Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
23 MAART 1995. - Koninklijk besluit houdende toekenning van een vergoeding aan de militairen die deelnemen aan de evacuatieoperatie van de Belgische staatsburgers uit Rwanda.
Titre
23 MARS 1995. - Arrêté royal attribuant une indemnité aux militaires participant à l'opération d'évacuation des ressortissants belges au Rwanda.
Documentinformatie
Info du document
Tekst (6)
Texte (6)
Artikel 1. Een dagvergoeding wordt toegekend aan de militairen die deelnemen aan de evacuatieoperatie van de Belgische staatsburgers op het grondgebied van Rwanda (operatie "SILVER BACK").
  Die vergoeding wordt vastgesteld als volgt :
Article 1. Une indemnité journalière est octroyée aux militaires participant à l'opération d'évacuation des ressortissants belges sur le territoire rwandais (opération "SILVER BACK").
  Cette indemnité est fixée comme suit :
    Officieren en adjudanten kandidaat officieren        3 250 frank
    Onderofficieren                                      2 650 frank
    Andere militaire leden                               2 150 frank.
  Officiers et adjudants candidats-officiers 3 250 francs
  Sous-officiers 2 650 francs
  Autres membres militaires 2 150 francs.!
  Deze vergoeding wordt toegekend vanaf de dag van aankomst op het Rwandees grondgebied tot het einde van de operatie SILVER BACK op Rwandees grondgebied.
  De vergoeding is gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der ministeries. Ze is gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
  Cette indemnité est due à partir du jour d'arrivée sur le territoire rwandais jusque la fin de l'opération SILVER BACK sur le territoire rwandais.
  L'indemnité est liée au régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des ministères. Elle est rattachée à l'indice-pivot 138,01.
Art. 2. § 1. De in artikel 1 bepaalde vergoeding dekt de bijkomende kosten veroorzaakt door de gelopen uitzonderlijke risico's, de bijzonder moeilijke werkomstandigheden en de onvoorziene verwijdering van de familie.
  § 2. Voor de duur van de opdracht worden alle andere specifieke regelingen inzake toelagen en vergoedingen toepasselijk op de militairen van de land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst opgeschort ten aanzien van de deelnemers, met uitzondering van de toelagen, vergoedingen en premies waarvan sprake in :
  1° de artikelen 183, 184 en 185 van het besluit van de Regent van 25 januari 1950 betreffende het stelsel der vergoedingen voor onkosten aan kleding en uitrusting van de militairen van het landleger, de luchtmacht, de zeemacht en de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 mei 1965, 1 maart 1977 en 15 maart 1988;
  2° het hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland. In afwijking van artikel 8, § 2, 3e alinea, wordt de vergoeding voor vaste dienst ten belope van de helft behouden, zelfs indien de duur van de deelneming aan de operatie 3 maanden overschrijdt, voor zover de militair ten zetel van de instelling geen kosteloze huisvesting geniet;
  3° het koninklijk besluit van 16 december 1969 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van sommige militairen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 december 1973, 8 april 1974, 15 maart 1988 en 21 maart 1991;
  4° het koninklijk besluit van 22 december 1970 betreffende de toekenning van een toelage aan de officieren-geneesheren, -veeartsen, -apothekers en -tandartsen in dienst in het buitenland, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 maart 1977;
  5° tabel 1 als bijlage aan het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het Departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijk of ongezonde aard;
  6° tabel 2 als bijlage aan het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het Departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijk of ongezonde aard.
  7° het koninklijk besluit van 29 januari 1974 tot vaststelling van het stelsel der toelagen en premies verschuldigd aan de militairen die deelnemen aan de luchtdienst van de krijgsmachtdelen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 oktober 1975, 1 maart 1977, 15 maart 1988 en 19 november 1990;
  8° het koninklijk besluit van 27 mei 1975 betreffende de tegemoetkoming van de Staat in sommige begrafeniskosten van militairen die in werkelijke dienst overleden zijn;
  9° artikel 5 van het koninklijk besluit van 1 maart 1977 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel, toepasselijk op de militairen en de met militairen gelijkgestelde personen die bij de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland in dienst zijn of daarbij op dienstreis zijn. Daarenboven blijft de in het bovenvermelde artikel 5 beoogde vergoeding in haar geheel toegekend aan de militairen waarvan het gezin in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigd is.
  10° artikel 11 van het koninklijk besluit van 1 maart 1977 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen en de met militairen gelijkgestelde personen die bij de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland in dienst zijn of daarbij op dienstreis zijn;
  11° artikel 17, § 1 en artikel 24 van het koninklijk besluit van 23 november 1982 houdende bezoldigingsregeling van de militairen;
Art. 2. § 1er. L'indemnité fixée à l'article 1er couvre les frais supplémentaires causés par les risques exceptionnels encourus, les conditions de travail particulièrement difficiles, la séparation inopinée de la famille.
  § 2. Pour la durée de la mission, toute autre réglementation spécifique afférente aux allocations et indemnités applicable aux militaires des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical est suspendue à l'égard des participants, à l'exclusion des allocations, indemnités et primes dont question :
  1° aux articles 183, 184 et 185 de l'arrêté du Régent du 25 janvier 1950 relatif au régime d'indemnisation pour frais de tenue et d'équipement des militaires de l'armée de terre, de la force aérienne et de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 18 mai 1965, 1er mars 1977 et 15 mars 1988 ;
  2° au chapitre II de l'arrêté royal du 15 janvier 1962 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires accomplissant des déplacements de service à l'extérieur du Royaume. Par dérogation à l'article 8, § 2, 3e alinéa, l'indemnité de service permanent est maintenue à concurrence de la moitié même lorsque la durée de participation à l'opération excède 3 mois, pour autant que le militaire ne bénéficie pas au Siège de l'organisme du logement gratuit ;
  3° dans l'arrêté royal du 18 décembre 1969 réglant l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires en cas de décès de certains militaires, modifié par les arrêtés royaux des 13 décembre 1973, 8 avril 1974, 15 mars 1988 et 21 mars 1991 ;
  4° dans l'arrêté royal du 22 décembre 1970 relatif à l'octroi d'une allocation aux officiers médecins, vétérinaires, pharmaciens et dentistes en service à l'étranger, modifié par l'arrêté royal du 1er mars 1977 ;
  5° au tableau 1 annexé à l'arrêté royal du 21 janvier 1971 relatif à l'octroi d'allocations aux membres des forces armées, ainsi qu'à certains membres civils du Département de la Défense nationale, pour certains travaux ou prestations qui revêtent un caractère spécialement dangereux ou insalubre ;
  6° au tableau 2 annexé à l'arrêté royal du 21 janvier 1971 relatif à l'octroi d'allocations aux membres des forces armées, ainsi qu'à certains membres civils du Département de la Défense nationale, pour certains travaux ou prestations qui revêtent un caractère spécialement dangereux ou insalubre ;
  7° dans l'arrêté royal du 29 janvier 1974 fixant le régime des allocations et primes dues aux militaires participant au service aérien d'une des forces armées, modifié par les arrêtés royaux des 15 octobre 1975, 1er mars 1977, 15 mars 1988 et 19 novembre 1990 ;
  8° dans l'arrêté royal du 27 mai 1975 relatif à l'intervention de l'Etat dans certains frais funéraires de militaires décédés en activité ;
  9° à l'article 5 de l'arrêté royal du 1er mars 1977 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires et aux personnes assimilées aux militaires en service aux forces belges en République Fédérale d'Allemagne ou accomplissant des déplacements de service auprès de ces forces. En outre, l'indemnité visée à l'article 5 susmentionné continue a être due dans son entièreté aux militaires dont la famille est installée en République Fédérale d'Allemagne ;
  10° à l'article 11 de l'arrêté royal du 1er mars 1977 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires et aux personnes assimilées aux militaires en service aux forces belges en République Fédérale d'Allemagne ou accomplissant des déplacements de service auprès de ces forces ;
  11° à l'article 17, § 1er et à l'article 24 de l'arrêté royal du 23 novembre 1982 portant le statut pécuniaire des militaires.
Art.2. § 1. De in artikel 1 bepaalde vergoeding dekt de bijkomende kosten veroorzaakt door de gelopen uitzonderlijke risico's, de bijzonder moeilijke werkomstandigheden en de onvoorziene verwijdering van de familie.
  § 2. Voor de duur van de opdracht worden alle andere specifieke regelingen inzake toelagen en vergoedingen toepasselijk op de militairen van de land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst opgeschort ten aanzien van de deelnemers, met uitzondering van de toelagen, vergoedingen en premies waarvan sprake in :
  1° de artikelen 183, 184 en 185 van het besluit van de Regent van 25 januari 1950 betreffende het stelsel der vergoedingen voor onkosten aan kleding en uitrusting van de militairen van het landleger, de luchtmacht, de zeemacht en de rijkswacht, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 mei 1965, 1 maart 1977 en 15 maart 1988;
  2° het hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland. In afwijking van artikel 8, § 2, 3e alinea, wordt de vergoeding voor vaste dienst ten belope van de helft behouden, zelfs indien de duur van de deelneming aan de operatie 3 maanden overschrijdt, voor zover de militair ten zetel van de instelling geen kosteloze huisvesting geniet;
  3° het koninklijk besluit van 16 december 1969 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van sommige militairen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 december 1973, 8 april 1974, 15 maart 1988 en 21 maart 1991;
  4° het koninklijk besluit van 22 december 1970 betreffende de toekenning van een toelage aan de officieren-geneesheren, -veeartsen, -apothekers en -tandartsen in dienst in het buitenland, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 maart 1977;
  5° tabel 1 als bijlage aan het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het Departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijk of ongezonde aard;
  6° tabel 2 als bijlage aan het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het Departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijk of ongezonde aard.
  7° het koninklijk besluit van 29 januari 1974 tot vaststelling van het stelsel der toelagen en premies verschuldigd aan de militairen die deelnemen aan de luchtdienst van de krijgsmachtdelen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 oktober 1975, 1 maart 1977, 15 maart 1988 en 19 november 1990;
  8° het koninklijk besluit van 27 mei 1975 betreffende de tegemoetkoming van de Staat in sommige begrafeniskosten van militairen die in werkelijke dienst overleden zijn;
  9° artikel 5 van het koninklijk besluit van 1 maart 1977 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel, toepasselijk op de militairen en de met militairen gelijkgestelde personen die bij de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland in dienst zijn of daarbij op dienstreis zijn. Daarenboven blijft de in het bovenvermelde artikel 5 beoogde vergoeding in haar geheel toegekend aan de militairen waarvan het gezin in de Bondsrepubliek Duitsland gevestigd is.
  10° artikel 11 van het koninklijk besluit van 1 maart 1977 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen en de met militairen gelijkgestelde personen die bij de Belgische strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland in dienst zijn of daarbij op dienstreis zijn;
  11° artikel 17, § 1 en artikel 24 van het koninklijk besluit van 23 november 1982 houdende bezoldigingsregeling van de militairen;
Art.2. § 1er. L'indemnité fixée à l'article 1er couvre les frais supplémentaires causés par les risques exceptionnels encourus, les conditions de travail particulièrement difficiles, la séparation inopinée de la famille.
  § 2. Pour la durée de la mission, toute autre réglementation spécifique afférente aux allocations et indemnités applicable aux militaires des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical est suspendue à l'égard des participants, à l'exclusion des allocations, indemnités et primes dont question :
  1° aux articles 183, 184 et 185 de l'arrêté du Régent du 25 janvier 1950 relatif au régime d'indemnisation pour frais de tenue et d'équipement des militaires de l'armée de terre, de la force aérienne et de la gendarmerie, modifié par les arrêtés royaux des 18 mai 1965, 1er mars 1977 et 15 mars 1988 ;
  2° au chapitre II de l'arrêté royal du 15 janvier 1962 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires accomplissant des déplacements de service à l'extérieur du Royaume. Par dérogation à l'article 8, § 2, 3e alinéa, l'indemnité de service permanent est maintenue à concurrence de la moitié même lorsque la durée de participation à l'opération excède 3 mois, pour autant que le militaire ne bénéficie pas au Siège de l'organisme du logement gratuit ;
  3° dans l'arrêté royal du 18 décembre 1969 réglant l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires en cas de décès de certains militaires, modifié par les arrêtés royaux des 13 décembre 1973, 8 avril 1974, 15 mars 1988 et 21 mars 1991 ;
  4° dans l'arrêté royal du 22 décembre 1970 relatif à l'octroi d'une allocation aux officiers médecins, vétérinaires, pharmaciens et dentistes en service à l'étranger, modifié par l'arrêté royal du 1er mars 1977 ;
  5° au tableau 1 annexé à l'arrêté royal du 21 janvier 1971 relatif à l'octroi d'allocations aux membres des forces armées, ainsi qu'à certains membres civils du Département de la Défense nationale, pour certains travaux ou prestations qui revêtent un caractère spécialement dangereux ou insalubre ;
  6° au tableau 2 annexé à l'arrêté royal du 21 janvier 1971 relatif à l'octroi d'allocations aux membres des forces armées, ainsi qu'à certains membres civils du Département de la Défense nationale, pour certains travaux ou prestations qui revêtent un caractère spécialement dangereux ou insalubre ;
  7° dans l'arrêté royal du 29 janvier 1974 fixant le régime des allocations et primes dues aux militaires participant au service aérien d'une des forces armées, modifié par les arrêtés royaux des 15 octobre 1975, 1er mars 1977, 15 mars 1988 et 19 novembre 1990 ;
  8° dans l'arrêté royal du 27 mai 1975 relatif à l'intervention de l'Etat dans certains frais funéraires de militaires décédés en activité ;
  9° à l'article 5 de l'arrêté royal du 1er mars 1977 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires et aux personnes assimilées aux militaires en service aux forces belges en République Fédérale d'Allemagne ou accomplissant des déplacements de service auprès de ces forces. En outre, l'indemnité visée à l'article 5 susmentionné continue a être due dans son entièreté aux militaires dont la famille est installée en République Fédérale d'Allemagne ;
  10° à l'article 11 de l'arrêté royal du 1er mars 1977 fixant le régime d'indemnisation applicable aux militaires et aux personnes assimilées aux militaires en service aux forces belges en République Fédérale d'Allemagne ou accomplissant des déplacements de service auprès de ces forces ;
  11° à l'article 17, § 1er et à l'article 24 de l'arrêté royal du 23 novembre 1982 portant le statut pécuniaire des militaires.
Art.3. § 1. De in artikel 1 bepaalde vergoeding mag bij beslissing van de Minister van Landsverdediging toegekend worden aan de personen vreemd aan het leger die ten behoeve van de strijdkrachten aan de evacuatieoperatie van de Belgische staatsburgers uit RWANDA deelnemen.
  § 2. Deze personen genieten de vergoeding tegen het bedrag bepaald voor de militairen van hetzelfde niveau.
Art.3. § 1er. L'indemnité fixée à l'article 1er peut être octroyée sur décision du Ministre de la Défense nationale aux personnes étrangères à l'armée qui participent pour les besoins des forces armées à l'opération d'évacuation des ressortissants belges du RWANDA.
  § 2. Ces personnes bénéficient de l'indemnité au taux prévu pour les militaires de niveau égal.
Art.4. Op overlegging van een verantwoordingsstuk en een gunstig advies van de Inspecteur van Financiën mag de Minister van Landsverdediging de terugbetaling van buitengewone onkosten toestaan.
Art.4. Sur production d'un mémoire justificatif et après avis favorable de l'Inspecteur des Finances, le Ministre de la Défense nationale peut autoriser le remboursement des frais exceptionnels.
Art. 6. Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 23 maart 1995.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Landsverdediging,
  K. PINXTEN
  De Minister van Begroting,
  H. VAN ROMPUY
Art. 6. Notre Ministre de la Défense nationale est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Bruxelles, le 23 mars 1995.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre de la Défense nationale,
  K. PINXTEN
  Le Ministre du Budget,
  H. VAN ROMPUY