Artikel M. (Om technische redenen wordt deze omzendbrief onderverdeeld in fictieve artikelen : Art. M1 - M6).
De Vlaamse regering heeft op 26/06/1996 haar goedkeuring gehecht aan bovenvermeld besluit dat een subsidieregeling inhoudt voor bebossing van landbouwgronden. Hiermee vervult het Vlaams Gewest een verplichting als gevolg van de Verordening (EEG) 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunmaatregel voor bosbouwmaatregelen in de landbouw. Deze verordening is een begeleidende maatregel in uitvoering van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Verordeningen van de Europese Unie zijn bindend voor de lidstaten en dus ook voor het Vlaams Gewest. Deze verordening heeft als doel structuurmaatregelen in de landbouwsector te nemen via bebossing van landbouwgronden. Door bebossing wil men ook bijdragen tot het natuurbehoud en tot de bestrijding van het broeikaseffect.
Het programma van het Vlaams Gewest werd opgesteld na overleg met de bevoegde instanties binnen het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en in de interministeriële conferentie landbouw. Het voorziet in een bebossing van 10.000 ha landbouwgrond gedurende de periode 1996-2001.
Het ontwerp structuurplan Vlaanderen (bindende bepalingen) bepaalt dat er in de gewestplannen 10.000 ha bosuitbreidingsgebied afgebakend wordt, waarbinnen ecologisch verantwoorde bosuitbreiding plaatsvindt. Daarnaast is er binnen de agrarische structuur in 10.000 ha bosuitbreiding voorzien ter uitvoering van de EU-verordening 2080/92.
Het hier besproken subsidiebesluit is een uitvoeringsbesluit bij het decreet van 6 juli 1994 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1994. Dit besluit stelt hogere bedragen vast voor bebossing van landbouwgronden dan het besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1991, betreffende subsidiëring van de eigenaars van privé-bossen en de erkenning van bosgroeperingen van privé-boseigenaars, dat ongewijzigd is.
Bossen aangelegd ter uitvoering van dit besluit vallen volledig onder de toepassing van het bosdecreet (artikel 3 van het subsidiebesluit).
De administratieve eenheid die instaat voor de concrete uitvoering van dit besluit is :
Afdeling Bos & Groen
Administratie Milieu, Natuur, Land- en Waterbeheer
Departement Leefmilieu en Infrastructuur
Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap
Belliardstraat 14-18
1040 Brussel
Deze afdeling wordt in het bosdecreet en de uitvoeringsbesluiten onder de naam " Bosbeheer " aangeduid.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 DECEMBER 1996. - Omzendbrief LNW 96/1 houdende toelichting bij het besluit van de Vlaamse regering van 26 juni 1996 betreffende de subsidiëring van de bebossing van landbouwgronden ter uitvoering van de verordening (EEG) 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunmaatregel voor bosbouwmaatregelen in de landbouw (Belgisch Staatsblad van 11 oktober 1996). - Mededeling aan gemeenten en belanghebbenden.
Titre
10 DECEMBRE 1996. - Circulaire LNW 96/1. - Règlement 2080/92 du Conseil du 30 juin 1992.
Documentinformatie
Numac: 1997801875
Datum: 1996-12-10
Info du document
Numac: 1997801875
Date: 1996-12-10
Inhoud
Inleiding.
HOOFDSTUK I. - Begrip landbouwgrond en mogelijk...
HOOFDSTUK II . - Nodige vergunningen en adviezen.
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden m.b.t. de beplanti...
HOOFDSTUK IV. - Procedure voor indiening van ee...
HOOFDSTUK V. - Voorwaarden voor het bekomen en ...
HOOFDSTUK VI. - Terug in gebruik nemen van de m...
BIJLAGE.
Inhoud
Tekst (28)
Texte (1)
Inleiding.
Article M. (Pas de texte français, voir version néerlandaise).
-
HOOFDSTUK I. - Begrip landbouwgrond en mogelijke begunstigden.
-
Art. 1M 1.
1. Begrip landbouwgrond.
Artikel 1, 8° van het besluit geeft als definitie voor landbouwgronden : " alle gronden waarvan het landbouwgebruik bijgedragen heeft tot de inkomsten van de exploitant en waarvan het landbouwgebruik niet is stopgezet vóór 31 juli 1992.
" Landbouwgebruik wordt hierbij vrij ruim geïnterpreteerd. Als landbouwgrond wordt beschouwd :
- bouwland (graan, peulvruchten en verse groenten, aardappelen, suikerbieten, hakvruchten, handelsgewassen, zaaizaad en plantgoed, braakland)
- blijvend grasland
- meerjarige cultures (boomgaarden en kleinfruit, boomkwekerijen)
- braakliggende landbouwgrond : grond braakgelegd in het kader van de akkerbouwsteunregeling. (opmerking : de oppervlakte bosaanleg kan meegerekend worden in de oppervlakte voor de verplichte braaklegging ter uitvoering van het MB van 6 augustus 1994. De subsidie voor bebossing en de inkomenssteun komt dan in de plaats van braakleggingspremie. De inkomenssteun wordt verminderd tot het maximale bedrag van de braakleggingspremie).
De definitie van " landbouwgrond " staat dus los van de bestemming volgens het gewestplan. De bestemming volgens het gewestplan is bij de toepassing van deze subsidieregeling enkel van belang voor de nodige vergunningen en adviezen (zie hoofdstuk II).
De aanvrager dient via een verklaring op erewoord te bevestigen dat het landbouwgebruik van de te bebossen gronden niet ophield vóór 1992. De persoon die tot eind juli 1992 de landbouwgronden exploiteerde hoeft niet dezelfde te zijn als de persoon die nu de subsidie voor de bebossing aanvraagt.
1. Begrip landbouwgrond.
Artikel 1, 8° van het besluit geeft als definitie voor landbouwgronden : " alle gronden waarvan het landbouwgebruik bijgedragen heeft tot de inkomsten van de exploitant en waarvan het landbouwgebruik niet is stopgezet vóór 31 juli 1992.
" Landbouwgebruik wordt hierbij vrij ruim geïnterpreteerd. Als landbouwgrond wordt beschouwd :
- bouwland (graan, peulvruchten en verse groenten, aardappelen, suikerbieten, hakvruchten, handelsgewassen, zaaizaad en plantgoed, braakland)
- blijvend grasland
- meerjarige cultures (boomgaarden en kleinfruit, boomkwekerijen)
- braakliggende landbouwgrond : grond braakgelegd in het kader van de akkerbouwsteunregeling. (opmerking : de oppervlakte bosaanleg kan meegerekend worden in de oppervlakte voor de verplichte braaklegging ter uitvoering van het MB van 6 augustus 1994. De subsidie voor bebossing en de inkomenssteun komt dan in de plaats van braakleggingspremie. De inkomenssteun wordt verminderd tot het maximale bedrag van de braakleggingspremie).
De definitie van " landbouwgrond " staat dus los van de bestemming volgens het gewestplan. De bestemming volgens het gewestplan is bij de toepassing van deze subsidieregeling enkel van belang voor de nodige vergunningen en adviezen (zie hoofdstuk II).
De aanvrager dient via een verklaring op erewoord te bevestigen dat het landbouwgebruik van de te bebossen gronden niet ophield vóór 1992. De persoon die tot eind juli 1992 de landbouwgronden exploiteerde hoeft niet dezelfde te zijn als de persoon die nu de subsidie voor de bebossing aanvraagt.
-
Art. 2M 1.
2. Begunstigden.
De subsidieregeling is er niet alleen voor landbouwers, alhoewel er voor landbouwers in hoofdberoep wel enkele bijkomende premies mogelijk zijn.
Alle vormen van eigenaars van landbouwgrond of houders van een zakelijk recht op de grond komen in aanmerking voor de subsidie : zowel openbare als privé-eigenaars, en zowel rechtspersonen als natuurlijke personen. Voorwaarde is wel dat de grond vrij is van pacht.
Voor landbouwgrond die verpacht wordt, kan de pachter zelf een subsidie voor bebossing aanvragen, op voorwaarde dat hij een schriftelijk akkoord heeft van de eigenaar.
2. Begunstigden.
De subsidieregeling is er niet alleen voor landbouwers, alhoewel er voor landbouwers in hoofdberoep wel enkele bijkomende premies mogelijk zijn.
Alle vormen van eigenaars van landbouwgrond of houders van een zakelijk recht op de grond komen in aanmerking voor de subsidie : zowel openbare als privé-eigenaars, en zowel rechtspersonen als natuurlijke personen. Voorwaarde is wel dat de grond vrij is van pacht.
Voor landbouwgrond die verpacht wordt, kan de pachter zelf een subsidie voor bebossing aanvragen, op voorwaarde dat hij een schriftelijk akkoord heeft van de eigenaar.
-
HOOFDSTUK II . - Nodige vergunningen en adviezen.
-
Art. M2. Naargelang van de bestemming van de te bebossen grond volgens het gewestplan en/of de ligging in enkele speciale beschermingszones zijn er verschillende adviezen of vergunningen vereist. (zie schematisch overzicht)
De ligging op het gewestplan kan opgezocht worden bij de gemeentediensten, evenals de ligging in speciale beschermingszones, zoals Vogelrichtlijngebieden, Ramsargebieden en voorgestelde habitatgebieden. Van de bescherming als landschap zijn de eigenaars persoonlijk op de hoogte.
De aanvrager hoeft enkel de onder punt 1 en punt 2 vermelde vergunning aan de gemeente te vragen, voor zover die wettelijk vereist is. Alle overige adviezen worden ofwel door de gemeente (Monumenten en Landschappen en/of Natuur) ofwel na het indienen van de aanvraag door de afdeling Bos & Groen zelf aan de bevoegde diensten gevraagd.
De ligging op het gewestplan kan opgezocht worden bij de gemeentediensten, evenals de ligging in speciale beschermingszones, zoals Vogelrichtlijngebieden, Ramsargebieden en voorgestelde habitatgebieden. Van de bescherming als landschap zijn de eigenaars persoonlijk op de hoogte.
De aanvrager hoeft enkel de onder punt 1 en punt 2 vermelde vergunning aan de gemeente te vragen, voor zover die wettelijk vereist is. Alle overige adviezen worden ofwel door de gemeente (Monumenten en Landschappen en/of Natuur) ofwel na het indienen van de aanvraag door de afdeling Bos & Groen zelf aan de bevoegde diensten gevraagd.
-
Art. 1M 2.
1. Een vergunning van het college van Burgemeester en Schepenen conform artikel 35bis § 5 van het Veldwetboek : Deze vergunning is vereist voor bebossing in agrarisch gebied volgens gewestplan, ongeacht de overdruk, zowel voor privé-eigenaars als openbare eigenaars. Uiteraard hoeft een gemeente die op eigen terreinen bebost dergelijke vergunning niet voor te leggen.
Het college van Burgemeester en Schepenen is bij het afleveren van de vergunning niet verplicht vooraf het advies van de afdeling Land, afdeling Natuur of afdeling Bos & Groen in te winnen. De vergunning wordt al dan niet afgeleverd in het kader van het gemeentelijk beleid. De verschillende afdelingen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap geven immers in een latere fase onafhankelijk van elkaar hun advies op vraag van de afdeling Bos en Groen. Dit is een wijziging ten opzichte van de ministeriële omzendbrief van 2 april 1991 betreffende de toepassing van het bosdecreet op gemeentelijk vlak, hoofdstuk II, Ruimtelijke Ordening, 6de en 7de alinea. Indien het te bebossen terrein gelegen is in een beschermd landschap : zie onder punt 3 voor het advies van Monumenten en Landschappen.
" Het college beslist binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag. Doet het dit niet binnen die termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. De weigering van de vergunning is met redenen omkleed. Binnen een maand na de kennisgeving kan beroep worden ingesteld bij de bestendige deputatie. "
Het Veldwetboek bepaalt verder dat de bosaanplanting in of naast agrarisch gebied verboden is op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen twee erven. Meestal wordt dan ook in de vergunning van de gemeente het naleven van deze afstandsregel als voorwaarde gesteld.
1. Een vergunning van het college van Burgemeester en Schepenen conform artikel 35bis § 5 van het Veldwetboek : Deze vergunning is vereist voor bebossing in agrarisch gebied volgens gewestplan, ongeacht de overdruk, zowel voor privé-eigenaars als openbare eigenaars. Uiteraard hoeft een gemeente die op eigen terreinen bebost dergelijke vergunning niet voor te leggen.
Het college van Burgemeester en Schepenen is bij het afleveren van de vergunning niet verplicht vooraf het advies van de afdeling Land, afdeling Natuur of afdeling Bos & Groen in te winnen. De vergunning wordt al dan niet afgeleverd in het kader van het gemeentelijk beleid. De verschillende afdelingen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap geven immers in een latere fase onafhankelijk van elkaar hun advies op vraag van de afdeling Bos en Groen. Dit is een wijziging ten opzichte van de ministeriële omzendbrief van 2 april 1991 betreffende de toepassing van het bosdecreet op gemeentelijk vlak, hoofdstuk II, Ruimtelijke Ordening, 6de en 7de alinea. Indien het te bebossen terrein gelegen is in een beschermd landschap : zie onder punt 3 voor het advies van Monumenten en Landschappen.
" Het college beslist binnen dertig dagen na de indiening van de aanvraag. Doet het dit niet binnen die termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn. De weigering van de vergunning is met redenen omkleed. Binnen een maand na de kennisgeving kan beroep worden ingesteld bij de bestendige deputatie. "
Het Veldwetboek bepaalt verder dat de bosaanplanting in of naast agrarisch gebied verboden is op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen twee erven. Meestal wordt dan ook in de vergunning van de gemeente het naleven van deze afstandsregel als voorwaarde gesteld.
-
Art. 2M 2.
2. Een vergunning conform het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 1996 tot instelling van een vergunningsplicht voor de wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen.
Dit besluit is een identieke herneming van het besluit van 4 december 1991, dat vernietigd werd door de Raad van State.
Voor gronden gelegen in natuurgebied (al dan niet met wetenschappelijke waarde) of de natuurreservaten, bosgebied (al dan niet met ecologische waarde), valleigebieden, de vallei- en brongebieden, de agrarische gebieden met ecologische waarde, de Vogelrichtlijngebieden en de Ramsargebieden, de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, moet nagegaan worden of het vegetatiebesluit van toepassing is. Dit besluit is van toepassing indien op het te bebossen terrein vegetatie en/of lijn- en puntvormige elementen voorkomen in de zin van de bijlage I bij het besluit.
Als definitie voor vegetatie wordt in de bijlage I van het besluit vermeld : " Onder vegetatie moet worden verstaan :de natuurlijke en halfnatuurlijke begroeiing met alle spontaan gevestigde kruid-, struweel- en bosbegroeiingen, en dit onafhankelijk van het feit of het abiotisch milieu, vooral water en bodem, al dan niet door de mens beïnvloed of gevormd is. Het betreft zowel begroeiingen in het water als op het land. Ook bossen worden ertoe gerekend onafhankelijk van het feit of de boomlaag is aangeplant of niet. "
Cultuurgewassen zijn evenwel uitgesloten (art. 1 van het besluit).
Vooral in het geval van bebossing van niet recent omgeploegde en ingezaaide graslanden zal het vegetatiebesluit van toepassing zijn.
Voor lijn- en puntvormige elementen vermeldt de bijlage I van het besluit verder : " Onder lijn- en puntvormige elementen moet worden verstaan : de begroeiingen waarvan het uitzicht, de structuur en de aard gevormd en beïnvloed werd door menselijke activiteiten, waarbij de aanwezige planten ook bestaan uit ingezaaide of aangeplante planten die aangepast werden aan de omgeving en de functie van de betrokken en aangrenzende terreinen en die eigen zijn aan de Vlaamse flora.
Tot lijn- en puntvormige elementen worden gerekend : bomenrijen, oude heggen, houtkanten, houtwallen, hagen, hollewegen en goed ontwikkelde hoogstamboomgaarden, evenals smalle langgerekte elementen zoals wegbermen, spoorwegbermen, taluds, dijken en waterlopen. "
Behoudens vrijstelling (art. 3, § 2 van het besluit) is dan een vergunning van het college van Burgemeester en Schepenen vereist voor bebossing door privé-eigenaars, of van de ambtenaar van de afdeling Natuur voor bebossing door openbare eigenaars. Het college of de ambtenaar beslissen binnen de dertig dagen na de aanvraag. Het college vraagt advies aan de afdeling Natuur. Dit advies is niet bindend. Heeft de aanvrager geen beslissing ontvangen binnen de 5 dagen na het verstrijken van deze termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn.
Tegen elke beslissing van het college over een vergunningsaanvraag kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse minister bevoegd voor het Natuurbehoud binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de ontvangst van de beslissing. Ook de ambtenaar van de afdeling Natuur kan tegen de beslissing in beroep gaan.
2. Een vergunning conform het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 1996 tot instelling van een vergunningsplicht voor de wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen.
Dit besluit is een identieke herneming van het besluit van 4 december 1991, dat vernietigd werd door de Raad van State.
Voor gronden gelegen in natuurgebied (al dan niet met wetenschappelijke waarde) of de natuurreservaten, bosgebied (al dan niet met ecologische waarde), valleigebieden, de vallei- en brongebieden, de agrarische gebieden met ecologische waarde, de Vogelrichtlijngebieden en de Ramsargebieden, de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, moet nagegaan worden of het vegetatiebesluit van toepassing is. Dit besluit is van toepassing indien op het te bebossen terrein vegetatie en/of lijn- en puntvormige elementen voorkomen in de zin van de bijlage I bij het besluit.
Als definitie voor vegetatie wordt in de bijlage I van het besluit vermeld : " Onder vegetatie moet worden verstaan :de natuurlijke en halfnatuurlijke begroeiing met alle spontaan gevestigde kruid-, struweel- en bosbegroeiingen, en dit onafhankelijk van het feit of het abiotisch milieu, vooral water en bodem, al dan niet door de mens beïnvloed of gevormd is. Het betreft zowel begroeiingen in het water als op het land. Ook bossen worden ertoe gerekend onafhankelijk van het feit of de boomlaag is aangeplant of niet. "
Cultuurgewassen zijn evenwel uitgesloten (art. 1 van het besluit).
Vooral in het geval van bebossing van niet recent omgeploegde en ingezaaide graslanden zal het vegetatiebesluit van toepassing zijn.
Voor lijn- en puntvormige elementen vermeldt de bijlage I van het besluit verder : " Onder lijn- en puntvormige elementen moet worden verstaan : de begroeiingen waarvan het uitzicht, de structuur en de aard gevormd en beïnvloed werd door menselijke activiteiten, waarbij de aanwezige planten ook bestaan uit ingezaaide of aangeplante planten die aangepast werden aan de omgeving en de functie van de betrokken en aangrenzende terreinen en die eigen zijn aan de Vlaamse flora.
Tot lijn- en puntvormige elementen worden gerekend : bomenrijen, oude heggen, houtkanten, houtwallen, hagen, hollewegen en goed ontwikkelde hoogstamboomgaarden, evenals smalle langgerekte elementen zoals wegbermen, spoorwegbermen, taluds, dijken en waterlopen. "
Behoudens vrijstelling (art. 3, § 2 van het besluit) is dan een vergunning van het college van Burgemeester en Schepenen vereist voor bebossing door privé-eigenaars, of van de ambtenaar van de afdeling Natuur voor bebossing door openbare eigenaars. Het college of de ambtenaar beslissen binnen de dertig dagen na de aanvraag. Het college vraagt advies aan de afdeling Natuur. Dit advies is niet bindend. Heeft de aanvrager geen beslissing ontvangen binnen de 5 dagen na het verstrijken van deze termijn, dan wordt de vergunning geacht verleend te zijn.
Tegen elke beslissing van het college over een vergunningsaanvraag kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse minister bevoegd voor het Natuurbehoud binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de ontvangst van de beslissing. Ook de ambtenaar van de afdeling Natuur kan tegen de beslissing in beroep gaan.
-
Art. 3M 2.
3. Advies van de gemachtigd ambtenaar van Monumenten en Landschappen :
Indien het bebossingsvoorstel een afwijking inhoudt ten opzichte van de erfdienstbaarheden opgelegd door de bescherming als landschap bepaalt artikel 14, § 3 van het decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen dat de vergunningverlenende instantie verplicht is binnen de tien dagen na de ontvangst van het dossier advies in te winnen bij de gemachtigde ambtenaar voor Monumenten en Landschappen. Dit advies is bindend voor zover het negatief is of voorwaarden oplegt. Zolang er geen uitvoeringsbesluit bij dit decreet van kracht is, is Monumenten en Landschappen niet gebonden aan een bepaalde termijn voor het geven van het advies. Het is nochtans onontbeerlijk dat Monumenten en Landschappen op zeer korte termijn advies verleent, om de gemeente toe te laten bij het verlenen van de vergunning rekening te houden met het advies en toch binnen de wettelijke termijn te blijven (30 dagen voor zowel vergunning conform art. 35bis van het veldwetboek, als voor de vegetatiewijzigingsvergunning).
Dit advies zal gevraagd worden door de gemeente indien de aanvrager een vergunning conform artikel 35bis van het veldwetboek heeft gevraagd of een vegetatiewijzigingsvergunning. Indien geen van beide vergunningen nodig zijn, zal de afdeling Bos & Groen zelf het advies vragen aan de gemachtigde ambtenaar van Monumenten en Landschappen.
3. Advies van de gemachtigd ambtenaar van Monumenten en Landschappen :
Indien het bebossingsvoorstel een afwijking inhoudt ten opzichte van de erfdienstbaarheden opgelegd door de bescherming als landschap bepaalt artikel 14, § 3 van het decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen dat de vergunningverlenende instantie verplicht is binnen de tien dagen na de ontvangst van het dossier advies in te winnen bij de gemachtigde ambtenaar voor Monumenten en Landschappen. Dit advies is bindend voor zover het negatief is of voorwaarden oplegt. Zolang er geen uitvoeringsbesluit bij dit decreet van kracht is, is Monumenten en Landschappen niet gebonden aan een bepaalde termijn voor het geven van het advies. Het is nochtans onontbeerlijk dat Monumenten en Landschappen op zeer korte termijn advies verleent, om de gemeente toe te laten bij het verlenen van de vergunning rekening te houden met het advies en toch binnen de wettelijke termijn te blijven (30 dagen voor zowel vergunning conform art. 35bis van het veldwetboek, als voor de vegetatiewijzigingsvergunning).
Dit advies zal gevraagd worden door de gemeente indien de aanvrager een vergunning conform artikel 35bis van het veldwetboek heeft gevraagd of een vegetatiewijzigingsvergunning. Indien geen van beide vergunningen nodig zijn, zal de afdeling Bos & Groen zelf het advies vragen aan de gemachtigde ambtenaar van Monumenten en Landschappen.
-
Art. 4M 2.
4. Advies van afdeling Land :
- in agrarisch gebied, ongeacht de overdruk, is er, alleen voor bebossing door privé-eigenaars (art. 87, 4de lid, bosdecreet), een advies van de ambtenaar van de " dienst Landbouw " vereist. Deze " dienst landbouw " zoals in het bosdecreet vermeld is momenteel de afdeling Land.
Het advies wordt verleend door de ambtenaar van de buitendienst van afdeling Land. Dit advies moet eensluidend zijn met het advies van de ambtenaar van de afdeling Bos & Groen. Er is geen termijn bepaald waarbinnen de ambtenaar zijn advies moet verstrekken. Redelijkerwijze mag aangenomen worden dat dit advies binnen een termijn van maximum dertig dagen verstrekt wordt.
De afdeling Land beoordeelt de inpasbaarheid van de bebossing in de agrarische structuur.
- Conform artikel 5, § 3, 11° 3 van het subsidiebesluit geeft afdeling Land eveneens een advies indien de aanvrager landbouwer in hoofdberoep is of als de pacht opgezegd is na 31 juli 1992 (dezelfde gevallen als wanneer advies van de Administratie Land- en Tuinbouw nodig is, zie verder onder punt 6).
Dit advies wordt gevraagd door de afdeling Bos & Groen na ontvangst van de subsidie-aanvraag.
4. Advies van afdeling Land :
- in agrarisch gebied, ongeacht de overdruk, is er, alleen voor bebossing door privé-eigenaars (art. 87, 4de lid, bosdecreet), een advies van de ambtenaar van de " dienst Landbouw " vereist. Deze " dienst landbouw " zoals in het bosdecreet vermeld is momenteel de afdeling Land.
Het advies wordt verleend door de ambtenaar van de buitendienst van afdeling Land. Dit advies moet eensluidend zijn met het advies van de ambtenaar van de afdeling Bos & Groen. Er is geen termijn bepaald waarbinnen de ambtenaar zijn advies moet verstrekken. Redelijkerwijze mag aangenomen worden dat dit advies binnen een termijn van maximum dertig dagen verstrekt wordt.
De afdeling Land beoordeelt de inpasbaarheid van de bebossing in de agrarische structuur.
- Conform artikel 5, § 3, 11° 3 van het subsidiebesluit geeft afdeling Land eveneens een advies indien de aanvrager landbouwer in hoofdberoep is of als de pacht opgezegd is na 31 juli 1992 (dezelfde gevallen als wanneer advies van de Administratie Land- en Tuinbouw nodig is, zie verder onder punt 6).
Dit advies wordt gevraagd door de afdeling Bos & Groen na ontvangst van de subsidie-aanvraag.
-
Art. 5M 2.
5. Advies van de afdeling Natuur : Voor bebossing door privé-eigenaars is er in natuurgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde en in agrarisch gebied met ecologische belang (bosdecreet art. 87, 6de lid) een advies van afdeling Natuur vereist. Voor bebossing door zowel openbare als privé-eigenaars in valleigebied, in vogelrichtlijngebied, Ramsargebied en voorgesteld habitatgebied is eveneens een advies van de afdeling Natuur vereist (artikel 5, § 3, 11° subsidiebesluit). Het advies wordt verstrekt door de ambtenaar van de buitendienst van afdeling Natuur. Er is geen termijn bepaald waarbinnen dit advies verstrekt moet worden. Redelijkerwijze mag aangenomen worden dat dit advies binnen een termijn van maximum dertig dagen verstrekt wordt na ontvangst van het dossier bij afdeling Natuur. Dit advies is niet bindend. (zie echter ook onder vegetatiewijzigingsvergunning, punt 2).
De afdeling Natuur beoordeelt de verenigbaarheid van de voorgestelde bebossing met de bescherming van de aanwezige natuurwaarden.
Dit advies wordt gevraagd door de afdeling Bos & Groen, na ontvangst van de subsidie-aanvraag en voor zover de afdeling Natuur nog geen advies verstrekt heeft aan de gemeente in het kader van een vegetatiewijzigingsvergunning.
5. Advies van de afdeling Natuur : Voor bebossing door privé-eigenaars is er in natuurgebied, natuurgebied met wetenschappelijke waarde en in agrarisch gebied met ecologische belang (bosdecreet art. 87, 6de lid) een advies van afdeling Natuur vereist. Voor bebossing door zowel openbare als privé-eigenaars in valleigebied, in vogelrichtlijngebied, Ramsargebied en voorgesteld habitatgebied is eveneens een advies van de afdeling Natuur vereist (artikel 5, § 3, 11° subsidiebesluit). Het advies wordt verstrekt door de ambtenaar van de buitendienst van afdeling Natuur. Er is geen termijn bepaald waarbinnen dit advies verstrekt moet worden. Redelijkerwijze mag aangenomen worden dat dit advies binnen een termijn van maximum dertig dagen verstrekt wordt na ontvangst van het dossier bij afdeling Natuur. Dit advies is niet bindend. (zie echter ook onder vegetatiewijzigingsvergunning, punt 2).
De afdeling Natuur beoordeelt de verenigbaarheid van de voorgestelde bebossing met de bescherming van de aanwezige natuurwaarden.
Dit advies wordt gevraagd door de afdeling Bos & Groen, na ontvangst van de subsidie-aanvraag en voor zover de afdeling Natuur nog geen advies verstrekt heeft aan de gemeente in het kader van een vegetatiewijzigingsvergunning.
-
Art. 6M 2.
6. Advies van Administratie Land- en Tuinbouw (ALT) :
Een advies van de Administratie Land- en Tuinbouw is vereist in 2 gevallen (art. 5, § 3, 11°,-3 van het subsidiebesluit) :
1. Indien de pacht van de te bebossen percelen door de verpachter na 31 juli 1992 werd opgezegd, om andere redenen dan deze vermeld in art. 6 van de pachtwet of indien hiertoe door de eigenaar of de houder van het zakelijk recht van de betrokken percelen een procedure werd ingezet.
Artikel 6 van de pachtwet vermeldt het volgende :
§ 1. In afwijking van artikel 4, kan de verpachter op ieder ogenblik een einde maken aan de lopende pacht om de verpachte goederen te gebruiken overeenkomstig hun eindbestemming, indien :
1° de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die, wegens hun ligging ten tijde van de overeenkomst, zonder dat er vooraf wegenwerken uitgevoerd dienen te worden, beschouwd moesten worden als bouwgronden of voor industriële doeleinden bestemde gronden, mits zij als zodanig opgegeven zijn in de pachtovereenkomst;
2° de pachtovereenkomst betrekking heeft op ongebouwde gronden die, op het ogenblik van de opzegging, zonder dat er vooraf wegenwerken uitgevoerd dienen te worden, beschouwd moeten worden als bouwgronden;
3° de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die, wegens hun ligging op het ogenblik van de verlenging van de pacht, beschouwd moeten worden als voor industriële doeleinden bestemde gronden, op voorwaarde dat de verpachter ten minste drie maanden vóór het einde van de lopende pachtperiode, hiervan kennis heeft gegeven aan de pachter;
4° de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die als bouwgronden of als voor industriële doeleinden bestemde gronden beschouwd kunnen worden, hetzij bij de aanvang van de pacht, mits zij als zodanig opgegeven zijn in de pachtovereenkomst, hetzij bij een verlenging van de pacht, op voorwaarde dat de verpachter ten minste drie maanden vóór de datum van een verlenging hiervan kennis heeft gegeven aan de pachter, en die vooraf het voorwerp dienen uit te maken van wegenwerken;
5° de pachtovereenkomst is aangegaan met een openbaar bestuur of een publiekrechterlijke rechtspersoon en betrekking heeft op gronden die vóór het afsluiten van de overeenkomst door dat bestuur of die persoon zijn onteigend of verkregen op grond van een koninklijk besluit dat de onteigening ten algemenen nutte beveelt of toestaat;
6° de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die na het sluiten van de overeenkomst verkregen zijn door een openbaar bestuur of een publiekrechtelijk rechtspersoon, op grond van een koninklijk besluit dat de onteigening ten algemenen nutte beveelt of toestaat.
§ 2. In afwijking van artikel 4, kan de verpachter op ieder ogenblik eveneens een einde maken aan de lopende pacht om een aaneengesloten grond die aan zijn woonhuis aansluit en niet groter is dan 20 are, aan te wenden voor gezinsdoeleinden. In geval van geschil over de plaats van het bedoelde perceel beslist de rechter.
Artikel 4 van de pachtwet legt de pachttijd vast op minimum 9 jaar en bepaalt dat bij gebrek aan geldige opzegging de pacht van rechtswege verlengd wordt voor opeenvolgende periodes van 9 jaar.
De Administratie Land- en Tuinbouw controleert of bij de opzegging van de pacht de pachtwet niet overtreden wordt.
Opzeg voor eigen gebruik houdt in dat de eigenaar gedurende 9 jaar een persoonlijke, werkelijke exploitatie van het goed op zich neemt (artikel 9 van de pachtwet).
In artikel 10 van de pachtwet wordt gesteld : " geen persoonlijke exploitatie is de aanplanting van het pachtgoed ... met naaldbomen, loofbomen of heesters, tenzij het gaat om tuinbouw of om een aanplanting die noodzakelijk is voor de bewaring van het goed ". De aanvrager zou kunnen van oordeel zijn dat aan deze laatste voorwaarde is voldaan via de uitvoering van deze verordening en door aan te voeren dat de bebossing door de EG noodzakelijk is gesteld om de landbouweconomische functie van de betrokken gronden te behouden en/of te heroriënteren. Uit de inleidende beschouwingen bij de verordening en de erin geformuleerde doelstellingen is het echter duidelijk dat de EG de landbouweconomische functie van beboste landbouwgronden beperkt tot deze die worden geïntegreerd op bestaande landbouwbedrijven (in hoofdberoep).
Daarenboven geldt ook voor de beroepslandbouwbedrijven de Belgische pachtwetgeving. De bepalingen van art. 1, 10 en 28 van de pachtwet sluiten nl. alle vormen van bosbouw uit om in aanmerking te komen voor de kwalificatie " landbouwbedrijf ". Ook een landbouwer in hoofdberoep kan dus geen opzeg van pacht geven om een bebossing uit te voeren in toepassing van Verordening 2080/92.
De landbouwgronden verkrijgen derhalve door de bebossing volstrekt niet de status van een landbouweconomische activiteit maar verwerven deze van een bosexploitatie. Dit heeft tot gevolg dat de beoogde bebossing nooit toelaat gronden aan het beschermd statuut van de pachtwet te onttrekken noch onder het beschermd statuut van de pachtwet te plaatsen.
De ALT zal in deze gevallen nagaan of de eigenaar die een aanvraag indient niet opgezegd heeft met als verantwoording opzeg voor eigen gebruik.
2. Indien de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer in hoofdberoep. Hierbij wordt door de ALT nagegaan of de aanvrager effectief landbouwer in hoofdberoep is (zie ook onder hoofdstuk II, punt 3) en of de aanvraag desgevallend in overeenstemming is met de doelstellingen van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds.
Het advies wordt versterkt door de ambtenaar bevoegd voor landbouw van de buitendiensten van de ALT. De adviesverlening is niet aan een bepaalde termijn gebonden en is niet bindend. Redelijkerwijze mag aangenomen worden dat het advies binnen een termijn van maximum dertig dagen verstrekt wordt.
Dit advies wordt gevraagd door de afdeling Bos & Groen, na indienen van de subsidie-aanvraag.
6. Advies van Administratie Land- en Tuinbouw (ALT) :
Een advies van de Administratie Land- en Tuinbouw is vereist in 2 gevallen (art. 5, § 3, 11°,-3 van het subsidiebesluit) :
1. Indien de pacht van de te bebossen percelen door de verpachter na 31 juli 1992 werd opgezegd, om andere redenen dan deze vermeld in art. 6 van de pachtwet of indien hiertoe door de eigenaar of de houder van het zakelijk recht van de betrokken percelen een procedure werd ingezet.
Artikel 6 van de pachtwet vermeldt het volgende :
§ 1. In afwijking van artikel 4, kan de verpachter op ieder ogenblik een einde maken aan de lopende pacht om de verpachte goederen te gebruiken overeenkomstig hun eindbestemming, indien :
1° de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die, wegens hun ligging ten tijde van de overeenkomst, zonder dat er vooraf wegenwerken uitgevoerd dienen te worden, beschouwd moesten worden als bouwgronden of voor industriële doeleinden bestemde gronden, mits zij als zodanig opgegeven zijn in de pachtovereenkomst;
2° de pachtovereenkomst betrekking heeft op ongebouwde gronden die, op het ogenblik van de opzegging, zonder dat er vooraf wegenwerken uitgevoerd dienen te worden, beschouwd moeten worden als bouwgronden;
3° de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die, wegens hun ligging op het ogenblik van de verlenging van de pacht, beschouwd moeten worden als voor industriële doeleinden bestemde gronden, op voorwaarde dat de verpachter ten minste drie maanden vóór het einde van de lopende pachtperiode, hiervan kennis heeft gegeven aan de pachter;
4° de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die als bouwgronden of als voor industriële doeleinden bestemde gronden beschouwd kunnen worden, hetzij bij de aanvang van de pacht, mits zij als zodanig opgegeven zijn in de pachtovereenkomst, hetzij bij een verlenging van de pacht, op voorwaarde dat de verpachter ten minste drie maanden vóór de datum van een verlenging hiervan kennis heeft gegeven aan de pachter, en die vooraf het voorwerp dienen uit te maken van wegenwerken;
5° de pachtovereenkomst is aangegaan met een openbaar bestuur of een publiekrechterlijke rechtspersoon en betrekking heeft op gronden die vóór het afsluiten van de overeenkomst door dat bestuur of die persoon zijn onteigend of verkregen op grond van een koninklijk besluit dat de onteigening ten algemenen nutte beveelt of toestaat;
6° de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die na het sluiten van de overeenkomst verkregen zijn door een openbaar bestuur of een publiekrechtelijk rechtspersoon, op grond van een koninklijk besluit dat de onteigening ten algemenen nutte beveelt of toestaat.
§ 2. In afwijking van artikel 4, kan de verpachter op ieder ogenblik eveneens een einde maken aan de lopende pacht om een aaneengesloten grond die aan zijn woonhuis aansluit en niet groter is dan 20 are, aan te wenden voor gezinsdoeleinden. In geval van geschil over de plaats van het bedoelde perceel beslist de rechter.
Artikel 4 van de pachtwet legt de pachttijd vast op minimum 9 jaar en bepaalt dat bij gebrek aan geldige opzegging de pacht van rechtswege verlengd wordt voor opeenvolgende periodes van 9 jaar.
De Administratie Land- en Tuinbouw controleert of bij de opzegging van de pacht de pachtwet niet overtreden wordt.
Opzeg voor eigen gebruik houdt in dat de eigenaar gedurende 9 jaar een persoonlijke, werkelijke exploitatie van het goed op zich neemt (artikel 9 van de pachtwet).
In artikel 10 van de pachtwet wordt gesteld : " geen persoonlijke exploitatie is de aanplanting van het pachtgoed ... met naaldbomen, loofbomen of heesters, tenzij het gaat om tuinbouw of om een aanplanting die noodzakelijk is voor de bewaring van het goed ". De aanvrager zou kunnen van oordeel zijn dat aan deze laatste voorwaarde is voldaan via de uitvoering van deze verordening en door aan te voeren dat de bebossing door de EG noodzakelijk is gesteld om de landbouweconomische functie van de betrokken gronden te behouden en/of te heroriënteren. Uit de inleidende beschouwingen bij de verordening en de erin geformuleerde doelstellingen is het echter duidelijk dat de EG de landbouweconomische functie van beboste landbouwgronden beperkt tot deze die worden geïntegreerd op bestaande landbouwbedrijven (in hoofdberoep).
Daarenboven geldt ook voor de beroepslandbouwbedrijven de Belgische pachtwetgeving. De bepalingen van art. 1, 10 en 28 van de pachtwet sluiten nl. alle vormen van bosbouw uit om in aanmerking te komen voor de kwalificatie " landbouwbedrijf ". Ook een landbouwer in hoofdberoep kan dus geen opzeg van pacht geven om een bebossing uit te voeren in toepassing van Verordening 2080/92.
De landbouwgronden verkrijgen derhalve door de bebossing volstrekt niet de status van een landbouweconomische activiteit maar verwerven deze van een bosexploitatie. Dit heeft tot gevolg dat de beoogde bebossing nooit toelaat gronden aan het beschermd statuut van de pachtwet te onttrekken noch onder het beschermd statuut van de pachtwet te plaatsen.
De ALT zal in deze gevallen nagaan of de eigenaar die een aanvraag indient niet opgezegd heeft met als verantwoording opzeg voor eigen gebruik.
2. Indien de aanvraag wordt ingediend door een landbouwer in hoofdberoep. Hierbij wordt door de ALT nagegaan of de aanvrager effectief landbouwer in hoofdberoep is (zie ook onder hoofdstuk II, punt 3) en of de aanvraag desgevallend in overeenstemming is met de doelstellingen van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds.
Het advies wordt versterkt door de ambtenaar bevoegd voor landbouw van de buitendiensten van de ALT. De adviesverlening is niet aan een bepaalde termijn gebonden en is niet bindend. Redelijkerwijze mag aangenomen worden dat het advies binnen een termijn van maximum dertig dagen verstrekt wordt.
Dit advies wordt gevraagd door de afdeling Bos & Groen, na indienen van de subsidie-aanvraag.
-
Art. 7M 2.
7. Advies van de afdeling Bos & Groen : voor alle aanvragen is er een advies van hetzij de ambtenaar bevoegd voor het privé-bos, hetzij de houtvester nodig (art. 87 bosdecreet en artikel 6 van bovenvermeld subsidiebesluit). Er is geen termijn bepaald waarbinnen de ambtenaar zijn advies moet verstrekken. Redelijkerwijze mag aangenomen worden dat dit gebeurt binnen de dertig dagen nadat alle overige vergunningen en adviezen ontvangen zijn (pas dan is de aanvraag immers volledig en ontvankelijk).
Het advies van het Bosbeheer is tweeledig. Enerzijds houdt het rekening met bosbouwtechnische aspecten :
- de aard van het plantmateriaal
- het plantverband : volgende tabel is richtinggevend voor de maximale plantafstanden naargelang de boomsoort :
7. Advies van de afdeling Bos & Groen : voor alle aanvragen is er een advies van hetzij de ambtenaar bevoegd voor het privé-bos, hetzij de houtvester nodig (art. 87 bosdecreet en artikel 6 van bovenvermeld subsidiebesluit). Er is geen termijn bepaald waarbinnen de ambtenaar zijn advies moet verstrekken. Redelijkerwijze mag aangenomen worden dat dit gebeurt binnen de dertig dagen nadat alle overige vergunningen en adviezen ontvangen zijn (pas dan is de aanvraag immers volledig en ontvankelijk).
Het advies van het Bosbeheer is tweeledig. Enerzijds houdt het rekening met bosbouwtechnische aspecten :
- de aard van het plantmateriaal
- het plantverband : volgende tabel is richtinggevend voor de maximale plantafstanden naargelang de boomsoort :
-
Boomsoort Minimaal stamtal corresponderend maximaal
per ha aanplantingsverband (m)
per ha aanplantingsverband (m)
-
Zomereik - Wintereik 2000 2,5 x 2
Amerikaanse eik - Moeraseik 1600 2,5 x 2,5
es 1600 2,5 x 2,5
Beuk 1350 2,5 x 3
Boskers 1100 3 x 3
Haagbeuk 2500 2 x2
esdoorn 1250 2,7 x 3
linde 1100 3 x 3
olm 950 3,25 x 3,25
Tamme kastanje 2000 2,5 x 2
Walnoot 625 4 x 4
els 2500 2 x 2
berk 2500 2 x 2
wilg 2500 2 x 2
populier:
- Trilpopulier 1100 3 x 3
- Zwarte populier 156 8 x 8
- Cultuurpopulier 123 9 x 9
- abeel 123 9 x 9
Valse acacia 2500 2 x 2
pijnboom 2500 2 x 2
Douglas 2000 2,5 x 2
lork 1300 2,5 x 3
Taxus 2500 2 x 2
Jeneverbes 625 4 x 4
Amerikaanse eik - Moeraseik 1600 2,5 x 2,5
es 1600 2,5 x 2,5
Beuk 1350 2,5 x 3
Boskers 1100 3 x 3
Haagbeuk 2500 2 x2
esdoorn 1250 2,7 x 3
linde 1100 3 x 3
olm 950 3,25 x 3,25
Tamme kastanje 2000 2,5 x 2
Walnoot 625 4 x 4
els 2500 2 x 2
berk 2500 2 x 2
wilg 2500 2 x 2
populier:
- Trilpopulier 1100 3 x 3
- Zwarte populier 156 8 x 8
- Cultuurpopulier 123 9 x 9
- abeel 123 9 x 9
Valse acacia 2500 2 x 2
pijnboom 2500 2 x 2
Douglas 2000 2,5 x 2
lork 1300 2,5 x 3
Taxus 2500 2 x 2
Jeneverbes 625 4 x 4
-
- de boomsoortenkeuze in relatie tot de standplaats
- de mengingsgraad en de mengingsvorm afhankelijk van de onderlinge tolerantie van de voorgestelde soorten
Anderzijds ziet het Bosbeheer erop toe dat alle nodige vergunningen en adviezen bij de aanvraag gevoegd worden. Het Bosbeheer verwerkt ook de verschillende adviezen en vergunningen in haar advies : vrijwaring van de agrarische structuur en van de natuurwaarden, verenigbaarheid van de beplanting met een eventueel rangschikkingsbesluit, verenigbaarheid van de beplanting met de doelstellingen van het Landbouwinvesteringsfonds en met de pachtwet. Voor de aanvragen waarbij geen advies van afdeling Natuur vereist is, gaat afdeling Bos en Groen zelf na via de biologische waarderingskaart of zich op de te bebossen landbouwgrond geen te beschermen vegetatietype bevindt. In geval van twijfel wordt ter plaatse nagegaan of de bebossing in overeenstemming is met de bescherming van de natuurwaarden.
Uiteindelijk, indien een gunstig advies gegeven wordt voor de beplanting, doet het Bosbeheer ook een voorstel van toe te kennen subsidiebedrag.
Samenvatting van de procedure voor adviesverlening
De vergunningen onder punt 1 en 2 dienen samen met de subsidie-aanvraag ingediend te worden bij de afdeling Bos & Groen. Waar dit wettelijk vereist is dient de gemeente alvorens de vergunning af te leveren zelf de nodige bijkomende adviezen in te winnen. In beschermd landschap is een voorafgaand advies van Monumenten en Landschappen nodig en bij het afleveren van een vegetatievergunning dient het advies van afdeling Natuur gevraagd te worden.
De afdeling Bos & Groen zorgt dan zelf verder voor het aanvragen van de eventueel nog ontbrekende adviezen bij de afdeling Land en de afdeling Natuur, Monumenten en landschappen en ALT, waarna het advies van de afdeling Bos & Groen zelf verstrekt wordt. (Zie ook onder hoofdstuk IV.1. Indiening van de aanvraag).
Adviesverlening en vergunningen voor bebossing van landbouwgronden door publiekrechtelijke rechtspersonen.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B. St. 04-02-1996, p. 2056-2057).
Adviesverlening en vergunningen voor bebossing van landbouwgronden door privaatrechtelijke rechtspersonen
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B. St. 04-02-1996, p. 2057-2058).
- de mengingsgraad en de mengingsvorm afhankelijk van de onderlinge tolerantie van de voorgestelde soorten
Anderzijds ziet het Bosbeheer erop toe dat alle nodige vergunningen en adviezen bij de aanvraag gevoegd worden. Het Bosbeheer verwerkt ook de verschillende adviezen en vergunningen in haar advies : vrijwaring van de agrarische structuur en van de natuurwaarden, verenigbaarheid van de beplanting met een eventueel rangschikkingsbesluit, verenigbaarheid van de beplanting met de doelstellingen van het Landbouwinvesteringsfonds en met de pachtwet. Voor de aanvragen waarbij geen advies van afdeling Natuur vereist is, gaat afdeling Bos en Groen zelf na via de biologische waarderingskaart of zich op de te bebossen landbouwgrond geen te beschermen vegetatietype bevindt. In geval van twijfel wordt ter plaatse nagegaan of de bebossing in overeenstemming is met de bescherming van de natuurwaarden.
Uiteindelijk, indien een gunstig advies gegeven wordt voor de beplanting, doet het Bosbeheer ook een voorstel van toe te kennen subsidiebedrag.
Samenvatting van de procedure voor adviesverlening
De vergunningen onder punt 1 en 2 dienen samen met de subsidie-aanvraag ingediend te worden bij de afdeling Bos & Groen. Waar dit wettelijk vereist is dient de gemeente alvorens de vergunning af te leveren zelf de nodige bijkomende adviezen in te winnen. In beschermd landschap is een voorafgaand advies van Monumenten en Landschappen nodig en bij het afleveren van een vegetatievergunning dient het advies van afdeling Natuur gevraagd te worden.
De afdeling Bos & Groen zorgt dan zelf verder voor het aanvragen van de eventueel nog ontbrekende adviezen bij de afdeling Land en de afdeling Natuur, Monumenten en landschappen en ALT, waarna het advies van de afdeling Bos & Groen zelf verstrekt wordt. (Zie ook onder hoofdstuk IV.1. Indiening van de aanvraag).
Adviesverlening en vergunningen voor bebossing van landbouwgronden door publiekrechtelijke rechtspersonen.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B. St. 04-02-1996, p. 2056-2057).
Adviesverlening en vergunningen voor bebossing van landbouwgronden door privaatrechtelijke rechtspersonen
(Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B. St. 04-02-1996, p. 2057-2058).
-
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden m.b.t. de beplanting en subsidiebedrag.
-
Art. 1M 3.
1. Subsidie ter dekking van de bebossingskosten.
De subsidie wordt berekend pro rata van de boomsoortensamenstelling afgerond tot een oppervlakte-eenheid van 1 are.
De oppervlakte van de beplanting moet minstens 0,5 ha bedragen. De minimumoppervlakte van 0,5 ha mag slechts gesplitst worden in meerdere aaneengesloten blokken, indien de blokken niet verder dan 1 km van elkaar verwijderd liggen. (Bv. een perceel van 20 are op 800 m van een perceel van 40 are)
1.1. basisbedrag :
Het basisbedrag van de subsidie voor bebossing wordt berekend naargelang de oppervlakte ingenomen per boomsoort. Volgende boomsoorten komen in aanmerking voor deze subsidie :
1. Subsidie ter dekking van de bebossingskosten.
De subsidie wordt berekend pro rata van de boomsoortensamenstelling afgerond tot een oppervlakte-eenheid van 1 are.
De oppervlakte van de beplanting moet minstens 0,5 ha bedragen. De minimumoppervlakte van 0,5 ha mag slechts gesplitst worden in meerdere aaneengesloten blokken, indien de blokken niet verder dan 1 km van elkaar verwijderd liggen. (Bv. een perceel van 20 are op 800 m van een perceel van 40 are)
1.1. basisbedrag :
Het basisbedrag van de subsidie voor bebossing wordt berekend naargelang de oppervlakte ingenomen per boomsoort. Volgende boomsoorten komen in aanmerking voor deze subsidie :
-
Klasse I subsidiebedrag 150 000 BF/ha
Zomereik (Quercus robur) (§)
Wintereik (Quercus petraea) (§)
Klasse II subsidiebedrag 120 000 BF/ha
es (Fraxinus excelsior)
Beuk (Fagus sylvatica) (§)
Klasse III subsidiebedrag 100 000 BF/ha
Boskers (Prunus avium)
Haagbeuk (Carpinus betulus)
linde (Tilia cordata, Tilia
platyphyllos en Tilia x vulgaris)
olm (Ulmu glabra (syn. U. scabra),
ulmus minor (syn. U. campestris)) (*)
Klasse IV subsidiebedrag 80 000 BF/ha
Moeraseik (Quercus palustris)
Amerikaanse eik (Quercus rubra) (§)
esdoorn (Acer pseudoplatanus en platanoides)
Tamme kastanje (castanea sativa)
Gewone pijn (Pinus sylvestris) (§)
lork (Larix leptolepis (§), Larix
decidua (§) en Larix x eurolepis)
Klasse V subsidiebedrag 60 000 BF/ha
Walnoot (Juglans regia)
Zwarte els (Alnus glutinosa)
Grauwe els (Alnus incana)
berk (Betula pendula en Betula pubescens)
wilg (Salix alba, Salix fragilis en
Salix x rubens) (*)
Abeel (Populus alba)
Trilpopulier (Populus tremula)
Grauwe abeel (Populus canescens)
Valse acacia (Robinia pseudoacacia)
Taxus (Taxus baccata)
Jeneverbes (Juniperus communis)
Klasse VI subsidiebedrag 40 000 BF/ha
Corsicaanse pijn (Pinus nigra
var. corsicana) (§)
Douglas (Pseudotsuga menziesii) (§)
Cultuur-populier (Populus spp.) (§)
met onderetage
Klasse VII subsidiebedrag 35 000 BF/ha
Cultuur-populier (Populus sp.)
(§) zonder onderetage
Voor boomsoorten met een * gemerkt is er een voorafgaand advies van
het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer vereist.
Dit advies kan gevraagd worden bij :
Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer
Gaverstraat 4
9500 Geraardsbergen
054/43.71.11
fax 054/41.08.96
Boomsoorten met een § gemerkt zijn soorten waarvoor conform het
Koninklijk Besluit van 14 september 1973 een attest van herkomst of van
goedkeuring vereist is. Dit attest kan verkregen worden bij de
boomkwekerij waar het plantgoed aangekocht wordt. Dit attest is enkel
vereist voor bomen die in de handel gekocht werden. Voor zelf
gekweekt plantsoen is geen herkomstattest vereist. In dit geval volstaat
een verklaring dat de planten zelf gekweekt werden.
Zomereik (Quercus robur) (§)
Wintereik (Quercus petraea) (§)
Klasse II subsidiebedrag 120 000 BF/ha
es (Fraxinus excelsior)
Beuk (Fagus sylvatica) (§)
Klasse III subsidiebedrag 100 000 BF/ha
Boskers (Prunus avium)
Haagbeuk (Carpinus betulus)
linde (Tilia cordata, Tilia
platyphyllos en Tilia x vulgaris)
olm (Ulmu glabra (syn. U. scabra),
ulmus minor (syn. U. campestris)) (*)
Klasse IV subsidiebedrag 80 000 BF/ha
Moeraseik (Quercus palustris)
Amerikaanse eik (Quercus rubra) (§)
esdoorn (Acer pseudoplatanus en platanoides)
Tamme kastanje (castanea sativa)
Gewone pijn (Pinus sylvestris) (§)
lork (Larix leptolepis (§), Larix
decidua (§) en Larix x eurolepis)
Klasse V subsidiebedrag 60 000 BF/ha
Walnoot (Juglans regia)
Zwarte els (Alnus glutinosa)
Grauwe els (Alnus incana)
berk (Betula pendula en Betula pubescens)
wilg (Salix alba, Salix fragilis en
Salix x rubens) (*)
Abeel (Populus alba)
Trilpopulier (Populus tremula)
Grauwe abeel (Populus canescens)
Valse acacia (Robinia pseudoacacia)
Taxus (Taxus baccata)
Jeneverbes (Juniperus communis)
Klasse VI subsidiebedrag 40 000 BF/ha
Corsicaanse pijn (Pinus nigra
var. corsicana) (§)
Douglas (Pseudotsuga menziesii) (§)
Cultuur-populier (Populus spp.) (§)
met onderetage
Klasse VII subsidiebedrag 35 000 BF/ha
Cultuur-populier (Populus sp.)
(§) zonder onderetage
Voor boomsoorten met een * gemerkt is er een voorafgaand advies van
het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer vereist.
Dit advies kan gevraagd worden bij :
Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer
Gaverstraat 4
9500 Geraardsbergen
054/43.71.11
fax 054/41.08.96
Boomsoorten met een § gemerkt zijn soorten waarvoor conform het
Koninklijk Besluit van 14 september 1973 een attest van herkomst of van
goedkeuring vereist is. Dit attest kan verkregen worden bij de
boomkwekerij waar het plantgoed aangekocht wordt. Dit attest is enkel
vereist voor bomen die in de handel gekocht werden. Voor zelf
gekweekt plantsoen is geen herkomstattest vereist. In dit geval volstaat
een verklaring dat de planten zelf gekweekt werden.
-
1.2. bijkomende subsidie voor aanleg van een onder-etage.
Bij de aanleg van een onder-etage kan bovenop het basisbedrag nog een bijkomende subsidie toegekend worden van 20.000 BEF/ha.
Naast de boomsoorten uit de lijst onder 1.1 komen de volgende begeleidende boom- en struiksoorten voor deze subsidie in aanmerking :
Bij de aanleg van een onder-etage kan bovenop het basisbedrag nog een bijkomende subsidie toegekend worden van 20.000 BEF/ha.
Naast de boomsoorten uit de lijst onder 1.1 komen de volgende begeleidende boom- en struiksoorten voor deze subsidie in aanmerking :
-
- Vlier (Sambucus nigra)
- Lijsterbes (Sorbus aucuparia)
- Hazelaar (Corylus avellana)
- Vuilboom (Rhamnus frangula)
- Gelderse roos (Viburnum opulus)
- Kardinaalsmuts (Evonymus europaeus)
- Rode kornoelje (Cornus sanguinea)
- Vogelkers (Prunus padus)
- Veldesdoorn (Acer campestre)
- Wegedoorn (Rhamnus cathartica)
- meidoorn (Crataegus oxyacantha en monogyna)
- Sleedoorn (Prunus spinosa)
- Duindoorn (Hippophae rhamnoides)
- Hondsroos (Rosa canina)
- Eglantier (Rosa rubiginosa)
- Wilde appel (Malus sylvestris)
- Wilde peer (Pyrus communis)
- Mispel (Mespilus germanica)
- Lijsterbes (Sorbus aucuparia)
- Hazelaar (Corylus avellana)
- Vuilboom (Rhamnus frangula)
- Gelderse roos (Viburnum opulus)
- Kardinaalsmuts (Evonymus europaeus)
- Rode kornoelje (Cornus sanguinea)
- Vogelkers (Prunus padus)
- Veldesdoorn (Acer campestre)
- Wegedoorn (Rhamnus cathartica)
- meidoorn (Crataegus oxyacantha en monogyna)
- Sleedoorn (Prunus spinosa)
- Duindoorn (Hippophae rhamnoides)
- Hondsroos (Rosa canina)
- Eglantier (Rosa rubiginosa)
- Wilde appel (Malus sylvestris)
- Wilde peer (Pyrus communis)
- Mispel (Mespilus germanica)
-
De extra subsidie kan slechts toegekend worden in volgende gevallen :
a) Aanleg van een onderetage in een bosaanleg met wijd plantverband (groter of gelijk aan 3 x 3 meter) :
Deze regeling is beperkt tot bosaanleg waarvoor plantsoen aangewend wordt dat specifiek geselecteerd en gekweekt werd om gebruikt te worden in grotere plantverbanden.
Wanneer door bijmenging van boomsoorten uit de hoofdboomsoortenlijst of de lijst van begeleidende struiksoorten het globaal plantverband gereduceerd wordt tot maximaal 3 x 3 meter kan de subsidie, toegekend op basis van de hoofdboomsoort, vermeerderd worden met 20 000 BF/ha.
b) Aanleg van een onderetage in een bosaanplanting met plantverbanden kleiner dan 3 x 3 meter :
Tot 10 % van de hoofdboomsoort kan stamsgewijs vervangen worden door andere hoofdboomsoorten of begeleidende struiksoorten zonder dat het subsidiebedrag per klasse en per ha gewijzigd wordt.
Indien 10 tot 25 % van het hoofdbestand bijgemengd wordt met begeleidende struiksoorten kan de subsidie, toegekend op basis van het hoofdbestand, met 20 000 BF vermeerderd worden.
1.3. Bijkomende subsidie in geval van bebossing van marginale landbouwgrond
Naargelang de textuurklasse en de drainageklasse van de grond volgens de bodemkaart, kan een extra subsidie van 10.000 BEF/ha toegekend worden.
- = komt niet in aanmerking voor de extra subsidie van 10 000 BF/ha
+ = komt in aanmerking voor een extra subsidie van 10 000 BF/ha.
a) Aanleg van een onderetage in een bosaanleg met wijd plantverband (groter of gelijk aan 3 x 3 meter) :
Deze regeling is beperkt tot bosaanleg waarvoor plantsoen aangewend wordt dat specifiek geselecteerd en gekweekt werd om gebruikt te worden in grotere plantverbanden.
Wanneer door bijmenging van boomsoorten uit de hoofdboomsoortenlijst of de lijst van begeleidende struiksoorten het globaal plantverband gereduceerd wordt tot maximaal 3 x 3 meter kan de subsidie, toegekend op basis van de hoofdboomsoort, vermeerderd worden met 20 000 BF/ha.
b) Aanleg van een onderetage in een bosaanplanting met plantverbanden kleiner dan 3 x 3 meter :
Tot 10 % van de hoofdboomsoort kan stamsgewijs vervangen worden door andere hoofdboomsoorten of begeleidende struiksoorten zonder dat het subsidiebedrag per klasse en per ha gewijzigd wordt.
Indien 10 tot 25 % van het hoofdbestand bijgemengd wordt met begeleidende struiksoorten kan de subsidie, toegekend op basis van het hoofdbestand, met 20 000 BF vermeerderd worden.
1.3. Bijkomende subsidie in geval van bebossing van marginale landbouwgrond
Naargelang de textuurklasse en de drainageklasse van de grond volgens de bodemkaart, kan een extra subsidie van 10.000 BEF/ha toegekend worden.
- = komt niet in aanmerking voor de extra subsidie van 10 000 BF/ha
+ = komt in aanmerking voor een extra subsidie van 10 000 BF/ha.
-
Draineringsklasse Textuurklasse
Z S P L A E U
Z S P L A E U
-
a + + + - - - -
b + - - - - - -
c - - - - - - -
d - - - - - - -
h - - - + + + +
e - - - + + + +
i + + + + + + +
f + + + + + + +
g + + + + + + +
b + - - - - - -
c - - - - - - -
d - - - - - - -
h - - - + + + +
e - - - + + + +
i + + + + + + +
f + + + + + + +
g + + + + + + +
-
textuurklassen : Z = zand, S = lemig zand, P = licht zandleem, L = zandleem, A = leem, E = klei, U = zware klei
draineringsklassen : a tot g van zeer droog tot zeer nat en gereduceerd.
De textuur- en drainageklasse kan door de ambtenaar van de afdeling Bos & Groen afgelezen worden op de Bodemkaart van België.
1.4. Bijkomende subsidie in geval van bebossing van marginale landbouwgrond door landbouwers in hoofdberoep
De definitie van landbouwer in hoofdberoep wordt vastgelegd in het Ministerieel besluit van 17/10/1995 die de invoering van een premie ter compensatie van inkomensverliezen ten gevolge van bebossing van landbouwgrond ter uitvoering van verordening (EEG) 2080/92 regelt (Zie hierover meer onder punt 3).
Deze supplementaire subsidie wordt berekend op basis van :
a) De aaneengesloten oppervlakte van een bosaanleg-eenheid. Het bedrag wordt berekend aan de hand van onderstaande tabel. Voor de berekening van de oppervlakte komen aanpalende gronden van andere eigenaars of pachters eveneens in aanmerking waarvoor in hetzelfde jaar een aanvraag wordt ingestuurd.
De eigenaar of pachter van de aanpalende te bebossen gronden hoeft geen landbouwer in hoofdberoep te zijn. De aanpalende te bebossen landbouwgrond hoeft ook geen marginale landbouwgrond te zijn. Deze buur krijgt natuurlijk zelf enkel de supplementaire subsidie als hij landbouwer is in hoofdberoep en wanneer het marginale grond betreft.
Het verdient aanbeveling dat subsidie-aanvragen voor aanpalende gronden zoveel mogelijk gezamenlijk worden ingediend, zodat het subsidiebedrag ineens correct bepaald kan worden. Indien dat niet mogelijk is kan de landbouwer in hoofdberoep die het eerst zijn aanvraag indient een gehandtekende verklaring van de aanpalende eigenaar of pachter bij de aanvraag voegen, waarin aangeduid wordt voor welke gronden hij in hetzelfde jaar nog een subsidie-aanvraag zal indienen.
draineringsklassen : a tot g van zeer droog tot zeer nat en gereduceerd.
De textuur- en drainageklasse kan door de ambtenaar van de afdeling Bos & Groen afgelezen worden op de Bodemkaart van België.
1.4. Bijkomende subsidie in geval van bebossing van marginale landbouwgrond door landbouwers in hoofdberoep
De definitie van landbouwer in hoofdberoep wordt vastgelegd in het Ministerieel besluit van 17/10/1995 die de invoering van een premie ter compensatie van inkomensverliezen ten gevolge van bebossing van landbouwgrond ter uitvoering van verordening (EEG) 2080/92 regelt (Zie hierover meer onder punt 3).
Deze supplementaire subsidie wordt berekend op basis van :
a) De aaneengesloten oppervlakte van een bosaanleg-eenheid. Het bedrag wordt berekend aan de hand van onderstaande tabel. Voor de berekening van de oppervlakte komen aanpalende gronden van andere eigenaars of pachters eveneens in aanmerking waarvoor in hetzelfde jaar een aanvraag wordt ingestuurd.
De eigenaar of pachter van de aanpalende te bebossen gronden hoeft geen landbouwer in hoofdberoep te zijn. De aanpalende te bebossen landbouwgrond hoeft ook geen marginale landbouwgrond te zijn. Deze buur krijgt natuurlijk zelf enkel de supplementaire subsidie als hij landbouwer is in hoofdberoep en wanneer het marginale grond betreft.
Het verdient aanbeveling dat subsidie-aanvragen voor aanpalende gronden zoveel mogelijk gezamenlijk worden ingediend, zodat het subsidiebedrag ineens correct bepaald kan worden. Indien dat niet mogelijk is kan de landbouwer in hoofdberoep die het eerst zijn aanvraag indient een gehandtekende verklaring van de aanpalende eigenaar of pachter bij de aanvraag voegen, waarin aangeduid wordt voor welke gronden hij in hetzelfde jaar nog een subsidie-aanvraag zal indienen.
-
Indien bosaanleg groter dan Bedrag (BEF) per ha
(ha)
(ha)
-
3 2000
5 3000
7 4000
9 5000
11 6000
13 7000
15 8000
17 9000
20 10000
25 11000
30 12000
5 3000
7 4000
9 5000
11 6000
13 7000
15 8000
17 9000
20 10000
25 11000
30 12000
-
b) De aanleg van een omringend mantelstruweel van minimum 6m breed rond een loofboombestand met soorten uit de lijst van begeleidende struiksoorten onder punt 1.2. Het bedrag bestaat uit een éénmalige subsidie van 4.500 BEF per 100 m mantellengte.
c) De aanleg van een brandsingel van minimum 6 m breed rond een naaldboombestand, met loofboomsoorten (uitgezonderd cultuurpopulier) en/of begeleidende struiksoorten uit de lijst onder punt 1.1 en 1.2.
Het bedrag bestaat uit een éénmalige subsidie van 4.500 BEF per 100 m mantellengte.
De oppervlakte ingenomen door een mantelstruweel of een brandsingel wordt bij de berekening van het basisbedrag niet afgetrokken van de totale te beplanten oppervlakte.
c) De aanleg van een brandsingel van minimum 6 m breed rond een naaldboombestand, met loofboomsoorten (uitgezonderd cultuurpopulier) en/of begeleidende struiksoorten uit de lijst onder punt 1.1 en 1.2.
Het bedrag bestaat uit een éénmalige subsidie van 4.500 BEF per 100 m mantellengte.
De oppervlakte ingenomen door een mantelstruweel of een brandsingel wordt bij de berekening van het basisbedrag niet afgetrokken van de totale te beplanten oppervlakte.
-
Art. 2M 3.
2. Jaarlijkse subsidie ter dekking van de onderhoudskosten gedurende de eerste 5 jaar na de aanplanting
Deze subsidie wordt berekend per ha naargelang van de categorie waartoe de gebruikte boomsoorten behoren.
2. Jaarlijkse subsidie ter dekking van de onderhoudskosten gedurende de eerste 5 jaar na de aanplanting
Deze subsidie wordt berekend per ha naargelang van de categorie waartoe de gebruikte boomsoorten behoren.
-
Jaar 1e en 2e jaar 3e, 4e en 5e jaar Totaal
(BEF) (BEF) (BEF)
(BEF) (BEF) (BEF)
-
Cult. populieren 10000 8000 44000
andere loofbomen 20000 10000 70000
naaldbomen 10000 5000 35000
andere loofbomen 20000 10000 70000
naaldbomen 10000 5000 35000
-
Art. 3M 3.
3. enkel voor landbouwers in hoofdberoep : inkomenssteun gedurende 5 jaar.
De EG-verordening 2080/92 voorziet in een steun ter compensatie van inkomensverliezen voor landbouwers in hoofdberoep tengevolge van bebossing van landbouwgronden.
Aangezien deze inkomenssteun niet onder de bevoegdheid van de Vlaamse regering valt, maar wel onder de bevoegdheid van de federale regering, nl. van de minister bevoegd voor landbouw, is deze inkomenssteun niet opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 26/06/96. De federale minister van Landbouw en de KMO's heeft hierover een apart besluit uitgevaardigd nl. het " Ministerieel besluit van 17/10/95 houdende invoering van een premie ter compensatie van inkomensverliezen ten gevolge van bebossing van landbouwgrond in uitvoering van de verordening (EEG) 2080/92 van de Raad van 30 juni '92 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw ".
" Landbouwer in hoofdberoep " wordt in dit besluit als volgt gedefinieerd (Artikel 1, 4°)
" 4° producent in hoofdberoep :
- de natuurlijke persoon, landbouwer in hoofdberoep : de natuurlijke persoon die zelf het landbouwbedrijf uitbaat, die uit het bedrijf een netto belastbaar inkomen verwerft dat meer dan 50 % bedraagt van zijn globaal netto belastbaar inkomen en die aan werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf meer dan 50 % van zijn totale arbeidsduur besteedt;
- de rechtspersoon, landbouwer in hoofdberoep : de rechtspersoon waarvan de statuten de uitbating van een landbouwbedrijf en de verhandeling hoofdzakelijk van de op het bedrijf voortgebrachte produkten tot voorwerp hebben, en die daarenboven aan volgende voorwaarden voldoet :
1. opgericht zijn onder één der vormen bedoeld bij het Wetboek van koophandel, boek I, titel IX, sectie I, artikel 2, en bovendien de volgende voorwaarden vervullen :
a) opgericht zijn voor een duur van ten minste twintig jaar;
b) de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap moeten op naam zijn ;
c) de aandelen of deelbewijzen van de vennootschap moeten voor ten minste 51 % toebehoren aan de bestuurders of zaakvoerders;
d) de bestuurders of zaakvoerders moeten onder de vennoten worden aangewezen;
e) de bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap moeten meer dan 50 % van hun tijd besteden aan landbouwwerkzaamheden in de vennootschap en meer dan 50 % van hun globaal inkomen uit die activiteiten halen;
2. opgericht zijn onder de vorm van een landbouwvennootschap bedoeld bij de wet van 12 juli 1979 tot instelling van de landbouwvennootschap.
- de groepering van natuurlijke personen of van rechtspersonen of van beide, landbouwer in hoofdberoep : de groepering waarin alle natuurlijke personen meer dan 50 % van hun arbeidstijd besteden aan landbouwwerkzaamheden in de groepering en meer dan 50 % van hun globaal netto belastbaar inkomen uit die activiteit halen en waarin alle rechtspersonen voldoen aan de voorwaarden van het tweede streepje, punt 1 en 2 van deze paragraaf en meer dan 50 % van hun activiteit besteden aan landbouwwerkzaamheden in de groepering.
De aanvrager moet producent in hoofdberoep zijn op het ogenblik van de aanvraag en dit ook blijven gedurende een periode van tenminste 5 jaar vanaf het jaar dat de eerste premie uitbetaald is.
Voor de beslissing of de aanvrager voldoet aan alle voorwaarden om als landbouwer in hoofdberoep beschouwd te worden doet het ministerie van landbouw een beroep op het advies van de administratie Land- en Tuinbouw van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
De inkomenssteun bestaat uit een jaarlijkse premie van 25.000 BEF/ha met gewestelijke steun beboste landbouwgrond gedurende 5 jaar.
3. enkel voor landbouwers in hoofdberoep : inkomenssteun gedurende 5 jaar.
De EG-verordening 2080/92 voorziet in een steun ter compensatie van inkomensverliezen voor landbouwers in hoofdberoep tengevolge van bebossing van landbouwgronden.
Aangezien deze inkomenssteun niet onder de bevoegdheid van de Vlaamse regering valt, maar wel onder de bevoegdheid van de federale regering, nl. van de minister bevoegd voor landbouw, is deze inkomenssteun niet opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 26/06/96. De federale minister van Landbouw en de KMO's heeft hierover een apart besluit uitgevaardigd nl. het " Ministerieel besluit van 17/10/95 houdende invoering van een premie ter compensatie van inkomensverliezen ten gevolge van bebossing van landbouwgrond in uitvoering van de verordening (EEG) 2080/92 van de Raad van 30 juni '92 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw ".
" Landbouwer in hoofdberoep " wordt in dit besluit als volgt gedefinieerd (Artikel 1, 4°)
" 4° producent in hoofdberoep :
- de natuurlijke persoon, landbouwer in hoofdberoep : de natuurlijke persoon die zelf het landbouwbedrijf uitbaat, die uit het bedrijf een netto belastbaar inkomen verwerft dat meer dan 50 % bedraagt van zijn globaal netto belastbaar inkomen en die aan werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf meer dan 50 % van zijn totale arbeidsduur besteedt;
- de rechtspersoon, landbouwer in hoofdberoep : de rechtspersoon waarvan de statuten de uitbating van een landbouwbedrijf en de verhandeling hoofdzakelijk van de op het bedrijf voortgebrachte produkten tot voorwerp hebben, en die daarenboven aan volgende voorwaarden voldoet :
1. opgericht zijn onder één der vormen bedoeld bij het Wetboek van koophandel, boek I, titel IX, sectie I, artikel 2, en bovendien de volgende voorwaarden vervullen :
a) opgericht zijn voor een duur van ten minste twintig jaar;
b) de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap moeten op naam zijn ;
c) de aandelen of deelbewijzen van de vennootschap moeten voor ten minste 51 % toebehoren aan de bestuurders of zaakvoerders;
d) de bestuurders of zaakvoerders moeten onder de vennoten worden aangewezen;
e) de bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap moeten meer dan 50 % van hun tijd besteden aan landbouwwerkzaamheden in de vennootschap en meer dan 50 % van hun globaal inkomen uit die activiteiten halen;
2. opgericht zijn onder de vorm van een landbouwvennootschap bedoeld bij de wet van 12 juli 1979 tot instelling van de landbouwvennootschap.
- de groepering van natuurlijke personen of van rechtspersonen of van beide, landbouwer in hoofdberoep : de groepering waarin alle natuurlijke personen meer dan 50 % van hun arbeidstijd besteden aan landbouwwerkzaamheden in de groepering en meer dan 50 % van hun globaal netto belastbaar inkomen uit die activiteit halen en waarin alle rechtspersonen voldoen aan de voorwaarden van het tweede streepje, punt 1 en 2 van deze paragraaf en meer dan 50 % van hun activiteit besteden aan landbouwwerkzaamheden in de groepering.
De aanvrager moet producent in hoofdberoep zijn op het ogenblik van de aanvraag en dit ook blijven gedurende een periode van tenminste 5 jaar vanaf het jaar dat de eerste premie uitbetaald is.
Voor de beslissing of de aanvrager voldoet aan alle voorwaarden om als landbouwer in hoofdberoep beschouwd te worden doet het ministerie van landbouw een beroep op het advies van de administratie Land- en Tuinbouw van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.
De inkomenssteun bestaat uit een jaarlijkse premie van 25.000 BEF/ha met gewestelijke steun beboste landbouwgrond gedurende 5 jaar.
-
HOOFDSTUK IV. - Procedure voor indiening van een aanvraag en voor uitbetaling.
-
Art. 1M 4.
1. Indiening van de aanvraag.
De aanvraag tot het bekomen van een subsidie voor bebossing van landbouwgrond dient drie maanden vóór de aanvang van de beplantingswerken ingediend te worden bij de afdeling Bos & Groen, bij de woudmeester van de provincie waar het bos gelegen is. (adressen zie bijlage)
De aanvraag gebeurt aan de hand van een formulier, dat te bekomen is bij de afdeling Bos & Groen en bij de gemeentebesturen.
Als bijlage voegt de aanvrager een situeringsplan (schaal 1/25.000 of groter) en indien de percelen gelegen zijn tussen meerdere bosbestanden een meer gedetailleerd plan (schaal 1/2500 of 1/5000), beide met aanduiding van de beplantingen.
Als bijlage voegt de aanvrager ook de eventueel vereiste vergunning van het college van Burgemeester en Schepenen (zie hoofdstuk II).
De aanvrager krijgt een ontvangstmelding waarin ook meegedeeld wordt welke gegevens of elementen er eventueel nog ontbreken en welke adviezen afdeling Bos & Groen zelf nog zal aanvragen (eventueel vereiste adviezen van de afdeling Land en de afdeling Natuur, van Monumenten en landschappen (indien nog niet gevraagd door de gemeente) en van ALT). Het advies van de afdeling Bos & Groen zelf wordt na het inwinnen van alle overige adviezen verstrekt.
Een aanvraag is pas ontvankelijk als het formulier volledig en waarheidsgetrouw is ingevuld, als geen van de vereiste elementen ontbreekt en als alle nodige adviezen ingewonnen zijn. Een aanvraag is ook onontvankelijk wanneer één van de bindende adviezen (afdeling Land en Monumenten en landschappen, Bosbeheer) ongunstig is of wanneer de aanvraag niet conform de voorwaarden is, opgelegd door de vergunning of de bindende adviezen.
De aanvrager wordt op de hoogte gebracht van de onontvankelijkheid en de redenen hiertoe.
Indien de ambtenaar van de afdeling Bos & Groen geen positief advies kan geven, omwille van het beplantingsplan, kan hij de aanvrager contacteren en voorstellen doen voor aanpassing van het beplantingsvoorstel.
Ontvankelijke aanvragen krijgen een registratienummer door de woudmeester. De aanvrager krijgt een bericht zodra de aanvraag ontvankelijk is met vermelding van het voorgestelde subsidiebedrag. De aanvrager kan dan op eigen risico de beplantingswerkzaamheden reeds aanvatten. De subsidie is echter slechts definitief toegekend, nadat de bevoegde minister het toekenningsbesluit ondertekend heeft.
Indien de aanvrager landbouwer in hoofdberoep is, vult hij een bijkomend formulier in voor aanvraag van de inkomenssteun. Dit formulier is eveneens te verkrijgen bij de afdeling Bos & Groen en bij de gemeentebesturen. Als bijlage voegt de landbouwer in hoofdberoep een voor eensluidend verklaard afschrift van zijn aangifte in de personenbelasting en zijn berekeningsnota (aanslagbiljet) die betrekking hebben op de inkomsten van het burgerlijk jaar dat 2 jaar voorafgaat aan het jaar van de aanvraag.
In een overeenkomst tussen het federaal Landbouwministerie en de afdeling Bos & Groen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap is afgesproken dat de aanvraag voor inkomenssteun tegelijk met de aanvraag voor de bebossingssubsidie bij de afdeling Bos & Groen kan ingediend worden. De afdeling Bos & Groen zorgt dan zelf voor het doorsturen van de dossiers naar het federale Ministerie van Landbouw en Middenstand.
1. Indiening van de aanvraag.
De aanvraag tot het bekomen van een subsidie voor bebossing van landbouwgrond dient drie maanden vóór de aanvang van de beplantingswerken ingediend te worden bij de afdeling Bos & Groen, bij de woudmeester van de provincie waar het bos gelegen is. (adressen zie bijlage)
De aanvraag gebeurt aan de hand van een formulier, dat te bekomen is bij de afdeling Bos & Groen en bij de gemeentebesturen.
Als bijlage voegt de aanvrager een situeringsplan (schaal 1/25.000 of groter) en indien de percelen gelegen zijn tussen meerdere bosbestanden een meer gedetailleerd plan (schaal 1/2500 of 1/5000), beide met aanduiding van de beplantingen.
Als bijlage voegt de aanvrager ook de eventueel vereiste vergunning van het college van Burgemeester en Schepenen (zie hoofdstuk II).
De aanvrager krijgt een ontvangstmelding waarin ook meegedeeld wordt welke gegevens of elementen er eventueel nog ontbreken en welke adviezen afdeling Bos & Groen zelf nog zal aanvragen (eventueel vereiste adviezen van de afdeling Land en de afdeling Natuur, van Monumenten en landschappen (indien nog niet gevraagd door de gemeente) en van ALT). Het advies van de afdeling Bos & Groen zelf wordt na het inwinnen van alle overige adviezen verstrekt.
Een aanvraag is pas ontvankelijk als het formulier volledig en waarheidsgetrouw is ingevuld, als geen van de vereiste elementen ontbreekt en als alle nodige adviezen ingewonnen zijn. Een aanvraag is ook onontvankelijk wanneer één van de bindende adviezen (afdeling Land en Monumenten en landschappen, Bosbeheer) ongunstig is of wanneer de aanvraag niet conform de voorwaarden is, opgelegd door de vergunning of de bindende adviezen.
De aanvrager wordt op de hoogte gebracht van de onontvankelijkheid en de redenen hiertoe.
Indien de ambtenaar van de afdeling Bos & Groen geen positief advies kan geven, omwille van het beplantingsplan, kan hij de aanvrager contacteren en voorstellen doen voor aanpassing van het beplantingsvoorstel.
Ontvankelijke aanvragen krijgen een registratienummer door de woudmeester. De aanvrager krijgt een bericht zodra de aanvraag ontvankelijk is met vermelding van het voorgestelde subsidiebedrag. De aanvrager kan dan op eigen risico de beplantingswerkzaamheden reeds aanvatten. De subsidie is echter slechts definitief toegekend, nadat de bevoegde minister het toekenningsbesluit ondertekend heeft.
Indien de aanvrager landbouwer in hoofdberoep is, vult hij een bijkomend formulier in voor aanvraag van de inkomenssteun. Dit formulier is eveneens te verkrijgen bij de afdeling Bos & Groen en bij de gemeentebesturen. Als bijlage voegt de landbouwer in hoofdberoep een voor eensluidend verklaard afschrift van zijn aangifte in de personenbelasting en zijn berekeningsnota (aanslagbiljet) die betrekking hebben op de inkomsten van het burgerlijk jaar dat 2 jaar voorafgaat aan het jaar van de aanvraag.
In een overeenkomst tussen het federaal Landbouwministerie en de afdeling Bos & Groen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap is afgesproken dat de aanvraag voor inkomenssteun tegelijk met de aanvraag voor de bebossingssubsidie bij de afdeling Bos & Groen kan ingediend worden. De afdeling Bos & Groen zorgt dan zelf voor het doorsturen van de dossiers naar het federale Ministerie van Landbouw en Middenstand.
-
Art. 2M 4.
2. Toekenning van de subsidie.
De aanvragen voor de bebossingssubsidie worden door de afdeling Bos & Groen met alle adviezen en een voorstel van subsidiebedrag ter beslissing aan de minister bevoegd voor de bossen voorgelegd.
De aanvrager wordt op de hoogte gebracht van de beslissing van de minister en krijgt tegelijkertijd een formulier toegestuurd, waarmee hij na het uitvoeren van de beplantingswerkzaamheden een eerste terreincontrole en aansluitend de uitbetaling van een eerste schijf van de subsidie kan aanvragen. De aanvrager wordt eveneens op de hoogte gebracht van de toekenning van de inkomenssteun.
2. Toekenning van de subsidie.
De aanvragen voor de bebossingssubsidie worden door de afdeling Bos & Groen met alle adviezen en een voorstel van subsidiebedrag ter beslissing aan de minister bevoegd voor de bossen voorgelegd.
De aanvrager wordt op de hoogte gebracht van de beslissing van de minister en krijgt tegelijkertijd een formulier toegestuurd, waarmee hij na het uitvoeren van de beplantingswerkzaamheden een eerste terreincontrole en aansluitend de uitbetaling van een eerste schijf van de subsidie kan aanvragen. De aanvrager wordt eveneens op de hoogte gebracht van de toekenning van de inkomenssteun.
-
Art. 3M 4.
3. Terreincontrole en uitbetaling.
Bij de aanvraag voor uitbetaling voegt de aanvrager een attest van herkomst of een attest van goedkeuring van het plantsoen, voor die boomsoorten waarvoor deze attesten wettelijk vereist zijn. Deze boomsoorten zijn met een § gemerkt in de lijst onder Hoofdstuk III, punt 1.1.
De ambtenaar van de afdeling Bos & Groen of zijn afgevaardigde voert een eerste terreincontrole uit vóór de 31e oktober na de ontvangst van de betalingsaanvraag. Dit betekent dat de controle gebeurt tijdens de groeiperiode volgend op het plantseizoen. (Bv aanplanting in november '94 of februari '95 : controle kan gebeuren vanaf het in blad schieten tot 31 oktober). Indien de controle dan niet uitgevoerd werd, worden de werken als aanvaard beschouwd. Voor de controle-aanvragen, ingediend tussen 30 september en 31 oktober, wordt de controle vóór 31 oktober van het jaar daarna uitgevoerd.
De aanvrager is niet verplicht aanwezig te zijn bij de terreincontrole. Door de subsidie-aanvraag te ondertekenen geeft de aanvrager toestemming aan de ambtenaar om het beplante terrein te betreden.
De ambtenaar stuurt de betalingsaanvraag met het verslag van de terreincontrole naar het hoofdbestuur van de afdeling Bos & Groen in Brussel, waar de uitbetaling verder afgehandeld wordt. Ongeveer 6 à 10 weken na het doorsturen van de uitbetalingsaanvraag kan de aanvrager de eerste schijf van de subsidie op zijn rekening verwachten.
De eerste uitbetaling bestaat uit 60 % van de bebossingssubsidie en de onderhoudkosten voor de eerste 2 jaar.
Zodra de eerste uitbetalingsaanvraag aanvaard is, wordt dit gemeld aan het federale ministerie van Landbouw en Middenstand. Vanaf dan zal dit ministerie starten met de jaarlijkse uitbetaling van de premie voor inkomenssteun gedurende 5 jaar.
De tweede uitbetaling (40 % van de bebossingssubsidie en de subsidie voor de onderhoudskosten van het 3de tot vijfde jaar na de aanplanting) kan pas aangevraagd worden na goedkeuring van een beheersplan (zie hierover meer onder hoofdstuk V.6). Het formulier voor de uitbetaling van 40 % wordt automatisch naar de aanvrager gestuurd ongeveer drie jaar na het uitvoeren van de beplanting. De procedure om de uitbetaling te bekomen is dezelfde als voor de uitbetaling van de eerste 60 %.
3. Terreincontrole en uitbetaling.
Bij de aanvraag voor uitbetaling voegt de aanvrager een attest van herkomst of een attest van goedkeuring van het plantsoen, voor die boomsoorten waarvoor deze attesten wettelijk vereist zijn. Deze boomsoorten zijn met een § gemerkt in de lijst onder Hoofdstuk III, punt 1.1.
De ambtenaar van de afdeling Bos & Groen of zijn afgevaardigde voert een eerste terreincontrole uit vóór de 31e oktober na de ontvangst van de betalingsaanvraag. Dit betekent dat de controle gebeurt tijdens de groeiperiode volgend op het plantseizoen. (Bv aanplanting in november '94 of februari '95 : controle kan gebeuren vanaf het in blad schieten tot 31 oktober). Indien de controle dan niet uitgevoerd werd, worden de werken als aanvaard beschouwd. Voor de controle-aanvragen, ingediend tussen 30 september en 31 oktober, wordt de controle vóór 31 oktober van het jaar daarna uitgevoerd.
De aanvrager is niet verplicht aanwezig te zijn bij de terreincontrole. Door de subsidie-aanvraag te ondertekenen geeft de aanvrager toestemming aan de ambtenaar om het beplante terrein te betreden.
De ambtenaar stuurt de betalingsaanvraag met het verslag van de terreincontrole naar het hoofdbestuur van de afdeling Bos & Groen in Brussel, waar de uitbetaling verder afgehandeld wordt. Ongeveer 6 à 10 weken na het doorsturen van de uitbetalingsaanvraag kan de aanvrager de eerste schijf van de subsidie op zijn rekening verwachten.
De eerste uitbetaling bestaat uit 60 % van de bebossingssubsidie en de onderhoudkosten voor de eerste 2 jaar.
Zodra de eerste uitbetalingsaanvraag aanvaard is, wordt dit gemeld aan het federale ministerie van Landbouw en Middenstand. Vanaf dan zal dit ministerie starten met de jaarlijkse uitbetaling van de premie voor inkomenssteun gedurende 5 jaar.
De tweede uitbetaling (40 % van de bebossingssubsidie en de subsidie voor de onderhoudskosten van het 3de tot vijfde jaar na de aanplanting) kan pas aangevraagd worden na goedkeuring van een beheersplan (zie hierover meer onder hoofdstuk V.6). Het formulier voor de uitbetaling van 40 % wordt automatisch naar de aanvrager gestuurd ongeveer drie jaar na het uitvoeren van de beplanting. De procedure om de uitbetaling te bekomen is dezelfde als voor de uitbetaling van de eerste 60 %.
-
HOOFDSTUK V. - Voorwaarden voor het bekomen en het behouden van de subsidie.
-
Art. M5. 1. Adviezen en vergunningen : zie onder hoofdstuk II
2. Voorwaarden m.b.t. boomsoorten, plantsoen, plantafstand : zie onder hoofdstuk III en II (advies van de afdeling Bos & Groen)
3. De bebossing mag niet strijdig zijn met eventuele erfdienstbaarheden die op de percelen in kwestie rusten.
4. De bebossingswerken en de onderhoudswerken moeten conform de gegevens op het aanvraagformulier uitgevoerd worden.
5. Behoud van het bos gedurende minstens 20 jaar :
Door het ondertekenen van de subsidie-aanvraag verbindt de aanvrager zich ertoe het bos niet te kappen of van bestemming te wijzigen gedurende 20 jaar na de aanplanting. In geval van verkoop verbindt de aanvrager zicht ertoe om in de verkoopakte een clausule te laten opnemen die de koper verplicht bovenvermelde termijn van 20 jaar te respecteren.
6. De laatste schijf van de subsidie kan niet uitbetaald worden voor er een beheersplan conform artikel 43 van het bosdecreet goedgekeurd werd. Enkel voor privébossen van minder dan 5 ha bos die niet aansluiten bij andere privé-boseigendommen dient geen beheersplan opgesteld te worden. De formulieren voor het beheersplan voor privé-bossen kunnen verkregen worden bij de buitendiensten van de afdeling Bos & Groen. Voor meer informatie en advies m.b.t. bosbeheersplannen kan elke boseigenaar terecht bij de ambtenaren privé-bos (privé-eigenaars) of de houtvesters (openbare eigenaars).
Indien vastgesteld wordt dat de aanvrager niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden dient hij de uitgekeerde subsidie onmiddellijk terug te storten op een door het Bosbeheer op te geven rekening van het MiNa-fonds. Ook de reeds betaalde inkomensteun dient dan teruggestort te worden.
Wanneer de aanvrager in de loop van 5 jaar na de aanplanting geen landbouwer in hoofdberoep meer is, wordt de betaling van de inkomenssteun stopgezet.
2. Voorwaarden m.b.t. boomsoorten, plantsoen, plantafstand : zie onder hoofdstuk III en II (advies van de afdeling Bos & Groen)
3. De bebossing mag niet strijdig zijn met eventuele erfdienstbaarheden die op de percelen in kwestie rusten.
4. De bebossingswerken en de onderhoudswerken moeten conform de gegevens op het aanvraagformulier uitgevoerd worden.
5. Behoud van het bos gedurende minstens 20 jaar :
Door het ondertekenen van de subsidie-aanvraag verbindt de aanvrager zich ertoe het bos niet te kappen of van bestemming te wijzigen gedurende 20 jaar na de aanplanting. In geval van verkoop verbindt de aanvrager zicht ertoe om in de verkoopakte een clausule te laten opnemen die de koper verplicht bovenvermelde termijn van 20 jaar te respecteren.
6. De laatste schijf van de subsidie kan niet uitbetaald worden voor er een beheersplan conform artikel 43 van het bosdecreet goedgekeurd werd. Enkel voor privébossen van minder dan 5 ha bos die niet aansluiten bij andere privé-boseigendommen dient geen beheersplan opgesteld te worden. De formulieren voor het beheersplan voor privé-bossen kunnen verkregen worden bij de buitendiensten van de afdeling Bos & Groen. Voor meer informatie en advies m.b.t. bosbeheersplannen kan elke boseigenaar terecht bij de ambtenaren privé-bos (privé-eigenaars) of de houtvesters (openbare eigenaars).
Indien vastgesteld wordt dat de aanvrager niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden dient hij de uitgekeerde subsidie onmiddellijk terug te storten op een door het Bosbeheer op te geven rekening van het MiNa-fonds. Ook de reeds betaalde inkomensteun dient dan teruggestort te worden.
Wanneer de aanvrager in de loop van 5 jaar na de aanplanting geen landbouwer in hoofdberoep meer is, wordt de betaling van de inkomenssteun stopgezet.
-
HOOFDSTUK VI. - Terug in gebruik nemen van de met subsidie beboste grond voor landbouwgebruik.
-
Art. M6. Ontbossing wordt geregeld door art. 44 van de wet op de Ruimtelijke Ordening en de Stedebouw. Dit artikel bepaalt dat voor elke ontbossing een vergunning moet aangevraagd worden bij het college van Burgemeester en Schepenen (privé-eigenaars) of bij de Administratie bevoegd voor ruimtelijke ordening (openbare eigenaars).
Ook al wordt deze vergunning afgeleverd, dan toch voldoet de eigenaar niet meer aan de voorwaarden van het subsidiebesluit en de reeds uitbetaalde subsidie kan dus teruggevorderd worden (zie hoofdstuk V, laatste alinea).
Indien de beboste landbouwgrond gelegen is in agrarisch gebied volgens het gewestplan, bepaalt artikel 87, 5de lid van het bosdecreet in uitzondering op de wet op de Ruimtelijke Ordening en de Stedebouw voor privé-eigenaars een soepeler procedure voor het terug in landbouwgebruik nemen van de grond :
" Voor de rooiing binnen een termijn van 12 jaar na de aanplanting of de laatste exploitatie van de in vorig lid bedoelde houtachtige gewassen of spontane bebossing, is in afwijking van artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de Ruimtelijke ordening en van de Stedebouw, enkel een voorafgaande eenvoudige melding van de rooiing aan de landbouwkundig ingenieur van de dienst Landbouw en de ambtenaar vereist. Van deze melding stelt de ambtenaar onverwijld het College van Burgemeester en Schepenen en het Bestuur van Ruimtelijke ordening in kennis. De hiervoor bedoelde termijn kan door de Vlaamse regering worden aangepast.
" Door het besluit van de Vlaamse regering van 26/06/96 " tot wijziging van de termijn van rooiing van houtachtige gewassen of spontane bebossing in agrarisch gebied, in afwijking van artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw " wordt de periode van 12 jaar gewijzigd naar 22 jaar na de aanleg en 3 jaar na de laatste exploitatie.
Dit betekent dat bosaanplantingen door privé-eigenaars in agrarisch gebied vrijgesteld worden van vergunningsplicht voor ontbossing gedurende 22 jaar na de aanplanting. Gesubsidieerde bosaanplantingen in agrarisch gebied kunnen dus binnen de 22 jaar na de aanplanting na eenvoudige melding aan de ambtenaar van afdeling Bos & Groen en van afdeling Land gerooid (ontbost) worden. Indien dit echter eerder gebeurt dan 20 jaar na de aanplanting dient de reeds uitgekeerde subsidie terugbetaald te worden.
De eigenaar kan ook binnen de 3 jaar na de eindkap (=exploitatie), waarvoor hij een kapmachtiging (overeenkomstig artikel 81 van het bosdecreet) gekregen heeft melden aan afdeling Bos & Groen en afdeling Land dat hij de gekapte percelen niet meer zal herbebossen en terug in gebruik nemen als landbouwgrond. Hetzelfde geldt voor een eindkap die voorzien was in een goedgekeurd bosbeheersplan (art. 43 bosdecreet).
Deze eindkap dient dan wel te gebeuren binnen een periode van 22 jaar na de aanplanting. Vanaf 3 jaar na deze eindkap is herbebossing opnieuw verplicht, tenzij er een ontbossingsvergunning verkregen wordt via de normale procedure volgens de wet op de Ruimtelijke Ordening en de Stedebouw.
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling,
Th. Kelchtermans.
De Vlaamse minister van Economie, KMO, Landbouw en Media,
E. Van Rompuy
Ook al wordt deze vergunning afgeleverd, dan toch voldoet de eigenaar niet meer aan de voorwaarden van het subsidiebesluit en de reeds uitbetaalde subsidie kan dus teruggevorderd worden (zie hoofdstuk V, laatste alinea).
Indien de beboste landbouwgrond gelegen is in agrarisch gebied volgens het gewestplan, bepaalt artikel 87, 5de lid van het bosdecreet in uitzondering op de wet op de Ruimtelijke Ordening en de Stedebouw voor privé-eigenaars een soepeler procedure voor het terug in landbouwgebruik nemen van de grond :
" Voor de rooiing binnen een termijn van 12 jaar na de aanplanting of de laatste exploitatie van de in vorig lid bedoelde houtachtige gewassen of spontane bebossing, is in afwijking van artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de Ruimtelijke ordening en van de Stedebouw, enkel een voorafgaande eenvoudige melding van de rooiing aan de landbouwkundig ingenieur van de dienst Landbouw en de ambtenaar vereist. Van deze melding stelt de ambtenaar onverwijld het College van Burgemeester en Schepenen en het Bestuur van Ruimtelijke ordening in kennis. De hiervoor bedoelde termijn kan door de Vlaamse regering worden aangepast.
" Door het besluit van de Vlaamse regering van 26/06/96 " tot wijziging van de termijn van rooiing van houtachtige gewassen of spontane bebossing in agrarisch gebied, in afwijking van artikel 44 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw " wordt de periode van 12 jaar gewijzigd naar 22 jaar na de aanleg en 3 jaar na de laatste exploitatie.
Dit betekent dat bosaanplantingen door privé-eigenaars in agrarisch gebied vrijgesteld worden van vergunningsplicht voor ontbossing gedurende 22 jaar na de aanplanting. Gesubsidieerde bosaanplantingen in agrarisch gebied kunnen dus binnen de 22 jaar na de aanplanting na eenvoudige melding aan de ambtenaar van afdeling Bos & Groen en van afdeling Land gerooid (ontbost) worden. Indien dit echter eerder gebeurt dan 20 jaar na de aanplanting dient de reeds uitgekeerde subsidie terugbetaald te worden.
De eigenaar kan ook binnen de 3 jaar na de eindkap (=exploitatie), waarvoor hij een kapmachtiging (overeenkomstig artikel 81 van het bosdecreet) gekregen heeft melden aan afdeling Bos & Groen en afdeling Land dat hij de gekapte percelen niet meer zal herbebossen en terug in gebruik nemen als landbouwgrond. Hetzelfde geldt voor een eindkap die voorzien was in een goedgekeurd bosbeheersplan (art. 43 bosdecreet).
Deze eindkap dient dan wel te gebeuren binnen een periode van 22 jaar na de aanplanting. Vanaf 3 jaar na deze eindkap is herbebossing opnieuw verplicht, tenzij er een ontbossingsvergunning verkregen wordt via de normale procedure volgens de wet op de Ruimtelijke Ordening en de Stedebouw.
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling,
Th. Kelchtermans.
De Vlaamse minister van Economie, KMO, Landbouw en Media,
E. Van Rompuy
-
BIJLAGE.
-
Art. N. Bijlage.
(Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 04-02-1997, p. 2063-2064).
(Tabel niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 04-02-1997, p. 2063-2064).
-