Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1. Verordening : de Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad van 30 juni 1992 betreffende de landbouwproduktiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming, en betreffende natuurbeheer;
2. Minister : de Minister van de federale regering, bevoegd voor Landbouw.
3. Inspecteur-generaal : het hoofd van de diensten van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, belast met de voorlichting over en de verspreiding van de resultaten van het landbouwkundig onderzoek;
4. Lastenboek : het geheel van bepalingen bedoeld in bijlage I van dit besluit volgens hetwelk de demonstratieprojecten dienen te verlopen;
5. Comité : het comité opgericht door de Minister van Landbouw, zoals voorzien in artikel 2 van dit besluit.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
14 MAART 1995. - Ministerieel besluit betreffende de toekenning van een steun voor de realisatie van demonstratieprojecten met betrekking tot de toepassing van landbouwproduktiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij BWG2009-05-14/19, art. 2, 26°, 002; Inwerkingtreding : 22-06-2009) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 11-04-1995 en tekstbijwerking tot 12-06-2009)
Titre
14 MARS 1995. - Arrêté ministériel relatif à l'octroi d'une aide à la réalisation de projets de démonstration relatifs à l'application des méthodes de production agricole compatibles avec les exigences de la protection de l'environnement (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par ARW2009-05-14/19, art. 2, 26°, 002; En vigueur : 22-06-2009) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 11-04-1995 et mise à jour au 12-06-2009)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Definities.
HOOFDSTUK II. - Oprichting van het Comité.
HOOFDSTUK III. - Waarnemings- en waarschuwingsd...
HOOFDSTUK IV. - Demonstratieprojecten voor het ...
HOOFDSTUK V. - Demonstratieprojecten in de biol...
HOOFDSTUK VI. - Andere demonstratieprojecten.
HOOFDSTUK VII. - Uitbetaling van de steun.
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE I. - Définitions.
CHAPITRE II. - Installation du Comité.
CHAPITRE III. - Services d'observation et d'ave...
CHAPITRE IV. - Projets de démonstration pour l'...
CHAPITRE IV. - Projets de démonstration en agri...
CHAPITRE VI. - Autres projets de démonstration.
CHAPITRE VII. - Octroi des aides.
CHAPITRE VIII. - Dispositions finales.
ANNEXE.
Tekst (34)
Texte (34)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE I. - Définitions.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1. Règlement : le Règlement (CEE) n° 2078/92 du Conseil du 30 juin 1992 concernant des méthodes de production agricole compatibles avec les exigences de la protection de l'environnement ainsi que l'entretien de l'espace naturel;
2. Ministre : le Ministre du Gouvernement fédéral compétent pour l'Agriculture.
3. Inspecteur général : le chef des services du Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture, chargés de la vulgarisation et de la diffusion des résultats obtenus par la recherche agronomique;
4. Cahier des charges : l'ensemble des dispositions visées à l'annexe I du présent arrêté, fixant les conditions de déroulement des projets de démonstration;
5. Comité : le comité créé par le Ministre de l'Agriculture, conformément à l'article 2 du présent arrêté.
1. Règlement : le Règlement (CEE) n° 2078/92 du Conseil du 30 juin 1992 concernant des méthodes de production agricole compatibles avec les exigences de la protection de l'environnement ainsi que l'entretien de l'espace naturel;
2. Ministre : le Ministre du Gouvernement fédéral compétent pour l'Agriculture.
3. Inspecteur général : le chef des services du Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture, chargés de la vulgarisation et de la diffusion des résultats obtenus par la recherche agronomique;
4. Cahier des charges : l'ensemble des dispositions visées à l'annexe I du présent arrêté, fixant les conditions de déroulement des projets de démonstration;
5. Comité : le comité créé par le Ministre de l'Agriculture, conformément à l'article 2 du présent arrêté.
HOOFDSTUK II. - Oprichting van het Comité.
CHAPITRE II. - Installation du Comité.
Art. 2. § 1. De Minister van Landbouw richt een Comité op met de bevoegdheid :
- adviezen uit te brengen inzake de ingediende projecten en criteria ter beoordeling ervan voor te stellen;
- de normen vast te stellen die gedurende en op het einde van de demonstratieprojecten moeten gehaald worden;
- de hoofdlijnen vast te stellen van de werkwijze van de projecten;
- het goede verloop van alle projecten te verzekeren en te kontroleren;
- de tussentijdse en eindrapporten te evalueren;
- een centrale gegevensbank aan te duiden waaraan de eindresultaten van de projecten dienen overgemaakt te worden;
- de laboratoria voor het uitvoeren van de in het kader van dit besluit vereiste analyses aan te duiden en te kontroleren.
§ 2. De leden van het Comité, bestaande uit ambtenaren van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, worden door de Minister aangeduid voor een periode van vijf jaar.
§ 3. Het Comité wordt als volgt samengesteld :
- de Inspecteur-Generaal, die het Comité voorzit;
- een ambtenaar van het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek te Gembloux van het Bestuur Onderzoek en Ontwikkeling;
- een ambtenaar van het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek te Gent van het Bestuur Onderzoek en Ontwikkeling;
- twee ambtenaren van de diensten, belast met de voorlichting in de sectoren landbouw en tuinbouw;
- een ambtenaar van de dienst Inspectie van de Grondstoffen;
- een ambtenaar van de dienst belast met de fytosanitaire controle van planten en plantaardige produkten;
- een ambtenaar van de dienst Integratiepolitiek, belast met de contacten met de Europese Commissie.
§ 4. Voor specifieke problemen kan de voorzitter bijkomende experten uitnodigen om deel te nemen aan de werkzaamheden van het Comité, ten raadgevende titel.
- adviezen uit te brengen inzake de ingediende projecten en criteria ter beoordeling ervan voor te stellen;
- de normen vast te stellen die gedurende en op het einde van de demonstratieprojecten moeten gehaald worden;
- de hoofdlijnen vast te stellen van de werkwijze van de projecten;
- het goede verloop van alle projecten te verzekeren en te kontroleren;
- de tussentijdse en eindrapporten te evalueren;
- een centrale gegevensbank aan te duiden waaraan de eindresultaten van de projecten dienen overgemaakt te worden;
- de laboratoria voor het uitvoeren van de in het kader van dit besluit vereiste analyses aan te duiden en te kontroleren.
§ 2. De leden van het Comité, bestaande uit ambtenaren van het Ministerie van Middenstand en Landbouw, worden door de Minister aangeduid voor een periode van vijf jaar.
§ 3. Het Comité wordt als volgt samengesteld :
- de Inspecteur-Generaal, die het Comité voorzit;
- een ambtenaar van het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek te Gembloux van het Bestuur Onderzoek en Ontwikkeling;
- een ambtenaar van het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek te Gent van het Bestuur Onderzoek en Ontwikkeling;
- twee ambtenaren van de diensten, belast met de voorlichting in de sectoren landbouw en tuinbouw;
- een ambtenaar van de dienst Inspectie van de Grondstoffen;
- een ambtenaar van de dienst belast met de fytosanitaire controle van planten en plantaardige produkten;
- een ambtenaar van de dienst Integratiepolitiek, belast met de contacten met de Europese Commissie.
§ 4. Voor specifieke problemen kan de voorzitter bijkomende experten uitnodigen om deel te nemen aan de werkzaamheden van het Comité, ten raadgevende titel.
Art. 2. § 1. Le Ministre de l'Agriculture crée un Comité compétent pour :
- rendre des avis à propos des projets introduits et proposer des critères permettant de les juger;
- déterminer les normes vers lesquelles il faut tendre pendant et au terme des projets de démonstration;
- déterminer les lignes de conduite de base des projets;
- le suivi et le contrôle du bon déroulement de tous les projets;
- l'évaluation des rapports intérimaires et final;
- désigner une banque de données centralisée à laquelle les résultats des projets doivent être transmis;
- désigner et contrôler les laboratoires pour l'exécution des analyses demandées dans le cadre de cet arrêté.
§ 2. Les membres du Comité sont désignés par le Ministre parmi des fonctionnaires du Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture pour une période de cinq ans.
§ 3. Le Comité est composé de la manière suivante :
- l'Inspecteur général, qui préside le Comité;
- un fonctionnaire du Centre de Recherches Agronomiques de l'Etat à Gembloux de l'Administration Recherche et Développement;
- un fonctionnaire du Centre de Recherches Agronomiques de l'Etat à Gand de l'Administration Recherche et Développement;
- deux fonctionnaires des services, chargés de la vulgarisation agricole et horticole;
- un fonctionnaire du service Inspection des Matières Premières;
- un fonctionnaire du service chargé du contrôle phytosanitaire des plantes et des produits végétaux;
- un fonctionnaire du service Politique de l'Intégration, chargé des contacts avec la Commission européenne.
§ 4. Pour des problèmes spécifiques, le président peut inviter des experts à participer aux travaux du comité à titre consultatif.
- rendre des avis à propos des projets introduits et proposer des critères permettant de les juger;
- déterminer les normes vers lesquelles il faut tendre pendant et au terme des projets de démonstration;
- déterminer les lignes de conduite de base des projets;
- le suivi et le contrôle du bon déroulement de tous les projets;
- l'évaluation des rapports intérimaires et final;
- désigner une banque de données centralisée à laquelle les résultats des projets doivent être transmis;
- désigner et contrôler les laboratoires pour l'exécution des analyses demandées dans le cadre de cet arrêté.
§ 2. Les membres du Comité sont désignés par le Ministre parmi des fonctionnaires du Ministère des Classes moyennes et de l'Agriculture pour une période de cinq ans.
§ 3. Le Comité est composé de la manière suivante :
- l'Inspecteur général, qui préside le Comité;
- un fonctionnaire du Centre de Recherches Agronomiques de l'Etat à Gembloux de l'Administration Recherche et Développement;
- un fonctionnaire du Centre de Recherches Agronomiques de l'Etat à Gand de l'Administration Recherche et Développement;
- deux fonctionnaires des services, chargés de la vulgarisation agricole et horticole;
- un fonctionnaire du service Inspection des Matières Premières;
- un fonctionnaire du service chargé du contrôle phytosanitaire des plantes et des produits végétaux;
- un fonctionnaire du service Politique de l'Intégration, chargé des contacts avec la Commission européenne.
§ 4. Pour des problèmes spécifiques, le président peut inviter des experts à participer aux travaux du comité à titre consultatif.
HOOFDSTUK III. - Waarnemings- en waarschuwingsdiensten voor de plantenteelten.
CHAPITRE III. - Services d'observation et d'avertissement pour les cultures végétales.
Art. 3. Mits naleving van de voorwaarden bepaald in de verorde- ning en in dit besluit kunnen waarnemings- en waarschuwingsdiensten in aanmerking komen voor de in de verordening voorziene steun voor de realisatie van demonstratieprojecten die een verminderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beogen.
Art. 3. Dans les conditions visées dans le règlement et dans le présent arrêté, des services d'observation et d'avertissement peuvent être éligibles à l'aide visée dans le règlement pour la réalisation de projets de démonstration visant une utilisation réduite de pesticides.
Art. 4. De Minister keurt binnen het kader van de voorziene begrotingskredieten en binnen de door de Europese Commissie goedgekeurde kostenraming en op basis van het advies van het Comité en op basis van de voorgestelde criteria de ingediende projecten goed.
Art. 4. Sur base de l'avis du Comité et sur base des critères proposés, le Ministre approuve les projets introduits dans le cadre des crédits budgétaires prévus et des estimations de dépenses approuvées par la Commission européenne.
Art. 5. Eén of meerdere technische werkgroepen, voorgezeten door de ingenieur verantwoordelijk voor de gewasbescherming in de betrokken sectoren worden opgericht. De technische werkgroepen zijn ermee belast het programma op technisch vlak uit te werken.
Art. 5. Un ou plusieurs groupes techniques, présidés par l'ingénieur responsable pour la protection des végétaux dans les secteurs concernés sont créés. Les groupes techniques sont chargés d'élaborer le programme sur le plan technique.
Art. 6. De waarnemings- en waarschuwingsdiensten dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen :
1° een rechtspersoonlijkheid hebben;
2° over een ervaring inzake gewasbescherming beschikken van minstens 3 jaar;
3° beschikken over een wetenschappelijk onderlegde en technische staf die kan instaan voor de dagelijkse werking van de waarnemings- en waarschuwingsdienst;
4° beschikken over de nodige financiële middelen voor de prefinanciering van de te verhalen kosten.
1° een rechtspersoonlijkheid hebben;
2° over een ervaring inzake gewasbescherming beschikken van minstens 3 jaar;
3° beschikken over een wetenschappelijk onderlegde en technische staf die kan instaan voor de dagelijkse werking van de waarnemings- en waarschuwingsdienst;
4° beschikken over de nodige financiële middelen voor de prefinanciering van de te verhalen kosten.
Art. 6. Les services d'observation et d'avertissement doivent satisfaire aux conditions suivantes :
1° avoir une personnalité juridique;
2° posséder une expérience d'au moins 3 ans en ce qui concerne la protection des végétaux;
3° disposer d'une équipe scientifique et technique capable d'assurer la gestion quotidienne du service d'observation et d'avertissement;
4° disposer de moyens de financement nécessaires au préfinancement des coûts à rembourser.
1° avoir une personnalité juridique;
2° posséder une expérience d'au moins 3 ans en ce qui concerne la protection des végétaux;
3° disposer d'une équipe scientifique et technique capable d'assurer la gestion quotidienne du service d'observation et d'avertissement;
4° disposer de moyens de financement nécessaires au préfinancement des coûts à rembourser.
Art. 7. De dagelijkse werking van een waarnemings- en waarschuwingsdienst omvat ondermeer :
a) het verzamelen van klimatologische en biologische gegevens en de interpretatie ervan;
b) in voorkomend geval, het verspreiden van waarschuwingsberichten;
c) de sensibilisering van de landbouwers en tuinders;
d) het aanleggen van referentiepercelen;
e) het organiseren van informatie- en studievergaderingen en van veldbezoeken.
a) het verzamelen van klimatologische en biologische gegevens en de interpretatie ervan;
b) in voorkomend geval, het verspreiden van waarschuwingsberichten;
c) de sensibilisering van de landbouwers en tuinders;
d) het aanleggen van referentiepercelen;
e) het organiseren van informatie- en studievergaderingen en van veldbezoeken.
Art. 7. Le fonctionnement journalier d'un service d'observation et d'avertissement comprend notamment :
a) le recueil de données climatologiques et biologiques et leur interprétation;
b) le cas échéant, la diffusion de messages d'avertissement;
c) la sensibilisation des agriculteurs et des horticulteurs;
d) l'établissement de parcelles de référence;
e) l'organisation de réunions d'information et d'étude, et de visites sur le terrain.
a) le recueil de données climatologiques et biologiques et leur interprétation;
b) le cas échéant, la diffusion de messages d'avertissement;
c) la sensibilisation des agriculteurs et des horticulteurs;
d) l'établissement de parcelles de référence;
e) l'organisation de réunions d'information et d'étude, et de visites sur le terrain.
Art. 8. Alle landbouwers en tuinders die het gewas telen waarvoor een waarschuwingsdienst werd opgericht kunnen van deze dienst gebruik maken.
Art. 8. Tous les agriculteurs et les horticulteurs producteurs de la culture pour laquelle un service d'avertissement a été créé peuvent utiliser ce service.
HOOFDSTUK IV. - Demonstratieprojecten voor het uittesten van produktiemethoden met verminderd gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen.
CHAPITRE IV. - Projets de démonstration pour l'expérimentation de méthodes de production avec utilisation réduite d'engrais et de produits phytopharmaceutiques.
Art. 9. § 1. Mits naleving van de voorwaarden bepaald in de verordening, in dit besluit en in het lastenboek opgenomen in bijlage, kunnen coördinerende organisaties in aanmerking komen voor de in de verordening voorziene steun ter dekking van de onkosten verbonden aan de realisatie van demonstratieprojecten voor het uittesten van produktiemethoden waarbij een ecologisch verantwoord gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen wordt nagestreefd.
§ 2. Coördinerende organisaties kunnen bij het Ministerie van Middenstand en Landbouw, Bestuur Onderzoek en Ontwikkeling dergelijke demonstratieprojecten indienen. Om in aanmerking te komen moeten de demonstratieprojecten worden ingediend voor 1 juli 1995. Elk demonstratieproject duurt 3 jaar en het ingediende project moet de kostenraming per jaar bevatten. Voor de realisatie van deze demonstratieprojecten kunnen de coördinerende organisaties samenwerken met andere instellingen en land- of tuinbouwbedrijven.
§ 2. Coördinerende organisaties kunnen bij het Ministerie van Middenstand en Landbouw, Bestuur Onderzoek en Ontwikkeling dergelijke demonstratieprojecten indienen. Om in aanmerking te komen moeten de demonstratieprojecten worden ingediend voor 1 juli 1995. Elk demonstratieproject duurt 3 jaar en het ingediende project moet de kostenraming per jaar bevatten. Voor de realisatie van deze demonstratieprojecten kunnen de coördinerende organisaties samenwerken met andere instellingen en land- of tuinbouwbedrijven.
Art. 9. § 1. Dans les conditions visées dans le règlement, dans le présent arrêté et dans le cahier des charges repris en annexe, des organisations de coordination peuvent bénéficier de l'aide prévue dans le règlement, pour les frais encourus lors de l'établissement de projets de démonstration en vue de tester des méthodes de production visant un usage raisonnable d'un point de vue écologique des engrais et des produits phytopharmaceutiques.
§ 2. Des organisations de coordination peuvent introduire auprès du Ministère des Classes Moyennes et de l'Agriculture, Administration Recherche et Développement des projets de démonstration.
Pour être éligibles, les projets de démonstration doivent être introduits avant le 1er juillet 1995. Chaque projet de démonstration dure 3 ans et le projet introduit doit comprendre l'estimation des coûts annuels. Pour la réalisation de ces projets de démonstration, les organisations de coordination peuvent collaborer avec d'autres organisations et exploitations agricoles ou horticoles.
§ 2. Des organisations de coordination peuvent introduire auprès du Ministère des Classes Moyennes et de l'Agriculture, Administration Recherche et Développement des projets de démonstration.
Pour être éligibles, les projets de démonstration doivent être introduits avant le 1er juillet 1995. Chaque projet de démonstration dure 3 ans et le projet introduit doit comprendre l'estimation des coûts annuels. Pour la réalisation de ces projets de démonstration, les organisations de coordination peuvent collaborer avec d'autres organisations et exploitations agricoles ou horticoles.
Art. 10. § 1. De in artikel 9 bedoelde produktiemethoden behelzen :
1. het gebruik van stikstofmeststoffen, gebaseerd op een stikstof-restwaarde;
2. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in functie van een gewasschadedrempel en rekening houdend met de volgende principes :
1° het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die schadelijk zijn voor de natuurlijke vijanden van de parasieten dient vermeden te worden;
2° het aantal behandelingen dient verminderd en zoveel mogelijk vervangen te worden door andere beschermingstechnieken.
§ 2. Ieder demonstratieproject dient zowel een bemestingsproef (stikstof) als een gewasbeschermingsproef te omvatten en kan voor meerdere teelten, op meerdere percelen en bij verschillende proefnemers worden opgezet.
1. het gebruik van stikstofmeststoffen, gebaseerd op een stikstof-restwaarde;
2. het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in functie van een gewasschadedrempel en rekening houdend met de volgende principes :
1° het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen die schadelijk zijn voor de natuurlijke vijanden van de parasieten dient vermeden te worden;
2° het aantal behandelingen dient verminderd en zoveel mogelijk vervangen te worden door andere beschermingstechnieken.
§ 2. Ieder demonstratieproject dient zowel een bemestingsproef (stikstof) als een gewasbeschermingsproef te omvatten en kan voor meerdere teelten, op meerdere percelen en bij verschillende proefnemers worden opgezet.
Art. 10. § 1. Les méthodes de production visées à l'article 9 comprennent :
1. l'utilisation d'engrais azotés basée sur une valeur résiduelle d'azote;
2. l'utilisation de produits phytopharmaceutiques en fonction d'un seuil de nuisibilité pour la plante, et en tenant compte des principes suivants :
1° l'utilisation de produits phytopharmaceutiques nocifs pour les ennemis naturels des parasites doit être évitée;
2° le nombre de traitements doit être diminué et dans la mesure du possible remplacés par d'autres techniques.
§ 2. Chaque projet de démonstration comprend aussi bien un essai de fumure (azote) qu'un essai de protection des cultures. Il peut être établi pour plusieurs cultures, sur plusieurs parcelles et chez différents expérimentateurs.
1. l'utilisation d'engrais azotés basée sur une valeur résiduelle d'azote;
2. l'utilisation de produits phytopharmaceutiques en fonction d'un seuil de nuisibilité pour la plante, et en tenant compte des principes suivants :
1° l'utilisation de produits phytopharmaceutiques nocifs pour les ennemis naturels des parasites doit être évitée;
2° le nombre de traitements doit être diminué et dans la mesure du possible remplacés par d'autres techniques.
§ 2. Chaque projet de démonstration comprend aussi bien un essai de fumure (azote) qu'un essai de protection des cultures. Il peut être établi pour plusieurs cultures, sur plusieurs parcelles et chez différents expérimentateurs.
Art. 11. De coördinerende organisaties die in dit kader een demonstratieproject wensen te realiseren, dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen :
1° een rechtspersoonlijkheid hebben;
2° over een ervaring inzake proefveldwerking beschikken van minstens 3 jaar;
3° beschikken over een wetenschappelijk onderlegde en technische staf die kan instaan voor het opmaken, het begeleiden en het afronden van een proefveldprogramma;
4° beschikken over de nodige financiële middelen voor de prefinanciering van de te verhalen kosten;
5° zich ertoe verbinden :
- de nodige tussentijdse en eindrapporten op te stellen ten behoeve van de subsidiërende overheid;
- meewerken aan de organisatie van voorlichtingsactiviteiten;
- de resultaten aan een nog te bepalen organisatie of centrum overmaken met het oog op de samenstelling van een centrale gegevensbank.
1° een rechtspersoonlijkheid hebben;
2° over een ervaring inzake proefveldwerking beschikken van minstens 3 jaar;
3° beschikken over een wetenschappelijk onderlegde en technische staf die kan instaan voor het opmaken, het begeleiden en het afronden van een proefveldprogramma;
4° beschikken over de nodige financiële middelen voor de prefinanciering van de te verhalen kosten;
5° zich ertoe verbinden :
- de nodige tussentijdse en eindrapporten op te stellen ten behoeve van de subsidiërende overheid;
- meewerken aan de organisatie van voorlichtingsactiviteiten;
- de resultaten aan een nog te bepalen organisatie of centrum overmaken met het oog op de samenstelling van een centrale gegevensbank.
Art. 11. Les organisations de coordination qui souhaitent participer à la réalisation d'un projet de démonstration dans ce cadre doivent satisfaire aux conditions suivantes :
1° avoir une personnalité juridique;
2° posséder une expérience d'au moins 3 ans en ce qui concerne la conduite de champs d'essais;
3° disposer d'une équipe scientifique et technique capable d'assurer l'établissement, l'encadrement et l'achèvement d'un programme de champs d'essais;
4° disposer de moyens de financement nécessaires au préfinancement des coûts à rembourser;
5° s'engager à :
- rédiger les rapports intérimaires et final à l'intention de l'instance assurant le subventionnement;
- collaborer a l'organisation des activités de vulgarisation;
- communiquer les résultats à un organisation ou centre encore à déterminer en vue de la constitution d'une banque de données centralisée.
1° avoir une personnalité juridique;
2° posséder une expérience d'au moins 3 ans en ce qui concerne la conduite de champs d'essais;
3° disposer d'une équipe scientifique et technique capable d'assurer l'établissement, l'encadrement et l'achèvement d'un programme de champs d'essais;
4° disposer de moyens de financement nécessaires au préfinancement des coûts à rembourser;
5° s'engager à :
- rédiger les rapports intérimaires et final à l'intention de l'instance assurant le subventionnement;
- collaborer a l'organisation des activités de vulgarisation;
- communiquer les résultats à un organisation ou centre encore à déterminer en vue de la constitution d'une banque de données centralisée.
Art. 12. Mits voorlegging van de nodige bewijsstukken komen de volgende onkosten in aanmerking voor de betoelaging :
- de personeelskosten voor zover het om personeelsleden gaat die specifiek voor dit project worden ingezet;
- de kosten voor de aanleg en het beheer van de proefvelden;
- de werkingskosten van de begeleidende organisatie, noodzakelijk voor het goede verloop van het project : extra huur, verplaatsingskosten, documentatie, voorlichting en administratie;
- de kosten voor staalname, analyse en controle;
- de vergoeding aan de land- en tuinbouwbedrijfshoofden voor de verminderde opbrengst op de betrokken proefvelden.
- de personeelskosten voor zover het om personeelsleden gaat die specifiek voor dit project worden ingezet;
- de kosten voor de aanleg en het beheer van de proefvelden;
- de werkingskosten van de begeleidende organisatie, noodzakelijk voor het goede verloop van het project : extra huur, verplaatsingskosten, documentatie, voorlichting en administratie;
- de kosten voor staalname, analyse en controle;
- de vergoeding aan de land- en tuinbouwbedrijfshoofden voor de verminderde opbrengst op de betrokken proefvelden.
Art. 12. Moyennant présentation des pièces justificatives, les frais suivants sont éligibles à l'aide :
- les charges de personnel, pour autant qu'il s'agisse d'agents affectés spécifiquement à ce projet;
- les frais d'aménagement et de gestion des champs d'essais;
- les frais de fonctionnement de l'organisation d'encadrement, nécessaires au bon déroulement du projet : supplément de loyer, frais de déplacement, de documentation, de vulgarisation et d'administration;
- les frais d'échantillonnage, d'analyse et de contrôle;
- l'indemnité aux exploitants agricoles et horticoles en compensation des pertes de rendement des parcelles d'essais concernées.
- les charges de personnel, pour autant qu'il s'agisse d'agents affectés spécifiquement à ce projet;
- les frais d'aménagement et de gestion des champs d'essais;
- les frais de fonctionnement de l'organisation d'encadrement, nécessaires au bon déroulement du projet : supplément de loyer, frais de déplacement, de documentation, de vulgarisation et d'administration;
- les frais d'échantillonnage, d'analyse et de contrôle;
- l'indemnité aux exploitants agricoles et horticoles en compensation des pertes de rendement des parcelles d'essais concernées.
Art. 13. De Minister keurt binnen het kader van de voorziene begrotingskredieten en binnen de door de Europese Commissie goedgekeurde kostenraming en op voorstel van het Comité de ingediende demonstratieprojecten goed. De Inspecteur-generaal oefent toezicht uit op de coördinerende organisaties en kijkt de rekeningen na. De coördinerende organisaties moeten op verzoek van de Inspecteur-generaal alle informatie verstrekken en alle dokumenten voorleggen in verband met deze demonstratieprojecten.
Art. 13. Sur proposition du Comité, le Ministre approuve les projets de démonstration introduits dans le cadre des crédits budgétaires prévus et des estimations de dépenses approuvées par la Commission européenne. L'Inspecteur général supervise les organisations de coordination et vérifie les comptes. Les organisations de coordination doivent, à la requête de l'Inspecteur général, fournir toute information et tous documents en rapport avec ces projets de démonstration.
HOOFDSTUK V. - Demonstratieprojecten in de biologische landbouw.
CHAPITRE IV. - Projets de démonstration en agriculture biologique.
Art. 14. § 1. Mits naleving van de voorwaarden bepaald in de verordening en in dit besluit kunnen organisaties met voldoende ondervinding op het gebied van voorlichting in de biologische landbouw, in aanmerking komen voor de in de verordening voorziene steun ter dekking van de onkosten verbonden aan het opzetten van demonstratie- en sensibilisatieprojecten in de biologische landbouw.
§ 2. Deze organisaties dienen bovendien aan de volgende voorwaarden te voldoen :
1° een rechtspersoonlijkheid hebben;
2° beschikken over de nodige financiële middelen voor de prefinanciering van de te verhalen kosten;
3° zich ertoe verbinden de nodige tussentijdse en eindrapporten op te stellen ten behoeve van de subsidiërende overheid.
§ 2. Deze organisaties dienen bovendien aan de volgende voorwaarden te voldoen :
1° een rechtspersoonlijkheid hebben;
2° beschikken over de nodige financiële middelen voor de prefinanciering van de te verhalen kosten;
3° zich ertoe verbinden de nodige tussentijdse en eindrapporten op te stellen ten behoeve van de subsidiërende overheid.
Art. 14. § 1. L'aide prévue dans le règlement peut être accordée, aux conditions mentionnées dans le règlement et dans le présent arrêté, à des organisations, possédant une expérience suffisante sur le terrain de la vulgarisation en agriculture biologique, pour compenser les frais liés à l'établissement de projets de démonstration et de sensibilisation dans le domaine de l'agriculture biologique.
§ 2. Ces organisations doivent en plus satisfaire aux conditions suivantes :
1° avoir une personnalité juridique;
2° disposer de moyens de financement nécessaires au préfinancement des coûts à rembourser;
3° s'engager à rédiger les rapports intérimaires et final à l'intention de l'instance assurant le subventionnement.
§ 2. Ces organisations doivent en plus satisfaire aux conditions suivantes :
1° avoir une personnalité juridique;
2° disposer de moyens de financement nécessaires au préfinancement des coûts à rembourser;
3° s'engager à rédiger les rapports intérimaires et final à l'intention de l'instance assurant le subventionnement.
Art. 15. Om in aanmerking te komen voor de in artikel 14 bedoelde steun dienen de demonstratie- en sensibilisatieprojecten in de biologische landbouw ten minste op de volgende elementen betrekking te hebben :
- de opvolging van bedrijven die ervaring hebben in de biologische teelt van planten en die uitgekozen werden als demonstratiecentra;
- het samenstellen en het verspreiden van documenten over deze bedrijven (technische rapporten, artikels...);
- de organisatie van diverse activiteiten (bezoeken, opendeurdagen, technische demonstraties, conferenties, colloquia,...).
- de opvolging van bedrijven die ervaring hebben in de biologische teelt van planten en die uitgekozen werden als demonstratiecentra;
- het samenstellen en het verspreiden van documenten over deze bedrijven (technische rapporten, artikels...);
- de organisatie van diverse activiteiten (bezoeken, opendeurdagen, technische demonstraties, conferenties, colloquia,...).
Art. 15. Pour être éligibles à l'aide prévue dans l'article 14, les projets de démonstration et de sensibilisation doivent se rapporter au moins aux éléments suivants :
- le suivi d'exploitations ayant une expérience en culture biologique de plantes et sélectionnées comme centre de démonstration;
- le rédaction et la diffusion de documents sur ces exploitations (rapports techniques, articles...);
- l'organisation d'activités diverses (visites, journées portes ouvertes, démonstrations techniques, conférences, colloques,...).
- le suivi d'exploitations ayant une expérience en culture biologique de plantes et sélectionnées comme centre de démonstration;
- le rédaction et la diffusion de documents sur ces exploitations (rapports techniques, articles...);
- l'organisation d'activités diverses (visites, journées portes ouvertes, démonstrations techniques, conférences, colloques,...).
Art. 16. Met het oog op het verkrijgen van de in artikel 14 bedoelde steun dienen de voorlichtingsorganisaties :
1° voor 1 maart van elk jaar een programma voor te leggen met een gedetailleerde kostenraming;
2° voor 31 december van elk jaar een tussentijds rapport op te stellen en op het einde van het vijfde jaar een eindrapport;
3° jaarlijks een gedetailleerde afrekening te maken met de gedane kosten.
1° voor 1 maart van elk jaar een programma voor te leggen met een gedetailleerde kostenraming;
2° voor 31 december van elk jaar een tussentijds rapport op te stellen en op het einde van het vijfde jaar een eindrapport;
3° jaarlijks een gedetailleerde afrekening te maken met de gedane kosten.
Art. 16. Pour obtenir l'aide prévue dans l'article 14, les organisations de vulgarisation doivent :
1° introduire avant le 1er mars de chaque année un programme avec le détail des estimations de dépenses;
2° rédiger avant le 31 décembre de chaque année un rapport intérimaire et à la fin de la cinquième année un rapport final;
3° introduire chaque année un décompte détaillé des frais encourus.
1° introduire avant le 1er mars de chaque année un programme avec le détail des estimations de dépenses;
2° rédiger avant le 31 décembre de chaque année un rapport intérimaire et à la fin de la cinquième année un rapport final;
3° introduire chaque année un décompte détaillé des frais encourus.
Art. 17. § 1. De Minister keurt binnen het kader van de voorziene begrotingskredieten en binnen de door de Europese Commissie goedgekeurde kostenraming en op voorstel van het Comité de voorgelegde projecten goed.
§ 2. De Inspecteur-Generaal oefent toezicht uit op de voorlichtingsorganisaties, en kijkt de rekeningen na. De voorlichtingsorganisaties moeten op verzoek van de Inspecteur-Generaal alle informatie verstrekken en alle dokumenten voorleggen in verband met deze demonstratieprojecten.
§ 2. De Inspecteur-Generaal oefent toezicht uit op de voorlichtingsorganisaties, en kijkt de rekeningen na. De voorlichtingsorganisaties moeten op verzoek van de Inspecteur-Generaal alle informatie verstrekken en alle dokumenten voorleggen in verband met deze demonstratieprojecten.
Art. 17. § 1. Le Ministre approuve les projets introduits sur proposition du Comité et dans le cadre des crédits budgétaires prévus et des estimations de dépenses approuvées par la Commission européenne.
§ 2. L'Inspecteur général supervise les organisations de vulgarisation et vérifie les comptes. Les organisations de vulgarisation doivent présenter sur requête de l'Inspecteur général toute information et tous documents concernant ces projets de démonstration.
§ 2. L'Inspecteur général supervise les organisations de vulgarisation et vérifie les comptes. Les organisations de vulgarisation doivent présenter sur requête de l'Inspecteur général toute information et tous documents concernant ces projets de démonstration.
HOOFDSTUK VI. - Andere demonstratieprojecten.
CHAPITRE VI. - Autres projets de démonstration.
Art. 18. Binnen het kader van de voorziene begrotingskredieten, onder de voorwaarden vermeld in de verordening en onder de door de Minister op voorstel van het Comité te bepalen voorwaarden, kunnen andere demonstratieprojecten voor de in de verordening bedoelde steun in aanmerking komen.
Art. 18. Dans le cadre des crédits budgétaires prévus, d'autres projets de démonstration peuvent être éligibles à l'aide visée dans le règlement, aux conditions mentionnées dans le règlement et aux conditions à fixer par le Ministre sur proposition du Comité.
HOOFDSTUK VII. - Uitbetaling van de steun.
CHAPITRE VII. - Octroi des aides.
Art. 19. § 1. De bewijsstukken mogen ingediend worden op 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december van elk werkjaar en dit voor zover er voor betoelaging in aanmerking komende kosten gemaakt werden.
§ 2. De uitbetalingen van de steun worden verricht door een betaalorgaan uit hoofde van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie en Garantie Fonds.
§ 3. De uitbetalingen van de steun voor de gemaakte onkosten worden uitgevoerd na de goedkeuring door de Inspecteur-Generaal van de ingediende bewijsstukken.
§ 2. De uitbetalingen van de steun worden verricht door een betaalorgaan uit hoofde van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie en Garantie Fonds.
§ 3. De uitbetalingen van de steun voor de gemaakte onkosten worden uitgevoerd na de goedkeuring door de Inspecteur-Generaal van de ingediende bewijsstukken.
Art. 19. § 1. Les pièces justificatives peuvent être introduites pour le 31 mars, 30 juin, 30 septembre et 31 décembre de chaque année pour autant que des coûts pouvant être pris en considération aient été encourus.
§ 2. Le payement de l'aide est exécuté par un organisme de payement pour le compte de la section Garantie du Fonds européen d'orientation et de Garantie agricole.
§ 3. Le payement de l'aide pour les frais encourus est réalisé après l'approbation par l'Inspecteur général des pièces justificatives introduites.
§ 2. Le payement de l'aide est exécuté par un organisme de payement pour le compte de la section Garantie du Fonds européen d'orientation et de Garantie agricole.
§ 3. Le payement de l'aide pour les frais encourus est réalisé après l'approbation par l'Inspecteur général des pièces justificatives introduites.
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions finales.
Art. 20. Onder voorbehoud van andere bepalingen kunnen nieuwe projecten worden ingediend tot 31 december 1998 en wordt de in de verordening voorziene steun toegekend gedurende vijf jaar.
Art. 20. Sous réserve d'autres dispositions, de nouveaux projets peuvent être introduits jusqu'au 31 décembre 1998 et l'aide prévue dans le règlement est accordée durant cinq ans.
Art. 21. Elke verklaring die na controle geheel of gedeeltelijk vals zou blijken te zijn, evenals elke niet nagekomen verbintenis, brengt stopzetting van betaling van de steun en terugvordering van de ten onrechte uitgekeerde sommen met zich mee. Het bedrag van de terug te betalen bedragen wordt, in voorkomend geval, vermeerderd met de wettelijke intrest met ingang van de datum van hun betaling en zonder aanmaning.
Art. 21. Toute déclaration qui savérerait, après contrôle, entièrement ou partiellement fausse, ainsi que tout engagement non respecté, entraîne la cessation du paiement de l'aide et la réclamation des montants déjà payés à tort. Le montant des sommes à rembourser est, le cas échéant, augmenté de l'intérêt légal calculé à partir de la date de leur paiement et ce, sans mise en demeure.
Art. 22. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1994.
Art. 22. Le présent arrêté entre en vigueur à dater du 1er janvier 1994.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage I. Lastenboek voor het verloop van de demonstratieprojecten.
Art. N. Annexe I. Cahier de charges pour le déroulement des projets de démonstration.
Art. 1N. A. Proefopzet "vermindering van stikstofbemesting". 1. Per proefperceel worden voor de aanvang van het eerste teeltseizoen volgende gegevens verzameld :
a) in verband met de voorafgaande teelten en de bemesting :
- sedert wanneer de geplande teelt voor het laatst op het perceel werd verbouwd;
- jaartal, aard en hoeveelheid van de laatste bekalking;
- soort en hoeveelheden dierlijke mest die de laatste 3 jaren werden toegediend;
- verbouwde teelten gedurende de laatste 3 jaar;
- andere relevante gegevens nodig voor het opstellen van een goed teeltplan.
b) op basis van een bodemstaal van de bouwvoor : bepaling van de reserve aan Kalium, Fosfor, Magnesium, Calcium, Natrium, van het percentage Koolstof, Humus en van de pH;
c) de bepaling van de minerale stikstof (N) via een bodemstaal van het profiel van 0 tot 90 cm diepte, in lagen van 30 cm (staalname in het voorjaar : januari-maart).
2. Op basis van de verzamelde gegevens (a, b) wordt een algemeen bemestingsadvies opgesteld. Op basis van de N-analyse (c) en de gegevens uit (a) wordt, op basis van een erkende N-adviesmethode, een N-bemestingsadvies opgesteld. De bemestingsadviezen worden opgesteld zowel met het oog op het bereiken van de vastgelegde Nrestwaarde (hoeveelheid minerale N in het bodemprofiel na de oogst) als voor het onderzoeken van het effect van een verminderde bemesting op de produktie. De uitvoering van de bodemanalyses en het opstellen van de bemestingsadviezen gebeuren door een door het Comité aangeduid laboratorium.
3. De N-restwaarde vastgelegd voor het N-bemestingsadvies, bedraagt maximum 50 kg nitraat stikstof per ha in het bodemprofiel in de laag van 0 tot 60 cm. Het proefopzet moet zodanig zijn dat deze waarde in principe kan worden gehaald op het einde van het derde proefjaar. Indien nodig kan de waarde van 50 kg nitraat-N/ha in de loop van de proefperiode worden aangepast en eventueel gedifferentieerd volgens het bodemtype.
4. De proefnemer volgt de bemestingsadviezen strikt op. Indien hij dierlijke mest gebruikt, dient dit te gebeuren op een wijze die verenigbaar is met de eisen inzake milieubescherming. Van alle gebruikte dierlijke mest wordt een analyse uitgevoerd door een door het Comité aangeduid laboratorium.
5. Na de oogst, binnen een termijn vastgesteld in het proefopzet, wordt een bodemstaal genomen ter bepaling van de minerale stikstof. Het resultaat hiervan wordt vergeleken met de resultaten van getuigepercelen in officiële onderzoekscentra.
6. Voor de aanvang van elk volgend teeltseizoen wordt een bodemstaal (profiel 0 - 90 cm) genomen voor een N-analyse, en wordt een N-bemestingsadvies opgesteld.
7. Na de laatste teelt wordt opnieuw een bodemstaal genomen van de bouwvoor.
8. Voorafgaandelijk wordt door de coördinerende organisatie een laboratorium voorgesteld dat aan de volgende voorwaarden dient te voldoen :
a) de staalnamen organiseren met door het laboratorium erkende staalnemers;
b) de analyses in het eigen laboratorium uitvoeren volgens vooraf opgegeven en door het comité goedgekeurde procedures;
c) voor de bemestingsadviezen rekening houden met de door het comité vooropgestelde normen;
d) geen binding hebben niet enige rechtstreeks of onrechtstreeks belanghebbende partij zoals meststoffenproducenten en -verdelers, noch werken in onderaanneming door derden laten uitvoeren;
e) deelnemen aan eventueel door het comité opgelegde ringtesten.
a) in verband met de voorafgaande teelten en de bemesting :
- sedert wanneer de geplande teelt voor het laatst op het perceel werd verbouwd;
- jaartal, aard en hoeveelheid van de laatste bekalking;
- soort en hoeveelheden dierlijke mest die de laatste 3 jaren werden toegediend;
- verbouwde teelten gedurende de laatste 3 jaar;
- andere relevante gegevens nodig voor het opstellen van een goed teeltplan.
b) op basis van een bodemstaal van de bouwvoor : bepaling van de reserve aan Kalium, Fosfor, Magnesium, Calcium, Natrium, van het percentage Koolstof, Humus en van de pH;
c) de bepaling van de minerale stikstof (N) via een bodemstaal van het profiel van 0 tot 90 cm diepte, in lagen van 30 cm (staalname in het voorjaar : januari-maart).
2. Op basis van de verzamelde gegevens (a, b) wordt een algemeen bemestingsadvies opgesteld. Op basis van de N-analyse (c) en de gegevens uit (a) wordt, op basis van een erkende N-adviesmethode, een N-bemestingsadvies opgesteld. De bemestingsadviezen worden opgesteld zowel met het oog op het bereiken van de vastgelegde Nrestwaarde (hoeveelheid minerale N in het bodemprofiel na de oogst) als voor het onderzoeken van het effect van een verminderde bemesting op de produktie. De uitvoering van de bodemanalyses en het opstellen van de bemestingsadviezen gebeuren door een door het Comité aangeduid laboratorium.
3. De N-restwaarde vastgelegd voor het N-bemestingsadvies, bedraagt maximum 50 kg nitraat stikstof per ha in het bodemprofiel in de laag van 0 tot 60 cm. Het proefopzet moet zodanig zijn dat deze waarde in principe kan worden gehaald op het einde van het derde proefjaar. Indien nodig kan de waarde van 50 kg nitraat-N/ha in de loop van de proefperiode worden aangepast en eventueel gedifferentieerd volgens het bodemtype.
4. De proefnemer volgt de bemestingsadviezen strikt op. Indien hij dierlijke mest gebruikt, dient dit te gebeuren op een wijze die verenigbaar is met de eisen inzake milieubescherming. Van alle gebruikte dierlijke mest wordt een analyse uitgevoerd door een door het Comité aangeduid laboratorium.
5. Na de oogst, binnen een termijn vastgesteld in het proefopzet, wordt een bodemstaal genomen ter bepaling van de minerale stikstof. Het resultaat hiervan wordt vergeleken met de resultaten van getuigepercelen in officiële onderzoekscentra.
6. Voor de aanvang van elk volgend teeltseizoen wordt een bodemstaal (profiel 0 - 90 cm) genomen voor een N-analyse, en wordt een N-bemestingsadvies opgesteld.
7. Na de laatste teelt wordt opnieuw een bodemstaal genomen van de bouwvoor.
8. Voorafgaandelijk wordt door de coördinerende organisatie een laboratorium voorgesteld dat aan de volgende voorwaarden dient te voldoen :
a) de staalnamen organiseren met door het laboratorium erkende staalnemers;
b) de analyses in het eigen laboratorium uitvoeren volgens vooraf opgegeven en door het comité goedgekeurde procedures;
c) voor de bemestingsadviezen rekening houden met de door het comité vooropgestelde normen;
d) geen binding hebben niet enige rechtstreeks of onrechtstreeks belanghebbende partij zoals meststoffenproducenten en -verdelers, noch werken in onderaanneming door derden laten uitvoeren;
e) deelnemen aan eventueel door het comité opgelegde ringtesten.
Art. 1N. A. Protocole d'essai "réduction de la fumure azotée".
1. Les données suivantes sont rassemblées, par parcelle expérimentale, avant le début de la première saison de culture :
a) précédents culturaux et fumure :
- quand la culture visée a-t-elle été cultivée pour la dernière fois sur la parcelle ?
- année, nature et quantité du dernier chaulage;
- type et quantités d'engrais d'origine animale épandu au cours des 3 dernières années;
- cultures pratiquées au cours des 3 dernières années;
- autres données significatives nécessaires à l'établissement d'un bon plan d'assolement.
b) sur base d'un échantillon de sol de la couche arable :
détermination des réserves en Potassium, Phosphore, Magnésium, Calcium, Sodium, des taux de Carbone et d'humus et du pH;
c) la détermination de l'azote minéral par l'analyse d'un échantillon de terre du profil de 0 à 90 cm de profondeur, prélevé en couches de 30 cm (prélèvement au printemps : janvier-mars).
2. Sur base des données recueillies (a, b), un avis de fumure général est établi. Sur base de l'analyse de l'azote (c) et des données de (a), un avis de fumure azotée basé sur une méthode agréée pour l'azote est établi. Les avis de fumure sont établis tant pour atteindre la valeur résiduelle d'azote fixée (quantité d'azote minéral dans le profil du sol après la récolte) que pour le contrôle de l'effet d'une fumure réduite sur la production. La réalisation des analyses du sol et l'établissement des avis de fumure se font par un laboratoire désigné par le Comité.
3. La quantité résiduelle d'azote pour l'avis de fumure azotée sera au maximum de 50 kg d'azote nitrique par ha dans la couche de 0 à 60 cm du profil du sol. L'essai doit être établi de telle manière que cette valeur puisse en principe être atteinte à la fin de la troisième année de l'essai. Si cela s'avère nécessaire, la valeur de 50 kg d'azote nitrique/ha peut être adaptée au cours de la période expérimentale et éventuellement différenciée selon le type de sol.
4. L'expérimentateur suit strictement l'avis de fumure azotée. S'il applique des engrais d'origine animale, il le fait d'une manière compatible avec les exigences de la protection de l'environnement.
Une analyse de tous les engrais d'origine animale utilisés est effectuée dans un laboratoire désigné par le Comité.
5. Après la récolte, un échantillon de sol est prélevé dans un délai fixé dans le protocole expérimental, pour la détermination de l'azote minéral. Le résultat est comparé avec ceux des parcelles témoins situées dans les centres de recherches officiels.
6. Avant le début de chaque saison de culture ultérieure, un échantillon de sol (0 - 90 cm) est prélevé pour une analyse de l'azote, et un avis de fumure azotée est établi.
7. Un échantillon de sol de la couche arable est à nouveau prélevé après la dernière culture.
8. L'organisation de coordination propose, au préalable, un laboratoire répondant aux conditions suivantes :
a) organiser les échantillonnages avec les échantillonneurs agréés par le laboratoire;
b) effectuer les analyses dans le laboratoire lui-même, selon des procédures fixées au préalable et approuvées par le comité;
c) pour les avis de fumure, tenir compte des normes préconisées par le comité;
d) n'avoir aucun lien d'intérêt direct ou indirectement avec des organismes tels que les producteurs et distributeurs d'engrais, ni faire effectuer des travaux par des tiers en sous-traitance;
e) participer à des "ringtests" éventuellement imposés par le comité.
1. Les données suivantes sont rassemblées, par parcelle expérimentale, avant le début de la première saison de culture :
a) précédents culturaux et fumure :
- quand la culture visée a-t-elle été cultivée pour la dernière fois sur la parcelle ?
- année, nature et quantité du dernier chaulage;
- type et quantités d'engrais d'origine animale épandu au cours des 3 dernières années;
- cultures pratiquées au cours des 3 dernières années;
- autres données significatives nécessaires à l'établissement d'un bon plan d'assolement.
b) sur base d'un échantillon de sol de la couche arable :
détermination des réserves en Potassium, Phosphore, Magnésium, Calcium, Sodium, des taux de Carbone et d'humus et du pH;
c) la détermination de l'azote minéral par l'analyse d'un échantillon de terre du profil de 0 à 90 cm de profondeur, prélevé en couches de 30 cm (prélèvement au printemps : janvier-mars).
2. Sur base des données recueillies (a, b), un avis de fumure général est établi. Sur base de l'analyse de l'azote (c) et des données de (a), un avis de fumure azotée basé sur une méthode agréée pour l'azote est établi. Les avis de fumure sont établis tant pour atteindre la valeur résiduelle d'azote fixée (quantité d'azote minéral dans le profil du sol après la récolte) que pour le contrôle de l'effet d'une fumure réduite sur la production. La réalisation des analyses du sol et l'établissement des avis de fumure se font par un laboratoire désigné par le Comité.
3. La quantité résiduelle d'azote pour l'avis de fumure azotée sera au maximum de 50 kg d'azote nitrique par ha dans la couche de 0 à 60 cm du profil du sol. L'essai doit être établi de telle manière que cette valeur puisse en principe être atteinte à la fin de la troisième année de l'essai. Si cela s'avère nécessaire, la valeur de 50 kg d'azote nitrique/ha peut être adaptée au cours de la période expérimentale et éventuellement différenciée selon le type de sol.
4. L'expérimentateur suit strictement l'avis de fumure azotée. S'il applique des engrais d'origine animale, il le fait d'une manière compatible avec les exigences de la protection de l'environnement.
Une analyse de tous les engrais d'origine animale utilisés est effectuée dans un laboratoire désigné par le Comité.
5. Après la récolte, un échantillon de sol est prélevé dans un délai fixé dans le protocole expérimental, pour la détermination de l'azote minéral. Le résultat est comparé avec ceux des parcelles témoins situées dans les centres de recherches officiels.
6. Avant le début de chaque saison de culture ultérieure, un échantillon de sol (0 - 90 cm) est prélevé pour une analyse de l'azote, et un avis de fumure azotée est établi.
7. Un échantillon de sol de la couche arable est à nouveau prélevé après la dernière culture.
8. L'organisation de coordination propose, au préalable, un laboratoire répondant aux conditions suivantes :
a) organiser les échantillonnages avec les échantillonneurs agréés par le laboratoire;
b) effectuer les analyses dans le laboratoire lui-même, selon des procédures fixées au préalable et approuvées par le comité;
c) pour les avis de fumure, tenir compte des normes préconisées par le comité;
d) n'avoir aucun lien d'intérêt direct ou indirectement avec des organismes tels que les producteurs et distributeurs d'engrais, ni faire effectuer des travaux par des tiers en sous-traitance;
e) participer à des "ringtests" éventuellement imposés par le comité.
Art. 2N. B. Proefopzet "vermindering van gewasbeschermingsmiddelen".
De coördinerende organisatie stelt per teeltproef en per perceel een lastenboek voor de gewasbescherming op met de volgende gegevens :
1. de te bestrijden ziektes en/of plagen en onkruiden;
2. een lijst met bestrijdingsmiddelen die ingezet kunnen worden, rekening houdend met de doelstellingen;
3. de te gebruiken technieken of specifieke toepassingswijze;
4. het bijhouden van een register met volgende gegevens :
- toepassingstijdstip;
- reden van de toepassing;
- waargenomen teeltschade;
- type bestrijdingsmiddel;
- gebruikte hoeveelheid;
- resultaat van de behandeling;
- technische gegevens van het gebruikte spuittoestel.
Voor elke uitgevoerde behandeling wordt tevens het advies vermeld van de betrokken waarnemings- en waarschuwingsdienst;
5. de uit te voeren residu-analyses :
- van het geoogst materiaal;
- van de bodem.
Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 14 maart 1995.
De Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en Landbouw,
A. BOURGEOIS
De coördinerende organisatie stelt per teeltproef en per perceel een lastenboek voor de gewasbescherming op met de volgende gegevens :
1. de te bestrijden ziektes en/of plagen en onkruiden;
2. een lijst met bestrijdingsmiddelen die ingezet kunnen worden, rekening houdend met de doelstellingen;
3. de te gebruiken technieken of specifieke toepassingswijze;
4. het bijhouden van een register met volgende gegevens :
- toepassingstijdstip;
- reden van de toepassing;
- waargenomen teeltschade;
- type bestrijdingsmiddel;
- gebruikte hoeveelheid;
- resultaat van de behandeling;
- technische gegevens van het gebruikte spuittoestel.
Voor elke uitgevoerde behandeling wordt tevens het advies vermeld van de betrokken waarnemings- en waarschuwingsdienst;
5. de uit te voeren residu-analyses :
- van het geoogst materiaal;
- van de bodem.
Gezien om te worden gevoegd bij het ministerieel besluit van 14 maart 1995.
De Minister van de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en Landbouw,
A. BOURGEOIS
Art. 2N. B. Protocole d'essai "réduction des produits phytopharmaceutiques".
L'organisation de coordination établit par essai cultural et par parcelle un cahier des charges pour les produits phytopharmaceutiques, qui contient les données suivantes :
1. les maladies et/ou parasites et/ou mauvaises herbes à combattre;
2. une liste des pesticides qui peuvent être mis en oeuvre, compte tenu des objectifs;
3. les techniques à utiliser ou le mode d'application spécifique;
4. la tenue à jour d'un registre avec les données suivantes :
- moment d'application;
- raison de l'application;
- dégâts culturaux observés;
- type de produit de lutte;
- quantité utilisée;
- résultat du traitement;
- données techniques du pulvérisateur utilisé.
Pour chaque traitement effectué, on mentionne également l'avis du service d'observation et d'avertissement concerné.
5. les analyses de résidus à effectuer dans :
- le matériel récolté;
- le sol.
Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du 14 mars 1995.
Le Ministre des Petites et des Moyennes Entreprises et de l'Agriculture,
A. BOURGEOIS
L'organisation de coordination établit par essai cultural et par parcelle un cahier des charges pour les produits phytopharmaceutiques, qui contient les données suivantes :
1. les maladies et/ou parasites et/ou mauvaises herbes à combattre;
2. une liste des pesticides qui peuvent être mis en oeuvre, compte tenu des objectifs;
3. les techniques à utiliser ou le mode d'application spécifique;
4. la tenue à jour d'un registre avec les données suivantes :
- moment d'application;
- raison de l'application;
- dégâts culturaux observés;
- type de produit de lutte;
- quantité utilisée;
- résultat du traitement;
- données techniques du pulvérisateur utilisé.
Pour chaque traitement effectué, on mentionne également l'avis du service d'observation et d'avertissement concerné.
5. les analyses de résidus à effectuer dans :
- le matériel récolté;
- le sol.
Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du 14 mars 1995.
Le Ministre des Petites et des Moyennes Entreprises et de l'Agriculture,
A. BOURGEOIS