Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
3 MAART 1992. - Omzendbrief nr. 349bis. - Toestand van het contractueel personeel in de besturen en andere diensten van de ministeries en in sommige instellingen van openbaar nut.
Titre
3 MARS 1992. - Circulaire n° 349bis. - Situation du personnel contractuel dans les administrations et les autres services des ministères ainsi que dans certains organismes d'intérêt public.
Documentinformatie
Tekst (1)
Texte (1)
Artikel M. Betreft : Toestand van het contractueel personeel in de besturen en andere diensten van de ministeries en in sommige instellingen van openbaar nut.
  1. Deel II, 5, van omzendbrief nr. 349 van 28 oktober 1991 (Belgisch Staatsblad van 22 november 1991) wordt vervangen door de volgende tekst :
  " 5. Sociale zekerheidsbijdragen :
  Het bedrag van de sociale zekerheidsbijdragen voor een personeelslid dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen door een Rijksbestuur, is als volgt bepaald :
Article M. Objet : Situation du personnel contractuel dans les administrations et les autres services des ministères ainsi que dans certains organismes d'intérêt public.
  1. La partie II, 5, de la circulaire n° 349 du 28 octobre 1991 (Moniteur belge du 22 novembre 1991) est remplacée par le 1, texte suivant :
  " 5. Cotisations de sécurité sociale :
  Le montant des cotisations de sécurité sociale dues pour un membre du personnel engagé dans les liens d'un contrat de travail par une administration de l'Etat est fixé comme suit :
  a) werknemer :        - werkloosheid :                    0,87 %
                        - gezondheidszorg :                 2,55 %
                        - uitkeringen :                     1,15 %
                        - pensioenen :                      7,50 %
  TOTAAL :                                                 12,07 %
  b) werkgever :        - werkloosheid :                    1,35 %
                        - gezondheidszorg :                 3,80 %
                        - uitkeringen :                     2,32 %
                        - pensioenen :                      8,86 %
  TOTAAL :                                                 16,33 %
  a) travailleur :      - chomage :                         0,87 %
                        - soins de sante :                  2,55 %
                        - indemnites :                      1,15 %
                        - pensions :                        7,50 %
  TOTAL :                                                   12,07 %
  b) employeur :        - chomage :                         1,35 %
                        - soins de sante :                  3,80 %
                        - indemnites :                      2,32 %
                        - pensions :                        8,86 %
  TOTAL :                                                  16,33 %
  Voor het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel van instellingen van openbaar nut, is daarbovenop verschuldigd :
  - het werkgeversaandeel in de regeling der kinderbijslagen (7 %), behalve wanneer deze instellingen krachtens hun statuten of bijzondere bepalingen verplicht zijn zelf kinderbijslagen aan hun personeelsleden te betalen;
  - het werkgeversaandeel in de regeling der arbeidsongevallen (0,30 %) en de beroepsziekten (1,10 %) voor wat betreft de instellingen van openbaar nut onderworpen aan de wetgeving arbeidsongevallen en beroepsziekten van de private sector (arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 en de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten gecoördineerd op 3 juni 1970);
  - de loonmatigingsbijdrage, die 6,99 % bedraagt voor de instellingen die wel kinderbijslagen, maar geen bijdrage voor de sectoren arbeidsongevallen en beroepsziekten verschuldigd zijn. Zij bedraagt 7,07 % voor de instellingen die zowel voor kinderbijslagen als voor arbeidsongevallen en beroepsziekten bijdrageplichtig zijn, en 6,60 % voor de instellingen die noch voor kinderbijslagen, noch voor arbeidsongevallen en beroepsziekten bijdrageplichtig zijn.
  Voor de gesubsidieerde contractuelen van zowel rijksbesturen als instellingen van openbaar nut zijn de werknemersbijdragen identiek aan deze van de contractuele werknemers.
  Voor gesubsidieerde contractuelen bij een rijksbestuur zijn geen werkgeversbijdragen verschuldigd. Voor gesubsidieerde contractuelen bij de instellingen van openbaar nut is de werkgever alleen de loonmatigingsbijdragen (5,67 %) verschuldigd.
  De hierboven vermelde bijdragepercentages zijn van toepassing voor het vierde kwartaal 1991 en het eerste kwartaal 1992.
  De personeelsdiensten worden op de hoogte gebracht van de wijzigingen aan de bijdragepercentages door berichten die hun worden medegedeeld door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
  2. Ik vestig uw aandacht op de artikelen 152 en volgende van de programmawet van 22 december 1989 betreffende de deeltijdse arbeid.
  Meer bepaald kennen de artikelen 152 tot 156 voorrang aan de deeltijdse werknemers toe voor het verkrijgen van een vacante betrekking bij hun werkgever. Deze artikelen 152 tot 156 zijn toepasselijk " op de werknemers die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst gesloten voor deeltijdse arbeid alsmede op de werkgevers die hen tewerkstellen ", onder voorbehoud evenwel van uitsluitingen die bij koninklijk besluit zijn vastgelegd.
  Deze bepalingen slaan onbetwistbaar ook op de werknemers die, bij overeenkomst, deeltijds in de overheidssector zijn in dienst genomen.
  De deeltijdse werknemer kan bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van een voltijdse dienstbetrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse dienstbetrekking waardoor hij een nieuwe deeltijdse arbeidsregeling verkrijgt, waarvan de wekelijkse arbeidsduur hoger is dan die van de deeltijdse arbeidsregeling waarin hij reeds werkt. De werkgever moet aan de betrokkene schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking mededelen die dezelfde functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent en waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit. De deeltijdse werknemer moet een door de werkgever vacant verklaarde voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking bij voorrang verkrijgen; een koninklijk besluit kan evenwel de gevallen bepalen waarin de prioriteit niet speelt, op grond van de onverenigbaarheid van de vacante betrekking met de door de werknemer uitgeoefende deeltijdse betrekking.
  Ik vestig er uw aandacht op dat het er met deze programmawet niet om gaat de werknemer die het voordeel van deze bepalingen geniet voorrang toe te kennen om een permanente vacante betrekking in de personeelsformatie te bekleden : de voorrang kan slechts worden ingeroepen in verband met een betrekking waarin bij arbeidsovereenkomst kan worden voorzien op grond van de van kracht zijnde reglementering.
  3. Hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende sommige verloven toegestaan aan personeelsleden van de rijksbesturen en betreffende de afwezigheden wegens persoonlijke aangelegenheid (jaarlijks vakantieverlof en feestdagen) is toepasselijk op het bij overeenkomst in dienst genomen personeel.
  Volgens de bewoordingen van artikel 3, § 3, van genoemd besluit geeft elke periode van dienstactiviteit recht op jaarlijks vakantieverlof.
  Van bij het begin van de bevallingsrust valt de werkneemster met arbeidsovereenkomst onder de moederschapsverzekering : ze ontvangt dus geen enkele bezoldiging meer ten laste van de overheid die haar werkgever is. Daaruit volgt dat de periode van afwezigheid wegens bevallingsrust een vermindering van het jaarlijks vakantieverlof met zich brengt.
  Er wordt dan ook aangeraden in de arbeidsovereenkomst een clausule in te Lassen die als volgt zou kunnen luiden :
  " Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof worden de perioden van afwezigheid wegens verloven, bij artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 toegekend met het oog op de bescherming van het moederschap, beschouwd als periodes van actieve dienst. "
  De Minister,
  R. LANGENDRIES
  Viennent s'ajouter à ces cotisations pour le personnel engagé sous contrat de travail par les organismes d'intérêt public :
  - la quote-part patronale destinée au régime des allocations familiales (7 %) sauf lorsque ces organismes sont tenus, en vertu de leurs statuts ou de dispositions particulières, de payer eux-mêmes les allocations familiales à leur personnel;
  - la quote-part patronale destinée au régime des accidents du travail (0,30 %) et des maladies professionnelles (1,10 %) en ce qui concerne les organismes d'intérêt public soumis à la législation en matière d'accidents du travail et de maladies professionnelles du secteur privé (loi sur les accidents du travail du 10 avril 1971 et lois coordonnées le 3 juin 1970, relatives à la réparation des dommages résultant de maladies professionnelles);
  - la cotisation de modération salariale qui s'élève à 6,99 % pour les organismes qui sont tenus de cotiser au régime des allocations familiales sans être redevables de la cotisation destinée aux secteurs des accidents du travail et des maladies professionnelles. Elle est fixée à 7,07 % pour les organismes assujettis aussi bien au régime des allocations familiales qu'aux secteurs des accidents du travail et des maladies professionnelles et à 6,60 % pour les organismes qui ne sont redevables ni de la cotisation destinée au régime des allocations familiales, ni de celle destinée aux secteurs des accidents du travail et des maladies professionnelles.
  Pour les contractuels subventionnés des administrations de l'Etat et des organismes d'intérêt public, les cotisations personnelles sont les mêmes que celles dues par les travailleurs contractuels.
  Les cotisations patronales ne sont pas dues pour les contractuels subventionnés occupés par les administrations de l'Etat. Pour les contractuels subventionnés des organismes d'intérêt public, seule la cotisation de modération salariale est due (5,67 %).
  Les taux de cotisation cités ci-dessus sont applicables au cours du quatrième trimestre 1991 et du premier trimestre 1992.
  Les services du personnel seront informés des modifications des taux de cotisation par des avis que l'Office national de Sécurité sociale leur fera parvenir.
  2. J'attire votre attention sur les articles 152 et suivants de la loi-programme du 22 décembre 1989 concernant le travail à temps partiel.
  Les articles 152 à 156 reconnaissent plus précisément une priorité aux travailleurs à temps partiel pour l'obtention d'un emploi vacant chez leur employeur. Ces articles 152 à 156 sont applicables " aux travailleurs qui sont liés par un contrat de travail à temps partiel ainsi qu'aux employeurs qui les occupent ", sous réserve toutefois d'exclusions fixées par arrêté royal.
  Il est incontestable que ces dispositions visent également les travailleurs engagés, par contrat, à temps partiel dans le secteur public.
  Le travailleur à temps partiel peut introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel qui, presté seul ou à titre complémentaire, lui procure un régime de travail à temps partiel nouveau, dont la durée de travail hebdomadaire est supérieure à celle du régime de travail à temps partiel dans lequel il travaille déjà. L'employeur doit communiquer à l'intéressé par écrit chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction que celle que le travailleur exerce déjà et pour laquelle il possède les qualifications requises. Le travailleur à temps partiel doit se voir attribuer par priorité un emploi vacant à temps plein ou à temps partiel déclaré vacant par l'employeur; un arrêté royal peut toutefois déterminer les cas dans lesquels la priorité ne joue pas sur base de l'incompatibilité de l'emploi vacant avec l'emploi à temps partiel occupé par le travailleur.
  J'attire votre attention sur le fait qu'il ne s'agit pas, par cette loi-programme, de conférer au travailleur bénéficiaire de ces dispositions une priorité à occuper un emploi vacant permanent du cadre organique : la priorité ne peut être invoquée qu'à l'égard d'un emploi qui peut être pourvu par contrat de travail sur base de la réglementation en vigueur.
  3. Le chapitre II de l'arrêté royal du 1er juin 1964 relatif à certains congés accordés à des agents des administrations de l'Etat et aux absences pour convenance personnelle (congés annuels de vacances et jours fériés) est applicable au personnel engagé par contrat.
  Aux termes de l'article 3, § 3, dudit arrêté, toute période d'activité de service donne droit au congé annuel de vacances.
  Dès le début du repos de maternité, la travailleuse sous contrat de travail est assujettie à l'assurance maternité : elle ne perçoit donc plus aucune rémunération à charge du pouvoir public qui est son employeur. Il s'ensuit que la période d'absence due au repos de maternité entraîne une réduction du congé annuel de vacances.
  Il est dès lors conseillé d'insérer dans le contrat de travail une clause qui pourrait être rédigée comme suit :
  " Pour le calcul de la durée du congé annuel de vacances, les périodes d'absence causée par des congés accordés en vue de la protection de la maternité par l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971 sont considérées comme des périodes d'activité de service. "
  Le Ministre,
  R. LANGENDRIES