Artikel 1. In afwijking van de bepalingen van artikel 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, van de bepalingen van artikel 32, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de zelfstandigen wordt verruimd, en van de bepalingen van artikel 73, eerste lid, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van zelfstandigen, worden de Rijkstoelagen in de regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering voor het dienstjaar 1992 als volgt vastgesteld :
- Algemene regeling (in miljoenen franken) :
- geneeskundige verzorging 118 947;
- uitkeringen 16 050;
- Regeling der zelfstandigen (in miljoenen franken) :
- geneeskundige verzorging 7 592;
- uitkeringen 2 317.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 JUNI 1992. - Wet houdende sociale en diverse bepalingen. - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-01-1993 en tekstbijwerking tot 13-06-2024)
Titre
26 JUIN 1992. - Loi portant des dispositions sociales et diverses. - (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-01-1993 et mise à jour au 13-06-2024)
Documentinformatie
Numac: 1992021199
Datum: 1992-06-26
Info du document
Numac: 1992021199
Date: 1992-06-26
Inhoud
TITEL I. - SOCIALE ZAKEN EN VOLKSGEZONDHEID.
HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.
HOOFDSTUK II. - Bepalingen inzake sociale-zeker...
HOOFDSTUK III. - Bepalingen betreffende de wet ...
HOOFDSTUK IV. - Algemene bepalingen betreffende...
Afdeling 1. - Bepalingen betreffende de budgett...
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de ambulan...
Afdeling 3. - Bepalingen betreffende de wijzigi...
Afdeling 4. - Bepalingen betreffende de verruim...
Afdeling 5. - Bepalingen betreffende de verzeke...
HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen inzake de ...
Afdeling 1. - Bepalingen inzake farmaceutische ...
Afdeling 2. - Bepaling betreffende de terugvord...
Afdeling 3. - Bepaling betreffende de erkenning...
Afdeling 4. - Financiering.
HOOFDSTUK VI. - Bepaling inzake de terugbetalin...
HOOFDSTUK VII. - Bepalingen tot wijziging van h...
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen aan de ziekenhuis...
HOOFDSTUK IX. - Diverse bepalingen.
Afdeling 1. - Ziekenfondsen en Landsbonden van ...
Afdeling 2. - Gezinsbijslagen.
Afdeling 3. - Controlecommissie van medische ov...
Afdeling 4. - Kruispuntbank van de sociale zeke...
TITEL II. - PENSIOENEN.
HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.
Afdeling 1. - Rijkstoelage aan de pensioenregel...
Afdeling 2. - Rijkstoelage aan de pensioenregel...
HOOFDSTUK II. - Maatregelen betreffende de pens...
Afdeling 1. - Wijziging van het koninklijk besl...
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 28 mei 1...
Afdeling 3. - Bijzondere bijdrage.
Afdeling 4. - Herwaardering van de onroerende g...
Afdeling 5. - Opheffing van het afzonderlijk be...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk b...
TITEL III. - MIDDENSTAND EN SOCIAAL STATUUT DER...
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen aan het koninklijk b...
HOOFDSTUK II. - Wijziging aan de wet van 29 maa...
HOOFDSTUK III. - Invoering van een eenmalige bi...
HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen.
TITEL IV. - TEWERKSTELLING EN ARBEID.
HOOFDSTUK I. - Tijdelijke werkloosheid.
Afdeling 1. - Eénmalige werkgeversbijdrage.
Afdeling 2. - Opdracht van het Fonds tot vergoe...
Afdeling 3. - Wijzigingen van de artikelen 49, ...
Afdeling 4. - Wijziging van de besluitwet van 2...
Afdeling 5. - Slotbepaling.
HOOFDSTUK II. - Invoering van een hoofdelijke w...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wetten betref...
HOOFDSTUK IV. - Bestrijding van de sociale fraude.
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 8 april ...
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 12 april...
Afdeling 3. - Wijziging van het koninklijk besl...
Afdeling 4. - Bepalingen betreffende de aan de ...
TITEL V. - MAATREGELEN BETREFFENDE DE PENSIOENE...
TITEL V. TOEKOMSTIG_RECHT. - MAATREGELEN BETREF...
HOOFDSTUK I. - Uitvoering van het akkoord van s...
Afdeling 1. - Toepassingsgebied.
Afdeling 2. - Definities.
Afdeling 3. - Minimumbedragen van de rustpensio...
Afdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT. - Minimumbedragen...
Onderafdeling 1. - Rustpensioenen wegens leefti...
Onderafdeling 2. - Rustpensioenen wegens licham...
Onderafdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT.1 - Tijdelijk...
Afdeling 4. - Minimumbedragen van de overleving...
Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Afdeling 6. - Supplement toegekend in geval van...
Afdeling 7. - Harmoniseringsmaatregelen.
Afdeling 8. - Overgangsbepalingen.
Afdeling 9. - Slotbepalingen.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van artikel 159 van d...
HOOFDSTUK III. - Afschaffing van het cumulatiev...
TITEL VI. - DIVERSE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - Landsverdediging.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 29 maa...
HOOFDSTUK III. - Regie van telegrafie en telefo...
HOOFDSTUK IV. - Binnenlandse Zaken.
Afdeling 1. - Maatregelen met betrekking tot de...
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 21 janua...
Afdeling 3. - Financiële ondersteuning voor de ...
HOOFDSTUK V. - Justitie.
Afdeling 1. - Strafrechterlijke geldboeten.
Afdeling 2. - Wijziging van artikel 982 van het...
Afdeling 3. - Statuut van de bedienaars van de ...
Inhoud
TITRE I. - AFFAIRES SOCIALES ET SANTE PUBLIQUE.
CHAPITRE I. - Mesures budgétaires.
CHAPITRE II. - Dispositions relatives aux cotis...
CHAPITRE III. - Dispositions relatives à la lég...
CHAPITRE IV. - Dispositions générales relatives...
Section 1. - Dispositions relatives aux budgets...
Section 2. - Dispositions relatives à la biolog...
Section 3. - Dispositions relatives aux modific...
Section 4. - Dispositions relatives à l'élargis...
Section 5. - Dispositions relatives à l'interve...
CHAPITRE V. - Dispositions particulières relati...
Section 1. - Dispositions relatives aux produit...
Section 2. - Dispositions relatives aux récupér...
Section 3. - Dispositions relatives aux conditi...
Section 4. - Financement.
CHAPITRE VI. - Disposition concernant le rembou...
CHAPITRE VII. - Dispositions modifiant l'arrêté...
CHAPITRE VIII. - Modification de la loi sur les...
CHAPITRE IX. - Dispositions diverses.
Section 1. - Mutualités et Unions nationales de...
Section 2. - Prestations familiales.
Section 3. - Commission de contrôle de surconso...
Section 4. - Banque-Carrefour de la Sécurité so...
TITRE II. - PENSIONS.
CHAPITRE I. - Mesures budgétaires.
Section 1. - Subvention de l'Etat au régime de ...
Section 2. - Subvention de l'Etat au régime de ...
CHAPITRE II. - Mesures concernant le régime des...
Section 1. - Modification de l'arrêté royal n° ...
Section 2. - Modification de la loi du 28 mai 1...
Section 3. - Cotisation spéciale.
Section 4. - Réévaluation des biens immobiliers...
Section 5. - Suppression de la gestion distinct...
CHAPITRE III. - Modification de l'arrêté royal ...
TITRE III. - CLASSES MOYENNES ET STATUT SOCIAL ...
CHAPITRE I. - Modifications à l'arrêté royal n°...
CHAPITRE II. - Modification à la loi du 29 mars...
CHAPITRE III. - Instauration d'une cotisation u...
CHAPITRE IV. - Dispositions diverses.
TITRE IV. - EMPLOI ET TRAVAIL.
CHAPITRE I. - Chômage temporaire.
Section 1. - Cotisation unique de l'employeur.
Section 2. - Mission du Fonds d'indemnisation d...
Section 3. - Modifications des articles 49, 50 ...
Section 4. - Modification de l'arrêté-loi du 28...
Section 5. - Disposition finale.
CHAPITRE II. - Instauration d'une cotisation ca...
CHAPITRE III. - Modifications des lois relative...
CHAPITRE IV. - Lutte contre la fraude sociale.
Section 1. - Modification de la loi du 8 avril ...
Section 2. - Modification de la loi du 12 avril...
Section 3. - Modification de l'arrêté royal n° ...
Section 4. - Dispositions concernant l'indemnit...
TITRE V. - MESURES CONCERNANT LES PENSIONS DU S...
TITRE V. DROIT_FUTUR. - MESURES CONCERNANT LES ...
CHAPITRE I. - Exécution de l'accord de programm...
Section 1. - Champ d'application.
Section 2. - Définitions.
Section 3. - Montants minimums des pensions de ...
Section 3. DROIT_FUTUR. - Montants minimums des...
Sous-Section 1. - Pensions de retraite pour rai...
Sous-Section 2. - Pensions de retraite pour cau...
Sous-Section 2. DROIT_FUTUR.1 - Allocations d'i...
Section 4. - Montants minimums des pensions de ...
Section 5. - Dispositions communes.
Section 6. - Supplément accordé en cas de handi...
Section 7. - Mesures d'harmonisation.
Section 8. - Dispositions transitoires.
Section 9. - Dispositions finales.
CHAPITRE II. - Modification de l'article 159 de...
CHAPITRE III. - Suppression de l'interdiction d...
TITRE VI. - DISPOSITIONS DIVERSES.
CHAPITRE I. - Défense nationale.
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 29 mar...
CHAPITRE III. - Régie des télégraphes et téléph...
CHAPITRE IV. - Intérieur.
Section 1. - Mesures relatives aux charges fina...
Section 2.
Section 3. - Support financier de l'action de l...
CHAPITRE V. - Justice.
Section 1. - Amendes pénales.
Section 2. - Modification de l'article 982 du C...
Section 3. - Statut des ministres des cultes.
Tekst (265)
Texte (265)
TITEL I. - SOCIALE ZAKEN EN VOLKSGEZONDHEID.
TITRE I. - AFFAIRES SOCIALES ET SANTE PUBLIQUE.
HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.
CHAPITRE I. - Mesures budgétaires.
Article 1. Par dérogation aux dispositions de l'article 26 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, aux dispositions de l'article 32, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité est étendue aux travailleurs indépendants, et aux dispositions de l'article 73, alinéa 1er, 3° et 4°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurance contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants, les subventions de l'Etat dans le régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité pour l'exercice 1992 sont fixées comme suit :
- Régime général (en millions de francs) :
- soins de santé 118 947;
- indemnités 16 050;
- Régime des indépendants (en millions de francs) :
- soins de santé 7 592;
- indemnités 2 317.
- Régime général (en millions de francs) :
- soins de santé 118 947;
- indemnités 16 050;
- Régime des indépendants (en millions de francs) :
- soins de santé 7 592;
- indemnités 2 317.
Art.2. § 1. Een bedrag van 9 250 miljoen frank wordt afgenomen van de opbrengst van de sociale zekerheidsbijdragen die voor het jaar 1992 worden toegekend aan de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers.
Dit bedrag wordt toegewezen ten belope van 8 600 miljoen frank aan de Rijksdienst voor pensioenen en ten belope van 650 miljoen frank aan de algemene regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.
§ 2. De Minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoeld bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.
Dit bedrag wordt toegewezen ten belope van 8 600 miljoen frank aan de Rijksdienst voor pensioenen en ten belope van 650 miljoen frank aan de algemene regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.
§ 2. De Minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoeld bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.
Art.2. § 1. Un montant de 9 250 millions de francs est prélevé du produit des cotisations de sécurité sociale attribuées pour l'année 1992 à l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés.
Ce montant est affecté à concurrence de 8 600 millions de francs à l'Office national des pensions et à concurrence de 650 millions de francs au régime général d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur indemnités.
§ 2. Le ministre des Affaires sociales est autorisé à transférer le montant visé au § 1er par tranches selon les besoins de trésorerie et dans les limites des disponibilités des organismes de sécurité sociale concernés.
Ce montant est affecté à concurrence de 8 600 millions de francs à l'Office national des pensions et à concurrence de 650 millions de francs au régime général d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur indemnités.
§ 2. Le ministre des Affaires sociales est autorisé à transférer le montant visé au § 1er par tranches selon les besoins de trésorerie et dans les limites des disponibilités des organismes de sécurité sociale concernés.
Art.3. § 1. Een bedrag van 1 650 miljoen frank wordt afgenomen van de opbrengst van de sociale-zekerheidsbijdragen die voor het jaar 1992 worden toegekend aan het Fonds voor arbeidsongevallen.
Dit bedrag wordt toegewezen aan de algemene regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, teneinde het nadelig saldo over het jaar 1992 van deze sector gedeeltelijk te dekken.
§ 2. De Minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoeld bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.
Dit bedrag wordt toegewezen aan de algemene regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, teneinde het nadelig saldo over het jaar 1992 van deze sector gedeeltelijk te dekken.
§ 2. De Minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoeld bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.
Art.3. § 1. Un montant de 1 650 millions de francs est prélevé du produit des cotisations de sécurité sociale attribuées pour l'année 1992 au Fonds des accidents du travail.
Ce montant est affecté au régime général d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur indemnités, pour couvrir en partie le mali de 1992 dans ce secteur.
§ 2. Le ministre des Affaires sociales est autorisé à transférer le montant visé au § 1er par tranches selon les besoins de trésorerie et dans les limites des disponibilités des organismes de sécurité sociale concernés.
Ce montant est affecté au régime général d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur indemnités, pour couvrir en partie le mali de 1992 dans ce secteur.
§ 2. Le ministre des Affaires sociales est autorisé à transférer le montant visé au § 1er par tranches selon les besoins de trésorerie et dans les limites des disponibilités des organismes de sécurité sociale concernés.
Art.4. § 1. Een bedrag van 2 750 miljoen frank wordt afgenomen van de opbrengst van de sociale-zekerheidsbijdragen die voor het jaar 1992 worden toegekend aan het Fonds voor beroepsziekten.
Dit bedrag wordt toegewezen aan de algemene regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, teneinde het nadelig saldo over het jaar 1992 van deze sector gedeeltelijk te dekken.
§ 2. De Minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoelde bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.
Dit bedrag wordt toegewezen aan de algemene regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, teneinde het nadelig saldo over het jaar 1992 van deze sector gedeeltelijk te dekken.
§ 2. De Minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoelde bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.
Art.4. § 1. Un montant de 2 750 millions de francs est prélevé du produit des cotisations de sécurité sociale attribuées pour l'année 1992 au Fonds des maladies professionnelles.
Ce montant est affecté au régime général d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur indemnités, pour couvrir en partie le mali de 1992 dans ce secteur.
§ 2. Le ministre des Affaires sociales est autorisé à transférer le montant visé au § 1er par tranches selon les besoins de trésorerie et dans les limites des disponibilités des organismes de sécurité sociale concernés.
Ce montant est affecté au régime général d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur indemnités, pour couvrir en partie le mali de 1992 dans ce secteur.
§ 2. Le ministre des Affaires sociales est autorisé à transférer le montant visé au § 1er par tranches selon les besoins de trésorerie et dans les limites des disponibilités des organismes de sécurité sociale concernés.
Art.5. <wijzigingsbepaling van art. 125,§1 van de W 1963-08-09/01>
Art.5.
Art.6. <wijzigingsbepaling van art. 36,§1 van de W 1981-06-29/02>
Art.6.
Art.7. <wijzigingsbepaling van art. 7,§2 van de W 1991-03-13/37>
Art.7.
Art.8. In afwijking van de bepalingen van artikel 121, eerste lid, 3° tot 8°, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, gewijzigd bij de wetten van 27 juni 1969, 9 juni 1970, 16 juli 1974 en 22 december 1977, van deze van artikel 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 528 van 31 maart 1987, van deze van artikel 32, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de zelfstandigen wordt verruimd, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 juni 1970 en 12 augustus 1985, van deze van artikel 73, eerste lid, 3° en 4°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1985, en van deze van artikel 83 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, worden de Rijkstoelagen voor de jaren 1969 tot 1988 vastgesteld op de bedragen ingeschreven in de begroting van het Ministerie van Sociale Voorzorg voor de voormelde jaren.
Art.8. Par dérogation aux dispositions de l'article 121, alinéa 1er, 3° à 8°, de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, modifié par les lois des 27 juin 1969, 9 juin 1970, 16 juillet 1974 et 22 décembre 1977, à celles de l'article 26 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié par l'arrêté royal n° 528 du 31 mars 1987, à celles de l'article 32, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 30 juillet 1964 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité est étendue aux travailleurs indépendants, modifié par les arrêtés royaux des 29 juin 1970 et 12 août 1985, à celles de l'article 73, alinéa 1er, 3° et 4°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurance contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants, modifié par l'arrêté royal du 12 août 1985, et à celles de l'article 83 de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, les subventions de l'Etat pour les années 1969 à 1988 sont fixées aux montants inscrits au budget du Ministère de la Prévoyance sociale pour les années précitées.
Art.9. In afwijking van de bepalingen van artikel 6 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de sociale zekerheid en de welvaartsvastheid in 1981, gewijzigd bij de wet van 22 januari 1985, wordt het saldo van de intrest van de gecumuleerde en nog niet gedelgde schuld van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, door deze instelling ten laste genomen.
Art.9. Par dérogation aux dispositions de l'article 6 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative à la sécurité sociale et au bien-être en 1981, modifié par la loi du 22 janvier 1985, le solde des intérêts de la dette cumulée et non encore amortie de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, est pris en charge par cet organisme.
Art.10. In afwijking van artikel 36 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985, 29 december 1990 en 20 juli 1991, is het in het voordeel van de Rijksdienst voor sociale zekerheid nog te regulariseren bedrag met betrekking tot het jaar 1990 en vorige jaren, ten belope van 1 435,3 miljoen frank, door het Rijk niet meer verschuldigd.
Art.10. Par dérogation à l'article 36 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié par les lois des 22 janvier 1985, 29 décembre 1990 et 20 juillet 1991, le montant restant à régulariser en faveur de l'Office national de sécurité sociale, se rapportant à l'année 1990 et aux années antérieures, à concurrence de 1 435,3 millions de francs, n'est plus dû par l'Etat.
HOOFDSTUK II. - Bepalingen inzake sociale-zekerheidsbijdragen van de werknemers.
CHAPITRE II. - Dispositions relatives aux cotisations de sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art.11. 1° <wijzigingsbepaling van art. 38,§2,4° van de W 1981-06-29/02>
2° <wijzigingsbepaling van art. 38,§3,2° van de W 1981-06-29/02>
2° <wijzigingsbepaling van art. 38,§3,2° van de W 1981-06-29/02>
Art.11. 1°
2°
2°
Art.12. 1° <wijzigingsbepaling van art. 2,§2,4° van de B 1945-01-10/01>
2° <wijzigingsbepaling van art. 2,§3,4° van de B 1945-01-10/01>
3° <wijzigingsbepaling van art. 2,§7,3° van de B 1945-01-10/01>
2° <wijzigingsbepaling van art. 2,§3,4° van de B 1945-01-10/01>
3° <wijzigingsbepaling van art. 2,§7,3° van de B 1945-01-10/01>
Art.12. 1°
2°
3°
2°
3°
Art.13. <wijzigingsbepaling van art. 3,§2,3° van de B 1945-02-07/01>
Art.13.
Art.14. 1°
2°
3°
2°
3°
Art.14. 1°
2°
3°
2°
3°
Art.15. <wijzigingsbepaling van art. 121,10°,L1 van de W 1963-08-09/01>
Art.15.
Art.16. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 juli 1992, met uitzondering van artikel 15 dat in werking treedt op de datum vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Art.16. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er juillet 1992, à l'exception de l'article 15 qui entre en vigueur à la date fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
HOOFDSTUK III. - Bepalingen betreffende de wet op de jaarlijkse vakantie.
CHAPITRE III. - Dispositions relatives à la législation sur les vacances annuelles.
Art.17. <W 1999-01-25/32, art. 59, 007; Inwerkingtreding : 16-02-1999> De personeelsleden van de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, andere dan de gesubsidieerde contractuele personeelsleden bedoeld in het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van de door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, die niet in vast verband benoemd zijn, worden onderworpen ofwel aan het stelsel van de jaarlijkse vakantie bedoeld in het koninklijk besluit van 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's lands algemeen bestuur ofwel aan het stelsel van de jaarlijkse vakantie bedoeld in titel III van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie der loonarbeiders. Het komt de gemeenteraad toe te bepalen welk stelsel van de jaarlijkse vakantie van toepassing is.
Art.17. <L 1999-01-25/32, art. 59, 007; En vigueur : 16-02-1999> Les agents des communes, des associations de communes et des établissements subordonnés aux communes, autres que les agents contractuels subventionnés visés à l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, qui ne sont pas pourvus d'une nomination à titre définitif, sont soumis soit au régime des vacances annuelles visé à l'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'Administration générale du Royaume, soit au régime des vacances annuelles visé au Titre III de l'arrêté royal du 30 mars 1967 déterminant les modalités générales d'exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés. Il appartient au Conseil communal de déterminer le régime des vacances annuelles applicable.
Art.18. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 januari 1993.
Art.18. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er janvier 1993.
HOOFDSTUK IV. - Algemene bepalingen betreffende ziekte- en invaliditeitsverzekering.
CHAPITRE IV. - Dispositions générales relatives à l'assurance maladie-invalidité.
Afdeling 1. - Bepalingen betreffende de budgetten en de begrotingsdoelstellingen.
Section 1. - Dispositions relatives aux budgets et objectifs budgétaires.
Art.19. <wijzigingsbepaling van art. 34bis,§1 t/m §3 van de W 1963-08-09/01>
Art.19.
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de ambulante klinische biologie.
Section 2. - Dispositions relatives à la biologie clinique ambulatoire.
Art.20. <Wijzigingsbepaling van art. 34undecies van de W 1963-08-09/01>
Art.20.
Art.21.
Art.21.
Art.22. § 1. De bepalingen van de §§ 1 tot 9 van artikel 34undecies bis, zoals ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zijn van toepassing voor de verstrekkingen voor klinische biologie, het globaal budget, de uitgaven voor klinische biologie en de gefactureerde uitgaven voor klinische biologie van 1 april 1989 tot en met 31 december 1990.
§ 2. De bepalingen van §§ 10 tot 17 van artikel 34undecies bis, zoals ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zijn van toepassing voor de verstrekkingen van klinische biologie, het globaal budget, de uitgaven voor klinische biologie, en de gefactureerde uitgaven voor klinische biologie vanaf 1 januari 1991.
§ 2. De bepalingen van §§ 10 tot 17 van artikel 34undecies bis, zoals ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, zijn van toepassing voor de verstrekkingen van klinische biologie, het globaal budget, de uitgaven voor klinische biologie, en de gefactureerde uitgaven voor klinische biologie vanaf 1 januari 1991.
Art.22. § 1. Les dispositions des §§ 1er à 9 de l'article 34undecies bis, comme introduit par l'article 21 de la loi du 26 juin 1992 contenant des dispositions sociales et diverses, sont d'application pour les prestations de biologie clinique, le budget global, les dépenses de biologie clinique et les dépenses facturées de biologie clinique du 1er avril 1989 jusques et y compris le 31 décembre 1990.
§ 2. Les dispositions des §§ 10 à 17 de l'article 34undecies bis, comme introduit par l'article 21 de la loi du 26 juin 1992 contenant des dispositions sociales et diverses, sont d'application pour les prestations de biologie clinique, le budget global, les dépenses pour la biologie clinique et les dépenses facturées de biologie clinique à partir du 1er janvier 1991.
§ 2. Les dispositions des §§ 10 à 17 de l'article 34undecies bis, comme introduit par l'article 21 de la loi du 26 juin 1992 contenant des dispositions sociales et diverses, sont d'application pour les prestations de biologie clinique, le budget global, les dépenses pour la biologie clinique et les dépenses facturées de biologie clinique à partir du 1er janvier 1991.
Afdeling 3. - Bepalingen betreffende de wijzigingen van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen.
Section 3. - Dispositions relatives aux modifications de la nomenclature des prestations de santé.
Art.23. <wijzigingsbepaling van art. 34duodecies van de W 1963-08-09/01>
Art.23.
Afdeling 4. - Bepalingen betreffende de verruiming van het systeem van globaal budget en van de forfaitaire betalingswijze tot alle geneeskundige verstrekkingen.
Section 4. - Dispositions relatives à l'élargissement du système de budget global et du mode de paiement forfaitaire à toutes les prestations de santé.
Art.24. <wijzigingsbepaling van afdeling 1undecies, bevattend artikel 34terdecies, van titel III van hoofdstuk IV van de W 1963-08-09/01>
Art.24.
Afdeling 5. - Bepalingen betreffende de verzekeringstegemoetkoming voor de geneeskundige verstrekkingen.
Section 5. - Dispositions relatives à l'intervention de l'assurance pour les prestations de santé.
Art.25. <wijzigingsbepaling van art. 25 van de W 1963-08-09/01>
Art.25.
HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen inzake de ziekte- en invaliditeitsverzekering.
CHAPITRE V. - Dispositions particulières relatives à l'assurance maladie-invalidité.
Afdeling 1. - Bepalingen inzake farmaceutische produkten.
Section 1. - Dispositions relatives aux produits pharmaceutiques.
Art.26. <wijzigingsbepaling van art. 121,18° van de W 1963-08-09/01>
Art.26.
Art.27. <wijzigingsbepaling van art. 25,§2bis van de W 1963-08-09/01>
Art.27.
Art.28. <wijzigingsbepaling van art. 98 van de W 1963-08-09/01>
Art.28.
Afdeling 2. - Bepaling betreffende de terugvorderingen door de verzekeringsinstellingen.
Section 2. - Dispositions relatives aux récupérations effectuées par les organismes assureurs.
Art.29. <wijzigingsbepaling van art. 125,§1bis van de W 1963-08-09/01>
Art.29.
Afdeling 3. - Bepaling betreffende de erkenningsvoorwaarden voor de paramedische medewerkers.
Section 3. - Dispositions relatives aux conditions d'agréation des auxiliaires paramédicaux.
Art.30. <wijzigingsbepaling van art. 153,§2 van de W 1963-08-09/01>
Art.30.
Afdeling 4. - Financiering.
Section 4. - Financement.
Art.31. <wijzigingsbepaling van art. 121,11°,L1 van de W 1963-08-09/01>
Art.31.
HOOFDSTUK VI. - Bepaling inzake de terugbetaling van een lening ten laste van de Staat.
CHAPITRE VI. - Disposition concernant le remboursement d'un emprunt à charge de l'Etat.
Art.32. <wijzigingsbepaling van art. 83 van de W 1985-08-01/31>
Art.32.
HOOFDSTUK VII. - Bepalingen tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies.
CHAPITRE VII. - Dispositions modifiant l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, des professions paramédicales et aux commissions médicales.
Art.33. <wijzigingsbepaling van art. 4,§3,1° van het KB78 1967-11-10/08>
Art.33.
Art.34. <wijzigingsbepaling van art. 53 van het KB78 1967-11-10/08>
Art.34.
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen aan de ziekenhuiswet.
CHAPITRE VIII. - Modification de la loi sur les hôpitaux.
Art.35. <wijzigingsbepaling van art. 94 van de W 1987-08-07/32>
Art.35.
Art.36. <wijzigingsbepaling van art. 140,§3 van de W 1987-08-07/32>
Art.36.
HOOFDSTUK IX. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions diverses.
Afdeling 1. - Ziekenfondsen en Landsbonden van Ziekenfondsen.
Section 1. - Mutualités et Unions nationales de mutualités.
Art.37. <wijzigingsbepaling van art. 12 van de W 1990-08-06/35>
Art.37.
Art.38. <wijzigingsbepaling van art. 74bis van de W 1990-08-06/35>
Art.38.
Art.39. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op 1 januari 1991.
Art.39. Les dispositions de la présente section entrent en vigueur le 1er janvier 1991.
Afdeling 2. - Gezinsbijslagen.
Section 2. - Prestations familiales.
Art.40. <wijzigingsbepaling van art. 101,L3,7° van de W 1939-12-19/01>
Art.40.
Art.41. <wijzigingsbepaling van art. 101,L3 van de W 1939-12-19/01>
Art.41.
Art.42. <wijzigingsbepaling van art. 111 van de W 1939-12-19/01>
Art.42.
Art.43. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op een datum die door de Koning zal bepaald worden, met uitzondering van artikel 40 dat in werking treedt op 1 april 1990.
Art.43. Les dispositions de la présente section entrent en vigueur à une date à fixer par le Roi, à l'exception de l'article 40 qui entre en vigueur le 1er avril 1990.
Afdeling 3. - Controlecommissie van medische overconsumptie.
Section 3. - Commission de contrôle de surconsommation médicale.
Art.44. <wijzigingsbepaling van art. 79,L1,17° van de W 1963-08-09/01>
Art.44.
Art.45. <wijzigingsbepaling van art. 79bis,§1,L2 van de W 1963-08-09/01>
Art.45.
Art.46. <wijzigingsbepaling van art. 79ter,§4 van de W 1963-08-09/01>
Art.46.
Art.47. <wijzigingsbepaling van art. 79quater,§1,L1 van de W 1963-08-09/01>
Art.47.
Art.48. <wijzigingsbepaling van art. 79quinquies,§2,L1 van de W 1963-08-09/01>
Art.48.
Art.49. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op 1 december 1990.
Art.49. Les dispositions de la présente section entrent en vigueur le 1er décembre 1990.
Afdeling 4. - Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
Section 4. - Banque-Carrefour de la Sécurité sociale.
Art.50. <wijzigingsbepaling van art. 85,L1 van de W 1990-01-15/31>
Art.50.
TITEL II. - PENSIOENEN.
TITRE II. - PENSIONS.
HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.
CHAPITRE I. - Mesures budgétaires.
Afdeling 1. - Rijkstoelage aan de pensioenregeling voor werknemers.
Section 1. - Subvention de l'Etat au régime de pension des travailleurs salariés.
Art.51. In afwijking van artikel 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, van de bepalingen van artikel 6, tweede en vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gewijzigd bij de wet van 2 juli 1976 tot wijziging van de wetten betreffende het rust- en overlevingspensioen voor arbeiders, bedienden en werknemers, en van de bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 95 van 28 september 1982 betreffende het brugrustpensioen voor werknemers, worden de bedragen van de Rijkstoelagen bestemd voor de pensioenregeling voor werknemers, voor 1992, vervangen door een enig en vast bedrag van 44 497 miljoen frank.
Voor het jaar 1992 omvat het in het eerste lid bedoelde vast bedrag het saldo van 17,2 miljoen frank aan Rijkstoelagen dat voor voorgaande jaren niet werd opgenomen.
Voor het jaar 1992 omvat het in het eerste lid bedoelde vast bedrag het saldo van 17,2 miljoen frank aan Rijkstoelagen dat voor voorgaande jaren niet werd opgenomen.
Art.51. Par dérogation à l'article 26 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, aux dispositions de l'article 6, alinéas 2 et 4, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, modifiées par la loi du 2 juillet 1976 modifiant les lois relatives à la pension de retraite et de survie des ouvriers, des employés et des travailleurs salariés et aux dispositions de l'article 8 de l'arrêté royal n° 95 du 28 septembre 1982 relatif à la prépension de retraite pour travailleurs salariés, les montants des subventions de l'Etat destinées au régime de pension des travailleurs salariés, sont remplacés, pour 1992, par un montant unique et fixe de 44 497 millions de francs.
Pour l'année 1992 le montant visé à l'alinéa premier comprend le solde de 17,2 millions de francs des subventions de l'Etat non relevées pour années antérieures.
Pour l'année 1992 le montant visé à l'alinéa premier comprend le solde de 17,2 millions de francs des subventions de l'Etat non relevées pour années antérieures.
Afdeling 2. - Rijkstoelage aan de pensioenregeling voor zelfstandigen.
Section 2. - Subvention de l'Etat au régime de pension des travailleurs indépendants.
Art.52. <wijzigingsbepaling van art. 42,2° van het KB72 1967-11-10/04>
Art.52.
Art.53. In afwijking van artikel 43 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, gewijzigd bij de wet van 6 februari 1976, wordt de Rijkstoelage bedoeld in artikel 42, 2°, van hetzelfde besluit, voor het jaar 1992 beperkt tot het bedrag van 22 156 miljoen frank.
Voor het jaar 1992 omvat het in het eerste lid bedoelde bedrag het saldo van 42,2 miljoen frank aan Rijkstoelagen dat voor voorafgaande jaren niet werd opgenomen.
Voor het jaar 1992 omvat het in het eerste lid bedoelde bedrag het saldo van 42,2 miljoen frank aan Rijkstoelagen dat voor voorafgaande jaren niet werd opgenomen.
Art.53. Par dérogation à l'article 43 de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, modifié par la loi du 6 février 1976, la subvention de l'Etat visée à l'article 42, 2°, du même arrêté est limitée, pour l'année 1992 au montant de 22 156 millions de francs.
Pour l'année 1992 le montant visé à l'alinéa 1er comprend le solde de 42,2 millions de francs des subventions de l'Etat non utilisées les années antérieures.
Pour l'année 1992 le montant visé à l'alinéa 1er comprend le solde de 42,2 millions de francs des subventions de l'Etat non utilisées les années antérieures.
HOOFDSTUK II. - Maatregelen betreffende de pensioenregeling voor werknemers.
CHAPITRE II. - Mesures concernant le régime des travailleurs salariés.
Afdeling 1. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
Section 1. - Modification de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.
Art.54. <wijzigingsbepaling van art. 39 van het KB50 1967-10-24/01>
Art.54.
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood.
Section 2. - Modification de la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré.
Art.55. <wijzigingsbepaling van art. 11 van de W 1971-05-28/02>
Art.55.
Art.56. 1° <wijzigingsbepaling van de artikelen 2, 7, 8, 10 en 12 van de W 1971-05-28/02>
2° <wijzigingsbepaling van art. 8,§1,3° van de W 1971-05-28/02>
2° <wijzigingsbepaling van art. 8,§1,3° van de W 1971-05-28/02>
Art.56. 1°
2°
2°
Afdeling 3. - Bijzondere bijdrage.
Section 3. - Cotisation spéciale.
Art.57. <wijzigingsbepaling van art. 38,§3ter,L1 van de W 1981-06-29/02>
Art.57.
Art.58. <wijzigingsbepaling van art. 2,§3ter van de B 1945-01-10/01>
Art.58.
Art.59. <wijzigingsbepaling van art. 3,§3ter van de B 1945-02-07/01>
Art.59.
Art.60. De bijzondere bijdrage, bedoeld in artikel 275 van de programmawet van 22 december 1989, wordt met ingang van 1 juli 1992 op 8,86 pct. gebracht.
Art.60. La cotisation spéciale, visée à l'article 275 de la loi-programme du 22 décembre 1989, est fixée à 8,86 p.c. à partir du 1er juillet 1992.
Art.61. De artikelen 57, 58 en 59 treden in werking op 1 juli 1992.
Art.61. Les articles 57, 58 et 59 entrent en vigueur le 1er juillet 1992.
Afdeling 4. - Herwaardering van de onroerende goederen van het bij de Rijksdienst voor pensioenen ingerichte kapitalisatiestelsel.
Section 4. - Réévaluation des biens immobiliers dans le régime de capitalisation de l'Office national des pensions.
Art.62. § 1. De meerwaarde voortvloeiend uit de herwaardering op 31 december 1991 van de onroerende goederen die zijn opgenomen ten titel van wiskundige reserves in het kapitalisatiestelsel, ingericht bij de Rijksdienst voor pensioenen krachtens de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1980, de herstelwet van 10 februari 1981, het koninklijk besluit nr. 415 van 16 juli 1986 en de programmawet van 30 december 1988, wordt aan het beheer van het repartitiestelsel bij voornoemde Rijksdienst overgedragen.
§ 2. De Koning bepaalt :
1° het bedrag van de in § 1 bedoelde meerwaarde;
2° de termijnen waarbinnen de in § 1 bedoelde overdracht geheel of gedeeltelijk dient te worden uitgevoerd.
§ 2. De Koning bepaalt :
1° het bedrag van de in § 1 bedoelde meerwaarde;
2° de termijnen waarbinnen de in § 1 bedoelde overdracht geheel of gedeeltelijk dient te worden uitgevoerd.
Art.62. § 1. Les plus-values découlant de la réévaluation, au 31 décembre 1991, des biens immobiliers pris en compte au titre de réserves mathématiques du régime de capitalisation, instauré au sein de l'Office national des pensions en vertu de la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré, modifiée par la loi du 8 août 1980, la loi de redressement du 10 février 1981, l'arrêté royal n° 415 du 16 juillet 1986 et la loi-programme du 30 décembre 1988, sont transférées à la gestion du régime de repartition de l'Office susvisé.
§ 2. Le Roi détermine :
1° le montant de la plus-value visée au § 1er;
2° les délais dans lesquels les transferts complets ou partiels visés au § 1er doivent être exécutés.
§ 2. Le Roi détermine :
1° le montant de la plus-value visée au § 1er;
2° les délais dans lesquels les transferts complets ou partiels visés au § 1er doivent être exécutés.
Art.63. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op 31 december 1991.
Art.63. Les dispositions de cette section entrent en vigueur le 31 décembre 1991.
Afdeling 5. - Opheffing van het afzonderlijk beheer, ingericht bij de Rijksdienst voor pensioenen, betreffende de van de Verzekeringsinstelling tegen invaliditeit te Malmedy en de Verzekeringsinstelling der private bedienden te Malmedy overgenomen bevoegdheden en taken.
Section 5. - Suppression de la gestion distincte, instaurée à l'Office national des pensions et relative à la reprise des attributions et des tâches de l'Institut d'assurance contre l'invalidité de Malmédy et de l'Institut d'assurance des employés privés de Malmédy.
Art.64. <wijzigingsbepaling van art. 37,L1 van het KB50 1967-10-24/01>
Art.64.
Art.65.
Art.65.
Art.66.
Art.66.
Art.67. De vordering van 12 604 frank in het raam van het Belgisch-Duits Verdrag van Aken van 9 juli 1920 enerzijds, en de schuld van 3 273 608 frank in het raam van de begrotingswetten van 3 december 1934 en 6 februari 1951 anderzijds, die sedert 31 december 1973 onveranderd deel uitmaken van respectievelijk de activa en de passiva van het bij deze wet beoogd beheer, vervallen respectievelijk ten laste en ten gunste van het beheer van de pensioenregeling voor werknemers.
Art.67. La créance de 12 604 francs dans le cadre du Traité belgo-allemand d'Aix-la-Chapelle du 9 juillet 1920, d'une part, et la dette de 3 273 608 francs dans le cadre des lois budgétaires des 3 décembre 1934 et 6 février 1951 d'autre part, qui, depuis le 31 décembre 1973, font invariablement partie de l'actif et du passif de la gestion visée par la présente loi, s'éteignent respectivement à charge et au bénéfice de la gestion du régime de pension des travailleurs salariés.
Art.68. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op 1 januari 1993.
Art.68. Les dispositions de la présente section entrent en vigueur le 1er janvier 1993.
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor zelfstandigen.
CHAPITRE III. - Modification de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.
Art.69. <wijzigingsbepaling van art. 30bis,L3 van het KB72 1967-11-10/04>
Art.69.
TITEL III. - MIDDENSTAND EN SOCIAAL STATUUT DER ZELFSTANDIGEN.
TITRE III. - CLASSES MOYENNES ET STATUT SOCIAL DES TRAVAILLEURS INDEPENDANTS.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
CHAPITRE I. - Modifications à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Art.70. <wijzigingsbepaling van art. 11 van het KB38 1967-07-27/01>
Art.70.
Art.71. <wijzigingsbepaling van art. 12 van het KB38 1967-07-27/01>
Art.71.
Art.72. <wijzigingsbepaling van art. 13,§1 van het KB38 1967-07-27/01>
Art.72.
Art.73. <wijzigingsbepaling van art. 14,§2 van het KB38 1967-07-27/01>
Art.73.
Art.74. De artikelen 70, 2° en 3°, 71, 72 en 73 van dit hoofdstuk treden in werking op 1 juli 1992.
Art.74. Les articles 70, 2° et 3°, 71, 72 et 73 du présent chapitre entrent en vigueur le 1er juillet 1992.
HOOFDSTUK II. - Wijziging aan de wet van 29 maart 1976 betreffende de gezinsbijslag voor zelfstandigen.
CHAPITRE II. - Modification à la loi du 29 mars 1976 relative aux prestations familiales des travailleurs indépendants.
Art.75. In afwijking van artikel 6, § 1, eerste lid, 2°, en tweede lid, van de wet van 29 maart 1976 betreffende de gezinsbijslag voor zelfstandigen, wordt de Rijkstoelage voor het begrotingsjaar 1992 vastgesteld op 4 983,1 miljoen frank.
Art.75. Par dérogation à l'article 6, § 1er, alinéa 1er, 2°, et alinéa 2, de la loi du 29 mars 1976 relative aux prestations familiales des travailleurs indépendants, la subvention de l'Etat pour l'année budgétaire 1992 est fixée à 4 983,1 millions de francs.
HOOFDSTUK III. - Invoering van een eenmalige bijdrage ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
CHAPITRE III. - Instauration d'une cotisation unique à charge des sociétés, destinée au statut social des travailleurs indépendants.
Art.76. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet worden verstaan onder :
1° vennootschap : de aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-verblijfhouders onderworpen vennootschappen;
2° sociaal statuut der zelfstandigen : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
1° vennootschap : de aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-verblijfhouders onderworpen vennootschappen;
2° sociaal statuut der zelfstandigen : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Art.76. Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par :
1° société : les sociétés assujetties à l'impôt belge des sociétés ou à l'impôt belge des non-résidents;
2° statut social des travailleurs indépendants : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
1° société : les sociétés assujetties à l'impôt belge des sociétés ou à l'impôt belge des non-résidents;
2° statut social des travailleurs indépendants : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Art.77. § 1. De vennootschappen zijn ertoe gehouden binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk of ten laatste drie maanden na hun oprichting, of binnen drie maanden na het feit dat hen onderwerpt aan de belasting der niet-verblijfhouders, aan te sluiten bij een vrije sociale verzekeringskas, opgericht in uitvoering van artikel 20, § 1, van het (in artikel 76, 2°), bedoeld koninklijk besluit nr. 38 of bij de Nationale Hulpkas bedoeld in artikel 20, § 3, van hetzelfde besluit. <W 1993-08-06/30, art. 47, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
§ 2. De vennootschappen die niet aan in § 1 van dit artikel voorziene verplichting voldoen worden ambtshalve aangesloten bij de Nationale Hulpkas.
§ 2. De vennootschappen die niet aan in § 1 van dit artikel voorziene verplichting voldoen worden ambtshalve aangesloten bij de Nationale Hulpkas.
Art.77. § 1. Les sociétés sont tenues, dans les trois mois de l'entrée en vigueur des dispositions du présent chapitre ou au plus tard trois mois après leur création ou dans les trois mois du fait qui les soumet à l'impôt des non-résidents, de s'affilier à une caisse libre d'assurances sociales créée en application de l'article 20, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 visé (à l'article 76, 2°), ou à la Caisse nationale auxiliaire visée à l'article 20, § 3, du même arrêté. <L 1993-08-06/30, art. 47, 003; En vigueur : 01-07-1992>
§ 2. Les sociétés qui ne satisfont pas à l'obligation prévue au § 1er de cet article sont affiliées d'office à la Caisse nationale auxiliaire.
§ 2. Les sociétés qui ne satisfont pas à l'obligation prévue au § 1er de cet article sont affiliées d'office à la Caisse nationale auxiliaire.
Art.78. De vennootschappen zijn een eenmalige bijdrage van 7 000 frank verschuldigd bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
Deze bijdrage moet worden vereffend op het ogenblik van de aansluiting bedoeld (in artikel 77) en uiterlijk op 31 december 1992. <W 1993-08-06/30, art. 48, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
Deze bijdrage moet worden vereffend op het ogenblik van de aansluiting bedoeld (in artikel 77) en uiterlijk op 31 december 1992. <W 1993-08-06/30, art. 48, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
Art.78. Les sociétés sont tenues de verser une cotisation unique de 7 000 francs, destinée au statut social des travailleurs indépendants.
Cette cotisation doit être réglée au moment de l'affiliation visée (à l'article 77) et au plus tard le 31 décembre 1992. <L 1993-08-06/30, art. 48, 003; En vigueur : 01-07-1992>
Cette cotisation doit être réglée au moment de l'affiliation visée (à l'article 77) et au plus tard le 31 décembre 1992. <L 1993-08-06/30, art. 48, 003; En vigueur : 01-07-1992>
Art. 78bis. <INGEVOEGD bij W 1999-01-25/32, art. 201; Inwerkingtreding : 16-02-1999> § 1. De vennootschappen, die door middel van een attest afgeleverd door de Administratie der Directe belastingen, kunnen bewijzen dat zij in 1992 geen enkele handels- of burgerrechtelijke activiteit hebben uitgeoefend, zijn de eenmalige bijdrage niet verschuldigd.
§ 2. De Administratie der directe belastingen is ertoe gehouden, zonder aanrekening van kosten, iedere belanghebbende de nodige inlichtingen en attesten te verstrekken voor de toepassing van dit hoofdstuk.
§ 2. De Administratie der directe belastingen is ertoe gehouden, zonder aanrekening van kosten, iedere belanghebbende de nodige inlichtingen en attesten te verstrekken voor de toepassing van dit hoofdstuk.
Art. 78bis. § 1er. Les sociétés qui, au moyen d'une attestation délivrée par l'Administration des Contributions directes, peuvent prouver qu'elles n'ont exercé en 1992 aucune activité commerciale ou civile, ne sont pas redevables de la cotisation unique.
§ 2. L'Administration des Contributions directes est tenue de fournir à chaque intéressé les informations et les attestations requises pour l'application du présent chapitre, sans porter de frais en compte.
§ 2. L'Administration des Contributions directes est tenue de fournir à chaque intéressé les informations et les attestations requises pour l'application du présent chapitre, sans porter de frais en compte.
Art.79. De Koning bepaalt :
1° de betalings- en aansluitingsmodaliteiten;
2° (onder welke voorwaarden de bijdrage verhoogd wordt wanneer de vennootschappen de door of krachtens dit hoofdstuk opgelegde verplichtingen niet of met vertraging nakomen, met dien verstande dat deze verhogingen een totaal bedrag van 18 000 frank niet mogen overschrijden;) <W 1995-12-20/32, art. 106; 004; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
3° de werkingskosten evenals de kosten verbonden aan de inning en de invordering van de (in artikel 78) bedoelde bijdrage; <W 1993-08-06/30, art. 49, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
4° in welke gevallen de vennootschappen, die zich in een toestand van vereffening, faillissement of [1 gerechtelijke reorganisatie]1 bevinden, kunnen worden vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk.
(5° de gevallen waarin de toepassing van de verhogingen bedoeld onder 2° kan woren verzaakt.) <W 1995-12-20/32, art. 107; 004; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
1° de betalings- en aansluitingsmodaliteiten;
2° (onder welke voorwaarden de bijdrage verhoogd wordt wanneer de vennootschappen de door of krachtens dit hoofdstuk opgelegde verplichtingen niet of met vertraging nakomen, met dien verstande dat deze verhogingen een totaal bedrag van 18 000 frank niet mogen overschrijden;) <W 1995-12-20/32, art. 106; 004; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
3° de werkingskosten evenals de kosten verbonden aan de inning en de invordering van de (in artikel 78) bedoelde bijdrage; <W 1993-08-06/30, art. 49, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
4° in welke gevallen de vennootschappen, die zich in een toestand van vereffening, faillissement of [1 gerechtelijke reorganisatie]1 bevinden, kunnen worden vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk.
(5° de gevallen waarin de toepassing van de verhogingen bedoeld onder 2° kan woren verzaakt.) <W 1995-12-20/32, art. 107; 004; Inwerkingtreding : 01-01-1996>
Art.79. Le Roi détermine :
1° les modalités de paiement et d'affiliation;
2° (dans quelles conditions la cotisation est majorée, lorsque les sociétés n'accomplissent pas ou accomplissent avec retard les obligations imposées par ou en vertu de ce chapitre, étant entendu que ces majorations ne peuvent dépasser un montant total de 18 000 F); <L 1995-12-20/32, art. 106, 004; En vigueur : 01-01-1996>
3° les frais de fonctionnement et les frais liés à la perception et au recouvrement de la cotisation visée (à l'article 78); <L 1993-08-06/30, art. 49, 003; En vigueur : 01-07-1992>
4° dans quels cas les sociétés, qui se trouvent en situation de liquidation, de faillite ou de [1 réorgnisation judiciaire]1, peuvent être exemptées de l'application des dispositions du présent chapitre.
(5° les cas dans lesquels il peut être renoncé à l'application des majorations visées sous 2°.) <L 1995-12-20/32, art. 107; En vigueur : 01-01-1996>
1° les modalités de paiement et d'affiliation;
2° (dans quelles conditions la cotisation est majorée, lorsque les sociétés n'accomplissent pas ou accomplissent avec retard les obligations imposées par ou en vertu de ce chapitre, étant entendu que ces majorations ne peuvent dépasser un montant total de 18 000 F); <L 1995-12-20/32, art. 106, 004; En vigueur : 01-01-1996>
3° les frais de fonctionnement et les frais liés à la perception et au recouvrement de la cotisation visée (à l'article 78); <L 1993-08-06/30, art. 49, 003; En vigueur : 01-07-1992>
4° dans quels cas les sociétés, qui se trouvent en situation de liquidation, de faillite ou de [1 réorgnisation judiciaire]1, peuvent être exemptées de l'application des dispositions du présent chapitre.
(5° les cas dans lesquels il peut être renoncé à l'application des majorations visées sous 2°.) <L 1995-12-20/32, art. 107; En vigueur : 01-01-1996>
Wijzigingen
Art.80. § 1. De inningsorganismen zijn belast met de invordering van de bijdrage, zonodig langs gerechtelijke weg.
§ 2. De invordering van de in dit hoofdstuk voorziene bijdrage verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarvoor ze verschuldigd is.
De verjaring wordt gestuit :
1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;
2° met een aangetekende brief waarbij het organisme dat belast is met de invordering de verschuldigde bijdrage opeist.
§ 3. De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bijdrage verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de onverschuldigde bijdrage werd betaald.
De verjaring wordt gestuit :
1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;
2° met een aangetekende brief door de betrokkene gericht aan het organisme dat de bijdrage heeft geïnd en waarbij hij de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bijdrage opeist.
§ 2. De invordering van de in dit hoofdstuk voorziene bijdrage verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarvoor ze verschuldigd is.
De verjaring wordt gestuit :
1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;
2° met een aangetekende brief waarbij het organisme dat belast is met de invordering de verschuldigde bijdrage opeist.
§ 3. De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bijdrage verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin de onverschuldigde bijdrage werd betaald.
De verjaring wordt gestuit :
1° op de wijze bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;
2° met een aangetekende brief door de betrokkene gericht aan het organisme dat de bijdrage heeft geïnd en waarbij hij de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bijdrage opeist.
Art.80. § 1. Les organismes percepteurs sont chargés du recouvrement de la cotisation, au besoin par la voie judiciaire.
§ 2. Le recouvrement de la cotisation prévue par le présent chapitre se prescrit par cinq ans à compter du 1er janvier de l'année qui suit l'année pour laquelle elle est due.
La prescription est interrompue :
1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil;
2° par une lettre recommandée dans laquelle l'organisme chargé du recouvrement réclame la cotisation due.
§ 3. L'action en répétition d'une cotisation payée indûment se prescrit par cinq ans à compter du 1er janvier de l'année qui suit l'année au cours de laquelle la cotisation indue a été payée.
La prescription est interrompue :
1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil;
2° par une lettre recommandée adressée par l'intéressé à l'organisme qui a percu la cotisation et réclamant le remboursement de la cotisation payée indûment.
§ 2. Le recouvrement de la cotisation prévue par le présent chapitre se prescrit par cinq ans à compter du 1er janvier de l'année qui suit l'année pour laquelle elle est due.
La prescription est interrompue :
1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil;
2° par une lettre recommandée dans laquelle l'organisme chargé du recouvrement réclame la cotisation due.
§ 3. L'action en répétition d'une cotisation payée indûment se prescrit par cinq ans à compter du 1er janvier de l'année qui suit l'année au cours de laquelle la cotisation indue a été payée.
La prescription est interrompue :
1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil;
2° par une lettre recommandée adressée par l'intéressé à l'organisme qui a percu la cotisation et réclamant le remboursement de la cotisation payée indûment.
Art.81. De vennoten of bestuurders of zaakvoerders zijn samen met de vennootschap hoofdelijk gehouden tot de betaling van de door deze laatste verschuldigde bijdrage.
Art.81. Les associés ou les administrateurs ou gérants sont tenus, solidairement avec la société, au paiement de la cotisation dont cette dernière est redevable.
Art.82. (Opgeheven) <KB 1996-11-18/37, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
Art.82. (Abrogé) <AR 1996-11-18/37, art; 17, 006; En vigueur : 01-01-1997>
Art.83. De in dit hoofdstuk bedoelde bijdrage is, wat de inkomstenbelastingen aangaat van dezelfde aard als de bijdragen die verschuldigd zijn ter uitvoering van de sociale wetgeving.
Art.83. La cotisation prévue par le présent chapitre est, en ce qui concerne les impôts sur les revenus, de même nature que les cotisations dues en exécution de la législation sociale.
Art.84. <wijzigingsbepaling van art. 20,§1,L4 van het KB38 1967-07-27/01>
Art.84.
Art.85. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 juli 1992 en houden op uitwerking te hebben op 31 december 1992.
(De bepalingen van dit hoofdstuk blijven evenwel van kracht wat de invordering van de bijdragen betreft.) <W 1992-12-30/40, art. 105, 002; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
(De bepalingen van dit hoofdstuk blijven evenwel van kracht wat de invordering van de bijdragen betreft.) <W 1992-12-30/40, art. 105, 002; Inwerkingtreding : 01-07-1992>
Art.85. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er juillet 1992 et cessent de produire leurs effets le 31 décembre 1992.
(Les dispositions du présent chapitre restent toutefois en vigueur en ce qui concerne le recouvrement des cotisations.) <L 1992-12-30/40, art. 105, 002; En vigueur : 01-07-1992>
(Les dispositions du présent chapitre restent toutefois en vigueur en ce qui concerne le recouvrement des cotisations.) <L 1992-12-30/40, art. 105, 002; En vigueur : 01-07-1992>
HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions diverses.
Art.86. <wijzigingsbepaling van art. 17,L3 van het KB38 1967-07-27/01>
Art.86.
Art.87. § 1.
1°
2°
3°
§ 2. Het koninklijk besluit, bedoeld in § 1, 2°, blijft uitwerking hebben wat betreft de bijdragen met betrekking tot de periode gelegen vóór 1 juli 1992, teneinde de invordering ervan mogelijk te maken.
§ 3. Het koninklijk besluit, bedoeld in § 1, 3°, blijft uitwerking hebben wat betreft de gezinsbijslag met betrekking tot de periode gelegen vóór 1 juli 1992, teneinde de nodige inhoudingen mogelijk te maken.
1°
2°
3°
§ 2. Het koninklijk besluit, bedoeld in § 1, 2°, blijft uitwerking hebben wat betreft de bijdragen met betrekking tot de periode gelegen vóór 1 juli 1992, teneinde de invordering ervan mogelijk te maken.
§ 3. Het koninklijk besluit, bedoeld in § 1, 3°, blijft uitwerking hebben wat betreft de gezinsbijslag met betrekking tot de periode gelegen vóór 1 juli 1992, teneinde de nodige inhoudingen mogelijk te maken.
Art.87. § 1. Sont abrogés :
1°
2°
3°
§ 2. L'arrêté royal visé au § 1er, 2°, continue à sortir ses effets en ce qui concerne les cotisations relatives à la période antérieure au 1er juillet 1992, afin d'en permettre le recouvrement.
§ 3. L'arrêté royal visé au § 1er, 3°, continue à sortir ses effets en ce qui concerne les allocations familiales relatives à la période antérieure au 1er juillet 1992, afin de permettre d'opérer les retenues nécessaires.
1°
2°
3°
§ 2. L'arrêté royal visé au § 1er, 2°, continue à sortir ses effets en ce qui concerne les cotisations relatives à la période antérieure au 1er juillet 1992, afin d'en permettre le recouvrement.
§ 3. L'arrêté royal visé au § 1er, 3°, continue à sortir ses effets en ce qui concerne les allocations familiales relatives à la période antérieure au 1er juillet 1992, afin de permettre d'opérer les retenues nécessaires.
Art.88. De artikelen 86 en 87 treden in werking op 1 juli 1992.
Art.88. Les articles 86 et 87 entrent en vigueur le 1er juillet 1992.
TITEL IV. - TEWERKSTELLING EN ARBEID.
TITRE IV. - EMPLOI ET TRAVAIL.
HOOFDSTUK I. - Tijdelijke werkloosheid.
CHAPITRE I. - Chômage temporaire.
Afdeling 1. - Eénmalige werkgeversbijdrage.
Section 1. - Cotisation unique de l'employeur.
Art.89. De bijdragevoet, bepaald in artikel 38, § 3, 3°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt vastgesteld op 2,15 pct. voor het derde kwartaal 1992.
Art.89. Le taux de la cotisation, prévu à l'article 38, § 3, 3°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, est fixé à 2,15 p.c. pour le troisième trimestre 1992.
Art.90. De bepaling van deze afdeling treedt in werking op 1 juli 1992.
Art.90. La disposition de cette section entre en vigueur le 1er juillet 1992.
Afdeling 2. - Opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers. (Opgeheven)
Section 2. - Mission du Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises. (Abrogé)
Art.91. (Opgeheven) <W 2002-06-26/55, art. 88, 011; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Art.91. (Abrogé) <L 2002-06-26/55, art. 88, 011; En vigueur : 01-04-2007>
Art.92. (Opgeheven) <W 2002-06-26/55, art. 88, 011; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Art.92. (Abrogé) <L 2002-06-26/55, art. 88, 011; En vigueur : 01-04-2007>
Art.93. (Opgeheven) <W 2002-06-26/55, art. 88, 011; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Art.93. (Abrogé) <L 2002-06-26/55, art. 88, 011; En vigueur : 01-04-2007>
Art.94. (Opgeheven) <W 2002-06-26/55, art. 88, 011; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Art.94. (Abrogé) <L 2002-06-26/55, art. 88, 011; En vigueur : 01-04-2007>
Art.95. (Opgeheven) <W 2002-06-26/55, art. 88, 011; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Art.95. (Abrogé) <L 2002-06-26/55, art. 88, 011; En vigueur : 01-04-2007>
Art.96. (Opgeheven) <W 2002-06-26/55, art. 88, 011; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Art.96. (Abrogé) <L 2002-06-26/55, art. 88, 011; En vigueur : 01-04-2007>
Afdeling 3. - Wijzigingen van de artikelen 49, 50 en 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Section 3. - Modifications des articles 49, 50 et 51 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Art.97. 1° <wijzigingsbepaling van art. 49,L4 van de W 1978-07-03/01>
2° <wijzigingsbepaling van art. 49,L5 van de W 1978-07-03/01>
2° <wijzigingsbepaling van art. 49,L5 van de W 1978-07-03/01>
Art.97.
Art.98. <wijzigingsbepaling van art. 50 van de W 1978-07-03/01>
Art.98.
Art.99. 1° <wijzigingsbepaling van art. 51,§1 van de W 1978-07-03/01>
2° <wijzigingsbepaling van art. 51,§1 van de W 1978-07-03/01>
3° <wijzigingsbepaling van art. 51,§3,L2 van de W 1978-07-03/01>
4° <wijzigingsbepaling van art. 51,§3ter van de W 1978-07-03/01>
2° <wijzigingsbepaling van art. 51,§1 van de W 1978-07-03/01>
3° <wijzigingsbepaling van art. 51,§3,L2 van de W 1978-07-03/01>
4° <wijzigingsbepaling van art. 51,§3ter van de W 1978-07-03/01>
Art.99.
Art.100.
Art.100.
Afdeling 4. - Wijziging van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Section 4. - Modification de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Art.101. <wijzigingsbepaling van art. 7,§1 van de B 1944-12-28/01>
Art.101.
Afdeling 5. - Slotbepaling.
Section 5. - Disposition finale.
Art.102. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van de Nationale Arbeidsraad, de bepalingen van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk vervangen door een regeling die globaal een evenwaardig effect heeft op de ontwikkeling van de uitgaven bedoeld in dit hoofdstuk.
Art.102. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur la proposition du Conseil national du travail, remplacer en tout ou en partie les dispositions du présent chapitre par un réglement qui globalement a un effet équivalent sur l'évolution des dépenses visées par ce chapitre.
HOOFDSTUK II. - Invoering van een hoofdelijke werkgeversbijdrage voor de tewerkstelling van onvrijwillig deeltijdse werknemers.
CHAPITRE II. - Instauration d'une cotisation capitative à charge des employeurs occupant des travailleurs à temps partiel involontaire.
Art.103. § 1. Een bijzondere werkgeversbijdrage wordt uit hoofde van de tewerkstelling van onvrijwillig deeltijdse werknemers ingevoerd. Het bedrag van deze bijdrage wordt bepaald door de Koning zonder dat dit meer mag bedragen dan het forfaitair bedrag van 3 000 frank per trimester per onvrijwillig deeltijds tewerkgestelde werknemer. Hij kan deze bijdrage moduleren naargelang van het aantal werknemers dat door de werkgever wordt tewerkgesteld.
§ 2. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de categorieën van werknemers waarvoor de werkgever niet gehouden is tot de betaling van deze bijdrage.
§ 2. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de categorieën van werknemers waarvoor de werkgever niet gehouden is tot de betaling van deze bijdrage.
Art.103. § 1. Une cotisation spéciale à charge de l'employeur est instaurée, du chef de l'occupation de travailleurs à temps partiel involontaire. Le montant de cette cotisation est fixée par le Roi sans qu'il puisse excéder le montant forfaitaire de 3 000 francs par trimestre, par travailleur occupé à temps partiel involontaire. Il peut moduler cette cotisation selon le nombre de travailleurs occupés par l'employeur.
§ 2. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les catégories de travailleurs pour lesquels les employeurs ne sont pas tenus de payer cette cotisation.
§ 2. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les catégories de travailleurs pour lesquels les employeurs ne sont pas tenus de payer cette cotisation.
Art.104. De bijzondere bijdrage bedoeld in artikel 103 wordt betaald aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid met het oog op de financiering van het stelsel van de werkloosheid.
De Koning bepaalt de nadere regelen voor de betaling van de bijzondere bijdrage bedoeld in artikel 103.
De Koning bepaalt de nadere regelen voor de betaling van de bijzondere bijdrage bedoeld in artikel 103.
Art.104. La cotisation speciale visée à l'article 103 est payable à l'Office national de sécurité sociale, en vue de financer le secteur chômage.
Le Roi détermine les modalités de paiement de la cotisation spéciale visée à l'article 103.
Le Roi détermine les modalités de paiement de la cotisation spéciale visée à l'article 103.
Art.105. De bijzondere bijdrage, bedoeld in artikel 103, wordt gelijkgesteld met sociale-zekerheidsbijdragen, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de betalingstermijnen, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de bevoegde rechter in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling belast met de inning en de invordering van de bijdragen.
Art.105. La cotisation spéciale, visée à l'article 103, est assimilée aux cotisations de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les déclarations avec justification des cotisations, les délais en matière de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la détermination du juge compétent en cas de contestation, la prescription en matière d'action en justice, le privilège et la communication du montant de la créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.
Art.106.
Art.106.
Art.107. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 juli 1992.
Art.107. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er juillet 1992.
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970.
CHAPITRE III. - Modifications des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnés le 3 juin 1970.
Art.108. <wijzigingsbepaling van art. 6,1°,L1 van de W 1970-06-03/02>
Art.108.
HOOFDSTUK IV. - Bestrijding van de sociale fraude.
CHAPITRE IV. - Lutte contre la fraude sociale.
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
Section 1. - Modification de la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail.
Art.109. <wijzigingsbepaling van art. 15,L4 van de W 1965-04-08/01>
Art.109.
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
Section 2. - Modification de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
Art.110. <wijzigingsbepaling van art. 5,§1 van de W 1965-04-12/04>
Art.110.
Afdeling 3. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten wat de individuele fiche betreft.
Section 3. - Modification de l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux en ce qui concerne la fiche individuelle.
Art.111. <wijzigingsbepaling van art. 4,§3 van het KB5 1978-10-23/01>
Art.111.
Afdeling 4. - Bepalingen betreffende de aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid te betalen vergoeding, ingevoerd door de wetten van 6 juli 1989 en 22 december 1989.
Section 4. - Dispositions concernant l'indemnité à payer à l'Office national de sécurité sociale, introduite par les lois du 6 juillet 1989 et du 22 décembre 1989.
Art.112. <Wijzigingsbepaling van art. 11bis van het KB5 1978-10-23/01>
Art.112.
Art.113. <Wijzigingsbepaling van art. 12bis van het KB5 1978-10-23/01>
Art.113.
Art.114. <Wijzigingsbepaling van art. 172,L2 van de W 1989-12-22/31>
Art.114.
Art.115. <wijzigingsbepaling van art. 174,L2 van de W 1989-12-22/31>
Art.115.
Art.116. <wijzigingsbepaling van art. 12bis,§1 van de W 1971-06-30/01>
Art.116.
Art.117. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art.117. Les dispositions de la présente section entrent en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge.
TITEL V. - MAATREGELEN BETREFFENDE DE PENSIOENEN IN DE OVERHEIDSSECTOR.
TITRE V. - MESURES CONCERNANT LES PENSIONS DU SECTEUR PUBLIC.
TITEL V. TOEKOMSTIG_RECHT. - MAATREGELEN BETREFFENDE DE PENSIOENEN IN DE OVERHEIDSSECTOR [1 EN DE TIJDELIJKE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSUITKERING VOOR AMBTENAREN]1.
TITRE V. DROIT_FUTUR. - MESURES CONCERNANT LES PENSIONS DU SECTEUR PUBLIC [1 ET L'ALLOCATION D'INAPTITUDE TEMPORAIRE DE TRAVAIL POUR FONCTIONNAIRES]1.
HOOFDSTUK I. - Uitvoering van het akkoord van sociale programmatie - Gewaarborgde minimumpensioenbedragen.
CHAPITRE I. - Exécution de l'accord de programmation sociale - Montants minimums garantis de pension.
Afdeling 1. - Toepassingsgebied.
Section 1. - Champ d'application.
Art.118. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing :
1° op de personen die onderworpen zijn aan een stelsel inzake rustpensioenen waarvan de last gedragen wordt door :
a) de Openbare Schatkist;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is;
c) de Regie der posterijen;
d) de Regie voor maritiem transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden van toepassing is;
f) [2 het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen]2;
(g) [2 het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie" worden vervangen door de woorden "g) het Fonds voor de pensioenen van de federale politie]2
[2 ...]2
2° op de begunstigden van een pensioen van langstlevende echtgenoot ten laste van de Openbare Schatkist [3 , van het fonds voor de pensioenen van de federale politie of van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen]3;
3° op de begunstigden van een wachtgeld waarvoor wettelijke of reglementaire beschikkingen bepalen dat dit ten minste gelijk moet zijn aan het bedrag van het pensioen.
§ 2. Worden evenwel niet bedoeld door dit hoofdstuk, de personen die het genot hebben van :
1° een in § 1 bedoeld rust- of overlevingspensioen of wachtgeld toegekend uit hoofde van de uitoefening van een bijambt;
2° een onmiddellijk pensioen zoals voorgeschreven door artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, wanneer, afgezien van de bonificaties wegens genoten onderwijs en de andere perioden die als diensten worden meegerekend voor de vaststelling van de wedde, het totaal van de pensioenaanspraakverlenende diensten minder dan twintig jaar bedraagt;
3° een uitgesteld pensioen, zoals bepaald in artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984;
4° een uitgesteld pensioen dat is toegekend met toepassing van de artikelen 55 tot 62 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen;
5° een overlevingspensioen in de hoedanigheid van langstlevende echtgenoot van een gerechtigde op een in 2°, 3° of 4° bedoeld pensioen of in de hoedanigheid van langstlevende echtgenoot van een persoon die niet in dienstactiviteit overleden is en die aanspraak had kunnen maken op de toekenning van een dergelijk pensioen;
6° een rustpensioen in de hoedanigheid van gewezen pleitbezorger;
7° een rust- of invaliditeitspensioen in de hoedanigheid van gewezen lid van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika.
1° op de personen die onderworpen zijn aan een stelsel inzake rustpensioenen waarvan de last gedragen wordt door :
a) de Openbare Schatkist;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is;
c) de Regie der posterijen;
d) de Regie voor maritiem transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden van toepassing is;
f) [2 het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen]2;
(g) [2 het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie" worden vervangen door de woorden "g) het Fonds voor de pensioenen van de federale politie]2
[2 ...]2
2° op de begunstigden van een pensioen van langstlevende echtgenoot ten laste van de Openbare Schatkist [3 , van het fonds voor de pensioenen van de federale politie of van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen]3;
3° op de begunstigden van een wachtgeld waarvoor wettelijke of reglementaire beschikkingen bepalen dat dit ten minste gelijk moet zijn aan het bedrag van het pensioen.
§ 2. Worden evenwel niet bedoeld door dit hoofdstuk, de personen die het genot hebben van :
1° een in § 1 bedoeld rust- of overlevingspensioen of wachtgeld toegekend uit hoofde van de uitoefening van een bijambt;
2° een onmiddellijk pensioen zoals voorgeschreven door artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, wanneer, afgezien van de bonificaties wegens genoten onderwijs en de andere perioden die als diensten worden meegerekend voor de vaststelling van de wedde, het totaal van de pensioenaanspraakverlenende diensten minder dan twintig jaar bedraagt;
3° een uitgesteld pensioen, zoals bepaald in artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984;
4° een uitgesteld pensioen dat is toegekend met toepassing van de artikelen 55 tot 62 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen;
5° een overlevingspensioen in de hoedanigheid van langstlevende echtgenoot van een gerechtigde op een in 2°, 3° of 4° bedoeld pensioen of in de hoedanigheid van langstlevende echtgenoot van een persoon die niet in dienstactiviteit overleden is en die aanspraak had kunnen maken op de toekenning van een dergelijk pensioen;
6° een rustpensioen in de hoedanigheid van gewezen pleitbezorger;
7° een rust- of invaliditeitspensioen in de hoedanigheid van gewezen lid van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika.
Art.118. § 1. Le présent chapitre s'applique :
1° aux personnes assujetties à un régime de pension de retraite dont la charge est assumée par :
a) le Trésor public;
b) les organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) la Régie des postes;
d) la Régie des transports maritimes;
e) les organismes auxquels est applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
f) [2 le Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales]2;
(g) [2 le Fonds des pensions de la police fédérale]2
[2 ...]2
2° aux bénéficiaires d'une pension de conjoint survivant à charge du Trésor public [3 du Fonds des pensions de la police fédérale ou du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales]3;
3° aux bénéficiaires d'un traitement d'attente, lorsque des dispositions légales ou réglementaires prévoient que ce traitement doit être au moins égal au taux de la pension.
§ 2. Ne sont toutefois pas visées par le présent chapitre, les personnes qui bénéficient :
1° d'une pension de retraite ou de survie ou d'un traitement d'attente, visé au § 1er, accordé du chef de l'exercice d'une fonction accessoire;
2° d'une pension immédiate, telle que prévue à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, lorsque, indépendamment des bonifications pour études et des autres périodes bonifiées comme services pour la détermination du traitement, le total des services admissibles pour l'ouverture du droit à la pension est inférieur à vingt années;
3° d'une pension différée, telle que prévue à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée;
4° d'une pension différée qui a été accordée en application des articles 55 à 62 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires;
5° d'une pension de survie en qualité de conjoint survivant d'un bénéficiaire d'une pension visée au 2°, 3° ou 4° ou en qualité de conjoint survivant d'une personne qui n'est pas décédée en activité de service et qui aurait pu prétendre à l'octroi d'une telle pension;
6° d'une pension de retraite en qualité d'ancien avoué;
7° d'une pension de retraite ou d'invalidité en qualité d'ancien membre du personnel de carrière des cadres d'Afrique.
1° aux personnes assujetties à un régime de pension de retraite dont la charge est assumée par :
a) le Trésor public;
b) les organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) la Régie des postes;
d) la Régie des transports maritimes;
e) les organismes auxquels est applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
f) [2 le Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales]2;
(g) [2 le Fonds des pensions de la police fédérale]2
[2 ...]2
2° aux bénéficiaires d'une pension de conjoint survivant à charge du Trésor public [3 du Fonds des pensions de la police fédérale ou du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales]3;
3° aux bénéficiaires d'un traitement d'attente, lorsque des dispositions légales ou réglementaires prévoient que ce traitement doit être au moins égal au taux de la pension.
§ 2. Ne sont toutefois pas visées par le présent chapitre, les personnes qui bénéficient :
1° d'une pension de retraite ou de survie ou d'un traitement d'attente, visé au § 1er, accordé du chef de l'exercice d'une fonction accessoire;
2° d'une pension immédiate, telle que prévue à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, lorsque, indépendamment des bonifications pour études et des autres périodes bonifiées comme services pour la détermination du traitement, le total des services admissibles pour l'ouverture du droit à la pension est inférieur à vingt années;
3° d'une pension différée, telle que prévue à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée;
4° d'une pension différée qui a été accordée en application des articles 55 à 62 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires;
5° d'une pension de survie en qualité de conjoint survivant d'un bénéficiaire d'une pension visée au 2°, 3° ou 4° ou en qualité de conjoint survivant d'une personne qui n'est pas décédée en activité de service et qui aurait pu prétendre à l'octroi d'une telle pension;
6° d'une pension de retraite en qualité d'ancien avoué;
7° d'une pension de retraite ou d'invalidité en qualité d'ancien membre du personnel de carrière des cadres d'Afrique.
Art. 118 TOEKOMSTIG RECHT. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing :
1° op de personen die onderworpen zijn aan een stelsel [4 inzake rustpensioenen of tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor ambtenaren]4 waarvan de last gedragen wordt door :
a) de Openbare Schatkist;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is;
c) de Regie der posterijen;
d) de Regie voor maritiem transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden van toepassing is;
f) [2 het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen]2;
(g) [2 het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie" worden vervangen door de woorden "g) het Fonds voor de pensioenen van de federale politie]2
[2 ...]2
2° op de begunstigden van een pensioen van langstlevende echtgenoot ten laste van de Openbare Schatkist [3 , van het fonds voor de pensioenen van de federale politie of van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen]3;
3° op de begunstigden van een wachtgeld waarvoor wettelijke of reglementaire beschikkingen bepalen dat dit ten minste gelijk moet zijn aan het bedrag van het pensioen.
§ 2. Worden evenwel niet bedoeld door dit hoofdstuk, de personen die het genot hebben van :
1° een in § 1 [5 bedoelde tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, rust- of overlevingspensioen]5 of wachtgeld toegekend uit hoofde van de uitoefening van een bijambt;
2° een onmiddellijk pensioen zoals voorgeschreven door artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, wanneer, afgezien van de bonificaties wegens genoten onderwijs en de andere perioden die als diensten worden meegerekend voor de vaststelling van de wedde, het totaal van de pensioenaanspraakverlenende diensten minder dan twintig jaar bedraagt;
3° een uitgesteld pensioen, zoals bepaald in artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984;
4° een uitgesteld pensioen dat is toegekend met toepassing van de artikelen 55 tot 62 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen;
5° een overlevingspensioen in de hoedanigheid van langstlevende echtgenoot van een gerechtigde op een in 2°, 3° of 4° bedoeld pensioen of in de hoedanigheid van langstlevende echtgenoot van een persoon die niet in dienstactiviteit overleden is en die aanspraak had kunnen maken op de toekenning van een dergelijk pensioen;
6° een rustpensioen in de hoedanigheid van gewezen pleitbezorger;
7° een rust- of invaliditeitspensioen in de hoedanigheid van gewezen lid van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika.
1° op de personen die onderworpen zijn aan een stelsel [4 inzake rustpensioenen of tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor ambtenaren]4 waarvan de last gedragen wordt door :
a) de Openbare Schatkist;
b) de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, van toepassing is;
c) de Regie der posterijen;
d) de Regie voor maritiem transport;
e) de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden van toepassing is;
f) [2 het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen]2;
(g) [2 het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie" worden vervangen door de woorden "g) het Fonds voor de pensioenen van de federale politie]2
[2 ...]2
2° op de begunstigden van een pensioen van langstlevende echtgenoot ten laste van de Openbare Schatkist [3 , van het fonds voor de pensioenen van de federale politie of van het Gesolidariseerde pensioenfonds van de provinciale en plaatselijke besturen]3;
3° op de begunstigden van een wachtgeld waarvoor wettelijke of reglementaire beschikkingen bepalen dat dit ten minste gelijk moet zijn aan het bedrag van het pensioen.
§ 2. Worden evenwel niet bedoeld door dit hoofdstuk, de personen die het genot hebben van :
1° een in § 1 [5 bedoelde tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, rust- of overlevingspensioen]5 of wachtgeld toegekend uit hoofde van de uitoefening van een bijambt;
2° een onmiddellijk pensioen zoals voorgeschreven door artikel 46 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, wanneer, afgezien van de bonificaties wegens genoten onderwijs en de andere perioden die als diensten worden meegerekend voor de vaststelling van de wedde, het totaal van de pensioenaanspraakverlenende diensten minder dan twintig jaar bedraagt;
3° een uitgesteld pensioen, zoals bepaald in artikel 46 van voormelde wet van 15 mei 1984;
4° een uitgesteld pensioen dat is toegekend met toepassing van de artikelen 55 tot 62 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen;
5° een overlevingspensioen in de hoedanigheid van langstlevende echtgenoot van een gerechtigde op een in 2°, 3° of 4° bedoeld pensioen of in de hoedanigheid van langstlevende echtgenoot van een persoon die niet in dienstactiviteit overleden is en die aanspraak had kunnen maken op de toekenning van een dergelijk pensioen;
6° een rustpensioen in de hoedanigheid van gewezen pleitbezorger;
7° een rust- of invaliditeitspensioen in de hoedanigheid van gewezen lid van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika.
Wijzigingen
Art. 118 DROIT FUTUR. § 1. Le présent chapitre s'applique :
1° aux personnes assujetties [4 à un régime de pension de retraite ou d'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires]4 dont la charge est assumée par :
a) le Trésor public;
b) les organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) la Régie des postes;
d) la Régie des transports maritimes;
e) les organismes auxquels est applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
f) [2 le Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales]2;
(g) [2 le Fonds des pensions de la police fédérale]2
[2 ...]2
2° aux bénéficiaires d'une pension de conjoint survivant à charge du Trésor public [3 du Fonds des pensions de la police fédérale ou du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales]3;
3° aux bénéficiaires d'un traitement d'attente, lorsque des dispositions légales ou réglementaires prévoient que ce traitement doit être au moins égal au taux de la pension.
§ 2. Ne sont toutefois pas visées par le présent chapitre, les personnes qui bénéficient :
1° [5 d'une allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires, d'une pension de retraite ou de survie]5 ou d'un traitement d'attente, visé au § 1er, accordé du chef de l'exercice d'une fonction accessoire;
2° d'une pension immédiate, telle que prévue à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, lorsque, indépendamment des bonifications pour études et des autres périodes bonifiées comme services pour la détermination du traitement, le total des services admissibles pour l'ouverture du droit à la pension est inférieur à vingt années;
3° d'une pension différée, telle que prévue à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée;
4° d'une pension différée qui a été accordée en application des articles 55 à 62 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires;
5° d'une pension de survie en qualité de conjoint survivant d'un bénéficiaire d'une pension visée au 2°, 3° ou 4° ou en qualité de conjoint survivant d'une personne qui n'est pas décédée en activité de service et qui aurait pu prétendre à l'octroi d'une telle pension;
6° d'une pension de retraite en qualité d'ancien avoué;
7° d'une pension de retraite ou d'invalidité en qualité d'ancien membre du personnel de carrière des cadres d'Afrique.
1° aux personnes assujetties [4 à un régime de pension de retraite ou d'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires]4 dont la charge est assumée par :
a) le Trésor public;
b) les organismes auxquels s'applique l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat;
c) la Régie des postes;
d) la Régie des transports maritimes;
e) les organismes auxquels est applicable la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit;
f) [2 le Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales]2;
(g) [2 le Fonds des pensions de la police fédérale]2
[2 ...]2
2° aux bénéficiaires d'une pension de conjoint survivant à charge du Trésor public [3 du Fonds des pensions de la police fédérale ou du Fonds de pension solidarisé des administrations provinciales et locales]3;
3° aux bénéficiaires d'un traitement d'attente, lorsque des dispositions légales ou réglementaires prévoient que ce traitement doit être au moins égal au taux de la pension.
§ 2. Ne sont toutefois pas visées par le présent chapitre, les personnes qui bénéficient :
1° [5 d'une allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires, d'une pension de retraite ou de survie]5 ou d'un traitement d'attente, visé au § 1er, accordé du chef de l'exercice d'une fonction accessoire;
2° d'une pension immédiate, telle que prévue à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, lorsque, indépendamment des bonifications pour études et des autres périodes bonifiées comme services pour la détermination du traitement, le total des services admissibles pour l'ouverture du droit à la pension est inférieur à vingt années;
3° d'une pension différée, telle que prévue à l'article 46 de la loi du 15 mai 1984 précitée;
4° d'une pension différée qui a été accordée en application des articles 55 à 62 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires;
5° d'une pension de survie en qualité de conjoint survivant d'un bénéficiaire d'une pension visée au 2°, 3° ou 4° ou en qualité de conjoint survivant d'une personne qui n'est pas décédée en activité de service et qui aurait pu prétendre à l'octroi d'une telle pension;
6° d'une pension de retraite en qualité d'ancien avoué;
7° d'une pension de retraite ou d'invalidité en qualité d'ancien membre du personnel de carrière des cadres d'Afrique.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Definities.
Section 2. - Définitions.
Art.119. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet onder " bijambt " worden verstaan :
1° het ambt dat aanleiding geeft of zou geven tot de toekenning van een pensioen, vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector, voor diensten met onvolledige opdracht en voor hetwelk de in artikel 2, § 1, eerste lid, c), van dit besluit bedoelde verhouding kleiner is dan 5/10;
2° het ambt dat aanleiding heeft gegeven tot de toekenning van een pensioen dat niet werd vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 en dat gedurende de laatste vijf jaar van de loopbaan diensten met onvolledige opdracht heeft omvat waarvan het gemiddelde lager is dan 5/10 van dezelfde diensten met volledige opdracht.
§ 2. Onder " alleenstaande gepensioneerde " moet worden verstaan de ongehuwde, de uit de echt gescheiden of de van tafel en bed gescheiden gepensioneerde van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, evenals de gepensioneerde die weduwnaar of weduwe is.
§ 3. Onder " gewaarborgd minimumbedrag " moet worden verstaan het minimumpensioenbedrag waarop een persoon aanspraak kan maken met toepassing van dit hoofdstuk.
Onder " supplement " moet worden verstaan het bedrag dat bij het nominale pensioenbedrag wordt gevoegd om het gewaarborgd minimumbedrag te bereiken.
§ 4. Onder " gewaarborgde bezoldiging " moet worden verstaan de bezoldiging bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries, die wordt toegekend aan de personeelsleden die, wat betreft de sociale zekerheid, enkel onderworpen zijn aan de regeling inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging.
[1 § 5. Onder "werkelijk gepresteerde diensten" moet worden verstaan:
- de perioden van werkelijk gepresteerde diensten;
- de perioden van verlof of afwezigheid met behoud van de volledige bezoldiging;
- de perioden van loopbaanonderbreking met toekenning van een onderbrekingsuitkering ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of een andere federale instelling:
a) teneinde palliatieve zorg te verstrekken;
b) voor ouderschapsverlof;
c) voor het bijstaan of verzorgen van een gezinslid of een familielid tot in de tweede graad dat lijdt aan een ernstige ziekte;
d) voor mantelzorg;
- de perioden bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onder-brekingsuitkeringen voor zorgkrediet;
- de perioden:
a) van preventieve werkverwijdering om gezondheidsredenen;
b) van omgezette moederschapsrust;
c) van geboorteverlof;
d) van adoptieverlof;
e) van pleegouderverlof;
f) van borstvoedingsverlof;
g) van ziekteverlof vóór de uitputting van het ziektekapitaal;
h) van verminderde prestaties wegens medische redenen.
De duur van de in het eerste lid bedoelde diensten wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht.
Onder "werkelijk gepresteerde diensten" moet eveneens worden verstaan:
- de daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 2, 10°, a) en b), van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden;
- de met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten gelijkgestelde perioden bedoeld in artikel 3, § 5, derde lid en zevende lid, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden.]1
1° het ambt dat aanleiding geeft of zou geven tot de toekenning van een pensioen, vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector, voor diensten met onvolledige opdracht en voor hetwelk de in artikel 2, § 1, eerste lid, c), van dit besluit bedoelde verhouding kleiner is dan 5/10;
2° het ambt dat aanleiding heeft gegeven tot de toekenning van een pensioen dat niet werd vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 en dat gedurende de laatste vijf jaar van de loopbaan diensten met onvolledige opdracht heeft omvat waarvan het gemiddelde lager is dan 5/10 van dezelfde diensten met volledige opdracht.
§ 2. Onder " alleenstaande gepensioneerde " moet worden verstaan de ongehuwde, de uit de echt gescheiden of de van tafel en bed gescheiden gepensioneerde van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, evenals de gepensioneerde die weduwnaar of weduwe is.
§ 3. Onder " gewaarborgd minimumbedrag " moet worden verstaan het minimumpensioenbedrag waarop een persoon aanspraak kan maken met toepassing van dit hoofdstuk.
Onder " supplement " moet worden verstaan het bedrag dat bij het nominale pensioenbedrag wordt gevoegd om het gewaarborgd minimumbedrag te bereiken.
§ 4. Onder " gewaarborgde bezoldiging " moet worden verstaan de bezoldiging bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries, die wordt toegekend aan de personeelsleden die, wat betreft de sociale zekerheid, enkel onderworpen zijn aan de regeling inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging.
[1 § 5. Onder "werkelijk gepresteerde diensten" moet worden verstaan:
- de perioden van werkelijk gepresteerde diensten;
- de perioden van verlof of afwezigheid met behoud van de volledige bezoldiging;
- de perioden van loopbaanonderbreking met toekenning van een onderbrekingsuitkering ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of een andere federale instelling:
a) teneinde palliatieve zorg te verstrekken;
b) voor ouderschapsverlof;
c) voor het bijstaan of verzorgen van een gezinslid of een familielid tot in de tweede graad dat lijdt aan een ernstige ziekte;
d) voor mantelzorg;
- de perioden bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onder-brekingsuitkeringen voor zorgkrediet;
- de perioden:
a) van preventieve werkverwijdering om gezondheidsredenen;
b) van omgezette moederschapsrust;
c) van geboorteverlof;
d) van adoptieverlof;
e) van pleegouderverlof;
f) van borstvoedingsverlof;
g) van ziekteverlof vóór de uitputting van het ziektekapitaal;
h) van verminderde prestaties wegens medische redenen.
De duur van de in het eerste lid bedoelde diensten wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht.
Onder "werkelijk gepresteerde diensten" moet eveneens worden verstaan:
- de daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 2, 10°, a) en b), van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden;
- de met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten gelijkgestelde perioden bedoeld in artikel 3, § 5, derde lid en zevende lid, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden.]1
Art.119. § 1. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par " fonction accessoire " :
1° la fonction qui donne ou donnerait lieu à l'octroi d'une pension, fixée conformément à l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public, pour les services à prestations incomplètes et pour laquelle le rapport visé à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, c), de cet arrêté est inférieur à 5/10;
2° la fonction qui a donné lieu à l'octroi d'une pension qui n'a pas été établie conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité et qui a comporté au cours des cinq dernières années de la carrière des services à prestations incomplètes correspondant en moyenne à moins de 5/10 de ces mêmes services à prestations complètes.
§ 2. Par " retraité isolé ", il faut entendre le pensionné masculin ou féminin qui est célibataire, veuf, divorcé ou séparé de corps et de biens.
§ 3. Par " montant minimum garanti ", il faut entendre le montant minimum de pension auquel une personne peut prétendre en application du présent chapitre.
Par " supplément ", il faut entendre le montant qui est ajouté au taux nominal de la pension pour atteindre le montant minimum garanti.
§ 4. Par " rétribution garantie ", il faut entendre la rétribution visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 29 juin 1973 accordant une rétribution garantie à certains agents des ministères, et octroyée aux agents qui en matière de sécurité sociale sont soumis uniquement au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé.
[1 § 5. Par "services réellement prestés", il faut entendre:
- les périodes de services réellement prestés;
- les périodes de congé ou d'absence avec maintien de la rémunération intégrale;
- les périodes d'interruption de carrière avec octroi d'une allocation d'interruption à charge de l'Office National de l'Emploi ou d'un autre organisme fédéral:
a) en vue d'assurer des soins palliatifs;
b) pour congé parental;
c) pour assistance ou octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave;
d) pour aidant proche;
- les périodes visées aux articles 5 et 6 de l'arrêté du gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins;
- les périodes:
a) d'écartement préventif du travail pour raisons de santé;
b) du repos de maternité converti;
c) du congé de naissance;
d) du congé d'adoption;
e) du congé parental d'accueil;
f) de congé d'allaitement;
g) du congé de maladie avant épuisement du capital congé de maladie;
h) de prestations réduites pour raisons médicales.
La durée des services visés à l'alinéa 1er est établie conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes.
Par "services effectivement prestés", il faut également entendre:
- les jours équivalents temps plein effectivement prestés visés à l'article 2, 10°, a) et b), de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, convertis en mois;
- les périodes assimilées aux jours équivalents temps plein effectivement prestés visés à l'article 3, § 5, alinéas 3 et 7, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, converties en mois.]1
1° la fonction qui donne ou donnerait lieu à l'octroi d'une pension, fixée conformément à l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public, pour les services à prestations incomplètes et pour laquelle le rapport visé à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, c), de cet arrêté est inférieur à 5/10;
2° la fonction qui a donné lieu à l'octroi d'une pension qui n'a pas été établie conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité et qui a comporté au cours des cinq dernières années de la carrière des services à prestations incomplètes correspondant en moyenne à moins de 5/10 de ces mêmes services à prestations complètes.
§ 2. Par " retraité isolé ", il faut entendre le pensionné masculin ou féminin qui est célibataire, veuf, divorcé ou séparé de corps et de biens.
§ 3. Par " montant minimum garanti ", il faut entendre le montant minimum de pension auquel une personne peut prétendre en application du présent chapitre.
Par " supplément ", il faut entendre le montant qui est ajouté au taux nominal de la pension pour atteindre le montant minimum garanti.
§ 4. Par " rétribution garantie ", il faut entendre la rétribution visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 29 juin 1973 accordant une rétribution garantie à certains agents des ministères, et octroyée aux agents qui en matière de sécurité sociale sont soumis uniquement au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé.
[1 § 5. Par "services réellement prestés", il faut entendre:
- les périodes de services réellement prestés;
- les périodes de congé ou d'absence avec maintien de la rémunération intégrale;
- les périodes d'interruption de carrière avec octroi d'une allocation d'interruption à charge de l'Office National de l'Emploi ou d'un autre organisme fédéral:
a) en vue d'assurer des soins palliatifs;
b) pour congé parental;
c) pour assistance ou octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave;
d) pour aidant proche;
- les périodes visées aux articles 5 et 6 de l'arrêté du gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins;
- les périodes:
a) d'écartement préventif du travail pour raisons de santé;
b) du repos de maternité converti;
c) du congé de naissance;
d) du congé d'adoption;
e) du congé parental d'accueil;
f) de congé d'allaitement;
g) du congé de maladie avant épuisement du capital congé de maladie;
h) de prestations réduites pour raisons médicales.
La durée des services visés à l'alinéa 1er est établie conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes.
Par "services effectivement prestés", il faut également entendre:
- les jours équivalents temps plein effectivement prestés visés à l'article 2, 10°, a) et b), de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, convertis en mois;
- les périodes assimilées aux jours équivalents temps plein effectivement prestés visés à l'article 3, § 5, alinéas 3 et 7, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, converties en mois.]1
Wijzigingen
Art. 119 TOEKOMSTIG RECHT. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk moet onder " bijambt " worden verstaan :
1° het ambt dat aanleiding geeft of zou geven tot de toekenning van een pensioen, vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector, voor diensten met onvolledige opdracht en voor hetwelk de in artikel 2, § 1, eerste lid, c), van dit besluit bedoelde verhouding kleiner is dan 5/10;
2° het ambt dat aanleiding heeft gegeven tot de toekenning van een pensioen dat niet werd vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 en dat gedurende de laatste vijf jaar van de loopbaan diensten met onvolledige opdracht heeft omvat waarvan het gemiddelde lager is dan 5/10 van dezelfde diensten met volledige opdracht.
§ 2. Onder " alleenstaande gepensioneerde " moet worden verstaan de ongehuwde, de uit de echt gescheiden of de van tafel en bed gescheiden gepensioneerde van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, evenals de gepensioneerde die weduwnaar of weduwe is.
§ 3. Onder " gewaarborgd minimumbedrag " moet worden verstaan het minimumpensioenbedrag waarop een persoon aanspraak kan maken met toepassing van dit hoofdstuk.
Onder " supplement " moet worden verstaan het bedrag dat bij het nominale pensioenbedrag [2 of het nominale bedrag van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering]2 wordt gevoegd om het gewaarborgd minimumbedrag te bereiken.
§ 4. Onder " gewaarborgde bezoldiging " moet worden verstaan de bezoldiging bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries, die wordt toegekend aan de personeelsleden die, wat betreft de sociale zekerheid, enkel onderworpen zijn aan de regeling inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging.
[1 § 5. Onder "werkelijk gepresteerde diensten" moet worden verstaan:
- de perioden van werkelijk gepresteerde diensten;
- de perioden van verlof of afwezigheid met behoud van de volledige bezoldiging;
- de perioden van loopbaanonderbreking met toekenning van een onderbrekingsuitkering ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of een andere federale instelling:
a) teneinde palliatieve zorg te verstrekken;
b) voor ouderschapsverlof;
c) voor het bijstaan of verzorgen van een gezinslid of een familielid tot in de tweede graad dat lijdt aan een ernstige ziekte;
d) voor mantelzorg;
- de perioden bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onder-brekingsuitkeringen voor zorgkrediet;
- de perioden:
a) van preventieve werkverwijdering om gezondheidsredenen;
b) van omgezette moederschapsrust;
c) van geboorteverlof;
d) van adoptieverlof;
e) van pleegouderverlof;
f) van borstvoedingsverlof;
g) van ziekteverlof vóór de uitputting van het ziektekapitaal;
h) van verminderde prestaties wegens medische redenen.
De duur van de in het eerste lid bedoelde diensten wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht.
Onder "werkelijk gepresteerde diensten" moet eveneens worden verstaan:
- de daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 2, 10°, a) en b), van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden;
- de met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten gelijkgestelde perioden bedoeld in artikel 3, § 5, derde lid en zevende lid, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden.]1
1° het ambt dat aanleiding geeft of zou geven tot de toekenning van een pensioen, vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector, voor diensten met onvolledige opdracht en voor hetwelk de in artikel 2, § 1, eerste lid, c), van dit besluit bedoelde verhouding kleiner is dan 5/10;
2° het ambt dat aanleiding heeft gegeven tot de toekenning van een pensioen dat niet werd vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 en dat gedurende de laatste vijf jaar van de loopbaan diensten met onvolledige opdracht heeft omvat waarvan het gemiddelde lager is dan 5/10 van dezelfde diensten met volledige opdracht.
§ 2. Onder " alleenstaande gepensioneerde " moet worden verstaan de ongehuwde, de uit de echt gescheiden of de van tafel en bed gescheiden gepensioneerde van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, evenals de gepensioneerde die weduwnaar of weduwe is.
§ 3. Onder " gewaarborgd minimumbedrag " moet worden verstaan het minimumpensioenbedrag waarop een persoon aanspraak kan maken met toepassing van dit hoofdstuk.
Onder " supplement " moet worden verstaan het bedrag dat bij het nominale pensioenbedrag [2 of het nominale bedrag van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering]2 wordt gevoegd om het gewaarborgd minimumbedrag te bereiken.
§ 4. Onder " gewaarborgde bezoldiging " moet worden verstaan de bezoldiging bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries, die wordt toegekend aan de personeelsleden die, wat betreft de sociale zekerheid, enkel onderworpen zijn aan de regeling inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging.
[1 § 5. Onder "werkelijk gepresteerde diensten" moet worden verstaan:
- de perioden van werkelijk gepresteerde diensten;
- de perioden van verlof of afwezigheid met behoud van de volledige bezoldiging;
- de perioden van loopbaanonderbreking met toekenning van een onderbrekingsuitkering ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of een andere federale instelling:
a) teneinde palliatieve zorg te verstrekken;
b) voor ouderschapsverlof;
c) voor het bijstaan of verzorgen van een gezinslid of een familielid tot in de tweede graad dat lijdt aan een ernstige ziekte;
d) voor mantelzorg;
- de perioden bedoeld in de artikelen 5 en 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onder-brekingsuitkeringen voor zorgkrediet;
- de perioden:
a) van preventieve werkverwijdering om gezondheidsredenen;
b) van omgezette moederschapsrust;
c) van geboorteverlof;
d) van adoptieverlof;
e) van pleegouderverlof;
f) van borstvoedingsverlof;
g) van ziekteverlof vóór de uitputting van het ziektekapitaal;
h) van verminderde prestaties wegens medische redenen.
De duur van de in het eerste lid bedoelde diensten wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht.
Onder "werkelijk gepresteerde diensten" moet eveneens worden verstaan:
- de daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 2, 10°, a) en b), van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden;
- de met daadwerkelijk gepresteerde voltijdse dagequivalenten gelijkgestelde perioden bedoeld in artikel 3, § 5, derde lid en zevende lid, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden.]1
Art. 119 DROIT FUTUR. § 1. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par " fonction accessoire " :
1° la fonction qui donne ou donnerait lieu à l'octroi d'une pension, fixée conformément à l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public, pour les services à prestations incomplètes et pour laquelle le rapport visé à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, c), de cet arrêté est inférieur à 5/10;
2° la fonction qui a donné lieu à l'octroi d'une pension qui n'a pas été établie conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité et qui a comporté au cours des cinq dernières années de la carrière des services à prestations incomplètes correspondant en moyenne à moins de 5/10 de ces mêmes services à prestations complètes.
§ 2. Par " retraité isolé ", il faut entendre le pensionné masculin ou féminin qui est célibataire, veuf, divorcé ou séparé de corps et de biens.
§ 3. Par " montant minimum garanti ", il faut entendre le montant minimum de pension auquel une personne peut prétendre en application du présent chapitre.
Par " supplément ", il faut entendre le montant qui est ajouté au taux nominal de la pension [2 ou au taux nominal de l'allocation d'inaptitude temporaire de travail]2 pour atteindre le montant minimum garanti.
§ 4. Par " rétribution garantie ", il faut entendre la rétribution visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 29 juin 1973 accordant une rétribution garantie à certains agents des ministères, et octroyée aux agents qui en matière de sécurité sociale sont soumis uniquement au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé.
[1 § 5. Par "services réellement prestés", il faut entendre:
- les périodes de services réellement prestés;
- les périodes de congé ou d'absence avec maintien de la rémunération intégrale;
- les périodes d'interruption de carrière avec octroi d'une allocation d'interruption à charge de l'Office National de l'Emploi ou d'un autre organisme fédéral:
a) en vue d'assurer des soins palliatifs;
b) pour congé parental;
c) pour assistance ou octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave;
d) pour aidant proche;
- les périodes visées aux articles 5 et 6 de l'arrêté du gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins;
- les périodes:
a) d'écartement préventif du travail pour raisons de santé;
b) du repos de maternité converti;
c) du congé de naissance;
d) du congé d'adoption;
e) du congé parental d'accueil;
f) de congé d'allaitement;
g) du congé de maladie avant épuisement du capital congé de maladie;
h) de prestations réduites pour raisons médicales.
La durée des services visés à l'alinéa 1er est établie conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes.
Par "services effectivement prestés", il faut également entendre:
- les jours équivalents temps plein effectivement prestés visés à l'article 2, 10°, a) et b), de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, convertis en mois;
- les périodes assimilées aux jours équivalents temps plein effectivement prestés visés à l'article 3, § 5, alinéas 3 et 7, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, converties en mois.]1
1° la fonction qui donne ou donnerait lieu à l'octroi d'une pension, fixée conformément à l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public, pour les services à prestations incomplètes et pour laquelle le rapport visé à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, c), de cet arrêté est inférieur à 5/10;
2° la fonction qui a donné lieu à l'octroi d'une pension qui n'a pas été établie conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité et qui a comporté au cours des cinq dernières années de la carrière des services à prestations incomplètes correspondant en moyenne à moins de 5/10 de ces mêmes services à prestations complètes.
§ 2. Par " retraité isolé ", il faut entendre le pensionné masculin ou féminin qui est célibataire, veuf, divorcé ou séparé de corps et de biens.
§ 3. Par " montant minimum garanti ", il faut entendre le montant minimum de pension auquel une personne peut prétendre en application du présent chapitre.
Par " supplément ", il faut entendre le montant qui est ajouté au taux nominal de la pension [2 ou au taux nominal de l'allocation d'inaptitude temporaire de travail]2 pour atteindre le montant minimum garanti.
§ 4. Par " rétribution garantie ", il faut entendre la rétribution visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 29 juin 1973 accordant une rétribution garantie à certains agents des ministères, et octroyée aux agents qui en matière de sécurité sociale sont soumis uniquement au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé.
[1 § 5. Par "services réellement prestés", il faut entendre:
- les périodes de services réellement prestés;
- les périodes de congé ou d'absence avec maintien de la rémunération intégrale;
- les périodes d'interruption de carrière avec octroi d'une allocation d'interruption à charge de l'Office National de l'Emploi ou d'un autre organisme fédéral:
a) en vue d'assurer des soins palliatifs;
b) pour congé parental;
c) pour assistance ou octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu'au deuxième degré qui souffre d'une maladie grave;
d) pour aidant proche;
- les périodes visées aux articles 5 et 6 de l'arrêté du gouvernement flamand du 26 juillet 2016 portant octroi d'allocations d'interruption pour crédit-soins;
- les périodes:
a) d'écartement préventif du travail pour raisons de santé;
b) du repos de maternité converti;
c) du congé de naissance;
d) du congé d'adoption;
e) du congé parental d'accueil;
f) de congé d'allaitement;
g) du congé de maladie avant épuisement du capital congé de maladie;
h) de prestations réduites pour raisons médicales.
La durée des services visés à l'alinéa 1er est établie conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes.
Par "services effectivement prestés", il faut également entendre:
- les jours équivalents temps plein effectivement prestés visés à l'article 2, 10°, a) et b), de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, convertis en mois;
- les périodes assimilées aux jours équivalents temps plein effectivement prestés visés à l'article 3, § 5, alinéas 3 et 7, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, converties en mois.]1
Wijzigingen
Afdeling 3. - Minimumbedragen van de rustpensioenen.
Section 3. - Montants minimums des pensions de retraite.
Afdeling 3. TOEKOMSTIG_RECHT. - Minimumbedragen van de rustpensioenen [1 en van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren]1.
Section 3. DROIT_FUTUR. - Montants minimums des pensions de retraite [1 et de l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires]1.
Onderafdeling 1. - Rustpensioenen wegens leeftijd of anciënniteit.
Sous-Section 1. - Pensions de retraite pour raison d'âge ou d'ancienneté.
Art.120. Voor de personen op rust gesteld wegens hun leeftijd of anciënniteit [3 , die de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt en 189 maanden werkelijk gepresteerde diensten kunnen bewijzen,]3 wordt het gewaarborgd minimumbedrag vastgesteld op :
- [2 9.767,00 EUR]2 per jaar voor een alleenstaande gepensioneerde; <KB 2003-06-04/42, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
- [2 12.209,00 EUR]2 per jaar voor een gehuwde gepensioneerde. <KB 2003-06-04/42, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(NOTA : op 1er april 2009, de bedragen "9.413,00 EUR" et "11.766,00 EUR" respectievelijk vervangen door de bedragen 9.601,00 EUR " en " 12.001,00 EUR; zie KB 2009-09-27/21, art. 1, 016; En vigueur : 01-04-2009>
(NOTA: de bedragen "9.601,00 EUR" en "12.001,00 EUR" respectievelijk vervangen:
- op 1 januari 2021, door de bedragen "9.767,00 EUR" en "12.209,00 EUR";
- op 1 januari 2022, door de bedragen "9.936,00 EUR" en "12.420,00 EUR";
- op 1 januari 2023, door de bedragen "10.108,00 EUR" en "12.635,00 EUR";
- op 1 januari 2024, door de bedragen "10.283,00 EUR" en "12.853,00 EUR". <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb"><KB 2020-12-20/13, art. 1, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2021></span></span> )
[3 Indien de loopbaan perioden bevat tijdens welke de betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, dan wordt een lager aantal dan het in het eerste lid bedoelde aantal van 189 maanden werkelijk gepresteerde diensten vereist. Het aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten wordt vastgesteld in functie van de loopbaan:
1° indien de loopbaan meer dan 60 maar minder dan 360 maanden bevat tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, is de vermindering gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen door het product van 100/312 met het verschil tussen het aantal maanden tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen en 60 maanden;
2° indien de loopbaan minstens 360 maanden bevat tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, is het vereiste aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen door het verschil tussen 540 maanden en het aantal maanden tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen te vermenigvuldigen met het product van 250/312 met 30/45.
Voor de vaststelling van de perioden tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, moet eveneens rekening gehouden worden met de perioden bedoeld in artikel 3, § 4, vierde lid, 1° tot en met 4°, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden.]3
- [2 9.767,00 EUR]2 per jaar voor een alleenstaande gepensioneerde; <KB 2003-06-04/42, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
- [2 12.209,00 EUR]2 per jaar voor een gehuwde gepensioneerde. <KB 2003-06-04/42, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(NOTA : op 1er april 2009, de bedragen "9.413,00 EUR" et "11.766,00 EUR" respectievelijk vervangen door de bedragen 9.601,00 EUR " en " 12.001,00 EUR; zie KB 2009-09-27/21, art. 1, 016; En vigueur : 01-04-2009>
(NOTA: de bedragen "9.601,00 EUR" en "12.001,00 EUR" respectievelijk vervangen:
- op 1 januari 2021, door de bedragen "9.767,00 EUR" en "12.209,00 EUR";
- op 1 januari 2022, door de bedragen "9.936,00 EUR" en "12.420,00 EUR";
- op 1 januari 2023, door de bedragen "10.108,00 EUR" en "12.635,00 EUR";
- op 1 januari 2024, door de bedragen "10.283,00 EUR" en "12.853,00 EUR". <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb"><KB 2020-12-20/13, art. 1, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2021></span></span> )
[3 Indien de loopbaan perioden bevat tijdens welke de betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, dan wordt een lager aantal dan het in het eerste lid bedoelde aantal van 189 maanden werkelijk gepresteerde diensten vereist. Het aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten wordt vastgesteld in functie van de loopbaan:
1° indien de loopbaan meer dan 60 maar minder dan 360 maanden bevat tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, is de vermindering gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen door het product van 100/312 met het verschil tussen het aantal maanden tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen en 60 maanden;
2° indien de loopbaan minstens 360 maanden bevat tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, is het vereiste aantal maanden werkelijk gepresteerde diensten gelijk aan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat, bekomen door het verschil tussen 540 maanden en het aantal maanden tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen te vermenigvuldigen met het product van 250/312 met 30/45.
Voor de vaststelling van de perioden tijdens welke betrokkene om gezondheidsredenen geen werkelijk gepresteerde diensten kan bewijzen, moet eveneens rekening gehouden worden met de perioden bedoeld in artikel 3, § 4, vierde lid, 1° tot en met 4°, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van de pensioenen, omgezet in maanden.]3
Art.120. Pour les personnes mises à la retraite en raison de leur âge ou de leur ancienneté [3 , ayant atteint l'âge de 60 ans et pouvant prouver 189 mois de services réellement prestés]3, le montant minimum garanti est fixé :
- pour un retraité isolé, à [2 9.767,00 EUR]2 par an;
- pour un retraité marié, à [2 12.209,00 EUR]2 par an.
(NOTE : au 1er avril 2009, les montants de "9.413,00 EUR" et "11.766,00 EUR" sont respectivement remplacés par 9.601,00 EUR " et " 12.001,00 EUR; voir <AR 2009-09-27/21, art. 1, 016; En vigueur : 01-04-2009>
(NOTE: les montants " 9.601,00 EUR " et " 12.001,00 EUR " sont respectivement remplacés :
- au 1er janvier 2021, par les montants " 9.767,00 EUR " et " 12.209,00 EUR ";
- au 1er janvier 2022, par les montants " 9.936,00 EUR " et " 12.420,00 EUR ";
- au 1er janvier 2023, par les montants " 10.108,00 EUR " et " 12.635,00 EUR ";
- au 1er janvier 2024, par les montants " 10.283,00 EUR " et " 12.853,00 EUR ".)
[3 Si la carrière comporte des périodes au cours desquelles, pour des raisons de santé, l'intéressé ne peut pas prouver de services réellement prestés, un nombre inférieur de mois au nombre de 189 mois de services réellement prestés visé à l'alinéa 1er est requis. Le nombre de mois de services réellement prestés est déterminé en fonction de la carrière:
1° si la carrière comporte plus de 60 mois mais moins de 360 mois au cours desquels, pour des raisons de santé, l'intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés, la réduction est égale au résultat, arrondi à l'unité supérieure, du produit de 100/312 par le résultat de la différence entre le nombre de mois au cours desquels l'intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés pour des raisons de santé et 60 mois;
2° si la carrière comporte au moins 360 mois au cours desquels, pour des raisons de santé, l'intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés, le nombre requis de mois réellement prestés est égal au résultat, arrondi à l'unité supérieure, obtenu en multipliant la différence entre 540 mois et le nombre de mois au cours desquels l'intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés pour des raisons de santé par le produit de 250/312 par 30/45.
Pour la détermination des périodes pendant lesquelles l'intéressé ne peut pas prouver des services effectifs pour des raisons de santé, il faut également tenir compte des périodes visées à l'article 3, § 4, alinéa 4, 1° à 4°, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, converties en mois.]3
- pour un retraité isolé, à [2 9.767,00 EUR]2 par an;
- pour un retraité marié, à [2 12.209,00 EUR]2 par an.
(NOTE : au 1er avril 2009, les montants de "9.413,00 EUR" et "11.766,00 EUR" sont respectivement remplacés par 9.601,00 EUR " et " 12.001,00 EUR; voir <AR 2009-09-27/21, art. 1, 016; En vigueur : 01-04-2009>
(NOTE: les montants " 9.601,00 EUR " et " 12.001,00 EUR " sont respectivement remplacés :
- au 1er janvier 2021, par les montants " 9.767,00 EUR " et " 12.209,00 EUR ";
- au 1er janvier 2022, par les montants " 9.936,00 EUR " et " 12.420,00 EUR ";
- au 1er janvier 2023, par les montants " 10.108,00 EUR " et " 12.635,00 EUR ";
- au 1er janvier 2024, par les montants " 10.283,00 EUR " et " 12.853,00 EUR ".)
[3 Si la carrière comporte des périodes au cours desquelles, pour des raisons de santé, l'intéressé ne peut pas prouver de services réellement prestés, un nombre inférieur de mois au nombre de 189 mois de services réellement prestés visé à l'alinéa 1er est requis. Le nombre de mois de services réellement prestés est déterminé en fonction de la carrière:
1° si la carrière comporte plus de 60 mois mais moins de 360 mois au cours desquels, pour des raisons de santé, l'intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés, la réduction est égale au résultat, arrondi à l'unité supérieure, du produit de 100/312 par le résultat de la différence entre le nombre de mois au cours desquels l'intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés pour des raisons de santé et 60 mois;
2° si la carrière comporte au moins 360 mois au cours desquels, pour des raisons de santé, l'intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés, le nombre requis de mois réellement prestés est égal au résultat, arrondi à l'unité supérieure, obtenu en multipliant la différence entre 540 mois et le nombre de mois au cours desquels l'intéressé ne peut pas prouver des services réellement prestés pour des raisons de santé par le produit de 250/312 par 30/45.
Pour la détermination des périodes pendant lesquelles l'intéressé ne peut pas prouver des services effectifs pour des raisons de santé, il faut également tenir compte des périodes visées à l'article 3, § 4, alinéa 4, 1° à 4°, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions, converties en mois.]3
Onderafdeling 2. - Rustpensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid.
Sous-Section 2. - Pensions de retraite pour cause d'inaptitude physique.
Onderafdeling 2. TOEKOMSTIG_RECHT.1 - Tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor ambtenaren en rustpensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid]1
Sous-Section 2. DROIT_FUTUR.1 - Allocations d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires et pensions de retraite pour cause d'inaptitude physique]1
Art.121. § 1. Voor de personen gepensioneerd wegens lichamelijke ongeschiktheid, of ambtshalve gepensioneerd overeenkomstig artikel 83 van voormelde wet van 5 augustus 1978 [3 of artikel 82 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten]3, wordt het gewaarborgd minimumbedrag vastgesteld op :
1° 50 pct. van de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan met uitsluiting van de elementen van de bezoldiging die niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rustpensioen, voor een alleenstaande gepensioneerde;
2° 62,5 pct. van deze gemiddelde wedde voor een gehuwde gepensioneerde.
§ 2. (De verhogingen van het oorspronkelijk nominale bedrag van het pensioen die toegekend worden met toepassing van artikel 12, § 9, van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, brengen een proportionele verhoging met zich mee van de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde.) <W 2007-04-25/52, art. 57, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde lager is dan [2 19.534,00 EUR]2, wordt ze op dit bedrag gebracht.
(Indien de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde hoger is dan [2 19.534,00 EUR]2 en de totale duur van de voor de berekening van het pensioen in aanmerking komende diensten, afgezien van de bonificaties wegens genoten onderwijs of andere perioden die als diensten worden meegerekend voor de vaststelling van de wedde, maar vermeerderd met de periode begrepen tussen de ingangsdatum van het pensioen en de eerste dag van de maand die volgt op de 65ste verjaardag, minder bedraagt dan 20 jaar, wordt voormelde wedde beperkt tot dat bedrag.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt de duur van de in aanmerking komende diensten vastgesteld zonder rekening te houden met de tijdsinkorting bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht.) <W 2003-02-03/41, art. 29, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. Het gewaarborgde minimumbedrag wegens lichamelijke ongeschiktheid mag noch 75 pct. overschrijden van de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad waarvan de betrokkene titularis was voor zijn opruststelling, noch 100 pct. van de gewaarborgde bezoldiging wanneer het gaat om een alleenstaande gepensioneerde of 125 pct. van deze bezoldiging wanneer het gaat om een gehuwde gepensioneerde.
(NOTA : op 1er april 2009, het bedrag "18.826,00 EUR" is vervangen door het bedrag 19.202,00 EUR; zie KB 2009-09-27/21, art. 2, 016; En vigueur : 01-04-2009> )
(NOTA: het bedrag "19.202,00 EUR" telkens vervangen :
- op 1 januari 2021, door het bedrag "19.534,00 EUR";
- op 1 januari 2022, door het bedrag "19.872,00 EUR";
- op 1 januari 2023, door het bedrag "20.216,00 EUR";
- op 1 januari 2024, door het bedrag "20.565,00 EUR".<span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb"><KB 2020-12-20/13, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2021></span></span> )
1° 50 pct. van de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan met uitsluiting van de elementen van de bezoldiging die niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rustpensioen, voor een alleenstaande gepensioneerde;
2° 62,5 pct. van deze gemiddelde wedde voor een gehuwde gepensioneerde.
§ 2. (De verhogingen van het oorspronkelijk nominale bedrag van het pensioen die toegekend worden met toepassing van artikel 12, § 9, van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, brengen een proportionele verhoging met zich mee van de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde.) <W 2007-04-25/52, art. 57, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde lager is dan [2 19.534,00 EUR]2, wordt ze op dit bedrag gebracht.
(Indien de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde hoger is dan [2 19.534,00 EUR]2 en de totale duur van de voor de berekening van het pensioen in aanmerking komende diensten, afgezien van de bonificaties wegens genoten onderwijs of andere perioden die als diensten worden meegerekend voor de vaststelling van de wedde, maar vermeerderd met de periode begrepen tussen de ingangsdatum van het pensioen en de eerste dag van de maand die volgt op de 65ste verjaardag, minder bedraagt dan 20 jaar, wordt voormelde wedde beperkt tot dat bedrag.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt de duur van de in aanmerking komende diensten vastgesteld zonder rekening te houden met de tijdsinkorting bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht.) <W 2003-02-03/41, art. 29, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. Het gewaarborgde minimumbedrag wegens lichamelijke ongeschiktheid mag noch 75 pct. overschrijden van de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad waarvan de betrokkene titularis was voor zijn opruststelling, noch 100 pct. van de gewaarborgde bezoldiging wanneer het gaat om een alleenstaande gepensioneerde of 125 pct. van deze bezoldiging wanneer het gaat om een gehuwde gepensioneerde.
(NOTA : op 1er april 2009, het bedrag "18.826,00 EUR" is vervangen door het bedrag 19.202,00 EUR; zie KB 2009-09-27/21, art. 2, 016; En vigueur : 01-04-2009> )
(NOTA: het bedrag "19.202,00 EUR" telkens vervangen :
- op 1 januari 2021, door het bedrag "19.534,00 EUR";
- op 1 januari 2022, door het bedrag "19.872,00 EUR";
- op 1 januari 2023, door het bedrag "20.216,00 EUR";
- op 1 januari 2024, door het bedrag "20.565,00 EUR".<span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb"><KB 2020-12-20/13, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2021></span></span> )
Art.121. § 1. Pour les personnes mises à la retraite pour cause d'inaptitude physique ou mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée [3 ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 relative aux éléments essentiels du statut des membres du personnel des services de police et portant diverses autres dispositions relatives aux services de police]3, le montant minimum garanti est fixé :
1° pour un retraité isolé, à 50 p.c. du traitement moyen des cinq dernières années de la carrière à l'exclusion des éléments de la rémunération qui ne sont pas pris en compte pour le calcul de la pension de retraite;
2° pour un retraité marié, à 62,5 p.c. de ce traitement moyen.
§ 2. (Les majorations du montant nominal initial de la pension qui interviennent en application de l'article 12, § 9, de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public, entraînent une majoration proportionnelle du traitement moyen visé au § 1er.) <L 2007-04-25/52, art. 57, 014; En vigueur : 01-06-2007>
§ 3. Lorsque le traitement moyen visé au § 1er est inférieur à [2 19.534,00 EUR]2, il est porté à ce montant.
(Lorsque le traitement moyen visé au § 1er est supérieur à [2 19.534,00 EUR]2 et que la durée totale des services admissibles pour le calcul de la pension, indépendamment des bonifications pour études et des autres périodes bonifiées comme services admissibles pour la détermination du traitement, mais augmentée de la période comprise entre la date de prise de cours de la pension et le premier jour du mois qui suit le 65ème anniversaire, est inférieure à 20 ans, le traitement précité est limité à ce montant.
Pour l'application de l'alinéa 2, la durée des services admissibles est établie abstraction faite de la réduction de temps prévue à l'article 2 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes.) <L 2003-02-03/41, art. 29, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. Le montant minimum garanti pour cause d'inaptitude physique ne peut excéder ni 75 p.c. du maximum de l'échelle barémique attachée au dernier grade dont l'intéressé était titulaire avant sa mise à la retraite, ni 100 p.c. de la rétribution garantie s'il s'agit d'un retraité isolé ou 125 p.c. de cette rétribution s'il s'agit d'un retraité marié.
(NOTE : au 1er avril 2009, le montant de "18.826,00 EUR" est remplacé par 19.202,00 EUR; voir <AR 2009-09-27/21, art. 2, 016; En vigueur : 01-04-2009> )
(NOTE: le montant " 19.202,00 EUR " est chaque fois remplacé :
- au 1er janvier 2021, par le montant " 19.534,00 EUR ";
- au 1er janvier 2022, par le montant " 19.872,00 EUR ";
- au 1er janvier 2023, par le montant " 20.216,00 EUR ";
- au 1er janvier 2024, par le montant " 20.565,00 EUR ".<AR 2020-12-20/13, art. 2, 019; En vigueur : 01-01-2021>)
1° pour un retraité isolé, à 50 p.c. du traitement moyen des cinq dernières années de la carrière à l'exclusion des éléments de la rémunération qui ne sont pas pris en compte pour le calcul de la pension de retraite;
2° pour un retraité marié, à 62,5 p.c. de ce traitement moyen.
§ 2. (Les majorations du montant nominal initial de la pension qui interviennent en application de l'article 12, § 9, de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public, entraînent une majoration proportionnelle du traitement moyen visé au § 1er.) <L 2007-04-25/52, art. 57, 014; En vigueur : 01-06-2007>
§ 3. Lorsque le traitement moyen visé au § 1er est inférieur à [2 19.534,00 EUR]2, il est porté à ce montant.
(Lorsque le traitement moyen visé au § 1er est supérieur à [2 19.534,00 EUR]2 et que la durée totale des services admissibles pour le calcul de la pension, indépendamment des bonifications pour études et des autres périodes bonifiées comme services admissibles pour la détermination du traitement, mais augmentée de la période comprise entre la date de prise de cours de la pension et le premier jour du mois qui suit le 65ème anniversaire, est inférieure à 20 ans, le traitement précité est limité à ce montant.
Pour l'application de l'alinéa 2, la durée des services admissibles est établie abstraction faite de la réduction de temps prévue à l'article 2 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes.) <L 2003-02-03/41, art. 29, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. Le montant minimum garanti pour cause d'inaptitude physique ne peut excéder ni 75 p.c. du maximum de l'échelle barémique attachée au dernier grade dont l'intéressé était titulaire avant sa mise à la retraite, ni 100 p.c. de la rétribution garantie s'il s'agit d'un retraité isolé ou 125 p.c. de cette rétribution s'il s'agit d'un retraité marié.
(NOTE : au 1er avril 2009, le montant de "18.826,00 EUR" est remplacé par 19.202,00 EUR; voir <AR 2009-09-27/21, art. 2, 016; En vigueur : 01-04-2009> )
(NOTE: le montant " 19.202,00 EUR " est chaque fois remplacé :
- au 1er janvier 2021, par le montant " 19.534,00 EUR ";
- au 1er janvier 2022, par le montant " 19.872,00 EUR ";
- au 1er janvier 2023, par le montant " 20.216,00 EUR ";
- au 1er janvier 2024, par le montant " 20.565,00 EUR ".<AR 2020-12-20/13, art. 2, 019; En vigueur : 01-01-2021>)
Art. 121 TOEKOMSTIG RECHT. § 1. [4 Voor de in tijdelijke arbeidsongeschiktheid gestelde personen die een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren genieten en voor de personen die ambtshalve op rust gesteld worden overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten van wie het pensioen ingaat na 31 december 2027, wordt het gewaarborgd minimumbedrag vastgesteld op 50 pct. van de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan met uitsluiting van de elementen van de bezoldiging die niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rustpensioen.
Voor de personen die op rust gesteld worden wegens lichamelijke ongeschiktheid en voor de personen die ambtshalve op rust gesteld worden overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 van wie het pensioen ingaat vóór 1 januari 2028, wordt het gewaarborgd minimumbedrag vastgesteld op:
1° 50 pct. van de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan met uitsluiting van de elementen van de bezoldiging die niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rustpensioen, voor een alleenstaande gepensioneerde;
2° 62,50 pct. van deze gemiddelde wedde voor een gehuwde gepensioneerde.
In afwijking van het tweede lid, is het eerste lid eveneens van toepassing op de personen van wie het rustpensioen werd omgezet in een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren overeenkomstig artikel 41 van de wet van 18 mei 2024 tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren]4.
§ 2. (De verhogingen van het oorspronkelijk nominale bedrag van het pensioen die toegekend worden met toepassing van artikel 12, § 9, van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, brengen een proportionele verhoging met zich mee van de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde.) <W 2007-04-25/52, art. 57, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde lager is dan [2 19.534,00 EUR]2, wordt ze op dit bedrag gebracht.
(Indien de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde hoger is dan [2 19.534,00 EUR]2 en de totale duur van de voor de berekening van het pensioen in aanmerking komende diensten, afgezien van de bonificaties wegens genoten onderwijs of andere perioden die als diensten worden meegerekend voor de vaststelling van de wedde, maar vermeerderd met de periode begrepen tussen de ingangsdatum van het pensioen en de eerste dag van de maand die volgt op de 65ste verjaardag, minder bedraagt dan 20 jaar, wordt voormelde wedde beperkt tot dat bedrag.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt de duur van de in aanmerking komende diensten vastgesteld zonder rekening te houden met de tijdsinkorting bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht.) <W 2003-02-03/41, art. 29, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. [5 Het gewaarborgd minimumbedrag van een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren mag noch 75 pct. overschrijden van de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad waarvan de betrokkene titularis was vóór zijn tijdelijke in arbeidsongeschiktheidstelling, noch 100 pct. van de gewaarborgde bezoldiging.
Het gewaarborgd minimumbedrag voor de personen die ambtshalve op rust gesteld werden overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 van wie het pensioen ingaat na 31 december 2027, mag noch 75 pct. overschrijden van de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad waarvan de betrokkene titularis was voor zijn opruststelling, noch 100 pct. van de gewaarborgde bezoldiging.
Het gewaarborgd minimumbedrag voor de personen die op rust gesteld werden wegens lichamelijke ongeschiktheid en voor de personen die ambtshalve op rust gesteld worden overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 van wie het pensioen ingaat vóór 1 januari 2028, mag noch 75 pct. overschrijden van de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad waarvan de betrokkene titularis was voor zijn opruststelling, noch 100 pct. van de gewaarborgde bezoldiging wanneer het gaat om een alleenstaande gepensioneerde of 125 pct. van deze bezoldiging wanneer het gaat om een gehuwde gepensioneerde]5
Voor de personen die op rust gesteld worden wegens lichamelijke ongeschiktheid en voor de personen die ambtshalve op rust gesteld worden overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 van wie het pensioen ingaat vóór 1 januari 2028, wordt het gewaarborgd minimumbedrag vastgesteld op:
1° 50 pct. van de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan met uitsluiting van de elementen van de bezoldiging die niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het rustpensioen, voor een alleenstaande gepensioneerde;
2° 62,50 pct. van deze gemiddelde wedde voor een gehuwde gepensioneerde.
In afwijking van het tweede lid, is het eerste lid eveneens van toepassing op de personen van wie het rustpensioen werd omgezet in een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren overeenkomstig artikel 41 van de wet van 18 mei 2024 tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren]4.
§ 2. (De verhogingen van het oorspronkelijk nominale bedrag van het pensioen die toegekend worden met toepassing van artikel 12, § 9, van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector, brengen een proportionele verhoging met zich mee van de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde.) <W 2007-04-25/52, art. 57, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 3. Indien de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde lager is dan [2 19.534,00 EUR]2, wordt ze op dit bedrag gebracht.
(Indien de in § 1 bedoelde gemiddelde wedde hoger is dan [2 19.534,00 EUR]2 en de totale duur van de voor de berekening van het pensioen in aanmerking komende diensten, afgezien van de bonificaties wegens genoten onderwijs of andere perioden die als diensten worden meegerekend voor de vaststelling van de wedde, maar vermeerderd met de periode begrepen tussen de ingangsdatum van het pensioen en de eerste dag van de maand die volgt op de 65ste verjaardag, minder bedraagt dan 20 jaar, wordt voormelde wedde beperkt tot dat bedrag.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt de duur van de in aanmerking komende diensten vastgesteld zonder rekening te houden met de tijdsinkorting bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht.) <W 2003-02-03/41, art. 29, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. [5 Het gewaarborgd minimumbedrag van een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren mag noch 75 pct. overschrijden van de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad waarvan de betrokkene titularis was vóór zijn tijdelijke in arbeidsongeschiktheidstelling, noch 100 pct. van de gewaarborgde bezoldiging.
Het gewaarborgd minimumbedrag voor de personen die ambtshalve op rust gesteld werden overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 van wie het pensioen ingaat na 31 december 2027, mag noch 75 pct. overschrijden van de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad waarvan de betrokkene titularis was voor zijn opruststelling, noch 100 pct. van de gewaarborgde bezoldiging.
Het gewaarborgd minimumbedrag voor de personen die op rust gesteld werden wegens lichamelijke ongeschiktheid en voor de personen die ambtshalve op rust gesteld worden overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 van wie het pensioen ingaat vóór 1 januari 2028, mag noch 75 pct. overschrijden van de maximumwedde van de weddeschaal verbonden aan de laatste graad waarvan de betrokkene titularis was voor zijn opruststelling, noch 100 pct. van de gewaarborgde bezoldiging wanneer het gaat om een alleenstaande gepensioneerde of 125 pct. van deze bezoldiging wanneer het gaat om een gehuwde gepensioneerde]5
Wijzigingen
Art. 121 DROIT FUTUR. § 1. [4 Pour les personnes mises en inaptitude temporaire de travail qui bénéficient d'une allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires et pour les personnes mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 relative aux éléments essentiels du statut des membres du personnel des services de police et portant diverses autres dispositions relatives aux services de police dont la pension prend cours après le 31 décembre 2027, le montant minimum garanti est fixé à 50 p.c. du salaire moyen des cinq dernières années de la carrière, à l'exclusion des éléments du salaire qui ne sont pas pris en compte pour le calcul de la pension de retraite.
Pour les personnes mises à la retraite pour cause d'inaptitude physique et pour les personnes mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée dont la pension prend cours avant le 1er janvier 2028, le montant minimum garanti est fixé à:
1° pour un retraité isolé, à 50 p.c. du traitement moyen des cinq dernières années de la carrière à l'exclusion des éléments de la rémunération qui ne sont pas pris en compte pour le calcul de la pension de retraite;
2° pour un retraité marié, à 62,50 p.c. de ce traitement moyen.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'alinéa 1er s'applique également aux personnes dont la pension de retraite a été convertie en allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires conformément à l'article 41 de la loi du 18 mai 2024 instituant l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires]4.
§ 2. (Les majorations du montant nominal initial de la pension qui interviennent en application de l'article 12, § 9, de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public, entraînent une majoration proportionnelle du traitement moyen visé au § 1er.) <L 2007-04-25/52, art. 57, 014; En vigueur : 01-06-2007>
§ 3. Lorsque le traitement moyen visé au § 1er est inférieur à [2 19.534,00 EUR]2, il est porté à ce montant.
(Lorsque le traitement moyen visé au § 1er est supérieur à [2 19.534,00 EUR]2 et que la durée totale des services admissibles pour le calcul de la pension, indépendamment des bonifications pour études et des autres périodes bonifiées comme services admissibles pour la détermination du traitement, mais augmentée de la période comprise entre la date de prise de cours de la pension et le premier jour du mois qui suit le 65ème anniversaire, est inférieure à 20 ans, le traitement précité est limité à ce montant.
Pour l'application de l'alinéa 2, la durée des services admissibles est établie abstraction faite de la réduction de temps prévue à l'article 2 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes.) <L 2003-02-03/41, art. 29, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. [5 Le montant minimum garanti de l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires ne peut excéder ni 75 p.c. du traitement maximum de l'échelle barémique attachée au dernier grade dont l'intéressé était titulaire avant sa mise en inaptitude temporaire de travail, ni 100 p.c. de la rétribution garantie.
Le montant minimum garanti pour les personnes mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée dont la pension prend cours après le 31 décembre 2027, ne peut excéder ni 75 p.c. du traitement maximum de l'échelle barémique attachée au dernier grade dont l'intéressé était titulaire avant sa mise à la retraite, ni 100 p.c. de la rétribution garantie.
Le montant minimum garanti pour les personnes mises à la retraite pour cause d'inaptitude physique et pour les personnes mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée dont la pension prend cours avant le 1er janvier 2028, ne peut excéder ni 75 p.c. du traitement maximum de l'échelle barémique attachée au dernier grade dont l'intéressé était titulaire avant sa mise à la retraite, ni 100 p.c. de la rétribution garantie s'il s'agit d'un retraité isolé ou 125 p.c. de cette rétribution s'il s'agit d'un retraité marié]5.
Pour les personnes mises à la retraite pour cause d'inaptitude physique et pour les personnes mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée dont la pension prend cours avant le 1er janvier 2028, le montant minimum garanti est fixé à:
1° pour un retraité isolé, à 50 p.c. du traitement moyen des cinq dernières années de la carrière à l'exclusion des éléments de la rémunération qui ne sont pas pris en compte pour le calcul de la pension de retraite;
2° pour un retraité marié, à 62,50 p.c. de ce traitement moyen.
Par dérogation à l'alinéa 2, l'alinéa 1er s'applique également aux personnes dont la pension de retraite a été convertie en allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires conformément à l'article 41 de la loi du 18 mai 2024 instituant l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires]4.
§ 2. (Les majorations du montant nominal initial de la pension qui interviennent en application de l'article 12, § 9, de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public, entraînent une majoration proportionnelle du traitement moyen visé au § 1er.) <L 2007-04-25/52, art. 57, 014; En vigueur : 01-06-2007>
§ 3. Lorsque le traitement moyen visé au § 1er est inférieur à [2 19.534,00 EUR]2, il est porté à ce montant.
(Lorsque le traitement moyen visé au § 1er est supérieur à [2 19.534,00 EUR]2 et que la durée totale des services admissibles pour le calcul de la pension, indépendamment des bonifications pour études et des autres périodes bonifiées comme services admissibles pour la détermination du traitement, mais augmentée de la période comprise entre la date de prise de cours de la pension et le premier jour du mois qui suit le 65ème anniversaire, est inférieure à 20 ans, le traitement précité est limité à ce montant.
Pour l'application de l'alinéa 2, la durée des services admissibles est établie abstraction faite de la réduction de temps prévue à l'article 2 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes.) <L 2003-02-03/41, art. 29, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. [5 Le montant minimum garanti de l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires ne peut excéder ni 75 p.c. du traitement maximum de l'échelle barémique attachée au dernier grade dont l'intéressé était titulaire avant sa mise en inaptitude temporaire de travail, ni 100 p.c. de la rétribution garantie.
Le montant minimum garanti pour les personnes mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée dont la pension prend cours après le 31 décembre 2027, ne peut excéder ni 75 p.c. du traitement maximum de l'échelle barémique attachée au dernier grade dont l'intéressé était titulaire avant sa mise à la retraite, ni 100 p.c. de la rétribution garantie.
Le montant minimum garanti pour les personnes mises à la retraite pour cause d'inaptitude physique et pour les personnes mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée dont la pension prend cours avant le 1er janvier 2028, ne peut excéder ni 75 p.c. du traitement maximum de l'échelle barémique attachée au dernier grade dont l'intéressé était titulaire avant sa mise à la retraite, ni 100 p.c. de la rétribution garantie s'il s'agit d'un retraité isolé ou 125 p.c. de cette rétribution s'il s'agit d'un retraité marié]5.
Wijzigingen
Afdeling 4. - Minimumbedragen van de overlevingspensioenen.
Section 4. - Montants minimums des pensions de survie.
Art.122. Voor de langstlevende echtgenoten die recht hebben op een overlevingspensioen, wordt het gewaarborgd minimumbedrag vastgesteld op [2 8.781,00 EUR]2 per jaar. <KB 2003-06-04/42, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
Dit artikel is niet van toepassing op het tijdelijk pensioen bedoeld in artikel 2, § 2, van voormelde wet van 15 mei 1984.
(NOTA : op 1er april 2009, het bedrag "
(NOTA : op 1er april 2009, het bedrag "8.2605,00 EUR" vervangen door het bedrag 8.369,00 EUR; zie KB 2009-09-27/21, art. 3, 016; En vigueur : 01-04-2009> )
(NOTA : het bedrag "8.369,00 EUR" vervangen:
- op 1 januari 2021, door het bedrag "8.781,00 EUR";
- op 1 januari 2022, door het bedrag "9.213,00 EUR";
- op 1 januari 2023, door het bedrag "9.666,00 EUR";
- op 1 januari 2024, door het bedrag "10.143,00 EUR". <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb"><KB 2020-12-20/13, art. 3, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2021></span></span> )
Dit artikel is niet van toepassing op het tijdelijk pensioen bedoeld in artikel 2, § 2, van voormelde wet van 15 mei 1984.
(NOTA : op 1er april 2009, het bedrag "
(NOTA : op 1er april 2009, het bedrag "8.2605,00 EUR" vervangen door het bedrag 8.369,00 EUR; zie KB 2009-09-27/21, art. 3, 016; En vigueur : 01-04-2009> )
(NOTA : het bedrag "8.369,00 EUR" vervangen:
- op 1 januari 2021, door het bedrag "8.781,00 EUR";
- op 1 januari 2022, door het bedrag "9.213,00 EUR";
- op 1 januari 2023, door het bedrag "9.666,00 EUR";
- op 1 januari 2024, door het bedrag "10.143,00 EUR". <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb"><KB 2020-12-20/13, art. 3, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2021></span></span> )
Art.122. Pour les conjoints survivants bénéficiaires d'une pension de survie, le montant minimum garanti est fixé à [2 8.781,00 EUR]2 par an.
Le présent article n'est pas applicable à la pension temporaire prévue à l'article 2, § 2, de la loi du 15 mai 1984 précitée.
(NOTE : au 1er avril 2009, le montant de "8.205,00 EUR" est remplacé par 8.369,00 EUR; voir <AR 2009-09-27/21, art. 3, 016; En vigueur : 01-04-2009>
(NOTE: le montant " 8.369,00 EUR " est remplacé :
- au 1er janvier 2021, par le montant " 8.781,00 EUR ";
- au 1er janvier 2022, par le montant " 9.213,00 EUR ";
- au 1er janvier 2023, par le montant " 9.666,00 EUR ";
- au 1er janvier 2024, par le montant " 10.143,00 EUR ".<AR 2020-12-20/13, art. 3, 019; En vigueur : 01-01-2021> )
Le présent article n'est pas applicable à la pension temporaire prévue à l'article 2, § 2, de la loi du 15 mai 1984 précitée.
(NOTE : au 1er avril 2009, le montant de "8.205,00 EUR" est remplacé par 8.369,00 EUR; voir <AR 2009-09-27/21, art. 3, 016; En vigueur : 01-04-2009>
(NOTE: le montant " 8.369,00 EUR " est remplacé :
- au 1er janvier 2021, par le montant " 8.781,00 EUR ";
- au 1er janvier 2022, par le montant " 9.213,00 EUR ";
- au 1er janvier 2023, par le montant " 9.666,00 EUR ";
- au 1er janvier 2024, par le montant " 10.143,00 EUR ".<AR 2020-12-20/13, art. 3, 019; En vigueur : 01-01-2021> )
Wijzigingen
Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Section 5. - Dispositions communes.
Art.123. [1 De uitbetaling van het uit de toepassing van artikel 120 voortvloeiend supplement wordt stopgezet tijdens de kalenderjaren gedurende welke de gepensioneerde om het even welke winstgevende activiteit uitoefent die hem een jaarlijks bruto-inkomen oplevert dat gelijk is aan of hoger is dan 607,59 EUR.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op het uit de toepassing van artikel 121 voortvloeiend supplement dat wordt toegevoegd aan een rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat vóór 1 januari 2025 of aan een rustpensioen dat ambtshalve wordt toegekend overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 en ingaat vóór 1 januari 2025.
De uitbetaling van een uit de toepassing van artikel 121 voortvloeiend supplement dat wordt toegevoegd aan een rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat na 31 december 2024 of aan een rustpensioen dat ambtshalve wordt toegekend overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 en ingaat na 31 december 2024, wordt, indien de beroepsinkomsten van de gerechtigde voor een bepaald kalenderjaar het overeenkomstig de artikelen 80 en 86 van de programmawet van 28 juni 2013 vastgestelde grensbedrag overschrijden, voor datzelfde jaar, verminderd naar rato van het percentage van de overschrijding.]1
Het eerste lid is eveneens van toepassing op het uit de toepassing van artikel 121 voortvloeiend supplement dat wordt toegevoegd aan een rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat vóór 1 januari 2025 of aan een rustpensioen dat ambtshalve wordt toegekend overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 en ingaat vóór 1 januari 2025.
De uitbetaling van een uit de toepassing van artikel 121 voortvloeiend supplement dat wordt toegevoegd aan een rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat na 31 december 2024 of aan een rustpensioen dat ambtshalve wordt toegekend overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 en ingaat na 31 december 2024, wordt, indien de beroepsinkomsten van de gerechtigde voor een bepaald kalenderjaar het overeenkomstig de artikelen 80 en 86 van de programmawet van 28 juni 2013 vastgestelde grensbedrag overschrijden, voor datzelfde jaar, verminderd naar rato van het percentage van de overschrijding.]1
Art.123. [1 Le supplément découlant de l'application de l'article 120 cesse d'être payé durant les années civiles au cours desquelles le pensionné exerce une activité lucrative quelconque qui lui procure un revenu brut annuel égal ou supérieur à 607,59 euros.
L'alinéa 1er s'applique également au supplément découlant de l'application de l'article 121 ajouté à une pension de retraite pour inaptitude physique prenant cours avant le 1er janvier 2025 ou à une pension de retraite attribuée d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée et prenant cours avant le 1er janvier 2025.
Si, pour une année civile déterminée, les revenus professionnels du bénéficiaire dépassent la limite établie conformément aux articles 80 et 86 de la loi-programme du 28 juin 2013, le supplément découlant de l'application de l'article 121, ajouté à une pension de retraite pour inaptitude physique prenant cours après le 31 décembre 2024 ou à une pension de retraite attribuée d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée et prenant cours après le 31 décembre 2024, est réduit pour la même année au prorata du pourcentage du dépassement.]1
L'alinéa 1er s'applique également au supplément découlant de l'application de l'article 121 ajouté à une pension de retraite pour inaptitude physique prenant cours avant le 1er janvier 2025 ou à une pension de retraite attribuée d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée et prenant cours avant le 1er janvier 2025.
Si, pour une année civile déterminée, les revenus professionnels du bénéficiaire dépassent la limite établie conformément aux articles 80 et 86 de la loi-programme du 28 juin 2013, le supplément découlant de l'application de l'article 121, ajouté à une pension de retraite pour inaptitude physique prenant cours après le 31 décembre 2024 ou à une pension de retraite attribuée d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée et prenant cours après le 31 décembre 2024, est réduit pour la même année au prorata du pourcentage du dépassement.]1
Wijzigingen
Art. 123 TOEKOMSTIG RECHT. [1 De uitbetaling van het uit de toepassing van artikel 120 voortvloeiend supplement wordt stopgezet tijdens de kalenderjaren gedurende welke de gepensioneerde om het even welke winstgevende activiteit uitoefent die hem een jaarlijks bruto-inkomen oplevert dat gelijk is aan of hoger is dan 607,59 EUR.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op het uit de toepassing van artikel 121 voortvloeiend supplement dat wordt toegevoegd aan een rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat vóór 1 januari 2025 of aan een rustpensioen dat ambtshalve wordt toegekend overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 en ingaat vóór 1 januari 2025.
De uitbetaling van een uit de toepassing van artikel 121 voortvloeiend supplement dat wordt toegevoegd aan [2 een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, aan]2 een rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat na 31 december 2024 of aan een rustpensioen dat ambtshalve wordt toegekend overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 en ingaat na 31 december 2024, wordt, indien de beroepsinkomsten van de gerechtigde voor een bepaald kalenderjaar het overeenkomstig de artikelen 80 en 86 van de programmawet van 28 juni 2013 vastgestelde grensbedrag overschrijden, voor datzelfde jaar, verminderd naar rato van het percentage van de overschrijding.]1
[3 In afwijking van het tweede lid, is het derde lid eveneens van toepassing op de personen van wie het rustpensioen werd omgezet in een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren overeenkomstig artikel 41 van de wet van 18 mei 2024 tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren.]3
Het eerste lid is eveneens van toepassing op het uit de toepassing van artikel 121 voortvloeiend supplement dat wordt toegevoegd aan een rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat vóór 1 januari 2025 of aan een rustpensioen dat ambtshalve wordt toegekend overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 en ingaat vóór 1 januari 2025.
De uitbetaling van een uit de toepassing van artikel 121 voortvloeiend supplement dat wordt toegevoegd aan [2 een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, aan]2 een rustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid dat ingaat na 31 december 2024 of aan een rustpensioen dat ambtshalve wordt toegekend overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 en ingaat na 31 december 2024, wordt, indien de beroepsinkomsten van de gerechtigde voor een bepaald kalenderjaar het overeenkomstig de artikelen 80 en 86 van de programmawet van 28 juni 2013 vastgestelde grensbedrag overschrijden, voor datzelfde jaar, verminderd naar rato van het percentage van de overschrijding.]1
[3 In afwijking van het tweede lid, is het derde lid eveneens van toepassing op de personen van wie het rustpensioen werd omgezet in een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren overeenkomstig artikel 41 van de wet van 18 mei 2024 tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren.]3
Art. 123 DROIT FUTUR. [1 Le supplément découlant de l'application de l'article 120 cesse d'être payé durant les années civiles au cours desquelles le pensionné exerce une activité lucrative quelconque qui lui procure un revenu brut annuel égal ou supérieur à 607,59 euros.
L'alinéa 1er s'applique également au supplément découlant de l'application de l'article 121 ajouté à une pension de retraite pour inaptitude physique prenant cours avant le 1er janvier 2025 ou à une pension de retraite attribuée d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée et prenant cours avant le 1er janvier 2025.
Si, pour une année civile déterminée, les revenus professionnels du bénéficiaire dépassent la limite établie conformément aux articles 80 et 86 de la loi-programme du 28 juin 2013, le supplément découlant de l'application de l'article 121, ajouté à [2 une allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires, à]2 une pension de retraite pour inaptitude physique prenant cours après le 31 décembre 2024 ou à une pension de retraite attribuée d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée et prenant cours après le 31 décembre 2024, est réduit pour la même année au prorata du pourcentage du dépassement.]1
[3 Par dérogation à l'alinéa 2, l'alinéa 3 s'applique également aux personnes dont la pension de retraite a été convertie en allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires conformément à l'article 41 de la loi du 18 mai 2024 instituant l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires.]3
L'alinéa 1er s'applique également au supplément découlant de l'application de l'article 121 ajouté à une pension de retraite pour inaptitude physique prenant cours avant le 1er janvier 2025 ou à une pension de retraite attribuée d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée et prenant cours avant le 1er janvier 2025.
Si, pour une année civile déterminée, les revenus professionnels du bénéficiaire dépassent la limite établie conformément aux articles 80 et 86 de la loi-programme du 28 juin 2013, le supplément découlant de l'application de l'article 121, ajouté à [2 une allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires, à]2 une pension de retraite pour inaptitude physique prenant cours après le 31 décembre 2024 ou à une pension de retraite attribuée d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée et prenant cours après le 31 décembre 2024, est réduit pour la même année au prorata du pourcentage du dépassement.]1
[3 Par dérogation à l'alinéa 2, l'alinéa 3 s'applique également aux personnes dont la pension de retraite a été convertie en allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires conformément à l'article 41 de la loi du 18 mai 2024 instituant l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires.]3
Art.124. Het uit de toepassing van artikel 122 voortvloeiende supplement wordt (...) geschorst tijdens de perioden gedurende welke het overlevingspensioen wordt verminderd of geschorst (krachtens de bepalingen [1 van titel 8, hoofdstuk 1 van [2 de programmawet van 28 juni 2013]2]1). <W 1992-12-30/40, art. 80, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1993 + W 1994-04-05/34, art. 21, Inwerkingtreding : 01-01-1994> <W 2003-02-03/41, art. 30, 012; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
Art.124. Le supplément découlant de l'application de l'article 122, (...) cesse d'être payé pendant les périodes durant lesquelles la pension de survie est réduite ou suspendue (en vertu des dispositions [1 du titre 8, chapitre 1er de [2 la loi-programme du 28 juin 2013]2]1). <L 1992-12-30/40, art. 80, 002; En vigueur : 01-01-1993 + L 1994-04-05/34, art. 21, En vigueur : 01-01-1994> <L 2003-02-03/41, art. 30, 012; En vigueur : 01-01-1994>
Art.125. § 1. Indien de rechthebbende op een gewaarborgd minimumbedrag andere rustpensioenen of ouderdomsrenten, respectievelijk overlevingspensioenen of -renten, of als zodanig geldende voordelen geniet ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, worden deze pensioenen, renten en voordelen afgetrokken van het supplement.
Van dit supplement worden ook afgetrokken, de renten, vergoedingen of toelagen toegekend aan de betrokkene krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving tot herstel van de schade voortvloeiend uit een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte, alsook de vergoedingspensioenen van vredestijd toegekend aan de betrokkene.
(Van het supplement worden ook afgetrokken, de primaire ongeschiktheidsuitkeringen, de invaliditeitsuitkeringen, de werkloosheidsvergoedingen of de voordelen van dezelfde aard toegekend aan de betrokkene krachtens een buitenlandse wetgeving.) <W 2003-02-03/41, art. 31, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. Wanneer het gaat om een gehuwde gepensioneerde, worden eveneens van het supplement afgetrokken :
1° de aan zijn echtgenoot door de uitoefening van een beroepsactiviteit toekomende inkomsten;
2° de hierna opgesomde voordelen die zijn echtgenoot geniet :
a) rustpensioenen of ouderdomsrenten, respectievelijk overlevingspensioenen of -renten, of als zodanig geldende voordelen ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving;
b) primaire ongeschiktheidsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of werkloosheidsvergoedingen toegekend krachtens de Belgische wetgeving of voordelen van dezelfde aard toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving;
c) renten, vergoedingen of toelagen toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving tot herstel van de schade voortvloeiend uit een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte;
d) vergoedingspensioenen van vredestijd.
§ 3. Indien een pensioen of rente bedoeld in de §§ 1 of 2 geheel of gedeeltelijk in de vorm van een kapitaal werd uitgekeerd, wordt, voor de toepassing van dit artikel en van artikel 126, rekening gehouden met de fictieve rente overeenstemmend met het vereffend kapitaal.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de voordelen van dezelfde aard als deze bedoeld in de §§ 1 en 2 en die toegekend werden door een instelling van internationaal publiek recht, gelijkgesteld met voordelen ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een buitenlandse wetgeving.
Van dit supplement worden ook afgetrokken, de renten, vergoedingen of toelagen toegekend aan de betrokkene krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving tot herstel van de schade voortvloeiend uit een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte, alsook de vergoedingspensioenen van vredestijd toegekend aan de betrokkene.
(Van het supplement worden ook afgetrokken, de primaire ongeschiktheidsuitkeringen, de invaliditeitsuitkeringen, de werkloosheidsvergoedingen of de voordelen van dezelfde aard toegekend aan de betrokkene krachtens een buitenlandse wetgeving.) <W 2003-02-03/41, art. 31, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. Wanneer het gaat om een gehuwde gepensioneerde, worden eveneens van het supplement afgetrokken :
1° de aan zijn echtgenoot door de uitoefening van een beroepsactiviteit toekomende inkomsten;
2° de hierna opgesomde voordelen die zijn echtgenoot geniet :
a) rustpensioenen of ouderdomsrenten, respectievelijk overlevingspensioenen of -renten, of als zodanig geldende voordelen ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving;
b) primaire ongeschiktheidsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of werkloosheidsvergoedingen toegekend krachtens de Belgische wetgeving of voordelen van dezelfde aard toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving;
c) renten, vergoedingen of toelagen toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving tot herstel van de schade voortvloeiend uit een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte;
d) vergoedingspensioenen van vredestijd.
§ 3. Indien een pensioen of rente bedoeld in de §§ 1 of 2 geheel of gedeeltelijk in de vorm van een kapitaal werd uitgekeerd, wordt, voor de toepassing van dit artikel en van artikel 126, rekening gehouden met de fictieve rente overeenstemmend met het vereffend kapitaal.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de voordelen van dezelfde aard als deze bedoeld in de §§ 1 en 2 en die toegekend werden door een instelling van internationaal publiek recht, gelijkgesteld met voordelen ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een buitenlandse wetgeving.
Art.125. § 1. Lorsque le bénéficiaire d'un montant minimum garanti bénéficie d'autres pensions ou rentes de retraite ou de survie ou d'avantages en tenant lieu, à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation belge ou étrangère, ces pensions, rentes et avantages sont déduits du supplément.
Sont également déduites de ce supplément, les rentes, indemnités ou allocations octroyées à l'intéressé en vertu d'une législation belge ou étrangère en réparation de dommages résultant d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle ainsi que les pensions de réparation du temps de paix accordées à l'intéressé.
(Sont également déduits du supplément, les indemnités d'incapacité primaire, les indemnités d'invalidité, les allocations de chômage ou les avantages de même nature octroyés à l'intéressé en vertu d'une législation étrangère.) <L 2003-02-03/41, art. 31, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. S'il s'agit d'un retraité marié, sont en outre déduits du supplément :
1° les revenus que procure à son conjoint l'exercice d'une activité professionnelle;
2° les avantages énumérés ci-après dont bénéficie son conjoint :
a) les pensions ou rentes de retraite ou de survie ou les avantages en tenant lieu, à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation belge ou étrangère;
b) les indemnités d'incapacité primaire, les indemnités d'invalidité ou les allocations de chômage accordées en vertu de la législation belge ou les avantages de même nature accordés en vertu d'une législation étrangère;
c) les rentes, indemnités ou allocations octroyées en vertu d'une législation belge ou étrangère en réparation de dommages résultant d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle;
d) les pensions de réparation du temps de paix.
§ 3. Si une pension ou une rente visée aux §§ 1er ou 2 a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article et de l'article 126.
§ 4. Pour l'application du présent article, les prestations de même nature que celles visées aux §§ 1er et 2 accordées par une institution de droit international public sont assimilées à des prestations à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation étrangère.
Sont également déduites de ce supplément, les rentes, indemnités ou allocations octroyées à l'intéressé en vertu d'une législation belge ou étrangère en réparation de dommages résultant d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle ainsi que les pensions de réparation du temps de paix accordées à l'intéressé.
(Sont également déduits du supplément, les indemnités d'incapacité primaire, les indemnités d'invalidité, les allocations de chômage ou les avantages de même nature octroyés à l'intéressé en vertu d'une législation étrangère.) <L 2003-02-03/41, art. 31, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. S'il s'agit d'un retraité marié, sont en outre déduits du supplément :
1° les revenus que procure à son conjoint l'exercice d'une activité professionnelle;
2° les avantages énumérés ci-après dont bénéficie son conjoint :
a) les pensions ou rentes de retraite ou de survie ou les avantages en tenant lieu, à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation belge ou étrangère;
b) les indemnités d'incapacité primaire, les indemnités d'invalidité ou les allocations de chômage accordées en vertu de la législation belge ou les avantages de même nature accordés en vertu d'une législation étrangère;
c) les rentes, indemnités ou allocations octroyées en vertu d'une législation belge ou étrangère en réparation de dommages résultant d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle;
d) les pensions de réparation du temps de paix.
§ 3. Si une pension ou une rente visée aux §§ 1er ou 2 a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article et de l'article 126.
§ 4. Pour l'application du présent article, les prestations de même nature que celles visées aux §§ 1er et 2 accordées par une institution de droit international public sont assimilées à des prestations à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation étrangère.
Art. 125 TOEKOMSTIG RECHT. § 1. Indien de rechthebbende op een gewaarborgd minimumbedrag andere rustpensioenen of ouderdomsrenten, respectievelijk overlevingspensioenen of -renten, of als zodanig geldende voordelen geniet ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, worden deze pensioenen, renten en voordelen afgetrokken van het supplement.
Van dit supplement worden ook afgetrokken, de renten, vergoedingen of toelagen toegekend aan de betrokkene krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving tot herstel van de schade voortvloeiend uit een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte, alsook de vergoedingspensioenen van vredestijd toegekend aan de betrokkene.
(Van het supplement worden ook afgetrokken, de primaire ongeschiktheidsuitkeringen, de invaliditeitsuitkeringen, de werkloosheidsvergoedingen of de voordelen van dezelfde aard toegekend aan de betrokkene krachtens een buitenlandse wetgeving.) <W 2003-02-03/41, art. 31, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. Wanneer het gaat om een gehuwde gepensioneerde, worden eveneens van het supplement afgetrokken :
1° de aan zijn echtgenoot door de uitoefening van een beroepsactiviteit toekomende inkomsten;
2° de hierna opgesomde voordelen die zijn echtgenoot geniet :
a) rustpensioenen of ouderdomsrenten, respectievelijk overlevingspensioenen of -renten, of als zodanig geldende voordelen ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving;
b) primaire ongeschiktheidsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of werkloosheidsvergoedingen toegekend krachtens de Belgische wetgeving of voordelen van dezelfde aard toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving;
c) renten, vergoedingen of toelagen toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving tot herstel van de schade voortvloeiend uit een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte;
d) vergoedingspensioenen van vredestijd.
[1 Deze paragraaf is niet van toepassing op de supplementen bedoeld in artikel 121, § 1, eerste lid.]1
§ 3. Indien een pensioen of rente bedoeld in de §§ 1 of 2 geheel of gedeeltelijk in de vorm van een kapitaal werd uitgekeerd, wordt, voor de toepassing van dit artikel en van artikel 126, rekening gehouden met de fictieve rente overeenstemmend met het vereffend kapitaal.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de voordelen van dezelfde aard als deze bedoeld in de §§ 1 en 2 en die toegekend werden door een instelling van internationaal publiek recht, gelijkgesteld met voordelen ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een buitenlandse wetgeving.
Van dit supplement worden ook afgetrokken, de renten, vergoedingen of toelagen toegekend aan de betrokkene krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving tot herstel van de schade voortvloeiend uit een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte, alsook de vergoedingspensioenen van vredestijd toegekend aan de betrokkene.
(Van het supplement worden ook afgetrokken, de primaire ongeschiktheidsuitkeringen, de invaliditeitsuitkeringen, de werkloosheidsvergoedingen of de voordelen van dezelfde aard toegekend aan de betrokkene krachtens een buitenlandse wetgeving.) <W 2003-02-03/41, art. 31, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. Wanneer het gaat om een gehuwde gepensioneerde, worden eveneens van het supplement afgetrokken :
1° de aan zijn echtgenoot door de uitoefening van een beroepsactiviteit toekomende inkomsten;
2° de hierna opgesomde voordelen die zijn echtgenoot geniet :
a) rustpensioenen of ouderdomsrenten, respectievelijk overlevingspensioenen of -renten, of als zodanig geldende voordelen ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving;
b) primaire ongeschiktheidsuitkeringen, invaliditeitsuitkeringen of werkloosheidsvergoedingen toegekend krachtens de Belgische wetgeving of voordelen van dezelfde aard toegekend krachtens een buitenlandse wetgeving;
c) renten, vergoedingen of toelagen toegekend krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving tot herstel van de schade voortvloeiend uit een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte;
d) vergoedingspensioenen van vredestijd.
[1 Deze paragraaf is niet van toepassing op de supplementen bedoeld in artikel 121, § 1, eerste lid.]1
§ 3. Indien een pensioen of rente bedoeld in de §§ 1 of 2 geheel of gedeeltelijk in de vorm van een kapitaal werd uitgekeerd, wordt, voor de toepassing van dit artikel en van artikel 126, rekening gehouden met de fictieve rente overeenstemmend met het vereffend kapitaal.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de voordelen van dezelfde aard als deze bedoeld in de §§ 1 en 2 en die toegekend werden door een instelling van internationaal publiek recht, gelijkgesteld met voordelen ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een buitenlandse wetgeving.
Art. 125 DROIT FUTUR. § 1. Lorsque le bénéficiaire d'un montant minimum garanti bénéficie d'autres pensions ou rentes de retraite ou de survie ou d'avantages en tenant lieu, à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation belge ou étrangère, ces pensions, rentes et avantages sont déduits du supplément.
Sont également déduites de ce supplément, les rentes, indemnités ou allocations octroyées à l'intéressé en vertu d'une législation belge ou étrangère en réparation de dommages résultant d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle ainsi que les pensions de réparation du temps de paix accordées à l'intéressé.
(Sont également déduits du supplément, les indemnités d'incapacité primaire, les indemnités d'invalidité, les allocations de chômage ou les avantages de même nature octroyés à l'intéressé en vertu d'une législation étrangère.) <L 2003-02-03/41, art. 31, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. S'il s'agit d'un retraité marié, sont en outre déduits du supplément :
1° les revenus que procure à son conjoint l'exercice d'une activité professionnelle;
2° les avantages énumérés ci-après dont bénéficie son conjoint :
a) les pensions ou rentes de retraite ou de survie ou les avantages en tenant lieu, à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation belge ou étrangère;
b) les indemnités d'incapacité primaire, les indemnités d'invalidité ou les allocations de chômage accordées en vertu de la législation belge ou les avantages de même nature accordés en vertu d'une législation étrangère;
c) les rentes, indemnités ou allocations octroyées en vertu d'une législation belge ou étrangère en réparation de dommages résultant d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle;
d) les pensions de réparation du temps de paix.
[1 Le présent paragraphe ne s'applique pas aux suppléments visés à l'article 121, § 1er, alinéa 1er.]1
§ 3. Si une pension ou une rente visée aux §§ 1er ou 2 a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article et de l'article 126.
§ 4. Pour l'application du présent article, les prestations de même nature que celles visées aux §§ 1er et 2 accordées par une institution de droit international public sont assimilées à des prestations à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation étrangère.
Sont également déduites de ce supplément, les rentes, indemnités ou allocations octroyées à l'intéressé en vertu d'une législation belge ou étrangère en réparation de dommages résultant d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle ainsi que les pensions de réparation du temps de paix accordées à l'intéressé.
(Sont également déduits du supplément, les indemnités d'incapacité primaire, les indemnités d'invalidité, les allocations de chômage ou les avantages de même nature octroyés à l'intéressé en vertu d'une législation étrangère.) <L 2003-02-03/41, art. 31, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. S'il s'agit d'un retraité marié, sont en outre déduits du supplément :
1° les revenus que procure à son conjoint l'exercice d'une activité professionnelle;
2° les avantages énumérés ci-après dont bénéficie son conjoint :
a) les pensions ou rentes de retraite ou de survie ou les avantages en tenant lieu, à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation belge ou étrangère;
b) les indemnités d'incapacité primaire, les indemnités d'invalidité ou les allocations de chômage accordées en vertu de la législation belge ou les avantages de même nature accordés en vertu d'une législation étrangère;
c) les rentes, indemnités ou allocations octroyées en vertu d'une législation belge ou étrangère en réparation de dommages résultant d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle;
d) les pensions de réparation du temps de paix.
[1 Le présent paragraphe ne s'applique pas aux suppléments visés à l'article 121, § 1er, alinéa 1er.]1
§ 3. Si une pension ou une rente visée aux §§ 1er ou 2 a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article et de l'article 126.
§ 4. Pour l'application du présent article, les prestations de même nature que celles visées aux §§ 1er et 2 accordées par une institution de droit international public sont assimilées à des prestations à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation étrangère.
Wijzigingen
Art.126. § 1. Voor de in artikel 125, § 2, 1°, bedoelde vermindering wordt rekening gehouden met het jaarlijks inkomen.
Onder jaarlijks inkomen moet worden verstaan het werkelijk door de werkgever betaalde of toegekende bruto-inkomen, verminderd met de verplichte inhoudingen gedaan ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut alsook met de forfaitaire beroepskosten die op fiscaal vlak aftrekbaar zijn. Indien het gaat om een beroepsactiviteit uitgeoefend als zelfstandige, is het jaarlijks inkomen datgene dat dient als basis voor de berekening van de voor het lopende jaar verschuldigde sociale bijdragen, verminderd met deze bijdragen.
In geval van regularisatie van voorlopig betaalde bijdragen door een zelfstandige, wordt de in artikel 125, § 2, 1°, bedoelde vermindering herzien, rekening houdend met de voor de definitieve berekening van de sociale bijdragen weerhouden inkomsten.
§ 2. De in artikel 125, § 1, tweede lid, en § 2, 2°, c) en d), bedoelde voordelen komen slechts voor de helft van hun bedrag in aanmerking.
(De in artikel 125, § 1, derde lid, bedoelde voordelen komen slechts voor 80 % van hun bedrag in aanmerking.) <W 2003-02-03/41, art. 32, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 3. Voor de toepassing van artikel 125, § 2, worden de door die bepaling bedoelde inkomsten en voordelen voorafgaandelijk verminderd ten belope van een bedrag gelijk aan 50 pct. van die inkomsten en voordelen, zonder dat dit laatste bedrag (205,00 EUR) per maand mag overschrijden. <KB 2007-07-19/35, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
(Als artikel 130, tweede lid, wordt toegepast, wordt de in het eerste lid bepaalde vrijstelling evenwel niet toegepast op het gedeelte van het pensioen van de echtgenoot dat overeenkomt met het met toepassing van artikel 127 toegekende basisminimumsupplement, dat in aanmerking wordt genomen nadat de in artikel 125, § 1, bedoelde verminderingen erop werden toegepast.) <W 2003-02-03/41, art. 32, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in artikel 125, § 2, 1°, bedoelde inkomen in aanmerking genomen ten belope van één twaalfde van zijn bedrag.
§ 4. (...) <W 2003-02-03/41, art. 85, 15°, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Onder jaarlijks inkomen moet worden verstaan het werkelijk door de werkgever betaalde of toegekende bruto-inkomen, verminderd met de verplichte inhoudingen gedaan ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut alsook met de forfaitaire beroepskosten die op fiscaal vlak aftrekbaar zijn. Indien het gaat om een beroepsactiviteit uitgeoefend als zelfstandige, is het jaarlijks inkomen datgene dat dient als basis voor de berekening van de voor het lopende jaar verschuldigde sociale bijdragen, verminderd met deze bijdragen.
In geval van regularisatie van voorlopig betaalde bijdragen door een zelfstandige, wordt de in artikel 125, § 2, 1°, bedoelde vermindering herzien, rekening houdend met de voor de definitieve berekening van de sociale bijdragen weerhouden inkomsten.
§ 2. De in artikel 125, § 1, tweede lid, en § 2, 2°, c) en d), bedoelde voordelen komen slechts voor de helft van hun bedrag in aanmerking.
(De in artikel 125, § 1, derde lid, bedoelde voordelen komen slechts voor 80 % van hun bedrag in aanmerking.) <W 2003-02-03/41, art. 32, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 3. Voor de toepassing van artikel 125, § 2, worden de door die bepaling bedoelde inkomsten en voordelen voorafgaandelijk verminderd ten belope van een bedrag gelijk aan 50 pct. van die inkomsten en voordelen, zonder dat dit laatste bedrag (205,00 EUR) per maand mag overschrijden. <KB 2007-07-19/35, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
(Als artikel 130, tweede lid, wordt toegepast, wordt de in het eerste lid bepaalde vrijstelling evenwel niet toegepast op het gedeelte van het pensioen van de echtgenoot dat overeenkomt met het met toepassing van artikel 127 toegekende basisminimumsupplement, dat in aanmerking wordt genomen nadat de in artikel 125, § 1, bedoelde verminderingen erop werden toegepast.) <W 2003-02-03/41, art. 32, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Voor de toepassing van het eerste lid wordt het in artikel 125, § 2, 1°, bedoelde inkomen in aanmerking genomen ten belope van één twaalfde van zijn bedrag.
§ 4. (...) <W 2003-02-03/41, art. 85, 15°, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.126. § 1. Pour la déduction visée a l'article 125, § 2, 1°, il est tenu compte du revenu annuel.
Par revenu annuel, il faut entendre le revenu brut effectivement payé ou attribué par l'employeur, diminué des retenues obligatoires effectuées en exécution de la législation sociale ou d'un statut légal ou réglementaire y assimilé ainsi que des charges professionnelles forfaitaires déductibles en matière fiscale. Lorsqu'il s'agit d'une activité professionnelle exercée en qualité de travailleur indépendant, le revenu annuel est celui qui sert de base au calcul des cotisations sociales dues pour l'année en cours, diminué de ces cotisations.
En cas de régularisation de cotisations payées à titre provisoire par un travailleur indépendant, la déduction visée à l'article 125, § 2, 1°, est revue en tenant compte des revenus retenus pour le calcul définitif des cotisations sociales.
§ 2. Les avantages visés à l'article 125, § 1er, alinéa 2, et § 2, 2°, c) et d), n'entrent en ligne de compte qu'à concurrence de la moitié de leur montant.
(Les avantages visés à l'article 125, § 1er, alinéa 3, n'entrent en ligne de compte qu'à concurrence de 80 % de leur montant.) <L 2003-02-03/41, art. 32, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 3. Pour l'application de l'article 125, § 2, les revenus ou avantages visés par cette disposition sont préalablement diminués à concurrence d'un montant égal à 50 p.c. de ces revenus ou avantages, sans que ce dernier montant puisse excéder (205,00 EUR) par mois. <AR 2007-07-19/35, art. 3, 015; En vigueur : 01-10-2006>
(Toutefois, en cas d'application de l'article 130, alinéa 2, l'exonération prévue à l'alinéa 1er ne s'applique pas à la partie de la pension du conjoint correspondant au supplément minimum de base accordé en application de l'article 127, ce supplément étant pris en compte après que les déductions visées à l'article 125, § 1er, y aient été opérées.) <L 2003-02-03/41, art. 32, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Pour l'application de l'alinéa 1er, le revenu visé à l'article 125, § 2, 1°, est pris en considération pour un douzième de son montant.
§ 4. (...) <L 2003-02-03/41, art. 85, 15°, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Par revenu annuel, il faut entendre le revenu brut effectivement payé ou attribué par l'employeur, diminué des retenues obligatoires effectuées en exécution de la législation sociale ou d'un statut légal ou réglementaire y assimilé ainsi que des charges professionnelles forfaitaires déductibles en matière fiscale. Lorsqu'il s'agit d'une activité professionnelle exercée en qualité de travailleur indépendant, le revenu annuel est celui qui sert de base au calcul des cotisations sociales dues pour l'année en cours, diminué de ces cotisations.
En cas de régularisation de cotisations payées à titre provisoire par un travailleur indépendant, la déduction visée à l'article 125, § 2, 1°, est revue en tenant compte des revenus retenus pour le calcul définitif des cotisations sociales.
§ 2. Les avantages visés à l'article 125, § 1er, alinéa 2, et § 2, 2°, c) et d), n'entrent en ligne de compte qu'à concurrence de la moitié de leur montant.
(Les avantages visés à l'article 125, § 1er, alinéa 3, n'entrent en ligne de compte qu'à concurrence de 80 % de leur montant.) <L 2003-02-03/41, art. 32, 012; En vigueur : 01-01-2003>
§ 3. Pour l'application de l'article 125, § 2, les revenus ou avantages visés par cette disposition sont préalablement diminués à concurrence d'un montant égal à 50 p.c. de ces revenus ou avantages, sans que ce dernier montant puisse excéder (205,00 EUR) par mois. <AR 2007-07-19/35, art. 3, 015; En vigueur : 01-10-2006>
(Toutefois, en cas d'application de l'article 130, alinéa 2, l'exonération prévue à l'alinéa 1er ne s'applique pas à la partie de la pension du conjoint correspondant au supplément minimum de base accordé en application de l'article 127, ce supplément étant pris en compte après que les déductions visées à l'article 125, § 1er, y aient été opérées.) <L 2003-02-03/41, art. 32, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Pour l'application de l'alinéa 1er, le revenu visé à l'article 125, § 2, 1°, est pris en considération pour un douzième de son montant.
§ 4. (...) <L 2003-02-03/41, art. 85, 15°, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Art.127. Het totaal van de in toepassing van artikel 125, § 2, uitgevoerde verminderingen wordt beperkt tot het verschil tussen het gewaarborgd minimumpensioenbedrag en 40 pct. van de gewaarborgde bezoldiging.
(Het verschil tussen 40 pct. van de gewaarborgde bezoldiging en het nominaal bedrag van het pensioen vormt het basisminimumsupplement.) <W 2003-02-03/41, art. 33, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(Het verschil tussen 40 pct. van de gewaarborgde bezoldiging en het nominaal bedrag van het pensioen vormt het basisminimumsupplement.) <W 2003-02-03/41, art. 33, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.127. Le total des déductions opérées en application de l'article 125, § 2, est limité à la différence entre le montant minimum garanti de pension et 40 p.c. de la rétribution garantie.
(La différence entre 40 p.c. de la rémunération garantie et le montant nominal de la pension constitue le supplément minimum de base.) <L 2003-02-03/41, art. 33, 012; En vigueur : 01-01-2003>
(La différence entre 40 p.c. de la rémunération garantie et le montant nominal de la pension constitue le supplément minimum de base.) <L 2003-02-03/41, art. 33, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Art.128. § 1. Indien voor de vaststelling van het nominale bedrag van het pensioen de tijdsinkorting bepaald in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 toegepast werd, worden de in artikel 120 bedoelde gewaarborgde minimumbedragen evenals de in de artikelen 121, § 1, 121, § 4, en 127 bepaalde percentages vermenigvuldigd met de in artikel 2, § 1, eerste lid, c), van dit besluit bepaalde verhouding.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal van de in artikel 2, § 1, eerste lid, a) en b), van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 bedoelde in aanmerking komende diensten overeenstemt met ten minste twintig jaar diensten met volledige opdracht.
§ 2. Voor de op de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk lopende rustpensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid die betrekking hebben op loopbanen die diensten met onvolledige opdracht omvatten en die berekend werden zonder toepassing van de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983, worden de in de artikelen 121, § 1 en 4, en 127 bedoelde percentages vermenigvuldigd met de coëfficiënt die zou vastgesteld zijn overeenkomstig artikel 2, § 1, eerste lid, a), van dit besluit indien het van toepassing zou zijn geweest.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het aantal dienstjaren dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, vermenigvuldigd met de in het eerste lid bedoelde coëfficiënt, ten minste twintig bedraagt.
§ 3. In geval van toepassing van dit artikel stemmen de wedden die in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de in artikel 121, § 1, bedoelde gemiddelde wedde, overeen met die welke bepaald zijn in artikel 3 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983.
De uit de toepassing van dit artikel voortvloeiende nieuwe percentages worden vastgesteld tot en met de vierde decimaal.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal van de in artikel 2, § 1, eerste lid, a) en b), van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 bedoelde in aanmerking komende diensten overeenstemt met ten minste twintig jaar diensten met volledige opdracht.
§ 2. Voor de op de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk lopende rustpensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid die betrekking hebben op loopbanen die diensten met onvolledige opdracht omvatten en die berekend werden zonder toepassing van de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983, worden de in de artikelen 121, § 1 en 4, en 127 bedoelde percentages vermenigvuldigd met de coëfficiënt die zou vastgesteld zijn overeenkomstig artikel 2, § 1, eerste lid, a), van dit besluit indien het van toepassing zou zijn geweest.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het aantal dienstjaren dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, vermenigvuldigd met de in het eerste lid bedoelde coëfficiënt, ten minste twintig bedraagt.
§ 3. In geval van toepassing van dit artikel stemmen de wedden die in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de in artikel 121, § 1, bedoelde gemiddelde wedde, overeen met die welke bepaald zijn in artikel 3 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983.
De uit de toepassing van dit artikel voortvloeiende nieuwe percentages worden vastgesteld tot en met de vierde decimaal.
Art.128. § 1. Si pour la fixation du montant nominal de la pension, il a été fait application de la réduction de temps prévue par l'article 2 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité, les montants minimums garantis visés à l'article 120 ainsi que les pourcentages prévus aux articles 121, § 1er, 121, § 4, et 127 sont multipliés par le rapport prévu à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, c), de cet arrêté.
L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le total des services admissibles visés aux a) et b), de l'article 2, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité correspond à au moins vingt années de services à prestations complètes.
§ 2. Pour les pensions de retraite pour inaptitude physique en cours à la date d'entree en vigueur du présent chapitre, afférentes à des carrières comportant des services à prestations incomplètes et qui ont été calculées sans qu'il ait été fait application des dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité, les pourcentages prévus aux articles 121, §§ 1er et 4, et 127 sont multipliés par le coefficient qui aurait été fixé conformément à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, a), de cet arrêté si celui-ci avait été applicable.
L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le nombre d'années de services pris en compte pour le calcul de la pension multiplié par le coefficient visé à l'alinéa 1er atteint au moins vingt.
§ 3. En cas d'application du présent article, les traitements pris en compte pour la détermination du traitement moyen visé à l'article 121, § 1er, sont ceux prévus à l'article 3 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité.
Les nouveaux pourcentages résultant de l'application du présent article sont établis jusqu'à la quatrième décimale inclusivement.
L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le total des services admissibles visés aux a) et b), de l'article 2, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité correspond à au moins vingt années de services à prestations complètes.
§ 2. Pour les pensions de retraite pour inaptitude physique en cours à la date d'entree en vigueur du présent chapitre, afférentes à des carrières comportant des services à prestations incomplètes et qui ont été calculées sans qu'il ait été fait application des dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité, les pourcentages prévus aux articles 121, §§ 1er et 4, et 127 sont multipliés par le coefficient qui aurait été fixé conformément à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, a), de cet arrêté si celui-ci avait été applicable.
L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le nombre d'années de services pris en compte pour le calcul de la pension multiplié par le coefficient visé à l'alinéa 1er atteint au moins vingt.
§ 3. En cas d'application du présent article, les traitements pris en compte pour la détermination du traitement moyen visé à l'article 121, § 1er, sont ceux prévus à l'article 3 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité.
Les nouveaux pourcentages résultant de l'application du présent article sont établis jusqu'à la quatrième décimale inclusivement.
Art. 128 TOEKOMSTIG RECHT. § 1. Indien voor de vaststelling van het nominale bedrag van het pensioen [1 of van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren]1 de tijdsinkorting bepaald in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 toegepast werd, worden de in artikel 120 bedoelde gewaarborgde minimumbedragen evenals de in de artikelen 121, § 1, 121, § 4, en 127 bepaalde percentages vermenigvuldigd met de in artikel 2, § 1, eerste lid, c), van dit besluit bepaalde verhouding.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal van de in artikel 2, § 1, eerste lid, a) en b), van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 bedoelde in aanmerking komende diensten overeenstemt met ten minste twintig jaar diensten met volledige opdracht.
§ 2. Voor de op de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk lopende rustpensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid die betrekking hebben op loopbanen die diensten met onvolledige opdracht omvatten en die berekend werden zonder toepassing van de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983, worden de in de artikelen 121, § 1 en 4, en 127 bedoelde percentages vermenigvuldigd met de coëfficiënt die zou vastgesteld zijn overeenkomstig artikel 2, § 1, eerste lid, a), van dit besluit indien het van toepassing zou zijn geweest.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het aantal dienstjaren dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, vermenigvuldigd met de in het eerste lid bedoelde coëfficiënt, ten minste twintig bedraagt.
§ 3. In geval van toepassing van dit artikel stemmen de wedden die in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de in artikel 121, § 1, bedoelde gemiddelde wedde, overeen met die welke bepaald zijn in artikel 3 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983.
De uit de toepassing van dit artikel voortvloeiende nieuwe percentages worden vastgesteld tot en met de vierde decimaal.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal van de in artikel 2, § 1, eerste lid, a) en b), van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 bedoelde in aanmerking komende diensten overeenstemt met ten minste twintig jaar diensten met volledige opdracht.
§ 2. Voor de op de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk lopende rustpensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid die betrekking hebben op loopbanen die diensten met onvolledige opdracht omvatten en die berekend werden zonder toepassing van de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983, worden de in de artikelen 121, § 1 en 4, en 127 bedoelde percentages vermenigvuldigd met de coëfficiënt die zou vastgesteld zijn overeenkomstig artikel 2, § 1, eerste lid, a), van dit besluit indien het van toepassing zou zijn geweest.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het aantal dienstjaren dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het pensioen, vermenigvuldigd met de in het eerste lid bedoelde coëfficiënt, ten minste twintig bedraagt.
§ 3. In geval van toepassing van dit artikel stemmen de wedden die in aanmerking worden genomen voor de vaststelling van de in artikel 121, § 1, bedoelde gemiddelde wedde, overeen met die welke bepaald zijn in artikel 3 van voormeld koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983.
De uit de toepassing van dit artikel voortvloeiende nieuwe percentages worden vastgesteld tot en met de vierde decimaal.
Art. 128 DROIT FUTUR. § 1. Si pour la fixation du montant nominal de la pension [1 ou de l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires]1, il a été fait application de la réduction de temps prévue par l'article 2 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité, les montants minimums garantis visés à l'article 120 ainsi que les pourcentages prévus aux articles 121, § 1er, 121, § 4, et 127 sont multipliés par le rapport prévu à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, c), de cet arrêté.
L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le total des services admissibles visés aux a) et b), de l'article 2, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité correspond à au moins vingt années de services à prestations complètes.
§ 2. Pour les pensions de retraite pour inaptitude physique en cours à la date d'entree en vigueur du présent chapitre, afférentes à des carrières comportant des services à prestations incomplètes et qui ont été calculées sans qu'il ait été fait application des dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité, les pourcentages prévus aux articles 121, §§ 1er et 4, et 127 sont multipliés par le coefficient qui aurait été fixé conformément à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, a), de cet arrêté si celui-ci avait été applicable.
L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le nombre d'années de services pris en compte pour le calcul de la pension multiplié par le coefficient visé à l'alinéa 1er atteint au moins vingt.
§ 3. En cas d'application du présent article, les traitements pris en compte pour la détermination du traitement moyen visé à l'article 121, § 1er, sont ceux prévus à l'article 3 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité.
Les nouveaux pourcentages résultant de l'application du présent article sont établis jusqu'à la quatrième décimale inclusivement.
L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le total des services admissibles visés aux a) et b), de l'article 2, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité correspond à au moins vingt années de services à prestations complètes.
§ 2. Pour les pensions de retraite pour inaptitude physique en cours à la date d'entree en vigueur du présent chapitre, afférentes à des carrières comportant des services à prestations incomplètes et qui ont été calculées sans qu'il ait été fait application des dispositions de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité, les pourcentages prévus aux articles 121, §§ 1er et 4, et 127 sont multipliés par le coefficient qui aurait été fixé conformément à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, a), de cet arrêté si celui-ci avait été applicable.
L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le nombre d'années de services pris en compte pour le calcul de la pension multiplié par le coefficient visé à l'alinéa 1er atteint au moins vingt.
§ 3. En cas d'application du présent article, les traitements pris en compte pour la détermination du traitement moyen visé à l'article 121, § 1er, sont ceux prévus à l'article 3 de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 précité.
Les nouveaux pourcentages résultant de l'application du présent article sont établis jusqu'à la quatrième décimale inclusivement.
Wijzigingen
Art.129. De personen op rust gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid of ambtshalve op rust gesteld overeenkomstig artikel 83 van voormelde wet van 5 augustus 1978, en die, op het ogenblik van hun opruststelling, de voorwaarden inzake leeftijd en inzake duur van de dienst vervullen om aanspraak te kunnen maken op het in artikel 120 voorziene minimum, ontvangen dit laatste minimum indien dit voordeliger is dan dat waarop zij aanspraak zouden kunnen maken in toepassing van artikel 121.
De in het eerste lid bedoelde personen die het voordeel van artikel 120 hebben verkregen, kunnen later geen aanspraak meer maken op het voordeel van artikel 121.
De in het eerste lid bedoelde personen die het voordeel van artikel 120 hebben verkregen, kunnen later geen aanspraak meer maken op het voordeel van artikel 121.
Art.129. Les personnes mises à la retraite pour cause d'inaptitude physique ou mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée, et qui, au moment de leur mise à la retraite remplissent les conditions d'âge et de durée de services pour pouvoir prétendre au minimum prévu à l'article 120, obtiennent ce dernier minimum s'il est plus favorable que celui auquel elles pourraient prétendre en application de l'article 121.
Les personnes visées à l'alinéa 1er qui ont obtenu le bénéfice de l'article 120, ne peuvent plus ultérieurement prétendre au bénéfice de l'article 121.
Les personnes visées à l'alinéa 1er qui ont obtenu le bénéfice de l'article 120, ne peuvent plus ultérieurement prétendre au bénéfice de l'article 121.
Art.130. Wanneer ten aanzien van eenzelfde persoon meerdere pensioenen aanleiding kunnen geven tot het voordeel van de artikelen 120, 121 of 122, wordt enkel de bepaling toegepast die het recht opent op het hoogste gewaarborgd minimumbedrag; indien dit bedrag identiek is voor elk pensioen, wordt het enkel toegekend voor het pensioen waarvan het nominale bedrag het laagste is.
(Wanneer gehuwde gepensioneerden beiden kunnen aanspraak maken op één van de in de artikelen 120 of 121 bedoelde gewaarborgde minimumbedragen :
- wordt het basisminimumsupplement voortvloeiend uit de toepassing van artikel 127 eventueel toegekend aan ieder van de echtgenoten;
- wordt het supplement of het gedeelte daarvan dat het basisminimumsupplement overschrijdt enkel toegekend aan de echtgenoot voor wie dit hoofdstuk het voordeligste is, rekening houdend zowel met het gewaarborgde minimumbedrag waarop ieder van de echtgenoten aanspraak kan maken, als met de inkomsten of voordelen van ieder van de echtgenoten, bedoeld in artikel 125, § 2, en zoals ze in aanmerking genomen worden na toepassing van artikel 126, § 3.
Indien ingevolge de toepassing van het tweede lid onverschuldigde bedragen werden betaald aan één van de echtgenoten, kunnen die worden afgetrokken van de vervallen en nog niet aan de andere echtgenoot betaalde bedragen. Deze compensatie mag in geen enkel geval betrekking hebben op bedragen die ten onrechte werden uitbetaald meer dan tien jaar vóór de datum waarop zij wordt uitgevoerd.) <W 2003-02-03/41, art. 34, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(Wanneer gehuwde gepensioneerden beiden kunnen aanspraak maken op één van de in de artikelen 120 of 121 bedoelde gewaarborgde minimumbedragen :
- wordt het basisminimumsupplement voortvloeiend uit de toepassing van artikel 127 eventueel toegekend aan ieder van de echtgenoten;
- wordt het supplement of het gedeelte daarvan dat het basisminimumsupplement overschrijdt enkel toegekend aan de echtgenoot voor wie dit hoofdstuk het voordeligste is, rekening houdend zowel met het gewaarborgde minimumbedrag waarop ieder van de echtgenoten aanspraak kan maken, als met de inkomsten of voordelen van ieder van de echtgenoten, bedoeld in artikel 125, § 2, en zoals ze in aanmerking genomen worden na toepassing van artikel 126, § 3.
Indien ingevolge de toepassing van het tweede lid onverschuldigde bedragen werden betaald aan één van de echtgenoten, kunnen die worden afgetrokken van de vervallen en nog niet aan de andere echtgenoot betaalde bedragen. Deze compensatie mag in geen enkel geval betrekking hebben op bedragen die ten onrechte werden uitbetaald meer dan tien jaar vóór de datum waarop zij wordt uitgevoerd.) <W 2003-02-03/41, art. 34, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.130. Lorsque dans le chef d'une même personne, plusieurs pensions peuvent donner lieu au bénéfice des articles 120, 121 ou 122, seule est appliquée la disposition qui ouvre le droit au montant minimum garanti le plus élevé; si ce montant est identique pour chacune des pensions, il est uniquement accordé pour la pension dont le taux nominal est le moins élevé.
(Lorsque des pensionnés mariés peuvent chacun prétendre à un des montants minimums garantis prévus aux articles 120 ou 121 :
- le supplément minimum de base résultant de l'application de l'article 127 est, le cas échéant, accordé à chacun des conjoints;
- le supplément ou la partie de celui-ci qui excède le supplément minimum de base n'est accordé qu'à celui des conjoints pour lequel le présent chapitre produit les effets les plus favorables, compte tenu tant du montant minimum garanti auquel chacun des conjoints peut prétendre, que des revenus ou avantages visés à l'article 125, § 2, tels qu'ils sont pris en considération après application de l'article 126, § 3, dont bénéficie chacun de ces conjoints.
Lorsque, suite à l'application de l'alinéa 2, des montants ont été payés indûment à l'un des conjoints, ceux-ci peuvent être déduits des sommes échues et non encore payées à l'autre conjoint. Cette compensation ne peut en aucun cas porter sur des montants payés indûment plus de dix ans avant la date à laquelle elle est opérée.) <L 2003-02-03/41, art. 34, 012; En vigueur : 01-01-2003>
(Lorsque des pensionnés mariés peuvent chacun prétendre à un des montants minimums garantis prévus aux articles 120 ou 121 :
- le supplément minimum de base résultant de l'application de l'article 127 est, le cas échéant, accordé à chacun des conjoints;
- le supplément ou la partie de celui-ci qui excède le supplément minimum de base n'est accordé qu'à celui des conjoints pour lequel le présent chapitre produit les effets les plus favorables, compte tenu tant du montant minimum garanti auquel chacun des conjoints peut prétendre, que des revenus ou avantages visés à l'article 125, § 2, tels qu'ils sont pris en considération après application de l'article 126, § 3, dont bénéficie chacun de ces conjoints.
Lorsque, suite à l'application de l'alinéa 2, des montants ont été payés indûment à l'un des conjoints, ceux-ci peuvent être déduits des sommes échues et non encore payées à l'autre conjoint. Cette compensation ne peut en aucun cas porter sur des montants payés indûment plus de dix ans avant la date à laquelle elle est opérée.) <L 2003-02-03/41, art. 34, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 130 TOEKOMSTIG RECHT. Wanneer ten aanzien van eenzelfde persoon [1 meerdere pensioenen of tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor ambtenaren]1 aanleiding kunnen geven tot het voordeel van de artikelen 120, 121 of 122, wordt enkel de bepaling toegepast die het recht opent op het hoogste gewaarborgd minimumbedrag; indien dit bedrag identiek is [1 voor alle pensioenen of tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, wordt het enkel toegekend voor het pensioen of de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering]1 waarvan het nominale bedrag het laagste is.
(Wanneer gehuwde gepensioneerden beiden kunnen aanspraak maken op één van de in de artikelen 120 of 121 bedoelde gewaarborgde minimumbedragen :
- wordt het basisminimumsupplement voortvloeiend uit de toepassing van artikel 127 eventueel toegekend aan ieder van de echtgenoten;
- wordt het supplement of het gedeelte daarvan dat het basisminimumsupplement overschrijdt enkel toegekend aan de echtgenoot voor wie dit hoofdstuk het voordeligste is, rekening houdend zowel met het gewaarborgde minimumbedrag waarop ieder van de echtgenoten aanspraak kan maken, als met de inkomsten of voordelen van ieder van de echtgenoten, bedoeld in artikel 125, § 2, en zoals ze in aanmerking genomen worden na toepassing van artikel 126, § 3.
Indien ingevolge de toepassing van het tweede lid onverschuldigde bedragen werden betaald aan één van de echtgenoten, kunnen die worden afgetrokken van de vervallen en nog niet aan de andere echtgenoot betaalde bedragen. Deze compensatie mag in geen enkel geval betrekking hebben op bedragen die ten onrechte werden uitbetaald meer dan tien jaar vóór de datum waarop zij wordt uitgevoerd.) <W 2003-02-03/41, art. 34, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(Wanneer gehuwde gepensioneerden beiden kunnen aanspraak maken op één van de in de artikelen 120 of 121 bedoelde gewaarborgde minimumbedragen :
- wordt het basisminimumsupplement voortvloeiend uit de toepassing van artikel 127 eventueel toegekend aan ieder van de echtgenoten;
- wordt het supplement of het gedeelte daarvan dat het basisminimumsupplement overschrijdt enkel toegekend aan de echtgenoot voor wie dit hoofdstuk het voordeligste is, rekening houdend zowel met het gewaarborgde minimumbedrag waarop ieder van de echtgenoten aanspraak kan maken, als met de inkomsten of voordelen van ieder van de echtgenoten, bedoeld in artikel 125, § 2, en zoals ze in aanmerking genomen worden na toepassing van artikel 126, § 3.
Indien ingevolge de toepassing van het tweede lid onverschuldigde bedragen werden betaald aan één van de echtgenoten, kunnen die worden afgetrokken van de vervallen en nog niet aan de andere echtgenoot betaalde bedragen. Deze compensatie mag in geen enkel geval betrekking hebben op bedragen die ten onrechte werden uitbetaald meer dan tien jaar vóór de datum waarop zij wordt uitgevoerd.) <W 2003-02-03/41, art. 34, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 130 DROIT FUTUR. Lorsque dans le chef d'une même personne, [1 plusieurs pensions ou allocations d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires]1 peuvent donner lieu au bénéfice des articles 120, 121 ou 122, seule est appliquée la disposition qui ouvre le droit au montant minimum garanti le plus élevé; si ce montant est identique [1 pour toutes les pensions ou allocations d'inaptitude temporaire de travail, il est uniquement accordé pour la pension ou l'allocation d'inaptitude temporaire de travail]1 dont le taux nominal est le moins élevé.
(Lorsque des pensionnés mariés peuvent chacun prétendre à un des montants minimums garantis prévus aux articles 120 ou 121 :
- le supplément minimum de base résultant de l'application de l'article 127 est, le cas échéant, accordé à chacun des conjoints;
- le supplément ou la partie de celui-ci qui excède le supplément minimum de base n'est accordé qu'à celui des conjoints pour lequel le présent chapitre produit les effets les plus favorables, compte tenu tant du montant minimum garanti auquel chacun des conjoints peut prétendre, que des revenus ou avantages visés à l'article 125, § 2, tels qu'ils sont pris en considération après application de l'article 126, § 3, dont bénéficie chacun de ces conjoints.
Lorsque, suite à l'application de l'alinéa 2, des montants ont été payés indûment à l'un des conjoints, ceux-ci peuvent être déduits des sommes échues et non encore payées à l'autre conjoint. Cette compensation ne peut en aucun cas porter sur des montants payés indûment plus de dix ans avant la date à laquelle elle est opérée.) <L 2003-02-03/41, art. 34, 012; En vigueur : 01-01-2003>
(Lorsque des pensionnés mariés peuvent chacun prétendre à un des montants minimums garantis prévus aux articles 120 ou 121 :
- le supplément minimum de base résultant de l'application de l'article 127 est, le cas échéant, accordé à chacun des conjoints;
- le supplément ou la partie de celui-ci qui excède le supplément minimum de base n'est accordé qu'à celui des conjoints pour lequel le présent chapitre produit les effets les plus favorables, compte tenu tant du montant minimum garanti auquel chacun des conjoints peut prétendre, que des revenus ou avantages visés à l'article 125, § 2, tels qu'ils sont pris en considération après application de l'article 126, § 3, dont bénéficie chacun de ces conjoints.
Lorsque, suite à l'application de l'alinéa 2, des montants ont été payés indûment à l'un des conjoints, ceux-ci peuvent être déduits des sommes échues et non encore payées à l'autre conjoint. Cette compensation ne peut en aucun cas porter sur des montants payés indûment plus de dix ans avant la date à laquelle elle est opérée.) <L 2003-02-03/41, art. 34, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Wijzigingen
Art.131. Het supplement is niet verschuldigd gedurende de gehele kalendermaanden tijdens welke de gepensioneerde opgesloten werd in een gevangenis of geïnterneerd werd in een inrichting tot bescherming van de maatschappij of in een bedelaarskolonie.
Het supplement blijft evenwel verschuldigd voor de duur van de voorlopige hechtenis, indien deze onwettig of onwerkzaam blijkt.
Het supplement blijft evenwel verschuldigd voor de duur van de voorlopige hechtenis, indien deze onwettig of onwerkzaam blijkt.
Art.131. Le supplément n'est pas dû pendant les mois civils entiers durant lesquels le pensionné a été incarcéré dans une prison ou interné dans un établissement de défense sociale ou dans un dépôt de mendicité.
Le supplément reste toutefois dû pour la période de la détention préventive, si celle-ci se révèle illégale ou inopérante.
Le supplément reste toutefois dû pour la période de la détention préventive, si celle-ci se révèle illégale ou inopérante.
Art.132. § 1. De in de artikelen 120, 121, § 3, 122, 123 en 126, § 3, bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01. De in de artikelen 120, 122, 123 en 126, § 3, bedoelde bedragen evenals het uit de toepassing van artikel 121 voortvloeiende supplement volgen de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt, wat betreft het in artikel 123 bedoelde bedrag, verwezen naar het spilindexcijfer dat op 1 januari van het kalenderjaar in kwestie van kracht is.
§ 2. De in de artikelen 120, 121, § 3, 122, 123 en 126, § 3, bedoelde bedragen kunnen worden verhoogd door de Koning.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt, wat betreft het in artikel 123 bedoelde bedrag, verwezen naar het spilindexcijfer dat op 1 januari van het kalenderjaar in kwestie van kracht is.
§ 2. De in de artikelen 120, 121, § 3, 122, 123 en 126, § 3, bedoelde bedragen kunnen worden verhoogd door de Koning.
Art.132. § 1. Les montants visés aux articles 120, 121, § 3, 122, 123 et 126, § 3, sont liés à l'indice-pivot 138,01. Les montants visés aux articles 120, 122, 123 et 126, § 3, ainsi que le supplément découlant de l'application de l'article 121 varient en fonction de l'evolution de l'indice des prix à la consommation de la même manière que les pensions de retraite et de survie à charge du Trésor public.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il est fait référence, en ce qui concerne le montant visé à l'article 123, à l'indice-pivot en vigueur le 1er janvier de l'année civile considérée.
§ 2. Les montants visés aux articles 120, 121, § 3, 122, 123 et 126, § 3, peuvent être majorés par le Roi.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il est fait référence, en ce qui concerne le montant visé à l'article 123, à l'indice-pivot en vigueur le 1er janvier de l'année civile considérée.
§ 2. Les montants visés aux articles 120, 121, § 3, 122, 123 et 126, § 3, peuvent être majorés par le Roi.
Art.133. Het voordeel van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt slechts toegekend op aanvraag van de betrokkenen. Deze aanvraag moet gericht worden tot de instelling die het pensioenstelsel waaraan de betrokkenen onderworpen zijn, beheert.
Art.133. Le bénéfice des dispositions du présent chapitre n'est accordé qu'à la demande des intéressés. Cette demande doit être adressée à l'autorité qui gère le régime de pension auquel les intéressés sont soumis.
Afdeling 6. - Supplement toegekend in geval van een zware handicap.
Section 6. - Supplément accordé en cas de handicap grave.
Art.134. § 1. Een forfaitair supplement van (1.215,18 EUR) per jaar, dat wordt toegevoegd aan het nominale bedrag of aan het gewaarborgd minimumbedrag van het pensioen, wordt toegekend aan de personen die gepensioneerd werden wegens lichamelijke ongeschiktheid ten gevolge van een zware handicap die opgelopen werd tijdens de loopbaan en waardoor [1 ...]1 een einde werd gemaakt aan hun diensten. Dit supplement wordt eveneens verleend aan de personen die overeenkomstig artikel 83 van voormelde wet van 5 augustus 1978 (of overeenkomstig artikel 82 van de wet van 26 april 2002 houdende essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten) ambtshalve gepensioneerd zijn en wier afwezigheid wegens ziekte vóór hun pensionering te wijten is aan een zware handicap die tijdens de loopbaan is opgelopen. <KB 2000-07-20/64, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <W 2007-04-25/52, art. 21, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Het in het eerste lid bepaalde voordeel is alleen bestemd voor degenen voor wie het verlies van de graad van zelfredzaamheid als gevolg van de zware handicap op ten minste 12 punten wordt vastgesteld volgens de wijze van evaluatie voorgeschreven door het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming.
§ 2. De Koning bepaalt de modaliteiten en de procedure die van toepassing zijn op de toekenning van het in § 1 bedoelde supplement. Hij kan het bedrag van dit supplement verhogen.
Het in het eerste lid bepaalde voordeel is alleen bestemd voor degenen voor wie het verlies van de graad van zelfredzaamheid als gevolg van de zware handicap op ten minste 12 punten wordt vastgesteld volgens de wijze van evaluatie voorgeschreven door het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming.
§ 2. De Koning bepaalt de modaliteiten en de procedure die van toepassing zijn op de toekenning van het in § 1 bedoelde supplement. Hij kan het bedrag van dit supplement verhogen.
Art.134. § 1. Un supplément forfaitaire de (1.215,18 EUR) par an, s'ajoutant au taux nominal ou au montant minimum garanti de la pension, est accordé aux personnes qui sont mises à la retraite pour cause d'inaptitude physique à la suite d'un handicap grave qui est survenu au cours de la carrière et qui les a écartées [1 ...]1 du service. Ce supplément est également accordé aux personnes mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée (ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 relative aux éléments essentiels du statut des membres du personnel des services de police et portant diverses autres dispositions relatives aux services de police) et pour lesquelles les absences pour cause de maladie précédant la mise à la retraite résultent d'un handicap grave survenu au cours de la carrière. <AR 2000-07-20/64, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-2002> <L 2007-04-25/52, art. 21, 014; En vigueur : 01-06-2007>
Le bénéfice de l'alinéa 1er est réservé aux personnes pour lesquelles la perte du degré d'autonomie résultant du handicap grave est fixée à 12 points au moins selon le mode d'évaluation prévu par l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration.
§ 2. Le Roi fixe les modalités ainsi que la procédure d'octroi du supplément prévu au § 1er. Il peut majorer le montant de ce supplément.
Le bénéfice de l'alinéa 1er est réservé aux personnes pour lesquelles la perte du degré d'autonomie résultant du handicap grave est fixée à 12 points au moins selon le mode d'évaluation prévu par l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration.
§ 2. Le Roi fixe les modalités ainsi que la procédure d'octroi du supplément prévu au § 1er. Il peut majorer le montant de ce supplément.
Wijzigingen
Art. 134 TOEKOMSTIG RECHT. § 1. [2 Een forfaitair supplement van 1.215,18 EUR per jaar, dat wordt toegevoegd aan het nominale bedrag of aan het gewaarborgd minimumbedrag van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren of het pensioen, wordt toegekend aan de personen die in tijdelijke arbeidsongeschiktheid of op pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid werden gesteld ten gevolge van een zware handicap die opgelopen werd tijdens de loopbaan en waardoor een einde werd gemaakt aan hun diensten. Dit supplement wordt eveneens toegekend aan de personen die overeenkomstig artikel 83 van de voormelde wet van 5 augustus 1978 of overeenkomstig artikel 82 van de voormelde wet van 26 april 2002 ambtshalve gepensioneerd zijn en wier afwezigheid wegens ziekte vóór hun pensionering te wijten is aan een zware handicap die tijdens de loopbaan is opgelopen. Dit supplement blijft verworven wanneer de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren waaraan het was toegevoegd, wordt omgezet in een rustpensioen overeenkomstig artikel 117, § 1/7, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel]2.
Het in het eerste lid bepaalde voordeel is alleen bestemd voor degenen voor wie het verlies van de graad van zelfredzaamheid als gevolg van de zware handicap op ten minste 12 punten wordt vastgesteld volgens de wijze van evaluatie voorgeschreven door het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming.
§ 2. De Koning bepaalt de modaliteiten en de procedure die van toepassing zijn op de toekenning van het in § 1 bedoelde supplement. Hij kan het bedrag van dit supplement verhogen.
Het in het eerste lid bepaalde voordeel is alleen bestemd voor degenen voor wie het verlies van de graad van zelfredzaamheid als gevolg van de zware handicap op ten minste 12 punten wordt vastgesteld volgens de wijze van evaluatie voorgeschreven door het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming.
§ 2. De Koning bepaalt de modaliteiten en de procedure die van toepassing zijn op de toekenning van het in § 1 bedoelde supplement. Hij kan het bedrag van dit supplement verhogen.
Art. 134 DROIT FUTUR. § 1. [2 Un supplément forfaitaire de 1.215,18 euros par an, s'ajoutant au taux nominal ou au montant minimum garanti de l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires ou de la pension, est accordé aux personnes qui sont mises en inaptitude temporaire de travail ou à la retraite pour cause d'inaptitude physique à la suite d'un handicap grave qui est survenu au cours de la carrière et qui les a écartées du service. Ce supplément est également accordé aux personnes mises à la retraite d'office conformément à l'article 83 de la loi du 5 août 1978 précitée ou à l'article 82 de la loi du 26 avril 2002 précitée et pour lesquelles les absences pour cause de maladie précédant la mise à la retraite résultent d'un handicap grave survenu au cours de la carrière. Ce supplément reste acquis quand l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires à laquelle il était ajouté est convertie en pension de retraite conformément à l'article 117, § 1er/7, de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier]2.
Le bénéfice de l'alinéa 1er est réservé aux personnes pour lesquelles la perte du degré d'autonomie résultant du handicap grave est fixée à 12 points au moins selon le mode d'évaluation prévu par l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration.
§ 2. Le Roi fixe les modalités ainsi que la procédure d'octroi du supplément prévu au § 1er. Il peut majorer le montant de ce supplément.
Le bénéfice de l'alinéa 1er est réservé aux personnes pour lesquelles la perte du degré d'autonomie résultant du handicap grave est fixée à 12 points au moins selon le mode d'évaluation prévu par l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration.
§ 2. Le Roi fixe les modalités ainsi que la procédure d'octroi du supplément prévu au § 1er. Il peut majorer le montant de ce supplément.
Art.135. De toekenning van het in artikel 134 bedoelde supplement mag niet tot gevolg hebben dat het totale pensioenbedrag gebracht wordt op een bedrag dat het dubbele van de gewaarborgde bezoldiging overschrijdt. In voorkomend geval wordt het supplement tot het verschuldigde bedrag verminderd.
Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde totale pensioenbedrag wordt rekening gehouden met alle rustpensioenen of ouderdomsrenten, alle overlevingspensioenen of -renten of elk als zodanig geldend voordeel, ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, of van een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht.
(Indien een in het tweede lid bedoeld pensioen of rente geheel of gedeeltelijk werd uitbetaald in de vorm van een kapitaal, wordt de met het uitbetaalde kapitaal overeenstemmende fictieve rente in aanmerking genomen voor de toepassing van dit artikel.) <W 2003-02-03/41, art. 35, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde totale pensioenbedrag wordt rekening gehouden met alle rustpensioenen of ouderdomsrenten, alle overlevingspensioenen of -renten of elk als zodanig geldend voordeel, ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, of van een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht.
(Indien een in het tweede lid bedoeld pensioen of rente geheel of gedeeltelijk werd uitbetaald in de vorm van een kapitaal, wordt de met het uitbetaalde kapitaal overeenstemmende fictieve rente in aanmerking genomen voor de toepassing van dit artikel.) <W 2003-02-03/41, art. 35, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.135. L'octroi du supplément visé à l'article 134 ne peut avoir pour effet de porter le montant global de pension à un montant qui excède le double de la rétribution garantie. Le cas échéant, le supplément est réduit à due concurrence.
Pour la détermination du montant global de pension visé à l'alinéa 1er, il est tenu compte de toute pension ou rente de retraite ou de survie ou de tout avantage en tenant lieu, à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation belge ou étrangère, ou d'un régime de pension d'une institution de droit international public.
(Si une pension ou une rente visée à l'alinéa 2 a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article.) <L 2003-02-03/41, art. 35, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Pour la détermination du montant global de pension visé à l'alinéa 1er, il est tenu compte de toute pension ou rente de retraite ou de survie ou de tout avantage en tenant lieu, à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation belge ou étrangère, ou d'un régime de pension d'une institution de droit international public.
(Si une pension ou une rente visée à l'alinéa 2 a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article.) <L 2003-02-03/41, art. 35, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 135 TOEKOMSTIG RECHT. De toekenning van het in artikel 134 bedoelde supplement mag niet tot gevolg hebben dat het [1 totale bedrag van het pensioen of van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren]1 gebracht wordt op een bedrag dat het dubbele van de gewaarborgde bezoldiging overschrijdt. In voorkomend geval wordt het supplement tot het verschuldigde bedrag verminderd.
Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde [1 totale bedrag van het pensioen of van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren]1 wordt rekening gehouden [1 met alle tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor ambtenaren, alle rustpensioenen]1 of ouderdomsrenten, alle overlevingspensioenen of -renten of elk als zodanig geldend voordeel, ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, of van een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht.
(Indien een in het tweede lid bedoeld pensioen of rente geheel of gedeeltelijk werd uitbetaald in de vorm van een kapitaal, wordt de met het uitbetaalde kapitaal overeenstemmende fictieve rente in aanmerking genomen voor de toepassing van dit artikel.) <W 2003-02-03/41, art. 35, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde [1 totale bedrag van het pensioen of van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren]1 wordt rekening gehouden [1 met alle tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor ambtenaren, alle rustpensioenen]1 of ouderdomsrenten, alle overlevingspensioenen of -renten of elk als zodanig geldend voordeel, ten laste van een pensioenregeling vastgesteld krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, of van een pensioenregeling van een instelling van internationaal publiek recht.
(Indien een in het tweede lid bedoeld pensioen of rente geheel of gedeeltelijk werd uitbetaald in de vorm van een kapitaal, wordt de met het uitbetaalde kapitaal overeenstemmende fictieve rente in aanmerking genomen voor de toepassing van dit artikel.) <W 2003-02-03/41, art. 35, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 135 DROIT FUTUR. L'octroi du supplément visé à l'article 134 ne peut avoir pour effet de porter le [1 montant global de la pension ou de l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires]1 à un montant qui excède le double de la rétribution garantie. Le cas échéant, le supplément est réduit à due concurrence.
Pour la détermination du [1 montant global de la pension ou de l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires]1 visé à l'alinéa 1er, il est tenu compte [1 de toute allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires, de toute pension]1 ou rente de retraite ou de survie ou de tout avantage en tenant lieu, à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation belge ou étrangère, ou d'un régime de pension d'une institution de droit international public.
(Si une pension ou une rente visée à l'alinéa 2 a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article.) <L 2003-02-03/41, art. 35, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Pour la détermination du [1 montant global de la pension ou de l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires]1 visé à l'alinéa 1er, il est tenu compte [1 de toute allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires, de toute pension]1 ou rente de retraite ou de survie ou de tout avantage en tenant lieu, à charge d'un régime de pension établi en vertu d'une législation belge ou étrangère, ou d'un régime de pension d'une institution de droit international public.
(Si une pension ou une rente visée à l'alinéa 2 a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article.) <L 2003-02-03/41, art. 35, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Wijzigingen
Art.136. Het bedrag van het uit de toepassing van de artikelen 134 en 135 voortvloeiende supplement wordt verminderd met het bedrag van alle andere pensioenen, renten of als zodanig geldende voordelen toegekend uit hoofde van dezelfde handicap.
(Indien een in het eerste lid bedoeld pensioen of rente geheel of gedeeltelijk werd uitbetaald in de vorm van een kapitaal, wordt de met het uitbetaalde kapitaal overeenstemmende fictieve rente in aanmerking genomen voor de toepassing van dit artikel.) <W 2003-02-03/41, art. 36, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(Indien een in het eerste lid bedoeld pensioen of rente geheel of gedeeltelijk werd uitbetaald in de vorm van een kapitaal, wordt de met het uitbetaalde kapitaal overeenstemmende fictieve rente in aanmerking genomen voor de toepassing van dit artikel.) <W 2003-02-03/41, art. 36, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.136. Le montant du supplément résultant de l'application des articles 134 et 135 est diminué du montant de toute autre pension, rente ou avantage en tenant lieu octroyé en raison du même handicap.
(Si une pension ou une rente visée à l'alinéa 1er a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article.) <L 2003-02-03/41, art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2003>
(Si une pension ou une rente visée à l'alinéa 1er a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article.) <L 2003-02-03/41, art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 136 TOEKOMSTIG RECHT. Het bedrag van het uit de toepassing van de artikelen 134 en 135 voortvloeiende supplement wordt verminderd met het bedrag van [1 alle andere tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor ambtenaren, pensioenen]1, renten of als zodanig geldende voordelen toegekend uit hoofde van dezelfde handicap.
(Indien een in het eerste lid bedoeld pensioen of rente geheel of gedeeltelijk werd uitbetaald in de vorm van een kapitaal, wordt de met het uitbetaalde kapitaal overeenstemmende fictieve rente in aanmerking genomen voor de toepassing van dit artikel.) <W 2003-02-03/41, art. 36, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(Indien een in het eerste lid bedoeld pensioen of rente geheel of gedeeltelijk werd uitbetaald in de vorm van een kapitaal, wordt de met het uitbetaalde kapitaal overeenstemmende fictieve rente in aanmerking genomen voor de toepassing van dit artikel.) <W 2003-02-03/41, art. 36, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 136 DROIT FUTUR. Le montant du supplément résultant de l'application des articles 134 et 135 est diminué du montant [1 de toute autre allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires, pension]1, rente ou avantage en tenant lieu octroyé en raison du même handicap.
(Si une pension ou une rente visée à l'alinéa 1er a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article.) <L 2003-02-03/41, art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2003>
(Si une pension ou une rente visée à l'alinéa 1er a été payée en tout ou en partie sous la forme d'un capital, la rente fictive correspondant au capital liquidé est prise en compte pour l'application du présent article.) <L 2003-02-03/41, art. 36, 012; En vigueur : 01-01-2003>
Wijzigingen
Art.137. Er kan slechts één enkel supplement voor een zware handicap worden toegekend aan degene die verscheidene rustpensioenen geniet. In voorkomend geval wordt het supplement uitbetaald uit hoofde van het hoogste pensioen.
Art.137. Il ne peut être alloué qu'un seul supplément pour handicap grave dans le chef d'un titulaire de plusieurs pensions de retraite. Le cas échéant, le supplément est payé du chef de la pension la plus élevée.
Art. 137 TOEKOMSTIG RECHT. Er kan slechts één enkel supplement voor een zware handicap worden toegekend aan degene die [1 verscheidene tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor ambtenaren of rustpensioenen]1 geniet. In voorkomend geval wordt het supplement uitbetaald uit hoofde van het hoogste pensioen.
Art. 137 DROIT FUTUR. Il ne peut être alloué qu'un seul supplément pour handicap grave dans le chef d'un titulaire de [1 plusieurs allocations d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires ou pensions de retraite]1. Le cas échéant, le supplément est payé du chef de la pension la plus élevée.
Wijzigingen
Art. 137bis. [1 De uitbetaling van het uit de toepassing van artikel 134 voortvloeiende supplement wordt, indien voor een bepaald kalenderjaar de beroepsinkomsten het overeenkomstig de artikelen 80 en 86 van de programmawet van 28 juni 2013 vastgestelde grensbedrag overschrijden, voor datzelfde jaar, verminderd naar rato van het percentage van overschrijding, op voorwaarde dat het rustpensioen van de gerechtigde op dat supplement is ingegaan na 31 december 2024.
Indien het rustpensioen van de gerechtigde op het uit de toepassing van artikel 134 voortvloeiende supplement is ingegaan vóór 1 januari 2025, wordt de uitbetaling van dat supplement stopgezet tijdens de kalenderjaren gedurende welke de gepensioneerde om het even welke winstgevende activiteit uitoefent die hem een jaarlijks bruto-inkomen oplevert dat gelijk is aan of hoger is dan 607,59 EUR.]1
Indien het rustpensioen van de gerechtigde op het uit de toepassing van artikel 134 voortvloeiende supplement is ingegaan vóór 1 januari 2025, wordt de uitbetaling van dat supplement stopgezet tijdens de kalenderjaren gedurende welke de gepensioneerde om het even welke winstgevende activiteit uitoefent die hem een jaarlijks bruto-inkomen oplevert dat gelijk is aan of hoger is dan 607,59 EUR.]1
Art. 137bis. [1 Si, pour une année civile déterminée, les revenus professionnels dépassent la limite fixée conformément aux articles 80 et 86 de la loi-programme du 28 juin 2013, le supplément découlant de l'application de l'article 134, est réduit pour la même année à concurrence du pourcentage de dépassement, à condition que la pension de retraite du bénéficiaire de ce supplément ait débuté après le 31 décembre 2024.
Si la pension de retraite du bénéficiaire du supplément résultant de l'application de l'article 134 a pris cours avant le 1er janvier 2025, le versement de ce supplément cesse pendant les années civiles au cours desquelles le pensionné exerce une activité rémunérée lui procurant un revenu brut annuel égal ou supérieur à 607,59 euros.]1
Si la pension de retraite du bénéficiaire du supplément résultant de l'application de l'article 134 a pris cours avant le 1er janvier 2025, le versement de ce supplément cesse pendant les années civiles au cours desquelles le pensionné exerce une activité rémunérée lui procurant un revenu brut annuel égal ou supérieur à 607,59 euros.]1
Wijzigingen
Art. 137bis TOEKOMSTIG RECHT. [1 De uitbetaling van het uit de toepassing van artikel 134 voortvloeiende supplement wordt, indien voor een bepaald kalenderjaar de beroepsinkomsten het overeenkomstig de artikelen 80 en 86 van de programmawet van 28 juni 2013 vastgestelde grensbedrag overschrijden, voor datzelfde jaar, verminderd naar rato van het percentage van overschrijding, op voorwaarde dat [2 het supplement wordt toegevoegd aan een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren of dat]2 het rustpensioen van de gerechtigde op dat supplement is ingegaan na 31 december 2024.
Indien het rustpensioen van de gerechtigde op het uit de toepassing van artikel 134 voortvloeiende supplement is ingegaan vóór 1 januari 2025, wordt de uitbetaling van dat supplement stopgezet tijdens de kalenderjaren gedurende welke de gepensioneerde om het even welke winstgevende activiteit uitoefent die hem een jaarlijks bruto-inkomen oplevert dat gelijk is aan of hoger is dan 607,59 EUR.]1
[2 In afwijking van het tweede lid, is het eerste lid eveneens van toepassing op de personen van wie het rustpensioen werd omgezet in een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren overeenkomstig artikel 41 van de wet van 18 mei 2024 tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren.]2
Indien het rustpensioen van de gerechtigde op het uit de toepassing van artikel 134 voortvloeiende supplement is ingegaan vóór 1 januari 2025, wordt de uitbetaling van dat supplement stopgezet tijdens de kalenderjaren gedurende welke de gepensioneerde om het even welke winstgevende activiteit uitoefent die hem een jaarlijks bruto-inkomen oplevert dat gelijk is aan of hoger is dan 607,59 EUR.]1
[2 In afwijking van het tweede lid, is het eerste lid eveneens van toepassing op de personen van wie het rustpensioen werd omgezet in een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren overeenkomstig artikel 41 van de wet van 18 mei 2024 tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren.]2
Art. 137bis DROIT FUTUR. [1 Si, pour une année civile déterminée, les revenus professionnels dépassent la limite fixée conformément aux articles 80 et 86 de la loi-programme du 28 juin 2013, le supplément découlant de l'application de l'article 134, est réduit pour la même année à concurrence du pourcentage de dépassement, à condition que [2 le supplément est ajouté à une allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires ou que]2 la pension de retraite du bénéficiaire de ce supplément ait débuté après le 31 décembre 2024.
Si la pension de retraite du bénéficiaire du supplément résultant de l'application de l'article 134 a pris cours avant le 1er janvier 2025, le versement de ce supplément cesse pendant les années civiles au cours desquelles le pensionné exerce une activité rémunérée lui procurant un revenu brut annuel égal ou supérieur à 607,59 euros.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 2, l'alinéa 1er s'applique également aux personnes dont la pension de retraite a été convertie en allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires conformément à l'article 41 de la loi du 18 mai 2024 instituant l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires.]2
Si la pension de retraite du bénéficiaire du supplément résultant de l'application de l'article 134 a pris cours avant le 1er janvier 2025, le versement de ce supplément cesse pendant les années civiles au cours desquelles le pensionné exerce une activité rémunérée lui procurant un revenu brut annuel égal ou supérieur à 607,59 euros.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 2, l'alinéa 1er s'applique également aux personnes dont la pension de retraite a été convertie en allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires conformément à l'article 41 de la loi du 18 mai 2024 instituant l'allocation d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires.]2
Art.138. <W 2003-02-03/41, art. 38, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2003> § 1. De in de artikelen 134 en 137bis bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01. Zij volgen de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de Openbare Schatkist.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt, wat het in artikel 137bis bedoelde bedrag betreft, verwezen naar het spilindexcijfer dat op 1 januari van het kalenderjaar in kwestie van kracht is.
§ 2. Het in artikel 137bis bedoelde bedrag kan door de Koning worden verhoogd.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt, wat het in artikel 137bis bedoelde bedrag betreft, verwezen naar het spilindexcijfer dat op 1 januari van het kalenderjaar in kwestie van kracht is.
§ 2. Het in artikel 137bis bedoelde bedrag kan door de Koning worden verhoogd.
Art.138. <L 2003-02-03/41, art. 38, 012; En vigueur : 01-01-2003> § 1er. Les montants visés aux articles 134 et 137bis sont liés à l'indice-pivot 138,01 et varient en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation de la même manière que les pensions de retraite et de survie à charge du Trésor public.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il est fait référence, en ce qui concerne le montant visé à l'article 137bis, à l'indice-pivot en vigueur le 1er janvier de l'année civile considérée.
§ 2. Le montant visé à l'article 137bis peut être majoré par le Roi.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il est fait référence, en ce qui concerne le montant visé à l'article 137bis, à l'indice-pivot en vigueur le 1er janvier de l'année civile considérée.
§ 2. Le montant visé à l'article 137bis peut être majoré par le Roi.
Afdeling 7. - Harmoniseringsmaatregelen.
Section 7. - Mesures d'harmonisation.
Art.139. De minimumbedragen van de pensioenen bepaald in geval van pensionering wegens leeftijd of anciënniteit of wegens lichamelijke ongeschiktheid, de minimumbedragen van de overlevingspensioenen en de supplementen toegekend in geval van een zware handicap, toegekend door de in artikel 38, 2°, a), e) en g), van voormelde wet van 5 augustus 1978 bedoelde pensioenregelingen mogen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk niet verschillen van die welke bij dit hoofdstuk toegekend worden aan de personen die in dezelfde omstandigheden verkeren.
De lopende pensioenen worden in voorkomend geval herzien overeenkomstig de bepalingen van artikel 140, § 1.
De lopende pensioenen worden in voorkomend geval herzien overeenkomstig de bepalingen van artikel 140, § 1.
Art.139. Les montants minimums de pensions prevus en cas de mise à la retraite pour raison d'âge ou d'ancienneté ou pour cause d'inaptitude physique, les montants minimums des pensions de survie et les suppléments accordés en cas de handicap grave, octroyés par les régimes de pensions visés à l'article 38, 2°, a), e) et g), de la loi du 5 août 1978 précitée, ne peuvent, à partir de la date de l'entrée en vigueur du présent chapitre, être différents de ceux accordés par ledit chapitre aux personnes se trouvant dans les mêmes conditions.
Les pensions en cours sont, le cas échéant, révisées conformément aux dispositions de l'article 140, § 1er.
Les pensions en cours sont, le cas échéant, révisées conformément aux dispositions de l'article 140, § 1er.
Art. 139 TOEKOMSTIG RECHT. De minimumbedragen [1 van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor ambtenaren en van de pensioenen]1 bepaald in geval van pensionering wegens leeftijd of anciënniteit of wegens lichamelijke ongeschiktheid, de minimumbedragen van de overlevingspensioenen en de supplementen toegekend in geval van een zware handicap, toegekend door de in artikel 38, 2°, a), e) en g), van voormelde wet van 5 augustus 1978 bedoelde pensioenregelingen mogen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk niet verschillen van die welke bij dit hoofdstuk toegekend worden aan de personen die in dezelfde omstandigheden verkeren.
De lopende pensioenen worden in voorkomend geval herzien overeenkomstig de bepalingen van artikel 140, § 1.
De lopende pensioenen worden in voorkomend geval herzien overeenkomstig de bepalingen van artikel 140, § 1.
Art. 139 DROIT FUTUR. Les montants [1 minimums des allocations d'inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires et des pensions prévus]1 en cas de mise à la retraite pour raison d'âge ou d'ancienneté ou pour cause d'inaptitude physique, les montants minimums des pensions de survie et les suppléments accordés en cas de handicap grave, octroyés par les régimes de pensions visés à l'article 38, 2°, a), e) et g), de la loi du 5 août 1978 précitée, ne peuvent, à partir de la date de l'entrée en vigueur du présent chapitre, être différents de ceux accordés par ledit chapitre aux personnes se trouvant dans les mêmes conditions.
Les pensions en cours sont, le cas échéant, révisées conformément aux dispositions de l'article 140, § 1er.
Les pensions en cours sont, le cas échéant, révisées conformément aux dispositions de l'article 140, § 1er.
Wijzigingen
Afdeling 8. - Overgangsbepalingen.
Section 8. - Dispositions transitoires.
Art.140. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk, met uitzondering van die vervat in afdeling 6, zijn van toepassing op de op 31 december 1992 lopende pensioenen. Onder voorbehoud van de hierna bepaalde bijzondere regels worden deze bepalingen ambtshalve toegepast.
Indien de gepensioneerde op de voormelde datum niet werkelijk een met toepassing van Titel II van Boek I van voormelde wet van 15 mei 1984 toegekend supplement geniet, wordt het voordeel van de bepalingen van dit hoofdstuk alleen toegekend als hij erom verzoekt.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 121, § 1, op de op 31 december 1989 lopende pensioenen wordt de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar, omgezet in het spilindexcijfer 138,01, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gevormd wordt door het maximum van de op 1 januari 1993 van kracht zijnde weddeschaal en waarvan de noemer gevormd wordt door het maximum van de op de ingangsdatum van het pensioen van kracht zijnde weddeschaal, omgezet in het voormelde spilindexcijfer 138,01. Voor deze omzetting worden de bepalingen van artikel 10, § 1, derde lid, van de wet van 2 januari 1990 houdende tijdelijke toekenning van een pensioencomplement aan sommige gepensioneerden van de openbare sector, toegepast.
Voor de in het eerste lid bedoelde pensioenen wordt artikel 121, § 2, slechts toegepast op de verhogingen die zullen voorkomen na 1 januari 1993.
§ 3. Voor de op 31 december 1992 lopende rustpensioenen ten aanzien waarvan de gerechtigde op die datum werkelijk een supplement geniet, toegekend als minimumbedrag van het pensioen, blijven de op die datum van kracht zijnde bepalingen volledig van toepassing zolang zij gunstiger uitvallen dan die van dit hoofdstuk. Tijdens die periode kan de toepassing van die bepalingen evenwel geen voordeel opleveren dat hoger is dan wat betrokkene op voormelde datum werkelijk genoot, ongeacht de verdere ontwikkeling van zijn toestand.
In geval van toepassing van het eerste lid blijft het uit de toepassing van de vroegere bepalingen voortvloeiende minimumbedrag vastgesteld op basis van de bedragen, de weddeschalen en het spilindexcijfer die van kracht waren op 31 december 1992. Bovendien worden de bepalingen van het vroegere artikel 30, § 1, derde en vierde lid, van de wet van 15 mei 1984 niet meer toegepast.
(§ 4. De in artikel 121, § 3, tweede lid, bepaalde beperking is niet van toepassing op de op 31 december 2002 lopende rustpensioenen.) <W 2007-04-25/52, art. 21, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Indien de gepensioneerde op de voormelde datum niet werkelijk een met toepassing van Titel II van Boek I van voormelde wet van 15 mei 1984 toegekend supplement geniet, wordt het voordeel van de bepalingen van dit hoofdstuk alleen toegekend als hij erom verzoekt.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 121, § 1, op de op 31 december 1989 lopende pensioenen wordt de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar, omgezet in het spilindexcijfer 138,01, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gevormd wordt door het maximum van de op 1 januari 1993 van kracht zijnde weddeschaal en waarvan de noemer gevormd wordt door het maximum van de op de ingangsdatum van het pensioen van kracht zijnde weddeschaal, omgezet in het voormelde spilindexcijfer 138,01. Voor deze omzetting worden de bepalingen van artikel 10, § 1, derde lid, van de wet van 2 januari 1990 houdende tijdelijke toekenning van een pensioencomplement aan sommige gepensioneerden van de openbare sector, toegepast.
Voor de in het eerste lid bedoelde pensioenen wordt artikel 121, § 2, slechts toegepast op de verhogingen die zullen voorkomen na 1 januari 1993.
§ 3. Voor de op 31 december 1992 lopende rustpensioenen ten aanzien waarvan de gerechtigde op die datum werkelijk een supplement geniet, toegekend als minimumbedrag van het pensioen, blijven de op die datum van kracht zijnde bepalingen volledig van toepassing zolang zij gunstiger uitvallen dan die van dit hoofdstuk. Tijdens die periode kan de toepassing van die bepalingen evenwel geen voordeel opleveren dat hoger is dan wat betrokkene op voormelde datum werkelijk genoot, ongeacht de verdere ontwikkeling van zijn toestand.
In geval van toepassing van het eerste lid blijft het uit de toepassing van de vroegere bepalingen voortvloeiende minimumbedrag vastgesteld op basis van de bedragen, de weddeschalen en het spilindexcijfer die van kracht waren op 31 december 1992. Bovendien worden de bepalingen van het vroegere artikel 30, § 1, derde en vierde lid, van de wet van 15 mei 1984 niet meer toegepast.
(§ 4. De in artikel 121, § 3, tweede lid, bepaalde beperking is niet van toepassing op de op 31 december 2002 lopende rustpensioenen.) <W 2007-04-25/52, art. 21, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.140. § 1. Les dispositions du présent chapitre, à l'exclusion de celles contenues dans la section 6, sont applicables aux pensions en cours au 31 décembre 1992. Sous réserve des règles particulières définies au présent article, ces dispositions sont appliquées d'office.
Si, à la date précitée, le pensionné ne bénéficie pas effectivement d'un supplément accordé en application du Titre II du Livre Ier de la loi du 15 mai 1984 précitée, le benéfice des dispositions du présent chapitre ne lui sera accordé que s'il en fait la demande.
§ 2. Pour l'application de l'article 121, § 1er, aux pensions en cours au 31 décembre 1989, le traitement moyen des cinq dernières années transposé à l'indice-pivot 138,01 est multiplié par un rapport dont le numérateur est le maximum de l'échelle barémique en vigueur au 1er janvier 1993 et dont le dénominateur est le maximum de l'échelle barémique en vigueur à la date de prise de cours de la pension transposé à l'indice-pivot 138,01 précité. Pour cette transposition, il est fait application des dispositions de l'article 10, § 1er, alinéa 3, de la loi du 2 janvier 1990 accordant temporairement un complément de pension à certains pensionnés du secteur public.
Pour les pensions visées à l'alinéa 1er, l'article 121, § 2, ne s'applique qu'aux majorations qui interviendront postérieurement au 1er janvier 1993.
§ 3. Pour les pensions de retraite en cours au 31 décembre 1992 et dont le titulaire bénéficie à cette date effectivement d'un supplément accordé au titre de montant minimum de pension, les dispositions en vigueur à cette date restent intégralement d'application aussi longtemps qu'elles produisent un effet plus favorable que celles du présent chapitre. Toutefois, pendant cette période, l'application de ces dispositions ne pourra procurer un avantage supérieur à celui dont l'intéressé bénéficiait effectivement à la date précitée, quelle que soit l'évolution ultérieure de sa situation.
En cas d'application de l'alinéa 1er, le montant minimum résultant de l'application des anciennes dispositions continue à être établi sur la base des taux, des barèmes et de l'indice-pivot en vigueur au 31 décembre 1992. En outre, il n'est plus fait application des dispositions de l'ancien article 30, § 1er, alinéas 3 et 4, de la loi du 15 mai 1984.
(§ 4. La limitation prévue à l'article 121, § 3, alinéa 2, n'est pas applicable aux pensions de retraite en cours au 31 décembre 2002.) <L 2007-04-25/52, art. 22, 014; En vigueur : 01-01-2003>
Si, à la date précitée, le pensionné ne bénéficie pas effectivement d'un supplément accordé en application du Titre II du Livre Ier de la loi du 15 mai 1984 précitée, le benéfice des dispositions du présent chapitre ne lui sera accordé que s'il en fait la demande.
§ 2. Pour l'application de l'article 121, § 1er, aux pensions en cours au 31 décembre 1989, le traitement moyen des cinq dernières années transposé à l'indice-pivot 138,01 est multiplié par un rapport dont le numérateur est le maximum de l'échelle barémique en vigueur au 1er janvier 1993 et dont le dénominateur est le maximum de l'échelle barémique en vigueur à la date de prise de cours de la pension transposé à l'indice-pivot 138,01 précité. Pour cette transposition, il est fait application des dispositions de l'article 10, § 1er, alinéa 3, de la loi du 2 janvier 1990 accordant temporairement un complément de pension à certains pensionnés du secteur public.
Pour les pensions visées à l'alinéa 1er, l'article 121, § 2, ne s'applique qu'aux majorations qui interviendront postérieurement au 1er janvier 1993.
§ 3. Pour les pensions de retraite en cours au 31 décembre 1992 et dont le titulaire bénéficie à cette date effectivement d'un supplément accordé au titre de montant minimum de pension, les dispositions en vigueur à cette date restent intégralement d'application aussi longtemps qu'elles produisent un effet plus favorable que celles du présent chapitre. Toutefois, pendant cette période, l'application de ces dispositions ne pourra procurer un avantage supérieur à celui dont l'intéressé bénéficiait effectivement à la date précitée, quelle que soit l'évolution ultérieure de sa situation.
En cas d'application de l'alinéa 1er, le montant minimum résultant de l'application des anciennes dispositions continue à être établi sur la base des taux, des barèmes et de l'indice-pivot en vigueur au 31 décembre 1992. En outre, il n'est plus fait application des dispositions de l'ancien article 30, § 1er, alinéas 3 et 4, de la loi du 15 mai 1984.
(§ 4. La limitation prévue à l'article 121, § 3, alinéa 2, n'est pas applicable aux pensions de retraite en cours au 31 décembre 2002.) <L 2007-04-25/52, art. 22, 014; En vigueur : 01-01-2003>
Art.141. In afwijking van artikel 126, § 3, worden het percentage van 50 pct. en het bedrag van (202,53 EUR) respectievelijk vervangen : <KB 2000-07-20/64, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- in 1993 door 10 pct. en (40,51 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- in 1994 door 20 pct. en (81,02 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- in 1995 door 30 pct. en (121,52 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- in 1996 door 40 pct. en (162,03 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- in 1993 door 10 pct. en (40,51 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- in 1994 door 20 pct. en (81,02 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- in 1995 door 30 pct. en (121,52 EUR); <KB 2000-07-20/64, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
- in 1996 door 40 pct. en (162,03 EUR). <KB 2000-07-20/64, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art.141. Par dérogation à l'article 126, § 3, le pourcentage de 50 p.c. et le montant de (202,53 EUR) sont respectivement remplacés : <AR 2000-07-20/64, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-2002>
- en 1993 par 10 p.c. et (40,51 EUR); <AR 2000-07-20/64, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-2002>
- en 1994 par 20 p.c. et (81,02 EUR); <AR 2000-07-20/64, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-2002>
- en 1995 par 30 p.c. et (121,52 EUR); <AR 2000-07-20/64, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-2002>
- en 1996 par 40 p.c. et (162,03 EUR). <AR 2000-07-20/64, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-2002>
- en 1993 par 10 p.c. et (40,51 EUR); <AR 2000-07-20/64, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-2002>
- en 1994 par 20 p.c. et (81,02 EUR); <AR 2000-07-20/64, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-2002>
- en 1995 par 30 p.c. et (121,52 EUR); <AR 2000-07-20/64, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-2002>
- en 1996 par 40 p.c. et (162,03 EUR). <AR 2000-07-20/64, art. 2, 008; En vigueur : 01-01-2002>
Afdeling 9. - Slotbepalingen.
Section 9. - Dispositions finales.
Art.142.
Art.142.
Art.143. 1° <Wijzigingsbepaling van art. 4,§2 van de W 1984-05-15/30>
2° <Wijzigingsbepaling van art. 4,§3 van de W 1984-05-15/30>
2° <Wijzigingsbepaling van art. 4,§3 van de W 1984-05-15/30>
Art.143.
Art.144. 1° <wijzigingsbepaling van art. 39,L1 van de W 1978-08-05/01>
2° <wijzigingsbepaling van art. 50bis,§2 van de W 1978-08-05/01>
3° <wijzigingsbepaling van art. 68 van de W 1978-08-05/01>
4° In artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 april 1992 houdende toekenning van een vakantiegeld en van een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld aan de gepensioneerden van de openbare diensten, worden de woorden " daadwerkelijk een supplement genieten met toepassing van de artikelen 28 of 32 van de voormelde wet van 15 mei 1984 " vervangen door de woorden " werkelijk een supplement genieten in toepassing van de artikelen 120 of 122 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen ";
5° In artikel 4 van voormeld koninklijk besluit van 1 april 1992 worden de woorden " die de hoedanigheid hebben van gepensioneerden met gezinslast in de zin van artikel 33, § 1, van de voormelde wet van 15 mei 1984. " vervangen door de woorden " die het minimumpensioenbedrag genieten voorzien voor een gehuwde gepensioneerde door artikel 120 van voormelde wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen ".
2° <wijzigingsbepaling van art. 50bis,§2 van de W 1978-08-05/01>
3° <wijzigingsbepaling van art. 68 van de W 1978-08-05/01>
4° In artikel 3 van het koninklijk besluit van 1 april 1992 houdende toekenning van een vakantiegeld en van een aanvullende toeslag bij het vakantiegeld aan de gepensioneerden van de openbare diensten, worden de woorden " daadwerkelijk een supplement genieten met toepassing van de artikelen 28 of 32 van de voormelde wet van 15 mei 1984 " vervangen door de woorden " werkelijk een supplement genieten in toepassing van de artikelen 120 of 122 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen ";
5° In artikel 4 van voormeld koninklijk besluit van 1 april 1992 worden de woorden " die de hoedanigheid hebben van gepensioneerden met gezinslast in de zin van artikel 33, § 1, van de voormelde wet van 15 mei 1984. " vervangen door de woorden " die het minimumpensioenbedrag genieten voorzien voor een gehuwde gepensioneerde door artikel 120 van voormelde wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen ".
Art.144. 1°
2°
3°
4° A l'article 3 de l'arrêté royal du 1er avril 1992 accordant un pécule de vacances et un pécule complémentaire au pécule de vacances aux pensionnés des services publics, les mots " bénéficient effectivement d'un supplément par application des articles 28 ou 32 de la loi du 15 mai 1984 précitée " sont remplacés par les mots " bénéficient effectivement d'un supplément par application des articles 120 ou 122 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses ";
5° A l'article 4 de l'arrêté royal du 1er avril 1992 précite, les mots " qui ont la qualité de retraités avec charge de famille au sens de l'article 33, § 1er, de la loi du 15 mai 1984 précitée. " sont remplacés par les mots " qui bénéficient du montant minimum de pension prévu en faveur d'un retraité marié par l'article 120 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses précitée ".
2°
3°
4° A l'article 3 de l'arrêté royal du 1er avril 1992 accordant un pécule de vacances et un pécule complémentaire au pécule de vacances aux pensionnés des services publics, les mots " bénéficient effectivement d'un supplément par application des articles 28 ou 32 de la loi du 15 mai 1984 précitée " sont remplacés par les mots " bénéficient effectivement d'un supplément par application des articles 120 ou 122 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses ";
5° A l'article 4 de l'arrêté royal du 1er avril 1992 précite, les mots " qui ont la qualité de retraités avec charge de famille au sens de l'article 33, § 1er, de la loi du 15 mai 1984 précitée. " sont remplacés par les mots " qui bénéficient du montant minimum de pension prévu en faveur d'un retraité marié par l'article 120 de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses précitée ".
Art.145. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 januari 1993.
Art.145. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er janvier 1993.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van artikel 159 van de programmawet van 30 december 1988.
CHAPITRE II. - Modification de l'article 159 de la loi-programme du 30 décembre 1988.
Art.146. <wijzigingsbepaling van art. 159 van de W 1988-12-30/31>
Art.146.
Art.147. Artikel 146 treedt in werking de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
Art.147. L'article 146 entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la présente loi est publiée au Moniteur belge.
HOOFDSTUK III. - Afschaffing van het cumulatieverbod van een vergoedingspensioen met een vergoeding toegekend door een internationale instelling.
CHAPITRE III. - Suppression de l'interdiction du cumul entre une pension de reparation et une indemnisation accordée par une organisation internationale.
Art.148. Artikel 1, zesde lid, van de op 5 oktober 1948 samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen, gewijzigd bij artikel 31, § 1, van de wet van 7 juni 1989, wordt vervangen als volgt :
" Komt eveneens in mindering van het pensioen en de vergoedingen, elke vergoeding voor hetzelfde schadelijk feit toegekend door de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid als tegenprestatie voor verzekeringspremies die rechtstreeks of onrechtstreeks door de Schatkist gedragen worden. "
" Komt eveneens in mindering van het pensioen en de vergoedingen, elke vergoeding voor hetzelfde schadelijk feit toegekend door de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid als tegenprestatie voor verzekeringspremies die rechtstreeks of onrechtstreeks door de Schatkist gedragen worden. "
Art.148. L'article 1er, alinéa 6, des lois sur les pensions de réparation, coordonnées le 5 octobre 1948, modifié par l'article 31, § 1er, de la loi du 7 juin 1989, est remplacé par ce qui suit :
" Vient également en déduction de la pension et des indemnités, toute indemnisation accordée pour le même fait dommageable par l'Office de sécurité sociale d'outre-mer lorsqu'elle constitue la contrepartie de primes d'assurances supportées directement ou indirectement par le Trésor. "
" Vient également en déduction de la pension et des indemnités, toute indemnisation accordée pour le même fait dommageable par l'Office de sécurité sociale d'outre-mer lorsqu'elle constitue la contrepartie de primes d'assurances supportées directement ou indirectement par le Trésor. "
Art.149. Artikel 148 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1989.
Art.149. L'article 148 produit ses effets le 1er juillet 1989.
TITEL VI. - DIVERSE BEPALINGEN.
TITRE VI. - DISPOSITIONS DIVERSES.
HOOFDSTUK I. - Landsverdediging.
CHAPITRE I. - Défense nationale.
Art.150. De Minister van Landsverdediging wordt gemachtigd onroerende goederen die deel uitmaken van het aan zijn beheer toevertrouwde onroerend patrimonium te vervreemden.
(...)
(...)
(...)
(...)
Art.150. Le ministre de la Défense nationale est autorisé à aliéner des biens immeubles qui font partie du patrimoine immobilier confié à sa gestion.
(...)
(...)
(...)
(...)
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren.
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 29 mars 1958 relative à la protection de la population contre les dangers résultant des radiations ionisantes.
Art.151.
Art.151.
Art.152.
Art.152.
Art.153. <wijzigingsbepaling van art. 5 van de W 1958-03-29/01>
Art.153.
HOOFDSTUK III. - Regie van telegrafie en telefonie.
CHAPITRE III. - Régie des télégraphes et téléphones.
Art.154. De Regie van telegrafie en telefonie zal vóór 1 september 1992 de terugbetaling verzekeren van het saldo van 3 749 733 911 frank van de kapitaalsubsidie, die haar vroeger door de Staat werd toegekend als tussenkomst in haar aanvullend investeringsprogramma voor de aankoop van Belgische produkten, waarbij gebruik werd gemaakt van spitstechnologie, onderzoek en ontwikkeling inzake televerbindingen.
Een deel van het saldo, namelijk 1 650 000 000 frank zal aan de Belgische Schatkist worden gestort, terwijl het overige gedeelte ten bedrage van 2 099 733 911 frank rechtstreeks aan de Regie der posterijen zal worden gestort.
Een deel van het saldo, namelijk 1 650 000 000 frank zal aan de Belgische Schatkist worden gestort, terwijl het overige gedeelte ten bedrage van 2 099 733 911 frank rechtstreeks aan de Regie der posterijen zal worden gestort.
Art.154. La Régie des télégraphes et téléphones assurera avant le 1er septembre 1992, le remboursement du solde de 3 749 733 911 francs du subside en capital octroyé antérieurement à titre d'investissement complémentaire de ladite Régie, portant sur l'achat de produits belges, fabriqués en recourant à des techniques de pointe, à la recherche et au développement en matière de télécommunications.
Une partie du solde, c'est-à-dire 1 650 000 000 de francs, sera versée au Trésor belge, tandis que le reste pour un montant de 2 099 733 911 francs sera verse directement à la Régie des postes.
Une partie du solde, c'est-à-dire 1 650 000 000 de francs, sera versée au Trésor belge, tandis que le reste pour un montant de 2 099 733 911 francs sera verse directement à la Régie des postes.
Art.155. De dotatie die de Staat krachtens artikel 14, § 3, van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van de Regie der posterijen aan de Regie der posterijen toekent, wordt voor het jaar 1992 met 2 099 733 911 frank verminderd. Dit bedrag wordt haar rechtstreeks door de Regie van telegrafie en telefonie gestort.
Art.155. La dotation accordée par l'Etat à la Régie des postes en vertu de l'article 14, § 3, de la loi du 6 juillet 1971 portant création de la Regie des postes, est réduite de 2 099 733 911 francs pour l'année 1992. Ce montant lui sera versé directement par la Régie des télégraphes et téléphones.
Art.156. De Regie van telegrafie en telefonie zal de kosten aan de telecommunicatie-infrastructuur op het openbaar domein die het gevolg zijn van de verhuizing van de diensten van de Europese Economische Gemeenschap, wegens de ontruiming van het Berlaymontgebouw, voor een bedrag van maximaal 255 miljoen frank ten laste nemen.
Art.156. La Régie des télégraphes et téléphones supportera, a concurrence d'un montant maximum de 255 millions de francs, les frais d'infrastructure de télécommunication sur le domaine public, causés par le déménagement des services de la Communauté économique européenne du bâtiment du Berlaymont.
Art.157. Het aan de Staat aan te rekenen bedrag voor de prestaties door de Regie van telegrafie en telefonie verricht voor de gewone invordering van het kijk- en luistergeld voor de jaren 1989 tot en met 1992 wordt, in afwijking van de kostprijs, uitzonderlijk beperkt tot 2 922 200 000 frank.
Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt voor het jaar 1992 verhoogd met 11 100 000 frank als vergoeding verschuldigd door de Staat aan de Regie voor telegrafie en telefonie voor de tewerkstelling van twintig bijkomende contractuelen gedurende zes maanden met het oog op de versnelling van de inning van schuldvorderingen van de Regie.
De kosten voor het invorderen van het kijk- en luistergeld die de bedragen vermeld onder het eerste en tweede lid overtreffen, blijven, behoudens bijkomende opdrachten, ten laste van de Regie van telegrafie en telefonie.
Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt voor het jaar 1992 verhoogd met 11 100 000 frank als vergoeding verschuldigd door de Staat aan de Regie voor telegrafie en telefonie voor de tewerkstelling van twintig bijkomende contractuelen gedurende zes maanden met het oog op de versnelling van de inning van schuldvorderingen van de Regie.
De kosten voor het invorderen van het kijk- en luistergeld die de bedragen vermeld onder het eerste en tweede lid overtreffen, blijven, behoudens bijkomende opdrachten, ten laste van de Regie van telegrafie en telefonie.
Art.157. Le montant à facturer à l'Etat pour les prestations effectuées par la Régie des télégraphes et téléphones pour le recouvrement habituel des redevances radio et télévision relatives aux années 1989 à 1992 est, quel que soit leur prix de revient, exceptionnellement limité à 2 922 200 000 francs.
Pour l'année 1992, le montant prévu à l'alinéa 1er est augmenté de 11 100 000 francs, à titre d'indemnité due par l'Etat à la Régie des télégraphes et téléphones pour l'engagement pendant six mois de vingt membres de personnel contractuel supplémentaire afin d'accélérer le recouvrement des créances de la Régie.
Les frais pour le recouvrement des redevances radio et télévision, excédant les montants prévus aux alinéas 1er et 2, restent à charge de la Régie des télégraphes et téléphones sous réserve de tâches additionnelles.
Pour l'année 1992, le montant prévu à l'alinéa 1er est augmenté de 11 100 000 francs, à titre d'indemnité due par l'Etat à la Régie des télégraphes et téléphones pour l'engagement pendant six mois de vingt membres de personnel contractuel supplémentaire afin d'accélérer le recouvrement des créances de la Régie.
Les frais pour le recouvrement des redevances radio et télévision, excédant les montants prévus aux alinéas 1er et 2, restent à charge de la Régie des télégraphes et téléphones sous réserve de tâches additionnelles.
HOOFDSTUK IV. - Binnenlandse Zaken.
CHAPITRE IV. - Intérieur.
Afdeling 1. - Maatregelen met betrekking tot de financiële lasten van de leningen tot consolidatie van de tekorten van de samengevoegde gemeenten.
Section 1. - Mesures relatives aux charges financières des emprunts de consolidation des déficits des communes fusionnées.
Art.158. § 1. <wijzigingsbepaling van art. 293,L1 van de W 1989-12-22/31>
§ 2. <wijzigingsbepaling van art. 294 van de W 1989-12-22/31>
§ 2. <wijzigingsbepaling van art. 294 van de W 1989-12-22/31>
Art.158. § 1.
§ 2.
§ 2.
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 21 januari 1987 inzake risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten.
Section 2.
Art.159. <wijzigingsbepaling van art. 7,§2bis van de W 1987-01-21/35>
Art.159.
Art.160. De bepalingen van artikel 159 treden in werking vanaf het belastingjaar 1993.
Art.160. Les dispositions de l'article 159 entrent en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 1993.
Afdeling 3. - Financiële ondersteuning voor de werking van de gemeentepolitie.
Section 3. - Support financier de l'action de la police communale.
Art.161. § 1. Een artikel 226bis, luidend als volgt, wordt in de nieuwe gemeentewet ingevoegd :
" Art. 226bis. - Een krediet ten belope van 7,5 procent van de Rijksontvangsten uit boeten van strafrechterlijke veroordelingen in allerhande zaken, evenals uit de geldsommen bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering en in artikel 65 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, wordt op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken ingeschreven. Dit krediet wordt aangewend voor de ondersteuning van de werking van het politiekorps van de gemeenten die een volwaardige politiezorg verstrekken. De Koning stelt de voorwaarden vast voor de toekenning en de verdeling ervan ".
§ 2. In afwijking van artikel 226bis van de nieuwe gemeentewet, wordt het krediet waarin dit artikel voorziet voor het begrotingsjaar 1992 beperkt tot 2,2 procent van de bedoelde rijksontvangsten.
§ 3. Voor de begrotingsjaren 1992 (tot en met 1995) wordt het krediet bedoeld in artikel 226bis van de nieuwe gemeentewet bij voorrang aangewend voor het aanschaffen van ademanalyse- en ademtesttoestellen ten behoeve van de gemeentepolitie evenals, in afwijking van de bepalingen van dit artikel, ten behoeve van de rijkswacht. <W 1993-08-06/30, art. 69, 003; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
" Art. 226bis. - Een krediet ten belope van 7,5 procent van de Rijksontvangsten uit boeten van strafrechterlijke veroordelingen in allerhande zaken, evenals uit de geldsommen bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering en in artikel 65 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, wordt op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken ingeschreven. Dit krediet wordt aangewend voor de ondersteuning van de werking van het politiekorps van de gemeenten die een volwaardige politiezorg verstrekken. De Koning stelt de voorwaarden vast voor de toekenning en de verdeling ervan ".
§ 2. In afwijking van artikel 226bis van de nieuwe gemeentewet, wordt het krediet waarin dit artikel voorziet voor het begrotingsjaar 1992 beperkt tot 2,2 procent van de bedoelde rijksontvangsten.
§ 3. Voor de begrotingsjaren 1992 (tot en met 1995) wordt het krediet bedoeld in artikel 226bis van de nieuwe gemeentewet bij voorrang aangewend voor het aanschaffen van ademanalyse- en ademtesttoestellen ten behoeve van de gemeentepolitie evenals, in afwijking van de bepalingen van dit artikel, ten behoeve van de rijkswacht. <W 1993-08-06/30, art. 69, 003; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
Art.161. § 1. Un article 226bis, rédigé comme suit, est inséré dans la nouvelle loi communale :
" Art. 226bis. - Un crédit à concurrence de 7,5 pour cent des recettes de l'Etat provenant d'amendes de condamnations pénales en matières diverses, ainsi que des sommes d'argent visées par l'article 216bis du Code d'instruction criminelle et par l'article 65 de la loi relative à la police de la circulation routière, est inscrit au budget du Ministère de l'Intérieur. Ce crédit est utilisé pour soutenir le fonctionnement du corps de police des communes qui assurent un service de police à part entière. Le Roi fixe les conditions d'octroi et de répartition de ce crédit.
§ 2. Par dérogation à l'article 226bis de la nouvelle loi communale, le crédit visé à cet article est limité, pour l'année budgétaire 1992, à 2,2 pour cent desdites recettes de l'Etat.
§ 3. Pour les années budgétaires 1992 (à 1995 inclus), le crédit visé à l'article 226bis de la nouvelle loi communale sera prioritairement affecté à l'acquisition d'éthylomètres pour les besoins de la police communale ainsi que, par dérogation aux dispositions de cet article, pour les besoins de la gendarmerie. <L 1993-08-06/30, art. 69, 003; En vigueur : 19-08-1993>
" Art. 226bis. - Un crédit à concurrence de 7,5 pour cent des recettes de l'Etat provenant d'amendes de condamnations pénales en matières diverses, ainsi que des sommes d'argent visées par l'article 216bis du Code d'instruction criminelle et par l'article 65 de la loi relative à la police de la circulation routière, est inscrit au budget du Ministère de l'Intérieur. Ce crédit est utilisé pour soutenir le fonctionnement du corps de police des communes qui assurent un service de police à part entière. Le Roi fixe les conditions d'octroi et de répartition de ce crédit.
§ 2. Par dérogation à l'article 226bis de la nouvelle loi communale, le crédit visé à cet article est limité, pour l'année budgétaire 1992, à 2,2 pour cent desdites recettes de l'Etat.
§ 3. Pour les années budgétaires 1992 (à 1995 inclus), le crédit visé à l'article 226bis de la nouvelle loi communale sera prioritairement affecté à l'acquisition d'éthylomètres pour les besoins de la police communale ainsi que, par dérogation aux dispositions de cet article, pour les besoins de la gendarmerie. <L 1993-08-06/30, art. 69, 003; En vigueur : 19-08-1993>
HOOFDSTUK V. - Justitie.
CHAPITRE V. - Justice.
Afdeling 1. - Strafrechterlijke geldboeten.
Section 1. - Amendes pénales.
Art.162. In artikel 1, eerste en tweede lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechterlijke geldboeten, laatst gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991 houdende begrotingsbepalingen, worden de woorden " achthonderd negentig decimes " vervangen door de woorden " negenhonderd negentig decimes ".
Art.162.
Afdeling 2. - Wijziging van artikel 982 van het Gerechtelijk Wetboek.
Section 2. - Modification de l'article 982 du Code judiciaire.
Art.163. <wijzigingsbepaling van art. 982 van het GERW 1967-10-10/04>
Art.163.
Art.164. <wijzigingsbepaling van art. 19 van de W 1987-02-27/31>
Art.164.
Afdeling 3. - Statuut van de bedienaars van de erediensten.
Section 3. - Statut des ministres des cultes.
Art.165. In de artikelen 26 tot en met 29bis van de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van titularissen van sommige openbare ambten en van de bedienaars van de erediensten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In artikel 26 wordt vanaf 1 november 1992 de jaarwedde van respectievelijk de pastoor, de kerkbedienaar, de kapelaan, de onderpastoor vastgesteld op 496 925 frank;
2° In artikel 27 wordt vanaf 1 november 1992 de jaarwedde van de hulppredikant vastgesteld op 496 925 frank;
3° In artikel 27bis wordt vanaf 1 november 1992 de jaarwedde van respectievelijk de pastoor-deken, de bedienaar, de onderpastoor vastgesteld op 496 925 frank;
4° In artikel 29 wordt vanaf 1 november 1992 de jaarwedde van de officiërend bedienaar vastgesteld op 496 925 frank;
5° In artikel 29bis wordt vanaf 1 november 1992 de jaarwedde van de imam vastgesteld op 496 925 frank.
1° In artikel 26 wordt vanaf 1 november 1992 de jaarwedde van respectievelijk de pastoor, de kerkbedienaar, de kapelaan, de onderpastoor vastgesteld op 496 925 frank;
2° In artikel 27 wordt vanaf 1 november 1992 de jaarwedde van de hulppredikant vastgesteld op 496 925 frank;
3° In artikel 27bis wordt vanaf 1 november 1992 de jaarwedde van respectievelijk de pastoor-deken, de bedienaar, de onderpastoor vastgesteld op 496 925 frank;
4° In artikel 29 wordt vanaf 1 november 1992 de jaarwedde van de officiërend bedienaar vastgesteld op 496 925 frank;
5° In artikel 29bis wordt vanaf 1 november 1992 de jaarwedde van de imam vastgesteld op 496 925 frank.
Art.165. Aux articles 26 à 29bis de la loi du 2 août 1974 relative aux traitements des titulaires de certaines fonctions publiques et des ministres des cultes, sont apportées les modifications suivantes :
1° A l'article 26, à partir du 1er novembre 1992, le traitement annuel respectivement du pasteur, du desservant, du chapelain, du vicaire est fixé à 496 925 francs;
2° A l'article 27, à partir du 1er novembre 1992, le traitement annuel du pasteur auxiliaire est fixé à 496 925 francs;
3° A l'article 27bis, à partir du 1er novembre 1992, le traitement annuel respectivement du curé-doyen, du desservant, du vicaire est fixé à 496 925 francs;
4° A l'article 29, à partir du 1er novembre 1992, le traitement annuel du ministre officiant est fixé à 496 925 francs;
5° A l'article 29bis, à partir du 1er novembre 1992, le traitement de l'imam est fixé à 496 925 francs.
1° A l'article 26, à partir du 1er novembre 1992, le traitement annuel respectivement du pasteur, du desservant, du chapelain, du vicaire est fixé à 496 925 francs;
2° A l'article 27, à partir du 1er novembre 1992, le traitement annuel du pasteur auxiliaire est fixé à 496 925 francs;
3° A l'article 27bis, à partir du 1er novembre 1992, le traitement annuel respectivement du curé-doyen, du desservant, du vicaire est fixé à 496 925 francs;
4° A l'article 29, à partir du 1er novembre 1992, le traitement annuel du ministre officiant est fixé à 496 925 francs;
5° A l'article 29bis, à partir du 1er novembre 1992, le traitement de l'imam est fixé à 496 925 francs.
Art.166.
Art.166.
Art. 167. <wijzigingsbepaling van art. 7,§2 van de W 1991-07-20/31>
Art. 167.