Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
17 MAART 1995. - Ministerieel besluit houdende delegatie van sommige bevoegdheden inzake leefmilieu, landinrichting, natuurbehoud, waterbeleid en huisvesting, aan ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. - (NOTA : Opgeheven voor de bevoegdheden inzake leefmilieu, landinrichting, natuurbehoud en waterbeleid, in het bijzonder de bevoegdheden opgenomen in hoofdstuk 3, afdeling 1, afdeling 2, afdeling 3, artikel 11, § 1 en § 3, en afdeling 4; zie MB 2003-07-01/30, art. 20; Inwerkingtreding : 01-07-2003) (NOTA : Opgeheven voor de materie huisvesting bij MB 2003-08-05/33, art. 14; Inwerkingtreding : 12-09-2003) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 19-05-1997 en tekstbijwerking tot 02-09-2003)
Titre
17 MARS 1995. - Arrêté ministériel portant délégation de certaines compétences dans le domaine de l'environnement, de la rénovation rurale, de la conservation de la nature, de la gestion des eaux et du logement, aux fonctionnaires de la Communauté flamande. - (NOTE : Il n'existe pas de traduction française des modifications apportées par AM 1997-02-14/32; pour l'actualisation du texte, voir version néerlandaise) (NOTE : Abrogé pour certaines compétences en matière d'environnement, de rénovation rurale, de conservation de la nature, de la gestion des eaux, notamment les compétences notées en chapitre 3, section 1, section 2, section 3, article 11, § 1 et §3, et section 4; voir AM 2003-07-01/30, art. 20; En vigueur : 01-07-2003) (NOTE : Abrogé pour la gestion du logement par AM 2003-08-05/33, art. 14; En vigueur : 12-09-2003) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 19-05-1995 et mise à jour au 02-09-2003)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (23)
Texte (23)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. (zie NOTA onder OPSCHRIFT)
CHAPITRE I. - Généralités. (voir NOTE sous INTITULE)
Artikel 1. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) Dit besluit is van toepassing op de hiernavolgende administraties van het departement Leefmilieu en Infrastructuur :
  - Bovenbouw;
  - Administratie Algemene Administratieve Diensten;
  - Administratie Milieu, Natuur-, Land- en Waterbeheer;
  - Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen;
Article 1. (voir NOTE sous INTITULE) Le présent arrêté s'applique aux administrations mentionnées ci-après du Département de l'Environnement et de l'Infrastructure :
  - la Superstructure ;
  - l'Administration des Services administratifs généraux ;
  - l'Administration de la gestion de l'Environnement, de la Nature, des zones rurales et des Eaux ;
  - l'Administration de l'Aménagement du Territoire, du Logement et des Monuments et des Sites.
Art.2. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° minister : het lid van de Vlaamse regering, bevoegd voor leefmilieu, landinrichting, natuurbehoud, waterbeleid en huisvesting;
  2° secretaris-generaal . de secretaris-generaal die aan het hoofd staat van het departement Leefmilieu en Infrastructuur;
  3° leidend ambtenaar : de ambtenaar die belast is met de leiding van een in artikel 1 bedoelde administratie.
Art.2. (voir NOTE sous INTITULE) Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
  1° le Ministre : le membre du Gouvernement flamand ayant l'environnement, la rénovation rurale, la conservation de la nature, la gestion des eaux et le logement dans ses attributions ;
  2° le secrétaire général : le secrétaire général qui est à la tête du Département de l'Environnement et de l'Infrastructure ;
  3° le fonctionnaire dirigeant : le fonctionnaire chargé de la direction d'une des administrations visées à l'article 1er.
Art.3. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) De bij dit besluit verleende delegaties gelden ook voor de ambtenaar die het ambt van de titularis waarneemt of die hem vervangt bij tijdelijke afwezigheid of verhindering. In geval van tijdelijke afwezigheid of verhindering plaatst de betrokken ambtenaar, boven de vermelding van zijn graad en zijn handtekening en onverminderd de bepaling van artikel 12, § 2, de formule" Voor de (graad van de titularis), afwezig".
Art.3. (voir NOTE sous INTITULE) Les délégations accordées par le présent arrêté sont également données au fonctionnaire qui exerce par intérim la fonction du titulaire ou le remplace en cas d'absence ou d'empêchement temporaires. En cas d'absence ou d'empêchement temporaires, le fonctionnaire intéressé appose, sans préjudice de la disposition de l'article 12, § 2, au-dessus de son grade et de sa signature, la formule "Pour le (grade du titulaire), absent".
HOOFDSTUK II. - Bevoegdheden van de secretaris-generaal. (zie NOTA onder OPSCHRIFT)
CHAPITRE II. - Compétences du secrétaire général. (voir NOTE sous INTITULE)
Art.4. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) De secretaris-generaal is belast met alle administratieve maatregelen inzake begrotingsuitvoering en inzonderheid met de ondertekening van vastleggings- en betalingsdocumenten voor verbintenissen die door de minister of de daartoe overeenkomstig hoofdstuk 3 gedelegeerde werden aangegaan.
  De secretaris-generaal is gemachtigd om :
  1° minnelijke schikkingen aan te gaan voor zover er geen rechtsgeding hangende is, voor zover het bedrag van de uitgaven die eruit voortvloeien 1 250 000 fr niet overschrijdt en ze geen betrekking hebben op geschillen bij de uitvoering van overheidsopdrachten en voor zover er een gunstig advies is van de bevoegde juridische afdeling;
  2° af te zien van een vordering, indien het uitvoeren van dit recht kennelijk strijdig zou zijn met een goed financieel beheer, voor zover het geschil waardeerbaar is voor een bedrag van maximaal 1 250 000 fr. in hoofdsom en geen betrekking heeft op de uitvoering van overheidsopdrachten en voor zover er een gunstig advies is van de bevoegde juridische afdeling.
Art.4. (voir NOTE sous INTITULE) Le secrétaire général est chargé de toutes les mesures administratives relatives à l'exécution du budget, notamment de la signature des documents d'engagement et d'ordonnancement en matière d'engagements contractés par le Ministre ou le fonctionnaire délégué à cet effet conformément au chapitre III.
  Le secrétaire général est habilité à :
  1° conclure des arrangements de gré à gré, pour autant qu'il n'y ait pas de procès en suspens, dans la mesure où le montant des dépenses qui en résultent ne dépasse pas 1 250 000 F et qu'ils n'aient pas trait à des litiges découlant de l'exécution de marchés publics et pour autant que l'avis des divisions juridiques compétentes soit favorable ;
  2° renoncer au recouvrement d'une créance, lorsque l'exercice de ce droit s'oppose d'une manière manifeste à une bonne gestion financière, à condition que le litige n'ait pas trait à l'exécution de marchés publics et que le montant du litige en principal s'élève à 1 250 000 F au maximum et pour autant que l'avis des divisions juridiques compétentes soit favorable.
Art.5. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) De secretaris-generaal is gemachtigd om personeelsleden aan te wijzen om het departement te vertegenwoordigen bij congressen, colloquia, studiedagen en conferenties, of die als afgevaardigde van het departement een interview mogen toestaan of een voordracht of toespraak mogen houden over de materies die binnen de taakomschrijving vallen van de in artikel 1 vermelde administraties.
Art.5. (voir NOTE sous INTITULE) Le secrétaire général est habilité à désigner des membres du personnel qui sont appelés à représenter le département à des congrès, colloques, journées d'étude et conférences ou qui, en qualité de représentant du département, peuvent accorder une interview ou tenir une conférence ou une allocution portant sur les matières qui relèvent de la mission conférée aux administrations visées à l'article 1er.
Art.6. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) Om een efficiënte organisatie te waarborgen subdelegeert de secretaris-generaal de hiervoor in aanmerking komende gedelegeerde bevoegdheden aan ambtenaren van zijn departement, tot op het meest functionele niveau. Elke subdelegatie wordt meegedeeld aan het Rekenhof en aan de minister.
  In afwijking van het eerste lid kan de in artikel 5 bedoelde delegatie slechts gesubdelegeerd worden tot op het niveau van de directeur-generaal.
Art.6. (voir NOTE sous INTITULE) Afin de garantir une organisation efficace, le secrétaire général subdélègue les compétences déléguées appropriées aux fonctionnaires de son département jusqu'au niveau le plus fonctionnel. Toute subdélégation est communiquée à la Cour des comptes et au Ministre.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, la délégation visée à l'article 5 ne peut être subdéléguée que jusqu'au niveau du directeur général.
HOOFDSTUK III. - Bevoegdheden van de leidend ambtenaar.
CHAPITRE III. - Compétences du fonctionnaire dirigeant. (voir NOTE sous INTITULE)
Afdeling 1. - Delegaties van algemene aard. (zie NOTA onder OPSCHRIFT)
Section 1. - Délégations de nature générale. (voir NOTE sous INTITULE)
Art.7. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) De leidend ambtenaar is gemachtigd om : 1° de dagelijkse briefwisseling die verband houdt met zijn opdracht te ondertekenen, onverminderd de bijzondere regeling die geldt voor de antwoorden op brieven van het Rekenhof met betrekking tot de door het Hof geformuleerde opmerkingen;
  2° gewone en aangetekende zendingen, geadresseerd aan zijn administratie in ontvangst te nemen, met uitzondering van de dagvaardingen, betekend aan de Vlaamse Gemeenschap en/of het Vlaamse Gewest;
  3° uittreksels en afschriften van documenten die verband houden met de taken van zijn administratie eensluidend te verklaren en af te geven;
  4° staten van verschuldigde sommen goed te keuren betreffende presentiegelden en reis- en verblijfkosten, in zover ze verband houden met de werking van aan zijn administratie verbonden advies- en overlegorganen.
Art.7. (voir NOTE sous INTITULE) Le fonctionnaire dirigeant est habilité à :
  1° signer la correspondance journalière découlant de sa mission, sans préjudice du régime particulier applicable aux réponses données aux lettres de la Cour des comptes portant sur des observations formulées par la Cour ;
  2° réceptionner les envois ordinaires et recommandés destinés à son administration, à l'exception des assignations signifiées à la Communauté flamande et/ou à la Région flamande ;
  3° certifier conformes et délivrer les extraits et copies de documents portant sur la mission de son administration ;
  4° approuver les états des sommes dues en matière de jetons de présence et de frais de parcours et de séjour dans la mesure où ils se rapportent au fonctionnement des organes de consultation et de concertation relevant de son administration.
Afdeling 2 - Bepalingen betreffende het gunnen en de uitvoering van overheidsopdrachten en het doen van andere uitgaven. (zie NOTA onder OPSCHRIFT)
Section 2. - Dispositions relatives à la passation et à l'exécution des marchés publics ainsi qu'à l'exposition d'autres dépenses. (voir NOTE sous INTITULE)
Art. 8. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) § 1. De leidend ambtenaar is gemachtigd om, in het kader van de uitvoering van de taken van zijn administratie, bestekken voor werken, leveringen of diensten of de bescheiden die ze vervangen goed te keuren, de wijze te kiezen waarop de opdrachten worden gegund, opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten te gunnen en toe te zien op de uitvoering ervan. Deze machtiging geldt slechts binnen de perken van de door de minister goedgekeurde programma's en van de in hiernavolgende tabel opgenomen bedragen in miljoenen frank :
Art. 8. (voir NOTE sous INTITULE) § 1er. Le fonctionnaire dirigeant est habilité, dans le cadre de l'accomplissement des missions de son administration, à approuver les cahiers des charges pour des travaux, fournitures ou services ou les documents en tenant lieu, à choisir le mode de passation des marchés, à attribuer des marchés publics de travaux, de fournitures ou de services et à assurer leur exécution. Cette délégation est limitée aux programmes spécifiques approuvés par le Ministre et aux montants, correspondant à des millions de francs, figurant dans le tableau ci-après :
                  Openbare aanbe-      Beperkte aanbe-      Onderhandse
                  steding of           steding of           opdracht
                  algemene offerte-    beperkte offerte-
                  aanvraag             aanvraag
  

Wijzigingen

Werken              325                 32                   20
Leveringen          200                 20                   12
Diensten             60                  6                    3
                  Adjudication            Adjudication            Marche
                  publique ou             restreinte ou           de gre a
                  appel d'offres          appel d'offres          gre
                  general                 restreint
  § 2. De in bovenvermelde tabel vermelde delegaties gelden alleen voor zover het bedrag van de toewijzing niet hoger is dan het geprogrammeerde bedrag, plus maximaal 20 %.
  De verdeling van kredieten en de programma's voor onderhoud worden echter goedgekeurd of gewijzigd door de leidend ambtenaar. Hij geeft de minister kennis van zijn beslissingen.
  § 3. De leidend ambtenaar is gemachtigd om binnen de perken van de geopende kredieten, opdrachten onderhands te gunnen die niet opgenomen zijn in een goedgekeurd inhoudelijk programma voor zover de uitgaven niet hoger liggen dan 1 250 000 fr. voor werken , leveringen en diensten en mits er maandelijks gerapporteerd wordt.
  Bij dringend herstellingswerk wordt het bedrag waarvan sprake in- het eerste lid verhoogd tot 5 000 000 fr. en er wordt dringend over gerapporteerd.
  § 4. Hij staat bovendien in voor de eenvoudige uitvoering van de opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen of diensten die ter uitvoering van voormelde taken werden gegund door de minister of de Vlaamse regering. Onder eenvoudige uitvoering dient te worden verstaan het nemen van alle maatregelen en beslissingen die ertoe strekken het voorwerp van de opdracht te verwezenlijken, en die binnen de perken van de aanneming blijven, met uitzondering van de maatregelen en beslissingen die een beoordeling vanwege de gunnende overheid vereisen.
  § 5. De leidend ambtenaar is gemachtigd technische plannen goed te keuren.
  Travaux             325                     32                     20
  Fournitures         200                     20                     12
  Services             60                      6                      3
§ 2. Les délégations visées au tableau ci-dessus ne sont applicables que dans la mesure où le montant de l'attribution n'excède pas le montant du programme, majoré de 20 % au maximum.
  La répartition des crédits et les programmes relatifs à l'entretien ordinaire sont toutefois approuvés et modifiés par le fonctionnaire dirigeant. Il porte ses décisions à la connaissance du Ministre.
  § 3. Le fonctionnaire dirigeant est habilité à conclure, dans les limites des crédits ouverts, des marchés de gré à gré non prévus dans un programme spécifique approuvé dans la mesure où les dépenses n'excèdent pas un montant de 1 250 000 francs pour les travaux, les fournitures et les services, et moyennant un rapport mensuel.
  En cas de travaux de réparation urgents, le montant visé au premier alinéa est majoré jusqu'à 5 000 000 de francs ;
  ce montant fera l'objet d'un rapport d'urgence.
  § 4. Il veille également à l'exécution simple des marchés publics de travaux, de fournitures ou de services attribués par le Ministre ou le Gouvernement flamand en vue de l'accomplissement des missions précitées. Par simple exécution, il faut entendre : la prise de toutes les mesures et décisions tendant à réaliser l'objet du marché et restant dans les limites du marché, à l'exception des mesures et décisions soumises à l'appréciation de l'autorité attribuant le marché.
  § 5. Le fonctionnaire dirigeant est habilité à approuver des plans techniques.
Art. 9. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) De leidend ambtenaar is gemachtigd om : 1° met betrekking tot de in artikel 8, § 1 vermelde opdrachten :
  a) na advies van de bevoegde juridische afdeling, gemotiveerde afwijkingen toe te staan op de essentiële bepalingen en voorwaarden, met toepassing van artikel 54 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten;
  b) na advies van de bevoegde juridische afdeling, boeten kwijt te schelden;
  c) een beslissing te nemen in de hieronder opgesomde gevallen :
  1° de beoordeling van de regelmatigheid zoals bedoeld in artikel 25 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken; leveringen en diensten;
  2° het opnieuw starten van de aanbestedingsprocedure, volgens een gelijkaardige procedure, hetzij na nietigverklaring door hem van de voorgaande procedure, hetzij wanneer de goedkeuringstermijn verstreken is;
  3° het opnieuw starten volgens een andere procedure na nietigverklaring door hem van de voorgaande procedure ;
  4° bij toepassing van het tweede lid, tweede en derde onderstelling, van artikel 38 of het tweede lid, tweede en derde onderstelling van artikel 46 § 2 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en wanneer het aannemingen betreft waarvan het bedrag niet hoger is dan de bedragen vermeld in de tabel van artikel 8.
  d) ambtshalve maatregelen te treffen zoals bepaald in de wetgeving overheidsopdrachten;
  2° met betrekking tot de in artikel 8, § 1 en 4 vermelde opdrachten :
  a) contractuele prijsherzieningen goed te keuren zonder beperking van bedrag;
  b) verrekeningen en ramingsstaten en de hieraan verbonden termijnverlengingen, goed te keuren voor zover hieruit geen totale bijkomende uitgaven van meer dan 25 % voortvloeien en ze 10 000 000 fr. niet overschrijden;
  Wanneer eenzelfde verrekening het verschil is tussen een vermeerderingsbedrag en een verminderingsbedrag, mag geen van beide deze bedragen overschrijden;
  c) een afschrift van de met toepassing van artikel 47 van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten, opgestelde processen-verbaal aan de aannemer te zenden;
  3° allerlei uitgaven die buiten de toepassing vallen van de wetgeving op de overheidsopdrachten, en die betrekking hebben op de uitvoering van de taken van zijn administratie, goed te keuren tot een bedrag van maximum 1 250 000 fr. per beslissing, voor zover het niet gaat om subsidies en de betrokken uitgaven niet voortvloeien uit vonnissen of arresten, dadingen of schulderkenningen.
Art.9. (voir NOTE sous INTITULE) Le fonctionnaire dirigeant est habilité :
  1° en ce qui concerne les marchés visés à l'article 8, § 1er :
  a) à autoriser des dérogations motivées aux dispositions et conditions essentielles, en vertu de l'article 54 de l'arrêté royal du 22 avril 1977 relatif aux marchés publics de travaux, de fournitures et de services, après avoir recueilli l'avis de la Division juridique compétente ;
  b) à remettre des amendes, après avoir recueilli l'avis de la Division juridique compétente ;
  c) à prendre une décision dans les cas mentionnés ci-après :
  1° dans le cadre de l'examen de la régularité de la soumission, visé par l'article 25 de l'arrêté royal du 22 avril 1977 relatif aux marchés publics de travaux, de fournitures et de services ;
  2° en vue du recommencement de la procédure d'adjudication selon une procédure similaire, l'adjudication précédente étant annulée par lui ou le délai d'approbation étant écoulé ;
  3° en vue du recommencement selon une autre procédure, après l'invalidation de la procédure précédente par le fonctionnaire dirigeant ;
  4° en vue de l'application de l'article 38, alinéa 2, possibilité 2 et 3, et de l'article 46, § 2, alinéa 2, possibilité 2 et 3, de l'arrêté royal du 22 avril 1977 relatif aux marchés publics de travaux, de fournitures et de services, lorsqu'il s'agit de marchés dont le montant n'excède pas les montants indiqués au tableau figurant à l'article 8 ;
  d) à recourir à des mesures d'office conformément aux dispositions de la législation sur les marchés publics ;
  2° en ce qui concerne les marches visés à l'article 8, §§ 1er et 4 :
  a) à approuver les révisions des prix contractuelles, sans limitation de montant ;
  b) à approuver les décomptes, les états estimatifs et les prolongations de délai y relatifs, dans la mesure où ils n'entraînent pas des dépenses supplémentaires de plus de 25 %, et ne dépassent pas 10 millions F.
  Lorsqu'un décompte est constitué de la différence entre une majoration et une réduction, ni l'une ni l'autre ne peut excéder les limites susvisées ;
  c) à envoyer, à l'adjudicataire, une copie des procès-verbaux dressés en application de l'article 47 de l'arrêté ministériel du 10 août 1977 établissant la cahier général des charges des marchés publics de travaux, de fournitures et de services ;
  3° à approuver jusqu'à concurrence de 1 250 000 F au maximum par décision, des dépenses quelconques ne relevant pas de la législation sur les marchés publics et portant sur l'accomplissement des missions de son administration, à condition qu'il ne s'agisse pas de subventions et que les dépenses dont question ne résultent pas de jugements ou d'arrêts, de transactions ou de reconnaissances de dette.
Art.9. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) De leidend ambtenaar is gemachtigd om : 1° met betrekking tot de in artikel 8, § 1 vermelde opdrachten :
  a) na advies van de bevoegde juridische afdeling, gemotiveerde afwijkingen toe te staan op de essentiële bepalingen en voorwaarden, met toepassing van artikel 54 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten;
  b) na advies van de bevoegde juridische afdeling, boeten kwijt te schelden;
  c) een beslissing te nemen in de hieronder opgesomde gevallen :
  1° de beoordeling van de regelmatigheid zoals bedoeld in artikel 25 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken; leveringen en diensten;
  2° het opnieuw starten van de aanbestedingsprocedure, volgens een gelijkaardige procedure, hetzij na nietigverklaring door hem van de voorgaande procedure, hetzij wanneer de goedkeuringstermijn verstreken is;
  3° het opnieuw starten volgens een andere procedure na nietigverklaring door hem van de voorgaande procedure ;
  4° bij toepassing van het tweede lid, tweede en derde onderstelling, van artikel 38 of het tweede lid, tweede en derde onderstelling van artikel 46 § 2 van het koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en wanneer het aannemingen betreft waarvan het bedrag niet hoger is dan de bedragen vermeld in de tabel van artikel 8.
  d) ambtshalve maatregelen te treffen zoals bepaald in de wetgeving overheidsopdrachten;
  2° met betrekking tot de in artikel 8, § 1 en 4 vermelde opdrachten :
  a) contractuele prijsherzieningen goed te keuren zonder beperking van bedrag;
  b) verrekeningen en ramingsstaten en de hieraan verbonden termijnverlengingen, goed te keuren voor zover hieruit geen totale bijkomende uitgaven van meer dan 25 % voortvloeien en ze 10 000 000 fr. niet overschrijden;
  Wanneer eenzelfde verrekening het verschil is tussen een vermeerderingsbedrag en een verminderingsbedrag, mag geen van beide deze bedragen overschrijden;
  c) een afschrift van de met toepassing van artikel 47 van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten, opgestelde processen-verbaal aan de aannemer te zenden;
  3° allerlei uitgaven die buiten de toepassing vallen van de wetgeving op de overheidsopdrachten, en die betrekking hebben op de uitvoering van de taken van zijn administratie, goed te keuren tot een bedrag van maximum 1 250 000 fr. per beslissing, voor zover het niet gaat om subsidies en de betrokken uitgaven niet voortvloeien uit vonnissen of arresten, dadingen of schulderkenningen.
Art.10. (voir NOTE sous INTITULE) La taxe sur la valeur ajoutée n'est pas comprise dans les montants visés par la présente section.
Art.10. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) De in deze afdeling vermelde bedragen zijn exclusief de belasting over de toegevoegde waarde.
Section 3. - Délégations spécifiques. (voir NOTE sous INTITULE)
Art. 11. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) § 1. De directeur-generaal van de administratie milieu, natuur-, land- en waterbeheer wordt gemachtigd om binnen de perken van de bestaande regelgeving :
  1° de kwalificatie van technici te erkennen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 10, 11 en 12 van het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof;
  2° de bekwaamheidsbewijzen te waarmerken voor de technische ambtenaren van de provincies en de gemeenten, alsmede de agenten van de gemeentelijke politie, ter uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 7 november 1984 tot aanwijzing voor het Vlaamse Gewest, van ambtenaren die bevoegd zijn voor het opsporen en vaststellen van de inbreuken op de regelen ter bestrijding van geluidshinder;
  3° geheel of gedeeltelijke vrijstelling te verlenen van het theoretisch en het praktisch onderricht aan de door de gemeente aangewezen agenten van de gemeentelijke politie en de technische ambtenaren van de gemeenten, die toezicht houden op de toepassing van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en zijn uitvoeringsbesluiten alsmede op de naleving van de milieuvergunning, ter uitvoering van de bepalingen van het artikel 59 § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning;
  4° persoonlijke afwijkingen te verlenen bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse Gewest;
  5° de verpachtingsvoorwaarden van de jacht in de domeinbossen van het Vlaamse gewest vast te stellen op grond van artikel 11 van het jachtdecreet van 24 juli 1991;
  6° te beslissen over beroepen tegen de weigering van een jachtverlof op grond van artikel 8 van het koninklijk besluit van 28 februari 1977 betreffende de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen;
  7° ter uitvoering van artikel 14 van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij en met het oog op proefnemingen, het vissen, sommige wijzen van vissen, het vangen van sommige vissoorten of categorieën evenals het gebruik van bijzondere lokazen of tuigen tijdelijk toe te staan of te verbieden;
  8° de opheffingen toe te staan van de maatregelen bedoeld in artikel 11, tweede lid van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, voor zover als nodig voor het beheer van de erkende natuurreservaten en voor zover als opgenomen in het goedgekeurd beheersplan van deze erkende natuurreservaten;
  9° met toepassing van artikel 5 van het koninklijk besluit van 22 september 1980 houdende maatregelen, van toepassing in het Vlaamse Gewest, ter bescherming van bepaalde in het wild levende inheemse diersoorten die niet onder de toepassing vallen van de wetten en besluiten op de jacht, de riviervisserij en de vogelbescherming, afwijkingen toe te staan op de verbodsbepalingen bedoeld in de artikelen 1, 3 en 4 van dat besluit;
  10° afwijkingen toe te staan op de verbodsbepalingen van artikel 5 van het ministerieel besluit van 23 oktober 1975 houdende reglementering van de bewaking, de politie en het verkeer in de staatsnatuurreservaten, buiten de wegen die voor het openbaar verkeer openstaan, voor zover deze niet bedoeld zijn in de artikelen 6 en 7 van dit besluit;
  11° overeenkomstig artikel 14 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, het bijzonder beheersplan en een voor dit beheer noodzakelijk wegenplan van een staatsnatuurreservaat vast te stellen;
  12° overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit van 3 februari 1981 tot regeling voor het Vlaamse Gewest van de erkenning en de subsidiëring van natuurreservaten, de ambtenaren aan te wijzen belast met het toezicht op een erkend natuurreservaat;
  13° het gedetailleerde financiële verslag bedoeld in artikel 11 § 5 van bovenvermeld koninklijk besluit van 3 februari 1981, goed te keuren;
  14° overeenkomstig artikel 15 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud de ingenieur van waters en bossen aan te wijzen belast met het beheer van een staatsnatuurreservaat;
  15° de vergunningen af te geven voor het vervoer van inlandse vis met toepassing van artikel 17 van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij;
  16° overeenkomstig artikel 23, vijfde lid van het jachtdecreet van 24 juli 1991 machtiging te verlenen tot het vervoeren van levende wilde konijnen of vossen, en overeenkomstig artikel 28 van hetzelfde decreet toestemming te verlenen tot het vervoer, in gesloten jachttijd, van het in artikel 26, eerste lid, van genoemd decreet bedoelde levend wild en van de in artikel 35 van hetzelfde decreet bedoelde eieren van vogels, gerangschikt bij het wild;
  17° overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 februari 1981 tot regeling voor het Vlaamse Gewest, van de erkenning en de subsidiëring van natuurreservaten, de raadpleging in te zetten voorgeschreven door artikel 6, 2de lid en artikel 33, laatste lid van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
  18° afwijkingen toe te staan van de verbodsbepalingen van de artikelen 1 , 2 en 3 van het koninklijk besluit van 16 februari 1976 houdende maatregelen ter bescherming van bepaalde in het wild groeiende plantensoorten, en van de artikelen 1, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 22 september 1980 ter bescherming van bepaalde in het wild levende inheemse diersoorten, die niet onder de toepassing vallen van de wetten en besluiten op de jacht, de riviervisserij en de vogelbescherming:
  19° overeenkomstig artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 1984 houdende maatregelen inzake natuurbehoud op de bermen beheerd door publiekrechtelijke rechtspersonen, afwijkingen toe te staan met betrekking tot het maaitijdstip en het verwijderen van het maaisel op de bermen;
  20° de bevoegdheid uit te oefenen van de ambtenaar bedoeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 december 1991 tot instelling van een vergunningsplicht voor de wijziging van vegetatie en van lijnen puntvormige elementen;
  21° binnen de door het Mina-fonds beheerde kredieten, de facturen of de verklaringen van schuldvorderingen goed te keuren, tot een bedrag van 25 000 000 frank per schuldvordering, die worden ingediend om betaling te bekomen van leveringen, werken of prestaties van allerlei aard, met inbegrip van lonen en loonkosten, wanneer daaromtrent een regelmatige overeenkomst werd afgesloten of een regelmatige bestelling werd gedaan door de Vlaamse regering of de Vlaamse minister;
  22° binnen de kredieten beheerd door het Mina-fonds, beslissingen te nemen inzake de keuze van de wijze van gunning, het gunnen van opdrachten en de goedkeuring van de vorderingen voor werken, leveringen en diensten in het raam van de wet op de overheidsopdrachten voor zover de raming of het bedrag niet hoger ligt dan 1. 250.000 miljoen frank;
  23° vergunningen toe te staan volgens artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 april 1993 betreffende de introductie in de natuur van niet-inheemse diersoorten;
  24° personen aan te wijzen conform artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 april 1993 betreffende de introductie in de natuur van niet-inheemse diersoorten;
  25° vergunningen en toestemmingen af te geven betreffende de beheerde goederen;
  26° de schade te ramen aan de parken en de beplantingen van het Vlaamse Gewest;
  27° overeenkomsten voor technisch beheer af te sluiten voor ten hoogste drie jaar, om de uitvoering van de passende beheersmaatregelen te verzekeren op de onroerende goederen verworven krachtens de bepalingen van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, aangevuld door de wet van 11 augustus 1978, en van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
  28° overeenkomstig artikel 63 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, aangevuld door de wet van 11 augustus 1978, de minister tot wiens bevoegdheid de ruimtelijke ordening behoort te raadplegen inzake een voorlopig omschreven geheel van goederen waarvoor een onderzoek naar het nut van een ruilverkaveling zou kunnen worden ingesteld;
  29° de door de Vlaamse Landmaatschappij of een particulier studiebureau in het raam van het onderzoek naar het nut van de ruilverkaveling uitgevoerde studieopdrachten goed te keuren en te aanvaarden;
  30° als gemachtigde van de minister bevoegd voor landinrichting te handelen voor de uitvoering van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, aangevuld door de wet van 11 augustus 1978 (artikel 5, 6, 8, 9, 12, 21, 35, 42, 64 en 65);
  31° de documenten op te maken ter uitvoering van artikel 5 en artikel 8 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, aangevuld door de wet van 11 augustus 1978;
  32° de neerlegging toe te staan van de documenten, opgemaakt ter uitvoering van artikel 6 tot 9 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, aangevuld door de wet van 11 augustus 1978;
  33° de ontwerpen van ruilverkavelingswerken goed te keuren met het oog op de programmering van de ruilverkavelingsverrichtingen;
  34° wijzigingen aan gesubsidieerde ruilverkavelingswerken goed te keuren, voor zover er geen hogere subsidie wordt gevraagd;
  35° overeenkomstig artikel 70 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, aangevuld door de wet van 11 augustus 1978, de minister van landbouw en de minister tot wiens bevoegdheid de ruimtelijke ordening behoort te raadplegen over het plan van de nieuwe en af te schaffen wegen, afwateringen en daarbij behorende kunstwerken;
  36° de lijsten van de min- en meerwaarden en overige bestuurskosten van de ruilverkavelingsverrichtingen goed te keuren;
  37° de aanwijzing van de Vlaamse Landmaatschappij als ontwerper goed te keuren;
  38° op te treden als afgevaardigde van de minister, die het voorzitterschap waarneemt, van de werkgroep waarvan sprake in artikel 13 van het koninklijk besluit van 23 juli 1981 betreffende de subsidiëring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaamse Gewest door of op initiatief van ondergeschikte besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd, en zijn plaatsvervanger aan te wijzen;
  39° de voorontwerpen en de ontwerpen van de werkzaamheden ter verbetering van de waterhuishouding in de valleien van de onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie, evenals alle bijbehorende studies zoals haalbaarheidsstudies, met het oog op planning, voorbereiding, ondersteuning of begeleiding van deze werken goed te keuren en te aanvaarden;
  40° de voorstudies en voorontwerpen van gesubsidieerde waterbeheersings-, drainage-, irrigatie- en wegenwerken en werkzaamheden aan de gebouwen van polders en wateringen goed te keuren;
  41° overeenkomstig artikel 22 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen, de bij artikelen 20 en 23 van dezelfde wet bedoelde overtredingen op te sporen en vast te stellen en de bevoegde ambtenaren voor het Vlaamse Gewest aan te wijzen;
  42° de termijnen en modaliteiten voor de ruimings-, onderhouds- en herstellingswerkzaamheden bedoeld in artikel 7 § 1 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen vast te stellen;
  43° het toezicht te houden op de buitengewone werkzaamheden van verbetering bedoeld in artikel 11.2 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
  44° de machtigingen te verlenen waarvan sprake in de artikelen 12.1 en 14 § 1.1 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
  45° het toezicht te houden waarvan sprake in artikel 14 in fine van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
  46° te beslissen over de uitvoering van buitengewoon werk van wijziging waarvan sprake in artikel 14 § 2 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen binnen de delegaties hem verleend door artikel 8 van onderhavig besluit en het toezicht te houden waarvan sprake in hetzelfde artikel 14 § 2;
  47° de betekening te doen voor wat de onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie betreft, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
  48° op te treden als de bevoegde overheid voor de waterlopen van de eerste categorie, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit houdende algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen;
  49° de termijnen te bepalen waarvan sprake in artikelen 8 en 9 van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen en de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders;
  50° op te treden als de ambtenaar met raadgevende stem die op de algemene vergadering van de polders en de waterlopen uitgenodigd moet worden met toepassing van artikel 19 van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen en artikel 18 van de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders; 51° de toestemming te geven waarvan sprake in artikel 81 van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen en van de wet van 3 juni 1957 betreffende polders;
  52° Op te treden als de aangewezen bevoegde ambtenaar zoals bedoeld in artikelen 82 (tweede lid), 83 (eerste lid), 88, 89, 90, 92 en 93 van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen en van de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders;
  53° het verzoek te doen bedoeld in artikel 98 §§ 2 en 3 van de wet van 5 juli 19S6 betreffende de wateringen en in artikel 97 §§ 2 en 3 van de wet van 3 juni 1957 betreffende de polders;
  54° in het kader van de uitvoering van de procedures voor de subsidiëring van werken, leveringen en diensten uitgaande van derden, de dossiers te viseren ten belope van 75 % van de bedragen vermeld in artikel 8 van dit besluit. Onder subsidiëring van werken, leveringen en diensten dient elke vorm van subsidiëring te worden verstaan.
  § 2. De directeur-generaal van de administratie ruimtelijke ordening, huisvesting en monumenten en landschappen wordt gemachtigd om binnen de perken van de bestaande regelgeving :
  1° de besluiten van betaalbaarstelling te ondertekenen voor het toekennen van voordelen aan particulieren, bedoeld, eensdeels in de artikelen 57, 80ter, 84 en 96 van de Huisvestingscode, en anderdeels in de besluiten van de Vlaamse regering van 23 december 1987 en 31 juli 1991 met betrekking tot de toekenning van renovatiepremies en stads- en dorpsvernieuwingspremies aan particulieren;
  2° woningen ongezond te erkennen, voor zover dit vereist is voor de toekenning van de in 1° vermelde voordelen;
  3° alle uitgaven goed te keuren ter uitvoering van de overeenkomsten inzake verzekering tegen inkomensverlies, bedoeld in artikel 1, tweede lid van het besluit van de Vlaamse regering van 27 mei 1987 tot instelling van een huisvestingspremie;
  4° alle maatregelen te nemen tot invordering van de wegens overtredingen op de betrokken besluiten terug te betalen bedragen;
  5° handlichting, rangafstand en doorhaling te verlenen van de hypothecaire inschrijvingen die destijds werden genomen overeenkomstig artikel 52, derde lid van het wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten;
  6° het gewest te vertegenwoordigen bij elk onroerend beslag betreffende een woning waarvoor een hypothecaire inschrijving werd genomen zoals bedoeld in 5°;
  7° behoudens wat de handlichting en het toestaan van de rangafstand betreft, aan de eerste klerk van de instrumenterende notaris volmacht geven om de in 5°en 6° gedelegeerde bevoegdheden uit te oefenen;
  (8° in het kader van de in 1° bedoelde regelgeving :
  a) een termijnverlenging van ten hoogste twee jaar te verlenen voor de uitvoering van bouw-, sanerings- en/of renovatiewerken of voor de indiening van het bewijs ervan;
  b) een afwijking te verlenen op de volumenorm van nieuwbouwwoningen (...), wanneer de overschrijding in rechtstreeks verband staat, hetzij met een handicap of een verminderde mobiliteit van een gezinslid, hetzij met stedenbouwkundige voorschriften;
  c) een afwijking om bouwtechnische redenen tot ten hoogste 1,5 m2 te verlenen op de minimumoppervlaktenorm voor nieuwbouwwoningen, in het bijzonder voor de berekening onder een hellend dak;
  d) rekening houden met de situatie van feitelijk gescheiden personen bij de interpretatie van het begrip " aanvrager " voor zover de feitelijke scheiding een definitief karakter heeft;
  e) toestemming te verlenen tot inwoning van bijkomende personen voor zover de woning waarop het voordeel betrekking heeft, daardoor niet overbewoond wordt.)
  (f) te beslissen over het al dan niet terugbetalen van de reeds bekomen tegemoetkomingen, als op basis van de ingediende bewijsstukken of van het verslag van het nieuwe onderzoek blijkt dat de renovatiewerken niet binnen de gestelde termijn zijn uitgevoerd.)
  9° (bij het niet nakomen van de eventuele verbintenissen tot bewoning en niet vervreemding, opgenomen in de regelgeving bedoeld in 1° :
  a) te beslissen over het al dan niet terugvorderen van door particulieren verkregen voordelen;
  b) vrijstelling van terugbetaling toe te staan van ingevorderde, door particulieren verkregen voordelen;
  c) toestemming te geven tot gespreide terugbetaling van ingevorderde door particulieren verkregen voordelen.)
  (10° wat de toepassing betreft van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1992 tot uitvoering van artikel 49 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992 :
  a) binnen de perken van de criteria vastgesteld door de minister, bevoegd voor Huisvesting :
  - de goedkeuring te verlenen, bedoeld in artikel 18, § 2, 3°, van voormeld besluit;
  - te beslissen over de aanvragen tot afwijking, bedoeld in 4° van dezelfde bepaling;
  b) binnen de perken van de bedragen, opgenomen in de definitieve ministeriële machtiging, de rentesubsidies, tegemoetkomingen en huursubsidies betaalbaar te stellen;)
  (c) de voorafgaande schriftelijke toestemming te verlenen, en te beslissen over de aard van de afwijking, bedoeld in artikel 24bis, tweede lid van voormeld besluit.)
  (11° wat de toepassing betreft van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1996 houdende de subsidiëring van de renovatie van woningen en gebouwen en van de bouw van nieuwe sociale woningen, en binnen de perken van de criteria, vermeld in 10°, a),
  - te beslissen over de aanvragen tot afwijking, bedoeld in artikel 8, § 2, tweede lid, 3°, van voormeld besluit;
  - de goedkeuring te verlenen, bedoeld in 5° van dezelfde bepaling;)
  (12° de besluiten van betaalbaarstelling te ondertekenen :
  a) met betrekking tot de huurverminderingen voor grote gezinnen, in toepassing van de bepalingen van het sociaal huurstelsel overeenkomstig artikel 80ter van de huisvestingscode;
  b) met betrekking tot de huurcompensaties voor de in toepassing van de besluiten van de Vlaamse regering van 19 mei 1987 en 4 april 1990 bij ministerieel besluit goedgekeurde dossiers;
  c) bij toepassing van de artikelen 94, eerste lid, a) en 95 van de huisvestingscode in het kader van het sociale gronden pandenbeleid.)
  (13° de betalingsstaten goed te keuren in toepassing van de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1983 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de toelating wordt verstrekt aan de coöperatieve vennootschap " Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen " tot het aangaan van leningen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 11 mei 1999.
  14° de betalingsplannen goed te keuren, bedoeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 1994 houdende regeling tot de toekenning van subsidies aan de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij voor de financiering van haar investeringsprogramma, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 23 november 1994, 2 april 1996, 15 juli 1997 en 11 mei 1999.
  15° de goedkeuring te verlenen, bedoeld in artikel 12, § 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 1997 houdende bepaling van de erkenning- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren.
  16° de goedkeuring te verlenen, bedoeld in artikel 8, § 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 18 november 1997 houdende de erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden voor de samenwerkings- en overlegstructuur van de erkende sociale verhuurkantoren.
  17° een afwijking te verlenen, bedoeld in artikel 5, vijfde lid van het besluit van de Vlaamse regering van 11 december 1991 tot instelling van individuele huursubsidies en een installatiepremie bij het betrekken van een gezonde of aangepaste woning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 24 juni 1992 en 16 mei 1995.)
  (18° bij toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 2001 tot instelling van een tegemoetkoming bij het bouwen van een nieuwe woning of bij het uitvoeren van werken aan een woning :
  a) al dan niet in beroep, definitief te beslissen over het toekennen of weigeren van de tegemoetkomingen en de betreffende betaalbaarstellingen te ondertekenen
  b) te oordelen of een kind, na voorlegging van bewijzen, kan worden beschouwd als persoon ten laste.)
  § 3. De in deze afdeling vermelde bedragen zijn exclusief de belasting over de toegevoegde waarde.
Art.11. (voir NOTE sous INTITULE) § 1er. Le directeur général de l'Administration de la gestion de l'environnement, de la nature, des zones rurales et des eaux est habilité, dans les limites des réglementations en vigueur, à :
  1° reconnaître la qualification des techniciens conformément aux dispositions des articles 10, 11 et 12 de l'arrêté royal du 6 janvier 1978 portant prévention de la pollution de l'air résultant du chauffage de bâtiments à l'aide de carburants solides ou liquides ;
  2° authentifier les attestations de compétence des fonctionnaires techniques des provinces et des communes, ainsi que des agents de la police communale, en exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 novembre 1984 désignant pour la Région flamande, les fonctionnaires compétents pour la recherche et la constatation des infractions à la réglementation relative à la lutte contre le bruit ;
  3° accorder dispense entière ou partielle des cours théoriques et pratiques aux agents de la police communale désignés par la commune et aux fonctionnaires techniques des communes qui veillent à l'application du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique et ses arrêtés d'exécution, ainsi que le respect de l'autorisation écologique, en application des dispositions de l'article 59, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique ;
  4° accorder des dérogations personnelles telles que visées à l'article 8 de l'arrêté royal du 9 septembre 1981 relatif à la protection des oiseaux dans la Région flamande ;
  5° fixer les conditions d'affermage de la chasse dans les bois domaniaux de la Région flamande sur base de l'article 11 du décret sur la chasse du 24 juillet 1991 ;
  6° décider des recours contre le refus d'un permis de chasse sur base de l'article 8 de l'arrêté royal du 28 février 1977 relatif à la délivrance des permis de chasse et des licences de chasse ;
  7° autoriser temporairement ou d'interdire, en application de l'article 14 de la loi du 1er juillet 1954 sur la pêche fluviale et en vue d'expérimentation, la pêche, certains modes de pêche, la capture de certaines espèces ou catégories de poissons, ainsi que l'utilisation d'appâts ou d'équipement spéciaux ;
  8° autoriser l'abrogation des mesures visées à l'article 11, deuxième alinéa de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, pour autant que ce soit nécessaire pour la gestion des réserves naturelles reconnues et pour autant que ce soit repris dans le plan de gestion approuvé de ces réserves naturelles reconnues ;
  9° autoriser, en application de l'article 5 de l'arrêté royal du 22 septembre 1980 relatif aux mesures de protection, applicables dans la Région flamande, en faveur de certaines espèces animales indigènes vivant à l'état sauvage et ne tombant pas sous l'application des lois et arrêtés sur la chasse, la pêche et la protection des oiseaux, des dérogations aux dispositions d'interdiction visées aux articles 1er, 3 et 4 du même arrêté ;
  10° autoriser des dérogations aux dispositions d'interdiction visées à l'article 5 de l'arrêté ministériel du 23 octobre 1975 réglementant la surveillance, la police et la circulation dans les réserves naturelles de l'état, à l'exception des routes ouvertes à la circulation publique, pour autant qu'elles ne soient pas visées aux articles 6 et 7 du présent arrêté ;
  11° fixer, conformément à l'article 14 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, le plan particulier de gestion et un plan relatif aux routes d'une réserve naturelle de l'Etat nécessaire pour cette gestion ;
  12° désigner les fonctionnaires chargés de la surveillance d'une réserve naturelle agréée, conformément à l'article 9 de l'arrêté royal du 3 février 1981 réglementant pour la Région flamande l'agrément et la subvention des réserves naturelles ;
  13° approuver le rapport financier détaillé visé à l'article 11, § 5, de l'arrêté royal susmentionné du 3 février 1981 ;
  14° désigner, conformément à l'article 15 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, l'ingénieur des eaux et forêts chargé de la gestion d'une réserve naturelle de l'Etat ;
  15° délivrer les licences pour le transport de poissons indigènes en application de l'article 17 de la loi du 1er juillet 1954 sur la pêche fluviale ;
  16° accorder l'autorisation, conformément à l'article 23, cinquième alinéa, du décret sur la chasse du 24 juillet 1991, de transporter des lapins ou des renards vivants, et de donner la permission, conformément à l'article 28 du même décret de transporter, en temps de fermeture de la chasse, du gibier vivant, visé à l'article 26, premier alinéa, du même décret, et des oeufs d'oiseaux visés à l'article 35 du même décret, classés parmi le gibier ;
  17° entamer la consultation prévue par l'article 6, deuxième alinéa et par l'article 33, dernier alinéa de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature, conformément à l'article 6 de l'arrêté royal du 3 février 1981 réglementant pour la Région flamande l'agrément et la subvention des réserves naturelles ;
  18° autoriser des dérogations aux dispositions d'interdiction visées aux articles 1er, 2 et 3 de l'arrêté royal du 16 février 1976 portant mesures de protection en faveur de certaines espèces végétales poussant à l'état sauvage, et aux articles 1er, 3 et 4 de l'arrêté royal du 22 septembre 1980 relatif aux mesures de protection en faveur de certaines espèces animales indigènes vivant à l'état sauvage et ne tombant pas sous l'application des lois et arrêtés sur la chasse, la pêche et la protection des oiseaux ;
  19° autoriser des dérogations relatives à la fauchaison et à l'enlèvement du produit du fauchage des accotements, conformément à l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 juin 1984 portant des mesures en vue de la conservation de la nature sur les accotements ;
  20° exercer les compétences du fonctionnaire visé à l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 décembre 1991 instaurant une obligation d'adjudication pour les modifications apportées à la végétation et aux éléments linéaires et ponctuels ;
  21° approuver, dans les limites des crédits gérés par le fonds MINA, les factures ou les déclarations de créance, jusqu'à un montant de 25 000 000 de francs par créance, qui sont introduites afin d'obtenir le paiement de fournitures, de travaux ou de prestations de toute nature, y compris les salaires et les coûts salariaux, lorsqu'un contrat régulier en cette matière a été conclu ou lorsque le Gouvernement flamand ou le Ministre flamand ont régulièrement passé commande ;
  22° dans les limites des crédits gérés par le fonds MINA, à prendre des décision en matière de choix et de mode d'adjudication, d'adjudication de marchés et d'approbation des créances pour des travaux, des fournitures et des services dans le cadre de la loi relative aux marchés publics pour autant que l'estimation ou le montant ne dépasse pas 1.250 000 francs ;
  23° accorder des licences suivant l'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 1993 relatif à l'introduction dans la nature d'espèces animales non indigènes ;
  24° désigner des personnes conformément à l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 1993 relatif à l'introduction dans la nature d'espèces animales non indigènes ;
  25° délivrer les licences et les permis relatifs aux biens gérés ;
  26° estimer les dégâts aux parcs et plantations de la Région flamande ;
  27° conclure les contrats de gestion technique pour 3 ans au maximum, en vue d'assurer l'exécution, les mesures de gestion adéquates des biens immobiliers acquis en vertu de la loi du 22 juillet 1970 relative au remembrement légal des propriétés terriennes, complétée par la loi du 11 août 1978, et de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ;
  28° conformément à l'article 63 de la loi du 22 juillet 1970 relative au remembrement légal des propriétés terriennes, complétée par la loi du 11 août 1978, à consulter le Ministre, chargé de l'aménagement du territoire, en matière d'un ensemble provisoirement défini de biens pour lesquels des recherches en matière de l'utilité d'un remembrement pourraient être entamées ;
  29° approuver et accepter les études effectuées par la Société flamande terrienne ou par un bureau d'étude particulier dans le cadre des recherches en matière de l'utilité d'un remembrement ;
  30° agir en tant que mandataire du Ministre, chargé de la rénovation rurale, pour l'exécution de la loi du 22 juillet 1970 relative au remembrement légale des propriétés terriennes, complétée par la loi du 11 août 1978 (articles 5, 6, 8, 9, 12, 21, 35, 42, 64 et 65) ;
  31° dresser des documents en exécution de l'article 5 et de l'article 8 de la loi du 22 juillet 1970 relative au remembrement légal des propriétés terriennes, complétée par la loi du 11 août 1978 ;
  32° autoriser le dépôt de documents, dressés en exécution des articles 6 à 9 de la loi du 22 juillet 1970 relative au remembrement légal des propriétés terriennes, complétée par la loi du 11 août 1978 ;
  33° approuver les projets de travaux de remembrement en vue de la programmation des opérations de remembrement ;
  34° approuver des modifications à des travaux de remembrement subventionnés, pour autant que la subvention demandée n'excède pas la subvention originale ;
  35° conformément à l'article 70 de la loi du 22 juillet 1970 relative au remembrement légal des propriétés terriennes, complétée par la loi du 11 août 1978, consulter le Ministre, chargé de l'aménagement du territoire, en matière du plan des routes, tant nouvelles qu'à supprimer, de l'évacuation des eaux et des oeuvres d'art y afférents ;
  36° approuver les listes des valeurs en plus et en moins et des autres frais d'administration des opérations de remembrement ;
  37° approuver la désignation de la Société flamande terrienne comme auteur du projet ;
  38° d'agir en tant que délégué du Ministre, qui assure la présidence du groupe de travail visé à l'article 13 de l'arrêté royal du 23 juillet 1981 relatif à la subvention de certains travaux, fourniture, et services qui, dans la Région flamande, sont exécutés par ou sur l'initiative d'administrations subordonnées ou par des personnes juridiques assimilées, et désigner son remplacant ;
  39° approuver et accepter les avant-projets et les projets des activités en vue de l'amélioration de la gestion des eaux dans les vallées des cours d'eau non navigables de première catégorie, ainsi que toutes les études complémentaires, telles que les études de faisabilité, en vue du planning, de la préparation, de la logistique ou de l'accompagnement de ces travaux ;
  40° approuver les études préliminaires et les avant-projets de travaux subventionnés en matière de gestion d'eau, de drainage, d'irrigation et d'activités aux bâtiments des polders et des wateringues ;
  41° conformément à l'article 22 de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables, rechercher et constater les infractions visées aux articles 20 et 23 de la même loi, et désigner les fonctionnaires compétents pour la Région flamande ;
  42° fixer les délais et les modalités des travaux de dragage, d'entretien et de réparation visés à l'article 7, § 1er de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ;
  43° surveiller les activités d'amélioration extraordinaires visées à l'article 11.2 de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ;
  44° accorder les autorisations visées aux articles 12.1 et 14, § 1.1 de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ;
  45° assurer la surveillance visée à l'article 14 in fine de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ;
  46° décider de l'exécution de travaux extraordinaires de modification visés à l'article 14, § 2 de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables dans les limites des délégations qui lui sont accordées par l'article 8 du présent arrêté et assurer la surveillance visée au même l'article 14, § 2 ;
  47° faire la notification en ce qui concerne les cours d'eau non navigables de la première catégorie, visée à l'article 16, deuxième alinéa, de la loi du 28 décembre 1967 relative aux cours d'eau non navigables ;
  48° agir en tant qu'autorité compétente pour les cours d'eau de la première catégorie, visés à l'article 1er de l'arrêté royal portant le règlement général de police des cours d'eau non navigable ;
  49° fixer les délais visés aux articles 8 et 9 de la loi du 5 juillet 1956 relative aux wateringues et de la loi du 3 juin 1957 relative aux polders ;
  50° agir en tant que fonctionnaire ayant voix consultative qui doit être invité à la réunion générale des polders et des cours d'eau en application de l'article 19 de la loi du 5 juillet 1956 relative aux wateringues et de l'article 18 de la loi du 3 juin 1957 relative aux polders ;
  51° donner l'autorisation visée à l'article 81 de la loi du 5 juillet 1956 relatives aux wateringues et de la loi du 3 juin 1957 relative aux polders ;
  52° agir en tant que fonctionnaire compétent désigné tel que visé aux articles 82 (deuxième alinéa), 83 (premier alinéa), 88, 89, 90, 92 et 93 de la loi du 5 juillet 1956 relative aux wateringues et de la loi du 3 juin 1957 relative aux polders ;
  53° faire la demande visée à l'article 98, §§ 2 et 3, de la loi du 5 juillet 1956 relative aux wateringues et à l'article 97, §§ 2 et 3, de la loi du 3 juin 1957 relative aux polders ;
  54° viser, dans le cadre de l'exécution des procédures pour la subvention de travaux, de fournitures et de services émanant de tiers, les dossiers à concurrence de 75 % des montants mentionnés à l'article 8 du présent arrêté.
  § 2. Le directeur général de l'Administration de l'Aménagement du Territoire, du Logement et des Monuments et des sites, est habilité, dans les limites des réglementations en vigueur, à :
  1° signer les arrêtés de mise en paiement pour l'octroi d'avantages à des particuliers, visés, d'une part, aux articles 57, 80ter, 84 et 96 du Code du Logement, et d'autre part, aux arrêtés du Gouvernement flamand du 23 décembre 1987 et du 31 juillet 1991 relatifs à l'octroi de primes de rénovation et de primes de rénovation urbanistique et rurale à des particuliers ;
  2° reconnaître l'insalubrité d'habitations, pour autant que ce soit exigé pour l'octroi des avantages mentionnés au point 1 ;
  3° approuver toutes les dépenses en vue de l'exécution des contrats relatifs aux assurances contre la perte de revenu, visées à l'article 1er, deuxième alinéa, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 mai 1987 instaurant une prime au logement ;
  4° prendre toutes les mesures de recouvrement des montants à rembourser pour cause d'infraction aux arrêtés concernés ;
  5° accorder la mainlevée, l'abandon de rang et la radiation d'une inscription hypothécaire prise auparavant conformément à l'article 52, troisième alinéa, du Code des Droits d'Enregistrement, d'Hypothèque et de Greffe ;
  6° de représenter la Région à chaque saisie immobilière relative à une habitation pour laquelle une inscription hypothécaire a été prise telle que visée au point 5° ;
  7° sauf en ce qui concerne la mainlevée et l'octroi d'un abandon de rang, conférer au premier clerc du notaire instrumentant le pouvoir d'exercer les compétences déléguées au points 5° et 6° ;
  8° (modifié par un texte non traduit en français;)
  9° (modifié par un texte non traduit en français;)
  10° (introduit par un texte non traduit en français;)
  11° (introduit par un texte non traduit en français;)
  12° (introduit par un texte non traduit en français;) AM 1997-02-14/32, art. M, 004; En vigueur : 01-03-1997>
  (13° d'approuver les états de paiement en application des dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 1983 fixant les conditions auxquelles il est accordé à la société coopérative "Fonds flamand des Familles nombreuses" l'autorisation de contracter des prêts, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 mai 1999;
  14° d'approuver les plans de paiement, visés à l'article 7 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 juillet 1994 réglant l'octroi de subventions à la Société flamande du Logement en vue du financement de son programme d'investissement, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 novembre 1994, 2 avril 1996, 15 juillet 1997 et 11 mai 1999;
  15° d'accorder l'approbation, visée à l'article 12, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 octobre 1997 fixant les conditions d'agrément et de subventionnement des offices de location sociale;
  16° d'accorder l'approbation, visée à l'article 8, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 novembre 1997 portant les conditions d'agrément et de subventionnement de la structure de coopération et de concertation des offices de location sociale agreés;
  17° d'accorder une dérogation, visée à l'article 5, cinquième alinea, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 1991 instaurant des subventions individuelles à la location et une prime d'installation lors de l'occupation d'une habitation salubre et adaptée, modifié par les arrêtés du Gouvernement des 24 juin 1992 et 16 mai 1995.)
  (18° en cas d'application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 février 2001 instaurant une subvention à la construction d'une nouvelle habitation ou à l'exécution de travaux à une habitation :
  a) de décider définitivement, en appel ou non, de l'octroi ou du refus des subventions et de signer les ordonnancements concernés;
  b) de juger si un enfant, après production des preuves, peut être considéré comme étant une personne à charge.)
  § 3. La taxe sur la valeur ajoutée n'est pas comprise dans les montants visés par la présente section.
Art.11. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) § 1. De directeur-generaal van de administratie milieu, natuur-, land- en waterbeheer wordt gemachtigd om binnen de perken van de bestaande regelgeving :
Section 4. - Dispositions communes. (voir NOTE sous INTITULE)
Art. 12. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) § 1. De leidend ambtenaar subdelegeert - na overleg met de secretaris-generaal - de hiervoor in aanmerking komende gedelegeerde bevoegdheden aan ambtenaren van zijn administratie, tot op het meest functionele niveau. Elke subdelegatie wordt meegedeeld aan het Rekenhof en aan de minister.
  § 2. Bij gebruik van de in de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk bedoelde delegaties, plaatst de delegatiehouder boven de vermelding van zijn graad en zijn handtekening en formule "Namens de Vlaamse minister voor...".
Art.12. (voir NOTE sous INTITULE) § 1er. Le fonctionnaire dirigeant subdélègue, de commun accord avec le secrétaire général, les compétences déléguées appropriées aux fonctionnaires de son administration jusqu'au niveau le plus fonctionnel.
  Toute subdélégation est communiquée à la Cour des Comptes et au Ministre.
  § 2. En cas d'exercice des délégations visées aux sections 2 et 3 du présent chapitre, le délégué appose au-dessus de son grade et de sa signature la formule "Au nom du Ministre flamand chargé de...".
Art.12. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) § 1. De leidend ambtenaar subdelegeert - na overleg met de secretaris-generaal - de hiervoor in aanmerking komende gedelegeerde bevoegdheden aan ambtenaren van zijn administratie, tot op het meest functionele niveau. Elke subdelegatie wordt meegedeeld aan het Rekenhof en aan de minister.
  § 2. Bij gebruik van de in de afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk bedoelde delegaties, plaatst de delegatiehouder boven de vermelding van zijn graad en zijn handtekening en formule "Namens de Vlaamse minister voor...".
Art.13. (voir NOTE sous INTITULE) L'exercice des compétences visées aux sections 2 et 3 fait l'objet d'un rapport d'activités trimestriel, adressé au Ministre, par l'entremise du secrétaire général.
Art.13. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) Over het gebruik van de in de afdelingen 2 en 3 bedoelde bevoegdheden wordt driemaandelijks gerapporteerd door middel van een activiteitenverslag dat aan de minister wordt meegedeeld via de secretarisgeneraal.
Art.14. (voir NOTE sous INTITULE) Le Ministre peut, à tout moment, retirer en tout ou en partie les délégations et subdélégations accordées et se saisir de dossiers particuliers.
Art.14. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) De minister kan te allen tijde de verleende delegaties of subdelegaties geheel of gedeeltelijk intrekken en individuele dossiers aan zich trekken.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales. (voir NOTE sous INTITULE)
Art. 15. (zie NOTA onder OPSCHRIFT) Opgeheven worden : 1° het ministerieel besluit van 19 oktober 1982 houdende verlenen van delegatie van bevoegdheid aan ambtenaren van het Ministerie van Openbare Werken die hun medewerking verlenen aan het Vlaams regionaal beleid inzake de uitvoering van de infrastructuuruitrustingen bedoeld in artikel 80 van de huisvestingscode en het koninklijk besluit van 30 maart 1989;
  2° het ministerieel besluit van 5 september 1985 houdende delegatie van bevoegdheden inzake leefmilieu aan bepaalde ambtenaren van de administratie voor ruimtelijke ordening en leefmilieu;
  3° het ministerieel besluit van 19 september 1985 houdende delegatie inzake landinrichting aan bepaalde ambtenaren van de administratie voor ruimtelijke ordening en leefmilieu;
  4° het ministerieel besluit van 11 december 1990 houdende delegatie van bevoegdheid aan ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - administratie voor Huisvesting;
  5° het ministerieel besluit van 3 juni 1991 houdende overdracht aan de directeur-generaal van de administratie milieu, natuur en landinrichting van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;
  6° het ministerieel besluit van 22 oktober 1991 houdende overdracht aan de directeur-generaal van de administratie milieu, natuur en landinrichting van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;
  Brussel, 17 maart 1995.
  De Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting,
  N. DE BATSELIER
Art. 15. (voir NOTE sous INTITULE) Sont abrogés :
  1° l'arrêté ministériel du 19 octobre 1982 relatif aux délégations de pouvoirs accordées aux fonctionnaires du Ministère des Travaux publics qui coopèrent à la politique régionale flamande en matière d'exécution des équipements d'infrastructure visés à l'article 80 du Code du Logement et à l'arrêté royal du 30 mars 1989 ;
  2° l'arrêté ministériel du 5 septembre 1985 portant délégation de compétences en matière d'environnement à certains fonctionnaires de l'administration de l'aménagement du territoire et de l'environnement ;
  3° l'arrêté ministériel du 19 septembre 1985 portant délégation en matière de rénovation rurale à certains fonctionnaires de l'administration de l'aménagement du territoire et de l'environnement ;
  4° l'arrêté ministériel du 11 décembre 1990 portant délégation aux fonctionnaires de la Communauté flamande - Administration du Logement ;
  5° l'arrêté ministériel du 3 juin 1991 portant transfert au directeur général de l'administration de l'environnement, de la nature et de la rénovation rurale du ministère de la Communauté flamande ;
  6° l'arrêté ministériel du 22 octobre 1991 portant transfert au directeur général de l'administration de l'environnement, de la nature et de la rénovation rurale du ministère de la Communauté flamande ;
  Bruxelles, le 17 mars 1995.
  Le Ministre flamand de l'Environnement et du Logement,
  N. DE BATSELIER