Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
30 MAART 1995. - Ministerieel besluit houdende de invoering van een steunregeling voor agrarische bedrijfshoofden die zich ertoe verbinden om biologische teeltmethoden in te voeren of verder toe te passen. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij MB 2003-10-03/35, art. 14, 007; Inwerkingtreding : 31-12-2007) (NOTA : Opgeheven voor het Waalse Gewest bij BWG 2003-11-06-43, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-2003) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-05-1995 en tekstbijwerking tot 23-02-2004)
Titre
30 MARS 1995. - Arrêté ministériel portant instauration d'un régime d'aides en faveur des exploitants agricoles qui s'engagent à introduire ou à maintenir des méthodes de l'agriculture biologique. (NOTE : abrogé pour la Communauté flamande par AM 2003-10-03/35, art. 14, 007; En vigueur : 31-12-2007) (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par ARW 2003-11-06/43, art. 11; En vigueur : 01-01-2003) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-05-1995 et mise à jour au 23-02-2004)
Documentinformatie
Numac: 1995016055
Datum: 1995-03-30
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1995016055
Date: 1995-03-30
Moniteur: Voir
Inhoud
Inhoud
Tekst (16)
Texte (16)
Artikel 1. (Zie NOTA'S onder opschrift) Voor de toepassing van dit besluit verstaat men onder :
  1° bedrijf: het geheel van de produktie-eenheden op autonome wijze beheerd door één producent en gelegen op het nationaal grondgebied;
  2° produktie-eenheid : geheel van produktiemiddelen die nodig zijn om één of meerdere land- of tuinbouwspeculaties te bedrijven;
  3° producent : is de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of groepering van natuurlijke personen of van rechtspersonen of van beide die verantwoordelijk is voor het beheer en de uitvoering van de landbouwactiviteiten op één of meerdere produktie-eenheden;
  4° producent in hoofdberoep :
  - de natuurlijke persoon, landbouwer in hoofdberoep : de natuurlijke persoon die zelf het landbouwbedrijf uitbaat, die uit het bedrijf een netto belastbaar inkomen verwerft dat meer dan 50 % bedraagt van zijn globaal netto belastbaar inkomen en die aan werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf meer dan 50 % van zijn totale arbeidsduur besteedt;
  - de rechtspersoon, landbouwer in hoofdberoep : de rechtspersoon waarvan de statuten de uitbating van een landbouwbedrijf en de verhandeling hoofdzakelijk van de op het bedrijf voortgebrachte produkten tot voorwerp hebben, en die daarenboven voldoet aan volgende voorwaarden :
  1. opgericht zijn onder één der vormen bedoeld bij het Wetboek van koophandel, boek I, titel IX, sectie I, artikel 2, en bovendien de volgende voorwaarden vervullen :
  a) opgericht zijn voor een duur van ten minste twintig jaar;
  b) de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap moeten op naam zijn;
  c) de aandelen of deelbewijzen van de vennootschap moeten voor ten minste 51 % toebehoren aan de bestuurders of zaakvoerders;
  d) de bestuurders of zaakvoerders moeten onder de vennoten worden aangewezen;
  e) de bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap moeten meer dan 50 % van hun tijd besteden aan landbouwwerkzaamheden in de vennootschap en meer dan 50 % van hun globaal inkomen uit die activiteit halen.
  2. opgericht zijn onder de vorm van een landbouwvennootschap bedoeld bij de wet van 12 juli 1979 tot instelling van de landbouwvennootschap.
  (3. opgericht zijn onder de vorm van een vereniging zonder winstgevend doel bedoeld bij de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de vereniging zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend.)
  - de groepering van natuurlijke personen of van rechtspersonen of van beide, landbouwer in hoofdberoep : de groepering waarin alle natuurlijke personen meer dan 50 % van hun arbeidstijd besteden aan landbouwwerkzaamheden in de groepering en meer dan 50 % van hun globaal netto belastbaar inkomen uit die activiteit halen en waarin alle rechtspersonen voldoen aan de voorwaarden van het tweede streepje, punt 1 en 2 van deze paragraaf en meer dan 50 % van hun activiteit besteden aan landbouwwerkzaamheden in de groepering.
  5° een biologisch land- of tuinbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaten :
  een land-- of tuinbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaten overeenkomstig de wijze voorzien in verordening (E.E.G.) nr 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen;
  6° biologische produkten : onverwerkte plantaardige landbouwprodukten of produkten bestemd voor menselijke voeding en die hoofdzakelijk bestaan uit één of meer ingrediënten van plantaardige oorsprong die de vermelding "biologisch " dragen of bestemd zijn om die vermelding te dragen of vermeldingen dragen die verwijzen naar een biologische produktiemethode;
  7° toepassingsgebied : de in dit besluit voorziene steunregeling wordt ingesteld voor het ganse Belgische grondgebied;
  8° (duur : de in dit besluit voorziene steunregeling wordt vastgesteld voor negen jaar, vanaf het oogstjaar 1994 tot en met het oogstjaar 2002.)
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==============================
  Artikel 1. (VLAAMSE OVERHEID)
  (Zie NOTA'S onder opschrift) Voor de toepassing van dit besluit verstaat men onder :
  1° bedrijf: het geheel van de produktie-eenheden op autonome wijze beheerd door één producent en gelegen op het nationaal grondgebied;
  2° produktie-eenheid : geheel van produktiemiddelen die nodig zijn om één of meerdere land- of tuinbouwspeculaties te bedrijven;
  3° producent : is de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of groepering van natuurlijke personen of van rechtspersonen of van beide die verantwoordelijk is voor het beheer en de uitvoering van de landbouwactiviteiten op één of meerdere produktie-eenheden;
  4° producent in hoofdberoep :
  - de natuurlijke persoon, landbouwer in hoofdberoep : de natuurlijke persoon die zelf het landbouwbedrijf uitbaat, die uit het bedrijf een netto belastbaar inkomen verwerft dat meer dan 50 % bedraagt van zijn globaal netto belastbaar inkomen en die aan werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf meer dan 50 % van zijn totale arbeidsduur besteedt;
  - de rechtspersoon, landbouwer in hoofdberoep : de rechtspersoon waarvan de statuten de uitbating van een landbouwbedrijf en de verhandeling hoofdzakelijk van de op het bedrijf voortgebrachte produkten tot voorwerp hebben, en die daarenboven voldoet aan volgende voorwaarden :
  1. opgericht zijn onder één der vormen bedoeld bij het Wetboek van koophandel, boek I, titel IX, sectie I, artikel 2, en bovendien de volgende voorwaarden vervullen :
  a) opgericht zijn voor een duur van ten minste twintig jaar;
  b) de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap moeten op naam zijn;
  c) de aandelen of deelbewijzen van de vennootschap moeten voor ten minste 51 % toebehoren aan de bestuurders of zaakvoerders;
  d) de bestuurders of zaakvoerders moeten onder de vennoten worden aangewezen;
  e) de bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap moeten meer dan 50 % van hun tijd besteden aan landbouwwerkzaamheden in de vennootschap en meer dan 50 % van hun globaal inkomen uit die activiteit halen.
  2. opgericht zijn onder de vorm van een landbouwvennootschap bedoeld bij de wet van 12 juli 1979 tot instelling van de landbouwvennootschap.
  (3. opgericht zijn onder de vorm van een vereniging zonder winstgevend doel bedoeld bij de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de vereniging zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend.)
  - de groepering van natuurlijke personen of van rechtspersonen of van beide, landbouwer in hoofdberoep : de groepering waarin alle natuurlijke personen meer dan 50 % van hun arbeidstijd besteden aan landbouwwerkzaamheden in de groepering en meer dan 50 % van hun globaal netto belastbaar inkomen uit die activiteit halen en waarin alle rechtspersonen voldoen aan de voorwaarden van het tweede streepje, punt 1 en 2 van deze paragraaf en meer dan 50 % van hun activiteit besteden aan landbouwwerkzaamheden in de groepering.
  5° een biologisch land- of tuinbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaten :
  een land-- of tuinbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaten overeenkomstig de wijze voorzien in verordening (E.E.G.) nr 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen;
  6° biologische produkten : onverwerkte plantaardige landbouwprodukten of produkten bestemd voor menselijke voeding en die hoofdzakelijk bestaan uit één of meer ingrediënten van plantaardige oorsprong die de vermelding "biologisch " dragen of bestemd zijn om die vermelding te dragen of vermeldingen dragen die verwijzen naar een biologische produktiemethode;
  7° toepassingsgebied : de in dit besluit voorziene steunregeling wordt ingesteld voor (het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest);
  8° (duur : de in dit besluit voorziene steunregeling wordt vastgesteld voor negen jaar, vanaf het oogstjaar 1994 tot en met het oogstjaar 2002.)
Article 1. (Voir NOTES sous l'intitulé) Pour l'application du présent arrêté on entend par :
  1° exploitation : l'ensemble des unités de production géré de manière autonome par un producteur et situé sur le territoire national ;
  2° unité de production : ensemble des moyens de production qui sont nécessaires pour exploiter une ou plusieurs spéculations agricoles ou horticoles ;
  3° producteur : la personne physique, la personne morale ou le groupement de personnes physiques ou de personnes morales ou des deux, qui est responsable de la gestion et de l'exécution des activités agricoles sur une ou plusieurs unités de production ;
  4° producteur à titre principal :
  - la personne physique, agriculteur à titre principal : la personne physique qui exploite elle-même l'exploitation agricole qui obtient de son exploitation un revenu net imposable égal à plus de 50 % de son revenu net imposable global et qui consacre aux activités de l'exploitation agricole plus de 50 % de la durée totale de son travail ;
  - la personne morale, agriculteur à titre principal : la personne morale dont les statuts indiquent comme objet l'exploitation agricole et la commercialisation des produits provenant principalement de cette exploitation et qui remplit en outre les conditions suivantes :
  1. être constituée sous une des formes visées au Code de commerce, livre I, titre IX, Section 1, article 2, et satisfaire en outre aux conditions suivantes :
  a) être constituée pour une durée d'au moins vingt ans ;
  b) les actions ou les parts doivent être nominatives ;
  c) les actions ou les parts de la société doivent appartenir pour au moins 51 % aux administrateurs ou gérants ;
  d) les administrateurs ou gérants de la société doivent être désignés parmi les associés ;
  e) les administrateurs ou gérants de la société doivent consacrer plus de 50 % de leur temps à l'activité agricole dans leur société et retirer plus de 50 % de leur revenu global de cette activité.
  2. être constituée sous la forme d'une société agricole visée par la loi du 12 juillet 1979 créant la société agricole :
  (3. être constituée sous forme d'association sans but lucratif visée par la loi du 27 juin 1921 accordant la personnalité civile aux associations sans but lucratif et aux établissements d'utilité publique.)
  - le groupement de personnes physiques ou de personnes morales ou des deux, agriculteur à titre principal : le groupement dans lesquels toutes les personnes physiques consacrent plus de 50 % de la durée totale de leur temps de travail à l'activité agricole dans le groupement et retirent de cette activité plus de 50 % du montant net imposable de leur revenu global, et dans lequel toutes les personnes morales remplissent des conditions énumérées sou le deuxième tiret, point 1 et 2 de ce paragraphe et consacrent plus de 50 % de leur activité aux activités agricoles du groupement.
  5° exploiter à titre principal une exploitation agricole ou horticole biologique : exploiter à titre principal une exploitation agricole ou horticole conformément aux modalités prévues au règlement (C.E.E.) n° 2092/91 du Conseil du 24 juin 1991 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires ;
  6° produits biologiques : produits agricoles végétaux non transformés ou produits destinés à l'alimentation humaine composés essentiellement d'un ou de plusieurs ingrédients d'origine végétale portant ou destinés à porter la mention biologique ou des indications se référant à un mode de production biologique ;
  7° champ d'application : le régime d'aides visé par le présent arrêté est instauré pour tout le territoire belge ;
  8° (durée : le régime d'aides visé au présent arrêté est fixé pour neuf ans à partir de l'année de récolte 1994 jusqu'à l'année de récolte 2002 comprise.)
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  =========================
  Article 1. (AUTORITE FLAMANDE)
  (Voir NOTES sous l'intitulé) Pour l'application du présent arrêté on entend par :
  1° exploitation : l'ensemble des unités de production géré de manière autonome par un producteur et situé sur le territoire national ;
  2° unité de production : ensemble des moyens de production qui sont nécessaires pour exploiter une ou plusieurs spéculations agricoles ou horticoles ;
  3° producteur : la personne physique, la personne morale ou le groupement de personnes physiques ou de personnes morales ou des deux, qui est responsable de la gestion et de l'exécution des activités agricoles sur une ou plusieurs unités de production ;
  4° producteur à titre principal :
  - la personne physique, agriculteur à titre principal : la personne physique qui exploite elle-même l'exploitation agricole qui obtient de son exploitation un revenu net imposable égal à plus de 50 % de son revenu net imposable global et qui consacre aux activités de l'exploitation agricole plus de 50 % de la durée totale de son travail ;
  - la personne morale, agriculteur à titre principal : la personne morale dont les statuts indiquent comme objet l'exploitation agricole et la commercialisation des produits provenant principalement de cette exploitation et qui remplit en outre les conditions suivantes :
  1. être constituée sous une des formes visées au Code de commerce, livre I, titre IX, Section 1, article 2, et satisfaire en outre aux conditions suivantes :
  a) être constituée pour une durée d'au moins vingt ans ;
  b) les actions ou les parts doivent être nominatives ;
  c) les actions ou les parts de la société doivent appartenir pour au moins 51 % aux administrateurs ou gérants ;
  d) les administrateurs ou gérants de la société doivent être désignés parmi les associés ;
  e) les administrateurs ou gérants de la société doivent consacrer plus de 50 % de leur temps à l'activité agricole dans leur société et retirer plus de 50 % de leur revenu global de cette activité.
  2. être constituée sous la forme d'une société agricole visée par la loi du 12 juillet 1979 créant la société agricole :
  (3. être constituée sous forme d'association sans but lucratif visée par la loi du 27 juin 1921 accordant la personnalité civile aux associations sans but lucratif et aux établissements d'utilité publique.)
  - le groupement de personnes physiques ou de personnes morales ou des deux, agriculteur à titre principal : le groupement dans lesquels toutes les personnes physiques consacrent plus de 50 % de la durée totale de leur temps de travail à l'activité agricole dans le groupement et retirent de cette activité plus de 50 % du montant net imposable de leur revenu global, et dans lequel toutes les personnes morales remplissent des conditions énumérées sou le deuxième tiret, point 1 et 2 de ce paragraphe et consacrent plus de 50 % de leur activité aux activités agricoles du groupement.
  5° exploiter à titre principal une exploitation agricole ou horticole biologique : exploiter à titre principal une exploitation agricole ou horticole conformément aux modalités prévues au règlement (C.E.E.) n° 2092/91 du Conseil du 24 juin 1991 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires ;
  6° produits biologiques : produits agricoles végétaux non transformés ou produits destinés à l'alimentation humaine composés essentiellement d'un ou de plusieurs ingrédients d'origine végétale portant ou destinés à porter la mention biologique ou des indications se référant à un mode de production biologique ;
  7° champ d'application : le régime d'aides visé par le présent arrêté est instauré (pour tout le territoire de la Région flamande);
  8° (durée : le régime d'aides visé au présent arrêté est fixé pour neuf ans à partir de l'année de récolte 1994 jusqu'à l'année de récolte 2002 comprise.)
  ++++++++++
Art. 2. (Zie NOTA'S onder opschrift) Om in aanmerking te komen voor de in dit besluit bedoelde steun dient de producent in hoofdberoep te voldoen aan volgende voorwaarden :
  a) een biologisch land- of tuinbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaten of omschakelen naar een biologisch land- of tuinbouwbedrijf;
  b) (van zijn bedrijvigheid kennis hebben gegeven aan een door het (Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij) erkend controleorganisme, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 april 1992 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen;)
  c) zich ertoe verbinden om ten minste 5 jaar, de omschakelingsperiode van 2 jaar inbegrepen, de biologische teeltmethode toe te passen.
  (d) bij (de Dienst Identificatie) van het Bestuur voor het Landbouwproductiebeheer (DG 3) van het Ministerie van Middenstand en Landbouw geïdentificeerd zijn, teneinde in het geïntegreerd beheers- en controlesysteem opgenomen te worden overeenkomstig de bepalingen van de verordening (EEG) nr. 3508/92.)
  (e) de percelen waarvoor de steun wordt aangevraagd, gebruiken ten laatste op 30 april van het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd en dit onverminderd de verplichtingen voorzien in andere steunregelingen.
  f) per aangetekende brief de inventaris van de oppervlakten waarop het lastenboek van de biologische productiewijze wordt geëerbiedigd, meedelen aan het controleorganisme bepaald in het koninklijk besluit van 17 april 1992 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen, ten laatste op 30 april van het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd.)
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==============================
  Art. 2. (VLAAMSE OVERHEID)
  (Zie NOTA'S onder opschrift) Om in aanmerking te komen voor de in dit besluit bedoelde steun dient de producent in hoofdberoep te voldoen aan volgende voorwaarden :
  a) een biologisch land- of tuinbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaten of omschakelen naar een biologisch land- of tuinbouwbedrijf;
  b) (van zijn bedrijvigheid kennis hebben gegeven aan een door het Ministerie van Middenstand en Landbouw erkend controleorganisme, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 april 1992 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen;)
  c) zich ertoe verbinden om ten minste 5 jaar, de omschakelingsperiode van 2 jaar inbegrepen, de biologische teeltmethode toe te passen.
  (d) bij (de bevoegde entiteit van het Agentschap voor Landbouw en Visserij, hierna de bevoegde entiteit te noemen,) geïdentificeerd zijn, teneinde in het geïntegreerd beheers- en controlesysteem opgenomen te worden overeenkomstig de bepalingen van de verordening (EEG) nr. 3508/92.)
  (e) de percelen waarvoor de steun wordt aangevraagd, gebruiken ten laatste op 30 april van het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd en dit onverminderd de verplichtingen voorzien in andere steunregelingen.
  f) per aangetekende brief de inventaris van de oppervlakten waarop het lastenboek van de biologische productiewijze wordt geëerbiedigd, meedelen aan het controleorganisme bepaald in het koninklijk besluit van 17 april 1992 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen, ten laatste op 30 april van het jaar waarvoor de steun wordt aangevraagd.)
  +++++++++
Art. 2. (Voir NOTES sous l'intitulé) Pour être éligible à l'aide visée au présent arrêté le producteur à titre principal doit satisfaire aux conditions qui suivent :
  a) exploiter à titre principal une exploitation agricole ou horticole biologique ou réaliser la conversion vers une exploitation agricole ou horticole biologique ;
  b) (avoir notifié son activité à un organisme de contrôle privé agréé par le Ministère des Classes Moyennes et de l'Agriculture conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 17 avril 1992 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires;)
  c) s'engager à appliquer la méthode de production biologique pendant 5 ans au moins, la période de conversion de 2 ans comprise.
  (d) être identifié auprès du (Service Identification) de l'Administration de la Gestion et de la Production agricole (DG3) du Ministère des Classes Moyennes et de l'Agriculture de façon à être intégré au système intégré de gestion et de contrôle conformément aux dispositions du règlement (CEE) n° 3508/92.)
  (e) utiliser au plus tard le 30 avril de l'année pour laquelle l'aide est demandée, les parcelles pour lesquelles l'aide est demandée, et ce, sans préjudice des obligations prévues dans d'autres régimes d'aide.
  f) communiquer par lettre recommandée à l'organisme de contrôle tel que défini dans l'arrêté royal du 17 avril 1992 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires au plus tard le 30 avril de l'année pour laquelle l'aide est demandée, l'inventaire de toutes les superficies sur lesquelles le cahier des charges du mode de production biologique est respecté.)
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  =========================
  Art. 2. (AUTORITE FLAMANDE)
  (Voir NOTES sous l'intitulé) Pour être éligible à l'aide visée au présent arrêté le producteur à titre principal doit satisfaire aux conditions qui suivent :
  a) exploiter à titre principal une exploitation agricole ou horticole biologique ou réaliser la conversion vers une exploitation agricole ou horticole biologique ;
  b) (avoir notifié son activité à un organisme de contrôle privé agréé par (le Ministère flamand de l'Agriculture et de la Pêche) conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 17 avril 1992 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires;)
  c) s'engager à appliquer la méthode de production biologique pendant 5 ans au moins, la période de conversion de 2 ans comprise.
  (d) être identifié auprès du (de l'entité compétente de l'Agence de l'Agriculture et de la Pêche, ci-après dénommée l'entité compétente,) de façon à être intégré au système intégré de gestion et de contrôle conformément aux dispositions du règlement (CEE) n° 3508/92.)
  (e) utiliser au plus tard le 30 avril de l'année pour laquelle l'aide est demandée, les parcelles pour lesquelles l'aide est demandée, et ce, sans préjudice des obligations prévues dans d'autres régimes d'aide.
  f) communiquer par lettre recommandée à l'organisme de contrôle tel que défini dans l'arrêté royal du 17 avril 1992 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires au plus tard le 30 avril de l'année pour laquelle l'aide est demandée, l'inventaire de toutes les superficies sur lesquelles le cahier des charges du mode de production biologique est respecté.)
Art. 2bis. (Zie NOTA'S onder opschrift) <INGEVOEGD bij MB 1999-08-06/35, art. 2; Inwerkingtreding : 1999-01-01> 1. De verbintenis bedoeld in vorig artikel kan in de loop van de door de verbintenis bestreken periode worden omgezet in een andere verbintenis op voorwaarde dat :
  - de omzetting onomstotelijk voordelen voor het milieu biedt,
  - de bestaande verbintenis in belangrijke mate wordt versterkt, en
  - de betrokken maatregelen deel uitmaken van het goedgekeurde programma.
  Op in de eerste alinea, eerste en tweede streepje, genoemde voorwaarden kan worden ingestemd met een omzetting van een in het kader van verordening (EEG) nr. 2078/92 aangegane verbintenis in een verbintenis tot bebossing in het kader van verordening (EEG) nr. 2080/92. De verbintenis op grond van verordening (EEG) nr. 2078/92 wordt beëindigd zonder dat terugbetaling wordt verlangd.
  2. Als een begunstigde gedurende de looptijd van zijn verbintenis, de oppervlakte waarop een verbintenis betrekking heeft, vergroot, wordt deze oppervlakte opgenomen in de lopende verbintenis.
Art. 2bis. (Voir NOTES sous l'intitulé) 1. L'engagement visé à l'article précédent peut être transformé en un autre engagement au cours de la période d'engagement à condition que :
  - un tel transfert implique des avantages environnementaux certains,
  - l'engagement existant soit renforcé de manière significative et
  - le programme approuvé comporte les mesures en question.
  Selon les conditions visées au premier alinéa, premier et deuxième tirets, la transformation d'un engagement dans le cadre du règlement (CEE) n° 2078/92 en un en gagement de boisement défini dans le cadre du règlement (CEE) n° 2080/92 peut être autorisé. L'engagement en vertu du règlement (CEE) n° 2078/92 prend fin sans qu'un remboursement soit demandé.
  2. Lorsque, au cours de la période d'engagement, un bénéficiaire augmente la superficie soumise à un engagement, celle-ci est incluse dans l'engagement en cours.
Art. 3. (Zie NOTA'S onder opschrift) § 1. Voor de producent die een biologisch land- of tuinbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaat, die voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 2 en die een verbintenis is aangegaan ten laatste in 1998, wordt het bedrag van de steun die wordt uitgekeerd in de vorm van een jaarlijkse premie gedurende vijf jaar, als volgt vastgesteld :
  a) voor éénjarige teelten met EG-premies : 4 500 BEF per ha;
  b) voor andere éénjarige teelten, weiden en groenteteelt :
  9 000 BEF per ha voor éénjarige teelten zonder EG-premies;
  7 000 BEF per ha voor weiden;
  30 000 BEF per ha voor de groenteteelt.
  c) voor meerjarige fruitteelt : 30 000 BEF per ha.
  § 2. De jaarlijkse premie voorzien in § 1 wordt bovendien toegekend voor de producent die een biologisch land- of tuinbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaat, die voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 2 en die een verbintenis is aangegaan vanaf 1999 en ten laatste in 2000.
  § 3. De jaarlijkse premie voorzien in § 1 wordt bovendien toegekend :
  - gedurende de jaren 1999 en 2000, voor de producent die voor het eerst voor het jaar 1994 van de steun heeft genoten, op voorwaarde dat hij zich ertoe verbindt de biologische teeltmethode ook toe te passen in de jaren 1999 en 2000;
  - gedurende het jaar 2000 voor de producent die voor het eerst voor het jaar 1995 van de steun heeft genoten, op voorwaarde dat hij zich ertoe verbindt de biologische teeltmethode ook toe te passen in het jaar 2000.
  (§ 4. De jaarlijkse premie voorzien in § 1 wordt bovendien toegekend voor de producent die een biologisch land- of tuinbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaat, die voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 2 en die een verbintenis is aangegaan in 2001 of in 2002.)
Art. 3. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1er. Pour le producteur exploitant à titre principal une exploitation agricole ou horticole biologique, qui satisfait aux conditions visées à l'article 2 et qui a conclu un engagement au plus tard en 1998, le montant de l'aide octroyée sous forme d'une prime annuelle pendant une période de cinq ans est fixé comme indiqué ci-après :
  a) pour les cultures annuelles avec primes CE : 4 500 BEF/ha;
  b) pour les autres cultures annuelles, prairies et cultures maraîchères;
  9 000 BEF/ha pour les cultures annuelles sans primes CE;
  7 000 BEF/ha pour les prairies;
  30 000 BEF/ha pour les cultures maraîchères.
  c) pour les cultures fruitières pérennes : 30 000 BEF/ha.
  § 2. La prime annuelle visée au § 1er vaut également pour le producteur exploitant à titre principal une exploitation agricole ou horticole biologique, qui satisfait aux conditions visées à l'article 2 et qui a conclu un engagement à partir de 1999 et au plus tard en 2000.
  § 3. La prime annuelle visée au § 1er vaut également :
  - pour les années 1999 et 2000, pour le producteur qui a bénéficié pour la première fois de l'aide en 1994, à condition qu'il s'engage à maintenir les méthodes de l'agriculture biologique en 1999 et 2000;
  - pour l'année 2000, pour le producteur qui a bénéficié pour la première fois de l'aide en 1995, à condition qu'il s'engage à maintenir les méthodes de l'agriculture biologique en 2000.
  (§ 4. La prime annuelle visée au § 1 vaut également pour le producteur qui exploite à titre principal une exploitation agricole ou horticole biologique, qui satisfait aux conditions visées à l'article 2 et qui a conclu un engagement en 2001 ou en 2002.)
Art. 4. (Zie NOTA'S onder opschrift) § 1. Voor de producent die zijn bedrijf omschakelt naar een biologisch land- of tuinbouwbedrijf en dit bedrijf uitbaat in hoofdberoep, die voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 2 en die een verbintenis is aangegaan ten laatste in 1998, wordt het bedrag van de steun die wordt uitgekeerd voor de percelen in omschakeling onder de vorm van een jaarlijkse premie gedurende de omschakelingsperiode van 2 jaar als volgt vastgesteld :
  a) 7 282 BEF per ha voor éénjarige teelten met EG-premies;
  b) 12 137 BEF per ha voor éénjarige teelten zonder EG-premies en voor weiden;
  c) 40 000 BEF per ha voor het eerste jaar en 35 000 BEF per ha voor het tweede jaar voor de groenteteelt;
  d) 33 985 BEF per ha voor meerjarige fruitteelt.
  § 2. Voor de producent die zijn bedrijf omschakelt naar een biologisch land- of tuinbouwbedrijf en dit bedrijf uitbaat in hoofdberoep, die voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 2 en die een verbintenis is aangegaan vanaf 1999 en ten laatste in 2000 wordt het bedrag van de steun die wordt uitgekeerd voor de percelen in omschakeling onder de vorm van een jaarlijkse premie gedurende de omschakelingsperiode van 2 jaar als volgt vastgesteld :
  a) 7 282 BEF per ha voor éénjarige teelten met EG-premies;
  b) 12 137 BEF per ha voor éénjarige teelten zonder EG-premies;
  c) 12 000 BEF per ha voor weiden;
  d) 40 000 BEF per ha voor het eerste jaar en 35 000 BEF voor het tweede jaar, voor de groenteteelt;
  e) 33 985 BEF per ha voor meerjarige fruitteelt.
  § 3. De jaarlijkse premie voorzien in § 2 wordt bovendien toegekend voor nieuwe percelen in omschakeling :
  - gedurende de jaren 1999 en 2000, voor de producent die voor het eerst voor het jaar 1994 van de steun heeft genoten, op voorwaarde dat hij zich ertoe verbindt de biologische teeltmethode ook toe te passen in de jaren 1999 en 2000;
  - gedurende het jaar 2000 voor de producent die voor het eerst voor het jaar 1995 van de steun heeft genoten, op voorwaarde dat hij zich ertoe verbindt de biologische teeltmethode ook toe te passen in het jaar 2000.
  (§ 4. De jaarlijkse premie voorzien in § 2 wordt bovendien toegekend voor de producent die een biologisch land- of tuinbouwbedrijf in hoofdberoep uitbaat, die voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 2 en die een verbintenis is aangegaan in 2001 of in 2002.)
Art. 4. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1er. Pour le producteur qui procède à la conversion de son exploitation en une exploitation agricole ou horticole biologique et qui exploite cette exploitation à titre principal, qui satisfait aux conditions visées à l'article 2 et qui a conclu un engagement au plus tard en 1998, le montant de l'aide octroyée pour les parcelles en conversion sous forme d'une prime annuelle pendant la période de conversion de deux ans, est fixé comme indiqué ci-après :
  a) 7 282 BEF/ha pour les cultures annuelles avec primes CE;
  b) 12 137 BEF/ha pour les cultures annuelles sans primes CE et pour les prairies;
  c) 40 000 BEF par ha pour la première année et 35 000 BEF par ha pour la deuxième année, pour les cultures maraîchères;
  d) 33 985 BEF par ha pour les cultures fruitières pérennes.
  § 2. Pour le producteur qui procède à la conversion de son exploitation en une exploitation agricole ou horticole biologique et qui exploite cette exploitation à titre principal, qui satisfait aux conditions visées à l'article 2 et qui a conclu en engagement à partir de 1999 et au plus tard en 2000 le montant de l'aide octroyée pour les parcelles en conversion sous forme d'une prime annuelle pendant la période de conversion de deux ans, est fixé comme indiqué ci-après :
  a) 7 282 BEF par ha pour les cultures annuelles avec primes CE;
  b) 12 137 BEF par ha pour les cultures annuelles sans primes CE;
  c) 12 000 BEF par ha pour les prairies :
  d) 40 000 BEF par ha pour la première année et 35 000 BEF par ha pour la deuxième année, pour les cultures maraîchères;
  e) 33 985 F par ha pour les cultures fruitières pérennes.
  § 3. La prime annuelle prévue au § 2 vaut également pour des nouvelles parcelles en conversion :
  - pour les années 1999 et 2000, pour le producteur qui a bénéficié pour la première fois de l'aide en 1994, à condition qu'il s'engage à maintenir les méthodes de l'agriculture biologique en 1999 et 2000;
  - pour l'année 2000, pour le producteur qui a bénéficié pour la première fois de l'aide en 1995, à condition qu'il s'engage à maintenir les méthodes de l'agriculture biologique en 2000.
  (§ 4. La prime annuelle visée au § 2 vaut également pour le producteur qui exploite à titre principal une exploitation agricole ou horticole biologique, qui satisfait aux conditions visées à l'article 2 et qui a conclu un engagement en 2001 ou en 2002.)
Art. 4bis. (Zie NOTA'S onder opschrift) De steun voorzien in artikel 3, § 2 en § 3, en in artikel 4, § 2 en § 3, wordt niet toegekend indien de opbrengst van de betrokken weiden en gewassen wordt verbruikt door vee dat niet voldoet aan de bepalingen van artikel 1bis, § 1, van het koninklijk besluit van 17 april 1992 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen, gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 juli 1998. De hoogstammige fruitbomen die sedert meer dan vijf jaar werden aangeplant, worden uitgesloten indien de fruitopbrengst niet wordt gecommercialiseerd.
Art. 4bis. (Voir NOTES sous l'intitulé) L'aide visée à l'article 3, § 2 et § 3, et à l'article 4, § 2 et § 3, n'est pas octroyée si le produit des prairies et des cultures concernées est consommé par du bétail qui ne répond pas aux dispositions de l'article 1bis, § 1er, de l'arrêté royal du 17 avril 1992 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires, modifié par l'arrêté royal du 10 juillet 1998. Les cultures fruitières de hautes tiges qui ont été plantées depuis plus de cinq ans, sont exclues si la production fruitière n'est pas commercialisée.
Art. 4ter. (Zie NOTA'S onder opschrift) § 1. De premie vastgesteld in artikel 3, § 4, en artikel 4, § 4, voor de weiden wordt alleen toegekend indien het bedrijf gedurende de verbintenisperiode, te allen tijde, een veebezetting heeft die minstens 0,6 grootvee-eenheid (GVE) per ha weiden bedraagt.
  Voor het berekenen van het aantal GVE worden de coëfficiënten van de volgende tabel gebruikt :
Art. 4ter. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1. La prime fixée à l'article 3, § 4, et à l'article 4, § 4, pour les prairies n'est octroyée que si l'exploitation, pendant la période de l'engagement, à tout moment, a une charge de bétail d'au moins 0,6 unité de gros bétail (UGB) par ha de prairie.
  Pour le calcul du nombre d'UGB les coefficients repris dans le tableau suivant sont utilisés :
  Coefficienten voor de omrekening in grootvee-eenheden (GVE)
  Paardachtigen ouder dan zes maanden                                 1
  Mestkalveren                                                        0,25
  Andere runderachtigen jonger dan een jaar                           0,25
  Mannelijke runderachtigen van een tot twee jaar                     0,6
  Vrouwelijke runderachtigen van een tot twee jaar                    0,6
  Mannelijke runderachtigen van twee jaar en ouder                    1
  Fokvaarzen                                                          0,8
  Mestvaarzen                                                         0,8
  Melkkoeien                                                          1
  Reformkoeien                                                        1
  Andere koeien                                                       0,8
  Vrouwelijke fokkonijnen                                             0,02
  Ooien                                                               0,15
  Geiten                                                              0,15
  Biggen                                                              0,027
  Fokzeugen                                                           0,3
  Mestvarkens                                                         0,143
  Andere varkens                                                      0,143
  Slachtkippen                                                        0,003
  Leghennen                                                           0,009
  Herten                                                              0,5
  Struisvogels/andere loopvogels (ratiten)                            0,15
  Eenden/parelhoenen                                                  0,05
  Ganzen/kalkoenen                                                    0,1
  Coefficients pour la conversion en unites gros betail (UGB)
  Equides de plus de six mois                                         1
  Veaux a l'engrais                                                   0,25
  Autres bovides de moins de 1 an                                     0,25
  Bovides de 1 a 2 ans, males                                         0,6
  Bovides de 1 a 2 ans, femelles                                      0,6
  Bovides de 2 ans et plus, males                                     1
  Genisses pour l'elevage                                             0,8
  Genisses a l'engrais                                                0,8
  Vaches laitieres                                                    1
  Vaches laitieres de reforme                                         1
  Autres vaches                                                       0,8
  Lapines reproductrices                                              0,02
  Brebis                                                              0,15
  Chevres                                                             0,15
  Porcelets                                                           0,027
  Truies reproductrices                                               0,3
  Porcs a l'engrais                                                   0,143
  Autres porcs                                                        0,143
  Poulets de chair                                                    0,003
  Poules pondeuses                                                    0,009
  Cerfs                                                               0,5
  Autruches/autres oiseaux coureurs (ratites)                         0,15
  Canards/pintades                                                    0,05
  Oies/dindons                                                        0,1
Art. 5. (Zie NOTA'S onder opschrift) (De steunaanvragen moeten jaarlijks bij aangetekend schrijven worden ingediend bij het desbetreffende provinciaal bureau van het Bestuur voor het Landbouwproductiebeheer (DG 3) van het ministerie van Middenstand en Landbouw, door middel van het modelformulier opgenomen als bijlage I.
  De aanvragen voor de steun in 1999 moeten ingediend zijn ten laatste op 15 september 1999 om 17 uur. Vanaf het jaar 2000 moeten de aanvragen ingediend zijn ten laatste op 30 april om 17 uur; de poststempel geldt als bewijs.)
  (In afwijking van het tweede lid, moeten :
  - de aanvragen voor de steun in 1998 ingediend zijn ten laatste op 15 mei 1998 om 17 uur;
  - de aanvragen voor de steun in 1999 en in 2000 van de producenten die een verbintenis zijn aangegaan vanaf het jaar 1994 of vanaf het jaar 1999 en de aanvragen voor de steun in 2000 van de producenten die een verbintenis zijn aangegaan vanaf het jaar 1995 of vanaf het jaar 2000, ingediend zijn ten laatste op 14 juli 2000 om 17 uur; de poststempel geldt als bewijs.
  (- de aanvragen voor de steun in 2001 van de producenten die een verbintenis zijn aangegaan vanaf het jaar 1997 tot 2000 ingediend zijn ten laatste op 15 mei 2001, om 17 uur; de poststempel geldt als bewijs;
  - de aanvragen voor de steun in 2001 van de producenten die een verbintenis zijn aangegaan vanaf het jaar 2001, ingediend zijn ten laatste op 15 februari 2002 om 17 uur; de poststempel geldt als bewijs.)
  Het te laat indienen van een aanvraag leidt tot een verlaging van de steunbedragen waarop de aanvraag betrekking heeft, waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, met 1 % per werkdag. In geval van een vertraging van meer dan 25 dagen wordt de aanvraag niet ontvankelijk en kan deze niet langer tot toekenning van een bedrag leiden.)
  In de steunaanvraag dient de steunaanvrager zich ertoe te verbinden om ten minste 5 jaar, de omschakelingsperiode van 2 jaar inbegrepen, de biologische teeltmethoden toe te passen. Daarenboven bevat de steunaanvraag de verbintenis om aan de door het Ministerie van Middenstand en Landbouw, overeenkomstig het koninklijk besluit van 17 april 1992 inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen, erkende privé controle-organismen alle inlichtingen te verstrekken die nuttig zouden kunnen zijn voor de controle van de voorwaarden vermeld in artikel 2.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==============================
  Art. 5. (VLAAMSE OVEHEID)
  (Zie NOTA'S onder opschrift) (De steunaanvragen moeten jaarlijks bij aangetekend schrijven worden ingediend bij (de desbetreffende buitendienst van de bevoegde entiteit), door middel van het modelformulier opgenomen als bijlage I.
  De aanvragen voor de steun in 1999 moeten ingediend zijn ten laatste op 15 september 1999 om 17 uur. Vanaf het jaar 2000 moeten de aanvragen ingediend zijn ten laatste op 30 april om 17 uur; de poststempel geldt als bewijs.)
  (In afwijking van het tweede lid, moeten :
  - de aanvragen voor de steun in 1998 ingediend zijn ten laatste op 15 mei 1998 om 17 uur;
  - de aanvragen voor de steun in 1999 en in 2000 van de producenten die een verbintenis zijn aangegaan vanaf het jaar 1994 of vanaf het jaar 1999 en de aanvragen voor de steun in 2000 van de producenten die een verbintenis zijn aangegaan vanaf het jaar 1995 of vanaf het jaar 2000, ingediend zijn ten laatste op 14 juli 2000 om 17 uur; de poststempel geldt als bewijs.
  (- de aanvragen voor de steun in 2001 van de producenten die een verbintenis zijn aangegaan vanaf het jaar 1997 tot 2000 ingediend zijn ten laatste op 15 mei 2001, om 17 uur; de poststempel geldt als bewijs;
  - de aanvragen voor de steun in 2001 van de producenten die een verbintenis zijn aangegaan vanaf het jaar 2001, ingediend zijn ten laatste op 15 februari 2002 om 17 uur; de poststempel geldt als bewijs.)
  Het te laat indienen van een aanvraag leidt tot een verlaging van de steunbedragen waarop de aanvraag betrekking heeft, waarop het bedrijfshoofd recht zou hebben indien hij de aanvraag tijdig had ingediend, met 1 % per werkdag. In geval van een vertraging van meer dan 25 dagen wordt de aanvraag niet ontvankelijk en kan deze niet langer tot toekenning van een bedrag leiden.)
  In de steunaanvraag dient de steunaanvrager zich ertoe te verbinden om ten minste 5 jaar, de omschakelingsperiode van 2 jaar inbegrepen, de biologische teeltmethoden toe te passen.
  Daarenboven bevat de steunaanvraag de verbintenis om aan de door (Vlaams Ministerie van Landbouw en Visserij), overeenkomstig het koninklijk besluit van 17 april 1992 inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen, erkende privé controle-organismen alle inlichtingen te verstrekken die nuttig zouden kunnen zijn voor de controle van de voorwaarden vermeld in artikel 2.
  ++++++++++
Art. 5. (Voir NOTES sous l'intitulé) (Les demandes d'aides doivent être introduites sous pli recommandé auprès du bureau provincial concerné de l'Administration de la Gestion de la Production agricole (DG 3) du Ministère des Classes Moyennes et de l'Agriculture au moyen du formulaire dont le modèle est repris en l'annexe I.
  Pour 1999, les demandes d'aides doivent être introduites au plus tard le 15 septembre 1999 à 17 heures. A partir de l'an 2000 la date limite d'introduction est fixée au 30 avril à 17 heures au plus tard, le cachet de la poste faisant foi.)
  (En dérogation au deuxième alinéa :
  - les demandes d'aides en 1998 doivent être introduites pour le 15 mai 1998 à 17 heures au plus tard;
  - les demandes ayant trait à l'année 1999 et à l'année 2000 des producteurs qui ont conclu un engagement à partir de l'année 1994 ou à partir de l'année 1999 et les demandes ayant trait à l'année 2000 des producteurs qui ont conclu un engagement à partir de l'année 1995 ou à partir de l'année 2000, doivent être introduites pour le 14 juillet 2000, à 17 heures au plus tard; le cachet de la poste fait foi.
  (- les demandes ayant trait à l'année 2001 des producteurs qui ont conclu un engagement à partir de 1997 jusque 2000 doivent être introduites pour le 15 mai 2001 à 17 heures au plus tard; le cachet de la poste fait foi;
  - les demandes ayant trait à l'année 2001 des producteurs qui ont conclu un engagement à partir de 2001, doivent être introduites pour le 15 février 2002 à 17 heures au plus tard; le cachet de la poste fait foi.)
  Tout dépôt tardif d'une demande donne lieu à une réduction de 1 % par jour ouvrable des montants des aides affectées par la demande auxquels l'exploitant aurait droit en cas de dépôt en temps utile. En cas d'un retard de plus de vingt-cinq jours, la demande est irrecevable et ne peut plus entraîner l'octroi d'un montant.)
  Aux termes de la demande d'aide le demandeur de l'aide doit s'engager à appliquer les méthodes de production biologique pendant au moins 5 ans, période de conversion de 2 ans comprise.
  En outre la demande d'aide contient de fournir aux organismes de contrôle privés agréés par Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture conformément à l'arrêté royal du 17 avril 1992 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires, tous les renseignements susceptibles d'être utiles afin de contrôler le respect des conditions prévues l'article 2.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  =========================
  Art. 5. (AUTORITE FLAMANDE)
  (Voir NOTES sous l'intitulé) (Les demandes d'aides doivent être introduites sous pli recommandé auprès (du service extérieur concerné de l'entité compétente) au moyen du formulaire dont le modèle est repris en l'annexe I.
  Pour 1999, les demandes d'aides doivent être introduites au plus tard le 15 septembre 1999 à 17 heures. A partir de l'an 2000 la date limite d'introduction est fixée au 30 avril à 17 heures au plus tard, le cachet de la poste faisant foi.)
  (En dérogation au deuxième alinéa :
  - les demandes d'aides en 1998 doivent être introduites pour le 15 mai 1998 à 17 heures au plus tard;
  - les demandes ayant trait à l'année 1999 et à l'année 2000 des producteurs qui ont conclu un engagement à partir de l'année 1994 ou à partir de l'année 1999 et les demandes ayant trait à l'année 2000 des producteurs qui ont conclu un engagement à partir de l'année 1995 ou à partir de l'année 2000, doivent être introduites pour le 14 juillet 2000, à 17 heures au plus tard; le cachet de la poste fait foi.
  (- les demandes ayant trait à l'année 2001 des producteurs qui ont conclu un engagement à partir de 1997 jusque 2000 doivent être introduites pour le 15 mai 2001 à 17 heures au plus tard; le cachet de la poste fait foi;
  - les demandes ayant trait à l'année 2001 des producteurs qui ont conclu un engagement à partir de 2001, doivent être introduites pour le 15 février 2002 à 17 heures au plus tard; le cachet de la poste fait foi.)
  Tout dépôt tardif d'une demande donne lieu à une réduction de 1 % par jour ouvrable des montants des aides affectées par la demande auxquels l'exploitant aurait droit en cas de dépôt en temps utile. En cas d'un retard de plus de vingt-cinq jours, la demande est irrecevable et ne peut plus entraîner l'octroi d'un montant.)
  Aux termes de la demande d'aide le demandeur de l'aide doit s'engager à appliquer les méthodes de production biologique pendant au moins 5 ans, période de conversion de 2 ans comprise.
  En outre la demande d'aide contient de fournir aux organismes de contrôle privés agréés par (Ministère flamand de l'Agriculture et de la Pêche) conformément à l'arrêté royal du 17 avril 1992 concernant le mode de production biologique de produits agricoles et sa présentation sur les produits agricoles et les denrées alimentaires, tous les renseignements susceptibles d'être utiles afin de contrôler le respect des conditions prévues l'article 2.
  ++++++++++
Art. 5bis. (Zie NOTA'S onder opschrift) <INGEVOEGD bij MB 1997-04-17/50, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Wanneer de begunstigde binnen de door diens verbintenis bestreken periode zijn bedrijf geheel of gedeeltelijk aan een ander overdraagt, kan deze laatste de verbintenis voor de resterende looptijd overnemen. Gebeurt deze overname niet, dan moet de begunstigde de ontvangen steun terugbetalen.
  Wanneer zich binnen de door diens verbintenis bestreken periode op het bedrijf van de begunstigde een geval van overmacht voordoet waardoor de verbintenis niet meer of slechts nog gedeeltelijk kan worden nageleefd, wordt afgezien van terugbetaling van de ontvangen steun.
  Onder meer de volgende gevallen van overmacht worden aanvaard :
  a) overlijden van het bedrijfshoofd;
  b) langdurige arbeidsongeschiktheid van het bedrijfshoofd;
  c) onteigening van een belangrijk deel van het bedrijf, indien deze onteigening op de dag waarop de verbintenis is aangegaan, niet was te voorzien;
  d) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in belangrijke mate ongunstig beïnvloedt;
  e) het door een ongeluk te niet gaan van de voor de veehouderij bestemde gebouwen van het bedrijfshoofd;
  f) een epizoötie die de gehele veestapel van het bedrijfshoofd of een deel ervan heeft getroffen.
  De kennisgeving van de gevallen van overmacht en de bewijzen ervan die aan de bevoegde autoriteit worden geleverd, worden schriftelijk ingediend bij het provinciaal bureau van het Bestuur voor het Landbouwproductiebeheer (DG 3) van het Ministerie van Middenstand en Landbouw binnen een termijn van tien werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop dit voor het bedrijfshoofd mogelijk is.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==============================
  Art. 5bis. (VLAAMSE OVERHEID)
  (Zie NOTA'S onder opschrift) <INGEVOEGD bij MB 1997-04-17/50, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Wanneer de begunstigde binnen de door diens verbintenis bestreken periode zijn bedrijf geheel of gedeeltelijk aan een ander overdraagt, kan deze laatste de verbintenis voor de resterende looptijd overnemen. Gebeurt deze overname niet, dan moet de begunstigde de ontvangen steun terugbetalen.
  Wanneer zich binnen de door diens verbintenis bestreken periode op het bedrijf van de begunstigde een geval van overmacht voordoet waardoor de verbintenis niet meer of slechts nog gedeeltelijk kan worden nageleefd, wordt afgezien van terugbetaling van de ontvangen steun.
  Onder meer de volgende gevallen van overmacht worden aanvaard :
  a) overlijden van het bedrijfshoofd;
  b) langdurige arbeidsongeschiktheid van het bedrijfshoofd;
  c) onteigening van een belangrijk deel van het bedrijf, indien deze onteigening op de dag waarop de verbintenis is aangegaan, niet was te voorzien;
  d) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in belangrijke mate ongunstig beïnvloedt;
  e) het door een ongeluk te niet gaan van de voor de veehouderij bestemde gebouwen van het bedrijfshoofd;
  f) een epizoötie die de gehele veestapel van het bedrijfshoofd of een deel ervan heeft getroffen.
  De kennisgeving van de gevallen van overmacht en de bewijzen ervan die aan de bevoegde autoriteit worden geleverd, worden schriftelijk ingediend bij (de buitendienst van de bevoegde entiteit) binnen een termijn van tien werkdagen te rekenen vanaf het tijdstip waarop dit voor het bedrijfshoofd mogelijk is.
  ++++++++++
Art. 5bis. (Voir NOTES sous l'intitulé) Lorsque, pendant la période de son engagement, le bénéficiaire transfère tout ou partie de son exploitation à un autre exploitant, celui-ci peut reprendre l'engagement pour la période restant à courir. Si une telle reprise n'a pas lieu, le bénéficiaire cédant est obligé de rembourser les aides percues.
  Lorsque, pendant la période de son engagement, se présente dans l'exploitation du bénéficiaire un cas de force majeure suite auquel est mis fin l'engagement, en tout ou en partie, le remboursement de l'aide pour la période d'engagement effective n'est pas demandé.
  L'Etat reconnaît entre autres comme cas de force majeure :
  a) le décès de l'exploitant;
  b) l'incapacité professionnelle de longue durée de l'exploitant;
  c) l'expropriation d'une partie importante de l'exploitation, si cette expropriation n'était pas prévisible le jour de la souscription de l'engagement;
  d) une catastrophe grave qui a affecté de façon importante la surface agricole de l'exploitation;
  e) la destruction accidentelle des bâtiments de l'exploitant destinés à l'élevage;
  f) une épizootie touchant tout ou partie du cheptel de l'exploitant.
  La notification des cas de force majeure et les preuves y relatives doivent être fournies par écrit au bureau provincial de l'Administration de la Gestion de la Production agricole (DG3) du Ministère des Classes Moyennes et de l'Agriculture, dans un délai de dix jours ouvrables à partir du moment où l'exploitant est en mesure de la faire.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  =========================
  Art. 5bis. (AUTORITE FLAMANDE)
  (Voir NOTES sous l'intitulé) Lorsque, pendant la période de son engagement, le bénéficiaire transfère tout ou partie de son exploitation à un autre exploitant, celui-ci peut reprendre l'engagement pour la période restant à courir. Si une telle reprise n'a pas lieu, le bénéficiaire cédant est obligé de rembourser les aides percues.
  Lorsque, pendant la période de son engagement, se présente dans l'exploitation du bénéficiaire un cas de force majeure suite auquel est mis fin l'engagement, en tout ou en partie, le remboursement de l'aide pour la période d'engagement effective n'est pas demandé.
  L'Etat reconnaît entre autres comme cas de force majeure :
  a) le décès de l'exploitant;
  b) l'incapacité professionnelle de longue durée de l'exploitant;
  c) l'expropriation d'une partie importante de l'exploitation, si cette expropriation n'était pas prévisible le jour de la souscription de l'engagement;
  d) une catastrophe grave qui a affecté de façon importante la surface agricole de l'exploitation;
  e) la destruction accidentelle des bâtiments de l'exploitant destinés à l'élevage;
  f) une épizootie touchant tout ou partie du cheptel de l'exploitant.
  La notification des cas de force majeure et les preuves y relatives doivent être fournies par écrit au (service extérieur de l'entité compétente), dans un délai de dix jours ouvrables à partir du moment où l'exploitant est en mesure de la faire.
  ++++++++++
Art. 6. (Zie NOTA'S onder opschrift) De controle van de in de aanvraag aangegeven teeltoppervlakten wordt uitgevoerd door het Bestuur voor het Landbouwproductiebeheer (DG 3) van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, volgens de methoden van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 3508/92.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==============================
  Art. 6. (VLAAMSE OVERHEID)
  (Zie NOTA'S onder opschrift) De controle van de in de aanvraag aangegeven teeltoppervlakten wordt uitgevoerd door (de bevoegde entiteit), volgens de methoden van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 3508/92.
  ++++++++++
Art. 6. (Voir NOTES sous l'intitulé) Le contrôle de la superficie des cultures déclarées sur les demandes d'aide est effectué par l'Administration de la Gestion de la Production agricole (DG3) du Ministère des Classes Moyennes et de l'Agriculture, selon les méthodes du système intégré de gestion et de contrôle (SIGEC) instauré par le règlement (CEE) n° 3508/92.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  =========================
  Art. 6. (AUTORITE FLAMANDE)
  (Voir NOTES sous l'intitulé) Le contrôle de la superficie des cultures déclarées sur les demandes d'aide est effectué par (l'entité compétente), selon les méthodes du système intégré de gestion et de contrôle (SIGEC) instauré par le règlement (CEE) n° 3508/92.
  ++++++++++
Art. 6bis. (Zie NOTA'S onder opschrift) <INGEVOEGD bij MB 1997-04-17/50, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Behalve in naar behoren met redenen omklede gevallen wordt de steun eenmaal per jaar aan de begunstigden uitgekeerd, uiterlijk binnen een termijn van 4 maanden volgend op het einde van het burgerlijk jaar van de indiening van de aanvraag.
Art. 6bis. (Voir NOTES sous l'intitulé) Sauf dans des cas dûment justifiés, les aides sont payées aux bénéficiaires une fois par an, au plus tard endéans un délai de 4 mois suivant la fin de l'année civile de l'introduction des demandes.
Art. 6ter. (Zie NOTA'S onder opschrift) <INGEVOEGD bij MB 1999-08-06/35, art. 4, Inwerkingtreding : 1999-01-01> Evaluatie en toezicht
  1. De besturen voor het Landbouwproductiebeheer (DG 3), voor de kwaliteit van de grondstoffen en de plantaardige sector (DG 4) en voor de dierengezondheid en de kwaliteit van de dierlijke producten (DG 5) dragen zorg voor het toezicht op en voor de evaluatie van de milieumaatregelen in de landbouw.
  2. Het toezicht moet het mogelijk maken kennis te krijgen van de wijze waarop de aangegane verbintenissen daadwerkelijk worden nagekomen. Aldus kunnen de milieumaatregelen in de landbouw zo nodig worden bijgestuurd op basis van de in de loop van de uitvoering gebleken behoeften.
  3. De evaluatie van de milieumaatregelen in de landbouw geschiedt met inachtneming van de doelstellingen van verordening (EEG) nr. 2078/92 en met de specifieke doelstellingen van de desbetreffende maatregel, en bestrijkt de sociaal-economische, de landbouw- en de milieu-aspecten. Zij wordt afgestemd op de tendensen in en de kenmerken van de zone waar de milieumaatregelen worden toegepast.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==============================
  Art. 6ter. (VLAAMSE OVERHEID)
  (Zie NOTA'S onder opschrift) <INGEVOEGD bij MB 1999-08-06/35, art. 4, Inwerkingtreding : 1999-01-01> Evaluatie en toezicht
  1. (Het Departement Landbouw en Visserij en de bevoegde entiteit) dragen zorg voor het toezicht op en voor de evaluatie van de milieumaatregelen in de landbouw.
  2. Het toezicht moet het mogelijk maken kennis te krijgen van de wijze waarop de aangegane verbintenissen daadwerkelijk worden nagekomen. Aldus kunnen de milieumaatregelen in de landbouw zo nodig worden bijgestuurd op basis van de in de loop van de uitvoering gebleken behoeften.
  3. De evaluatie van de milieumaatregelen in de landbouw geschiedt met inachtneming van de doelstellingen van verordening (EEG) nr. 2078/92 en met de specifieke doelstellingen van de desbetreffende maatregel, en bestrijkt de sociaal-economische, de landbouw- en de milieu-aspecten. Zij wordt afgestemd op de tendensen in en de kenmerken van de zone waar de milieumaatregelen worden toegepast.
  ++++++++++
Art. 6ter. Evaluation et suivi
  1. L'Administration de la gestion de la production agricole (DG 3), celle de la qualité des matières premières et du secteur végétal (DG 4) et celle de la santé animale et de la qualité des produits animaux (DG 5) assurent le suivi et l'évaluation des mesures agri-environnementales.
  2. Le suivi doit permettre de connaître la réalisation effective des engagements pris. Par ailleurs, il permet, si nécessaire, de réorienter les mesures agri-environnementales à partir des nécessités apparues en cours d'exécution.
  3. L'évaluation des mesures agri-environnementales tient compte des objectifs du règlement (CEE) n° 2078/92 ainsi que des objectifs spécifiques de la mesure en cause et porte sur les aspects socio-économiques, agricoles et environnementaux. Elle est conçue en relation avec les tendances et les caractéristiques de la zone d'application des mesures environnementales.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  =========================
  Art. 6ter. (AUTORITE FLAMANDE)
   Evaluation et suivi
  1. (Le Département de l'Agriculture et de la Pêche et l'entité compétente) assurent le suivi et l'évaluation des mesures agri-environnementales.
  2. Le suivi doit permettre de connaître la réalisation effective des engagements pris. Par ailleurs, il permet, si nécessaire, de réorienter les mesures agri-environnementales à partir des nécessités apparues en cours d'exécution.
  3. L'évaluation des mesures agri-environnementales tient compte des objectifs du règlement (CEE) n° 2078/92 ainsi que des objectifs spécifiques de la mesure en cause et porte sur les aspects socio-économiques, agricoles et environnementaux. Elle est conçue en relation avec les tendances et les caractéristiques de la zone d'application des mesures environnementales.
  +++++++++++
Art. 7. (Zie NOTA'S onder opschrift) § 1. De inbreuken op dit besluit worden vervolgd, vastgesteld en gestraft overeenkomstig de bepalingen van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten.
  § 2. (De sancties worden toegepast overeenkomstig het artikel 9, leden 1 tot en met 3 van verordening (EEG) nr. 3887/92.
  Het totaal van de terug te vorderen bedragen wordt in voorkomend geval vermeerderd met de wettelijke intrest met ingang van de datum van de mededeling van de terugbetalingsverplichting.
  Indien blijkt dat door ernstige nalatigheid een onjuiste aangifte werd gedaan, wordt de betrokken begunstigde voor het betreffende kalenderjaar uitgesloten van alle steun voor plattelandsontwikkeling die onder hoofdstuk VI van verordening (EG) nr. 1257/1999 valt. In het geval van een opzettelijk onjuiste aangifte wordt hij tevens voor het daaropvolgende jaar uitgesloten.)
  Eerst twee jaar nadien kan hij een nieuwe verbintenis in het kader van de milieumaatregelen in de landbouw aangaan.
  § 3. In geval van een onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd tot terugbetaling van deze bedragen verplicht, vermeerderd met rente die wordt berekend op basis van de tijdspanne tussen de betaling en de terugbetaling door de begunstigde.
  Evenwel, kan het onverschuldigde bedrag in mindering op het eerste voorschot die na de datum het besluit betreffende de terugbetaling uitgekeerd worden. (...).
  Geen rente wordt in geval van een aan een vergissing van de bevoegde autoriteit te wijten onverschuldigde betaling toegepast.
Art. 7. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1. Les infractions au présent arrêté, sont recherchées, constatées et punies conformément à la loi du 28 mars 1975 relative au commerce des produits de l'agriculture, de l'horticulture et de la pêche maritime.
  § 2. (Les sanctions sont appliquées conformément à l'article 9, alinéas 1 à 3 y compris du règlement (CEE) n° 3887/92.
  Le cas échéant, le montant total à réclamer sera majoré des intérêts légaux à compter de la date de la notification de l'obligation de remboursement.
  En cas de constatation d'une fausse déclaration faite par négligence grave, le bénéficiaire en cause est exclu pour l'année civile considérée de toutes les mesures de développement rural prises au titre du chapitre VI du règlement (CE) n° 1257/1999. En cas de fausse déclaration faite délibérément, il en est exclu également pour l'année qui suit.)
  § 3. En cas de paiement indu, l'exploitant concerné est obligé de rembourser les montants indûment percus, augmentés d'un intérêt calculé en fonction du délai écoulé entre le paiement et la date de décision de remboursement par le bénéficiaire.
  Toutefois, le montant payé indûment peut être porté en déduction du premier paiement qui suit la date de décision de remboursement. (...).
  Aucun intérêt ne s'applique en cas de paiement indu à la suite d'une erreur de l'autorité compétente.
Art. 8. (Zie NOTA'S onder opschrift) Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  Brussel, 30 maart 1995.
  A. BOURGEOIS
Art. 8. (Voir NOTES sous l'intitulé) Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
  Bruxelles, le 30 mars 1995.
  A. BOURGEOIS
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. (Zie NOTA'S onder opschrift) Bijlage 1. (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 03-05-1995, p. 11734 - 11737).
  Gewijzigd bij :
  
  
  
Art. N. (Voir NOTES sous l'intitulé) Annexe 1. Formulaire de demande annuelle du paiement de l'aide destiné à introduire ou à maintenir des méthodes de l'agriculture biologique en exécution du Règlement du Conseil (C.E.E.) n° 2078/92 (Formulaire non repris pour des raisons techniques. Voir M.B. 03-05-1995, p. 11730 - 11733).
  Modifié par :