode van maximum twaalf maanden. <KB 1999-05-26/35, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999> <KB 2007-06-14/31, art. 9, 020; Inwerkingtreding : 02-07-2007>
  [3 De onderbrekingsuitkeringen kunnen ook gecumuleerd worden met de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit in geval van een vermindering van de arbeidsprestaties. In dat geval, in zoverre deze zelfstandige activiteit reeds uitgeoefend werd gedurende ten minste twaalf maanden die het begin van de vermindering van de arbeidsprestaties voorafgaan, wordt de cumulatie toegelaten gedurende een periode van maximum :
   - vierentwintig maanden, in geval van vermindering met 1/2 van een voltijdse betrekking;
   - zestig maanden, in geval van vermindering met 1/5 of 1/10 van een voltijdse betrekking.]3

  [1 [2 De onderbrekingsuitkeringen kunnen niet gecumuleerd worden met een pensioen, uitgezonderd:
   a) met een overgangsuitkering overeenkomstig het Eerste Boek, Titel 1, Hoofdstuk II bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, Hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen of Hoofdstuk IV van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
   b) met een overlevingspensioen gedurende een eenmalige periode van maximaal 12 al dan niet opeenvolgende kalendermaanden.]2

  [2 De onder b) genoemde periode van 12 kalendermaanden wordt verminderd met het aantal maanden waarin:
   - een vergoeding in de zin van artikel 64quinquies van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
   - een vergoeding in de zin van artikel 107quater van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
   - een vervangingsinkomen in de zin van artikel 76, 10° van de programmawet van 28 juni 2013,
   gecumuleerd werd met het genot van een overlevingspensioen.]2

   Worden voor de toepassing van deze bepaling als een pensioen aangemerkt de ouderdoms-, rust-, anciënniteits-, of overlevingspensioenen, en andere als dusdanig geldende voordelen, toegekend :
   a) door of krachtens een Belgische of buitenlandse wet;
   b) door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut.]1

  (Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als bijkomende activiteit als loontrekkende beschouwd, de activiteit in loondienst waarvan het aantal werkuren gemiddeld het aantal werkuren in de onderbroken betrekking niet overschrijdt.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als zelfstandige activiteit beschouwd, de activiteit die de ambtenaar, op grond van de van kracht zijnde reglementering, ertoe verplicht zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der zelfstandigen.) <KB 1999-05-26/35, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  § 2. Wanneer het personeelslid enige betaalde arbeid in loondienst begint te verrichten of een zodanige bijkomstige werkzaamheid uitbreidt, moet hij de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel 133 voorafgaandelijk hiervan op de hoogte brengen alvorens een zodanige werkzaamheid te verrichten.
  De ambtenaar verliest de aanspraak op uitkeringen op de dag dat een in het eerste lid bedoelde werkzaamheid wordt uitgeoefend of bij meer dan twaalf [3 , vierentwintig of zestig]3 maanden zelfstandige activiteit [3 , zoals bepaald in § 1, tweede lid]3.
  Indien de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel 133 niet op de hoogte is gebracht alvorens een werkzaamheid wordt uitgeoefend, wordt de reeds betaalde uitkering teruggevorderd.
  § 3. Het personeelslid wordt, voor de betwistingen die voortvloeien uit de uitoefening van de in de §§ 1 en 2 bedoelde activiteiten en voor de controle op deze activiteiten, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen.
  
Art. 122. § 1er. (Sous réserve des dispositions relatives aux conflits d'intérêts et moyennant information préalable à l'autorité par l'agent de la nature de l'activité exercée), les allocations d'interruption peuvent être cumulées avec les revenus provenant, soit de l'exercice d'un mandat politique, soit d'une activité accessoire en tant que travailleur salarié déjà exercée (pendant au moins trois mois) avant l'interruption de la carrière, soit de l'exercice d'une activité indépendante. Toutefois, le cumul des revenus provenant d'une activité indépendante n'est possible qu'en cas d'interruption complète et seulement pendant une période de maximum douze mois. <AR 1999-05-26/35, art. 19, 002; En vigueur : 01-05-1999> <AR 2007-06-14/31, art. 9, 020; En vigueur : 02-07-2007>
  [3 Les allocations d'interruption peuvent aussi être cumulées avec l'exercice d'une activité indépendante complémentaire en cas de réduction des prestations de travail. Dans ce cas, pour autant que cette activité indépendante ait déjà été exercée durant au moins les douze mois qui précèdent le début de la réduction des prestations de travail, le cumul est autorisé pendant une période maximale de :
   - vingt-quatre mois, en cas de réduction d'1/2 d'un emploi à temps plein;
   - soixante mois, en cas de réduction d'1/5 ou d'1/10 d'un emploi à temps plein.]3

  [1 [2 Les allocations d'interruption ne peuvent pas être cumulées avec une pension, hormis :
   a) avec une allocation de transition, conformément au Livre Premier, Titre 1er, Chapitre II bis, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, Chapitre II de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants ou Chapitre IV de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;
   b) avec une pension de survie pendant une période unique de 12 mois civils consécutifs ou non.]2

  [2 La période de 12 mois civils visée sous b) est réduite du nombre de mois où :
   - une indemnité au sens de l'article 64quinquies de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;
   une indemnité au sens de l'article 107quater de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants;
   - un revenu de remplacement, au sens de l'article 76, 10° de la loi-programme du 28 juin 2013,
   a été cumulé avec le bénéfice d'une pension de survie.]2

   Pour l'application de cette disposition, sont considérées comme pension, la pension de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de survie, et tous autres avantages en tenant lieu, accordés :
   a) par ou en vertu d'une loi belge ou étrangère;
   b) par un organisme de sécurité sociale, un pouvoir public ou d'utilité publique, belge ou étranger.]1

  (Pour l'application du présent paragraphe, est considérée comme activité accessoire en tant que travailleur salarié, l'activité salariée dont le nombre d'heures de travail, en moyenne, ne dépasse pas le nombre d'heures de travail dans l'emploi qui est interrompu.
  Pour l'application du présent paragraphe, est considérée comme activité indépendante, l'activité qui impose à l'agent, sur base de la réglementation en vigueur, de s'inscrire auprès de l'Institut national d'Assurances sociales pour travailleurs indépendants.) <AR 1999-05-26/35, art. 19, 002; En vigueur : 01-05-1999>
  § 2. Lorsque l'agent entame une activité de salarié rémunérée quelconque ou accroît une telle activité accessoire, il doit en avertir le directeur du bureau du chômage visé à l'article 133 préalablement à l'exercice d'une telle activité.
  L'agent perd le bénéfice de l'allocation le jour de l'exercice d'une activité visée à l'alinéa 1er ou le jour où il compte plus de douze [3 , vingt-quatre ou soixante]3 mois d'activité indépendante [3 , tel que visé au § 1er, alinéa 2.]3.
  Si le directeur du bureau du chômage visé à l'article 133 n'a pas été avisé préalablement à l'exercice d'une activité, l'allocation déjà payée est récupérée.
  § 3. L'agent est, pour les litiges qui découlent de l'exercice des activités visées aux §§ 1er et 2 et pour le contrôle de ces activités, assimilé au travailleur visé à l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption.
  
Art.123. Indien de ambtenaar geen recht heeft op onderbrekingsuitkeringen als gevolg van een beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel 133 of afziet van deze uitkeringen, wordt de loopbaanonderbreking omgezet in non-activiteit.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de personeelsleden die afzien van de uitkeringen omdat de uitkeringen overeenkomstig de koninklijke besluiten nrs. 415, 416 en 418 van 16 juli 1986 niet verenigbaar zijn met het genot van een pensioen. Het is evenmin van toepassing op de personeelsleden die het recht op uitkeringen verloren hebben omdat zij de termijn van [1 ...]1 zelfstandige activiteit voorzien in artikel 122, § 2, tweede lid overschreden hebben.
  
Art. 123. Si l'agent n'a pas droit aux allocations d'interruption à la suite d'une décision du directeur du bureau du chômage visé à l'article 133 ou s'il y renonce, l'interruption de la carrière professionnelle est convertie en non-activité.
  L'alinéa 1er n'est pas applicable aux agents qui renoncent aux allocations d'interruption parce que celles-ci, conformément aux arrêtés royaux n° 415, 416 et 418 du 16 juillet 1986, ne sont pas compatibles avec le bénéfice d'une pension. Il ne s'applique pas non plus aux agents qui ont perdu le droit aux allocations d'interruption parce qu'ils ont dépassé le délai de [1 ...]1 d'activité indépendante prévu à l'article 122, § 2, alinéa 2.
  
Art.124. Het verlof voor loopbaanonderbreking is niet bezoldigd. Het wordt voor het overige nochtans gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 124. Le congé pour interruption de la carrière, n'est pas rémunéré; il est toutefois assimilé pour le surplus à de l'activité de service.
Art.125. <KB 2002-01-28/33, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 13-02-2002> Tijdens een periode van (halftijdse) loopbaanonderbreking mag de ambtenaar geen verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid verrichten. <KB 2002-06-10/31, art. 18, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  [1 Het adoptieverlof, het opvangverlof, het pleegouderverlof, het verlof voor moederschapsbescherming en het omgezet moederschapsverlof stellen een einde aan de stelsels van voltijdse en deeltijdse loopbaanonderbreking.]1
  
Art. 125. <AR 2002-01-28/33, art. 10, 008; En vigueur : 13-02-2002> Au cours d'une période d'interruption (à mi-temps) de la carrière, l'agent ne peut exercer des prestations réduites pour convenance personnelle. <AR 2002-06-10/31, art. 18, 009; En vigueur : 01-07-2002>
  [1 Le congé d'adoption, le congé d'accueil, le congé parental d'accueil, le congé pour la protection de la maternité et le congé de maternité converti mettent fin aux régimes d'interruption de carrière à temps plein et à mi-temps.]1
  
Art.126. § 1. Op zijn verzoek en per aangetekende brief kan de ambtenaar zijn ambt opnieuw opnemen vooraleer de periode van loopbaanonderbreking verlopen is behoudens een opzegperiode van twee maanden, tenzij de overheid waarvan hij afhangt een kortere periode aanvaardt.
  § 2. (De onderbrekingsuitkeringen die ontvangen werden voor een periode die minder bedraagt dan de verschillende minimumperiodes voorzien bij deze afdeling worden aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.) <KB 1999-05-26/35, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  De in het eerste lid bedoelde terugbetaling wordt niet gevorderd wanneer de periode van onderbreking onmiddellijk volgt op een andere periode van loopbaanonderbreking.
  [1 In afwijking van het eerste lid heeft de ambtenaar die een loopbaanonderbreking opneemt als bedoeld in de artikelen 116, § 1, 117, § § 1 en 2, 117bis en 117ter van hoofdstuk V, mits hij het akkoord verkrijgt van de overheid waaronder hij ressorteert, de mogelijkheid om de onderbreking stop te zetten voor de afloop van de verschillende minimumperiodes als bedoeld in de artikelen 116, § 1, 117, § § 1 en 2, 117bis en 117ter, van hoofdstuk V. De ambtenaar is ertoe gehouden deze stopzetting tijdig schriftelijk ter kennis te brengen van het werkloosheidsbureau. Zo de kennisgeving aan het werkloosheidsbureau plaatsvindt nadat de onderbreking al werd stopgezet en de uitkeringen al volledig werden betaald voor de maand waarin de vervroegde stopzetting heeft plaatsgevonden, zullen de onterecht toegekende uitkeringen worden teruggevorderd.
   Indien is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het derde lid, leidt een stopzetting voor de afloop van de minimumperiode niet tot een terugvordering van de uitkeringen die betrekking hebben op de voorafgaande periode. De dag van de stopzetting van de onderbreking van de arbeidsprestaties, en de dagen die hierop volgen en voorafgaan aan het einde van de minimumperiode, worden proportioneel in mindering gebracht van de uitkering die betrekking heeft op de maand waarin de stopzetting plaatsvindt.
   Een stopzetting voor de afloop van de minimumperiodes, bedoeld in het derde lid, doet geen afbreuk aan het feit dat de niet-opgenomen dagen die nodig zijn om aan de minimumduur te voldoen in rekening worden gebracht voor het bepalen van:
   1° de maximumduur van 60 maanden bedoeld in artikel 116, § 1;
   2° de maximumduur van 12, 24 of 48 maanden bedoeld in artikel 117, § 2;
   3° de maximumduur van 4, 8, 20 of 40 maanden bedoeld in artikel 35, § 1.
   Wat betreft het verlof voor erkende mantelzorgers, bepaald in artikel 117, § 1bis, zijn de bepalingen voorzien in het koninklijk besluit van 20 juli 2021 houdende uitvoering van artikel 100ter, § 3, tweede lid, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen van toepassing.]1

  § 3. De Administrateur-Generaal van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of de door deze laatste aangewezen ambtenaar kan afzien van de terugvordering in geval van werkhervatting gemotiveerd door uitzonderlijke omstandigheden als de ambtenaar daartoe een verzoekschrift, eventueel vergezeld van de nodige bewijsstukken, heeft ingediend bij de directeur van het werkloosheidsbureau bedoeld in artikel 133 die het aan de administrateur-generaal doet toekomen.
  
Art. 126. § 1er. A sa demande, l'agent peut reprendre sa fonction avant l'échéance de la période d'interruption moyennant un préavis de deux mois communiqué par lettre recommandée à l'autorité dont il relève, à moins que celle-ci n'accepte un délai plus court.
  § 2. (Les allocations d'interruption perçues pour une période inférieure aux différentes périodes minimales prévues par la présente section sont remboursées à l'Office national de l'Emploi.) <AR 1999-05-26/35, art. 20, 002; En vigueur : 01-05-1999>
  Le remboursement prévu à l'alinéa 1er n'est pas réclamé lorsque la période d'interruption fait immédiatement suite à une autre période d'interruption de carrière.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'agent qui prend une interruption de carrière visée aux articles 116, § 1er, 117, § § 1er et 2, 117bis et 117ter, du chapitre V, a, moyennant l'accord de l'autorité dont il relève, la possibilité de mettre fin à l'interruption avant l'expiration des différentes durées minimales prévues aux articles 116, § 1er, 117, § § 1er et 2, 117bis et 117ter, du chapitre V. L'agent est tenu d'informer le bureau de chômage de cette cessation par écrit et en temps utile. Si la communication au bureau de chômage est effectuée alors que l'interruption a déjà cessé et que le paiement des allocations a déjà été effectué en totalité pour le mois pendant lequel la cessation anticipée a eu lieu, les allocations octroyées à tort seront récupérées.
   Si les conditions visées à l'alinéa 3 sont remplies, la cessation intervenue avant l'expiration de la durée minimale n'entraîne pas la récupération des allocations afférentes à la période précédente. Le jour de la cessation de l'interruption des prestations de travail, ainsi que les jours qui suivent cette cessation et précèdent l'expiration de la durée minimale, sont déduits proportionnellement de l'allocation afférente au mois au cours duquel la cessation intervient.
   Le fait que la cessation ait lieu avant l'expiration des durées minimales, visées à l'alinéa 3, n'affecte pas le principe selon lequel les jours non pris qui sont nécessaires pour atteindre la durée minimale sont pris en compte dans le calcul de:
   1° la durée maximale de 60 mois visée à l'article 116, § 1er;
   2° la durée maximale de 12, 24 ou 48 mois visée à l'article 117, § 2;
   3° la durée maximale de 4, 8, 20 ou 40 mois visée à l'article 35, § 1er.
   En ce qui concerne le congé pour les aidants proches reconnus visé à l'article 117, § 1erbis, les dispositions prévues dans l'arrêté royal du 20 juillet 2021 portant exécution de l'article 100ter, § 3, alinéa 2, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales sont d'application.]1

  § 3. L'administrateur général de l'Office national de l'Emploi ou l'agent désigné par lui peut renoncer à la récupération en cas de reprise de travail motivée par des circonstances exceptionnelles si l'agent introduit à cet effet une requête éventuellement accompagnée des pièces justificatives nécessaires auprès du directeur du bureau de chômage visé à l'article 133 qui la transmet à l'administrateur général.
  
Art.127. <KB 2005-06-15/31, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 01-09-2002> Om te kunnen genieten van onderbrekingsuitkeringen dient de betrokken ambtenaar over een woonplaats te beschikken in een land behorende tot de (Europese Economische Ruimte of in Zwitserland). <KB 2007-06-07/54, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 01-06-2002>
  [1 ...]1
  De onderbrekingsuitkeringen worden echter slechts in België uitbetaald. [2 ...]2
  [2 De onderbrekingsuitkeringen worden eenmaal per maand, na vervallen termijn betaald. De betaling geschiedt uiterlijk binnen de termijn van één maand. Deze termijn vangt aan de derde werkdag volgend op het tijdstip waarop de beslissing tot toekenning van het recht op onderbrekingsuitkeringen aan de ambtenaar werd meegedeeld en ten vroegste vanaf de dag waarop de uitbetalingsvoorwaarden voldaan zijn.]2
  [2 De uitkeringen worden betaald per overschrijving op een financiële rekening behorend tot de eengemaakte eurobetalingsruimte, zoals gecreëerd ingevolge de Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG.]2
  
Art. 127. <AR 2005-06-15/31, art. 5, 014; En vigueur : 01-09-2002> Pour pouvoir bénéficier d'allocations d'interruption, l'agent concerné doit disposer d'un domicile dans un pays appartenant à (l'Espace économique européen ou en Suisse). <AR 2007-06-07/54, art. 4, 021; En vigueur : 01-06-2002>
  [1 ...]1
  Les allocations d'interruption ne sont toutefois payables qu'en Belgique. [2 ...]2
  [2 Les allocations d'interruption sont payées une fois par mois à terme échu. Le paiement a lieu au plus tard dans le délai d'un mois. Ce délai prend cours le troisième jour ouvrable qui suit le moment où la décision d'octroi du droit aux allocations d'interruption a été communiquée à l'agent et au plus tôt à partir du jour où les conditions de paiement sont remplies.]2
  [2 Les allocations sont payées par virement sur un compte financier appartenant à l'espace unique de paiements en euros, tel que créé en vertu de la Directive (UE) 2015/2366 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2015 concernant les services de paiement dans le marché intérieur, modifiant les directives 2002/65/CE, 2009/110/CE et 2013/36/UE et le règlement (UE) n° 1093/2010, et abrogeant la directive 2007/64/CE.]2
  
Afdeling 2. - Vervanging.
Section 2. - Remplacement.
Art.128. (Met toepassing van de bepalingen van de artikelen 100 en 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen en van artikel 97, § 3, van de programmawet van 30 december 1988, (kan het bestuur) de ambtenaar gedurende de loopbaanonderbreking te vervangen door een werkloze die, op het moment van de indienstneming aan de volgende voorwaarden moet voldoen : <KB 2002-12-12/36, art. 21, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1°) ofwel vergoed worden in een uitkeringsstelsel van volledige uitkeringen voor alle dagen van de week;
  2°) ofwel de hoedanigheid hebben van deeltijds werknemer met behoud van rechten die een inkomensgarantie-uitkering geniet in toepassing van artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
  3°) ofwel volledig werkloos zijn, ingeschreven zijn als werkzoekende en het bestaansminimum genieten dat is vastgesteld door de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en bij de bevoegde gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling ingeschreven zijn op voorwaarde het ontvangen van het bestaansminimum te bewijzen gedurende ten minste drie maanden tijdens de zes maanden die aan de indienstneming voorafgaan;
  4°) ofwel volledig werkloos zijn, ingeschreven zijn als werkzoekende, ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, recht hebben op sociale bijstand maar geen recht hebben op het bestaansminimum wegens de nationaliteit en bij de bevoegde gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling ingeschreven zijn, op voorwaarde het ontvangen van sociale bijstand te bewijzen gedurende ten minste drie maanden tijdens de zes maanden die aan de indienstneming voorafgaan;
  5°) ofwel minder-valide werknemer in een beschermde werkplaats zijn zoals vermeld in artikel 78 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991;
  6°) ofwel jonge werknemer zijn die alle toelaatbaarheids- en toekenningsvoorwaarden vervult om recht te hebben op de wachtuitkeringen die bepaald zijn in artikel 36 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, met uitzondering van die voor de wachtperiode vermeld in artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van datzelfde besluit, voor zover het bewijs ervan wordt voorgelegd;
  7°) ofwel een persoon zijn die zich wenst in te schakelen of terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en die tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
  a) het bewijs leveren dat hij tijdens zijn beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of ermee gelijkgestelde in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd heeft tijdens een periode van achttien maanden of aantonen dat hij minstens een werkloosheidsuitkering op basis van zijn arbeidsprestaties genoten heeft, buiten de onder b) vermelde periode;
  b) op het ogenblik van de indienstneming geen werkloosheidsuitkering genoten hebben en geen arbeidsprestatie als loontrekkende of zelfstandige geleverd hebben tijdens een periode van minstens vierentwintig maanden zonder onderbreking;
  c) als werkzoekende ingeschreven zijn op het ogenblik van de indienstneming;
  8°) ofwel door een arbeidsovereenkomst verbonden werknemer zijn in de zin van artikel 11 ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, op voorwaarde :
  a) uitkeringen voor alle dagen van de week genoten hebben als uitkeringsgerechtigde volledige werkloze, onmiddellijk vóór het begin van de uitvoering van de vervangingsovereenkomst of één van de voorwaarden vervullen die vastgesteld zijn in 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, en 7° of in 9°;
  b) dat de vervangingsperiode waarvoor hij in dienst genomen is beëindigd is;
  9°) ofwel werkzoekende zijn van wie het recht op uitkeringen geschorst is wegens langdurige werkloosheid, krachtens de bepalingen van Hoofdstuk 3, Afdeling 8, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 of op grond van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid en die gedurende ten minste vierentwintig maanden zonder onderbreking geen vergoedingen meer genoten heeft in het raam van de werkloosheidsreglementering.) <KB 1999-05-26/35, art. 21, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  Voor de toepassing van dit artikel wordt de werknemer die, de dag vóór zijn indienstneming, als vervanger voor een loopbaanonderbreking tewerkgesteld was in dezelfde openbare dienst, geacht de in het eerste lid gestelde voorwaarden te vervullen.
Art. 128. (En application des dispositions des articles 100 et 102 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales et de l'article 97, § 3, de la loi-programme du 30 décembre 1988, (l'administration peut) remplacer l'agent pendant la période d'interruption de la carrière par un chômeur qui, au moment de l'engagement, doit remplir les conditions suivantes : <AR 2002-12-12/36, art. 21, 011; En vigueur : 01-01-2002>
  1°) ou bien bénéficier dans le régime d'indemnisation des allocations complètes pour tous les jours de la semaine;
  2°) ou bien avoir la qualité de travailleur à temps partiel avec maintien des droits bénéficiant d'une allocation de garantie de revenus, en application de l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
  3°) ou bien être chômeur complet, être inscrit comme demandeur d'emploi bénéficiant du minimum des moyens d'existence fixé par la loi du 7 août 1974 instaurant un droit au minimum de moyens d'existence et être inscrit auprès du Service régional de Placement compétent, à condition de prouver le bénéfice du minimum de moyens d'existence pendant au moins trois mois au cours des six mois qui précèdent l'engagement;
  4°) ou bien être chômeur complet, être inscrit comme demandeur d'emploi, être inscrit dans le registre de la population, bénéficiant de l'aide sociale mais n'ayant pas droit au minimum de moyens d'existence en raison de la nationalité et être inscrit auprès du Service régional de Placement compétent, à condition de prouver le bénéfice de l'aide sociale pendant au moins trois mois au cours des six mois qui précèdent l'engagement;
  5°) ou bien être travailleur handicapé occupé dans un atelier protége tel que visé à l'article 78 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité;
  6°) ou bien être jeune travailleur remplissant toutes les conditions d'admissibilité et d'octroi pour avoir droit aux allocations d'attente déterminées à l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité, à l'exception de celles de la période d'attente visée à l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 4° de ce même arrêté, pour autant que la preuve en soit produite;
  7°) ou bien être une personne qui souhaite s'insérer ou se réinsérer sur le marché du travail et qui en même temps, satisfait aux conditions suivantes :
  a) apporter la preuve qu'au cours de sa carrière professionnelle, elle a presté 312 jours de travail ou jours y assimilés au sens de la réglementation du chômage au cours d'une période de dix-huit mois ou démontrer qu'elle a bénéficié d'au moins une allocation de chômage sur la base de ses prestations de travail, en dehors de période visée sous b);
  b) au moment de l'engagement, n'avoir bénéficié d'aucune allocation de chômage et n'avoir fourni aucune prestation de travail en tant que salarié ou indépendant pendant une période d'au moins vingt-quatre mois ininterrompus;
  c) être inscrite en tant que demandeur d'emploi au moment de l'engagement;
  8°) ou bien être travailleur lié par un contrat de remplacement au sens de l'article 11ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, à condition :
  a) d'avoir bénéficié d'allocations pour tous les jours de la semaine, en tant que chômeur complet indemnisé, immédiatement avant le début de l'exécution du contrat de remplacement ou de remplir une des conditions fixées au 2°, 3°, 4°, 5°, 6° et 7° ou au 9°;
  b) que la période de remplacement pour laquelle il a été engagé soit terminée;
  9°) ou bien être demandeur d'emploi dont le droit aux allocations a été suspendu pour chômage de longue durée en vertu des dispositions du Chapitre 3, Section 8, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité ou sur base de l'article 143 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage et qui n'a plus bénéficié d'allocations dans le cadre de la réglementation relative au chômage pendant au moins vingt-quatre mois sans interruption.) <AR 1999-05-26/35, art. 21, 002; En vigueur : 01-05-1999>
  Pour l'application du présent article, est censé remplir les conditions prévues à l'alinéa 1er, le travailleur qui, le jour précédant son engagement, était occupé comme remplaçant pour une interruption de la carrière dans le même service public.
Art.129. Onder de in artikel 128 opgesomde categorieën werklozen dient het bestuur voorrang te verlenen aan de (bij SELOR. - Selectiebureau van de federale overheid) geslaagde kandidaten. <KB 2002-09-05/37, art. 132, 010; Inwerkingtreding : 26-09-2002, zie ook KB 2002-09-05/37, art. 242>
Art. 129. Entre les catégories de chômeurs énumérées à l'article 128, l'administration est tenue d'accorder la priorité aux lauréats (du SELOR. - Bureau de Sélection de l'administration fédérale). <AR 2002-09-05/37, art. 132, 010; En vigueur : 26-09-2002, voir aussi AR 2002-09-05/37, art. 242>
Afdeling 3. - Aanvraag van de onderbrekingsuitkering en procedure.
Section 3. - Demande de l'allocation d'interruption et procédure.
Art.133. [1 De ambtenaar die een onderbrekingsuitkering wenst te genieten, dient bij een ter post aangetekende brief een aanvraag in gericht aan het adres van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat is vermeld op het aanvraagformulier bedoeld in artikel 134.]1
  
Art. 133. [1 L'agent qui désire bénéficier d'une allocation d'interruption introduit une demande par lettre recommandée à la poste à l'adresse de l'Office national de l'Emploi mentionnée sur le formulaire de demande visé à l'article 134.]1
  
Art.134. De aanvraag dient te gebeuren door middel van het formulier waarvan het model en de inhoud vastgesteld worden door het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening [1 ...]1.
  De Minister van Tewerkstelling en Arbeid bepaalt welke bewijsstukken de ambtenaar bij zijn aanvraag dient te voegen indien hij aanspraak maakt op de verhoogde uitkering voorzien bij artikel 118, § 2, of bij artikel 119, §§ 2 en 3, alsmede de termijnen binnen welke deze bewijsstukken dienen ingediend te worden.
  (Lid 3 opgeheven) <KB 1999-05-26/35, art. 23, 002; Inwerkingtreding : 01-05-1999>
  De aanvraagformulieren kunnen worden verkregen op het werkloosheidsbureau.
  
Art. 134. La demande doit être introduite au moyen du formulaire dont le modèle et le contenu sont détermines par le Comité de gestion de l'Office national de l'Emploi [1 ...]1.
  Le Ministre de l'Emploi et du Travail détermine les instruments de preuve que l'agent doit joindre à sa demande, lorsqu'il prétend à l'allocation majorée prévue à l'article 118, § 2, ou à l'article 119, §§ 2 et 3, ainsi que les délais dans lesquels ces preuves doivent être introduites.
  (Alinéa 3 abrogé) <AR 1999-05-26/35, art. 23, 002; En vigueur : 01-05-1999>
  Les formulaires de demande peuvent être obtenus auprès du bureau du chômage.
  
Art.135. Elke verlenging of nieuwe aanvraag dient te worden ingediend met inachtneming van dezelfde formaliteiten en termijnen als een eerste aanvraag.
Art. 135. Toute prolongation ou toute nouvelle demande doit être introduite dans les mêmes formes et délais qu'une première demande.
Art.136. [1 [2 Het recht op uitkeringen gaat in de dag aangeduid op de aanvraag om uitkeringen, wanneer alle nodige documenten, behoorlijk en volledig ingevuld, verzonden zijn naar het adres van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat is vermeld op het aanvraagformulier, binnen de termijn van twee maanden, die ingaat de dag na de dag aangeduid in de aanvraag, en berekend van datum tot datum.]2 Wanneer de documenten behoorlijk en volledig ingevuld verzonden worden na die termijn, gaat het recht op uitkeringen slechts in de dag van de verzending ervan.
   Indien het recht op uitkeringen op een latere datum ingaat overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid, wordt de ambtenaar, wat zijn bestuur betreft, toch geacht in loopbaanonderbreking te zijn vanaf de dag die op het aanvraagformulier is aangegeven.]1

  
Art. 136. [1 [2 Le droit aux allocations est ouvert à partir du jour indiqué sur la demande d'allocations, lorsque tous les documents nécessaires, dûment et entièrement remplis, sont envoyés à l'adresse de l'Office national de l'Emploi mentionnée sur le formulaire de demande, dans le délai de deux mois, prenant cours le lendemain du jour indiqué sur la demande, et calculé de date à date.]2 Lorsque ces documents dûment et entièrement remplis, sont envoyés en dehors de ce délai, le droit aux allocations n'est ouvert qu'à partir du jour de leur envoi.
   Lorsque le droit aux allocations est ouvert à une date ultérieure, conformément aux dispositions de l'alinéa 1er, l'agent est cependant considéré comme étant en interruption de carrière, pour ce qui concerne son administration, depuis le jour mentionné sur le formulaire de demande.]1

  
Art.137. De directeur van het bevoegde werkloosheidsbureau neemt alle beslissingen inzake toekenning of ontzegging van het recht op onderbrekingen na de nodige onderzoekingen en navorsingen te hebben verricht of laten verrichten. Hij noteert zijn beslissing op een onderbrekingsuitkeringskaart waarvan het model en de inhoud worden vastgesteld door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De directeur stuurt een exemplaar van deze onderbrekingsuitkeringskaart aan de ambtenaar.
Art. 137. Le directeur du bureau du chômage compétent prend toutes décisions en matière d'octroi ou d'exclusion du droit aux allocations d'interruption, après avoir procédé ou fait procéder aux enquêtes nécessaires. Il inscrit sa décision sur une carte d'interruption d'allocations dont le modèle et le contenu sont fixés par l'Office national de l'Emploi. Le directeur envoie un exemplaire de cette carte d'interruption d'allocations à l'agent.
Art.138. <KB 2002-06-10/31, art. 19, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1 Alvorens een beslissing tot uitsluiting of terugvordering van uitkeringen te nemen, roept de directeur de ambtenaar op om hem te horen. De ambtenaar moet evenwel niet worden opgeroepen om te worden gehoord in zijn verweermiddelen :
  1° wanneer de beslissing tot uitsluiting het gevolg is van een werkhervatting, een pensionering of een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, of van het feit dat de loopbaanonderbreker de uitoefening van een zelfstandige activiteit voortzet terwijl hij reeds gedurende één jaar de uitoefening van deze activiteit heeft gecumuleerd met het genot van onderbrekingsuitkeringen;
  2° in geval van terugvordering ten gevolge van de toekenning van een uitkeringsbedrag dat niet overeenstemt met de bepalingen van de artikelen 118, 119 en 120;
  3° wanneer de ambtenaar schriftelijk heeft meegedeeld dat hij niet wenst te worden verhoord.
  Indien de ambtenaar de dag van de oproeping belet is, mag hij vragen het verhoor te verdagen tot een latere datum die niet later mag vallen dan vijftien dagen na die welke voor het eerste verhoor was vastgesteld.
  Behoudens gevallen van overmacht wordt het uitstel maar eenmaal verleend.
  De aanvraag tot uitstel moet, behoudens in de gevallen van overmacht, op het werkloosheidsbureau toekomen uiterlijk de dag voor de dag waarop de ambtenaar werd opgeroepen.
  De ambtenaar kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, bedoeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en vakbonden van haar personeel.
  § 2. De beslissing van de directeur, waarbij onrechtmatig ontvangen onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd, wordt bij een ter post aangetekend schrijven aan de betrokken ambtenaar ter kennis gebracht en vermeldt zowel de periode voor dewelke teruggevorderd wordt als het terug te vorderen bedrag.
  De directeur zendt een afschrift van deze beslissing aan de overheid onder welke de ambtenaar ressorteert.
  De beslissingen van de directeur moeten, op straffe van verval, binnen drie maanden na kennisgeving aan de bevoegde Arbeidsrechtbank voorgelegd worden.
  [1 § 3. De bepalingen in § 1, eerste lid, zijn evenwel niet van toepassing, indien onderstaande voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
   1° de Rijksdienst heeft een niet toegelaten cumulatie vastgesteld met een bijkomende activiteit als loontrekkende in de zin van artikel 122;
   2° de ambtenaar werd schriftelijk in kennis gesteld van deze vaststelling en van de mogelijkheid om binnen de vijftien dagen na de afgifte ter post van de brief van de Rijksdienst schriftelijk verweer te laten geworden of schriftelijk te vragen om gehoord te worden.
   Indien de ambtenaar in toepassing van deze paragraaf, vraagt gehoord te worden, wordt toepassing gemaakt van §§ 1 en 2.
   § 4. De directeur kan afzien van de terugvordering wanneer:
   - ofwel de onderbrekingsuitkeringen ten onrechte zijn uitbetaald ten gevolge van een juridische of materiële vergissing van het werkloosheidsbureau;
   - ofwel de ambtenaar die een vereiste aangifte niet heeft gedaan of deze laattijdig heeft gedaan, bewijst dat hij te goeder trouw heeft gehandeld en dat hij recht zou gehad hebben op uitkeringen indien hij tijdig zijn aangifte zou hebben gedaan.]1

  [2 Wanneer de ambtenaar evenwel bewijst dat hij te goeder trouw uitkeringen ontvangen heeft waarop hij geen recht had, wordt in elk geval de terugvordering beperkt tot de laatste honderdvijftig dagen van onverschuldigde toekenning. Deze beperking wordt niet in acht genomen in geval van cumulatie met een prestatie toegekend krachtens een regeling van sociale zekerheid.]2
  
Art. 138. <AR 2002-06-10/31, art. 19, 009; En vigueur : 01-07-2002> § 1er. Préalablement à toute décision d'exclusion ou de récupération des allocations, le directeur convoque l'agent aux fins d'être entendu. Cependant, l'agent ne doit pas être convoqué pour être entendu en ses moyens de défense :
  1° lorsque la décision d'exclusion est due à une reprise de travail, une mise à la pension, une fin de contrat de travail ou au fait que l'interrompant poursuit l'exercice d'une activité indépendante alors qu'il a cumulé pendant un an l'exercice de cette activité avec le bénéfice des allocations d'interruption;
  2° dans le cas d'une récupération à la suite de l'octroi d'un montant d'allocations ne correspondant pas aux dispositions des articles 118, 119 et 120;
  3° lorsque l'agent a communiqué par écrit qu'il ne désire pas être entendu.
  Si l'agent est empêché le jour de la convocation, il peut demander la remise de l'audition à une date ultérieure, laquelle ne peut être postérieure de plus de quinze jours à celle qui était fixée pour la première audition.
  La remise n'est accordée qu'une seule fois, sauf en cas de force majeure.
  La demande de remise doit, sauf en cas de force majeure, parvenir au bureau de chômage au plus tard la veille du jour auquel l'agent a été convoqué.
  L'agent peut se faire représenter ou se faire assister par un avocat ou un délégué d'une organisation syndicale représentative, visée dans la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
  § 2. La décision du directeur, par laquelle des allocations d'interruption perçues indûment sont récupérées, est notifiée à l'agent concerné par lettre recommandée à la poste et doit mentionner aussi bien la période pour laquelle il y a récupération que le montant à récupérer.
  Le directeur envoie une copie de cette décision à l'autorité dont l'agent relève.
  Les décisions du directeur doivent, sous peine de déchéance, être soumises au Tribunal du Travail compétent, dans les trois mois de la notification de la décision.
  [1 § 3. Les dispositions du § 1er, alinéa 1er, ne s'appliquent pas, si les conditions suivantes sont simultanément remplies :
   1° l'Office a constaté un cumul non autorisé avec une activité complémentaire en tant que salarié au sens de l'article 122;
   2° l'agent a été informé par écrit de cette constatation et de la possibilité, dans les quinze jours qui suivent le dépôt à la poste de la lettre de l'Office, de se défendre par écrit ou de demander par écrit une audition.
   Si l'agent demande une audition en application de ce paragraphe, les §§ 1er et 2 sont d'application.
   § 4. Le directeur peut renoncer à la récupération lorsque :
   - soit les allocations d'interruption ont été payées à tort à la suite d'une erreur juridique ou matérielle du bureau du chômage;
   - soit l'agent qui n'a pas effectué une déclaration requise ou l'a effectuée tardivement, prouve qu'il a agi de bonne foi et qu'il aurait eu droit aux allocations s'il avait effectué à temps sa déclaration.]1

  [2 Toutefois, lorsque l'agent prouve qu'il a perçu de bonne foi des allocations auxquelles il n'avait pas droit, la récupération est, en tous cas, limitée aux cent cinquante derniers jours d'indemnisation indue. Cette limitation n'est pas applicable en cas de cumul avec une prestation accordée en vertu d'un régime de sécurité sociale.]2
  
Art. 138/1. [1 Het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is gemachtigd om geheel of gedeeltelijk af te zien van de nog terug te betalen bedragen overeenkomstig de artikelen 171 tot en met 174, met uitzondering van artikel 173, 5°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.]1
  
Art. 138/1. [1 Le Comité de gestion de l'Office national de l'Emploi est autorisé à renoncer en tout ou en partie aux sommes restant à rembourser, conformément aux articles 171 à 174 inclus, à l'exception de l'article 173, 5°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage]1
  
Afdeling 4. - Toezicht.
Section 4. - Contrôle.
Art.139. Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, worden de personeelsleden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, aangewezen overeenkomstig artikel 22 van de wet van 14 februari 1961 van economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art. 139. Sans préjudice des devoirs qui incombent aux officiers de police judiciaire, les membres du personnel de l'Office national de l'Emploi, désignés conformément à l'article 22 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, sont chargés du contrôle des dispositions du présent chapitre.
HOOFDSTUK XIV. - Verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid.
CHAPITRE XIV. - Prestations réduites pour convenance personnelle.
Art.140. [1 De ambtenaar mag zijn ambt met verminderde prestaties uitoefenen voor persoonlijke aangelegenheden.
   De ambtenaar moet de helft, [2 drie vijfden,]2 twee derden, drie vierden, vier vijfden of negen tienden van de prestaties volbrengen die hem normaal worden opgelegd.
   De machtiging om verminderde prestaties te leveren wordt toegekend voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vierentwintig maanden.
   De verminderde prestaties moeten steeds een aanvang nemen bij het begin van de maand.]1

  
Art. 140. [1 L'agent peut exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle.
   L'agent est tenu d'accomplir la moitié, [2 les trois cinquièmes,]2 les deux tiers, les trois quarts, les quatre cinquièmes ou les neuf dixièmes de la durée des prestations qui lui sont normalement imposées.
   L'autorisation d'exercer des prestations réduites est accordée pour une période de trois mois au moins et de vingt-quatre mois au plus.
   Les prestations réduites doivent toujours prendre cours au début du mois.]1

  
Art.141. De ambtenaar kan zijn ambt voltijds hernemen, vooraleer de toegestane periode verstrijkt behoudens een opzegperiode van drie maanden tenzij de overheid een kortere periode aanvaardt.
Art. 141. L'agent peut reprendre ses fonctions à temps plein avant l'expiration de la période accordée moyennant un préavis de trois mois à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court.
Art.142. § 1. Tijdens de duur van afwezigheid is de ambtenaar op non-activiteit. Hij kan niettemin zijn aanspraken op bevordering doen gelden.
  De bevordering (tot een hogere (klasse) of graad) maakt een einde aan de machtiging tot het uitoefenen van zijn ambt met verminderde prestaties. <KB 2004-08-04/30, art. 133, 013; Inwerkingtreding : 01-12-2004> <KB 2008-11-19/30, art. 96, 022; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  § 2. De ambtenaar geniet de wedde die verschuldigd is voor de verminderde prestaties.
  [1 ...]1
  
Art. 142. § 1er. Durant la période d'absence, l'agent est en non-activité. Il peut néanmoins faire valoir ses titres à la promotion.
  La promotion (à une (classe) ou à un grade supérieurs) met fin d'office à l'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites. <AR 2004-08-04/30, art. 133, 013; En vigueur : 01-12-2004> <AR 2008-11-19/30, art. 96, 022; En vigueur : 01-12-2008>
  § 2. L'agent bénéficie du traitement dû en raison des prestations réduites.
  [1 ...]1
  
Art.143. De machtiging om verminderde prestaties te verrichten wordt opgeschort zodra de ambtenaar één van de volgende verloven bekomt :
  1° [1 verlof in het kader van de moederschapsbescherming, omgezet moederschapsverlof, ouderschapsverlof, adoptieverlof, opvangverlof en pleegouderverlof;]1
  2° (...) <KB 2002-06-10/31, art. 20, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  3° verlof om een stage of een proefperiode te vervullen;
  4° verlof om kandidaat te zijn voor de verkiezingen;
  5° verlof om in vredestijd prestaties te verrichten bij het korps Civiele Bescherming;
  6° verlof voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de Civiele Bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980;
  7° verlof om een ambt uit te oefenen bij een ministerieel kabinet;
  8° verlof voor een opdracht die van algemeen belang is erkend;
  9° verlof voor werkzaamheden bij een erkende politieke groep in een federale wetgevende vergadering of een wetgevende vergadering van een Gemeenschap of een Gewest of bij de voorzitter van één van die groepen;
  10° om ter beschikking te worden gesteld van de Koning, van een Prins of van een Prinses van Belgïe;
  11° zoals bepaald in artikel 77, § 1, van het koninklijk besluit van 28 september 1984 houdende de uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
  
Art. 143. L'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites est suspendue dès que l'agent obtient un des congés suivants :
  1° [1 congé dans le cadre de la protection de la maternité, congé de maternité converti, congé parental, congé d'adoption, congé d'accueil et congé parental d'accueil ;]1
  2° (...) <AR 2002-06-10/31, art. 20, 009; En vigueur : 01-07-2002>
  3° congé pour accomplir un stage ou une période d'essai;
  4° congé pour présenter sa candidature aux élections;
  5° congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile;
  6° congé en vue de l'accomplissement de certaines prestations militaires en temps de paix, ainsi que de services dans la protection civile ou de tâches d'utilité publique en application des lois portant le statut des objecteurs de conscience, coordonnées le 20 février 1980;
  7° congé pour exercer une fonction dans un cabinet ministériel;
  8° congé pour une mission reconnue d'intérêt général;
  9° congé pour exercer une activité auprès d'un groupe politique reconnu d'une assemblée législative fédérale, communautaire ou régionale ou auprès du président d'un de ces groupes;
  10° pour être mis à la disposition du Roi, d'un Prince ou d'une Princesse de Belgique;
  11° visé à l'article 77, § 1er, de l'arrêté royal du 28 septembre 1984 portant exécution de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
  
HOOFDSTUK XV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van de rijksambtenaren.
CHAPITRE XV. - Modification de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
Art.144. Artikel 28ter, § 1, derde lid, 3°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, ingevoegd door het koninklijk besluit van 22 februari 1985, wordt vervangen door de volgende tekst :
  "3° de verloven bedoeld in de artikels 15 en 20 van de koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen;".
Art. 144. L'article 28ter, § 1er, alinéa 3, 3°, de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, inséré par l'arrêté royal du 22 février 1985, est remplacé par le texte suivant :
  " 3° les congés visés aux articles 15 et 20 de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat; ".
Art.145. Artikel 102 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967, 2 april 1975, 5 april 1976, 24 november 1978, 22 januari 1979, 16 november 1981, 18 november 1982, 3 juli 1985, 28 februari 1986, 16 april 1991, 21 november 1991 en 4 maart 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 102. Onder door Ons bepaalde voorwaarden krijgt de ambtenaar in dienstactiviteit verlof :
  1° voor jaarlijkse vakantie en op de feestdagen, omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof;
  2° voor moederschapsbescherming; vaderschapsverlof;
  3° ouderschapsverlof; voor opvang met het oog op adoptie of pleegvoogdij;
  4° om dwingende redenen van familiaal belang;
  5° wegens ziekte;
  6° wegens verwijdering uit een schadelijke arbeidsomgeving;
  7° voor verminderde prestaties wegens ziekte;
  8° voor sociale promotie en om deel te nemen aan vormingsactiviteiten;
  9° wegens opdracht;
  10° voor onderbreking van de beroepsloopbaan;
  11° voor vakbondsopdrachten;
  12° voor werkzaamheden bij een politieke groep die erkend is in een wetgevende vergadering van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, respectievelijk bij de voorzitter van een van die groepen;
  13° voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de Civiele Bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wet van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden;
  14° halfttijdse vervroegde uittreding;
  15° om viervijfde van de prestaties die hem normaal worden opgelegd te verrichten over vier werkdagen per week.".
Art. 145. L'article 102 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 13 novembre 1967, 2 avril 1975, 5 avril 1976, 24 novembre 1978, 22 janvier 1979, 16 novembre 1981, 18 novembre 1982, 3 juillet 1985, 28 février 1986, 16 avril 1991, 21 novembre 1991 et 4 mars 1993, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 102. Aux conditions fixées par Nous, l'agent en activité de service obtient des congés :
  1° annuels de vacances et jours féries, de circonstances et exceptionnels;
  2° pour la protection de la maternité; de paternité;
  3° parental; d'accueil en vue de l'adoption ou de la tutelle officieuse;
  4° pour motifs impérieux d'ordre familial;
  5° pour maladie;
  6° pour écartement d'un milieu de travail nocif;
  7° pour prestations réduites pour maladie;
  8° pour promotion sociale et pour formation;
  9° pour mission;
  10° pour interruption de la carrière professionnelle;
  11° pour activité syndicale;
  12° pour exercer une activité auprès d'un groupe politique reconnu d'une assemblée législative fédérale, communautaire ou régionale ou auprès du président d'un de ces groupes;
  13° en vue de l'accomplissement de certaines prestations militaires en temps de paix, ainsi que de services dans la protection civile ou de tâches d'utilité publique en application de la loi du 20 février 1980 portant coordination des lois relatives au statut des objecteurs de conscience;
  14° pour départ anticipé à mi-temps;
  15° pour accomplir à raison de 4 jours ouvrables par semaine, quatre cinquièmes des prestations qui lui sont normalement attribués. ".
Art.146. Artikel 106, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 november 1967, 26 mei 1975, 27 juli 1981 en 30 maart 1983, wordt door de volgende tekst vervangen :
  "3° indien hij de toelating bekomt om voltijds afwezig te zijn voor een periode van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden; ".
Art. 146. L'article 106, 3°, du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 13 novembre 1967, 26 mai 1975, 27 juillet 1981 et 30 mars 1983, est remplacé par le texte suivant :
  " 3° lorsque, pour des raisons personnelles, il obtient l'autorisation de s'absenter à temps plein pour une période de longue durée; ".
Art.147. Artikel 108, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 13 november 1967, wordt opgeheven.
Art. 147. L'article 108, 3°, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 13 novembre 1967, est abrogé.
HOOFDSTUK XVI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van sommige instellingen van openbaar nut.
CHAPITRE XVI. - Modification de l'arrêté royal du 8 janvier 1973 fixant le statut du personnel de certains organismes d'intérêt public.
Art.148. In artikel 3, § 1 van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 augustus 1973, 10 mei 1976, 13 september 1979, 16 november 1979, 26 januari 1984, 13 juli 1987, 25 november 1993 en 15 september 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 7° wordt opgeheven;
  2° punt 9° wordt vervangen door de volgende tekst :
  "9° Koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen; ";
  3° de punten 17°, 18°, 25° en 32° worden opgeheven.
Art. 148. A l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 8 janvier 1973 fixant le statut du personnel de certains organismes d'intérêt public, modifié par les arrêtés royaux des 20 août 1973, 10 mai 1976, 13 septembre 1979, 16 novembre 1979, 26 janvier 1984, 13 juillet 1987, 25 novembre 1993 et 15 septembre 1997, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le 7° est abrogé;
  2° le 9° est remplacé par le texte suivant :
  " 9° arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et absences accordes aux membres du personnel des administrations de l'Etat; ";
  3° les 17°, 18°, 25° et 32° sont abrogés.
Art.149. Hoofdstuk VII van titel III van hetzelfde besluit, dat artikel 33 bevat, wordt opgeheven.
Art. 149. Le chapitre VII du titre III du même arrêté, comprenant l'article 33, est abrogé.
Art.150. Het hoofdstuk XIV van titel III van hetzelfde besluit, dat de artikels 43 tot 47 bevat, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  "HOOFDSTUK XIV. - Nadere regels voor de toepassing van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
  Art. 43. Artikel 55 moet als volgt worden gelezen :
  "Art. 55. De disponibiliteit wordt uitgesproken door de benoemende overheid. Binnen de grenzen welke deze bepaalt mag zij voor de ambtenaren van de niveau's 2+, 2, 3 en 4 haar bevoegdheid overdragen aan de leidend ambtenaar of, in voorkomend geval, aan de adjunct-leidend ambtenaar of nog aan een dienstchef.".
  Art. 44. Artikel 60, § 2 dient als volgt te worden gelezen :
  " § 2. Aan de in § 1 bedoelde beslissing moet het advies van de leidend ambtenaar of, in voorkomend geval, van de adjunct-leidend ambtenaar, voorafgaan.".
  Art. 45. Artikel 64 moet als volgt worden gelezen :
  "Art. 64. Aan de disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst moet een voorstel voorafgaan gedaan door de leidend ambtenaar of, in voorkomend geval, door de adjunct-leidend ambtenaar. Van dat voorstel wordt kennis gegeven aan de ambtenaar die daartegen kan opkomen bij de bevoegde raad van beroep.".
Art. 150. Le chapitre XIV du titre III du même arrêté, comprenant les articles 43 à 47, est remplacé par les dispositions suivantes :
  " CHAPITRE XIV. - Modalités d'application de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et absences accordes aux membres du personnel des administrations de l'Etat. ".
  " Art. 43. L'article 55 doit se lire comme suit :
  " Art. 55. La mise en disponibilité est prononcée par l'autorité qui exerce le pouvoir de nomination. Dans les limites qu'elle détermine, celle-ci peut déléguer son pouvoir pour les agents des niveaux 2+, 2, 3 et 4 au fonctionnaire dirigeant ou, le cas échéant, au fonctionnaire dirigeant adjoint ou encore à un chef de service. ". ".
  " Art. 44. A l'article 60, le § 2 doit se lire comme suit :
  " § 2. La décision visée au § 1er doit être précédée de l'avis du fonctionnaire dirigeant ou, le cas échéant, du fonctionnaire dirigeant adjoint. ". ".
  " Art. 45. L'article 64 doit se lire comme suit :
  " Art. 64. La mise en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service doit être précédée d'une proposition établie par le fonctionnaire dirigeant adjoint. Cette proposition est notifiée à l'agent qui peut exercer un recours devant la Chambre de recours compétente. ". ".
Art.151. Hoofdstuk XV van titel III van hetzelfde besluit, dat artikel 48 bevat, wordt opgeheven.
Art. 151. Le chapitre XV du titre III du même arrêté, comprenant l'article 48, est abrogé.
HOOFDSTUK XVII. - Overgangsbepalingen en slotbepalingen.
CHAPITRE XVII. - Dispositions transitoires et finales.
Art.152. De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit verminderde prestaties uitoefenen gewettigd door sociale of familiale redenen of wegens persolijke aangelegenheid of in disponibiliteit zijn wegens persoonlijke aangelegenheden, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.
  (De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juni 2002, tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een deeltijdse loopbaanonderbreking genieten ten belope van een kwart of een derde, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.
  De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juni 2002, tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een verlof voor opdracht genieten blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde machtiging is afgelopen.) <KB 2002-06-10/31, art. 21, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2002 houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen of medische bijstand ten belope van één derde of één vierde van hun normale prestaties genieten, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.) <KB 2002-12-12/36, art. 23, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [1 De ambtenaren die op datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 9 maart 2017 tot wijziging van diverse bepalingen rond flexwerk in de overheidssector een afwezigheid van lange duur of verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden genieten, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.]1
  Dit artikel is ook toepasselijk op de vastbenoemde ambtenaren van de instellingen van openbaar nut waarvan het personeel onder de toepassing valt van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut.
  
Art. 152. Les agents qui, à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, exercent des prestations réduites pour raisons sociales ou familiales ou pour convenance personnelle ainsi que ceux qui sont en disponibilité pour convenance personnelle, restent régis par les dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à l'expiration de la période d'absence en cours.
  (Les agents qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 10 juin 2002, modifiant l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, bénéficient d'une interruption partielle de la carrière à raison d'un quart ou d'un tiers, restent régis par les dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à l'expiration de la période d'absence en cours.
  Les agents qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 10 juin 2002, modifiant l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, bénéficient d'un congé pour mission, restent régis par les dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à l'expiration de l'autorisation en cours.) <AR 2002-06-10/31, art. 21, 009; En vigueur : 01-07-2002>
  (Les agents qui bénéficient, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2002 portant des modifications de diverses dispositions réglementaires en matière de congés et d'absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, d'une interruption de la carrière professionnelle pour soins palliatifs ou assistance médicale à concurrence d'un tiers ou d'un quart de leurs prestations normales, restent soumis aux dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à ce que la période d'absence en cours soit écoulée.) <AR 2002-12-12/36, art. 23, 011; En vigueur : 01-01-2003>
  [1 Les agents qui bénéficient, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 9 mars 2017 modifiant diverses dispositions en matière de travail flexible dans le secteur public, d'une absence de longue durée ou des prestations réduites pour raisons personnelles, restent régis par les dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à l'expiration de la période d'absence en cours.]1
  Le présent article est également applicable aux agents définitifs des organismes d'intérêt public dont le personnel est soumis à l'arrêté royal du 8 janvier 1973 fixant le statut du personnel de certains organismes d'intérêt public.
  
Art.153. Voor de ambtenaren die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, hun loopbaan volledig hebben onderbroken, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de tweeënzeventig maanden vermeld in artikel 116 van dit besluit.
  (Voor de ambtenaren die vanaf 1 december 1998 hun loopbaan deeltijds hebben onderbroken, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de tweeënzeventig maanden halftijdse loopbaan-onderbreking bedoeld in artikel 116.) <KB 2002-06-10/31, art. 22, 009; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
  (Voor de ambtenaren die vóór 1 januari 2002 hun loopbaan hebben onderbroken voor palliatieve zorgen, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de maxima per omstandigheid bedoeld in artikel 117, § 1.
  Voor de ambtenaren die vóór 1 januari 2002 hun loopbaan hebben onderbroken wegens medische bijstand, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de maxima per omstandigheid bedoeld in artikel 117, § 2.) <KB 2002-12-12/36, art. 24, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [1 Voor de ambtenaren die tussen 1 december 1998 en 1 april 2017 een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden hebben genoten, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de maximumduur vermeld in artikel 113.
   Voor de ambtenaren die tussen 1 december 1998 en 1 april 2017 een ouderschapsverlof in toepassing van artikel 34 hebben genoten, worden deze periodes van verlof aangerekend op de maximumduur vermeld in artikel 34.]1

  Dit artikel is ook toepasselijk op de vastbenoemde ambtenaren van de instellingen van openbaar nut waarvan het personeel onder de toepassing valt van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut.
  
Art. 153. Pour les agents qui, avant la date d'entrée en vigueur du présent arrêté, ont interrompu leur carrière professionnelle de manière complète, les périodes d'absences sont imputées sur les septante-deux mois visés à l'article 116 du présent arrêté.
  (Pour les agents qui à partir du 1er décembre 1998 ont interrompu leur carrière à temps partiel, les périodes d'absence sont imputées sur les septante-deux mois d'interruption de carrière à mi-temps visés à l'article 116.) <AR 2002-06-10/31, art. 22, 009; En vigueur : 01-07-2002>
  (Pour les agents qui, avant le 1er janvier 2002, ont interrompu leur carrière professionnelle pour soins palliatifs, les périodes d'absences sont imputées sur les maxima par circonstance visés à l'article 117, § 1er.
  Pour les agents qui, avant le 1er janvier 2002, ont interrompu leur carrière professionnelle pour assistance médicale, les périodes d'absences sont imputées sur les maxima par circonstance visés à l'article 117, § 2.) <AR 2002-12-12/36, art. 24, 011; En vigueur : 01-01-2003>
  [1 Pour les agents qui ont bénéficié entre le 1er décembre 1998 et le 1er avril 2017 d'une absence de longue durée pour raisons personnelles, ces périodes d'absence sont imputées sur la durée maximum visée à l'article 113.
   Pour les agents qui ont bénéficié entre le 1er décembre 1998 et le 1er avril 2017 d'un congé parental en application de l'article 34, ces périodes de congé sont imputées sur la durée maximum visée à l'article 34.]1

  Le présent article est également applicable aux agents définitifs des organismes d'intérêt public dont le personnel est soumis à l'arrêté royal du 8 janvier 1973 fixant le statut du personnel de certains organismes d'intérêt public.
  
Art.154. Worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 7 maart 1963 tot vaststelling der diensten erkend van openbaar nut voor de toepassing van de wet van 27 juli 1962 waarbij sommige waarborgen worden verleend aan Belgische ambtenaren, magistraten en militairen die gemachtigd zijn in Kongo en in Ruanda-Urundi openbare ambten te aanvaarden;
  2° het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid;
  3° het koninklijk besluit van 1 juni 1964 houdende bijzondere bepalingen betreffende de stand disponibiliteit;
  4° het koninklijk besluit van 13 november 1967 betreffende de stand disponibiliteit van het rijkspersoneel;
  5° het koninklijk besluit van 13 november 1967 tot vaststelling van de administratieve toestand van de ambtenaren die met een opdracht worden belast;
  6° het koninklijk besluit van 26 mei 1975 betreffende de afwezigheden van lange duur gewettigd door familiale redenen;
  7° het koninklijk besluit van 28 februari 1991 betreffende de halftijdse loopbaanonderbreking in de rijksbesturen;
  8° het koninklijk besluit van 28 februari 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in de besturen en andere diensten van de ministeries;
  9° het koninklijk besluit van 15 september 1997 betreffende de opvang en de opleiding van de personeelsleden van de rijksbesturen.
  Opgeheven wordt, wat de personeelsleden betreft die bij arbeidsovereenkomst zijn in dienst genomen en die door dit besluit beoogd worden, het koninklijk besluit van 28 augustus 1963 betreffende het behoud van het normaal loon van de werklieden, de dienstboden, de bediende en de werknemers aangeworven voor de dienst op binnenschepen, voor afwezigheidsdagen ter gelegenheid van familiegebeurtenissen of voor de vervulling van staatsburgerlijke verplichtingen of van burgerlijke opdrachten.
Art. 154. Sont abrogés :
  1° l'arrêté royal du 7 mars 1963 déterminant les services reconnus d'utilité publique pour l'application de la loi du 27 juillet 1962 accordant certaines garanties aux agents, magistrats et militaires belges, autorisés à accepter des fonctions publiques au Congo et au Ruanda-Urundi;
  2° l'arrêté royal du 1er juin 1964 relatif à certains congés accordés à des agents des administrations de l'Etat et aux absences pour convenance personnelle;
  3° l'arrêté royal du 1er juin 1964 portant des dispositions particulières relatives à la position de disponibilité;
  4° l'arrêté royal du 13 novembre 1967 relatif à la position de disponibilité des agents de l'Etat;
  5° l'arrêté royal du 13 novembre 1967 fixant la situation administrative des agents de l'Etat chargés d'une mission;
  6° l'arrêté royal du 26 mai 1975 relatif aux absences de longue durée justifiées par des raisons familiales;
  7° l'arrêté royal du 28 février 1991 relatif à l'interruption à mi-temps de la carrière professionnelle dans les administrations de l'Etat;
  8° l'arrêté royal du 28 février 1991 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle dans les administrations et autres services des ministères;
  9° l'arrêté royal du 15 septembre 1997 concernant l'accueil et la formation des membres du personnel des administrations de l'Etat.
  Est abrogé, en ce qui concerne les membres du personnel engagés par contrat de travail et visés par le présent arrêté, l'arrêté royal du 28 août 1963 relatif au maintien de la rémunération normale des ouvriers, des travailleurs domestiques, des employés et des travailleurs engagés pour le Service des Bâtiments de navigation intérieure, pour les jours d'absence à l'occasion d'événements familiaux ou en vue de l'accomplissement d'obligations civiques ou de missions civiles.
Art.155. Dit besluit treedt in werking op 1 december 1998.
Art. 155. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er décembre 1998.
Art.156. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 156. Nos Ministres et Nos Secrétaires d'Etat sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. Lijst van de erkende opleidingen die gemeenschappelijk zijn voor alle ministeries. [1 opgeheven]1
  
Art. N1. Annexe I. Liste des formations agréées communes à tous les ministères. [1 supprimée]1
  
Art. N2. Bijlage II. - Modellen. [1 Opgeheven]1
  
Art. N2. Annexe II. Modèles. [1 supprimée]1