Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 NOVEMBER 1991. - Ministerieel besluit houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 11-06-1992 en tekstbijwerking tot 16-07-2024)
Titre
26 NOVEMBRE 1991. - Arrêté ministériel portant les modalités d'application de la réglementation du chômage. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 11-06-1992 et mise à jour au 16-07-2024)
Documentinformatie
Numac: 1992013272
Datum: 1991-11-26
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1992013272
Date: 1991-11-26
Moniteur: Voir
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen. HOOFDSTUK II. [1 - Bepalingen ter uitvoering va... HOOFDSTUK III. - Bepalingen ter uitvoering van ... HOOFDSTUK IIIbis. - (Ingevoegd bij ) Bepalingen... HOOFDSTUK IV. - Bepalingen ter uitvoering van d... HOOFDSTUK IVbis. [1 Bepalingen ter uitvoering v... HOOFDSTUK V. - Bepalingen ter uitvoering van ar... Afdeling I. - Berekening van arbeidsdagen en ge... Onderafdeling I. - Algemene regelen. Onderafdeling II. - Bijzondere regelen. Afdeling II. - Voorwaarden waaronder de inhoudi... HOOFDSTUK V. - Bepalingen ter uitvoering van de... Afdeling I. - Zonder loon zijn. Afdeling II. - Criteria van de passende dienstb... Afdeling III. - Procedure welke dient gevolgd t... HOOFDSTUK VII. - (Bepalingen genomen ter uitvoe... HOOFDSTUK VIII. - Bepalingen ter uitvoering van... HOOFDSTUK IX. - (Bepalingen ter uitvoering van ... HOOFDSTUK X. - (...) HOOFDSTUK XI. - Bepalingen tot uitvoering van d... HOOFDSTUK XII. - Bepalingen ter uitvoering van ... HOOFDSTUK XIII. - Bepalingen ter uitvoering van... HOOFDSTUK XIV. - Bepalingen ter uitvoering van ... Afdeling I. - De begrippen samenwonen, beroepsi... Afdeling II. - Het begrip gemiddeld dagloon. Afdeling III. - Het begrip beroepsverleden als ... Afdeling IV. - [1 De begrippen "periode van wer... Afdeling V. - Het begrip gemiddeld dagloon voor... Afdeling VI. - Voorwaarden en modaliteiten waar... HOOFDSTUK XIVbis. - Bepalingen ter uitvoering ... HOOFDSTUK XV. - Bepalingen ter uitvoering van a... HOOFDSTUK XVI. - Bepalingen ter uitvoering van ... HOOFDSTUK XVII. - Bepalingen ter uitvoering van... HOOFDSTUK XVIIbis. - (Bepalingen ter uitvoering... HOOFDSTUK XVIII. - Slotbepalingen. BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE I. Définitions. CHAPITRE II. [1 Dispositions prises en exécutio... CHAPITRE III. Dispositions prises en exécution ... CHAPITRE IIIbis. - (Inséré par ) Dispositions p... CHAPITRE IV. Dispositions prises en exécution d... CHAPITRE IVbis. [1 Dispositions en exécution de... CHAPITRE V. Dispositions prises en exécution de... Section I. Calcul des journées de travail et de... Sous-section I. Règles générales. Sous-section II. Règles particulières. Section II. Conditions auxquelles les retenues ... CHAPITRE VI. Dispositions prises en exécution d... Section I. Privation de rémunération. Section II. Critères de l'emploi convenable. Section III. Procédure à suivre en cas de conte... CHAPITRE VII. (Dispositions prises en exécution... CHAPITRE VIII. Dispositions prises en exécution... CHAPITRE IX. - (Dispositions prises en exécutio... CHAPITRE X. - (...) CHAPITRE XI. Dispositions prises en exécution d... CHAPITRE XII. Dispositions prises en exécution ... CHAPITRE XIII. Dispositions prises en exécution... CHAPITRE XIV. Dispositions prises en exécution ... Section I. Notions de cohabitation, revenus pro... Section II. Notion de rémunération journalière ... Section III. Notion de passé professionnel en t... Section IV. [1 Notions de "période de reprise d... Section V. Notion de rémunération journalière m... Section VI. Conditions et modalités selon lesqu... CHAPITRE XIVbis. - Dispositions prises en exéc... CHAPITRE XV. Dispositions prises en exécution d... CHAPITRE XVI. Dispositions prises en exécution ... CHAPITRE XVII. Dispositions prises en exécution... CHAPITRE XIIbis. - (Dispositions portant exécut... CHAPITRE XVIII. Dispositions finales. ANNEXE.
Tekst (152)
Texte (152)
HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen.
CHAPITRE I. Définitions.
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
het koninklijk besluit : het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
de Minister : de Minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort;
de Rijksdienst : de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening opgericht bij artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
het beheerscomité : het beheerscomité voor de Rijksdienst;
het advies van het beheerscomité : het advies waarvan sprake is in artikel 15 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg;
de directeur : de directeur van het werkloosheidsbureau of de ambtenaren die door de administrateur-generaal van de Rijksdienst zijn aangegeven;
volledig werkloze :
a) de werkloze die niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst;
b) de deeltijdse werknemer bedoeld in artikel 29 van het koninklijk besluit, voor de uren waarop hij gewoonlijk niet werkt;
[5 c) de kunstwerker die de toepassing van hoofdstuk XII van het koninklijk besluit van 25 november 1991 geniet en die niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst;]5
tijdelijk werkloze :
a) de werkloze die door een arbeidsovereenkomst verbonden is waarvan de uitvoering tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst is;
b) de werknemer die aan een staking deelneemt, die getroffen wordt door een lock-out of wiens werkloosheid het rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg is van een staking of een lock-out;
c) de jonge werknemer die een, opleidingsprogramma volgt bedoeld in artikel 50 van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, indien de uitvoering van de leerovereenkomst tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, geschorst wordt;
(opgeheven)
10° (vrijwillig deeltijdse werknemer : de werknemer bedoeld in artikel 29, § 4, van het koninklijk besluit;)
11° [1 uitkering : de werkloosheidsuitkering, de inschakelingsuitkering, de overbruggingsuitkering, de PWA-inkomensgarantie-uitkering [5 de kunstwerkuitkering]5 en de andere uitkeringen bedoeld in titel II, hoofdstuk IV, afdeling III van het koninklijk besluit;]1
12° inschrijving als werkzoekende : de inschrijving als werkzoekende bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling;
(13° beroepsopleiding : de beroepsopleiding georganiseerd of gesubsidieerd door de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding, alsmede de individuele beroepsopleiding in een onderneming of in een onderwijsinstelling, erkend door deze gewestelijke dienst [4 ...]4);
14° de factor " Q " : (de contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur) of de normale gemiddelde wekelijkse duurtijd van de opleiding, zoals bepaald in artikel 99, 1°, van het koninklijk besluit;
15° de factor " S " : de (...) gemiddelde wekelijkse arbeidsduur, zoals bepaald in artikel 99, 2°, van het koninklijk besluit.
(16° deeltijdse werknemer met behoud van rechten : de werknemer bedoeld in artikel 29, § 2 van het koninklijk besluit.)
(17° het Handvest : de wet van 11 april 1995 tot invoering van het " handvest " van de sociaal verzekerde.)
18° [5 ...]5
[3 19° onderbrekingsuitkeringen : de uitkeringen die door de Rijksdienst worden toegekend in toepassing van artikel 7, § 1, derde lid, l, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, alsmede de uitkeringen die door de bevoegde gewest- of gemeenschapsinstellingen worden toegekend in het kader van een regeling die ingevolge artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming in de plaats treedt van de regeling bedoeld in het voormelde artikel 7, § 1, derde lid, l;]3
[5 20° kunstwerker: werknemer die door de kunstwerkcommissie als dusdanig is erkend en die beschikt over een geldig kunstwerkattest;]5
[5 21° Kunstwerkcommissie: de commissie bedoeld in de wet [6 van 16 december 2022]6 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers;]5
[5 22° individueel kunstwerkattest: het kunstwerkattest "plus" en het kunstwerkattest "starter" die door de kunstwerkcommissie afgeleverd worden;]5
[5 23° kunstwerkuitkering: de uitkering die wordt toegekend aan de werknemer bedoeld in 20° en die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in hoofdstuk XII van het koninklijk besluit.]5
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
l'arrêté royal : l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
le Ministre : le Ministre qui a la réglementation du chômage dans ses attributions;
l'Office : l'Office national de l'emploi institué par l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
le comité de gestion : le comité de gestion de l'Office;
l'avis du comité de gestion : l'avis mentionné à l'article 15 de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale;
le directeur : le directeur du bureau du chômage ou les agents désignés par l'administrateur général de l'Office;
chômeur complet :
a) le chômeur qui n'est pas lié par un contrat de travail;
b) le travailleur à temps partiel visé à l'article 29 de l'arrêté royal, pour les heures pendant lesquelles il ne travaille pas habituellement;
[5 c) le travailleur des arts qui bénéficie de l'application du chapitre XII et qui n'est pas lié par un contrat de travail]5
chômeur temporaire :
a) le chômeur lié par un contrat de travail dont l'exécution est temporairement, soit totalement, soit partiellement suspendue;
b) le travailleur qui participe à une grève, qui est touché par un lock-out ou dont le chômage est la conséquence directe ou indirecte d'une grève ou d'un lock-out;
c) le jeune travailleur qui suit un programme de formation visé à l'article 50 de la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés, lorsque l'exécution du contrat d'apprentissage est temporairement soit totalement, soit partiellement suspendue;
(abrogé)
10° (travailleur à temps partiel volontaire : le travailleur visé à l'article 29, § 4, de l'arrêté royal;)
11° [1 allocation : l'allocation de chômage, l'allocation d'insertion, l'allocation de transition, l'allocation de garantie de revenus ALE [5 l'allocation du travail des arts]5 et les autres allocations visées au titre II, chapitre IV, section III, de l'arrêté royal;]1
12° inscription comme demandeur d'emploi : l'inscription comme demandeur d'emploi auprès du service régional de l'emploi compétent;
(13° formation professionnelle : la formation professionnelle organisée ou subventionnée par le service régional de l'emploi et de la formation professionnelle, ainsi que la formation professionnelle individuelle dans une entreprise ou dans un établissement d'enseignement, reconnue par ce service régional [4 ...]4;)
14° le facteur " Q " : (la durée hebdomadaire moyenne contractuelle de travail) ou la durée hebdomadaire moyenne normale de la formation, telle que déterminée à l'article 99, 1°, de l'arrêté royal;
15° le facteur " S " : la durée hebdomadaire moyenne (...) de travail telle que déterminée à l'article 99, 2°, de l'arrêté royal.
(16° travailleur à temps partiel avec maintien des droits : le travailleur visé à l'article 29, § 2 de l'arrêté royal.)
(17° la Charte : la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social.)
18° [5 ...]5
[3 19° allocations d'interruption : les allocations octroyées par l'Office en application de l'article 7, § 1er, alinéa 3, l, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ainsi que les allocations qui sont octroyées par les organismes régionaux ou communautaires compétents dans le cadre d'un régime qui, en vertu de l'article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 2014 relative à la Sixième Réforme de l'Etat remplace le régime visé à l'article 7, § 1er, alinéa 3, l précité;]3
[5 20° travailleur des arts: travailleur reconnu comme tel par la Commission du travail des arts et disposant d'une attestation du travail des arts en cours de validité;]5
[5 21° Commission du travail des arts: la loi [6 du 16 decembre 2022]6 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts;]5
[5 22° attestation individuelle du travail des arts: l'attestation du travail des arts "plus" et l'attestation du travail des arts "débutant" délivrées par la Commission du travail des arts;]5
[5 23° allocation du travail des arts: l'allocation qui est octroyée au travailleur visé au 20° et satisfaisant aux conditions visées au chapitre XII de l'arrêté royal.]5
HOOFDSTUK II. [1 - Bepalingen ter uitvoering van artikel 18 van het koninklijk besluit, betreffende het aantal van de uitbetalingsbureaus van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen.]1
CHAPITRE II. [1 Dispositions prises en exécution de l'article 18 de l'arrêté royal et relatives au nombre de bureaux de paiement de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage.]1
Art. 2. Een uitbetalingsbureau van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen wordt opgericht in de volgende gemeenten :
Aalst, Aarlen, Antwerpen, Bergen, Brugge, Brussel, Charleroi, Couvin, Diest, Doornik, Eigenbrakel, Eupen, Gent, Halle, Hasselt, Hoei, Kortrijk, La Louvière, Leuven, Luik, Mechelen, Moeskroen, Mol, Namen, Neerpelt, (Nijvel), Oostende, Oudenaarde, Roeselare, Sint-Niklaas, Tongeren, Turnhout, Verviers, Waver, Zottegem.
Art. 2. Il est établi un bureau de paiement de la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage dans les communes ci-après :
Alost, Anvers, Arlon, Audenarde, Bruges, Bruxelles, Charleroi, Courtrai, Couvin, Diest, Eupen, Gand, Halle, Hasselt, Huy, La Louvière, Liège, Louvain, Malines, Mol, Mons, Mouscron, Namur, Neerpelt, (Nivelles), Ostende, Renaix, Roulers, Saint-Nicolas, Tongres, Tournai, Turnhout, Verviers, Wavre, Zottegem.
Art. 3.
Art. 3.
HOOFDSTUK III. - Bepalingen ter uitvoering van artikel 24 van het koninklijk besluit, betreffende de informatieopdracht van de uitbetalingsinstellingen.
CHAPITRE III. Dispositions prises en exécution de l'article 24 de l'arrêté royal et relative à la mission d'information des organismes de paiement.
Art. 4. Om zich van de in artikel 24, § 1, vierde lid, 1° van het koninklijk besluit voorgeschreven opdracht inzake kennisgeving te kwijten moet de uitbetalingsinstelling aan de werkloze een document bezorgen dat ten minste de navermelde gegevens bevat :
de refertes van het dossier, inzonderheid het identificatienummer voor de sociale zekerheid van de werkloze;
de bruto-dagbedragen waarop de werkloze, behoudens wijziging in zijn situatie, gerechtigd is op grond van de uitkeringskaart, indien hij de toekenningsvoorwaarden blijft vervullen, alsmede de periodes tijdens dewelke deze bedragen gelden;
een verklarende tekst, waarvan de inhoud door de Rijksdienst werd goedgekeurd, die algemene informatie bevat, inzonderheid de voorwaarden om werkelijk uitkeringen te kunnen genieten, het uitkeringsstelsel en de berekeningswijze van het bedrag van de uitkering voor een beschouwde maand; deze tekst moet niet worden toegevoegd indien deze reeds voorheen in toepassing van artikel 136 van het koninklijk besluit werd overgemaakt;
de beroepsmogelijkheid bij de arbeidsrechtbank door een ondertekend geschrift dat aangetekend verzonden wordt of op de griffie wordt afgegeven, binnen een termijn van 3 maanden ingaande na de kennisgeving, het adres van de bevoegde arbeidsrechtbank, de mogelijkheid persoonlijk voor de rechtbank te verschijnen of zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat, door een representatieve werknemersorganisatie of eventueel door een familielid en het feit dat de werknemer in de regel geen gerechtskosten moet betalen;
de mogelijkheid opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing en omtrent de uitkering voor een beschouwde maand bij de informatiedienst van de uitbetalingsinstelling, waarbij vermeld wordt waar en wanneer deze dienst bereikt kan worden.
Om zich van de in artikel 24, § 1, vierde lid, 2° van het koninklijk besluit voorgeschreven opdracht inzake kennisgeving te kwijten moet de uitbetalingsinstelling aan de werkloze een document bezorgen dat ten minste de navermelde gegevens bevat :
de gegevens vermeld in het vorige lid, 1°, 4° en 5°;
de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald, het totale bedrag van deze onverschuldigde betaling, de wijze waarop dit bedrag werd berekend en de in aanmerking genomen verjaringstermijn;
de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen werden verricht;
de in het kader van artikel 164 meegedeelde motieven van de uitschakeling of verwerping, die de uitbetalingsinstelling weergeeft in begrijpelijke taal, of een door haar opgestelde motivering indien zij bedragen inhoudt op betalingen die zij verricht vooraleer de beslissing tot uitschakeling of verwerping aan haar werd meegedeeld;
de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen;
in de gevallen die de Rijksdienst bepaalt, de mogelijkheid tot beroep bij de directeur op grond van artikel 167, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit indien de uitbetalingsinstelling uitkeringen terugvordert ingevolge een verwerping of een uitschakeling van uitgaven, die uitsluitend te wijten is aan een fout van de uitbetalingsinstelling.
Art. 4. Pour s'acquitter de la mission en matière de notification telle que prescrite à l'article 24, § 1er, alinéa 4, 1° de l'arrêté royal, l'organisme de paiement doit transmettre au chômeur un document reprenant au moins les données mentionnées ci-après :
les références du dossier, notamment le numéro d'identification du chômeur pour la sécurité sociale;
les montants journaliers bruts auxquels, sauf modification de sa situation, le chômeur a droit sur base de la carte d'allocations, s'il continue à satisfaire aux conditions d'octroi, ainsi que les périodes pendant lesquelles ces montants sont applicables;
un texte explicatif, dont le contenu a été approuvé par l'Office, contenant des informations générales, notamment les conditions pour pouvoir bénéficier effectivement des allocations, le régime d'indemnisation et le mode de calcul du montant de l'allocation pour un mois considéré; ce texte ne doit pas être joint s'il a déjà été transmis antérieurement en application de l'article 136 de l'arrêté royal;
la possibilité d'introduire un recours devant le tribunal du travail au moyen d'une lettre signée, adressée par recommandé ou déposée au greffe, dans les 3 mois qui suivent la notification, l'adresse du tribunal du travail compétent, la possibilité de comparaître en personne devant le tribunal ou de se faire représenter par un avocat, par une organisation représentative des travailleurs ou éventuellement par un membre de la famille et le fait qu'en règle générale le travailleur ne doit pas payer de frais judiciaires;
la possibilité d'obtenir des précisions concernant la décision et l'allocation d'un mois considéré auprès du service d'information de l'organisme de paiement, en précisant où et quand ce service peut être contacté.
Pour s'acquitter de la mission en matière de notification telle que prescrite à l'article 24, § 1er, alinéa 4, 2° de l'arrêté royal, l'organisme de paiement doit transmettre au chômeur un document reprenant au moins les données mentionnées ci-après :
les données mentionnées à l'alinéa précédent, 1°, 4° et 5°;
le constat que des montants indus ont été payés, le montant total de ce paiement indu, le mode de calcul de ce montant et le délai de prescription pris en considération;
le contenu et les références des dispositions en violation desquelles les paiements ont été effectués;
les motifs de l'élimination ou du rejet communiqués dans le cadre de l'article 164, formulés par l'organisme de paiement dans un langage compréhensible, ou une motivation rédigée par lui lorsqu'il retient des sommes sur des paiements qu'il effectue avant que la décision d'élimination ou de rejet ne lui soit communiquée;
la possibilité de soumettre une proposition motivée de remboursement échelonné;
dans les cas déterminés par l'Office, la possibilité d'introduire un recours auprès du directeur sur base de l'article 167, § 2, alinéa 2 de l'arrêté royal lorsque l'organisme de paiement récupère des allocations à la suite d'un rejet ou d'une élimination des dépenses résultant exclusivement d'une faute de l'organisme de paiement.
HOOFDSTUK IIIbis. - (Ingevoegd bij ) Bepalingen ter uitvoering van artikel 26bis van het koninklijk besluit, bevattende algemene bepalingen.
CHAPITRE IIIbis. - (Inséré par ) Dispositions prises en exécution de l'article 26bis de l'arrêté royal, portant des dispositions générales.
Art. 4bis. (Ingevoegd bij ) De kennisgeving bedoeld in artikel 26bis, § 2, eerste lid, 2° tot 4° en 6° van het koninklijk besluit moet naast de motivering inzonderheid de navermelde gegevens bevatten :
de refertes van het dossier, inzonderheid het identificatienummer voor de sociale zekerheid van de werkloze;
de beroepsmogelijkheid bij de arbeidsrechtbank door een ondertekend geschrift dat aangetekend verzonden wordt of op de griffie wordt afgegeven, binnen een termijn van 3 maanden ingaande na de kennisgeving, het adres van de bevoegde arbeidsrechtbank, de mogelijkheid persoonlijk voor de rechtbank te verschijnen of zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat, door een representatieve werknemersorganisatie of eventueel door een familielid en het feit dat de werknemer in de regel geen gerechtskosten moet betalen;
de mogelijkheid bij de informatiedienst van de uitbetalingsinstelling opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing;
indien het een beslissing tot terugvordering betreft, bovendien :
a) de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald, alsmede, indien dit reeds gekend is, het totale bedrag van de onverschuldigde betaling, de wijze waarop dit bedrag werd berekend en de in aanmerking genomen verjaringstermijn; indien dit bedrag pas meegedeeld kan worden na het afsluiten van de verificatieprocedure bedoeld in artikel 164 van het koninklijk besluit, gaat de termijn om beroep in te stellen bij de arbeidsrechtbank tegen de beslissing tot terugvordering en tegen het bedrag van de terugvordering slechts in vanaf de datum van deze latere mededeling;
b) de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen werden verricht;
c) de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen;
d) de mogelijkheid voor de Rijksdienst om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien en de procedure die hiervoor moet worden gevolgd.
Art. 4bis. (Inséré par ) La notification visée à l'article 26bis, § 2, alinéa 1er, 2° à 4° et 6° de l'arrêté royal doit, outre la motivation, contenir notamment les données suivantes :
les références du dossier, notamment le numéro d'identification du chômeur pour la sécurité sociale;
la possibilité d'introduire un recours devant le tribunal du travail au moyen d'une lettre signée, adressée par recommandé ou déposée au greffe, dans les 3 mois qui suivent la notification, l'adresse du tribunal du travail compétent, la possibilité de comparaître en personne devant le tribunal ou de se faire représenter par un avocat, par une organisation représentative des travailleurs ou éventuellement par un membre de la famille et le fait qu'en règle générale le travailleur ne doit pas payer de frais judiciaires;
la possibilité d'obtenir des précisions concernant la décision auprès du service d'information de l'organisme de paiement;
en outre, s'il s'agit d'une décision de récupération :
a) le constat que des montants indus ont été payés ainsi que, s'il est déjà connu, le montant total du paiement indu, le mode de calcul de ce montant et le délai de prescription pris en considération; si ce montant ne peut être communiqué qu'après la clôture de la procédure de vérification visée à l'article 164 de l'arrêté royal, le délai d'introduction d'un recours auprès du tribunal du travail contre la décision de récupération et contre le montant de la récupération ne prend cours qu'à partir de la date de cette communication ultérieure;
b) le contenu et les références des dispositions en violation desquelles les paiements ont été effectués;
c) la possibilité de soumettre une proposition motivée de remboursement échelonné;
d) la possibilité pour l'Office de renoncer à la récupération de montants payés indûment et la procédure qui doit être suivie à cet effet.
HOOFDSTUK IV. - Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 28 en 34 van het koninklijk besluit betreffende de vaststelling van het refertemaandloon.
CHAPITRE IV. Dispositions prises en exécution des articles 28 et 34 de l'arrêté royal et relatives à la fixation du salaire mensuel de référence.
Art. 5. Het refertemaandloon bedoeld in artikel 28, § 2, van het koninklijk besluit is gelijk aan :
(voor de werknemer die ten minste 21 jaar is, het gemiddeld minimum maandinkomen gewaarborgd aan de werknemers die 21 jaar oud zijn en geen anciënniteit hebben in de onderneming die hen tewerkstelt, bepaald bij collectieve arbeidsovereenkomst, afgesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit;)
voor de werknemer die minder dan 21 jaar is, het gemiddeld minimum maandinkomen bepaald voor een werknemer van 18 jaar bij collectieve arbeidsovereenkomst, afgesloten in de Nationale Arbeidsraad, betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen voor werknemers onder de 21 jaar die tewerkgesteld zijn aan werkzaamheden of in sectoren die van geen paritair comité afhangen of die afhangen van een paritair comité dat niet is samengesteld, algemeen verbindend verklaard is bij koninklijk besluit.
Art. 5. Le salaire mensuel de référence visé à l'article 28, § 2, de l'arrêté royal est égal :
(pour le travailleur âgé de 21 ans au moins, au revenu minimum mensuel moyen garanti aux travailleurs âgés de 21 ans qui n'ont pas d'ancienneté dans l'entreprise qui les occupe, fixé par convention collective de travail, conclue au sein du Conseil national du Travail, relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, rendue obligatoire par arrêté royal;)
pour le travailleur âgé de moins de 21 ans, au revenu minimum mensuel moyen fixé pour un travailleur de 18 ans par convention collective de travail, conclue au sein du Conseil national du travail, relative à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen aux travailleurs de moins de 21 ans occupés à des activités ou dans des secteurs ne dépendant pas d'une commission paritaire ou dépendant d'une commission paritaire non constituée, rendue obligatoire par arrêté royal.
HOOFDSTUK IVbis. [1 Bepalingen ter uitvoering van artikel 36, § 1/1, van het koninklijk besluit, betreffende de vaststelling van een lijst van diploma's en getuigschriften.]1
CHAPITRE IVbis. [1 Dispositions en exécution de l'article 36, § 1/1, concernant l'établissement de la liste des diplomes et attestations.]1
Art. 6. [1 De lijst van diploma's en getuigschriften en attesten bedoeld in artikel 36, § 1/1, eerste lid, 3° van het koninklijk besluit, is opgenomen als bijlage bij dit besluit.]1
Art. 6. [1 La liste des diplomes et attestations visée à l'article 36, § 1/1, alinéa 1er, 3°, est reprise en annexe au présent arrêté.]1
HOOFDSTUK V. - Bepalingen ter uitvoering van artikel 37 van het koninklijk besluit, betreffende de toelaatbaaheidsvoorwaarden.
CHAPITRE V. Dispositions prises en exécution de l'article 37 de l'arrêté royal et relatives aux conditions d'admissibilité.
Afdeling I. - Berekening van arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen.
Section I. Calcul des journées de travail et des journées assimilées.
Onderafdeling I. - Algemene regelen.
Sous-section I. Règles générales.
Art. 7. (Voor een ononderbroken voltijdse tewerkstelling gedurende een volledig kwartaal worden 78 arbeidsdagen in rekening gebracht.
In de gevallen niet bedoeld in het eerste lid wordt voor een voltijdse tewerkstelling het aantal arbeidsdagen bekomen door toepassing van de volgende formule :
A/R x 6, waarbij
A overeenstemt met het aantal dagen waarop arbeidsprestaties werden verricht overeenkomstig artikel 37 van het koninklijk besluit
R overeenstemt met de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur uitgedrukt in dagen,
en waarbij het aldus bekomen aantal dagen gemiddeld per kwartaal 78 niet mag overschrijden.
Voor een deeltijdse tewerkstelling wordt het aantal arbeidsdagen bekomen door het aantal arbeidsuren te delen door één zesde van deze van de maatpersoon. Het bekomen quotiënt wordt afgerond naar de hogere eenheid. Het aldus bekomen aantal dagen mag echter gemiddeld per kwartaal 78 niet overschrijden.
Wordt toepassing gemaakt van de bepaling van artikel 37, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit, dan mag het aantal dagen dat in rekening wordt gebracht voor het kwartaal waarin de referteperiode aanvangt, niet meer bedragen dan het aantal dagen berekend vanaf de dag waarop de referteperiode aanvangt tot de laatste dag van het betreffende kwartaal, met uitsluiting van de zondagen.)
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder arbeidsuren verstaan de uren waarmee rekening werd gehouden voor de berekening van de bijdragen voor de sociale zekerheid, sector werkloosheid.
(Lid 4 opgeheven)
Art. 7. (Pour une occupation ininterrompue à temps plein d'un trimestre complet, 78 journées de travail sont prises en considération.
Dans les cas non visés à l'alinéa 1er, le nombre de journées pour une occupation à temps plein est obtenu selon la formule suivante :
A/R x 6, où
A correspond au nombre de jours au cours desquels des prestations de travail ont été effectuées conformément à l'article 37 de l'arrêté royal
R correspond à la durée hebdomadaire de travail moyenne exprimée en jours,
étant entendu que le nombre de journées ainsi obtenu ne peut dépasser en moyenne 78 par trimestre.
Pour une occupation à temps partiel, le nombre de journées de travail est obtenu en divisant le nombre d'heures de travail par un sixième de celles de la personne de référence. Le quotient obtenu est arrondi à l'unité supérieure. Le nombre de journées ainsi obtenu ne peut toutefois dépasser en moyenne 78 par trimestre.
Lorsque la disposition de l'article 37, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal est appliquée, le nombre de jours pris en considération pour le trimestre pendant lequel la période de référence prend cours ne peut dépasser le nombre de jours calculé à partir du jour où la période de référence prend cours jusqu'au dernier jour du trimestre concerné, à l'exclusion des dimanches.)
Pour l'application du présent article, il y a lieu d'entendre par heures de travail, les heures dont il a été tenu compte pour le calcul des cotisations de sécurité sociale, secteur chômage.
(Alinéa 4 abrogé)
Art. 8. Voor de vrijwillig deeltijdse werknemer wordt het aantal halve arbeidsdagen bekomen door het aantal dagen berekend overeenkomstig deze afdeling te vermenigvuldigen met twee. Het aldus bekomen aantal halve arbeidsdagen mag echter gemiddeld per kwartaal 78 niet overschrijden.
Art. 8. Pour le travailleur à temps partiel volontaire, le nombre de demi-journées de travail est obtenu en multipliant par deux le nombre de journées calculé conformément à la présente section. Le nombre de demi-journées de travail ainsi obtenu ne peut dépasser en moyenne 78 par trimestre.
Onderafdeling II. - Bijzondere regelen.
Sous-section II. Règles particulières.
Art. 9. [2 Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder:
A: het aantal effectieve of gelijkgestelde arbeidsdagen die in aanmerking worden genomen door de betrokken gemeenschap voor de berekening van de uitgestelde bezoldiging van de betrokken leerkracht;
de eerste werkdag van de periode van de zomervakantie:
a) wanneer de betrokken gemeenschap een variabele schoolkalender gebruikt in de zin van 5°: de maandag van de eerste volledige week van de zomervakantie;
b) wanneer de betrokken gemeenschap een vaste schoolkalender gebruikt in de zin van 6°: de eerste werkdag van de eerste volledige maand van de zomervakantie;
B: de periode die aanvangt op de eerste werkdag van de periode van de zomervakantie in de zin van 2° en die eindigt op de laatste dag van de periode van de zomervakantie zoals bepaald door de betrokken gemeenschap;
C: de periode van het schooljaar, de zomervakantie niet meegerekend, die aanvangt op de eerste werkdag van het schooljaar zoals bepaald door de betrokken gemeenschap en die eindigt de dag vóór de eerste werkdag van de periode van de zomervakantie in de zin van 2°;
variabele schoolkalender: een kalender in het kader waarvan de periodes van het schooljaar en de zomervakantie beginnen en eindigen op variabele data in functie van de kalenderjaren;
vaste schoolkalender: een kalender in het kader waarvan de periodes van het schooljaar en de zomervakantie beginnen en eindigen op vaste data, ongeacht het kalenderjaar.]2

[1 Voor de leerkracht, tewerkgesteld in een onderwijsinstelling opgericht of gesubsidieerd door een Gemeenschap, wordt het aantal in rekening gebrachte arbeidsdagen bekomen overeenkomstig artikel 7.
[2 Voor de leerkracht die een uitgestelde bezoldiging ontvangt voor de zomervakantieperiodes, wordt het aantal dagen bedoeld in het tweede lid, verhoogd met het aantal dagen dat wordt verkregen door de formule A*Q/S*B/C.
Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten van het resultaat van de formule B/C.
De periodes bedoeld in eerste lid, 3° en 4°, worden uitgedrukt op basis van de schoolkalender die door de betrokken gemeenschap is aangenomen en waaraan de betrokken leerkracht is onderworpen, namelijk:
in weken als de gemeenschap een variabele schoolkalender gebruikt;
in maanden als de gemeenschap een vaste schoolkalender gebruikt.
De berekening bedoeld in het derde lid wordt uitgevoerd voor elke tewerkstelling die recht geeft op de uitgestelde bezoldiging. Het vijfde cijfer na de komma van het resultaat van elke berekening wordt weggelaten. Het geheel van de resultaten wordt vervolgens samengeteld en het uiteindelijke resultaat wordt afgerond naar de hogere eenheid.]2
]1

(Voor de vrijwillig deeltijdse leerkracht wordt het aantal halve arbeidsdagen bekomen door het aantal dagen berekend overeenkomstig [1 de voorgaande leden]1 te vermenigvuldigen met twee. Het aldus bekomen aantal halve arbeidsdagen mag echter gemiddeld per kwartaal 78 niet overschrijden.)
[2 Voor de leerkracht die in de loop van eenzelfde schooljaar werd onderworpen aan verschillende schoolkalenders, wordt de berekening bedoeld in het derde lid apart uitgevoerd voor elke schoolkalender. De resultaten worden opgeteld.
Het resultaat dat overeenkomstig dit artikel wordt verkregen, mag echter gemiddeld per kwartaal 78 niet overschrijden.]2

Art. 9. [2 Pour l'application du présent article, il faut entendre par :
A : le nombre de jours de travail effectifs ou assimilés pris en considération par la communauté concernée pour le calcul de la rémunération différée de l'enseignant concerné ;
premier jour ouvrable de la période de vacances d'été :
a) lorsque la communauté concernée fait usage d'un calendrier scolaire variable sens du 5° : le lundi de la première semaine complète de vacances d'été;
b) lorsque la communauté concernée fait usage d'un calendrier scolaire fixe au sens du 6° : le premier jour ouvrable du premier mois complet de vacances d'été;
B : la période débutant le premier jour ouvrable de la période de vacances d'été au sens du 2° et prenant fin le dernier jour de la période de vacances d'été telle que déterminée par la communauté concernée ;
C : la période de l'année scolaire, hors vacances d'été, prenant cours le premier jour ouvrable de la période de l'année scolaire telle que déterminée par la communauté concernée et prenant fin la veille du premier jour ouvrable de la période de vacances d'été au sens du 2° ;
calendrier scolaire variable : calendrier au sein duquel les périodes de l'année scolaire et de vacances d'été débutent et se terminent à des dates variables en fonction des années civiles ;
calendrier scolaire fixe : calendrier au sein duquel les périodes de l'année scolaire et de vacances d'été débutent et se terminent à des dates fixes, quelle que soit l'année civile.]2

[1 Pour l'enseignant, occupé dans un établissement d'enseignement organisé ou subventionné par une Communauté, le nombre de jours de travail pris en considération est obtenu conformément à l'article 7.
[2 Pour l'enseignant qui perçoit une rémunération différée due pour la période de vacances d'été, le nombre de jours visé à l'alinéa 2 est augmenté du nombre de jours obtenu par la formule A*Q/S*B/C.
Le cinquième chiffre après la virgule du résultat de la formule B/C est supprimé.
Les périodes visées à l'alinéa 1er, 3° et 4° sont exprimées sur la base du calendrier scolaire adopté par la communauté concernée et auquel est soumis l'enseignant concerné, à savoir :
en semaines lorsque la communauté fait usage d'un calendrier scolaire variable;
en mois lorsque la communauté fait usage d'un calendrier scolaire fixe.
Le calcul visé à l'alinéa 3 est opéré pour chaque occupation donnant droit à une rémunération différée. Le cinquième chiffre après la virgule du résultat de chaque calcul est supprimé. L'ensemble des résultats sont ensuite additionnés et le résultat final est arrondi à l'unité supérieure.]2
]1

(Pour l'enseignant à temps partiel volontaire, le nombre de demi-journées de travail est obtenu en multipliant par deux le nombre de journées calculé conformément [1 aux alinéas précédents]1. Le nombre de demi-journées de travail ainsi obtenu ne peut dépasser en moyenne 78 par trimestre.)
[2 Pour l'enseignant qui, au cours d'une même année scolaire, a été soumis à différents calendriers scolaires, le calcul visé à l'alinéa 3 est opéré séparément pour chaque calendrier scolaire. Les résultats sont additionnés.
Le nombre de journées obtenu conformément au présent article ne peut toutefois pas dépasser en moyenne 78 par trimestre.]2

Art. 10.
Art. 10.
Art. 11. Voor de houthakker die per taak wordt bezoldigd wordt het aantal arbeidsdagen door het tijdens de referteperiode ontvangen brutoloon te delen door (11,65 EUR). Het bekomen quotiënt wordt afgerond naar de hogere eenheid.
Het aldus bekomen aantal arbeidsdagen mag echter niet meer bedragen dan het aantal dagen begrepen in de periode van tewerkstelling, met uitzondering van de zondagen.
Art. 11. Pour le bûcheron rémunéré à la tâche, le nombre de journées de travail est obtenu en divisant la rémunération brute percue pendant la période de référence par (11,65 EUR). Le quotient obtenu est arrondi à l'unité supérieure.
Le nombre de journées de travail ainsi obtenu ne peut dépasser le nombre de jours, dimanches exceptés, compris dans la période d'occupation.
Art. 12. Voor de huisarbeider die een stuk- of een taakloon ontvangt wordt het aantal arbeidsdagen bekomen door het tijdens de referteperiode ontvangen brutoloon waarmee rekening werd gehouden voor de berekening van de bijdragen voor de sociale zekerheid, sector werkloosheid, te delen door 1/26ste van het refertemaandloon bedoeld in artikel 5. Het bekomen quotiënt wordt afgerond naar de hogere eenheid.
Het aldus bekomen aantal arbeidsdagen mag echter niet meer bedragen dan het aantal dagen begrepen in de periode tijdens dewelke de huisarbeider verbonden is door een arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de zondagen, verminderd met het voor deze periode in rekening gebrachte aantal gelijkgestelde dagen.
Art. 12. Pour le travailleur à domicile qui percoit un salaire à la pièce ou à la tâche, le nombre de journées de travail est obtenu en divisant la rémunération brute dont il est tenu compte pour le calcul des cotisations de sécurité sociale, secteur chômage, percue pendant la période de référence, par 1/26ème du salaire mensuel de référence visé à l'article 5. Le quotient obtenu est arrondi à l'unité supérieure.
Le nombre de journées de travail ainsi obtenu ne peut cependant pas dépasser le nombre de jours, dimanches exceptés, compris dans la période pendant laquelle le travailleur à domicile est lié par un contrat de travail, diminué des journées assimilées prises en compte pour cette période.
Art. 13. (Opgeheven)
Art. 13. (Abrogé)
Afdeling II. - Voorwaarden waaronder de inhoudingen voor de sociale zekerheid geacht worden te zijn verricht en uitwerking van de regularisaties van bijdragen voor sociale zekerheid en van lonen.
Section II. Conditions auxquelles les retenues pour la sécurité sociale sont censées avoir été opérées et effets des régularisations en matière de cotisations de sécurité sociale et de salaires.
Art. 14. Komen niet in aanmerking voor de berekening van het vereiste aantal arbeidsdagen, de arbeidsprestaties verricht in een niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming, zelfs als de inhoudingen werden verricht.
Art. 14. N'entrent pas en ligne de compte pour le calcul du nombre requis de journées de travail, les prestations de travail fournies dans une profession ou dans une entreprise non assujetties à la sécurité sociale, secteur chômage, même si les retenues ont été effectuées.
Art. 15. De arbeidsdagen die bij toepassing van artikel 37, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit niet in aanmerking konden genomen worden wegens onvoldoende loon, komen in aanmerking met uitwerking op datum van de uitkeringsaanvraag, indien de werknemer het bewijs levert dat de werkgever hem het aanvullend loon werkelijk heeft uitbetaald en de bijdragen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, ingehouden heeft.
(In afwijking van het vorige lid komen de bewuste arbeidsdagen eveneens in aanmerking met uitwerking op de datum van de uitkeringsaanvraag, als de werknemer bewijst dat hij al het mogelijke gedaan heeft om uitbetaling van het aanvullend loon te verkrijgen, doch dat die uitbetaling niet is kunnen geschieden onder meer omdat de verjaring is ingetreden, doordat de werkgever niet meer bereikbaar is, of onvermogend, of doordat het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers niet kan tegemoetkomen of niet langer kan tegemoetkomen omdat de grensbedragen ten belope waarvan het fonds tegemoetkomt, bereikt zijn.)
Art. 15. Les journées de travail qui, pour l'application de l'article 37, § 1er, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal n'ont pu être prises en considération en raison de l'insuffisance des salaires, entrent en ligne de compte avec effet à la date de la demande d'allocations si le travailleur apporte la preuve que l'employeur lui a versé effectivement les compléments de salaires qui lui étaient dus et a retenu les cotisations pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage.
(Par dérogation à l'alinéa précédent, les journées de travail concernées sont également prises en considération avec effet à la date de la demande d'allocations, si le travailleur apporte la preuve qu'il a fait tout ce qui était possible pour obtenir le paiement des compléments de salaire, mais que ce paiement n'a pu se faire notamment en raison du fait que la prescription est atteinte, parce que l'employeur n'est plus joignable ou que l'employeur est insolvable ou parce que le Fonds d'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de Fermeture d'Entreprises ne peut intervenir ou ne peut plus intervenir étant donné que les plafonds à concurrence desquels il intervient sont atteints.)
Art. 16. De werknemer op wiens loon de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, verricht werden, voldoet aan de bepalingen van artikel 37, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit, zelfs als de werkgever niet de vereiste stortingen bij de bevoegde instelling gedaan heeft.
De werknemer op wiens loon de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid niet, of slechts ten dele werden verricht, wordt geacht te voldoen aan de bepalingen van artikel 37, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit indien gelijktijdig voldaan is aan de volgende voorwaaden :
de arbeidsprestaties werden verricht in een onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming;
de werknemer heeft zich bij de bevoegde inspectiedienst over het verzuim van zijn werkgever beklaagd of zijn vakorganisatie heeft de werkgever, bij ter post aangetekend schrijven, verzocht zijn verplichtingen na te leven.
Art. 16. Le travailleur dont la rémunération a fait l'objet des retenues réglementaires pour la sécurité sociale, y compris celles pour le secteur chômage, satisfait aux dispositions de l'article 37, § 1er, alinéa 1er, 2°, de l'arrêté royal, même lorsque l'employeur n'a pas effectué les versements requis auprès de l'organisme compétent.
Le travailleur dont la rémunération n'a pas fait l'objet des retenues réglementaires pour la sécurité sociale ou n'a fait l'objet que de retenues insuffisantes, est censé satisfaire aux dispositions de l'article 37, § 1er, alinéa 1er, 2°, de l'arrêté royal s'il est satisfait simultanément aux conditions suivantes :
les prestations de travail ont été effectuées dans une profession ou dans une entreprise assujetties à la sécurité sociale, secteur chômage;
le travailleur s'est plaint de la carence de son employeur auprès des services d'inspection compétents ou son organisation syndicale a invité l'employeur, par lettre recommandée à la poste, à s'acquitter de ses obligations.
Art. 17. Wanneer niet voldaan werd aan de voorwaarden van artikel 16, tweede lid, 2°, worden de arbeidsdagen waavoor een loon werd betaald waarop de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, niet of slechts ten dele werden verricht, niettemin in aanmerking genomen, met uitwerking op de datum van de uitkeringsaanvraag, indien gelijktijdig voldaan is aan de volgende voorwaarden :
de arbeidsprestaties werden verricht in een onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming;
de werknemer levert het bewijs dat de werkgever werkelijk de ontbrekende inhoudingen aan de bevoegde instelling heeft gestort.
Art. 17. Lorsque les conditions de l'article 16, alinéa 2, 2°, ne sont pas remplies, les journées de travail dont la rémunération n'a pas fait l'objet des retenues réglementaires pour la sécurité sociale, ou n'a fait l'objet que de retenues insuffisantes, sont toutefois prises en considération avec effet à la date de la demande d'allocations, s'il est satisfait simultanément aux conditions suivantes :
les prestations de travail ont été effectuées dans une profession ou dans une entreprise assujetties à la sécurité sociale, secteur chômage;
le travailleur apporte la preuve que l'employeur a versé effectivement les cotisations manquantes à l'organisme compétent.
HOOFDSTUK V. - Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 45, 46, 51 en 55 van het koninklijk besluit, betreffende de vereiste onvrijwillig zonder arbeid en zonder loon te zijn.
CHAPITRE VI. Dispositions prises en exécution des articles 45, 46, 51 et 55 de l'arrêté royal et relatives à la condition de privation involontaire de travail et de rémunération.
Afdeling I. - Zonder loon zijn.
Section I. Privation de rémunération.
Art. 18. § 1. Een werkloze kan, mits akkoord van de directeur, een vrijwillige en gratis activiteit voor een privé-persoon uitoefenen, indien deze activiteit niet plaats vindt in de professionele sfeer en de activiteit het voorwerp uitgemaakt heeft van een voorafgaandelijke aangifte bij het werkloosheidsbureau.
De voorafgaandelijke aangifte bedoeld in het vorig lid moet schriftelijk worden gedaan en de identiteit van de partijen, de aard, de duur, de frequentie en de plaats van het werk vermelden en door beide partijen ondertekend worden.
Deze voorafgaandelijke aangifte kan terzijde geschoven worden wanneer zij door ernstige, nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens wordt tegengesproken.
§ 2. Het akkoord van de directeur geldt voor onbepaalde duur, behalve indien :
de activiteit volgens de aangifte slechts uitgeoefend wordt gedurende een bepaalde duur, in welk geval het akkoord voor een bepaalde duur geldt;
de directeur het noodzakelijk acht na verloop van 12 maanden in functie van de criteria opgenomen in § 3, opnieuw na te gaan of de activiteit nog als vrijwilligerswerk kan beschouwd worden, in welk geval de aangifte geldt voor een periode van twaalf maanden. In geval van verdere uitoefening van het vrijwilligerswerk na deze twaalf maanden moet de werkloze een nieuwe aangifte indienen overeenkomstig § 1.
Bij gebrek aan beslissing binnen een termijn van 12 werkdagen na de ontvangst van een volledige aangifte, wordt de uitoefening van de onbezoldigde activiteit met behoud van uitkeringen, geacht aanvaard te zijn.
Een eventuele beslissing houdende een verbod of een beperking, heeft slechts gevolgen voor de toekomst, behalve indien de activiteit niet onbezoldigd was.
§ 3. De directeur kan zijn akkoord weigeren, inzonderheid wanneer de tewerkstelling of haar verlenging tot gevolg zou hebben dat de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van de werkloze beduidend zou verminderen of wanneer de activiteit gezien haar aard, omvang en frequentie of gezien het kader waarin zij wordt uitgeoefend, niet of niet langer de kenmerken vertoont van een activiteit die gewoonlijk door vrijwilligers wordt verricht.
§ 4. Een vergoeding of een materieel voordeel, toegekend aan een werkloze, wordt voor de toepassing van artikel 45, eerste lid, 2°, en van artikel 46 van het koninklijk besluit buiten beschouwing gelaten indien de navermelde voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
het voordeel wordt toegekend in het kader van activiteiten die de werkloze verricht ten bate van een privé-persoon of sportieve activiteiten als amateuristische sportbeoefenaar;
het voordeel dekt de kosten die door de werkloze in het kader van de voormelde activiteit werden gemaakt of het voordeel wordt door de fiscale wetgeving beschouwd als een niet belastbaar voordeel;
er werd voldaan aan de vereisten van §§ 1 tot 3 of de Rijksdienst heeft op eigen initiatief of op vraag van een belanghebbende overheid of vereniging, voorafgaandelijk op algemene wijze vastgesteld dat de betreffende activiteiten beantwoorden aan de omschrijving van punt 1° en dat de voordelen die worden toegekend in het kader van de betreffende activiteit voldoen aan de vereisten van punt 2°.
In de situatie bedoeld in het eerste lid, 3°, kan de Rijksdienst zijn algemene toelating afhankelijk stellen van de naleving van bepaalde voorwaarden; daarbij kan beslist worden dat bepalingen van § 1 inzake de aangifte en van de §§ 2 en 3 inzake het akkoord van de directeur, verder toepasselijk blijven.
Art. 18. § 1er. Un chômeur peut, avec l'accord du directeur, effectuer une activité bénévole et gratuite pour un particulier, si cette activité n'a pas lieu dans la sphère professionnelle et que l'activité a fait l'objet d'une déclaration préalable au bureau du chômage.
La déclaration préalable visée à l'alinéa précédent doit être faite par écrit et mentionner l'identité des parties, la nature, la durée, la fréquence et le lieu des prestations et elle doit être signée par les parties.
Cette déclaration préalable peut être écartée lorsqu'elle est contredite par des présomptions graves, précises et concordantes.
§ 2. L'accord du directeur est valable pour une durée indéterminée sauf si :
l'activité, d'après la déclaration, n'est exercée que pour une durée déterminée, auquel cas l'accord est valable pour une durée déterminée;
le directeur estime nécessaire de vérifier à nouveau à l'issue de 12 mois, en fonction des critères repris au § 3, si l'activité peut encore être considérée comme une activité bénévole, auquel cas la déclaration est valable pour une période de douze mois. En cas de poursuite de l'exercice de l'activité bénévole après cette période de douze mois, le chômeur doit introduire une nouvelle déclaration conformément au § 1er.
A défaut de décision dans le délai de 12 jours ouvrables qui suit la réception d'une déclaration complète, l'exercice de l'activité non rémunérée avec maintien des allocations est considéré comme acceptée.
Une éventuelle décision comprenant une interdiction ou une limitation, n'a de conséquences que pour le futur, sauf si l'activité était rémunérée.
§ 3. Le directeur peut refuser son accord, notamment lorsque l'occupation ou sa prolongation aurait pour effet de diminuer sensiblement la disponibilité du chômeur pour le marché de l'emploi ou lorsque l'activité, vu sa nature, son volume et sa fréquence ou vu le cadre dans lequel elle est exercée, ne présente pas ou ne présente plus les caractéristiques d'une activité qui est effectuée habituellement par des bénévoles.
§ 4. Une indemnité ou un avantage matériel, qui est accordé à un chômeur, n'est pas pris en considération pour l'application de l'article 45, alinéa 1er, 2° et de l'article 46 de l'arrêté royal, si les conditions mentionnées ci-après sont simultanément remplies :
l'avantage est accordé dans le cadre des activités effectuées par le chômeur au profit d'un particulier, ou dans le cadre du bénévolat ou d'activités sportives comme sportif amateur;
l'avantage couvre les frais exposés par le chômeur dans le cadre de l'activité précitée ou est considéré par la législation fiscale comme un avantage non imposable;
il a été satisfait aux conditions des §§ 1er à 3 ou l'Office a constaté préalablement d'une façon générale, de sa propre initiative ou sur demande d'une autorité ou d'une association intéressée, que les activités concernées répondent à la définition du point 1° et que les avantages qui sont accordés dans le cadre de l'activité concernée satisfont aux conditions du point 2°.
Dans la situation visée à l'alinéa 1er, 3°, l'Office peut subordonner son autorisation générale au respect de certaines conditions; en outre, il peut être décidé que les dispositions du § 1er relative à la déclaration et des §§ 2 et 3 relatives à l'accord du directeur restent applicables.
Art. 19. [1 [3 De voordelen die toegekend zijn in het kader van, tijdens of ten gevolge van een opleiding, studies, een stage of een leertijd, worden niet beschouwd als loon in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit, in hoofde van de werkloze die, overeenkomstig artikel 152quinquies van het koninklijk besluit, deze studies, opleiding,stage of leertijd mag volgen met behoud van de uitkeringen voor zover hij de studies, opleiding, stage of leertijd effectief volg]3.
De voordelen die toegekend zijn in het kader van, tijdens of ten gevolge van een opleiding, studies, een stage of een leertijd, worden niet beschouwd als loon in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit, in hoofde van de persoon met wie de werkloze samenwoont [3 ...]3.
[3 ...]3
[3 ...]3
[3 ...]3
[3 ...]3
[3 ...]3
In afwijking van de vorige leden, wordt een studiebeurs waarop inhoudingen voor de sociale zekerheid worden verricht wel als een loon beschouwd.
In afwijking [2 van het eerste [3 en tweede]3]2, worden de voordelen die toegekend zijn in het kader, tijdens of ten gevolge van een opleiding, studies, een stage of een leertijd, beschouwd als loon in hoofde van de werkloze en in hoofde van de persoon met wie de werkloze samenwoont wanneer de activiteit die deze voordelen verschaft, wordt uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst of wordt uitgeoefend als zelfstandige.]1

Art. 19. [1 [3 Les avantages qui sont accordés dans le cadre, pendant ou suite à une formation, des études, un stage ou un apprentissage, ne sont pas considérés comme une rémunération au sens de l'article 46, § 1er, alinéa 1er, 6°, de l'arrêté royal, dans le chef du chômeur qui, conformément à l'article 152quinquies de l'arrêté royal, peut suivre ces études, cette formation, ce stage ou cet apprentissage avec maintien des allocations pour autant qu'il suive effectivement les études, la formation, le stage ou l'apprentissage]3.
Les avantages qui sont accordés dans le cadre, pendant ou suite à une formation, des études, un stage ou un apprentissage, ne sont pas considérés comme une rémunération au sens de l'article 46, § 1er, alinéa 1er, 6°, de l'arrêté royal, dans le chef de la personne avec laquelle le chômeur cohabite [3 ...]3.
[3 ...]3
[3 ...]3
[3 ...]3
[3 ...]3
[3 ...]3
Par dérogation aux alinéas précédents, la bourse d'études sur laquelle des retenues pour la sécurité sociale sont effectuées, est considérée comme une rémunération.
Par dérogation[2 aux alinéas 1er [3 et 2]3]2, au second et troisième alinéas, les avantages qui sont accordés dans le cadre, pendant ou suite à des études, une formation, un stage ou un apprentissage sont considérés comme une rémunération dans le chef du chômeur et dans le chef de la personne avec laquelle le chômeur cohabite lorsque l'activité qui procure ces avantages est exercée dans le cadre d'un contrat de travail ou de l'exercice d'une activité en tant qu'indépendant.]1

Art. 20. De werkloze moet de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld ten laatste uitputten in de maand december van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar. De door vakantiegeld gedekte dagen mogen niet uitgeput worden tijdens periodes van volledige werkloosheid die niet vergoedbaar zijn in toepassing van artikel 46 van het koninklijk besluit ingevolge het ontvangen van een vergoeding wegens de beëindiging van een arbeidsovereenkomst of in toepassing van artikel 55, 7° van het koninklijk besluit ingevolge de gelijkstelling van de zaterdag met een niet vergoedbare dag.
(De in artikel 38, derde lid, voorziene vrijstelling voor vakantiedagen die niet gedekt zijn door vakantiegeld kan slechts toegekend worden nadat de werkloze de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld heeft uitgeput.)
[2 ...]2
Art. 20. Le chômeur doit épuiser les jours couverts par un pécule de vacances au plus tard dans le courant du mois de décembre de l'année qui suit l'exercice de vacances. Les jours couverts par un pécule de vacances ne peuvent être épuisés au cours des périodes de chômage complet qui ne sont pas indemnisables en vertu de l'article 46 de l'arrêté royal à cause de la perception d'une indemnité du fait de la cessation d'un contrat de travail ou en application de l'article 55, 7° de l'arrêté royal à cause de l'assimilation du samedi à un jour non-indemnisable.
(La dispense prévue à l'article 38, alinéa 3, pour les jours de vacances qui ne sont pas couverts par un pécule de vacances, ne peut être accordée qu'au moment où le chômeur a épuisé les jours couverts par un pécule de vacances.)
[2 ...]2
Art.20/1. [1 § 1. Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder:
x: het aantal dagen, in een zesdagenstelsel, gedekt door een arbeidsovereenkomst voor alle uitgevoerde tewerkstellingen in een onderwijsinstelling opgericht of gesubsidieerd door een gemeenschap die een variabele schoolkalender gebruikt in de zin van artikel 9, 5°, en die door de betrokken gemeenschap in rekening worden gebracht voor de berekening van een uitgestelde bezoldiging, vermenigvuldigd met Q/S. Het vijfde cijfer na de komma van deze factor x wordt weggelaten;
y: het aantal dagen, in een zesdagenstelsel, gedekt door een arbeidsovereenkomst voor alle uitgevoerde tewerkstellingen in een onderwijsinstelling opgericht of gesubsidieerd door een gemeenschap die een vaste schoolkalender gebruikt in de zin van artikel 9, 6°, en die door de betrokken gemeenschap in rekening worden gebracht voor de berekening van een uitgestelde bezoldiging; vermenigvuldigd met Q/S. Het vijfde cijfer na de komma van deze factor y wordt weggelaten;
eerste werkdag van de periode van de zomervakantie:
a) wanneer de betrokken gemeenschap een variabele schoolkalender gebruikt in de zin van artikel 9, 5°: de maandag van de eerste volledige week van de zomervakantie;
b) wanneer de betrokken gemeenschap een vaste schoolkalender gebruikt in de zin van artikel 9, 6°: de eerste werkdag van de eerste volledige maand van de zomervakantie;
z: het aantal kalenderdagen dat valt in de periode vanaf de eerste werkdag van de periode van de zomervakantie in de zin van 3° die het vroegste begint, tot de dag vóór de eerste werkdag van de periode van de zomervakantie in de zin van 3°, die het laatst begint;
X: het aantal dagen in een zesdagenstelsel dat vervat zit in de periode van het schooljaar, de zomervakantie niet meegerekend, zoals bepaald door de betrokken gemeenschap die een variabele schoolkalender gebruikt in de zin van artikel 9, 5°;
Y: het aantal dagen in een zesdagenstelsel dat vervat zit in de periode van het schooljaar, de zomervakantie niet meegerekend, zoals bepaald door de betrokken gemeenschap die een vaste schoolkalender gebruikt in de zin van artikel 9, 6°;
de periode van de zomervakantie die het vroegste begint: de periode van de zomervakantie die volgens de kalender van de verschillende betrokken gemeenschappen het vroegst in het jaar begint;
de periode van de zomervakantie die het laatste begint: de periode van de zomervakantie die volgens de kalender van de verschillende betrokken gemeenschappen het laatst in het jaar begint;
de periode van de zomervakantie die het vroegste eindigt: de periode van de zomervakantie die volgens de kalender van de verschillende betrokken gemeenschappen het vroegst in het jaar eindigt.
§ 2. De leerkracht die is tewerkgesteld in een onderwijsinstelling opgericht of gesubsidieerd door een gemeenschap, moet de dagen uitputten die gedekt zijn door de uitgestelde bezoldiging die verschuldigd is voor een zomervakantieperiode vanaf de eerste werkdag van de periode van de zomervakantie, zoals bepaald door de betrokken gemeenschap.
Bij gebrek aan een uitdrukkelijk bepaalde zomervakantieperiode door de betrokken gemeenschap, worden de dagen gedekt door de bezoldiging bedoeld in het eerste lid, uitgeput vanaf de eerste werkdag na het einde van de arbeidsovereenkomst die recht geeft op de uitgestelde bezoldiging en die ten vroegste gelegen op de eerste werkdag van de maand juli.
Het aantal dagen bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op basis van de formule A*Q/S*B/C bedoeld in artikel 9, derde lid.
Indien de leerkracht een volledige jaarwedde heeft genoten als voltijdse leerkracht in de zin van artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit, wordt dat aantal dagen evenwel geacht de volledige zomervakantieperiode te dekken zoals bepaald door de betrokken gemeenschap.
§ 3. Voor de leerkracht die in de loop van eenzelfde schooljaar is onderworpen aan verschillende schoolkalenders zoals bedoeld in artikel 9, wordt de berekening bedoeld in paragraaf 2, derde lid apart uitgevoerd voor elke schoolkalender. De resultaten worden opgeteld.
In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, indien de leerkracht die geen volledige jaarwedde heeft genoten in de zin van paragraaf 2, vierde lid, in de loop van eenzelfde schooljaar werd onderworpen aan verschillende schoolkalenders zoals bedoeld in artikel 9, worden de dagen die gedekt zijn door de uitgestelde bezoldiging die verschuldigd is voor een zomervakantieperiode uitgeput vanaf de eerste werkdag na de periode die bestaat uit een aantal dagen dat gelijk is aan het resultaat van de formule z*x/(x+y) die aanvangt vanaf de eerste werkdag van de zomervakantieperiode die het vroegste begint.
Het verkregen resultaat in het tweede lid wordt naar de lagere eenheid afgerond.
Voor de toepassing van paragraaf 2, vierde lid, indien de leerkracht in de loop van eenzelfde schooljaar werd onderworpen aan verschillende schoolkalenders zoals bedoeld in artikel 9, moet worden verstaan onder:
de volledige zomervakantieperiode: de periode waarvan de begindatum wordt bepaald overeenkomstig de voorgaande leden en waarvan de einddatum overeenkomt met de laatste dag gedekt door een uitgestelde bezoldiging voor de periode van de zomervakantie bepaald overeenkomstig de voorgaande leden en die ten vroegste valt op de laatste werkdag van de periode van de zomervakantie die het vroegste eindigt.
de leerkracht die een volledige jaarwedde heeft genoten als voltijdse leerkracht: de leerkracht die een wedde heeft genoten voor een schooljaar waarvoor het resultaat van de formule x/X + y/Y ten minste gelijk is aan 1.]1

Art. 20/1. [1 § 1er. Pour l'application du présent article, il faut entendre par :
x : le nombre de jours, en régime six jours, couverts par contrat de travail pour l'ensemble des occupations effectuées dans un établissement d'enseignement organisé ou subventionné par une communauté qui fait usage d'un calendrier scolaire variable au sens de l'article 9, 5°, et pris en considération par la communauté concernée pour le calcul d'une rémunération différée, multiplié par Q/S. Le cinquième chiffre après la virgule de ce facteur x est supprimé;
y : le nombre de jours, en régime six jours, couverts par contrat de travail pour l'ensemble des occupations effectuées dans un établissement d'enseignement organisé ou subventionné par une communauté qui fait usage d'un calendrier scolaire fixe au sens de l'article 9, 6°, et pris en considération par la communauté concernée pour le calcul d'une rémunération différée; multiplié par Q/S. Le cinquième chiffre après la virgule de ce facteur y est supprimé;
premier jour ouvrable de la période de vacances d'été :
a) lorsque la communauté concernée fait usage d'un calendrier scolaire variable au sens de l'article 9, 5° : le lundi de la première semaine complète de vacances d'été;
b) lorsque la communauté concernée fait usage d'un calendrier scolaire fixe au sens de l'article 9, 6° : le premier jour ouvrable du premier mois complet de vacances d'été;
z : le nombre de jours calendrier situés dans la période allant du premier jour ouvrable de la période de vacances d'été au sens du 3° débutant le plus tôt à la veille du premier jour ouvrable de la période de vacances d'été, au sens du 3°, débutant le plus tard;
X : le nombre de jours en régime six jours compris dans la période de l'année scolaire, hors vacances d'été, telle que déterminée par la communauté concernée qui fait usage d'un calendrier scolaire variable au sens de l'article 9, 5°;
Y : le nombre de jours en régime six jours compris dans la période de l'année scolaire, hors vacances d'été, telle que déterminée par la communauté concernée qui fait usage d'un calendrier scolaire fixe au sens de l'article 9, 6°;
période de vacances d'été débutant le plus tôt : la période de vacances d'été qui, selon le calendrier des différentes communautés concernées, débute le plus tôt dans l'année;
période de vacances d'été débutant le plus tard : la période de vacances d'été qui, selon le calendrier des différentes communautés concernées, débute le plus tard dans l'année;
période de vacances d'été se terminant le plus tôt : la période de vacances d'été qui, selon le calendrier des différentes communautés concernées, se termine le plus tôt dans l'année.
§ 2. L'enseignant occupé dans un établissement d'enseignement organisé ou subventionné par une communauté doit épuiser les jours couverts par la rémunération différée due pour une période de vacances d'été à partir du premier jour ouvrable de la période de vacances d'été telle que déterminée par la communauté concernée.
A défaut de la détermination expresse d'une période de vacances d'été par la communauté concernée, les jours couverts par la rémunération visés à l'alinéa 1er sont épuisés à partir du premier jour ouvrable qui suit la fin du contrat de travail donnant droit à la rémunération différée et qui est situé au plus tôt le premier jour ouvrable du mois de juillet.
Le nombre de jours visé à l'alinéa 1er est déterminé sur la base de la formule A*Q/S*B/C visée à l'article 9, alinéa 3.
Dans le cas où l'enseignant a bénéficié d'un traitement annuel complet comme enseignant à temps plein au sens de l'article 28, § 1er, de l'arrêté royal, ce nombre de jours est toutefois censé couvrir la période complète des vacances d'été telle que déterminée par la communauté concernée.
§ 3. Pour l'enseignant qui, au cours d'une même année scolaire, a été soumis à différents calendriers scolaires tels que visés à l'article 9, le calcul visé au paragraphe 2, alinéa 3, est opéré séparément pour chaque calendrier scolaire. Les résultats sont additionnés.
Par dérogation au paragraphe 2, alinéa 1er, dans le cas où l'enseignant qui n'a pas bénéficié d'un traitement annuel complet au sens du paragraphe 2, alinéa 4, a été, au cours d'une même année scolaire, soumis à différents calendriers scolaires tels que visés à l'article 9, les jours couverts par la rémunération différée due pour une période de vacances d'été sont épuisés à partir du premier jour ouvrable qui suit la période constituée d'un nombre de jours égal au résultat de la formule z*x/(x+y) prenant cours à partir du premier jour ouvrable de la période de vacances d'été débutant le plus tôt.
Le résultat obtenu à l'alinéa 2 est arrondi à l'unité inférieure.
Pour l'application du paragraphe 2, alinéa 4, dans le cas où l'enseignant a été, au cours d'une même année scolaire, soumis à différents calendriers scolaires tels que visés à l'article 9, il faut entendre par :
la période complète des vacances d'été : la période dont la date de début est déterminée conformément aux alinéas précédents; et dont la date de fin correspond au dernier jour couvert par une rémunération différée due pour une période de vacances d'été et déterminée conformément aux alinéas précédents et située au plus tôt le dernier jour ouvrable de la période de vacances d'été se terminant le plus tôt.
enseignant qui a bénéficié d'un traitement annuel complet à temps plein : l'enseignant qui a bénéficié d'un traitement pour une année scolaire pour laquelle le résultat de la formule x/X + y/Y est au moins égal à 1.]1

Art. 21. Aan de volledig werkloze wordt geen uitkering toegekend voor de zaterdag indien hij zich bevindt in één van de volgende situaties :
hij ontving voor de beschouwde week een loon dat overeenstemt met een voltijdse arbeidsregeling;
zowel de voorafgaande vrijdag als de daaropvolgende maandag zijn niet vergoedbaar;
de zaterdag volgt aansluitend op vijf niet vergoedbare dagen;
in de beschouwde week te rekenen vanaf de zondag zijn er ten minste vier dagen waarvoor de werkloze overeenkomstig artikel 44 geen recht heeft op uitkeringen.
Aan de volledig werkloze kan slechts een halve uitkering toegekend worden voor de zaterdag indien er in de beschouwde week, te rekenen vanaf de zondag, twee of drie dagen zijn waarvoor de werkloze overeenkomstig artikel 44 geen recht heeft op uitkeringen.
Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4° en van het tweede lid, wordt een door vakantiegeld gedekte dag die gelegen is in een periode van volledige werkloosheid beschouwd als een vergoedbare dag.
Voor de toepassing van het eerste lid, 4° en van het tweede lid, wordt geen rekening gehouden met de dagen die gelegen zijn in een periode waarvoor een inkomensgarantie-uitkering werd toegekend en evenmin, indien de werkloze voor de voorgaande maand geen uitkeringen ontving als volledig werkloze, met de dagen gelegen vóór de eerste vergoedbare dag in de beschouwde maand.
De bepaling van het eerste lid, 2° en 4° en van het tweede lid gelden evenwel niet ten aanzien van de werknemer die gewoonlijk arbeidsprestaties verricht overeenkomstig de zesdaagse werkweek en die ten gevolge van dergelijke arbeidsprestaties op de vermelde dagen niet vergoedbaar is.
Art. 21. Aucune allocation n'est accordée au chômeur complet pour le samedi lorsqu'il se trouve dans une des situations suivantes :
il a perçu pour la semaine considérée une rémunération correspondant à un régime de travail à temps plein;
le vendredi précédent et le lundi suivant ne sont pas indemnisables;
le samedi suit immédiatement cinq journées non indemnisables;
dans la semaine considérée, à compter à partir du dimanche, il y a au moins quatre jours, pour lesquels le chômeur n'a pas droit à des allocations conformément à l'article 44.
Une demi-allocation seulement peut être accordée au chômeur complet pour le samedi, s'il y a dans la semaine considérée, à compter à partir du dimanche, deux ou trois jours pour lesquels le chômeur n'a pas droit aux allocations conformément à l'article 44.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° à 4° et de l'alinéa 2, un jour couvert par un pécule de vacances, qui est situé dans une période de chômage complet, est considéré comme un jour indemnisable.
Pour l'application de l'alinéa 1er, 4° et de l'alinéa 2, il n'est pas tenu compte des jours qui sont situés dans une période pour laquelle une allocation de garantie de revenu a été accordée, ni des jours situés avant le premier jour indemnisable dans le mois considéré, si le chômeur n'a pas perçu d'allocations comme chômeur complet pour le mois précédent.
Toutefois, les dispositions de l'alinéa 1er, 2° et 4° et de l'alinéa 2 ne sont pas applicables au travailleur qui effectue normalement des prestations de travail dans un régime de six jours de travail par semaine et qui du fait de telles prestations de travail n'est pas indemnisable pendant les jours mentionnés.
Afdeling II. - Criteria van de passende dienstbetrekking.
Section II. Critères de l'emploi convenable.
Art. 22. Het passend karakter van een dienstbetrekking wordt inzonderheid vastgesteld op grond van de navermelde criteria.
(Is echter zonder invloed op het passend karakter van de dienstbetrekking de omstandigheid dat de arbeidsregeling normaal gemiddeld geen 35 arbeidsuren per week omvat.)
Art. 22. Le caractère convenable d'un emploi s'apprécie notamment selon les critères fixés ci-après.
(Toutefois, est sans influence sur le caractère convenable d'un emploi, la circonstance que le régime de travail ne comporte pas normalement en moyenne trente-cinq heures par semaine.)
Art. 23. [1 Een dienstbetrekking wordt als niet passend beschouwd indien zij niet overeenstemt met het aangeleerd beroep, noch met het gewoon beroep, noch met een aanverwant beroep :
tijdens de eerste drie maanden van werkloosheid, indien de werknemer de leeftijd van 30 jaar niet heeft bereikt of indien hij een beroepsverleden heeft van minder dan 5 jaar;
tijdens de eerste vijf maanden van werkloosheid, indien de werknemer niet voldoet aan 1°.]1

[1 Voor de jonge werknemer bedoeld in artikel 36 van het koninklijk besluit vangt de periode van drie maanden aan op het tijdstip waarop hij zich inschrijft als werkzoekende na het einde van zijn studies.]1
[2 Het eerste lid is niet van toepassing indien de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling vaststelt dat de kans op tewerkstelling in het beschouwde beroep zeer gering is, of indien de dienstbetrekking overeenkomstig de vaststelling door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, overeenstemt met de competenties en de talenten van de werkzoekende.
Na het verstrijken van de in het eerste lid vastgestelde termijn is de werknemer, ongeacht het beroep, verplicht elke passende dienstbetrekking te aanvaarden. Voor deze beoordeling van het passend karakter van deze dienstbetrekking wordt rekening gehouden met de geschiktheid en de vorming van de werkzoekende evenals met zijn competenties en talenten.]2

Art. 23. [1 Un emploi est réputé non convenable s'il ne correspond ni à la profession à laquelle préparent les études ou l'apprentissage, ni à la profession habituelle, ni à une profession apparentée :
pendant les trois premiers mois de chômage, si le travailleur n'a pas atteint l'âge de 30 ans ou s'il a un passé professionnel de moins de 5 ans;
pendant les cinq premiers mois de chômage, si le travailleur ne satisfait pas au 1°.]1

[1 Pour le jeune travailleur visé à l'article 36 de l'arrêté royal, la période de trois mois prend cours au moment où il s'inscrit comme demandeur d'emploi après la fin de ses études.]1
[2 L'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque, le service régional de l'emploi compétent constate que les possibilités d'embauche dans la profession considérée sont très réduites ou que l'emploi, selon la constatation par le service régional de l'emploi compétent, correspond aux compétences et aux talents du demandeur d'emploi.
Après l'expiration du délai fixé à l'alinéa 1er, le travailleur est tenu d'accepter tout emploi convenable, peu importe la profession. Le caractère convenable de cet emploi s'apprécie en tenant compte des aptitudes et de la formation du demandeur d'emploi, ainsi que de ces compétences et de ces talents.]2

Art. 24. Een dienstbetrekking wordt als niet passend beschouwd indien :
de bezoldiging niet overeenstemt met de barema's die voorzien zijn bij wettelijke of reglementaire bepaling of bij collectieve arbeidsovereenkomst, of bij ontstentenis daarvan, met het gebruik;
de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake de betaling van de bezoldiging, de arbeidsduur of de arbeidsvoorwaarden door de werkgever op volgehouden wijze niet worden nageleefd;
zij in België wordt uitgeoefend en niet leidt tot een onderwerping, minstens ten dele, aan de sociale zekerheid der arbeiders.
Art. 24. Un emploi est réputé non convenable si :
la rémunération n'est pas conforme aux barèmes fixés par les dispositions légales ou réglementaires ou les conventions collectives de travail ou, à défaut, l'usage;
l'employeur persiste à ne pas respecter les dispositions légales et réglementaires en matière de paiement de la rémunération, de durée ou de conditions de travail;
étant exercé en Belgique, il ne donne pas lieu, au moins en partie, à assujettissement à la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art. 25. § 1. Een dienstbetrekking wordt als niet passend beschouwd indien zij een gewone dagelijkse afwezigheid uit de gewone verblijfplaats ten gevolge heeft van meer dan 12 uur of indien de dagelijkse duur van de verplaatsing gewoonlijk meer dan 4 uur bedraagt.
Om de duur van de afwezigheid en van de verplaatsing te bepalen wordt rekening gehouden met de gemeenschappelijke vervoermiddelen en eventueel met de persoonlijke vervoermiddelen die de werknemer normaal kan gebruiken.
§ 2. De duur van de afwezigheid en van de verplaatsing mag langer zijn dan de in § 1 bepaalde duur, wanneer ingevolge de gebruiken van de streek en de mobiliteit van de arbeidskrachten, de werknemers van de streek gewoonlijk lange verplaatsingen moeten doen om hun dienstbetrekking te vervullen en op voorwaarde dat de leeftijd of de gezondheidstoestand van de werknemer geen hinderpaal vormt voor deze verplaatsing.
§ 3. De duur van de afwezigheid of van de verplaatsing kan, zelfs indien zij de in § 1 vermelde grenzen niet overschrijdt, uitzonderlijk als overdreven worden beschouwd wegens de leeftijd of de gezondheidstoestand van de werknemer, indien de dienstbetrekking uitgeoefend moet worden in een plaats die ver van zijn gewone verblijfplaats gelegen is.
§ 4. [1 Indien de afstand tussen de verblijfplaats van de werknemer en de plaats van het werk 60 km niet overschrijdt, wordt geen rekening gehouden met de duur van de afwezigheid en van de verplaatsing.]1
§ 5. Een dienstbetrekking kan als niet passend worden beschouwd indien de verplaatsing naar of van het werk gebeurt in omstandigheden of op uren waardoor de veiligheid van de werknemer in gevaar komt of waaraan in sociaal opzicht ernstige bezwaren verbonden zijn.
[2 § 6. De in dit artikel bedoelde criteria zijn van toepassing, zonder dat er rekening wordt gehouden met de gewestgrenzen.]2
Art. 25. § 1. Un emploi est réputé non convenable s'il donne habituellement lieu à une absence journalière de la résidence habituelle de plus de 12 heures ou si la durée journalière des déplacements dépasse habituellement 4 heures.
Pour fixer la durée de l'absence et des déplacements, il est tenu compte des moyens de transport en commun et éventuellement des moyens de transport personnels que le travailleur peut normalement utiliser.
§ 2. La durée de l'absence et des déplacements peut dépasser la durée fixée au § 1er lorsqu'en raison des usages de la région et de la mobilité de la main-d'oeuvre, les travailleurs de la région effectuent habituellement de longs déplacements pour exercer leur emploi et à condition que l'âge ou l'état de santé du travailleur ne constitue pas un obstacle à de tels déplacements.
§ 3. La durée de l'absence ou des déplacements peut exceptionnellement, même si elle ne dépasse pas les limites fixées au § 1er, être considérée comme excessive en raison de l'âge ou de l'état de santé du travailleur lorsque l'emploi doit être exercé dans un lieu éloigné de sa résidence habituelle.
§ 4. [1 Si la distance entre le lieu de résidence du travailleur et le lieu de travail ne dépasse pas 60 km, il n'est pas tenu compte de la durée de l'absence et des déplacements.]1
§ 5. Un emploi peut être réputé non convenable lorsque le départ du lieu de résidence ou le retour à celui-ci doit s'effectuer dans des conditions ou à des heures qui mettent en danger la sécurité du travailleur ou qui entraînent de sérieuses objections sur le plan social.
[2 § 6. Les critères visés au présent article sont applicables sans tenir compte des frontières régionales.]2
Art. 26. Een dienstbetrekking wordt als niet passend beschouwd indien de nettobezoldiging die deze betrekking oplevert, verminderd met het bedrag van de reiskosten ten laste van de werknemer, en in voorkomend geval vermeerderd met het bedrag van de uitkering dat de werknemer kan genieten tijdens de duur van de betrekking en van de gezinsbijslag, niet ten minste gelijk is aan het bedrag van de uitkering, na inhouding van de bedrijfsvoorheffing, en in voorkomend geval vermeerderd met het bedrag van de gezinsbijslag, die de werknemer kan genieten als volledig werkloze.
Art. 26. Un emploi est réputé non convenable si le revenu net qu'il procure, diminué du montant des frais de déplacement à charge du travailleur et majoré, le cas échéant, des allocations familiales et du montant des allocations dont le travailleur peut bénéficier pendant la durée de son occupation, n'est pas au moins égal au montant des allocations diminué du montant du précompte professionnel et majoré, le cas échéant, du montant des allocations familiales, dont peut bénéficier le travailleur en tant que chômeur complet.
Art. 27. Ten aanzien van de vrijwillig deeltijdse werknemer wordt een dienstbetrekking als niet passend beschouwd indien het gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de aangeboden betrekking meer bedraagt dan het aantal dat in rekening werd gebracht voor de vaststelling van het uitkeringsstelsel, verhoogd met zes.
(Tweede lid opgeheven)
Art. 27. Pour le travailleur à temps partiel volontaire, un emploi est réputé non convenable lorsque le nombre hebdomadaire moyen d'heures de travail de l'emploi offert dépasse celui qui a été pris en considération pour la fixation du régime d'indemnisation augmenté de 6.
(Alinéa 2 abrogé)
Art. 28. Ten aanzien van de werknemer waarop artikel 30 van de gecoördineerde wetten van 20 februari 1980 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden van toepassing is, worden de door dit artikel verboden dienstbetrekkingen niet als passend beschouwd.
Art. 28. Pour le travailleur auquel s'applique l'article 30 des lois coordonnées du 20 février 1980 portant le statut des objecteurs de conscience, ne sont pas réputés convenables les emplois interdits par cet article.
Art. 29. § 1. (Een aangeboden dienstbetrekking wordt als niet passend beschouwd indien zij gewoonlijk aanleiding geeft tot arbeidsprestaties die gelegen zijn tussen 20 uur en 6 uur met uitsluiting van de dienstbetrekkingen waarvan de arbeidsprestaties uitsluitend verricht worden tussen 6 uur en 24 uur en de dienstbetrekkingen waarvan de arbeidsprestaties gewoonlijk aanvangen vanaf 5 uur.)
Het voorgaande lid is evenwel niet van toepassing op :
de werknemer die door zijn school- of beroepsopleiding heeft gekozen voor een beroep dat doorgaans nachtprestaties met zich meebrengt;
de werknemer die, door een effectieve en hoofdzakelijke tewerkstelling, een beroep dat doorgaans nachtprestaties met zich meebrengt heeft aangeleerd;
de dienstbetrekkingen aangeboden door werkgevers die niet vallen onder de toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 van 23 maart 1990 betreffende de begeleidingsmaatregelen voor ploegarbeid met nachtprestaties alsook voor andere vormen van arbeid met nachtprestaties, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990;
de overschakeling naar een arbeidsregeling zoals bedoeld in het eerste lid, van een werknemer die reeds tewerkgesteld is in de onderneming wanneer deze overschakeling geregeld wordt door een collectieve arbeidsovereenkomst, afgesloten volgens de regels bepaald in de artikelen 4 tot 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 van 23 maart 1990.
(Nochtans wordt, voor de werknemers niet bedoeld in het tweede lid, die een dienstbetrekking bedoeld in het eerste lid aanvaard hebben, deze dienstbetrekking pas als passend beschouwd vanaf de vierde maand van tewerkstelling.)
§ 2. Een dienstbetrekking wordt niet langer als passend beschouwd indien de werknemer de arbeidsovereenkomst beëindigd heeft overeenkomstig artikel 8, § 3, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 van 23 maart 1990.
Art. 29. § 1. (Un emploi offert est réputé non convenable s'il comporte habituellement des prestations situées entre 20 heures et 6 heures à l'exclusion des emplois dont les prestations se situent exclusivement entre 6 heures et 24 heures et des emplois dont les prestations débutent habituellement à partir de 5 heures.)
L'alinéa précédent n'est toutefois pas applicable :
au travailleur qui, de par sa formation scolaire ou professionnelle, s'est destiné à une profession qui comporte généralement des prestations de nuit;
au travailleur qui, de par une occupation effective et à titre principal, s'est formé à une profession qui comporte généralement des prestations de nuit;
aux emplois offerts par des employeurs qui ne tombent pas sous l'application de la convention collective de travail n° 46 du 23 mars 1990 relative aux mesures d'encadrement du travail en équipe comportant des prestations de nuit ainsi que d'autres formes de travail comportant des prestations de nuit, rendue obligatoire par arrêté royal du 10 mai 1990;
au passage dans un régime de travail visé à l'alinéa 1er d'un travailleur déjà occupé dans l'entreprise, lorsque ce passage est réglé par une convention collective de travail conclue selon les règles prévues aux articles 4 à 6 de la convention collective de travail n° 46 du 23 mars 1990.
(Toutefois, pour les travailleurs non visés par l'alinéa 2, qui ont accepté un emploi visé à l'alinéa 1er, ledit emploi est seulement réputé convenable à partir du quatrième mois d'occupation.)
§ 2. Un emploi cesse d'être réputé convenable lorsque le travailleur a mis fin au contrat de travail conformément à l'article 8, § 3, de la convention collective de travail n° 46 du 23 mars 1990.
Art. 30. Een dienstbetrekking als grensarbeider die aan een werknemer wordt aangeboden, wordt als passend beschouwd indien de werknemer tijdens zijn recentste 24 maanden van tewerkstelling uitsluitend als grensarbeider heeft gewerkt en voor zover de bezoldiging overeenstemt met de barema's die ter plaatse gelden.
De Minister kan nochtans, na advies van het beheerscomité, beslissen dat een dienstbetrekking als grensarbeider niet als passend wordt beschouwd wanneer de bezoldiging aanmerkelijk lager ligt dan deze die in België in hetzelfde beroep wordt toegekend.
Een dienstbetrekking als grensarbeider wordt als passend beschouwd voor de werknemer die niet uitsluitend grensarbeider is in de zin van het eerste lid, wanneer de bezoldiging, (zonodig omgerekend in euro) en verhoogd met de kinderbijslag en al de andere voordelen, ten minste gelijk is aan de voor hetzelfde beroep geldende minimum bezoldiging in België, verhoogd met de kinderbijslag waarop deze weknemer in België recht zou hebben.
Art. 30. Tout nouvel emploi comme frontalier est réputé convenable lorsque le travailleur a, pendant ses 24 derniers mois d'occupation, travaillé exclusivement comme travailleur frontalier et pour autant que la rémunération soit conforme aux barèmes applicables sur place.
Le Ministre peut toutefois décider, après avis du comité de gestion, qu'un emploi de frontalier est réputé non convenable lorsque la rémunération est sensiblement inférieure à celle qui est payée en Belgique dans la même profession.
Un emploi de frontalier est réputé convenable pour le travailleur qui n'est pas exclusivement travailleur frontalier au sens de l'alinéa 1er lorsque la rémunération, (calculée en euro, si nécessaire) et augmentée de l'allocation familiale et de tous les autres avantages, est au moins égale à la rémunération minimale applicable en Belgique à la même profession et augmentée de l'allocation familiale à laquelle le travailleur aurait droit en Belgique.
Art. 31. [1 Voor de kunstwerker die de toepassing van hoofdstuk XII van het koninklijk besluit van 25 november 1991 geniet, wordt een betrekking aangeboden in een beroep dat niet tot de kunstsector behoort als niet passend beschouwd.]1
Art. 31. [1 Pour le travailleur des arts qui bénéficie des dispositions du présent chapitre, un emploi offert dans profession qui ne ressort pas du secteur des arts est réputé non convenable.]1
Art. 32. Zonder invloed op het passend karakter van de dienstbetrekking zijn :
overwegingen van familiale aard, inzonderheid kinderlast, behoudens wanneer zij een zwaar beletsel vormen; onder zwaar beletsel wordt verstaan een uitzonderlijke gebeurtenis, onafhankelijk van de wil van de werknemer, die zijn tewerkstelling tijdelijk onmogelijk maakt;
het feit dat de werknemer eerstdaags het werk zal hervatten in een andere dienstbetrekking, behalve indien hij op het ogenblik van het aanbod het bewijs levert dat hij werkelijk in dienst getreden is; bovendien moet hij het bewijs leveren dat die indiensttreding ten laatste binnen de acht dagen heeft plaatsgehad;
voor de minderjarige, het verzet van de ouders of de voogd tegen de uitoefening van een dienstbetrekking, dat niet op ernstige redenen is gesteund.
Art. 32. Sont sans influence sur le caractère convenable de l'emploi :
les considérations d'ordre familial, notamment la charge d'enfants, sauf si elles constituent un empêchement grave; il y a lieu d'entendre par empêchement grave un événement exceptionnel, indépendant de la volonté du travailleur et qui rend sa mise au travail temporairement impossible;
la circonstance que le travailleur reprendra prochainement le travail dans un autre emploi, sauf s'il apporte au moment de l'offre la preuve qu'il est réellement engagé; en outre, il doit apporter la preuve que cet engagement a été effectivement réalisé au plus tard dans les huit jours;
pour le mineur d'âge, l'opposition des parents ou du tuteur à l'exercice d'un emploi lorsqu'elle n'est pas fondée sur des motifs sérieux.
Art. 32bis. <INGEVOEGD bij MB 1994-08-04/31, art. 1, 023; Inwerkingtreding : onbepaald > Het passend karakter van een activiteit die uitgeoefend wordt in het kader van een plaatselijk werkgelegenehdisagentschap, wordt bepaald, rekening houdend met de criteria opgenomen in de onderhavige afdeling, met uitsluiting van artikel 24.
De activiteit wordt evenwel als niet passend beschouwd indien :
de wettelijke of reglementaire bepalingen inzake de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen, inzake arbeidsduur of inzake arbeidsvoorwaarden door de begunstigde op volgehouden wijze niet worden nageleefd;
de activiteit wordt uitgevoerd tussen 18 uur en 7 uur of tijdens het weekend of een feestdag;
de activiteit niet uitgeoefend wordt in de gemeente waarin de werkloze verblijft en de verplaatsingskosten die de werkloze zou moeten maken, niet worden terugbetaald door het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap of door de begunstigde;
de werkloze niet beschikt over de lichamelijke of intellectuele geschiktheid vereist voor de uitoefening van de activiteit;
de werkloze niet beschikt over de vorming of over de beroepservaring vereist voor de uitoefening van de activiteit en deze vorming of ervaring niet op korte termijn verworven kan worden.
Art. 32bis. Le caractère convenable d'une activité exercée dans le cadre d'une agence locale pour l'emploi s'apprécie, en tenant compte des critères repris dans la présente section, à l'exclusion de l'article 24.
L'activité est toutefois réputée non convenable si :
le bénéficiaire persiste à ne pas respecter les dispositions légales et réglementaires relatives aux agences locales pour l'emploi, à la de durée ou aux conditions de travail;
l'activité est exercée entre 18 heures et 7 heures ou pendant le weekend ou un jour férié;
l'activité n'est pas exercée dans la commune où réside le chômeur et les frais de déplacement que devrait exposer le chômeur, ne sont pas remboursés par l'agence locale pour l'emploi ou par le bénéficiaire;
le chômeur ne dispose pas des capacités physiques ou intellectuelles requises pour l'exercice de l'activité;
le chomeur ne dispose pas de la formation ou de l'expérience professionnelle requise pour l'exercice de l'activité et cette formation ou expérience ne peut pas être acquise à court terme.
Art. 32ter. [1 § 1. Het passend karakter van een dienstbetrekking in hoofde van een werkloze die de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft, wordt bepaald rekening houdend met de criteria opgenomen in de onderhavige afdeling en met navermelde bepalingen.
In afwijking van artikel 26 wordt de dienstbetrekking als niet passend beschouwd indien de nettobezoldiging die deze betrekking oplevert, verminderd met het bedrag van de reiskosten ten laste van de werknemer, en in voorkomend geval vermeerderd met het bedrag van de uitkering en van de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering die de werknemer kan genieten tijdens de duur van de betrekking en van de gezinsbijslag, niet ten minste gelijk is aan het bedrag van de uitkering, na inhouding van de bedrijfsvoorheffing, en in voorkomend geval vermeerderd met het bedrag van de gezinsbijslag, die de werknemer kan genieten als volledig werkloze en van de vergoeding die hij kan genieten ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering.
In afwijking van artikel 29, § 1, eerste lid, wordt een aangeboden dienstbetrekking als niet passend beschouwd indien zij gewoonlijk aanleiding geeft tot arbeidsprestaties die gelegen zijn tussen 20 uur en 6 uur.
§ 2. Het passend karakter van een dienstbetrekking in hoofde van een werkloze die de leeftijd van 55 jaar bereikt heeft, wordt bepaald rekening houdend met de criteria opgenomen in de onderhavige afdeling en met navermelde bepalingen.
In afwijking van artikel 23, wordt een aangeboden dienstbetrekking als niet passend beschouwd indien zij niet overeenstemt met het beroep waarvoor de studies of de opleiding voorbereiden, noch met het gewoon beroep, noch met een aanverwant beroep. Deze bepaling is niet van toepassing indien de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling vaststelt dat de kans op tewerkstelling in het beschouwde beroep zeer gering is, of indien de dienstbetrekking overeenkomstig de vaststelling door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling overeenstemt met de competenties en de talenten van de werkzoekende.
In afwijking van artikel 25, § 1, eerste lid, wordt een aan een werknemer van 55 jaar of meer aangeboden dienstbetrekking als niet passend beschouwd indien zij een gewone dagelijkse afwezigheid uit de gewone verblijfplaats ten gevolge heeft van meer dan 10 uur of indien de dagelijkse duur van de verplaatsing gewoonlijk meer dan 2 uur bedraagt.
In afwijking van artikel 27, eerste lid, wordt, in hoofde van de vrijwillig deeltijdse werknemer, een dienstbetrekking als niet passend beschouwd indien het gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de aangeboden betrekking meer bedraagt dan het aantal dat in rekening werd gebracht voor de vaststelling van het uitkeringsstelsel.]1

Art. 32ter. [1 § 1er. Le caractère convenable d'un emploi dans le chef d'un chômeur qui a atteint l'âge de 50 ans est déterminé en tenant compte des critères repris dans la présente section et des dispositions ci-après.
Par dérogation à l'article 26 un emploi offert est réputé non convenable si le revenu net qu'il procure, diminué du montant des frais de déplacement à charge du travailleur et majoré, le cas échéant, des allocations familiales et du montant des allocations et des indemnités complémentaires aux allocations de chômage dont le travailleur peut bénéficier pendant la durée de son occupation, n'est pas au moins égal au montant des allocations diminué du montant du précompte professionnel et majoré, le cas échéant, du montant des allocations familiales, dont peut bénéficier le travailleur en tant que chômeur complet et de l'indemnité qu'il peut bénéficier en complément de l'allocation de chômage.
Par dérogation à l'article 29, § 1er, alinéa 1er, un emploi offert est réputé non convenable s'il comporte normalement des prestations situées entre 20 heures et 6 heures.
§ 2. Le caractère convenable d'un emploi dans le chef d'un chômeur qui a atteint l'âge de 55 ans est déterminé en tenant compte des critères repris dans la présente section et des dispositions ci-après.
Par dérogation à l'article 23, un emploi offert est réputé non convenable s'il ne correspond ni à la profession à laquelle préparent les études ou l'apprentissage, ni à la profession habituelle, ni à une profession apparentée. Cette disposition n'est pas applicable si le service régional de l'emploi constate que les possibilités d'embauche dans la profession considérée sont très réduites, ou que l'emploi, selon la constatation par le service régional de l'emploi compétent, correspond aux compétences et aux talents du demandeur d'emploi.
Par dérogation à l'article 25, § 1er, alinéa 1er, un emploi offert à un travailleur de 55 ans ou plus est réputé non convenable s'il donne habituellement lieu à une absence journalière de la résidence habituelle de plus de 10 heures ou si la durée journalière des déplacements dépasse habituellement 2 heures.
Par dérogation à l'article 27, alinéa 1er, un emploi offert est, dans le chef d'un travailleur à temps partiel volontaire, réputé non convenable lorsque le nombre hebdomadaire moyen d'heures de travail de l'emploi offert dépasse celui qui a été pris en considération pour la fixation du régime d'indemnisation.]1

Art. 32quater. [1 Een opleiding in een andere landstaal vormt een passende opleiding indien de werkloze :
zijn hoofdverblijfplaats heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hij de Nederlandse en/of de Franse taal niet machtig is;
de taal of de talen van het Gewest waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft niet machtig is;
zijn hoofdverblijfplaats heeft in het Gewest van het Duitse taalgebied en de talen van de Duitstalige Gemeenschap niet machtig is;
gelet op zijn hoofdverblijfplaats of zijn bekwaamheden, werk moet zoeken in een Gewest met een andere voertaal dan zijn moedertaal.]1

Art. 32quater. [1 Une formation à une autre langue nationale constitue une formation convenable si le chômeur :
a sa résidence principale dans la Région de Bruxelles-Capitale et qu'il ne maîtrise pas le néerlandais et/ou le français;
ne maîtrise pas la langue ou les langues de la Région dans laquelle il a sa résidence principale;
a sa résidence principale dans la Région de langue allemande et qu'il ne maîtrise pas les langues de la Communauté germanophone;
doit, vu sa résidence principale ou ses compétences, chercher du travail dans une Région dont la langue véhiculaire est différente de sa propre langue.]1

Afdeling III. - Procedure welke dient gevolgd te worden in geval van betwisting over de lichamelijke of mentale geschiktheid van de werknemer om een dienstbetrekking uit te oefenen.
Section III. Procédure à suivre en cas de contestation portant sur l'aptitude physique ou mentale à l'exercice d'un emploi.
Art. 33. De werknemer die van oordeel is dat hij lichamelijk of mentaal niet of niet meer geschikt is om een bepaalde dienstbetrekking te vervullen moet dit uiterlijk verklaren op het ogenblik van het verhoor bedoeld in artikel 144 van het koninklijk besluit.
[1 ...]1.
De werknemer moet zo spoedig mogelijk, overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 141 van het koninklijk besluit, onderworpen worden aan een onderzoek uitgevoerd door de voor het werkloosheidsbureau aangewezen geneesheer.
(...).
Art. 33. Le travailleur qui estime n'être pas ou n'être plus physiquement ou mentalement apte à l'exercice d'un emploi déterminé doit le déclarer au plus tard au moment de l'audition visée à l'article 144 de l'arrêté royal.
[1 ...]1.
Conformément à la procédure prévue à l'article 141 de l'arrêté royal, le travailleur doit être soumis dans le plus bref délai à un examen pratiqué par le médecin affecté au bureau du chômage.
(...).
HOOFDSTUK VII. - (Bepalingen genomen ter uitvoering van de artikelen 57, 58, 59, 59bis, 59quater en 59quinquies van het koninklijk besluit, betreffende de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.)
CHAPITRE VII. (Dispositions prises en exécution des articles 57, 58, 59, 59bis, 59quater et 59quinquies de l'arrêté royal, relatives à la disponibilité pour le marché de l'emploi.)
Art. 34. [1 De werknemer die tijdelijk werkloos wordt in toepassing van artikelen 26, 51 en 77/4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en voor zover de tijdelijke werkloosheid niet het gevolg is van de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht die veroorzaakt wordt door de arbeidsongeschiktheid van de werknemer, moet na de eerste drie maanden ingeschreven zijn bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling.
Een periode van volledige werkhervatting gedurende twee opeenvolgende weken stuit de voormelde periode van drie maanden.]1

Art. 34. [1 Le travailleur qui devient chômeur temporaire en application des articles 26, 51 et 77/4 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, et pour autant que le chômage temporaire ne soit pas la conséquence d'une suspension de l'exécution du contrat de travail pour force majeure qui est due à l'inaptitude au travail du travailleur, doit, après les trois premiers mois, être inscrit auprès du service régional de l'emploi compétent.
Une période de reprise complète du travail pendant deux semaines consécutives fait courir une nouvelle période de trois mois.]1

Art. 35. [1 De tijdelijk werkloze die in toepassing van artikel 34 ingeschreven moet zijn als werkzoekende is ertoe gehouden actief mee te werken met de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling in het kader van een hem voorgesteld traject met het oog op een betere inschakeling op de arbeidsmarkt.]1
Art. 35. [1 Le chômeur temporaire qui, en application de l'article 34, doit être inscrit comme demandeur d'emploi est tenu de collaborer activement avec le service régional de l'emploi dans le cadre du trajet qui lui est proposé en vue d'une meilleure insertion sur le marché de l'emploi.]1
Art. 36. De [1 volledig]1 werkloze moet het bewijs van de inschrijving als werkzoekende leveren door middel van een attest, afgeleverd door de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, dat de datum vermeldt waarop de inschrijving plaatsvond.
(Het attest kan vervangen worden door een vermelding die dit gegeven bevat, aangebracht op het " werkloosheidsbewijs voor de inactiviteitsuren " of op de controlekaart.)
Art. 36. Le chômeur [1 complet]1 doit apporter la preuve qu'il est inscrit comme demandeur d'emploi en produisant une attestation du service régional de l'emploi compétent qui mentionne la date à laquelle l'inscription a été effectuée.
(Cette attestation peut être remplacée par une mention qui contient ce renseignement apposée sur le " certificat de chômage pour les heures habituelles d'inactivité " ou sur la carte de contrôle.)
Art. 37. De volledig werkloze moet het bewijs van inschrijving leveren telkens hij een uitkeringsaanvraag indient.
[1 ...]1
Art. 37. Le chômeur complet doit apporter la preuve de son inscription chaque fois qu'il introduit une demande d'allocations.
[1 ...]1
Art. 38. De [1 volledig]1 werkloze die niet als werkzoekende is ingeschreven hoewel hij daartoe verplicht was, kan uitkeringen genieten :
vanaf de dag van de uitkeringsaanvraag [1 ...]1 indien de inschrijving gebeurt binnen de acht dagen volgend op de voormelde dag of indien hij bewijst dat de werkloosheidsperiode een einde kende vóór het verstrijken van de termijn van acht dagen, ten gevolge van een werkhervatting als loontrekkende of van een vergoede periode van arbeidsongeschiktheid;
(De werkloze is vrijgesteld van de verplichting ingeschreven te zijn als werkzoekende de dagen waarop hij jaarlijkse vakantie neemt, ten belope van maximaal vier weken per jaar, en overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld door de Rijksdienst.)
indien hij zich niet of niet tijdig ingeschreven had ten gevolge van een reden van overmacht die door de directeur werd erkend.
De bepaling van het eerste lid, 1°, geldt niet indien de werkloze zich opnieuw beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt nadat hij uitgesloten werd van het genot van de uitkeringen in toepassing van de artikelen 56 of 58 van het koninklijk besluit.
Art. 38. Le chômeur [1 complet]1 qui n'est pas inscrit comme demandeur d'emploi bien qu'il y soit tenu peut bénéficier des allocations :
à partir du jour de la demande d'allocations [1 ...]1 si l'inscription a lieu endéans les huit jours suivant le jour précité ou s'il apporte la preuve que la période de chômage a pris fin avant la fin de la période de huit jours suite à une reprise du travail comme salarié ou à une période d'incapacité de travail indemnisée;
(Le chômeur est dispensé de l'obligation d'être inscrit comme demandeur d'emploi les jours où il prend des vacances annuelles, à concurrence de quatre semaines par an au maximum, et conformément aux conditions fixées par l'Office.)
s'il ne s'est pas inscrit ou ne n'est pas inscrit en temps voulu pour une raison de force majeure reconnue par le directeur.
La disposition du premier alinéa, 1°, n'est pas applicable si le chômeur se déclare à nouveau disponible pour le marché de l'emploi après avoir été exclu du bénéfice des allocations en application de l'article 56 ou 58 de l'arrêté royal.
Art. 38bis.
Art. 38bis.
HOOFDSTUK VIII. - Bepalingen ter uitvoering van artikel 66 van het koninklijk besluit, betreffende de voorwaarden waaronder uitkeringen toegekend kunnen worden aan de werkloze die niet effectief in België verblijft.
CHAPITRE VIII. Dispositions prises en exécution de l'article 66 de l'arrêté royal et relatives aux conditions dans lesquelles des allocations peuvent être accordées au chômeur qui ne réside pas effectivement en Belgique.
Art. 39. De werkloze die niet effectief in België verblijft kan uitkeringen genieten :
voor de periode die hij op de controlekaart aanduidt als jaarlijkse vakantie, gedurende een periode van maximaal vier weken per kalenderjaar;
voor de periode van ten hoogste twee weken indien de directeur erkent dat het verblijf in het buitenland gewettigd is voor het zoeken naar een dienstbetrekking;
indien hij een grensarbeider is, woonachtig in het buitenland, die in België tijdelijk werkloos wordt gesteld;
(voor een periode van ten hoogste vier weken per kalenderjaar indien hij, anders dan als toeschower, op onbezoldigde wijze deelneemt aan een culturele manifestatie ingericht door een instantie, erkend door een Belgische, buitenlandse of internationale overheid, voor zover hij geen beroep meer kan doen op het voordeel van punt 1° en voor zover de directeur de vrijstelling verleent. De vraag om vrijstelling moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen, gestaafd met een attest uitgaande van de inrichtende instantie;)
(5° voor een peiode van ten hoogste vier weken per kalenderjaar indien hij op onbezoldigde wijze deelneemt aan een sportmanifestatie of een oefenkamp, voor zover hij geen beroepssportbeoefenaar is en geen beroep meer kan doen op het voordeel van punt 1° en voor zover de directeur de vrijstelling verleent. De vraag om vrijstelling moet voorafgaandelijk op het werkloosheidsbureau toekomen, gestaafd met een attest uitgaande van het voor de betrokken sporttak door de overheid erkende comité. Betreft het een oefenkamp, dan moet het attest onder meer de reden vermelden waarom dit in het buitenland doorgaat;
voor de periode aangeduid bij ministeriële beslissing, genomen na advies van het beheerscomité.)
(Lid 2 opgeheven)
Art. 39. Le chômeur qui ne réside pas effectivement en Belgique peut bénéficier d'allocations :
pour la période qu'il renseigne comme vacances annuelles sur la carte de contrôle, pendant une période de quatre semaines maximum par année civile;
pour la période de deux semaines maximum, lorsque le directeur reconnaît que le séjour à l'étranger est justifié par la recherche d'un emploi;
s'il s'agit d'un travailleur frontalier, domicilié à l'étranger qui est mis temporairement en chômage en Belgique;
(pour une période maximale de quatre semaines par année civile lorsqu'il participe bénévolement, autrement que comme spectateur, à une manifestation culturelle organisée par une instance reconnue par une autorité belge, étrangère ou internationale, pour autant qu'il ne puisse plus faire appel au bénéfice du point 1° et que le directeur accorde la dispense. La demande de dispense doit parvenir préalablement au bureau du chômage, accompagnée d'une attestation émanant de l'instance organisatrice;
(5° pour une période maximale de quatre semaines par année civile lorsqu'il participe bénévolement à une manifestation sportive ou un camp d'entraînement, pour autant qu'il ne soit pas sportif professionnel, qu'il ne puisse plus faire appel au bénéfice du point 1° et que le directeur accorde la dispense. La demande doit parvenir préalablement au bureau du chômage, accompagnée d'une attestation émanant du comité reconnu, pour la discipline sportive concernée, par l'autorité. Lorsqu'elle concerne un camp d'entraînement, l'attestation doit entre autre préciser pourquoi celui-ci se déroule à l'étranger;
pour la période fixée par décision ministérielle, prise après avis du comité de gestion.)
(Alinéa 2 abrogé)
HOOFDSTUK IX. - (Bepalingen ter uitvoering van artikel 71 van het koninklijk besluit, betreffende de aangifte en de controle van de werkloosheidsperiodes.)
CHAPITRE IX. - (Dispositions prises en exécution de l'article 71 de l'arrêté royal et relatives à la déclaration et au contrôle des périodes de chômage.)
Art. 40. De inhoud en het model van de controlekaart worden door het beheerscomité vastgesteld.
Art. 40. Le contenu et le modèle de la carte de contrôle sont fixés par le Comité de gestion.
Art. 41. De werkloze moet ten laatste de eerste effectieve werkloosheidsdag van de maand op zijn controlekaart zijn identiteit vermelden en de betreffende maand, behalve indien deze gegevens reeds werden ingevuld door de uitbetalingsinstelling of de werkgever.
De werkloze moet zijn kaart invullen overeenkomstig de richtlijnen verstrekt door de Rijksdienst, ondertekenen en ten vroegste op het einde van de maand overmaken aan zijn uitbetalingsinstelling.
Art. 41. Au plus tard le premier jour effectif de chômage du mois, le chômeur doit mentionner son identité sur sa carte de contrôle ainsi que le mois concerné, sauf si ces donnees ont déjà été complétées par l'organisme de paiement ou par l'employeur.
Le chômeur doit compléter sa carte conformément aux directives données par l'Office, la signer et, au plus tôt à la fin du mois, la transmettre à son organisme de paiement.
Art. 42. (Opgeheven)
Art. 42. (Abrogé)
Art. 43. (Opgeheven)
Art. 43. (Abrogé)
Art. 44. (Opgeheven)
Art. 44. (Abrogé)
Art. 44bis. (Opgeheven)
Art. 44bis. (Abrogé)
Art. 45. (Opgeheven)
Art. 45. (Abrogé)
Art. 46. (Opgeheven)
Art. 46. (Abrogé)
Art. 47. (Opgeheven)
Art. 47. (Abrogé)
Art. 48. (Opgeheven)
Art. 48. (Abroge)
Art. 49. (Opgeheven)
Art. 49. (Abrogé)
Art. 50. (Opgeheven)
Art. 50. (Abrogé)
Art. 51. (Opgeheven)
Art. 51. (Abrogé)
Art. 52. (Opgeheven)
Art. 52. (Abrogé)
Art. 52bis. (Opgeheven)
Art. 52bis. (Abrogé)
HOOFDSTUK X. - (...)
CHAPITRE X. - (...)
Art. 53. (Opgeheven)
Art. 53. (Abrogé)
Art. 53bis. (Opgeheven)
Art. 53bis. (Abrogé)
HOOFDSTUK XI. - Bepalingen tot uitvoering van de artikelen 79 en 79bis van het koninklijk besluit, betreffende de tewerkstelling van werklozen door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap.
CHAPITRE XI. Dispositions prises en exécution des articles 79 1[et 79bis]1 de l'arrêté royal et relatives à l'occupation de chômeurs par une agence locale pour l'emploi.
Art. 54. § 1. (De gebruiker bewaart de overzichtsstaat, vermeldend het nummer van de uitgegeven PWA-cheque, de naam van de werkloze die de activiteit heeft verricht en de datum waarop de activiteit plaats vond, gedurende één jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de laatste PWA-cheque werd uitgegeven.)
§ 2. (De uitgever van de PWA-cheques maakt jaarlijks vóór 1 maart, aan de gebruiker natuurlijke persoon een fiscaal attest over, vermeldend de aanschafprijs van de PWA-cheques die op zijn naam werden opgesteld en die betaald werden tijdens het voorafgaande kalenderjaar. Van dit bedrag wordt in mindering gebracht de aanschafprijs van de hiervoor bedoelde PWA-cheques die niet werden gebruikt en die tijdens hetzelfde kalenderjaar door de gebruiker aan de uitgever werden terugbezorgd. De gegevens vermeld in de fiscale attesten worden door de uitgever vóór hetzelfde tijdstip overgemaakt aan de Administratie der directe belastingen.)
§ 3. ((Voor de berekening van de werkloosheidsduur van ten minste twee jaar of van ten minste 6 maand, wordt rekening gehouden met de duurtijd van de recentste ononderbroken periode van vergoede volledige werkloosheid.)
(Worden voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met een periode van vergoede volledige werkloosheid :
de periodes van arbeidsongeschiktheid als volledig werkloze;
de andere onderbrekende gebeurtenissen met inbegrip van de periodes van deeltijdse arbeid, met een duurtijd korter dan drie volledige kalendermaanden;
de periodes van tewerkstelling in het kader van een erkend doorstromingsprogramma;
de periodes van tewerkstelling in een erkende arbeidspost;
de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
de periodes van tewerkstelling met een startbaanovereenkomst, met toepassing van hoofdstuk VIII van titel II van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, van een werknemer die geen getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs bezit.)
[1 De werkloze, jonger dan 45 jaar, die voldeed aan de vereisten inzake werkloosheidsduur en ingeschreven werd als kandidaat bij een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap, wordt verder geacht te voldoen aan deze vereisten, zolang hij geen uitkeringen geniet overeenkomstig de in artikel 114 van het koninklijk besluit voorziene eerste vergoedingsperiode.]1
§ 4. (Het bedrag tot dekking van de administratiekosten van de uitbetalingsinstelling wordt vastgesteld op (0,1116 EUR) per uitbetaalde PWA-cheque.)
Art. 54. § 1. (L'utilisateur conserve le relevé, mentionnant le numéro du chèque-ALE, le nom du chômeur qui a exercé l'activité et la date à laquelle l'activité a eu lieu, pendant un an à calculer à partir du jour au cours duquel le dernier chèque-ALE a été émis.)
§ 2. (L'éditeur des chèques-ALE délivre chaque année, avant le 1er mars, à l'utilisateur personne physique, une attestation fiscale mentionnant le prix d'acquisition des chèques-ALE édités à son nom et qui ont été payés pendant l'année calendrier précédente. De ce montant, il est déduit le prix d'acquisition des chèques-ALE visés ci-dessus qui n'ont pas été utilisés et qui ont été retournés au cours de la même année calendrier par l'utilisateur à l'éditeur. Les données reprises dans les attestations fiscales sont transmises par l'éditeur, avant cette même date, à l'Administration des contributions directes.)
§ 3. ((Pour le calcul de la durée du chômage d'au moins deux ans ou d'au moins 6 mois, il est tenu compte de la durée de la plus récente période ininterrompue de chômage complet indemnisé.)
(Pour l'application de l'alinéa 1er sont assimilées à une période de chômage complet indemnisé :
les périodes d'incapacité de travail comme chômeur complet;
les autres événements interruptifs, y comprises les périodes de travail à temps partiel, d'une durée de moins de trois mois calendrier complets;
les périodes d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle reconnu;
les périodes d'occupation dans un poste de travail reconnu;
les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 relative aux centres publics d'aide sociale;
les périodes d'occupation dans les liens d'une convention de premier emploi en application du chapitre VIII du titre II de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, d'un travailleur qui ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire superieur.)
[1 Le chômeur, âgé de moins de 45 ans, qui satisfaisait aux conditions en matière de durée de chômage et qui a été inscrit comme candidat auprès d'une agence locale pour l'emploi, est censé continuer à satisfaire à ces conditions aussi longtemps qu'il ne bénéficie pas des allocations conformément à la première période d'indemnisation prévue à l'article 114 de l'arrêté royal.]1
§ 4. (Le montant destiné à couvrir les frais d'administration de l'organisme de paiement est fixé à (0,1116 EUR) par chèque-ALE payé.)
Art. 54 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 54 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 55. § 1. (Het bedrag van de uurvergoeding voor activiteiten ten behoeve van de land- en tuinbouwsector, wordt vastgesteld op (6,20 EUR).)
§ 2. (De seizoens- en gelegenheidsgebonden activiteiten ten behoeve van de (...) tuinbouwsector, zijn de activiteiten bepaald door of krachtens artikel 8bis, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.)
(De begunstigde dient de werkloze in te schrijven in het aanwezigheidsregister bedoeld in het koninklijk besluit van 17 juni 1994 betreffende het bijhouden van een aanwezigheidsregister.)
(§ 3. De activiteiten ten behoeve van de landbouwsector zijn de seizoen - en gelegenheidsgebonden activiteiten die verband houden met de landbouwwerkzaamheden in het kader van het zaaien, planten, onkruidwieden, het oogsten of van het veld of de weide weghalen van landbouwopbrengsten.
Het betreft uitsluitend manuele arbeid, met uitsluiting van het besturen van landbouwmachines en werken met chemicaliën en pesticiden.)
Art. 55. § 1. (Le montant de l'indemnité horaire pour les activités au profit du secteur (...) de l'horticulture est fixé à (6,20 EUR).)
§ 2. (Les activités saisonnières et occasionnelles au profit du secteur de l'agriculture et de l'horticulture, sont les activités déterminées par et en vertu de l'article 8bis, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.)
(Le bénéficiaire doit inscrire le chômeur dans le registre de présence visé par l'arrêté royal du 17 juin 1994 relatif à la tenue d'un registre de présence.)
(§ 3. Les activités au profit du secteur de l'agriculture sont les activités saisonnières et occasionnelles en rapport avec les travaux agricoles dans le cadre du semis, de la plantation, du désherbage, de la récolte ou de l'enlèvement des produits agricoles du champ ou de la prairie.
Il s'agit exclusivement de travail manuel, à l'exclusion de la conduite de machines agricoles et du travail avec des produits chimiques et pesticides.)
Art. 55 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.

§ 1. [1 ...]1
§ 2. [1 Voor de seizoens- en gelegenheidsgebonden activiteiten in de landbouwsector en de tuinbouwsector schrijft de begunstigde de [2 PWA-werknemer]2 overeenkomstig het koninklijk besluit van 17 juni 1994 betreffende het bijhouden van een aanwezigheidsregister in het aanwezigheidsregister in.]1
[2 ...]2
(§ 3. De activiteiten ten behoeve van de landbouwsector zijn de seizoen - en gelegenheidsgebonden activiteiten die verband houden met de landbouwwerkzaamheden in het kader van het zaaien, planten, onkruidwieden, het oogsten of van het veld of de weide weghalen van landbouwopbrengsten.
Het betreft uitsluitend manuele arbeid, met uitsluiting van het besturen van landbouwmachines en werken met chemicaliën en pesticiden.)
Art. 55 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.

§ 1. [1 ...]1
§ 2. [1 Pour les activités saisonnières et occasionnelles au profit du secteur de l'agriculture et de l'horticulture, le bénéficiaire inscrit [2 le travailleur ALE]2 dans le registre de présence conformément à l'arrêté royal du 17 juin 1994 relatif à la tenue d'un registre de présence.]1
[2 ...]2
(§ 3. Les activités au profit du secteur de l'agriculture sont les activités saisonnières et occasionnelles en rapport avec les travaux agricoles dans le cadre du semis, de la plantation, du désherbage, de la récolte ou de l'enlèvement des produits agricoles du champ ou de la prairie.
Il s'agit exclusivement de travail manuel, à l'exclusion de la conduite de machines agricoles et du travail avec des produits chimiques et pesticides.)
HOOFDSTUK XII. - Bepalingen ter uitvoering van artikel 81 en 82 van het koninklijk besluit, betreffende langdurige werkloosheid.
CHAPITRE XII. Dispositions prises en exécution des articles 81 et 82 de l'arrêté royal et relatives au chômage de longue durée.
Art. 56. (§ 1. De werkloosheidsduur wordt uitgedrukt in maanden.
(Om het aantal maanden te bekomen wordt het aantal uitkeringen bekomen als volledig werkloze, met uitzondering van de overbruggingsuitkeringen, gedeeld door 26.)
(In afwijking van het tweede lid tellen de periodes van onvrijwillig deeltijdse arbeid in de zin van artikel 29, § 1, van het koninklijk besluit, zoals van kracht tot 31 december 1995, als een maand volledige werkloosheid per maand gedurende dewelke de betrokken werknemer minstens een halve uitkering ontvangen heeft, berekend volgens de bepalingen van artikel 101, § 1 van het koninklijk besluit zoals van kracht tot 31 december 1995.
In afwijking van het tweede lid, worden de periodes van deeltijdse arbeid met behoud van rechten enkel in rekening gebracht indien de deeltijdse arbeidsregeling normaal gemiddeld per week minder bedraagt dan één derde van het wekelijks aantal arbeidsuren van de (maatpersoon). In dat geval wordt een maand volledige werkloosheid in rekening gebracht per maand gedurende dewelke de werknemer de inkomensgarantie-uitkering ontvangen heeft.)
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt evenwel geen rekening gehouden met uitkeringen die betrekking hebben op de dagen :
(1° van tewerkstelling als mindervalide werknemer overeenkomstig artikel 78 van het koninklijk besluit, van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma overeenkomstig artikel 78ter van het koninklijk besluit, van tewerkstelling in een erkende arbeidspost overeenkomstig artikel 78quater van het koninklijk besluit, van tewerkstelling met een arbeidsovereenkomst overeenkomstig artikel 78quinquies van het koninklijk besluit of als coöperant-jonge werkzoekende overeenkomstig artikel 97 van het koninklijk besluit;)
van tewerkstelling overeenkomstig artikel 161 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
die voorafgaan aan een schorsing van het recht op uitkeringen die een einde heeft genomen in toepassing van artikel 85 van het koninklijk besluit;
die voorafgaan aan een werkhervatting als voltijdse werknemer in de zin van artikel 28, § 1 of § 2 van het koninklijk besluit, gedurende een ononderbroken periode van ten minste 24 maanden in de zin van artikel 71, § 1.)
(die voorafgaan aan een werkhervatting als deeltijdse werknemer met behoud van rechten gedurende een ononderbroken periode in de zin van artikel 71, § 1, van ten minste 36 maanden, wanneer de deeltijdse arbeidsregeling gemiddeld per week ten minste 12 uren bedraagt of ten minste één derde bedraagt van het normaal gemiddeld wekelijks aantal arbeidsuren van de (maatpersoon);)
(6° gelegen in de maanden waarin de werkloze ten minste 30 uren actief was in de regeling van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
(die voorafgaan aan het einde van een periode samengesteld uit drie opeenvolgende cycli van 12 kalendermaanden, indien de werkloze gedurende elke cyclus ten minste 360 uren actief was als PWA-werknemer bedoeld in artikel 79 van het koninklijk besluit;
vergoed aan een daguitkering van 5 fr in toepassing van de artikelen 114, § 5, 122 of 125 van het koninklijk besluit, zoals van kracht vóór 1 april 1996.)
§ 2. Voor de toepassing van § 1 op de vrijwillig deeltijdse werknemer worden halve uitkeringen beschouwd als uitkeringen, zonder evenwel meer dan zes uitkeringen per week te mogen rekenen.
Voor de toepassing van § 1, (vijfde lid), 4°, op de vrijwillig deeltijdse werknemer wordt een werkhervatting als deeltijdse werknemer in de zin van artikel 33 van het koninklijk besluit gelijkgesteld met een voltijdse werkhervatting, voor zover de werknemer gedurende de werkhervatting geen uitkeringen als volledig werkloze ontving.
(§ 3. De termijn voor de indiening van een administratief beroep, bedoeld in artikel 82 van het koninklijk besluit, die een aanvang neemt gedurende de periode van 1 juli tot en met 15 augustus, wordt met drie weken verlengd.)
Art. 56. (§ 1. La durée du chômage est exprimée en mois.
(Pour obtenir le nombre de mois, on divise par 26 le nombre d'allocations percues comme chômeur complet, à l'exception des allocations de transition.)
(Par derogation à l'alinéa 2, les périodes de travail à temps partiel involontaire au sens de l'article 29, § 1 de l'arrêté royal, tel qu'il était en vigueur jusqu'au 31 décembre 1995, comptent pour un mois de chômage par mois au cours duquel le travailleur concerné a touché au moins une demi-allocation, calculée selon les dispositions prévues à l'article 101, § 1 de l'arrêté royal, tel qu'il était en vigueur jusqu'au 31 décembre 1995.
Par dérogation à l'alinéa 2, les périodes de travail à temps partiel avec maintien des droits ne sont prises en compte que si le régime de travail à temps partiel comporte normalement en moyenne par semaine un nombre d'heures inférieur au tiers du nombre d'heures de travail hebdomadaire prestées par (la personne de réference). Dans ce cas, il est tenu compte d'un mois de chômage complet par mois au cours duquel le travailleur a percu l'allocation de garantie de revenu.)
Pour l'application des alinéas précédents, ne sont toutefois pas prises en considération les allocations afférentes aux journées :
(1° d'occupation comme travailleur handicapé conformément à l'article 78 de l'arrêté royal, d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle conformément à l'article 78ter de l'arrêté royal, d'occupation dans un poste de travail reconnu conformément à l'article 78quater de l'arrêté royal, d'occupation dans un contrat de travail conformément à l'article 78quinquies de l'arrêté royal ou comme coopérant-jeune demandeur d'emploi conformément à l'article 97 de l'arrête royal;)
d'occupation conformément à l'article 161 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
qui précèdent une suspension du droit aux allocations qui a pris fin en application de l'article 85 de l'arrêté royal;
qui précèdent une reprise de travail comme travailleur à temps plein au sens de l'article 28, § 1er ou § 2 de l'arrêté royal, pendant une période ininterrompue d'au moins 24 mois au sens de l'article 71, § 1er.)
(qui précèdent une reprise de travail comme travailleur à temps partiel avec maintien des droits pendant une période ininterrompue au sens de l'article 71, § 1 d'au moins 36 mois lorsque le régime de travail à temps partiel comporte normalement en moyenne au moins 12 heures de travail par semaine ou un tiers au moins du nombre d'heures de travail hebdomadaire normalement prestées en moyenne par (la personne de référence);)
(6° situées dans les mois au cours desquels le chômeur a été actif dans le cadre d'une agence locale pour l'emploi durant au moins 30 heures;)
(qui précèdent la fin de la periode constituée de trois cycles successifs de 12 mois calendrier, lorsqu'au cours de chaque cycle, le chômeur a été actif pendant au moins 360 heures comme travailleur-ALE visé à l'article 79 de l'arrêté royal;
qui sont indemnisées par une allocation journalière de 5 Frs en application des articles 114, § 5, 122 ou 125 de l'arrêté royal, comme en vigueur avant le 1er avril 1996.)
§ 2. Pour l'application du § 1er au travailleur à temps partiel volontaire les demi-allocations sont considérées comme des allocations, sans cependant pouvoir compter plus de six allocations par semaine.
Pour l'application du § 1er, (alinéa 5), 4°, au travailleur à temps partiel volontaire, une reprise de travail comme travailleur à temps partiel au sens de l'article 33 de l'arrêté royal est assimilée à une reprise de travail à temps plein, pour autant que le travailleur n'ait pas percu d'allocations comme chômeur complet pendant la reprise de travail. >
(§ 3. Le délai, pour introduire un recours administratif, visé à l'article 82 de l'arrêté royal, qui prend cours pendant la période du 1er juillet au 15 août inclus, est prorogé de trois semaines.)
Art. 57. De gemiddelde gewestelijke werkloosheidsduur, uitgedrukt in maanden, en vermenigvuldigd met 1,5, bedoeld in artikel 81 van het koninklijk besluit bedraagt :
Art. 57. La durée moyenne régionale du chômage multipliée par 1,5, visée à l'article 81 de l'arrêté royal, s'élève, exprimée en mois, à :
voor de mannen :
werkloosheidsbureau
minder dan 36 jaar36 tot minder dan
46 jaar
vanaf 46 jaar
Aalst354456
Aarlen242942
Antwerpen323851
Bergen414762
Boom333945
Brugge273848
Brussel334256
Charleroi364151
Dendermonde354456
Doornik354457
Gent334454
Hasselt384760
Hoei323854
Ieper324253
Kortrijk324454
La Louviere364256
Leuven333951
Luik334157
Mechelen354153
Moeskroen354557
Namen323850
Nijvel293641
Oostende303850
Oudenaarde324151
Roeselare293947
Sint-Niklaas364253
Tongeren364562
Turnhout334457
Verviers323956
Vilvoorde293551
voor de mannen :
werkloosheidsbureauminder dan 36 jaar36 tot minder dan
46 jaarvanaf 46 jaarAalst354456Aarlen242942Antwerpen323851Bergen414762Boom333945Brugge273848Brussel334256Charleroi364151Dendermonde354456Doornik354457Gent334454Hasselt384760Hoei323854Ieper324253Kortrijk324454La Louviere364256Leuven333951Luik334157Mechelen354153Moeskroen354557Namen323850Nijvel293641Oostende303850Oudenaarde324151Roeselare293947Sint-Niklaas364253Tongeren364562Turnhout334457Verviers323956Vilvoorde293551
pour les hommes :
bureau du chômage
moins de 36 ans36 à moins de
46 ans
à partir de
46 ans
Alost354456
Anvers323851
Arlon242942
Audenarde324151
Boom333945
Bruges273848
Bruxelles334256
Charleroi364151
Courtrai324454
Gand334454
Hasselt384760
Huy323854
La Louviere364256
Liege334157
Louvain333951
Malines354153
Mons414762
Mouscron354557
Namur323850
Nivelles293641
Ostende303850
Roulers293947
Saint-Nicolas364253
Termonde354456
Tongres364562
Tournai354457
Turnhout334457
Verviers323956
Vilvorde293551
Ypres324253
pour les hommes :
bureau du chômagemoins de 36 ans36 à moins de
46 ansà partir de
46 ansAlost354456Anvers323851Arlon242942Audenarde324151Boom333945Bruges273848Bruxelles334256Charleroi364151Courtrai324454Gand334454Hasselt384760Huy323854La Louviere364256Liege334157Louvain333951Malines354153Mons414762Mouscron354557Namur323850Nivelles293641Ostende303850Roulers293947Saint-Nicolas364253Termonde354456Tongres364562Tournai354457Turnhout334457Verviers323956Vilvorde293551Ypres324253
voor de vrouwen :
werkloosheidsbureau
minder dan 36 jaar36 tot minder dan
46 jaar
vanaf 46 jaar
Aalst486390
Aarlen333845
Antwerpen394459
Bergen668099
Boom414459
Brugge414757
Brussel476277
Charleroi576380
Dendermonde516387
Doornik486281
Gent506387
Hasselt748492
Hoei484884
Ieper486287
Kortrijk506586
La Louviere596989
Leuven596886
Luik576689
Mechelen535975
Moeskroen516692
Namen485375
Nijvel485780
Oostende303547
Oudenaarde365387
Roeselare475980
Sint-Niklaas485774
Tongeren688090
Turnhout637283
Verviers577189
Vilvoorde425175
voor de vrouwen :
werkloosheidsbureauminder dan 36 jaar36 tot minder dan
46 jaarvanaf 46 jaarAalst486390Aarlen333845Antwerpen394459Bergen668099Boom414459Brugge414757Brussel476277Charleroi576380Dendermonde516387Doornik486281Gent506387Hasselt748492Hoei484884Ieper486287Kortrijk506586La Louviere596989Leuven596886Luik576689Mechelen535975Moeskroen516692Namen485375Nijvel485780Oostende303547Oudenaarde365387Roeselare475980Sint-Niklaas485774Tongeren688090Turnhout637283Verviers577189Vilvoorde425175
pour les femmes :
bureau du chômage
moins de 36 ans36 à moins de
46 ans
à partir de
46 ans
Alost486390
Anvers394459
Arlon333845
Audenarde365387
Boom414459
Bruges414757
Bruxelles476277
Charleroi576380
Courtrai506586
Gand506387
Hasselt748492
Huy484884
La Louviere596989
Liege576689
Louvain596886
Malines535975
Mons668099
Mouscron516692
Namur485375
Nivelles485780
Ostende303547
Roulers475980
Saint-Nicolas485774
Termonde516387
Tongres688090
Tournai486281
Turnhout637283
Verviers577189
Vilvorde425175
Ypres486287
pour les femmes :
bureau du chômagemoins de 36 ans36 à moins de
46 ansà partir de
46 ansAlost486390Anvers394459Arlon333845Audenarde365387Boom414459Bruges414757Bruxelles476277Charleroi576380Courtrai506586Gand506387Hasselt748492Huy484884La Louviere596989Liege576689Louvain596886Malines535975Mons668099Mouscron516692Namur485375Nivelles485780Ostende303547Roulers475980Saint-Nicolas485774Termonde516387Tongres688090Tournai486281Turnhout637283Verviers577189Vilvorde425175Ypres486287
Voor de toepassing van dit artikel worden de leeftijden " minder dan 36 jaar ", " 36 tot minder dan 46 jaar " en " vanaf 46 jaar " vermeld in het voorgaand lid verhoogd met de periodes die niet in aanmerking genomen worden voor de duur van de werkloosheid krachtens artikel 56, § 1, vijfde lid, 7°.
Pour l'application du présent article, les âges " moins de 36 ans ", " 36 à moins de 46 ans " et " à partir de 46 ans " cités à l'alinéa précédent sont augmentés des périodes qui ne sont pas prises en considération pour la durée du chômage en vertu de l'article 56, § 1, alinéa 5, 7°.
HOOFDSTUK XIII. - Bepalingen ter uitvoering van artikel 90 van het koninklijk besluit betreffende de vrijstelling voor de werkloze die zich in geen toestand bevindt die moeilijkheden veroorzaakt op sociaal en familiaal vlak.
CHAPITRE XIII. Dispositions prises en exécution de l'article 90 de l'arrêté royal et relatives à la dispense pour le chômeur qui se trouve dans une situation difficile sur le plan social et familial.
Art. 58.
Art. 58.
HOOFDSTUK XIV. - Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 110, 119, 123 en 129 van het koninklijk besluit, betreffende het bedrag van de daguitkering.
CHAPITRE XIV. Dispositions prises en exécution des articles 110, 119, 123 et 129 de l'arrêté royal et relatives au montant de l'allocation journalière.
Afdeling I. - De begrippen samenwonen, beroepsinkomen, vervangingsinkomen en pleegouders.
Section I. Notions de cohabitation, revenus professionnels, revenus de remplacement et parents adoptifs.
Art. 59. Onder samenwonen wordt verstaan het onder hetzelfde dak samenleven van twee of meer personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. (Een persoon wordt tot bewijs van het tegendeel geacht te wonen op het adres van zijn hoofdverblijfplaats.)
Worden eveneens geacht samen te wonen de leden van het huishouden die :
(militieverplichtingen vervullen)
in de gevangenis zitten, geïnterneerd zijn of in een instelling voor geesteszieken geplaatst zijn, gedurende de eerste twaalf maanden;
(...).
(Om als financieel ten laste te worden beschouwd moet gelijktijdig voldaan worden aan de volgende voorwaarden :
de werkloze, alsmede de persoon die ten laste is, moeten een verklaring in die zin afleggen op het tijdstip waarop de werkloze een aangifte van de persoonlijke en familiale toestand moet indienen;
de persoon die ten laste is mag niet beschikken over het bestaansminimum noch financiële hulp ontvangen ter vervanging van het bestaansminimum in het kader van de wetgeving op de maatschappelijke dienstverlening en evenmin als kind ten laste zijn van een onderhoudsplichtige ouder;
de persoon die ten laste is mag niet reeds beschouwd worden als financieel ten laste van een andere werknemer waarmee hij samenwoont.)
De gehuwde persoon die met zijn echtgenoot samenwoont kan voor de toepassing van het voorgaande lid niet beschouwd worden als financieel ten laste van een andere persoon.)
Art. 59. Par cohabitation, il y a lieu d'entendre le fait, pour deux ou plusieurs personnes, de vivre ensemble sous le même toit et de régler principalement en commun les questions ménagères. (Une personne est jusqu'à preuve du contraire réputée habiter à l'adresse de sa résidence principale.)
Sont également censés cohabiter les membres du ménage qui :
(l'accomplissement d'obligations de milice;)
sont emprisonnés, internés ou placés dans un établissement pour malades mentaux, pendant les douze premiers mois;
(...).
(Pour être considéré comme à charge financièrement, il doit être satisfait simultanément aux conditions suivantes :
le travailleur ainsi que la personne qui est à sa charge doivent faire une déclaration en ce sens au moment où le chomeur est tenu d'introduire une déclaration de la situation personnelle et familiale;
la personne à charge ne peut pas disposer du minimum de moyens d'existence ni recevoir d'aide financière en remplacement du minimum de moyens d'existence dans le cadre de la législation relative aux prestations d'aide sociale ni, comme enfant, être a charge d'un parent à qui s'impose une obligation d'entretien;
la personne à charge ne peut pas déjà être à charge financièrement d'un autre chômeur avec lequel elle cohabite.)
La personne mariée qui cohabite avec son conjoint ne peut, pour l'application de l'alinéa précédent, être considérée comme à charge financièrement d'une autre personne.).
Art. 60. Onder beroepsinkomen wordt verstaan elk inkomen dat voortspruit uit de uitoefening van een beroepsactiviteit alsmede de inkomsten bedoeld in artikel 46, § 1 en § 2, van het koninklijk besluit.
In afwijking van het eerste lid wordt het inkomen van de echtgen(o)t(e) voor de toepassing van artikel 110, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit evenwel niet als een beroepsinkomen beschouwd indien gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldaan is :
de werknemer doet aangifte van dit inkomen van zijn echteno(o)t(e) bij zijn uitkeringsaanvraag of bij de aanvang van de uitoefening van deze beroepsactiviteit;
dit inkomen vloeit voort uit arbeid in loondienst;
[het bruto-bedrag van dit inkomen bedraagt normaal gemiddeld per maand niet meer dan [1 569,11 EUR]1 en de echtgeno(o)t(e) geniet voor de beschouwde maand geen vervangingsinkomen, behalve indien dit toegekend wordt ingevolge arbeidsongeschiktheid of ingevolge tijdelijke werkloosheid in de tewerkstelling met een inkomen dat in toepassing van deze bepaling niet als een beroepsinkomen wordt beschouwd en voor zover het bruto-bedrag van dit vervangingsinkomen, verhoogd met het inkomen uit de arbeid in loondienst, de voormelde grens niet overschrijdt.]
[In afwijking van het eerste lid wordt het inkomen van een kind voor de toepassing van artikel 110, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit evenwel niet als een beroepsinkomen beschouwd :
indien het bedrag van dit inkomen per kind normaal gemiddeld niet meer dan 304,77 EUR per maand bedraagt;
ongeacht het bedrag van het inkomen, gedurende de periode van 12 maanden, gerekend van datum tot datum, vanaf het tijdstip waarop het kind na het einde van de studies voor het eerst een beroepsinkomen ontvangt.]
[De vereiste vermeld in het tweede lid, 3°, is slechts vervuld indien gelijktijdig voldaan wordt aan volgende voorwaarden :
het contractueel voorziene loon voor een volledige maand overschrijdt de voormelde grens niet; deze voorwaarde geldt slechts indien de werknemer verbonden is door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur of door één of meer aaneensluitende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde duur, waarvan de totale duur ten minste één maand bedraagt;
het werkelijk ontvangen loon voor de beschouwde kalendermaand overschrijdt de voormelde grens niet.]
[Voor de toepassing van het tweede lid, 3°, wordt het inkomen van de echtgeno(o)t(e), voortvloeiend uit arbeid in loondienst, geacht betrekking te hebben op de periode tijdens dewelke de echtgeno(o)t(e) verbonden was door een arbeidsovereenkomst.]
[Wordt voor de toepassing van artikel 110 van het koninklijk besluit niet als een beroepsinkomen beschouwd, de vergoeding die een gezinslid ontvangt voor de opvang in gezinsverband van kinderen die daar door hun ouders worden gebracht, indien dit gezinslid aangesloten is bij een dienst die door een Gemeenschap is erkend, zonder met deze dienst verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst.]
[2 Ter uitvoering van artikel 110, § 5, derde lid, van het koninklijk besluit, wordt voor de werknemer die niet langer vergoed wordt overeenkomstig de eerste vergoedingsperiode, in geval de toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat voor de beschouwde maand het statuut van werknemer met gezinslast geldt, doch dit statuut slechts kon worden bepaald na verloop van de beschouwde maand aangezien de partner een onregelmatig inkomen geniet, het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering bepaald op het bedrag bedoeld in artikel 114, § 3, 1°, van het koninklijk besluit.]2
Art. 60. Par revenus professionnels, il y a lieu d'entendre tous les revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle ainsi que les revenus visés à l'article 46, § 1er et § 2 de l'arrête royal.
Par dérogation au premier alinéa, les revenus du conjoint ne sont cependant pas considérés comme revenus professionnels pour l'application de l'article 110, § 1er, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal s'il est simultanément satisfait aux conditions suivantes :
le travailleur déclare les revenus de son conjoint lors de sa demande d'allocations ou au début de l'exercice de cette activité professionnelle;
les revenus proviennent d'un travail salarié;
[le montant brut de ces revenus n'excède pas normalement en moyenne par mois [1 569,11 EUR]1 et le conjoint ne béneficie d'aucun revenu de remplacement pour le mois considéré, sauf si celui-ci est octroyé à la suite d'une incapacité de travail ou à la suite de chômage temporaire lors de l'occupation avec un revenu qui, en application de cette disposition, n'est pas considéré comme un revenu professionnel et pour autant que le montant brut de ce revenu de remplacement, augmenté du revenu résultant du travail comme salarié, ne dépasse pas la limite précitée.]
[Par derogation au premier alinéa, les revenus d'un enfant ne sont cependant pas considérés comme revenus professionnels pour l'application de l'article 110, § 1er, alinéa 1er, 2° :
si le montant de ces revenus n'excède pas normalement en moyenne 304,77 EUR par mois, par enfant;
peu importe le montant du revenu, pendant la période de 12 mois, calculée de date à date, à partir du moment où l'enfant perçoit pour la première fois un revenu professionnel après la fin des études.]
[La condition mentionnée à l'alinéa 2, 3°, n'est remplie que s'il est simultanément satisfait aux conditions suivantes :
la rémunération qui est contractuellement prévue pour un mois complet, ne dépasse pas la limite précitée; cette condition ne s'applique que si le travailleur est lié par un contrat de travail à durée indéterminée ou par un ou plusieurs contrats de travail à durée déterminée successifs dont la durée totale atteint au moins un mois;
la rémunération réellement perçue pour le mois calendrier considéré ne dépasse pas la limite précitée.]
[Pour l'application de l'alinéa 2, 3°, les revenus du conjoint, découlant d'un travail salarié, sont considérés comme afférents à la période pendant laquelle le conjoint était lie par un contrat de travail.]
[Pour l'application de l'article 110 de l'arrêté royal, n'est pas considérée comme un revenu professionnel, l'indemnité que perçoit un membre du ménage pour l'accueil dans un cadre familial d'enfants qui y sont amenés par leurs parents, si ce membre du ménage est affilié à un service agréé par une Communauté, sans être lié par un contrat de travail avec ce service.]
[2 En exécution de l'article 110, § 5, alinéa 3, de l'arrêté royal, le montant journalier de l'allocation de chômage est fixé au montant visé à l'article 114, § 3, 1°, de l'arrêté royal, pour le travailleur qui n'est plus indemnisé conformément à la première période d'indemnisation, lorsque l'application de l'alinéa 2 a pour conséquence que, pour le mois considéré, le statut de travailleur ayant charge de famille est applicable mais que ce statut ne peut être déterminé qu'après l'expiration du mois considéré, étant donné que le partenaire bénéficie d'un revenu irrégulier.]2
Art. 61. Onder vervangingsinkomen wordt verstaan elk inkomen toegekend ter vervanging van een beroepsinkomen, inzonderheid :
de uitkeringen in de zin van artikel 1, 11°;
de uitkeringen toegekend krachtens een verplichte ziekte- of invaliditeitsverzekering;
de onderbrekingsuitkeringen verleend aan de werknemer die zijn beroepsloopbaan onderbreekt of die zijn arbeidsprestaties vermindert.
Worden eveneens als vervangingsinkomens beschouwd, voor zover het totaal bedrag per persoon [5 472,98 euro]5 per maand overschrijdt :
de ouderdoms-, rust-, anciënniteits- of overlevingspensioenen en de andere als dusdanig geldende voordelen in de zin van artikel 65, § 3, van het koninklijk besluit;
de schadeloosstelling toegekend bij toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar en van het werk of de beroepsziekten;
de vergoedingen die toegekend worden in toepassing van de wetgeving betreffende oorlogsslachtoffers.
(Wordt voor de toepassing van artikel 110 van het koninklijk besluit als een vervangingsinkomen beschouwd, de navermelde inkomsten die een gezinslid-onthaalouder ontvangt, die aangesloten is bij een dienst die door een Gemeenschap is erkend, zonder met deze dienst verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst :
de vergoeding ter gedeeltelijke compensatie van het inkomensverlies dat de onthaalouder door omstandigheden buiten zijn of haar wil lijdt ingevolge de tijdelijke afwezigheid van kinderen die hij of zij normaal opvangt, voor zover het bedrag 410,94 EUR voor de beschouwde maand overschrijdt; wordt dit bedrag overschreden dan wordt het inkomen geacht betrekking te hebben op de volledige kalendermaand;
de ziekte- of invaliditeitsuitkering en de moederschapsuitkering, voor zover het totaal bedrag 410,94 EUR voor de beschouwde maand overschrijdt; wordt dit bedrag overschreden, dan wordt het inkomen geacht betrekking te hebben op de kalenderperiode waarvoor deze uitkering werd toegekend;
de vergoeding wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid overeenkomstig de wetgeving die betrekking heeft op de schadeloosstelling voor arbeidsongevallen of beroepsziekten, indien deze vergoeding toegekend werd ingevolge een gebeurtenis overkomen in het kader van de activiteit als onthaalouder, voor zover het bedrag 410,94 EUR voor de beschouwde maand overschrijdt; wordt dit bedrag overschreden, dan wordt het inkomen geacht betrekking te hebben op de kalenderperiode waarvoor deze uitkering werd toegekend.)
Art. 61. Par revenus de remplacement, il y a lieu d'entendre tous les revenus octroyés en vue de remplacer un revenu professionnel, notamment :
les allocations au sens de l'article 1, 11°;
les indemnités accordées en vertu d'un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité;
les allocations d'interruption octroyées au travailleur qui interrompt sa carrière professionnelle ou qui réduit ses prestations de travail.
Sont également considérés comme revenus de remplacement pour autant que le montant mensuel total par personne dépasse [5 472,98 euros]5 :
les pensions de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de survie et les autres avantages en tenant lieu au sens de l'article 65, § 3, de l'arrête royal;
les dédommagements octroyés en application de la législation relative aux accidents du travail, aux accidents survenus sur le chemin du travail ou aux maladies professionnelles;
les indemnités octroyées en application de la législation relative aux victimes de guerre.
(Pour l'application de l'article 110 de l'arrêté royal, sont considérés comme un revenu de remplacement, les revenus mentionnés ci-après que perçoit un membre du ménage, gardien ou gardienne d'enfants, qui est affilié à un service agréé par une Communauté, sans être lié par un contrat de travail avec ce service :
l'indemnité à titre de compensation partielle de la perte de revenus dont est victime le gardien ou la gardienne d'enfants, par suite de circonstances indépendantes de sa volonté, en raison de l'absence temporaire d'enfants qu'il ou elle accueille habituellement, pour autant que le montant dépasse 410,94 EUR pour le mois considéré; si ce montant est dépassé, le revenu est censé se rapporter au mois calendrier complet;
l'indemnité de maladie ou d'invalidité et l'indemnité de maternité, pour autant que le montant total dépasse 410,94 EUR pour le mois considéré; si ce montant est dépassé, le revenu est censé se rapporter à la période calendrier pour laquelle cette indemnité a été octroyée;
l'indemnité d'incapacité temporaire de travail conformément à la législation relative à l'indemnisation des accidents du travail ou des maladies professionnelles, si cette indemnité a été octroyée suite à un événement survenu dans le cadre de l'activité de gardien ou de gardienne d'enfants, pour autant que le montant dépasse 410,94 EUR pour le mois considéré; si ce montant est dépassé, le revenu est censé se rapporter à la période calendrier pour laquelle cette indemnité a été octroyée.)
Art. 62. (NOTA : Voor de periode van 1 juli 2000 tot 31 december 2001 gelden in de plaats van het bedrag van "EUR", vermeld in artikel 62, 2de lid, het bedrag van "17 736 BEF" en van de bedragen van "EUR", vermeld in artikel 62, 3de lid de bedragen van "10 746 BEF" en "17 736 BEF" )
[2 Worden evenwel niet beschouwd als vervangingsinkomens, de uitkeringen bedoeld in artikel 61, eerste lid, 1° en 2°, toegekend aan het kind waarmee de werknemer samenwoont, indien het totaal bedrag waarop het kind aanspraak kan maken gemiddeld per maand niet meer bedraagt dan 26 maal het niet verhoogde dagbedrag van de inschakelingsuitkering voorzien voor de samenwonende werknemer die 18 jaar is.]2
(Voor de toepassing van artikel 110, § 1, eerste lid, 2°, b, van het koninklijk besluit, worden niet beschouwd als vervangingsinkomens de pensioenen en voordelen bedoeld in artikel 61, tweede lid, 1°, waarop de bloed- of aanverwant in de recht opgaande lijn aanspraak kan maken, indien het totale bruto bedrag, in voorkomend geval samengevoegd [1 1.593,24 euro]1) per maand niet overschrijdt.
Voor de toepassing van artikel 110, § 1, eerste lid, 2°, c) van het koninklijk besluit, worden niet beschouwd als vervangingsinkomens de pensioenen en voordelen bedoeld in artikel 61, tweede lid, 1°, waarop de bloed- of aanverwant in de recht opgaande lijn die de werkloze ten laste heeft genomen, aanspraak kan maken, indien het totale bruto bedrag, in voorkomend geval samengevoegd [1 982,26 euro]1 per maand niet overschrijdt. Dit bedrag wordt nochtans op [1 1.593,24 euro]1 per maand gebracht indien de werkloze op basis van een door de bevoegde instantie afgeleverd attest aantoont dat de gezondheidstoestand van de bloed- of aanverwante in de recht opgaande lijn een volledig gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid van tenminste 9 punten met zich brengt, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten.)
(Als overgangsmaatregel wordt voor de toepassing van artikel 116, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, voor de werklozen die, ten gevolge van de inwerkingtreding van dit besluit, op 1 september 1993 de hoedanigheid van werknemer met gezinslast verloren hebben, de periode van samenwonen met bloed- of aanverwanten in de recht opgaande lijn vóór 1 september 1993 gelijkgesteld met een ononderbroken periode van werkhervatting van zes maand.)
Art. 62. (NOTE : Pour la période du 1er juillet 2000 au 31 décembre 2001 le montant du "17 736 BEF" est d'application au lieu du montant de "EUR" mentionné à l'article 62, alinéa 2 et les montants de "10 746 BEF" et "17 736 BEF" sont d'application au lieu des montants de "EUR" mentionnés à l'article 62, alinéa 3 )
[2 Ne sont toutefois pas considérées comme revenu de remplacement les allocations visées à l'article 61, alinéa 1er, 1° et 2° octroyées à l'enfant avec lequel le travailleur cohabite, lorsque le montant mensuel total auquel l'enfant peut prétendre ne dépasse pas en moyenne par mois 26 fois le montant journalier non majoré de l'allocation d'insertion prévu pour le travailleur cohabitant de 18 ans.]2
(Pour l'application de l'article 110, § 1er, alinéa 1er, 2°, b, de l'arrêté royal ne sont pas considérés comme revenus de remplacement, les pensions et avantages vises à l'article 61, alinéa 2, 1°, auxquels le parent ou allié ascendant en ligne directe peut prétendre lorsque le montant brut total, le cas échéant cumulé, ne dépasse pas [1 1 593,24 euros) par mois.
Pour l'application de l'article 110, § 1er, 2°, c) de l'arrêté royal ne sont pas considérés comme revenus de remplacement, les pensions et avantages visés à l'article 61, alinéa 2, 1°, auxquels le parent ou allié ascendant en ligne directe dont le chômeur a pris la charge peut prétendre lorsque le montant brut total, le cas échéant cumulé, ne dépasse pas [1 982,26 euros]1
par mois. Ce montant est cependant porté à [1 1.593,24 euros]1 par mois lorsque le chômeur établit sur base d'une attestation délivrée par l'instance compétente que l'état de santé du parent ou allié ascendant en ligne directe provoque un manque total d'autonomie ou une réduction d'autonomie d'au moins 9 points mesurés conformément aux guide et échelle médico-sociale applicables dans le cadre de la législation relative aux allocations aux handicapés.)
(Par mesure transitoire, pour l'application de l'article 116, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, pour les chômeurs qui, du fait de l'entrée en vigueur du présent arrêté, ont perdu au 1er septembre 1993 la qualité de travailleur ayant charge de famille, la période de cohabitation avec un parent ou allié ascendant en ligne directe, située avant le 1er septembre 1993, est assimilée à une période de reprise de travail ininterrompue de six mois.)
Art. 63. Om als pleegouders beschouwd te kunnen worden moet gelijktijdig voldaan worden aan de volgende voorwaarden :
de werkloze werd geplaatst voor bemiddeling van hetzij erkende of gesubsidieerde gezinsplaatsingsdiensten of adoptieverenigingen, hetzij openbare instanties;
de band pleegouders-pleegkind bestond reeds voor de aanvang van de werkloosheid;
het pleegkind verbleef gedurende ten minste drie jaar in het pleeggezin.
Art. 63. Pour pouvoir être considéré comme parent d'accueil, il faut satisfaire simultanément aux conditions suivantes :
le placement du chômeur a été effectué par l'intermédiaire soit de services de placement familiaux ou d'oeuvres d'adoption reconnus ou subventionnés, soit d'autorités publiques;
le lien entre les parents d'accueil et l'enfant place existait déjà avant le début du chômage;
l'enfant placé est resté au sein de la famille d'accueil pendant au moins trois ans.
Art. 64. De bedragen vermeld in deze afdeling worden gekoppeld aan de spilindex 103,14, geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), volgens de regels bepaald in artikel 113 van het koninklijk besluit.
Art. 64. Les montants mentionnés dans la présente section sont liés à l'indice-pi vot 103,14, en vigueur le 1er juin 1999 (base 1996 = 100), suivant les règles fixées à l'article 113 de l'arrêté royal.
Afdeling II. - Het begrip gemiddeld dagloon.
Section II. Notion de rémunération journalière moyenne.
Art. 65. § 1. Voor de volledig werkloze is het loon dat als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering geldt het (gemiddeld dagloon, waarop hij normaal recht had op het einde van de recentste ononderbroken periode van tenminste vier weken tijdens dewelke hij in dienst was bij dezelfde werkgever).
(Tweede en derde lid opgeheven).
§ 2. (Bij gebrek aan loon in de zin van § 1, of ingeval het loon lager is dan het referteloon bedoeld in artikel 5, wordt de werkloosheidsuitkering berekend op basis van dat referteloon.)
Voor de werknemer die, op het tijdstip waarop hij volledig werkloos wordt gesteld, onderbrekingsuitkeringen geniet ten gevolge van de onderbreking van zijn beroepsloopbaan of de vermindering van de arbeidsprestaties, wordt voor de toepassing van § 1 rekening gehouden met het loon dat hij zou verdiend hebben, indien hij zijn beroepsloopbaan niet onderbroken had of zijn arbeidsprestaties niet verminderd had.
Art. 65. § 1. Pour le chômeur complet, la rémunération qui sert de base au calcul de l'allocation de chômage est la (rémunération journaliere moyenne à laquelle il pouvait prétendre à la fin de la dernière période d'au moins quatre semaines consécutives d'occupation auprès du même employeur).
(Alinéas 2 et 3 abrogés).
§ 2. (A défaut de rémunération au sens du § 1, ou lorsque cette rémunération est inférieure au salaire de réference visé à l'article 5, l'allocation de chômage est calculée sur base de ce salaire de référence.)
Pour le travailleur qui, au moment où il devient chômeur complet, bénéficie d'allocations d'interruption suite à l'interruption de sa carrière professionnelle ou à la reduction de ses prestations de travail, il est tenu compte, pour l'application du § 1er, de la rémunération qu'il aurait percue s'il n'avait pas interrompu sa carrière professionnelle ou réduit ses prestations de travail.
Art. 66. Voor de tijdelijk werkloze is het loon dat als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering geldt, het (gemiddeld dagloon) waarop de werknemer recht zou hebben voor de lopende arbeidscyclus.
[1 In afwijking van het eerste lid geldt het loon, dat in toepassing van artikel 65 in aanmerking wordt genomen, als berekeningsbasis voor de werkloosheidsuitkering van de tijdelijk werkloze, indien het :]1
(werknemer betreft die het werk hervat heeft na 30 juni 2000 en ten minste 45 jaar was op het tijdstip van de werkhervatting, behalve indien het loon bedoeld in het eerste lid hoger is dan het loon dat voorheen als berekeningsbasis gold;)
[1 een deeltijdse werknemer betreft die overeenkomstig artikel 104, § 1bis, van het koninklijk besluit een inkomensgarantie-uitkering geniet;]1
(3° deeltijdse werknemer met behoud van rechten betreft.)
Art. 66. Pour le chômeur temporaire, la rémunération qui sert de base au calcul de l'allocation de chômage est la (rémunération journalière moyenne) à laquelle le travailleur aurait eu droit pour le cycle de travail en cours.
[1 Par dérogation au premier alinéa, la rémunération, qui est prise en considération en application de l'article 65, sert de base au calcul de l'allocation de chômage du chômeur temporaire, s'il s'agit :]1
(d'un travailleur qui a repris le travail après le 30 juin 2000 et qui avait au moins 45 ans au moment de la reprise du travail, sauf si le salaire visé à l'alinéa 1er, est supérieur au salaire qui a servi auparavant comme base du calcul;)
[1 d'un travailleur à temps partiel volontaire qui prétend aux allocations sur base de l'article 104, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal;]1
(3° d'un travailleur à temps partiel avec maintien des droits.)
Art. 67. § 1. Het gemiddeld dagloon van de werknemer die recht heeft op een vast maandloon is gelijk aan 1/26e van dit maandloon.
Het gemiddeld dagloon van de werknemer die recht heeft op een vast uurloon wordt bekomen door dit uurloon te vermenigvuldigen met Q/6.
Het gemiddeld dagloon van de werknemer die geen recht heeft op een vast loon is gelijk aan het loon dat de werknemer ontvangen heeft voor de arbeidscyclus, (met uitsluiting van het loon dat betrekking heeft op overwerk zoals bepaald in artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971,) gedeeld door het aantal betaalde uren, met uitsluiting van het aantal uren (dat overeenstemt met bedoeld loon voor overwerk,) en vermenigvuldigd met Q/6.
Het gemiddeld dagloon van de tijdelijke leerkracht is gelijk aan 1/312e van het voltijdse jaarloon vermenigvuldigd met Q/S.
Het gemiddeld dagloon van de werknemer waarvoor de bijdragen voor de sociale zekerheid ingehouden werden op een forfaitair dagloon is gelijk aan dit forfaitair dagloon voorzien in geval van tewerkstelling in het zesdaagse stelsel.
§ 2. In afwijking van § 1 is het gemiddeld dagloon van de vrijwillig deeltijdse werknemer gelijk aan het gemiddeld uurloon vermenigvuldigd met S/6.
Het gemiddeld uurloon wordt bekomen door het loon dat de werknemer ontvangen heeft voor de arbeidscyclus (, met uitsluiting van het loon dat betrekking heeft op overwerk zoals bepaald in artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971,) te delen door het aantal betaalde uren, met uitsluiting van het aantal uren (dat overeenstemt met bedoeld loon voor overwerk).
Art. 67. § 1. La rémunération journalière moyenne du travailleur qui a droit à une rémunération mensuelle fixe, est égale à 1/26ème de cette rémunération mensuelle.
La rémunération journalière moyenne du travailleur qui a droit à une rémunération horaire fixe, est obtenue en multipliant cette rémunération horaire par Q/6.
La rémunération journalière moyenne du travailleur qui n'a pas droit à une rémunération fixe, est égale à la rémunération percue par le travailleur pour le cycle de travail, (à l'exception de la rémunération portant sur le travail supplémentaire tel que défini à l'article 29 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail,) divisée par le nombre d'heures de travail rémunérées, excepté le nombre d'heures (qui correspond à la rémunération précitee pour le travail supplémentaire,) et multipliée par Q/6.
La rémunération journalière moyenne de l'enseignant temporaire, est égale à 1/312ème de la rémunération annuelle à temps plein multipliee par Q/S.
La rémunération journalière moyenne du travailleur pour lequel les retenues de sécurité sociale ont été opérées sur un salaire journalier forfaitaire, est égale à cette rémunération journalière forfaitaire prévue en cas d'occupation dans un régime hebdomadaire de travail de six jours.
§ 2. Par dérogation au § 1er, la rémunération journalière moyenne du travailleur à temps partiel volontaire est égale à la rémunération horaire moyenne multipliée par S/6.
La rémunération horaire moyenne est obtenue en divisant la rémunération percue par le travailleur pour le cycle de travail (, à l'exception de la rémunération portant sur le travail supplémentaire tel que défini à l'article 29 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail,) par le nombre d'heures de travail rémunérées, excepté le nombre d'heures (qui correspond à la rémunération précitée pour le travail supplémentaire).
Art. 68. Voor de houthakker die per taak wordt bezoldigd, de huisarbeider die een stuk- of een taakloon ontvangt en elke andere werknemer die per taak wordt bezoldigd wordt de werkloosheidsuitkering berekend op het referteloon bedoeld in artikel 5 indien de werknemer voor het kwartaal voorafgaand aan het kwartaal van de uitkeringsaanvraag, zoals bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 betreffende het gemiddeld dagloon, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, geen loon ontvangen heeft of een loon ontvangen heeft dat minder dan driemaal het referteloon bedraagt.
Wanneer de uitkeringsaanvraag uitgesteld werd ten gevolge van overmacht, wordt het kwartaal bedoeld in het eerste lid vervangen door het kwartaal voorafgaand aan het kwartaal waarin de eerste dag van de overmacht gesitueerd wordt.
Art. 68. Pour l'ouvrier bûcheron remunéré à la tâche, le travailleur à domicile payé à la pièce ou à l'entreprise et tout autre travailleur rémunéré à la tâche, l'allocation de chômage est calculée sur base du salaire de référence visé à l'article 5 si, pour le trimestre qui précède le trimestre de la demande d'allocations, comme visé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 10 juin 2001 relatif a la rémunération journalière moyenne, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, le travailleur n'a pas perçu de rémunération ou a perçu une rémunération inférieure à trois fois le salaire de référence.
Lorsque la demande d'allocations a été retardée par suite de force majeure, le trimestre visé à l'alinéa 1er est remplacé par le trimestre précédant le trimestre dans lequel se situe le premier jour de force majeure.
Art. 69. [1 Voor de berekening van de uitkering op basis van het gemiddeld dagloon wordt dit loon ingeschaald in de hierna vermelde reeks loonschijven en wordt de uitkering berekend op het bedrag dat vermeld is in de laatste kolom, evenwel beperkt tot het in artikel 111 van het koninklijk besluit vermelde grensbedrag.
Het gemiddeld dagloon en de loonschijven vermeld in de hiernavolgende schaal worden gekoppeld aan de spilindex 103,14, geldend op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), volgens de regels bepaald in artikel 113 van het koninklijk besluit. Het vijfde cijfer na de komma wordt weggelaten en leidt tot een verhoging met één eenheid van het vorige cijfer indien het minstens 5 bereikt.
[2
Art. 69. [1 Pour le calcul de l'allocation sur la base de la rémunération journalière moyenne, cette rémunération est intégrée dans l'échelle des tranches de salaire mentionnées ci-après et l'allocation est calculée sur le montant mentionné dans la dernière colonne, toutefois limitée au montant limite mentionné à l'article 111 de l'arrêté royal.
La rémunération journalière moyenne et les tranches de salaires mentionnées à l'échelle suivante sont liés à l'indice-pivot 103,14, en vigueur le 1er juin 1999 (base 1996=100), suivant les règles fixées à l'article 113 de l'arrêté royal. Le cinquième chiffre après la virgule est supprimé et entraîne une augmentation d'une unité du chiffre précédent, s'il atteint au moins 5.
[2
nummer van de loonschijfondergrensbovengrensberekenings-
basis
53 - n55,672656,535656,1042
- 0,8631 n- 0,8631 n- 0,8631 n
5355,672656,535656,1042
5456,535756,967256,5357
5556,967357,398756,9673
5657,398858,261857,8304
5758,261959,124958,6935
5859,12558,98859,5566
5959,988160,851160,6334
6060,851261,714261,3913
6161,714362,577362,1459
6262,577463,440463,009
6363,440564,303563,8721
6464,303665,166664,8848
6565,166766,029765,6959
6666,029866,892866,4614
6766,892967,755967,3245
6867,75668,61968,1876
6968,619169,482169,0507
7069,482269,617669,6176
7169,617770,487770,0528
7270,487871,034470,4878
7371,034571,897571,466
7471,897672,796271,8976
[1 7572,796373,378672,7963]1
[2 7673,378774,185873,3787]2
[2 [3 7774,185975,001974,1859]3]2
[4 7875,002075,826975,0020]4
[4 7975,8270 75,8270]4
(1)2017-09-03/07, art. 2, 113; Inwerkingtreding : 01-09-2017>
(2)2019-06-02/02, art. 2, 119; Inwerkingtreding : 01-09-2019>
(3)2021-07-20/03, art. 2, 121; Inwerkingtreding : 01-07-2021>
(4)2023-02-01/01, art. 2, 128; Inwerkingtreding : 01-07-2023>
nummer van de loonschijfondergrensbovengrensberekenings-
basis53 - n55,672656,535656,1042- 0,8631 n- 0,8631 n- 0,8631 n5355,672656,535656,10425456,535756,967256,53575556,967357,398756,96735657,398858,261857,83045758,261959,124958,69355859,12558,98859,55665959,988160,851160,63346060,851261,714261,39136161,714362,577362,14596262,577463,440463,0096363,440564,303563,87216464,303665,166664,88486565,166766,029765,69596666,029866,892866,46146766,892967,755967,32456867,75668,61968,18766968,619169,482169,05077069,482269,617669,61767169,617770,487770,05287270,487871,034470,48787371,034571,897571,4667471,897672,796271,8976[1 7572,796373,378672,7963]1[2 7673,378774,185873,3787]2[2 [3 7774,185975,001974,1859]3]2[4 7875,002075,826975,0020]4[4 7975,827075,8270]4(1)(2)(3)(4)
]2]1
numéro de la tranche de salairelimite inférieurelimite supérieurebase de calcul
53 - n55,672656,535656,1042
- 0,8631 n- 0,8631 n- 0,8631 n
5355,672656,535656,1042
5456,535756,967256,5357
5556,967357,398756,9673
5657,398858,261857,8304
5758,261959,124958,6935
5859,12558,98859,5566
5959,988160,851160,6334
6060,851261,714261,3913
6161,714362,577362,1459
6262,577463,440463,009
6363,440564,303563,8721
6464,303665,166664,8848
6565,166766,029765,6959
6666,029866,892866,4614
6766,892967,755967,3245
6867,75668,61968,1876
6968,619169,482169,0507
7069,482269,617669,6176
7169,617770,487770,0528
7270,487871,034470,4878
7371,034571,897571,466
7471,897672,796271,8976
[1 7572,796373,378672,7963]1
[2 7673,378774,185873,3787]2
[2 [3 7774,185975,001974,1859]3]2
[4 7875,002075,826975,0020]4
[4 7975,8270 75,8270]4
(1)2017-09-03/07, art. 2, 113; En vigueur : 01-09-2017>
(2)2019-06-02/02, art. 2, 119; En vigueur : 01-09-2019>
(3)2021-07-20/03, art. 2, 121; En vigueur : 01-07-2021>
(4)2023-02-01/01, art. 2, 128; En vigueur : 01-07-2023>
numéro de la tranche de salairelimite inférieurelimite supérieurebase de calcul53 - n55,672656,535656,1042- 0,8631 n- 0,8631 n- 0,8631 n5355,672656,535656,10425456,535756,967256,53575556,967357,398756,96735657,398858,261857,83045758,261959,124958,69355859,12558,98859,55665959,988160,851160,63346060,851261,714261,39136161,714362,577362,14596262,577463,440463,0096363,440564,303563,87216464,303665,166664,88486565,166766,029765,69596666,029866,892866,46146766,892967,755967,32456867,75668,61968,18766968,619169,482169,05077069,482269,617669,61767169,617770,487770,05287270,487871,034470,48787371,034571,897571,4667471,897672,796271,8976[1 7572,796373,378672,7963]1[2 7673,378774,185873,3787]2[2 [3 7774,185975,001974,1859]3]2[4 7875,002075,826975,0020]4[4 7975,827075,8270]4(1)(2)(3)(4)
]2]1
Afdeling III. - Het begrip beroepsverleden als loontrekkende.
Section III. Notion de passé professionnel en tant que salarié.
Art. 70. (NOTA : een wijziging van onderhavig artikel 70 bij MB 2009-01-12/31, art. 3, werd ingetrokken bij MB 2009-05-19/04, art. 1.) § 1. [1 Voor de toepassing van artikel 114, § 2, van het koninklijk besluit, wordt verstaan onder beroepsverleden als loontrekkende :]1
[1 de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit;]1
[2 de gelijkgestelde dagen bedoeld in artikel 38 van het koninklijk besluit, met uitzondering van de dagen van volledige werkloosheid en de periode waarvoor een overgangsuitkering voorzien in de pensioenregelgeving werd ontvangen.]2
[3 De dagen van volledige werkloosheid worden evenwel in rekening gebracht indien de werkloze op deze dagen een beroepsopleiding heeft ontvangen waarvan het aantal uur per cyclus gemiddeld minstens 18 uur per week bedraagt, tewerkgesteld is geweest in een beschermde werkplaats in de hoedanigheid van moeilijk te plaatsen mindervalide werkloze of tewerkgesteld is geweest in toepassing van artikel 161 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid.]3
§ 2. De arbeidsdagen en gelijkgestelde dagen bedoeld in § 1 worden met alle rechtsmiddelen bewezen. Indien de werknemer met betrekking tot het jaar 1958 arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen kan bewijzen, wordt hij vermoed gedurende 312 arbeidsdagen tewerkgesteld geweest te zijn per jaar gelegen tussen het jaar waarop de werknemer de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt en 1 januari 1958.
Het bekomen aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen, gedeeld door 312, geeft het aantal jaren beroepsverleden als loontrekkende. Indien de rest 156 of meer bedraagt, wordt het aantal jaren beroepsverleden met één eenheid verhoogd. Een rest van minder dan 156 komt niet in aanmerking.
§ 3. [1 Voor de toekenning van het variabel aantal maanden in functie van het beroepsverleden in toepassing van artikel 114, § 2, van het koninklijk besluit, kan het beroepsverleden bedoeld in § 1, dat reeds toegerekend werd, geen tweede maal worden toegerekend.
Ingeval de eerste vergoedingsperiode overeenkomstig artikel 116, § 1, van het koninklijk besluit opnieuw wordt vastgesteld, wordt het naar boven afgerond aantal maanden dat gelegen is tussen de recentste uitkeringsdag als volledig werkloze en de voorheen vastgestelde ingangsdatum van de derde vergoedingsperiode, en dat samenvalt met het variabel gedeelte van de tweede vergoedingsperiode, geacht nog niet toegerekend te zijn.
Het aantal arbeids- en gelijkgestelde dagen dat ingevolge een gebeurtenis zoals bedoeld in § 1 in aanmerking wordt genomen, worden geacht bereikt te zijn de dag volgend op het einde van deze gebeurtenis.]1

§ 4. Voor de toepassing van dit artikel op de uitkeringsgenietende vrijwillig deeltijds werknemer, worden halve arbeidsdagen als arbeidsdagen aanzien, zonder meer dan 312 arbeidsdagen per jaar in rekening te mogen brengen.
[2 § 5. Het beroepsverleden als loontrekkende wordt verhoogd met twee jaar indien de werknemer voor de maximale periode voorzien door de pensioenregelgeving een overgangsuitkering heeft ontvangen.]2
Art. 70. (NOTE : une modification du présent article 70 par AM 2009-01-12/31, art. 3, a été rapportée par AM 2009-05-19/04, art. 1.) § 1. [1 Pour l'application de l'article 114, § 2, de l'arrêté royal, il y a lieu d'entendre par passé professionnel en tant que salarié :]1
[1 les journées de travail visées à l'article 37 de l'arrêté royal;]1
[2 les journées assimilées visées à l'article 38 de l'arrêté royal, à l'exception des journées de chômage complet et la période pour laquelle une allocation de transition, prévue dans la réglementation aux pensions a été reçue.]2
[3 Les journées de chômage complet sont cependant prises en considération lorsque le travailleur a, au cours de celles-ci, suivi une formation professionnelle dont le nombre d'heures atteint, par cycle, en moyenne par semaine, au moins 18 heures, été occupé en atelier protégé en qualité de chômeur difficile à placer ou été occupé en application de l'article 161 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage.]3
§ 2. Les journées de travail et les journées assimilées visées au § 1er sont prouvées par toute voie de droit. Si le travailleur peut prouver des journées de travail ou des journées assimilées pour l'année 1958, il est présumé avoir travaillé pendant 312 journées de travail pour chaque année située entre l'année au cours de laquelle il a atteint l'âge de 20 ans et le 1er janvier 1958.
Le nombre de journées de travail et de journées assimilées obtenu, divisé par 312, donne le nombre d'années de passé professionnel en tant que salarié. Si le solde est de 156 ou plus, le nombre d'années de passé professionnel est majoré d'une unité. Il n'est pas tenu compte d'un solde de moins de 156.
§ 3. [1 Pour l'octroi du nombre variable de mois en fonction du passé professionnel, en application de l'article 114, § 2, de l'arrêté royal, le passé professionnel visé au § 1er, qui a déjà été imputé, ne peut plus être imputé une deuxième fois.
Dans le cas où la première période d'indemnisation est fixée à nouveau, conformément à l'article 116, § 1er, de l'arrêté royal, le nombre de mois, arrondi vers le haut, qui est situé entre le jour d'indemnisation comme chômeur complet le plus récent et la date de prise de cours de la troisième période d'indemnisation fixée antérieurement et qui coïncide avec la partie variable de la deuxième période d'indemnisation, est censé ne pas encore être imputé.
Le nombre de jours de travail et assimilés qui est pris en considération suite à un événement comme visé au § 1er, est censé avoir été atteint le jour qui suit la fin de cet événement.]1

§ 4. Pour l'application du présent article au travailleur à temps partiel volontaire indemnisé, les demi-journées de travail sont considérées comme des journées de travail, sans pouvoir prendre en compte plus de 312 journées de travail par an.
[2 § 5. Le passé professionnel en tant que salarié est augmenté de deux ans, si le travailleur a recu une allocation de transition pour la période maximale prévue par la réglementation aux pensions.]2
Afdeling IV. - [1 De begrippen "periode van werkhervatting", "dagen van onderbreking van de tewerkstelling" en "arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen in het hotelbedrijf"]1
Section IV. [1 Notions de "période de reprise de travail", "journées d'interruption de l'occupation" et "journées de travail ou journées assimilées dans l'industrie hôtelière"]1
Art. 71. § 1. [1 Wordt voor de toepassing van artikel 116, § 1, van het koninklijk besluit in rekening gebracht als periode van werkhervatting, elke ononderbroken periode die geheel is samengesteld uit :]1
arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 van het koninklijk besluit;
[3 gelijkgestelde dagen bedoeld in artikel 38 van het koninklijk besluit met uitzondering van:
a) de dagen van volledige werkloosheid;
b) de dagen die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering waarvoor noch enig loon, noch een moederschapsuitkering, noch een uitkering voor vaderschapsverlof of voor adoptieverlof werd betaald;
c) de periode waarvoor een overgangsuitkering voorzien in de pensioenregelgeving werd ontvangen.]3

[1 ...]1
[1 ...]1
[1 Een periode kan slechts als periode van werkhervatting in de zin van [2 artikel 116, § 1 [4 ...]4]2 , van het koninklijk besluit worden beschouwd, indien ze gelegen is na het tijdstip waarop de recentste eerste fase van de eerste vergoedingsperiode bedoeld in artikel 114 van het koninklijk besluit, is aangevangen.]1
[1 ...]1
§ 2. [1 Wordt voor de toepassing van artikel 116, § 2, van het koninklijk besluit beschouwd als een dag van onderbreking van de tewerkstelling, een dag niet bedoeld in § 1, eerste lid, 1° of 2°.]1
[3 Een periode die aanleiding heeft gegeven tot het ontvangen van een overgangsuitkering voorzien in de pensioenregelgeving wordt niet als een onderbreking beschouwd voor zover deze periode samenvalt met dagen bedoeld in § 1, eerste lid, 1° of 2°.]3
§ 3. [1 Voor de toepassing van artikel 116, § 3, van het koninklijk besluit, wordt verstaan onder een arbeidsdag de dagen bedoeld in § 1, eerste lid, 1° als werknemer in het hotelbedrijf en wordt verstaan onder gelijkgestelde dag, de dagen bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, gelegen in een periode gedekt door een arbeidsovereenkomst als werknemer in het hotelbedrijf.]1
[1 § 4. Als de loon- en arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de bijdragen voor sociale zekerheid, en als de ligging van de arbeidsprestaties en het ermee overeenstemmend loon binnen een kwartaal niet kan worden vastgesteld, worden de arbeidsprestaties en het ermee overeenstemmend loon die gelegen zijn in het kwartaal waarin de referteperiode aanvangt en/of waarin de referteperiode eindigt, geacht gelegen te zijn in de referteperiode.]1
[2 § 5. Voor de werknemer die artistieke activiteiten heeft verricht die vergoed zijn met een taakloon, wordt :
het taakloon dat werd toegekend voor een artistieke activiteit, geacht op gelijke wijze elke kalenderdag van de periode van de arbeidsrelatie overeenkomstig de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, te dekken;
een berekening van het aantal dagen van werkhervatting op kwartaalbasis gemaakt in functie van het taakloon dat overeenkomstig 1° gelegen is in elk kwartaal;
slechts rekening gehouden met het gedeelte van het taakloon dat overeenkomstig 1° gelegen is in de referteperiode.]2

Art. 71. § 1. [1 Pour l'application de l'article 116, § 1er, de l'arrêté royal, est prise en compte comme période de reprise de travail, toute période ininterrompue qui est totalement constituée par :]1
des journées de travail visées à l'article 37 de l'arreté royal;
[3 des journées assimilées visées à l'article 38 de l'arrêté royal à l'exception :
a) des journées de chômage complet;
b) des journées qui ont donné lieu au paiement d'une indemnité en application de la législation relative à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, pour lesquelles aucune rémunération et aucune indemnité de maternité, ni indemnité de paternité ou indemnité de congé d'adoption n'a été payée;
c) de la période pour laquelle une allocation de transition, prévue dans la réglementation aux pensions a été reçue.]3

[1 ...]1
[1 ...]1
[1 Une période peut seulement être prise en considération comme une période de reprise de travail au sens [2 de l'article 116, §1er [4 ...]4]2 , de l'arrêté royal, si elle est située après le moment où a débuté la première phase de la première période d'indemnisation visée à l'article 114 de l'arrêté royal la plus récente.]1
[1 ...]1
§ 2. [1 Pour l'application de l'article 116, § 2, de l'arrêté royal, est considérèe comme une journée d'interruption de l'occupation, une journée qui n'est pas visée au § 1er, alinéa1er, 1° ou 2°.]1
[3 Une période qui a donné lieu à la perception d'une allocation de transition prévue dans la réglementation aux pensions, n'est pas considérée comme une interruption, pour autant que cette période coïncide avec des journées, visées au § 1er, alinéa 1er, 1° ou 2°.]3
§ 3. [1 Pour l'application de l'article 116, § 3, de l'arrêté royal, il faut entendre par journée de travail, les journées visées au § 1er, alinéa 1er, 1°, comme travailleur occupé dans l'industrie hôtelière et il faut entendre comme journée assimilée, les journées visées au § 1er, alinéa 1er, 2°, situées dans une période couverte par un contrat de travail comme travailleur occupé dans l'industrie hôtelière.]1
[1 § 4. Lorsque les données de salaire et de temps du travail sont communiquées par trimestre de manière globale au service compétent pour la perception des cotisations de sécurité sociale, et que les prestations de travail et le salaire correspondant ne peuvent pas être situés dans un trimestre, les prestations de travail et le salaire correspondant qui sont situés dans le trimestre pendant lequel la période de référence prend cours et/ou pendant lequel la période de référence prend fin, sont censés être situés dans la période de référence.]1
[2 § 5. Pour le travailleur qui a effectué des activités artistiques rémunérées par une rémunération à la tâche :
la rémunération à la tâche qui rémunère l'activité artistique est considérée couvrir de manière égale chaque jour calendrier de toute la période de la relation de travail qui correspond à la déclaration immédiate de l'emploi;
un calcul du nombre de jours de reprise de travail est effectué sur base trimestrielle en fonction de la rémunération à la tâche qui conformément au 1° est située dans chaque trimestre;
il est uniquement tenu compte de la partie de la rémunération à la tâche qui conformément au 1° est située dans la période de référence.]2

Afdeling V. - Het begrip gemiddeld dagloon voor de minder-valide werknemer. (opgeheven)
Section V. Notion de rémunération journalière moyenne pour le travailleur handicapé. (abrogée)
Art. 72. (opgeheven)
Art. 72. (abrogé)
Art. 73. (opgeheven)
Art. 73. (abrogé)
Afdeling VI. - Voorwaarden en modaliteiten waaronder bepaalde categorieën van werknemers van een anciënniteitstoeslag kunnen genieten. (Opgeheven)
Section VI. Conditions et modalités selon lesquelles certaines catégories de travailleurs peuvent bénéficier d'un complément d'ancienneté. (Abrogée)
Art. 74. (Opgeheven)
Art. 74. (Abrogé)
Art. 75. (Opgeheven)
Art. 75. (Abrogé)
HOOFDSTUK XIVbis. - Bepalingen ter uitvoering van artikel 131bis van het koninklijk besluit betreffende de berekening van de inkomensgarantie-uitkering.
CHAPITRE XIVbis. - Dispositions prises en exécution de l'article 131bis de l'arrêté royal et relatives au calcul de l'allocation de garantie de revenu.
Art. 75bis. <INGEVOEGD bij MB 1993-05-27/30, art. 8, 013; Inwerkingtreding : 01-06-1993> Voor de toepassing van artikel 131bis van het koninklijk besluit wordt verstaan onder referte-uitkering, het bedrag bekomen door vermenigvuldiging met zesentwintig van de daguitkering die in geval van volledige werkloosheid van toepassing is de eerste vergoedbare dag van de beschouwde maand.
[1 Voor de toepassing van het eerste lid wordt, gedurende de eerste twaalf maanden van werkloosheid vastgesteld overeenkomstig de artikelen 114 en 116 van het koninklijk besluit, het bedrag van de daguitkering slechts in aanmerking genomen ten belope van een percentage gelijk aan 100, verminderd met het percentage inzake bedrijfsvoorheffing dat krachtens de fiscale wetgeving geldt voor werkloosheidsuitkeringen, wanneer de aanvrager een samenwonende werknemer is in de zin van artikel 110, § 3, van het koninklijk besluit.]1
(Lid 3 opgeheven)
[2 Voor de toepassing van het eerste lid wordt, in het geval bedoeld in artikel 104, § 1bis van het koninklijk besluit als "daguitkering" verstaan het bedrag dat bekomen wordt door de toepassing van de formule "(halve daguitkering/6) x het aantal halve uitkeringen voorzien in het wekelijks uitkeringsstelsel bedoeld in artikel 103 van het koninklijk besluit". Het aldus bekomen bedrag wordt afgerond tot de hogere of lagere cent naargelang het gedeelte van een cent al dan niet 0,5 bereikt.]2
Art. 75bis. Pour l'application de l'article 131bis de l'arrêté royal, il faut entendre par allocation de référence, le montant obtenu en multipliant l'allocation journalière qui, en cas de chômage complet, serait applicable le premier jour indemnisable du mois considéré, par vingt-six.
[1 Pour l'application de l'alinéa 1er, pendant les douze premiers mois de chômage fixés conformément aux articles 114 et 116 de l'arrêté royal, le montant de l'allocation journalière n'est pris en compte qu'à concurrence d'un pourcentage égal à 100, diminué du pourcentage du précompte professionnel qui, en vertu de la législation fiscale, est applicable aux allocations de chômage, lorsque le demandeur est un travailleur cohabitant au sens de l'article 110, § 3, de l'arrêté royal.]1
(Alinéa 3 abrogé)
[2 Pour l'application de l'alinéa 1er, dans le cas visé à l'article 104, § 1erbis, est entendu comme "montant journalier" le montant qui est obtenu par l'application de la formule "(demi-allocation/6) x le nombre de demi-allocations prévu dans le regime d'allocations hebdomadaire visé à l'article 103 de l'arrêté royal". L'arrondissement du résultat se fait soit au cent supérieur, soit au cent inférieur selon que la fraction d'un cent atteint ou n'atteint pas 0,5.]2
Art. 75ter. <INGEVOEGD bij MB 1993-05-27/30, art. 8, 013; Inwerkingtreding : 01-06-1993> Voor de toepassing van artikel 131bis van het koninklijk besluit wordt verstaan onder netto-loon het bedrag bekomen door het brutoloon te verminderen met sociale zekerheidsbijdragen ten belope van 13,07 pct en met bedrijfsvoorheffing. Het bedrag van de bedrijfsvoorheffing wordt bekomen door toepassing van schaal II voorzien in bijlage III van (het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen), indien de werknemer de hoedanigheid heeft van werknemer met gezinscast in de zin van artikel 110 van het koninklijk besluit en door toepassing van schaal I voor de andere werknemers, zonder de verminderingen wegens gezinscast in rekening te brengen.
Het brutoloon bedoeld in het vorige lid omvat inzonderheid :
a) het gewaarborgd loon in geval van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens arbeidsongeschiktheid;
b) indien het een bediende betreft die afwezig is wegens jaarlijkse vakantie, het loon dat hij normaal verdiend zou hebben mocht hij aanwezig zijn;
Het brutoloon bedoeld in het eerste lid omvat niet :
a) voor de arbeider, het vakantiegeld en voor de bediende het dubbel vakantiegeld;
b) de eindejaarspremie;
c) (...)
Indien het een arbeider betreft die afwezig is wegens jaarlijkse vakantie wordt het bruto-loon, bekomen in toepassing van de vorige leden, vermeerderd met een bedrag gelijk aan het resultaat bekomen door de vermenigvuldiging van het aantal arbeidsuren die normaal verricht zouden zijn geweest gedurende de vakantiedagen, met het uurloon.
(Bij de berekening van het in [1 artikel 131bis van het koninklijk besluit bedoelde " netto-loon "]1, wordt het overeenkomstig het eerste lid bekomen bedrag verhoogd met een bonus. Deze bonus is gelijk aan het verschil tussen een inhouding a rato van 13,07 % van het loon en het bedrag van de forfaitair berekende persoonlijke bijdrage inzake sociale zekerheid, rekening houdend met de eventueel toepasselijke vermindering geldend voor bedienden. Deze vermindering wordt berekend in functie van een theoretisch voltijds loon bekomen door toepassing van artikel 75quater, vierde lid, 1° en 2°.) <KB 2008-07-16/32, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
Art. 75ter. Pour l'application de l'article 131bis de l'arrêté royal, il faut entendre par rémunération nette, le montant obtenu en diminuant la rémunération brute de retenues de securité sociale à concurrence de 13,07 pct et d'un précompte professionnel. Le montant du précompte professionnel est obtenu en appliquant le barème II, prévu à l'annexe III (de l'arrêté royal d'exécution du Code des impôts sur les revenus), lorsque le travailleur à la qualité de travailleur avec charge de famille au sens de l'article 110 de l'arrêté royal et en appliquant le barème I pour les autres travailleurs, sans tenir compte des réductions pour charges de famille.
La rémunération brute visée à l'alinéa précédent comprend notamment :
a) la rémuneration garantie en cas de suspension de l'exécution du contrat de travail pour incapacité de travail;
b) dans le de l'employ qui est absent pour cause de vacances annuelles, la rémunération qu'il aurait normalement proméritée s'il avait été présent;
La rémunération brute visée au premier alinéa ne comprend pas :
a) pour l'ouvrier, le pecule de vacance, et pour l'employé, le double pécule de vacance;
b) la prime de fin d'année;
c) (...)
Dans le cas de l'ouvrier qui est absent pour cause de vacances annuelles, la rémunération brute obtenue en application des alinéas précédents est augmentee d'un montant égal au résultat de la multiplication du nombre normal d'heures de travail qui auraient été normalement prestés pendant les jours de vacances par la rémunération horaire.
(Pour le calcul de [1 " la rémunération nette " visée à l'article 131bis, de l'arrêté royal]1, le montant obtenu conformément à l'alinéa premier est augmenté d'un bonus. Ce bonus est égal à la différence entre une retenue à raison de 13,07 % de la rémunération et le montant de la cotisation personnelle de sécurité sociale calculée de manière forfaitaire, compte tenu de la réduction éventuellement applicable, d'application pour les employés. Cette réduction est calculée en fonction d'un salaire à temps plein théorique par l'application de l'article 75quater, alinéa 4, 1° et 2°.)
Art. 75quater. <INGEVOEGD bij MB 1993-05-27/30, art. 8, 013; Inwerkingtreding : 01-06-1993> Voor de toepassing van artikel 131bis van het koninklijk besluit, wordt de referteuitkering en de vermeerdering verminderd met één zesentwintigste voor elke dag van de beschouwde maand, met uitzondering van de zondag, behorend tot één van de volgende categorieën :
a) de dagen voorafgaand aan of volgend op de periode tijdens de welke de werknemer beschouwd wordt als deeltijdse werknemer met inkomensgarantie-uitkering;
b) (de dagen arbeidsongeschiktheid met aanvulling-voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis, de dagen afwezigheid op het werk zonder behoud van loon ingevolge arbeidsongeschiktheid of ingevolge profylactisch verlof, de dagen volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming, de dagen moederschapsrust;)
c) de dagen waarop de werknemer tijdelijk werkloos werd gesteld en voor dewelke geen loon verschuldigd is; het aantal van deze dagen wordt geacht gelijk te zijn aan het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal uren van tijdelijke werkloosheid met 6/S;
d) de (dagen afwezigheid op het werk zonder behoud van loon); het aantal van deze dagen wordt gelijk geacht te zijn aa het resultaat van de vermenigvuldiging van het aantal uren van afwezigheid met 6/Q;
e) de dagen voor dewlke, in toepassing van het koninklijk besluit, geen uitkering kan worden toegekend.
De referteuitkering en de vermeerdering worden eveneens met één zesentwintigste verminderd voor elke zondag van de beschouwde maand gedurende dewelke de werknemer een activiteit heeft uitgeoefend in de zin van artikel 45 van het koninklijk besluit, behalve indien deze activiteit uitgeoefend wordt in het kader van zijn normale deeltijdse arbeidsregeling.
([1 Het getal gelijk aan een derde van het aantal arbeidsuren in geval van voltijdse tewerkstelling naar rato van 38 uren per week, bedoeld in art. 131bis, § 2bis, van het koninklijk besluit, is gelijk aan 55.]1 Dit getal wordt vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan 26, verminderd met het aantal dagen bedoeld in het eerste lid, littera a tot e, en de noemer gelijk is aan 26.
Het bedrag van het nettoloon dat de werknemer zou ontvangen indien hij voltijds tewerkgesteld zou zijn, wordt bekomen door toepassing van de navermelde berekeningen :
(de berekening van een theoretisch uurloon door het door de werkgever vermelde theoretisch gemiddeld brutomaandloon in de betreffende tewerkstelling te delen door de factor S en door 4,3333, of door overname van het door de werkgever vermelde theoretisch gemiddeld uurloon;)
de vermenigvuldiging van bekomen bedrag met de factor S en met 4,3333;
de proportionalisering van het aldus bekomen bedrag door vermenigvuldiging met een breuk waarvan de teller gelijk is aan 26, verminderd met het aantal dagen bedoeld in het eerste lid, littera a tot e, en de noemer gelijk is aan 26.
de berekening van een fictief nettoloon door toepassing van de regelen vermeld in artikel 75ter, eerste lid;
de verhoging van het aldus bekomen bedrag met een bonus gelijk aan het verschil tussen een inhouding a rato van 13,07 % van het loon en het bedrag van de forfaitair berekende persoonlijke bijdrage inzake sociale zekerheid, rekening houdend met de eventueel toepasselijke vermindering.
In geval van meerdere tewerkstellingen wordt voor de toepassing van het vierde lid, 1°, rekening gehouden met het rekenkundig gemiddelde van de aldus berekende uurlonen.)
Art. 75quater. Pour l'application de l'article 131bis de l'arrêté royal, l'allocation de référence et la majoration sont reduites d'un vingt-sixième pour chaque jour du mois considéré, à l'exception du dimanche, appartenant à l'une des catégories suivantes :
a) les jours situés dans une période qui précède ou qui suit la période pendant laquelle le travailleur est considéré comme travailleur à temps partiel avec allocation de garantie de revenus;
b) (les jours d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis, les jours d'absence du travail sans maintien de la rémunération pour incapacité de travail ou par suite de congé prophylactique, les jours d'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité et les jours de repos de maternité;)
c) les jours où le travailleur est mis en chômage temporaire et pour lesquels aucune rémunération n'est due; le nombre de ces jours est estimé égal au résultat de la multiplication du nombre d'heures de chômage temporaire par 6/S;
d) (les jours d'absence du travail sans maintien de la rémunération); le nombre de ces jours est estimé égal au résultat de la multiplication du nombre d'heures d'absence par 6/Q;
e) les jours pour lesquels, en application de l'arrêté royal, aucune allocation ne peut être octroyée.
L'allocation de référence et la majoration sont aussi réduites d'un vingt-sixième pour chaque dimanche du moins considéré, au cours duquel le travailleur a exercé une activité au sens de l'article 45 de l'arrêté royal, sauf si cette activité est exercée dans le cadre de son régime normal de travail à temps partiel.
([1 Le nombre égal au tiers du nombre d'heures de travail en cas d'occupation à temps plein à raison de 38 heures par semaine, visé à l'art. 131bis, § 2 bis de l'arrêté royal, est égal à 55.]1 Ce nombre est multiplié par une fraction dont le numérateur est égal à 26, diminué du nombre de jours visé à l'alinéa premier, littera a à e, et dont le dénominateur est égal à 26.
Le montant de la rémunération nette que le travailleur percevrait s'il était occupé à temps plein, est obtenu par l'application des calculs suivants :
(le calcul d'un salaire horaire théorique en divisant la rémunération brute moyenne théorique par mois dans l'occupation concernée, mentionnée par l'employeur, par le facteur S et par 4,3333, ou en reprenant le salaire horaire moyen théorique mentionné par l'employeur;)
la multiplication du montant obtenu par le facteur S et par 4,3333;
la proportionnalisation du montant ainsi obtenu en multipliant par une fraction dont le numérateur est égal à 26, diminué du nombre de jours visé à l'alinéa premier, littéra a à e, et dont le dénominateur est egal à 26.
le calcul d'une rémunération nette fictive par l'application des règles mentionnées à l'article 75ter, alinéa 1er;
l'augmentation du montant ainsi obtenu par un bonus égal à la différence entre une retenue à raison de 13,07 % de la rémunération et le montant de la cotisation personnelle de sécurité sociale calculée de manière forfaitaire, compte tenu de la réduction éventuellement applicable.
En cas de plusieurs occupations, il est tenu compte, pour l'application de l'alinéa 4, 1°, de la moyenne arithmétique des salaires horaires ainsi calculés.)
HOOFDSTUK XV. - Bepalingen ter uitvoering van artikel 132 van het koninklijk besluit, betreffende de overgang van een uitbetalingsinstelling naar een ndere.
CHAPITRE XV. Dispositions prises en exécution de l'article 132 de l'arrêté royal et relatives au transfert d'un organisme de paiement à un autre.
Art. 76. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
afgevende uitbetalingsinstelling : de uitbetalingsinstelling die de werkloze wenst te verlaten;
opnemende uitbetalingsinstelling : de uitbetalingsinstelling waarbij de werkloze zich wenst in te schrijven.
Art. 76. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
l'organisme de paiement cédant : l'organisme de paiement que le chômeur souhaite quitter;
l'organisme de paiement prenant : l'organisme de paiement auprès duquel le chômeur souhaite s'inscrire.
Art. 77. De werkloze kan van uitbetalingsinstelling veranderen op voorwaarde dat hij bij de afgevende uitbetalingsinstelling geen schuld heeft voortvloeiende uit de toepassing van de werkloosheidsreglementering, gelet op de door het werkloosheidsbureau verworpen of uitgeschakelde uitgaven.
In afwijking van het vorige lid wordt de overgang van de werkloze, die een schuld heeft tegenover de afgevende uitbetalingsinstelling, toegestaan indien één van de volgende voorwaarden is vervuld :
de totale schuld van de werkloze tegenover de afgevende uitbetalingsinstelling bedraagt minder dan (24,79 EUR);
de afgevende uitbetalingsinstelling heeft de betaling van de schuld niet gevorderd van de werkloze voor de ontvangst van de aanvraag van overgang.
In afwijking van het tweede lid, 2°, kan de afgevende uitbetalingsinstelling die de aanvraag om overgang ontvangt binnen de drie maanden die volgen op de betekening van de eerste of van de definitieve beslissing tot uitschakeling of verwerping van de uitgaven, zich alsnog verzetten tegen de overgang van de werkloze die tegenover haar een totale schuld van ten minste (24,79 EUR) heeft, indien zij binnen de negen kalenderdagen volgend op de ontvangst van de aanvraag bij de werkloze de betaling van de schuld vordert.
Art. 77. Le chômeur peut changer d'organisme de paiement a la condition qu'il soit, envers l'organisme de paiement cédant, libre de toute dette découlant de l'application des dispositions de la reglementation du chômage, eu égard aux dépenses rejetées ou éliminées par le bureau du chômage.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le transfert d'un chômeur ayant une dette envers l'organisme de paiement cédant est autorisé si une des conditions suivantes est remplie :
la dette totale du chômeur envers l'organisme de paiement cédant n'atteint pas (24,79 EUR);
l'organisme de paiement cédant n'a pas réclamé au chômeur l'acquittement de la dette, avant la réception de la demande de transfert.
Par dérogation à l'alinéa 2, 2°, l'organisme de paiement cédant qui reçoit la demande de transfert dans les trois mois qui suivent la notification de la première décision ou de la décision définitive d'élimination ou de rejet des dépenses, peut encore s'opposer au transfert du chômeur qui a envers lui une dette totale d'au moins (24,79 EUR), s'il réclame au chômeur l'acquittement de sa dette dans les neuf jours calendrier qui suivent la réception de la demande.
Art. 78. [1 De werkloze vraagt zijn overgang aan bij de opnemende uitbetalingsinstelling.]1
Art. 78. [1 Le chômeur demande son transfert auprès de l'organisme de paiement prenant.]1
Art. 79. [1 § 1. Binnen een termijn van zeven dagen ingaande de dag volgend op deze waarop de overgangsaanvraag van de werkloze werd ontvangen, gaat de opnemende uitbetalingsinstelling bij de afgevende uitbetalingsinstelling na of er schulden zijn ten aanzien van die uitbetalingsinstelling, zoals bedoeld in artikel 77.
Binnen een termijn van negen dagen ingaande de dag volgend op deze waarop het verzoek van de opnemende uitbetalingsinstelling werd ontvangen, laat de afgevende uitbetalingsinstelling aan de opnemende uitbetalingsinstelling weten of er schulden bestaan in de zin van artikel 77. Indien zij aan deze verplichting niet voldoet, wordt de overgang door de afgevende uitbetalingsinstelling geacht te zijn toegestaan.
Indien de overgang door de afgevende uitbetalingsinstelling wordt geweigerd, deelt de opnemende uitbetalingsinstelling de reden van de weigering schriftelijk mee aan de werkloze.
§ 2. De werkloze die de weigering van de afgevende uitbetalingsinstelling betwist, kan binnen een termijn van een maand vanaf het tijdstip waarop hij kennis heeft genomen van de reden van de weigering, de betwisting aan de directeur voorleggen door indiening van een formulier C8-Betwisting, waarvan de RVA het model vaststelt en dat als bijlage de toelichting van de redenen van de weigering bevat, zoals bedoeld in de vorige paragraaf, derde lid.
De directeur kan binnen de vijf dagen volgend op de dag van ontvangst van het formulier C8-Betwisting de afgevende uitbetalingsinstelling vragen naar de redenen van haar weigering door haar het formulier C8-Betwisting toe te sturen.
In het geval bedoeld in het vorige lid beschikt de uitbetalingsinstelling over een termijn van negen dagen volgend op de dag van ontvangst van het formulier C8-Betwisting om het volledig ingevulde formulier aan het werkloosheidsbureau terug te sturen. Voldoet zij niet aan die verplichting, dan neemt de directeur overeenkomstig de volgende leden een beslissing op basis van de informatie waarover hij beschikt.
De directeur neemt een beslissing binnen een termijn van dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het formulier C8-Betwisting en deelt zijn beslissing schriftelijk mee aan de opnemende en afgevende uitbetalingsinstelling. De opnemende uitbetalingsinstelling stelt de werkloze in kennis van de beslissing van de directeur.
Wanneer de overgang overeenkomstig de voorgaande leden wordt toegestaan, dient de opnemende uitbetalingsinstelling overeenkomstig artikel 80 bij het werkloosheidsbureau een formulier C1 "Aangifte van de persoonlijke en familiale toestand" in, met een verklaring van overgang van uitbetalingsinstelling van de werkloze. De in artikel 80, 2de lid gevraagde bijlage is niet vereist.
In afwijking van artikel 81 heeft de overgang in het geval bedoeld in het vorige lid uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de ontvangst door het werkloosheidsbureau van het formulier C1 ingediend door de opnemende uitbetalingsinstelling overeenkomstig het vorig lid.]1

Art. 79. [1 § 1er. Dans un délai de sept jours prenant cours le lendemain de la réception de la demande de transfert du chômeur, l'organisme de paiement prenant interroge l'organisme de paiement cédant quant à l'existence de dettes envers cet organisme telles que visées à l'article 77.
Dans un délai de neuf jours prenant court le lendemain de la réception de la requête de l'organisme de paiement prenant, l'organisme de paiement cédant informe l'organisme de paiement prenant de l'existence ou non de dettes telles que visées à l'article 77. S'il ne satisfait pas à cette obligation, le transfert est réputé accordé par l'organisme de paiement cédant.
Lorsque le transfert est refusé par l'organisme de paiement cédant, l'organisme de paiement prenant informe par écrit le chômeur du motif de ce refus.
§ 2. Le chômeur qui conteste le refus de l'organisme de paiement cédant peut, dans un délai d'un mois prenant cours au moment où il a connaissance du motif de ce refus, soumettre le litige au directeur en introduisant un formulaire C8-Litige dont le modèle est déterminé par l'Office, auquel est annexée l'information relative aux motifs du refus, telle que visée au paragraphe précédent, alinéa 3.
Le directeur peut, dans les cinq jours prenant cours le lendemain de la réception du formulaire C8-Litige, interroger l'organisme de paiement cédant quant aux motifs de son refus en lui transmettant le formulaire C8-Litige.
Dans le cas visé à l'alinéa précédent, l'organisme de paiement cédant dispose d'un délai de neuf jours prenant cours le lendemain de la réception du formulaire C8-Litige pour renvoyer ce formulaire dûment complété au bureau du chômage. S'il ne satisfait pas à cette obligation, le directeur statue, conformément aux alinéas suivants, sur la base des informations en sa possession.
Le directeur statue dans un délai de trente jours prenant cours le lendemain de la réception du formulaire C8-Litige et communique sa décision par écrit aux organismes de paiement cédant et prenant. L'organisme de paiement prenant informe le chômeur de la décision prise par le directeur.
Lorsque le transfert est accordé conformément aux alinéas précédents, l'organisme de paiement prenant introduit auprès du bureau du chômage, conformément à l'article 80, un formulaire de " déclaration de la situation personnelle et familiale " C1 contenant déclaration du chômeur du transfert d'organisme de paiement. L'annexe exigée à l'article 80, alinéa 2, n'est pas requise.
Par dérogation à l'article 81, dans le cas visé à l'alinéa précédent, le transfert prend effet au premier jour du mois qui suit la réception par le bureau du chômage du formulaire C1 introduit par l'organisme de paiement prenant conformément à l'alinéa précédent.]1

Art. 80. [1 De opnemende uitbetalingsinstelling dient bij het werkloosheidsbureau een formulier C1 "aangifte van de persoonlijke en familiale toestand" in met de verklaring van de werkloze dat hij van uitbetalingsinstelling verandert :
indien de overgang aangevraagd werd ter gelegenheid van een uitkeringsaanvraag, binnen de termijn gesteld in artikel 92, § 2;
indien de overgang aangevraagd werd door een uitkeringsgenietende werkloze, uiterlijk de laatste dag van de maand voorafgaand aan die waarvoor de overgang aangevraagd werd;
indien de overgang aangevraagd werd door een deeltijdse werknemer met behoud van rechten, uiterlijk de laatste dag van de maand voorafgaand aan die waarvoor de overgang aangevraagd werd;
indien de overgang aangevraagd werd door een tijdelijk werkloze, buiten de hypothese vermeld in 1°, binnen de termijn gesteld in artikel 92, § 2, eerste lid, 2°.
De opnemende uitbetalingsinstelling voegt bij de aanvraag waarvan sprake in het eerste lid een elektronisch attest. Dit attest bevestigt dat de overgang werd toegekend volgens de procedure voorzien in artikel 79 en dat de afgevende uitbetalingsinstelling geen betalingen meer heeft uitgevoerd voor een periode gelegen vanaf de ingangsdatum van de overgang.]1

Art. 80. [1 L'organisme de paiement prenant introduit auprès du bureau du chômage un formulaire de " déclaration de la situation personnelle et familiale " C1 contenant déclaration du chômeur du transfert d'organisme de paiement :
si le transfert a été demandé à l'occasion d'une demande d'allocations, dans le délai prévu par l'article 92, § 2;
si le transfert a été demandé par un chômeur indemnisé, au plus tard le dernier jour du mois précédant celui pour lequel le transfert a été demandé;
si le transfert a été demandé par un travailleur à temps partiel avec maintien des droits, au plus tard le dernier jour du mois précédant celui pour lequel le transfert a été demandé;
si le transfert a été demandé par un chômeur temporaire, hormis dans l'hypothèse visée au 1°, dans le délai prévu à l'article 92, § 2, alinéa 1er, 2°.
L'organisme de paiement prenant joint à la demande visée au premier alinéa une attestation électronique de laquelle il ressort que le transfert a été accordé conformément à la procédure prévue à l'article 79 et que l'organisme de paiement cédant n'a pas effectué de paiement pour une période située après la date de prise d'effet du transfert.]1

Art. 81. § 1. [1 Om uitwerking te hebben, moet de overgang, die eerst volgens de procedure voorzien in artikel 79 werd aanvaard, bij het werkloosheidsbureau worden aangegeven in overeenstemming met artikel 80.]1
Een overgang heeft uitwerking :
de dag die vermeld staat op de uitkeringsaanvraag, indien de overgang wordt aangevraagd ter gelegenheid van de eerste werkloosheidsdag van de maand;
(de eerste dag van de maand volgend op die waarin de overgang gevraagd wordt, indien de overgang niet wordt aangevraagd ter gelegenheid van de eerste werkloosheidsdag van de maand of indien ze wordt aangevraagd door een uitkeringsgerechtigde werkloze, (...) of een deeltijdse werknemer met behoud van rechten.
[1 Indien de aangifte van de overgang bij het werkloosheidsbureau wordt ingediend buiten de in artikel 80 gestelde termijn, gaat de overgang pas in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de aangifte van de overgang door het werkloosheidsbureau ontvangen werd.]1
§ 2. In afwijking van § 1 heeft de overgang in het geval bedoeld in artikel [1 80, eerste lid, 4°]1, uitwerking de eerste dag van de maand waarvoor de overgang gevraagd wordt.
Indien de afgevende uitbetalingsinstelling evenwel uitkeringen heeft betaald voor een periode volgend op deze dag, heeft de overgang slechts uitwerking de eerste dag van de maand volgend op de laatst betaalde maand.
Art. 81. § 1. [1 Pour produire ses effets, le transfert, préalablement accepté conformément à la procédure prévue à l'article 79, doit être déclaré au bureau du chômage conformément à l'article 80.]1
Un transfert produit ses effets :
au jour mentionné sur la demande d'allocations, lorsque le transfert est demandé le premier jour de chomage du mois;
(le premier jour du mois suivant celui au cours duquel le transfert est demandé, lorsque le transfert n'est pas demandé le premier jour de chômage du mois ou lorsqu'il est demandé par un chômeur indemnisé, (...) un travailleur à temps partiel avec maintien des droits.)
[1 Si la déclaration du transfert est introduite au bureau du chômage en dehors du délai fixé par l'article 80, le transfert ne prend effet qu'à partir du premier jour du mois suivant celui au cours duquel la déclaration du transfert a été reçue au bureau du chômage.]1
§ 2. Par dérogation au § 1er, le transfert produit ses effets, dans le cas visé à l'article [1 80, alinéa 1er, 4°]1, le 1er jour du mois au cours duquel le transfert est demandé.
Si l'organisme de paiement cédant a néanmoins payé des allocations pour une période postérieure à ce jour, le transfert ne produit ses effets que le premier jour du mois suivant le dernier mois payé.
Art. 82. [1 Het werkloosheidsbureau bevestigt de overgang aan de afgevende en opnemende uitbetalingsinstelling]1 door middel van de uitkeringskaart bedoeld in artikel 146 van het koninklijk besluit.
De uitkeringskaarten moeten naar de uitbetalingsinstellingen verzonden worden binnen de in artikel 145 van het koninklijk besluit bedoelde termijn.
[1 ...]1
Art. 82. [1 Le bureau du chômage confirme le transfert aux]1 organismes de paiement cédant et prenant au moyen de la carte d'allocations visée à l'article 146 de l'arrêté royal.
Les cartes d'allocations doivent être envoyées aux organismes de paiement dans le délai fixé par l'article 145 de l'arrêté royal.
[1 ...]1
HOOFDSTUK XVI. - Bepalingen ter uitvoering van artikel 137 van het koninklijk besluit, betreffende het gebruik van het " bewijs van tijdelijke werkloosheid ".
CHAPITRE XVI. Dispositions prises en exécution de l'article 137 de l'arrêté royal et relatives à l'utilisation du " certificat de chômage temporaire ".
Art. 83.
Art. 83.
Art. 84.
Art. 84.
Art. 85.
Art. 85.
Art. 86.
Art. 86.
Art. 86bis.
Art. 86bis.
HOOFDSTUK XVII. - Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 138, 142 en 147 van het koninklijk besluit, betreffende de uitkeringsaanvraag, de aangifte van een wijzigende gebeurtenis, de bevoegde directeur en de datum vanaf dewelke het recht op uitkeringen wordt toegekend.
CHAPITRE XVII. Dispositions prises en exécution des articles 138, 142 et 147 de l'arrêté royal et relatives à la demande d'allocations, la déclaration d'un événement modificatif, le directeur compétent et la date à partir de laquelle le droit aux allocations est accordé.
Art. 87. De werkloze dient zijn uitkeringsaanvraag in bij zijn uitbetalingsinstelling door middel van één van navermelde formulieren :
het " werkloosheidsbewijs - arbeidsbewijs " C 4, dat de werkgever overhandigt aan de werknemer wiens arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen;
[3 het "werkloosheidsbewijs voor de inactiviteitsuren" C131A-Werknemer vervolledigd met het formulier C131A-Werkgever, in de hypothese vermeld in artikel 133, § 1, 3°, a) van het koninklijk besluit;]3
(het formulier "aanvraag om uitkeringen tijdelijke werkloosheid" C 3.2-Werknemer, vervolledigd met het tweede exemplaar van het "bewijs van tijdelijke werkloosheid" C 3.2-Werkgever, in de hypotheses vermeld in artikel 133, § 1, 4° [5 ...]5, van het koninklijk besluit;)
(opgeheven)
[2 de "persoonlijke werkloosheidsverklaring" C 109, alsmede een "bewijs van aanvang van een tewerkstelling met activeringsuitkeringen bedoeld in artikel 137, § 1, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit;]2
de " verklaring van lichamelijke geschiktheid " C 6, die door de verzekeringsinstelling wordt ingevuld voor de uitkeringsgenietende werkloze die arbeidsongeschikt was en opnieuw arbeidsgeschikt verklaard wordt of zichzelf arbeidsgeschikt verklaart;
(7° het "bewijs van jeugdvakantie" C 103 Jeugdvakantie-Werknemer, vervolledigd met het formulier C 103 Jeugdvakantie-Werkgever, in de hypothese vermeld in artikel 133, § 1, 9° van het koninklijk besluit;)
(7°bis. het "bewijs van seniorvakantie" C 103 seniorvakantiewerknemer, vervolledigd met het formulier C 103 seniorvakantiewerkgever, in de hypothese vermeld in artikel 133, § 1, 9°bis van het koninklijk besluit;)
(8° de "persoonlijke werkloosheidsverklaring" C 109, afgelegd door de werkloze die :
a) voorafgaand aan zijn uitkeringsaanvraag niet was tewerkgesteld als loontrekkende;
b) de formulieren bedoeld in de voorgaande nummers niet of niet tijdig kan bekomen (omdat de gegevens in toepassing van artikel 138bis of krachtens artikel 11 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een kruispuntbank van de sociale zekerheid door middel van een elektronische techniek werden overgemaakt;)
c) verhuist en de gemeente van de nieuwe (hoofdverblijfplaats) onder een ander werkloosheidsbureau ressorteert;
d) [1 een aanvraag om overbruggings- of inschakelingsuitkeringen indient;]1)
(e) de formulieren bedoeld in de voorgaande nummers niet of niet tijdig kan bekomen om een andere reden dan vermeld in b).)
[4 De indiening van de in het vorige lid bedoelde formulieren is niet vereist indien de verklaringen die deze formulieren dienen te bevatten in toepassing van artikel 138bis door middel van een elektronische techniek worden overgemaakt.]4
[6 Wanneer de werknemer bedoeld in artikel 1, 20°, een formulier indient bedoeld in het eerste lid overeenkomstig artikel 133, § 1, 16°, van het koninklijk besluit, voegt hij bij zijn uitkeringsaanvraag het formulier: "Uitkeringsaanvraag en persoonlijke aangifte van de kunstwerker" waarvan de Rijksdienst het model en de inhoud opstelt na advies van het beheerscomité.]6
Art. 87. Le chômeur introduit sa demande d'allocations auprès de son organisme de paiement au moyen d'un des formulaires suivant :
le " certificat de chômage - certificat de travail " C 4, remis par l'employeur au travailleur dont le contrat de travail a pris fin;
[3 le "certificat de chômage pour les heures habituelles d'inactivité" C 131A-Travailleur, complété par le formulaire C 131A-Employeur, dans l'hypothèse mentionnée à l'article 133, § 1er, 3°, a) de l'arrêté royal;]3
(le formulaire "demande d'allocations de chômage temporaire" C 3.2-Travailleur, complété par le deuxième exemplaire du "certificat de chômage temporaire" C 3.2-Employeur, dans les hypothèses mentionnées à l'article 133, § 1er, 4° [5 ...]5, de l'arrêté royal;)
(abrogé)
[2 la " déclaration personnelle de chômage " C 109, ainsi qu'un " certificat de début d'une occupation avec allocations d'activation " visé à l'article 137, § 1er, alinéa 1er, 4°, de l'arrêté royal;]2
la " déclaration d'aptitude physique " C 6 complétée par l'organisme assureur pour le chômeur indemnisé qui était inapte au travail et qui à nouveau est déclaré ou se déclare apte au travail;
(7° le "certificat de vacances jeunes" C 103 vacances jeunes-travailleur, complété par le formulaire C 103 vacances jeunes-employeur, dans l'hypothèse mentionnée à l'article 133, § 1er, 9° de l'arrêté royal;)
(7°bis. le "certificat de vacances seniors" C 103 vacances seniors-travailleur, complété par le formulaire C 103 vacances seniors-employeur, dans l'hypothèse mentionnée à l'article 133, § 1er, 9°bis de l'arrêté royal;)
(8° la "déclaration personnelle de chômage" C 109, souscrite par le chômeur qui :
a) préalablement à sa demande d'allocations, n'a pas été occupé en tant que salarié;
b) ne peut obtenir ou ne peut obtenir en temps requis les formulaires visés aux numéros précédents (parce que les données ont été transmises à l'aide d'un procédé électronique, en exécution de l'article 138bis ou en vertu de l'article 11 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale);
c) déménage lorsque la commune de la nouvelle (résidence principale) relève du ressort d'un autre bureau du chômage;
d) [1 d) introduit une demande d'allocations de transition ou d'insertion;]1)
(e) ne peut pas obtenir ou ne peut pas obtenir dans les délais les formulaires visés aux numeros précédents pour une autre raison que celle mentionnée sous b);)
[4 L'introduction des formulaires visés à l'alinéa précédent n'est pas requise lorsque les déclarations que ces formulaires doivent contenir sont, en application de l'article 138bis, transmises au moyen d'une technique électronique.]4
[6 Lorsque le travailleur visé à l'article 1er, 20°, introduit un formulaire visé à l'alinéa 1er en application de l'article 133, § 1er, 16°, de l'arrêté royal, il joint à sa demande d'allocations le formulaire "Demande d'allocations et déclaration personnelle du travailleur des arts" dont le modèle et le contenu sont établis par l'Office après avis du Comité de gestion.]6
Art. 88. (opgeheven)
Art. 88. (abrogé)
Art. 89. Voor de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, 1° en 3°, van het koninklijk besluit en voor de andere havenarbeiders wordt de uitkeringsaanvraag ingediend door middel van het strookje van hun loonboek of het document dat dit strookje vervangt.
[1 Voor de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, 1°, van het koninklijk besluit wordt de prestatiestaat bedoeld in artikel 137, § 1, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit beschouwd als document dat het strookje van hun loonboek vervangt.]1
Art. 89. Pour les travailleurs visés à l'article 28, § 3, 1° et 3°, de l'arrête royal et pour les autres travailleurs des ports, la demande d'allocations est introduite au moyen de la souche du carnet de salaire ou du document qui en tient lieu.
[1 Pour les travailleurs visés à l'article 28, § 3, 1°, de l'arrêté royal, l'état de prestations visé à l'article 137, § 1er, alinéa 1er, 6°, de l'arrêté royal est considéré comme document remplaçant la souche de leur carnet de salaire.]1
Art. 89bis. <INGEVOEGD bij MB 1995-03-15/35, art. 2, Inwerkingtreding : 01-04-1995> Voor de erkende zeevisser bedoeld in artikel 28, § 3, 4° van het koninklijk besluit, wordt de uitkeringsaanvraag ingediend door middel van de controlekaart "C 3 - zeevisser".
Bij zijn eerste uitkeringsaanvraag na zijn erkenning en bij elke verlenging van deze erkenning moet de in het eerste lid bedoelde werknemer het bewijs van erkenning, afgeleverd door het paritair comité van de zeevisserij, toevoegen bij zijn uitkeringsaanvraag.
Art. 89bis. Pour le pêcheur de mer reconnu, visé à l'article 28, § 3, 4° de l'arrêté royal, la demande d'allocations est introduite au moyen de la carte de contrôle "C 3 - pêcheur de mer".
Le travailleur visé a l'alinéa précédent est tenu de joindre à sa demande d'allocations, une preuve de la reconnaissance, délivrée par la Commission paritaire de la pêche maritime, lors de la première demande d'allocations postérieure à sa reconnaissance. ainsi qu'après chaque prolongation de cette reconnaissance.
Art. 90. Om volledig te zijn moet het dossier alle stukken bevatten die dienstig zijn om over het recht op uitkeringen te beslissen en het bedrag ervan te bepalen.
Het dossier moet inzonderheid een " werkloosheidsbewijs - arbeidsbewijs " C 4 bevatten wanneer de werkloze :
een uitkeringsaanvraag heeft ingediend door middel van een " persoonlijke werkloosheidsverklaring " C 109, omdat hij niet tijdig het formulier C 4 kan verkrijgen;
het bewijs moet leveren van een arbeidsperiode als loontrekkende.
Het dossier moet inzonderheid een " verklaring van lichamelijke geschiktheid " C 6 bevatten wanneer de werkloze :
een uitkeringsaanvraag heeft ingediend door middel van een " persoonlijke werkloosheidsverklaring " C 109, omdat hij niet tijdig het formulier C 6 kon verkrijgen;
het bewijs moet leveren van een periode van arbeidsongeschiktheid tijdens dewelke hij vergoed werd door zijn verzekeringsinstelling;
als werknemer arbeidsongeschikt werd en arbeidsgeschikt verklaard wordt of zichzelf arbeidsgeschikt verklaart ter gelegenheid van de indiening van een uitkeringsaanvraag.
Het dossier moet inzonderheid een " wijzigingsaangifte " C 8 bevatten wanneer de werkloze aangifte doet van een wijzigende gebeurtenis die niet meegdeeld kan worden door middel van de " aangifte van de persoonlijke en familiale toestand " C 1.
(Het dossier moet inzonderheid een " aangifte van de huisarbeider " bevatten wanneer de huisarbeider die een stuk- of een taakloon ontvangt :
voor het eerst uitkeringen wenst te bekomen;
overeenkomstig het koninklijk besluit een " aangifte van de persoonlijke en familiale toestand " C 1 moet indienen.)
Art. 90. Pour être complet, le dossier doit contenir tous les documents qui sont nécessaires pour statuer sur le droit aux allocations et pour fixer le montant de celles-ci.
Le dossier doit notamment contenir un " certificat de chômage - certificat de travail " C 4 lorsque le chômeur :
a introduit une demande d'allocations au moyen d'une " déclaration personnelle de chômage " C 109 parce qu'il n'a pu obtenir le formulaire C 4 en temps requis;
doit justifier une période de travail en tant que salarié.
Le dossier doit notamment contenir une " déclaration d'aptitude physique " C 6 lorsque le chomeur :
a introduit une demande d'allocations au moyen d'une " déclaration personnelle de chômage " C 109 parce qu'il n'a pu obtenir le formulaire C 6 en temps requis;
doit justifier une période d'incapacité de travail au cours de laquelle il a été indemnisé par son organisme assureur;
en tant que travailleur, était incapable de travailler et est déclaré ou se déclare lui-même apte au travail à l'occasion de l'introduction d'une demande d'allocations.
Le dossier doit notamment contenir une " déclaration d'un événement modificatif " C 8 lorsque le chômeur déclare un événement modificatif qui ne peut être communique au moyen de la " declaration de la situation personnelle et familiale " C 1.
(Le dossier doit notamment contenir une " déclaration de travailleur à domicile " lorsque le travailleur à domicile qui reçoit un salaire à la piece ou à la tâche :
désire bénéficier d'allocations pour la première fois;
doit, conformément à l'arrêté royal, introduire une " déclaration de la situation personnelle et familiale " C 1.)
Art. 91. Voor de toepassing van artikel 133, § 1, 2°, van het koninklijk besluit moet verstaan worden onder onderbreking van het genot van de uitkeringen een niet vergoede periode van 28 opeenvolgende kalenderdagen.
Art. 91. Pour l'application de l'article 133, § 1er, 2°, de l'arrêté royal, il faut entendre par interruption dans le bénéfice des allocations, une période non indemnisé de 28 jours civils consécutifs.
Art. 92. § 1. De uitbetalingsinstelling dient het dossier in bij het bevoegde werkloosheidsbureau, na op alle stukken een stempel te hebben aangebracht, vermeldende de datum waarop zij ze ontvangen heeft.
[1 In afwijking van het eerste lid, houdt de uitbetalingsinstelling de datum waarop zij stukken die zij door middel van een elektronische techniek ontvangt, op elektronische wijze bij en dient zij deze stukken door middel van elektronische gegevensbestanden in bij het hoofdbestuur van de Rijksdienst, dat deze bestanden overmaakt aan het bevoegde werkloosheidsbureau.
In het geval bedoeld in het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit besluit het hoofdbestuur van de Rijksdienst gelijkgesteld met het bevoegde werkloosheidsbureau.]1

§ 2. Indien het een uitkeringsaanvraag betreft, dan moet het dossier toekomen op het werkloosheidsbureau binnen een termijn van twee maanden ingaande :
in geval van volledige werkloosheid, de dag volgend op de eerste dag waarvoor de uitkeringen worden aangevraagd;
in geval van tijdelijke werkloosheid, de eerste dag van de maand volgend op deze waarvoor de uitkeringen worden aangevraagd.
(In afwijking van het eerste lid, 2°, moet het dossier slechts toekomen binnen de termijn van drie jaar ingaande de eerste dag van de maand volgend op deze waarvoor de uitkeringen worden aangevraagd, indien het een aanvraag betreft bedoeld in artikel 133, § 1, 4°, [3 b) of]3 d), van het koninklijk besluit.)
[2 In afwijking van het eerste lid, 2°, moet het dossier slechts toekomen binnen een termijn van zes maanden, ingaande de eerste dag van de maand volgend op deze waarvoor de uitkeringen worden aangevraagd, indien het een aanvraag betreft door een werknemer wiens werkloosheid het rechtstreekse of onrechtstreekse gevolg is van een staking of een lock-out.]2
[2 Voor de werknemer bedoeld in artikel 78ter van het koninklijk besluit die de integratie-uitkering vraagt, moet het dossier toekomen op het werkloosheidsbureau voor het einde van de tewerkstelling in een doorstromingsprogramma.]2
§ 3. Indien het een wijzigende gebeurtenis betreft die zich voordeed gedurende de werkloosheid dan moet het dossier toekomen op het werkloosheidsbureau uiterlijk de laatste dag van de kalendermaand volgend op deze tijdens dewelke de wijzigende gebeurtenis zich heeft voorgedaan.
Nochtans mag, indien de wijzigende gebeurtenis plaatsvindt vooraleer een uitkeringsaanvraag toegekomen is op het werkloosheidsbureau, de aangifte van deze gebeurtenis ook ingediend worden samen met uitkeringsaanvraag binnen de termijn voorzien in § 2.
(§ 4. Wanneer de uitbetalingsinstelling bij de indiening bedoeld in de vorige paragrafen vaststelt dat er ingevolge blijvende onmogelijkheid geen volledig dossier zal kunnen ingediend worden, deelt zij dit aan het werkloosheidsbureau mee, vergezeld van het bewijs van de redenen van de blijvende onmogelijkheid.
Wanneer de directeur erkent dat het blijvend onmogelijk is het dossier te vervolledigen, beslist hij over het recht op uitkeringen nadat hij de nodige onderzoekingen heeft laten verrichten; het dossier wordt voor de toepassing van de artikelen 95 of 96 beschouwd als volledig. Wanneer de directeur de blijvende onmogelijkheid niet erkent, wordt de procedure voorzien in artikel 93, § 2, toegepast.
De uitbetalingsinstelling licht de werkloze in omtrent de vraag de onmogelijkheid te erkennen en, desgevallend, omtrent de niet aanvaarding.)
(§ 5. Wanneer de uitbetalingsinstelling vaststelt dat zij geen volledig dossier zal kunnen indienen binnen de termijn bedoeld in § 2, eerste lid, of § 3, kan zij het werkloosheidsbureau binnen deze termijn in kennis stellen van de identiteit van de werknemer en de datum vanaf dewelke uitkeringen worden aangevraagd. De voormelde indieningstermijn wordt in dat geval met één maand verlengd.)
Art. 92. § 1er. L'organisme de paiement introduit le dossier auprès du bureau du chômage compétent apres avoir apposé sur tous les documents un cachet indiquant la date à laquelle il les a recus.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, l'organisme de paiement tient à jour électroniquement la date à laquelle il reçoit des pièces au moyen d'un procédé électronique, et il introduit ces pièces par le biais de fichiers de données électroniques auprès de l'Administration centrale de l'Office, qui transmet ces fichiers au bureau du chômage compétent.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, l'Administration centrale de l'Office est assimilée au bureau du chômage compétent pour l'application du présent arrêté.]1

§ 2. S'il s'agit d'une demande d'allocations, le dossier doit parvenir au bureau du chômage dans un délai de deux mois prenant cours :
en cas de chômage complet, le jour suivant le premier jour pour lequel les allocations sont demandées;
en cas de chômage temporaire, le premier jour du mois qui suit celui pour lequel les allocations sont demandées.
(Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, le dossier ne doit parvenir que dans le délai de trois ans à partir du 1er jour du mois qui suit celui pour lequel les allocations sont demandées s'il s'agit d'une demande visée à l'article 133, § 1er, 4°, [3 b) ou]3 d) de l'arrête royal.)
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, le dossier doit seulement parvenir dans un délai de six mois, prenant cours le premier jour du mois qui suit celui pour lequel les allocations sont demandées, s'il s'agit d'une demande effectuée par un travailleur dont le chômage est la conséquence directe ou indirecte d'une grève ou d'un lock-out.]2
[2 Pour le travailleur visé à l'article 78ter de l'arrêté royal qui sollicite l'allocation d'intégration, le dossier doit parvenir au bureau du chômage avant la fin de l'occupation dans un programme de transition professionnelle.]2
§ 3. S'il s'agit d'un événement modificatif survenu en cours de chômage, le dossier doit parvenir au bureau du chômage au plus tard le dernier jour du mois civil qui suit celui au cours duquel l'événement modificatif est survenu.
Toutefois, si l'événement modificatif survient avant qu'une demande d'allocations ne soit parvenue au bureau du chômage, la déclaration de cet événement peut également être introduite en même temps que la demande d'allocations, dans le délai visé au § 2.
(§ 4. Lorsque l'organisme de paiement constate, lors de l'introduction visée aux paragraphes précédents, qu'en raison d'une impossibilité permanente un dossier complet ne pourra pas être introduit, il le communique au bureau du chômage, en joignant la preuve des raisons de l'impossibilite permanente.
Lorsque le directeur reconnaît l'impossibilité permanente de compléter le dossier, il décide du droit aux allocations, après avoir fait effectuer les recherches nécessaires; le dossier est considére comme complet pour l'application des articles 95 ou 96. Lorsque le directeur ne reconnaît pas l'impossibilité permanente, la procédure prevue a l'article 93, § 2, est appliquée.
L'organisme de paiement informe le chômeur sur la demande de reconnaissance de l'impossibilité et, le cas échéant, sur le refus.)
(§ 5. Lorsque l'organisme de paiement constate qu'il ne pourra pas introduire un dossier complet dans le délai visé au § 2, alinéa 1er, ou au § 3, il peut, dans ce délai, informer le bureau du chômage de l'identité du travailleur et de la date à partir de laquelle les allocations sont demandées. Dans ce cas, le délai d'introduction précité est prolongé d'un mois.)
Art. 93. § 1. (Het werkloosheidsbureau registreert de datum van ontvangst van alle stukken die de uitbetalingsinstelling aan dat bureau toezendt, hetzij door er een datumstempel op aan te brengen, hetzij door die datum op elektronische wijze bij te houden. In het laatste geval voegt het werkloosheidsbureau, in geval van overdracht van het dossier aan de arbeidsrechtbank, een attest toe vermeldend de betreffende data van ontvangst.)
Het gaat na of de ingediende formulieren behoorlijk werden ingevuld en of alle stukken die noodzakelijk zijn om een beslissing te treffen aangaande het recht op uitkeringen en het bedrag ervan werden ingediend.
§ 2. Indien het dossier onvolledig is, zendt het werkloosheidsbureau het dossier terug naar de uitbetalingsinstelling vergezeld van een formulier " terugzending van het dossier " C 51 vermeldend alle ontbrekende stukken en inlichtingen.
Het dossier moet behoorlijk aangevuld op het werkloosheidsbureau toekomen, vergezeld van het formulier C 51, binnen een termijn van één maand ingaand de dag volgend op deze waarop het werkloosheidsbureau het dossier terugzond.
De laatste dag van deze herindieningstermijn mag echter niet gelegen zijn vóór de laatste dag van de termijn bedoeld in artikel 92, § 2.
§ 3. Wanneer de uitbetalingsinstelling onmogelijk het dossier kan vervolledigen binnen de termijn bedoeld in § 2, zendt ze het onvolledig dossier binnen die termijn terug naar het werkloosheidsbureau vergezeld van het bewijs van de redenen van onmogelijkheid.
Wanneer de directeur erkent dat het tijdelijk onmogelijk is het dossier te vervolledigen, zendt hij het opnieuw terug naar de uitbetalingsinstelling en kent hij een bijkomende indieningstermijn van twee maanden toe, ingaande de dag volgend op deze van de terugzending.
Wanneer de directeur erkent dat het blijvend onmogelijk is het dossier te vervolledigen, beslist hij over het recht op uitkeringen nadat de nodige onderzoekingen heeft laten verrichten.
(Het laattijdig heringediende dossier dat op het werkloosheidsbureau toekomt vóór het einde van de vijfde maand volgend op de in artikel 92 vermelde indieningstermijnen, wordt als tijdig heringediend beschouwd indien de redenen van onmogelijkheid door de directeur worden erkend.
De uitbetalingsinstelling licht de werkloze in omtrent de vraag de onmogelijkheid te erkennen.)
Art. 93. § 1er. (Le bureau du chômage enregistre la date de réception de tous les documents qui lui sont transmis par l'organisme de paiement, soit en y apposant un cachet dateur, soit en conservant cette date par voie électronique. Dans ce dernier cas, le bureau du chômage ajoute, en cas de transfert du dossier au tribunal du travail, une attestation qui mentionne la date de réception concernée.)
Il vérifie si les formulaires introduits ont été dûment complétés et si tous les documents nécessaires pour statuer sur le droit aux allocations et pour fixer le montant de celles-ci ont été introduits.
§ 2. Si le dossier est incomplet, le bureau du chômage le renvoie à l'organisme de paiement, accompagné d'un formulaire " renvoi du dossier " C 51 indiquant tous les documents et renseignements manquants.
Le dossier doit parvenir dûment complété au bureau du chômage, accompagné du formulaire C 51, dans un délai d'un mois prenant cours le jour suivant celui au cours duquel le bureau du chômage a renvoyé le dossier.
Le dernier jour de ce délai de réintroduction ne peut toutefois être situé avant le dernier jour du délai visé à l'article 92, § 2.
§ 3. Lorsque l'organisme de paiement est dans l'impossibilité de compléter le dossier dans le délai visé au § 2, il renvoie le dossier incomplet dans ce délai au bureau du chômage, accompagné de la preuve de cette impossibilité.
Lorsque le directeur reconnaît qu'il est temporairement impossible de compléter le dossier, il le renvoie à nouveau à l'organisme de paiement et accorde un délai d'introduction supplémentaire de deux mois prenant cours le jour suivant celui du renvoi.
Lorsque le directeur reconnaît qu'il est définitivement impossible de compléter le dossier, il statue sur le droit aux allocations après avoir fait effectuer les enquêtes nécessaires.
(Le dossier réintroduit tardivement qui parvient au bureau du chômage avant la fin du cinquième mois qui suit les délais d'introduction mentionnés à l'article 92, est consideré comme réintroduit à temps utile, si les raisons de l'impossibilité sont reconnues par le directeur.
L'organisme de paiement informe le chômeur sur la demande de reconnaissance de l'impossibilité.)
Art. 94. De directeur in wiens ambtsgebied de werknemer laatst zijn gewone verblijfplaats had, neemt alle beslissingen over het recht op uitkeringen ten aanzien van de werknemer die geen gekende (hoofdverblijfplaats) in België meer heeft.
De directeur bevoegd voor het ambtsgebied waarin respectievelijk Moeskroen, Turnhout, Verviers of Aarlen gelegen is, neemt alle beslissingen over het recht op uitkeringen ten aanzien van de werknemer die werkzaam is in België, tijdelijk werkloos wordt gesteld en zijn (hoofdverblijfplaats) heeft, respectievelijk in Frankrijk, Nederland, de Duitse Bondsrepubliek of het Groothertogdom Luxemburg.
(De directeur in wiens ambtsgebied de haven is gelegen, neemt alle beslissingen over het recht op uitkeringen ten aanzien van de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, 1° van het koninklijk besluit.) .
(De directeur in wiens ambtsgebied Gent gelegen is, neemt alle beslissingen over het recht op uitkeringen ten aanzien van de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, 3° van het koninklijk besluit.)
(De directeur in wiens ambtsgebied Brugge gelegen is, neemt alle beslissingen over het recht op uitkeringen ten aanzien van de werknemers bedoeld artikel 28, § 3, 4° van het koninklijk besluit.)
Art. 94. Le directeur dans le ressort duquel le travailleur avait sa dernière (résidence principale) prend toutes décisions sur le droit aux allocations à l'égard du travailleur qui n'a plus de (résidence principale) connue en Belgique.
Le directeur compétent pour le ressort dans lequel se situent respectivement Mouscron, Turnhout, Verviers ou Arlon prend toutes décisions sur le droit aux allocations à l'égard du travailleur occupé en Belgique qui est mis en chômage temporaire et (réside principalement) respectivement en France, aux Pays-Bas, en République fédérale d'Allemagne ou au Grand Duché de Luxembourg.
(Le directeur dans le ressort duquel est établi le port prend toutes les décisions sur le droit aux allocations à l'égard des travailleurs visés à l'article 28, § 3, 1° de l'arrêté royal.)
(Le directeur, dans le ressort duquel se situe Gand, prend toutes les décisions sur le droit aux allocations à l'égard des travailleurs visés à l'article 28, § 3, 3°, de l'arrêté royal.)
(Le directeur dans le ressort duquel Bruges est situé, prend toutes les décisions sur le droit aux allocations à l'égard des travailleurs visés à l'article 28, § 3, 4° de l'arrêté royal.)
Art. 95. Het recht op uitkeringen wordt toegekend vanaf de datum van de uitkeringsaanvraag wanneer :
het volledig dossier toekomt op het werkloosheidsbureau binnen de termijnen bepaald in artikel 92, § 2, of artikel 93;
het onvolledig dossier toekomt op het werkloosheidsbureau binnen de termijnen bepaald in artikel 92, § 2, en artikel 93 en de directeur erkent dat het blijvend onmogelijk is het te vervolledigen.
Het recht op uitkeringen wordt toegekend vanaf de datum waarop het volledig dossier toekomt op het werkloosheidsbureau wanneer :
de termijnen bepaald in artikel 92, § 2, of artikel 93 niet worden nageleefd;
de directeur niet erkent dat het tijdelijk of blijvend onmogelijk is het dossier te vervolledigen.
In afwijking van het tweede lid wordt het recht op uitkeringen toegekend vanaf de datum waarop het onvolledig dossier toegekomen is op het werkloosheidsbureau buiten de termijn bedoeld in artikel 92, § 2, wanneer :
het volledig dossier toekomt op het werkloosheidsbureau binnen de termijn bepaald in artikel 93;
de directeur erkent dat het blijvend onmogelijk is het dossier te vervolledigen.
De uitkeringskaart draagt als geldigheidsdatum de datum vanaf dewelke het recht op uitkeringen wordt toegekend.
Art. 95. Le droit aux allocations est ouvert à partir de la date de la demande d'allocations lorsque :
le dossier complet parvient au bureau du chômage dans les délais fixés à l'article 92, § 2, ou à l'article 93;
le dossier incomplet parvient au bureau du chômage dans les délais fixés à l'article 92, § 2, et à l'article 93 et que le directeur reconnaît qu'il est définitivement impossible de le compléter.
Le droit aux allocations est ouvert à partir du jour où le dossier complet parvient au bureau du chômage lorsque :
les délais fixés à l'article 92, § 2, ou à l'article 93 n'ont pas été respectés;
le directeur ne reconnaît pas qu'il est temporairement ou définitivement impossible de compléter le dossier.
Par dérogation à l'alinéa 2, le droit aux allocations est ouvert à partir du jour où le dossier incomplet est parvenu au bureau du chômage en dehors du délai fixé a l'article 92, § 2, lorsque :
le dossier complet parvient au bureau du chômage dans le délai fixé à l'article 93;
le directeur reconnaît qu'il est définitivement impossible de compléter le dossier.
La carte d'allocations porte comme date de validité la date à partir de laquelle le droit aux allocations est ouvert.
Art. 96. § 1. De wijzigende gebeurtenis die zicht heeft voorgedaan gedurende de werkloosheid en die niet tot gevolg heeft dat de werkloze het recht op uitkeringen verliest of recht heeft op een bedrag dat lager is dan datgene waarop hij voorheen aanspraak kon maken, heeft invloed op de uitkering vanaf de dag waarop deze gebeurtenis zich heeft voorgedaan wanneer :
het volledig dossier toekomt op het werkloosheidsbureau binnen de termijnen bepaald in artikel 92, § 3, of artikel 93;
het onvolledig dossier toekomt op het werkloosheidsbureau binnen de termijnen bepaald in artikel 92, § 3, of artikel 93 en de directeur erkent dat het blijvend onmogelijk is het dossier te vervolledigen.
De wijzigende gebeurtenis heeft invloed op de uitkering vanaf de dag waarop het volledig dossier toekomt op het werkloosheidsbureau wanneer :
de termijnen bepaald in artikel 92, § 3, e artikel 93 niet worden nageleefd;
de directeur niet erkent dat het tijdelijk of blijvend onmogelijk is het dossier te vervolledigen.
In afwijking van het tweede lid heeft deze wijzigende gebeurtenis invloed op de uitkering vanaf de dag waarop het onvolledig dossier toegekomen is op het werkloosheidsbureau buiten de termijn bedoeld in artikel 92, § 3, wanneer :
het volledig dossier toekomt op het werkloosheidsbureau binnen de termijn bepaald in artikel 93;
de directeur erkent dat het blijvend onmogelijk is het dossier te vervolledigen.
De uitkeringskaart draagt als geldigheidsdatum de datum vanaf dewelke de wijzigende gebeurtenis invloed heeft op de uitkering.
§ 2. De wijzigende gebeurtenis die zich heeft voorgedaan gedurende de werkloosheid en die tot gevolg heeft dat de werkloze het recht op uitkeringen verliest of recht heeft op een bedrag dat lager is dan datgene waarop hij voorheen aanspraak kon maken heeft invloed op de uitkering vanaf de dag waarop deze gebeurtenis zich heeft voorgedaan.
De uitkeringskaart draagt als geldigheidsdatum de datum vanaf dewelke de wijzigende gebeurtenis invloed heeft op de uitkering.
Nochtans, wanneer de uitbetalingsinstelling aan het werkloosheidsbureau meedeelt dat zij betalingen heeft verricht voor de periode gelegen tussen de dag waarop de gebeurtenis plaatsvond en de dag waarop zij ervan in kennis werd gesteld, draagt de uitkeringskaart ten aanzien van de uitbetalingsinstelling als geldigheidsdatum de eerste van de maand waarin de uitbetalingsinstelling in kennis werd gesteld van de gebeurtenis.
Art. 96. § 1. L'événement modificatif qui survient en cours de chômage et qui n'a pas pour conséquence que le chômeur perd le droit aux allocations ou a droit à un montant inférieur à celui auquel il pouvait prétendre précédemment, a une influence sur l'allocation à partir du jour où cet événement est survenu lorsque :
le dossier complet parvient au bureau du chômage dans les délais fixés à l'article 92, § 3, ou à l'article 93;
le dossier incomplet parvient au bureau du chômage dans les délais fixés à l'article 92, § 3, ou a l'article 93 et que le directeur reconnaît qu'il est définitivement impossible de compléter le dossier.
Cet événement modificatif a une influence sur l'allocation à partir du jour où le dossier complet parvient au bureau de chômage lorsque :
les délais fixés à l'article 92, § 3, et à l'article 93 n'ont pas été respectés;
le directeur ne reconnaît pas qu'il est temporairement ou définitivement impossible de compléter le dossier.
Par dérogation à l'alinéa 2, cet événement modificatif a une influence sur l'allocation a partir du jour où le dossier incomplet est parvenu au bureau du chômage en dehors du délai fixé à l'article 92, § 3, lorsque :
le dossier complet parvient au bureau du chômage dans les délais fixés à l'article 93;
le directeur reconnaît qu'il est définitivement impossible de compléter le dossier.
La carte d'allocations porte comme date de validité la date à partir de laquelle l'événement modificatif a une influence sur l'allocation.
§ 2. L'événement modificatif qui survient en cours de chômage et qui a pour conséquence que le chômeur perd le droit aux allocations ou a droit à un montant inférieur à celui auquel il pouvait prétendre précédemment, a une influence sur l'allocation à partir du jour où cet événement est survenu.
La carte d'allocations porte comme date de validite la date à partir de laquelle cet événement modificatif a une influence sur l'allocation.
Toutefois, lorsque l'organisme de paiement informe le bureau du chômage qu'il a effectué des paiements pour la période située entre le jour où l'evénement s'est produit et le jour où il en a été informé, la carte d'allocations porte, envers l'organisme de paiement comme date de validité le premier jour du mois au cours duquel l'organisme de paiement a été informé de l'événement.
HOOFDSTUK XVIIbis. - (Bepalingen ter uitvoering van artikel 164 van het koninklijk besluit, betreffende de verificatie van de uitgaven).
CHAPITRE XIIbis. - (Dispositions portant exécution de l'article 164 de l'arrêté royal, relatif à la vérification des dépenses).
Art. 96bis. [1 De gegegevensbestanden FO, C10, C10bis, C12, C13, C14, C15, BC11 en BC11bis, bedoeld in artikel 164 van het koninklijk besluit, worden overgemaakt door middel van een elektronische drager of via elektronische weg.
Het begeleidend borderel C11, bedoeld in artikel 164, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit, wordt overgemaakt door middel van een papieren drager.]1

Art. 96bis. [1 Les fichiers de données OF, C10, C10bis, C12, C13, C14, C15, BC11 et BC11bis, visés à l'article 164 de l'arrêté royal, sont transmis au moyen d'un support électronique ou par voie électronique.
Le bordereau d'accompagnement C11, visé à l'article 164, § 2, alinéa 3, de l'arrêté royal, est transmis au moyen d'un support papier.]1

HOOFDSTUK XVIII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE XVIII. Dispositions finales.
Art. 97.




Art. 97.




Art. 98. Dit besluit treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
Art. 98. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N.
Art. N.