Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
4 JULI 1996. - Ministerieel besluit betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw.
Titre
4 JUILLET 1996. - Arrêté ministériel concernant les aides aux investissements et à l'installation en agriculture. (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Tekst (22)
Texte (22)
Artikel 1. De bij artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 juli 1996 betreffende steun aan de investeringen en aan de installatie in de landbouw bedoelde vakbekwaamheid wordt aangetoond door hetzij :
  1. de diploma's en de gehomologeerde of door een examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschriften van hoger secundair onderwijs, evenals de kwalificatiegetuigschriften van het 6e leerjaar secundair onderwijs, in een afdeling landbouw, tuinbouw of aanverwant, de diploma's van het agrarisch hoger onderwijs van het korte of van het lange type, de diploma's van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs afdeling land- en tuinbouw, en de diploma's van landbouwkundig ingenieur of ingenieur voor de scheikunde en landbouwindustrieën, of een studiebewijs met een van de voorgaande titels gelijkwaardig, rechtvaardigen een voldoende beroepservaring;
  2. de diploma's en de gehomologeerde of door een examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschriften van hoger secundair onderwijs, de diploma's van het hoger onderwijs van het korte of van het lange type en de diploma's van universitair onderwijs, buiten deze bedoeld onder 1), evenals de diploma's en de gehomologeerde of door een examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschriften van lager secundair onderwijs, en de kwalificatiegetuigschriften afgeleverd na minimum 4 leerjaren van het secundair onderwijs, in een afdeling landbouw tuinbouw of aanverwant, of een studiebewijs met een van de voorgaande titels gelijkwaardig, rechtvaardigen een voldoende beroepservaring voor zover de drager van die diploma's of getuigschriften zich toegelegd heeft op de landbouw- of tuinbouwproduktie gedurende ten minste 2 jaar;
  3. een periode van ten minste 3 jaar gedurende dewelke de betrokkene zich toegelegd heeft op de landbouw- of tuinbouwproduktie en op voorwaarde dat hij met vrucht een naschoolse landbouwleergang heeft gevolgd;
  4. een periode van ten minste 5 jaar gedurende dewelke de betrokkene zich toegelegd heeft op de landbouw- of tuinbouwproduktie.
Article 1. La qualification professionnelle visée par l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 juillet 1996 concernant les aides aux investissements et à l'installation en agriculture est prouvée comme suit :
  1. Les diplômes et certificats d'études homologués ou émanant d'un jury d'Etat de l'enseignement secondaire supérieur et les certificats de qualification de la 6ème année d'études de l'enseignement secondaire, délivrés dans les sections agriculture, horticulture ou une section connexe, les diplômes de l'enseignement supérieur agricole de type court ou de type long, les diplômes d'agrégé de la section agriculture et horticulture de l'enseignement secondaire inférieur et les diplômes d'ingénieur agronome ou d'ingénieur chimiste des industries agricoles ou les attestations d'études assimilées à un des titres précités, font preuve d'une expérience professionnelle suffisante;
  2. les diplômes et certificats d'études homologués ou délivrés par un jury d'Etat de l'enseignement secondaire supérieur, les diplômes de l'enseignement supérieur de type court ou de type long et les diplômes universitaires autres que ceux visés au point 1., les diplômes et certificats d'études homologués ou délivrés par un jury d'Etat de l'enseignement secondaire inférieur et les certificats de qualification constatant la fréquentation d'au moins 4 années d'études de l'enseignement secondaire dans les sections agriculture, horticulture ou une section connexe ou les attestations d'études assimilées à un des titres précités, font preuve d'une expérience professionnelle suffisante, dans la mesure où le titulaire de ces diplômes ou attestations a consacré au moins 2 ans à la production agricole ou horticole;
  3. l'intéressé a consacré au moins 3 ans à la production agricole ou horticole et a fréquenté avec fruit un cours de formation postscolaire en agriculture;
  4. l'intéressé a consacré au moins 5 ans à la production agricole ou horticole.
Art.2. De bij artikel 12 van hetzelfde besluit voorziene minimale beroepsbekwaamheid bij eerste installatie wordt aangetoond door hetzij :
  1. de diploma's en de gehomologeerde of door een examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschriften van hoger secundair onderwijs, evenals de kwalificatie-getuigschriften van het 6e leerjaar secundair onderwijs, in een afdeling landbouw, tuinbouw of aanverwant, de diploma's van het agrarisch hoger onderwijs van het korte of van het lange type, de diploma's van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs afdeling land- en tuinbouw, en de diploma's van landbouwkundig ingenieur of ingenieur voor de scheikunde en landbouwindustrieën, of een studiebewijs met een van de voorgaande titels gelijkwaardig;
  2. de diploma's en de gehomologeerde of door een examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschriften van hoger secundair onderwijs, de diploma's van het hoger onderwijs van het korte of van het lange type en de diploma's van universitair onderwijs, buiten deze bedoeld onder 1) of een studiebewijs met een van de voorgaande titels gelijkwaardig, voor zover de drager van die diploma's of getuigschriften zich toegelegd heeft op de landbouw- of tuinbouwproduktie gedurende ten minste 2 jaar;
  3. de diploma's en de gehomologeerde of door een examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschriften van lager secundair onderwijs, evenals de kwalificatiegetuigschriften afgeleverd na minimum 4 leerjaren van het secundair onderwijs, in een afdeling landbouw, tuinbouw of aanverwant, of een studiebewijs met een van de voorgaande titels gelijkwaardig, gepaard aan een praktische ervaring van minimum 2 jaar, op voorwaarde dat de drager van die getuigschriften een naschoolse landbouwvorming van het B-type ontvangen heeft die voorzien is bij artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1992 betreffende de permanente vorming van personen die in de landbouw werkzaam zijn of door de Vlaamse minister bevoegd voor landbouw ten minste als gelijkwaardig met dit niveau erkend;
  4. een praktische ervaring van minimum 3 jaar gepaard aan hetzij een studiegetuigschrift van naschoolse landbouwleergangen van type B, voorzien bij artikel 5 van het besluit van 21 december 1992 van de Vlaamse regering betreffende de permanente vorming van personen die in de landbouw werkzaam zijn, of een vorming die door de Vlaamse minister bevoegd voor landbouw tenminste als gelijkwaardig met dit niveau wordt erkend, hetzij een studiegetuigschrift van naschoolse landbouwleergangen van minimum 150 uren voorzien bij dezelfde artikelen;
Art.2. La capacité professionnelle minimale de première installation visée par l'article 12 du même arrêté est prouvée comme suit :
  1. les diplômes et certificats d'études homologués ou émanant d'un jury d'Etat de l'enseignement secondaire supérieur et les certificats de qualification de la 6ème année d'études de l'enseignement secondaire, délivrés dans les sections agriculture, horticulture ou une section connexe, les diplômes de l'enseignement supérieur agricole de type court ou de type long, les diplômes d'agrégé de la section agriculture et horticulture de l'enseignement secondaire inférieur et les diplômes d'ingénieur agronome ou d'ingénieur chimiste des industries agricoles ou les attestations d'études assimilées à un des titres précités;
  2. les diplômes et certificats d'études homologués ou délivrés par un jury d'Etat de l'enseignement secondaire supérieur, les diplômes de l'enseignement supérieur de type court ou de type long et les diplômes universitaires autres que ceux visés au point 1., ou les attestations d'études assimilées à un des titres précités, dans la mesure où le titulaire de ces diplômes ou attestations a consacré au moins 2 ans à la production agricole ou horticole;
  3. les diplômes et certificats d'études homologués ou délivrés par un jury d'Etat de l'enseignement secondaire inférieur et les certificats de qualification constatant la fréquentation d'au moins 4 années d'études de l'enseignement secondaire dans les sections agriculture, horticulture ou une section connexe ou les attestations d'études assimilées à un des titres précités, associés à au moins deux ans de pratique, dans la mesure où le titulaire de ces attestations a fréquenté un cours de formation postscolaire en agriculture du type B prévu par l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 1992 relatif à la formation permanente des personnes travaillant dans l'agriculture ou reconnu au moins de niveau équivalent par le ministre flamand qui a l'agriculture dans ses attributions;
  4. au moins trois ans de pratique assortis d'un certificat d'études d'un cours de formation postscolaire en agriculture du type B prévu par l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 1992 relatif à la formation permanente des personnes travaillant dans l'agriculture ou d'une formation reconnue au moins de niveau équivalent par le Ministre flamand qui a l'agriculture dans ses attributions ou d'un autre cours de formation postscolaire en agriculture prévu par le même article et comprenant au moins 150 heures.
Art.3. De in artikelen 3, 16, 17, 19 en 21 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering bedoelde boekhouding moet ten minste bestaan uit :
  - het boeken van ontvangsten en uitgaven, met bewijsstukken;
  - het opstellen van een jaarbalans betreffende de stand van de activa en passiva van het bedrijf.
Art.3. La comptabilité dont question aux articles 3, 16, 17, 19 et 21 du même arrêté du Gouvernement flamand du 4 juillet 1996 comportera au moins :
  - les livres des recettes et des dépenses appuyés des pièces comptables;
  - le bilan annuel portant l'état de l'actif et du passif de l'exploitation.
Art.4. Het in artikel 4 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering bedoelde arbeidsinkomen wordt berekend op basis van een verklaring van de landbouwer, overeenkomstig het model in bijlage 1.
Art.4. Le revenu de travail visé par l'article 4 du même arrêté du Gouvernement flamant est déterminé à partir d'une déclaration de l'agriculteur établie selon le modèle figurant à l'annexe 1.
Art.5. Het bij artikel 4 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering bedoelde referentie-inkomen is vastgesteld op 1 145 000 F voor het jaar 1995.
Art.5. Le revenu de référence visé par l'article 4 du même arrêté du Gouvernement flamand est fixé à 1 145 000 F pour l'année 1995.
Art.6. Het bij artikel 7 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering bedoelde equivalent van 35 % van het door de varkens verbruikte voeder op het bedrijf stemt overeen met een oppervlakte van 1 ha voor 77 verkochte mestvarkens per jaar en/of 1 ha voor 25 produktieve zeugen per jaar.
Art.6. L'équivalent de 35 % de la quantité des aliments consommées à l'exploitation par les porcs, visé par l'article 7 du même arrêté du Gouvernement flamand, correspond à une superficie de 1 ha pour 77 porcs d'engraissement vendus par an et/ou 1 ha pour 25 truies de l'élevage fécondes par an.
Art.7. De in artikelen 5, 9, 10, 11, 16, 18, 20 en 22 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering bedoelde begroting wordt opgesteld overeenkomstig het model in bijlage 2.
Art.7. Le budget dont question aux articles 5, 9, 10, 11, 16, 18, 20 et 22 du même arrêté du Gouvernement flamand est dressé selon le modèle figurant à l'annexe 2.
Art.8. In artikel 9 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering wordt onder de bedrijfstypes in de varkenssector verstaan :
  "vetmestingsbedrijf" : het bedrijf dat geen productieve zeugen aanhoudt of dat over meer dan 8 plaatsen voor mestvarkens beschikt per productieve zeug;
  "fokbedrijf" : het bedrijf dat productieve zeugen aanhoudt en dat over minder dan 4 plaatsen voor mestvarkens beschikt per productieve zeug;
  "gesloten varkensbedrijf" : een bedrijf dat zijn eigen biggen fokt en volledig vetmest; waar de fokafdeling duidelijk en daadwerkelijk van de mesterij-afdeling gescheiden gehouden wordt en het aantal mestvarkensplaatsen per productieve fokzeug niet kleiner is dan 4 en niet groter dan 8.
Art.8. Dans l'article 9 du même arrêté du Gouvernement flamand, il faut entendre, pour les différents types d'exploitations dans le secteur du porc, par :
  "exploitation d'engraissement" : l'exploitation qui ne détient pas des truies fécondes ou dispose de plus de 8 places pour des porcs d'engraissement par truie féconde;
  "exploitation d'élevage" : l'exploitation qui déteint des truies fécondes ou dispose de moins de 4 places pour des porcs d'engraissement par truie féconde;
  "exploitation porcine fermée" : l'exploitation qui élève ses propres porcelets et en achève l'engrais l'engraissement, dont la section d'élevage est séparée manifestement et effectivement de la section d'engraissement et où le nombre de porcs d'engraissement par truie féconde n'est pas inférieur à 4 ou supérieur à 8.
Art.9. De in artikelen 9, 10, 11, 12, 14, 15, 17, 19, 21 en 24 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering voorziene voorwaarden, duur van de rentetoéslag en van de waarborg maken het voorwerp uit van bijlage 3.
Art.9. Les conditions, la durée de la subvention-intérêt et la durée de la garantie dont question aux articles 9, 10, 11, 12, 14, 15, 17, 19, 21 et 24 du même arrêté du Gouvernement flamand sont spécifiées à l'annexe 3.
Art.10. De in artikelen 9, 10, 11, 12, 14, 15, 17, 19, 21 en 24 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering bedoelde minimum investering of verrichting is vastgesteld op 500 000 F. De in dezelfde artikelen bedoelde maxima maken het voorwerp uit van bijlage 4.
Art.10. Le montant minimum de l'investissement visé par les articles 9, 10, 11, 12, 14, 15, 17, 19, 21 et 24 du même arrêté du Gouvernement flamand est fixé à 500 000 F. Les maxima dont question aux mêmes articles sont mentionnés à l'annexe 4.
Art.11. Op aanvraag van het kredietorganisme kan een uitgestelde aflossing van 1 jaar worden toegekend indien aangetoond wordt dat een te snelle terugbetaling van het kapitaal de realisatie van de doelstelling van de verrichtingen in gevaar brengt, of om tegemoet te komen aan bijzondere moeilijkheden ondervonden door de landbouwers en tuinders.
Art.11. A la demande de l'établissement de crédit, un différé d'amortissement d'un an peut être accordé, lorsqu'il est démontré qu'un remboursement plus rapide du capital risque de compromettre la réalisation des objectifs des opérations, ou afin de tenir compte de problèmes spécifiques auxquels sont confrontés les agriculteurs et les horticulteurs.
Art.12. De in artikel 10 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering bedoelde samenwerkingsverbanden moeten de vorm van een vennootschap aannemen, waarvan de statuten de uitbating van een landbouw- of tuinbouwbedrijf en hoofdzakelijk de verhandeling van de op het bedrijf voortgebrachte produkten tot voorwerp hebben, en voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 1, § 3, punt 1°, met uitzondering van e) van het besluit van de Vlaamse regering.
Art.12. Les exploitations associées visées par l'article 10 du même arrêté du Gouvernement flamand doivent être constituées sous la forme d'une société dont les statuts indiquent comme objet l'exploitation agricole ou horticole et principalement la commercialisation des produits provenant de cette exploitation, et remplir en outre les conditions énoncées par l'article 1er, 3, 1°, à l'exception de la disposition sous e), de l'arrêté du Gouvernement flamand précité.
Art.13. De verrichtingen ter bescherming en verbetering van het leefmilieu, de verbetering van het welzijn van de dieren en hygiëne in de veehouderij voorzien in art. 19 van het besluit van de Vlaamse regering maken het voorwerp uit van bijlage 5.
Art.13. Les opérations visant la protection et l'amélioration de l'environnement et l'amélioration du bienêtre des animaux et de l'hygiène dans les élevages, dont question à l'article 19 du même arrêté du Gouvernement flamand, sont énumérées dans l'annexe 5.
Art.14. De in art. 21 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering voorziene verrichting kan slechts steun genieten indien het gaat om de herbevolking hetzij :
  1° na stamping-out van de veestapel in het kader van de strijd tegen de runderbrucellose;
  2° na de uitzuivering tengevolge van een aantasting van rundertuberculose van ten minste 30 % van de veestapel;
  3° na de uitzuivering tengevolge van andere besmettelijke ziekten waarvoor geen volledige vergoeding van de Staat wordt gegeven.
Art.14. L'opération prévue par l'article 21 du même arrêté du Gouvernement flamand ne peut donner droit à une aide que s'il s'agit d'un repeuplement entrepris à l'issue :
  1° d'une opération de stamping-out du cheptel dans le cadre de la lutte contre la brucellose bovine;
  2° d'une épuration effectuée lorsque au moins 30 % du cheptel est atteint par la tuberculose bovine;
  3° d'une épuration effectuée lorsque d'autres maladies contagieuses ne donnant pas droit à un dédommagement à cent pour cent de l'Etat se produisent.
Art.15. De in art. 30 van hetzelfde besluit van de Vlaamse regering voorziene startpremie mag, jaarlijks, het totaal van de werkelijk verantwoorde kosten van beheer niet overschrijden.
  Men verstaat onder kosten van beheer, onkosten die niet van aard zijn een meerwaarde bij te brengen aan de landbouwproduktie.
  De premie mag 25 % van de uitgaven die de globale activiteit van de groepering vertegenwoordigen niet overschrijden en zal uitgekeerd worden in de verhouding van 50 % op het einde van het eerste jaar en de rest in twee maal op het einde van elk der volgende jaren.
  De door de leden jaarlijks betaalde bijdragen of de aan de leden of de groepering ten laste gelegde onkosten ter dekking van de beheerskosten moeten tenminste de helft van de premie voor het eerste jaar bedragen.
  De groepering mag niet ontbonden worden voor het zesde jaar van haar activiteit.
Art.15. L'aide de démarrage prévue par l'article 30 du même arrêté du Gouvernement flamand ne peut être supérieure aux coûts annuels de gestion justifiés effectivement.
  Par coûts de gestion, il faut entendre les frais qui ne sont pas de nature à apporter une plus-value à la production agricole.
  L'aide ne peut excéder 25 % des dépenses de la totalité des activités du gouvernement et sera liquidée à raison de 50 % à la fin de la première année et de deux fois la moitié du montant restant à la fin des deux années suivantes.
  Les cotisations payées annuellement par les membres ou les frais à supporter par les membres ou le groupement pour couvrir les coûts de gestion doivent au moins être équivalents à la moitié de la prime de la première année.
  Le groupement ne peut être dissout avant sa sixième année d'activité.
Art.16. Dit besluit treedt in werking op 1 april 1995.
  Brussel, 4 juli 1996.
  E. VAN ROMPUY
Art.16. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er avril 1995.
  Bruxelles, le 4 juillet 1996.
  E. VAN ROMPUY
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. Informatiefiche van het bedrijf.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 18/02/1997, p. 3244 tot 3254).
Art. N1. Annexe 1. - Fiche de renseignements de l'exploitation.
  (Annexe non reprise pour des raisons techniques. (Voir MB. 18/02/1997, p. 3261 à 3270).
Art. N2. Bijlage 2. Instructies voor het invullen van de begroting.
  De begroting van het bedrijf dient worden opgemaakt ingeval van :
  1. steunverlening in het kader van een bedrijfsverbeteringsplan;
  2. steunverlening in het kader van een eerste vestiging;
  3. verlenen van Gewestwaarborg.
  De begroting van het bedrijf wordt gemaakt door de bevoegde ambtenaar samen met de land- of tuinbouwers. De cijfers betreffende de produktie dienen reële cijfers te zijn van het bedrijf en geen streekgemiddelden.
  De begroting geeft ofwel :
  1. de situatie weer van het bedrijf op het tijdstip van de steunaanvraag (installatie);
  2. de situatie aan op het einde van het verbeteringsplan (na uitvoering van de investeringen). Het verbeteringsplan kan gespreid zijn over een periode van 6 jaar.
  In het technisch verslag dienen de verschillende etappen worden aangeduid.
  Alle bedragen dienen exclusief BTW te zijn.
  Opmerking bij het invullen betreffende :
  1. Plantaardige produktie.
  A. Marktbare landbouwteelten. (p. 1).
  1) De kolom "Verbruikte hoeveelheden" omvat de hoeveelheden van de produktie van marktbare teelten verbruikt door het vee op het bedrijf.
  2) Graanmaïs wordt vermeld in de rubriek "Graangewassen".
  3) De teelten die op industriële wijze verwerkt worden, maar niet op kontrakt geteeld worden horen thuis in de rubriek "Andere teelten".
  4) De rubriek "Verkochte bijprodukten" omvat enkel de bijprodukten die verkocht zijn aan derden, de bijprodukten verbruikt door het vee worden vermeld in het overzicht "Grasland en voedergewassen".
  5) De GLB-premies (graangewassen - braaklegging e.a.) het aantal ha waarvoor de premie bekomen wordt, wordt vermeld in de kolom opp. ha en de ontvangen som in de kolom opbrengst van de verkoop in F.
  B. "Grasland en voedergewassen". (p. 2).
  1) Indien de produktie van grasland en voedergewassen wordt verbruikt door de dieren van het bedrijf, dan moeten de kolommen "Eenheidsprijzen" "Verkochte hoeveelheden" en "Opbrengst van verkoop" niet ingevuld worden.
  2) De vergoeding voor vreemde dieren in verzorging wordt aangeduid in vrij gebleven vakken van de kolom: "Opbrengst van de verkoop in F".
  3) De rubriek "Verbruikte bijprodukten" herneemt de bijprodukten van de marktbare teelten van het bedrijf verbruikt door het vee. Bvb. bladeren en suikerbietkoppen, gedroogde bijprodukten, enz.
  C. Tuinbouwteelten. (p. 3).
  1) Omwille van de verschillen, werd er een onderscheid gemaakt tussen prijzen in 't groot en in detail. Enkel verkopen van produkten van het bedrijf van de aanvrager dienen aangeduid.
  2) Onder opbrengst in kg of stuks/are verstaat men de opbrengst aan verkoopsklaar eindprodukt.
  3) De champignonproduktie en andere speculatie dienen te verschijnen in de rubriek "Andere tuinbouwteelten".
  4) De teelten die tijdelijk in serren en in volle grond gekweekt worden.
  II. Dierlijke produkten.
  A. Rundvee schapen en ander vee.
  1. Jaarlijks gemiddeld aantal aanwezige of vetgemeste dieren. (p. 4).
  1) Men noteert het aantal dieren dat gemiddeld aanwezig is in een bepaalde categorie gedurende het volledige jaar. Bv. de mestveestal biedt plaats voor 200 vleesrunderen, en is gemiddeld voor 90 % bezet, dan zal het gemiddeld aantal aanwezige vleesrunderen gelijk zijn aan 180.
  2) In de kolom gemiddelde prijs wordt per diersoort de gemiddelde waarde aangegeven per stuk vee. Voor de dieren die gans het jaar gemiddeld dezelfde waarde behouden (bv. melkvee) wordt deze waarde genoteerd. Voor de dieren die evolueren in waarde (groeien) is de waarde gelijk aan: de waarde als ze in de categorie komen + de waarde als ze de categorie verlaten gedeeld door 2.
Art. N2. Annexe 2. - Instructions pour l'établissement du budget.
  Le budget de l'exploitation sera établi quand :
  1. une aide est octroyée dans le cadre d'un plan d'amélioration d'exploitation;
  2. une aide est octroyée à l'occasion d'une première installation;
  3. la garantie de la Région flamande est accordée.
  Le budget de l'exploitation est dressé par le fonctionnaire compétent de concert avec l'agriculteur ou l'horticulteur. Les chiffres de production indiqués seront les chiffres effectifs de l'exploitation et non des moyennes régionales.
  Le budget reflète:
  1. soit, la situation de l'exploitation à la date de présentation de la demande (installation);
  2. soit, la situation après la réalisation du plan d'amélioration (les investissements ayant été effectués). Le plan d'amélioration peut être étalé sur 6 ans. Le rapport technique spécifiera les différentes phases.
  Tous les montants indiqués sont hors TVA.
  Indications utiles pour compléter les cases en matière de :
  1. Production végétale.
  A. Cultures agricoles commercialisables (p. 1).
  (1) Dans la colonne des "Quantités consommées", sont mentionnées les quantités des produits de cultures commercialisables consommées par le bétail détenu à l'exploitation.
  (2) Le maïs cultivé pour la graine est repris sous la rubrique des "Céréales".
  (3) Les plantes cultivées, traitées industriellement qui n'ont pas été produites sous contrat sont rangées dans la rubrique des "Autres cultures".
  (4) La rubrique des "Sous-produits vendus" comporte uniquement les sousproduits vendus à des tiers; les sous-produits consommés par le bétail de l'exploitation sont repris dans le tableau des "Prairies et cultures fourragères".
  (5) En ce qui concerne les primes PAC (céréales - déprise agricole autres), le nombre d'hectares pour lequel l'aide est obtenue est spécifié dans la colonne "Superficie en ha" et la somme accordée est mentionnée dans la colonne "Produit de la vente en F".
  B. "Prairies et cultures fourragères" (p. 2).
  (1) Lorsque les produits des prairies et des cultures fourragères sont consommés par les animaux détenus à l'exploitation, les cases des colonnes "Prix unitaires", "Quantités vendues" et "Produit de la vente" ne doivent pas être remplies.
  (2) La rémunération relative aux animaux entretenus, étrangers à l'exploitation est mentionnée dans les cases non remplies de la colonne "Produit de la vente en F".
  (3) La rubrique des "Sous-produits consommés" mentionne les sous-produits des cultures commercialisables de l'exploitation consommées par le bétail, tels que les feuilles, les collets de betteraves sucrières, les sousproduits séchés, etc.
  C. Cultures maraîchères (p. 3).
  (1) Pour tenir compte de tous les cas particuliers, une distinction est faite entre les prix de gros et les prix de détail. Seuls les ventes de produits réalisées par l'exploitation du demandeur doivent être mentionnées.
  (2) Par produit en kg ou pièces/are, il faut entendre les produits finis vendables.
  (3) La production de champignons et les autres spéculations sont reprises sous la rubrique "Autres cultures".
  (4) Les plantes dont la culture est effectuée partiellement en serre et partiellement en pleine terre.
  D. Produits d'origine animale.
  A. Bovins, ovins et autres espèces de bétail.
  1. Nombre moyen annuel d'animaux détenus ou engraissés (p. 4).
  (1) Il faut spécifier le nombre moyen des animaux de catégories déterminées hébergés pendant l'année entière. Si l'étable de bétail à l'engrais est conçue par exemple pour recevoir 200 bovins de boucherie et est occupée en moyenne à 90 %, le nombre moyen d'animaux détenus est égal à 180.
  (2) Dans la colonne du "Prix moyen", la valeur moyenne par tête de bétail est indiquée pour chaque espèce animale. Pour les animaux dont la valeur moyenne ne varie pas au cours de l'année entière (p. ex. le bétail laitier), cette valeur est spécifiée ici.
  Pour les animaux dont la valeur est susceptible d'évoluer (suite à la croissance de l'animal), le résultat de l'opération suivante est mentionné :
  la somme de leurs valeurs au moment où ils entrent dans une certaine catégorie et au moment où ils en sortent, divisée par deux.
  bv. vaarzen 6 maand - 2j.
             waarde op 6 maand + waarde op 2 jaar
    waarde =

Wijzigingen

2
  P. ex.: Pour les genisses de 6 mois a 2 ans, la valeur moyenne =
  Opmerking :
  Voor dieren die minder dan 1 jaar op bedrijf blijven, waar dus op een zelfde stalplaats opeenvolgend andere dieren staan (bv. in de categorie mestrunderen > 2 j.) wordt identiek gewerkt als hierboven. Uiteraard zal in de tabel van de verkopen een hoger aantal mestrunderen ingeschreven worden = aantal gemiddeld aanwezig x aantal ronden per jaar.
  3) Schapen en ander vee dienen aangeduid in de vrijgebleven vakken van dit overzicht.
  II. Verkoop van zuivelprodukten. (p. 5).
  1) Onder verkochte hoeveelheden dienen eveneens het verbruik in het huishouden of persoonlijk verbruik evenals de voordelen in natura verstaan.
  Het verbruik door het vee is evenwel uitgesloten.
  2) De ontvangen premies moeten toegevoegd worden aan de verkopen.
  III. Verkoop van vee. (p. 6).
  1) Het aantal verkochte dieren is het aantal werkelijk verkochte dieren :
  dit cijfer kan hoger zijn dan het aantal gemiddeld aanwezige dieren indien de dieren slechts een gedeelte van het jaar op het bedrijf blijven (bv. mestrunderen).
                   la valeur a 6 mois + la valeur a 2 ans
                   ______________________________________
                                                            aantal ronden
  het aantal verkochte dieren is dan   = aantal aanwezige x

Wijzigingen

jaar
                                   2
:
  Remarque :
  Pour les animaux détenus moins d'un an par une exploitation hébergeant successivement différents animaux sur une même unité de surface de l'étable (p. ex. dans la catégorie des bovins de boucherie de plus de 2 ans), il est procédé selon la même méthode. Il est évident que dans ce cas un nombre plus élevé de bovins de boucherie, étant égal au nombre d'animaux détenus en moyenne x le nombre de cycles d'élevage par an, sera mentionné dans le tableau des "Ventes de bétail".
  (3) Les ovins et les autres espèces de bétail sont mentionnés dans les cases libres du tableau.
  II. Vente de produits laitiers (p. 5).
  (1) Par quantités vendues, il faut entendre également la consommation domestique ou personnelle et les avantages en nature. Toutefois, la consommation par le bétail est à exclure.
  (2) Les primes obtenues doivent être ajoutées aux ventes.
  III. Ventes de bétail (p. 6).
  (1) Par nombre d'animaux vendus, il faut entendre les animaux vendus effectivement: ce chiffre peut être supérieur au nombre moyen d'animaux détenus lorsque les animaux ne sont détenus par l'exploitation que pour une partie de l'année (p. ex. dans la catégorie des bovins de boucherie). Dans ce cas, le nombre d'animaux vendus correspondra au: nombre d'animaux détenus x le nombre de cycles d'élevage par an.
  Par nombre de cycles, on entend le nombre d'animaux pouvant être hébergés successivement sur un même unité de surface de l'étable.
  Lorsque la période d'engraissement d'un bovin est égale à 4 mois, le nombre de cycles correspond à 3.
  (2) Dans cette case, on indique le prix moyen par catégorie, pour autant que le bétail vendu soit de qualité homogène.
  (3) Les ventes d'ovins et d'autres espèces de bétail sont mentionnées dans les cases libres du tableau.
  (4) Les primes PAC obtenues doivent être mentionnées. Dans la colonne sous le titre de "Nombre", on indique le nombre des animaux pour lesquels les primes ont été octroyées. Dans la colonne du "Produit global en F", on indique le montant des primes.
  (5) Par sous-produits, on entend les recettes provenant de la vente de saillies, embryons, etc.
  B. Porcins, volaille et autre petit bétail.
  I. Nombre moyen annuel d'animaux détenus ou engraissés.
  (1) Il faut spécifier le nombre moyen des animaux de catégories déterminées hébergés pendant l'année entière. Si l'étable de porcs à l'engrais est conçue par exemple pour recevoir 1 000 porcs à l'engrais et est occupée en moyenne à 90 %, le nombre moyen d'animaux détenus est égal à 900.
  (2) Dans la colonne du "Prix moyen", la valeur moyenne par tête de bétail est indiquée pour chaque espèce animale. Pour les animaux dont la valeur moyenne ne varie pratiquement pas au cours de l'année entière (p. ex. les truies), cette valeur est spécifiée ici. La valeur des porcelets (- 22 kg) est ajoutée à celle des truies.
  Pour les animaux dont la valeur est susceptible d'évoluer (suite à la croissance de l'animal), le résultat de l'opération suivante est mentionné :
  la somme de leurs valeurs au moment où ils entrent dans une certaine catégorie et au moment où ils en sortent, divisée par deux.
  ronde = aantal dieren dat opeenvolgend op eenzelfde stalplaats kan gehuisvest worden
  indien mestperiode van een rund = 4 maand dan is het aantal ronden = 3.
  2) De gemiddelde prijs per categorie dient hier aangegeven, voor zover het verkochte vee van homogene kwaliteit is.
  3) De verkoop van schapen en ander vee moet aangeduid worden in de vrijgebleven vakken van dit overzicht.
  4) Ontvangen GLB-premies dienen vermeld te worden.
  In de kolom "aantal" dient het aantal dieren waarvoor de premie bekomen wordt vermeld en in de kolom "totale opbrengst in F" het ontvangen bedrag.
  5) Onder bijprodukten verstaat men de ontvangsten voortkomende van verkoop van dekkingen, embryo's, enz...
  B. Varkens pluimvee en ander kleinvee
  I. Jaarlijks gemiddeld aantal aanwezige of vet gemeste dieren
  1) Men noteert het aantal dieren dat gemiddeld aanwezig is in een bepaalde categorie gedurende het volledige jaar. Bv. de mestvarkensstal biedt plaats voor 1.000 mestvarkens, en is gemiddeld voor 90 % bezet, dan zal het gemiddeld aantal aanwezige varkens gelijk zijn aan 900
  2) In de kolom gemiddelde prijs wordt per diersoort de gemiddelde waarde aangegeven per stuk vee. Voor de dieren die gans het jaar nagenoeg dezelfde gemiddelde waarde behouden (bv. zeugen) wordt deze waarde genoteerd. De waarde van de biggen (- 22 kg) wordt bij de zeugen gerekend. Voor dieren die evolueren in waarde (groeien) is de waarde gelijk aan: de waarde die ze hebben als ze in de categorie komen + de waarde als ze de categorie verlaten, gedeeld door 2.
  P. ex.: Pour les porcs a l'engrais, la valeur moyenne=
                           waarde big van 22 kg + waarde slachtrijp varken
  bv. mestvarkens waarde =

Wijzigingen

2
               valeur porcelet de 22 kg + valeur porc en finition
               __________________________________________________
  3) Pluimvee en ander kleinvee dienen aangeduid in de vrijgebleven vakken van dit overzicht.
  II. Verkoop van vee. (p. 8).
  1) Het aantal verkochte dieren is het aantal werkelijk verkochte dieren :
  dit cijfer kan hoger zijn dan het aantal , gemiddeld aanwezige dieren indien de dieren slechts een gedeelte van het jaar op het bedrijf blijven (bv. mestvarkens);
                                       2
                                                            aantal ronden
  het aantal verkochte dieren is dan   = aantal aanwezige x

Wijzigingen

jaar
  (3) La volaille et les autres espèces de petit bétail sont mentionnées dans les cases libres du tableau.
  II. Ventes de bétail (p. 8).
  (1) Par nombre d'animaux vendus, on entend les animaux vendus effectivement : ce chiffre peut être supérieur au nombre moyen d'animaux détenus lorsque les animaux ne sont détenus par l'exploitation que pour une partie de l'année (p. ex. les porcs à l'engrais). Dans ce cas, le nombre d'animaux vendus correspondra au: nombre d'animaux détenus x le nombre de cycles d'élevage par an.
  Par nombre de cycles, on entend le nombre pouvant être hébergés successivement sur une même unité de surface de l'étable.
  Lorsque la période d'engraissement d'un porc à l'engrais est égale à 4 mois, le nombre de cycles correspond à 3.
  (2) Dans cette case, on indique le prix moyen par catégorie.
  (3) Les ventes de volaille et d'autre petit bétail sont mentionnées dans les cases libres du tableau.
  (4) Par sous-produits, on entend les recettes provenant de la vente de saillies, etc.
  I. Frais.
  I. Frais déboursés (p. 9).
  (1) Les achats de bétail correspondent à la somme de: a: les achats de bovins et autres b: les achats de porcins et autres.
  (3) et (4) Autres frais de bétail = frais de médecine vétérinaire, coûts de saillie, cotisations de syndicats d'éleveurs, etc., les intérêts sur le capital n'étant pas inclus.
  (5) et (6) Seuls les achats de biens étrangers à l'exploitation sont mentionnés.
  (5) Ce poste comprend les achats de plants, semences, blanc de champignon, boutures, caissettes pour semis, racines de chicorée.
  (6) Il faut mentionner aussi bien les engrais inorganiques et organiques que le dioxyde de carbone (à usage horticole).
  (7) Les achats de produits phytosanitaires.
  (8) Tous les combustibles (pour les machines, le chauffage et la production d'électricité) et lubrifiants doivent être mentionnés sous ce poste.
  (9) Location de matériel, réfrigérateurs, palettes-caisses (stockage de fruits).
  (10) Tous les travaux exécutés par des travailleurs agricoles indépendants (semailles, protection des cultures, récolte, transport), les dépenses occasionnelles et saisonnières (p. ex. salaires de cueilleurs) et les instructions données contre paiement.
  (11) Les frais généraux comportent les primes d'assurance, les notes de téléphone, les frais de la consommation d'électricité, d'eau et de force motrice, les autres cotisations - les abonnements à des revues professionnelles, les différents taxes et impôts, à l'exception des impôts sur le revenu et sur les biens immobiliers.
  Les chiffres indiqués seront, dans la mesure du possible, des chiffres réels.
  (12) Seront groupés sous ce poste, les frais de vente et d'emballage, la commission pour la mise aux enchères, les dépenses pour la location de matériel de protection et de machines, non inclus dans les frais généraux forfaitaires.
  (13) Sont compris dans les beaux à ferme, les loyers des terres et des bâtiments d'exploitation.
  (14) Autres frais non repris sous les postes (1) à (13).
  Frais d'achats des matériaux nécessaires: matières plastiques, nattes de romaine, ficelles, bourdons, pots, terreau, terre de gobetage, compost, balles de tourbière.
  Frais de commercialisation de lisier.
  Dépenses résultant d'activités touristiques et artisanales organisées à l'exploitation (à l'exclusion des intérêts et amortissements).
  II. Frais portés aux livres (p. 10).
  Amortissements et entretien de bâtiments, plantations et améliorations du sol.
  (1) Les nouveaux bâtiments acquis et construits devront en tout état de cause être mentionnés dans cette case.
  (2) Le pourcentage des amortissements et de l'entretien de bâtiments, d'installations agricoles et horticoles et de plantations à prendre en compte est en principe de 7 %.
  Pour les biens mentionnés ci-après ce pourcentage est fixé à 12 % :
  - asperges,
  - plantations de pommiers à basse tige,
  - pêchers, pruniers, cerisiers,
  - groseilliers.
  (3) L'estimation de la valeur des plantations sera effectuée sur la base des chiffres les plus récents fournis par la IEA.
  II. Amortissement de matériel (p. 11).
  (1) La valeur de remplacement est le prix à payer par le chef d'exploitation pour acquérir un bien similaire. Lorsque l'exploitation ne dispose pas de matériel pour exécuter des travaux d'entreprise et l'investissement envisagé ne vise pas l'acquisition de nouveau matériel, une valeur de remplacement globale du matériel peut être indiquée.
  (2) L'amortissement du matériel est déterminé forfaitairement.
  Pour une exploitation agricole disposant d'un tracteur, il est évalué à 9 % de la valeur de remplacement. Pour une exploitation agricole qui ne dispose pas d'un tracteur, il est égal à 6 % de cette valeur. Les exploitations horticoles peuvent mettre en compte 10 % de la valeur de remplacement en guise d'amortissement.
  (3) L'inventaire des outils comporte une estimation globale des petits outils ayant séparément une valeur de remplacement inférieure à 3 000 F.
  (4) Le matériel utilisé pour la préparation du fourrage est mentionné dans le catégorie "Autres".
  III. Intérêts sur le capital investi (p. 12).
  (1) Selon une interprétation de la CEE, le fermage moyen régional doit être pris en compte pour les terrains. Dans la colonne "Intérêts sur le capital de fonds ou le capital investi", on indique le produit de l'opération suivante: nombre de ha dont l'exploitation est le propriétaire x le fermage moyen par ha.
  (2) Les données mentionnées sous la rubrique des "Cultures" seront basées sur les chiffres les plus récents fournis par la IEA.
  (3) Pour les bâtiments, plantations et améliorations du sol, le total de la colonne "Valeur de remplacement ou frais de construction" du tableau des "Amortissements et entretien de bâtiments, plantations et améliorations du sol non couverts par les baux", affecté d'un coefficient de réduction de 55 %, est mentionné dans la colonne "Valeur". Le taux d'intérêt applicable à la valeur ainsi réduite est de 6 %.
  (4) Pour le matériel, le total de la colonne "Valeur de remplacement" du tableau des "Amortissements de matériel" (p. 11), affecté d'un coefficient de réduction de 55 %, est mentionné dans la colonne "Valeur". Le taux d'intérêt applicable à la valeur ainsi réduite est de 6 %.
  (5) Pour les animaux, le total général de la colonne "Valeur des remplacements" du tableau du "Nombre moyen annuel d'animaux détenus ou engraissés" est mentionné dans la colonne "Valeur". Le taux d'intérêt applicable aux valeurs globales est de 6 %.
  D. RESULTAT D'EXPLOITATION.
  I. Recette totale (p. 13).
  (1) Les montants des ventes seront indiqués en F et en % du total des ventes, pour chaque spéculation.
  (2) Les recettes d'activités touristiques et artisanales organisées à l'exploitation sont mentionnées sous cette rubrique.
  (3) Les primes occasionnelles qui ne se rapportent pas directement à la production, p. ex. les prix de concours agricoles, sont mentionnées dans cette rubrique.
  II. Revenu de travail (p. 14).
  (1) Pour calculer le nombre d'UTH, on fait une estimation du nombre d'heures de travail à effectuer annuellement sur l'exploitation et on divise ce nombre par 1 800.
  (2) Le revenu de référence par UTH sera affecté d'un indice de croissance annuelle, compte tenu de la date de clôture.
  (3) Afin de pouvoir procéder à une comparaison entre le budget et le revenu de référence, les revenus d'exploitation déterminés seront affectés de X %.
  ronde = aantal dieren dat opeenvolgend op eenzelfde stalplaats kan gehuisvest worden
  indien mestperiode van een mestvarken = 4 maand dan is het aantal ronden = 3.
  2) De gemiddelde prijs per categorie dient hier aangegeven.
  3) De verkoop van pluimvee en ander kleinvee moet aangeduid worden in de vrijgebleven vakken van dit overzicht
  4) Onder bijprodukten verstaat men de ontvangsten voortkomend uit dekkingen, enz.
  C. Kosten.
  I. Betaalde kosten (p. 9).
-
  1) De aankoop van vee komt overeen met het totaal van
                                  a: aangekochte dieren rundvee e.a.
                                  b: aangekochte dieren varkens e.a.
-
  3) en 4) Andere kosten voor het vee =    veeartskosten, dekgelden, bij-
                                         dragen voor veekwekersyndikaten
                                         enz.
                                         intrest van het kapitaal echter
                                         niet inbegrepen.
-
  5) en 6) Enkel de aankopen van bedrijfsvreemde goederen.
  5) Dit omvat aangekocht plantgoed, zaaizaad, champignonbroed, stekken, zaaikistjes, witloofwortelen.
  6) Zowel aangekochte anorganische en organische meststoffen en CO2 (voor tuinbouw) vermelden.
  7) Aangekochte fyto-produkten.
  8) Alle brandstoffen (voor machines, verwarming, electriciteitsproduktie) en smeermiddelen vermelden.
  9) Huur materieel, frigo's, palloxen (fruit stockering).
  10) Alle loonwerk (zaaien, teeltverzorging, oogsten, vervoer) toevallige en seizoengebonden uitgaven (bv. lonen plukkers) en betaalde voorlichting.
  11) De algemene onkosten omvatten de verzekeringspremies, de kosten voor telefoon, electriciteit, water, drijfkracht, andere bijdragen - de kosten van abonnementen op vakbladen, verschillende taksen en belastingen met uitzondering van de inkomensbelasting en belasting op onroerende goederen.
  De vermelde cijfers moeten in de mate van het mogelijke reële cijfers zijn.
  12) Onder deze post worden de verkoopkosten, verpakking, veilingcommissie, huur beschermingsmaterieel en machines, niet begrepen in de algemene forfaitaire kosten, gegroepeerd.
  13) De betaalde pacht omvat de kosten voor de huur van gronden en bedrijfsgebouwen.
  14) Overige kosten niet begrepen in 1. tot 13.
  Uitgaven voor de aankoop van nodige materialen: plastiek, steenwolmatten, bindkoord, hommels, potten, potgrond, dekaarde, compost, veenbalen.
  Kosten voor mestafzetkosten.
  Uitgaven voortkomend van de toeristische en ambachtelijke activiteiten op het bedrijf (intrest en afschrijvingen niet inbegrepen).
  II. Aangerekende kosten (p. 10)
  Afschrijvingen en onderhoud van gebouwen, aanplantingen en grondverbeteringen:
  1) De nieuwe gebouwen, aangekocht of gebouwd, dienen hier zeker aangeduid.
  2) De rentevoet die de afschrijving en het onderhoud van gebouwen, landbouw- en tuinbouwinstallatie en aanplantingen omvatten bedraagt in principe 7 % :
  voor de volgende goederen :
  - asperges;
  - laagstamappelaanplantingen;
  - perzikbomen, pruimebomen, kerselaars;
  - bessestruiken, is de rentevoet vastgesteld op 12 pct.
  3) De schatting van de aanplantingen dient te geschieden op basis van de recentste cijfers meegedeeld door het L.E.I.
  II. Afschrijving van het materieel. (p. 11).
  1) De vervangingswaarde is de prijs die de bedrijfsleider zou moeten betalen om zich een gelijkaardig goed aan te schaffen. Indien het bedrijf geen materieel bezit bestemd voor ondernemingswerken en als de beoogde investering geen betrekking heeft op de aanschaf van nieuw materieel mag een globale vervangingswaarde van het materieel opgegeven worden.
  2) De afschrijving van het materieel wordt forfaitair berekend.
  Voor een landbouwbedrijf met traktor rekent men 9 % van de vervangingswaarde.
  Voor een landbouwbedrijf zonder traktor rekent men 6 % van de vervangingswaarde voor een tuinbouwbedrijf rekent men 10 % van de vervangingswaarde.
  3) De inventaris van de werktuigen omvat een globale raming van het klein gereedschap, waarvan de afzonderlijke vervangingswaarde kleiner is dan 3 000 F.
  4) Het materieel voor de bereiding van veevoeder mag vermeld worden in de categorie "overige".
  III. Intrest van het geïnvesteerd kapitaal. (p. 12)
  1) Krachtens een interpretatie van de E.EG. dient voor de grond de gemiddelde pachtprijs van de streek aangerekend. Men vermeldt dan in de kolom "Intrest van grondkapitaal en van geïnvesteerd kapitaal" het resultaat van het produkt: aantal ha in eigendom x gemiddelde pachtprijs/ha.
  2) Voor de teelten dient men als basis de recentst door het L.E.I. meegedeelde cijfers te gebruiken.
  3) Voor de gebouwen, aanplantingen en grondverbeteringen dient men in de kolom "Waarde", het totaal van de kolom "vervangingswaarde of constructiewaarde" van overzicht "Afschrijvingen en onderhoud van gebouwen, aanplantingen en grondverbeteringen niet gedekt door de pacht" te vermelden en hierop een reduktiecoëfficiënt van 55 % toe te passen. De op deze gereduceerde waarde toe te passen rentevoet bedraagt 6 %.
  4) Voor het materieel dient men in de kolom "Waarde" het totaal van de kolom "vervangingswaarde" van het overzicht "Afschrijving van materieel" blz. 11 te vermelden en hierop en reduktiecoëfficiënt van 55 % toe te passen. De op deze gereduceerde waarde toe te passen rentevoet bedraagt 6 %.
  5) Voor de dieren dient men in de kolom "Waarde" het algemeen totaal van de kolom "Jaarlijks gemiddeld kapitaal" van het overzicht "Jaarlijks gemiddeld aantal aanwezige of vetgemeste dieren" te vermelden. De op de totale waarden toe te passen rentevoet bedraagt 6 %.
  D. Bedrijfsresultaten.
  I. Totale Opbrengst. (p. 13).
  1) Men dient de bedragen van de verkopen per speculatie aan te duiden in F evenals in % van de totale verkopen.
  2) Inkomsten uit toeristische en ambachtelijke activiteiten op het bedrijf worden onder deze rubriek vermeld.
  3) In deze rubriek worden de toevallige premies die niet rechtstreeks aan de productie verbonden zijn ingevuld, bv. gelden bekomen uit veeprijskampen.
  II. Arbeidsinkomen. (p. 14).
  1) Om het aantal VAK te bekomen, dient men de nodige arbeidsuren voor het bedrijf per jaar te ramen en dit aantal uren te delen door 1 800.
  2) Op het referentie-inkomen per VAK dient een jaarlijks groeiindex toegepast te worden rekening houdend met de einddatum.
  3) Teneinde de berekening van de begroting vergelijkbaar te maken met het referentieinkomen, dient het berekend bedrijfsinkomen met X % te worden aangepast.
-
Art. N3. Bijlage 3. Modaliteiten van tussenkomst van het VLIF
  (3) La volaille et les autres espèces de petit bétail sont mentionnées dans les cases libres du tableau.
  II. Ventes de bétail (p. 8).
  (1) Par nombre d'animaux vendus, on entend les animaux vendus effectivement : ce chiffre peut être supérieur au nombre moyen d'animaux détenus lorsque les animaux ne sont détenus par l'exploitation que pour une partie de l'année (p. ex. les porcs à l'engrais). Dans ce cas, le nombre d'animaux vendus correspondra au: nombre d'animaux détenus x le nombre de cycles d'élevage par an.
  Par nombre de cycles, on entend le nombre pouvant être hébergés successivement sur une même unité de surface de l'étable.
  Lorsque la période d'engraissement d'un porc à l'engrais est égale à 4 mois, le nombre de cycles correspond à 3.
  (2) Dans cette case, on indique le prix moyen par catégorie.
  (3) Les ventes de volaille et d'autre petit bétail sont mentionnées dans les cases libres du tableau.
  (4) Par sous-produits, on entend les recettes provenant de la vente de saillies, etc.
  I. Frais.
  I. Frais déboursés (p. 9).
  (1) Les achats de bétail correspondent à la somme de: a: les achats de bovins et autres b: les achats de porcins et autres.
  (3) et (4) Autres frais de bétail = frais de médecine vétérinaire, coûts de saillie, cotisations de syndicats d'éleveurs, etc., les intérêts sur le capital n'étant pas inclus.
  (5) et (6) Seuls les achats de biens étrangers à l'exploitation sont mentionnés.
  (5) Ce poste comprend les achats de plants, semences, blanc de champignon, boutures, caissettes pour semis, racines de chicorée.
  (6) Il faut mentionner aussi bien les engrais inorganiques et organiques que le dioxyde de carbone (à usage horticole).
  (7) Les achats de produits phytosanitaires.
  (8) Tous les combustibles (pour les machines, le chauffage et la production d'électricité) et lubrifiants doivent être mentionnés sous ce poste.
  (9) Location de matériel, réfrigérateurs, palettes-caisses (stockage de fruits).
  (10) Tous les travaux exécutés par des travailleurs agricoles indépendants (semailles, protection des cultures, récolte, transport), les dépenses occasionnelles et saisonnières (p. ex. salaires de cueilleurs) et les instructions données contre paiement.
  (11) Les frais généraux comportent les primes d'assurance, les notes de téléphone, les frais de la consommation d'électricité, d'eau et de force motrice, les autres cotisations - les abonnements à des revues professionnelles, les différents taxes et impôts, à l'exception des impôts sur le revenu et sur les biens immobiliers.
  Les chiffres indiqués seront, dans la mesure du possible, des chiffres réels.
  (12) Seront groupés sous ce poste, les frais de vente et d'emballage, la commission pour la mise aux enchères, les dépenses pour la location de matériel de protection et de machines, non inclus dans les frais généraux forfaitaires.
  (13) Sont compris dans les beaux à ferme, les loyers des terres et des bâtiments d'exploitation.
  (14) Autres frais non repris sous les postes (1) à (13).
  Frais d'achats des matériaux nécessaires: matières plastiques, nattes de romaine, ficelles, bourdons, pots, terreau, terre de gobetage, compost, balles de tourbière.
  Frais de commercialisation de lisier.
  Dépenses résultant d'activités touristiques et artisanales organisées à l'exploitation (à l'exclusion des intérêts et amortissements).
  II. Frais portés aux livres (p. 10).
  Amortissements et entretien de bâtiments, plantations et améliorations du sol.
  (1) Les nouveaux bâtiments acquis et construits devront en tout état de cause être mentionnés dans cette case.
  (2) Le pourcentage des amortissements et de l'entretien de bâtiments, d'installations agricoles et horticoles et de plantations à prendre en compte est en principe de 7 %.
  Pour les biens mentionnés ci-après ce pourcentage est fixé à 12 % :
  - asperges,
  - plantations de pommiers à basse tige,
  - pêchers, pruniers, cerisiers,
  - groseilliers.
  (3) L'estimation de la valeur des plantations sera effectuée sur la base des chiffres les plus récents fournis par la IEA.
  II. Amortissement de matériel (p. 11).
  (1) La valeur de remplacement est le prix à payer par le chef d'exploitation pour acquérir un bien similaire. Lorsque l'exploitation ne dispose pas de matériel pour exécuter des travaux d'entreprise et l'investissement envisagé ne vise pas l'acquisition de nouveau matériel, une valeur de remplacement globale du matériel peut être indiquée.
  (2) L'amortissement du matériel est déterminé forfaitairement.
  Pour une exploitation agricole disposant d'un tracteur, il est évalué à 9 % de la valeur de remplacement. Pour une exploitation agricole qui ne dispose pas d'un tracteur, il est égal à 6 % de cette valeur. Les exploitations horticoles peuvent mettre en compte 10 % de la valeur de remplacement en guise d'amortissement.
  (3) L'inventaire des outils comporte une estimation globale des petits outils ayant séparément une valeur de remplacement inférieure à 3 000 F.
  (4) Le matériel utilisé pour la préparation du fourrage est mentionné dans le catégorie "Autres".
  III. Intérêts sur le capital investi (p. 12).
  (1) Selon une interprétation de la CEE, le fermage moyen régional doit être pris en compte pour les terrains. Dans la colonne "Intérêts sur le capital de fonds ou le capital investi", on indique le produit de l'opération suivante: nombre de ha dont l'exploitation est le propriétaire x le fermage moyen par ha.
  (2) Les données mentionnées sous la rubrique des "Cultures" seront basées sur les chiffres les plus récents fournis par la IEA.
  (3) Pour les bâtiments, plantations et améliorations du sol, le total de la colonne "Valeur de remplacement ou frais de construction" du tableau des "Amortissements et entretien de bâtiments, plantations et améliorations du sol non couverts par les baux", affecté d'un coefficient de réduction de 55 %, est mentionné dans la colonne "Valeur". Le taux d'intérêt applicable à la valeur ainsi réduite est de 6 %.
  (4) Pour le matériel, le total de la colonne "Valeur de remplacement" du tableau des "Amortissements de matériel" (p. 11), affecté d'un coefficient de réduction de 55 %, est mentionné dans la colonne "Valeur". Le taux d'intérêt applicable à la valeur ainsi réduite est de 6 %.
  (5) Pour les animaux, le total général de la colonne "Valeur des remplacements" du tableau du "Nombre moyen annuel d'animaux détenus ou engraissés" est mentionné dans la colonne "Valeur". Le taux d'intérêt applicable aux valeurs globales est de 6 %.
  D. RESULTAT D'EXPLOITATION.
  I. Recette totale (p. 13).
  (1) Les montants des ventes seront indiqués en F et en % du total des ventes, pour chaque spéculation.
  (2) Les recettes d'activités touristiques et artisanales organisées à l'exploitation sont mentionnées sous cette rubrique.
  (3) Les primes occasionnelles qui ne se rapportent pas directement à la production, p. ex. les prix de concours agricoles, sont mentionnées dans cette rubrique.
  II. Revenu de travail (p. 14).
  (1) Pour calculer le nombre d'UTH, on fait une estimation du nombre d'heures de travail à effectuer annuellement sur l'exploitation et on divise ce nombre par 1 800.
  (2) Le revenu de référence par UTH sera affecté d'un indice de croissance annuelle, compte tenu de la date de clôture.
  (3) Afin de pouvoir procéder à une comparaison entre le budget et le revenu de référence, les revenus d'exploitation déterminés seront affectés de X %.
        INVESTERING          MAXIMALE   MAXIMALE       VOORWAARDEN
                              DUUR       DUUR
                             RENTE-      WAAR-
                             TOELAGE     BORG
-
  1. Verplaatsing van be-      18*          10     - bouw van bedrijfs-
     drijfsgebouwen om re-                           gebouwen
     denen van openbaar                            - aankopen van be-
     nut ingevolge beslis-                           drijfsgebouwen
     sing van de openbare
     machten, vergunnings-
     beleid (1), een wet-
     telijke opzeg
-
  2. Bouw of verbetering
     van bedrijfsgebouwen
     met inbegrip van de
     uitrusting (2)
-
     - Rundveestallen          15*          10
-
     - Landbouwconstructies,   15*          10
       hangaars
-
     - Varkensstallen          15*          10
-
     - Stallen voor mest-      15*          10
       kalveren
-
     - Tuinbouwconstructies    15*          10
-
  3. Aankoop van materiaal      7           10
     en uitrusting
-
  4. a. Aankoop van dieren      5           10     - de eerste in het
                                                     plan voorziene aan-
                                                     koop
-
     b. Aankoop van rundvee
        ten gevolge van vee-
        ziekten
-
      - runderbrucellose        5           10     - herbevolking na stam-
                                                     ping-out met toegepas-
                                                     te refactiecoefficient
                                                     0,85
-
      - rundertuberculose en    5           10     - herbevolking na uit-
        andere besmettelijke                         zuivering die betrek-
        ziekten waarvoor geen                        king heeft op minstens
        geen volledige ver-                          30 % van het rundvee-
        goeding vanwege de                           beslag
        Staat
-
  5. Aankoop duurzame plan-      5          10     - de eerste in het plan
     ten                                             voorziene aankoop
-
     - rozen-/moederplanten
-
     - hop-/aspergeplanten
-
     - bessestruiken
-
  6. Aankoop van gebouwen       15          10     - vorige gebruiker niet
     niet in gebruik voor                            benadeeld
     de aankoop (2)                                - werkelijke inbezitne-
                                                     ming
-
  7. Aankoop in gebruik-        10          10     - naakte eigendom mits
     zijnde gebouwen (2)                             recht van opstal
-
  8. Aanplantingen              15          10     - uitsluitend heraange-
                                                     plant van gerooide op-
                                                     pervlakte (appelen -
                                                     peren - perziken)
-
  9. Overname bedrijfsbe-        7          10     - overname van levende
     kleding 2de bedrijf                             of dode have bij ge-
     met uitsluiting van                             lijktijdige overname
     vruchten ten velde,                             van de grond.
     voorraden en navetten
-
  10. Grondverbeteringen        15*         10
-
  11. Eerste installatie:       10**       15***   - overname bedrijfsbe-
      overname bestaand be-                          kleding, beperkt tot
      drijf + aankopen ge-                           vee, materieel, vruch-
      bouwen t.b.v. het                              ten ten velde, voor-
      saldo van de lening                            raden en navetten op
      betoelaagd door het                            basis van een overna-
      EOGFL (aanvraag in-                            mecontract met een re-
      gediend ten laatste 2                          ele inventaris
      jaar na de ingenot-
      treding
-
                                                   - fiscaal en sociaal
                                                     statuut aannemen van
                                                     landbouwer in hoofdbe-
                                                     roep
-
  12. Investeringen ten
      gunste van het dier-
      welzijn en het leef-
      milieu
-
     - bedrijfsgebouwen +       10****      10
       inrichting
-
     - materiaal                 7          10
-
  13. Steun aan coopera-
      ties
-
     - gebouwen                 10          10
-
     - milieuinvesterin-
       gen                      10          10
-
     - machines                  7          10
-
  (1) verplaatsing van bedrijven omwille van ecologische en planologische
      redenen.
  (2) de duur van de waarborg wordt op 15 jaar gebracht bij de eerste in-
      stallatie.
  * de duurtijd van de rentetoelage wordt beperkt tot 10 jaar indien het
    een regionale steun betreft als aanvulling op het communautaire maxi-
    mum bedrag.
  ** 10 jaar waarvan eventueel 1 jaar vrijstelling.
  *** 15 jaar plus eventueel 1 jaar vrijstelling.
  **** duurtijd van de rentetoelage wordt 15 jaar indien het een steun be-
       treft in het kader van een bedrijfsverbeteringsplan.
-
Art. N4. Bijlage 4. Maximumprijzen voor investeringen (BTW niet inbegrepen).
Art. N3. Annexe 3. - Modalités d'intervention du VLIF.        INVESTISSEMENT        Duree      Duree           Conditions                             maximale   maximale                             subven-    garantie                              tion-                             interet                1. Transplantation des       18*          10     - construction de     batiments d'exploita-                           batiments d'exploi-     tion effectuee dans                             tation     l'interet public suite                        - acquisition de bati-     a une décision de l'au-                         ments d'exploitation     torite publique, la po-     litique en matiere     d'autorisations (1), ou     une resiliation legale         2. Construction ou ame-     lioration des bati-     ments d'exploitation, y     compris leur equipement     (2)            - Etables pour bovins     15*          10            - Constructions agri-     15*          10       coles, hangars            - Porcheries              15*          10            - Etables pour veaux      15*          10       a l'engrais            - Construction horti-     15*          10       coles         3. Achats de materiel et      7           10     d'equipements         4. a. Achat d'animaux         5           10     - le premier achat                                                     prevu au plan            b. Achat de bovins a la        suite d'epizooties             - brucellose bovine       5           10     - repeuplement apres                                                     stamping-out, le co-                                                     efficient de refac-                                                     tion applique etant                                                     egal a 0,85             - tuberculose bovine et   5           10     - repeuplement apres        autres maladies infec-                       une epuration ayant        tieuses non indemni-                         trait a au moins 30 %        sees totalement par les                      du cheptel bovin        pouvoirs publics         5. Achat de plantes per-       5          10     - le premier achat prevu     sistantes                                       au plan            - rosiers/plantes mere            - houblon et asperges            - groseilliers         6. Achat de batiments non     15          10     - occupant precedent non     occupes avant l'achat                           lese     (2)                                           - occupant reelle         7. Achat de batiments         10          10     - nue propriete, moyen-     occupes                                         nant droits de super-                                                     ficie         8. Plantations                15          10     - uniquement replanta-                                                     tion de surfaces arra-                                                     chees (pommes - poires                                                     - peches)         9. Reprise d'occupation        7          10     - reprise de cheptel vif     d'exploitation - 2e ex-                         ou mort en cas de re-     ploitation, a l'exclu-                          prise simultanee de     sion des plantes sur                            terres     pied, des tocks et des     navets         10. Ameliorations de sol      15*         10         11. Premiere installation:    10**       15* * *   - reprise d* * **      10       tion + amenagement            - materiel                  7          10         13. Aides aux cooperations            - batiments                10          10            - investissements-       environnementaux         10          10            - machines                  7          10         (1) Transplantation d'exploitations pour des raisons ecologiques et      urbanistiques.  (2) La durée de la garantie est portee a 15 ans lors de la premiere      installation.  * La durée de la subvention-interet est limitee a 10 ans lorsqu'il    s'agit d'une aide regionale supplementaire au maximum communautaire.  ** 10 ans dont eventuellement 1 an de franchise.  * * * 15 ans dont eventue* * ** La durée de la subvention-interet est portee a 15 ans, lorsqu'il  s'agit d'une aide accordée dans le cadre d'un plan d'amelioration d'ex-  ploitation.
  1. LANDBOUWCONSTRUCTIES
-
  1.1. Melkveestallen (exclusief melkinstallatie, ruimte
       voor jongvee en eventuele stro-opslag               100 000 F/koe
       1.2. Melkinstallatie
       1.2.1. melkleiding                                   20 000 F/koe
       1.2.2. melkstal                                      43 000 F/koe
-
  2. Zoogkoeienstal (exclusief stro-opslag)                100 000 F/dier
-
  3. Vleesveestallen                                        86 000 F/dier
-
  4. Jongveestallen                                         54 000 F/dier
-
  5. Vleeskalverenstallen                                   25 000 F/dier
-
  6. Fokvarkensstallen (incl. mestopslagplaats voor 6 m.)   97 000 F/zeug
-
  7. Vleesvarkensstallen (incl. mestopslagpl. voor 6 m.)    14 500 F/plaats
-
  8. Schapenstallen                                         13 000 F/plaats
-
  9. Geitenstallen (inclusief melkinstallatie)              24 000 F/plaats
-
  10. Loodsen
      10.1 Open loods                                        3 000 F/m2
      10.2 Gesloten loods                                    6 500 F/m2
-
  11. Pluimveestallen
      11.1 stallen voor leghennen (op batterij)              1 000 F/kip
      11.2 stallen voor mestkuikens                            350 F/kuiken
-
  II. TUINBOUWCONSTRUCTIES
-
  1. Groenteserres
     1.1. Klassieke type licht verwarmd                       3 300 F/m2
     1.2. Hydrocultuur, zwaar verwarmd                        4 000 F/m2
     1.3. Plastiekserre                                       1 200 F/m2
-
  2. Serres voor potplanten
     2.1. Licht verwarmd:                                      3 400 F/m2
     2.2. Zwaar verwarmd, uitrusting met bakken en tabletten   4 900 F/m2
     2.3. Zeer verwarmd, uitrusting met roltafels              6 700 F/m2
-
  3. Serres voor snijbloemen
     3.1. Vaste serre, zwaar verwarmd:                         3 900 F/m2
     3.2. Rolserre, licht verwarmd:                            2 900 F/m2
-
  4. Loodsen                                                   5 500 F/m2
-
  5. Pakruimte                                                10 100 F/m2
-
  III. OVERNAME VAN BEDRIJVEN
-
  - Navetten:                                                  7 500 F/m2
-
  - Werkelijk betaalde voorschotten aan teelten:              30 000 F/m2
-
  - Voorraden:                                               400 000 F/be-
                                                                      drijf
-
Art. N5. Bijlage 5. Verrichtingen ter bescherming en verbetering van het leefmilieu. de verbetering van het welzijn van de dieren en de hygiëne in de veehouderij
  - opslagruimte voor mengmest, stalmest en gier bij veehouders en akkerbouwers met de bijhorende installaties voor het mengen of verpompen van mest en de afdekking van mestopslagplaatsen;
  - roog en verwerkingssystemen van mest en de nodige stockageruimte;
  - voedersystemen die leiden tot een vermindering van de mineralen uitstoot en een verbetering van de mestkwaliteit;
  - stankbestrijdingssystemen en stalaanpassingen ter beperking van de ammoniak uitstoot;
  - mestinjectiesystemen en andere emissie-arme mestspreidingssystemen voor dierlijk mest;
  - sleufsilo's met recuperatiesystemen voor silo-sappen;
  - systemen voor beperking en/of recyclage en/of rationeel beheer van afvalwater en/of afvalstoffen;
  - systemen voor optimalisering van de bemesting en kunstmestbesparende strooiapparatuur;
  - systemen voor de beperking van het gebruik en/of verliezen van pesticiden;
  - toestellen voor mechanische of thermische onkruidbestrijding;
  - aanpassingomschakeling naar milieuvriendelijk verwarming- stook en koelinstallaties;
  - investeringen ter vrijwaring en/of behoud van natuurwaarden;
  - investeringen ter beperking van de verspreiding van ziektekiemen in het milieu;
  - investeringen ter beperking van energie en waterverbruik;
  - gedwongen verplaatsing van bedrijfsgebouwen omwille van milieu, ecologische en planologische redenen mits de produktiecapaciteit van het bedrijf niet wordt vergroot;
  - aanpassing van de inrichting van bestaande stallen in het raam van de hygiëne en het welzijn van de dieren betrekking hebbend op hokverdelingen, isolatie, verwarming en ventilatie, voor zover de produktiecapaciteit niet wordt vergroot.
Art. N5. Annexe 5.
  Opérations visant la protection et l'amélioration de l'environnement, l'amélioration du bien-être des animaux et de l'hygiène dans l'élevage
  - Citerne de stockage pour engrais semi-liquide, fumier pailleux et purin chez les éleveurs et agriculteurs, y compris les installations de mixage et de pompage de lisier et la couverture des lieux de stockage de lisier;
  - systèmes de séchage et de traitement de lisier et dépôts de lisier nécessaires;
  - systèmes d'alimentation du bétail tendant à réduire le rejet de minéraux et améliorer la qualité du lisier;
  - systèmes de désodorisation et aménagements d'étables visant à réduire le rejet d'ammoniac;
  - injecteurs à lisier et systèmes d'épandage d'engrais d'origine animale à faibles émissions;
  - silos tranches équipés de systèmes de récupération des jus de silos;
  - systèmes de réduction et/ou de recyclage et/ou de gestion rationnelle des eaux usées et/ou des déchets;
  - systèmes tendant à optimiser la fertilisation et distributeurs d'engrais concus pour effectuer des épandages modérés d'engrais chimiques;
  - systèmes visant à réduire l'usage et/ou les pertes de pesticides;
  - appareils de désherbage mécanique ou thermique;
  - adaptation ou reconversion à des systèmes de chauffe et frigorifiques non polluants;
  - investissements en vue de préserver et/ou protéger des richesses naturelles;
  - investissements visant à limiter la propagation de germes pathogènes dans l'environnement;
  - investissements destinés à réduire la consommation d'énergie et d'eau;
  - déplacement obligatoire de bâtiments d'exploitation pour des raisons environnementales, écologiques et urbanistiques, à condition que la capacité de production ne soit pas augmentée;
  - adaptations de l'aménagement d'étables existantes à des fins d'hygiène et de bien-être des animaux, se rapportant à la répartition en cages, l'isolation, la chauffage et la ventilation, pour autant que la capacité de production ne soit pas augmentée.