Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
18 AUGUSTUS 1995. - Omzendbrief WEL 95/01. - Richtlijnen voor het opstellen van de OCMW-begroting 1996.
Titre
18 AOUT 1995. - Circulaire WEL 95/01. - Directives pour l'établissement du budget 1996 de l'OCMW (du CPAS). (TRADUCTION)
Documentinformatie
Numac: 1995801682
Datum: 1995-08-18
Info du document
Numac: 1995801682
Date: 1995-08-18
Tekst (6)
Texte (1)
Artikel M (Om technische redenen werd deze omzendbrief onderverdeeld in de volgende fictieve artikelen : art. M1 - M5).
Article M. (Pour cette circulaire, voir version néerlandaise).
Art. M1. 1. Nieuwe OCWC-boekhouding.
Ingevolge het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 1994 betreffende de inwerkingtreding voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe algemeen reglement op de gemeentelijke boekhouding, dienden de OCMW's op 1 januari 1995 niet over te schakelen op de nieuwe gemeentelijke boekhouding.
In afwachting van een eigen OCMW-boekhouding blijven de regels van kracht die op 31 december 1994 van toepassing waren.
Ingevolge het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 1994 betreffende de inwerkingtreding voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe algemeen reglement op de gemeentelijke boekhouding, dienden de OCMW's op 1 januari 1995 niet over te schakelen op de nieuwe gemeentelijke boekhouding.
In afwachting van een eigen OCMW-boekhouding blijven de regels van kracht die op 31 december 1994 van toepassing waren.
-
Art. M2. 2. Gemeente - OCMW.
Het is van wezenlijk belang dat gemeente en OCMW hun beleid op elkaar afstemmen. De OCMW-wet biedt daartoe een aantal instrumenten.
2.1. Voorafgaande bespreking van de begroting in het overlegcomité.
De begrotingen van het OCMW en van elk ziekenhuis afhangend van het OCMW moeten vooraf besproken worden in het overlegcomité gemeente-OCMW.
2.2. Verslag betreffende de schaalvoordelen.
Uiterlijk bij de bespreking van de ontwerp-begroting moet het overlegcomité een verslag opstellen over de "schaalvoordelen en het opheffen van overlappingen of het dooreenlopen van aktiviteiten van het centrum en van de gemeente" (cfr. art. 26bis, § 5, van de organieke wet).
Het overlegcomité is dus verplicht om na te gaan op welke wijze, door een betere coördinatie van de aktiviteiten van gemeente en OCMW, overtollige uitgaven kunnen vermeden worden.
Dit zou bijvoorbeeld kunnen door het gemeenschappelijk gebruik van logistieke diensten of apparatuur (drukkerij, onderhoudsdiensten, centrale computer), maar ook door betere afspraken in verband met de sociale aktiviteiten van beide besturen. Het komt aan het overlegcomité toe om hier concrete voorstellen te formuleren.
Het verslag wordt aan de ontwerp-begroting gehecht zodat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn ervan kennis kunnen nemen. Het vormt tevens een bijlage bij de begroting wanneer die ter goedkeuring aan de gemeenteraad (of aan de hogere administratieve overheden) wordt overgelegd.
2.3. Algemene beleidsnota bij de begroting.
Aan de begroting van het centrum en van elk ziekenhuis dat onder zijn beheer staat moet een algemene beleidsnota worden gehecht.
Het doel van deze verplichting is aan de gemeenteraad een betere informatie te verstrekken over het OCMW-beleid, zodat de bespreking van de begroting in de gemeenteraad met meer kennis van zaken zou kunnen gebeuren.
Bij gebrek aan concrete voorschriften in dit verband zou men kunnen stellen dat de wetgever het aan het gezond verstand van elk OCMW heeft overgelaten om uit te maken wat zij al dan niet in deze beleidsnota willen vermelden.
Tot op zekere hoogte is dit juist : de inhoud van de beleidsnota zal immers mee bepaald worden door de aard en de omvang van de door het OCMW ontwikkelde aktiviteiten. Anderzijds kan men echter moeilijk voorbijgaan aan de bedoeling van de wetgever, m.n. de gemeenteraad een duidelijker beeld te geven van het beheer, de werking en de sociale politiek van het OCMW.
In de beleidsnota zullen dus alleszins de doelstellingen en prioriteiten (nieuwe aktiviteiten, veranderingen, bijsturingen) voor het komende jaar moeten worden verduidelijkt. Dit impliceert uiteraard de nodige toelichting bij begrotingsposten waarvan de cijfers aanzienlijk afwijken van deze van het vorige jaar.
Daarnaast moet de beleidsnota informatie bevatten over de onderscheiden inhoudelijke luiken van het OCMW-beleid, waarbij vooral de kansarmoedebestrijding en de bejaardenzorg bijzondere aandacht verdienen.
Vermits kansarmoedebestrijding één van de hoofdopdrachten is van het OCMW, dient het OCMW aan te geven welke inspanningen het zal leveren inzake de onderscheiden deelgebieden van de kansarmoedeproblematiek :
- inkomen;
- tewerkstelling, vorming, scholing;
- huisvesting;
- toegankelijkheid van de OCMW-dienstverleningen voor de meest achtergestelden en betere afstemming van de hulpverlening op hun problemen.
Aangegeven dient te worden welke projekten er op dit domein ontwikkeld worden of zullen worden en hoe ze geïntegreerd zullen worden in het totale welzijnsaanbod.
Ook het specifiek beleid in functie van bepaalde doelgroepen (bv. : daklozen, kandidaat politieke vluchtelingen, migranten, drugverslaafden, enz.) verdient hier enige nadere toelichting.
Een andere belangrijke prioriteit die in de beleidsnota dient behandeld te worden, is het bejaardenbeleid. Er mag verwacht worden dat het OCMW aangeeft welke inspanningen het zal leveren, bijvoorbeeld inzake de hulp aan bejaarden, de thuiszorg, preventieve akties, dagopvang, dienstencentra, instrumentale diensten, enz.
Tenslotte verdient het aanbeveling om deze informatie te situeren in een (financieel) beleidsplan voor een ruimere periode.
In de richtlijnen voor de opmaak van de OCMW-begroting werd reeds verscheidene jaren gewezen op het belang van een meerjarenplanning als instrument voor een efficiënte beleidsvoering (doelmatige besteding van de beperkte middelen).
Het voordeel van een dergelijke werkwijze is dat de beleidsnota aldus een onderdeel wordt van een ruimer geheel. Enerzijds zal zij voor een stuk een evaluatie zijn van het gevoerde beleid van het voorbije jaar (in hoeverre werden de beoogde doelstellingen gerealiseerd? werd het doelpubliek echt bereikt? welke vorderingen werden geboekt op de onderscheiden deelgebieden?) en anderzijds zal zij ook een concretisering (bijsturing) zijn van de beleidsplannen over een langere periode.
Het belang van een aldus opgevatte beleidsnota kan niet herleid worden tot haar informatieve waarde ten behoeve van de gemeenteraad.
De verplichting om jaarlijks de realisaties en de beleidsintenties te expliciteren leidt tot een (meer) bewuste politiek en verkleint de kans dat bepaalde middelen ondoelmatig worden besteed.
2.4 Goedkeuring door de gemeenteraad.
De begroting moet voor 15 september ter goedkeuring worden voorgelegd aan de gemeenteraad.
Ik vestig hier de aandacht op het feit dat bij nalatigheid van het OCMW om tijdig de begroting vast te stellen, de gemeenteraad dit in de plaats van het OCMW kan doen volgens de modaliteiten bepaald in artikel 88, § 4, tweede lid, van de OCMW-wet.
Het is van wezenlijk belang dat gemeente en OCMW hun beleid op elkaar afstemmen. De OCMW-wet biedt daartoe een aantal instrumenten.
2.1. Voorafgaande bespreking van de begroting in het overlegcomité.
De begrotingen van het OCMW en van elk ziekenhuis afhangend van het OCMW moeten vooraf besproken worden in het overlegcomité gemeente-OCMW.
2.2. Verslag betreffende de schaalvoordelen.
Uiterlijk bij de bespreking van de ontwerp-begroting moet het overlegcomité een verslag opstellen over de "schaalvoordelen en het opheffen van overlappingen of het dooreenlopen van aktiviteiten van het centrum en van de gemeente" (cfr. art. 26bis, § 5, van de organieke wet).
Het overlegcomité is dus verplicht om na te gaan op welke wijze, door een betere coördinatie van de aktiviteiten van gemeente en OCMW, overtollige uitgaven kunnen vermeden worden.
Dit zou bijvoorbeeld kunnen door het gemeenschappelijk gebruik van logistieke diensten of apparatuur (drukkerij, onderhoudsdiensten, centrale computer), maar ook door betere afspraken in verband met de sociale aktiviteiten van beide besturen. Het komt aan het overlegcomité toe om hier concrete voorstellen te formuleren.
Het verslag wordt aan de ontwerp-begroting gehecht zodat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn ervan kennis kunnen nemen. Het vormt tevens een bijlage bij de begroting wanneer die ter goedkeuring aan de gemeenteraad (of aan de hogere administratieve overheden) wordt overgelegd.
2.3. Algemene beleidsnota bij de begroting.
Aan de begroting van het centrum en van elk ziekenhuis dat onder zijn beheer staat moet een algemene beleidsnota worden gehecht.
Het doel van deze verplichting is aan de gemeenteraad een betere informatie te verstrekken over het OCMW-beleid, zodat de bespreking van de begroting in de gemeenteraad met meer kennis van zaken zou kunnen gebeuren.
Bij gebrek aan concrete voorschriften in dit verband zou men kunnen stellen dat de wetgever het aan het gezond verstand van elk OCMW heeft overgelaten om uit te maken wat zij al dan niet in deze beleidsnota willen vermelden.
Tot op zekere hoogte is dit juist : de inhoud van de beleidsnota zal immers mee bepaald worden door de aard en de omvang van de door het OCMW ontwikkelde aktiviteiten. Anderzijds kan men echter moeilijk voorbijgaan aan de bedoeling van de wetgever, m.n. de gemeenteraad een duidelijker beeld te geven van het beheer, de werking en de sociale politiek van het OCMW.
In de beleidsnota zullen dus alleszins de doelstellingen en prioriteiten (nieuwe aktiviteiten, veranderingen, bijsturingen) voor het komende jaar moeten worden verduidelijkt. Dit impliceert uiteraard de nodige toelichting bij begrotingsposten waarvan de cijfers aanzienlijk afwijken van deze van het vorige jaar.
Daarnaast moet de beleidsnota informatie bevatten over de onderscheiden inhoudelijke luiken van het OCMW-beleid, waarbij vooral de kansarmoedebestrijding en de bejaardenzorg bijzondere aandacht verdienen.
Vermits kansarmoedebestrijding één van de hoofdopdrachten is van het OCMW, dient het OCMW aan te geven welke inspanningen het zal leveren inzake de onderscheiden deelgebieden van de kansarmoedeproblematiek :
- inkomen;
- tewerkstelling, vorming, scholing;
- huisvesting;
- toegankelijkheid van de OCMW-dienstverleningen voor de meest achtergestelden en betere afstemming van de hulpverlening op hun problemen.
Aangegeven dient te worden welke projekten er op dit domein ontwikkeld worden of zullen worden en hoe ze geïntegreerd zullen worden in het totale welzijnsaanbod.
Ook het specifiek beleid in functie van bepaalde doelgroepen (bv. : daklozen, kandidaat politieke vluchtelingen, migranten, drugverslaafden, enz.) verdient hier enige nadere toelichting.
Een andere belangrijke prioriteit die in de beleidsnota dient behandeld te worden, is het bejaardenbeleid. Er mag verwacht worden dat het OCMW aangeeft welke inspanningen het zal leveren, bijvoorbeeld inzake de hulp aan bejaarden, de thuiszorg, preventieve akties, dagopvang, dienstencentra, instrumentale diensten, enz.
Tenslotte verdient het aanbeveling om deze informatie te situeren in een (financieel) beleidsplan voor een ruimere periode.
In de richtlijnen voor de opmaak van de OCMW-begroting werd reeds verscheidene jaren gewezen op het belang van een meerjarenplanning als instrument voor een efficiënte beleidsvoering (doelmatige besteding van de beperkte middelen).
Het voordeel van een dergelijke werkwijze is dat de beleidsnota aldus een onderdeel wordt van een ruimer geheel. Enerzijds zal zij voor een stuk een evaluatie zijn van het gevoerde beleid van het voorbije jaar (in hoeverre werden de beoogde doelstellingen gerealiseerd? werd het doelpubliek echt bereikt? welke vorderingen werden geboekt op de onderscheiden deelgebieden?) en anderzijds zal zij ook een concretisering (bijsturing) zijn van de beleidsplannen over een langere periode.
Het belang van een aldus opgevatte beleidsnota kan niet herleid worden tot haar informatieve waarde ten behoeve van de gemeenteraad.
De verplichting om jaarlijks de realisaties en de beleidsintenties te expliciteren leidt tot een (meer) bewuste politiek en verkleint de kans dat bepaalde middelen ondoelmatig worden besteed.
2.4 Goedkeuring door de gemeenteraad.
De begroting moet voor 15 september ter goedkeuring worden voorgelegd aan de gemeenteraad.
Ik vestig hier de aandacht op het feit dat bij nalatigheid van het OCMW om tijdig de begroting vast te stellen, de gemeenteraad dit in de plaats van het OCMW kan doen volgens de modaliteiten bepaald in artikel 88, § 4, tweede lid, van de OCMW-wet.
-
Art. M3. 3. Bijzondere toezendingsplicht.
Een exemplaar van de goedgekeurde begroting moet samen met de algemene beleidsnota en het verslag betreffende de schaalvoordelen toegestuurd word en aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement WVC, administratie voor Gezin en Maatschappelijk Welzijn, afdeling Welzijnsbevordering, Markiesstraat 1,1000 Brussel.
Een exemplaar van de goedgekeurde begroting moet samen met de algemene beleidsnota en het verslag betreffende de schaalvoordelen toegestuurd word en aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement WVC, administratie voor Gezin en Maatschappelijk Welzijn, afdeling Welzijnsbevordering, Markiesstraat 1,1000 Brussel.
-
Art. M4. 4. Openbaarheid van het OCMW-beleid.
Reeds verscheidene jaren werd in de richtlijnen voor het opstellen van de begroting gewezen op het belang van een zo ruim mogelijke bekendmaking van het OCMW-beleid naar de bevolking toe.
De burger heeft immers het recht te weten wat het OCMW te bieden heeft en met welke problemen hij er terecht kan. Ook inzake aangelegenheden die gevoeliger liggen (zoals de door het OCMW gehanteerde terugvorderingsschalen) is een grotere openheid wenselijk.
Sedert het in voege treden van de wet van 5 augustus 1992 is informatieverstrekking over de door het centrum verstrekte dienstverlening niet langer een warme aanbevèling maar een wettelijke verplichting. Het OCMW moet hierover jaarlijks rapporteren in de beleidsnota bij de regering (artikel 60bis van de OCMW-wet).
Naast een betere bekendmaking van de OCMW-aktiviteiten zijn ook initiatieven tot inspraakorganisatie bijzonder zinvol. Ik ben immers ervan overtuigd dat zowel informatie als inspraak de kwaliteit van de dienstverlening kan ten goede komen.
Reeds verscheidene jaren werd in de richtlijnen voor het opstellen van de begroting gewezen op het belang van een zo ruim mogelijke bekendmaking van het OCMW-beleid naar de bevolking toe.
De burger heeft immers het recht te weten wat het OCMW te bieden heeft en met welke problemen hij er terecht kan. Ook inzake aangelegenheden die gevoeliger liggen (zoals de door het OCMW gehanteerde terugvorderingsschalen) is een grotere openheid wenselijk.
Sedert het in voege treden van de wet van 5 augustus 1992 is informatieverstrekking over de door het centrum verstrekte dienstverlening niet langer een warme aanbevèling maar een wettelijke verplichting. Het OCMW moet hierover jaarlijks rapporteren in de beleidsnota bij de regering (artikel 60bis van de OCMW-wet).
Naast een betere bekendmaking van de OCMW-aktiviteiten zijn ook initiatieven tot inspraakorganisatie bijzonder zinvol. Ik ben immers ervan overtuigd dat zowel informatie als inspraak de kwaliteit van de dienstverlening kan ten goede komen.
-
Art. M5. 5. Onderrichtingen van bijzondere aard.
5.1. Ontvangsten.
5.1.1. Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn.
De OCMW's schrijven voor 1996 een krediet in dat gelijk is aan tweemaal het eerste voorschot op hun aandeel in het BFMW van het jaar 1995.
5.1.2. Vlaams Fonds voor Integratie van Kansarmen.
De betrokken OCMW's schrijven voor 1996 50 % van het totale aandeel 1995 in op artikel 022/466/01 en hetzelfde bedrag in de begroting voor orde onder de code P/25/000/00 "Reservefonds voor intergratie van kansarmen" en dit zowel in de kolom ontvangsten als in de kolom uitgaven.
Nadien zullen dan via een begrotingswijziging de bedoelde kredieten ingeschreven worden onder de geëigende begrotingsposten.
Alleen in gemeenten die een beroep doen op artikel 8, § 2, van het decreet van 31 juli 1990 mag van de 50 %-regel afgeweken worden. De inschrijving moet steunen op een besluit van de gemeenteraad en een besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn waarin uitdrukkelijk en eensluidend van de regel wordt afgeweken.
Het VFIK-aandeel mag uitsluitend dienen voor de financiering van VFIK-projectuitgaven.
5.1.3. Vergoeding voor het beheer van residenten.
De OCMW's die voor het beheer van de bezittingen van in rusthuizen geplaatste personen gebruik maken van een centraal beheerssysteem bij een financiële instelling, moeten erop toezien dat de door deze instelling uitgekeerde beheersvergoeding rechtstreeks gestort wordt op de rekening courant van het centrum en niet op de centrale zichtrekening van de bejaardeninstelling.
Op die manier kan er geen vermenging gebeuren van het vermogen van de bewoners met dit van het OCMW.
De hierboven vermelde techniek impliceert dat het saldo van de centrale rekening niet mag verschillen van de som der saldi van de individuele rekeningen van de residenten.
De ontvangst die voortspruit uit de beheersbonificatie wordt geboekt op de code 000/264/06.
5.2. Uitgaven.
5.2.1. Personeelsuitgaven.
De personeelskosten vormen een belangrijk aandeel in de totaliteit van de OCMW-uitgaven. Het is dan ook van het grootste belang om deze uitgaven zo correct mogelijk te ramen.
Gelet op de verschillende data waarop gemeenten en OCMW's het sectoraal akkoord van 18 juni 1993 toepassen en gelet op de mogelijke spreiding in de tijd per niveau, kan geen algemeen stijgingspercentage van de personeelsuitgaven worden meegedeeld.
Bijgevolg kan ik enkel de basisinformatie verschaffen aan de hand waarvan de gemeenten hun personeelsuitgaven voor 1996 moeten ramen.
Alleszins moeten de OCMW's acht slaan op de volgende factoren :
* De reële of waarschijnlijke stijging of daling van het aantal personeelsleden.
* De evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen.
Ingevolge de toepassing van de gezondheidsindex voor de berekening van de weddeaanpassingen, wordt de eerstvolgende indexsprong pas op 1 maart 1996 verwacht.
Vermits de doorrekening van een indexverhoging op 1 maart 1996 overeenkomt met 1,666 % (= 2 % x 10/12), mag hier een stijging van de personeelskosten met 1,7 % (ten opzichte van 1995) worden aangenomen.
* De toekenning van de periodieke verhogingen, rekening houdend met het tijdstip waarop deze worden toegekend.
* De evolutie in de bijdragen voor de sociale zekerheid.
* De CAO-bepalingen en meer in het bijzonder de algemene weddeschaalherziening, uiteraard met inbegrip van de inschakelingsmodaliteiten naar het nieuwe stelsel.
Bij de raming zal men rekening houden met de datum van inschakeling en met het eventueel toepassen van een verkorte evaluatieperiode. De besturen die reeds in 1995 inschakelden, dienen te onderzoeken welke weddeverhogingen in 1996, als gevolg van een verkorte evaluatieperiode, worden doorgevoerd.
De besturen die in 1996 zullen inschakelen doen dit op basis van de inschakelingstabel, waarbij tevens wordt onderzocht of, ingevolge een verkorte evaluatieperiode, nog bijkomende weddeverhogingen in 1996 worden toegekend.
Alhoewel ik de moeilijkheidsgraad en de omvang van deze opdracht zeker niet onderschat dring ik er toch ten stelligste op aan dat de OCMW's de financiële weerslag van de weddeschaalherziening zo nauwkeurig mogelijk in de begroting verwerken.
5.2.2. Uitgaven inzake hulpverlening.
Voor de bestrijding van armoede in het algemeen en kansarmoede in het bijzonder beschikt het OCMW over een waaier van mogelijkheden die doorgaans op begrotingstechnisch vlak geen bijzondere problemen stellen.
5.3. PWA-cheques.
Sedert 1 juni 1995 zijn de OCMW's betrokken bij de uitbetaling van de PWA-cheques. Dit ingevolge de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 5 april 1995 betreffende de toepassing van de regeling der plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen op de begunstigden van het bestaansminimum en van het koninklijk besluit van 7 april 1995 tot wijziging, wat de berekening van de bestaansmiddelen betreft, van het koninklijk besluit van 30 oktober 1974 houdende algemeen reglement betreffende het bestaansminimum.
De uitbetaling van de uitkeringstoeslag kan geschieden via de Dienst voor Orde, waar de verrichtingen voor rekening van derden worden geregistreerd. Daartoe kan de code P/85/000/00 "Uitkeringstoeslag PWA-cheques" worden gebruikt (zowel in de kolom ontvangsten als in de kolom uitgaven).
De vergoedingen die het centrum als administratiekost en bijkomend inkomen ontvangt uit hoofde van artikel 6 van het genoemd koninklijk besluit van 5 april 1995, kunnen worden ingeschreven onder de code 832/465.
Daarbij dring ik erop aan dat de administratieve verwerking van de PWA-cheques bij voorrang wordt afgehandeld in het bijzonder zal het centrum erover waken dat de uitbetalingstermijn voor de uitkeringstoeslag bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 5 april 1995, niet overschreden wordt.
5.4. Begrotingscodes.
Tenslotte verzoek ik elk OCMW om de juiste begrotingscodes te gebruiken bij het opstellen van de begroting. Hetzelfde geldt uiteraard voor de rekeningen.
Brussel, 18 augustus 1995.
De Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn,
L. MARTENS
5.1. Ontvangsten.
5.1.1. Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn.
De OCMW's schrijven voor 1996 een krediet in dat gelijk is aan tweemaal het eerste voorschot op hun aandeel in het BFMW van het jaar 1995.
5.1.2. Vlaams Fonds voor Integratie van Kansarmen.
De betrokken OCMW's schrijven voor 1996 50 % van het totale aandeel 1995 in op artikel 022/466/01 en hetzelfde bedrag in de begroting voor orde onder de code P/25/000/00 "Reservefonds voor intergratie van kansarmen" en dit zowel in de kolom ontvangsten als in de kolom uitgaven.
Nadien zullen dan via een begrotingswijziging de bedoelde kredieten ingeschreven worden onder de geëigende begrotingsposten.
Alleen in gemeenten die een beroep doen op artikel 8, § 2, van het decreet van 31 juli 1990 mag van de 50 %-regel afgeweken worden. De inschrijving moet steunen op een besluit van de gemeenteraad en een besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn waarin uitdrukkelijk en eensluidend van de regel wordt afgeweken.
Het VFIK-aandeel mag uitsluitend dienen voor de financiering van VFIK-projectuitgaven.
5.1.3. Vergoeding voor het beheer van residenten.
De OCMW's die voor het beheer van de bezittingen van in rusthuizen geplaatste personen gebruik maken van een centraal beheerssysteem bij een financiële instelling, moeten erop toezien dat de door deze instelling uitgekeerde beheersvergoeding rechtstreeks gestort wordt op de rekening courant van het centrum en niet op de centrale zichtrekening van de bejaardeninstelling.
Op die manier kan er geen vermenging gebeuren van het vermogen van de bewoners met dit van het OCMW.
De hierboven vermelde techniek impliceert dat het saldo van de centrale rekening niet mag verschillen van de som der saldi van de individuele rekeningen van de residenten.
De ontvangst die voortspruit uit de beheersbonificatie wordt geboekt op de code 000/264/06.
5.2. Uitgaven.
5.2.1. Personeelsuitgaven.
De personeelskosten vormen een belangrijk aandeel in de totaliteit van de OCMW-uitgaven. Het is dan ook van het grootste belang om deze uitgaven zo correct mogelijk te ramen.
Gelet op de verschillende data waarop gemeenten en OCMW's het sectoraal akkoord van 18 juni 1993 toepassen en gelet op de mogelijke spreiding in de tijd per niveau, kan geen algemeen stijgingspercentage van de personeelsuitgaven worden meegedeeld.
Bijgevolg kan ik enkel de basisinformatie verschaffen aan de hand waarvan de gemeenten hun personeelsuitgaven voor 1996 moeten ramen.
Alleszins moeten de OCMW's acht slaan op de volgende factoren :
* De reële of waarschijnlijke stijging of daling van het aantal personeelsleden.
* De evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen.
Ingevolge de toepassing van de gezondheidsindex voor de berekening van de weddeaanpassingen, wordt de eerstvolgende indexsprong pas op 1 maart 1996 verwacht.
Vermits de doorrekening van een indexverhoging op 1 maart 1996 overeenkomt met 1,666 % (= 2 % x 10/12), mag hier een stijging van de personeelskosten met 1,7 % (ten opzichte van 1995) worden aangenomen.
* De toekenning van de periodieke verhogingen, rekening houdend met het tijdstip waarop deze worden toegekend.
* De evolutie in de bijdragen voor de sociale zekerheid.
* De CAO-bepalingen en meer in het bijzonder de algemene weddeschaalherziening, uiteraard met inbegrip van de inschakelingsmodaliteiten naar het nieuwe stelsel.
Bij de raming zal men rekening houden met de datum van inschakeling en met het eventueel toepassen van een verkorte evaluatieperiode. De besturen die reeds in 1995 inschakelden, dienen te onderzoeken welke weddeverhogingen in 1996, als gevolg van een verkorte evaluatieperiode, worden doorgevoerd.
De besturen die in 1996 zullen inschakelen doen dit op basis van de inschakelingstabel, waarbij tevens wordt onderzocht of, ingevolge een verkorte evaluatieperiode, nog bijkomende weddeverhogingen in 1996 worden toegekend.
Alhoewel ik de moeilijkheidsgraad en de omvang van deze opdracht zeker niet onderschat dring ik er toch ten stelligste op aan dat de OCMW's de financiële weerslag van de weddeschaalherziening zo nauwkeurig mogelijk in de begroting verwerken.
5.2.2. Uitgaven inzake hulpverlening.
Voor de bestrijding van armoede in het algemeen en kansarmoede in het bijzonder beschikt het OCMW over een waaier van mogelijkheden die doorgaans op begrotingstechnisch vlak geen bijzondere problemen stellen.
5.3. PWA-cheques.
Sedert 1 juni 1995 zijn de OCMW's betrokken bij de uitbetaling van de PWA-cheques. Dit ingevolge de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 5 april 1995 betreffende de toepassing van de regeling der plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen op de begunstigden van het bestaansminimum en van het koninklijk besluit van 7 april 1995 tot wijziging, wat de berekening van de bestaansmiddelen betreft, van het koninklijk besluit van 30 oktober 1974 houdende algemeen reglement betreffende het bestaansminimum.
De uitbetaling van de uitkeringstoeslag kan geschieden via de Dienst voor Orde, waar de verrichtingen voor rekening van derden worden geregistreerd. Daartoe kan de code P/85/000/00 "Uitkeringstoeslag PWA-cheques" worden gebruikt (zowel in de kolom ontvangsten als in de kolom uitgaven).
De vergoedingen die het centrum als administratiekost en bijkomend inkomen ontvangt uit hoofde van artikel 6 van het genoemd koninklijk besluit van 5 april 1995, kunnen worden ingeschreven onder de code 832/465.
Daarbij dring ik erop aan dat de administratieve verwerking van de PWA-cheques bij voorrang wordt afgehandeld in het bijzonder zal het centrum erover waken dat de uitbetalingstermijn voor de uitkeringstoeslag bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 5 april 1995, niet overschreden wordt.
5.4. Begrotingscodes.
Tenslotte verzoek ik elk OCMW om de juiste begrotingscodes te gebruiken bij het opstellen van de begroting. Hetzelfde geldt uiteraard voor de rekeningen.
Brussel, 18 augustus 1995.
De Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn,
L. MARTENS
-