Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
19 JANUARI 1995. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van de artikelen 76 tot 81 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid.
Titre
19 JANVIER 1995. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale modifiant les articles 76 à 81 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage.
Documentinformatie
Info du document
Tekst (4)
Texte (4)
Artikel 1. Dit besluit regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Article 1. Le présent arrêté règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
Art. 2. De artikelen 76 tot 81 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid worden vervangen door de volgende bepalingen :
"Artikel 76. Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder :
1° onderneming : de commerciële vennootschap die haar sociale zetel of een exploitatiezetel heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° beroepsopleiding : de opleiding die gegeven wordt aan de werkzoekenden binnen de onderneming die hen aanwerft of erbuiten om hen toe te laten zich aan te passen aan de ontwikkelingen in hun beroep of zich om te scholen naar een nieuwe activiteit;
3° oprichting : de oprichting van een onderneming en het effectief opstarten van een activiteit;
4° uitbreiding : de oprichting van een filiaal, van een nieuwe afdeling binnen een onderneming of het aanbieden van nieuwe produkten of diensten;
5° omschakeling : de bestendige wijziging van het produktieproces meer bepaald verbonden aan de technologische evolutie en/of de aanpassing aan een nieuwe activiteit.
Artikel 77. De Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling kan een financiële tussenkomst verlenen in de uitgaven voor de beroepsopleiding van bij hem ingeschreven werkzoekenden die door zijn tussenkomst aangeworven worden door een onderneming in oprichting, uitbreiding of omschakeling waarvan het personeelsbestand maximaal 250 werknemers bedraagt.
Het personeelsbestand wordt vastgesteld op basis van het rekenkundig gemiddelde van de raamstatistieken die gevoegd worden bij de aangifte aan de RSZ betreffende de vier kalenderkwartalen die het kalenderkwartaal voorafgaan waarin de bijscholing aanvangt.
Artikel 78. § 1. Om recht te kunnen geven op een financiële tussenkomst moet de beroepsopleiding :
1° betrekking hebben op werkzoekenden aangeworven met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
2° betrekking hebben op werkzoekenden waarvan de plaats van tewerkstelling zich bevindt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° ingericht worden hetzij door één of meerdere instructeurs vreemd aan de onderneming, hetzij door een of meerdere instructeurs die hiervoor, al dan niet tijdelijk, aangeworven zijn door de onderneming, hetzij door één of meerdere personeelsleden die hiervoor een aangepaste opleiding hebben gekregen.
§ 2. Voor wat ondernemingen betreft (met een personeelsbestand van minder dan 50 werknemers) wordt de financiële tussenkomst slechts toegekend op voorwaarde dat het globale tewerkstellingsvolume behouden blijft, behoudens afwijking toegekend door de Minister bevoegd voor Tewerkstelling, op voorstel van het Beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling. (Err. B.St. 13-12-1995, p. 33457)
Het behoud van het globale tewerkstellingsvolume wordt beoordeeld door het rekenkundig gemiddelde van het personeelsbestand van de onderneming vermeld in de raamstatistieken die gevoegd worden bij de aangifte aan de RSZ betreffende de vier kalenderkwartalen die het kalenderkwartaal voorafgaan waarin de beroepsopleiding aanvangt, te vergelijken met het personeelsbestand vermeld in de raamstatistiek die gevoegd wordt bij de verklaring aan de RSZ betreffende het kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de beroepsopleiding wordt beëindigd.
§ 3. Voor wat ondernemingen betreft met een personeelsbestand tussen de 50 en de 250 werknemers wordt de financiële tussenkomst slechts toegekend op voorwaarde dat de onderneming voor haar oprichting, uitbreiding of omschakeling begunstigde is van de tweede bijkomende investeringstoelage bedoeld in artikel 6, § 2, van de ordonnantie van 1 juli 1993 betreffende de bevordering van de economische expansie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Artikel 79. § 1. De financiële tussenkomst is enerzijds bestemd voor de bezoldiging van de op te leiden werkzoekende en anderzijds voor de kost van de instructeurs.
Ze wordt vastgesteld op 50 percent van de bezoldiging voor de opleidingsuren, van de op te leiden werkzoekenden en van de hierop toepasselijke werkgeversbijdrage voor de sociale zekerheid en op 50 percent van hun eventuele verplaatsingskosten.
Ze wordt vastgesteld op 50 percent hetzij van de bezoldiging van de instructeur of instructeurs en van de werkgeversbijdrage hiervoor aan de sociale zekerheid, hetzij van het forfait dat door een derde voor de bijscholing aan de onderneming gefactureerd wordt.
Het maximale bedrag van de financiële tussenkomst wordt vastgesteld gemiddeld op 100 000 frank per opgeleide werkzoekende, inclusief de kost van de instructeurs en mag in totaal de vijf miljoen per bedrijf en per periode van twee jaar niet overschrijden.
§ 3. De looptijd van de financiële tussenkomst bedraagt maximum 6 maanden voor iedere opgeleide werkzoekende.
Een beroepsopleiding die minder dan 20 uren duurt kan geen aanleiding geven tot een tussenkomst.
§ 4. De financiële tussenkomst mag voor eenzelfde opleiding en eenzelfde werknemer niet gecumuleerd worden met tussenkomsten waarin voorzien is door de wetgeving betreffende het betaald educatief verlof of door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 november 1994 tot wijziging van de artikelen 53 tot 58 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid.
Artikel 80. § 1. Voor ondernemingen met een personeelsbestand van minder dan 50 werknemers, moet de aanvraag tot tegemoetkoming op straffe van nietigheid per aangetekende brief worden ingediend bij de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en dit voor de aanvang van de beroepsopleiding.
Voor ondernemingen met 50 tot 250 werknemers moet de aanvraag tot tegemoetkoming op straffe van nietigheid per aangetekende brief worden ingediend bij de Dienst Economische Expansie van de Administratie voor Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, samen met de aanvraag van de onderneming tot toekenning van de tweede bijkomende investeringstoelage bedoeld in artikel 6, § 2, van voormelde ordonnantie van 1 juli 1993 en dit voor de aanvang van de beroepsopleiding.
§ 2. Het Beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling beslist over de aanvragen tot tussenkomst.
In geval van gunstig advies van het Beheerscomité en op grond van de inlichtingen die door de onderneming werden overgemaakt, wordt een overeenkomst gesloten tussen de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en de onderneming, waarin de toekenningsvoorwaarden en het maximumbedrag van de financiële tussenkomst worden vastgesteld.
Artikel 81. De helft van de financiële tussenkomst wordt na de beroepsopleiding gestort op grond van de bewijsstukken die de onderneming binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf het einde van de bijscholing, op straffe van nietigheid per aangetekende zending moet overmaken. Nadat is gecontroleerd of het globaal tewerkstellingsvolume in de onderneming werd behouden of de toekenningsvoorwaarden voor de tweede bijkomende investeringstoelage bedoeld in artikel 6, § 2, van voormelde ordonnantie van 1 juli 1993 werden nageleefd, wordt het saldo in voorkomend geval gestort.
"Artikel 76. Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder :
1° onderneming : de commerciële vennootschap die haar sociale zetel of een exploitatiezetel heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° beroepsopleiding : de opleiding die gegeven wordt aan de werkzoekenden binnen de onderneming die hen aanwerft of erbuiten om hen toe te laten zich aan te passen aan de ontwikkelingen in hun beroep of zich om te scholen naar een nieuwe activiteit;
3° oprichting : de oprichting van een onderneming en het effectief opstarten van een activiteit;
4° uitbreiding : de oprichting van een filiaal, van een nieuwe afdeling binnen een onderneming of het aanbieden van nieuwe produkten of diensten;
5° omschakeling : de bestendige wijziging van het produktieproces meer bepaald verbonden aan de technologische evolutie en/of de aanpassing aan een nieuwe activiteit.
Artikel 77. De Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling kan een financiële tussenkomst verlenen in de uitgaven voor de beroepsopleiding van bij hem ingeschreven werkzoekenden die door zijn tussenkomst aangeworven worden door een onderneming in oprichting, uitbreiding of omschakeling waarvan het personeelsbestand maximaal 250 werknemers bedraagt.
Het personeelsbestand wordt vastgesteld op basis van het rekenkundig gemiddelde van de raamstatistieken die gevoegd worden bij de aangifte aan de RSZ betreffende de vier kalenderkwartalen die het kalenderkwartaal voorafgaan waarin de bijscholing aanvangt.
Artikel 78. § 1. Om recht te kunnen geven op een financiële tussenkomst moet de beroepsopleiding :
1° betrekking hebben op werkzoekenden aangeworven met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
2° betrekking hebben op werkzoekenden waarvan de plaats van tewerkstelling zich bevindt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° ingericht worden hetzij door één of meerdere instructeurs vreemd aan de onderneming, hetzij door een of meerdere instructeurs die hiervoor, al dan niet tijdelijk, aangeworven zijn door de onderneming, hetzij door één of meerdere personeelsleden die hiervoor een aangepaste opleiding hebben gekregen.
§ 2. Voor wat ondernemingen betreft (met een personeelsbestand van minder dan 50 werknemers) wordt de financiële tussenkomst slechts toegekend op voorwaarde dat het globale tewerkstellingsvolume behouden blijft, behoudens afwijking toegekend door de Minister bevoegd voor Tewerkstelling, op voorstel van het Beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling. (Err. B.St. 13-12-1995, p. 33457)
Het behoud van het globale tewerkstellingsvolume wordt beoordeeld door het rekenkundig gemiddelde van het personeelsbestand van de onderneming vermeld in de raamstatistieken die gevoegd worden bij de aangifte aan de RSZ betreffende de vier kalenderkwartalen die het kalenderkwartaal voorafgaan waarin de beroepsopleiding aanvangt, te vergelijken met het personeelsbestand vermeld in de raamstatistiek die gevoegd wordt bij de verklaring aan de RSZ betreffende het kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de beroepsopleiding wordt beëindigd.
§ 3. Voor wat ondernemingen betreft met een personeelsbestand tussen de 50 en de 250 werknemers wordt de financiële tussenkomst slechts toegekend op voorwaarde dat de onderneming voor haar oprichting, uitbreiding of omschakeling begunstigde is van de tweede bijkomende investeringstoelage bedoeld in artikel 6, § 2, van de ordonnantie van 1 juli 1993 betreffende de bevordering van de economische expansie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Artikel 79. § 1. De financiële tussenkomst is enerzijds bestemd voor de bezoldiging van de op te leiden werkzoekende en anderzijds voor de kost van de instructeurs.
Ze wordt vastgesteld op 50 percent van de bezoldiging voor de opleidingsuren, van de op te leiden werkzoekenden en van de hierop toepasselijke werkgeversbijdrage voor de sociale zekerheid en op 50 percent van hun eventuele verplaatsingskosten.
Ze wordt vastgesteld op 50 percent hetzij van de bezoldiging van de instructeur of instructeurs en van de werkgeversbijdrage hiervoor aan de sociale zekerheid, hetzij van het forfait dat door een derde voor de bijscholing aan de onderneming gefactureerd wordt.
Het maximale bedrag van de financiële tussenkomst wordt vastgesteld gemiddeld op 100 000 frank per opgeleide werkzoekende, inclusief de kost van de instructeurs en mag in totaal de vijf miljoen per bedrijf en per periode van twee jaar niet overschrijden.
§ 3. De looptijd van de financiële tussenkomst bedraagt maximum 6 maanden voor iedere opgeleide werkzoekende.
Een beroepsopleiding die minder dan 20 uren duurt kan geen aanleiding geven tot een tussenkomst.
§ 4. De financiële tussenkomst mag voor eenzelfde opleiding en eenzelfde werknemer niet gecumuleerd worden met tussenkomsten waarin voorzien is door de wetgeving betreffende het betaald educatief verlof of door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 november 1994 tot wijziging van de artikelen 53 tot 58 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid.
Artikel 80. § 1. Voor ondernemingen met een personeelsbestand van minder dan 50 werknemers, moet de aanvraag tot tegemoetkoming op straffe van nietigheid per aangetekende brief worden ingediend bij de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en dit voor de aanvang van de beroepsopleiding.
Voor ondernemingen met 50 tot 250 werknemers moet de aanvraag tot tegemoetkoming op straffe van nietigheid per aangetekende brief worden ingediend bij de Dienst Economische Expansie van de Administratie voor Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, samen met de aanvraag van de onderneming tot toekenning van de tweede bijkomende investeringstoelage bedoeld in artikel 6, § 2, van voormelde ordonnantie van 1 juli 1993 en dit voor de aanvang van de beroepsopleiding.
§ 2. Het Beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling beslist over de aanvragen tot tussenkomst.
In geval van gunstig advies van het Beheerscomité en op grond van de inlichtingen die door de onderneming werden overgemaakt, wordt een overeenkomst gesloten tussen de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en de onderneming, waarin de toekenningsvoorwaarden en het maximumbedrag van de financiële tussenkomst worden vastgesteld.
Artikel 81. De helft van de financiële tussenkomst wordt na de beroepsopleiding gestort op grond van de bewijsstukken die de onderneming binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf het einde van de bijscholing, op straffe van nietigheid per aangetekende zending moet overmaken. Nadat is gecontroleerd of het globaal tewerkstellingsvolume in de onderneming werd behouden of de toekenningsvoorwaarden voor de tweede bijkomende investeringstoelage bedoeld in artikel 6, § 2, van voormelde ordonnantie van 1 juli 1993 werden nageleefd, wordt het saldo in voorkomend geval gestort.
Art. 2. Les articles 76 à 81 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage sont remplacés par les dispositions suivantes :
"Article 76. Pour l'application de la présente section, on entend par :
1° entreprise : la société commerciale qui a son siège social ou un siège d'exploitation, dans la Région de Bruxelles-Capitale;
2° formation professionnelle : la formation donnée aux demandeurs d'emploi dans l'entreprise qui les engage ou à l'extérieur de celle-ci pour leur permettre de s'adapter au progrès dans leur profession ou de se reconvertir dans une nouvelle activité;
3° création : la constitution d'une entreprise et le commencement effectif d'une activité;
4° extension : la création d'une succursale, d'un nouveau département au sein d'une entreprise ou l'offre de produits ou de services nouveaux;
5° reconversion : la modification durable du processus de production liée notamment aux évolutions technologiques et/ou l'adaptation à une nouvelle activité.
Article 77. L'Office régional bruxellois de l'emploi peut intervenir financièrement dans les dépenses inhérentes à la formation professionnelle des demandeurs d'emploi inscrits auprès de lui et engagés à son intervention par une entreprise en phase de création, d'extension ou de reconversion et dont l'effectif est de 250 travailleurs maximum.
L'effectif du personnel est déterminé en calculant la moyenne arithmétique de l'effectif mentionné dans les cadres statistiques joints à la déclaration adressée à l'ONSS pour les quatre trimestres civils qui précèdent celui au cours duquel le recyclage débute.
Article 78. § 1er. Pour pouvoir faire l'objet d'une intervention financière, la formation professionnelle doit :
1° concerner des demandeurs d'emploi engagés sous un contrat de travail à durée indéterminée;
2° concerner des demandeurs d'emploi dont le lieu de travail se situe dans la Région de Bruxelles-Capitale;
3° être assuré soit par un ou plusieurs formateur(s) étrangers à l'entreprise, soit par un ou plusieurs formateur(s) engagés par celle-ci à cet effet, temporairement ou non, soit par un ou plusieurs membres du personnel ayant suivi, dans ce but, une formation appropriée.
§ 2. En ce qui concerne les entreprises occupant moins de 50 travailleurs, l'intervention financière n'est octroyée, sauf dérogation accordée par le ministre qui a l'emploi dans ses attributions sur proposition du Comité de Gestion de l'Office régional bruxellois de l'emploi, qu'à la condition que le volume global de l'emploi soit maintenu.
Le maintien du volume de l'emploi s'apprécie en comparant la moyenne arithmétique de l'effectif du personnel de l'entreprise mentionné dans les cadres statistiques joints à la déclaration adressée à l'ONSS pour les quatre trimestres civils qui précèdent celui au cours duquel la formation professionnelle a débuté et l'effectif du personnel mentionné dans le cadre statistique joint à la déclaration adressée à l'ONSS pour le trimestre civil qui suit celui au cours duquel la formation professionnelle a pris fin.
§ 3. En ce qui concerne les entreprises occupant de 50 à 250 travailleurs, l'intervention financière n'est octroyée qu'à la condition que l'entreprise bénéficie pour sa création, son extension ou sa reconversion de la seconde aide complémentaire à l'investissement visée à l'article 6, § 2, de l'ordonnance du 1er juillet 1993 concernant la promotion de l'expansion économique dans la Région de Bruxelles-Capitale.
Article 79. § 1er. L'intervention financière a trait, d'une part, à la rémunération du demandeur d'emploi à former et, d'autre part, au coût des formateurs.
Elle est fixée à 50 p.c. de la rémunération des heures de formation, des demandeurs d'emploi à former et des cotisations patronales de sécurité sociale afférentes et à 50 p.c. de leurs frais de déplacement éventuels.
Elle est fixée à 50 p.c., soit de la rémunération du ou des formateurs et des cotisations patronales de sécurité sociale y afférentes, soit du forfait facturé par un tiers à l'entreprise pour le recyclage.
§ 2. Le montant de l'intervention financière est plafonné à 100 000 francs en moyenne par demandeur d'emploi formé, en ce compris le coût des formateurs et ne peut excéder au total cinq millions par entreprise et par période de deux ans.
§ 3. La durée de l'intervention financière est de 6 mois maximum pour chaque demandeur d'emploi formé.
Une formation professionnelle inférieure à 20 heures ne peut donner lieu à une intervention.
§ 4. L'intervention financière ne peut être cumulée pour une même formation et un même travailleur avec les interventions prévues par la législation relative au congé éducation payé et par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 25 novembre 1994 modifiant les articles 53 à 58 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage.
Article 80. § 1er. Pour les entreprises occupant moins de 50 travailleurs, la demande d'intervention doit, à peine de nullité, être introduite par lettre recommandée auprès de l'Office régional bruxellois de l'emploi avant le début de la formation professionnelle.
Pour les entreprises de 50 à 250 personnes, la demande d'intervention doit, à peine de nullité, être introduite par lettre recommandée auprès du Service Expansion économique de l'Administration de l'Economie et de l'Emploi du Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale, conjointement à la demande introduite par l'entreprise pour bénéficier de la seconde aide complémentaire à l'investissement visée à l'article 6, § 2, de l'ordonnance du 1er juillet 1993 précitée, avant le début de la formation professionnelle.
§ 2. Le Comité de Gestion de l'Office régional bruxellois de l'emploi statue sur les demandes d'intervention.
En cas de décision favorable du Comité de Gestion et sur base des renseignements transmis par l'entreprise, une convention est établie entre l'Office régional bruxellois de l'emploi et l'entreprise qui règle les conditions d'octroi et le montant maximum de l'intervention financière.
Article 81. L'intervention financière est versée pour moitié après la formation professionnelle et sur base de documents justificatifs que l'entreprise doit, à peine de nullité, introduire par recommandé dans un délai de trois mois à partir de la fin du recyclage. Le solde est versé, le cas échéant, après contrôle du maintien du volume global de l'emploi dans l'entreprise ou du respect des conditions d'octroi de la seconde aide complémentaire à l'investissement visée à l'article 6, § 2, de l'ordonnance du 1er juillet 1993 précitée.".
"Article 76. Pour l'application de la présente section, on entend par :
1° entreprise : la société commerciale qui a son siège social ou un siège d'exploitation, dans la Région de Bruxelles-Capitale;
2° formation professionnelle : la formation donnée aux demandeurs d'emploi dans l'entreprise qui les engage ou à l'extérieur de celle-ci pour leur permettre de s'adapter au progrès dans leur profession ou de se reconvertir dans une nouvelle activité;
3° création : la constitution d'une entreprise et le commencement effectif d'une activité;
4° extension : la création d'une succursale, d'un nouveau département au sein d'une entreprise ou l'offre de produits ou de services nouveaux;
5° reconversion : la modification durable du processus de production liée notamment aux évolutions technologiques et/ou l'adaptation à une nouvelle activité.
Article 77. L'Office régional bruxellois de l'emploi peut intervenir financièrement dans les dépenses inhérentes à la formation professionnelle des demandeurs d'emploi inscrits auprès de lui et engagés à son intervention par une entreprise en phase de création, d'extension ou de reconversion et dont l'effectif est de 250 travailleurs maximum.
L'effectif du personnel est déterminé en calculant la moyenne arithmétique de l'effectif mentionné dans les cadres statistiques joints à la déclaration adressée à l'ONSS pour les quatre trimestres civils qui précèdent celui au cours duquel le recyclage débute.
Article 78. § 1er. Pour pouvoir faire l'objet d'une intervention financière, la formation professionnelle doit :
1° concerner des demandeurs d'emploi engagés sous un contrat de travail à durée indéterminée;
2° concerner des demandeurs d'emploi dont le lieu de travail se situe dans la Région de Bruxelles-Capitale;
3° être assuré soit par un ou plusieurs formateur(s) étrangers à l'entreprise, soit par un ou plusieurs formateur(s) engagés par celle-ci à cet effet, temporairement ou non, soit par un ou plusieurs membres du personnel ayant suivi, dans ce but, une formation appropriée.
§ 2. En ce qui concerne les entreprises occupant moins de 50 travailleurs, l'intervention financière n'est octroyée, sauf dérogation accordée par le ministre qui a l'emploi dans ses attributions sur proposition du Comité de Gestion de l'Office régional bruxellois de l'emploi, qu'à la condition que le volume global de l'emploi soit maintenu.
Le maintien du volume de l'emploi s'apprécie en comparant la moyenne arithmétique de l'effectif du personnel de l'entreprise mentionné dans les cadres statistiques joints à la déclaration adressée à l'ONSS pour les quatre trimestres civils qui précèdent celui au cours duquel la formation professionnelle a débuté et l'effectif du personnel mentionné dans le cadre statistique joint à la déclaration adressée à l'ONSS pour le trimestre civil qui suit celui au cours duquel la formation professionnelle a pris fin.
§ 3. En ce qui concerne les entreprises occupant de 50 à 250 travailleurs, l'intervention financière n'est octroyée qu'à la condition que l'entreprise bénéficie pour sa création, son extension ou sa reconversion de la seconde aide complémentaire à l'investissement visée à l'article 6, § 2, de l'ordonnance du 1er juillet 1993 concernant la promotion de l'expansion économique dans la Région de Bruxelles-Capitale.
Article 79. § 1er. L'intervention financière a trait, d'une part, à la rémunération du demandeur d'emploi à former et, d'autre part, au coût des formateurs.
Elle est fixée à 50 p.c. de la rémunération des heures de formation, des demandeurs d'emploi à former et des cotisations patronales de sécurité sociale afférentes et à 50 p.c. de leurs frais de déplacement éventuels.
Elle est fixée à 50 p.c., soit de la rémunération du ou des formateurs et des cotisations patronales de sécurité sociale y afférentes, soit du forfait facturé par un tiers à l'entreprise pour le recyclage.
§ 2. Le montant de l'intervention financière est plafonné à 100 000 francs en moyenne par demandeur d'emploi formé, en ce compris le coût des formateurs et ne peut excéder au total cinq millions par entreprise et par période de deux ans.
§ 3. La durée de l'intervention financière est de 6 mois maximum pour chaque demandeur d'emploi formé.
Une formation professionnelle inférieure à 20 heures ne peut donner lieu à une intervention.
§ 4. L'intervention financière ne peut être cumulée pour une même formation et un même travailleur avec les interventions prévues par la législation relative au congé éducation payé et par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 25 novembre 1994 modifiant les articles 53 à 58 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage.
Article 80. § 1er. Pour les entreprises occupant moins de 50 travailleurs, la demande d'intervention doit, à peine de nullité, être introduite par lettre recommandée auprès de l'Office régional bruxellois de l'emploi avant le début de la formation professionnelle.
Pour les entreprises de 50 à 250 personnes, la demande d'intervention doit, à peine de nullité, être introduite par lettre recommandée auprès du Service Expansion économique de l'Administration de l'Economie et de l'Emploi du Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale, conjointement à la demande introduite par l'entreprise pour bénéficier de la seconde aide complémentaire à l'investissement visée à l'article 6, § 2, de l'ordonnance du 1er juillet 1993 précitée, avant le début de la formation professionnelle.
§ 2. Le Comité de Gestion de l'Office régional bruxellois de l'emploi statue sur les demandes d'intervention.
En cas de décision favorable du Comité de Gestion et sur base des renseignements transmis par l'entreprise, une convention est établie entre l'Office régional bruxellois de l'emploi et l'entreprise qui règle les conditions d'octroi et le montant maximum de l'intervention financière.
Article 81. L'intervention financière est versée pour moitié après la formation professionnelle et sur base de documents justificatifs que l'entreprise doit, à peine de nullité, introduire par recommandé dans un délai de trois mois à partir de la fin du recyclage. Le solde est versé, le cas échéant, après contrôle du maintien du volume global de l'emploi dans l'entreprise ou du respect des conditions d'octroi de la seconde aide complémentaire à l'investissement visée à l'article 6, § 2, de l'ordonnance du 1er juillet 1993 précitée.".
Art. 3. Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt.
Art. 3. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa parution au Moniteur belge.
Art. 4. De Minister-Voorzitter, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, Plaatselijke Besturen en Tewerkstelling, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 19 januari 1995.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-Voorzitter, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, Plaatselijke Besturen en Tewerkstelling,
Ch. PICQUE
Brussel, 19 januari 1995.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
De Minister-Voorzitter, bevoegd voor Ruimtelijke Ordening, Plaatselijke Besturen en Tewerkstelling,
Ch. PICQUE
Art. 4. Le Ministre-Président, chargé de l'Aménagement du Territoire, des Pouvoirs locaux et de l'Emploi est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 19 janvier 1995.
Pour le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale :
Le Ministre-Président, chargé de l'Aménagement du Territoire, des Pouvoirs locaux et de l'Emploi,
Ch. PICQUE
Bruxelles, le 19 janvier 1995.
Pour le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale :
Le Ministre-Président, chargé de l'Aménagement du Territoire, des Pouvoirs locaux et de l'Emploi,
Ch. PICQUE