Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 JULI 1997. - Decreet betreffende het onderwijs VIII. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-08-1997 en tekstbijwerking tot 13-02-2017)
Titre
15 JUILLET 1997. - Décret relatif à l'enseignement-VIII (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-08-1997 et mise à jour au 13-02-2017)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Personeelsaangelegenheden.
HOOFDSTUK III. - Secundair Onderwijs.
HOOFDSTUK IV. - Hoger onderwijs.
HOOFDSTUK V. - Universitair onderwijs.
HOOFDSTUK VI. - PMS-centra.
HOOFDSTUK VII. - Basisonderwijs.
HOOFDSTUK VIII. - Overheveling van instellingen...
HOOFDSTUK IX. - Infrastructuurwerken in het hog...
Inhoud
CHAPITRE I. - Dispositions introductives.
CHAPITRE II. - Personnels.
CHAPITRE III. - Enseignement secondaire.
CHAPITRE IV. - Enseignement supérieur.
CHAPITRE V. - Enseignement universitaire.
CHAPITRE VI. - Centres PMS.
CHAPITRE VII. - Enseignement fondamental.
CHAPITRE VIII. - Transferts d'établissements à ...
CHAPITRE IX. - Travaux d'infrastructure dans l'...
Tekst (86)
Texte (86)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions introductives.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret régit une matière communautaire.
HOOFDSTUK II. - Personeelsaangelegenheden.
CHAPITRE II. - Personnels.
Art. 2. Artikel 40bis van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 28 april 1993, wordt ingetrokken.
Art. 2. L'article 40bis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire, inséré par le décret du 28 avril 1993, est abrogé.
Art. 3. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk Vbis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" HOOFDSTUK Vbis. - Vastbenoemde personeelsleden tijdelijk belast met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt.
" Artikel 55bis : § 1. Na toepassing van en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk III. - Werving en van de overgangsbepalingen van dit decreet en de bepalingen van hoofdstuk V. - Selectie en bevordering kan een opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk worden toegewezen aan een vastbenoemd personeelslid van het gemeenschapsonderwijs, van het gesubsidieerd onderwijs, van de gesubsidieerde centra, van de inspectie, van de pedagogische begeleidingsdiensten of van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met uitzondering van de gesubsidieerde hogescholen bedoeld in het decreet van 13 juli 1994.
§ 2. Het vastbenoemde personeelslid kan, met zijn instemming, geheel of gedeeltelijk afzien van de uitoefening van de opdracht waarvoor het vast benoemd is om in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor het niet vast benoemd is.
§ 3. Het vastbenoemde personeelslid wordt met de andere opdracht belast overeenkomstig de bepalingen van dit decreet die ofwel de tijdelijke aanstelling in een wervingsambt regelen, met uitzondering van de bepalingen inzake de kandidaatstelling en de voorrang, ofwel de waarnemende aanstelling in selectie- en bevorderingsambten.
§ 4. Tijdens de periode gedurende welke het personeelslid tijdelijk belast wordt met een andere opdracht en voor de beëindiging ervan, gelden de regels die voor de tijdelijke personeelsleden van toepassing zijn op het ambt waarin het personeelslid tijdelijk fungeert.
§ 5. In afwijking van § 4 wordt het vastbenoemde personeelslid tijdens de periode van tijdelijke/waarnemende aanstelling verder beschouwd als vast benoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake :
- het bevallingsverlof;
- het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;
- de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
- de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.
Het eerste lid van deze paragraaf geldt eveneens voor het vastbenoemde personeelslid dat overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III - Werving als tijdelijk personeelslid wordt aangesteld.
" Artikel 55ter : De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt waarvoor ze niet vastbenoemd zijn. "
" HOOFDSTUK Vbis. - Vastbenoemde personeelsleden tijdelijk belast met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt.
" Artikel 55bis : § 1. Na toepassing van en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk III. - Werving en van de overgangsbepalingen van dit decreet en de bepalingen van hoofdstuk V. - Selectie en bevordering kan een opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk worden toegewezen aan een vastbenoemd personeelslid van het gemeenschapsonderwijs, van het gesubsidieerd onderwijs, van de gesubsidieerde centra, van de inspectie, van de pedagogische begeleidingsdiensten of van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met uitzondering van de gesubsidieerde hogescholen bedoeld in het decreet van 13 juli 1994.
§ 2. Het vastbenoemde personeelslid kan, met zijn instemming, geheel of gedeeltelijk afzien van de uitoefening van de opdracht waarvoor het vast benoemd is om in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor het niet vast benoemd is.
§ 3. Het vastbenoemde personeelslid wordt met de andere opdracht belast overeenkomstig de bepalingen van dit decreet die ofwel de tijdelijke aanstelling in een wervingsambt regelen, met uitzondering van de bepalingen inzake de kandidaatstelling en de voorrang, ofwel de waarnemende aanstelling in selectie- en bevorderingsambten.
§ 4. Tijdens de periode gedurende welke het personeelslid tijdelijk belast wordt met een andere opdracht en voor de beëindiging ervan, gelden de regels die voor de tijdelijke personeelsleden van toepassing zijn op het ambt waarin het personeelslid tijdelijk fungeert.
§ 5. In afwijking van § 4 wordt het vastbenoemde personeelslid tijdens de periode van tijdelijke/waarnemende aanstelling verder beschouwd als vast benoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake :
- het bevallingsverlof;
- het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;
- de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
- de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.
Het eerste lid van deze paragraaf geldt eveneens voor het vastbenoemde personeelslid dat overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III - Werving als tijdelijk personeelslid wordt aangesteld.
" Artikel 55ter : De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt waarvoor ze niet vastbenoemd zijn. "
Art. 3. Dans le même décret, il est inséré un Chapitre Vbis, rédigé ainsi qu'il suit :
" Chapitre Vbis. - Membres du personnel nommés à titre définitif s'acquittant temporairement d'une autre charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion. ".
" Art. 55bis. § 1er. Par application et sans préjudice des dispositions du Chapitre III. - Recrutement et des dispositions transitoires du présent décret et des dispositions du Chapitre V. - Sélection et promotion, une charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion peut être attribuée temporairement à un membre du personnel nommé à titre définitif de l'enseignement communautaire, de l'enseignement subventionné, des centres subventionnés, de l'inspection, des services d'encadrement pédagogique ou de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques, à l'exception des instituts supérieurs subventionnés visés au décret du 13 juillet 1994.
§ 2. Le membre du personnel à titre définitif peut entièrement ou partiellement renoncer, de sa propre autorité, à l'exécution de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif afin de s'acquitter dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion d'une autre charge pour laquelle il n'est pas nommé à titre définitif.
§ 3. Une autre charge est confiée au membre du personnel conformément aux dispositions du présent décret qui régissent ou bien la désignation temporaire dans une fonction de recrutement, à l'exception des dispositions relatives à l'acte de candidature et la priorité, ou bien la désignation intérimaire dans des fonctions de sélection et de promotion.
§ 4. Pendant la période que le membre du personnel accomplit temporairement une autre charge et avant la fin de celle-ci, les mêmes règles que celles applicables pour les personnels temporaires sont d'application à la fonction exercée temporairement par le membre du personnel.
§ 5. Par dérogation au § 4, le membre du personnel à titre définitif est considéré, pendant la période de désignation temporaire/intérimaire, comme un membre du personnel définitif pour l'application des dispositions réglementaires en matière :
- du congé de maternité;
- du congé pour cause de maladie ou d'infirmité, y compris les accidents du travail, les accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles;
- de l'ancienneté pour la fixation du droit au congé pour cause de maladie ou d'infirmité;
- de l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires.
Le premier alinéa du présent paragraphe est également applicable au membre du personnel définitif qui est désigné comme membre du personnel temporaire conformément aux dispositions du Chapitre III. ".
" Art. 55ter. Le Gouvernement flamand précise la réglementation relative à la position administrative et au statut pécuniaire des personnels définitifs qui accomplissent temporairement une autre charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion dans laquelle ils ne sont pas nommés à titre définitif. ".
" Chapitre Vbis. - Membres du personnel nommés à titre définitif s'acquittant temporairement d'une autre charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion. ".
" Art. 55bis. § 1er. Par application et sans préjudice des dispositions du Chapitre III. - Recrutement et des dispositions transitoires du présent décret et des dispositions du Chapitre V. - Sélection et promotion, une charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion peut être attribuée temporairement à un membre du personnel nommé à titre définitif de l'enseignement communautaire, de l'enseignement subventionné, des centres subventionnés, de l'inspection, des services d'encadrement pédagogique ou de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques, à l'exception des instituts supérieurs subventionnés visés au décret du 13 juillet 1994.
§ 2. Le membre du personnel à titre définitif peut entièrement ou partiellement renoncer, de sa propre autorité, à l'exécution de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif afin de s'acquitter dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion d'une autre charge pour laquelle il n'est pas nommé à titre définitif.
§ 3. Une autre charge est confiée au membre du personnel conformément aux dispositions du présent décret qui régissent ou bien la désignation temporaire dans une fonction de recrutement, à l'exception des dispositions relatives à l'acte de candidature et la priorité, ou bien la désignation intérimaire dans des fonctions de sélection et de promotion.
§ 4. Pendant la période que le membre du personnel accomplit temporairement une autre charge et avant la fin de celle-ci, les mêmes règles que celles applicables pour les personnels temporaires sont d'application à la fonction exercée temporairement par le membre du personnel.
§ 5. Par dérogation au § 4, le membre du personnel à titre définitif est considéré, pendant la période de désignation temporaire/intérimaire, comme un membre du personnel définitif pour l'application des dispositions réglementaires en matière :
- du congé de maternité;
- du congé pour cause de maladie ou d'infirmité, y compris les accidents du travail, les accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles;
- de l'ancienneté pour la fixation du droit au congé pour cause de maladie ou d'infirmité;
- de l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires.
Le premier alinéa du présent paragraphe est également applicable au membre du personnel définitif qui est désigné comme membre du personnel temporaire conformément aux dispositions du Chapitre III. ".
" Art. 55ter. Le Gouvernement flamand précise la réglementation relative à la position administrative et au statut pécuniaire des personnels définitifs qui accomplissent temporairement une autre charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion dans laquelle ils ne sont pas nommés à titre définitif. ".
Art. 4. Artikel 46, 1°, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De personeelsleden die minstens halftijds benoemd zijn in een Vlaamse hogeschool zoals bedoeld in het decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap als lid van het onderwijzend personeel of als lid van het administratief en technisch personeel, worden geacht te voldoen aan het eerste lid voor de toelating tot de proeftijd in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel respectievelijk het opvoedend hulppersoneel.
Deze bepaling geldt ook voor dezelfde personeelsleden, wiens hogeschool geïntegreerd is in het universitair onderwijs. "
" De personeelsleden die minstens halftijds benoemd zijn in een Vlaamse hogeschool zoals bedoeld in het decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap als lid van het onderwijzend personeel of als lid van het administratief en technisch personeel, worden geacht te voldoen aan het eerste lid voor de toelating tot de proeftijd in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel respectievelijk het opvoedend hulppersoneel.
Deze bepaling geldt ook voor dezelfde personeelsleden, wiens hogeschool geïntegreerd is in het universitair onderwijs. "
Art. 4. L'article 46, 1°, deuxième alinéa, du même décret, est remplacé par la disposition suivante :
" Les membres du personnel qui sont nommés au moins à temps partiel dans un institut supérieur flamand tel que visé au décret relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, en qualité de membre du personnel enseignant ou en qualité de membre du personnel administratif et technique, sont censés satisfaire au premier alinéa pour l'admission au stage dans une fonction respectivement du personnel directeur et enseignant ou du personnel auxiliaire d'éducation.
Cette disposition est également applicable aux mêmes membres du personnel, dont l'institut supérieur est intégré dans l'enseignement universitaire. ".
" Les membres du personnel qui sont nommés au moins à temps partiel dans un institut supérieur flamand tel que visé au décret relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, en qualité de membre du personnel enseignant ou en qualité de membre du personnel administratif et technique, sont censés satisfaire au premier alinéa pour l'admission au stage dans une fonction respectivement du personnel directeur et enseignant ou du personnel auxiliaire d'éducation.
Cette disposition est également applicable aux mêmes membres du personnel, dont l'institut supérieur est intégré dans l'enseignement universitaire. ".
Art. 5. In artikel 50, § 2, van hetzelfde decreet wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
" De centrale raad kan bijkomende algemene voorwaarden bepalen waaronder personeelsleden die in het gemeenschapsonderwijs waarnemend aangesteld, tot de proeftijd toegelaten of vast benoemd zijn in een selectie- of bevorderingsambt en voor een betrekking aangesteld of aangewezen zijn, kunnen worden aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt in een andere betrekking. "
" De centrale raad kan bijkomende algemene voorwaarden bepalen waaronder personeelsleden die in het gemeenschapsonderwijs waarnemend aangesteld, tot de proeftijd toegelaten of vast benoemd zijn in een selectie- of bevorderingsambt en voor een betrekking aangesteld of aangewezen zijn, kunnen worden aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt in een andere betrekking. "
Art. 5. Dans l'article 50, § 2 du même décret, l'alinéa suivant est inséré entre le premier et le deuxième alinéas :
" Le conseil central peut fixer des conditions générales supplémentaires auxquelles peuvent être désignés pour exercer à titre intérimaire une fonction de sélection ou de promotion dans un autre emploi, les personnels engagés à titre intérimaire, admis au stage ou nommés à titre définitif dans l'enseignement communautaire et désignés à un emploi. ".
" Le conseil central peut fixer des conditions générales supplémentaires auxquelles peuvent être désignés pour exercer à titre intérimaire une fonction de sélection ou de promotion dans un autre emploi, les personnels engagés à titre intérimaire, admis au stage ou nommés à titre définitif dans l'enseignement communautaire et désignés à un emploi. ".
Art. 6. Aan artikel 50 van hetzelfde decreet wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. In afwijking van de bepalingen van § 2 en § 4 heeft een personeelslid, dat in de periode van 1 september 1985 tot en met 31 augustus 1990 gedurende tenminste 240 dagen per schooljaar tijdelijk was aangesteld met een coördinatieopdracht in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, voorrang voor waarnemende aanstelling in het selectieambt van coördinator in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betrekking werd uitgeoefend. De afwijking van § 2 geldt enkel ten aanzien van de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1°. Het personeelslid moet aantonen dat het aan deze voorwaarden voldoet. "
" § 6. In afwijking van de bepalingen van § 2 en § 4 heeft een personeelslid, dat in de periode van 1 september 1985 tot en met 31 augustus 1990 gedurende tenminste 240 dagen per schooljaar tijdelijk was aangesteld met een coördinatieopdracht in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, voorrang voor waarnemende aanstelling in het selectieambt van coördinator in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betrekking werd uitgeoefend. De afwijking van § 2 geldt enkel ten aanzien van de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1°. Het personeelslid moet aantonen dat het aan deze voorwaarden voldoet. "
Art. 6. A l'article 50 du même décret, il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Par dérogation aux dispositions des §§ 2 et 4, un membre du personnel qui était désigné temporairement, dans la période du 1er septembre 1985 au 31 août 1990, pendant au moins 240 jours par année scolaire, dans une charge de coordination dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, peut prétendre à la priorité pour un engagement à titre intérimaire dans une fonction de sélection de coordinateur dans le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel où l'emploi était attribué. La dérogation au § 2 est uniquement valable à l'égard des conditions stipulées à l'article 46, 1°. Le membre du personnel doit prouver qu'il remplit ces conditions. ".
" § 6. Par dérogation aux dispositions des §§ 2 et 4, un membre du personnel qui était désigné temporairement, dans la période du 1er septembre 1985 au 31 août 1990, pendant au moins 240 jours par année scolaire, dans une charge de coordination dans l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, peut prétendre à la priorité pour un engagement à titre intérimaire dans une fonction de sélection de coordinateur dans le centre d'enseignement secondaire professionnel à temps partiel où l'emploi était attribué. La dérogation au § 2 est uniquement valable à l'égard des conditions stipulées à l'article 46, 1°. Le membre du personnel doit prouver qu'il remplit ces conditions. ".
Art. 7. Artikel 56 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt : " Artikel 56 :
§ 1. De personeelsleden van een instelling die door de ARGO wordt overgenomen, verkrijgen op hun verzoek de hoedanigheid van personeelslid van het Gemeenschapsonderwijs.
§ 2. De personeelsleden bedoeld in § 1 gaan, al naar gelang het geval zij vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn in de instelling die overgenomen wordt, als vastbenoemd of tijdelijk aangesteld personeelslid over.
Voor overname in de hoedanigheid van tijdelijk personeelslid komen in aanmerking de personeelsleden die op de laatste effectieve lesdag voor de overname in dienst zijn en voor hun prestaties door de Vlaamse Gemeenschap worden bezoldigd.
§ 3. De diensten gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs worden beschouwd als diensten gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs.
Voor de toepassing van dit decreet worden de diensten gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit in de overgenomen instelling geacht gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij het lokale bestuursorgaan dat na overname bevoegd is voor de overgenomen instelling.
§ 4. Een kandidatuurstelling voor een tijdelijke aanstelling of voor een vaste benoeming gedaan bij de inrichtende macht die haar instelling overlaat, wordt geacht gedaan te zijn bij de centrale raad. Deze kandidaturen worden niet in aanmerking genomen voor de voorrangsregeling bedoeld in de artikelen 90 en 92 van dit decreet.
§ 5. De personeelsleden die zich overeenkomstig de bepalingen op hen van toepassing voor de overname konden beroepen op de voorrangsregeling voor tijdelijke aanstelling, worden naargelang zij deel uitmaakten van de eerste of de tweede groep van kandidaten voor de toepassing van de voorrangsregeling bij tijdelijke aanstelling in de overgenomen instelling respectievelijk ondergebracht in de groep bedoeld in artikel 21, § 1, 1°, of in de groep bedoeld in artikel 21, § 1, 2°, a). "
§ 1. De personeelsleden van een instelling die door de ARGO wordt overgenomen, verkrijgen op hun verzoek de hoedanigheid van personeelslid van het Gemeenschapsonderwijs.
§ 2. De personeelsleden bedoeld in § 1 gaan, al naar gelang het geval zij vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn in de instelling die overgenomen wordt, als vastbenoemd of tijdelijk aangesteld personeelslid over.
Voor overname in de hoedanigheid van tijdelijk personeelslid komen in aanmerking de personeelsleden die op de laatste effectieve lesdag voor de overname in dienst zijn en voor hun prestaties door de Vlaamse Gemeenschap worden bezoldigd.
§ 3. De diensten gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs worden beschouwd als diensten gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs.
Voor de toepassing van dit decreet worden de diensten gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit in de overgenomen instelling geacht gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij het lokale bestuursorgaan dat na overname bevoegd is voor de overgenomen instelling.
§ 4. Een kandidatuurstelling voor een tijdelijke aanstelling of voor een vaste benoeming gedaan bij de inrichtende macht die haar instelling overlaat, wordt geacht gedaan te zijn bij de centrale raad. Deze kandidaturen worden niet in aanmerking genomen voor de voorrangsregeling bedoeld in de artikelen 90 en 92 van dit decreet.
§ 5. De personeelsleden die zich overeenkomstig de bepalingen op hen van toepassing voor de overname konden beroepen op de voorrangsregeling voor tijdelijke aanstelling, worden naargelang zij deel uitmaakten van de eerste of de tweede groep van kandidaten voor de toepassing van de voorrangsregeling bij tijdelijke aanstelling in de overgenomen instelling respectievelijk ondergebracht in de groep bedoeld in artikel 21, § 1, 1°, of in de groep bedoeld in artikel 21, § 1, 2°, a). "
Art. 7. L'article 56 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 56. § 1er. Les membres du personnel d'un établissement repris par l'ARGO, obtiennent à leur demande la qualité de membre du personnel de l'enseignement communautaire.
§ 2. Les membres du personnel visés au § 1er passent à l'enseignement communautaire en qualité de membres définitifs ou temporaires selon le cas où ils étaient définitifs ou temporaires dans l'établissement repris.
Pour la reprise en qualité de membre du personnel temporaire, entrent en ligne de compte les membres du personnel qui étaient en service le dernier jour de classe effectif avant la reprise et qui sont rémunérés pour leurs prestations par la Communauté flamande.
§ 3. Les services rendus dans l'enseignement subventionné sont considérés comme des services accomplis dans l'enseignement communautaire.
Pour l'application du présent décret, les services accomplis dans une fonction, un emploi, un cours ou une spécialité dans l'établissement repris sont censés être accomplis dans la même fonction, le même emploi, le même cours ou la même spécialité auprès de l'organe de direction local dont relève l'établissement après la reprise.
§ 4. Une acte de candidature pour une désignation temporaire ou une nomination à titre définitif faite auprès du pouvoir organisateur qui cède son établissement, est censée être faite auprès du conseil central. Ces candidatures ne sont pas prises en considération pour le régime de priorité visé aux articles 90 et 92 du présent décret.
§ 5. Les personnels qui pouvaient faire valoir leur droit à la priorité pour un engagement temporaire conformément aux dispositions qui leur étaient applicables avant la reprise, sont classés respectivement dans le groupe visé à l'article 21, § 1er, 1° ou dans le groupe visé à l'article 21, § 1er, 2°, a), selon qu'ils appartenaient au premier ou au deuxième groupe de candidats, pour l'application du régime de priorité lors d'une désignation temporaire dans l'établissement repris. ".
" Art. 56. § 1er. Les membres du personnel d'un établissement repris par l'ARGO, obtiennent à leur demande la qualité de membre du personnel de l'enseignement communautaire.
§ 2. Les membres du personnel visés au § 1er passent à l'enseignement communautaire en qualité de membres définitifs ou temporaires selon le cas où ils étaient définitifs ou temporaires dans l'établissement repris.
Pour la reprise en qualité de membre du personnel temporaire, entrent en ligne de compte les membres du personnel qui étaient en service le dernier jour de classe effectif avant la reprise et qui sont rémunérés pour leurs prestations par la Communauté flamande.
§ 3. Les services rendus dans l'enseignement subventionné sont considérés comme des services accomplis dans l'enseignement communautaire.
Pour l'application du présent décret, les services accomplis dans une fonction, un emploi, un cours ou une spécialité dans l'établissement repris sont censés être accomplis dans la même fonction, le même emploi, le même cours ou la même spécialité auprès de l'organe de direction local dont relève l'établissement après la reprise.
§ 4. Une acte de candidature pour une désignation temporaire ou une nomination à titre définitif faite auprès du pouvoir organisateur qui cède son établissement, est censée être faite auprès du conseil central. Ces candidatures ne sont pas prises en considération pour le régime de priorité visé aux articles 90 et 92 du présent décret.
§ 5. Les personnels qui pouvaient faire valoir leur droit à la priorité pour un engagement temporaire conformément aux dispositions qui leur étaient applicables avant la reprise, sont classés respectivement dans le groupe visé à l'article 21, § 1er, 1° ou dans le groupe visé à l'article 21, § 1er, 2°, a), selon qu'ils appartenaient au premier ou au deuxième groupe de candidats, pour l'application du régime de priorité lors d'une désignation temporaire dans l'établissement repris. ".
Art. 8. Aan artikel 82, derde lid, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd :
" Deze periode wordt op negen jaar gebracht indien het personeelslid na het schooljaar 1989/1990 een eerste maal overeenkomstig b) ter beschikking gesteld is om een opdracht te vervullen in een Europese school. "
" Deze periode wordt op negen jaar gebracht indien het personeelslid na het schooljaar 1989/1990 een eerste maal overeenkomstig b) ter beschikking gesteld is om een opdracht te vervullen in een Europese school. "
Art. 8. A l'article 82, troisième alinéa, du même décret, la phrase suivante est ajoutée :
" Cette période est portée à neuf ans si, après l'année scolaire 1989-1990 et conformément au point b), le membre du personnel est une première fois mis en disponibilité afin d'accomplir une mission dans une Ecole européenne. ".
" Cette période est portée à neuf ans si, après l'année scolaire 1989-1990 et conformément au point b), le membre du personnel est une première fois mis en disponibilité afin d'accomplir une mission dans une Ecole européenne. ".
Art. 9. Artikel 32bis van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, ingevoegd bij het decreet van 28 april 1993, wordt ingetrokken.
Art. 9. L'article 32bis du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psycho-médico-sociaux subventionnés, inséré par le décret du 28 avril 1993, est abrogé.
Art. 10. Artikel 40, § 1, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een tweede lid luidend als volgt :
" De personeelsleden die minstens halftijds benoemd zijn in een Vlaamse hogeschool zoals bedoeld in het decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap als lid van het onderwijzend personeel of als lid van het administratief en technisch personeel, worden geacht te voldoen aan het eerste lid. Deze bepaling geldt ook voor dezelfde personeelsleden, wiens hogeschool geïntegreerd is in het universitair onderwijs. "
" De personeelsleden die minstens halftijds benoemd zijn in een Vlaamse hogeschool zoals bedoeld in het decreet betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap als lid van het onderwijzend personeel of als lid van het administratief en technisch personeel, worden geacht te voldoen aan het eerste lid. Deze bepaling geldt ook voor dezelfde personeelsleden, wiens hogeschool geïntegreerd is in het universitair onderwijs. "
Art. 10. L'article 40, § 1er, du même décret est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Les membres du personnel qui sont nommés au moins à temps partiel dans un institut supérieur flamand tel que visé au décret relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, en qualité de membre du personnel enseignant ou de membre du personnel administratif et technique, sont censés satisfaire au premier alinéa. Cette disposition est également applicable aux mêmes membres du personnel, dont l'institut supérieur est intégré dans l'enseignement universitaire. ".
" Les membres du personnel qui sont nommés au moins à temps partiel dans un institut supérieur flamand tel que visé au décret relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, en qualité de membre du personnel enseignant ou de membre du personnel administratif et technique, sont censés satisfaire au premier alinéa. Cette disposition est également applicable aux mêmes membres du personnel, dont l'institut supérieur est intégré dans l'enseignement universitaire. ".
Art. 11. In titel II van hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IVbis ingevoegd, luidend als volgt :
" Hoofdstuk IVbis. - Vastbenoemde personeelsleden tijdelijk belast met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt
" Artikel 44bis : § 1. Na toepassing van en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk III - Werving en de bepalingen van hoofdstuk IV - Selectie en bevordering kan een opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk worden toegewezen aan een vastbenoemd personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs, van de gesubsidieerde centra, van het gemeenschapsonderwijs, van de inspectie, van de pedagogische begeleidingsdiensten of van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met uitzondering van de gesubsidieerde hogescholen bedoeld in het decreet van 13 juli 1994.
§ 2. Het vastbenoemde personeelslid kan, met zijn instemming, geheel of gedeeltelijk afzien van de uitoefening van de opdracht waarvoor het vast benoemd is om in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor het niet vast benoemd is.
§ 3. Het vastbenoemde personeelslid wordt met de andere opdracht belast overeenkomstig de bepalingen van dit decreet die de tijdelijke aanstelling regelen, met uitzondering van de bepalingen inzake de voorrang wat de wervingsambten betreft.
§ 4. Tijdens de periode gedurende welke het personeelslid tijdelijk belast wordt met een andere opdracht en voor de beëindiging ervan gelden de regels die voor de tijdelijke personeelsleden van toepassing zijn op het ambt waarin het personeelslid tijdelijk fungeert.
§ 5. In afwijking van § 4 wordt het vastbenoemde personeelslid tijdens de periode van tijdelijke aanstelling verder beschouwd als vast benoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake :
- het bevallingsverlof;
- het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;
- de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
- de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.
Het eerste lid van deze paragraaf geldt eveneens voor het vastbenoemde personeelslid dat overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III - Werving van deze Titel als tijdelijk personeelslid wordt aangesteld.
" Artikel 44ter : De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt waarvoor ze niet vastbenoemd zijn. "
" Hoofdstuk IVbis. - Vastbenoemde personeelsleden tijdelijk belast met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt
" Artikel 44bis : § 1. Na toepassing van en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk III - Werving en de bepalingen van hoofdstuk IV - Selectie en bevordering kan een opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk worden toegewezen aan een vastbenoemd personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs, van de gesubsidieerde centra, van het gemeenschapsonderwijs, van de inspectie, van de pedagogische begeleidingsdiensten of van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met uitzondering van de gesubsidieerde hogescholen bedoeld in het decreet van 13 juli 1994.
§ 2. Het vastbenoemde personeelslid kan, met zijn instemming, geheel of gedeeltelijk afzien van de uitoefening van de opdracht waarvoor het vast benoemd is om in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor het niet vast benoemd is.
§ 3. Het vastbenoemde personeelslid wordt met de andere opdracht belast overeenkomstig de bepalingen van dit decreet die de tijdelijke aanstelling regelen, met uitzondering van de bepalingen inzake de voorrang wat de wervingsambten betreft.
§ 4. Tijdens de periode gedurende welke het personeelslid tijdelijk belast wordt met een andere opdracht en voor de beëindiging ervan gelden de regels die voor de tijdelijke personeelsleden van toepassing zijn op het ambt waarin het personeelslid tijdelijk fungeert.
§ 5. In afwijking van § 4 wordt het vastbenoemde personeelslid tijdens de periode van tijdelijke aanstelling verder beschouwd als vast benoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake :
- het bevallingsverlof;
- het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten;
- de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid;
- de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten.
Het eerste lid van deze paragraaf geldt eveneens voor het vastbenoemde personeelslid dat overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III - Werving van deze Titel als tijdelijk personeelslid wordt aangesteld.
" Artikel 44ter : De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt waarvoor ze niet vastbenoemd zijn. "
Art. 11. Au Titre II du même décret, il est inséré un Chapitre IVbis, rédigé ainsi qu'il suit :
" Chapitre IVbis. - Membres du personnel nommés à titre définitif s'acquittant temporairement d'une autre charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion. ".
" Art. 44bis. § 1er. Par application et sans préjudice des dispositions du Chapitre III. - Recrutement et des dispositions du Chapitre IV. - Sélection et promotion, une charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion peut être attribuée temporairement à un membre du personnel nommé à titre définitif de l'enseignement subventionné, des centres subventionnés, de l'enseignement communautaire, de l'inspection, des services d'encadrement pédagogique ou de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques, à l'exception des instituts supérieurs subventionnés visés au décret du 13 juillet 1994.
§ 2. Le membre du personnel à titre définitif peut entièrement ou partiellement renoncer, de sa propre autorité, à l'exécution de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif afin d'accomplir dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion une autre charge pour laquelle il n'est pas nommé à titre définitif.
§ 3. Une autre charge est confiée au membre du personnel définitif conformément aux dispositions du présent décret qui régissent la désignation temporaire, à l'exception des dispositions relatives à la priorité pour ce qui concerne les fonctions de recrutement.
§ 4. Pendant la période que le membre du personnel accomplit temporairement une autre charge et avant la fin de celle-ci, les mêmes règles que celles applicables pour les personnels temporaires sont d'application à la fonction exercée temporairement par le membre du personnel.
§ 5. Par dérogation au § 4, le membre du personnel à titre définitif est considéré, pendant la période de désignation temporaire/intérimaire, comme un membre du personnel définitif pour l'application des dispositions réglementaires en matière :
- du congé de maternité;
- du congé pour cause de maladie ou d'infirmité, y compris les accidents du travail, les accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles;
- de l'ancienneté pour la fixation du droit au congé pour cause de maladie ou d'infirmité;
- de l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires.
Le premier alinéa du présent paragraphe est également applicable au membre du personnel définitif qui est désigné comme membre du personnel temporaire conformément aux dispositions du Chapitre III. - Recrutement du présent titre. ".
" Art. 44ter. Le Gouvernement flamand précise la réglementation relative à la position administrative et au statut pécuniaire des personnels définitifs qui accomplissent temporairement une autre charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion pour laquelle ils ne sont pas nommés à titre définitif. ".
" Chapitre IVbis. - Membres du personnel nommés à titre définitif s'acquittant temporairement d'une autre charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion. ".
" Art. 44bis. § 1er. Par application et sans préjudice des dispositions du Chapitre III. - Recrutement et des dispositions du Chapitre IV. - Sélection et promotion, une charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion peut être attribuée temporairement à un membre du personnel nommé à titre définitif de l'enseignement subventionné, des centres subventionnés, de l'enseignement communautaire, de l'inspection, des services d'encadrement pédagogique ou de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques, à l'exception des instituts supérieurs subventionnés visés au décret du 13 juillet 1994.
§ 2. Le membre du personnel à titre définitif peut entièrement ou partiellement renoncer, de sa propre autorité, à l'exécution de la charge pour laquelle il est nommé à titre définitif afin d'accomplir dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion une autre charge pour laquelle il n'est pas nommé à titre définitif.
§ 3. Une autre charge est confiée au membre du personnel définitif conformément aux dispositions du présent décret qui régissent la désignation temporaire, à l'exception des dispositions relatives à la priorité pour ce qui concerne les fonctions de recrutement.
§ 4. Pendant la période que le membre du personnel accomplit temporairement une autre charge et avant la fin de celle-ci, les mêmes règles que celles applicables pour les personnels temporaires sont d'application à la fonction exercée temporairement par le membre du personnel.
§ 5. Par dérogation au § 4, le membre du personnel à titre définitif est considéré, pendant la période de désignation temporaire/intérimaire, comme un membre du personnel définitif pour l'application des dispositions réglementaires en matière :
- du congé de maternité;
- du congé pour cause de maladie ou d'infirmité, y compris les accidents du travail, les accidents survenus sur le chemin du travail et les maladies professionnelles;
- de l'ancienneté pour la fixation du droit au congé pour cause de maladie ou d'infirmité;
- de l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires.
Le premier alinéa du présent paragraphe est également applicable au membre du personnel définitif qui est désigné comme membre du personnel temporaire conformément aux dispositions du Chapitre III. - Recrutement du présent titre. ".
" Art. 44ter. Le Gouvernement flamand précise la réglementation relative à la position administrative et au statut pécuniaire des personnels définitifs qui accomplissent temporairement une autre charge dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion pour laquelle ils ne sont pas nommés à titre définitif. ".
Art. 12. Artikel 56, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Een overeenkomstig a), b) en c), ter beschikking gesteld personeelslid kan gedurende twee jaar zijn aanspraken op een selectie- of bevorderingsambt en op bevordering tot een hogere wedde doen gelden. Deze periode wordt op negen jaar gebracht indien het personeelslid na het schooljaar 1989-1990 een eerste maal overeenkomstig b) ter beschikking gesteld is om een opdracht te vervullen in een Europese school. "
" Een overeenkomstig a), b) en c), ter beschikking gesteld personeelslid kan gedurende twee jaar zijn aanspraken op een selectie- of bevorderingsambt en op bevordering tot een hogere wedde doen gelden. Deze periode wordt op negen jaar gebracht indien het personeelslid na het schooljaar 1989-1990 een eerste maal overeenkomstig b) ter beschikking gesteld is om een opdracht te vervullen in een Europese school. "
Art. 12. L'article 56, deuxième alinéa, du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Un membre du personnel mis en disponibilité conformément aux points a), b) et c) peut faire valoir ses droits à une fonction de sélection ou de promotion et à un traitement supérieur pendant une période de deux ans. Cette période est portée à neuf ans si, après l'année scolaire 1989/1990 et conformément au point b), le membre du personnel est une première fois mis en disponibilité pour accomplir une mission dans une Ecole européenne. ".
" Un membre du personnel mis en disponibilité conformément aux points a), b) et c) peut faire valoir ses droits à une fonction de sélection ou de promotion et à un traitement supérieur pendant une période de deux ans. Cette période est portée à neuf ans si, après l'année scolaire 1989/1990 et conformément au point b), le membre du personnel est une première fois mis en disponibilité pour accomplir une mission dans une Ecole européenne. ".
Art. 13. Artikel 74 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 74 : § 1. De personeelsleden van een instelling die door een andere inrichtende macht wordt overgenomen, verkrijgen de hoedanigheid van personeelslid van deze inrichtende macht. Alleen indien de instelling die overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe ze na de overname zal behoren, kan een personeelslid afzien van deze hoedanigheid.
§ 2. De personeelsleden bedoeld in § 1 gaan, al naargelang het geval zij vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn in de instelling die overgenomen wordt, als vastbenoemd of tijdelijk aangesteld personeelslid over.
§ 3. Voor de toepassing van dit decreet worden de diensten gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit in de overgenomen instelling geacht gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij de inrichtende macht die de instelling overneemt. Wanneer een instelling van het gemeenschapsonderwijs wordt overgenomen, worden de gepresteerde diensten in het gemeenschapsonderwijs beschouwd als diensten gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs.
§ 4. Een kandidatuurstelling voor een tijdelijke aanstelling of voor een vaste benoeming gedaan bij de inrichtende macht die haar instelling overlaat, wordt geacht gedaan te zijn bij de inrichtende macht die de instelling overneemt. "
" Artikel 74 : § 1. De personeelsleden van een instelling die door een andere inrichtende macht wordt overgenomen, verkrijgen de hoedanigheid van personeelslid van deze inrichtende macht. Alleen indien de instelling die overgenomen wordt tot een ander net behoort dan datgene waartoe ze na de overname zal behoren, kan een personeelslid afzien van deze hoedanigheid.
§ 2. De personeelsleden bedoeld in § 1 gaan, al naargelang het geval zij vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn in de instelling die overgenomen wordt, als vastbenoemd of tijdelijk aangesteld personeelslid over.
§ 3. Voor de toepassing van dit decreet worden de diensten gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit in de overgenomen instelling geacht gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit bij de inrichtende macht die de instelling overneemt. Wanneer een instelling van het gemeenschapsonderwijs wordt overgenomen, worden de gepresteerde diensten in het gemeenschapsonderwijs beschouwd als diensten gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs.
§ 4. Een kandidatuurstelling voor een tijdelijke aanstelling of voor een vaste benoeming gedaan bij de inrichtende macht die haar instelling overlaat, wordt geacht gedaan te zijn bij de inrichtende macht die de instelling overneemt. "
Art. 13. L'article 74 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 74. § 1er. Les membres du personnel d'un établissement qui est repris par un autre pouvoir organisateur, obtiennent la qualité de membre du personnel de ce pouvoir organisateur. Seulement au cas où l'établissement repris appartient à un autre réseau que celui auquel il appartiendra après la reprise, le membre du personnel peut renoncer à cette qualité.
§ 2. Les membres du personnel visés au § 1er passent en tant que membres du personnel définitifs ou temporaires selon le cas où ils étaient définitifs ou temporaires dans l'établissement reprise.
§ 3. Pour l'application du présent décret, les services rendus dans une fonction, un emploi, un cours ou une spécialité dans l'établissement repris, sont censés être rendus dans la même fonction, le même emploi, le même cours ou la même spécialité auprès du pouvoir organisateur qui reprend l'établissement. Lorsqu'un établissement de l'enseignement communautaire est repris, les services rendus dans l'enseignement communautaire sont censés être rendus dans l'enseignement subventionné.
§ 4. Une acte de candidature pour un engagement temporaire ou une nomination à titre définitif faite auprès d'un pouvoir organisateur qui cède son établissement, est censée être faite auprès du pouvoir organisateur reprenant l'établissement. ".
" Art. 74. § 1er. Les membres du personnel d'un établissement qui est repris par un autre pouvoir organisateur, obtiennent la qualité de membre du personnel de ce pouvoir organisateur. Seulement au cas où l'établissement repris appartient à un autre réseau que celui auquel il appartiendra après la reprise, le membre du personnel peut renoncer à cette qualité.
§ 2. Les membres du personnel visés au § 1er passent en tant que membres du personnel définitifs ou temporaires selon le cas où ils étaient définitifs ou temporaires dans l'établissement reprise.
§ 3. Pour l'application du présent décret, les services rendus dans une fonction, un emploi, un cours ou une spécialité dans l'établissement repris, sont censés être rendus dans la même fonction, le même emploi, le même cours ou la même spécialité auprès du pouvoir organisateur qui reprend l'établissement. Lorsqu'un établissement de l'enseignement communautaire est repris, les services rendus dans l'enseignement communautaire sont censés être rendus dans l'enseignement subventionné.
§ 4. Une acte de candidature pour un engagement temporaire ou une nomination à titre définitif faite auprès d'un pouvoir organisateur qui cède son établissement, est censée être faite auprès du pouvoir organisateur reprenant l'établissement. ".
Art. 14. Aan artikel 77, § 5, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1977 1976wordt een derde lid toegevoegd, luidend als volgt :
" De Vlaamse regering is ertoe gemachtigd deze paragraaf te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen. "
" De Vlaamse regering is ertoe gemachtigd deze paragraaf te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen. "
Art. 14. A l'article 77, § 5, de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977, il est ajouté un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier ce paragraphe, à l'abroger et/ou le remplacer en tout ou en partie. ".
" Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier ce paragraphe, à l'abroger et/ou le remplacer en tout ou en partie. ".
Art. 15. Aan artikel 83, § 7, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1982, wordt een vijfde lid toegevoegd :
" De Vlaamse regering is ertoe gemachtigd deze paragraaf te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen. "
" De Vlaamse regering is ertoe gemachtigd deze paragraaf te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heffen en/of te vervangen. "
Art. 15. A l'article 83, § 7, de la loi du 5 août 1978 portant des réformes économiques et budgétaires, modifié par la loi du 6 juillet 1982, un cinquième alinéa est ajouté :
" Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier ce paragraphe, à l'abroger et/ou le remplacer en tout ou en partie. ".
" Le Gouvernement flamand est autorisé à modifier ce paragraphe, à l'abroger et/ou le remplacer en tout ou en partie. ".
Art. 16.
Art. 16.
Art. 17.
Art. 17.
Art. 18.
Art. 18.
Art. 19. De volgende artikelen treden als volgt in werking :
1° artikel 8 heeft uitwerking met ingang van 1 april 1991;
2° artikel 12 heeft uitwerking met ingang van 1 juni 1991;
3° artikel 16 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995;
4° de artikelen 3 en 11 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1996;
5° de artikelen 4 en 10 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1997;
6° de artikelen 13 en 18 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1997;
7° de artikelen 5, 14, 15 en 17 treden in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
1° artikel 8 heeft uitwerking met ingang van 1 april 1991;
2° artikel 12 heeft uitwerking met ingang van 1 juni 1991;
3° artikel 16 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995;
4° de artikelen 3 en 11 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1996;
5° de artikelen 4 en 10 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1997;
6° de artikelen 13 en 18 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1997;
7° de artikelen 5, 14, 15 en 17 treden in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 19. Les articles suivants entrent en vigueur comme suit :
1° l'article 8 produit ses effets à partir du 1er avril 1991;
2° l'article 12 produit ses effets à partir du 1er juin 1991;
3° l'article 16 produit ses effets à partir du 1er septembre 1995;
4° les articles 3 et 11 produisent leurs effets à partir du 1er septembre 1996;
5° les articles 4 et 10 produisent leurs effets à partir du 1er janvier 1997;
6° les articles 13 et 18 produisent leurs effets à partir du 1er septembre 1997;
7° les articles 5, 14, 15 et 17 entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
1° l'article 8 produit ses effets à partir du 1er avril 1991;
2° l'article 12 produit ses effets à partir du 1er juin 1991;
3° l'article 16 produit ses effets à partir du 1er septembre 1995;
4° les articles 3 et 11 produisent leurs effets à partir du 1er septembre 1996;
5° les articles 4 et 10 produisent leurs effets à partir du 1er janvier 1997;
6° les articles 13 et 18 produisent leurs effets à partir du 1er septembre 1997;
7° les articles 5, 14, 15 et 17 entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
HOOFDSTUK III. - Secundair Onderwijs.
CHAPITRE III. - Enseignement secondaire.
Art. 20. (Opgeheven)
Art. 20. (Abrogé)
Art. 21. (Opgegeven)
Art. 21. (Abrogé)
Art. 22. (Opgegeven)
Art. 22. (Abrogé)
Art. 23. (Opgegeven)
Art. 23. (Abrogé)
Art. 24. (Opgegeven)
Art. 24. (Abrogé)
Art. 25. (Opgegeven)
Art. 25. (Abrogé)
Art. 26. (Opgegeven)
Art. 26. (Abrogé)
Art. 27. (Opgegeven)
Art. 27. (Abrogé)
Art. 28. (Opgegeven)
Art. 28. (Abrogé)
Art. 29. (Opgegeven)
Art. 29. (Abrogé)
Art. 30. (Opgegeven)
Art. 30. (Abrogé)
Art. 31. (Opgegeven)
Art. 31. (Abrogé)
(NOTA : Artikel 31, gewijzigd bij BVR 2010-12-17/39, art. 359, 32), 006; Inwerkingtreding : 04-07-2011, is niet uitgevoerd kunnen worden)
(NOTE : Article 31, modifié par AGF 2010-12-17/39, art. 359, 32), 006; En vigueur : 04-07-2011, n'a pas pu être effectué)
Art. 32. (Opgegeven)
Art. 32. (Abrogé)
HOOFDSTUK IV. - Hoger onderwijs.
CHAPITRE IV. - Enseignement supérieur.
Art. 33. § 1. In artikel 57 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing wordt het tweede streepje vervangen door de volgende bepaling :
" - de artikelen 21, 36, 37, 38 en 39 die in werking treden op 1 januari 1996; ".
§ 2. Hetzelfde artikel 57 wordt aangevuld met een zesde streepje, luidend als volgt :
" - de artikelen 33 en 42, die in werking treden op 1 september 1996; ".
" - de artikelen 21, 36, 37, 38 en 39 die in werking treden op 1 januari 1996; ".
§ 2. Hetzelfde artikel 57 wordt aangevuld met een zesde streepje, luidend als volgt :
" - de artikelen 33 en 42, die in werking treden op 1 september 1996; ".
Art. 33. § 1er. Dans l'article 57, du décret du 16 avril 1996 relatif à la formation des enseignants et à la formation continuée, le deuxième tiret est remplacé par la disposition suivante :
" - les articles 21, 36, 37, 38 et 39 qui entrent en vigueur le 1er janvier 1996; ".
§ 2. Le même article 57 est complété par un sixième tiret, rédigé comme suit :
" - les articles 33 et 42, qui entrent en vigueur le 1er septembre 1996; ".
" - les articles 21, 36, 37, 38 et 39 qui entrent en vigueur le 1er janvier 1996; ".
§ 2. Le même article 57 est complété par un sixième tiret, rédigé comme suit :
" - les articles 33 et 42, qui entrent en vigueur le 1er septembre 1996; ".
Art. 34. In de artikelen 20sexies en 20septies en in bijlage I van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt het woord "getuigschrift" telkens vervangen door het woord "diploma".
Art. 34. Dans les articles 20sexies et 20septies et dans l'annexe 1 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, le mot " certificat " est chaque fois remplacé par le mot " diplôme ".
Art. 35. Aan hoofdstuk I van titel II van hetzelfde decreet wordt een nieuwe afdeling toegevoegd, luidend als volgt :
" Afdeling 16. - Geïntegreerd Hoger Onderwijs
" Artikel 57bis : Geïntegreerd hoger onderwijs is een samenwerking tussen de hogescholen en het buitengewoon onderwijs. Het is bedoeld om studenten met een handicap en/of leer- en opvoedingsmoeilijkheden de lessen of activiteiten te laten volgen in een hogeschool met hulp vanuit een school voor buitengewoon onderwijs, die daartoe aanvullende lestijden of lesuren en/of aanvullende uren en via de werkingsmiddelen een integratietoelage of -krediet krijgt.
" Artikel 57ter : § 1. Om toegelaten te worden tot het geïntegreerd hoger onderwijs is het volgende vereist :
1° de student moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden die gelden voor het hoger onderwijs;
2° een attest geïntegreerd onderwijs waaruit blijkt welk type van buitengewoon onderwijs gevolgd is door de betrokken student of welk type op het niveau buitengewoon secundair onderwijs in principe aangewezen zou zijn;
3° een integratieplan voor de betrokken student : dit is een plan ten behoeve van de voorbereiding en evaluatie van de integratie van een student met een handicap in de hogeschool. Het integratieplan bevat de bondige omschrijving van de handicap(s) en de hulpvraag, zowel pedagogisch als didactisch, die uit de handicap(s) voortvloeit, de beschrijving van de aard, de wijze, de omvang en de plaats van de integratie en van de hulp vanuit het buitengewoon onderwijs.
§ 2. Het attest geïntegreerd onderwijs bedoeld in § 1, 2°, en elk attest met het oog op de verlenging van een inschrijving in het geïntegreerd onderwijs, wordt afgeleverd door de directeur van een PMS-centrum.
§ 3. Het integratieplan bedoeld in § 1, 3°, komt bij consensus tot stand na gemeenschappelijk overleg tussen de student, de algemeen directeur van de betrokken hogeschool en of zijn afgevaardigde en de directeurs van het buitengewoon onderwijs en/of hun afgevaardigde en van de betrokken PMS-centra en/of hun afgevaardigde. Bij ieder verlenging van de integratie wordt een nieuw integratieplan opgemaakt.
§ 4. De regering bepaalt de vorm van het attest en van het integratieplan.
" Artikel 57quater : § 1. Studenten die geïntegreerd hoger onderwijs volgen zijn regelmatig ingeschreven studenten in de hogeschool.
§ 2. De regering bepaalt de wijze waarop de student in het geïntegreerd hoger onderwijs bovendien in aanmerking komt als regelmatige leerling in de school voor buitengewoon onderwijs die hulp verleent zoals bepaald in artikel 57bis.
" Artikel 57quinquies : § 1. Studenten met een handicap die hogescholenonderwijs volgen, maar omwille van hun handicap bepaalde opleidingsonderdelen niet kunnen volgen, kunnen daarvoor een vrijstelling krijgen indien zij vervangende onderwijsactiviteiten volgen.
§ 2. Het hogeschoolbestuur beslist over de vrijstelling en legt de vervangende activiteiten vast.
" Artikel 57sexies : De school voor buitengewoon onderwijs die een student geïntegreerd onderwijs begeleidt, krijgt daartoe aanvullende lestijden of lesuren en/of uren.
De regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van de aanvullende lestijden of lesuren en/of uren, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. "
" Afdeling 16. - Geïntegreerd Hoger Onderwijs
" Artikel 57bis : Geïntegreerd hoger onderwijs is een samenwerking tussen de hogescholen en het buitengewoon onderwijs. Het is bedoeld om studenten met een handicap en/of leer- en opvoedingsmoeilijkheden de lessen of activiteiten te laten volgen in een hogeschool met hulp vanuit een school voor buitengewoon onderwijs, die daartoe aanvullende lestijden of lesuren en/of aanvullende uren en via de werkingsmiddelen een integratietoelage of -krediet krijgt.
" Artikel 57ter : § 1. Om toegelaten te worden tot het geïntegreerd hoger onderwijs is het volgende vereist :
1° de student moet voldoen aan de toelatingsvoorwaarden die gelden voor het hoger onderwijs;
2° een attest geïntegreerd onderwijs waaruit blijkt welk type van buitengewoon onderwijs gevolgd is door de betrokken student of welk type op het niveau buitengewoon secundair onderwijs in principe aangewezen zou zijn;
3° een integratieplan voor de betrokken student : dit is een plan ten behoeve van de voorbereiding en evaluatie van de integratie van een student met een handicap in de hogeschool. Het integratieplan bevat de bondige omschrijving van de handicap(s) en de hulpvraag, zowel pedagogisch als didactisch, die uit de handicap(s) voortvloeit, de beschrijving van de aard, de wijze, de omvang en de plaats van de integratie en van de hulp vanuit het buitengewoon onderwijs.
§ 2. Het attest geïntegreerd onderwijs bedoeld in § 1, 2°, en elk attest met het oog op de verlenging van een inschrijving in het geïntegreerd onderwijs, wordt afgeleverd door de directeur van een PMS-centrum.
§ 3. Het integratieplan bedoeld in § 1, 3°, komt bij consensus tot stand na gemeenschappelijk overleg tussen de student, de algemeen directeur van de betrokken hogeschool en of zijn afgevaardigde en de directeurs van het buitengewoon onderwijs en/of hun afgevaardigde en van de betrokken PMS-centra en/of hun afgevaardigde. Bij ieder verlenging van de integratie wordt een nieuw integratieplan opgemaakt.
§ 4. De regering bepaalt de vorm van het attest en van het integratieplan.
" Artikel 57quater : § 1. Studenten die geïntegreerd hoger onderwijs volgen zijn regelmatig ingeschreven studenten in de hogeschool.
§ 2. De regering bepaalt de wijze waarop de student in het geïntegreerd hoger onderwijs bovendien in aanmerking komt als regelmatige leerling in de school voor buitengewoon onderwijs die hulp verleent zoals bepaald in artikel 57bis.
" Artikel 57quinquies : § 1. Studenten met een handicap die hogescholenonderwijs volgen, maar omwille van hun handicap bepaalde opleidingsonderdelen niet kunnen volgen, kunnen daarvoor een vrijstelling krijgen indien zij vervangende onderwijsactiviteiten volgen.
§ 2. Het hogeschoolbestuur beslist over de vrijstelling en legt de vervangende activiteiten vast.
" Artikel 57sexies : De school voor buitengewoon onderwijs die een student geïntegreerd onderwijs begeleidt, krijgt daartoe aanvullende lestijden of lesuren en/of uren.
De regering bepaalt de voorwaarden tot het verkrijgen van de aanvullende lestijden of lesuren en/of uren, alsook het aantal en de wijze van berekening ervan. "
Art. 35. Au Chapitre Ier du Titre II du même décret, une nouvelle section est ajoutée, rédigée comme suit :
" Section 16. - Enseignement supérieur intégré. ".
" Art. 57bis. § 1er. L'enseignement supérieur intégré est une coopération entre les instituts supérieurs et l'enseignement spécial. Il vise à faire participer des étudiants handicapés et/ou éprouvant des difficultés d'apprentissage ou d'éducation aux cours ou activités organisés dans un institut supérieur, avec l'aide d'une école d'enseignement spécial qui reçoit à cette fin des périodes ou heures de cours et/ou heures complémentaires et bénéficie d'une subvention ou d'un crédit d'intégration via les moyens de fonctionnement. ".
" Art. 57ter. (suppléer : § 1.) Afin d'être admis à l'enseignement supérieur intégré, il doit être satisfait aux conditions suivantes :
1° l'étudiant doit satisfaire aux conditions d'admission applicables à l'enseignement supérieur;
2° il doit pouvoir présenter une attestation d'enseignement intégré dont il apparaît quel type a été suivi par l'étudiant intéressé ou quel type au niveau de l'enseignement secondaire spécial serait indiqué en principe;
3° un plan d'intégration pour l'élève concerné doit être dressé. Il s'agit d'un plan permettant la préparation et l'évaluation de l'intégration d'un élève handicapé dans l'institut supérieur. Le plan d'intégration comporte une description succincte de l'(des) handicap(s) et de la demande d'aide pédagogique comme didactique découlant de l'(des) handicap(s), la description de la nature, du mode, du volume et du lieu de l'intégration et de l'aide à fournir par l'enseignement spécial.
§ 2. L'attestation d'enseignement intégré visée au paragraphe 1er, 2°, et chaque attestation en vue d'une prorogation d'une inscription dans l'enseignement intégré sont délivrées par le directeur d'un centre PMS.
§ 3. Le plan d'intégration visé au paragraphe 1er, 3°, est établi de commun accord après concertation entre l'étudiant, le directeur général de l'institut supérieur et/ou son délégué et les directeurs de l'enseignement spécial et/ou leur délégué et des centres PMS concernés et/ou leur délégué. Pour chaque prorogation de l'intégration un nouveau plan d'intégration est dressé.
§ 2. (lire : § 4.) Le Gouvernement détermine la forme de l'attestation et du plan d'intégration. ".
" Art. 57quater. § 1er. Les étudiants qui suivent l'enseignement supérieur intégré sont des étudiants régulièrement inscrits dans l'institut supérieur.
§ 2. Le Gouvernement définit la façon dont l'étudiant dans l'enseignement supérieur intégré est en plus pris en considération en tant qu'élève régulier dans l'école d'enseignement spécial qui apporte son aide telle que fixée à l'article 57bis. ".
" Art. 57quinquies. § 1er. Les étudiants présentant un handicap qui suivent l'enseignement dans un institut supérieur, mais qui ne peuvent pas suivre certaines subdivisions de formation à cause de leur handicap, peuvent obtenir une dispense pour ces subdivisions s'ils suivent des activités de remplacement.
§ 2. La direction de l'institut supérieur décide de la dispense et définit les activités de remplacement. ".
" Art. 57sexies. L'école d'enseignement spécial qui assure l'encadrement de l'élève de l'enseignement intégré reçoit à cet effet des périodes ou heures de cours et/ou heures complémentaires et bénéficie d'une subvention ou d'un crédit d'intégration.
Le Gouvernement fixe les conditions d'obtention, le nombre et le mode de calcul des périodes ou heures de cours et/ou heures complémentaires. ".
" Section 16. - Enseignement supérieur intégré. ".
" Art. 57bis. § 1er. L'enseignement supérieur intégré est une coopération entre les instituts supérieurs et l'enseignement spécial. Il vise à faire participer des étudiants handicapés et/ou éprouvant des difficultés d'apprentissage ou d'éducation aux cours ou activités organisés dans un institut supérieur, avec l'aide d'une école d'enseignement spécial qui reçoit à cette fin des périodes ou heures de cours et/ou heures complémentaires et bénéficie d'une subvention ou d'un crédit d'intégration via les moyens de fonctionnement. ".
" Art. 57ter. (suppléer : § 1.) Afin d'être admis à l'enseignement supérieur intégré, il doit être satisfait aux conditions suivantes :
1° l'étudiant doit satisfaire aux conditions d'admission applicables à l'enseignement supérieur;
2° il doit pouvoir présenter une attestation d'enseignement intégré dont il apparaît quel type a été suivi par l'étudiant intéressé ou quel type au niveau de l'enseignement secondaire spécial serait indiqué en principe;
3° un plan d'intégration pour l'élève concerné doit être dressé. Il s'agit d'un plan permettant la préparation et l'évaluation de l'intégration d'un élève handicapé dans l'institut supérieur. Le plan d'intégration comporte une description succincte de l'(des) handicap(s) et de la demande d'aide pédagogique comme didactique découlant de l'(des) handicap(s), la description de la nature, du mode, du volume et du lieu de l'intégration et de l'aide à fournir par l'enseignement spécial.
§ 2. L'attestation d'enseignement intégré visée au paragraphe 1er, 2°, et chaque attestation en vue d'une prorogation d'une inscription dans l'enseignement intégré sont délivrées par le directeur d'un centre PMS.
§ 3. Le plan d'intégration visé au paragraphe 1er, 3°, est établi de commun accord après concertation entre l'étudiant, le directeur général de l'institut supérieur et/ou son délégué et les directeurs de l'enseignement spécial et/ou leur délégué et des centres PMS concernés et/ou leur délégué. Pour chaque prorogation de l'intégration un nouveau plan d'intégration est dressé.
§ 2. (lire : § 4.) Le Gouvernement détermine la forme de l'attestation et du plan d'intégration. ".
" Art. 57quater. § 1er. Les étudiants qui suivent l'enseignement supérieur intégré sont des étudiants régulièrement inscrits dans l'institut supérieur.
§ 2. Le Gouvernement définit la façon dont l'étudiant dans l'enseignement supérieur intégré est en plus pris en considération en tant qu'élève régulier dans l'école d'enseignement spécial qui apporte son aide telle que fixée à l'article 57bis. ".
" Art. 57quinquies. § 1er. Les étudiants présentant un handicap qui suivent l'enseignement dans un institut supérieur, mais qui ne peuvent pas suivre certaines subdivisions de formation à cause de leur handicap, peuvent obtenir une dispense pour ces subdivisions s'ils suivent des activités de remplacement.
§ 2. La direction de l'institut supérieur décide de la dispense et définit les activités de remplacement. ".
" Art. 57sexies. L'école d'enseignement spécial qui assure l'encadrement de l'élève de l'enseignement intégré reçoit à cet effet des périodes ou heures de cours et/ou heures complémentaires et bénéficie d'une subvention ou d'un crédit d'intégration.
Le Gouvernement fixe les conditions d'obtention, le nombre et le mode de calcul des périodes ou heures de cours et/ou heures complémentaires. ".
Art. 36. In artikel 74 van hetzelfde decreet zoals gewijzigd bij het decreet betreffende het Onderwijs-VII van 8 juli 1996, wordt het voorlaatste lid vervangen door volgende bepaling :
" De benoemde personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap kunnen genieten van een voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen als zij de leeftijd van vijfenvijftig jaar hebben bereikt en minstens twintig dienstjaren tellen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op een rustpensioen, voor zover zij niet van een rustpensioen ten laste van de Schatkist kunnen genieten. "
" De benoemde personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap kunnen genieten van een voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen als zij de leeftijd van vijfenvijftig jaar hebben bereikt en minstens twintig dienstjaren tellen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op een rustpensioen, voor zover zij niet van een rustpensioen ten laste van de Schatkist kunnen genieten. "
Art. 36. Dans l'article 74 du même décret tel que modifié par le décret relatif à l'enseignement-VII du 8 juillet 1996, l'avant-dernier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
" Les membres du personnel nommés des instituts supérieurs en Communauté flamande peuvent bénéficier d'une mise en disponibilité complète pour convenances personnelles précédant la pension de retraite s'ils ont atteint l'âge de 55 ans et comptent au moins 20 années de service entrant en ligne de compte pour l'obtention du droit à la pension de retraite, pour autant qu'ils ne puissent pas bénéficier d'une pension de retraite à charge du Trésor. ".
" Les membres du personnel nommés des instituts supérieurs en Communauté flamande peuvent bénéficier d'une mise en disponibilité complète pour convenances personnelles précédant la pension de retraite s'ils ont atteint l'âge de 55 ans et comptent au moins 20 années de service entrant en ligne de compte pour l'obtention du droit à la pension de retraite, pour autant qu'ils ne puissent pas bénéficier d'une pension de retraite à charge du Trésor. ".
Art. 37. Artikel 104 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt :
" De hogescholen kunnen voltijdse of deeltijdse leden van het assisterend personeel met hun akkoord de titel van praktijkassistent verlenen ten belope van ten hoogste 30 procent van de begrote bezetting van het assisterend personeel in voltijdse eenheden uitgedrukt. Deze personeelsleden worden uitsluitend belast met taken van praktijkgericht onderwijs. "
" De hogescholen kunnen voltijdse of deeltijdse leden van het assisterend personeel met hun akkoord de titel van praktijkassistent verlenen ten belope van ten hoogste 30 procent van de begrote bezetting van het assisterend personeel in voltijdse eenheden uitgedrukt. Deze personeelsleden worden uitsluitend belast met taken van praktijkgericht onderwijs. "
Art. 37. L'article 104 du même arrêté est complété par un quatrième alinéa, rédigé comme suit :
" Les instituts supérieurs peuvent conférer aux membres du personnel assistant à temps plein ou à temps partiel, avec leur consentement, le titre d'assistant de pratique à concurrence de 30 pourcent au plus de l'effectif budgeté du personnel assistant exprimé en unités à temps plein. Ces membres du personnel ne sont chargés que de tâches de l'enseignement axé sur la pratique. ".
" Les instituts supérieurs peuvent conférer aux membres du personnel assistant à temps plein ou à temps partiel, avec leur consentement, le titre d'assistant de pratique à concurrence de 30 pourcent au plus de l'effectif budgeté du personnel assistant exprimé en unités à temps plein. Ces membres du personnel ne sont chargés que de tâches de l'enseignement axé sur la pratique. ".
Art. 38. In artikel 105 § 1, eerste zin, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden "assistent" en "heeft" de woorden "met uitzondering van de praktijkassistent zoals bedoeld in artikel 104" ingevoegd.
Art. 38. Dans l'article 105, § 1er, première phrase, du même décret, les mots " à l'exception de l'assistant de pratique tel que visé à l'article 104 " sont insérés entre les mots " l'assistant temporaire " et le mot " a ".
Art. 39. In artikel 122 van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd bij het decreet betreffende het onderwijs-VII van 8 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de tekst van paragraaf 1 wordt aangevuld met een derde lid, luidend als volgt :
" De in artikel 104 bedoelde praktijkassistenten kunnen voor hernieuwbare termijnen van minimum één jaar en maximum vijf jaar worden aangesteld. Deze minimumtermijn geldt niet voor plaatsvervangers van de titularis. ";
2° de tekst van paragraaf 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 2. In afwijking van § 1 kan ten hoogste 25 procent van het aantal assistenten, uitgedrukt in voltijdse eenheden, worden benoemd. ";
3° de tekst van paragraaf 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. Alle contracten van het ambt van assistent die door het hogeschoolbestuur afgesloten zijn tussen 1 januari 1996 en het einde van het academiejaar 1995-1996 kunnen door het hogeschoolbestuur verlengd worden tot het einde van het academiejaar 1997-1998. Deze verlenging komt niet in aanmerking voor de periode bedoeld in § 1. ";
4° een vierde paragraaf wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. De aanstellingen in het ambt van assistent die gebeuren na de aanvang van het academiejaar, kunnen als einddatum het einde van dat academiejaar hebben. In voorkomend geval komt deze aanstellingsperiode niet in aanmerking voor de periode bedoeld in § 1. "
1° de tekst van paragraaf 1 wordt aangevuld met een derde lid, luidend als volgt :
" De in artikel 104 bedoelde praktijkassistenten kunnen voor hernieuwbare termijnen van minimum één jaar en maximum vijf jaar worden aangesteld. Deze minimumtermijn geldt niet voor plaatsvervangers van de titularis. ";
2° de tekst van paragraaf 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 2. In afwijking van § 1 kan ten hoogste 25 procent van het aantal assistenten, uitgedrukt in voltijdse eenheden, worden benoemd. ";
3° de tekst van paragraaf 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. Alle contracten van het ambt van assistent die door het hogeschoolbestuur afgesloten zijn tussen 1 januari 1996 en het einde van het academiejaar 1995-1996 kunnen door het hogeschoolbestuur verlengd worden tot het einde van het academiejaar 1997-1998. Deze verlenging komt niet in aanmerking voor de periode bedoeld in § 1. ";
4° een vierde paragraaf wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. De aanstellingen in het ambt van assistent die gebeuren na de aanvang van het academiejaar, kunnen als einddatum het einde van dat academiejaar hebben. In voorkomend geval komt deze aanstellingsperiode niet in aanmerking voor de periode bedoeld in § 1. "
Art. 39. A l'article 122, du même décret, tel que modifié par le décret relatif à l'enseignement-VII du 8 juillet 1996, les modifications suivantes sont apportées :
1° le texte du paragraphe 1er est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" Les assistants de pratique visés à l'article 104 peuvent être désignés pour des délais renouvelables d'un an au minimum et de cinq ans au maximum. Ce délai minimum n'est pas applicable aux remplacants du titulaire. ";
2° le texte du paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Par dérogation au § 1er, 25 pour cent au maximum du nombre d'assistants, exprimés en unités à temps plein, peuvent être nommés. ";
3° le texte du paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Tous les contrats de la fonction d'assistant qui sont conclu par la direction de l'institut supérieur entre le 1er janvier 1996 et la fin de l'année académique 1995-1996, peuvent être prorogés par la direction de l'institut supérieur jusqu'à la fin de l'année académique 1997-1998. Cette prorogation n'entre pas en ligne de compte pour la période visée au § 1er. ";
4° un quatrième paragraphe est ajouté, rédigé comme suit :
" § 4. Les désignations dans la fonction d'assistant qui s'effectuent après le début de l'année académique, peuvent avoir comme date finale la fin de l'année académique. Le cas échéant, cette période de désignation n'entre pas en ligne de compte pour la période visée au § 1er. ".
1° le texte du paragraphe 1er est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" Les assistants de pratique visés à l'article 104 peuvent être désignés pour des délais renouvelables d'un an au minimum et de cinq ans au maximum. Ce délai minimum n'est pas applicable aux remplacants du titulaire. ";
2° le texte du paragraphe 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Par dérogation au § 1er, 25 pour cent au maximum du nombre d'assistants, exprimés en unités à temps plein, peuvent être nommés. ";
3° le texte du paragraphe 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Tous les contrats de la fonction d'assistant qui sont conclu par la direction de l'institut supérieur entre le 1er janvier 1996 et la fin de l'année académique 1995-1996, peuvent être prorogés par la direction de l'institut supérieur jusqu'à la fin de l'année académique 1997-1998. Cette prorogation n'entre pas en ligne de compte pour la période visée au § 1er. ";
4° un quatrième paragraphe est ajouté, rédigé comme suit :
" § 4. Les désignations dans la fonction d'assistant qui s'effectuent après le début de l'année académique, peuvent avoir comme date finale la fin de l'année académique. Le cas échéant, cette période de désignation n'entre pas en ligne de compte pour la période visée au § 1er. ".
Art. 40. Aan artikel 141 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de huidige tekst van artikel 141 wordt § 1;
2° er wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Het hogeschoolbestuur kan ten laste van de inkomsten uit posthogeschoolvorming aan leden van het onderwijzend personeel die in het kader van hun opdracht belast worden met het leveren van prestaties bij posthogeschoolvorming een persoonlijke vergoeding toekennen. Het totaal bedrag aan vergoedingen die kunnen worden toegekend, bedraagt ten hoogste de helft van de totale inkomsten voortvloeiend uit posthogeschoolvorming na aftrek van alle kosten. "
1° de huidige tekst van artikel 141 wordt § 1;
2° er wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Het hogeschoolbestuur kan ten laste van de inkomsten uit posthogeschoolvorming aan leden van het onderwijzend personeel die in het kader van hun opdracht belast worden met het leveren van prestaties bij posthogeschoolvorming een persoonlijke vergoeding toekennen. Het totaal bedrag aan vergoedingen die kunnen worden toegekend, bedraagt ten hoogste de helft van de totale inkomsten voortvloeiend uit posthogeschoolvorming na aftrek van alle kosten. "
Art. 40. A l'article 141 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le texte actuel de l'article 141 devient le § 1er;
2° il est inséré un § 2, rédigé comme suit :
" Une indemnité individuelle à charge des revenus des postgraduats peut être attribuée par la direction de l'institut supérieur aux membres du personnel enseignant qui doivent rendre, dans le cadre de leur charge, des prestations lors de postgraduats. Le montant total d'indemnités qui peuvent être attribuées, s'élève au maximum à la moitié des revenus totaux résultant des postgraduats après déduction de tous les frais. ".
1° le texte actuel de l'article 141 devient le § 1er;
2° il est inséré un § 2, rédigé comme suit :
" Une indemnité individuelle à charge des revenus des postgraduats peut être attribuée par la direction de l'institut supérieur aux membres du personnel enseignant qui doivent rendre, dans le cadre de leur charge, des prestations lors de postgraduats. Le montant total d'indemnités qui peuvent être attribuées, s'élève au maximum à la moitié des revenus totaux résultant des postgraduats après déduction de tous les frais. ".
Art. 41. In hetzelfde decreet wordt een artikel 141bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 141bis : In afwijking van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, hoofdstuk IV, artikel 78, eerste lid en in aanvulling van artikel 85 van dezelfde wet, kan het hogeschoolbestuur leden van het onderwijzend personeel die vervroegd met pensioen gaan, een vergoeding geven lastens de werkingsuitkering voor zover het hogeschoolbestuur beslist heeft het betreffend onderwijzend personeelslid een deel van zijn activiteiten van onderwijs, onderzoek of maatschappelijke dienstverlening te laten voortzetten. Die vergoeding kan verleend worden tot het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de leeftijd van 65 bereikt heeft. "
" Artikel 141bis : In afwijking van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, hoofdstuk IV, artikel 78, eerste lid en in aanvulling van artikel 85 van dezelfde wet, kan het hogeschoolbestuur leden van het onderwijzend personeel die vervroegd met pensioen gaan, een vergoeding geven lastens de werkingsuitkering voor zover het hogeschoolbestuur beslist heeft het betreffend onderwijzend personeelslid een deel van zijn activiteiten van onderwijs, onderzoek of maatschappelijke dienstverlening te laten voortzetten. Die vergoeding kan verleend worden tot het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de leeftijd van 65 bereikt heeft. "
Art. 41. Dans le même décret, un article 141bis est inséré, rédigé comme suit :
" Art. 141bis. Par dérogation à la loi du 20 juillet 1991 portant des dispositions sociales et diverses, Chapitre IV, article 78, premier alinéa et en complément de l'article 85 de la même loi, la direction de l'institut supérieur peut donner une indemnité à charge de l'allocation de fonctionnement aux membres du personnel enseignant admis à la pension de retraite anticipée pour autant que la direction de l'institut supérieur ait décidé de permettre au membre du personnel interessé de poursuivre une partie de ses activités d'enseignement, de recherche ou de prestation de services sociaux. Cette indemnité peut être octroyée jusqu'à la fin de l'année académique au cours de laquelle le membre du personnel atteint l'âge de 65 ans. ".
" Art. 141bis. Par dérogation à la loi du 20 juillet 1991 portant des dispositions sociales et diverses, Chapitre IV, article 78, premier alinéa et en complément de l'article 85 de la même loi, la direction de l'institut supérieur peut donner une indemnité à charge de l'allocation de fonctionnement aux membres du personnel enseignant admis à la pension de retraite anticipée pour autant que la direction de l'institut supérieur ait décidé de permettre au membre du personnel interessé de poursuivre une partie de ses activités d'enseignement, de recherche ou de prestation de services sociaux. Cette indemnité peut être octroyée jusqu'à la fin de l'année académique au cours de laquelle le membre du personnel atteint l'âge de 65 ans. ".
Art. 42. In het artikel 143 van hetzelfde decreet tussen de woorden "bedoeld in artikel 141" en "van de leden van het onderwijzend personeel" de woorden "de vergoedingen bedoeld in artikel 141bis" invoegen.
Art. 42. Dans l'article 143, du même décret, les mots " les indemnités visées à l'article 141bis " sont insérés entre les mots " visés à l'article 141 " et les mots " des membres du personnel enseignant ".
Art. 43. Artikel 179,7°, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende zinsnede :
" , zoals bepaald in artikel 181bis;".
" , zoals bepaald in artikel 181bis;".
Art. 43. L'article 179, 7°, du même décret est complété par le syntagme suivant :
" tels que fixés à l'article 181bis; ".
" tels que fixés à l'article 181bis; ".
Art. 44. In hetzelfde decreet wordt een artikel 181bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 181bis : § 1. Het bedrag TBS+55 is gelijk aan de som van volgende bedragen :
1° de geraamde kosten van de wachtgelden van de personeelsleden van de hogescholen, ter beschikking gesteld wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, met uitzondering van die personeelsleden waarvan sprake in 2°, te betalen tijdens het begrotingsjaar;
2° dat deel van de wachtgelden die de personeelsleden die genieten van een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het speciale overgangsstelsel, ontvangen hebben in het academiejaar dat tijdens het vorige begrotingsjaar werd afgesloten, dat overeenkomt met 62,5 procent van hun laatste brutoactiviteitssalaris.
§ 2. De hogescholen ontvangen vanaf het begrotingsjaar 1998 het bedrag vermeld in § 1, 2°. "
" Artikel 181bis : § 1. Het bedrag TBS+55 is gelijk aan de som van volgende bedragen :
1° de geraamde kosten van de wachtgelden van de personeelsleden van de hogescholen, ter beschikking gesteld wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, met uitzondering van die personeelsleden waarvan sprake in 2°, te betalen tijdens het begrotingsjaar;
2° dat deel van de wachtgelden die de personeelsleden die genieten van een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het speciale overgangsstelsel, ontvangen hebben in het academiejaar dat tijdens het vorige begrotingsjaar werd afgesloten, dat overeenkomt met 62,5 procent van hun laatste brutoactiviteitssalaris.
§ 2. De hogescholen ontvangen vanaf het begrotingsjaar 1998 het bedrag vermeld in § 1, 2°. "
Art. 44. _ Dans le même décret, un article 181bis est inséré, rédigé comme suit :
" Art. 181bis. § 1er. Le montant TBS+55 est égal à la somme des montants suivants :
1° les coûts estimés des traitements d'attente des personnels des instituts supérieurs, mis en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, à l'exception des personnels dont il est question au 2°, à payer pendant l'année budgétaire;
2° cette partie des traitements d'attente que les personnels bénéficiant d'une mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite dans le régime transitoire spécial, ont reçus pendant l'année académique qui a pris fin au cours de l'année budgétaire précédente, et qui correspond à 62,5 pourcent de leur dernier traitement brut.
§ 2. Les instituts supérieurs reçoivent le montant visé au § 1er, 2° à partir de l'année budgétaire 1998. ".
" Art. 181bis. § 1er. Le montant TBS+55 est égal à la somme des montants suivants :
1° les coûts estimés des traitements d'attente des personnels des instituts supérieurs, mis en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, à l'exception des personnels dont il est question au 2°, à payer pendant l'année budgétaire;
2° cette partie des traitements d'attente que les personnels bénéficiant d'une mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite dans le régime transitoire spécial, ont reçus pendant l'année académique qui a pris fin au cours de l'année budgétaire précédente, et qui correspond à 62,5 pourcent de leur dernier traitement brut.
§ 2. Les instituts supérieurs reçoivent le montant visé au § 1er, 2° à partir de l'année budgétaire 1998. ".
Art. 45. In artikel 182, § 1, van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 19 april 1995 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, wordt een 6° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 6° de personeelsleden, zoals bedoeld in artikel 304 bis, die voor de begeleiding van de onderwijsvernieuwingen in het hoger onderwijs en voor de ondersteuning van de lokale comités tewerkgesteld zijn bij de representatieve vakorganisaties. "
" 6° de personeelsleden, zoals bedoeld in artikel 304 bis, die voor de begeleiding van de onderwijsvernieuwingen in het hoger onderwijs en voor de ondersteuning van de lokale comités tewerkgesteld zijn bij de representatieve vakorganisaties. "
Art. 45. A l'article 182, § 1er, du même décret, tel que modifié par le décret du 19 avril 1995 contenant diverses dispositions modificatives relatives à l'enseignement supérieur en Communauté flamande, un point 6° est ajouté, rédigé comme suit :
" 6° les membres du personnel, tels que visés à l'article 304bis, employés auprès des organisations syndicales représentatives pour l'encadrement des réformes dans l'enseignement supérieur et pour l'appui des comités locaux. ".
" 6° les membres du personnel, tels que visés à l'article 304bis, employés auprès des organisations syndicales représentatives pour l'encadrement des réformes dans l'enseignement supérieur et pour l'appui des comités locaux. ".
Art. 46. Artikel 205 van het hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Artikel 205 : De commissaris-coördinator van de Vlaamse regering bij de hogescholen oefent toezicht uit op de IVAH overeenkomstig afdeling 2, hoofdstuk V van titel IV van dit decreet. "
" Artikel 205 : De commissaris-coördinator van de Vlaamse regering bij de hogescholen oefent toezicht uit op de IVAH overeenkomstig afdeling 2, hoofdstuk V van titel IV van dit decreet. "
Art. 46. L'article 205 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 205. Le commissaire-coordinateur du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs exerce le contrôle sur l'IVAH conformément à la Section 2, Chapitre V du Titre IV du présent décret. ".
" Art. 205. Le commissaire-coordinateur du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs exerce le contrôle sur l'IVAH conformément à la Section 2, Chapitre V du Titre IV du présent décret. ".
Art. 47. Aan hetzelfde decreet wordt een artikel 231ter toegevoegd, die luidt als volgt :
" Artikel 231ter : In afwijking van de artikelen 122, § 2 en 231 kunnen voor de personeelsleden die gebruik maken van het overgangsstelsel inzake voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, tijdelijke personeelsleden zoals bedoeld in artikel 318, 2° benoemd worden voor het volume waarvoor er een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het overgangsstelsel wordt toegekend. Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs. "
" Artikel 231ter : In afwijking van de artikelen 122, § 2 en 231 kunnen voor de personeelsleden die gebruik maken van het overgangsstelsel inzake voltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen, tijdelijke personeelsleden zoals bedoeld in artikel 318, 2° benoemd worden voor het volume waarvoor er een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het overgangsstelsel wordt toegekend. Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs. "
Art. 47. Au même décret, un article 231ter est ajouté, rédigé comme suit :
" Art. 231ter. Par dérogation aux articles 122, § 2 et 231, des membres temporaires tels que visés à l'article 318, 2° peuvent être nommés dans les fonctions des membres du personnel jouissant du régime transitoire en matière de la mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, et ce pour le volume pour lequel une mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite dans le régime transitoire a été attribué. ".
" Art. 231ter. Par dérogation aux articles 122, § 2 et 231, des membres temporaires tels que visés à l'article 318, 2° peuvent être nommés dans les fonctions des membres du personnel jouissant du régime transitoire en matière de la mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite, et ce pour le volume pour lequel une mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite dans le régime transitoire a été attribué. ".
Art. 48. Aan artikel 232, § 4, van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd bij het decreet betreffende het onderwijs-VII van 8 juli 1996, wordt volgende zin toegevoegd :
" De geraamde personeelskosten voor de personeelsleden die genieten van een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het speciale overgangsstelsel, worden voor de berekening van deze norm evenwel niet in aanmerking genomen. "
" De geraamde personeelskosten voor de personeelsleden die genieten van een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen in het speciale overgangsstelsel, worden voor de berekening van deze norm evenwel niet in aanmerking genomen. "
Art. 48. A l'article 232, § 4, du même décret, tel que modifié par le décret relatif à l'enseignement-VII du 8 juillet 1996, la phrase suivante est ajoutée :
" Les coûts de personnel estimés pour les personnels bénéficiant d'une mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite dans le régime transitoire spécial, ne sont pourtant pas pris en considération pour le calcul de cette norme. ".
" Les coûts de personnel estimés pour les personnels bénéficiant d'une mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite dans le régime transitoire spécial, ne sont pourtant pas pris en considération pour le calcul de cette norme. ".
Art. 49. Aan artikel 243, § 4 van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd :
" De Vlaamse regering bepaalt het administratieve statuut van de Commissaris-coördinator. "
" De Vlaamse regering bepaalt het administratieve statuut van de Commissaris-coördinator. "
Art. 49. A l'article 243, § 4 du même décret la phrase suivante est ajoutée :
" Le Gouvernement flamand fixe le statut administratif du commissaire-coordinateur. ".
" Le Gouvernement flamand fixe le statut administratif du commissaire-coordinateur. ".
Art. 50. In titel V van hetzelfde decreet wordt een nieuw hoofdstuk IV toegevoegd, dat luidt als volgt :
" HOOFDSTUK IV. - Begeleiding en ondersteuning
" Artikel 304bis : De personeelsleden van het onderwijs die voor de begeleiding van de onderwijsvernieuwingen in het hoger onderwijs en voor de ondersteuning van de lokale comités tewerkgesteld zijn bij de representatieve vakorganisaties in uitvoering van het akkoord van sectorale sociale programmatie voor de jaren 1995 en 1996 voor de sector "Onderwijs" van de Vlaamse Gemeenschap, bekomen
- ofwel een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs;
- ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht,
overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen.
In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die een verlof wegens vakbondsopdracht genieten aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de wedden, weddetoelagen, salarissen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd. "
" HOOFDSTUK IV. - Begeleiding en ondersteuning
" Artikel 304bis : De personeelsleden van het onderwijs die voor de begeleiding van de onderwijsvernieuwingen in het hoger onderwijs en voor de ondersteuning van de lokale comités tewerkgesteld zijn bij de representatieve vakorganisaties in uitvoering van het akkoord van sectorale sociale programmatie voor de jaren 1995 en 1996 voor de sector "Onderwijs" van de Vlaamse Gemeenschap, bekomen
- ofwel een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs;
- ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht,
overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen.
In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die een verlof wegens vakbondsopdracht genieten aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de wedden, weddetoelagen, salarissen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd. "
Art. 50. Au Titre V du même décret, il est inséré un nouveau Chapitre IV, rédigé comme suit :
" CHAPITRE IV. - Encadrement et appui. ".
" Art. 304bis. Les personnels de l'enseignement, employés auprès des organisations syndicales pour l'encadrement des réformes dans l'enseignement supérieur et pour l'appui des comités locaux en exécution de l'accord de programmation sociale sectorielle pour les années 1995 et 1996 pour le secteur " Enseignement " de la Communauté flamande, obtiennent :
- ou bien un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement,
- ou bien un congé syndical,
conformément aux dispositions reglementaires applicables.
A l'opposé des dispositions réglementaires applicables, les organisations syndicales représentatives, ne sont pas tenues de rembourser à l'autorité pour ces personnels visés au présent article jouissant d'un congé syndical, une somme égale au montant global des traitements, subventions-traitements, indemnités et allocations attribués à ces personnels par l'autorité. ".
" CHAPITRE IV. - Encadrement et appui. ".
" Art. 304bis. Les personnels de l'enseignement, employés auprès des organisations syndicales pour l'encadrement des réformes dans l'enseignement supérieur et pour l'appui des comités locaux en exécution de l'accord de programmation sociale sectorielle pour les années 1995 et 1996 pour le secteur " Enseignement " de la Communauté flamande, obtiennent :
- ou bien un congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement,
- ou bien un congé syndical,
conformément aux dispositions reglementaires applicables.
A l'opposé des dispositions réglementaires applicables, les organisations syndicales représentatives, ne sont pas tenues de rembourser à l'autorité pour ces personnels visés au présent article jouissant d'un congé syndical, une somme égale au montant global des traitements, subventions-traitements, indemnités et allocations attribués à ces personnels par l'autorité. ".
Art. 51. In artikel 307, eerste lid, van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 19 april 1995 houdende diverse wijzigingsbepalingen betreffende het hoger onderwijs in de Vlaamse Gemeenschap, worden de woorden "1 september 1995" telkens vervangen door de woorden "vanaf een door de Vlaamse regering te bepalen datum".
Art. 51. Dans l'article 307, premier alinéa, du même décret, tel que modifié par le décret du 19 avril 1995 contenant diverses dispositions modificatives relatives à l'enseignement supérieur en Communauté flamande, les mots " 1er septembre 1995 " sont remplacés chaque fois par les mots " à partir d'une date à fixer par le Gouvernement flamand ".
Art. 52. De laatste alinea van artikel 308 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De benoemde personeelsleden van de opgeheven Jesode-Hatora en Beth-Jacob Normaalschool te Antwerpen worden, met behoud van vaste benoeming in het hoger onderwijs, tewerkgesteld naar keuze, hetzij in een hogeschool, hetzij in de afdeling "getuigschrift pedagogische bekwaamheid" van het hoger onderwijs voor sociale promotie, hetzij in een van de instellingen van secundair onderwijs van de eigen inrichtende macht. "
" De benoemde personeelsleden van de opgeheven Jesode-Hatora en Beth-Jacob Normaalschool te Antwerpen worden, met behoud van vaste benoeming in het hoger onderwijs, tewerkgesteld naar keuze, hetzij in een hogeschool, hetzij in de afdeling "getuigschrift pedagogische bekwaamheid" van het hoger onderwijs voor sociale promotie, hetzij in een van de instellingen van secundair onderwijs van de eigen inrichtende macht. "
Art. 52. Le dernier alinéa de l'article 308 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Les membres du personnel nommés de l'Ecole normale Jesode-Hatora et Beth-Jacob à Anvers sont employés, avec maintien de leur nomination à titre définitif dans l'enseignement supérieur, selon leur choix, ou bien dans un institut supérieur ou bien dans la section " certificat d'aptitude pédagogique " de l'enseignement supérieur de promotion sociale, ou bien dans un des établissements d'enseignement secondaire du propre pouvoir organisateur. ".
" Les membres du personnel nommés de l'Ecole normale Jesode-Hatora et Beth-Jacob à Anvers sont employés, avec maintien de leur nomination à titre définitif dans l'enseignement supérieur, selon leur choix, ou bien dans un institut supérieur ou bien dans la section " certificat d'aptitude pédagogique " de l'enseignement supérieur de promotion sociale, ou bien dans un des établissements d'enseignement secondaire du propre pouvoir organisateur. ".
Art. 53. In hetzelfde decreet wordt een artikel 314ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 314ter : § 1. De Vlaamse regering bepaalt het academiejaar met ingang waarvan de lerarenopleiding dans, zoals bepaald in artikel 23, § 3, van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs-V, wordt afgebouwd.
§ 2. De pedagogische leergang, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 15 april 1977 houdende oprichting en vaststelling van de structuur van een pedagogische leergang bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen, wordt afgebouwd met ingang van het academiejaar 1996-1997.
§ 3. De studenten die ten laatste in de respectieve academiejaren als regelmatig student zijn ingeschreven in het eerste jaar van een opleiding, vermeld in § 1 en § 2 van dit artikel, hebben het recht deze opleiding of optie te voltooien op voorwaarde
1° dat zij maximum tweemaal voor eenzelfde jaar van de opleiding ingeschreven worden en dat het totaal aantal inschrijvingen in de opleiding niet meer bedraagt dan tweemaal de reglementaire duur;
2° dat zij hun studies niet onderbreken.
§ 4. De in § 1 en § 2 bedoelde opleidingen worden door de Vlaamse Gemeenschap erkend; zij worden evenwel niet gefinancierd. "
" Artikel 314ter : § 1. De Vlaamse regering bepaalt het academiejaar met ingang waarvan de lerarenopleiding dans, zoals bepaald in artikel 23, § 3, van het decreet van 15 december 1993 betreffende het onderwijs-V, wordt afgebouwd.
§ 2. De pedagogische leergang, zoals bepaald in het koninklijk besluit van 15 april 1977 houdende oprichting en vaststelling van de structuur van een pedagogische leergang bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen, wordt afgebouwd met ingang van het academiejaar 1996-1997.
§ 3. De studenten die ten laatste in de respectieve academiejaren als regelmatig student zijn ingeschreven in het eerste jaar van een opleiding, vermeld in § 1 en § 2 van dit artikel, hebben het recht deze opleiding of optie te voltooien op voorwaarde
1° dat zij maximum tweemaal voor eenzelfde jaar van de opleiding ingeschreven worden en dat het totaal aantal inschrijvingen in de opleiding niet meer bedraagt dan tweemaal de reglementaire duur;
2° dat zij hun studies niet onderbreken.
§ 4. De in § 1 en § 2 bedoelde opleidingen worden door de Vlaamse Gemeenschap erkend; zij worden evenwel niet gefinancierd. "
Art. 53. Au même décret, un article 314ter est inséré, rédigé comme suit :
" Art. 314ter. § 1er. Le Gouvernement flamand fixe l'année académique à partir de laquelle la formation des enseignants " danse ", telle définie à l'article 23, § 3, du décret du 15 décembre 1995 relatif à l'enseignement-V, est supprimée progressivement.
§ 2. Les cours pédagogiques tels que fixés à l'arrêté royal du 15 avril 1977 portant création et fixation de la structure d'un cours pedagogique auprès de l'Académie royale des Beaux-Arts à Anvers, sont supprimés progressivement à partir de l'année académique 1996-1997.
§ 3. Les étudiants qui sont régulièrement inscrits dans la première année d'une formation, visée aux §§ 1er et 2 du présent article, au plus tard pendant les années académiques respectives, ont le droit de compléter cette formation ou option à condition que :
1° ils soient inscrits au maximum deux fois pour une même année de la formation et que le nombre total des inscriptions pour la formation ne dépasse pas deux fois la durée réglementaire;
2° ils n'interrompent pas leurs études.
§ 4. Les formations visées aux §§ 1er et 2 sont agréees par la Communauté flamande, mais ne sont pas financées par elle. ".
" Art. 314ter. § 1er. Le Gouvernement flamand fixe l'année académique à partir de laquelle la formation des enseignants " danse ", telle définie à l'article 23, § 3, du décret du 15 décembre 1995 relatif à l'enseignement-V, est supprimée progressivement.
§ 2. Les cours pédagogiques tels que fixés à l'arrêté royal du 15 avril 1977 portant création et fixation de la structure d'un cours pedagogique auprès de l'Académie royale des Beaux-Arts à Anvers, sont supprimés progressivement à partir de l'année académique 1996-1997.
§ 3. Les étudiants qui sont régulièrement inscrits dans la première année d'une formation, visée aux §§ 1er et 2 du présent article, au plus tard pendant les années académiques respectives, ont le droit de compléter cette formation ou option à condition que :
1° ils soient inscrits au maximum deux fois pour une même année de la formation et que le nombre total des inscriptions pour la formation ne dépasse pas deux fois la durée réglementaire;
2° ils n'interrompent pas leurs études.
§ 4. Les formations visées aux §§ 1er et 2 sont agréees par la Communauté flamande, mais ne sont pas financées par elle. ".
Art. 54. Artikel 327, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs-VII, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Deze bepaling geldt niet voor personeelsleden bedoeld in artikel 182, § 1, 4° en 6°.
Deze bepaling geldt evenmin voor de personeelsleden bedoeld in artikel 182, § 1, 5° die voor een voltijdse opdracht bezoldigd worden ten laste van de centrale voorafname en minstens dertig jaar geldige anciënniteit opgebouwd hebben op 1 januari 1996. "
" Deze bepaling geldt niet voor personeelsleden bedoeld in artikel 182, § 1, 4° en 6°.
Deze bepaling geldt evenmin voor de personeelsleden bedoeld in artikel 182, § 1, 5° die voor een voltijdse opdracht bezoldigd worden ten laste van de centrale voorafname en minstens dertig jaar geldige anciënniteit opgebouwd hebben op 1 januari 1996. "
Art. 54. L'article 327, § 2, deuxième alinéa, du même décret, tel que modifié par le décret du 8 juillet 1996 relatif à l'enseignement-VII, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Cette disposition n'est pas applicable aux membres du personnel visés à l'article 182, § 1er, 4° et 6°.
Cette disposition n'est pas applicable non plus aux membres du personnel visés à l'article 182, § 1er, 5° qui sont rémunéres pour une charge à temps plein à charge du prélèvement central et qui ont réuni au moins une ancienneté valable de trente ans le 1er janvier 1996. ".
" Cette disposition n'est pas applicable aux membres du personnel visés à l'article 182, § 1er, 4° et 6°.
Cette disposition n'est pas applicable non plus aux membres du personnel visés à l'article 182, § 1er, 5° qui sont rémunéres pour une charge à temps plein à charge du prélèvement central et qui ont réuni au moins une ancienneté valable de trente ans le 1er janvier 1996. ".
Art. 55. Artikel 337, § 3, van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs-VII, wordt aangevuld als volgt :
" De geldelijke anciënniteit wordt evenwel aangepast indien de aanvangsleeftijd van de nieuwe schaal verschilt van die van de vroegere schaal, met uitzondering voor de met toepassing van artikel 336 geconcordeerde personeelsleden die hierdoor salarisverlies zouden lijden. "
" De geldelijke anciënniteit wordt evenwel aangepast indien de aanvangsleeftijd van de nieuwe schaal verschilt van die van de vroegere schaal, met uitzondering voor de met toepassing van artikel 336 geconcordeerde personeelsleden die hierdoor salarisverlies zouden lijden. "
Art. 55. L'article 337, § 3, du même décret, tel que modifié par le décret du 8 juillet 1996 relatif à l'enseignement-VII, est complété comme suit :
" L'ancienneté pécuniaire est toutefois adaptée si l'âge initial de la nouvelle échelle diffère de celui de l'ancienne échelle, à l'exception des membres du personnel concordes par application de l'article 336 qui perdraient une partie de leur traitement à cause de l'adaptation. ".
" L'ancienneté pécuniaire est toutefois adaptée si l'âge initial de la nouvelle échelle diffère de celui de l'ancienne échelle, à l'exception des membres du personnel concordes par application de l'article 336 qui perdraient une partie de leur traitement à cause de l'adaptation. ".
Art. 56. In artikel 148 van het decreet van 8 juli 1996 betreffende het onderwijs-VII wordt 9° vervangen door wat volgt :
" 9° artikel 106 treedt in werking op een door de Vlaamse regering te bepalen datum. "
" 9° artikel 106 treedt in werking op een door de Vlaamse regering te bepalen datum. "
Art. 56. Dans l'article 148 du décret du 8 juillet 1996 relatif à l'enseignement-VII, le point 9° est remplacé par ce qui suit :
" 9° l'article 106 entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand. ".
" 9° l'article 106 entre en vigueur à une date à fixer par le Gouvernement flamand. ".
Art. 57. De attesten pedagogische leergangen uitgereikt door de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen vóór het schooljaar 1975-1976 worden gelijkgesteld met de getuigschriften zoals bedoeld in het Koninklijk Besluit van 15 april 1977 houdende oprichting en vaststelling van de structuur van een pedagogische leergang bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen.
Art. 57. Les attestations de cours pédagogiques delivrées par l'Académie royale des Beaux-Arts à Anvers avant l'année scolaire 1975-1976 sont assimilées aux certificats tels que visés à l'arrête royal du 15 avril 1977 portant création et fixation de la structure d'un cours pédagogique auprès de l'Académie royale des Beaux-Arts à Anvers.
Art. 58. In afwijking van artikel 107 van het decreet betreffende het onderwijs VI van 21 december 1994, wordt het bedrag van 154 miljoen frank, voortvloeiend uit enerzijds het verschil tussen de middelen ter compensatie van het gebouw Naamsestraat en de verkoop van het Erreragebouw en de middelen die reeds werden aangewend, anderzijds de middelen bestemd voor het HTICS uit het protocolakkoord van 23 februari 1994 afgesloten tussen de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën en Begroting, en ARGO, met betrekking tot het besluit van 23 februari 1994 van de Vlaamse regering tot invoering van artikel 11bis in het besluit van 22 september 1993 van de Vlaamse regering, overgedragen aan de Erasmushogeschool Brussel.
Dit bedrag, overeenkomstig artikel 107 van het decreet betreffende het onderwijs VI van 21 december 1994 bestemd voor de investering in gebouwen en infrastructuurwerken van de terreinen en gebouwen, gelegen te 1000 Brussel, Dansaertstraat 68, 70 en 72 en Moutstraat 15, kan tevens aangewend worden voor de aankoop van en investering in gebouwen en terreinen gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De gebouwen en terreinen, zoals bedoeld in artikel 107 van het decreet betreffende het onderwijs-VI van 21 december 1994, worden in de staat waarin ze zich bevinden, overgedragen aan de Erasmushogeschool Brussel.
Dit bedrag, overeenkomstig artikel 107 van het decreet betreffende het onderwijs VI van 21 december 1994 bestemd voor de investering in gebouwen en infrastructuurwerken van de terreinen en gebouwen, gelegen te 1000 Brussel, Dansaertstraat 68, 70 en 72 en Moutstraat 15, kan tevens aangewend worden voor de aankoop van en investering in gebouwen en terreinen gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De gebouwen en terreinen, zoals bedoeld in artikel 107 van het decreet betreffende het onderwijs-VI van 21 december 1994, worden in de staat waarin ze zich bevinden, overgedragen aan de Erasmushogeschool Brussel.
Art. 58. Par dérogation à l'article 107 du décret relatif à l'enseignement-VI du 21 décembre 1994, il est transféré à l'institut supérieur " Erasmushogeschool Brussel " le montant de 154 millions de francs, résultant d'une part de la différence entre les moyens compensatoires de l'immeuble sis Rue de Namur et la vente du bâtiment Errera et les moyens déjà affectés, et, d'autre part des moyens destinés au HITCS sur la base du protocole d'accord du 23 février 1994, conclu entre la Communauté flamande, représentée par le Ministre des Finances et du Budget, et l'ARGO, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 1994 portant insertion de l'article 11bis dans l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 septembre 1993.
Ce montant destiné conformément à l'article 107 du décret relatif à l'enseignement-VI du 21 décembre 1994 à l'investissement dans des bâtiments et des travaux d'infrastructure des terrains et batiments sis 1000 Bruxelles, rue Dansaert 68, 70 et 72 et rue de la Braie 15, peut également être affecté à l'achat de et l'investissement dans des immeubles et des terrains situés sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.
Les immeubles et les terrains tels que visés à l'article 107 du décret relatif à l'enseignement-VI du 21 décembre 1994, sont transférés dans l'état où ils se trouvent à l'" Erasmushogeschool Brussel ".
Ce montant destiné conformément à l'article 107 du décret relatif à l'enseignement-VI du 21 décembre 1994 à l'investissement dans des bâtiments et des travaux d'infrastructure des terrains et batiments sis 1000 Bruxelles, rue Dansaert 68, 70 et 72 et rue de la Braie 15, peut également être affecté à l'achat de et l'investissement dans des immeubles et des terrains situés sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.
Les immeubles et les terrains tels que visés à l'article 107 du décret relatif à l'enseignement-VI du 21 décembre 1994, sont transférés dans l'état où ils se trouvent à l'" Erasmushogeschool Brussel ".
Art. 59. De hogeschool voor Gezondheidszorg Oost-Vlaanderen krijgt voor de aankoop van gespecialiseerde apparatuur voor het pedagogisch project podologie een bedrag van 1 685 000 frank tijdens het begrotingsjaar 1995 en 997 000 frank tijdens het begrotingsjaar 1996.
Art. 59. L'institut supérieur " Hogeschool voor Gezondheidszorg Oost-Vlaanderen " reçoit pour l'achat d'un équipement spécialisé pour le projet pédagogique de podologie un montant de 1.685.000 F pendant l'année budgétaire 1995 et de 997.000 F pendant l'année 1996.
Art. 60. De volgende artikelen treden als volgt in werking :
1° artikel 35 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1994;
2° de artikelen 51, 53, 56 en 59 hebben uitwerking vanaf 1 september 1995;
3° de artikelen 39, 2° en 3°, 47 en 55 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1996;
4° de artikelen 36, 39, 4°, 43, 44, 48 en 52 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1996;
5° de artikelen 45, 50 en 54 treden in werking op 1 januari 1997;
6° de artikelen 34, 37, 38 en 39, 1° treden in werking met ingang van 1 september 1997;
7° de artikelen 33, 46, 57 en 58 treden in werking met ingang van de publikatie in het Belgisch Staatsblad.
1° artikel 35 heeft uitwerking met ingang van 1 september 1994;
2° de artikelen 51, 53, 56 en 59 hebben uitwerking vanaf 1 september 1995;
3° de artikelen 39, 2° en 3°, 47 en 55 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1996;
4° de artikelen 36, 39, 4°, 43, 44, 48 en 52 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1996;
5° de artikelen 45, 50 en 54 treden in werking op 1 januari 1997;
6° de artikelen 34, 37, 38 en 39, 1° treden in werking met ingang van 1 september 1997;
7° de artikelen 33, 46, 57 en 58 treden in werking met ingang van de publikatie in het Belgisch Staatsblad.
Art. 60. Les articles suivants entrent en vigueur comme suit :
1° l'article 35 produit ses effets à partir du 1er septembre 1994;
2° les articles 51, 53, 56 et 59 produisent leurs effets à partir du 1er septembre 1995;
3° les articles 39, 2° et 3°, 47 et 55 produisent leurs effets à partir du 1er janvier 1996;
4° les articles 36, 39, 4°, 43, 44, 48 et 52 produisent leurs effets à partir du 1er septembre 1996;
5° les articles 45, 50 et 54 entrent en vigueur le 1er janvier 1997;
6° les articles 34, 37, 38 et 39, 1° entrent en vigueur le 1er septembre 1997;
7° les articles 33, 46, 57 et 58 entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
1° l'article 35 produit ses effets à partir du 1er septembre 1994;
2° les articles 51, 53, 56 et 59 produisent leurs effets à partir du 1er septembre 1995;
3° les articles 39, 2° et 3°, 47 et 55 produisent leurs effets à partir du 1er janvier 1996;
4° les articles 36, 39, 4°, 43, 44, 48 et 52 produisent leurs effets à partir du 1er septembre 1996;
5° les articles 45, 50 et 54 entrent en vigueur le 1er janvier 1997;
6° les articles 34, 37, 38 et 39, 1° entrent en vigueur le 1er septembre 1997;
7° les articles 33, 46, 57 et 58 entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
HOOFDSTUK V. - Universitair onderwijs.
CHAPITRE V. - Enseignement universitaire.
Art. 61. Artikel 91 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap wordt aangevuld met een derde lid, dat luidt als volgt :
" Het universiteitsbestuur kan in het geval van eerste benoeming tot lid van het zelfstandig academisch personeel personen aanstellen tot lid van het zelfstandig academisch personeel in een tijdelijk dienstverband voor een duur van ten hoogste drie jaar met uitzicht op vaste benoeming na die periode, indien het universiteitsbestuur de prestaties van de betrokkene gunstig beoordeelt. "
" Het universiteitsbestuur kan in het geval van eerste benoeming tot lid van het zelfstandig academisch personeel personen aanstellen tot lid van het zelfstandig academisch personeel in een tijdelijk dienstverband voor een duur van ten hoogste drie jaar met uitzicht op vaste benoeming na die periode, indien het universiteitsbestuur de prestaties van de betrokkene gunstig beoordeelt. "
Art. 61. L'article 91 du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande est complété par un troisième alinéa, rédigé comme suit :
" En cas de première nomination comme membre du personnel académique autonome, les autorités universitaires peuvent désigner des personnes en qualité de membre du personnel académique autonome à titre temporaire pour une durée de trois ans au maximum au terme de laquelle celles-ci peuvent être nommées à titre définitif, si leurs prestations sont évaluées favorablement par les autorités universitaires. ".
" En cas de première nomination comme membre du personnel académique autonome, les autorités universitaires peuvent désigner des personnes en qualité de membre du personnel académique autonome à titre temporaire pour une durée de trois ans au maximum au terme de laquelle celles-ci peuvent être nommées à titre définitif, si leurs prestations sont évaluées favorablement par les autorités universitaires. ".
Art. 62. Hoofdstuk IV van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een artikel 104bis, luidend als volgt :
" Artikel 104bis : In afwijking van het bepaalde in artikel 2, § 3, tweede alinea, van de wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving, kan het universiteitsbestuur de leden van het zelfstandig academisch personeel die vervroegd met pensioen gaan, een vergoeding geven lastens de werkingsuitkering voor zover het universiteitsbestuur beslist heeft dat het betreffende lid van het zelfstandig academisch personeel een deel van zijn activiteiten van onderwijs, onderzoek of wetenschappelijke dienstverlening mag voortzetten. Die vergoeding kan verleend worden tot het einde van het academiejaar waarin hij de leeftijd van 65 bereikt. "
" Artikel 104bis : In afwijking van het bepaalde in artikel 2, § 3, tweede alinea, van de wet van 4 augustus 1986 tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving, kan het universiteitsbestuur de leden van het zelfstandig academisch personeel die vervroegd met pensioen gaan, een vergoeding geven lastens de werkingsuitkering voor zover het universiteitsbestuur beslist heeft dat het betreffende lid van het zelfstandig academisch personeel een deel van zijn activiteiten van onderwijs, onderzoek of wetenschappelijke dienstverlening mag voortzetten. Die vergoeding kan verleend worden tot het einde van het academiejaar waarin hij de leeftijd van 65 bereikt. "
Art. 62. Le Chapitre IV du même décret est complété par un article 104bis, rédigé comme suit :
" Art. 104bis. Par dérogation aux dispositions de l'article 2, § 3, deuxième alinéa, de la loi du 4 août 1986 réglant la mise à la retraite des membres du personnel enseignant de l'enseignement universitaire et modifiant d'autres dispositions de la législation de l'enseignement, les autorités universitaires peuvent accorder une indemnité à charge des allocations de fonctionnement aux membres du personnel académique autonome qui sollicitent une mise à la retraite anticipée pour autant que les autorités universitaires aient décidé de permettre au membre du personnel académique autonome intéressé de poursuivre une partie de ses activités d'enseignement, de recherche ou de prestation de services scientifiques. Cette indemnité peut être octroyée jusqu'à la fin de l'année académique au cours de laquelle il atteint l'âge de 65 ans. ".
" Art. 104bis. Par dérogation aux dispositions de l'article 2, § 3, deuxième alinéa, de la loi du 4 août 1986 réglant la mise à la retraite des membres du personnel enseignant de l'enseignement universitaire et modifiant d'autres dispositions de la législation de l'enseignement, les autorités universitaires peuvent accorder une indemnité à charge des allocations de fonctionnement aux membres du personnel académique autonome qui sollicitent une mise à la retraite anticipée pour autant que les autorités universitaires aient décidé de permettre au membre du personnel académique autonome intéressé de poursuivre une partie de ses activités d'enseignement, de recherche ou de prestation de services scientifiques. Cette indemnité peut être octroyée jusqu'à la fin de l'année académique au cours de laquelle il atteint l'âge de 65 ans. ".
Art. 63. Artikel 112 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt :
" Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de uitbreiding van de omvang van een deeltijds dienstverband niet beschouwd als een nieuwe werving. "
" Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de uitbreiding van de omvang van een deeltijds dienstverband niet beschouwd als een nieuwe werving. "
Art. 63. L'article 112 du même décret est complété par un quatrième alinéa, rédigé comme suit :
" Pour l'application du présent chapitre, l'extension du volume d'un emploi à temps partiel n'est pas censée être un nouveau recrutement. ".
" Pour l'application du présent chapitre, l'extension du volume d'un emploi à temps partiel n'est pas censée être un nouveau recrutement. ".
Art. 64. De volgende artikelen treden als volgt in werking :
1° artikel 63 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991;
2° de artikelen 61 en 62 treden in werking met ingang van 1 oktober 1997.
1° artikel 63 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991;
2° de artikelen 61 en 62 treden in werking met ingang van 1 oktober 1997.
Art. 64. Les articles suivants entrent en vigueur comme suit :
1° l'article 63 produit ses effets le 1er octobre 1991;
2° les articles 61 et 62 entrent en vigueur le 1er octobre 1997.
1° l'article 63 produit ses effets le 1er octobre 1991;
2° les articles 61 et 62 entrent en vigueur le 1er octobre 1997.
HOOFDSTUK VI. - PMS-centra.
CHAPITRE VI. - Centres PMS.
Art. 65. In artikel 2, § 11, van de wet van 1 april 1960 betreffende de psycho-medisch-sociale centra worden de jaartallen "1996-1997" vervangen door de jaartallen "1998-1999".
Art. 65. A l'article 2, § 11, de la loi du 1er avril 1960 sur les centres psycho-médico-sociaux les années " 1996-1997 " sont remplacées par les années " 1998-1999 ".
Art. 66. Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 september 1997.
Art. 66. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 1997.
HOOFDSTUK VII. - Basisonderwijs.
CHAPITRE VII. - Enseignement fondamental.
Art. 67. In artikel 107 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° aan het eerste lid wordt volgende zin toegevoegd :
" Zij kunnen hun scholen overhevelen naar een ander schoolbestuur. ";
2° aan het tweede lid wordt volgende bepaling toegevoegd :
" De overheveling van een school naar een ander schoolbestuur heeft ten aanzien van het departement onderwijs uitwerking op 1 september. "
1° aan het eerste lid wordt volgende zin toegevoegd :
" Zij kunnen hun scholen overhevelen naar een ander schoolbestuur. ";
2° aan het tweede lid wordt volgende bepaling toegevoegd :
" De overheveling van een school naar een ander schoolbestuur heeft ten aanzien van het departement onderwijs uitwerking op 1 september. "
Art. 67. A l'article 107 du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997, les modifications suivantes sont apportées :
1° au premier alinéa, la phrase suivante est ajoutée :
" Elles peuvent transférer leurs écoles à une autre autorité scolaire. ";
2° au deuxième alinéa, la disposition suivante est ajoutée :
" Le transfert d'une école à une autre autorité scolaire produit ses effets à l'égard du Département de l'Enseignement à partir du 1er septembre. ".
1° au premier alinéa, la phrase suivante est ajoutée :
" Elles peuvent transférer leurs écoles à une autre autorité scolaire. ";
2° au deuxième alinéa, la disposition suivante est ajoutée :
" Le transfert d'une école à une autre autorité scolaire produit ses effets à l'égard du Département de l'Enseignement à partir du 1er septembre. ".
Art. 68. In artikel 166 van hetzelfde decreet wordt § 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. De vakorganisaties, aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie, kunnen beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met ofwel een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs, ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen.
In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden, voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die genieten van een verlof wegens vakbondsopdracht, aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de wedden, weddetoelagen, salarissen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd.
Deze personeelsleden moeten door die vakorganisaties belast worden met de begeleiding en de ondersteuning van de lokale comités. "
" § 1. De vakorganisaties, aangesloten bij een in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen vertegenwoordigde syndicale organisatie, kunnen beschikken over personeelsleden uit het onderwijs met ofwel een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs, ofwel een verlof wegens vakbondsopdracht overeenkomstig de geldende reglementaire bepalingen.
In tegenstelling met de geldende reglementaire bepalingen zijn de representatieve vakorganisaties er evenwel niet toe gehouden, voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden die genieten van een verlof wegens vakbondsopdracht, aan de overheid een som terug te storten die gelijk is aan het globaal bedrag van de wedden, weddetoelagen, salarissen, vergoedingen en toelagen die door de overheid aan deze personeelsleden werden uitgekeerd.
Deze personeelsleden moeten door die vakorganisaties belast worden met de begeleiding en de ondersteuning van de lokale comités. "
Art. 68. Dans l'article 166 du même décret, le § 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Les organisations professionnelles, affiliées à une organisation syndicale représentée dans le " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen " (Conseil socio-économique de la flandre) peuvent disposer de membres du personnel de l'enseignement, en congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou en congé syndical conformément aux dispositions réglementaires applicables.
A l'opposé des dispositions réglementaires applicables, les organisations professionnelles représentatives, ne sont pas tenues de rembourser à l'autorité pour ces personnels visés au présent article jouissant d'un congé syndical, une somme égale au montant global des traitements, subventions-traitements, indemnités et allocations attribués à ces personnels par l'autorité.
Ces membres du personnel doivent être chargés par ces organisations professionnelles de l'encadrement et de l'appui des comités locaux. ".
" § 1er. Les organisations professionnelles, affiliées à une organisation syndicale représentée dans le " Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen " (Conseil socio-économique de la flandre) peuvent disposer de membres du personnel de l'enseignement, en congé pour mission dans l'intérêt de l'enseignement ou en congé syndical conformément aux dispositions réglementaires applicables.
A l'opposé des dispositions réglementaires applicables, les organisations professionnelles représentatives, ne sont pas tenues de rembourser à l'autorité pour ces personnels visés au présent article jouissant d'un congé syndical, une somme égale au montant global des traitements, subventions-traitements, indemnités et allocations attribués à ces personnels par l'autorité.
Ces membres du personnel doivent être chargés par ces organisations professionnelles de l'encadrement et de l'appui des comités locaux. ".
Art. 69. Het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 1997 houdende de taken die niet in de functiebeschrijving van het personeel in het basisonderwijs kunnen opgenomen worden, wordt bekrachtigd.
Art. 69. L'arrêté du Gouvernement flamand du 10 juin 1997 portant les missions qui ne peuvent pas être comprises dans les descriptions de fonction des personnels de l'enseignement fondamental, est sanctionné.
Art. 70. De artikelen 67, 68 en 69 treden in werking op 1 september 1997.
Art. 70. Les articles 67, 68 et 69 entrent en vigueur le 1er septembre 1997.
HOOFDSTUK VIII. - Overheveling van instellingen naar een andere inrichtende macht.
CHAPITRE VIII. - Transferts d'établissements à un autre pouvoir organisateur.
Art. 71.
Art. 71.
Art. 72. Artikel 71 treedt in werking met ingang van 1 september 1997.
Art. 72. L'article 71 entre en vigueur le 1er septembre 1997.
HOOFDSTUK IX. - Infrastructuurwerken in het hoger onderwijs.
CHAPITRE IX. - Travaux d'infrastructure dans l'enseignement supérieur.
Art. 73. Artikel 197 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 197 : Deze investeringen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor de gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken en omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, de aankoop van gronden en de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur. De financiering van een investering kan tot 100 % van de kostprijs van het investeringsproject bedragen. "
" Artikel 197 : Deze investeringen dragen uitsluitend bij tot de dekking van de uitgaven voor de aankoop van gebouwen, voor de gehele of gedeeltelijke nieuwbouw of verbouwing, voor de voorafgaande afbraakwerken en omgevingswerken, voor de eerste uitrusting, de aankoop van gronden en de aankoop van didactische en wetenschappelijke apparatuur. De financiering van een investering kan tot 100 % van de kostprijs van het investeringsproject bedragen. "
Art. 73. L'article 197 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande est remplacé par ce qui suit :
" Art. 197. Ces investissements contribuent uniquement à la couverture des dépenses pour les acquisitions de bâtiments, pour les constructions nouvelles ou transformations entieres ou partielles, pour les travaux de démolition et d'aménagement, pour le premier équipement, pour l'acquisition des terrains et l'achat d'appareillage didactique et scientifique. Le financement d'un investissement peut s'élever à 100 % du coût du projet d'investissement. ".
" Art. 197. Ces investissements contribuent uniquement à la couverture des dépenses pour les acquisitions de bâtiments, pour les constructions nouvelles ou transformations entieres ou partielles, pour les travaux de démolition et d'aménagement, pour le premier équipement, pour l'acquisition des terrains et l'achat d'appareillage didactique et scientifique. Le financement d'un investissement peut s'élever à 100 % du coût du projet d'investissement. ".
Art. 74. Artikel 199 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, zoals gewijzigd door het decreet van 8 juli 1996, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 199 : § 1. Voor aankoop van een gebouw en voor nieuwbouw- en verbouwingswerken mag de kostprijs maximaal 34.534 frank per vierkante meter bruto-oppervlakte bedragen.
Bij de aankoop van een gebouw wordt de netto aankoopprijs, exclusief registratierechten en andere kosten, in rekening gebracht voor het bepalen van de kostprijs per vierkante meter bruto-oppervlakte. Deze netto aankoopprijs wordt, in voorkomend geval, geplafonneerd tot de waarde vastgesteld door het bevoegd Comité tot Aankoop.
Bij nieuwbouw en verbouwingswerken mag de kostprijs van de voorafgaande afbraakwerken, de eerste uitrusting, de aankoop van gronden, de omgevingswerken, de belastingen op de toegevoegde waarde, de algemene kosten en de contractuele prijsherzieningen worden uitgesloten. Voor de algemene kosten kan een bedrag van maximaal 7 % van de financierbare investering forfaitair worden toegekend.
Bij nieuwbouw wordt de kostprijs per vierkante meter bekomen door de hierboven bepaalde kostprijs te delen door de totale nieuw gebouwde bruto-oppervlakte waar de werken worden uitgevoerd. Bij verbouwingswerken wordt de kostprijs per vierkante meter bekomen door de hierboven bepaalde kostprijs te delen door de bruto-oppervlakte van de gebouwen waaraan deze werken worden uitgevoerd.
Bij aankoop van een gebouw gepaard gaand met nieuwbouw of verbouwingswerken aan dit aangekochte gebouw worden voor het bepalen van de kostprijs per vierkante meter bruto-oppervlakte, de netto aankoopprijs en de bouwkost, samengeteld.
De maximale kostprijs per vierkante meter wordt bepaald op de dag waarop de offertes worden geopend. Voor het bepalen van de hiervoor vermelde maximale kostprijs wordt de kostprijs van de loten die op een latere datum worden aanbesteed, verrekend naar de datum van de opening van de offertes op het eerste lot.
§ 2. Het in § 1 vermelde bedrag, vastgesteld op 1 mei 1997, wordt maandelijks herzien volgens de prijsherzieningsformule vastgesteld voor overheidsopdrachten van aanneming van bouwwerken.
§ 3. Overschrijdingen van het in § 1 omschreven bedrag zijn enkel toelaatbaar na gunstig advies van het college van commissarissen bedoeld in artikel 244, § 1. "
" Artikel 199 : § 1. Voor aankoop van een gebouw en voor nieuwbouw- en verbouwingswerken mag de kostprijs maximaal 34.534 frank per vierkante meter bruto-oppervlakte bedragen.
Bij de aankoop van een gebouw wordt de netto aankoopprijs, exclusief registratierechten en andere kosten, in rekening gebracht voor het bepalen van de kostprijs per vierkante meter bruto-oppervlakte. Deze netto aankoopprijs wordt, in voorkomend geval, geplafonneerd tot de waarde vastgesteld door het bevoegd Comité tot Aankoop.
Bij nieuwbouw en verbouwingswerken mag de kostprijs van de voorafgaande afbraakwerken, de eerste uitrusting, de aankoop van gronden, de omgevingswerken, de belastingen op de toegevoegde waarde, de algemene kosten en de contractuele prijsherzieningen worden uitgesloten. Voor de algemene kosten kan een bedrag van maximaal 7 % van de financierbare investering forfaitair worden toegekend.
Bij nieuwbouw wordt de kostprijs per vierkante meter bekomen door de hierboven bepaalde kostprijs te delen door de totale nieuw gebouwde bruto-oppervlakte waar de werken worden uitgevoerd. Bij verbouwingswerken wordt de kostprijs per vierkante meter bekomen door de hierboven bepaalde kostprijs te delen door de bruto-oppervlakte van de gebouwen waaraan deze werken worden uitgevoerd.
Bij aankoop van een gebouw gepaard gaand met nieuwbouw of verbouwingswerken aan dit aangekochte gebouw worden voor het bepalen van de kostprijs per vierkante meter bruto-oppervlakte, de netto aankoopprijs en de bouwkost, samengeteld.
De maximale kostprijs per vierkante meter wordt bepaald op de dag waarop de offertes worden geopend. Voor het bepalen van de hiervoor vermelde maximale kostprijs wordt de kostprijs van de loten die op een latere datum worden aanbesteed, verrekend naar de datum van de opening van de offertes op het eerste lot.
§ 2. Het in § 1 vermelde bedrag, vastgesteld op 1 mei 1997, wordt maandelijks herzien volgens de prijsherzieningsformule vastgesteld voor overheidsopdrachten van aanneming van bouwwerken.
§ 3. Overschrijdingen van het in § 1 omschreven bedrag zijn enkel toelaatbaar na gunstig advies van het college van commissarissen bedoeld in artikel 244, § 1. "
Art. 74. L'article 199 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, tel que modifié par le décret du 8 juillet 1996, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 199. § 1er. Pour l'achat d'un bâtiment et pour les travaux de construction ou de transformation, le coût ne peut dépasser le montant maximum de 34 534 F par m2 de superficie brute.
Lors de l'acquisition d'un bâtiment, le prix net d'acquisition, à l'exclusion des droits d'enregistrement et d'autres frais, est porté en compte pour la fixation du coût par m2 de la superficie brute. Ce prix net d'acquisition est plafonné, le cas échéant, à la valeur fixée par le Comité d'Achat compétent.
Lors d'une construction nouvelle ou de travaux de transformation, le coût des travaux de démolition préalables, du premier équipement, de l'achat des terrains, des travaux d'aménagement, des taxes sur la valeur ajoutée, des frais généraux et des révisions de prix contractuelles peut être exclu. Pour les frais généraux, un montant de 7 % au maximum de l'investissement admissible au financement peut être attribué forfaitairement.
Lors d'une construction nouvelle, le coût par m2 est calculé en divisant le coût fixe ci-dessus par la superficie brute totale nouvellement construite où les travaux sont exécutés. Lors de transformations, le coût par m2 est calculé en divisant le coût fixé ci-dessus par la superficie brute des bâtiments auxquels les travaux ont été exécutés.
Lors d'une acquisition d'un bâtiment, accompagnée d'une construction nouvelle ou de travaux de transformation à cet immeuble nouvellement acquis, le coût par m2 de superficie brute est calculé en additionnant le prix net d'acquisition et les frais de construction.
Le coût maximum par m2 est fixé au jour de l'ouverture des offres. Pour la fixation du coût maximum susmentionné, le coût des lots mis en adjudication à une date ultérieure est calcule à la date d'ouverture des offres pour le premier lot.
§ 2. Le montant visé au § 1er, fixé au 1er mai 1997, est révisé mensuellement conformément à la formule de révision des prix fixée pour les marchés publics de travaux de construction.
§ 3. Des dépassements du montant prévu au § 1er ne sont admissibles qu'après avis favorable du collège des commissaires visé à l'article 244, § 1er. ".
" Art. 199. § 1er. Pour l'achat d'un bâtiment et pour les travaux de construction ou de transformation, le coût ne peut dépasser le montant maximum de 34 534 F par m2 de superficie brute.
Lors de l'acquisition d'un bâtiment, le prix net d'acquisition, à l'exclusion des droits d'enregistrement et d'autres frais, est porté en compte pour la fixation du coût par m2 de la superficie brute. Ce prix net d'acquisition est plafonné, le cas échéant, à la valeur fixée par le Comité d'Achat compétent.
Lors d'une construction nouvelle ou de travaux de transformation, le coût des travaux de démolition préalables, du premier équipement, de l'achat des terrains, des travaux d'aménagement, des taxes sur la valeur ajoutée, des frais généraux et des révisions de prix contractuelles peut être exclu. Pour les frais généraux, un montant de 7 % au maximum de l'investissement admissible au financement peut être attribué forfaitairement.
Lors d'une construction nouvelle, le coût par m2 est calculé en divisant le coût fixe ci-dessus par la superficie brute totale nouvellement construite où les travaux sont exécutés. Lors de transformations, le coût par m2 est calculé en divisant le coût fixé ci-dessus par la superficie brute des bâtiments auxquels les travaux ont été exécutés.
Lors d'une acquisition d'un bâtiment, accompagnée d'une construction nouvelle ou de travaux de transformation à cet immeuble nouvellement acquis, le coût par m2 de superficie brute est calculé en additionnant le prix net d'acquisition et les frais de construction.
Le coût maximum par m2 est fixé au jour de l'ouverture des offres. Pour la fixation du coût maximum susmentionné, le coût des lots mis en adjudication à une date ultérieure est calcule à la date d'ouverture des offres pour le premier lot.
§ 2. Le montant visé au § 1er, fixé au 1er mai 1997, est révisé mensuellement conformément à la formule de révision des prix fixée pour les marchés publics de travaux de construction.
§ 3. Des dépassements du montant prévu au § 1er ne sont admissibles qu'après avis favorable du collège des commissaires visé à l'article 244, § 1er. ".
Art. 75. Artikel 2 van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd door de decreten van 19 april 1995 en 8 juli 1996, wordt aangevuld als volgt :
" 54° bruto-oppervlakte van een gebouw : het geheel van de vloeroppervlakten van alle vloerniveaus. De vloerniveaus zijn inzonderheid de verdiepingen die geheel of gedeeltelijk onder de grond zijn gebouwd, de bovengrondse verdiepingen en de verdiepingen voor technische installaties.
De bruto-vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt bepaald door de buitenomtrek van de bouwdelen die het gebouw begrenzen ter hoogte van de vloer. De oppervlakte van de trappen, de liften en de installatiekokers moet op ieder niveau tot de vloeroppervlakte worden gerekend. Worden niet als bruto-oppervlakte beschouwd :
- de kruipruimten tussen de gelijkvloerse verdieping en onderste niveau van het gebouw;
- de dakverdiepingen, zolders en kelders die niet als bruikbare lokalen kunnen worden ingericht;
- de technische holle ruimten, tenzij deze volkomen afgewerkt zijn, die deel uitmaken van het gebouw en een vrije hoogte hebben van ten minste 2 meter;
- de uitwendige noodtrappen;
- de openingen en holle ruimten van meer dan 4 vierkante meter;
55° nieuwbouw : alle werken die strekken tot de oprichting van nieuwe gebouwen of de uitbreiding van de bestaande gebouwen;
56° verbouwing : alle werken uitgevoerd aan bestaande gebouwen. "
" 54° bruto-oppervlakte van een gebouw : het geheel van de vloeroppervlakten van alle vloerniveaus. De vloerniveaus zijn inzonderheid de verdiepingen die geheel of gedeeltelijk onder de grond zijn gebouwd, de bovengrondse verdiepingen en de verdiepingen voor technische installaties.
De bruto-vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt bepaald door de buitenomtrek van de bouwdelen die het gebouw begrenzen ter hoogte van de vloer. De oppervlakte van de trappen, de liften en de installatiekokers moet op ieder niveau tot de vloeroppervlakte worden gerekend. Worden niet als bruto-oppervlakte beschouwd :
- de kruipruimten tussen de gelijkvloerse verdieping en onderste niveau van het gebouw;
- de dakverdiepingen, zolders en kelders die niet als bruikbare lokalen kunnen worden ingericht;
- de technische holle ruimten, tenzij deze volkomen afgewerkt zijn, die deel uitmaken van het gebouw en een vrije hoogte hebben van ten minste 2 meter;
- de uitwendige noodtrappen;
- de openingen en holle ruimten van meer dan 4 vierkante meter;
55° nieuwbouw : alle werken die strekken tot de oprichting van nieuwe gebouwen of de uitbreiding van de bestaande gebouwen;
56° verbouwing : alle werken uitgevoerd aan bestaande gebouwen. "
Art. 75. L'article 2 du même décret, tel que modifié par les décrets des 19 avril 1995 et 8 juillet 1996, est complété comme suit :
" 54° superficie brute d'un bâtiment : l'ensemble des superficies des sols de tous les niveaux des sols. Les niveaux des sols sont notamment les étages entièrement ou partiellement construits en dessous du rez-de-chaussée, les étages au-dessus du rez-de-chaussée et les étages destinés aux installations techniques.
La superficie brute des sols de chaque niveau des sols est définie par la circonférence extérieure des parties de construction qui délimitent le bâtiment au niveau du sol. La superficie des escaliers, des ascenseurs et des gaines des installations doit être prise en compte pour le calcul de la superficie des sols. Ne sont pas considérés comme superficie brute :
- les fausses-caves entre le rez-de-chaussée et le niveau inférieur du bâtiment;
- les attiques, les greniers et les caves qui ne peuvent être aménagés en locaux utilisables;
- les creux techniques, à moins qu'ils ne soient parachevés, qui font partie du bâtiment et ont une hauteur libre de 2 mètres au moins;
- les escaliers de secours exterieurs;
- les ouvertures ou creux techniques de plus de 4 m2;
55° construction nouvelle : tous les travaux conduisant à la construction de nouveaux bâtiments ou à l'extension de bâtiments existants;
56° transformation : tous les travaux exécutés aux bâtiments existants. ".
" 54° superficie brute d'un bâtiment : l'ensemble des superficies des sols de tous les niveaux des sols. Les niveaux des sols sont notamment les étages entièrement ou partiellement construits en dessous du rez-de-chaussée, les étages au-dessus du rez-de-chaussée et les étages destinés aux installations techniques.
La superficie brute des sols de chaque niveau des sols est définie par la circonférence extérieure des parties de construction qui délimitent le bâtiment au niveau du sol. La superficie des escaliers, des ascenseurs et des gaines des installations doit être prise en compte pour le calcul de la superficie des sols. Ne sont pas considérés comme superficie brute :
- les fausses-caves entre le rez-de-chaussée et le niveau inférieur du bâtiment;
- les attiques, les greniers et les caves qui ne peuvent être aménagés en locaux utilisables;
- les creux techniques, à moins qu'ils ne soient parachevés, qui font partie du bâtiment et ont une hauteur libre de 2 mètres au moins;
- les escaliers de secours exterieurs;
- les ouvertures ou creux techniques de plus de 4 m2;
55° construction nouvelle : tous les travaux conduisant à la construction de nouveaux bâtiments ou à l'extension de bâtiments existants;
56° transformation : tous les travaux exécutés aux bâtiments existants. ".
Art. 76. Afdeling 1 van hoofdstuk II van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals gewijzigd, wordt opgeheven voor de hogescholen bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap.
Art. 76. La Section 1ère du Chapitre II de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, telle que modifiée, est abrogée pour les instituts supérieurs visés au décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande.
Art. 77. De artikelen 73, 74, 75 en 76 treden in werking op 1 september 1997.
Art. 77. Les articles 73, 74, 75 et 76 entrent en vigueur le 1er septembre 1997.