Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 DECEMBER 1996. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. (NOTA : art. 7bis gewijzigd in de toekomst door W2021-12-27/01, art. 110; Inwerkingtreding : 01-07-2022)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-01-1997 en tekstbijwerking tot 21-04-2023)
Titre
23 DECEMBRE 1996. - Arrêté royal portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 17-01-1997 et mise à jour au 21-04-2023)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (36)
Texte (36)
TITEL I- Pensioenen.
TITRE I. - Pensions.
HOOFDSTUK I- Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Artikel 1. § 1. De bepalingen van de hoofdstukken I tot en met V zijn van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 ingaan.
  § 2. Voor zover de bepalingen van deze titel niet afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, hierna koninklijk besluit nr. 50 genoemd, en de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn, hierna wet van 20 juli 1990 genoemd, blijven deze laatstbedoelde bepalingen van toepassing op de pensioenen bedoeld in § 1.
  § 3. Blijven eveneens van toepassing op de in § 1 bedoelde pensioenen :
  1° artikel 21 van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden;
  2° de wet van 11 juli 1973 tot verbetering van de toestand van de bezoldigde ouder die tijdelijk ophoudt onderworpen te zijn aan de maatschappelijke zekerheid in sommige regelingen van de maatschappelijke zekerheid;
  3° de artikelen 152 en 153 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980;
  4° de artikelen 33 en 34 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector.
Article 1. § 1. Les dispositions des chapitres I jusqu'à V sont d'application pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997.
  § 2. Pour autant que les dispositions du présent titre ne dérogent pas aux dispositions de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, ci-après dénommé arrêté royal n° 50, et aux dispositions de la loi du 20 juillet 1990 instaurant un âge flexible de la retraite pour les travailleurs salariés et adaptant les pensions des travailleurs salariés à l'évolution du bien-être général, ci-après dénommée loi du 20 juillet 1990, ces dernières dispositions restent d'application aux pensions visées au § 1er.
  § 3. Restent également d'application aux pensions visées au § 1er :
  1° l'article 21 de la loi du 13 juin 1966 relative à la pension de retraite et de survie des ouvriers, des employés, des marins naviguant sous pavillon belge, des ouvriers mineurs et des assures libres;
  2° la loi du 11 juillet 1973 améliorant dans certains régimes de sécurité sociale, la situation du parent salarié qui cesse d'être temporairement assujetti à la sécurité sociale;
  3° les articles 152 et 153 de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980;
  4° les articles 33 et 34 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social.
HOOFDSTUK II- De toekenningsvoorwaarden.
CHAPITRE II. - Conditions d'octroi.
Art.2. § 1. [2 Het rustpensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin hij de pensioenleeftijd bereikt. De pensioenleeftijd is :
   1° 65 jaar voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan op uiterlijk 1 januari 2025;
   2° 66 jaar voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 februari 2025 en uiterlijk op 1 januari 2030;
   3° 67 jaar voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ter vroegste op 1 februari 2030.]2

  § 2. [1 ...]1.
  § 3. De Koning bepaalt in welke gevallen de rechten op het krachtens dit artikel toegekende rustpensioen ambtshalve worden onderzocht.
  
Art.2. § 1. [2 La pension de retraite prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'intéressé en fait la demande et au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il atteint l'âge de la pension. L'âge de la pension est de :
   1° 65 ans pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tard le 1er janvier 2025;
   2° 66 ans pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er février 2025 et au plus tard le 1er janvier 2030;
   3° 67 ans pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er février 2030.]2

  § 2. [1 ...]1.
  § 3. Le Roi détermine les cas dans lesquels les droits à la pension de retraite attribuée en vertu du présent article sont examinés d'office.
  
Art.3. In afwijking van artikel 2, § 1 van dit besluit wordt voor wat de vrouwelijke gerechtigden betreft, de pensioenleeftijd gebracht op :
  - 61 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
  - 62 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
  - 63 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
  - 64 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
Art.3. Par dérogation à l'article 2, § 1er du présent arrêté, l'âge, en ce qui concerne les bénéficiaires féminins, est porté à :
  - 61 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
  - 62 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
  - 63 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
  - 64 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
Art.4. § 1. [1 In afwijking van artikel 2, § 1, en onverminderd de bepalingen van paragraaf 3 van dit artikel kan het pensioen naar keuze en op verzoek van de belanghebbende vervroegd ingaan. De gekozen ingangsdatum kan niet voorafgaan aan de eerste dag van de maand volgend op deze waarin hij de aanvraag indient noch :
   1° aan de eerste dag van de zevende maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013;
   2° aan de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 61 jaar bereikt, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2014 en uiterlijk op 1 december 2014;
   3° aan de eerste dag van de zevende maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 61 jaar bereikt, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2015 en uiterlijk op 1 december 2015;
   4° aan de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 62 jaar bereikt, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal [5 ten vroegste op 1 januari 2016 en uiterlijk op 1 december 2016]5 ingaan;]1

  [5 5° aan de eerste dag van de zevende maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 62 jaar bereikt, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2017 en uiterlijk op 1 december 2017;
   6° aan de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 63 jaar bereikt, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2018.]5

  § 2. [1 De mogelijkheid om overeenkomstig paragraaf 1 een vervroegd rustpensioen te bekomen is onderworpen aan de voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan bewijst van een bepaald aantal kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens dit besluit, de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn, het koninklijk besluit nr. 50, een Belgische regeling voor arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeevarenden of zelfstandigen, een Belgische regeling toepasselijk op het personeel van de overheidsdiensten of van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, iedere andere Belgische wettelijke regeling of [7 iedere buitenlandse regeling waarop de bepalingen van de Europese verordeningen of van internationale overeenkomsten waar België door gebonden is en die betrekking hebben op de sociale zekerheid, van toepassing is]7. De vereiste loopbaanvoorwaarde is :
   1° ten minste 38 jaren, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013;
   2° ten minste 39 jaren, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2014 en uiterlijk op 1 december 2014;
   3° ten minste 40 jaren, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal [5 ten vroegste op 1 januari 2015 en uiterlijk op 1 december 2016]5 ingaan;]1

  [5 4° ten minste 41 jaren, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2017 en uiterlijk op 1 december 2018;
   5° ten minste 42 jaren, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2019 ingaan.]5

  De in het eerste lid bedoelde kalenderjaren worden, naar gelang het geval, in aanmerking genomen op voorwaarde dat :
  1° in de regeling voor zelfstandigen :
  - de jaren gelegen vóór 1957 recht kunnen openen op pensioen;
  - de jaren gelegen na 1956 tenminste twee kwartalen omvatten die recht kunnen openen op pensioen;
  2° in de werknemersregeling en in de andere regelingen de pensioenrechten betrekking hebben op een tewerkstelling die overeenstemt met ten minste (één derde) van een voltijdse arbeidsregeling. Wanneer de tewerkstelling niet het volledige kalenderjaar omvat, is aan deze voorwaarde voldaan indien voor het kalenderjaar tenminste het equivalent van de vermelde minimum duur van tewerkstelling wordt bewezen. <KB 1997-03-21/31, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Voor de toepassing van deze paragraaf en § 3 worden de perioden tijdens dewelke de belanghebbende zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken om een kind op te voeden dat minder dan zes jaar oud is, in aanmerking genomen. Deze perioden komen echter niet in aanmerking als recht op pensioen ervoor kan geopend worden krachtens de in het eerste lid bedoelde pensioenregelingen. De overeenkomstig dit lid bedoelde perioden en de overeenkomstige perioden die recht openen op pensioen krachtens een pensioenregeling bedoeld in het eerste lid van deze paragraaf, kunnen slechts tot beloop van 36 volle maanden in aanmerking worden genomen. De Koning kan de voorwaarden bepalen waaraan de in dit lid bedoelde perioden moeten voldoen om in aanmerking te worden genomen.
  Voor de toepassing van deze paragraaf en § 3 worden niet in aanmerking genomen :
  - de perioden geregulariseerd of toegekend krachtens de artikelen 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 en 79 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
  - de perioden gelijkgesteld krachtens artikel 33 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
  - de overeenstemmende periodes in andere Belgische pensioenregelingen.
  Voor de toepassing van deze paragraaf kan de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit:
  1° bijzondere regelen vaststellen in geval van gemengde loopbaan;
  2° de toepassingsmodaliteiten bepalen indien de tewerkstelling geen volledig kalenderjaar omvat;
  3° vaststellen wat onder een tewerkstelling die overeenstemt met (één derde) van een voltijdse arbeidsregeling moet worden verstaan. <KB 1997-03-21/31, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  § 3. [1 In afwijking van paragrafen 1 en 2 :
   1° als de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 40 kalenderjaren zoals bepaald in paragraaf 2, kan zijn vervroegd rustpensioen ingaan op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2014;
   2° als de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 41 kalenderjaren zoals bepaald in paragraaf 2, kan zijn vervroegd rustpensioen ingaan op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan ten vroegste op 1 januari 2015 en uiterlijk op 1 december 2015;
   3° voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal [5 ten vroegste op 1 januari 2016 en uiterlijk op 1 december 2016]5 ingaan,
   a) als de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren zoals bepaald in paragraaf 2, kan zijn vervroegd rustpensioen ingaan op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 60 jaar bereikt;
   b) als de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 41 kalenderjaren zoals bepaald in paragraaf 2, kan zijn vervroegd rustpensioen ingaan op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 61 jaar bereikt;]1

  [5 4° voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2017 en uiterlijk op 1 december 2018 ingaan :
   a) als de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren zoals bepaald in paragraaf 2, kan zijn vervroegd rustpensioen ingaan op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 60 jaar bereikt;
   b) als de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren zoals bepaald in paragraaf 2, kan zijn vervroegd rustpensioen ingaan op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 61 jaar bereikt;
   5° voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2019 ingaan :
   a) als de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 44 kalenderjaren zoals bepaald in paragraaf 2, kan zijn vervroegd rustpensioen ingaan op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 60 jaar bereikt;
   b) als de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren zoals bepaald in paragraaf 2, kan zijn vervroegd rustpensioen ingaan op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke hij de leeftijd van 61 jaar bereikt.]5

  [2 § 3bis. In afwijking van paragrafen 1 en 2, kan de belanghebbende, die voor 1 januari 1956 is geboren en op 31 december 2012 een loopbaan van ten minste 32 kalenderjaren zoals bepaald in paragraaf 2 bewijst, op zijn aanvraag, zijn vervroegd pensioen opnemen ten vroegste op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens dewelke hij de leeftijd van 62 jaar bereikt voor zover hij een loopbaan van ten minste 37 kalenderjaren zoals bepaald in paragraaf 2 bewijst.
  [5 In afwijking van de paragrafen 1 tot 3 en onverminderd het eerste lid, kan de belanghebbende die de leeftijd van 59 jaar of meer heeft bereikt in 2016 zijn vervroegd rustpensioen opnemen aan de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden bepaald bij de paragrafen 1 tot 3 en van kracht tot 31 december 2016, elk verhoogd met één jaar.]5
   § 3ter. In afwijking van paragraaf 1, 2° wordt de leeftijd voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2014 vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 1°. In afwijking van paragraaf 2, 2° wordt de vereiste loopbaanvoorwaarde voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2014 vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2, 1°.
   In afwijking van paragraaf 1, 3° wordt de leeftijd voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2015 vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 2°. In afwijking van paragraaf 2, 3° wordt de vereiste loopbaanvoorwaarde voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2015 vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2, 2°.
   In afwijking van paragraaf 1, 4° wordt de leeftijd voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2016 vastgesteld overeenkomstig paragraaf 1, 3°.
  [5 In afwijking van § 1, 5°, wordt de leeftijd voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2017 vastgesteld overeenkomstig § 1, 4°. In afwijking van § 2, eerste lid, 4°, wordt de vereiste loopbaanvoorwaarde voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2017 vastgesteld overeenkomstig § 2, eerste lid, 3°.
   In afwijking van § 1, 6°, wordt de leeftijd voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2018 vastgesteld overeenkomstig § 1, 5°.
   In afwijking van § 2, eerste lid, 5°, wordt de vereiste loopbaanvoorwaarde voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2019 vastgesteld overeenkomstig § 2, eerste lid, 4°.]5

  [3 In afwijking van paragraaf 3, 2° wordt de vereiste loopbaanvoorwaarde voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2015 vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3, 1°.
   In afwijking van paragraaf 3, 3° worden de vereiste leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2016 vastgesteld overeenkomstig paragraaf 3, 2°.]3

  [5 In afwijking van § 3, 4°, wordt de vereiste loopbaanvoorwaarde voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2017 vastgesteld overeenkomstig § 3, 3°.
   In afwijking van § 3, 5°, wordt de vereiste loopbaanvoorwaarde voor de pensioenen die ingaan in de maand januari 2019 vastgesteld overeenkomstig § 3, 4°.]5

   § 3quater. De belanghebbende die op een bepaald ogenblik voldoet aan de in de paragrafen 1 tot en met 3ter bedoelde leeftijds- en loopbaanvoorwaarden, behoudt het recht om op een latere datum vervroegd met pensioen te gaan, ongeacht de datum waarop het pensioen later daadwerkelijk ingaat. ]2

  § 4. [6 ...]6
  (§ 5. Voor de werknemers die onder de toepassing vallen van een collectieve arbeidsovereenkomst, goedgekeurd door de Minister die Arbeid en Tewerkstelling onder zijn bevoegdheid heeft, die in een vervroegde uittreding voorziet en die heeft opgehouden uitwerking te hebben op 31 december 1996, worden de perioden van inactiviteit die door deze collectieve arbeidsovereenkomst gedekt worden, in aanmerking genomen voor de toepassing van § 2 van dit besluit.) <KB 1997-04-23/37, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  
Art.4. § 1er. [1 Par dérogation à l'article 2, § 1er, et sans préjudice des dispositions du paragraphe 3 du présent article, la pension peut prendre cours anticipativement au choix et à la demande de l'intéressé. La date de prise de cours choisie ne peut être antérieure au premier jour du mois suivant celui au cours duquel il a introduit sa demande ni :
   1° au premier jour du septième mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 60 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1erjanvier 2013 et au plus tard le 1er décembre 2013;
   2° au premier jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 61 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2014 et au plus tard le 1er décembre 2014;
   3° au premier jour du septième mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 61 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2015 et au plus tard le 1er décembre 2015;
   4° au premier jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 62 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois [5 au plus tôt le 1er janvier 2016 et au plus tard le 1er décembre 2016]5;]1

  [5 5° au premier jour du septième mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 62 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2017 et au plus tard le 1er décembre 2017;
   6° au premier jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 63 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2018.]5

  § 2. [1 La possibilité d'obtenir une pension de retraite anticipée conformément au paragraphe 1er est soumise à la condition que l'intéressé prouve une carrière constituée d'un nombre déterminé d'années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu du présent arrêté, de la loi du 20 juillet 1990 instaurant un âge flexible de la retraite pour les travailleurs salariés et adaptant les pensions des travailleurs salariés à l'évolution du bien-être général, de l'arrêté royal n° 50, d'un régime belge pour ouvriers, employés, mineurs, marins ou indépendants, d'un régime belge applicable au personnel des services publics ou de la Société nationale des Chemins de fer belges, de tout autre régime légal belge ou [7 de tout régime étranger qui relève du champ d'application des règlements européens ou des conventions internationales par lesquelles la Belgique est liée et qui concernent la sécurité sociale]7. La condition de carrière requise est :
   1° d'au moins 38 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2013 et au plus tard le 1er décembre 2013;
   2° d'au moins 39 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2014 et au plus tard le 1er décembre 2014;
   3° d'au moins 40 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois [5 au plus tôt le 1er janvier 2015 et au plus tard le 1er décembre 2016]5;]1

  [5 4° d'au moins 41 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2017 et au plus tard le 1er décembre 2018;
   5° d'au moins 42 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2019.]5

  Les années civiles visées à l'alinéa 1er sont, selon le cas, prises en considération à condition que :
  1° dans le régime des travailleurs indépendants :
  - elles puissent ouvrir un droit à la pension si elles sont situées avant 1957;
  - si elles sont situées après 1956, comportent au moins deux trimestres qui peuvent ouvrir un droit à la pension;
  2° dans le régime des travailleurs salariés ou dans d'autres régimes, les droits à la pension se rapportent à une occupation qui correspond (au tiers au moins) d'un régime de travail a temps plein. Lorsque l'occupation ne s'étend pas sur une année civile complète, il est satisfait à cette condition lorsque l'année civile comporte au moins l'équivalent de la durée minimale d'occupation précitée. <AR 1997-03-21/31, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-1997>
  Pour l'application du présent paragraphe et du paragraphe 3, sont prises en considération les périodes au cours desquelles l'intéressé a interrompu sa carrière professionnelle en vue d'éduquer un enfant n'ayant pas atteint l'âge de six ans accompli. Toutefois, ces périodes ne sont pas prises en considération si elles peuvent ouvrir un droit à la pension en vertu des régimes de pension vises à l'alinéa 1er. Les périodes visées par le présent alinéa et les périodes correspondantes qui ouvrent un droit à la pension en vertu des régimes de pension visés à l'alinéa 1er, ne peuvent être prises en considération qu'à concurrence d'une durée maximale de 36 mois complets. Le Roi peut fixer les conditions auxquelles les périodes visées au présent alinéa doivent satisfaire pour être prises en considération.
  Pour l'application du présent paragraphe et du paragraphe 3, ne sont pas prises en considération :
  - les périodes régularisées ou attribuées en vertu des articles 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 et 79 de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;
  - les périodes assimilées en vertu de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants;
  - les périodes correspondantes dans d'autres régimes belges de pension.
  Pour l'application du présent paragraphe, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres déterminer :
  1° des règles particulières en cas de carrière mixte;
  2° déterminer les modalités d'application lorsque l'occupation ne s'étend pas sur une année civile complète;
  3° ce qu'il y a lieu d'entendre par une occupation qui correspond (au tiers) d'un régime de travail à temps plein. <AR 1997-03-21/31, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-1997>
  § 3. [1 Par dérogation aux paragraphes 1er et 2,
   1° si l'intéressé prouve une carrière d'au moins 40 années civiles telles que définies au paragraphe 2, sa pension de retraite anticipée peut prendre cours au 1er jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 60 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2013 et au plus tard le 1er décembre 2014;
   2° si l'intéressé prouve une carrière d'au moins 41 années civiles telles que définies au paragraphe 2, sa pension de retraite anticipée peut prendre cours au 1er jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 60 ans, pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2015 et au plus tard le 1er décembre 2015;
   3° pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois [5 au plus tôt le 1er janvier 2016 et au plus tard le 1er décembre 2016]5,
   a) si l'intéressé prouve une carrière d'au moins 42 années civiles telles que définies au paragraphe 2, sa pension de retraite anticipée peut prendre cours au 1er jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 60 ans;
   b) si l'intéressé prouve une carrière d'au moins 41 années civiles telles que définies au paragraphe 2, sa pension de retraite anticipée peut prendre cours au 1er jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 61 ans;]1

  [5 4° pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2017 et au plus tard le 1er décembre 2018 :
   a) si l'intéressé prouve une carrière d'au moins 43 années civiles telles que définies au paragraphe 2, sa pension de retraite anticipée peut prendre cours au premier jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 60 ans;
   b) si l'intéressé prouve une carrière d'au moins 42 années civiles telles que définies au paragraphe 2, sa pension de retraite anticipée peut prendre cours au premier jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 61 ans;
   5° pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2019 :
   a) si l'intéressé prouve une carrière d'au moins 44 années civiles telles que définies au paragraphe 2, sa pension de retraite anticipée peut prendre cours au premier jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 60 ans;
   b) si l'intéressé prouve une carrière d'au moins 43 années civiles telles que définies au paragraphe 2, sa pension de retraite anticipée peut prendre cours au premier jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 61 ans.]5

  [2 § 3bis. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, l'intéressé, qui est né avant le 1er janvier 1956 et qui prouve, au 31 décembre 2012, une carrière d'au moins 32 années civiles telles que définies au paragraphe 2, peut, à sa demande, prendre sa pension de retraite anticipée au plus tôt le 1er jour du mois suivant celui au cours duquel il atteint l'âge de 62 ans pour autant qu'il prouve une carrière d'au moins 37 années civiles telles que définies au paragraphe 2.
  [5 Par dérogation aux paragraphes 1 à 3 et sans préjudice de l'alinéa 1er, l'intéressé, qui a atteint l'âge de 59 ans ou plus en 2016, peut prendre sa pension de retraite anticipée aux conditions d'âge et de carrière prévues aux paragraphes 1 à 3 et en vigueur jusqu'au 31 décembre 2016, majorées chacune d'un an.]5
   § 3ter. Par dérogation au paragraphe 1er, 2°, l'âge pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2014 est fixé conformément au paragraphe 1er, 1°. Par dérogation au paragraphe 2, 2°, la condition de carrière requise pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2014 est fixée conformément au paragraphe 2, 1°.
   Par dérogation au paragraphe 1er, 3°, l'âge pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2015 est fixé conformément au paragraphe 1er, 2°. Par dérogation au paragraphe 2, 3°, la condition de carrière requise pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2015 est fixée conformément au paragraphe 2, 2°.
   Par dérogation au paragraphe 1er, 4°, l'âge pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2016 est fixé conformément au paragraphe 1er, 3°.
  [5 Par dérogation au § 1er, 5°, l'âge pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2017 est fixé conformément au § 1er, 4°. Par dérogation au § 2, alinéa 1er, 4°, la condition de carrière requise pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2017 est fixée conformément au § 2, alinéa 1er, 3°.
   Par dérogation au § 1er, 6°, l'âge pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2018 est fixé conformément au § 1er, 5°.
   Par dérogation au § 2, alinéa 1er, 5°, la condition de carrière requise pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2019 est fixée conformément au § 2, alinéa 1er, 4°.]5

  [3 Par dérogation au paragraphe 3, 2°, la condition de carrière requise pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2015 est fixée conformément au paragraphe 3, 1°.
   Par dérogation au paragraphe 3, 3°, les conditions d'âge et de carrière requises pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2016 sont fixées conformément au paragraphe 3, 2°.]3

  [5 Par dérogation au § 3, 4°, la condition de carrière requise pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2017 est fixée conformément au § 3, 3°.
   Par dérogation au § 3, 5°, la condition de carrière requise pour les pensions prenant cours au mois de janvier 2019 est fixée conformément au § 3, 4°.]5

   § 3quater. L'intéressé qui, à un moment donné, remplit les conditions d'âge et de carrière visées aux paragraphes 1er à 3ter, conserve le droit de prendre anticipativement sa pension à une date ultérieure, quelle que soit par la suite la date de prise de cours effective de la pension.]2

  § 4. [6 ...]6
  [§ 5. Pour les travailleurs salariés qui tombent sous l'application d'une convention collective en matière de départ anticipé, approuvée par le Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions, et ayant cessé ses effets au 31 décembre 1996, les périodes d'inactivité couvertes par cette convention sont prises en considération pour l'application du § 2 du présent arrêté.] <AR 1997-04-23/37, art. 4, 003; En vigueur : 01-07-1997>
  
Art. 4bis. <INGEVOEGD bij W 1999-01-25/32, art. 213; Inwerkingtreding : 16-02-1999> De aanvraag om een overlevingspensioen geldt in voorkomend geval eveneens als aanvraag om rustpensioen indien de langstlevende echtgenoot de leeftijd, bedoeld in artikel 2 of 3 van dit besluit, heeft bereikt of deze bereikt binnen de twaalf maanden na de datum waarop bedoelde aanvraag om overlevingspensioen werd ingediend.
  De aanvraag om rustpensioen, ingediend door de langstlevende echtgenoot, geldt, in voorkomend geval, eveneens als een aanvraag om overlevingspensioen.
Art. 4bis. La demande de pension de survie vaut également, le cas échéant, demande de pension de retraite lorsque le conjoint survivant a atteint l'âge prévu à l'article 2 ou 3 du présent arrêté ou lorsqu'il atteint cet âge dans les douze mois suivant la date à laquelle cette demande a été introduite.
  La demande de pension de retraite introduite par un conjoint survivant vaut également, le cas échéant, demande de pension de survie.
HOOFDSTUK III- De pensioenberekening.
CHAPITRE III. - Le calcul de la pension.
Afdeling 1- Het rustpensioen.
Section 1. - La pension de retraite.
Art.5. § 1. Het recht op het rustpensioen wordt per kalenderjaar verkregen naar rata van een breuk van de werkelijke, fictieve en forfaitaire brutolonen bedoeld bij de artikelen 7, 8 en 9bis van het koninklijk besluit nr. 50 en in aanmerking genomen ten belope van :
  a) 75 t.h. voor de werknemers van wie de echtgenoot:
  - elke beroepsarbeid, behalve die door de Koning toegestaan, heeft gestaakt;
  - geen van de vergoedingen of uitkeringen bedoeld in artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 50 geniet;
  - geen rust- en overlevingspensioen en geen als dusdanig geldende uitkeringen geniet, toegekend krachtens dit besluit, krachtens de wet van 20 juli 1990, krachtens het koninklijk besluit nr. 50, krachtens een Belgische regeling voor arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeevarenden of zelfstandigen, krachtens een Belgische regeling toepasselijk op het personeel van de overheidsdiensten of van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, krachtens iedere andere Belgische wettelijke regeling, krachtens een regeling van een vreemd land of krachtens een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechterlijke instelling;
  b) 60 t.h. voor de andere werknemers.
  De breuk die met elk kalenderjaar overeenstemt heeft als teller de eenheid en als noemer het getal 45.
  [2 Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten dat de loopbaan bevat, met inbegrip van de voltijdse dagequivalenten met betrekking tot het pensioen bedoeld in hoofdstuk 13 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, hoger is dan 14 040, worden de voltijdse dagequivalenten die recht geven op het voordeligste pensioen in aanmerking genomen tot beloop van die 14 040 dagen. Wanneer het pensioen werd berekend op basis van één of meerdere breuken met een noemer lager dan 45, wordt het aantal voltijdse dagequivalenten betreffende elke noemer vermenigvuldigd met de verhouding tussen 45 en deze noemer.]2
  [2 De vermindering van de beroepsloopbaan betreft bij voorrang de voltijdse dagequivalenten die recht openen op het minst voordelige pensioen. Het aantal in mindering te brengen dagen kan echter niet 1 560 voltijdse dagequivalenten overschrijden. Deze dagen worden als volgt bepaald :
   1° het pensioen verleend voor elk kalenderjaar wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten in aanmerking genomen voor het desbetreffende jaar teneinde hun aandeel in het pensioen te bepalen;
   2° het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel worden verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen berekend per dag het minst voordelig is;
   3° wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten van het kalenderjaar bedoeld in de bepaling onder 2° lager is dan het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten, wordt het overblijvend aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen voortaan het minst voordelig is;
   4° er wordt één voor één beroep gedaan op de kalenderjaren waarvan het aandeel in het pensioen het minst voordelig wordt voor zover het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten van de beroepsloopbaan niet bereikt is.]2

  [4 De beperking van de loopbaan tot 14 040 voltijdse dagequivalenten bedoeld in het derde lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de werknemer, zoals gedefinieerd in artikel 10bis, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 50, meer dan 14 040 voltijdse dagequivalenten bevat en de voltijdse dagequivalenten na de 14 040ste dag van de globale beroepsloopbaan arbeidsdagen zijn die daadwerkelijk gepresteerd zijn als werknemer. In dit geval worden deze daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten in aanmerking genomen in de berekening van het rustpensioen.]4
  § 2. [1 (NOTA : deze paragraaf wordt opgeheven op 31 december 2011 maar blijft van toepassing :
  1° op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, voor de berekening van de volledigheid van hun pensioen;
   2° op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt, uitsluitend voor de berekening van het pensioen met betrekking tot de periodes voorafgaand aan 1 januari 2012.)
]1
In afwijking van § 1, tweede lid, kan de werknemer die ten minste twintig jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker tewerkgesteld is geweest een rustpensioen verkrijgen dat verworven is naar rata van een dertigste per kalenderjaar tewerkstelling als mijnwerker.
  § 3. [1 (NOTA : deze paragraaf wordt opgeheven op 31 december 2011 maar blijft van toepassing :
  1° op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, voor de berekening van de volledigheid van hun pensioen;
   2° op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt, uitsluitend voor de berekening van het pensioen met betrekking tot de periodes voorafgaand aan 1 januari 2012.)
]1
In afwijking van § 1, tweede lid, kan de werknemer een rustpensioen bekomen dat verworven is naar rata van een veertigste per kalenderjaar tewerkstelling als zeevarende.
  § 4. [1 (NOTA : deze paragraaf wordt opgeheven op 31 december 2011 maar blijft van toepassing :
  1° op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, voor de berekening van de volledigheid van hun pensioen;
   2° op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt, uitsluitend voor de berekening van het pensioen met betrekking tot de periodes voorafgaand aan 1 januari 2012.)
]1
De werknemer beoogd bij § 2 kan eveneens de toepassing van § 3 bekomen, ten belope van het aantal voordeligste kalenderjaren, dat gelijk is aan het verschil tussen het getal 40 en het resultaat dat bekomen wordt door het aantal jaren tewerkstelling als mijnwerker te vermenigvuldigen met 1,333. Indien dit resultaat een gedeelte van een eenheid bevat, wordt het op de naastlagere eenheid afgerond.
  De werknemers beoogd bij de §§ 2 en 3, kunnen voor de jaren tewerkstelling die niet in aanmerking werden genomen overeenkomstig die paragrafen eveneens de toepassing bekomen van § 1, ten belope van het aantal voordeligste kalenderjaren, dat gelijk is aan het verschil tussen het getal 45 en het resultaat dat bekomen wordt door het aantal jaren tewerkstelling beoogd bij de §§ 2 en 3 te vermenigvuldigen met 1,5 of 1,125 naargelang het een tewerkstelling respectievelijk hetzij als mijnwerker, hetzij als zeevarende betreft. Indien dit resultaat een gedeelte van een eenheid bevat, wordt het op de naastlagere eenheid afgerond.
  § 5. [1 (NOTA : deze paragraaf wordt opgeheven op 31 december 2011 maar blijft van toepassing :
  1° op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, voor de berekening van de volledigheid van hun pensioen;
   2° op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt, uitsluitend voor de berekening van het pensioen met betrekking tot de periodes voorafgaand aan 1 januari 2012.)
]1
In afwijking van de §§ 1, 2 en 3, kan de werknemer die ten minste 168 maanden dienst ter zee onder Belgische of Luxemburgse vlag bewijst en die hiervoor ingeschreven was bij de Pool der zeelieden een rustpensioen bekomen dat verworven is naar rata van een breuk, gelijk aan 1/14e per jaar, van de als zeevarende verdiende lonen welke betrekking hebben op de veertien voordeligste jaren, en in aanmerking worden genomen tot beloop van 75 of 60 t.h. naargelang van het onderscheid waarin voorzien bij § 1.
  Het bedrag van dit rustpensioen wordt verminderd met 1/45e per kalenderjaar waarvoor hij een pensioen in een andere regeling bekomt, of indien dit voor hem voordeliger is, met het bedrag van laatstgenoemd pensioen.
  Deze vermindering wordt evenwel niet toegepast wanneer het pensioen krachtens de andere regeling werd toegekend voor een bijkomende arbeid, zoals bepaald door de Koning.
  De duur van de dienst ter zee wordt bepaald door de inschrijvingen op de monsterrol.
  In geval van toepassing van deze paragraaf kan de betrokkene geen aanspraak maken op een pensioen overeenkomstig de §§ 1, 2, 3 en 4 van dit artikel.
  § 6. [1 (NOTA : deze paragraaf wordt opgeheven op 31 december 2011 maar blijft van toepassing :
  1° op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben, voor de berekening van de volledigheid van hun pensioen;
   2° op de werknemers die, op 31 december 2011, de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt, uitsluitend voor de berekening van het pensioen met betrekking tot de periodes voorafgaand aan 1 januari 2012.)
]1

  Het bedrag van het rustpensioen van de werknemer die geen dertig, doch ten minste vijfentwintig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning tewerkgesteld is geweest, wordt met een supplement verhoogd.
  Dat supplement is gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat hij zou bekomen hebben indien hij daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk in de ondergrond van voormelde ondernemingen zou hebben gewerkt en het globale bedrag van de rustpensioenen of als zodanig geldende uitkeringen waarop hij krachtens een of meer van de in § 1, eerste lid a), bedoelde regelingen aanspraak kan maken.
  [5 Het bedrag van het referentieloon voor de berekening van het supplement bedoeld in het eerste lid is gelijk aan 75 t.h. of 60 t.h., naargelang het gaat om een werknemer bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, a) of b) van de wet van 20 juli 1990 (of in artikel 5, § 1, eerste lid, a) of b), van dit koninklijk besluit), van de geïndexeerde werkelijke, forfaitaire en fictieve lonen van de werknemers bedoeld in het eerste lid met betrekking tot het voorlaatste volledig gewerkte jaar in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning.]5
  De Koning bepaalt de berekeningswijze van het referentiepensioen.
  § 7. [3 De werknemer die onder de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels valt en
   a) die, reeds voorafgaand aan 1 januari 2015, gewoonlijk tewerkgesteld werd in de hoedanigheid van arbeider, bediende of mijnwerker in een aan België grenzend land, op voorwaarde dat hij zijn hoofdverblijfplaats in België heeft behouden en er in principe iedere dag is teruggekeerd;
   b) of die reeds, voorafgaand aan 1 januari 2015, in het buitenland tewerkgesteld werd in de hoedanigheid van arbeider of bediende, voor perioden van telkens minder dan één jaar, voor rekening van een werkgever van dat land, om er seizoenarbeid of daarmee gelijkgestelde loonarbeid te verrichten, op voorwaarde dat hij zijn hoofdverblijfplaats in België heeft behouden en zijn familie er bleef wonen,
   kan een aanvulling op het rustpensioen verkrijgen die gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat hij zou verkregen hebben indien deze activiteit in de hoedanigheid van werknemer eveneens in België was uitgeoefend en dit voor de perioden van deze activiteit waarvoor een buitenlands wettelijk pensioen toegekend wordt, en het totale bedrag van het geheel van de Belgische en buitenlandse wettelijke pensioenen en aanvullende voordelen.
   Deze aanvulling gaat in op de ingangsdatum van het wettelijk rustpensioen verkregen voor dezelfde activiteit krachtens de wetgeving van het land van tewerkstelling. Het is slechts betaalbaar in zoverre het verkregen pensioen voor dezelfde activiteit krachtens de wetgeving van het land van tewerkstelling betaalbaar is.
   De verzaking aan het wettelijk pensioen toegekend krachtens de wetgeving van het land van tewerkstelling geldt als verzaking aan de in het eerste lid bedoelde aanvulling op het rustpensioen.
   Voor de toepassing van deze paragraaf en van artikel 7, § 5, wordt verstaan:
   a) onder "wettelijk pensioen", elk wettelijk, bestuursrechtelijk of statutair ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioen, of elk ander als zodanig geldend voordeel ten laste van een Belgisch of buitenlands pensioenstelsel of van een pensioenstelsel van een internationale instelling.
   b) onder "aanvullend voordeel", elk Belgisch of buitenlands voordeel bedoeld als aanvulling van een in de bepaling onder a) bedoeld pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven en toegekend hetzij krachtens wettelijke, bestuursrechtelijke of statutaire bepalingen, hetzij krachtens bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, een ondernemingsreglement, een collectieve of sectorale overeenkomst of van een daarmee gelijkgesteld instrument, ongeacht het feit of het een periodiek of een in de vorm van een kapitaal betaald voordeel betreft.
   Als aanvullende voordelen in de zin van de bepaling onder b) worden eveneens beschouwd:
   1° de renten verworven door stortingen bedoeld bij de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, ongeacht de oorsprong ervan, die uitbetaald worden in de vorm van een kapitaal;
   2° elk voordeel betaald aan een persoon ongeacht zijn statuut in uitvoering van een individuele pensioentoezegging evenals het aanvullend pensioen bepaald in artikel 42, 1°, van de programmawet van 24 december 2002.]3

  § 8. In afwijking van § 1, eerste lid, a), vormt het genot, in hoofde van een van de echtgenoten, van één of meer rust- of overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen, toegekend krachtens één of meer Belgische regelingen, andere dan die voor arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeevarenden en werknemers krachtens een regeling van een vreemd land of krachtens een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechterlijke instelling geen beletsel voor de toekenning aan de andere echtgenoot van een rustpensioen berekend met toepassing van § 1, eerste lid a), van dit artikel, voor zover het globale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen van de eerstgenoemde echtgenoot kleiner is dan het verschil tussen de bedragen van het rustpensioen van de andere echtgenoot, respectievelijk berekend met toepassing van § 1, eerste lid, b), van dit artikel.
  Evenwel wordt in dat geval het totale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen, van eerstgenoemde echtgenoot in mindering gebracht op het bedrag van het rustpensioen van de andere echtgenoot.
  § 9. (De Koning kan de bijzondere modaliteiten van uitbetaling vaststellen voor de pensioenen waarvan het bedrag kleiner is dan 86,32 euro per jaar aan de index 103,14 (basis 1996 = 100).) Dit bedrag is gekoppeld (aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)) en verandert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. <KB 2001-12-11/45, art. 33, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 2006-12-27/30, art. 293, 009; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  
Art.5. § 1. Le droit à la pension de retraite est acquis, par année civile, à raison d'une fraction des rémunérations brutes réelles, fictives et forfaitaires visées aux articles 7, 8 et 9bis de l'arrêté royal n° 50 et prises en considération à concurrence de :
  a) 75 p.c. pour les travailleurs dont le conjoint :
  - a cessé toute activité professionnelle, sauf celle autorisée par le Roi;
  - ne jouit pas d'une des indemnités ou allocations visées à l'article 25 de l'arrêté royal n° 50;
  - ne jouit pas d'une pension de retraite ou de survie ou de prestations en tenant lieu en vertu du présent arrêté, accordées en vertu de la loi du 20 juillet 1990, en vertu de l'arrête royal n° 50, en vertu d'un régime belge pour ouvriers, employés, mineurs, marins ou indépendant, en vertu d'un régime belge applicable au personnel des services publics ou de la Société nationale des Chemins de fer belges, en vertu de tout autre régime légal belge, en vertu d'un régime d'un pays étranger ou en vertu d'un régime applicable au personnel d'une institution de droit international;
  b) 60 p.c. pour les autres travailleurs.
  La fraction correspondant à chaque année civile a pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre 45.
  [2 Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein que la carrière comporte, en ce compris les jours équivalents temps plein afférents à la pension visée au chapitre 13 de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, est supérieur à 14 040, les jours équivalents temps plein donnant droit à la pension la plus avantageuse sont pris en considération à concurrence de ces 14 040 jours. Lorsque la pension est calculée sur base d'une ou plusieurs fractions ayant un dénominateur inférieur à 45, le nombre de jours équivalents temps plein relatif à chaque dénominateur est multiplié par le rapport entre 45 et ce dénominateur.]2
  [2 La réduction de la carrière professionnelle affecte par priorité les jours équivalents temps plein qui ouvrent le droit à la pension la moins avantageuse. Le nombre de jours à déduire ne peut toutefois pas excéder 1 560 jours équivalents temps plein. Ces jours sont déterminés comme suit :
   1° la pension accordée pour chaque année civile est divisée par le nombre de jours équivalents temps plein pris en considération pour l'année concernée afin de déterminer leur apport en pension;
   2° le nombre de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension correspondant sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension calculé par jour est le moins avantageux;
   3° lorsque le nombre de jours équivalents temps plein de l'année civile visée au 2° est inférieur au nombre de jours équivalents temps plein à déduire, le nombre excédentaire de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension est désormais le moins avantageux;
   4° il est fait appel au fur et à mesure aux années civiles dont l'apport en pension devient le moins avantageux tant que le nombre de jours équivalents temps plein à déduire de la carrière professionnelle n'est pas atteint.]2

  [4 La limitation de la carrière à 14 040 jours équivalents temps plein visée à l'alinéa 3 n'est pas applicable lorsque la carrière professionnelle globale du travailleur salarié, telle que définie à l'article 10bis, § 2bis, 3°, de l'arrêté royal n° 50, comporte plus de 14 040 jours équivalents temps plein et que les jours équivalents temps plein postérieurs au 14 040ième jour de la carrière professionnelle globale sont des jours de travail qui ont été effectivement prestés comme travailleur salarié. Dans ce cas, ces jours équivalents temps plein effectivement prestés sont pris en considération dans le calcul de la pension de retraite.]4
  § 2. [1 (NOTE : ce paragraphe est abrogé au 31 décembre 2011. Il reste cependant d'application :
  1° aux travailleurs, qui, au 31 décembre 2011, ont atteint l'âge de 55 ans, pour le calcul de l'intégralité de leur pension;
  2° aux travailleurs, qui, au 31 décembre 2011, n'ont pas atteint l'âge de 55 ans, uniquement pour le calcul de la pension afférente aux périodes antérieures au 1er janvier 2012.)]1
Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le travailleur qui a été occupé habituellement et en ordre principal comme ouvrier mineur pendant au moins vingt années, peut obtenir une pension de retraite acquise à raison d'un trentième par année civile d'occupation comme ouvrier mineur.
  § 3. [1 (NOTE : ce paragraphe est abrogé au 31 décembre 2011. Il reste cependant d'application :
  1° aux travailleurs, qui, au 31 décembre 2011, ont atteint l'âge de 55 ans, pour le calcul de l'intégralité de leur pension;
  2° aux travailleurs, qui, au 31 décembre 2011, n'ont pas atteint l'âge de 55 ans, uniquement pour le calcul de la pension afférente aux périodes antérieures au 1er janvier 2012.)]1
Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le travailleur peut obtenir une pension de retraite à raison d'un quarantième par année civile d'occupation comme marin.
  § 4. [1 (NOTE : ce paragraphe est abrogé au 31 décembre 2011. Il reste cependant d'application :
  1° aux travailleurs, qui, au 31 décembre 2011, ont atteint l'âge de 55 ans, pour le calcul de l'intégralité de leur pension;
  2° aux travailleurs, qui, au 31 décembre 2011, n'ont pas atteint l'âge de 55 ans, uniquement pour le calcul de la pension afférente aux périodes antérieures au 1er janvier 2012.)]1
Le travailleur visé au § 2 peut obtenir en outre l'application du § 3 à concurrence du nombre d'années civiles les plus avantageuses, qui est égal à la différence entre le nombre 40 et le résultat obtenu en multipliant le nombre d'années d'occupation comme ouvrier mineur par 1,333. Si ce résultat comporte une fraction d'unité, il est arrondi à l'unité immédiatement inférieure.
  Les travailleurs visés aux §§ 2 et 3 peuvent obtenir en outre pour les années d'occupation qui n'ont pas été prises en considération conformément à ces paragraphes, l'application du § 1er, à concurrence du nombre d'années civiles les plus avantageuses, qui est égal à la différence entre le nombre 45 et le résultat obtenu en multipliant le nombre d'années d'occupation visé aux §§ 2 et 3, par 1,5 ou 1,125 selon qu'il s'agit d'une occupation respectivement, soit comme ouvrier mineur, soit comme marin. Si ce résultat comporte une fraction d'unité, il est arrondi à l'unité immédiatement inférieure.
  § 5. [1 (NOTE : ce paragraphe est abrogé au 31 décembre 2011. Il reste cependant d'application :
  1° aux travailleurs, qui, au 31 décembre 2011, ont atteint l'âge de 55 ans, pour le calcul de l'intégralité de leur pension;
  2° aux travailleurs, qui, au 31 décembre 2011, n'ont pas atteint l'âge de 55 ans, uniquement pour le calcul de la pension afférente aux périodes antérieures au 1er janvier 2012.)]1
Par dérogation aux §§ 1er, 2 et 3, le travailleur qui justifie d'au moins 168 mois de service à la mer sous pavillon belge ou luxembourgeois et qui est inscrit au Pool des marins, peut obtenir une pension de retraite qui est acquise à raison d'une fraction, égale à 1/14e par année, des rémunérations proméritées comme marin afférentes aux quatorze années les plus avantageuses prises en considération à raison de 75 ou de 60 p.c. selon la distinction prévue au § 1er.
  Le montant de cette pension de retraite est réduit de 1/45e par année civile pour laquelle il obtient une pension en vertu d'un autre régime ou si, cela lui est plus favorable, du montant de cette dernière pension.
  Cette réduction n'est toutefois pas appliquée si la pension en vertu de l'autre régime a été accordée pour une activité accessoire telle qu'elle est déterminée par le Roi.
  La durée des services en mer est déterminée au moyen des inscriptions au rôle d'équipage.
  En cas d'application du présent paragraphe, l'intéressé ne peut prétendre à une pension en vertu des §§ 1er, 2, 3 et 4 du présent article.
  § 6. [1 (NOTE : ce paragraphe est abrogé au 31 décembre 2011. Il reste cependant d'application :
  1° aux travailleurs, qui, au 31 décembre 2011, ont atteint l'âge de 55 ans, pour le calcul de l'intégralité de leur pension;
  2° aux travailleurs, qui, au 31 décembre 2011, n'ont pas atteint l'âge de 55 ans, uniquement pour le calcul de la pension afférente aux périodes antérieures au 1er janvier 2012.)]1

  Le montant de la pension de retraite du travailleur salarié qui ne totalise pas trente années civiles d'occupation habituelle et en ordre principal en qualité d'ouvrier au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine, mais en compte vingt-cinq au moins, est majorée d'un supplément.
  Ce supplément est égal à la différence entre le montant de la pension de retraite qu'il aurait obtenu s'il avait été effectivement occupé habituellement et en ordre principal au fond des entreprises précitées pendant trente années civiles, et le nombre global des pensions de retraite ou des prestations en tenant lieu auxquelles il peut prétendre en vertu d'un ou de plusieurs régimes visés au § 1er, alinéa 1er, a).
  [5 Le montant du salaire de référence pour le calcul du supplément visé à l'alinéa 1 est égal à 75 % ou 60 %, selon qu'il s'agisse d'un travailleur visé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, a) ou b) de la loi du 20 juillet 1990 (ou à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, a) ou b), du présent arrêté royal), des rémunérations réelles, forfaitaires et fictives indexées des travailleurs salariés visés à l'alinéa 1er relatives à l'avant-dernière année de travail complète au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine.]5
  Le Roi détermine le mode de calcul de la pension de référence.
  § 7. [3 Le travailleur salarié qui tombe sous l'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale et
   a) qui, antérieurement au 1er janvier 2015, a déjà été occupé habituellement en qualité d'ouvrier, d'employé ou d'ouvrier mineur dans un pays limitrophe de la Belgique, à condition qu'il ait conservé sa résidence principale en Belgique et y soit revenu en principe chaque jour;
   b) ou qui, antérieurement au 1er janvier 2015, a déjà été occupé à l'étranger en qualité d'ouvrier ou d'employé, pour des périodes de moins d'un an chacune, pour le compte d'un employeur de ce pays, pour y effectuer un travail saisonnier ou une activité rémunérée y assimilée, à condition qu'il ait conservé sa résidence principale en Belgique et que sa famille ait continué à y résider,
   peut obtenir un complément à la pension de retraite égal à la différence entre le montant de la pension de retraite qu'il aurait obtenu si cette activité en qualité de travailleur salarié avait aussi été exercée en Belgique et ceci pour les périodes de cette activité pour lesquelles une pension légale étrangère est octroyée et le montant total de l'ensemble des pensions légales et des avantages complémentaires, belges et étrangers.
   Ce complément prend cours à la date de prise de cours de la pension légale de retraite obtenue pour la même activité en vertu de la législation du pays d'occupation. Elle n'est payable que si la pension obtenue pour la même activité en vertu de la législation du pays d'occupation est payable.
   La renonciation à la pension légale allouée en vertu de la législation du pays d'occupation vaut renonciation au complément à la pension de retraite visé à l'alinéa 1er.
   Pour l'application du présent paragraphe et de l'article 7, § 5, il y a lieu d'entendre:
   a) par "pension légale", toute pension légale, réglementaire ou statutaire de vieillesse, de retraite, d'ancienneté, de survie ou tout autre avantage tenant lieu de pareille pension à charge d'un régime belge ou étranger de pension ou d'un régime de pension d'une institution internationale.
   b) par "avantage complémentaire", tout avantage belge ou étranger destiné à compléter une pension visée au a), même si celle-ci n'est pas acquise et allouée soit en vertu de dispositions légales, réglementaires ou statutaires, soit en vertu de dispositions découlant d'un contrat de travail, d'un règlement d'entreprise, d'une convention collective ou de secteur, ou d'un instrument y assimilé, qu'il s'agisse d'un avantage périodique ou d'un avantage accordé sous forme d'un capital.
   Sont également considérés comme avantages complémentaires au sens du b):
   1° les rentes acquises par des versements visés par la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, indépendamment de leur origine, payées sous la forme d'un capital;
   2° tout avantage payé à une personne, quel que soit son statut, en exécution d'une promesse individuelle de pension ainsi que la pension complémentaire définie à l'article 42, 1°, de la loi-programme du 24 décembre 2002.]3

  § 8. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, a), le bénéfice, dans le chef d'un des conjoints, d'une ou de plusieurs pensions de retraite ou de survie ou de prestations en tenant lieu, accordées en vertu d'un ou de plusieurs régimes belges, autres que ceux pour les ouvriers, employés, mineurs, marins et travailleurs salariés, en vertu d'un régime d'un pays étranger ou en vertu d'un régime applicable au personnel d'une institution de droit international public ne fait pas obstacle à l'octroi à l'autre conjoint de la pension de retraite calculée en application du § 1er, alinéa 1er, a), du présent article, pour autant que le montant global des pensions susmentionnées et des avantages en tenant lieu du premier conjoint, soit plus petit que la différence entre les montants de la pension de retraite de l'autre conjoint calculés respectivement en application du § 1er, alinéa 1er, b), du présent article.
  Dans ce cas cependant, le montant global des pensions susmentionnées et des prestations en tenant lieu du premier conjoint est déduit du montant de la pension de retraite de l'autre conjoint.
  § 9. (Le Roi peut déterminer les modalités particulières de paiement des pensions dont le montant est inférieur à 86,32 euros par an à l'indice 103,14 (base 1996 = 100).) Ce montant est lié (à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100)) et varie conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. <AR 2001-12-11/45, art. 33, 005; En vigueur : 01-01-2002> <L 2006-12-27/30, art. 293, 009; En vigueur : 07-01-2007>
  
Art.6. § 1. In afwijking van artikel 5, § 1, tweede lid wordt, wat de vrouwelijke gerechtigden betreft, het getal 45 vervangen door het getal :
  - 41 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999;
  - 42 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002;
  - 43 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005;
  - 44 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008.
  § 2. De Koning kan de in artikel 5, § 4, van dit besluit bedoelde vermenigvuldigingscoëfficiënten voor de vrouwelijke gerechtigden aanpassen teneinde ze in overeenstemming te brengen met de in § 1 vermelde getallen.
Art.6. § 1. Par dérogation à l'article 5, § 1er, alinéa 2, le nombre 45 est remplacé , quant aux ayants droit féminins, par le nombre :
  - 41 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
  - 42 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
  - 43 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
  - 44 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
  § 2. Le Roi peut, en ce qui concerne les ayants droit féminins, adapter les coefficients prévus dans l'article 5, § 4, du présent arrêté, en vue de les faire correspondre aux nombres cités dans le § 1er.
Afdeling 2- Het overlevingspensioen.
Section 2. - La pension de survie.
Art.7. § 1. Indien de echtgenoot vóór de ingangsdatum van zijn rustpensioen is overleden, is het overlevingspensioen gelijk aan 80 t.h. van het bedrag van het rustpensioen berekend overeenkomstig art. 5, § 1, eerste lid a), van dit besluit dat aan de echtgenoot overeenkomstig dit besluit zou zijn toegekend.
  Evenwel wordt voor ieder jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling vóór 1955, dat in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van het rustpensioen, rekening gehouden met een forfaitair loon van 85.500 frank.
  De breuk die met elk kalenderjaar overeenstemt, heeft als teller de eenheid en als noemer het aantal kalenderjaren, begrepen in de periode ingaande op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag en eindigend op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan dat van het overlijden, zonder dat de noemer van die breuk evenwel hoger mag zijn dan 45.
  [2 Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten dat de loopbaan bevat hoger is dan het aantal dat verkregen wordt door 312 voltijdse dagequivalenten met de noemer van de breuk te vermenigvuldigen, worden de voltijdse dagequivalenten die recht geven op het voordeligste pensioen in aanmerking genomen tot beloop van het door deze vermenigvuldiging verkregen resultaat. Wanneer het pensioen van de overleden echtgenoot werd berekend op basis van één of meerdere breuken met een noemer lager dan de noemer bedoeld in het derde lid wordt het aantal voltijdse dagequivalenten betreffende elke noemer vermenigvuldigd met de verhouding tussen de hoogste noemer en de lagere noemer.]2
  [2 De vermindering van de beroepsloopbaan betreft bij voorrang de voltijdse dagequivalenten die recht openen op het minst voordelige pensioen. Het aantal in mindering te brengen dagen kan echter het aantal niet overschrijden dat verkregen wordt door het derde van de noemer van de breuk te vermenigvuldigen met 104. Deze dagen worden als volgt bepaald :
   1° het pensioen verleend voor elk kalenderjaar wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten in aanmerking genomen voor het desbetreffende jaar teneinde hun aandeel in het pensioen te bepalen;
   2° het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel worden verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen berekend per dag het minst voordelig is;
   3° wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten van het kalenderjaar bedoeld in de bepaling onder 2° lager is dan het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten, wordt het overblijvend aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen voortaan het minst voordelig is;
   4° er wordt één voor één beroep gedaan op de kalenderjaren waarvan het aandeel in het pensioen het minst voordelig wordt voor zover het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten van de beroepsloopbaan niet bereikt is.]2

  [5 De beperking van de loopbaan bedoeld in het vierde lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de overleden werknemer meer voltijdse dagequivalenten bevat dan het maximum aantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in het vierde lid en de voltijdse dagequivalenten na dit maximum aantal voltijdse dagequivalenten arbeidsdagen zijn die daadwerkelijk gepresteerd zijn als werknemer door de overleden echtgenoot. In dit geval worden deze dagen in aanmerking genomen in de berekening van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot.]5
  Wanneer het rustpensioen overeenkomstig artikel 5, § 2, wordt berekend op grond van de loopbaan van een in artikel 5, § 6, beoogde werknemer wordt het overlevingspensioen met een supplement verhoogd. Dat supplement is gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het overlevingspensioen dat zou toegekend geweest zijn indien de werknemer daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning zou hebben gewerkt en het globale bedrag van de overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen waarop de langstlevende echtgenoot krachtens één of meer van de in artikel 5, § 1, eerste lid, a), bedoelde regelingen aanspraak kan maken.
  Voor de berekening van het rustpensioen overeenkomstig artikel 5, § § 2 en 3, wordt rekening gehouden met de breuk zoals bepaald in het derde lid indien dit voor de langstlevende echtgenoot voordeliger is.
  Het totaal van de breuken bedoeld in artikel 5, §§ 1, 2 en 3 wordt tot de eenheid beperkt.
  Indien de echtgenoot vóór 1 januari van het jaar van zijn eenentwintigste verjaardag overleden is, is het bedrag van het rustpensioen dat tot basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen gelijk aan :
  a) 64.125 frank indien de langstlevende echtgenoot bewijst dat de overleden echtgenoot gewoonlijk en hoofdzakelijk tewerkgesteld is geweest in de zin van het koninklijk besluit nr. 50 gedurende één kalenderjaar vóór 1955 of bewijst dat de overleden echtgenoot op het ogenblik van het overlijden in de zin van dat besluit was tewerkgesteld;
  b) 75% van het bedrag van de lonen van de overleden echtgenoot bedoeld bij artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 50 en die betrekking hebben op het voordeligste van de kalenderjaren die aan dat van het overlijden voorafgaan, indien de wijze van berekening bedoeld bij a) niet kan worden toegepast of minder voordelig is.
  De bepalingen van het vorig lid zijn niet van toepassing wanneer de langstlevende echtgenoot een ander overlevingspensioen of een als zodanig geldende uitkering geniet.
  Het krachtens deze paragraaf toegekend overlevingspensioen wordt beperkt tot het produkt van de vermenigvuldiging van de breuk die gediend heeft voor de berekening van het overlevingspensioen, met het bedrag van het rustpensioen berekend tegen het bedrag bepaald bij artikel 5, § 1, eerste lid, a), dat de echtgenoot zou verkregen hebben indien hij op de dag van zijn overlijden [4 de in artikel 2, § 1 bedoelde pensioenleeftijd]4 had bereikt en het bewijs had geleverd van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als werknemer gedurende 45 jaren.
  Dit referentiepensioen wordt per kalenderjaar, berekend naar rata van 1/45e :
  a) van de werkelijke, fictieve en forfaitaire lonen die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het overlevingspensioen, voor zover zij betrekking hebben op de jaren van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling;
  b) van het forfaitair loon bedoeld bij artikel 9bis van het koninklijk besluit nr. 50 voor een aantal jaren gelijk aan het verschil tussen 45, en het aantal jaren bedoeld onder a).
  De artikelen 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 en 33 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector zijn niet van toepassing op dit referentiepensioen.
  § 2. [1 Indien de echtgenoot na de ingangsdatum van zijn rustpensioen is overleden, is het overlevingspensioen gelijk aan 80 % van het aan de overleden echtgenoot in de maand van overlijden betaalbare bedrag van het rustpensioen dat hem overeenkomstig de wet van 20 juli 1990, krachtens het koninklijk besluit nr. 50 of krachtens dit besluit was toegekend en dat, in voorkomend geval, wordt omgerekend naar het bedrag bepaald bij artikel 5, § 1, eerste lid, a), en zonder dat eventueel de vermindering wegens vervroeging wordt toegepast.]1
  § 3. [1 ...]1.
  [1 § 3.]1 (vroegere § 4) Voor de toepassing van [1 § 2]1 van dit artikel is het bedrag van het rustpensioen dat tot basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen gelijk aan het bedrag van het rustpensioen dat de echtgenoot zou hebben bekomen indien hij zijn pensioen zou hebben genoten tot op de ingangsdatum van het overlevingspensioen. [1 ...]1.
  [1 § 4.]1 (vroegere § 5) Voor de berekening van het overlevingspensioen dat aan de langstlevende echtgenoot van een afgevaardigde-werkman bij het toezicht in de steenkolenmijnen kan worden verleend, wordt geen rekening gehouden met de perioden van tewerkstelling in deze hoedanigheid van de overleden echtgenoot, die in aanmerking worden genomen voor het verlenen van een overlevingspensioen ten laste van de Staat.
  [1 § 5.]1 (vroegere § 6) [3 In afwijking van de §§ 1 tot 4 en voor de perioden van activiteit bedoeld in artikel 5, § 7, kan de langstlevende echtgenoot van de werknemer een aanvulling op het overlevingspensioen verkrijgen die gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van het overlevingspensioen dat hij zou verkrijgen indien deze activiteit in de hoedanigheid van werknemer eveneens in België was uitgeoefend en het totale bedrag van het geheel van Belgische en buitenlandse wettelijke pensioenen en aanvullende voordelen in de zin van artikel 5, § 7.
   De verzaking aan het wettelijk pensioen toegekend krachtens de wetgeving van het land van tewerkstelling geldt als verzaking aan de in het eerste lid bedoelde aanvulling op het overlevingspensioen.]3

  [1 § 6.]1 (vroegere § 7) Indien het om een mannelijke gerechtigde gaat wordt in de § 1, lid 3 van dit artikel het getal 45 vervangen door het getal :
  (1° 41 wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 31 december 1999 heeft voorgedaan;
  2° 42 wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 31 december 2002 heeft voorgedaan;
  3° 43 wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 31 december 2005 heeft voorgedaan;
  4° 44 wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 31 december 2008 heeft voorgedaan.) <KB 1997-04-23/37, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  De Koning bepaalt de berekeningswijze van het referentiepensioen bedoeld in § 1, leden 10 en 11 van dit artikel met betrekking tot de overlevingspensioenen voor mannelijke gerechtigden voor wie het overlevingspensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 2008.
  
Art.7. § 1.- Lorsque le conjoint est décédé avant la prise de cours de sa pension de retraite, la pension de survie est égale à 80 p.c. du montant de la pension de retraite, calculé au taux prévu à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, a), du présent arrêté qui aurait été accordée au conjoint en application de cet arrêté.
  Toutefois, il est tenu compte d'une rémunération forfaitaire de 85.500 francs, pour chaque année d'occupation habituelle et en ordre principal, antérieure à 1955, qui peut être prise en considération pour le calcul de la pension de retraite.
  La fraction accordée pour chaque année civile a pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre d'années civiles comprises dans la période prenant cours le 1er janvier de l'année du vingtième anniversaire et se terminant le 31 décembre de l'année qui précède celle du décès, sans que le dénominateur de cette fraction puisse être supérieur a 45.
  [2 Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein que la carrière comporte est supérieur au nombre obtenu en multipliant 312 jours équivalents temps plein par le dénominateur de la fraction, les jours équivalents temps plein donnant droit à la pension la plus avantageuse sont pris en considération, à concurrence du résultat de cette multiplication. Lorsque la pension du conjoint décédé est calculée sur base d'une ou plusieurs fractions ayant un dénominateur inférieur au dénominateur visé à l'alinéa 3, le nombre de jours équivalents temps plein relatif à chaque dénominateur est multiplié par le rapport entre le dénominateur le plus élevé et le dénominateur inférieur.]2
  [2 La réduction de la carrière professionnelle affecte par priorité les jours équivalents temps plein qui ouvrent le droit à la pension la moins avantageuse. Le nombre de jours à déduire ne peut toutefois pas excéder le nombre obtenu en multipliant par 104 le tiers du dénominateur de la fraction. Ces jours sont déterminés comme suit :
   1° la pension accordée pour chaque année civile est divisée par le nombre de jours équivalents temps plein pris en considération pour l'année concernée afin de déterminer leur apport en pension;
   2° le nombre de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension correspondant sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension calculé par jour est le moins avantageux;
   3° lorsque le nombre de jours équivalents temps plein de l'année civile visée au 2° est inférieur au nombre de jours équivalents temps plein à déduire, le nombre excédentaire de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension est désormais le moins avantageux;
   4° il est fait appel au fur et à mesure aux années civiles dont l'apport en pension devient le moins avantageux tant que le nombre de jours équivalents temps plein à déduire de la carrière professionnelle n'est pas atteint.]2

  [5 La limitation de la carrière visée à l'alinéa 4 n'est pas applicable lorsque la carrière professionnelle globale du travailleur salarié décédé comporte plus de jours équivalents temps plein que le nombre de jours équivalents temps plein maximum visé à l'alinéa 4 et que les jours équivalents temps plein postérieurs à ce nombre maximum de jours équivalents temps plein sont des jours de travail qui ont été effectivement prestés comme travailleur salarié par le conjoint décédé. Dans ce cas, ces jours sont pris en considération dans le calcul de la pension de survie du conjoint survivant.]5
  Lorsque la pension de retraite est calculée, conformément à l'article 5, § 2, sur la base de la carrière d'un travailleur visé à l'article 5, § 6, le montant de la pension de survie est majoré d'un supplément. Ce supplément est égal à la différence entre le montant de la pension de survie qui aurait été accordé si le travailleur avait effectivement travaillé habituellement et en ordre principal au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine durant trente années civiles et le montant global de la pension de survie ou des prestations en tenant lieu auxquelles le conjoint survivant peut prétendre en vertu d'un ou de plusieurs régimes visés à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, a).
  Pour le calcul de la pension de retraite conformément à l'article 5, § § 2 et 3, il est tenu compte de la fraction déterminée selon l'alinéa 3 si cela est plus favorable au conjoint survivant.
  Le total des fractions visées à l'article 5, §§ 1er, 2 et 3 est limité à l'unité.
  Lorsque le mari est décédé avant le 1er janvier de l'année de son 21e anniversaire, le montant de la pension de retraite servant de base au calcul de la pension de survie est égal à :
  a) 64.125 francs si le conjoint survivant prouve que son époux a été occupé habituellement et en ordre principal au sens de l'arrêté royal n° 50 au cours d'une année civile antérieure à 1955 ou que ledit époux était occupé au sens de cet arrêté au moment du décès;
  b) 75% du montant des rémunérations du conjoint décédé, visées à l'article 7 de l'arrêté royal n° 50 et afférentes à la plus avantageuse des années civiles antérieures à celle du décès, si le mode de calcul visé au a) ne peut être appliqué ou est moins favorable.
  Les dispositions de l'alinéa précédent ne sont pas applicables lorsque le conjoint survivant bénéficie d'une autre pension de survie ou d'une allocation en tenant lieu.
  La pension de survie accordée en application du présent paragraphe est limitée au produit de la multiplication de la fraction ayant servi de base au calcul de la pension de survie, avec le montant de la pension de retraite calculé au taux prévu à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, a), que le conjoint aurait obtenu s'il avait atteint [4 l'âge de la pension visé à l'article 2, § 1er]4 le jour de son décès et s'il avait fourni la preuve d'une occupation habituelle et en ordre principal comme travailleur salarié pendant 45 ans.
  Cette pension de référence est calculée par année civile à raison de 1/45e :
  a) des rémunérations réelles, fictives et forfaitaires qui ont été prises en considération pour le calcul de la pension de survie, pour autant qu'elles se rapportent à des années d'occupation habituelle et en ordre principal;
  b) de la rémunération forfaitaire prévue à l'article 9bis de l'arrêté royal n° 50 pour un nombre d'années égal à la différence entre 45 et le nombre d'années visé au a).
  Les articles 152 de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980 et 33 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social ne sont pas applicables à cette pension de référence.
  § 2. [1 Lorsque le conjoint est décédé après la date de prise de cours de sa pension de retraite, la pension de survie est égale à 80 % du montant de la pension de retraite payable au conjoint décédé le mois du décès, qui lui était accordée conformément à la loi du 20 juillet 1990, en vertu de l'arrêté royal n° 50 ou en vertu du présent arrêté et qui, le cas échéant, est convertie au montant fixé à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, a), et sans que soit éventuellement appliquée la réduction pour cause d'anticipation.]1
  § 3. [1 ...]1.
  [1 § 3.]1 (ancien § 4) Pour l'application [1 du § 2]1 du présent article, le montant de la pension de retraite servant de base au calcul de la pension de survie est égal au montant de la pension de retraite que le conjoint aurait obtenu s'il avait bénéficié de sa pension jusqu'à la date de prise de cours de la pension de survie. [1 ...]1.
  [1 § 4.]1 (ancien § 5) Pour le calcul de la pension de survie qui peut être accordée au conjoint survivant d'un délégué-ouvrier à l'inspection des mines de houille, il n'est pas tenu compte des périodes d'occupation en cette qualité du conjoint décédé qui sont prises en considération pour l'octroi d'une pension de survie à charge de l'Etat.
  [1 § 5.]1 (ancien § 6) [3 Par dérogation aux §§ 1er à 4 et pour les périodes d'activité visées à l'article 5, § 7, le conjoint survivant du travailleur peut obtenir un complément à la pension de survie égal à la différence entre le montant de la pension de survie qu'il aurait obtenu si cette activité en qualité de travailleur salarié avait aussi été exercée en Belgique et le montant total de l'ensemble des pensions légales et des avantages complémentaires belges et étrangers, au sens de l'article 5, § 7.
   La renonciation à la pension légale allouée en vertu de la législation du pays d'occupation vaut renonciation au complément à la pension de survie visé à l'alinéa 1er.]3

  [1 § 6.]1 (ancien § 7). S'il s'agit d'un bénéficiaire masculin, le nombre 45 dans le § 1er, alinéa 3 du présent article, est remplacé par le nombre :
  (1° 41, lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 31 décembre 1999;
  2° 42, lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 31 décembre 2002;
  3° 43, lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 31 décembre 2005;
  4° 44, lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 31 décembre 2008.) <AR 1997-04-23/37, art. 6, 003; En vigueur : 01-07-1997>
  Le Roi fixe le mode de calcul de la pension de référence visée au § 1er, alinéas 10 et 11 du présent article, se rapportant aux pensions de survie pour les bénéficiaires masculins pour qui la pension de survie prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 2008.
  
Afdeling 3. [1 - De overgangsuitkering.]1
Section 3. [1 - L'allocation de transition.]1
Art. 7bis. [1 § 1. Voor elk bewezen kalenderjaar van tewerkstelling in hoofde van de overleden werknemer, tot en met het jaar van zijn overlijden zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen ontving of het jaar waarin zijn rustpensioen ingaat zo hij reeds een rustpensioen ontving bij zijn overlijden, wordt het recht op de overgangsuitkering verkregen ten belope van een breuk van het totaal van de werkelijke, fictieve en forfaitaire brutolonen van de overleden werknemer bedoeld in de artikelen 7, 8 en 9bis van het koninklijk besluit nr. 50, aangepast overeenkomstig artikel 29bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 50 en verkregen door de werknemer tot de laatste dag van de maand voorafgaand ofwel aan zijn overlijden ofwel aan de maand van de ingang van zijn rustpensioen. Dit recht op de overgangsuitkering wordt berekend aan het percentage voorzien in artikel 5, § 1, eerste lid, b), van dit besluit.
   De toegekende breuk heeft als teller de eenheid en als noemer het aantal kalenderjaren begrepen in de periode die ingaat op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden werknemer en die eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat ofwel aan dit van het overlijden zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen ontving ofwel aan dit waarin zijn rustpensioen ingaat zo hij reeds een rustpensioen ontving bij zijn overlijden.
   Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten dat de loopbaan van de overleden werknemer bevat, hoger is dan het aantal dat bekomen wordt door de noemer van de breuk met 312 voltijdse dagequivalenten te vermenigvuldigen, worden de voltijdse dagequivalenten die recht geven op de voordeligste uitkering per kalenderjaar in aanmerking genomen tot beloop van het door deze vermenigvuldiging bekomen resultaat. De verwijdering van de overtollige dagen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 7, § 1, vijfde lid. [3 De beperking van de loopbaan is echter niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de overleden werknemer meer voltijdse dagequivalenten bevat dan het maximum aantal voltijdse dagequivalenten en de voltijdse dagequivalenten na dit maximum aantal voltijdse dagequivalenten arbeidsdagen zijn die daadwerkelijk gepresteerd zijn als werknemer door de overleden echtgenoot; in dit geval worden deze dagen in aanmerking genomen in de berekening van de overgangsuitkering van de langstlevende echtgenoot.]3
   [2 Indien de echtgenoot vóór 1 januari van het jaar van zijn eenentwintigste verjaardag overleden is en tewerkgesteld was in de zin van het koninklijk besluit nr. 50 op het ogenblik van zijn overlijden, is het bedrag van de overgangsuitkering gelijk aan 60 % :
   - 1° van het bedrag van de lonen van de overleden echtgenoot bedoeld bij artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 50 en die betrekking hebben op het voordeligste van de kalenderjaren;
   - 2° van het in artikel 8, § 1, eerste lid, bedoelde forfaitaire loon indien de berekeningswijze bepaald bij de bepaling onder 1° niet kan worden toegepast of minder voordelig is.]2

   De bepalingen van het vierde lid zijn niet van toepassing wanneer de langstlevende echtgenoot van een overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid geniet.
   [2 ...]2
   § 2. [2 Indien, in afwijking van § 1, eerste lid, het jaarloon voor een loopbaanjaar van de overleden werknemer, geherwaardeerd op de ingangsdatum van de overgangsuitkering, lager is, per jaar, dan het in artikel 8, § 1, eerste lid bedoelde bedrag, wordt de overgangsuitkering berekend op basis van dit bedrag voor het betrokken jaar. Dit bedrag wordt geproratiseerd in functie van de bewezen duur van tewerkstelling, uitgedrukt in voltijdse dagequivalenten.]2
   Het eerste lid is niet van toepassing op de overgangsuitkering gebaseerd op de prestaties bedoeld in artikel 3ter, zoals van kracht vóór zijn opheffing bij het koninklijk besluit van 9 juli 1997, en in artikel 7 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
   [2 ...]2
   [2 ...]2
   § 3. [4 Zijn van toepassing op de overgangsuitkering:
   1° artikel 7, § 1, achtste en negende lid, en § 5;
   2° artikel 153 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980;
   3° de artikelen 34 en 34bis van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector]4

   § 4. [4 Artikel 8 is niet van toepassing op de overgangsuitkering.]4]1

  
Art. 7bis. [1 § 1er. Pour chaque année civile d'occupation prouvée dans le chef du travailleur décédé, jusque et y compris l'année de son décès s'il ne bénéficiait pas d'une pension de retraite au moment de son décès ou l'année de prise de cours de la pension de retraite s'il bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite, le droit à l'allocation de transition est acquis à raison d'une fraction du total des rémunérations brutes réelles, fictives et forfaitaires du travailleur décédé visées aux articles 7, 8 et 9bis de l'arrêté royal n° 50, adaptées conformément à l'article 29bis, § 1er, de l'arrêté royal n° 50 et perçues par le travailleur jusqu'au dernier jour du mois précédant soit son décès soit le mois de prise de cours de sa pension de retraite. Ce droit à l'allocation de transition est calculé au taux prévu à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, b), du présent arrêté.
   La fraction accordée a pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre d'années civiles comprises dans la période prenant cours le 1er janvier de l'année du vingtième anniversaire du travailleur décédé et se terminant le 31 décembre de l'année qui précède soit celle du décès, s'il ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite soit celle de la prise de cours de sa pension de retraite s'il bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite.
   Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein que comporte la carrière du travailleur décédé est supérieur au nombre obtenu en multipliant le dénominateur de la fraction par 312 jours équivalents temps plein, les jours équivalents temps plein donnant droit à la prestation la plus avantageuse par année civile, sont pris en considération à concurrence du résultat de cette multiplication. L'élimination des jours excédentaires s'effectue conformément à l'article 7, § 1er, alinéa 5. [3 Cependant, la limitation de la carrière n'est pas applicable lorsque la carrière professionnelle globale du travailleur salarié décédé comporte plus de jours équivalents temps plein que le nombre de jours équivalents temps plein maximum et que les jours équivalents temps plein postérieurs à ce nombre maximum de jours équivalents temps plein sont des jours de travail qui ont été effectivement prestés comme travailleur salarié par le conjoint décédé; dans ce cas, ces jours sont pris en considération dans le calcul de l'allocation de transition du conjoint survivant.]3
   [2 Lorsque le conjoint est décédé avant le 1er janvier de l'année de son vingt-et-unième anniversaire et était occupé au sens de l'arrêté royal n° 50 au moment de son décès, le montant de l'allocation de transition est égal à 60 % :
   - 1° du montant des rémunérations du conjoint décédé visées à l'article 7 de l'arrêté royal n° 50 et afférentes à la plus avantageuse des années civiles;
   - 2° du montant forfaitaire visé à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, si le mode de calcul prévu au 1° ne peut être appliqué ou est moins favorable.]2

   Les dispositions de l'alinéa 4 ne sont pas applicables lorsque le conjoint survivant bénéficie d'une pension de survie ou d'un avantage en tenant lieu par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère.
   [2 ...]2
   § 2. [2 Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, si la rémunération annuelle, pour une année de carrière du travailleur décédé, réévaluée à la date de prise de cours de l'allocation de transition est inférieure, par an, au montant visé à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, l'allocation de transition est calculée sur la base de ce montant pour l'année considérée. Ce montant est fixé au prorata de la durée d'occupation prouvée exprimée en jours équivalents temps plein.]2
   L'alinéa 1er n'est pas applicable à l'allocation de transition fondée sur des prestations visées à l'article 3ter, tel qu'en vigueur avant son abrogation par l'arrêté royal du 9 juillet 1997 et l'article 7 de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
   [2 ...]2
   [2 ...]2
   § 3. [4 Sont applicables à l'allocation de transition:
   1° l'article 7, § 1er, alinéas 8 et 9, et § 5;
   2° l'article 153 de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980;
   3° les articles 34 et 34bis de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social.]4

   § 4. [4 L'article 8 n'est pas applicable à l'allocation de transition.]4]1

  
HOOFDSTUK IV- Het minimumrecht per loopbaanjaar.
CHAPITRE IV. - Droit minimum par année de carrière.
Art. 8. § 1. Indien het loon, geherwaardeerd op de ingangsdatum van het pensioen, en desgevallend omgerekend naar een tewerkstelling die met een volledige arbeidsregeling overeenstemt lager is dan [1 [4 [6 18.450,12 euro]6]4]1 per jaar, wordt het pensioen voor het betrokken kalenderjaar, waarvoor er tenminste een tewerkstelling die overeenstemt met (één derde) van een volledige arbeidsregeling is bewezen, berekend op dit bedrag, en dit voor zover de rechthebbende : <KB 1997-03-21/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <KB 2001-12-11/45, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° een tewerkstelling in hoedanigheid van werknemer bewijst gedurende tenminste 15 kalenderjaren en voor elk van die jaren wordt aangetoond dat de tewerkstelling met tenminste de helft van een voltijdse arbeidsregeling overeenstemt en
  2° geen aanspraak kan maken op een pensioenbedrag dat, naargelang het pensioen overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, § 1, eerste lid, a) of b) van dit besluit werd berekend, hoger is dan respectievelijk [5 [6 15.378,71 euro]6]5 of [5 [6 12.302,96 euro]6]5 per jaar. Deze bedragen worden geproratiseerd in functie van de weerhouden loopbaanbreuk.
  Het in het vorig lid eerstgenoemde bedrag wordt geproratiseerd in functie van de bewezen duur van tewerkstelling.
  § 2. De vaststelling van de in de eerste paragraaf, eerste lid, 1° bedoelde kalenderjaren geschiedt na de toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50.
  § 3. De toekenning van het minimumrecht per loopbaanjaar kan niet tot gevolg hebben dat het toegekende pensioen, naar gelang het geval, hoger is dan de in de eerste paragraaf, eerste lid, 2°, bedoelde bedragen.
  § 4. Ingeval van herziening van het pensioen blijven de op de eerste ingangsdatum van het pensioen van kracht zijnde bedragen, bedoeld in de eerste paragraaf en geherwaardeerd tot op de ingangsdatum van de herziening, van toepassing.
  § 5. Het in de eerste paragraaf, eerste lid, bedoelde loon stemt overeen met twaalf maal het gemiddeld minimum maandinkomen van (1 095,92 EUR aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)), zoals vastgesteld in artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 19 juli 1989. Dit bedrag wordt aangepast telkens het bedrag bedoeld in artikel 3 van de genoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 verhoogt of telkens een verhoging optreedt ingevolge de vaststelling van een nieuw gemiddeld minimum maandinkomen met intersectoriële draagwijdte en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit. De aanpassing gaat in de eerste dag van de twaalfde maand volgend op deze wijziging. <KB 2001-12-11/45, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 6. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de pensioenen toegekend krachtens de artikelen 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 en 79 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het Algemeen Reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen.
  § 7. De Koning kan :
  1° bepalen wat onder een tewerkstelling die met (één derde) van een voltijdse arbeidsregeling overeenstemt, moet worden verstaan; <KB 1997-03-21/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  2° andere perioden bepalen dan deze bedoeld in § 6 die niet in aanmerking worden genomen;
  3° de modaliteiten bepalen waaronder (de duur van de tewerkstelling) wordt bewezen; <KB 2002-11-05/43, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  4° de modaliteiten bepalen waarop het in de eerste paragraaf, eerste lid, bedoelde bedrag van (13 151,04 EUR), in functie van de bewezen duur van de tewerkstelling wordt geproratiseerd; <KB 2001-12-11/45, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  5° met betrekking tot de vaststelling van de in de eerste paragraaf, eerste lid, 1° bedoelde duur van tewerkstelling bijzondere regels voor het overlevingspensioen bepalen.
  § 8. De in § 1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld (aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)) en evolueren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. <KB 2001-12-11/45, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 9. De Koning kan, na advies van het Beheerscomité [3 van de Federale Pensioendienst]3 op basis van de jaarlijkse evaluatie van het stelsel van het minimumrecht per loopbaanjaar, bij in Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden bedoeld in § 1 van dit artikel wijzigen.
  (§ 10. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het Beheerscomité [3 van de Federale Pensioendienst]3 :
  1° de in § 1 van dit artikel bedoelde bedragen en pensioenbedragen verhogen;
  2° de modaliteiten van de in § 1, eerste lid, 1°, vermelde duur van de loopbaan vaststellen;
  3° het toepassingsgebied van dit artikel uitbreiden tot loopbaanjaren opgebouwd in andere pensioenregelingen.) <W 2005-12-23/30, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 30-12-2005; van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 oktober 2006>
Art.8. § 1. Si la rémunération annuelle, réévaluée à la date de prise de cours de la pension et éventuellement portée a un montant de rémunération correspondant à un régime de travail à temps plein, est inférieure à [1 [4 [6 18.450,12]6]4]1 par an, la pension est calculée sur la base de ce montant pour l'année considérée pour laquelle au moins une occupation correspondant (au tiers) d'un régime de travail à temps plein est prouvé, et ceci pour autant que l'ayant droit : <AR 1997-03-21/31, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-1997> <AR 2001-12-11/45, art. 34, 005; En vigueur : 01-01-2002>
  1° justifie d'une occupation en qualité de travailleur salarié, durant au minimum 15 années civiles et que cette occupation pour chacune d'entre elles corresponde au moins à la moitie d'un régime de travail à temps plein et
  2° ne puisse prétendre à un montant de pension qui, selon qu'elle soit calculée en application de l'article 5, § 1er, alinéa 1er, a) ou b), du présent arrêté, ne soit pas supérieur respectivement à [5 [6 15.378,71 euros]6]5 ou [5 [6 12.302,96 euros]6]5 par an. Les montants sont fixés au prorata de la fraction de la carrière retenue.
  Le montant cité en premier lieu à l'alinéa précédent est fixé au prorata de la durée d'occupation prouvée.
  § 2. La détermination du nombre d'années civiles visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, s'effectue après application de l'article 10bis de l'arrêté royal n° 50.
  § 3. L'application du droit minimum par année de carrière ne peut avoir pour effet que la pension allouée soit supérieure, selon le cas, aux montants visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°.
  § 4. En cas de révision de la pension, les montants visés au paragraphe 1er et réévalues à la date d'effet de la révision, restent ceux qui étaient en vigueur lors de la première prise de cours de la pension.
  § 5. Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er correspond à douze fois le revenu minimum mensuel moyen de (1 095,92 EUR à l'index-pivot 103,14 (base 1996 = 100)) tel qu'il est fixé dans l'article 3 de la convention collective n° 43 du 2 mai 1988 portant modification et coordination des conventions collectives de travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 19 juillet 1989. Ce montant est adapté chaque fois que le montant visé a l'article 3 de la convention collective n° 43 du 2 mai 1988 est augmenté ou chaque fois qu'une augmentation résulte de la fixation d'un nouveau revenu minimum mensuel avec portée intersectorielle et rendue obligatoire par arrêté royal. L'adaptation prend effet le premier jour du douzième mois suivant cette modification. <AR 2001-12-11/45, art. 34, 005; En vigueur : 01-01-2002>
  § 6. Les dispositions du présent article ne sont pas applicables aux pensions accordées en vertu des articles 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 et 79 de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant Règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
  § 7. Le Roi peut :
  1° déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par une occupation qui correspond (au tiers) d'un régime de travail à temps plein; <AR 1997-03-21/31, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-1997>
  2° déterminer d'autres périodes que celles visées au § 6 qui ne peuvent être prises en considération;
  3° déterminer les modalités selon lesquelles est administrée la preuve (de la durée de l'occupation); <AR 2002-11-05/43, art. 17, 006; En vigueur : 01-01-2003>
  4° déterminer les modalités suivant lesquelles le montant de (13 151,04 EUR) visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est fixé, proportionnellement à la durée d'occupation prouvée; <AR 2001-12-11/45, art. 34, 005; En vigueur : 01-01-2002>
  5° fixer des règles particulières relatives à la détermination de la durée de l'occupation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, pour une pension de survie.
  § 8. Les montants visés au paragraphe 1er sont liés (à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100)) et évoluent conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. <AR 2001-12-11/45, art. 34, 005; En vigueur : 01-01-2002>
  § 9. Le Roi peut, après avis du Comité de Gestion [3 du Service fédéral des Pensions]3, qui établit annuellement une évaluation de ce système de droit minimum, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les conditions visées au § 1er du présent article.
  (§ 10. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de Gestion [3 du Service fédéral des Pensions]3 :
  1° majorer les montants et les montants de pension visés au § 1er du présent article;
  2° déterminer les modalités concernant la durée de la de carrière visé au § 1er, alinéa 1er, 1°;
  3° étendre le champ d'application à des années de carrière constituées dans d'autres régimes de pension.) <L 2005-12-23/30, art. 11, 008; En vigueur : 30-12-2005; s'applique aux pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er octobre 2006.>
(NOTA : art. 8, § 1, eerste lid, 2° gewijzigd in de toekomst door KB 2021-08-06/07, art. 5
   2° door de bedragen van 15.745,23 euro en 12.596,17 euro met ingang van 1 januari 2023 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2023 ingaan;
   3° door de bedragen van <span class="reference text-[var(--ref-7)
]" data-controller="reference-highlight" data-ref-number="7" data-action="mouseenter->reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight">[7 16.441,83 euro]7 en [7 13.153,46 euro]7 met ingang van 1 januari 2024 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2024 ingaan.)
  
(NOTE : art. 8 , § 1er, alinéa 1er, 2° modifié dans le futur par AR 22021-08-06/07, art. 5,   2° avec effet au 1er janvier 2023 par les montants de 15.745,23 euros et de 12.596,17 euros pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2023;   3° avec effet au 1er janvier 2024 par les montants de [7 16.441,83 euros]7 et de [7 13.153,46 euros]7 pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2024.)  
  
Art.8 TOEKOMSTIG RECHT.    § 1. Indien het loon, geherwaardeerd op de ingangsdatum van het pensioen, en desgevallend omgerekend naar een tewerkstelling die met een volledige arbeidsregeling overeenstemt lager is dan [8 18.819,12 euro]8 per jaar, wordt het pensioen voor het betrokken kalenderjaar, waarvoor er tenminste een tewerkstelling die overeenstemt met (één derde) van een volledige arbeidsregeling is bewezen, berekend op dit bedrag, en dit voor zover de rechthebbende : <KB 1997-03-21/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1997> <KB 2001-12-11/45, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° een tewerkstelling in hoedanigheid van werknemer bewijst gedurende tenminste 15 kalenderjaren en voor elk van die jaren wordt aangetoond dat de tewerkstelling met tenminste de helft van een voltijdse arbeidsregeling overeenstemt en
  2° geen aanspraak kan maken op een pensioenbedrag dat, naargelang het pensioen overeenkomstig de bepalingen van artikel 5, § 1, eerste lid, a) of b) van dit besluit werd berekend, hoger is dan respectievelijk [5 [6 15.378,71 euro]6]5 of [5 [6 12.302,96 euro]6]5 per jaar. Deze bedragen worden geproratiseerd in functie van de weerhouden loopbaanbreuk.
  Het in het vorig lid eerstgenoemde bedrag wordt geproratiseerd in functie van de bewezen duur van tewerkstelling.
  § 2. De vaststelling van de in de eerste paragraaf, eerste lid, 1° bedoelde kalenderjaren geschiedt na de toepassing van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50.
  § 3. De toekenning van het minimumrecht per loopbaanjaar kan niet tot gevolg hebben dat het toegekende pensioen, naar gelang het geval, hoger is dan de in de eerste paragraaf, eerste lid, 2°, bedoelde bedragen.
  § 4. Ingeval van herziening van het pensioen blijven de op de eerste ingangsdatum van het pensioen van kracht zijnde bedragen, bedoeld in de eerste paragraaf en geherwaardeerd tot op de ingangsdatum van de herziening, van toepassing.
  § 5. Het in de eerste paragraaf, eerste lid, bedoelde loon stemt overeen met twaalf maal het gemiddeld minimum maandinkomen van (1 095,92 EUR aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)), zoals vastgesteld in artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 19 juli 1989. Dit bedrag wordt aangepast telkens het bedrag bedoeld in artikel 3 van de genoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 verhoogt of telkens een verhoging optreedt ingevolge de vaststelling van een nieuw gemiddeld minimum maandinkomen met intersectoriële draagwijdte en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit. De aanpassing gaat in de eerste dag van de twaalfde maand volgend op deze wijziging. <KB 2001-12-11/45, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 6. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de pensioenen toegekend krachtens de artikelen 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 en 79 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het Algemeen Reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen.
  § 7. De Koning kan :
  1° bepalen wat onder een tewerkstelling die met (één derde) van een voltijdse arbeidsregeling overeenstemt, moet worden verstaan; <KB 1997-03-21/31, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  2° andere perioden bepalen dan deze bedoeld in § 6 die niet in aanmerking worden genomen;
  3° de modaliteiten bepalen waaronder (de duur van de tewerkstelling) wordt bewezen; <KB 2002-11-05/43, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  4° de modaliteiten bepalen waarop het in de eerste paragraaf, eerste lid, bedoelde bedrag van (13 151,04 EUR), in functie van de bewezen duur van de tewerkstelling wordt geproratiseerd; <KB 2001-12-11/45, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  5° met betrekking tot de vaststelling van de in de eerste paragraaf, eerste lid, 1° bedoelde duur van tewerkstelling bijzondere regels voor het overlevingspensioen bepalen.
  § 8. De in § 1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld (aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)) en evolueren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. <KB 2001-12-11/45, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 9. De Koning kan, na advies van het Beheerscomité [3 van de Federale Pensioendienst]3 op basis van de jaarlijkse evaluatie van het stelsel van het minimumrecht per loopbaanjaar, bij in Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden bedoeld in § 1 van dit artikel wijzigen.
  (§ 10. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het Beheerscomité [3 van de Federale Pensioendienst]3 :
  1° de in § 1 van dit artikel bedoelde bedragen en pensioenbedragen verhogen;
  2° de modaliteiten van de in § 1, eerste lid, 1°, vermelde duur van de loopbaan vaststellen;
  3° het toepassingsgebied van dit artikel uitbreiden tot loopbaanjaren opgebouwd in andere pensioenregelingen.) <W 2005-12-23/30, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 30-12-2005; van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 oktober 2006>
Art.8 DROIT FUTUR.    § 1. Si la rémunération annuelle, réévaluée à la date de prise de cours de la pension et éventuellement portée a un montant de rémunération correspondant à un régime de travail à temps plein, est inférieure à [8 18.819,12 euros]8 par an, la pension est calculée sur la base de ce montant pour l'année considérée pour laquelle au moins une occupation correspondant (au tiers) d'un régime de travail à temps plein est prouvé, et ceci pour autant que l'ayant droit : <AR 1997-03-21/31, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-1997> <AR 2001-12-11/45, art. 34, 005; En vigueur : 01-01-2002>
  1° justifie d'une occupation en qualité de travailleur salarié, durant au minimum 15 années civiles et que cette occupation pour chacune d'entre elles corresponde au moins à la moitie d'un régime de travail à temps plein et
  2° ne puisse prétendre à un montant de pension qui, selon qu'elle soit calculée en application de l'article 5, § 1er, alinéa 1er, a) ou b), du présent arrêté, ne soit pas supérieur respectivement à [5 [6 15.378,71 euros]6]5 ou [5 [6 12.302,96 euros]6]5 par an. Les montants sont fixés au prorata de la fraction de la carrière retenue.
  Le montant cité en premier lieu à l'alinéa précédent est fixé au prorata de la durée d'occupation prouvée.
  § 2. La détermination du nombre d'années civiles visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, s'effectue après application de l'article 10bis de l'arrêté royal n° 50.
  § 3. L'application du droit minimum par année de carrière ne peut avoir pour effet que la pension allouée soit supérieure, selon le cas, aux montants visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°.
  § 4. En cas de révision de la pension, les montants visés au paragraphe 1er et réévalues à la date d'effet de la révision, restent ceux qui étaient en vigueur lors de la première prise de cours de la pension.
  § 5. Le montant visé au paragraphe 1er, alinéa 1er correspond à douze fois le revenu minimum mensuel moyen de (1 095,92 EUR à l'index-pivot 103,14 (base 1996 = 100)) tel qu'il est fixé dans l'article 3 de la convention collective n° 43 du 2 mai 1988 portant modification et coordination des conventions collectives de travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 19 juillet 1989. Ce montant est adapté chaque fois que le montant visé a l'article 3 de la convention collective n° 43 du 2 mai 1988 est augmenté ou chaque fois qu'une augmentation résulte de la fixation d'un nouveau revenu minimum mensuel avec portée intersectorielle et rendue obligatoire par arrêté royal. L'adaptation prend effet le premier jour du douzième mois suivant cette modification. <AR 2001-12-11/45, art. 34, 005; En vigueur : 01-01-2002>
  § 6. Les dispositions du présent article ne sont pas applicables aux pensions accordées en vertu des articles 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 et 79 de l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant Règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
  § 7. Le Roi peut :
  1° déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par une occupation qui correspond (au tiers) d'un régime de travail à temps plein; <AR 1997-03-21/31, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-1997>
  2° déterminer d'autres périodes que celles visées au § 6 qui ne peuvent être prises en considération;
  3° déterminer les modalités selon lesquelles est administrée la preuve (de la durée de l'occupation); <AR 2002-11-05/43, art. 17, 006; En vigueur : 01-01-2003>
  4° déterminer les modalités suivant lesquelles le montant de (13 151,04 EUR) visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est fixé, proportionnellement à la durée d'occupation prouvée; <AR 2001-12-11/45, art. 34, 005; En vigueur : 01-01-2002>
  5° fixer des règles particulières relatives à la détermination de la durée de l'occupation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, pour une pension de survie.
  § 8. Les montants visés au paragraphe 1er sont liés (à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100)) et évoluent conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. <AR 2001-12-11/45, art. 34, 005; En vigueur : 01-01-2002>
  § 9. Le Roi peut, après avis du Comité de Gestion [3 du Service fédéral des Pensions]3, qui établit annuellement une évaluation de ce système de droit minimum, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les conditions visées au § 1er du présent article.
  (§ 10. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Comité de Gestion [3 du Service fédéral des Pensions]3 :
  1° majorer les montants et les montants de pension visés au § 1er du présent article;
  2° déterminer les modalités concernant la durée de la de carrière visé au § 1er, alinéa 1er, 1°;
  3° étendre le champ d'application à des années de carrière constituées dans d'autres régimes de pension.) <L 2005-12-23/30, art. 11, 008; En vigueur : 30-12-2005; s'applique aux pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er octobre 2006.>
(NOTA : art. 8, § 1, eerste lid, 2° gewijzigd in de toekomst door KB 2021-08-06/07, art. 5
   2° door de bedragen van 15.745,23 euro en 12.596,17 euro met ingang van 1 januari 2023 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2023 ingaan;
   3° door de bedragen van <span class="reference text-[var(--ref-7)
]" data-controller="reference-highlight" data-ref-number="7" data-action="mouseenter->reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight">[7 16.441,83 euro]7 en [7 13.153,46 euro]7 met ingang van 1 januari 2024 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2024 ingaan.)
(NOTE : art. 8 , § 1er, alinéa 1er, 2° modifié dans le futur par AR 22021-08-06/07, art. 5,
   2° avec effet au 1er janvier 2023 par les montants de 15.745,23 euros et de 12.596,17 euros pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2023;
   3° avec effet au 1er janvier 2024 par les montants de [7 16.441,83 euros]7 et de [7 13.153,46 euros]7 pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2024.)
HOOFDSTUK V- Het halftijds pensioen.
CHAPITRE V. - La pension à mi-temps.
Art.9. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit, overeenkomstig de door hem bepaalde berekenings- en toekenningsmodaliteiten, voor de gerechtigden die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, een stelsel van halftijds pensioen instellen.
Art.9. Le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, instaurer un système de pension à mi-temps en faveur des ayants droit qui ont atteint l'âge de 60 ans conformément aux modalités d'octroi et de calcul qu'Il détermine.
HOOFDSTUK VI- Diverse bepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions diverses.
Art.10. Artikel 7, van het koninklijk besluit nr. 50 wordt aangevuld met de volgende bepaling :
  "Het in het derde lid bedoelde jaarbedrag wordt om de twee jaar aangepast. De Koning stelt hiertoe, in Ministerraad overlegd besluit, de verhogingscoëfficiënt vast op basis van de beslissing die inzake de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling wordt genomen in uitvoering van hetzij artikel 6, hetzij artikel 7 van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.".
Art.10. L'article 7, de l'arrêté royal n° 50 est complété par la disposition suivante :
  "Les montants visés au 3ème alinéa sont adaptés tous les deux ans. A cet effet, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le coefficient de revalorisation sur la base de la décision qui est prise en matière de marge maximale pour l'évolution du coût salarial en exécution soit de l'article 6, soit de l'article 7 de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité.".
Art.11. Artikel 29, § 4, van het koninklijk besluit nr. 50 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Teneinde de pensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn te koppelen, kan de Koning, volgens de modaliteiten die Hij vaststelt, bij in Ministerraad overlegd besluit, het pensioenbedrag van de door Hem bepaalde pensioenen of voor de door Hem bepaalde categorieën van gepensioneerden herwaarderen.".
Art.11. L'article 29, § 4, de l'arrêté royal n° 50 est remplacé par la disposition suivante :
  "Afin de lier les pensions à l'évolution du bien-être général, le Roi peut réévaluer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, suivant les modalités qu'Il détermine, le montant de la pension pour les pensions ou les catégories de pensionnés qu'Il détermine.".
Art. 12. § 1. Voor de berekening van de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan vanaf 1 juli 1997 en onverminderd de bepalingen van artikel 29bis, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit nr. 50 worden de in de vermelde bepalingen bedoelde lonen en bedragen vermenigvuldigd met een herwaarderingscoëfficient, die als volgt is vastgesteld :
Art. 12. § 1. Pour le calcul des pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois à partir du 1er juillet 1997 et sans préjudice des dispositions de l'article 29bis, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal n° 50, les rémunérations et les montants visés par ces dispositions sont multipliés par un coefficient de réévaluation qui est fixé comme suit :
1955..1,877560
1956..1,819341
1957..1,762928
1958..1,708263
1959..1,655294
1960..1,603967
1961..1,554232
1962..1,506038
1963..1,459339
1964..1,414089
1965..1,370241
1966..1,327753
1967..1,286582
1968..1,246688
1969..1,208031
1970..1,170573
1971..1,134276
1972..1,099105
1973..1,065024
1974..1,032000
1975..1,000000
1955..1,8775601956..1,8193411957..1,7629281958..1,7082631959..1,6552941960..1,6039671961..1,5542321962..1,5060381963..1,4593391964..1,4140891965..1,3702411966..1,3277531967..1,2865821968..1,2466881969..1,2080311970..1,1705731971..1,1342761972..1,0991051973..1,0650241974..1,0320001975..1,000000
1955..1,877560
1956..1,819341
1957..1,762928
1958..1,708263
1959..1,655294
1960..1,603967
1961..1,554232
1962..1,506038
1963..1,459339
1964..1,414089
1965..1,370241
1966..1,327753
1967..1,286582
1968..1,246688
1969..1,208031
1970..1,170573
1971..1,134276
1972..1,099105
1973..1,065024
1974..1,032000
1975..1,000000
1955..1,8775601956..1,8193411957..1,7629281958..1,7082631959..1,6552941960..1,6039671961..1,5542321962..1,5060381963..1,4593391964..1,4140891965..1,3702411966..1,3277531967..1,2865821968..1,2466881969..1,2080311970..1,1705731971..1,1342761972..1,0991051973..1,0650241974..1,0320001975..1,000000
  Deze herwaarderingscoëfficiënten voor de jaren 1955 tot en met 1974 worden bekomen door de basisherwaarderingscoëfficiënt voor het jaar 1974 zijnde 1,032000 te verheffen tot de n-de macht met afronding op het miljoenste, waarbij n verandert in functie van het beschouwde jaar per eenheid in afnemende orde van 20 voor het jaar 1955 tot 1 voor het jaar 1974.
  § 2. Voor de berekening van de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan vanaf 1 januari van de jaren 1998 tot 2005 wordt de in § 1 bedoelde basisherwaarderingscoëfficiënt voor het jaar 1974 voor ieder van de bedoelde ingangsjaren telkens met 4 duizensten afgebouwd en vervolgens verheven tot de macht zoals vermeld in het tweede lid van paragraaf 1.
  Pour les années 1955 jusques et y compris 1974, ces coefficients de réévaluation sont obtenus en élevant le coefficient de réévaluation de base pour l'année 1974, soit 1,032000, à la n-ième puissance, arrondi au millionième, où n varie en fonction de l'année considérée par unité en ordre décroissant de 20 pour l'année 1955 jusque 1 pour l'année 1974.
  § 2. Pour le calcul des pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois à partir du 1er janvier des années 1998 à 2005, le coefficient de réévaluation de base pour l'année 1974 visé au § 1er est, chaque fois, pour chacune des ces années de prise de cours considérées, réduit à concurrence de 4 millièmes porté à la puissance déterminée conformément au deuxième alinéa du 1er paragraphe.
Art.13. Artikel 25, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 50 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Uitgezonderd in de gevallen en onder de voorwaarden door de Koning bepaald zijn het rust- en overlevingspensioen slechts uitbetaalbaar zo de gerechtigde geen beroepsarbeid uitoefent en zo hij geen vergoeding wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid bij toepassing van een Belgische of van een buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid, noch een uitkering wegens loopbaanonderbreking of wegens het verminderen van de arbeidsprestaties, noch een aanvullende vergoeding, toegekend in het kader van een conventioneel brugpensioen, geniet.".
Art.13. L'article 25 alinéa 1er de l'arrêté royal n° 50 est remplacé par la disposition suivante :
  "Sauf dans les cas et sous les conditions déterminées par le Roi, la pension de retraite et la pension de survie ne sont payables que si le bénéficiaire n'exerce pas d'activité professionnelle et s'il ne jouit pas d'une indemnité pour cause de maladie, d'invalidité ou de chômage involontaire, par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère, ni d'une allocation pour cause d'interruption de carrière ou de réduction des prestations, ni d'une indemnité complémentaire accordée dans le cadre d'une prépension conventionnelle.".
TITEL II- Gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
TITRE II. - Le revenu garanti aux personnes âgées.
Art.14. Artikel 1, § 1 van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Een gewaarborgd inkomen wordt verzekerd aan de mannen en vrouwen die ten minste vijfenzestig jaar oud zijn en die aan de door deze wet gestelde voorwaarden voldoen.".
Art.14. L'article 1er, § 1er, de la loi du 1er avril 1969 instituant un revenu garanti aux personnes âgées est remplacé par la disposition suivante :
  "Un revenu garanti est accordé aux hommes et aux femmes qui ont atteint l'âge de 65 ans et qui satisfont aux conditions fixées par la présente loi.".
Art.15. Artikel 11, § 2, eerste lid van voormelde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De toekenning van het gewaarborgd inkomen heeft uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de aanvraag is ingediend en ten vroegste vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de vijfenzestigste verjaardag.".
Art.15. L'article 11, § 2, alinéa 1er, de la loi précitée est remplacé par la disposition suivante :
  "L'octroi du revenu garanti produit ses effets à partir du premier jour du mois qui suit la date d'introduction de la demande et au plus tôt le premier jour du mois qui suit le 65eme anniversaire.".
Art.16. Artikel 21 van voormelde wet van 1 april 1969 wordt aangevuld met de volgende paragrafen :
  "§ 4. Voor de gerechtigden op een gewaarborgd inkomen dat uitwerking heeft gekregen vóór 1 juli 1997 evenals voor de personen voor wie het pensioen in de regeling voor werknemers of in deze voor zelfstandigen daadwerkelijk en voor de eerste maal is ingegaan vóór 1 juli 1997, blijven de artikelen 1 en 11 van deze wet, zoals ze gesteld waren vóór hun wijziging, van toepassing.
  § 5. In afwijking van artikel 1, § 1 van deze wet wordt een gewaarborgd inkomen verzekerd aan de vrouwen die aan de door deze wet gestelde voorwaarden voldoen en die :
  1° 61 jaar oud zijn indien het gewaarborgd inkomen voor de eerste keer uitwerking heeft ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999;
  2° 62 jaar oud zijn indien het gewaarborgd inkomen voor de eerste keer uitwerking heeft ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002;
  3° 63 jaar oud zijn indien het gewaarborgd inkomen voor de eerste keer uitwerking heeft ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005;
  4° 64 jaar oud zijn indien het gewaarborgd inkomen voor de eerste keer uitwerking heeft ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008.
  § 6. In afwijking van artikel 11, § 2, eerste lid van deze wet, heeft voor de vrouwen de toekenning van het gewaarborgd inkomen uitwerking vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de aanvraag is ingediend en ten vroegste vanaf de eerste dag van de maand die volgt op :
  1° de 61ste verjaardag indien het gewaarborgd inkomen voor de eerste keer uitwerking heeft ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999;
  2° de 62ste verjaardag indien het gewaarborgd inkomen voor de eerste keer uitwerking heeft ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002;
  3° de 63ste verjaardag indien het gewaarborgd inkomen voor de eerste keer uitwerking heeft ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005;
  4° de vierenzestigste verjaardag indien het gewaarborgd inkomen voor de eerste keer uitwerking heeft ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008."
Art.16. L'article 21 de la loi précitée du 1er avril 1969 est complété des paragraphes suivants :
  "§ 4. Pour les bénéficiaires d'un revenu garanti dont l'octroi a produit ses effets avant le 1er juillet 1997, ainsi que pour les personnes pour qui la pension de retraite dans le régime des travailleurs salariés ou dans le régime des travailleurs indépendants a pris cours effectivement et pour la première fois avant le 1er juillet 1997, les articles 1er et 11 de la loi précitée, tels qu'ils étaient rédigés avant leur modification restent d'application.
  § 5. Par dérogation à l'article 1er, § 1er de la présente loi, un revenu garanti est assuré aux femmes qui satisfont aux conditions fixées par cette loi et qui :
  1° ont atteint l'âge de 61 ans lorsque le revenu garanti produit ses effets effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
  2° ont atteint l'âge de 62 ans lorsque le revenu garanti produit ses effets effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
  3° ont atteint l'âge de 63 ans lorsque le revenu garanti produit ses effets effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
  4° ont atteint l'âge de 64 ans lorsque le revenu garanti produit ses effets effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
  § 6. Par dérogation à l'article 11, § 2, alinéa 1er de la présente loi, l'octroi du revenu garanti produit ses effets pour les femmes a partir du premier jour du mois suivant la date d'introduction de la demande et au plus tôt le 1er jour du mois qui suit :
  1° le 61ème anniversaire, lorsque l'octroi du revenu garanti a produit ses effets effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
  2° le 62ème anniversaire, lorsque l'octroi du revenu garanti a produit ses effets effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
  3° le 63ème anniversaire, lorsque l'octroi du revenu garanti a produit ses effets effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
  4° le 64ème anniversaire, lorsque l'octroi du revenu garanti a produit ses effets effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008. "
TITEL III- Ziekte en invaliditeitsuitkeringen.
TITRE III. - Indemnités de maladie et invalidité.
Art.17. In artikel 108 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994; wordt de 1° vervangen door de volgende bepaling :
  "1° vanaf de eerste dag van de maand na die waarin hij de pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 2 of 3 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
  "
Art.17. A l'article 108 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, le 1° est remplacé par la disposition suivante :
  "1° à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 ou 3 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions;
  "
Art.18. In artikel 109 van de voornoemde wet, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de woorden "de leeftijd van zestig jaar" vervangen door de woorden "de pensioenleeftijd bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15 en 16 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels".
Art.18. Dans l'article 109 de la loi susvisée coordonnée le 14 juillet 1994, les mots "l'âge de soixante ans" sont remplacés par les mots "l'âge de la pension déterminé par l'article 3 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15 et 16 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions".
TITEL IV- Slotbepalingen.
TITRE IV. - Dispositions finales.
Art.19. Dit besluit treedt werking op 1 juli 1997.
Art.19. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 1997.
Art. 20. Onze Minister van Pensioenen en Onze Minister van Sociale zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 20. Notre Ministre des Pensions et Notre Ministre des Affaires sociales sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.