Artikel 1. Art. 1, vierde lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 3 mei 1995 wordt vervangen door volgende bepaling :
" - de personeelsleden van de gemeenten, de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, de autonome gemeentebedrijven, de provincies van het Vlaams Gewest, de intercommunales met volledig ambtsgebied in het Vlaams Gewest, met inbegrip van de personeelsleden van de VZW.'s door deze overheden opgericht, maar met uitsluiting van de personeelsleden van de provincies die onder de federale overheid ressorteren. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 JANUARI 1997. - Besluit van de Vlaamse regering tot aanpassing van de regeling houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid.
Titre
21 JANVIER 1997. - Arrêté du Gouvernement flamand adaptant la réglementation portant instauration d'une prime d'encouragement à l'interruption de carrière pour les membres du personnel du secteur public flamand et de l'enseignement néerlandophone, dans le cadre des mesures visant à redistribuer le travail (TRADUCTION).
Documentinformatie
Numac: 1997035202
Datum: 1997-01-21
Info du document
Numac: 1997035202
Date: 1997-01-21
Tekst (12)
Texte (12)
Article 1. Dans l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 mai 1995, le quatrième alinéa est remplacé comme suit :
" - aux membres du personnel des communes, des centres publics d'aide sociale, des régies communales autonomes, des provinces de la Région flamande, des intercommunales ayant leur couverture intégrale en Région flamande, y compris les membres du personnel des asbl créées par ces instances, à l'exclusion toutefois des membres du personnel des provinces ressortissant aux autorités fédérales. ".
" - aux membres du personnel des communes, des centres publics d'aide sociale, des régies communales autonomes, des provinces de la Région flamande, des intercommunales ayant leur couverture intégrale en Région flamande, y compris les membres du personnel des asbl créées par ces instances, à l'exclusion toutefois des membres du personnel des provinces ressortissant aux autorités fédérales. ".
Art.2. Artikel 2 van het voormelde besluit van 3 mei 1995 wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° de loopbaanonderbreking :
de onderbreking van de beroepsloopbaan zoals bepaald in de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
2° volledige loopbaanonderbreking :
de onderbreking van de beroepsloopbaan zoals bepaald in artikel 100 tot 101bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zoals gewijzigd;
3° gedeeltelijke loopbaanonderbreking :
de vermindering van de arbeidsprestaties met een vijfde, een vierde, een derde of de helft van het normaal aantal uren van een voltijdse betrekking zoals bedoeld bij artikel 102 tot 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
4° kind ten laste :
het kind waarvoor kinderbijslag of wezentoelage wordt uitbetaald aan de werknemer (m/v) of aan de persoon met wie hij wettelijk of feitelijk samenwoont;
5° opleiding :
- de beroepsopleiding zoals bepaald door het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding en georganiseerd door de in datzelfde besluit, Titel III, Hoofdstuk II vermelde centra;
- elke andere vorm van onderwijs en opleiding georganiseerd, gefinancierd, gesubsidieerd of erkend door de Vlaamse overheid en waarvan het programma ten minste 120 uren op jaarbasis omvat;
6° palliatieve zorgen :
de palliatieve verzorging van een persoon zoals bepaald in artikel 100bis en art. 102bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zoals gewijzigd;
7° het starten als zelfstandige :
de voltijdse loopbaanonderbreking opgenomen voor het starten van een activiteit als zelfstandige;
8° vrijwilligerswerk :
het geheel van activiteiten, behalve bestuursfuncties, die in een gestructureerd verband vrijwillig en onbezoldigd worden uitgeoefend door natuurlijke personen die zich daadwerkelijk inzetten voor het welzijn en de ontwikkeling van individuen of groepen;
9° sociaal-cultureel werk :
het opnemen van een bestuursfunctie in of namens het sociaal-cultureel werk erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse minister van Cultuur;
10° de administratie :
de administratie Werkgelegenheid van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw. ".
" Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° de loopbaanonderbreking :
de onderbreking van de beroepsloopbaan zoals bepaald in de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
2° volledige loopbaanonderbreking :
de onderbreking van de beroepsloopbaan zoals bepaald in artikel 100 tot 101bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zoals gewijzigd;
3° gedeeltelijke loopbaanonderbreking :
de vermindering van de arbeidsprestaties met een vijfde, een vierde, een derde of de helft van het normaal aantal uren van een voltijdse betrekking zoals bedoeld bij artikel 102 tot 103 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
4° kind ten laste :
het kind waarvoor kinderbijslag of wezentoelage wordt uitbetaald aan de werknemer (m/v) of aan de persoon met wie hij wettelijk of feitelijk samenwoont;
5° opleiding :
- de beroepsopleiding zoals bepaald door het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding en georganiseerd door de in datzelfde besluit, Titel III, Hoofdstuk II vermelde centra;
- elke andere vorm van onderwijs en opleiding georganiseerd, gefinancierd, gesubsidieerd of erkend door de Vlaamse overheid en waarvan het programma ten minste 120 uren op jaarbasis omvat;
6° palliatieve zorgen :
de palliatieve verzorging van een persoon zoals bepaald in artikel 100bis en art. 102bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, zoals gewijzigd;
7° het starten als zelfstandige :
de voltijdse loopbaanonderbreking opgenomen voor het starten van een activiteit als zelfstandige;
8° vrijwilligerswerk :
het geheel van activiteiten, behalve bestuursfuncties, die in een gestructureerd verband vrijwillig en onbezoldigd worden uitgeoefend door natuurlijke personen die zich daadwerkelijk inzetten voor het welzijn en de ontwikkeling van individuen of groepen;
9° sociaal-cultureel werk :
het opnemen van een bestuursfunctie in of namens het sociaal-cultureel werk erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse minister van Cultuur;
10° de administratie :
de administratie Werkgelegenheid van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw. ".
Art.2. L'art. 2 de l'arrêté susmentionné du 3 mai 1995 est remplacé comme suit :
" Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° interruption de la carrière :
l'interruption de la carrière professionnelle telle que prévue par la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales;
2° interruption complète de la carrière :
l'interruption de la carrière professionnelle visée aux articles 100 à 101bis de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, telle que modifiée;
3° interruption de la carrière à temps partiel :
la réduction des prestations de travail d'un cinquième, d'un quatrième, d'un tiers ou de la moitié du nombre normal d'heures d'un emploi à temps plein, telle que visée aux articles 102 à 103 de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales;
4° enfant à charge :
l'enfant pour lequel des allocations familiales ou une allocation d'orphelin sont accordées au travailleur (h/f) ou à la personne avec qui il/elle cohabite légalement ou de fait;
5° formation :
- la formation professionnelle visée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 1988 portant organisation de l'emploi et de la formation professionnelle et organisée par les centres mentionnés au Titre II, Chapitre II du même arrêté;
- toute autre forme d'enseignement ou de formation organisée, financée, subventionnée ou agréée par le Gouvernement flamand, dont le programme couvre au moins 120 heures sur une base annuelle;
6° soins palliatifs :
les soins palliatifs portés à une personne, selon les dispositions prévues aux articles 100bis et 102bis de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, telle que modifiée;
7° s'établir en tant que travailleur indépendant :
l'interruption complète de la carrière prise pour s'établir en tant que travailleur indépendant;
8° bénévolat :
l'ensemble des activités, à l'exception des fonctions de direction, exercées volontairement et gratuitement dans un engagement structuré, par des personnes naturelles qui s'engagent effectivement pour le bien-être et le développement d'individus ou de groupes;
9° travail socio-culturel :
l'occupation d'une fonction de direction dans le travail socio-culturel ou au nom de celui-ci, agréé et subventionné par le Ministre flamand de la Culture;
10° administration :
l'Administration de l'Emploi du Département de l'Economie, de l'Emploi, des Affaires intérieures et de l'Agriculture. ".
" Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° interruption de la carrière :
l'interruption de la carrière professionnelle telle que prévue par la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales;
2° interruption complète de la carrière :
l'interruption de la carrière professionnelle visée aux articles 100 à 101bis de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, telle que modifiée;
3° interruption de la carrière à temps partiel :
la réduction des prestations de travail d'un cinquième, d'un quatrième, d'un tiers ou de la moitié du nombre normal d'heures d'un emploi à temps plein, telle que visée aux articles 102 à 103 de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales;
4° enfant à charge :
l'enfant pour lequel des allocations familiales ou une allocation d'orphelin sont accordées au travailleur (h/f) ou à la personne avec qui il/elle cohabite légalement ou de fait;
5° formation :
- la formation professionnelle visée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 1988 portant organisation de l'emploi et de la formation professionnelle et organisée par les centres mentionnés au Titre II, Chapitre II du même arrêté;
- toute autre forme d'enseignement ou de formation organisée, financée, subventionnée ou agréée par le Gouvernement flamand, dont le programme couvre au moins 120 heures sur une base annuelle;
6° soins palliatifs :
les soins palliatifs portés à une personne, selon les dispositions prévues aux articles 100bis et 102bis de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, telle que modifiée;
7° s'établir en tant que travailleur indépendant :
l'interruption complète de la carrière prise pour s'établir en tant que travailleur indépendant;
8° bénévolat :
l'ensemble des activités, à l'exception des fonctions de direction, exercées volontairement et gratuitement dans un engagement structuré, par des personnes naturelles qui s'engagent effectivement pour le bien-être et le développement d'individus ou de groupes;
9° travail socio-culturel :
l'occupation d'une fonction de direction dans le travail socio-culturel ou au nom de celui-ci, agréé et subventionné par le Ministre flamand de la Culture;
10° administration :
l'Administration de l'Emploi du Département de l'Economie, de l'Emploi, des Affaires intérieures et de l'Agriculture. ".
Art.3. Artikel 3, §§ 1, 2, 3 en 7 van het voormelde besluit van 3 mei 1995 worden vervangen door de volgende bepalingen :
" Art. 3. § 1. Binnen de perken van de daartoe bestemde kredieten kan aan het personeelslid zoals omschreven in artikel 1 een aanmoedigingspremie worden toegekend indien het volledig of gedeeltelijk de loopbaan onderbreekt om :
- een opleiding te volgen;
- kinderen ten laste, tot het bereiken van de leeftijd van 8 jaar, op te vangen;
- palliatieve zorgen te verstrekken;
- te starten als zelfstandige;
- vrijwilligerswerk te verrichten;
- sociaal-cultureel werk te verrichten.
§ 2. De in § 1 vermelde loopbaanonderbreking moet ingaan uiterlijk op 31 december 1997. De aanmoedigingspremie kan gedurende maximum 2 jaar toegekend worden.
§ 3. Het in § 1 vermelde personeelslid dat loopbaanonderbreking opneemt moet tijdens de periode van 6 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de loopbaanonderbreking tewerkgesteld zijn in eenzelfde arbeidsregeling.
Voor de tijdelijke werknemers uit het Onderwijs die zich tijdens de vakantiemaanden juli en augustus als werkzoekende dienen in te schrijven, kan deze periode als gelijkgestelde activiteitsperiode worden beschouwd voor de toepassing van de voorwaarde van 6 maanden tewerkgestelde arbeidsregeling bedoeld in het vorige lid.
Aaneensluitende verlengingen van loopbaanonderbreking worden als één geheel beschouwd, indien de toepasselijke reglementering op de loopbaanonderbreking voor personeelsleden bedoeld bij voormeld artikel 1, bepaalt dat het voordeel van de loopbaanonderbreking slechts per jaar kan worden aangevraagd.
§ 7. De aanmoedigingspremie kan niet gecombineerd worden met een tweede deeltijdse of voltijdse tewerkstelling in hoofde van het personeelslid, met de uitoefening van een winstgevende activiteit, met een onderbrekingsuitkering, met een uitkering in het kader van de werkloosheidsreglementering met uitzondering van de onderbrekingsuitkering die uitgekeerd wordt voor de loopbaanonderbreking die opgenomen wordt met het doel zoals omschreven in § 1 van dit artikel.
In afwijking van het voorgaande lid is de aanmoedigingspremie die uitgekeerd wordt voor de loopbaanonderbreking opgenomen voor het starten van een activiteit als zelfstandige gedurende één jaar combineerbaar met een winstgevende activiteit. ".
" Art. 3. § 1. Binnen de perken van de daartoe bestemde kredieten kan aan het personeelslid zoals omschreven in artikel 1 een aanmoedigingspremie worden toegekend indien het volledig of gedeeltelijk de loopbaan onderbreekt om :
- een opleiding te volgen;
- kinderen ten laste, tot het bereiken van de leeftijd van 8 jaar, op te vangen;
- palliatieve zorgen te verstrekken;
- te starten als zelfstandige;
- vrijwilligerswerk te verrichten;
- sociaal-cultureel werk te verrichten.
§ 2. De in § 1 vermelde loopbaanonderbreking moet ingaan uiterlijk op 31 december 1997. De aanmoedigingspremie kan gedurende maximum 2 jaar toegekend worden.
§ 3. Het in § 1 vermelde personeelslid dat loopbaanonderbreking opneemt moet tijdens de periode van 6 maanden onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de loopbaanonderbreking tewerkgesteld zijn in eenzelfde arbeidsregeling.
Voor de tijdelijke werknemers uit het Onderwijs die zich tijdens de vakantiemaanden juli en augustus als werkzoekende dienen in te schrijven, kan deze periode als gelijkgestelde activiteitsperiode worden beschouwd voor de toepassing van de voorwaarde van 6 maanden tewerkgestelde arbeidsregeling bedoeld in het vorige lid.
Aaneensluitende verlengingen van loopbaanonderbreking worden als één geheel beschouwd, indien de toepasselijke reglementering op de loopbaanonderbreking voor personeelsleden bedoeld bij voormeld artikel 1, bepaalt dat het voordeel van de loopbaanonderbreking slechts per jaar kan worden aangevraagd.
§ 7. De aanmoedigingspremie kan niet gecombineerd worden met een tweede deeltijdse of voltijdse tewerkstelling in hoofde van het personeelslid, met de uitoefening van een winstgevende activiteit, met een onderbrekingsuitkering, met een uitkering in het kader van de werkloosheidsreglementering met uitzondering van de onderbrekingsuitkering die uitgekeerd wordt voor de loopbaanonderbreking die opgenomen wordt met het doel zoals omschreven in § 1 van dit artikel.
In afwijking van het voorgaande lid is de aanmoedigingspremie die uitgekeerd wordt voor de loopbaanonderbreking opgenomen voor het starten van een activiteit als zelfstandige gedurende één jaar combineerbaar met een winstgevende activiteit. ".
Art.3. Dans l'art. 3 de l'arrêté susmentionné du 3 mai 1995, les §§ 1er, 2, 3 et 7 sont remplacés comme suit :
" Art. 3. § 1er. Dans les limites des crédits prévus à cet effet, le membre du personnel visé à l'article 1er peut bénéficier d'une prime d'encouragement s'il prend une interruption de carrière à temps plein ou à mi-temps afin :
- de suivre une formation;
- d'assurer l'accueil des enfants à charge jusqu'à l'âge de 8 ans;
- de donner des soins palliatifs;
- de s'établir en tant que travailleur indépendant;
- de travailler dans le bénévolat;
- d'effectuer du travail socio-culturel.
§ 2. L'interruption de la carrière visée au § 1er doit prendre cours au plus tard le 31 décembre 1997. La prime d'encouragement peut être accordée pendant 2 ans au maximum.
§ 3. Le membre du personnel visé au § 1er qui prend une interruption de carrière doit être occupé sans interruption, pendant une période de 6 mois précédant la demande de la prime d'encouragement, sous le même régime de travail.
Pour les travailleurs temporaires de l'Enseignement qui sont tenus de s'inscrire comme demandeurs d'emploi pendant les mois de vacances juillet et août, cette période peut être assimilée à une période d'activité en ce qui concerne le critère de l'occupation ininterrompue pendant 6 mois, telle que visée l'alinéa précédent. Des prolongations consécutives de l'interruption de carrière sont considérées dans leur ensemble, si la réglementation relative à l'interruption de carrière pour les membres du personnel visés à l'article 1er prévoit que la demande d'interruption de carrière ne peut être faite que par an.
§ 7. La prime d'encouragement ne peut être cumulée avec une seconde occupation à temps partiel ou à temps plein dans le chef du travailleur, avec l'exercice d'une activité lucrative, avec une allocation d'interruption, avec une allocation octroyée dans le cadre de la réglementation sur le chômage, à l'exception de la prime d'encouragement accordée pour une interruption de carrière telle que visée au § 1er du présent article.
Contrairement à l'alinéa précédent, la prime d'encouragement, versée pour l'interruption de la carrière, prise pour commencer une activité en tant que travailleur indépendant, peut être cumulée pendant un an avec une activité lucrative. ".
" Art. 3. § 1er. Dans les limites des crédits prévus à cet effet, le membre du personnel visé à l'article 1er peut bénéficier d'une prime d'encouragement s'il prend une interruption de carrière à temps plein ou à mi-temps afin :
- de suivre une formation;
- d'assurer l'accueil des enfants à charge jusqu'à l'âge de 8 ans;
- de donner des soins palliatifs;
- de s'établir en tant que travailleur indépendant;
- de travailler dans le bénévolat;
- d'effectuer du travail socio-culturel.
§ 2. L'interruption de la carrière visée au § 1er doit prendre cours au plus tard le 31 décembre 1997. La prime d'encouragement peut être accordée pendant 2 ans au maximum.
§ 3. Le membre du personnel visé au § 1er qui prend une interruption de carrière doit être occupé sans interruption, pendant une période de 6 mois précédant la demande de la prime d'encouragement, sous le même régime de travail.
Pour les travailleurs temporaires de l'Enseignement qui sont tenus de s'inscrire comme demandeurs d'emploi pendant les mois de vacances juillet et août, cette période peut être assimilée à une période d'activité en ce qui concerne le critère de l'occupation ininterrompue pendant 6 mois, telle que visée l'alinéa précédent. Des prolongations consécutives de l'interruption de carrière sont considérées dans leur ensemble, si la réglementation relative à l'interruption de carrière pour les membres du personnel visés à l'article 1er prévoit que la demande d'interruption de carrière ne peut être faite que par an.
§ 7. La prime d'encouragement ne peut être cumulée avec une seconde occupation à temps partiel ou à temps plein dans le chef du travailleur, avec l'exercice d'une activité lucrative, avec une allocation d'interruption, avec une allocation octroyée dans le cadre de la réglementation sur le chômage, à l'exception de la prime d'encouragement accordée pour une interruption de carrière telle que visée au § 1er du présent article.
Contrairement à l'alinéa précédent, la prime d'encouragement, versée pour l'interruption de la carrière, prise pour commencer une activité en tant que travailleur indépendant, peut être cumulée pendant un an avec une activité lucrative. ".
Art.4. Artikel 3 van het voormelde besluit van 3 mei 1995 wordt aangevuld met de volgende bepalingen :
" Art. 3. § 8. De aanmoedigingspremie blijft behouden voor het overeenstemmende bedrag indien het personeelslid overstapt van een volledige loopbaanonderbreking naar een gedeeltelijke loopbaanonderbreking of omgekeerd. ".
" Art. 3. § 8. De aanmoedigingspremie blijft behouden voor het overeenstemmende bedrag indien het personeelslid overstapt van een volledige loopbaanonderbreking naar een gedeeltelijke loopbaanonderbreking of omgekeerd. ".
Art.4. Article 3 de l'arrêté susmentionné du 3 mai 1995 est complété comme suit :
" Art. 3. § 8. La prime d'encouragement reste acquise pour le montant correspondant si le membre du personnel passe d'une interruption de carrière complète à une interruption de carrière à temps partiel ou vice-versa. ".
" Art. 3. § 8. La prime d'encouragement reste acquise pour le montant correspondant si le membre du personnel passe d'une interruption de carrière complète à une interruption de carrière à temps partiel ou vice-versa. ".
Art.5. Artikel 4 van het voormelde besluit van 3 mei 1995 wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Art. 4. De aanmoedigingspremie bedraagt bruto per volledige kalendermaand :
- 5 000 frank voor het personeelslid dat tewerkgesteld is in een arbeidsregeling die minimaal 75 % bedraagt van de voltijdse arbeidsregeling en die volledige loopbaanonderbreking opneemt;
- 3 000 frank voor het personeelslid dat tewerkgesteld is in een arbeidsregeling die minimaal 50 % bedraagt van de voltijdse arbeidsregeling en die volledige loopbaanonderbreking opneemt;
- 3 000 frank voor het personeelslid dat een gedeeltelijke loopbaanonderbreking opneemt en die de arbeidsprestaties vermindert met een derde of de helft van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking;
- 2 000 frank voor het personeelslid dat een gedeeltelijke loopbaanonderbreking opneemt en die de arbeidsprestaties vermindert met een vierde of een vijfde van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking. ".
" Art. 4. De aanmoedigingspremie bedraagt bruto per volledige kalendermaand :
- 5 000 frank voor het personeelslid dat tewerkgesteld is in een arbeidsregeling die minimaal 75 % bedraagt van de voltijdse arbeidsregeling en die volledige loopbaanonderbreking opneemt;
- 3 000 frank voor het personeelslid dat tewerkgesteld is in een arbeidsregeling die minimaal 50 % bedraagt van de voltijdse arbeidsregeling en die volledige loopbaanonderbreking opneemt;
- 3 000 frank voor het personeelslid dat een gedeeltelijke loopbaanonderbreking opneemt en die de arbeidsprestaties vermindert met een derde of de helft van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking;
- 2 000 frank voor het personeelslid dat een gedeeltelijke loopbaanonderbreking opneemt en die de arbeidsprestaties vermindert met een vierde of een vijfde van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking. ".
Art.5. L'art. 4 de l'arrêté susmentionné du 3 mai 1995 est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 4. La prime d'encouragement brute s'élève par mois civil :
- à 5 000 FB pour le travailleur occupé dans un régime qui correspond au moins à 75 % d'un emploi à temps plein et qui prend une interruption de carrière complète;
- à 3 000 FB pour le travailleur occupé dans un régime qui correspond au moins à 50 % d'un emploi à temps plein et qui prend une interruption de carrière complète;
- 3 000 FB pour le travailleur qui prend une interruption de carrière à temps partiel et qui réduit les prestations de travail d'un tiers ou de la moitié du nombre normal des heures de travail d'un emploi à temps plein;
- 2 000 FB pour le travailleur qui prend une interruption de carrière à temps partiel et qui réduit les prestations de travail d'un quart ou d'un cinquième du nombre normal des heures de travail d'un emploi à temps plein. ".
" Art. 4. La prime d'encouragement brute s'élève par mois civil :
- à 5 000 FB pour le travailleur occupé dans un régime qui correspond au moins à 75 % d'un emploi à temps plein et qui prend une interruption de carrière complète;
- à 3 000 FB pour le travailleur occupé dans un régime qui correspond au moins à 50 % d'un emploi à temps plein et qui prend une interruption de carrière complète;
- 3 000 FB pour le travailleur qui prend une interruption de carrière à temps partiel et qui réduit les prestations de travail d'un tiers ou de la moitié du nombre normal des heures de travail d'un emploi à temps plein;
- 2 000 FB pour le travailleur qui prend une interruption de carrière à temps partiel et qui réduit les prestations de travail d'un quart ou d'un cinquième du nombre normal des heures de travail d'un emploi à temps plein. ".
Art.6. Artikel 5 van het voormelde besluit van 3 mei 1995 wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Art. 5. De aanvraag voor het toekennen van de aanmoedigingspremie wordt ingediend bij de administratie door het personeelslid dat aanspraak maakt op de aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking.
De aanvraag bestaat uit :
- het ingevulde aanvraagformulier, als model bij dit besluit gevoegd;
- een kopie van de onderbrekingsuitkeringskaart waarop de ingangsdatum en de duur van de onderbrekingsperiode vermeld is;
en het bewijs dat aan de voorwaarden gesteld in artikel 3 voldaan is, door het voorleggen van :
- hetzij een attest van de VDAB., de BGDA., de onderwijs- of vormingsinstelling waaruit de inschrijving voor, de aanvangsdatum, de duur en het aantal lesuren van de opleiding blijken;
- hetzij een uittreksel uit het bevolkingsregister waaruit de domiciliëring, de kinderen ten laste en hun geboortedatum blijken;
- hetzij een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die een palliatieve verzorging behoeft en waaruit blijkt dat het personeelslid zich bereid heeft verklaard deze palliatieve verzorging te verlenen, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld en het bewijs van vervanging;
- hetzij het bewijs van het vrijwilligerswerk;
- hetzij het bewijs van de bestuursfunctie in het sociaal-cultureel werk;
- hetzij het bewijs dat het personeelslid start als zelfstandige;
- het bewijs van vervanging voor het personeelslid dat een gedeeltelijke loopbaanonderbreking opneemt en de arbeidsprestaties vermindert met een vijfde of een vierde van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking. ".
" Art. 5. De aanvraag voor het toekennen van de aanmoedigingspremie wordt ingediend bij de administratie door het personeelslid dat aanspraak maakt op de aanmoedigingspremie voor loopbaanonderbreking.
De aanvraag bestaat uit :
- het ingevulde aanvraagformulier, als model bij dit besluit gevoegd;
- een kopie van de onderbrekingsuitkeringskaart waarop de ingangsdatum en de duur van de onderbrekingsperiode vermeld is;
en het bewijs dat aan de voorwaarden gesteld in artikel 3 voldaan is, door het voorleggen van :
- hetzij een attest van de VDAB., de BGDA., de onderwijs- of vormingsinstelling waaruit de inschrijving voor, de aanvangsdatum, de duur en het aantal lesuren van de opleiding blijken;
- hetzij een uittreksel uit het bevolkingsregister waaruit de domiciliëring, de kinderen ten laste en hun geboortedatum blijken;
- hetzij een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die een palliatieve verzorging behoeft en waaruit blijkt dat het personeelslid zich bereid heeft verklaard deze palliatieve verzorging te verlenen, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld en het bewijs van vervanging;
- hetzij het bewijs van het vrijwilligerswerk;
- hetzij het bewijs van de bestuursfunctie in het sociaal-cultureel werk;
- hetzij het bewijs dat het personeelslid start als zelfstandige;
- het bewijs van vervanging voor het personeelslid dat een gedeeltelijke loopbaanonderbreking opneemt en de arbeidsprestaties vermindert met een vijfde of een vierde van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking. ".
Art.6. L'art. 5 de l'arrêté susmentionné du 3 mai 1995 est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 5. La demande d'octroi de la prime d'encouragement est adressée à l'administration par le membre du personnel qui y a droit.
La demande comprend :
- le formulaire de demande, tel que joint en annexe, dûment rempli;
- une copie de la carte d'allocation d'interruption qui mentionne la date où l'interruption prend cours et la durée de celle-ci;
et la preuve que les conditions énoncées à l'article 3 sont remplies, par la production :
- soit d'une attestation du VDAB, du BGDA, de l'établissement d'enseignement ou de formation certifiant l'inscription à la formation, la date où elle prend cours, sa durée et le nombre d'heures de cours;
- soit d'un extrait du registre de la population attestant le domicile, les enfants à charge et leurs dates de naissance;
- soit d'un certificat fourni par le médecin traitant de la personne qui a besoin de soins palliatifs et d'où il ressort que le membre du personnel s'est déclaré prêt à donner ces soins palliatifs, sans que soit mentionnée l'identité du patient, ainsi que de l'attestation de remplacement;
- soit de l'attestation du bénévolat;
- soit de l'attestation de la fonction de direction dans le travail socio-culturel;
- soit de la preuve que le membre du personnel s'établit en tant que travailleur indépendant;
- soit l'attestation de remplacement pour le membre du personnel qui prend une interruption de carrière à temps partiel et qui réduit les prestations de travail d'un cinquième ou d'un quart du nombre normal des heures de travail d'un emploi à temps plein. ".
" Art. 5. La demande d'octroi de la prime d'encouragement est adressée à l'administration par le membre du personnel qui y a droit.
La demande comprend :
- le formulaire de demande, tel que joint en annexe, dûment rempli;
- une copie de la carte d'allocation d'interruption qui mentionne la date où l'interruption prend cours et la durée de celle-ci;
et la preuve que les conditions énoncées à l'article 3 sont remplies, par la production :
- soit d'une attestation du VDAB, du BGDA, de l'établissement d'enseignement ou de formation certifiant l'inscription à la formation, la date où elle prend cours, sa durée et le nombre d'heures de cours;
- soit d'un extrait du registre de la population attestant le domicile, les enfants à charge et leurs dates de naissance;
- soit d'un certificat fourni par le médecin traitant de la personne qui a besoin de soins palliatifs et d'où il ressort que le membre du personnel s'est déclaré prêt à donner ces soins palliatifs, sans que soit mentionnée l'identité du patient, ainsi que de l'attestation de remplacement;
- soit de l'attestation du bénévolat;
- soit de l'attestation de la fonction de direction dans le travail socio-culturel;
- soit de la preuve que le membre du personnel s'établit en tant que travailleur indépendant;
- soit l'attestation de remplacement pour le membre du personnel qui prend une interruption de carrière à temps partiel et qui réduit les prestations de travail d'un cinquième ou d'un quart du nombre normal des heures de travail d'un emploi à temps plein. ".
Art.7. Artikel 6 van het voormelde besluit van 3 mei 1995 wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Art. 6. § 1. Om geldig te zijn dient de aanvraag tot het bekomen van de aanmoedigingspremie ingediend te worden binnen 6 maanden na aanvang van de loopbaanonderbreking.
§ 2. In afwijking van § 1 worden de aanvragen die uiterlijk 31 maart 1997 worden ingediend en waarvan de aanvangsdatum van de loopbaanonderbreking valt tussen 1 januari 1995 en de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad als ontvankelijk beschouwd.
§ 3. Na betalingsopdracht door de administratie wordt de premie voor het voorbije kwartaal aan het rechthebbende personeelslid uitgekeerd. ".
" Art. 6. § 1. Om geldig te zijn dient de aanvraag tot het bekomen van de aanmoedigingspremie ingediend te worden binnen 6 maanden na aanvang van de loopbaanonderbreking.
§ 2. In afwijking van § 1 worden de aanvragen die uiterlijk 31 maart 1997 worden ingediend en waarvan de aanvangsdatum van de loopbaanonderbreking valt tussen 1 januari 1995 en de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad als ontvankelijk beschouwd.
§ 3. Na betalingsopdracht door de administratie wordt de premie voor het voorbije kwartaal aan het rechthebbende personeelslid uitgekeerd. ".
Art.7. L'art. 6 de l'arrêté susmentionné du 3 mai 1995 est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 6. § 1er. Afin d'être valable, la demande visant à obtenir une prime d'encouragement doit être introduite dans les 6 mois du début de l'interruption de carrière.
§ 2. Contrairement au § 1er, les demandes qui sont introduites au plus tard le 31 mars 1997 et dont la date où l'interruption prend cours tombe entre le 1er janvier 1995 et la publication du présent arrêté au Moniteur Belge sont considérées comme recevables.
§ 3. Après ordonnancement par l'administration, la prime se rapportant au trimestre écoulé est payée au membre du personnel ayant droit. ".
" Art. 6. § 1er. Afin d'être valable, la demande visant à obtenir une prime d'encouragement doit être introduite dans les 6 mois du début de l'interruption de carrière.
§ 2. Contrairement au § 1er, les demandes qui sont introduites au plus tard le 31 mars 1997 et dont la date où l'interruption prend cours tombe entre le 1er janvier 1995 et la publication du présent arrêté au Moniteur Belge sont considérées comme recevables.
§ 3. Après ordonnancement par l'administration, la prime se rapportant au trimestre écoulé est payée au membre du personnel ayant droit. ".
Art.8. Het besluit van de Vlaamse regering van 23 april 1996 tot voortzetting van de regeling houdende instelling van een aanmoedigingspremie voor de personeelsleden van de Vlaamse openbare sector en het Nederlandstalig Onderwijs in het raam van de maatregelen tot herverdeling van de arbeid wordt opgeheven.
Art.8. L'arrêté du Gouvernement flamand du 23 avril 1996 visant à continuer la réglementation portant instauration d'une prime d'encouragement pour les membres du personnel du secteur public flamand et de l'enseignement néerlandophone dans le cadre des mesures visant à redistribuer le travail, est abrogé.
Art.9. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
Art.9. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 1996.
Art.10. De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 21 januari 1997.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling,
Th. KELCHTERMANS
Brussel, 21 januari 1997.
De minister-president van de Vlaamse regering,
L. VAN DEN BRANDE
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling,
Th. KELCHTERMANS
Art.10. Le Ministre flamand de l'Environnement et de l'Emploi est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 21 janvier 1997.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
L. VAN DEN BRANDE
Le Ministre flamand de l'Environnement et de l'Emploi,
Th. KELCHTERMANS
Bruxelles, le 21 janvier 1997.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
L. VAN DEN BRANDE
Le Ministre flamand de l'Environnement et de l'Emploi,
Th. KELCHTERMANS
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. AANVRAAG TOT HET BEKOMEN VAN EEN AANMOEDIGINGSPREMIE VOOR LOOPBAANONDERBREKING IN DE VLAAMSE OPENBARE SECTOR.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07-03-1997, p. 5017-5018).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 07-03-1997, p. 5017-5018).
Art. N. DEMANDE D'OBTENTION D'UNE PRIME D'ENCOURAGEMENT POUR INTERRUPTION DE CARRIERE DANS LE SECTEUR PUBLIC FLAMAND.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 07-03-1997, p. 5022-5023).
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 07-03-1997, p. 5022-5023).