Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
21 MAART 1991. - Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. (NOTA : art. 11, § 1, opgeheven in de toekomst door <W2006-06-15/57, art. 78, 066; Inwerkingtreding : onbepaald >)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 04-09-1992 en tekstbijwerking tot 01-07-2024)
Titre
21 MARS 1991. - Loi portant réforme de certaines entreprises publiques économiques. (NOTE : art. 11, § 1er, abrogé dans le futur par <L2006-06-15/57, art. 78, 066; En vigueur : indéterminée >)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 04-09-1992 et mise à jour au 01-07-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - De autonome overheidsbedrijven. HOOFDSTUK I. - Indeling van sommige organismen ... HOOFDSTUK II. - Het beheerscontract. Afdeling I. - Definitie en inhoud. Afdeling II. - Sluiting, goedkeuring, einde en ... HOOFDSTUK III. - Autonomie. HOOFDSTUK IV. - Bestuur. Afdeling I. - Beginselen. Afdeling II. - De raad van bestuur. Afdeling III. - Het directiecomité. Afdeling IV. - Het mandaat van bestuurder. HOOFDSTUK V. - Administratief toezicht en contr... Afdeling I. - Administratief toezicht. Afdeling II. - Controle. HOOFDSTUK VI. - Ondernemingsplan. HOOFDSTUK VII. - Boekhouding en jaarrekening. HOOFDSTUK VIII. - Personeel. Afdeling I. - Beginselen betreffende het statuu... Afdeling II. - Het paritair comité. Afdeling III. - Het Comité Overheidsbedrijven. Afdeling IV. - De vaststelling van het statuut ... Afdeling V. - Gebruik der talen; bijzondere bev... HOOFDSTUK IX. - Omzetting in naamloze vennootsc... Afdeling I. - De omzetting. Afdeling II. - De aandelen. Afdeling III. - Diverse bepalingen. HOOFDSTUK X. - (De ombudsdiensten.) Afdeling I. - Bevoegdheid van de dienst " ombud... Afdeling II. - Samenstelling en werking van de ... HOOFDSTUK XI. - Raadgevend Comité. HOOFDSTUK XIbis. [1 - Investeringscel voor het ... HOOFDSTUK XII. - Overgangs- en wijzigingsbepali... Afdeling I. - Oprichting en bevoegdheden van ni... Afdeling II. - Wijzigingsbepalingen. HOOFDSTUK XIII. [1 - Bijzondere bepalingen betr... HOOFDSTUK XIV. [1 - Bijzondere bepalingen betre... TITEL II. - Hervorming van de Regie van telegra... HOOFDSTUK I. - Benaming. HOOFDSTUK II. - Doel. HOOFDSTUK III. - Opdrachten van openbare dienst. HOOFDSTUK IV. - Bestuur. HOOFDSTUK IVbis. - Aandelen uitgegeven door [1 ... HOOFDSTUK V. - Toezicht. HOOFDSTUK VI. - Middelen. HOOFDSTUK VII. - Personeel. HOOFDSTUK VIII. - Aansprakelijkheid. HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen en bepaling... TITEL III. - De telecommunicatie. HOOFDSTUK I. - Definities. HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen. (opgeheven) HOOFDSTUK III. - Belgisch Instituut voor postdi... HOOFDSTUK IV. - Raadgevend Comité. (opgeheven) HOOFDSTUK V. - (De openbare telecommunicatiedie... HOOFDSTUK VI. - (De overige telecommunicatiedie... HOOFDSTUK VII. - Telecommunicatie-inrichtingen.... HOOFDSTUK VIII. - (Apparatuur.) HOOFDSTUK IX. - Kabels, bovengrondse lijnen en ... HOOFDSTUK IXBIS- (Beheer van de nationale numme... HOOFDSTUK IXTER. - (Bescherming van de gebruike... HOOFDSTUK X. - (Operatoren met een sterke markt... HOOFDSTUK XBIS. - (Geheimhouding van gesprekken... HOOFDSTUK XI. - (Sancties, toezicht, (...) en s... HOOFDSTUK XII. - Allerhande bepalingen. (opgehe... TITEL IV. - Hervorming van de Regie der posteri... HOOFDSTUK I. - Benaming. HOOFDSTUK II. - Bepalingen en maatschappelijke ... HOOFDSTUK III. - Bevoegdheden van het Belgisch ... HOOFDSTUK IV. HOOFDSTUK V. - Doel en opdrachten van openbare ... Afdeling I. - Doel. Afdeling II. - (Opdrachten van openbare dienst ... Afdeling III. - (Inhoud en eisen in verband met... HOOFDSTUK VBIS. HOOFDSTUK VTER. HOOFDSTUK VQUATER. HOOFDSTUK VQUINQUIES. HOOFDSTUK VI. - De goederen. Hoofdstuk VIbis. - Aandelen uitgegeven door [1 ... HOOFDSTUK VII. - Bestuur. HOOFDSTUK VIIBIS. - (Algemene bepalingen met be... Afdeling I. - [1 Bepalingen met betrekking tot ... Afdeling II. Afdeling IIbis. Afdeling III. HOOFDSTUK IX. - [1 Opheffings-, overgangs- en w... TITEL V. - [1 De Nationale Maatschappij der Bel... HOOFDSTUK I. - [1 Definities en maatschappelijk... HOOFDSTUK II. - Opdrachten van openbare dienst. HOOFDSTUK IIIBIS. - [1 Het oriënteringscomité b... HOOFDSTUK IIITER. [1 - Het GEN-oriëntatiecomité.]1 HOOFDSTUK IV. - Beheer. HOOFDSTUK IVbis. [1 - Financiële en boekhoudkun... HOOFDSTUK V. - Personeel. HOOFDSTUK Vbis. [1 - De vervoersovereenkomst.]1 Afdeling I. [1 - Definitie en inhoud.]1 Afdeling II. [1 - Sluiting, goedkeuring, einde ... HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepalingen en wijzigin... TITEL VI. - [1 Skeyes.]1 HOOFDSTUK I. - (Doel en taken van openbare dien... HOOFDSTUK II. - (Bestuur.) HOOFDSTUK III. - (Personeel.) HOOFDSTUK IV. - (Reglementen.) HOOFDSTUK V. - (Diverse bepalingen.) TITEL VII. - (Brussels International Airport Co... HOOFDSTUK I. - (Doel en taken van openbare dien... HOOFDSTUK II. - (Bestuur.) HOOFDSTUK III. - (Personeel.) HOOFDSTUK IV. - (Kapitaal en aandelen.) HOOFDSTUK V. - (Reglementen.) TITEL VIII- Infrabel. HOOFDSTUK I. - Doel en opdrachten van openbare ... HOOFDSTUK II. - Financiële en fiscale bepalingen. HOOFDSTUK III. - Beheer HOOFDSTUK IV. - Personeel. HOOFDSTUK V. [1 Diverse bepalingen.]1 TITEL IX. HOOFDSTUK I. HOOFDSTUK II. HOOFDSTUK III. HOOFDSTUK IV. HOOFDSTUK V. TITEL X. Fonds voor spoorweginfrastructuur. BIJLAGEN.
Inhoud
TITRE I. - Les entreprises publiques autonomes. CHAPITRE I. - Classification de certains organi... CHAPITRE II. - Le contrat de gestion. Section I. - Définition et contenu. Section II. - Conclusion, approbation, fin et r... CHAPITRE III. - Autonomie. CHAPITRE IV. - Administration. Section I. - Principes. Section II. - Le conseil d'administration. Section III. - Le comité de direction. Section IV. - Du mandat d'administrateur. CHAPITRE V. - Tutelle administrative et contrôle. Section I. - Tutelle administrative. Section II. - Contrôle. CHAPITRE VI. - Plan d'entreprise. CHAPITRE VII. - Comptabilité et comptes annuels. CHAPITRE VIII. - Personnel. Section I. - Principes gouvernant le statut du ... Section II. - La commission paritaire. Section III. - La Commission Entreprises publiq... Section IV. - La fixation du statut du personne... Section V. - Emploi des langues; compétences sp... CHAPITRE IX. - Transformation en société anonym... Section I. - La transformation. Section II. - Les actions. Section III. - Dispositions diverses. CHAPITRE X. - (Des services de médiation). Section I. - Les compétences du service de médi... Section II. - Composition et fonctionnement du ... CHAPITRE XI. - Comité consultatif. HOOFDSTUK XIbis. [1 - Cellule d'Investissement ... CHAPITRE XII. - Dispositions transitoires et mo... Section I. - Constitution et compétences de nou... Section II. - Dispositions modificatives. CHAPITRE XIII. [1 - Dispositions particulières ... CHAPITRE XIV. [1 - Dispositions particulières r... TITRE II. - Réforme de la Régie des télégraphes... CHAPITRE I. - Dénomination. CHAPITRE II. - Objet social. CHAPITRE III. - Missions de service public. CHAPITRE IV. - Administration. CHAPITRE IVbis. - Actions émises par [1 Proximu... CHAPITRE V. - Tutelle. CHAPITRE VI. - Moyens. CHAPITRE VII. - Personnel. CHAPITRE VIII. - Responsabilité. CHAPITRE IX. - Dispositions transitoires et d'e... TITRE III. - Les télécommunications. CHAPITRE I. - Définitions. CHAPITRE II. - Dispositions générales. (abrogé) CHAPITRE III. - Institut belge des services pos... CHAPITRE IV. - Comité consultatif. (abrogé) CHAPITRE V. - (Le service public des télécommun... CHAPITRE VI. - (Les autres services de télécomm... CHAPITRE VII. - Installations de télécommunicat... CHAPITRE VIII. - (Equipements.) CHAPITRE IX. - Câbles, lignes aériennes et équi... CHAPITRE IXBIS. - (Gestion de l'espace de numér... CHAPITRE IXTER. - (Protection des utilisateurs.... CHAPITRE X. - (Opérateurs puissants, orientatio... CHAPITRE XBIS. - (Secret des communications et ... CHAPITRE XI. - (Sanctions, surveillance, (...) ... CHAPITRE XII. - Dispositions diverses. (abrogé) TITRE IV. - Réforme de la Régie des postes. CHAPITRE I. - Dénomination. CHAPITRE II. - Définitions et siège social. CHAPITRE III. - Attributions de l'Institut belg... CHAPITRE IV. CHAPITRE V. - Objet social et missions de servi... Section I. - Objet social. Section II. - (Missions de service public de [1... Section III. - (Contenu et exigences liées au s... CHAPITRE VBIS. CHAPITRE VTER. CHAPITRE VQUATER. CHAPITRE VQUINQUIES. CHAPITRE VI. - Des biens. CHAPITRE VIbis. - Actions émises par [1 bpost]1. CHAPITRE VII. - Administration. CHAPITRE VIIBIS. - (Dispositions générales rela... Section I. - [1 Dispositions concernant la pres... Section II. Section IIbis. Section III. CHAPITRE IX. - [1 Dispositions modificatives, t... TITRE V. - [1 La Société nationale des Chemins ... CHAPITRE I. - [1 Définitions et objet social ]1 CHAPITRE II. - Missions de service public. Art.162.[1 Les articles 18 à 23 ne sont pas app... Art.163. A l'alinéa 6 de l'article 13, inséré d... CHAPITRE Vbis. [1 - La convention de transport.]1 Art.164. 1° TITRE VI. - [1 Skeyes.]1 Art.169. [1 Skeyes]1 est une entreprise publiqu... Art.173. § 1er. En ce qui concerne [1 skeyes]1,... Art.175. § 1er. Les dispositions de l'article 2... Art.177. Le statut de la R.V.A., annexé à l'ar... TITRE VII. - (Brussels International Airport Co... Art.178. (abrogé) Art.182. (abrogé) Art.189. (abrogé) Art.192. (abrogé) Art.194. (abrogé) CHAPITRE Ier. - Objet et missions de service pu... Art.197. Pour l'application du présent titre, i... Art.201. Infrabel fixe des redevances d'utilis... Art.206. Les articles 18 à 23 ne sont pas appl... Art.214. § 1er. Infrabel dispose du personnel n... CHAPITRE Ier. CHAPITRE Ier. CHAPITRE II. CHAPITRE III. CHAPITRE IV. CHAPITRE V. TITRE X. Fonds de l'infrastructure ferroviaire. Art. N1.
Tekst (523)
Texte (523)
TITEL I. - De autonome overheidsbedrijven.
TITRE I. - Les entreprises publiques autonomes.
HOOFDSTUK I. - Indeling van sommige organismen van openbaar nut bij de autonome overheidsbedrijven.
CHAPITRE I. - Classification de certains organismes d'intérêt public parmi les entreprises publiques autonomes.
Artikel 1. § 1. Elk organisme van openbaar nut dat over beheersautonomie moet beschikken in een gegeven industriële of commerciële sector kan, na aanpassing bij wet van zijn organiek statuut aan de bepalingen van deze titel, dergelijke autonomie verkrijgen door het sluiten van een beheerscontract met de Staat onder de voorwaarden van deze wet.
  § 2. De Koning schrapt, bij in Ministerraad overlegd besluit, een in § 1 bedoeld organisme, met ingang van de datum van inwerkingtreding van zijn eerste beheerscontract, in artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, vervangen bij koninklijk besluit nr 431 van 5 augustus 1986, gewijzigd bij koninklijk besluit nr 429 van 5 augustus 1986, aangevuld bij decreet van 23 april 1986, gewijzigd bij koninklijk besluit nr 526 van 31 maart 1987 en bij decreet van 13 juli 1988, ingeval het betrokken organisme onderworpen was aan bedoelde wet van 16 maart 1954.
  § 3. De Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, deelt een in § 1 bedoeld organisme, met ingang van de datum van inwerkingtreding van zijn eerste beheerscontract, in bij de autonome overheidsbedrijven. Laatstgenoemden worden gerangschikt in § 4.
  § 4. De organismen die (...) zijn ingedeeld bij de autonome overheidsbedrijven zijn : <KB 2006-11-10/78, art. 3, 1°, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (1° [4 Proximus]4;) <KB 1992-08-19/43, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 04-09-1992>
  2° [3 de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, afgekort NMBS, en Infrabel;]3
  3° [2 bpost]2;
  (4° [5 Skeyes.]5) <KB 1998-08-25/33, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 02-10-1998>
  5°[1 ...]1.
  (Lid 2 opgeheven) <KB 2004-05-27/44, art. 62, 048; Inwerkingtreding : 29-12-2004; datum van de omzetting van B.I.A.C. in een naamloze vennootschap van privaat recht, beheerst door het Wetboek van vennootschappen>
  
Article 1. § 1. Chaque organisme d'intérêt public qui doit disposer d'une autonomie de gestion dans un secteur industriel ou commercial donné, peut, après adaptation par la loi de son statut organique aux dispositions du présent titre, obtenir une telle autonomie par la conclusion d'un contrat de gestion avec l'Etat aux conditions de la présente loi.
  § 2. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, supprime à l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, remplacé par l'arrêté royal n° 431 du 5 août 1986, modifié par l'arrêté royal n° 429 du 5 août 1986, complété par le décret du 23 avril 1986, modifié par l'arrêté royal n° 526 du 31 mars 1987 et par le décret du 13 juillet 1988, tout organisme visé au § 1er, à partir de la date d'entrée en vigueur de son premier contrat de gestion, au cas où l'organisme concerné était soumis à la loi du 16 mars 1954 visée.
  § 3. Le Roi classe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, à partir de la date d'entrée en vigueur de son premier contrat de gestion, tout organisme visé au § 1er parmi les entreprises publiques autonomes. Celles-ci sont reprises au § 4.
  § 4. Les organismes classés (...) parmi les entreprises publiques autonomes sont : <AR 2006-11-10/78, art. 3, 1°, 063; En vigueur : 01-01-2005>
  (1° [4 Proximus]4;) AR 1992-08-19/43, art. 2, 002; En vigueur : 04-09-1992>
  2° [3 la Société Nationale des Chemins de fer belges, en abrégé SNCB, et Infrabel]3
  3°[2 bpost]2;
  (4° [5 skeyes]5) <L 1998-08-25/33, art. 2, 022; En vigueur : 02-10-1998>
  (alinéa 2 abrogé) <AR 2004-05-27/44, art. 62, 048; En vigueur : 29-12-2004; date de la transformation de B.I.A.C. en société anonyme de droit privé régie par le Code des sociétés>
  5°[1 ...]1.
  
Art.2. § 1. In afwijking van artikel 1, § 1, kan de Koning in het besluit tot goedkeuring van het eerste beheerscontract van een in § 2 bedoeld organisme de wetsbepalingen die het organiek statuut, de financiering en de werking regelen van het betrokken organisme, opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, teneinde de daarin vervatte regelen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet.
  De Koning kan bij het in het eerste lid bedoelde besluit de wetsbepalingen die de in § 2 bedoelde organismen regelen, coördineren, evenals de bepalingen waardoor ze uitdrukkelijk of impliciet gewijzigd zouden zijn op het tijdstip van deze coördinatie. Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde, de nummering van de te coördineren bepalingen en, in het algemeen, de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die zouden voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering overeenbrengen;
  3° de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen teneinde ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen, zonder afbreuk te doen aan de beginselen welke in deze bepalingen vervat zijn behoudens bij toepassing van het eerste lid;
  4° bepalingen van deze wet hernemen, in de volgorde en met de nummering die Hij vaststelt;
  5° het opschrift van de coördinatie vaststellen.
  § 2. Paragraaf 1 is van toepassing op de volgende organismen van openbaar nut :
  1° de Regie der luchtwegen;
  2° [1 de NMBS]1;
  3° de Regie der posterijen;
  4° de Regie van telegraaf en telefoon.
  
Art.2. § 1. Par dérogation à l'article 1er, § 1er, le Roi peut, dans l'arrêté portant approbation du premier contrat de gestion d'un organisme visé au § 2, abroger, compléter, modifier ou remplacer les dispositions législatives qui règlent le statut organique, le financement et le fonctionnement de l'organisme concerné afin de rendre les règles qu'elles contiennent compatibles avec les dispositions de la présente loi.
  Le Roi peut, dans l'arrêté visé à l'alinéa premier, coordonner les dispositions législatives réglant les organismes visés au § 2 ainsi que les dispositions qui les auraient expressément ou implicitement modifiées au moment où cette coordination est établie. A cette fin, Il peut :
  1° modifier l'ordre, le numérotage et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
  2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner, en vue de les mettre en concordance avec le numérotage nouveau;
  3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie, sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions autrement qu'en vertu de l'alinéa premier;
  4° reprendre des dispositions de la présente loi dans le texte coordonné, dans l'ordre et avec le numérotage qu'Il détermine;
  5° arrêter l'intitulé de la coordination.
  § 2. Le paragraphe premier est applicable aux organismes d'intérêt public suivants :
  1° la Régie des voies aériennes;
  2° [1 la SNCB]1
  3° la Régie des postes;
  4° la Régie des télégraphes et des téléphones.
  
HOOFDSTUK II. - Het beheerscontract.
CHAPITRE II. - Le contrat de gestion.
Afdeling I. - Definitie en inhoud.
Section I. - Définition et contenu.
Art.3. § 1. De bijzondere regels en voorwaarden waaronder een autonoom overheidsbedrijf de opdrachten van openbare dienst vervult die het door de wet zijn toevertrouwd, worden vastgelegd in een beheerscontract tussen de Staat en het betrokken overheidsbedrijf.
  § 2. Het beheerscontract regelt de volgende aangelegenheden :
  1° de taken die het overheidsbedrijf op zich neemt ter vervulling van zijn opdrachten van openbare dienst, hierna de " taken van openbare dienst " genoemd;
  2° de grondregelen inzake de tarieven voor de prestaties geleverd in het kader van de taken van openbare dienst, hierna de " prestaties van openbare dienst " genoemd;
  3° gedragsregels ten aanzien van de gebruikers van de prestaties van openbare dienst;
  4° de vaststelling, de berekening en de betalingsmodaliteiten van eventuele toelagen ten laste van de algemene uitgavenbegroting van het Rijk, waarvan de Staat de toekenning aanvaardt tot dekking van de lasten die voor het overheidsbedrijf voortvloeien uit zijn taken van openbare dienst, rekening houdend met de kosten en ontvangsten eigen aan deze taken, en met de exploitatievoorwaarden die bij of krachtens de wet, of door het beheerscontract, worden opgelegd en, wat de personeelskosten betreft, met de evolutie van vergelijkbare lonen in de Rijksbesturen;
  5° de vaststelling, de berekening en de betalingsmodaliteiten van gebeurlijke vergoedingen door het overheidsbedrijf te betalen aan de Staat, inzonderheid wat betreft de voordelen verbonden aan de gebeurlijke alleenrechten van het overheidsbedrijf en, in voorkomend geval, de door de Staat aan het overheidsbedrijf verleende gebruiksrechten op goederen;
  6° in voorkomend geval, de aangelegenheden van strategisch economisch belang waarvoor de gunning van opdrachten, naargelang het bedrag, onderworpen is aan de goedkeuring van de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert of van het bevoegde Ministerieel Comité, alsmede de vaststelling van bedoeld bedrag;
  7° in voorkomend geval, doelstellingen betreffende de financiële structuur van het overheidsbedrijf;
  8° in voorkomend geval, regelen betreffende de bestemming van de nettowinst;
  9° de verplichte bestanddelen van het ondernemingsplan en de termijnen voor de mededeling en de termijn na overschrijding waarvan de goedkeuring geacht wordt gegeven te zijn;
  10° in voorkomend geval, de vaststelling van een bedrag, wat de onroerende verrichtingen betreft die onderworpen zijn aan de voorafgaande machtiging van de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert en, in voorkomend geval, de bepaling van een termijn waarna de toestemming geacht wordt gegeven te zijn;
  11° de sancties bij niet-naleving door een partij van haar verbintenissen uit hoofde van het beheerscontract.
  § 3. Elke uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde in het beheerscontract wordt voor niet geschreven gehouden.
  Artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op het beheerscontract. De partij jegens wie een verbintenis in het beheerscontract niet is uitgevoerd kan slechts de uitvoering van de verbintenis vorderen alsmede, in voorkomend geval, schadevergoeding, onverminderd de toepassing van eventuele bijzondere sancties bepaald in het beheerscontract.
  § 4. De eventuele algemene financiële verplichtingen van de Staat ten opzichte van een autonoom overheidsbedrijf zijn beperkt tot die welke voortvloeien uit de bepalingen van het met het betrokken overheidsbedrijf gesloten beheerscontract. De bestaande bijzondere wettelijke toelageregelingen ten gunste van het overheidsbedrijf zijn niet meer van toepassing vanaf de datum met ingang waarvan het overheidsbedrijf wordt ingedeeld bij de autonome overheidsbedrijven.
  (Tweede lid opgeheven) <W 2005-12-27/31, art. 26, 060; Inwerkingtreding : 24-09-2005>
  § 5. Het beheerscontract is geen akte of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Alle clausules in het beheerscontract worden geacht contractueel te zijn.
Art.3. § 1. Les règles et conditions spéciales selon lesquelles une entreprise publique autonome exerce les missions de service public qui lui sont confiées par la loi, sont arrêtées dans un contrat de gestion conclu entre l'Etat et l'entreprise publique concernée.
  § 2. Le contrat de gestion règle les matières suivantes :
  1° les tâches que l'entreprise publique assume en vue de l'exécution de ses missions de service public, ci-après dénommées les " tâches de service public ";
  2° les principes gouvernant les tarifs pour les prestations fournies dans le cadre des tâches de service public, ci-après dénommées les " prestations de service public ";
  3° des règles de conduite vis-à-vis des usagers des prestations de service public;
  4° la fixation, le calcul et les modalités de paiement des subventions éventuelles à charge du budget général des dépenses de l'Etat que l'Etat accepte d'affecter à la couverture des charges qui découlent pour l'entreprise publique de ses tâches de service public, compte tenu des coûts et recettes propres à ces tâches et des conditions d'exploitation imposées par ou en vertu de la loi, ou par le contrat de gestion et, pour ce qui concerne le coût du personnel, de l'évolution des salaires comparables dans les administrations de l'Etat;
  5° la fixation, le calcul et les modalités de paiement des indemnités éventuelles à verser par l'entreprise publique à l'Etat, notamment en ce qui concerne les avantages liés aux droits exclusifs éventuels de l'entreprise publique et, le cas échéant, les droits d'usage qui sont concédés par l'Etat à l'entreprise publique sur des biens;
  6° le cas échéant, les matières d'intérêt économique stratégique pour lesquelles la passation des marchés est soumise à l'approbation, selon le montant, du ministre dont relève l'entreprise publique ou du Comité ministériel compétent, ainsi que la détermination du montant visé;
  7° le cas échéant, des objectifs relatifs à la structure financière de l'entreprise publique;
  8° le cas échéant, des règles relatives à la répartition des bénéfices nets;
  9° les éléments que le plan d'entreprise doit contenir et les délais pour la communication et le délai au delà duquel l'autorisation est censée être donnée;
  10° le cas échéant, la fixation d'un montant, pour ce qui concerne les opérations immobilières soumises à l'autorisation préalable du ministre dont relève l'entreprise publique et, le cas échéant, la fixation d'un délai à l'expiration duquel l'autorisation est supposée être accordée;
  11° les sanctions en cas de non-respect par une partie de ses engagements résultant du contrat de gestion.
  § 3. Toute clause résolutoire expresse dans le contrat de gestion est réputée non écrite.
  L'article 1184 du Code Civil n'est pas applicable au contrat de gestion. La partie envers laquelle une obligation dans le contrat de gestion n'est pas exécutée, ne peut poursuivre que l'exécution de l'obligation, et, le cas échéant, demander des dommages-intérêts, sans préjudice de l'application de toute sanction spéciale prévue dans le contrat de gestion.
  § 4. Les obligations financières générales éventuelles de l'Etat à l'égard d'une entreprise publique autonome sont limitées à celles qui résultent des dispositions du contrat de gestion conclu avec l'entreprise concernée. Les régimes légaux particuliers de subvention existant en faveur de l'entreprise publique ne sont plus d'application à partir de la date d'entrée en vigueur du classement de l'entreprise publique parmi les entreprises publiques autonomes.
  (Alinéa 2 abrogé) <L 2005-12-27/31, art. 26, 060; En vigueur : 24-09-2005>
  § 5. Le contrat de gestion ne constitue pas un acte ou règlement visé à l'article 14 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973. Toutes ses clauses sont réputées contractuelles.
Afdeling II. - Sluiting, goedkeuring, einde en vernieuwing.
Section II. - Conclusion, approbation, fin et renouvellement.
Art.4. § 1. Bij de onderhandeling en het sluiten van het beheerscontract wordt de Staat vertegenwoordigd door de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert.
  § 2. Het overheidsbedrijf wordt bij de onderhandeling van het beheerscontract vertegenwoordigd door zijn directiecomité. Het beheerscontract wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de raad van bestuur die er bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen over beslist.
  Het ontwerp van beheerscontract of van wijziging van het beheerscontract wordt voor overleg aan het paritair comité voorgelegd.
  Het paritair comité wordt op geregelde tijdstippen door zijn voorzitter bijeengeroepen om zijn gemotiveerd advies te verlenen betreffende de vooruitgang van de onderhandelingen.
  [1 Voor de toepassing van de twee voorgaande leden vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van het paritair comité.]1
  § 3. Het beheerscontract treedt slechts in werking na goedkeuring door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, vanaf de datum vastgesteld bij dat besluit.
  
Art.4. § 1. Lors de la négociation et de la conclusion du contrat de gestion, l'Etat est représenté par le ministre dont relève l'entreprise publique.
  § 2. Lors de la négociation du contrat de gestion, l'entreprise publique est représentée par son comité de direction. Le contrat de gestion est soumis à l'approbation du conseil d'administration statuant à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  Le projet de contrat de gestion ou de modification du contrat de gestion est soumis pour concertation à la commission paritaire.
  La commission paritaire est appelée périodiquement, sur convocation de son président, à donner son avis motivé à propos de l'état d'avancement des négociations.
  [1 Pour l'application des deux alinéas qui précèdent, le comité d'entreprise stratégique auprès d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction de la commission paritaire.]1
  § 3. Le contrat de gestion n'entre en vigueur qu'après son approbation par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et à la date fixée par cet arrêté.
  
Art.5. § 1. Het beheerscontract wordt jaarlijks getoetst en, in voorkomend geval, aangepast aan gewijzigde marktomstandigheden en technische ontwikkelingen met toepassing van in het beheerscontract vastgelegde objectieve parameters.
  Echter, elke andere aanpassing voorgesteld door één van de partijen, of door hen beiden, kan slechts tot stand komen overeenkomstig artikel 4.
  § 2. Het beheerscontract wordt gesloten voor een duur van ten minste drie jaar en ten hoogste vijf jaar.
  [1 § 2/1. Uiterlijk één maand na ontvangst van het door het directiecomité van het overheidsbedrijf voorgestelde ontwerp voor een nieuw beheerscontract brengt de minister daarover verslag uit bij de Wetgevende Kamers.]1
  § 3. Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van een beheerscontract legt het directiecomité aan de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert een ontwerp van nieuw beheerscontract voor.
  Indien bij het verstrijken van een beheerscontract geen nieuw beheerscontract is in werking getreden, wordt het van rechtswege verlengd, tot op het ogenblik dat een nieuw beheerscontract is in werking getreden. Deze verlenging wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt door de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert.
  Indien geen nieuw beheerscontract in werking is getreden binnen een termijn van één jaar na de in het voorgaande lid bedoelde verlenging, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, voorlopige regels vaststellen inzake de in artikel 3, § 2, bedoelde aangelegenheden. Deze voorlopige regels zullen als nieuw beheerscontract gelden tot op het ogenblik dat een nieuw beheerscontract, gesloten overeenkomstig artikel 4, in werking treedt.
  
Art.5. § 1. Le contrat de gestion est réévalué chaque année et, le cas échéant, adapté aux modifications des conditions du marché et aux développements techniques par application de paramètres objectifs prévus dans le contrat de gestion.
  Toutefois, toute autre adaptation, proposée par une des parties ou par les deux parties, est faite conformément à l'article 4.
  § 2. Le contrat de gestion est conclu pour une durée de trois ans au moins et de cinq ans au plus.
  [1 § 2/1. Au plus tard un mois après réception du projet de nouveau contrat de gestion proposé par le comité de direction de l'entreprise publique, le ministre en fait rapport aux Chambres législatives.]1
  § 3. Au plus tard six mois avant l'expiration d'un contrat de gestion, le comité de direction soumet au ministre dont relève l'entreprise publique un projet de nouveau contrat de gestion.
  Si, à l'expiration d'un contrat de gestion, un nouveau contrat de gestion n'est pas entré en vigueur, le contrat est prorogé de plein droit jusqu'à l'entrée en vigueur d'un nouveau contrat de gestion. Cette prorogation est publiée au Moniteur belge par le ministre dont relève l'entreprise publique.
  Si, un an après la prorogation visée à l'alinéa précédent, un nouveau contrat de gestion n'est pas entré en vigueur, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer des règles provisoires concernant les matières visées à l'article 3, § 2. Ces règles provisoires valent comme nouveau contrat de gestion et sont d'application jusqu'à l'entrée en vigueur d'un nouveau contrat de gestion, conclu conformément à l'article 4.
  
Art.6. De besluiten tot goedkeuring van een beheerscontract, of van een aanpassing ervan, alsmede de besluiten tot vaststelling van voorlopige regels, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  De bepalingen van het beheerscontract of, in voorkomend geval, van de voorlopige regels met uitzondering van die welke industriële of commerciële geheimen bevatten, worden in bijlage bij het koninklijk besluit bekendgemaakt.
Art.6. Les arrêtés portant approbation d'un contrat de gestion, ou de son adaptation, ainsi que les arrêtés fixant des règles provisoires sont publiés au Moniteur belge.
  Les dispositions du contrat de gestion ou, le cas échéant, des règles provisoires, sont publiées en annexe de l'arrêté royal, à l'exception de celles qui contiennent des secrets industriels ou commerciaux.
HOOFDSTUK III. - Autonomie.
CHAPITRE III. - Autonomie.
Art.7. De autonome overheidsbedrijven kunnen vrij, binnen de grenzen van deze wet, alle bedrijvigheden ontwikkelen die verenigbaar zijn met hun doel. Zij kunnen bij beslissing van hun raad van bestuur bijhuizen of agentschappen oprichten in België en in het buitenland.
Art.7. Les entreprises publiques autonomes sont libres de développer, dans les limites de la présente loi, toutes les activités qui sont compatibles avec leur objet social. Elles peuvent constituer des succursales ou des agences en Belgique et à l'étranger sur décision de leur conseil d'administration.
Art.8. De handelingen van de autonome overheidsbedrijven worden geacht daden van koophandel te zijn.
  De autonome overheidsbedrijven zijn echter niet onderworpen aan de bepalingen van boek III van het Wetboek van Koophandel. Zij genieten de immuniteit van tenuitvoerlegging voor de goederen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd voor de uitvoering van hun taken van openbare dienst.
Art.8. Les actes des entreprises publiques autonomes sont réputés commerciaux.
  Les entreprises publiques autonomes ne sont toutefois pas soumises aux dispositions du livre III du Code de Commerce. Elles bénéficient de l'immunité d'exécution pour les biens entièrement ou partiellement affectés à la mise en oeuvre de leurs tâches de service public.
Art.9. De autonome overheidsbedrijven zijn onderworpen aan de wetgeving betreffende de controle der prijzen.
  Zij stellen vrij de tarieven en de tariefstructuren vast voor de door hen geleverde prestaties andere dan prestaties van openbare dienst.
  Zij stellen de tarieven en de tariefstructuren voor de door hen geleverde prestaties van openbare dienst vast binnen de grenzen van de in het beheerscontract bepaalde grondregelen inzake tarifering. De maximumtarieven, of de formules voor hun berekening, die niet in het beheerscontract zijn geregeld, worden evenwel ter goedkeuring voorgelegd aan de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert. (De goedkeuring wordt door het overheidsbedrijf gevraagd bij wege van een voorafgaandelijke becijferde en geargumenteerde schriftelijke aanvraag aan de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert.) <W 2007-04-01/50, art. 2, 1°, 069; Inwerkingtreding : 24-05-2007>
  (De minister beschikt over een termijn van 40 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het dossier om de in het vorige lid bedoelde maximumtarieven of formules goed te keuren of te weigeren. Bij gebrek aan een beslissing binnen de voormelde termijn wordt de aanvraag geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd.) <W 2007-04-01/50, art. 2, 2°, 069; Inwerkingtreding : 24-05-2007>
Art.9. Les entreprises publiques autonomes sont soumises à la législation sur le contrôle des prix.
  Elles déterminent librement les tarifs et les structures tarifaires pour les prestations qu'elles fournissent, autres que les prestations de service public.
  Elles déterminent les tarifs et les structures tarifaires pour les prestations de service public dans les limites des principes concernant les tarifs contenus dans le contrat de gestion. Toutefois, les tarifs maximums, ou les formules pour leur calcul, qui ne sont pas réglés dans le contrat de gestion, sont soumis à l'approbation du ministre dont relève l'entreprise publique. (L'approbation est demandée par l'entreprise publique par le biais d'une demande écrite préalable, chiffrée et argumentée, au ministre dont relève l'entreprise publique.) <L 2007-04-01/50, art. 2, 1°, 069; En vigueur : 24-05-2007>
  (Le ministre dispose d'un délai de 40 jours à partir de la réception du dossier pour approuver ou refuser les tarifs maximaux ou les formules visés à l'alinéa précédent. A défaut d'une décision dans le délai mentionné, la demande est considérée comme approuvée tacitement.) <L 2007-04-01/50, art. 2, 2°, 069; En vigueur : 24-05-2007>
Art.10. § 1. De autonome overheidsbedrijven beslissen vrij, binnen de grenzen van hun doel, over de verwerving, de aanwending en de vervreemding van hun lichamelijke en onlichamelijke goederen, de vestiging of opheffing van zakelijke rechten op deze goederen, alsmede over de uitvoering van dergelijke beslissingen.
  In afwijking van het eerste lid en onverminderd de toepassing van artikel 167 van de programmawet van 30 december 1988, kan het beheerscontract een bedrag bepalen boven hetwelk elke beslissing tot verwerving, oprichting of vervreemding van een onroerend goed of recht onderworpen is aan de voorafgaande machtiging van de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert, in voorkomend geval binnen de termijn die in het beheerscontract wordt bepaald.
  § 2. De autonome overheidsbedrijven belasten het bevoegde aankoopcomité voor onroerende goederen met :
  1° het verlijden van de authentieke akten tot overdracht, aanwijzing of vestiging van een onroerend zakelijk recht;
  2° het inleiden en vervolgen van de procedures tot onteigening van onroerende goederen waartoe het overheidsbedrijf overeenkomstig de wet beslist.
  § 3. De Staat kan, onder de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit tot goedkeuring van het eerste beheerscontract, inzonderheid wat een eventuele vergoeding betreft, de eigendom van roerende en onroerende goederen die hem toebehoren en die op de datum van inwerkingtreding van het bedoelde contract, worden aangewend ten behoeve van de uitvoering van prestaties van openbare dienst die het autonoom overheidsbedrijf op zich neemt, aan het betrokken bedrijf overdragen.
Art.10. § 1. Les entreprises publiques autonomes décident librement, dans les limites de leur objet social, de l'acquisition, l'utilisation et l'aliénation de leurs biens matériels et immatériels, de la constitution ou la suppression de droits réels sur ces biens, ainsi que de l'exécution de telles décisions.
  Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'application de l'article 167 de la loi-programme du 30 décembre 1988, le contrat de gestion peut déterminer un montant au delà duquel toute décision d'acquérir, construire ou aliéner un immeuble ou un droit immobilier est soumise à l'autorisation préalable du ministre dont relève l'entreprise publique, le cas échéant, dans le délai fixé dans le contrat de gestion.
  § 2. Les entreprises publiques autonomes chargent le comité d'acquisition d'immeubles compétent de :
  1° la passation des actes authentiques de transmission, déclaration ou création d'un droit réel sur des immeubles;
  2° l'introduction et la poursuite des procédures d'expropriation d'immeubles décidées par l'entreprise publique conformément à la loi.
  § 3. L'Etat peut, aux conditions fixées dans l'arrêté royal portant approbation du premier contrat de gestion, notamment en ce qui concerne une contrepartie éventuelle, céder à une entreprise publique autonome la propriété de biens meubles ou immeubles dont il est propriétaire et qui sont affectés, à la date d'entrée en vigueur du contrat visé, à l'exécution de prestations de service public assumées par l'entreprise concernée.
Art.11. § 1. (De autonome overheidsbedrijven zijn enkel onderworpen aan de toepassing van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten voor de overheidsopdrachten die betrekking hebben op taken van openbare dienst. Dit doet geen afbreuk aan de in mededingingstelling voorzien in het kader van de Europese Gemeenschap van sommige opdrachten die geen betrekking hebben op deze zelfde taken doch slaan op één van de werkzaamheden bedoeld in (boek I en boek II van deze wet).) <W 1993-12-24/37, art. 46, 008; Inwerkingtreding : 01-05-1997> <KB 1998-01-10/30, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 14-01-1999>
  § 2. De opdrachten voor de aanneming van werken, leveringen en diensten worden gegund bij of krachtens beslissing van de raad van bestuur van het overheidsbedrijf. De raad van bestuur duidt de opdrachten aan waarvan de gunning behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van het directiecomité alsmede de opdrachten waarvoor de beslissing door het comité mag worden gesubdelegeerd.
  Voor de opdrachten die verband houden met de uitvoering van taken van openbare dienst kan het beheerscontract de aangelegenheden van strategisch economisch belang aanwijzen waarvoor de gunningsbeslissing, naargelang het bedrag van de opdracht, in afwijking van het eerste lid, is onderworpen aan de goedkeuring van de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert of van het terzake van overheidsinvesteringen bevoegde ministerieel comité.
  Indien de beslissing van de minister of van het ministerieel comité niet overeenstemt met het voorstel van het betrokken overheidsbedrijf en voor laatstgenoemde leidt tot bijkomende kosten, worden deze kosten gedekt door een gelijkwaardige tegemoetkoming ten laste van de algemene uitgavenbegroting van het Rijk.
Art.11. § 1. (Les entreprises publiques autonomes ne sont soumises à l'application de la loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services que pour les marchés publics ayant trait à leurs tâches de service public. Cela ne porte pas préjudice à la mise en concurrence dans le cadre de la Communauté européenne de certains marchés n'ayant pas trait à ces mêmes tâches, mais se rapportant à une des activités visées (par les livres premier et II de cette loi).) <L 1993-12-24/37, art. 46, 008; En vigueur : 01-05-1997> <AR 1998-01-10/30, art. 2, 025; En vigueur : 14-01-1999>
  § 2. Les marchés de travaux, de fournitures et de services sont passés par ou en vertu d'une décision du conseil d'administration de l'entreprise publique. Le conseil d'administration détermine les marchés pour lesquels le comité de direction est seul compétent et les marchés pour lesquels le comité peut déléguer la décision.
  Par dérogation à l'alinéa premier, le contrat de gestion peut, pour les marchés ayant trait à la mise en oeuvre de tâches de service public, désigner les matières qui sont d'intérêt économique stratégique et pour lesquelles la décision de passer le marché est soumise, selon le montant du marché, à l'approbation du ministre dont relève l'entreprise publique ou du comité ministériel compétent en matière d'investissements publics.
  Si la décision du ministre ou du comité ministériel n'est pas conforme à la proposition de l'entreprise publique concernée et qu'il en résulte pour celle-ci un coût supplémentaire, ce coût supplémentaire devra être couvert par une intervention équivalente à charge du budget général des dépenses de l'Etat.
Art.12. § 1. De autonome overheidsbedrijven beslissen vrij, binnen de grenzen van hun doel en, in voorkomend geval, overeenkomstig de bepalingen van hun beheerscontract betreffende de financiële structuur, over de omvang, de technieken en de voorwaarden van hun externe financiering.
  § 2. De autonome overheidsbedrijven wier leningen bij of krachtens wet van rechtswege de staatswaarborg genieten, hebben, niettegenstaande elke strijdige bepaling, de keuze om al dan niet een beroep te doen op de staatswaarborg voor de leningen die zij aangaan.
  Vanaf de datum met ingang waarvan een overheidsbedrijf wordt ingedeeld bij de autonome overheidsbedrijven :
  1° zijn de in voornoemde wetten gestelde beperkingen en controlemodaliteiten nog slechts van toepassing op de door dat overheidsbedrijf onder staatswaarborg aangegane leningen;
  2° is of blijft het betrokken overheidsbedrijf onderworpen aan koninklijk besluit nr 517 van 31 maart 1987 tot invoering van een jaarlijkse premie op de door de Staat gewaarborgde nieuwe verbintenissen van bepaalde instellingen van de openbare sector.
  § 3. De autonome overheidsbedrijven beslissen vrij, binnen de grenzen van hun doel, over de belegging van hun beschikbare gelden in Belgische frank. Beleggingen in vreemde munt zijn onderworpen aan de voorafgaande machtiging van de Minister van Financiën, uitgezonderd de verrichtingen in deviezen die commerciële verrichtingen dekken.
  § 4. Tenzij ter tijdelijke dekking van kasbehoeften wenden de autonome overheidsbedrijven geen middelen aan, afkomstig van Rijkstoelagen of van inkomsten uit prestaties van openbare dienst, voor de ontwikkeling, financiering of uitbating van activiteiten andere dan deze in het kader van hun taken van openbare dienst.
Art.12. § 1. Les entreprises publiques autonomes décident librement, dans les limites de leur objet social et, le cas échéant, conformément aux dispositions de leur contrat de gestion concernant la structure financière, de l'étendue, des techniques et des conditions de leur financement externe.
  § 2. Les entreprises publiques autonomes dont les emprunts bénéficient de plein droit de la garantie de l'Etat par ou en vertu d'une loi, peuvent, nonobstant toute disposition contraire, choisir de faire appel ou non à la garantie de l'Etat pour les emprunts qu'elles contractent.
  A compter de la date à partir de laquelle une entreprise publique est classée parmi les entreprises publiques autonomes :
  1° les limitations et modalités de contrôle imposées par les lois susvisées ne s'appliquent qu'aux emprunts contractés par l'entreprise publique concernée avec la garantie de l'Etat;
  2° l'entreprise publique concernée est ou reste soumise à l'arrêté royal n° 517 du 31 mars 1987 instaurant une prime annuelle sur les nouveaux engagements garantis par l'Etat de certaines institutions du secteur public.
  § 3. Les entreprises publiques autonomes décident librement, dans les limites de leur objet social, du placement de leurs fonds disponibles en francs belges. Les placements en devises sont soumis à l'autorisation préalable du Ministre des Finances, à l'exception des opérations en devises couvrant des opérations commerciales.
  § 4. A l'exception de la couverture temporaire de besoins de trésorerie, les entreprises publiques autonomes n'utilisent des moyens provenant de subventions de l'Etat ou de revenus de prestations de service public, pour le développement, le financement ou l'exploitation d'activités autres que dans le cadre de leurs tâches de service public.
Art.13. § 1. De autonome overheidsbedrijven kunnen onder de hierna bepaalde voorwaarden rechtstreeks of onrechtstreeks belangen nemen in vennootschappen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht waarvan het doel verenigbaar is met hun doel, hierna " dochterondernemingen " genoemd.
  § 2. De raad van bestuur beslist bij gewone meerderheid van uitgebrachte stemmen over het nemen van een in § 1 bedoeld belang voor zover het belang in zijn geheel :
  1° minder dan 25 % van het kapitaal van de betrokken dochteronderneming vertegenwoordigt; en
  2° minder bedraagt dan een percentage van het eigen vermogen van het betrokken overheidsbedrijf bepaald in het koninklijk besluit tot goedkeuring van het eerste beheerscontract.
  De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit de in voorgaand lid, 1°, bedoelde grens van 25 % verlagen en de in voorgaand lid, 2°, bedoelde grens wijzigen voor de autonome overheidsbedrijven die Hij aanwijst.
  De raad van bestuur kan bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen beslissen een belang te nemen dat één of beide der in het eerste lid bedoelde grenzen overschrijdt.
  § 3. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, een autonoom overheidsbedrijf machtigen, in voorkomend geval, onder de bijzondere voorwaarden die Hij bepaalt, een dochteronderneming te betrekken bij de uitvoering van zijn taken van openbare dienst voor zover het rechtstreeks of onrechtstreeks belang van de overheid in de betrokken dochteronderneming meer dan 50 % van het kapitaal vertegenwoordigt en statutair recht geeft op meer dan 75 % van de stemmen en mandaten in alle organen van de bedoelde dochteronderneming.
  Elke overdracht van aandelen die het kapitaal vertegenwoordigen, waardoor het in voorgaand lid bedoelde rechtstreeks of onrechtstreeks belang van de overheid in dat kapitaal niet langer meer dan 50 % bedraagt, is van rechtswege nietig indien, binnen een termijn van drie maanden na de overdracht, het belang van de overheid, door middel van een kapitaalverhoging geheel of gedeeltelijk geplaatst bij de overheid, niet boven de 50 % wordt gebracht.
  De in het eerste en het tweede lid gestelde voorwaarden betreffende het belang van de overheid zijn niet van toepassing op projecten van internationale samenwerking waarvan het toepassingsgebied het grondgebied van het Rijk overschrijdt.
  Onder overheid in de zin van dit artikel moet worden verstaan, één of meer van de overheden bedoeld in artikel 42.
  § 4. De Koning kan bij het in § 3, eerste lid, bedoelde besluit de dochteronderneming die is opgericht naar Belgisch recht, indelen bij de autonome overheidsbedrijven, in voorkomend geval, voor de duur die Hij bepaalt. In dat geval zijn de dochteronderneming en het betrokken autonoom overheidsbedrijf hoofdelijk aansprakelijk ten opzichte van de Staat wat de uitvoering door de dochteronderneming betreft van de taken van openbare dienst waarbij zij wordt betrokken, tot op het ogenblik dat een beheerscontract met bedoelde dochteronderneming in werking treedt.
  Bij ontstentenis van indeling overeenkomstig het voorgaand lid, blijft het betrokken autonoom overheidsbedrijf ten opzichte van de Staat aansprakelijk wat de uitvoering betreft van de taken van openbare dienst waarbij de dochtervennootschap wordt betrokken.
  Het voorgaande lid is niet van toepassing op projecten van internationale samenwerking waarvan het toepassingsgebied het grondgebied van het Rijk overschrijdt.
  § 5. De Koning kan bij het in § 3, eerste lid, bedoelde besluit, wettelijke alleenrechten van het autonoom overheidsbedrijf overdragen of toewijzen aan een dochteronderneming van laatstgenoemde, voor zover zulks noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de dochteronderneming. In dat geval kan de Koning de betrokken dochteronderneming indelen bij de autonome overheidsbedrijven overeenkomstig § 4.
  § 6. Dit artikel is eveneens van toepassing op de oprichting door een autonoom overheidsbedrijf van vennootschappen, verenigingen en instellingen.
  Een autonoom overheidsbedrijf kan naamloze vennootschappen alleen oprichten. In dat geval is artikel 13ter, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen niet van toepassing, noch artikel 104bis, tweede lid, van dezelfde wetten zolang het oprichtend overheidsbedrijf de enige aandeelhouder is.
Art.13. § 1. Les entreprises publiques autonomes peuvent, aux conditions déterminées ci-dessous, prendre des participations directes ou indirectes dans des sociétés, associations et institutions de droit public ou privé dont l'objet est compatible avec leur objet social, ci-après dénommées les " filiales ".
  § 2. Le conseil d'administration décide à la majorité simple des voix exprimées de toute prise de participation conformément au § 1er pour autant que la participation dans son intégralité :
  1° représente moins de 25 % du capital de la filiale concernée; et
  2° n'excède pas un pourcentage des capitaux propres de l'entreprise publique concernée déterminé dans l'arrêté royal portant approbation du premier contrat de gestion.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ramener la limite prévue à l'alinéa précédent, 1°, au dessous de 25 % et modifier la limite visée à l'alinéa précédent, 2°, pour les entreprises publiques autonomes qu'Il désigne.
  Le conseil d'administration peut décider, à la majorité des deux tiers des voix exprimées, de prendre une participation qui excède l'une des limites ou les limites déterminées à l'alinéa premier.
  § 3. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, autoriser, le cas échéant, sous les conditions spéciales qu'Il détermine, une entreprise publique autonome à associer une filiale à la mise en oeuvre de ses tâches de service public, pour autant que la participation directe ou indirecte des autorités publiques dans la filiale concernée excède 50 % du capital et donne droit statutairement à plus de 75 % des voix et des mandats dans tous les organes de la filiale concernée.
  Toute cession d'actions représentatives du capital, suite à laquelle la participation directe ou indirecte des pouvoirs publics visée à l'alinéa précédent n'excèderait plus 50 %, est nulle de plein droit à défaut de porter cette participation au-delà de 50 % dans un délai de trois mois de ladite cession par une augmentation de capital entièrement ou partiellement souscrite par les autorités publiques.
  Les conditions concernant la participation des autorités publiques déterminées par les alinéas premier et deux ne sont pas applicables aux projets de coopération internationale dont le champ d'application excède le territoire du Royaume.
  Pour l'application du présent article, il y a lieu d'entendre par autorité publique, une ou plusieurs des autorités visées à l'article 42.
  § 4. Le Roi peut, dans l'arrêté visé au § 3, premier alinéa, classer, parmi les entreprises publiques autonomes, la filiale, constituée conformément au droit belge, le cas échéant, pour la durée qu'Il détermine. Dans ce cas, la filiale et l'entreprise publique autonome concernée sont solidairement responsables envers l'Etat de l'exécution par la filiale des tâches de service public auxquelles la filiale est associée, et ce, jusqu'à l'entrée en vigueur d'un contrat de gestion avec la filiale.
  A défaut de classement conformément à l'alinéa précédent, l'entreprise publique autonome concernée reste responsable envers l'Etat de l'exécution par la filiale des tâches de service public auxquelles celle-ci est associée.
  L'alinéa précédent n'est pas applicable aux projets de coopération internationale dont le champ d'application excède le territoire du Royaume.
  § 5. Le Roi peut dans l'arrêté visé au § 3, premier alinéa, transférer ou attribuer des droits exclusifs légaux de l'entreprise publique autonome à une filiale de celle-ci dans la mesure où un tel transfert ou une telle attribution est nécessaire pour le développement de la filiale. Dans ce cas, le Roi peut classer la filiale concernée parmi les entreprises publiques autonomes conformément au § 4.
  § 6. Le présent article est également applicable à la constitution de sociétés, d'associations ou d'institutions par une entreprise publique autonome.
  Une entreprise publique autonome peut constituer seule des sociétés anonymes. Dans ce cas, l'article 13ter, alinéa 1er, 4°, des lois coordonnées sur les sociétés commerciales, n'est pas d'application, de même que l'article 104bis, deuxième alinéa, des mêmes lois, aussi longtemps que l'entreprise fondatrice est le seul actionnaire.
Art.14. Een autonoom overheidsbedrijf kan dadingen en overeenkomsten tot arbitrage sluiten. Echter, elke overeenkomst tot arbitrage met natuurlijke personen die werd gesloten vooraleer het geschil is gerezen, is nietig.
Art.14. Une entreprise publique autonome peut transiger et compromettre. Toutefois, toute convention d'arbitrage conclue avec des personnes physiques avant la naissance du différend est nulle.
HOOFDSTUK IV. - Bestuur.
CHAPITRE IV. - Administration.
Afdeling I. - Beginselen.
Section I. - Principes.
Art.15. De autonome overheidsbedrijven worden bestuurd door een raad van bestuur en een directiecomité.
  (Lid 2 opgeheven) <W 2002-03-22/30, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 26-03-2002>
Art.15. Les entreprises publiques autonomes sont gérées par un conseil d'administration et un comité de direction.
  (Alinéa 2 abrogé) <L 2002-03-22/30, art. 2, 039; En vigueur : 26-03-2002>
Art.16. In de autonome overheidsbedrijven wier taken van openbare dienst het ganse grondgebied van het Rijk bestrijken, tellen de raad van bestuur en het directiecomité elk evenveel Nederlands- als Franstaligen, de voorzitter van de raad van bestuur, respectievelijk de gedelegeerd-bestuurder, eventueel uitgezonderd.
Art.16. Dans les entreprises publiques autonomes dont les tâches de service public couvrent l'ensemble du Royaume, le conseil d'administration et le comité de direction comptent autant de membres d'expression française que d'expression néerlandaise, éventuellement à l'exception respectivement du président du conseil d'administration et de l'administrateur délégué.
Afdeling II. - De raad van bestuur.
Section II. - Le conseil d'administration.
Art.17.   § 1. De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het doel van het overheidsbedrijf.
  De raad van bestuur houdt toezicht op het beleid van het directiecomité. Het directiecomité doet op geregelde tijdstippen verslag aan de raad.
  De raad, of zijn voorzitter, onverminderd de bevoegdheden van laatstgenoemde, hem toegekend krachtens artikel 18, § 5, kan op elk ogenblik van het directiecomité een verslag vragen betreffende de activiteiten van het bedrijf of sommige ervan.
  § 2. De raad van bestuur kan de in § 1 bedoelde bevoegdheden geheel of gedeeltelijk opdragen aan het directiecomité, met uitzondering van :
  1° de goedkeuring van het beheerscontract, evenals van elke wijziging ervan;
  2° het vaststellen van het ondernemingsplan en het algemeen beleid;
  3° het toezicht op het directiecomité, inzonderheid wat de uitvoering van het beheerscontract betreft;
  4° de andere bevoegdheden die door deze titel en, ingeval het overheidsbedrijf de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft, door de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen uitdrukkelijk aan de raad van bestuur worden toegewezen.
  § 3. Ingeval het overheidsbedrijf niet de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft, zijn de artikelen 54, tweede lid, 60, eerste lid, 61, 62, 63bis en 67 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, van overeenkomstige toepassing op de raad van bestuur.
  (§ 4. De raad van bestuur richt in zijn schoot een bezoldigingscomité op, alsook elk ander comité dat hij nodig zal achten. Hij legt de samenstelling en de werkingswijze ervan vast in overeenstemming met deze wet.
  Het bezoldigingscomité maakt een voorstel van beslissing, naargelang van het geval, over aan de raad van bestuur, aan de Koning of aan de algemene vergadering, voor elke beslissing betreffende geldelijke voordelen, rechtstreekse of onmiddellijke, onrechtstreekse of uitgestelde, rechtstreeks verbonden aan de functie of toegekend aan leden van beheersorganen. Hij stelt daarnaast jaarlijks een verslag op betreffende de bezoldigingen dat in het beheersverslag zal worden ingevoegd.) <W 2002-12-24/31, art. 502, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  [1 Dit verslag bevat de informatie zoals opgenomen in het verslag bedoeld in artikel 96, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen. Voor de leden van de beheersorganen dient de informatie bedoeld in artikel 96, § 3, van hetzelfde Wetboek, zoals van toepassing op vennootschappen waarvan de aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, mutatis mutandis te worden geleverd.]1
  
Art.17.   § 1. Le conseil d'administration a le pouvoir d'accomplir tous les actes nécessaires ou utiles à la réalisation de l'objet social de l'entreprise publique.
  Le conseil d'administration contrôle la gestion assurée par le comité de direction. Le comité de direction fait régulièrement rapport au conseil.
  Le conseil, ou son président, sans préjudice des pouvoirs lui conférés par l'article 18, § 5, peut, à tout moment, demander au comité de direction un rapport sur les activités de l'entreprise ou sur certaines d'entre elles.
  § 2. Le conseil d'administration peut déléguer au comité de direction en tout ou en partie les compétences visées au § 1er, à l'exception de :
  1° l'approbation du contrat de gestion, de même que de toute modification de celui-ci;
  2° l'élaboration du plan d'entreprise et la définition de la politique générale;
  3° le contrôle du comité de direction, notamment en ce qui concerne l'exécution du contrat de gestion;
  4° les autres compétences qui sont réservées au conseil d'administration par le présent titre et, si l'entreprise publique a la forme de société anonyme de droit public, par les lois coordonnées sur les sociétés commerciales.
  § 3. Au cas où l'entreprise publique n'a pas la forme de société anonyme de droit public, les articles 54, deuxième alinéa, 60, alinéa 1er, 61, 62, 63bis et 67 des lois coordonnées sur les sociétés commerciales, sont applicables par analogie au conseil d'administration.
  (§ 4. Le conseil d'administration constitue en son sein un comité des rémunérations ainsi que tout autre comité qu'il estimera nécessaire. Il en fixe la composition et le mode de fonctionnement en se conformant à la présente loi.
  Le comité de rémunération remet une proposition de décision au conseil d'administration, au Roi ou à l'assemblée générale selon le cas, pour chaque décision relative aux avantages pécuniaires, directs ou immédiats, indirects ou postposés, liés directement à la fonction ou accordés aux membres des organes de gestion. Il établit en outre annuellement un rapport relatif aux rémunérations qui sera inséré dans le rapport de gestion.) <L 2002-12-24/31, art. 502, 042; En vigueur : 10-01-2003>
  [1 Ce rapport contient les informations figurant dans le rapport visé à l'article 96, § 3, du Code des sociétés. Pour les membres des organes de gestion, les informations visées à l'article 96, § 3, du même Code, tel qu'il s'applique aux sociétés dont les actions sont admises aux négociations sur un marché réglementé au sens de l'article 2, 3°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, sont communiquées mutatis mutandis.]1
  
Art.18. § 1. De raad van bestuur telt ten hoogste achttien leden, met inbegrip van de leden van het directiecomité die er van rechtswege deel van uitmaken.
  Het aantal gewone leden van de raad van bestuur bedraagt het dubbel van het aantal leden van het directiecomité.
  § 2. Ingeval het overheidsbedrijf niet de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft, wordt het aantal leden van de raad van bestuur vastgesteld en worden de gewone leden benoemd door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit.
  Ingeval het overheidsbedrijf de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft, wordt het aantal leden van de raad van bestuur vastgesteld door de algemene vergadering van de aandeelhouders. De Koning benoemt, bij in Ministerraad overlegd besluit, een aantal gewone leden in verhouding tot het aantal stemmen dat verbonden is aan de aandelen in het bezit van de [2 overheid]2. De overige gewone leden worden daarna benoemd door de andere aandeelhouders.
  (Derde lid opgeheven) <KB 2004-10-18/32, art. 27, 050 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>.
  De gewone leden van de raad van bestuur, die werden benoemd door de Koning, kunnen slechts worden ontslagen, bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op eensluidend gemotiveerd advies van de raad van bestuur, goedgekeurd bij twee derde van de uitgebrachte stemmen.
  [1 § 2bis. Ten minste één derde van de leden van de raad van bestuur die worden aangewezen door de Belgische Staat of door een door de Belgische Staat gecontroleerde vennootschap is van een ander geslacht dan dat van de overige leden. Voor de toepassing van deze bepaling wordt het vereiste minimumaantal van die leden van een ander geslacht afgerond naar het dichtstbijzijnde gehele getal. Indien het aantal bestuurders van een ander geslacht kleiner is dan het bij deze bepaling vastgestelde minimum, is de eerstvolgende bestuurder die wordt benoemd van dat geslacht. Zo niet, is zijn benoeming nietig. Hetzelfde geldt indien een benoeming ertoe leidt dat het aantal van die bestuurders van een ander geslacht daalt tot onder dit vereiste minimumaantal.]1
  § 3. De gewone leden van de raad van bestuur worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar.
  § 4. Wanneer een plaats van bestuurder openvalt, hebben de overblijvende bestuurders het recht om voorlopig in de vacature te voorzien tot op het ogenblik dat een definitieve benoeming gebeurt overeenkomstig artikel 18 of artikel 20.
  § 5. De Koning benoemt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de voorzitter van de raad van bestuur onder de gewone leden.
  Bij staking van de stemmen in de raad van bestuur is de stem van de voorzitter beslissend.
  De voorzitter kan te allen tijde ter plaatse inzage nemen van de boeken, brieven, notulen en, in het algemeen, van alle documenten en geschriften van het overheidsbedrijf. Hij kan van de leden van het directiecomité, van de gemachtigden en de personeelsleden van het organisme alle ophelderingen en inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die hij nodig acht voor de uitvoering van zijn mandaat. Hij kan zich laten bijstaan door een door hem aangeduide accountant. De vergoeding van de accountant is ten laste van het overheidsbedrijf.
  
Art.18. § 1. Le conseil d'administration est composé de dix-huit membres au plus, y compris les membres du comité de direction, qui en sont membres de plein droit.
  Le nombre des membres ordinaires du conseil d'administration est le double du nombre des membres du comité de direction.
  § 2. Au cas où l'entreprise publique n'a pas la forme de société anonyme de droit public, le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, détermine le nombre d'administrateurs et nomme les administrateurs ordinaires.
  Si l'entreprise publique a la forme de société anonyme de droit public, le nombre des membres du conseil d'administration est déterminé par l'assemblée générale des actionnaires. Le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, un nombre de membres ordinaires proportionnel aux droits de vote attachés aux actions détenues par [2 les autorités publiques]2. Les autres membres ordinaires sont ensuite nommés par les autres actionnaires.
  Parmi les membres ordinaires du conseil d'administration de la (S.N.C.B. Holding) à nommer par le Roi, deux sont nommés sur la proposition du ministre dont la Société nationale relève, agissant sur proposition des deux organisations syndicales les plus représentatives siégeant à la Commission paritaire nationale auprès de cette entreprise. <AR 2004-10-18/32, art. 27, 050 ; En vigueur : 01-01-2005>
  Les membres ordinaires du conseil d'administration nommés par le Roi ne peuvent être révoqués que par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, sur avis conforme motivé du conseil d'administration, approuvé à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  [1 § 2bis. Un tiers au moins des membres du conseil d'administration désignés par l'Etat belge ou par une société contrôlée par l'Etat belge sont de sexe différent de celui des autres membres. Pour l'application de la présente disposition, le nombre minimum requis de ces membres de sexe différent est arrondi au nombre entier le plus proche. Si le nombre d'administrateurs de sexe différent n'atteint pas le minimum fixé par la présente disposition, le prochain administrateur nommé est de ce sexe, faute de quoi, sa nomination est nulle. Il en va de même si une nomination a pour effet de faire baisser le nombre de ces administrateurs de sexe différent sous ce nombre minimum requis.]1
  § 3. Les membres ordinaires du conseil d'administration sont nommés pour un terme renouvelable de six ans.
  § 4. En cas de vacance d'une place d'administrateur, les administrateurs restants ont le droit d'y pourvoir provisoirement jusqu'à une nomination définitive conformément à l'article 18 ou 20.
  § 5. Le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le président du conseil d'administration parmi les membres ordinaires.
  En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président est prépondérante.
  Le président peut, à tout moment, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures de l'entreprise publique. Il peut requérir des membres du comité de direction, des agents et des préposés de l'entreprise publique toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires pour l'exécution de son mandat. Il peut se faire assister par un expert-comptable désigné par lui. La rémunération de l'expert-comptable incombe à l'entreprise publique.
  
Afdeling III. - Het directiecomité.
Section III. - Le comité de direction.
Art.19. Het dagelijks bestuur en de vertegenwoordiging wat dat bestuur aangaat, alsmede de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur en de onderhandeling van het beheerscontract worden opgedragen aan het directiecomité.
  De leden van het directiecomité vormen een college. Zij kunnen hun taken onder elkaar verdelen.
  Het directiecomité kan zekere van zijn bevoegdheden, doch met uitzondering van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 4, § 2, en 11, § 2, opdragen aan één of meer van zijn leden of aan leden van het personeel. Het kan subdelegaties toestaan.
  Ingeval het overheidsbedrijf niet de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft, zijn de artikelen 60, eerste lid, 61, 62, 63, derde lid, 63bis en 67 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, van overeenkomstige toepassing.
Art.19. Le comité de direction est chargé de la gestion journalière et de la représentation en ce qui concerne cette gestion, de même que de l'exécution des décisions du conseil d'administration et de la négociation du contrat de gestion.
  Les membres du comité de direction forment un collège. Ils peuvent se répartir les tâches.
  A l'exception de celles visées aux articles 4, § 2, et 11, § 2, le comité de direction peut déléguer certaines de ces compétences à un ou plusieurs de ses membres ou à des membres du personnel. Il peut en autoriser la subdélégation.
  Au cas où l'entreprise publique n'a pas la forme de société anonyme de droit public, les articles 60, premier alinéa, 61, 62, 63, troisième alinéa, 63bis et 67 des lois coordonnées sur les sociétés commerciales, sont applicables par analogie.
Art.20. § 1. De gedelegeerd-bestuurder en de bestuurders-directeurs vormen het directiecomité. Het directiecomité wordt voorgezeten door de gedelegeerdbestuurder.
  § 2. De Koning benoemt de gedelegeerd-bestuurder bij in Ministerraad overlegd besluit voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. De gedelegeerd-bestuurder behoort tot een andere taalrol dan deze waartoe de voorzitter van de raad van bestuur behoort. Hij kan slechts worden ontslagen, bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op eensluidend gemotiveerd advies van twee derde van de gewone leden van de raad van bestuur.
  § 3. De gewone leden van de raad van bestuur benoemen op de voordracht van de gedelegeerd-bestuurder de overige leden van het directiecomité, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, teneinde de raad van bestuur voltallig samen te stellen. Deze leden van het directiecomité voeren de titel van bestuurder-directeur. Hun benoeming wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert.
  Een gewoon lid van de raad van bestuur kan niet terzelfder tijd lid van het directiecomité zijn.
  De bestuurders-directeurs kunnen slechts worden ontslagen bij besluit van twee derde van de gewone leden van de raad van bestuur. Het ontslag wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert.
  § 4. De gedelegeerd-bestuurder en de bestuurders-directeurs oefenen in of ter vertegenwoordiging van het overheidsbedrijf een voltijdse functie uit.
Art.20. § 1. Le comité de direction est composé de l'administrateur délégué et des administrateurs-directeurs. Le comité de direction est présidé par l'administrateur délégué.
  § 2. Le Roi nomme l'administrateur délégué par arrêté délibéré en Conseil des Ministres pour un terme renouvelable de six ans. L'administrateur délégué appartient à un rôle linguistique différent de celui du président du conseil d'administration. Il ne peut être révoqué que par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, sur avis conforme motivé de deux tiers des membres ordinaires du conseil d'administration.
  § 3. Les membres ordinaires du conseil d'administration nomment, sur la proposition de l'administrateur délégué, les autres membres du comité de direction pour un terme renouvelable de six ans, afin de compléter le conseil d'administration. Ces membres du comité de direction portent le titre d'administrateur-directeur. Leur nomination est soumise à l'approbation du ministre dont relève l'entreprise publique.
  Un membre ordinaire du conseil d'administration ne peut être membre du comité de direction en même temps.
  Les administrateurs-directeurs ne peuvent être révoqués que par décision de deux tiers des membres ordinaires du conseil d'administration. La révocation est soumise à l'approbation du ministre dont relève l'entreprise publique.
  § 4. L'administrateur délégué et les administrateurs-directeurs remplissent au sein de l'entreprise ou pour la représentation de celle-ci, des fonctions de plein exercice.
Afdeling IV. - Het mandaat van bestuurder.
Section IV. - Du mandat d'administrateur.
Art.21. § 1. De wederzijdse rechten, met inbegrip van de bezoldiging, en plichten van de gedelegeerd-bestuurder en de bestuurders-directeurs, enerzijds, en het overheidsbedrijf, anderzijds, worden geregeld in een bijzondere overeenkomst tussen bedoelde partijen. Bij de onderhandeling over de overeenkomst wordt het overheidsbedrijf vertegenwoordigd door de gewone leden van de raad van bestuur.
  De gedelegeerd-bestuurder of een bestuurder-directeur die zich, op het ogenblik van zijn benoeming, in een statutaire band bevindt met de Staat of met enig ander rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt van rechtswege ter beschikking gesteld overeenkomstig de modaliteiten van het betrokken statuut voor de gehele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op bevordering en weddeverhoging.
  Indien de gedelegeerd-bestuurder of een bestuurder-directeur zich op het ogenblik van zijn benoeming in een contractuele band bevindt met de Staat of met enig ander rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt de betrokken overeenkomst van rechtswege geschorst voor de gehele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op weddeverhoging.
  [1 De artikelen 520bis en 520ter van het Wetboek van Vennootschappen zijn mutatis mutandis van toepassing op de gedelegeerd bestuurder, de bestuurders-directeurs en de leden van het directiecomité.
   Indien in een overeenkomst bedoeld in het eerste lid een vertrekvergoeding wordt opgenomen die hoger is dan 12 maanden loon of, op gemotiveerd advies van het bezoldigingscomité, hoger is dan 18 maanden loon, wordt die [2 ...]2 bepaling omtrent de vertrekvergoeding voorafgaand goedgekeurd door [2 ...]2 de eerstvolgende gewone algemene vergadering[2 ...]2. Elk hiermee strijdig beding is van rechtswege nietig.
   Het voorgaande lid geldt ook voor de overeenkomst die wordt gesloten met de leden van het directiecomité.
   Het verzoek om een hogere vertrekvergoeding toe te kennen zoals bepaald in het vijfde lid moet worden medegedeeld aan het paritair comité, of, zo er geen is, aan de werknemersafgevaardigden in het comité voor preventie en bescherming op het werk, of, zo er geen is, aan de syndicale afvaardiging. Op vraag van een van de partijen in het paritair comité, de syndicale afvaardiging of de werknemersafgevaardigden in het comité voor preventie en bescherming op het werk brengt deze een advies uit aan [2 ...]2 de algemene vergadering[2 ...]2.
   [2 In dit geval]2, moet het verzoek [2 ...]2 dertig dagen voor de [2 datum van de publicatie]2 van de oproeping tot de eerstvolgende gewone algemene vergadering worden meegedeeld en de vraag om een advies worden ingediend ten minste twintig dagen voor dezelfde datum. Het advies wordt uiterlijk op de dag van de publicatie van de oproeping gegeven en op de website van het overheidsbedrijf gepubliceerd.
   De persoonsgegevens die aldus, naargelang het geval, aan [2 het paritair comité]2, aan de syndicale afvaardiging of aan de werknemersafgevaardigden in het comité voor preventie en bescherming op het werk worden overgelegd, mogen door laatstgenoemden enkel worden bekendgemaakt voor doeleinden van het in vorig lid bedoeld advies aan de algemene vergadering.
   Het vierde tot negende lid zijn niet van toepassing op de autonome overheidsbedrijven waarvan de aandelen zijn toegelaten op de verhandeling op een in artikel 2, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten bedoelde markt.]1

  § 2. De Koning of, indien het overheidsbedrijf de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft, de algemene vergadering, stelt de bezoldiging vast die de leden van de raad van bestuur genieten uit hoofde van hun mandaat als bestuurder.
  § 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde bezoldigingen zijn ten laste van het overheidsbedrijf. Indien de betrokken bezoldigingen een variabel bestanddeel hebben dan kunnen in de berekeningsbasis geen elementen voorkomen die als bedrijfskosten worden aangemerkt.
  [3 § 4. Voor de toepassing van dit artikel vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van het paritair comité.]3
  
Art.21. § 1. Les droits, y compris la rémunération, et obligations mutuels de l'administrateur délégué et des administrateurs-directeurs, d'une part, et de l'entreprise publique, d'autre part, sont réglés dans une convention particulière entre les parties concernées. Lors de la négociation de cette convention, l'entreprise publique est représentée par les membres ordinaires du conseil d'administration.
  L'administrateur délégué ou l'administrateur-directeur qui, au moment de sa nomination, se trouve dans un lien statutaire avec l'Etat ou toute autre personne de droit public relevant de l'Etat est mis de plein droit en congé pour mission selon les dispositions du statut en question pour toute la durée de son mandat. Toutefois, durant cette période, il garde ses titres à la promotion et à l'avancement de traitement.
  Lorsque l'administrateur délégué ou un administrateur-directeur au moment de sa nomination se trouve dans un lien contractuel avec l'Etat ou avec toute autre personne de droit public relevant de l'Etat, le contrat concerné est suspendu de plein droit pour toute la durée de son mandat. Toutefois, durant cette période, il garde ses titres à l'avancement de traitement.
  [1 Les articles 520bis et 520ter du Code des sociétés s'appliquent mutatis mutandis à l'administrateur délégué, aux administrateurs-directeurs et aux membres du comité de direction.
   Si une convention mentionnée à l'alinéa 1er prévoit une indemnité de départ qui dépasse les 12 mois de rémunération, ou, sur l'avis motivé du comité de rémunération, dépasse les 18 mois de rémunération, cette clause [2 ...]2 en matière d'indemnité de départ doit recueillir l'approbation préalable [2 ...]2 de la première assemblée générale ordinaire qui suit[2 ...]2. Toute disposition contraire est nulle de plein droit.
   L'alinéa précédent s'applique également à la convention conclue avec les membres du comité de direction.
   La demande de convenir d'une indemnité de départ plus élevée comme stipulée dans l'alinéa 5, doit être communiquée à la commission paritaire ou, à défaut, aux représentants des travailleurs au comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, à la délégation syndicale. A la demande d'une des parties à la commission paritaire, de la délégation syndicale ou des représentants des travailleurs au comité pour la prévention et la protection au travail, celui-ci donne un avis [2 ...]2 à l'assemblée générale[2 ...]2 .
   [2 Dans ce cas]2, la demande [2 ...]2 doit être communiquée trente jours avant le jour de la publication de la convocation de la première assemblée générale ordinaire qui suit et la demande d'avis doit être formulée au moins vingt jours avant la même date. L'avis est donné et publié sur le site Internet de l'entreprise publique au plus tard le jour de publication de la convocation.
   Les données à caractère personnel ainsi transmises, selon le cas, [2 à la commission paritaire]2, à la délégation syndicale ou aux représentants des travailleurs au comité pour la prévention et la protection au travail ne peuvent être divulguées par ceux-ci, sauf aux fins de l'avis à l'assemblée générale visé à l'alinéa précédent.
   Les alinéas 4 à 9 ne sont pas d'application aux entreprises publiques autonomes dont les actions sont admises à la négociation sur un marché visé à l'article 2, 3°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.]1

  § 2. Le Roi ou, si l'entreprise publique a la forme de société anonyme de droit public, l'assemblée générale, détermine la rémunération des membres du conseil d'administration en vertu de leur mandat d'administrateur.
  § 3. Les rémunérations visées aux §§ 1er et 2 sont à charge de l'entreprise publique. Si les rémunérations concernées comportent un élément variable, l'assiette ne peut comprendre des éléments ayant le caractère de charge d'exploitation.
  [3 § 4. Pour l'application du présent article, le comité d'entreprise stratégique auprès d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction de la commission paritaire.]3
  
Art.22. § 1. Onverminderd andere beperkingen bepaald bij of krachtens wet of door het organiek statuut van het autonoom overheidsbedrijf, is het mandaat van bestuurder onverenigbaar met het mandaat of de functie van :
  1° lid van het Europees Parlement;
  2° lid van de Wetgevende Kamers;
  3° minister of staatssecretaris;
  4° (lid van het Parlement of de regering van een Gemeenschap of Gewest;) <W 2006-03-27/35, art. 21, 062; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  5° gouverneur van een provincie of lid van de bestendige deputatie van een provincieraad;
  6° lid van het personeel van het betrokken overheidsbedrijf wat de gewone leden van de raad van bestuur betreft; (...). <KB 2004-10-18/32, art. 27, 050 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Het mandaat van bestuurder-directeur is bovendien onverenigbaar met het mandaat van burgemeester, schepen of voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met meer dan 30.000 inwoners.
  § 2. Wanneer een bestuurder zich in overtreding bevindt met de bepalingen van § 1, moet hij binnen een termijn van drie maanden de betrokken mandaten of functies neerleggen. Indien hij nalaat dit te doen wordt hij na afloop van deze termijn van rechtswege geacht zijn mandaat in het overheidsbedrijf te hebben neergelegd, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de handelingen die hij inmiddels heeft gesteld, of van de beraadslagingen waaraan hij inmiddels heeft deelgenomen.
  § 3. (...). <W 2000-08-12/62, art. 234, 031; Inwerkingtreding : 01-02-2000>
Art.22. § 1er. Sans préjudice des autres limitations prévues par ou en vertu d'une loi ou dans le statut organique de l'entreprise publique autonome, le mandat d'administrateur est incompatible avec le mandat ou les fonctions de :
  1° membre du Parlement européen;
  2° membre des Chambres législatives;
  3° ministre ou secrétaire d'Etat;
  4° (membre du Parlement ou du Gouvernement d'une Communauté ou d'une Région;) <L 2006-03-27/35, art. 21, 062; En vigueur : 21-04-2006>
  5° gouverneur d'une province ou membre de la députation permanente d'un conseil provincial;
  6° membre du personnel de l'entreprise publique concernée pour ce qui concerne les membres ordinaires du conseil d'administration; (...). <AR 2004-10-18/32, art. 27, 050 ; En vigueur : 01-01-2005>
  En outre, le mandat d'administrateur-directeur est incompatible avec le mandat de bourgmestre, échevin ou président du centre public d'aide sociale, d'une commune de plus de 30.000 habitants.
  § 2. Lorsqu'un administrateur contrevient aux dispositions du § 1er, il est tenu de se démettre des mandats ou fonctions en question dans un délai de trois mois. S'il ne le fait pas, il est réputé, à l'expiration de ce délai, s'être démis de plein droit de son mandat auprès de l'entreprise publique, sans que cela ne porte préjudice à la validité juridique des actes qu'il a accomplis ou des délibérations auxquelles il a pris part pendant la période concernée.
  § 3. (...). <L 2000-08-12/62, art. 234, 031; En vigueur : 01-02-2000>
HOOFDSTUK V. - Administratief toezicht en controle.
CHAPITRE V. - Tutelle administrative et contrôle.
Afdeling I. - Administratief toezicht.
Section I. - Tutelle administrative.
Art.23. § 1. Het autonoom overheidsbedrijf staat onder de controlebevoegdheid van de minister onder wie het ressorteert. Deze controle wordt uitgeoefend door bemiddeling van een Regeringscommissaris benoemd en ontslagen door de Koning, op de voordracht van de betrokken minister.
  De minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert duidt een plaatsvervanger aan voor het geval de Regeringscommissaris verhinderd zou zijn.
  De Koning regelt de uitoefening van de opdrachten van de Regeringscommissarissen (en hun bezoldiging. Deze bezoldiging is ten laste van het betrokken overheidsbedrijf.) <W 1994-12-12/31, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 22-12-1994>
  § 2. De Regeringscommissaris waakt over de naleving van de wet, het organiek statuut van het overheidsbedrijf en het beheerscontract. Hij ziet er inzonderheid op toe dat het door het overheidsbedrijf gevoerde beleid, inzonderheid wat het beleid bij toepassing van artikel 13 betreft, de uitvoering van de taken van openbare dienst niet in het gedrang brengt.
  De Regeringscommissaris brengt verslag uit bij de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert. Hij brengt verslag uit bij de Minister van Begroting aangaande alle beslissingen van de raad van bestuur of het directiecomité die een weerslag hebben op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk.
  § 3. De Regeringscommissaris wordt uitgenodigd op alle vergaderingen van de raad van bestuur en van het directiecomité en heeft er een raadgevende stem. Hij kan te allen tijde ter plaatse inzage nemen van de boeken, brieven, notulen en, in het algemeen, van alle documenten en geschriften van het overheidsbedrijf. Hij kan van de leden van de raad van bestuur, van de gemachtigden en de personeelsleden van het overheidsbedrijf alle ophelderingen en inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die hij nodig acht voor de uitvoering van zijn mandaat.
  Het overheidsbedrijf stelt de menselijke en materiële middelen ter beschikking van de Regeringscommissaris die nodig zijn voor de uitvoering van zijn mandaat.
  § 4. De Regeringscommissaris kan binnen een termijn van vier vrije dagen beroep aantekenen bij de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert tegen elke beslissing die hij strijdig acht met de wet, met het organieke statuut of met het beheerscontract.
  Deze termijn gaat in de dag van de vergadering waarop de beslissing werd genomen, voor zover de Regeringscommissaris daarop regelmatig was uitgenodigd, en, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij van de beslissing kennis heeft gekregen. Het beroep is opschortend.
  In geval van weerslag op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk vraagt de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert het akkoord van de Minister van Begroting.
  Heeft de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert, binnen een termijn van acht vrije dagen, ingaand dezelfde dag als de in het eerste lid bedoelde termijn, de nietigverklaring niet uitgesproken, dan wordt de beslissing definitief, onverminderd de bepalingen van het laatste lid. De minister betekent de nietigverklaring aan het bestuursorgaan.
  Indien de Minister van Begroting en de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert binnen de in het voorgaand lid bedoelde termijn van acht vrije dagen niet tot een akkoord komen, wordt over de aangelegenheid beslist binnen een termijn van dertig vrije dagen, ingaand dezelfde dag als de in het eerste lid bedoelde termijn, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure.
  § 5. Elk jaar brengt de raad van bestuur verslag uit bij de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert over de uitvoering door het overheidsbedrijf van zijn taken van openbare dienst.
  § 6. Elk jaar brengt de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert verslag uit bij de Wetgevende Kamers betreffende de toepassing van deze titel.
Art.23. § 1. L'entreprise publique autonome est soumise au pouvoir de contrôle du ministre dont elle relève. Ce contrôle est exercé à l'intervention d'un commissaire du Gouvernement, nommé et révoqué par le Roi sur la proposition du ministre concerné.
  Le ministre dont relève l'entreprise publique désigne un suppléant pour le cas d'empêchement éventuel du commissaire du Gouvernement.
  Le Roi règle l'exercice des missions des commissaires du Gouvernement (et leur rémunération. Cette rémunération est à charge de l'entreprise publique concernée.) <L 1994-12-12/31, art. 1, 009; En vigueur : 22-12-1994>
  § 2. Le commissaire du Gouvernement veille au respect de la loi, du statut organique de l'entreprise publique et du contrat de gestion. Il s'assure de ce que la politique de l'entreprise publique, en particulier, celle menée en exécution de l'article 13, ne porte pas préjudice à la mise en oeuvre des tâches de service public.
  Le commissaire du Gouvernement fait rapport au ministre dont relève l'entreprise publique. Il fait rapport au Ministre du Budget sur toutes les décisions du conseil d'administration ou du comité de direction qui ont une incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat.
  § 3. Le commissaire du Gouvernement est invité à toutes les réunions du conseil d'administration et du comité de direction et y a voix consultative. Il peut, à tout moment, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures de l'entreprise publique. Il peut requérir des administrateurs, des agents et des préposés de l'entreprise publique toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires à l'exécution de son mandat.
  L'entreprise publique met à la disposition du commissaire du Gouvernement les ressources humaines et matérielles nécessaires à l'exécution de son mandat.
  § 4. Le commissaire du Gouvernement peut, dans un délai de quatre jours francs, introduire un recours auprès du ministre dont relève l'entreprise publique contre toute décision qu'il estime contraire à la loi, au statut organique ou au contrat de gestion.
  Ce délai court à partir du jour de la réunion à laquelle la décision a été prise, pour autant que le commissaire du Gouvernement y ait été régulièrement convoqué et, dans le cas contraire, à partir du jour où il en a reçu connaissance. Le recours est suspensif.
  En cas d'incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat, le ministre dont relève l'entreprise publique demande l'accord du Ministre du Budget.
  Si, dans un délai de huit jours francs commençant le même jour que le délai visé à l'alinéa premier, le ministre dont relève l'entreprise publique n'a pas prononcé l'annulation, la décision devient définitive, sans préjudice des dispositions du dernier alinéa. Le ministre concerné notifie l'annulation à l'organe de gestion.
  Si le Ministre du Budget et le ministre dont relève l'entreprise publique ne trouvent pas d'accord dans le délai de huit jours visé à l'alinéa précédent, il est statué dans un délai de trente jours francs commençant le même jour que le délai visé à l'alinéa premier, selon la procédure fixée par le Roi.
  § 5. Chaque année, le conseil d'administration fait rapport au ministre dont relève l'entreprise publique de l'accomplissement par l'entreprise publique de ses tâches de service public.
  § 6. Chaque année, le ministre dont relève l'entreprise publique autonome fait rapport aux Chambres législatives de l'application du présent titre.
Art.24. Wanneer de naleving van de wet, van het organiek statuut of van het beheerscontract het eist, kan de minister onder wie het autonoom overheidsbedrijf ressorteert of de Regeringscommissaris, het bevoegde bestuursorgaan verplichten om, binnen de door hem gestelde termijn, te beraadslagen over iedere door hem bepaalde aangelegenheid.
Art.24. Lorsque le respect de la loi, du statut organique ou du contrat de gestion le requiert, le ministre dont relève l'entreprise publique autonome ou le commissaire du Gouvernement peut requérir l'organe de gestion compétent de délibérer, dans le délai qu'il fixe, sur toute question qu'il détermine.
Afdeling II. - Controle.
Section II. - Contrôle.
Art.25. § 1. De controle op de financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid, vanuit het oogpunt van de wet en van het organiek statuut, van de verrichtingen weer te geven in de jaarrekening, wordt in elk autonoom overheidsbedrijf opgedragen aan een college van commissarissen dat vier leden telt. De leden van het college voeren de titel van commissaris.
  [2 § 1/1. De bepalingen van § 1 zijn ook van toepassing op de dochterondernemingen van respectievelijk Infrabel en NMBS en hun vennootschappen met deelnemingsverhouding waarin de gezamenlijke overheden rechtstreeks of onrechtstreeks een controlepercentage bezitten van meer dan 50 %.]2
  § 2. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, nadere regelen vaststellen aangaande de opdracht, de actiemiddelen en het statuut van de commissarissen.
  § 3. Ingeval het overheidsbedrijf niet de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft, worden twee leden van het college van commissarissen benoemd door het Rekenhof en worden twee leden benoemd door de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert.
  In de overheidsbedrijven die de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht hebben, benoemt het Rekenhof twee leden. De andere leden worden benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders.
  De leden benoemd door het Rekenhof worden benoemd onder de leden van het Rekenhof. De andere leden worden benoemd onder de leden, natuurlijke personen of rechtspersonen, van het Instituut der bedrijfsrevisoren voorgedragen overeenkomstig artikel 15ter van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, ingevoegd door de wet van 21 februari 1985, waarbij het paritair comité de taak van de ondernemingsraad vervult.
  [1 Voor de toepassing van het voorgaande lid vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van de ondernemingsraad.]1
  § 4. De commissarissen worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van (maximaal) zes jaar (In voorkomend geval dient in de statuten van het desbetreffende overheidsbedrijf de duur van de benoemingstermijn te worden gespecificeerd.) Op straf van schadevergoeding kunnen zij tijdens hun opdracht alleen om wettige redenen worden ontslagen. Behoudens gewichtige persoonlijke redenen mag een commissaris geen ontslag nemen tenzij ter gelegenheid van de neerlegging van zijn verslag bij de jaarrekening en nadat hij de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert en, in voorkomend geval, de algemene vergadering schriftelijk heeft ingelicht over de beweegredenen van zijn ontslag. <W 2004-07-09/30, art. 51, 049; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  § 5. De Koning of, indien het overheidsbedrijf de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft, de algemene vergadering, stelt de bezoldiging vast van de commissarissen. Deze bezoldiging is ten laste van het overheidsbedrijf.
  § 6. In de overheidsbedrijven die niet de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht hebben, zijn de artikelen 64, § 1, vierde lid, 64bis, 64ter, 64sexies, 64octies en 65 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, van overeenkomstige toepassing op het college van commissarissen. Het in artikel 65 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, bedoelde verslag wordt overgezonden aan de raad van bestuur en aan de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert.
  § 7. Het Rekenhof oefent zijn toezicht uit uitsluitend op grond van artikel 27, § 3 [2 , § 4, § 5 en § 6]2. De rekenplichtigen van de autonome overheidsbedrijven zijn niet onderworpen aan de wet van 29 oktober 1846 op de inrichting van het Rekenhof.
  
Art.25. § 1. Le contrôle de la situation financière, des comptes annuels et de la régularité, au regard de la loi et du statut organique, des opérations à constater dans les comptes annuels, est confié, dans chaque entreprise publique autonome, à un collège de commissaires qui compte quatre membres. Les membres du collège portent le titre de commissaire.
  [2 § 1er/1. Les dispositions du § 1er s'appliquent également aux filiales respectivement d'Infrabel et de la SNCB et à leurs sociétés avec lesquelles il existe un lien de participation, dans lesquelles l'ensemble des autorités publiques détiennent, directement ou indirectement, un pourcentage de contrôle de plus de 50 %.]2
  § 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, préciser la mission, les moyens d'action et le statut des commissaires.
  § 3. Au cas où l'entreprise publique n'a pas la forme de société anonyme de droit public, deux membres du collège des commissaires sont nommés par la Cour des Comptes et deux membres sont nommés par le ministre dont relève l'entreprise publique.
  Dans les entreprises publiques qui ont la forme de société anonyme de droit public, la Cour des Comptes nomme deux membres. Les autres membres sont nommés par l'assemblée générale des actionnaires.
  Les membres nommés par la Cour des Comptes sont nommes parmi les membres de la Cour des Comptes. Les autres membres sont nommés parmi les membres, personnes physiques ou morales, de l'Institut des réviseurs d'entreprises proposés conformément à l'article 15ter de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, inséré par la loi du 21 février 1985, la commission paritaire remplissant la fonction du conseil d'entreprise.
  [1 Pour l'application de l'alinéa qui précède, le comité d'entreprise stratégique auprès d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction du conseil d'entreprise.]1
  § 4. Les commissaires sont nommés pour un terme renouvelable de (au maximum) six ans. Sous peine de dommages-intérêts, ils ne peuvent être révoqués en cours de mandat que pour juste motif. (La durée du mandat doit, le cas échéant, être précisée dans les statuts de l'entreprise publique concernée.) Un commissaire ne peut, sans motifs personnels graves, démissionner de ses fonctions qu'à l'occasion du dépôt de son rapport sur les comptes annuels et après avoir fait un rapport par écrit sur les raisons de sa démission au ministre dont relève l'entreprise publique et, le cas échéant, à l'assemblée générale. <L 2004-07-09/30, art. 51, 049; En vigueur : 25-07-2004>
  § 5. Le Roi ou, si l'entreprise publique a la forme de société anonyme de droit public, l'assemblée générale, détermine la rémunération des commissaires. Cette rémunération est à charge de l'entreprise publique concernée.
  § 6. Les articles 64, § 1er, quatrième alinéa, 64bis, 64ter, 64sexies, 64octies et 65 des lois coordonnées sur les sociétés commerciales, sont applicables au collège des commissaires par analogie dans les entreprises publiques qui n'ont pas la forme de société anonyme de droit public. Le rapport visé à l'article 65 des lois coordonnées sur les sociétés commerciales, est transmis au conseil d'administration et au ministre dont relève l'entreprise publique.
  § 7. La Cour des Comptes exerce son contrôle exclusivement sur la base de l'article 27, § 3 [2 , § 4, § 5 et § 6]2. Les comptables des entreprises publiques autonomes ne sont pas soumis à la loi du 29 octobre 1846 relative à l'organisation de la Cour des Comptes.
  
HOOFDSTUK VI. - Ondernemingsplan.
CHAPITRE VI. - Plan d'entreprise.
Art.26. De raad van bestuur van elk autonoom overheidsbedrijf stelt elk jaar een ondernemingsplan op dat de doelstellingen en de strategie op halflange termijn van het overheidsbedrijf vastlegt.
  De onderdelen van het plan die de uitvoering van de taken van openbare dienst betreffen worden ter informatie medegedeeld aan het paritair comité bij het autonoom overheidsbedrijf. Zij worden voor toetsing aan de bepalingen van het beheerscontract ter goedkeuring voorgelegd aan de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert. De overige onderdelen worden ter informatie aan de betrokken minister medegedeeld.
  [1 Voor de toepassing van het voorgaande lid, vervult het strategisch bedrijfscomité bij Infrabel en NMBS de taak van het paritair comité.]1
  
Art.26. Le conseil d'administration de chaque entreprise publique autonome établit chaque année un plan d'entreprise fixant les objectifs et la stratégie à moyen terme de l'entreprise publique.
  Les éléments du plan d'entreprise qui concernent l'exécution des tâches de service public sont communiqués pour information à la commission paritaire auprès de l'entreprise publique autonome. Ils sont soumis à l'approbation du ministre dont relève l'entreprise publique pour évaluation en regard des dispositions du contrat de gestion. Les autres éléments sont communiqués pour information au ministre concerné.
  [1 Pour l'application de l'alinéa qui précède, le comité d'entreprise stratégique auprès d'Infrabel et de la SNCB remplit la fonction de la commission paritaire.]1
  
HOOFDSTUK VII. - Boekhouding en jaarrekening.
CHAPITRE VII. - Comptabilité et comptes annuels.
Art.27. § 1. De autonome overheidsbedrijven zijn onderworpen aan de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen. Zij voeren hun boekhouding per kalenderjaar. Zij voorzien in een afzonderlijk stelsel van rekeningen voor de activiteiten die verband houden met hun taken van openbare dienst, enerzijds, en hun andere activiteiten, anderzijds.
  De bijlage bij de jaarrekening bevat een samenvattende staat van de rekeningen betreffende de taken van openbare dienst en een desbetreffend commentaar. De Koning kan algemene of bijzondere regelen bepalen inzake de vorm en inhoud van deze samenvattende staat en commentaar.
  § 2. Elk jaar maakt de raad van bestuur een inventaris op, alsmede de jaarrekening en een jaarverslag. Het jaarverslag bevat de informatie bepaald in artikel 77, vierde lid, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.
  Onder voorbehoud van bijzondere regelen vastgesteld krachtens artikel 10, § 2, tweede lid, van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, ingevoegd bij de wet van 1 juli 1983, worden de jaarrekening, het jaarverslag en het verslag van het college van revisoren bekendgemaakt op de wijze bepaald in artikel 80 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen. Artikel 80bis van dezelfde wetten is van overeenkomstige toepassing.
  (Het beheersverslag omvat verder volledige informatie over de bezoldiging van de leden van de beheersorganen alsook over de mandaten en de bijhorende bezoldigingen die deze leden en het personeel van het bedrijf uitoefenen binnen de vennootschappen, groepen en organismen binnen dewelke het bedrijf participaties bezit of waarvoor zij bijdraagt aan de werking, en waar deze personen op haar voorstel werden aangewezen.) <W 2002-12-24/31, art. 503, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  [2 Het beheersverslag van NMBS en Infrabel omvat voorts een exhaustief overzicht van alle vennootschappen, groepen en organismen binnen dewelke het bedrijf rechtstreekse of onrechtstreekse participaties bezit, met vermelding van het houderschapspercentage.]2
  [2 § 2/1. De bepalingen van paragraaf 2 zijn ook van toepassing op de dochterondernemingen van respectievelijk Infrabel en NMBS en hun vennootschappen met deelnemingsverhouding waarin de gezamenlijke overheden rechtstreeks of onrechtstreeks een controlepercentage bezitten van meer dan 50 %.]2
  § 3. De raad van bestuur zendt, vóór 30 april van het jaar volgend op het betrokken boekjaar, de jaarrekening tezamen met het jaarverslag en het verslag van het college van commissarissen, over aan de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert, alsmede aan de Minister van Begroting.
  In de overheidsbedrijven die niet de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht hebben, wordt de jaarrekening en de daarin voorgestelde resultaatverwerking onderworpen aan de goedkeuring van de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert.
  De minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert, zendt de in het eerste lid bedoelde stukken vóór 31 mei van het jaar volgend op het betrokken boekjaar ter nazicht over aan het Rekenhof.
  Het Rekenhof kan door bemiddeling van haar vertegenwoordigers in het college van commissarissen een toezicht ter plaatse inrichten op de rekeningen en verrichtingen die betrekking hebben op de uitvoering van de taken van openbare dienst. Het Hof kan de rekeningen in zijn Opmerkingenboek bekendmaken.
  Vóór dezelfde datum deelt de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert, de in het eerste lid bedoelde stukken mee aan de Wetgevende Kamers.
  (§ 4. In afwijking van § 3, eerste lid, voor wat [1 de NMBS]1, [1 ...]1 en Infrabel betreft [2 en hun respectieve dochterondernemingen en hun vennootschappen met deelnemingsverhouding waarin de gezamenlijke overheden rechtstreeks of onrechtstreeks een controlepercentage bezitten van meer dan 50 %]2, bezorgt de raad van bestuur de jaarrekening samen met het jaarverslag en het verslag van het college van commissarissen aan de Minister die bevoegd is voor het overheidsbedrijf en aan de Minister van Begroting, veertien dagen vóór de algemene vergadering.
  § 5. In afwijking van § 3, derde lid, voor wat betreft Infrabel, de NMBS en de NMBS-Holding [2 en hun respectieve dochterondernemingen en hun vennootschappen met deelnemingsverhouding waarin de gezamenlijke overheden rechtstreeks of onrechtstreeks een controlepercentage bezitten van meer dan 50 %]2, is de datum van mededeling van de onder de eerste alinea van § 3 bedoelde documenten aan het Rekenhof 30 juni van het jaar volgend op het betrokken boekjaar.) <W 2008-12-22/33, art. 74, 072; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [2 § 6. In afwijking van § 3, vierde lid, voor wat de NMBS en Infrabel betreft, kan het Rekenhof door bemiddeling van zijn vertegenwoordigers in het college van commissarissen eveneens een toezicht ter plaatse inrichten op de rekeningen en verrichtingen van:
   1° de overheidsbedrijven;
   2° de dochterondernemingen en de vennootschappen met deelnemingsverhouding waarin de gezamenlijke overheden rechtstreeks of onrechtstreeks een controlepercentage bezitten van meer dan 50 %.]2

  
Art.27. § 1. Les entreprises publiques autonomes sont soumises à la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises. Elles établissent leur comptabilité par année civile. Elles établissent un système distinct de comptes pour les activités ayant trait à leurs tâches de service public, d'une part, et pour leurs autres activités, d'autre part.
  L'annexe des comptes annuels contient un état récapitulatif des comptes relatifs aux tâches de service public et un commentaire à ce sujet. Le Roi peut arrêter des règles générales ou particulières relatives à la forme et au contenu de cet état récapitulatif et de ce commentaire.
  § 2. Chaque année, le conseil d'administration dresse un inventaire et établit les comptes annuels et un rapport de gestion. Le rapport de gestion contient les informations visées à l'article 77, quatrième alinéa, des lois coordonnées sur les sociétés commerciales.
  (Le rapport de gestion comprendra en outre des informations complètes sur la rémunération des membres des organes de gestion ainsi que sur les mandats et les rémunérations y afférent que ces membres et le personnel de l'entreprise exercent dans les sociétés, groupements et organismes dans lesquels l'entreprise détient des participations ou au fonctionnement desquels elle contribue, et où ces personnes ont été désignées sur sa proposition.) <L 2002-12-24/31, art. 503, 042; En vigueur : 10-01-2003>
  Sous réserve des règles particulières arrêtées en vertu de l'article 10, § 2, deuxième alinéa, de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises, inséré par la loi du 1er juillet 1983, les comptes annuels, le rapport de gestion et le rapport du collège des réviseurs sont publiés de la manière déterminée à l'article 80 des lois coordonnées sur les sociétés commerciales. L'article 80bis des mêmes lois est applicable par analogie.
  [2 Le rapport de gestion de la SNCB et d'Infrabel comprend en outre un relevé exhaustif de toutes les sociétés et de tous les groupements et organismes dans lesquels l'entreprise détient directement ou indirectement des participations, en mentionnant le pourcentage de détention.]2
  [2 § 2/1. Les dispositions du paragraphe 2 s'appliquent également aux filiales respectivement d'Infrabel et de la SNCB et à leurs sociétés avec lesquelles il existe un lien de participation, dans lesquelles l'ensemble des autorités publiques détiennent, directement ou indirectement, un pourcentage de contrôle de plus de 50 %.]2
  § 3. Le conseil d'administration communique les comptes annuels accompagnés du rapport de gestion et du rapport du collège des commissaires au ministre dont relève l'entreprise publique et au Ministre du Budget, avant le 30 avril de l'année suivant l'exercice concerné.
  Les comptes annuels des entreprises publiques qui n'ont pas la forme de société anonyme de droit public et l'affectation des résultats qui y est proposée, sont soumis à l'approbation du ministre dont relève l'entreprise publique.
  Avant le 31 mai de l'année suivant l'exercice concerné, le ministre dont relève l'entreprise publique communique les documents visés au premier alinéa à la Cour des Comptes pour vérification.
  La Cour des Comptes peut, à l'intervention de ses représentants au collège des commissaires, organiser un contrôle sur place des comptes et opérations ayant trait à l'exécution des tâches de service public. La Cour peut publier les comptes dans son Cahier d'observations.
  Avant la même date, le ministre dont relève l'entreprise publique communique les documents visés au premier alinéa aux Chambres législatives.
  (§ 4. Par dérogation au § 3, alinéa 1er, pour ce qui concerne [1 la SNCB]1, [1 ...]1 et Infrabel [2 et leurs filiales respectives et leurs sociétés avec lesquelles il existe un lien de participation, dans lesquelles l'ensemble des autorités publiques détiennent, directement ou indirectement, un pourcentage de contrôle de plus de 50 %]2, le conseil d'administration communique les comptes annuels accompagnés du rapport de gestion et du rapport du collège des commissaires au ministre dont relève l'entreprise publique et au Ministre du Budget, quatorze jours avant la tenue de l'assemblée générale.
  § 5. Par dérogation au § 3, alinéa 3, pour ce qui concerne Infrabel, [1 ...]1 et [1 la SNCB]1 [2 et leurs filiales respectives et leurs sociétés avec lesquelles il existe un lien de participation, dans lesquelles l'ensemble des autorités publiques détiennent, directement ou indirectement, un pourcentage de contrôle de plus de 50 %]2, la date de communication à la Cour des comptes des documents visés au premier alinéa du § 3 est le 30 juin de l'année suivant l'exercice concerné.) <L 2008-12-22/33, art. 74, 072; En vigueur : 08-01-2009>
  [2 § 6. Par dérogation au § 3, alinéa 4, pour ce qui concerne la SNCB et Infrabel, la Cour des comptes peut, à l'intervention de ses représentants au collège des commissaires, organiser un contrôle sur place des comptes et opérations des :
   1° entreprises publiques ;
   2° filiales et des sociétés avec lesquelles il existe un lien de participation, dans lesquelles l'ensemble des autorités publiques détiennent, directement ou indirectement, un pourcentage de contrôle de plus de 50 %.]2

  
Art.28. Het organiek statuut van het autonoom overheidsbedrijf regelt de bestemming van de nettowinst. Ingeval het overheidsbedrijf niet de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft en het organiek statuut de winstbestemming niet regelt, wordt de winstbestemming geregeld in het beheerscontract.
  In het geval een autonoom overheidsbedrijf nog niet de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht heeft aangenomen, wordt jaarlijks van de nettowinst een bedrag van ten minste één twintigste afgenomen voor de vorming van een reservefonds; de verplichting tot deze afneming houdt op wanneer het reservefonds een in het organiek statuut bepaald bedrag bereikt.
Art.28. Le statut organique de l'entreprise publique autonome règle l'affectation des bénéfices nets. Au cas où l'entreprise publique n'a pas la forme de société anonyme de droit public et le statut organique ne règle pas l'affectation des bénéfices, cette affectation est réglée dans le contrat de gestion.
  Au cas où l'entreprise publique autonome n'a pas encore pris la forme d'une société anonyme de droit public, il est fait annuellement, sur les bénéfices nets, un prélèvement d'un vingtième au moins, affecté à la formation d'un fonds de réserve; ce prélèvement cesse d'être obligatoire lorsque le fonds de réserve a atteint un montant déterminé dans le statut organique.
HOOFDSTUK VIII. - Personeel.
CHAPITRE VIII. - Personnel.
Afdeling I. - Beginselen betreffende het statuut van het personeel en het syndicaal statuut.
Section I. - Principes gouvernant le statut du personnel et le statut syndical.
Art.29. § 1. [1 De personeelsleden van een autonoom overheidsbedrijf worden aangeworven en tewerkgesteld krachtens het personeelskader en het personeelsstatuut die door de raad van bestuur of, in voorkomend geval, door de Koning, overeenkomstig deze titel en artikel 176, § 7, worden vastgesteld.]1
  Echter, een autonoom overheidsbedrijf kan personeelsleden aanwerven en tewerkstellen onder arbeidsovereenkomst onderworpen aan de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met het oog op :
  1° de tegemoetkoming aan buitengewone en tijdelijke personeelsbehoeften, ten gevolge van de uitvoering van in de tijd beperkte projecten of een buitengewone toename in het werk;
  2° de uitvoering van taken die een kennis of ervaring op hoog niveau vereisen;
  3° de vervanging van statutaire of contractuele personeelsleden gedurende perioden van tijdelijke, gehele of gedeeltelijke afwezigheid;
  4° de uitvoering van bijkomstige of specifieke opdrachten.
  De personeelsleden van een autonoom overheidsbedrijf worden benoemd of in dienst genomen bij of krachtens beslissing van de raad van bestuur.
  § 2. De betrekkingen tussen een autonoom overheidsbedrijf en de representatieve vakorganisaties van zijn personeel worden geregeld in het syndicaal statuut dat door de raad van bestuur of, in voorkomend geval, door de Koning, overeenkomstig deze titel wordt vastgesteld.
  
Art.29. § 1. [1 Les membres du personnel d'une entreprise publique autonome sont recrutés et employés en vertu du cadre et du statut du personnel arrêtés par le conseil d'administration ou, le cas échéant, le Roi, conformément au présent titre et à l'article 176, § 7.]1
  Toutefois, une entreprise publique autonome peut recruter et employer du personnel en vertu d'un contrat de travail soumis à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, afin :
  1° de répondre à des besoins exceptionnels et temporaires en personnel, qu'il s'agisse soit de la mise en oeuvre d'actions limitées dans le temps, soit d'un surcroît extraordinaire de travail;
  2° d'exécuter des tâches nécessitant une connaissance ou expérience de haute qualification;
  3° de remplacer des membres du personnel statutaire ou contractuel pendant des périodes d'absence temporaire partielle ou totale;
  4° d'accomplir des tâches auxiliaires ou spécifiques.
  Les membres du personnel d'une entreprise publique autonome sont nommés ou engagés par ou en vertu d'une décision du conseil d'administration.
  § 2. Les relations entre une entreprise publique autonome et les organisations syndicales représentatives de son personnel sont réglées dans le statut syndical arrêté par le conseil d'administration ou, le cas échéant, le Roi, conformément au présent titre.
  
Art. 29bis. <INGEVOEGD bij W 2006-12-27/30, art. 273; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De vastbenoemde personeelsleden van de autonome overheidsbedrijven die aan de voorwaarden van het vijfde lid voldoen, kunnen individueel of in het kader van een project zich kandidaat stellen voor externe mobiliteit naar elke openbare overheid die in deze mogelijkheid voorziet.
  Gedurende een periode, bepaald overeenkomstig het zesde lid, behouden de in het eerste lid bedoelde personeelsleden hun administratieve stand binnen hun autonoom overheidsbedrijf.
  Zij kunnen na een stage- of proefperiode bij deze openbare overheid benoemd worden indien zij minstens hun geldelijke anciënniteit bij het autonoom overheidsbedrijf behouden en ze benoemd worden in het niveau overeenkomstig hun diploma of indien ze het vereiste diploma niet bezitten, het niveau vergelijkbaar aan hun niveau bij het autonoom overheidsbedrijf.
  Elke openbare overheid in de zin van het eerste lid van dit artikel is elke openbare dienst die afhangt van de federale overheid, van de gewesten en de gemeenschappen alsook de instellingen die ervan afhangen, de provincies en de gemeenten, de agglomeraties, federaties en verenigingen van gemeenten, de politiezones. In het kader van huidig artikel worden de autonome overheidsbedrijven eveneens als " openbare overheid " beschouwd.
  De voorwaarden waaraan deze personeelsleden dienen te voldoen om de externe mobiliteit aan te vragen en de nadere regels worden bepaald door het autonoom overheidsbedrijf waarvan het personeelslid afkomstig is, overeenkomstig artikel 34, § 2, A, 4°, en artikel 35 van deze wet.
  Wanneer voor de in het vierde lid bedoelde openbare overheid geen bepalingen gelden die de indiensttreding en de definitieve benoeming van de in het eerste lid bedoelde personeelsleden mogelijk maken, sluit hij een protocolakkoord met het betrokken autonoom overheidsbedrijf dat minstens volgende punten omvat :
  1° de selectievoorwaarden;
  2° de bepaling van de niveaus en de weddetabellen waarin het ingezet personeel terechtkomt en die van toepassing zijn bij de ontvangende openbare overheid;
  3° de duurtijd van de stage of proefperiode;
  4° de regeling inzake de overdracht van vakantie- en ziekteverlofdagen.
  Bovendien sluit elk autonoom overheidsbedrijf, met de openbare overheid, bedoeld in het vierde lid, een protocolakkoord betreffende :
  1° de regels betreffende de wijze van verdeling van de loonkosten naargelang van het niveau;
  2° een verwijzing naar de toepasselijke regelgeving betreffende de bepaling van de pensioenbijdragen voor personeel bij een ontvangende openbare overheid in het kader van de externe mobiliteit.
  Het protocol, bedoeld in het zevende lid, kan gesloten worden door de bevoegde overheid voor meerdere openbare overheidsdiensten.
  De ontvangende openbare overheidsdienst kan eventueel een welomschreven project bepalen evenals het aantal personeelsleden dat in het kader van deze mobiliteit kan aangesteld worden.
Art. 29bis. Les membres du personnel nommés des entreprises publiques autonomes qui répondent aux conditions visées au cinquième alinéa peuvent solliciter, à titre individuel ou dans le cadre d'un projet, la mobilité externe vers tout service public prévoyant cette possibilité.
  Pendant une période, déterminée conformément à l'alinéa 6, les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, conservent leur position administrative au sein de leur entreprise publique autonome.
  Ils peuvent, après une période de stage ou d'essai, être nommés dans cet autre service public s'ils en conservent au moins leur ancienneté pécuniaire auprès de l'entreprise publique autonome et s'ils sont nommés dans le niveau conformément à leur diplôme ou, s'ils ne disposent pas du diplôme requis, dans le niveau comparable à leur niveau auprès de l'entreprise publique autonome.
  Le service public dans le sens de l'alinéa 1er du présent article est tout service public dépendant du pouvoir fédéral, des régions et des communautés ainsi que les institutions qui en dépendent, les provinces et les communes, les agglomérations, les fédérations et associations de communes, les zones de police. Les entreprises publiques autonomes sont, dans le cadre du présent article, également considérées comme " services publics ".
  Les conditions auxquelles doivent répondre ces membres du personnel pour demander la mobilité externe ainsi que les modalités sont définies par l'entreprise publique autonome dont provient le membre du personnel, conformément à l'article 34, § 2, A, 4°, et l'article 35 de la présente loi.
  Lorsque le service public visé au quatrième alinéa n'est pas régi par des dispositions permettant l'entrée en fonction et la nomination définitive des membres du personnel visés à l'alinéa 1er, il conclut un protocole d'accord avec l'entreprise publique autonome concernée comprenant au moins :
  1° les conditions de sélections;
  2° la fixation des niveaux et des tableaux barémiques dans lesquels le personnel affecté sera versé et qui sont d'application au sein du service public recevant;
  3° la durée du stage ou période d'essai;
  4° le règlement en matière de transfert de jours de congé et de maladie.
  En outre, chaque entreprise publique autonome conclut un protocole d'accord avec le service public, visé au quatrième alinéa, concernant :
  1° les règles concernant les modalités de répartition du coût salarial selon le niveau;
  2° une référence à la réglementation en vigueur relative à la fixation des cotisations de pension pour le membre du personnel auprès d'un service public recevant dans le cadre de la mobilité externe.
  Le protocole visé à l'alinéa 7 peut être conclu par l'autorité compétente pour plusieurs services publics.
  Le service public recevant peut éventuellement déterminer un projet précis ainsi que le nombre de membres du personnel pouvant être affectés dans le cadre de cette mobilité.
Afdeling II. - Het paritair comité.
Section II. - La commission paritaire.
Art.30. § 1. In elk autonoom overheidsbedrijf wordt een paritair comité opgericht.
  § 2. Het paritair comité is bevoegd inzake :
  1° het overleg met en de algemene informatie van het personeel, met inbegrip van, wat de aangelegenheden bedoeld in artikel 34, § 2, betreft de regelen die het paritair comité niet, bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen, heeft aangeduid, als grondregel;
  2° de onderhandeling met de representatieve vakorganisaties wat de vaststelling van het personeelsstatuut en het syndicaal statuut betreft, overeenkomstig artikel 33 of 35;
  3° de aangelegenheden betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, overeenkomstig artikel 36, § 2;
  4° het onderzoek van de economische en financiële informatie bedoeld in artikel 15, eerste lid, littera b, en tweede lid, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, gewijzigd door de wet van 17 februari 1971, met betrekking tot het overheidsbedrijf en zijn verbonden ondernemingen, zoals gepreciseerd en aangevuld door de collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in het kader van de Nationale Arbeidsraad;
  (4°bis het formuleren van een advies omtrent het driejaarlijks verslag van de bedrijfsleider betreffende de woon-werkverplaatsingen van zijn werknemers, bedoeld in artikel 15, l), van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, ingevoegd bij de programmawet van 8 april 2003;) <W 2003-04-08/33, art. 166, 045; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
  5° het overleg met de representatieve vakorganisaties wat het sluiten van het beheerscontract betreft, overeenkomstig artikel 4, § 2;
  6° het vaststellen en de wijziging van het arbeidsreglement, overeenkomstig artikel 11 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen waarbij het paritair comité de taken van de ondernemingsraad vervult.
  § 3. De Koning bepaalt het aantal leden van het paritair comité, zonder dat het meer dan achttien, de voorzitter niet meegerekend, kan bedragen.
  Het paritair comité wordt voorgezeten door de voorzitter van de raad van bestuur; de voorzitter heeft raadgevende stem.
  § 4. De helft van de leden van het paritair comité wordt benoemd door de raad van bestuur. De andere helft wordt benoemd door de raad van bestuur op eensluidend advies van de representatieve vakorganisaties. Voor elk lid van het paritair comité wordt een plaatsvervanger benoemd.
  Iedere representatieve vakorganisatie stelt een aantal leden voor in verhouding tot haar aantal bijdrageplichtige leden onder het totaal aantal personeelsleden van het overheidsbedrijf die bij een representatieve vakorganisatie zijn aangesloten.
  § 5. Wordt als representatief beschouwd om te zetelen in het paritair comité van een autonoom overheidsbedrijf :
  1° iedere vakorganisatie bedoeld in artikel 8, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, zoals gewijzigd bij artikel 51, § 3, van deze wet;
  2° onverminderd het 1°, de vakorganisatie die, tegelijk :
  a) de belangen verdedigt van al de categorieën van het personeel;
  b) aangesloten is bij een op nationaal vlak als centrale opgerichte vakorganisatie of deel uitmaakt van een op hetzelfde vlak opgericht vakverbond;
  c) het grootste aantal bijdrageplichtige leden telt onder de vakorganisaties andere dan die bedoeld onder 1° en die een aantal bijdrageplichtige leden telt dat ten minste 10 % vertegenwoordigt van de personeelssterkte van het betrokken overheidsbedrijf.
  De controle op de representativiteit van de vakorganisaties wordt uitgevoerd door de commissie bedoeld in artikel 14, § 1, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Bedoelde commissie stelt om de zes jaar, voor elk van de representatieve vakorganisaties, het aantal leden van het paritair comité vast waarvan de benoeming, overeenkomstig § 4, tweede lid, aan die organisatie toekomt.
  § 6. [1 ...]1
  § 7. Voor de toepassing van deze titel worden de woorden " bijdrageplichtig lid ", " personeelslid " en " personeelssterkte " verstaan zoals vastgesteld krachtens artikel 14, § 3, van de voornoemde wet van 19 december 1974.
  § 8. De Koning regelt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel.
  
Art.30. § 1. Il est constitué dans chaque entreprise publique autonome une commission paritaire.
  § 2. La commission paritaire est compétente en ce qui concerne :
  1° la concertation et l'information générale du personnel, en ce compris, pour les matières visées à l'article 34, § 2, les réglementations que la commission paritaire n'aurait pas désignées, à la majorité des deux tiers des voix exprimées, comme réglementations de base;
  2° la négociation avec les organisations syndicales représentatives au sujet de la fixation du statut du personnel et du statut syndical, conformément à l'article 33 ou 35;
  3° les matières concernant la santé et la sécurité des travailleurs, ainsi que la salubrité du travail et des lieux de travail, conformément à l'article 36, § 2;
  4° l'examen de l'information économique et financière concernant l'entreprise publique et ses entreprises liées, visée à l'article 15, premier alinéa, littera b, et deuxième alinéa, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, modifié par la loi du 17 février 1971, telle que précisée et complétée dans les conventions collectives conclues au sein du Conseil national du travail;
  (4°bis la formulation d'un avis concernant l'état triennal du chef d'entreprise sur les déplacements de ses travailleurs entre leur domicile et leur lieu du travail, vise à l'article 15, l), de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, inséré par la loi-programme du 8 april 2003;) <L 2003-04-08/33, art. 166, 045; En vigueur : 01-07-2004>
  5° la concertation avec les organisations syndicales représentatives au sujet de la conclusion du contrat de gestion, conformément à l'article 4, § 2;
  6° l'établissement et la modification du règlement de travail, conformément à l'article 11 de la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail, la commission paritaire exerçant les tâches du conseil d'entreprise.
  § 3. Le Roi fixe le nombre des membres de la commission paritaire, sans qu'il puisse dépasser dix-huit, le président non compris.
  La commission paritaire est présidée par le président du conseil d'administration; le président dispose d'une voix consultative.
  § 4. La moitié des membres de la commission paritaire est nommée par le conseil d'administration. L'autre moitié est nommée par le conseil d'administration sur avis conforme des organisations syndicales représentatives. Il est nommé un suppléant pour chaque membre de la commission paritaire.
  Chaque organisation syndicale représentative propose un nombre de membres proportionnel au nombre de ses affiliés cotisants parmi le nombre total des membres du personnel de l'entreprise publique affiliés à une organisation syndicale représentative.
  § 5. Est considérée comme représentative pour siéger dans la commission paritaire d'une entreprise publique :
  1° toute organisation syndicale visée à l'article 8, § 1er, 1°, de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, tel que modifié par l'article 51, § 3, de la présente loi;
  2° sans préjudice du 1°, l'organisation syndicale qui, à la fois :
  a) défend les intérêts de toutes les catégories du personnel;
  b) est affiliée à une organisation syndicale constituée en centrale sur le plan national ou fait partie d'une fédération syndicale constituée sur le même plan;
  c) comprend le plus grand nombre d'affiliés cotisants parmi les organisations syndicales autres que celles visées au 1° et dont le nombre d'affiliés cotisants représente au moins 10 % de l'effectif de l'entreprise publique concernée.
  Le contrôle de la représentativité des organisations syndicales est exercé par la commission visée à l'article 14, § 1er, de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. Tous les six ans, la commission visée fixe pour chaque organisation syndicale représentative le nombre de membres de la commission paritaire à nommer par l'organisation, conformément au § 4, deuxième alinéa.
  § 6. [1 ...]1
  § 7. Pour l'application du présent titre, les termes " affilié cotisant ", " membre du personnel " et " effectif " sont entendus tels que définis en vertu de l'article 14, § 3, de la loi du 19 décembre 1974 précitée.
  § 8. Le Roi règle les modalités d'application du présent article.
  
Afdeling III. - Het Comité Overheidsbedrijven.
Section III. - La Commission Entreprises publiques.
Art.31. § 1. [1 Er wordt een paritair comité opgericht voor de autonome overheidsbedrijven bevoegd voor alle autonome overheidsbedrijven en voor HR Rail, hierna het " Comité Overheidsbedrijven " genoemd. ";]1
  § 2. Het Comité Overheidsbedrijven is bevoegd inzake :
  1° het in artikel 35, § 3, 1°, bedoelde beroep;
  2° het in § 3 bedoelde advies;
  3° het sluiten van de collectieve overeenkomsten bedoeld in § 4.
  § 3. Elk voorontwerp van wet of van besluit dat het personeelsstatuut of het syndicaal statuut van meer dan één autonoom overheidsbedrijf regelt, wordt voor advies overgezonden aan het Comité Overheidsbedrijven. Het Comité beschikt over een termijn van één maand vanaf de datum van mededeling voor het verlenen van zijn advies.
  Het brengt zijn advies uit bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  [1 Het Comité Overheidsbedrijven is niet bevoegd inzake een voorontwerp van wet of van besluit dat uitsluitend het personeelsstatuut of het syndicaal statuut in de zin van Art. 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen regelt, met betrekking tot personeel dat al dan niet ter beschikking is gesteld van Infrabel of NMBS. ]1
  § 4. In de schoot van het Comité Overheidsbedrijven kunnen, bij eenstemmigheid van zijn aanwezige leden, collectieve overeenkomsten worden gesloten met betrekking tot het personeelsstatuut en het syndicaal statuut van de autonome overheidsbedrijven, onverminderd :
  1° de wettelijke en reglementaire bepalingen;
  2° in elk autonoom overheidsbedrijf, de bepalingen van het personeelsstatuut en van het syndicaal statuut die voordeliger zijn voor het personeel.
  De collectieve overeenkomsten binden alle autonome overheidsbedrijven en vakorganisaties, die vertegenwoordigd zijn in het Comité Overheidsbedrijven, alsmede de personeelsleden van die bedrijven.
  De Koning kan, op voordracht van de ministers onder wie de betrokken autonome overheidsbedrijven ressorteren, een collectieve overeenkomst verbindend verklaren voor alle overheidsbedrijven die niet in het Comité Overheidsbedrijven vertegenwoordigd zijn, de vakorganisaties en de personeelsleden van die bedrijven.
  § 5. Het Comité Overheidsbedrijven wordt voorgezeten door een persoon gekozen omwille van zijn bijzondere bevoegdheden aangaande sociale relaties.
  De Koning benoemt, op voordracht van de Eerste Minister, de voorzitter bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  § 6. [1 Het Comité Overheidsbedrijven telt achttien leden, de voorzitter en de leden met raadgevende stem niet meegerekend.
   De raad van bestuur van elk autonoom overheidsbedrijf, met uitzondering van de autonome overheidsbedrijven die dochteronderneming zijn van een ander autonoom overheidsbedrijf, en met uitzondering van Infrabel en NMBS, draagt ten minste drie kandidaten voor. De raad van bestuur van Infrabel en de raad van bestuur van NMBS dragen elk ten minste twee kandidaten voor.
   De Koning benoemt, op voordracht van de Eerste Minister bij een besluit vastgesteld na beraadslaging in de Ministerraad, negen leden uit de door de raden van bestuur voorgedragen kandidaten. Hij benoemt ten minste twee leden op voordracht van de raad van bestuur van elk autonoom overheidsbedrijf, met uitzondering van Infrabel en NMBS, waar Hij minstens één lid op voordracht van de raad van bestuur van Infrabel en minstens één lid op voordracht van de raad van bestuur van NMBS benoemt.
   Bovendien draagt de raad van bestuur van HR Rail ten minste twee kandidaten voor, om HR Rail in het Comité overheidsbedrijven met raadgevende stem te vertegenwoordigen. Uit deze voorgedragen kandidaten benoemt de Koning één vertegenwoordiger van HR Rail met raadgevende stem in het Comité overheidsbedrijven.
   Negen leden worden benoemd door de ministers onder wie de betrokken overheidsbedrijven en HR Rail ressorteren, op voordracht van de representatieve vakorganisaties. Iedere representatieve vakorganisatie stelt een aantal leden voor in verhouding tot haar aantal bijdrageplichtige leden onder het totaal aantal personeelsleden van het geheel van de autonome overheidsbedrijven en HR Rail die bij een representatieve vakorganisatie zijn aangesloten.]1

  Voor elk lid van het Comité Overheidsbedrijven wordt een plaatsvervanger benoemd overeenkomstig de voorgaande leden.
  Wordt als representatief beschouwd om te zetelen in het Comité Overheidsbedrijven, iedere vakorganisatie die tegelijk :
  1° een aantal bijdrageplichtige leden telt dat ten minste 10 % vertegenwoordigt van het totaal aantal personeelsleden van het geheel van de autonome overheidsbedrijven;
  2° zijn bedrijvigheid uitoefent op nationaal vlak;
  3° de belangen verdedigt van al de categorieën van het personeel van de autonome overheidsbedrijven;
  4° aangesloten is bij een vakorganisatie die zetelt in de Nationale Arbeidsraad.
  § 7. Een lid van een paritair comité kan niet tot lid van het Comité Overheidsbedrijven worden benoemd.
  [1 Voor Infrabel en NMBS moeten de woorden " een paritair comité " in het voorgaande lid worden begrepen als de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.]1
  § 8. De Koning regelt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel.
  
Art.31. § 1. [1 Il est créé une commission paritaire pour les entreprises publiques autonomes qui est compétente pour l'ensemble des entreprises publiques autonomes et pour HR Rail, ci-après dénommée la " Commission Entreprises publiques ".]1
  § 2. La Commission Entreprises publiques est compétente en ce qui concerne :
  1° le recours visé à l'article 35, § 3, 1°;
  2° l'avis visé au § 3;
  3° la conclusion des conventions collectives visée au § 4.
  § 3. Chaque avant-projet de loi ou d'arrêté réglant le statut du personnel ou le statut syndical de plus d'une entreprise publique autonome est soumis à l'avis de la Commission Entreprises publiques. La Commission dispose d'un délai d'un mois à partir de la date de la communication du projet pour rendre son avis.
  Elle émet son avis à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  [1 La Commission Entreprises publiques n'est pas compétente en matière d'avant-projet de loi ou d'arrêté réglant exclusivement le statut du personnel ou le statut syndical au sens de l'Art. 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, en ce qui concerne le personnel mis ou non à la disposition d'Infrabel ou de la SNCB.]1
  § 4. Il peut être conclu au sein de la Commission Entreprises publiques, à l'unanimité de ses membres présents, des conventions collectives relatives au statut du personnel et au statut syndical des entreprises publiques autonomes, sans préjudice :
  1° des dispositions légales et réglementaires;
  2° dans chaque entreprise publique autonome, des dispositions du statut du personnel et du statut syndical plus avantageuses pour le personnel.
  Les conventions collectives lient toutes les entreprises publiques autonomes et les organisations syndicales, qui sont représentées à la Commission Entreprises publiques, ainsi que les membres du personnel de ces entreprises.
  Le Roi peut, sur proposition des ministres dont relèvent les entreprises publiques autonomes concernées, rendre une convention collective obligatoire pour toutes les entreprises publiques non représentées au sein de la Commission Entreprises publiques, les organisations syndicales et les membres du personnel de ces entreprises.
  § 5. La Commission Entreprises publiques est présidée par une personne choisie pour ses compétences particulières en matière de relations sociales.
  Le Roi nomme le président, sur proposition du Premier Ministre, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  § 6. [1 La Commission Entreprises publiques compte dix-huit membres, le président et les membres avec voix consultative non compris.
   Le conseil d'administration de chaque entreprise publique autonome, à l'exception des entreprises publiques autonomes qui sont une filiale d'une autre entreprise publique autonome, et à l'exception d'Infrabel et de la SNCB, propose au moins trois candidats. Le conseil d'administration d'Infrabel et le conseil d'administration de la SNCB proposent chacun au moins deux candidats.
   Le Roi nomme, sur proposition du Premier Ministre par arrêté délibéré en Conseil des ministres, neuf membres choisis parmi les candidats proposés par les conseils d'administration. Il nomme au moins deux membres sur proposition du conseil d'administration de chaque entreprise publique autonome, à l'exception d'Infrabel et de la SNCB, pour lesquelles Il nomme au moins un membre sur proposition du conseil d'administration d'Infrabel et au moins un membre sur proposition du conseil d'administration de la SNCB.
   En outre, le conseil d'administration de HR Rail propose au moins deux candidats pour représenter HR Rail dans la Commission Entreprises publiques avec voix consultative. Parmi ces candidats proposés le Roi nomme un représentant de HR Rail avec voix consultative au sein de la Commission Entreprises publiques.
   Neuf membres sont nommés par les ministres dont relèvent les entreprises publiques concernées et HR Rail, sur proposition des organisations syndicales représentatives. Chaque organisation syndicale représentative propose un nombre de membres proportionnel au nombre de ses affiliés cotisants parmi le nombre total des membres du personnel de l'ensemble des entreprises publiques autonomes et de HR Rail affiliés à une organisation syndicale représentative.]1

  Il est nommé un suppléant pour chaque membre de la Commission Entreprises publiques conformément aux alinéas précédents.
  Est considérée comme représentative pour siéger dans la Commission Entreprises publiques, toute organisation syndicale qui, à la fois :
  1° compte un nombre d'affiliés cotisants représentant au moins 10 % du nombre total des membres du personnel de l'ensemble des entreprises publiques autonomes;
  2° exerce son activité sur le plan national;
  3° défend les intérêts de toutes les catégories du personnel des entreprises publiques autonomes;
  4° est affiliée à une organisation syndicale représentée au Conseil national du travail.
  § 7. Un membre d'une commission paritaire ne peut pas être nommé membre de la Commission Entreprises publiques.
  [1 Pour Infrabel et la SNCB les mots " une commission paritaire " dans l'alinéa qui précède doivent être compris comme la Commission paritaire nationale visée à l'article 115 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.]1
  § 8. Le Roi règle les modalités d'application du présent article.
  
Afdeling IV. - De vaststelling van het statuut van het personeel en van het syndicaal statuut.
Section IV. - La fixation du statut du personnel et du statut syndical.
Art.32. De wettelijke en reglementaire bepalingen, met uitzondering van de bepalingen die worden ingevoegd door de artikelen 50, 51, §§ 2 en 3, en 53 van deze wet, die het personeelsstatuut en het syndicaal statuut regelen, blijven van toepassing op een autonoom overheidsbedrijf tot op de datum van inwerkingtreding van een desbetreffende regeling, in een personeelsstatuut of in een syndicaal statuut, die overeenkomstig deze titel werd vastgesteld.
Art.32. A l'exception des dispositions introduites par les articles 50, 51, §§ 2 et 3, et 53 de la présente loi, les dispositions légales et réglementaires qui règlent le statut du personnel et le statut syndical restent applicables à une entreprise publique autonome jusqu'à l'entrée en vigueur d'une réglementation y afférente dans un statut du personnel ou dans un statut syndical, arrêtée conformément au présent titre.
Art.33. § 1. De raad van bestuur stelt, onverminderd de bepalingen van deze titel, het eerste personeelsstatuut en het eerste syndicaal statuut vast op eensluidend advies van het paritair comité.
  Het paritair comité brengt het eensluidend advies uit met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  De Regeringscommissaris kan de werkzaamheden van het paritair comité wat het eerste personeelsstatuut en het eerste syndicaal statuut betreft, bijwonen.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onverminderd de bepalingen van deze titel, wettelijke bepalingen met betrekking tot het personeelsstatuut en het syndicaal statuut opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen teneinde deze in overeenstemming te brengen met de bepalingen in het overeenkomstig het eerste lid vastgestelde eerste personeelsstatuut en eerste syndicaal statuut.
  § 2. Ingeval geen eerste personeelsstatuut of syndicaal statuut zou zijn vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, binnen een termijn van één jaar na de datum met ingang waarvan het organisme werd ingedeeld onder de autonome overheidsbedrijven, kan de Koning, binnen een bijkomende termijn van drie maanden, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het eerste personeelsstatuut en het eerste syndicaal statuut vaststellen zonder afbreuk te doen aan de rechten van de personeelsleden inzake werkzekerheid, pensioen en bezoldiging.
  De Koning kan bij het in het eerste lid bedoelde besluit wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, zonder evenwel afbreuk te doen :
  1° aan de rechten van de personeelsleden inzake werkzekerheid, pensioen en bezoldiging;
  2° aan de bepalingen van deze titel;
  3° aan de regels betreffende de oprichting en de samenstelling van de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.
  Een regeling in het door de Koning vastgesteld eerste personeelsstatuut blijft van toepassing tot op het ogenblik dat een desbetreffende regeling wordt vastgesteld door de raad van bestuur, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 34, § 1, of 35.
Art.33. § 1. Le conseil d'administration fixe, sans préjudice des dispositions du présent titre, le premier statut du personnel et le premier statut syndical sur avis conforme de la commission paritaire.
  La commission paritaire émet l'avis conforme à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
  Le commissaire du Gouvernement peut assister aux travaux de la commission paritaire relatifs à la fixation du premier statut du personnel et du premier statut syndical.
  Le Roi peut, sans préjudice des dispositions du présent titre, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, abroger, compléter, modifier ou remplacer des dispositions légales relatives au statut du personnel et au statut syndical afin de les rendre compatibles avec les dispositions du premier statut du personnel et du premier statut syndical arrêtés conformément au premier alinéa.
  § 2. Au cas où un premier statut du personnel ou statut syndical ne serait pas arrêté conformément au § 1er, premier alinéa, dans un délai d'un an à partir de la date d'entrée en vigueur du classement de l'entreprise parmi les entreprises publiques autonomes, le Roi peut, dans un délai supplémentaire de trois mois, fixer le premier statut du personnel et le premier statut syndical par arrêté délibéré en Conseil des Ministres sans préjudice des droits du personnel en ce qui concerne la sécurité d'emploi, la pension et la rémunération.
  Le Roi peut, dans l'arrêté visé au premier alinéa, abroger, compléter, modifier ou remplacer des dispositions légales, sans préjudice :
  1° des droits du personnel en ce qui concerne la sécurité d'emploi, la pension et la rémunération;
  2° des dispositions du présent titre;
  3° des règles relatives à la constitution et la composition de la Commission paritaire nationale visée à l'article 13 de la loi du 23 juillet 1926 portant création de la Société nationale des chemins de fer belges.
  Une réglementation dans le premier statut arrêté par le Roi restera applicable jusqu'à la fixation d'une réglementation y afférente par le conseil d'administration, conformément à la procédure visée à l'article 34, § 1er, ou 35.
Art.34. § 1. Eens het eerste statuut is vastgesteld overeenkomstig artikel 33, doch uiterlijk met ingang van het verstrijken van een termijn van vijftien maanden na de datum van inwerkingtreding van de indeling van het organisme bij de autonome overheidsbedrijven, worden het personeelsstatuut en het syndicaal statuut vastgesteld door de raad van bestuur, onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen die het betrokken statuut regelen. Echter, wat de overeenkomstig § 2 aangeduide grondregelen betreft, beslist de raad overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 35.
  § 2. De volgende regelen van het personeelsstatuut, respectievelijk syndicaal statuut, worden vastgesteld overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 35 indien zij vooraf door het paritair comité, bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen, werden aangeduid als grondregel of als algemeen beginsel, zoals bedoeld in artikel 35, § 3, 1° :
  A) De grondregelen betreffende het administratief statuut van het statutair personeel inzake :
  1° de aanwerving, de toelating tot de stage en de benoeming;
  2° de rechten, de plichten en de aansprakelijkheid van het personeel;
  3° de tuchtregeling;
  4° de administratieve standen, met name de dienstactiviteit, de non-activiteit en de disponibiliteit;
  5° de verlofregeling;
  6° de anciënniteitsberekening;
  7° de definitieve ambtsneerlegging;
  8° de maximum arbeidsduur;
  9° de regelen betreffende de arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar het werk en de beroepsziekten.
  B) De grondregelen betreffende de bezoldiging van het statutair personeel inzake :
  1° het recht op wedde en weddeverhoging;
  2° de wedde, de vergoeding, het salaris, met inbegrip van de vaststelling van de weddeschalen, en hun berekening, met inbegrip van de periodes die voor de berekening in aanmerking worden genomen;
  3° de geldelijke anciënniteit;
  4° de periodiciteit van de weddebetaling;
  5° de gewaarborgde wedde;
  6° de bescherming van de wedde;
  7° de vergoedingen, toelagen, premies en voordelen in natura;
  8° de toekenning van een eventueel aandeel in de winst.
  C) De grondregelen betreffende het pensioenstelsel van het statutair personeel inzake :
  1° het toepassingsgebied;
  2° de verschillende categorieën van rechthebbenden;
  3° de pensioenleeftijd;
  4° de voorwaarden voor het verkrijgen van recht op pensioen;
  5° de berekening van het pensioen;
  6° de bescherming van het pensioen;
  D) De grondregelen betreffende de collectieve arbeidsverhoudingen inzake :
  1° de erkenning van de vakorganisaties;
  2° de erkenning van de vakbondsafgevaardigden, de verantwoordelijke leiders en de vaste afgevaardigden van de vakorganisaties;
  3° de prerogatieven van de representatieve en van de erkende vakorganisaties;
  4° de organisatie en de bevoegdheid van paritaire comités op lokaal vlak;
  5° de voordelen die aan de leden van de representatieve en van de erkende vakorganisaties worden toegekend.
  E) De grondregelen betreffende de organisatie van eventuele sociale diensten inzake :
  1° het algemeen kader van de opdrachten van de sociale diensten;
  2° de werking, het bestuur en de controle;
  3° de bepaling van de begunstigden;
  4° de financiering.
  F) De grondregelen betreffende de volgende aangelegenheden voor wat het statutair personeel aangaat :
  1° de bepaling, indeling, rangschikking en gelijkwaardigheid van de graden, ambten of functies;
  2° de professionele beoordeling van het personeel;
  3° de organisatie van het hoger beroep tegen beslissingen inzake tucht, benoeming in vast verband, professionele beoordeling en ontslag wegens professionele ongeschiktheid;
  4° de loopbaan van het personeel;
  5° de procedure inzake ordemaatregelen, met inbegrip van overplaatsing in het belang van de dienst;
  6° de reaffectatie overtollig of ongeschikt personeel;
  7° de loopbaanonderbreking;
  8° de vastlegging van het personeelskader;
  9° de vorming en herscholing; de voorbereiding op de loopbaanproeven;
  10° de arbeidskledij;
  11° het onthaal van het personeel;
  12° de arbeidsuren;
  13° de veiligheid van het personeel;
  14° de arbeidsvoorwaarden;
  15° de onverenigbaarheden;
  16° de opdrachten buiten het betrokken overheidsbedrijf;
  17° de vereiste lichamelijke geschiktheid;
  18° de organisatie van de arbeidsgeneeskunde.
  G) Wat de contractuele personeelsleden betreft :
  1° de aard en de categorieën van betrekkingen die openstaan voor het contractueel personeel;
  2° de grondregelen betreffende de rechten en plichten van het contractueel personeel.
Art.34. § 1. Une fois le premier statut établi conformément à l'article 33, et au plus tard à partir de l'expiration du délai de quinze mois après la date d'entrée en vigueur du classement de l'organisme parmi les entreprises publiques autonomes, le statut du personnel et le statut syndical sont fixés par le conseil d'administration, sans préjudice des dispositions légales et réglementaires qui règlent le statut concerné. Toutefois, pour ce qui concerne les réglementations de base désignées conformément au § 2, le conseil décide conformément à la procédure visée à l'article 35.
  § 2. Les réglementations suivantes du statut du personnel, respectivement du statut syndical, qui au préalable ont été désignées par la commission paritaire, statuant à la majorité des deux tiers des voix exprimées, soit comme réglementations de base, soit comme principes généraux visés à l'article 35, § 3, 1°, sont fixées conformément à la procédure visée à l'article 35 :
  A) Les réglementations de base relatives au statut administratif du personnel statutaire ayant trait :
  1° au recrutement, à l'admission au stage et à la nomination;
  2° aux droits, aux devoirs et à la responsabilité du personnel;
  3° au régime disciplinaire;
  4° aux positions administratives, notamment l'activité de service, la non-activité de service et la disponibilité;
  5° aux règles applicables en matière de congés;
  6° au calcul de l'ancienneté;
  7° à la cessation définitive des fonctions;
  8° à la durée maximale du travail;
  9° au régime relatif aux accidents du travail, aux accidents sur le chemin du travail et aux maladies professionnelles.
  B) Les réglementations de base relatives au statut pécuniaire du personnel statutaire ayant trait :
  1° au droit au traitement et à l'avancement de traitement;
  2° au traitement, à la rémunération, au salaire, y compris la fixation des échelles de traitement, et le calcul de leur montant, y compris les périodes qui entrent en considération pour leur fixation;
  3° à l'ancienneté pécuniaire;
  4° à la périodicité du paiement du traitement;
  5° au traitement garanti;
  6° à la protection du traitement;
  7° aux indemnités, allocations, primes et avantages en nature;
  8° à l'attribution d'un pourcentage éventuel des bénéfices.
  C) Les réglementations de base relatives au régime des pensions du personnel statutaire ayant trait :
  1° au champ d'application;
  2° aux différentes catégories d'ayants droit;
  3° à l'âge de la retraite;
  4° aux conditions d'ouverture du droit à la pension;
  5° au calcul du montant de la pension;
  6° à la protection de la pension;
  D) Les réglementations de base relatives aux relations collectives de travail ayant trait :
  1° à l'agréation des organisations syndicales du personnel;
  2° à l'agréation des délégués syndicaux, des dirigeants responsables et des mandataires permanents des organisations syndicales;
  3° aux prérogatives des organisations syndicales représentatives et des organisations syndicales agréées;
  4° à l'organisation et aux compétences des commissions paritaires au niveau local;
  5° aux avantages accordés aux affiliés des organisations syndicales représentatives et des organisations syndicales agréées.
  E) Les réglementations de base ayant trait à l'organisation des services sociaux éventuels ayant trait :
  1° au cadre général des missions des services sociaux;
  2° au fonctionnement, à la gestion et au contrôle;
  3° à la détermination des bénéficiaires;
  4° au financement.
  F) Les réglementations de base relatives aux matières suivantes en ce qui concerne le personnel statutaire :
  1° la détermination, la répartition, le classement et l'équivalence des grades, emplois ou fonctions;
  2° l'appréciation professionnelle du personnel;
  3° l'organisation d'un recours à l'encontre de décisions en matière disciplinaire, de nomination à titre définitif, d'appréciation professionnelle et de licenciement pour inaptitude professionnelle;
  4° la carrière du personnel;
  5° la procédure relative aux mesures d'ordre, y compris les mutations dans l'intérêt du service;
  6° la réaffectation du personnel en excédent ou inapte;
  7° l'interruption de carrière professionnelle;
  8° la fixation du cadre du personnel;
  9° la formation et le recyclage; la préparation aux épreuves de carrière;
  10° les vêtements de travail;
  11° l'accueil du personnel;
  12° les horaires de travail;
  13° la sécurité du personnel;
  14° les conditions de travail;
  15° les incompatibilités;
  16° les missions à l'extérieur de l'entreprise publique en question;
  17° les aptitudes physiques exigées;
  18° l'organisation de la médecine du travail.
  G) Pour ce qui concerne le personnel contractuel :
  1° la nature ou les catégories de fonctions ouvertes au personnel contractuel;
  2° les réglementations de base relatives aux droits et obligations du personnel contractuel.
Art.35. § 1. De raad van bestuur of de delegatie van een representatieve vakorganisatie die in het paritair comité zetelt, legt elk voorstel tot vaststelling of wijziging van de overeenkomstig artikel 34, § 2, aangeduide grondregelen van het personeelsstatuut of van het syndicaal statuut voor aan het paritair comité.
  § 2. Elke regeling vastgesteld door het paritair comité met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen betreffende aangelegenheden die het voorwerp uitmaken van een voorstel is bindend voor de raad van bestuur.
  § 3. Bij ontstentenis van een voor de raad van bestuur bindende regeling vastgesteld door het paritair comité binnen een termijn van één maand nadat het voorstel is overgezonden aan de voorzitter van het paritair comité :
  1° kan de raad van bestuur of de delegatie van een representatieve vakorganisatie die in het paritair comité zetelt, het voorstel voorleggen aan het Comité Overheidsbedrijven, ingeval het voorstel strekt tot vaststelling of wijziging van één der grondregelen bedoeld in artikel 34, § 2, onderafdelingen B, C, D en E, of van een algemeen beginsel betreffende één van de grondregels bedoeld in onderafdeling A;
  2° kan de raad van bestuur over het voorstel beslissen met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen, voor elk ander voorstel.
  In het in 1° van het eerste lid bedoelde geval wordt de termijn van één maand verlengd met een bijkomende termijn van één maand, ingeval de raad van bestuur of de delegatie van een representatieve vakorganisatie, die zetelt in het paritair comité, de voorzitter van het Comité Overheidsbedrijven belast met een voorafgaande bemiddelingsopdracht.
  § 4. In geval van beroep zoals bedoeld in § 3, eerste lid, 1°, is elke regeling vastgesteld door het Comité Overheidsbedrijven met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen betreffende aangelegenheden die het voorwerp uitmaken van een voorstel, dat aan de basis ligt van het beroep, bindend voor de raad van bestuur.
  Bij ontstentenis van een voor de raad van bestuur bindende regeling binnen een termijn van één maand nadat het beroep is overgezonden aan de voorzitter van het Comité Overheidsbedrijven, kan de raad van bestuur over het voorstel beslissen bij tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen. De Regeringscommissaris deelt de beslissing mede aan de minister onder wie het autonoom overheidsbedrijf ressorteert. De minister kan binnen een termijn van acht vrije dagen de beslissing vernietigen. Deze termijn gaat in op de dag van de vergadering waarop de beslissing werd genomen, voor zover de Regeringscommissaris daarop regelmatig was uitgenodigd, en, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij van de beslissing kennis heeft gekregen.
  § 5. De §§ 3 en 4 zijn niet van toepassing op de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen. Geen wijziging kan in de overeenkomstig artikel 34, § 2, aangeduide grondregelen worden aangebracht dan bij voor de raad van bestuur bindende regeling vastgesteld door de Nationale Paritaire Commissie bij deze Maatschappij.
Art.35. § 1. Le conseil d'administration ou la délégation d'une organisation syndicale représentative siégeant dans la commission paritaire soumet chaque proposition portant fixation ou modification des réglementations de base du statut du personnel ou du statut syndical, désignées conformément à l'article 34, § 2, à la commission paritaire.
  § 2. Le conseil d'administration est lié par toute réglementation arrêtée par la commission paritaire à la majorité des deux tiers des voix exprimées au sujet de matières qui font l'objet d'une proposition.
  § 3. A défaut d'une réglementation liant le conseil d'administration arrêtée par la commission paritaire dans un délai d'un mois après la communication de la proposition au président de la commission paritaire :
  1° le conseil d'administration ou la délégation d'une organisation syndicale représentative siégeant dans la commission paritaire peut soumettre la proposition à la Commission Entreprises publiques, au cas où la proposition vise à arrêter ou modifier l'une des réglementations de base visées, à l'article 34, § 2, subdivisions B, C, D et E, ou l'un des principes généraux des réglementations de base visées à la subdivision A;
  2° le conseil d'administration peut décider sur la proposition à la majorité des deux tiers des voix exprimées, pour toutes les autres propositions.
  Dans le cas visé au 1° de l'alinéa premier, le délai d'un mois est prorogé d'un délai supplémentaire d'un mois, au cas ou le conseil d'administration ou la délégation d'une organisation syndicale représentative siégeant dans la commission paritaire charge le président de la Commission Entreprises publiques d'une mission de conciliation préalable.
  § 4. En cas de recours visé au 1° de l'alinéa premier du § 3, le conseil d'administration est lié par toute réglementation arrêtée par la Commission Entreprises publiques à la majorité des deux tiers des voix exprimées au sujet de matières qui font l'objet de la proposition à l'origine du recours.
  A défaut d'une réglementation liant le conseil d'administration dans un délai d'un mois après la communication du recours au président de la Commission Entreprises publiques, le conseil d'administration peut décider sur la proposition à la majorité des deux tiers des voix exprimées. Le commissaire du Gouvernement communique la décision au ministre dont relève l'entreprise publique autonome. Le ministre dispose d'un délai de huit jours francs pour annuler la décision. Ce délai court à partir du jour de la réunion à laquelle la décision a été prise, pour autant que le commissaire du Gouvernement y ait été régulièrement convoqué et, dans le cas contraire, à partir du jour où il en a reçu connaissance.
  § 5. Les §§ 3 et 4 ne sont pas applicables à la Société nationale des chemins de fer belges. Aucune modification ne pourra être apportée aux réglementations de base désignées conformément à l'article 34, § 2, sauf conformément à une réglementation liant le conseil d'administration, arrêtée par la Commission paritaire nationale auprès de cette Société.
Afdeling V. - Gebruik der talen; bijzondere bevoegdheden van het paritair comité.
Section V. - Emploi des langues; compétences spécifiques de la commission paritaire.
Art.36. § 1. De autonome overheidsbedrijven, alsmede hun dochterondernemingen die zij betrekken bij de uitvoering van hun taken van openbare dienst en waarin het belang van de overheid in het kapitaal meer dan 50 % bedraagt, zijn onderworpen aan de bepalingen van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  § 2. De autonome overheidsbedrijven zijn onderworpen aan de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, met dien verstande dat het paritair comité de taken uitvoert en de bevoegdheden heeft van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen. Het paritair comité bepaalt de taken en de bevoegdheden van de verschillende organen van veiligheid, gezondheid en verfraaiing, overeenkomstig het Algemeen Reglement op de arbeidsbescherming.
  § 3. De raad van bestuur van elk autonoom overheidsbedrijf verstrekt aan het paritair comité de economische en financiële inlichtingen bedoeld in artikel 15, eerste lid, littera b, en tweede lid, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven. Artikel 15bis van bedoelde wet van 20 september 1948 is van toepassing op de autonome overheidsbedrijven. Artikel 30 van dezelfde wet is van toepassing op de leden van het paritair comité en hun plaatsvervangers.
Art.36. § 1. Les entreprises publiques autonomes, ainsi que leurs filiales qu'elles associent à la mise en oeuvre de leurs tâches de service public et dans lesquelles la participation des autorités publiques dépasse 50 %, sont soumises aux dispositions des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  § 2. Les entreprises publiques autonomes sont soumises à la loi du 10 juin 1952 concernant la santé et la sécurité des travailleurs, ainsi que la salubrité du travail et des lieux de travail, étant entendu que la commission paritaire exerce les tâches et est dotée des compétences du comité de sécurité, d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail. La commission paritaire organise les tâches et les attributions des organes de sécurité, d'hygiène et d'embellissement, conformément aux dispositions du Règlement général pour la protection du travail.
  § 3. Le conseil d'administration de chaque entreprise publique autonome communique à la commission paritaire les informations économiques et financières visées à l'article 15, premier alinéa, littéra b, et deuxième alinéa, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie. L'article 15bis de la loi du 20 septembre 1948 susvisée est applicable aux entreprises publiques autonomes. L'article 30 de la même loi est applicable aux membres de la commission paritaire et leurs suppléants.
HOOFDSTUK IX. - Omzetting in naamloze vennootschap van publiek recht.
CHAPITRE IX. - Transformation en société anonyme de droit public.
Afdeling I. - De omzetting.
Section I. - La transformation.
Art.37. De autonome overheidsbedrijven kunnen de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht aannemen. In dat geval is het betrokken overheidsbedrijf, voor al wat niet uitdrukkelijk anders is geregeld door of krachtens deze titel of door of krachtens enige specifieke wet, onderworpen aan de wettelijke en reglementaire handelsrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op de naamloze vennootschappen.
Art.37. Les entreprises publiques autonomes peuvent adopter la forme de société anonyme de droit public. Dans ce cas, l'entreprise publique concernée est soumise aux dispositions légales et réglementaires de droit commercial qui sont applicables aux sociétés anonymes pour tout ce qui n'est pas expressément autrement prévu par ou en vertu du présent titre ou par ou en vertu d'une loi spécifique quelconque.
Art.38. § 1. De raad van bestuur beslist tot de omzetting in naamloze vennootschap van publiek recht.
  De raad licht zijn beslissing toe in een verslag.
  Bij dit verslag wordt een samenvattende staat van activa en passiva gevoegd, die niet meer dan drie maanden voordien is vastgesteld en waarin het bedrag van het maatschappelijk kapitaal na de omzetting wordt aangegeven. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan de uit voornoemde staat blijkende netto-activa. Een bedrijfsrevisor aangewezen door de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert, brengt verslag uit over die staat en vermeldt inzonderheid of daarin de toestand van het overheidsbedrijf op volledige, getrouwe en juiste wijze is weergegeven.
  § 2. De raad van bestuur stelt de statuten vast van het overheidsbedrijf in zijn nieuwe vorm.
  § 3. De omzetting heeft slechts uitwerking na goedkeuring door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, van de omzettingsbeslissing en de statuten.
  § 4. De artikelen 170 en 171, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, zijn van overeenkomstige toepassing op de omzetting.
  § 5. In voorkomend geval is artikel 118 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen niet van toepassing op de omzetting. In afwijking van artikel 115 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is de omzetting vrijgesteld van het evenredig registratierecht.
  § 6. De directeur-generaal van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of zijn gemachtigde is bevoegd om authenticiteit te verlenen aan de akte van omzetting en de statuten.
  § 7. In afwijking van § 1, eerste lid, en § 3, kan de Koning in het besluit tot goedkeuring van het eerste beheerscontract tot de omzetting beslissen, onder de voorwaarden en met de statuten die Hij bepaalt. De §§ 1, derde lid, 4, 5 en 6 zijn van toepassing op een dergelijke omzetting. De conclusies van de in § 1, derde lid, bedoelde revisor worden opgenomen in het verslag aan de Koning.
  De Koning past het in het eerste lid bepaalde toe op de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen in het besluit waarbij bedoelde Maatschappij wordt ingedeeld onder de autonome overheidsbedrijven.
Art.38. § 1. La décision de transformation en société anonyme de droit public est prise par le conseil d'administration.
  Le conseil justifie sa décision dans un rapport.
  A ce rapport est joint un état résumant l'actif et le passif, arrêté à une date ne remontant pas à plus de trois mois et indiquant le montant du capital social après la transformation. Ce montant ne peut être supérieur à l'actif net, tel qu'il résulte de l'état précité. Un réviseur d'entreprises, désigné par le ministre dont relève l'entreprise publique, fait rapport sur cet état et indique notamment s'il traduit d'une manière complète, fidèle et correcte la situation de l'entreprise publique.
  § 2. Les statuts de l'entreprise publique sous sa forme nouvelle sont établis par le conseil d'administration.
  § 3. La transformation ne produit ses effets qu'après l'approbation par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, de la décision de transformation et des statuts.
  § 4. Les articles 170 et 171, alinéa 1er, des lois coordonnées sur les sociétés commerciales sont applicables par analogie à la transformation.
  § 5. Le cas échéant, l'article 118 du Code des impôts sur les revenus n'est pas applicable à la transformation. Par dérogation à l'article 115 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, la transformation est exemptée du droit d'enregistrement proportionnel.
  § 6. Le directeur général de l'Administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines, ou son délégué, a qualité pour conférer l'authenticité à l'acte de transformation et aux statuts.
  § 7. Par dérogation au § 1er, premier alinéa, et au § 3, le Roi peut, dans l'arrêté portant approbation du premier contrat de gestion, décider de la transformation sous les conditions et avec les statuts qu'Il détermine. Les §§ 1er, troisième alinéa, 4, 5 et 6 sont applicables à une telle transformation. Les conclusions du réviseur visé au § 1er, troisième alinéa, sont reprises dans le rapport au Roi.
  Le Roi applique les dispositions de l'alinéa précédent à la Société nationale des chemins de fer belges dans l'arrête classant ladite Société parmi les entreprises publiques autonomes.
Afdeling II. - De aandelen.
Section II. - Les actions.
Art.39. § 1. Alle aandelen die ter gelegenheid van de omzetting in naamloze vennootschap van publiek recht worden uitgegeven, worden toegekend aan de Staat.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de aandelen uitgegeven door de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen die niet het belang van de Staat vertegenwoordigen.
  De Staat kan de aandelen die hem ter gelegenheid van de omzetting worden toegekend, slechts overdragen aan de overheden aangewezen door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, en ten belope van ten hoogste de helft.
  § 2. De aandelen die aan de Staat ter gelegenheid van de omzetting worden toegekend, of waarop een overheid, ter gelegenheid van een kapitaalverhoging, inschrijft, zijn op naam.
  § 3. Geen nieuwe aandelen of converteerbare obligaties of obligaties met inschrijvingsrecht kunnen worden geplaatst bij personen andere dan een overheid, indien hierdoor het rechtstreeks belang van de overheid in het kapitaal, op het ogenblik van de plaatsing, niet langer meer dan 50 % zou bedragen.
  § 4. Elke overdracht door een overheid, andere dan de Staat, van aandelen die het kapitaal vertegenwoordigen, wordt door de betrokken overheid betekend aan het autonoom overheidsbedrijf. Elke dergelijke overdracht, waardoor het rechtstreeks belang van de overheid in dat kapitaal niet langer meer dan 50 % bedraagt, is van rechtswege nietig indien, binnen een termijn van drie maanden na de overdracht, het belang van de overheid, door middel van een kapitaalverhoging geheel of gedeeltelijk geplaatst bij de overheid, niet boven de 50 % wordt gebracht.
  § 5. De effecten in het bezit van de overheid geven, tezamen, van rechtswege recht op meer dan 75 % van de stemmen en mandaten in alle organen van het autonome overheidsbedrijf. De stemrechten en mandaten van de andere aandeelhouders worden pro rata verminderd.
Art.39. § 1. Toutes les actions émises à l'occasion de la transformation en société anonyme de droit public sont attribuées à l'Etat.
  Le premier alinéa n'est pas applicable aux actions émises par la Société nationale des chemins de fer belges qui ne représentent pas la participation de l'Etat.
  L'Etat ne peut céder les actions qui lui sont attribuées à l'occasion de la transformation qu'aux autorités publiques désignées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sous les conditions qu'Il détermine et, au maximum, à concurrence de la moitié.
  § 2. Les actions attribuées à l'Etat à l'occasion de la transformation, de même que les actions souscrites par une autorité publique à l'occasion d'une augmentation de capital, sont nominatives.
  § 3. De nouvelles actions ou obligations convertibles ou avec droit de souscription ne peuvent être souscrites par des personnes autres que les autorités publiques si, suite à une telle souscription, la participation directe des autorités publiques dans le capital, au moment de la souscription, n'excédait plus 50 %.
  § 4. Toute cession par une autorité publique, autre que l'Etat, d'actions représentatives du capital est notifiée par l'autorité publique concernée à l'entreprise publique autonome. Une telle cession suite à laquelle la participation directe des autorités publiques n'excèderait plus 50 % est nulle de plein droit, à défaut de porter cette participation au-delà de 50 % dans un délai de trois mois de ladite cession par une augmentation de capital entièrement ou partiellement souscrite par les autorités publiques.
  § 5. Les titres détenus par les autorités publiques donnent droit, dans leur ensemble, de plein droit à plus de 75 % des voix et des mandats dans tous les organes de l'entreprise publique autonome. Les droits de vote et mandats des autres actionnaires sont réduits proportionnellement.
Art.40. § 1. Elke uitgifte van nieuwe aandelen of van converteerbare obligaties of obligaties met inschrijvingsrecht, moet vooraf door de Koning worden gemachtigd, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  § 2. In afwijking van artikel 34bis, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, worden de aandelen waarop in geld wordt ingeschreven eerst aangeboden aan de Staat, vervolgens aan andere overheden aangewezen in het in § 1 bedoelde besluit en tenslotte, onverminderd het bepaalde in § 3, aan de andere aandeelhouders die alsdan gebruik zouden maken van hun voorkeurrecht overeenkomstig bedoeld artikel.
  § 3. In geval van plaatsing van in § 2 bedoelde aandelen bij personen andere dan de overheid, wordt een gedeelte van de uitgifte bij voorkeur aangeboden aan de personeelsleden van het uitgevende overheidsbedrijf.
  De personeelsleden oefenen hun voorkeurrecht tot inschrijving uit vóór de andere aandeelhouders. Dit voorkeurrecht is niet verhandelbaar.
  De aandelen waarop personeelsleden inschrijven krachtens dit artikel, met inkorting van het voorrecht van aandeelhouders andere dan de Staat, geven geen stemrecht, behoudens het geval bedoeld in artikel 71 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen.
  De Koning bepaalt in het in § 1 bedoelde besluit :
  1° het gedeelte van de uitgifte dat aan de personeelsleden zal worden aangeboden;
  2° de modaliteiten volgens welke de personeelsleden hun voorkeurrecht tot inschrijving uitoefenen;
  3° de voorwaarden van de uitgifte van aandelen zonder stemrecht.
Art.40. § 1. Toute émission de nouvelles actions ou d'obligations convertibles ou avec droit de souscription est soumise à l'autorisation préalable du Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  § 2. Par dérogation à l'article 34bis, § 1er, premier alinéa, des lois coordonnées sur les sociétés commerciales, les actions à souscrire en espèces sont offertes par préférence à l'Etat, puis aux autres autorités publiques désignées dans l'arrêté visé au § 1er, et enfin, sans préjudice du § 3, aux autres actionnaires qui exerceraient alors leur droit de préférence conformément audit article.
  § 3. En cas de souscription d'actions visées au § 2 par des personnes autres que les autorités publiques, une partie de l'émission est offerte par préférence aux membres du personnel de l'entreprise publique émettrice.
  Les membres du personnel exercent leur droit préférentiel de souscription avant les autres actionnaires. Ce droit préférentiel n'est pas négociable.
  Les actions souscrites par des membres du personnel, en vertu du présent article, en limitant le droit de préférence des actionnaires autres que l'Etat, sont privées du droit de vote, sauf dans le cas visé à l'article 71 des lois coordonnées sur les sociétés commerciales.
  Le Roi détermine dans l'arrêté visé au § 1er :
  1° la partie de l'émission qui sera offerte aux membres du personnel;
  2° les modalités d'exercice du droit préférentiel de souscription des membres du personnel;
  3° les modalités de l'émission d'actions sans droit de vote.
Afdeling III. - Diverse bepalingen.
Section III. - Dispositions diverses.
Art.41. § 1. De artikelen 13ter, eerste lid, 4°, 75, tweede lid, 76 en 104bis, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, zijn niet van toepassing op de autonome overheidsbedrijven die de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht hebben.
  § 2. De minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert, of zijn afgevaardigde, vertegenwoordigt de Staat op de algemene vergadering.
  § 3. Alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders en andere stukken uitgaande van het overheidsbedrijf dragen de vermelding " naamloze vennootschap van publiek recht ".
  § 4. Een statutenwijziging heeft slechts uitwerking na haar goedkeuring door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  § 5. Tot de ontbinding van een autonoom overheidsbedrijf, dat de vorm van naamloze vennootschap van publiek recht heeft aangenomen, kan slechts worden beslist bij of krachtens wet. De wet regelt de wijze en de voorwaarden van de vereffening.
  (§ 6. De administrateur-generaal van de Patrimoniumdocumentatie, of zijn afgevaardigde, kan authenticiteit verlenen aan alle akten verleden in naam of ten gunste van de autonome overheidsbedrijven.) <W 2005-12-23/31, art. 90, 059; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
Art.41. § 1. Les articles 13ter, alinéa 1er, 4°, 75, deuxième alinéa, 76 et 104bis, deuxième alinéa, des lois coordonnées sur les sociétés commerciales, ne sont pas applicables aux entreprises publiques autonomes qui ont la forme de société anonyme de droit public.
  § 2. Le ministre dont relève l'entreprise publique, ou son délégué, représente l'Etat à l'assemblée générale.
  § 3. Tous les actes, factures, annonces, publications, correspondance, lettres de commande et autres documents émanant de l'entreprise publique portent la mention " société anonyme de droit public ".
  § 4. Une modification aux statuts ne produit ses effets qu'après approbation par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  § 5. La dissolution d'une entreprise publique autonome, qui a adopté la forme de société anonyme de droit public, ne peut être prononcée que par ou en vertu d'une loi. La loi règle le mode et les conditions de la liquidation.
  (§ 6. L'administrateur général de la Documentation Patrimoniale, ou son délégué, a qualité pour conférer l'authenticité à tous les actes passés au nom ou en faveur des entreprises publiques autonomes.) <L 2005-12-23/31, art. 90, 059; En vigueur : 09-01-2006>
Art.42. Voor toepassing van [1 artikelen 13 en 18 en hoofdstukken IX en XIV van deze titel]1 moet onder " overheid " worden verstaan :
  1° de Staat;
  2° de organismen van openbaar nut, vennootschappen, instellingen of verenigingen van publiek recht, die ressorteren onder de Staat, daaronder begrepen de autonome overheidsbedrijven;
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, voor het overheidsbedrijf of de overheidsbedrijven die Hij aanwijst, het begrip " overheid " beperken tot één of meer van de in het eerste lid bedoelde overheden.
  
Art.42. Pour l'application [1 des articles 13 et 18 et des chapitres IX et XIV du présent titre]1, il y a lieu d'entendre par " autorité publique " :
  1° l'Etat;
  2° les organismes d'intérêt public, sociétés, institutions ou associations de droit public qui relèvent de l'Etat, en ce compris les entreprises publiques autonomes;
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour l'entreprise publique ou les entreprises publiques qu'Il désigne, limiter la notion d'" autorité publique " à une ou plusieurs des autorités visées au premier alinéa.
  
HOOFDSTUK X. - (De ombudsdiensten.)
CHAPITRE X. - (Des services de médiation).
Afdeling I. - Bevoegdheid van de dienst " ombudsman ".
Section I. - Les compétences du service de médiation.
Art.43. § 1. Er wordt bij elk autonoom overheidsbedrijf [2 met uitzondering van [4 Proximus]4, [1 bpost]1, [3 de NMBS en Infrabel]3 ]2 of, in voorkomend geval, bij elke groep van verbonden autonome overheidsbedrijven een dienst " ombudsman " opgericht, bevoegd voor gebruikersaangelegenheden.
  Het eerste lid is slechts van toepassing op de autonome overheidsbedrijven wier gebruikers hoofdzakelijk natuurlijke personen zijn en die als zodanig door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, worden aangewezen.
  § 2. De dienst " ombudsman " bestaat uit twee leden; zij behoren tot een verschillende taalrol.
  De dienst " ombudsman " treedt op als college.
  § 3. De dienst " ombudsman " heeft tot opdracht :
  1° alle klachten van gebruikers te onderzoeken die betrekking hebben op de activiteiten van het overheidsbedrijf;
  2° te bemiddelen tussen de gebruikers en het overheidsbedrijf met het oog op een minnelijke schikking van de geschillen;
  3° een advies te verlenen aan het overheidsbedrijf ingeval geen minnelijke schikking kan worden bereikt; een kopie van het advies wordt verstuurd naar de klager;
  4° uitspraak te doen als scheidsrechter in elk geschil dat het overheidsbedrijf en de gebruiker aan dergelijke arbitrage onderwerpen bij overeenkomst gesloten nadat het geschil is gerezen.
  § 4. De dienst " ombudsman " kan, in het kader van een hem voorgelegde klacht, ter plaatse inzage nemen van de boeken, brieven, notulen en, in het algemeen, van alle documenten en geschriften van het overheidsbedrijf die rechtstreeks betrekking hebben op het voorwerp van de klacht. Hij kan van de leden van de raad van bestuur, van de gemachtigden en de personeelsleden van het overheidsbedrijf alle ophelderingen en inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die noodzakelijk zijn voor zijn onderzoek. De aldus verkregen informatie wordt door de dienst " ombudsman " als vertrouwelijk behandeld, indien de bekendmaking ervan het bedrijf op algemeen vlak schade zou kunnen berokkenen.
  § 5. Ingeval het overheidsbedrijf afwijkt van het in § 3, 3°, bedoelde advies, motiveert het zijn beslissing. De gemotiveerde beslissing wordt gestuurd aan de klager en aan de dienst " ombudsman ".
  
Art.43. § 1. Il est créé auprès de chaque entreprise publique autonome [2 à l'exclusion de [4 Proximus]4, [1 bpost]1, [3 la SNCB et Infrabel]3 ]2 ou, le cas échéant, auprès de chaque groupe d'entreprises publiques autonomes liées, un service de médiation compétent pour les matières concernant les usagers.
  L'alinéa précédent n'est applicable qu'aux entreprises publiques autonomes dont les usagers sont principalement des personnes physiques et qui sont désignées comme telles par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  § 2. Le service de médiation est composé de deux membres; ils appartiennent à un rôle linguistique différent.
  Le service de médiation agit en tant que collège.
  § 3. Le service de médiation a les missions suivantes :
  1° examiner toutes les plaintes des usagers ayant trait aux activités de l'entreprise publique;
  2° s'entremettre pour faciliter un compromis à l'amiable des différends entre l'entreprise publique et les usagers;
  3° émettre un avis à l'entreprise publique au cas où un compromis à l'amiable ne peut être trouvé; une copie de l'avis est adressée au plaignant;
  4° se prononcer en tant qu'arbitre dans tout différend que l'entreprise publique et l'usager soumettent à un tel arbitrage par convention conclue après la naissance du différend.
  § 4. Le service de médiation peut, dans le cadre d'une plainte dont il est saisi, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures de l'entreprise publique ayant trait directement à l'objet de la plainte. Il peut requérir des administrateurs, des agents et des préposés de l'entreprise publique toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui sont nécessaires pour son examen. L'information ainsi obtenue est traitée par le service de médiation comme confidentielle, lorsque la divulgation pourrait nuire à l'entreprise sur un plan général.
  § 5. L'entreprise publique justifie sa décision au cas où elle ne suivrait pas l'avis visé au § 3, 3°. La décision motivée est envoyée au plaignant et au service de médiation.
  
Art. 43bis. <INGEVOEGD bij W 1997-12-19/30, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-1998> § 1. (Er wordt bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie een ombudsdienst voor telecommunicatie opgericht die bevoegd is voor de betrekkingen tussen de eindgebruiker, in de zin van de van kracht zijnde wetgeving inzake elektronische communicatie, en de volgende personen :
  1° elke operator in de zin (van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie); <W 2007-04-25/38, art. 157, 067; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  2° elke persoon die een telefoongids vervaardigt, verkoopt of verspreidt in de zin (van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie); <W 2007-04-25/38, art. 157, 067; Inwerkingtreding : 18-05-2007>;
  3° elke persoon die een telefooninlichtingendienst verstrekt in de zin (van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie); <W 2007-04-25/38, art. 157, 067; Inwerkingtreding : 18-05-2007>;
  4° elke persoon die elektronische communicatiesystemen exploiteert in de zin (van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie); <W 2007-04-25/38, art. 157, 067; Inwerkingtreding : 18-05-2007>;
  5° elke persoon die openbare versleutelingsdiensten verstrekt in de zin (van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie); <W 2007-04-25/38, art. 157, 067; Inwerkingtreding : 18-05-2007>;
  6° elke persoon die andere activiteiten met betrekking tot elektronische communicatie aanbiedt in de zin (van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie).) <W 2005-06-13/32, art. 154, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005> <W 2007-04-25/38, art. 157, 067; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  (7° elke aanbieder van omroeptransmissie- en/of omroepdistributiediensten, voor zover het klachten betreft van eindgebruikers betreffende tussentijdse facturen, de contractuele bepalingen en de algemene voorwaarden van de operator.) <W 2007-05-15/51, art. 18, 1°, 070; Inwerkingtreding : 15-07-2007>
  § 2. De ombudsdienst is samengesteld uit twee leden; zij behoren tot een verschillende taalrol.
  De ombudsdienst treedt op als college. Niettemin mogen de ombudsmannen elkaar onderling delegaties verlenen via een collegiale beslissing goedgekeurd door de minister bevoegd voor telecommunicatie.
  (De leden van de ombudsdienst voor telecommunicatie sluiten met de Raad van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie een overeenkomst af waarin de praktische en organisatorische regels van het functioneren van de ombudsdienst binnen het Instituut en van de uitoefening van de door de wet aan de ombudsdienst opgedragen taken en bevoegdheden, worden opgenomen. In deze overeenkomst worden minstens de nadere regels opgenomen inzake :
  - de oprichting en de werking van een contactcomité tussen de leden van de ombudsdienst en de Raad van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  - de beslechting van bevoegdheidsgeschillen;
  - de logistieke aspecten;
  - het beleid ten aanzien van het ter beschikking gestelde personeel;
  - financiële controle en begroting.) <W 2006-12-21/79, art. 3, 1°, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
  § 3. De ombudsdienst heeft de volgende opdrachten :
  1° alle klachten van de eindgebruikers onderzoeken die verband houden met de activiteiten van de in § 1 van dit artikel bedoelde ondernemingen.
  De klachten van de eindgebruikers zijn slechts ontvankelijk wanneer de klager voorafgaandelijk bij de betrokken onderneming stappen heeft ondernomen. De ombudsdienst mag weigeren een klacht te behandelen wanneer die klacht meer dan een jaar geleden werd ingediend bij de betrokken onderneming (of wanneer de klacht duidelijk vexatoir is); <W 2006-12-21/79, art. 3, 2°, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
  2° bemiddelen om een minnelijke schikking te vergemakkelijken voor geschillen tussen de in § 1 van dit artikel bedoelde ondernemingen en de eindgebruikers;
  3° een aanbeveling richten tot de in § 1 van dit artikel bedoelde ondernemingen indien geen minnelijke schikking kan worden bereikt; een afschrift van de aanbeveling wordt aan de klager toegezonden;
  4° (...) <W 2006-12-21/79, art. 3, 3°, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
  5° de eindgebruikers die zich schriftelijk of mondeling tot de dienst richten zo goed mogelijk voorlichten over hun belangen;
  6° op verzoek van de minister die bevoegd is voor de telecommunicatie (, van de minister bevoegd voor consumentenzaken) of van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie of van het [2 bijzondere raadgevende commissie Telecommunicatie]2 (of van de Gemeenschapsministers bevoegd voor omroep en de Gemeenschapsregulatoren voor wat betreft de aangelegenheden inzake omroep die onder de bevoegdheid van de ombudsdienst voor telecommunicatie vallen), adviezen uitbrengen in het kader van zijn opdrachten; <W 2006-12-21/79, art. 3, 4°, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007> <W 2007-05-15/51, art. 18, 2°, 070; Inwerkingtreding : 15-07-2007>
  7° (van elke persoon die beweert het slachtoffer te zijn van kwaadwillig gebruik van een elektronische communicatienetwerk of -dienst, het verzoek onderzoeken om inlichtingen te krijgen over de identiteit en het adres van de gebruikers van elektronische communicatienetwerken of -diensten die deze persoon hebben lastiggevallen, voorzover die gegevens beschikbaar zijn. De ombudsdienst willigt het verzoek in indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  a) de feiten lijken vast te staan;
  b) het verzoek heeft betrekking op precieze data en uren.) <W 2005-06-13/32, art. 154, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  (8° samenwerken met :
  a) andere onafhankelijke sectoriële geschillencommissies of onafhankelijke bemiddelaars, onder meer door het doorsturen van klachten die niet ressorteren onder de bevoegdheid van de ombudsdienst voor de telecommunicatie naar de bevoegde geschillencommissie of bemiddelaar;
  b) de buitenlandse ombudsmannen of hiermee functioneel gelijkgestelde instanties die opereren als beroepsinstantie voor de behandeling van klachten waarvoor de ombudsdienst voor de telecommunicatie bevoegd is;
  c) de Gemeenschapsregulatoren [1 en het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, zonder dat deze in de behandeling van de dossiers en individuele klachten tussenbeide mogen komen]1.
  Desgevallend kunnen hiervoor door de minister bevoegd voor Consumentenzaken samenwerkingsprotocollen worden gesloten.
  Met betrekking tot de operatoren bedoeld in § 1, 7°, wordt door de minister bevoegd voor Consumentenzaken een samenwerkingsakkoord gesloten met de Gemeenschappen voor de behandeling van andere klachten dan deze bedoeld in § 1, 7°.) <W 2007-05-15/51, art. 18, 3°, 070; Inwerkingtreding : 15-07-2007>
  § 4. De ombudsdienst mag in het kader van een klacht die bij hem is ingediend, ter plaatse, kennis nemen van boeken, briefwisseling, processen-verbaal en in het algemeen van alle documenten en alle geschriften van de betrokken onderneming of ondernemingen die rechtstreeks betrekking hebben op het voorwerp van de klacht. De dienst mag van de beheerders en van het personeel van de betrokken onderneming of ondernemingen alle uitleg of informatie vragen en alle verificaties uitvoeren die nodig zijn voor het onderzoek.
  De aldus verkregen informatie behandelt de ombudsdienst vertrouwelijk, wanneer de verspreiding de onderneming op algemeen vlak zou kunnen schaden.
  Binnen de grenzen van zijn bevoegdheden krijgt de ombudsdienst van geen enkele overheid instructies.
  Het onderzoek van een klacht wordt beëindigd wanneer daartegen beroep is aangetekend, buiten het geval bedoeld in § 3, 4° van dit artikel.
  § 5. De betrokken onderneming beschikt over een termijn van twintig werkdagen om haar beslissing te motiveren indien zij de in § 3, 3° van dit artikel bedoelde aanbeveling niet volgt. De met redenen omklede beslissing wordt naar de klager en naar de ombudsdienst opgestuurd.
  (Na het verstrijken van de in het vorige lid bedoelde termijn, verstuurt de ombudsdienst een herinnering aan de betrokken onderneming. Deze beschikt over een nieuwe termijn van twintig werkdagen om haar beslissing alsnog te motiveren indien zij de in § 3, 3°, bedoelde aanbeveling niet volgt. De met redenen omklede beslissing wordt naar de klager en naar de ombudsdienst opgestuurd.
  Door de niet-naleving van de in de vorige leden bedoelde termijnen verbindt de betrokken onderneming er zich toe de aanbeveling uit te voeren voor wat betreft de specifieke en persoonlijke tegemoetkoming aan de betrokken klager.) <W 2005-12-27/31, art. 31, 060; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  (§ 6. Indien de klacht van een gebruiker door de ombudsdienst ontvankelijk wordt verklaard, wordt de inningsprocedure door de operator opgeschort tot een maximale periode van vier maanden vanaf de indiening van de klacht bij de ombudsdienst of totdat de ombudsdienst een aanbeveling heeft geformuleerd of totdat een minnelijke schikking is bereikt.) <W 2005-12-27/31, art. 31, 060; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  
Art. 43bis. § 1er. (Il est institué, auprès de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, un service de médiation pour les télécommunications compétent pour les relations entre l'utilisateur final, au sens de la législation en vigueur en matière de communications électroniques, et les personnes suivantes :
  1° tout opérateur au sens (de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques); <L 2007-04-25/38, art. 157, 067; En vigueur : 18-05-2007>
  2° toute personne confectionnant, vendant ou distribuant un annuaire au sens (de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques); <L 2007-04-25/38, art. 157, 067; En vigueur : 18-05-2007>;
  3° toute personne fournissant un service de renseignements téléphonique au sens (de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques); <L 2007-04-25/38, art. 157, 067; En vigueur : 18-05-2007>;
  4° toute personne exploitant des systèmes de communications électroniques au sens (de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques); <L 2007-04-25/38, art. 157, 067; En vigueur : 18-05-2007>;
  5° toute personne fournissant au public des services de cryptographie au sens (de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques); <L 2007-04-25/38, art. 157, 067; En vigueur : 18-05-2007>;
  6° toute personne offrant d'autres activités en matière de communications électroniques au sens (de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques).) <L 2005-06-13/32, art. 154, 056; En vigueur : 30-06-2005> <L 2007-04-25/38, art. 157, 067; En vigueur : 18-05-2007>
  (7° tout fournisseur de services de radiotransmission et/ou de radiodistribution, pour autant qu'il s'agit des plaintes des utilisateurs finals relatives à des factures intermédiaires, aux dispositions contractuelles et aux conditions générales de l'opérateur.) <L 2007-05-15/51, art. 18, 1°, 070; En vigueur : 15-07-2007>
  § 2. Le Service de Médiation est composé de deux membres; ils appartiennent à un rôle linguistique différent.
  Le Service de Médiation agit en tant que collège. Néanmoins, les médiateurs peuvent s'accorder des délégations par décision collégiale approuvée par le Ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions.
  (Une convention est conclue entre les membres du service de médiation pour les télécommunications et le Conseil de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, dans laquelle sont reprises les modalités pratiques et organisationnelles du fonctionnement du service de médiation au sein de l'Institut et de l'accomplissement des missions et des compétences confiées par la loi au service de médiation. Cette convention reprend au minimum les modalités concernant :
  - la création et le fonctionnement d'un comité de contact entre les membres du service de médiation et le Conseil de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications;
  - la résolution de conflits de compétence;
  - les aspects logistiques;
  - la politique à l'égard du personnel mis à disposition;
  - le contrôle financier et le budget.) <L 2006-12-21/79, art. 3, 1°, 065; En vigueur : 02-02-2007>
  § 3. Le Service de Médiation est investi des missions suivantes :
  1° examiner toutes les plaintes des utilisateurs finals ayant trait aux activités des entreprises visées au § 1er du présent article.
  Les plaintes des utilisateurs finals ne sont recevables que lorsque le plaignant a entamé une démarche préalable auprès de l'entreprise concernée. Le Service de Médiation peut refuser de traiter une réclamation lorsque la plainte y afférente a été introduite auprès de l'entreprise concernée plus d'un an auparavant (ou que la plainte est de nature clairement vexatoire); <L 2006-12-21/79, art. 3, 2°, 065; En vigueur : 02-02-2007>
  2° s'entremettre pour faciliter un compromis à l'amiable des différends entre les entreprises visées au § 1er du présent article et les utilisateurs finals;
  3° adresser une recommandation aux entreprises visées au § 1er du présent article au cas ou un compromis à l'amiable ne peut être trouvé; une copie de la recommandation est adressée au plaignant;
  4° (...) <L 2006-12-21/79, art. 3, 3°, 065; En vigueur : 02-02-2007>
  5° orienter au mieux de leur intérêt les utilisateurs finals qui s'adressent à lui par écrit ou oralement;
  6° émettre, à la demande du Ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions (, du ministre qui a la protection de la consommation dans ses attributions) ou de l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications ou du [2 commission consultative spéciale Télécommunication]2 (ou des ministres des Communautés qui ont les programmes de radiotélévision dans leurs compétences et des régulateurs des Communautés en matière de programmes de radiotélévision qui relèvent de la compétence du service de médiation pour les télécommunications), des avis dans le cadre de ses missions; <L 2006-12-21/79, art. 3, 4°, 065; En vigueur : 02-02-2007> <L 2007-05-15/51, art. 18, 2°, 070; En vigueur : 15-07-2007>
  7° (examiner la demande de toute personne se prétendant victime d'une utilisation malveillante d'un réseau ou d'un service de communications électroniques visant à obtenir communication de l'identité et de l'adresse des utilisateurs de réseaux ou de services de communications électroniques l'ayant importunée, pour autant que ces données sont disponibles. Le service de médiation accède à la demande si les conditions suivantes sont réunies :
  a) les faits semblent établis;
  b) la demande se rapporte à des dates et heures précises.) <L 2005-06-13/32, art. 154, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  (8° collaborer avec :
  a) d'autres commissions sectorielles indépendantes de litiges ou médiateurs indépendants, entre autres en transmettant des plaintes qui ne relèvent pas de la compétence du service de médiation pour les télécommunications à la commission de litiges ou au médiateur compétent;
  b) les médiateurs étrangers ou des instances dont la fonction est équivalente qui agissent en tant qu'instance de recours pour le traitement des plaintes pour lesquelles le service de médiation pour les télécommunications est compétent;
  c) les régulateurs des Communautés [1 et l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, sans que ceux-ci ne puissent intervenir dans le traitement des dossiers et des plaintes individuelles]1.
  Le cas échéant, des protocoles de collaboration peuvent être conclus par le ministre qui a la Protection de la Consommation dans ces attributions.
  En ce qui concerne les opérateurs visés au § 1er, 7°, le ministre qui a la Protection de la Consommation dans ses attributions conclura un accord de coopération avec les Communautés en vue de traiter les plaintes autres que celles visées au § 1er, 7°.) <L 2007-05-15/51, art. 18, 3°, 070; En vigueur : 15-07-2007>
  § 4. Le Service de Médiation peut, dans le cadre d'une plainte dont il est saisi, prendre connaissance, sur place, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures d'une ou des entreprises concernées ayant trait directement à l'objet de la plainte. Il peut requérir des administrateurs et du personnel d'une ou des entreprises concernées toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui sont nécessaires pour son examen.
  L'information ainsi obtenue est traitée par le Service de Médiation comme confidentielle lorsque la divulgation pourrait nuire à l'entreprise sur un plan général.
  Dans les limites de ses attributions, le Service de Médiation ne reçoit d'instruction d'aucune autorité.
  L'examen d'une plainte prend fin lorsqu'elle fait l'objet d'un recours juridictionnel, hors le cas visé au § 3, 4°, du présent article.
  § 5. L'entreprise concernée dispose d'un délai de vingt jours ouvrables pour motiver sa décision au cas où elle ne suivrait pas la recommandation visée au § 3, 3°, du présent article. La décision motivée est envoyée au plaignant et au Service de Médiation.
  (Après l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, le service de médiation envoie un rappel à l'entreprise concernée. Celle-ci dispose d'un délai de vingt jours ouvrables pour tout de même motiver sa décision au cas où elle ne suivrait pas la recommandation visée au § 3, 3°. La décision motivée est envoyée au plaignant et au service de médiation.
  Par le non-respect des délais visés aux alinéas précédents, l'entreprise concernée s'engage à exécuter la recommandation pour ce qui est de l'intervention spécifique et personnelle au plaignant concerné.) <L 2005-12-27/31, art. 31, 060; En vigueur : 09-01-2006>
  (§ 6. Si la plainte d'un consommateur est déclarée recevable par le service de médiation, la procédure de perception est suspendue par l'opérateur pour une période maximale de quatre mois à partir du jour de l'introduction de la plainte auprès du service de médiation ou jusqu'à ce que le service de médiation formule une recommandation ou jusqu'à ce qu'on se mette d'accord sur un règlement transactionnel.) <L 2005-12-27/31, art. 31, 060; En vigueur : 09-01-2006>
  
Art. 43ter. <INGEVOEGD bij W 2006-12-21/79, art. 4; Inwerkingtreding : 02-02-2007> § 1. Bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie wordt een ombudsdienst voor de postsector opgericht die bevoegd is voor gebruikersaangelegenheden inzake volgende ondernemingen :
  1° [2 bpost]2;
  2° de ondernemingen die postdiensten aanbieden in de zin van artikel 131, 1° van deze wet [1 ...]1;
  3° [1 ...]1.
  Gebruikersaangelegenheden zijn aangelegenheden die de belangen van gebruikers betreffen die zelf geen postdiensten aanbieden.
  § 2. De ombudsdienst voor de postsector bestaat uit twee leden die behoren tot een verschillende taalrol.
  De ombudsdienst treedt op als college. Niettemin mogen de ombudsmannen elkaar onderling delegaties verlenen via een collegiale beslissing goedgekeurd door de minister die bevoegd is voor aangelegenheden die de postdiensten betreffen.
  De leden van de ombudsdienst voor de postsector sluiten met de Raad van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie een overeenkomst af waarin de praktische en organisatorische regels van het functioneren van de ombudsdienst binnen het Instituut en van de uitoefening van de door de wet aan de ombudsdienst opgedragen taken en bevoegdheden, worden opgenomen. In deze overeenkomst worden minstens de regels opgenomen inzake :
  - de oprichting en de werking van een contactcomité tussen de leden van de ombudsdienst en de Raad van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
  - de beslechting van bevoegdheidsgeschillen;
  - de logistieke aspecten;
  - het beleid ten aanzien van het ter beschikking gestelde personeel;
  - financiële controle en begroting.
  § 3. De ombudsdienst voor de postsector heeft volgende opdrachten :
  1° alle klachten van de gebruikers onderzoeken die verband houden met :
  a) de activiteiten van [2 bpost]2, met uitzondering van :
  - klachten waarvoor een andere onafhankelijke sectoriële geschillencommissie of onafhankelijke bemiddelaar bevoegd is;
  - klachten die producten en diensten betreffen die door [2 bpost]2 aangeboden worden in onderaanneming van derden.
  b) de postale activiteiten van de in § 1, 2° en 3°, van dit artikel bedoelde ondernemingen.
  2° Onder postale activiteiten wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan :
  a) de activiteiten die bestaan uit het leveren van postdiensten in de zin van artikel 131, 1° van deze wet, met inbegrip van postdiensten die gekenmerkt worden door één of meer bijkomende prestaties;
  b) de diensten die bijkomend geleverd worden door de [1 ondernemingen waarnaar verwezen wordt in § 1, 2° ]1, van dit artikel daar zij noodzakelijk zijn voor hun postdiensten in de zin van artikel 131, 1°, van deze wet en die betrekking hebben op de infrastructuur van de desbetreffende onderneming of de mogelijke betaalwijzen voor hun postdiensten in de zin van artikel 131, 1°, van deze wet.
  3° bemiddelen om een minnelijke schikking te vergemakkelijken voor geschillen tussen de in § 1 van dit artikel bedoelde ondernemingen en de gebruikers;
  4° een aanbeveling richten tot de in § 1 van dit artikel bedoelde ondernemingen indien geen minnelijke schikking kan worden bereikt. Een afschrift van aanbeveling wordt aan de klager toegezonden;
  5° de gebruikers die zich schriftelijk of mondeling tot de dienst richten zo goed mogelijk voorlichten over hun rechten en belangen;
  6° op verzoek van de minister die bevoegd is voor de postsector, of van de minister bevoegd voor consumentenzaken, of van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, of van het [3 bijzondere raadgevende commissie Postdiensten en e-commerce]3 adviezen uitbrengen in het kader van zijn opdrachten;
  7° samenwerken met :
  a) andere onafhankelijke sectoriële geschillencommissies of onafhankelijke bemiddelaars, onder meer door het doorsturen van klachten die niet ressorteren onder de bevoegdheid van de ombudsdienst voor de postsector naar de bevoegde geschillencommissie of bemiddelaar;
  b) de buitenlandse ombudsmannen of hiermee functioneel gelijkgestelde instanties die opereren als beroepsinstantie voor de behandeling van klachten waarvoor de ombudsdienst voor de postsector bevoegd is.
  In voorkomend geval kunnen hiervoor door de minister bevoegd voor consumentenzaken samenwerkingsprotocollen afgesloten worden.
  § 4. De klachten van de eindgebruikers zijn slechts ontvankelijk wanneer de klager voorafgaandelijk bij de betrokken onderneming een klacht heeft ingediend volgens de interne procedure van de betrokken onderneming. De klachten van de eindgebruikers zijn onontvankelijk wanneer deze anoniem of niet schriftelijk werden ingediend bij de ombudsdienst voor de postsector.
  De ombudsdienst voor de postsector mag op gemotiveerde wijze weigeren een klacht te behandelen wanneer die klacht meer dan een jaar geleden werd ingediend bij de betrokken onderneming of wanneer de klacht duidelijk vexatoir is.
  Verschillende klachten ingediend door eenzelfde gebruiker tegen eenzelfde operator met eenzelfde voorwerp kunnen door de ombudsdienst als één klacht behandeld worden.
  [1 De gebruiker kan zich ofwel richten tot de Nederlandstalige of de Franstalige ombudsman of -vrouw. De registratie van de klachten door de ombudsdienst gebeurt volgens de CEN14012-norm.
   De ombudsdienst stuurt eerstelijnsklachten voor de behandeling door naar de aanbieder van postdiensten, en informeert de gebruiker daarover. De ombudsdienst informeert steeds de gebruiker en de aanbieder van postdiensten, ook wanneer de ombudsdienst zich onbevoegd verklaart of een einde maakt aan de behandeling van de klacht.
   Binnen tien werkdagen na ontvangst van de melding van de ombudsdienst, maakt de aanbieder van postdiensten ofwel alle elementen over om zijn initiële positie te argumenteren, ofwel, in het andere geval, doet het bedrijf een voorstel tot minnelijke schikking.
   Als een minnelijke schikking is bereikt, sluit de ombudsdienst voor de postsector het dossier af, en stuurt daarvan een bevestiging aan beide partijen.
   De Koning kan de verdere praktische regels bepalen met betrekking tot de ontvangst van klachten door de ombudsdienst voor de postsector, de registratie ervan en de informatieuitwisseling;]1

  § 5. De ombudsdienst voor de postsector mag in het kader van een klacht die bij hem is ingediend ter plaatse kennis nemen van boeken, briefwisseling, processen-verbaal en in het algemeen van alle documenten en alle geschriften van de betrokken onderneming of ondernemingen die rechtstreeks betrekking hebben op het voorwerp van de klacht met uitzondering van de stukken die onder het briefgeheim vallen. Hij mag van de beheersorganen en van het personeel van de betrokken ondernemingen alle uitleg of informatie vragen en alle verificaties uitvoeren die nodig zijn voor het onderzoek.
  De aldus verkregen informatie wordt vertrouwelijk behandeld wanneer de verspreiding de onderneming op algemeen vlak kan schaden.
  Binnen de grenzen van zijn bevoegdheden krijgt de ombudsdienst van geen enkele overheid instructies.
  Het onderzoek van een klacht wordt beëindigd wanneer daartegen jurisdictioneel beroep is aangetekend.
  § 6. De betrokken onderneming beschikt over een termijn van twintig werkdagen om haar beslissing te motiveren indien zij de in § 3, 4° van dit artikel bedoelde aanbeveling niet volgt. De met reden omklede beslissing wordt naar de klager en naar de ombudsdienst gestuurd.
  Na het verstrijken van de in het vorige lid bedoelde termijn, verstuurt de ombudsdienst een herinnering aan de betrokken onderneming. Deze beschikt over een nieuwe termijn van twintig werkdagen om haar beslissing alsnog te motiveren indien zij de in § 3, 4° van dit artikel bedoelde aanbeveling niet volgt. De met redenen omklede beslissing wordt naar de klager en naar de ombudsdienst gestuurd.
  Door de niet naleving van de bedoelde termijn verbindt de betrokken onderneming er zich toe het advies uit te voeren voor wat betreft de specifieke en persoonlijke tegemoetkoming aan de betrokken klager.
  § 7. Indien de klacht van een gebruiker door de ombudsdienst voor de postsector ontvankelijk wordt verklaard, wordt de inningsprocedure door de operator opgeschort tot een maximale periode van 4 maanden vanaf de indiening van de klacht bij de ombudsdienst of totdat de ombudsdienst voor de postsector een aanbeveling heeft geformuleerd of totdat een minnelijke schikking kan worden bereikt.
  [1 § 8. De gebruiker en de aanbieder van postdiensten hebben recht op inzage van het dossier bij de ombudsdienst.]1
  [1 § 9. De ombudsdienst voor de postsector nodigt op regelmatige tijdstippen de personen bedoeld in artikel 148bis, § 2, uit voor een dialoog, met het oog op het voorkomen van conflicten. De Koning kan de verdere praktische bepalingen uitvaardigen met betrekking tot dit permanent overleg.]1
  
Art. 43ter. § 1er. Il est institué, auprès de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, un service de médiation pour le secteur postal compétent pour les matières concernant les usagers des entreprises suivantes :
  1° [2 bpost]2;
  2° les entreprises qui offrent des services postaux au sens de l'article 131, 1°, de la présente loi [1 ...]1;
  3° [1 ...]1.
  Les matières concernant les usagers sont des matières qui concernent les intérêts des utilisateurs qui n'offrent pas de services postaux eux-mêmes.
  § 2. Le service de médiation pour le secteur postal est composé de deux membres qui appartiennent à un rôle linguistique différent.
  Le service de médiation agit en tant que collège. Néanmoins, les médiateurs peuvent s'accorder des délégations par décision collégiale approuvée par le ministre qui a les services postaux dans ses attributions.
  Une convention est conclue entre les membres du service de médiation pour le secteur postal et le Conseil de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, dans laquelle sont reprises les modalités pratiques et organisationnelles du fonctionnement du service de médiation au sein de l'Institut et de l'accomplissement des missions et des compétences confiées par la loi au service de médiation. Cette convention reprend au minimum les modalités concernant :
  - la création et le fonctionnement d'un comité de contact entre les membres du service de médiation et le Conseil de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications;
  - la résolution de conflits de compétence;
  - les aspects logistiques;
  - la politique à l'égard du personnel mis à disposition;
  - le contrôle financier et le budget.
  § 3. Le service de médiation pour le secteur postal est investi des missions suivantes :
  1° examiner toutes les plaintes des utilisateurs ayant trait :
  a) aux activités de [2 bpost]2, à l'exception de :
  - plaintes qui relèvent de la compétence d'une autre commission sectorielle indépendante des litiges ou d'un autre médiateur indépendant;
  - plaintes concernant des produits et services offerts par [2 bpost]2 en sous-traitance de tiers.
  b) aux activités postales des entreprises visées au § 1er, 2° et 3°, du présent article.
  2° Par activités postales, on entend pour l'application de ce chapitre :
  a) les activités qui consistent en la prestation de services postaux au sens de l'article 131, 1°, de la présente loi, y compris les services postaux caractérisés par une ou plusieurs prestations supplémentaires;
  b) les services prestés supplémentairement par [1 entreprises auxquelles il est fait référence au § 1er, 2°]1, de cet article du fait qu'ils sont nécessaires à leurs services postaux au sens de l'article 131, 1°, de cette loi et ayant trait à l'infrastructure de l'entreprise concernée ou aux modes possibles de paiement de leurs services postaux au sens de l'article 131, 1°, de cette loi.
  3° s'entremettre pour faciliter un compromis à l'amiable des litiges entre les entreprises visées au § 1er du présent article et les utilisateurs;
  4° adresser une recommandation aux entreprises visées au § 1er du présent article au cas où un compromis à l'amiable ne peut être trouvé. Une copie de la recommandation est adressée au plaignant;
  5° orienter au mieux de leurs droits et intérêts les utilisateurs qui s'adressent à lui par écrit ou oralement;
  6° émettre, à la demande du ministre qui a le secteur postal dans ses attributions ou du ministre qui a la protection des consommateurs dans ses attributions ou de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications ou du [3 commission consultative spéciale Services postaux et e-commerce]3, des avis dans le cadre de ses missions;
  7° collaborer avec :
  a) d'autres commissions sectorielles indépendantes de litiges ou médiateurs indépendants, entre autres en transmettant des plaintes qui ne relèvent pas de la compétence du service de médiation pour le secteur postal à la commission de litiges ou au médiateur compétent;
  b) les médiateurs étrangers ou des instances dont la fonction est équivalente qui agissent en tant qu'instance de recours pour le traitement des plaintes pour lesquelles le service de médiation pour le secteur postal est compétent.
  Le cas échéant, des protocoles de collaboration peuvent être conclus par le ministre qui a la protection de la consommation dans ces attributions.
  § 4. Les plaintes des utilisateurs finals ne sont recevables que lorsque le plaignant a introduite une plainte selon la procédure interne de l'entreprise concernée. Les plaintes des utilisateurs finals sont irrecevables lorsque celles-ci ont été introduites anonymement ou n'ont pas été introduites par voie écrit auprès du service de médiation pour le secteur postal.
  Le service de médiation pour le secteur postal peut refuser de traiter une plainte de manière motivée lorsque cette plainte a été introduite il y a plus d'un an auprès de l'entreprise concernée ou que la plainte est de nature clairement vexatoire.
  Différentes plaintes introduites par un même usager contre un même opérateur sur le même sujet peuvent être traitées comme une seule plainte par le service de médiation.
  [1 L'utilisateur peut s'adresser au médiateur ou à la médiatrice soit néerlandophone soit francophone. L'enregistrement des plaintes par le service de médiation se fait conformément à la norme CEN14012.
   Le service de médiation transmet les plaintes de première ligne pour traitement au prestataire de services postaux et en informe l'utilisateur. Le service de médiation informe toujours l'utilisateur et le prestataire de services postaux, y compris lorsque le service de médiation se déclare incompétent ou met fin au traitement de la plainte.
   Dans les dix jours ouvrables qui suivent la réception de la notification du service de médiation, le prestataire de services postaux transmet tous les éléments permettant d'argumenter sa position initiale, ou dans l'autre cas, l'entreprise fait une proposition de compromis à l'amiable.
   Lorsqu'un compromis à l'amiable est trouvé, le service de médiation pour le secteur postal clôture le dossier et en envoie la confirmation aux deux parties.
   Le Roi peut fixer les autres modalités pratiques relatives à la réception de plaintes par le service de médiation pour le secteur postal, l'enregistrement de celles-ci et l'échange d'informations;]1

  § 5. Le service de médiation pour le secteur postal peut, dans le cadre d'une plainte introduite auprès de lui, prendre connaissance, sur place, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures de l'entreprise ou des entreprises concernées ayant trait directement à l'objet de la plainte à l'exception des pièces relevant du secret des lettres. Il peut requérir des organismes d'administration et du personnel des entreprises concernées toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui sont nécessaires pour son examen.
  L'information ainsi obtenue est traitée confidentiellement lorsque la divulgation peut nuire à l'entreprise sur un plan général.
  Dans les limites de ses attributions, le service de médiation ne reçoit d'instruction d'aucune autorité.
  L'examen d'une plainte prend fin lorsqu'elle fait l'objet d'un recours juridictionnel.
  § 6. L'entreprise concernée dispose d'un délai de vingt jours ouvrables pour motiver sa décision au cas où elle ne suivrait pas la recommandation visée au § 3, 4°, du présent article. La décision motivée est envoyée au plaignant et au service de médiation.
  Après l'expiration du délai visé à l'alinéa précédent, le service de médiation envoie un rappel à l'entreprise concernée. Celle-ci dispose d'un nouveau délai de vingt jours ouvrables pour motiver sa décision au cas où elle ne suivrait pas la recommandation visée au § 3, 4°, du présent article. La décision motivée est envoyée au plaignant ainsi qu'au service de médiation.
  Par le non-respect du délai visé, l'entreprise concernée s'engage à appliquer l'avis pour ce qui est du dédommagement spécifique et personnel au plaignant concerné.
  § 7. Si la plainte d'un utilisateur est déclarée recevable par le service de médiation pour le secteur postal, la procédure de recouvrement est suspendue par l'opérateur pour une période de 4 mois au maximum à partir de l'introduction de la plainte auprès du service de médiation ou jusqu'à ce que le service de médiation pour le secteur postal ait formulé une recommandation ou jusqu'à ce qu'un compromis à l'amiable puisse être trouvé.
  [1 § 8. L'utilisateur et le prestataire de services postaux ont le droit de consulter le dossier auprès du service de médiation.]1
  [1 § 9. Le service de médiation pour le secteur postal invite à intervalles réguliers les personnes visées à l'article 148bis, § 2, à un dialogue dans le but de prévenir des conflits. Le Roi peut édicter les autres modalités pratiques concernant cette concertation permanente.]1
  
Afdeling II. - Samenstelling en werking van de dienst " ombudsman ".
Section II. - Composition et fonctionnement du service de médiation.
Art.44. § 1. De Koning benoemt de leden van de dienst " ombudsman ", bij een in Ministerraad overlegd besluit, voor een hernieuwbare termijn van [1 zes jaar]1.
  [1 ...]1
  [1 Het mandaat van lid van de dienst "ombudsman" is evenwel slechts eenmaal hernieuwbaar.
   De hernieuwing van het mandaat is afhankelijk van een gunstige evaluatie door een onafhankelijke instelling aangesteld door de bevoegde minister, uitgevoerd zes maanden voor het einde van het mandaat.
   Deze evaluatie gebeurt met name op basis van de resultaten van de jaarverslagen, bedoeld in artikel 46, welke de leden van de dienst "ombudsman" jaarlijks overhandigen aan de bevoegde minister over de werking van hun ombudsdienst met betrekking tot het voorgaande jaar en of op behoorlijke wijze werd uitvoering gegeven aan de opdrachten bedoeld in respectievelijk artikel 43, § 3, artikel 43bis, § 3 en artikel 43ter, § 3, al naargelang het geval. Het mandaat wordt hernieuwd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   Wanneer het mandaat van lid van de dienst "ombudsman" niet hernieuwd wordt, blijft het lid zijn functie uitoefenen tot aan de benoeming van zijn opvolger.
   Een bericht tot vacantverklaring, met vaststelling van de voorwaarden tot indiening van de kandidaturen, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad bij een niet-hernieuwing van het mandaat ten gevolge van een ongunstige evaluatie, na afloop van het hernieuwde mandaat, pensionering, ontslag op eigen initiatief, ontslag zoals paragraaf 5 erin voorziet, of overlijden van het lid van de dienst "ombudsman".]1

  Het lid van de dienst " ombudsman " die zich, op het ogenblik van zijn benoeming, in een statutaire band bevindt met de Staat of met enig ander rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt van rechtswege ter beschikking gesteld, overeenkomstig de bepalingen van het betrokken statuut, voor de gehele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op bevordering en weddeverhoging.
  Indien het lid van de dienst " ombudsman " zich op het ogenblik van zijn benoeming in een contractuele band bevindt met de Staat of met enig ander rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt de betrokken overeenkomst van rechtswege geschorst voor de gehele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op bevordering.
  § 2. Om tot lid van de dienst " ombudsman " te worden benoemd, moet men :
  1° de Belgische nationaliteit bezitten;
  2° van onberispelijk gedrag zijn en de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  3° houder zijn van een diploma dat bij de Rijksbesturen toegang geeft tot een ambt van niveau 1;
  (4° gedurende een periode van drie jaar voor de benoeming, geen mandaat of functie hebben bekleed in :
  a) het betrokken overheidsbedrijf of een ermee verbonden onderneming wat betreft de ombudsmannen bij de overheidsbedrijven;
  b) een onderneming, bedoeld in § 1 van artikel 43bis van deze wet of een ermee verbonden onderneming wat betreft de leden van de ombudsdienst voor telecommunicatie) <W 1997-12-19/30, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (c) een onderneming, bedoeld in § 1 van artikel 43ter van deze wet of een ermee verbonden onderneming voor wat betreft de leden van de ombudsdienst voor de postsector.) <W 2006-12-21/79, art. 5, a, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
  § 3. Het lidmaatschap van de dienst " ombudsman " is onverenigbaar met :
  1° een bezoldigd openbaar mandaat;
  2° een bij verkiezingen verleend openbaar mandaat;
  3° het beroep van advocaat;
  4° het ambt van notaris, magistraat of gerechtsdeurwaarder;
  (5° een mandaat of functie in :
  a) het betrokken overheidsbedrijf of een ermee verbonden onderneming wat betreft de ombudsmannen bij de overheidsbedrijven;
  b) een onderneming, bedoeld in § 1 van artikel 43bis van deze wet of een ermee verbonden onderneming wat betreft de leden van de ombudsdienst voor telecommunicatie;) <W 1997-12-19/30, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>of een ermee verbonden onderneming.
  (c) een onderneming, bedoeld in § 1 van artikel 43ter van deze wet of een ermee verbonden onderneming voor wat betreft de leden van de ombudsdienst voor de postsector.) <W 2006-12-21/79, art. 5, b, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
  § 4. (Opgeheven) <W 1993-08-06/30, art. 89, 005; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  § 5. De leden van de dienst " ombudsman " kunnen slechts om wettige reden worden ontslagen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
  
Art.44. § 1. Les membres du service de médiation sont nommés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour un terme renouvelable de [1 six ans]1.
  [1 ...]1
  [1 Le mandat du membre du service de médiation n'est toutefois renouvelable qu'une seule fois.
   Le renouvellement du mandat dépend d'une évaluation favorable par une institution indépendante désignée par le ministre compétent, obtenue six mois avant la fin du mandat.
   Cette évaluation se fonde notamment sur les résultats des rapports annuels, visés à l'article 46, que les membres du service de médiation soumettent annuellement au ministre compétent et qui portent sur le fonctionnement de leur service de médiation au cours de l'année écoulée et de la bonne exécution des missions visées respectivement à l'article 43, § 3, à l'article 43bis, § 3 et à l'article 43ter, § 3, selon le cas. Le mandat est renouvelé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   Lorsque le mandat d'un membre du service de médiation n'est pas renouvelé, ce membre continue à exercer ses fonctions jusqu'à la nomination de son successeur.
   Un avis de vacance, précisant les conditions de dépôt des candidatures, est publié au Moniteur belge en cas de non-renouvellement du mandat en raison d'une évaluation défavorable, de la fin du mandat renouvelé, d'un départ à la retraite, d'une démission, d'une révocation comme prévu au paragraphe 5, ou du décès du membre du service de médiation.]1

  Le membre du service de médiation, qui au moment de sa nomination se trouve dans un lien statutaire avec l'Etat ou toute autre personne morale de droit public relevant de l'Etat, est mis de plein droit en congé pour mission selon les dispositions du statut en question pour toute la durée de son mandat. Toutefois, durant cette période, il garde ses titres à la promotion et à l'avancement de traitement.
  Lorsque le membre du service de médiation au moment de sa nomination se trouve dans un lien contractuel avec l'Etat ou toute autre personne de droit public relevant de l'Etat, le contrat concerné est suspendu de plein droit pour toute la durée de son mandat. Toutefois, durant cette période, il garde ses titres à l'avancement de traitement.
  § 2. Pour pouvoir être nommé membre du service de médiation, le candidat doit :
  1° posséder la nationalité belge;
  2° être d'une conduite irréprochable et jouir des droits civils et politiques;
  3° détenir un diplôme donnant accès à des fonctions du niveau 1 aux administrations de l'Etat;
  (4° ne pas avoir exercé un mandat ou une fonction pendant une période de trois ans avant sa nomination au sein :
  a) de l'entreprise publique concernée ou de l'une des entreprises liées en ce qui concerne les médiateurs auprès des entreprises publiques;
  b) d'une des entreprises visées au § 1er de l'article 43bis de la présente loi ou de l'une des entreprises liées en ce qui concerne les membres du Service de Médiation pour les télécommunications;) <L 1997-12-19/30, art. 5, 017; En vigueur : 01-01-1998>
   (c) d'une des entreprises visées au § 1er, de l'article 43ter de la présente loi ou de l'une des entreprises liées en ce qui concerne les membres du service de médiation pour le secteur postal.) <L 2006-12-21/79, art. 5, a, 065; En vigueur : 02-02-2007>
  § 3. La fonction de membre du service de médiation est incompatible avec :
  1° un mandat public rémunéré;
  2° un mandat public conféré par des élections;
  3° la profession d'avocat;
  4° la fonction de notaire, magistrat ou huissier de justice;
  (5° un mandat ou une fonction au sein :
  a) de l'entreprise publique concernée ou l'une des entreprises liées en ce qui concerne les médiateurs auprès des entreprises publiques;
  b) d'une des entreprises visées au § 1er de l'article 43bis de la présente loi ou de l'une des entreprises liées en ce qui concerne les membres du Service de Médiation pour les télécommunications;) <L 1997-12-19/30, art. 5, 017; En vigueur : 01-01-1998>
   (c) d'une des entreprises visées au § 1er de l'article 43ter de la présente loi ou de l'une des entreprises liées en ce qui concerne les membres du service de médiation pour le secteur postal.) <L 2006-12-21/79, art. 5, b, 065; En vigueur : 02-02-2007>
  § 4. (Abrogé) <L 1993-08-06/30, art. 89, 005; En vigueur : 19-08-1993>
  § 5. Les membres du service de médiation ne peuvent être révoqués que pour juste motif par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  
Art. 44bis. <INGEVOEGD bij W 1993-08-06/30, art. 88; Inwerkingtreding : 19-08-1993> § 1. De Koning stelt het administratief en geldelijk statuut van de leden van de dienst " ombudsman " vast.
  § 2. De leden van de dienst " ombudsman " zijn onderworpen aan de bepalingen die, voor de Rijksambtenaren, het volgende regelen :
  1° de verloven;
  2° de disponibiliteit wegens ziekte;
  3° het vakantiegeld.
  § 3. De leden van de dienst " ombudsman " zijn onderworpen aan de sector gezondheidszorg van het stelsel van verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit.
  § 4. De wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, is van toepassing op de leden van de diensten " ombudsman " opgericht bij de autonome overheidsbedrijven (alsook op de leden van de ombudsdienst voor telecommunicatie en de ombudsdienst voor de postsector.) <W 2006-12-21/79, art. 6, a, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
  (De renten en vergoedingen, alsook de procedurekosten, behalve bij roekeloze en tergende vordering, komen ten last van het overheidsbedrijf (en wat betreft (de ombudsdiensten voor telecommunicatie en de postsector) ten laste van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie [1 ...]1.) <W 1995-12-20/31, art. 54, 013; Inwerkingtreding : 02-01-1996> <W 1997-12-19/30, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 2006-12-21/79, art. 6, b, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
  § 5. (De autonome overheidsbedrijven en het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie kennen rechtstreeks aan de leden van respectievelijk hun dienst " ombudsman " en (de ombudsdiensten voor telecommunicatie en de postsector) de kinderbijslag, de geboortebijslag en de adoptiepremie toe waarin de gecoördineerde wetten op de kinderbijslag voor loontrekkenden voorzien.) <W 1997-12-19/30, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <W 2006-12-21/79, art. 6, c, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
  Het bedrag en de toekenningsvoorwaarden voor deze bijslagen en premie zijn minstens even gunstig als deze van de toelagen die de kinderbijslagfondsen verplicht verdelen.
  
Art. 44bis. § 1. Le Roi fixe le statut administratif et pécuniaire des membres du service de médiation.
  § 2. Les membres du service de médiation sont soumis aux dispositions qui, pour les agents de l'Etat, régissent :
  1° les congés;
  2° la disponibilité pour maladie;
  3° le pécule de vacances.
  § 3. Les membres du service de médiation sont soumis au secteur des soins de santé du régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité.
  § 4. La loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public, est applicable aux membres des services de médiation créés auprès des entreprises publiques autonomes (ainsi qu'aux membres du service de médiation pour les télécommunications et du service de médiation pour le secteur postal). <L 2006-12-21/79, art. 6, a, 065; En vigueur : 02-02-2007>
  (Les rentes et indemnités, ainsi que les frais de procédure, sauf si la demande est téméraire et vexatoire, sont à charge de l'entreprise publique. (et en ce qui concerne le (services de médiations pour les télécommunications et le secteur postal) à charge de l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications [1 ...]1. ) <L 1995-12-20/31, art. 54, 013; En vigueur : 02-01-1996> <L 1997-12-19/30, art. 6, 017; En vigueur : 01-01-1998> <L 2006-12-21/79, art. 6, b, 065; En vigueur : 02-02-2007>
  § 5. (Les entreprises publiques autonomes et l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications accordent, directement aux membres respectivement de leur (services de médiation pour les télécommunications et le secteur postal), les allocations familiales, l'allocation de naissance et la prime d'adoption prévues par les lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés.) <L 1997-12-19/30, art. 6, 017; En vigueur : 01-01-1998> <L 2006-12-21/79, art. 6, c, 065; En vigueur : 02-02-2007>
  Le montant et les conditions d'octroi de ces allocations et prime sont au moins aussi favorables que ceux des allocations réparties obligatoirement par les caisses de compensation pour allocations familiales.
  
Art. 44ter. <INGEVOEGD bij W 1993-08-06/30, art. 88; Inwerkingtreding : 19-08-1993> § 1. De autonome overheidsbedrijven verzekeren aan de leden van hun dienst " ombudsman " een rustpensioen. De regels die de toekenningsvoorwaarden en de wijze van berekening van de pensioenen van de ambtenaren van het Algemeen Rijksbestuur beheersen, zijn op dit pensioen van toepassing. Elk autonoom overheidsbedrijf draagt de lasten van de pensioenen toegekend aan de leden van zijn dienst " ombudsman ".
  (Het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie draagt de lasten van de pensioenen die zijn toegekend aan de leden van de ombudsdienst voor telecommunicatie en de ombudsdienst voor de postsector enkel voor de jaren die bij deze ombudsdiensten zijn gepresteerd.) <W 2006-12-21/79, art. 7, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
  § 2. De rechthebbenden van de personen bedoeld bij § 1 kunnen hun recht op een overlevingspensioen ten laste van de Schatkist doen gelden volgens de regels die de toekenning en de wijze van berekening van de pensioenen van de rechthebbenden van de ambtenaren van het Algemeen Rijksbestuur beheersen. Dit pensioen wordt gefinancierd door een persoonlijke bijdrage ten laste van de leden van de dienst " ombudsman " die gelijk is aan deze waarin artikel 60 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, voorziet. Deze bijdrage is onderworpen aan de regels waarin de artikelen 61 en 61bis van bovengenoemde wet van 15 mei 1984 voorzien.
  § 3. Voor de opvorderbaarheid van het recht op de bij §§ 1 en 2 bedoelde pensioenen en de berekening ervan, komen enkel de gepresteerde diensten als lid van de dienst " ombudsman " in aanmerking.
  Dezelfde diensten mogen niet in aanmerking genomen worden noch voor het ontstaan van het recht op een ander pensioen van de overheidssector, noch voor de berekening daarvan.
Art. 44ter. § 1. Les entreprises publiques autonomes sont tenues d'assurer aux membres de leur service de médiation une pension de retraite. Les règles qui régissent les conditions d'octroi et le mode de calcul des pensions des fonctionnaires de l'Administration générale du Royaume sont applicables à cette pension. Chaque entreprise publique autonome supporte la charge des pensions accordées aux membres de son service de médiation.
  (L'Institut belge des services postaux et des télécommunications assume la charge des pensions accordées aux membres du service de médiation pour les télécommunications et du service de médiation pour le secteur postal pour les seules années prestées dans ces services de médiation.) <L 2006-12-21/79, art. 7, 065; En vigueur : 02-02-2007>
  § 2. Les ayants droit des personnes visées au § 1er peuvent prétendre à une pension de survie à charge du Trésor public selon les règles qui régissent l'octroi et le mode de calcul des pensions des ayants droit des fonctionnaires de l'Administration générale du Royaume. Cette pension est financée par une contribution personnelle à charge des membres du service de médiation égale à celle prévue par l'article 60 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions. Cette contribution est soumise aux règles prévues par les articles 61 et 61bis de la loi du 15 mai 1984 précitée.
  § 3. Pour l'ouverture du droit et le calcul des pensions visées aux §§ 1er et 2, seuls les services prestés en qualité de membre du service de médiation sont pris en compte.
  Ces mêmes services ne peuvent être pris en considération ni pour l'ouverture du droit à une autre pension du secteur public, ni pour le calcul de celle-ci.
Art.45. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de menselijke en materiële middelen die het autonoom overheidsbedrijf ter beschikking van zijn dienst " ombudsman " stelt. De werkingskosten van de dienst " ombudsman " zijn ten laste van het overheidsbedrijf. De Koning kan echter het beroep op de dienst " ombudsman " aan een kostenbijdrage onderwerpen.
Art.45. Le Roi détermine, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, les ressources humaines et matérielles que doit affecter l'entreprise publique autonome à son service de médiation. Les frais de fonctionnement du service de médiation sont à charge de l'entreprise publique. Toutefois, le Roi peut soumettre l'appel au service de médiation au paiement d'une contribution aux frais.
Art. 45bis. <INGEVOEGD bij W 1997-12-19/30, art. 8; Inwerkingtreding : 01-01-1998> § 1. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de menselijke en materiële middelen die het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie ter beschikking van de ombudsdienst voor telecommunicatie moet stellen.
  De werkingskosten van de ombudsdienst voor telecommunicatie komen ten laste van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
  § 2. Om de dienstverlening van de ombudsdienst voor telecommunicatie te financieren, betalen de in artikel 43bis, § 1 van deze wet bedoelde ondernemingen jaarlijks aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie een bijdrage die vastgesteld is op grond van de kosten voor de financiering van de ombudsdienst voor telecommunicatie, " ombudsbijdrage " genoemd.
  § 3. Jaarlijks bepaalt het Instituut het bedrag van de ombudsbijdrage verschuldigd door elke in artikel 43bis van de wet bedoelde onderneming.
  § 4. De in artikel 43bis, § 1 van deze wet bedoelde ondernemingen delen elk jaar uiterlijk op 30 juni aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie de omzet mee die het voorgaande jaar behaald is voor elk van de activiteiten die onder de bevoegdheid van de ombudsdienst vallen.
  § 5. Het bedrag van de ombudsbijdrage komt overeen met het bedrag van de financiële middelen die nodig zijn voor de werking van de ombudsdienst dat ingeschreven is op de begroting van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie voor het lopende jaar, na advies van de Inspectie van Financiën en van het [1 bijzondere raadgevende commissie Telecommunicatie]1, vermenigvuldigd met een coëfficiënt die gelijk is aan het aandeel van de onderneming in de omzet die tijdens het voorgaande jaar door alle betrokken ondernemingen is behaald voor de activiteiten die onder de bevoegdheid van de ombudsdienst vallen.
  De eerste (1.240.000 EUR) van de jaarlijkse omzet van iedere onderneming worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van de ombudsbijdrage. <KB 2000-07-20/55, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 6. De ombudsbijdragen moeten uiterlijk op 30 september van het jaar waarvoor zij verschuldigd zijn, worden betaald op het rekeningnummer dat door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie is opgegeven.
  Bijdragen die niet zijn betaald op de vastgestelde vervaldatum geven van rechtswege en zonder ingebrekestelling aanleiding tot een intrest tegen het wettelijke tarief verhoogd met 2 %. Die intrest wordt berekend naar rato van het aantal kalenderdagen achterstand.
  Op zijn laatst één maand voor de vervaldatum deelt het Instituut aan de in artikel 43bis van de wet bedoelde ondernemingen het bedrag mee van de verschuldigde bijdragen.
  § 7. De ombudsmannen leggen elk jaar het ontwerp van begroting van de ombudsdienst voor telecommunicatie voor advies voor aan het [1 bijzondere raadgevende commissie Telecommunicatie]1. De begroting van de ombudsdienst voor telecommunicatie maakt afzonderlijk deel uit van de begroting van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
  
Art. 45bis. § 1er. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'institut, les ressources humaines et matérielles que l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications doit affecter au Service de Médiation pour les télécommunications.
  Les frais de fonctionnement du Service de Médiation pour les télécommunications sont à charge de l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications.
  § 2. Afin de rémunérer les prestations du Service de Médiation pour les télécommunications, les entreprises, visées à l'article 43bis, § 1er, de la présente loi, acquittent annuellement, auprès de l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications, une redevance établie sur base du coût du financement du Service de Médiation pour les télécommunications, appelée " redevance de médiation ".
  § 3. Chaque année, l'institut fixe le montant de la redevance de médiation due par chacune des entreprises visées à l'article 43bis de la loi.
  § 4. Les entreprises, visées à l'article 43bis, § 1er, de la présente loi, communiquent, au plus tard le 30 juin de chaque année à l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications, le chiffre d'affaires réalisé l'année précédente pour chacune des activités rentrant dans le champ de compétence du Service de Médiation.
  § 5. Le montant de la redevance de médiation correspond au montant des moyens financiers nécessaires au fonctionnement du Service de Médiation inscrit au budget de l'année en cours de l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications, après avis de l'Inspection des Finances et du [1 commission consultative spéciale Télécommunication]1, multiplié par un coefficient égal à la part de l'entreprise dans le chiffre d'affaires réalisé l'année précédente par l'ensemble des entreprises concernées pour les activités rentrant dans le champ de compétence du Service de Médiation.
  Les premiers (1.240.000 EUR) de chiffre d'affaires de chaque entreprise ne sont pas pris en compte pour le calcul de la redevance de médiation. <AR 2000-07-20/55, art. 1, 034; En vigueur : 01-01-2002>
  § 6. Les redevances de médiation sont payées au plus tard le 30 septembre de l'année pour laquelle elles sont dues, au numéro de compte indiqué par l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications.
  Les redevances qui ne sont pas payées à l'échéance fixée produiront de plein droit et sans mise en demeure un intérêt au taux légal majoré de 2 %. Cet intérêt est calculé au prorata du nombre de jours calendrier de retard.
  Au plus tard un mois avant l'échéance, l'institut communique aux entreprises, visées à l'article 43bis de la loi, le montant de la redevance due.
  § 7. Les médiateurs soumettent, chaque année, le projet de budget du Service de Médiation pour les télécommunications à l'avis du [1 commission consultative spéciale Télécommunication]1. Le budget du Service de Médiation pour les télécommunications figure distinctement au budget de l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications.
  
Art. 45ter. <INGEVOEGD bij W 2006-12-21/79, art. 8, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007> § 1. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Instituut, de menselijke en materiële middelen die het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie ter beschikking van de ombudsdienst voor de postsector moet stellen.
  § 2. Om de dienstverlening van de Ombudsdienst voor de postsector te financieren, betalen de in artikel 43ter, § 1, van deze wet bedoelde ondernemingen jaarlijks aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie een bijdrage die vastgesteld is op grond van de kosten voor de financiering van de ombudsdienst voor de postsector, " ombudsbijdrage " genoemd.
  § 3. Jaarlijks bepaalt het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie het bedrag van de ombudsbijdrage verschuldigd door elke in artikel 43ter van deze wet bedoelde onderneming.
  § 4. [1 ...]1.
  § 5. [1 Het bedrag van de ombudsbijdrage komt overeen met het bedrag van de financiële middelen die nodig zijn voor de werking van de ombudsdienst dat ingeschreven is op de begroting van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie voor het lopende jaar, na advies van de Inspectie van Financiën en van het [2 bijzondere raadgevende commissie Postdiensten en e-commerce]2.
   De individuele ombudsbijdrage, In genaamd, wordt berekend als volgt :
   (Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-12-2010, p. 83268)
   Voor de toepassing van de bovenstaande formule worden de bovenstaande elementen als volgt gedefinieerd :
   - X = het bedrag van de financiële middelen die nodig zijn voor de werking van de ombudsdienst dat ingeschreven is op de begroting van het Instituut voor het lopende jaar, na advies van de Inspectie van Financiën en van het Raadgevend Comité voor de postdiensten;
   - Kn = aantal vorig jaar ontvankelijke klachten (K) tegen de onderneming (n) op voorwaarde dat er vorig jaar meer dan 12 ontvankelijke klachten waren tegen de onderneming (n) en de omzet van onderneming (n) in het vorig jaar hoger was dan 500 000 EUR;
   (Formule niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 31-12-2010, p. 83268)]1

  § 6. De ombudsbijdragen moeten uiterlijk op 30 september van het jaar waarop zij verschuldigd zijn, worden betaald op het rekeningnummer dat door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie is opgegeven.
  Bijdragen die niet zijn betaald op de vastgestelde vervaldatum geven van rechtswege en zonder ingebrekestelling aanleiding tot een intrest tegen het wettelijk tarief verhoogd met 2 procent. Die intrest wordt berekend naar rato van het aantal kalenderdagen achterstand.
  Ten laatste één maand voor de vervaldatum deelt het Instituut aan de in artikel 43ter van de wet bedoelde ondernemingen het bedrag mee van de verschuldigde bijdragen.
  § 7. Indien de ombudsdienst minder of meer heeft uitgegeven dan geraamd en / of indien een individuele ombudsbijdrager geheel of ten dele in gebreke is gebleven de verschuldigde ombudsbijdrage te betalen, zal het jaar volgend op het werkingsjaar van de ombudsdienst een verrekening gebeuren van de individuele ombudsbijdragen. Geeft deze berekening aanleiding tot een bijkomende bijdrage of een gedeeltelijke terugbetaling dan wordt dit verschil verrekend met de nieuw te betalen individuele ombudsbijdragen.
  § 8. De ombudsmannen leggen elk jaar het ontwerp van begroting van de ombudsdienst voor de postsector ter advies voor aan het [2 bijzondere raadgevende commissie Postdiensten en e-commerce]2. De begroting van de ombudsdienst voor de postsector maakt afzonderlijk deel uit van de begroting van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
  
Art. 45ter. § 1er. Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, après avis de l'Institut, les ressources humaines et matérielles que l'Institut belge des services postaux et des télécommunications doit affecter au service de médiation pour le secteur postal.
  § 2. Afin de financer les prestations du service de médiation du secteur postal, les entreprises visées à l'article 43ter, § 1er, de la présente loi, acquittent annuellement, auprès de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, une redevance établie sur base du coût du financement du service de médiation pour le secteur postal, appelée " redevance de médiation ".
  § 3. Chaque année, l'Institut belge des services postaux et des télécommunications détermine le montant de la redevance de médiation due par chacune des entreprises visées à l'article 43ter de la présente loi.
  § 4.[1 ...]1.
  § 5. [1 Le montant de la redevance de médiation correspond au montant des moyens financiers nécessaires au fonctionnement du service de médiation inscrit au budget de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications pour l'année en cours, après avis de l'Inspection des Finances et du [2 commission consultative spéciale Services postaux et e-commerce]2.
   La redevance de médiation individuelle, appelée In, est calculée comme suit :
   (Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 31-12-2010, p. 83268)
   Pour l'application de la formule précitée, les éléments indiqués ci-dessus sont définis comme suit :
   - X = le montant des moyens financiers nécessaires au fonctionnement du service de médiation inscrit au budget de l'année en cours de l'Institut, après avis de l'Inspection des Finances et du Comité consultatif pour les services postaux;
   - Kn = nombre de plaintes recevables (K) à l'encontre de l'entreprise (n) au cours de l'année précédente à condition qu'il y ait eu plus de 12 plaintes recevables à l'encontre de l'entreprise (n) l'année précédente et que l'entreprise (n) ait eu un chiffre d'affaires supérieur à 500.000 EUR l'année précédente;
   (Formule non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 31-12-2010, p. 83268).]1

  § 6. Les redevances de médiation sont payées au plus tard le 30 septembre de l'année pour laquelle elles sont dues, au numéro de compte donné par l'Institut belge des services postaux et des télécommunications.
  Les redevances qui ne sont pas payées à l'échéance fixée produisent de plein droit et sans mise en demeure un intérêt au taux légal majoré de 2 %. Cet intérêt est calculé au prorata du nombre de jours calendrier de retard.
  Au plus tard un mois avant échéance, l'Institut communique aux entreprises visées à l'article 43ter de la loi, le montant des redevances dues.
  § 7. Si les dépenses du service de médiation sont inférieures ou supérieures aux prévisions, et / ou qu'un payeur de redevances de médiation individuelles a omis en tout ou en partie de payer la redevance de médiation due, les redevances de médiation individuelles sont calculées l'année suivant l'année de fonctionnement du service de médiation. Si ce calcul donne lieu à une redevance supplémentaire ou un remboursement partiel, cette différence est portée en compte par le biais des nouvelles redevances de médiation individuelles à payer.
  § 8. Les médiateurs soumettent, chaque année, le projet de budget du service de médiation du secteur postal à l'avis du [2 commission consultative spéciale Services postaux et e-commerce]2 Le budget du service de médiation du secteur postal figure distinctement au budget de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications.
  
Art.46. <W 2006-12-21/79, art. 9, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007> § 1. De ombudsdienst stelt jaarlijks een verslag op betreffende zijn activiteiten. Het verslag bespreekt inzonderheid de verschillende klachten of soorten van klachten en het aan deze klachten gegeven gevolg, zonder evenwel de identiteit van de klager rechtstreeks of onrechtstreeks prijs te geven.
  § 2 Het verslag van de ombudsdienst voor telecommunicatie wordt toegestuurd aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, aan de ondernemingen bedoeld in artikel 43bis, § 1, van deze wet, aan de minister die belast is met telecommunicatie en aan de minister bevoegd voor consumentenzaken.
  Het verslag van de Ombudsdienst voor de postsector wordt toegestuurd aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, aan de ondernemingen bedoeld in artikel 43ter, § 1, van deze wet, aan de minister die belast is met de postsector en aan de minister bevoegd voor consumentenzaken.
  Het verslag van ombudsdiensten die niet in deze paragraaf vermeld zijn, wordt overgezonden aan het overheidsbedrijf, aan de minister onder wie het overheidsbedrijf ressorteert en aan de minister bevoegd voor consumentenzaken.
  § 3. De hierboven vermeldde ombudsdiensten zenden het verslag over aan de wetgevende Kamers en stellen het ter beschikking van het publiek.
Art.46. <L 2006-12-21/79, art. 9, 065; En vigueur : 02-02-2007> § 1er. Chaque année, le service de médiation fait rapport de ses activités. Le rapport traite notamment les différentes plaintes ou types de plaintes et la suite donnée à ces plaintes, sans toutefois identifier directement ou indirectement le plaignant.
  § 2. Le rapport du service de médiation pour les télécommunications est communique à l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, aux entreprises visées au § 1er de l'article 43bis de la présente loi, au ministre ayant en charge les télécommunications et au ministre qui a la protection des consommateurs dans ses attributions.
  Le rapport du service de médiation pour le secteur postal est communiqué à l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, aux entreprises visées au § 1er de l'article 43ter de la présente loi, au ministre ayant en charge le secteur postal et au ministre qui a la protection des consommateurs dans ses attributions.
  Le rapport des services de médiation qui ne sont pas mentionnés dans le présent paragraphe est transmis à l'entreprise publique, au ministre dont relève l'entreprise publique ainsi qu'au ministre qui a la protection des consommateurs dans ses attributions.
  § 3. Les services de médiation précités communiquent le rapport aux Chambres législatives et le mettent à la disposition du public.
Art. 46bis. <INGEVOEGD bij W 1997-12-19/30, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-1998> § 1. De personen die ter beschikking zijn gesteld van de dienst " Ombudsman " opgericht bij [1 Proximus]1 en waarvan de lijst door de minister die bevoegd is voor telecommunicatie vastgesteld wordt, worden behoudens hun verzet, overgedragen aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie met uitwerking op 1 januari 1998 en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.
  § 2. De bij [1 Proximus]1 vastbenoemde statutaire ambtenaren worden tot ambtenaar benoemd van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.
  De contractuele personeelsleden die over een arbeidscontract van onbepaalde duur beschikten en die aan het Instituut worden overgedragen, worden in afwijking van artikel 73, § 2, van deze wet, aangeworven met een arbeidscontract van onbepaalde duur.
  § 3. (Voor de berekening van het pensioen van de personeelsleden overgedragen overeenkomstig dit artikel, worden de bij [1 Proximus]1 verrichte diensten beschouwd als diensten verricht bij de federale Staat.) <W 2003-12-11/33, art. 15, 046; Inwerkingtreding : 15-12-2003>
  § 4. De dienstbetrekkingen die worden bezet door de overgedragen personeelsleden worden toegevoegd aan de personeelsformatie van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, vastgesteld bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 maart 1993 tot vaststelling van de personeelsformatie van dat Instituut.
  (§ 5. Zolang de personeelsleden ter beschikking staan van de ombudsdienst voor telecommunicatie, staan zij onder het hiërarchisch gezag van de ombudsman.
  § 6. Zolang de personeelsleden te beschikking staan van de ombudsdienst voor telecommunicatie behouden zij hun statutaire situatie inzake beloning inclusief hun beheerstoelage, anciënniteit, bevordering en pensioen die zij bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie bezitten.) <W 2006-12-21/79, art. 10, 065; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
  
Art. 46bis. § 1er. Les agents mis à la disposition du Service de Médiation créé auprès de [1 Proximus]1, dont la liste est arrêtée par le Ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions, sont transférés, sauf opposition de leur part, à l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications, avec effet au 1er janvier 1998 et selon les modalités fixées par le Roi.
  § 2. Les agents statutaires nommés à titre définitif à [1 Proximus]1 sont nommes agents de l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications.
  En ce qui concerne les agents contractuels qui bénéficiaient d'un contrat de travail à durée indéterminée et qui sont transférés à l'institut, il est conclu, par dérogation à l'article 73, § 2, de la présente loi, un contrat de travail à durée indéterminée.
  § 3. (Pour le calcul de la pension des agents transférés en application du présent article, les services prestés à [1 Proximus]1 sont considérés comme services prestés auprès de l'Etat fédéral.) <L 2003-12-11/33, art. 15, 046; En vigueur : 15-12-2003>
  § 4. Les emplois occupés par les agents transférés sont ajoutés au cadre organique de l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications fixé par l'article 1er de l'arrêté royal du 18 mars 1993 fixant le cadre organique dudit institut.
  (§ 5. Au cours de leur mise à disposition, les membres du personnel, sont soumis à l'autorité hiérarchique du médiateur.
  § 6. Au cours de leur mise à disposition du service de médiation pour les télécommunications, les membres du personnel gardent leur situation statutaire en matière de rémunération y compris leur allocation de gestion, d'ancienneté, de promotion et de pension dont ils bénéficiaient auprès de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications.) <L 2006-12-21/79, art. 10, 065; En vigueur : 02-02-2007>
  
Art. 46ter. <INGEVOEGD bij W 2006-12-21/79, art. 11; Inwerkingtreding : 02-02-2007> § 1. De personen die ter beschikking zijn gesteld van de dienst ombudsman bij [1 bpost]1 en waarvan de lijst door de minister die bevoegd is voor de postdiensten wordt vastgesteld, worden behoudens verzet van hunnentwege, overgedragen aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel.
  De in het vorige lid bedoelde overdracht geschiedt uiterlijk op 1 januari 2007.
  § 2. De bij [1 bpost]1 vastbenoemde statutaire ambtenaren worden tot ambtenaar benoemd bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, hetzij met behoud van graad, hetzij in een gelijkwaardige graad volgens een door de koning vastgestelde tabel.
  Zij behouden ten minste de bezoldiging en de anciënniteit die zij hadden bij [1 bpost]1 op het ogenblik van de overdracht.
  De contractuele personeelsleden die over een arbeidscontract van onbepaalde duur beschikten en die aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie worden overgedragen, worden in afwijking van artikel 73, § 2, van deze wet, aangeworven met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.
  § 3. Voor de berekening van het pensioen van de personeelsleden overgedragen overeenkomstig dit artikel, blijven de bij [1 bpost]1 verrichte diensten ten laste van [1 bpost]1.
  § 4. De dienstbetrekkingen die worden bezet door de overgedragen personeelsleden worden toegevoegd aan de personeelsformatie van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, vastgesteld bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 maart 1993 tot vaststelling van de personeelsformatie van dat Instituut.
  § 5. Zolang de personeelsleden ter beschikking staan van de ombudsdienst voor de postsector, staan zij onder het hiërarchisch gezag van de Ombudsman.
  § 6. Zolang de personeelsleden te beschikking staan van de ombudsdienst voor de postsector behouden zij hun statutaire situatie inzake beloning inclusief hun beheerstoelage, anciënniteit, bevordering en pensioen die zij bij het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie bezitten.
  
Art. 46ter. § 1er. Les agents mis à la disposition du Service de médiation de [1 bpost]1 et dont la liste est arrêtée par le ministre qui a les services postaux dans ses attributions, sont transférés, sauf opposition de leur part, à l'Institut belge des services postaux et des télécommunications selon les règles à fixer par le Roi, après concertation avec les organisations syndicales représentatives du personnel.
  Le transfert mentionné au paragraphe précédent est effectué au plus tard le 1er janvier 2007.
  § 2. Les agents statutaires nommés à titre définitif à [1 bpost]1 sont nommés agents de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, soit en conservant leur grade, soit à un grade équivalent selon un tableau fixé par le Roi.
  Ils conservent au moins la rémunération et l'ancienneté qu'ils avaient à [1 bpost]1 au moment du transfert.
  En ce qui concerne les agents contractuels qui bénéficiaient d'un contrat de travail à durée indéterminée et qui sont transférés à l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, il est conclu, par dérogation à l'article 73, § 2, de la présente loi, un contrat de travail à durée indéterminée.
  § 3. Pour le calcul de la pension des agents transférés en application du présent article, les services prestés à [1 bpost]1 restent à charge de [1 bpost]1.
  § 4. Les emplois occupés par les agents transférés sont ajoutés au cadre organique de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications fixé par l'article 1er de l'arrêté royal du 18 mars 1993 fixant le cadre organique dudit Institut.
  § 5. Au cours de leur mise à disposition du service de médiation pour le secteur postal, les membres du personnel, sont soumis à l'autorité hiérarchique du médiateur.
  § 6. Au cours de leur mise à disposition du service de médiation pour le secteur postal, les membres du personnel gardent leur situation statutaire en matière de rémunération y compris leur allocation de gestion, d'ancienneté, de promotion et de pension dont ils bénéficiaient auprès de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications
  
HOOFDSTUK XI. - Raadgevend Comité.
CHAPITRE XI. - Comité consultatif.
Art. 47/1. [1 § 1. Er wordt een raadgevend comité van de treinreizigers, hierna genoemd "het comité", bij de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer opgericht. Dit comité is bevoegd voor de spoorvervoerdiensten met betrekking tot reizigers die het voorwerp uitmaken van de opdrachten van openbare dienst. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van het raadgevend comité van de treinreizigers.
   § 2. Het comité brengt adviezen uit op verzoek van [2 de bedrijven die diensten van treinreizigersvervoer leveren die het voorwerp uitmaken van opdrachten van openbare dienst]2, op verzoek van de minister die de bevoegdheid over deze overheidsbedrijven heeft, op verzoek van de minister bevoegd voor de regulering van het spoorvervoer of op eigen initiatief van het comité.
  [2 In geval van een met redenen omklede hoogdringendheid, kan de Minister advies vragen van het comité, dat zich uitspreekt binnen een termijn van tien werkdagen. Als werkdag wordt beschouwd iedere kalenderdag andere dan een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag.]2
   Het comité kan uit eigen beweging adviezen uitbrengen met betrekking tot elke aangelegenheid betreffende de diensten van treinreizigersvervoer die het voorwerp uitmaken van opdrachten van openbare dienst geleverd door [2 een spoorwegbedrijf]2. Deze adviezen weerspiegelen de diversiteit van standpunten van zijn leden.
   Het comité wordt geraadpleegd over de ontwerpen van meerjareninvesteringsplannen en over de vervoersplannen die de reizigers aanbelangen. Deze documenten worden door de spoorweginfrastructuurbeheerder en door [2 de bedrijven die diensten van treinreizigersvervoer leveren die het voorwerp uitmaken van opdrachten van openbare dienst]2, aan het comité overgemaakt.
   Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de beheerscontracten maakt het comité zijn aanbevelingen betreffende de beheerscontracten over aan de Wetgevende Kamers.
   Het comité kan overlegvergaderingen organiseren met [2 de bedrijven die diensten van treinreizigersvervoer leveren die het voorwerp uitmaken van opdrachten van openbare dienst]2 en met de publieke overheden.
   § 3. Het comité brengt jaarlijks verslag uit betreffende zijn activiteiten bij [2 de bedrijven die diensten van treinreizigersvervoer leveren die het voorwerp uitmaken van opdrachten van openbare dienst]2, bij de minister bevoegd voor de overheidsbedrijven, bij de minister bevoegd voor de regulering van het spoorvervoer, bij de federale Wetgevende Kamers en bij de Gewestexecutieven.
   § 4. De Koning kan een vergoeding toekennen aan de leden van het uitvoerend bureau van het comité voor de kosten verbonden aan de uitoefening van hun mandaat vanaf het jaar 2009. Het maximale totale bedrag van deze vergoeding is gelijk aan twaalfduizend vijfhonderd euro per jaar.
   § 5. Op verzoek van de voorzitter of van de ondervoorzitter verschaft [2 het spoorwegbedrijf]2 alle nuttige informatie voor de goede werking van de opdracht van het comité.]1

  [2 § 6. De NMBS en het comité bepalen in gezamenlijk akkoord de nadere regels van hun samenwerking. Deze nadere regels worden goedgekeurd door de Minister.
   Bij gebrek aan akkoord tussen de NMBS en het comité binnen een termijn van vier maanden na de inwerkingtreding van deze paragraaf of in het geval van onenigheid omtrent de noodzaak om het akkoord te wijzigen of omtrent de wijzigingen zelf, bepaalt de Minister de nadere regels van hun samenwerking.]2

  
Art. 47/1. [1 Il est créé un comité consultatif pour les voyageurs ferroviaires, dénommé ci-après "le comité", auprès du Service public Fédéral Mobilité et Transports. Ce comité est compétent pour les services de transport ferroviaires de voyageurs qui font l'objet de missions de service public. Le Roi règle la composition et le fonctionnement du comité consultatif pour les voyageurs ferroviaires.
   § 2. Le comité émet des avis à la demande des [2 entreprises fournissant des services de transport ferroviaires de voyageurs faisant l'objet de missions de service public]2, à la demande du ministre dont relèvent ces entreprises publiques, à la demande du ministre qui a la régulation du transport ferroviaire dans ses attributions ou de la propre initiative du comité.
  [2 En cas d'urgence dûment motivée, le Ministre peut demander l'avis du comité, lequel se prononce dans un délai de dix jours ouvrables. Est considéré comme jour ouvrable chaque jour civil autre qu'un samedi, dimanche ou jour férié légal.]2
   Le comité peut émettre d'initiative des avis sur toute question relative aux services de transport ferroviaires de voyageurs faisant l'objet de missions de service public rendus par une [2 entreprise ferroviaire]2. Ces avis reflètent la diversité des positions de ses membres.
   Il est consulté sur les projets de plans pluriannuels d'investissements et sur les plans de transport qui concernent les voyageurs. Ces documents sont communiqués au comité par le gestionnaire de l'infrastructure ferroviaire et les [2 entreprises fournissant des services de transport ferroviaires de voyageurs faisant l'objet de missions de service public]2.
   Au plus tard six mois avant l'expiration des contrats de gestion, le comité transmet aux Chambres législatives ses recommandations relatives aux contrats de gestion.
   Le comité peut organiser des concertations réunissant les [2 entreprises fournissant des services de transport ferroviaires de voyageurs faisant l'objet de missions de service public]2 et les pouvoirs publics.
   § 3. Le comité fait annuellement rapport de ses activités aux [2 entreprises fournissant des services de transport ferroviaires de voyageurs faisant l'objet de missions de service public]2, au ministre dont relèvent les entreprises publiques, au ministre qui a la régulation du transport ferroviaire dans ses attributions, aux Chambres législatives fédérales et aux exécutifs régionaux.
   § 4. Le Roi peut accorder une compensation pour la couverture des frais supportés par les membres du bureau exécutif du comité et liés à l'exercice de leur mandat depuis l'année 2009. Le montant global maximum de cette compensation est de douze mille cinq cents euros par an.
   § 5. L'[2 entreprise ferroviaire]2 transmet sur demande du président ou du vice-président les informations utiles au bon fonctionnement de la mission du comité. ]1

  [2 § 6. La SNCB et le comité déterminent, de commun accord, les modalités de leur collaboration. Ces modalités sont approuvées par le Ministre.
   En cas d'absence d'accord entre la SNCB et le comité dans un délai de quatre mois après l'entrée en vigueur de ce paragraphe ou en cas de différend sur la nécessité de modifier l'accord ou sur les modifications elles-mêmes, le Ministre détermine les modalités de leur collaboration.]2

  
HOOFDSTUK XIbis. [1 - Investeringscel voor het spoor]1
HOOFDSTUK XIbis. [1 - Cellule d'Investissement ferroviaire]1
Art. 47/2. [1 Een Investeringscel voor het spoor wordt opgericht die aan de minister bevoegd voor de overheidsbedrijven adviezen verleent, die voorstellen van aanpassing kunnen omvatten.
   Deze adviezen hebben betrekking op :
   1° de samenhang tussen de door de NMBS en Infrabel aangenomen meerjarenplannen en de doelstellingen voor mobiliteit vastgelegd door de Ministerraad;
   2° de samenhang tussen de door de NMBS en Infrabel aangenomen meerjarenplannen in overeenstemming met de artikelen 162decies, § 4, en 200, § 3, tweede lid;
   3° de follow-up van de uitvoering van de door de NMBS en Infrabel aangenomen meerjarenplannen.
   De adviezen worden gegeven binnen een termijn van zestig dagen vanaf de dag die volgt op de ontvangst door de Cel van :
   1° in het geval van het tweede lid, 1° en 2°, de meerjarenplannen van de NMBS en Infrabel;
   2° in het geval van het tweede lid, 3°, de documenten die zij nuttig acht teneinde de uitvoering van de door de NMBS en Infrabel aangenomen meerjarenplannen te volgen.
   De NMBS en Infrabel bezorgen aan de Cel elk document dat deze vraagt en dat noodzakelijk is voor het vervullen van de opdrachten van de Cel.
   De samenstelling en de werking van de Investeringscel voor het spoor worden bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]1

  
Art. 47/2. [1 Il est créé une Cellule d'Investissement ferroviaire qui remet des avis, qui peuvent inclure des propositions d'adaptation, au ministre des entreprises publiques.
   Ces avis portent sur :
   1° la cohérence entre les plans pluriannuels adoptés par la SNCB et Infrabel et les objectifs de mobilité fixés par le Conseil des ministres ;
   2° la cohérence entre les plans pluriannuels adoptés par la SNCB et Infrabel conformément aux articles 162decies, § 4, 200, § 3, alinéa 2 ;
   3° le suivi de l'exécution des plans pluriannuels adoptés par la SNCB et Infrabel.
   Les avis sont rendus dans un délai de soixante jours à partir du jour qui suit le jour où la Cellule a reçu :
   1° dans le cas de l'alinéa 2, 1° et 2°, les plans pluriannuels de la SNCB et d'Infrabel ;
   2° dans le cas de l'alinéa 2, 3°, les documents qu'elle juge utiles aux fins de l'exécution des plans pluriannuels adoptés par la SNCB et Infrabel.
   La SNCB et Infrabel fournissent à la Cellule tout document requis par celle-ci et nécessaire dans le cadre de la réalisation des missions de la Cellule.
   La composition et le fonctionnement de la Cellule d'Investissement ferroviaire sont fixés par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]1

  
HOOFDSTUK XII. - Overgangs- en wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE XII. - Dispositions transitoires et modificatives.
Afdeling I. - Oprichting en bevoegdheden van nieuwe organen bij sommige organismen.
Section I. - Constitution et compétences de nouveaux organes auprès de certains organismes.
Art.48. § 1. Bij elk van de in artikel 2, § 2, bedoelde organismen wordt, vanaf de inwerkingtreding van deze wet, een raad van bestuur, een directiecomité en, wat de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen betreft, een beperkt comité gevormd bij overeenkomstige toepassing van de artikelen 15, 18 en 20. Ten minste één lid van het eerste directiecomité wordt benoemd onder het personeel van het organisme.
  De aldus benoemde personen hebben als opdracht de onderhandeling en het sluiten van het eerste beheerscontract overeenkomstig artikel 4.
  Bovendien nemen zij de bevoegdheden over van de overeenkomstige beheersorganen zoals zij bestaan op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet en oefenen zij elk van deze bevoegdheden op collegiale manier uit. Aan het mandaat van de leden van de bedoelde overeenkomstige beheersorganen komt van rechtswege een einde op de datum van de benoemingen overeenkomstig het eerste lid.
  § 2. Indien bij het verstrijken van een termijn van zes maanden na de benoemingen bedoeld in § 1, geen beheerscontract is in werking getreden, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, voorlopige regelen vaststellen inzake de in artikel 3, § 2, bedoelde aangelegenheden. Deze voorlopige regelen zullen als beheerscontract gelden en zijn van toepassing tot op het ogenblik dat een beheerscontract, gesloten overeenkomstig artikel 4, in werking treedt.
  § 3. De overeenkomstig § 1, eerste lid, benoemde personen treden aan als leden van de eerste raad van bestuur vanaf de datum met ingang waarvan het organisme wordt ingedeeld bij de autonome overheidsbedrijven. Het mandaat van de in het benoemingsbesluit aangeduide helft van de gewone bestuurders, respectievelijk de bestuurders-directeurs, neemt een einde drie jaar na bedoelde datum. Het mandaat van de andere leden neemt een einde zes jaar na dezelfde datum.
Art.48. § 1. Il est procédé, dès l'entrée en vigueur de la présente loi, à la constitution d'un conseil d'administration, d'un comité de direction et, pour ce qui concerne la Société nationale des chemins de fer belges, d'un comité restreint auprès de chaque organisme visé à l'article 2, § 2, conformément aux articles 15, 18 et 20, qui sont d'application par analogie. Au moins un membre du premier comité de direction est nommé parmi les membres du personnel de l'organisme.
  Les personnes ainsi nommées ont pour mission la négociation et la conclusion du premier contrat de gestion conformément à l'article 4.
  En outre, ils reprennent les compétences des organes de gestion correspondants, telles qu'elles existent à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, et les exercent chacun de manière collégiale. Les mandats des membres des organes de gestion correspondants visés prennent fin de plein droit à la date des nominations conformément à l'alinéa premier.
  § 2. Si, à l'expiration d'un délai de six mois après les nominations conformément au § 1er, un contrat de gestion n'est pas entré en vigueur, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer des règles provisoires concernant les matières visées à l'article 3, § 2. Ces règles provisoires valent comme premier contrat de gestion et sont d'application jusqu'à l'entrée en vigueur d'un contrat de gestion conclu conformément à l'article 4.
  § 3. Les personnes nommées conformément au § 1er, premier alinéa, prennent la fonction de membre du premier conseil d'administration à partir de la date d'entrée en vigueur du classement de l'organisme parmi les entreprises publiques autonomes. Le mandat de la moitie des membres ordinaires, d'une part, et des administrateurs-directeurs, d'autre part, désignée dans l'arrêté de nomination, prend fin trois ans après la date visée. Le mandat des autres membres prend fin six ans après la même date.
Art.49. § 1. Bij elk van de in artikel 2, § 2, bedoelde organismen, met uitzondering van [1 NMBS]1, wordt vanaf de inwerkingtreding van deze wet een paritair comité gevormd bij overeenkomstige toepassing van artikel 30. De leden van dit comité hebben als enige opdracht de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 4, § 2, tweede lid, en 33, § 1, die van overeenkomstige toepassing zijn, bij uitsluiting van enig ander onderhandelingsorgaan. Zij treden aan als leden van het eerste paritair comité vanaf de datum met ingang waarvan het organisme wordt ingedeeld bij de autonome overheidsbedrijven. <KB 2004-10-18/32, art. 27, 050 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  [1 tweede lid opgeheven.]1
  § 2. Voor de toepassing van artikel 30, § 5, wordt het paritair comité bedoeld in § 1, eerste lid, samengesteld op grond van de gegevens vastgesteld door de commissie bedoeld in artikel 14, § 1, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, die beschikbaar zijn op de datum van inwerkingtreding van deze wet. Daarna wordt de samenstelling van het paritair comité aangepast aan de gegevens die de bedoelde commissie vaststelt, binnen dertig dagen nadat zij aan het betrokken organisme of het autonoom overheidsbedrijf zijn medegedeeld.
  § 3. De eerste der in artikel 30, § 5, bedoelde periodes van zes jaar neemt een aanvang in 1996, op een door de Koning te bepalen datum. Met ingang van 1996 inbegrepen, wordt het paritair comité samengesteld op grond van de gegevens per één januari van het jaar waarin tot de vernieuwing van het comité wordt overgegaan.
  [1 tweede lid opgeheven.]1
  § 4. De Koning regelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de toepassingsmodaliteiten van dit artikel.
  
Art.49. § 1. Dès l'entrée en vigueur de la présente loi, il est constitué auprès de chaque organisme visé à l'article 2, § 2, à l'exception de la [1 SNCB]1, une commission paritaire conformément à l'article 30, qui est d'application par analogie. Les membres de cette commission ont pour seule mission l'exercice des compétences visées à l'article 4, § 2, deuxième alinéa, et à l'article 33, § 1er, qui sont d'application par analogie et ce à l'exclusion de toute autre organe de négociation. Ils prennent la fonction de membre de la première commission paritaire à partir de la date d'entrée en vigueur du classement de l'organisme parmi les entreprises publiques autonomes. <AR 2004-10-18/32, art. 27, 050 ; En vigueur : 01-01-2005>
  [1 Deuxième alinéa abrogé.]1
  § 2. Pour l'application de l'article 30, § 5, la commission paritaire visée au § 1er, premier alinéa, est constituée sur la base des données établies par la commission visée à l'article 14, § 1er, de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, qui sont disponibles à la date entrée en vigueur de la présente loi. Ensuite, la composition de la commission paritaire est adaptée aux données établies par ladite commission, dans les trente jours suivant leur notification à l'organisme ou l'entreprise publique autonome concernée.
  § 3. La première des périodes de six ans visées à l'article 30, § 5, prend cours en 1996, à une date à fixer par le Roi. A partir de l'année 1996 incluse, la commission paritaire est composée sur la base des données au premier janvier de l'année de son renouvellement.
  [1 Deuxième alinéa abrogé.]1
  § 4. Le Roi règle, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités d'application du présent article.
  
Afdeling II. - Wijzigingsbepalingen.
Section II. - Dispositions modificatives.
Art.50. <Wijzigingsbepaling van artikel 51, § 1, onderafdeling B, van W 1973-12-28/04>
Art.50.
Art.51. <wijzigingsbepaling van art. 1, § 3; art. 2, § 2; art. 8, § 1 van W 1974-12-19/30>
Art.51.
Art.52.
Art.52.
Art.53.
Art.53.
Art.54. <Wijzigingsbepaling van artikel 87, § 1, L1 van W 1985-08-01/30>
Art.54.
HOOFDSTUK XIII. [1 - Bijzondere bepalingen betreffende autonome overheidsbedrijven in sectoren opengesteld voor mededinging]1
CHAPITRE XIII. [1 - Dispositions particulières relatives aux entreprises publiques autonomes actives dans des secteurs ouverts à la concurrence]1
Art. 54/1. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk gelden voor de volgende autonome overheidsbedrijven :
   1° Proximus;
   2° bpost; en
   3° vanaf de datum bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, ieder ander autonoom overheidsbedrijf dat, gedurende ten minste twee opeenvolgende boekjaren, ten minste vijfenzeventig percent van zijn jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, behaalt uit activiteiten die openstaan voor mededinging, zonder bij of krachtens de wet te zijn voorbehouden aan het betrokken bedrijf.]1

  
Art. 54/1. [1 Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux entreprises publiques autonomes suivantes :
   1° Proximus;
   2° bpost; et
   3° à partir de la date fixée par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, toute autre entreprise publique autonome qui, pendant au moins deux exercices consécutifs, réalise au moins septante-cinq pour cent de son chiffre d'affaires annuel, hors taxe sur la valeur ajoutée, dans des activités qui sont ouvertes à la concurrence sans être réservées, par ou en vertu de la loi, à l'entreprise en question.]1

  
Art. 54/2. [1 Artikel 13 is niet van toepassing op de in artikel 54/1 bedoelde autonome overheidsbedrijven.]1
  
Art. 54/2. [1 L'article 13 n'est pas applicable aux entreprises publiques autonomes visées à l'article 54/1.]1
  
Art. 54/3. [1 De in artikel 54/1 bedoelde autonome overheidsbedrijven mogen aan hun personeelsbehoeften voldoen door personen aan te werven en tewerk te stellen krachtens een arbeidsovereenkomst beheerst door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, ook buiten de gevallen bepaald in artikel 29, § 1, tweede lid. Artikel 34, § 2, G), 1°, is niet van toepassing op deze bedrijven.]1
  
Art. 54/3. [1 Les entreprises publiques autonomes visées à l'article 54/1 peuvent répondre à leurs besoins en personnel par le recrutement et l'emploi de personnes en vertu d'un contrat de travail régi par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, y compris en dehors des cas prévus à l'article 29, § 1er, alinéa 2. L'article 34, § 2, G), 1°, n'est pas applicable à ces entreprises.]1
  
Art. 54/4. [1 De in artikel 54/1 bedoelde autonome overheidsbedrijven kunnen :
   1° in het kader van hun activiteiten contracten van onderaanneming aangaan met derden, met inachtneming, in voorkomend geval, van artikel 148bis, § 1, en van de toepasselijke bepalingen inzake overheidsopdrachten;
   2° professionele samenwerking aangaan met derden voor het presteren van arbeid in de hoedanigheid van zelfstandige, onverminderd de bepalingen van titel XIII van de programmawet (I) van 27 december 2006 en, in voorkomend geval, artikel 148decies, § 1.]1

  
Art. 54/4. [1 Les entreprises publiques autonomes visées à l'article 54/1 peuvent :
   1° conclure, dans le cadre de leurs activités, des contrats de sous-traitance avec des tiers, le cas échéant, dans le respect de l'article 148bis, § 1er, et des règles applicables relatives aux marchés publics;
   2° recourir à une collaboration professionnelle avec des tiers pour la prestation d'un travail en qualité de travailleur indépendant, sans préjudice des dispositions du titre XIII de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 et, le cas échéant, de l'article 148decies, § 1er.]1

  
HOOFDSTUK XIV. [1 - Bijzondere bepalingen betreffende beursgenoteerde autonome overheidsbedrijven]1
CHAPITRE XIV. [1 - Dispositions particulières relatives aux entreprises publiques autonomes cotées en bourse]1
Art. 54/5. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk gelden voor autonome overheidsbedrijven waarvan de aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.]1
  
Art. 54/5. [1 Les dispositions du présent chapitre sont applicables aux entreprises publiques autonomes dont les actions sont admises à la négociation sur un marché réglementé au sens de l'article 2, 3°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.]1
  
Art. 54/6. [1 De volgende bepalingen zijn niet van toepassing op de in artikel 54/5 bedoelde autonome overheidsbedrijven :
   1° artikel 10, § 1, tweede lid;
   2° artikel 12, § 3, tweede zin;
   3° artikel 17, gewijzigd bij de wetten van 24 december 2002 en 6 april 2010;
   4° artikel 18, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 oktober 2004 en de wet van 28 juli 2011, met uitzondering van artikel 18, § 2bis, ingevoegd bij de wet van 28 juli 2011;
   5° de artikelen 19 en 20, met uitzondering van artikel 20, § 2, tweede zin;
   6° artikel 21, gewijzigd bij de wetten van 6 april 2010 en 14 november 2011 en het koninklijk besluit van 11 december 2013;
   7° artikel 23, gewijzigd bij de wet van 12 december 1994;
   8° artikel 24;
   9° artikel 27, § 3;
   10° artikel 35, § 4, tweede lid, tweede, derde en vierde zin;
   11° artikel 39, § 1, derde lid, en §§ 2 en 5;
   12° artikel 40, §§ 2 en 3.]1

  
Art. 54/6. [1 Les dispositions suivantes ne sont pas applicables aux entreprises publiques autonomes visées à l'article 54/5 :
   1° l'article 10, § 1er, alinéa 2;
   2° l'article 12, § 3, deuxième phrase;
   3° l'article 17, modifié par les lois des 24 décembre 2002 et 6 avril 2010;
   4° l'article 18, modifié par l'arrêté royal du 18 octobre 2004 et la loi du 28 juillet 2011, à l'exception de l'article 18, § 2bis, inséré par la loi du 28 juillet 2011;
   5° les articles 19 et 20, à l'exception de l'article 20, § 2, deuxième phrase;
   6° l'article 21, modifié par les lois des 6 avril 2010 et 14 novembre 2011 et l'arrêté royal du 11 décembre 2013;
   7° l'article 23, modifié par la loi du 12 décembre 1994;
   8° l'article 24;
   9° l'article 27, § 3;
   10° l'article 35, § 4, alinéa 2, deuxième, troisième et quatrième phrases;
   11° l'article 39, § 1er, alinéa 3, et §§ 2 et 5;
   12° l'article 40, §§ 2 et 3.]1

  
Art. 54/7. [1 § 1. In afwijking van artikel 39, §§ 3 en 4, en, in voorkomend geval, van de artikelen 60/1, § 3, en 147bis, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, verrichtingen toestaan die tot gevolg hebben dat de deelneming van de overheid in het kapitaal van de in artikel 54/5 bedoelde autonome overheidsbedrijven daalt beneden vijftig percent plus één aandeel. Daarbij laat de Koning zich leiden door het strategisch belang van een participatie in het betrokken bedrijf, de noodzaak aan Belgische verankering, de essentiële bijdrage die het bedrijf kan leveren bij het streven naar duurzame economische groei, zijn maatschappelijk nut en de impact op de tewerkstelling.
   De bevoegdheid die bij het eerste lid aan de Koning wordt opgedragen, verstrijkt op 31 december 2018.
   § 2. Zodra de deelneming van de overheid in het kapitaal van een in artikel 54/5 bedoeld autonoom overheidsbedrijf ingevolge de toepassing van paragraaf 1 daalt beneden vijftig percent plus één aandeel, behoort dit bedrijf niet langer tot de categorie van de autonome overheidsbedrijven en wordt het geschrapt uit de lijst van artikel 1, § 4, onverminderd de overgangsbepalingen vastgesteld krachtens artikel 54/8. Het bedrijf wordt dan een naamloze vennootschap van privaatrecht, zonder onderbreking van rechtspersoonlijkheid.]1

  
Art. 54/7. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 39, §§ 3 et 4, et, le cas échéant, aux articles 60/1, § 3, et 147bis, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, aux conditions qu'Il détermine, autoriser des opérations ayant pour conséquence que la participation des autorités publiques dans le capital des entreprises publiques autonomes visées à l'article 54/5 descende en dessous de cinquante pour cent plus une action. Dans ce cadre, le Roi se laisse guider par l'importance stratégique d'une participation dans l'entreprise concernée, la nécessité d'un ancrage belge, la contribution essentielle que l'entreprise peut apporter à l'égard de l'objectif d'une croissance économique durable, son utilité sociale et l'impact sur l'emploi.
   Le pouvoir accordé au Roi par l'alinéa 1er expire le 31 décembre 2018.
   § 2. Dès que la participation des autorités publiques dans le capital de l'une des entreprises publiques autonomes visées à l'article 54/5 descend en dessous de cinquante pour cent plus une action en application du paragraphe 1er, cette entreprise cesse de ressortir de la catégorie des entreprises publiques autonomes et est supprimée de la liste de l'article 1er, § 4, sans préjudice des dispositions transitoires prises en vertu de l'article 54/8. Elle est alors convertie en une société anonyme de droit privé, sans interruption de personnalité juridique.]1

  
Art. 54/8. [1 Ingeval de Koning een verrichting als bedoeld in artikel 54/7, § 1, toestaat, neemt Hij, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, alle maatregelen die nodig zijn teneinde :
   1° met het oog op de continuïteit van de openbare dienst, de bepalingen inzake de opdrachten van openbare dienst van het betrokken bedrijf en inzake het betreffend beheerscontract te laten doorlopen voor een overgangsperiode die ten laatste op 31 december 2020 verstrijkt;
   2° de wettelijke bepalingen op te heffen die samenhangen met het publiekrechtelijk statuut van het betrokken bedrijf;
   3° de individuele arbeidsverhoudingen te regelen tussen het betrokken bedrijf en zijn werknemers die, op de effectieve datum van de in artikel 54/7, § 1, bedoelde verrichting, deel uitmaken van het statutair personeel van het bedrijf, op zodanige wijze dat de continuïteit van de rechten van deze werknemers inzake vastheid van betrekking, bezoldiging en pensioen die zijn vervat in de grondregels van het personeelsstatuut vastgesteld overeenkomstig de artikelen 34 en 35, wordt gewaarborgd;
   4° de toepassing te regelen van de wetten inzake de sociale zekerheid voor werknemers op de in 3° bedoelde personeelsleden, met inbegrip van de afstemming van de cumulbeperkingen inzake pensioenen op deze die gelden in de private sector;
   5° een passende overgangsregeling uit te werken inzake de collectieve arbeidsverhoudingen bij het betrokken bedrijf tot aan sociale verkiezingen die binnen drie jaar na de in artikel 54/7, § 1, bedoelde verrichting moeten worden gehouden.]1

  
Art. 54/8. [1 Dans le cas où le Roi autorise une opération visée à l'article 54/7, § 1er, Il prend, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, toutes les mesures nécessaires pour :
   1° maintenir, en vue de la continuité du service public, les dispositions relatives aux missions de service public de l'entreprise concernée et au contrat de gestion y afférent, et ce, pour une période transitoire expirant au plus tard le 31 décembre 2020;
   2° supprimer les dispositions légales liées au statut de droit public de l'entreprise concernée;
   3° régler les relations individuelles de travail entre l'entreprise concernée et les travailleurs qui, à la date effective de l'opération visée à l'article 54/7, § 1er, appartiennent au personnel statutaire de l'entreprise, de manière à assurer la continuité des droits de ces travailleurs en matière de stabilité d'emploi, de rémunération et de pension prévus dans les réglementations de base du statut du personnel établi conformément aux articles 34 et 35;
   4° régler l'application des lois en matière de sécurité sociale des travailleurs aux membres du personnel visés au 3°, y compris aligner les interdictions en matière de cumul de pensions avec celles applicables dans le secteur privé;
   5° organiser une régime transitoire en matière de relations collectives de travail au sein de l'entreprise concernée jusqu'aux élections sociales qui doivent se tenir dans les trois ans de l'opération visée à l'article 54/7, § 1er.]1

  
Art. 54/9. [1 De besluiten die krachtens artikel 54/8 worden vastgesteld, kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
   De bevoegdheden die bij artikel 54/8 aan de Koning worden opgedragen, verstrijken op 31 december 2018. Na deze datum kunnen de besluiten vastgesteld krachtens artikel 54/8 enkel bij wet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven.
   De bepalingen die krachtens artikel 54/8, 3°, 4° en 5°, worden vastgesteld, houden op uitwerking te hebben indien zij niet bij wet zijn bekrachtigd binnen zes maanden na de datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging heeft uitwerking met ingang van deze datum.]1

  
Art. 54/9. [1 Les arrêtés pris en vertu de l'article 54/8 peuvent modifier, compléter, remplacer ou abroger les dispositions légales en vigueur.
   Les pouvoirs accordés au Roi par l'article 54/8 expirent le 31 décembre 2018. Après cette date, les arrêtés pris en vertu de l'article 54/8 ne peuvent plus être modifiés, complétés, remplacés ou abrogés que par une loi.
   Les dispositions prises en vertu de l'article 54/8, 3°, 4° et 5°, cessent de produire leurs effets si elles n'ont pas été confirmées par la loi dans les six mois de leur date d'entrée en vigueur. La confirmation produit ses effets à partir de cette date.]1

  
TITEL II. - Hervorming van de Regie van telegraaf en telefoon.
TITRE II. - Réforme de la Régie des télégraphes et des téléphones.
HOOFDSTUK I. - Benaming.
CHAPITRE I. - Dénomination.
Art.55. Onverminderd hetgeen bepaald wordt in artikel 119 van deze wet worden de woorden " Regie van telegraaf en telefoon " en " Regie " wanneer hiermee de Regie van telegraaf en telefoon bedoeld wordt, vervangen door het woord " BELGACOM " in alle wetten en reglementen.
  [1 In alle wetten en reglementen, wordt het woord " Belgacom ", wanneer het krachtens het eerste lid wordt ingevoerd, vervangen door het woord `Proximus'.
   In alle wetten en reglementen wordt het woord " Belgacom " wanneer het verwijst naar de rechtspersoon bedoeld in artikel 1 van de wet van 19 juli 1930 tot oprichting van de Regie van telegraaf en telefoon door het woord `Proximus' vervangen.]1

  
Art.55. Sans préjudice des dispositions de l'article 119 de la présente loi, les mots " Régie des télégraphes et des téléphones " et " Régie " lorsque l'on vise la Régie des télégraphes et des téléphones, sont remplacés par le mot " BELGACOM " dans toutes les lois et règlements.
  [1 Dans toutes les lois et règlements, le mot " Belgacom ", lorsqu'il a été introduit en vertu de l'alinéa 1er, est remplacé par le mot `Proximus'.
   Dans toutes les lois et règlements, le mot " Belgacom ", lorsqu'il fait référence à la personne morale visée à l'article 1er de la loi du 19 juillet 1930 créant la Régie des télégraphes et des téléphones, est remplacé par le mot " Proximus ".]1

  
HOOFDSTUK II. - Doel.
CHAPITRE II. - Objet social.
Art.56. In artikel 1 van de wet van 19 juli 1930 tot oprichting van de Regie van telegraaf en telefoon worden het tweede, derde en vierde lid, zoals gewijzigd bij het enig artikel van de wet van 7 december 1984, vervangen door de volgende bepaling :
  " [1 Proximus]1 heeft tot doel :
  1° het ontwikkelen van diensten, in binnen- of buitenland, op het gebied der telecommunicatie;
  2° het verrichten van alle handelingen bestemd om rechtstreeks of onrechtstreeks haar activiteiten te bevorderen of het meest efficiënt gebruik van haar infrastructuur mogelijk te maken;
  3° het deelnemen in reeds bestaande of nog op te richten openbare of private, Belgische, buitenlandse of internationale instellingen, vennootschappen of verenigingen, waarmee rechtstreeks of onrechtstreeks bijgedragen kan worden tot het bereiken van haar doel. "
  
Art.56. Les alinéas 2, 3 et 4 de l'article 1er de la loi du 19 juillet 1930 créant la Régie des télégraphes et des téléphones, telle que modifiée par l'article unique de la loi du 7 décembre 1984, sont remplacés par la disposition suivante :
  " [1 Proximus]1 a pour objet social :
  1° le développement de services, à l'intérieur ou à l'extérieur du pays, dans le domaine des télécommunications;
  2° l'exécution de toutes les opérations destinées à promouvoir directement ou indirectement ses activités ou à permettre une utilisation optimale de son infrastructure;
  3° la prise de participation dans des organismes, sociétés ou associations publics ou privés, existants ou à créer, belges, étrangers ou internationaux, laquelle peut contribuer directement ou indirectement à la réalisation de son objet social. "
  
Art.57. Artikel 1, vijfde lid, van de wet van 19 juli 1930 tot oprichting van de Regie van telegraaf en telefoon wordt opgeheven.
Art.57. L'article 1er, alinéa 5, de la loi du 19 juillet 1930 créant la Régie des télégraphes et des téléphones, est abrogé.
HOOFDSTUK III. - Opdrachten van openbare dienst.
CHAPITRE III. - Missions de service public.
Art.58. [2 ...]2
  In afwijking van artikel 3 heeft het beheerscontract tussen de Staat en [1 Proximus]1 enkel betrekking op de opdrachten [2 van algemeen belang bedoeld in artikel 106 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie]2.
  
Art.58. [2 ...]2
  Par dérogation à l'article 3, le contrat de gestion entre l'Etat et [1 Proximus]1 porte exclusivement sur les missions [2 d'intérêt général visées à l'article 106 de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques]2.
  
HOOFDSTUK IV. - Bestuur.
CHAPITRE IV. - Administration.
Art.59. Onverminderd de bepalingen van artikel 22 van deze wet, is het mandaat van bestuurder, als vertegenwoordiger van de overheid bedoeld in artikel 42 van deze wet, onverenigbaar met de uitoefening van welke functie dan ook in het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie [1 ...]1 of in een private of openbare instelling, die met winstoogmerk telecommunicatiediensten of -produkten aanbiedt.
  
Art.59. Sans préjudice des dispositions de l'article 22 de la présente loi, le mandat d'administrateur, en qualité de représentant des autorités publiques visées à l'article 42 de la présente loi, est incompatible avec l'exercice d'une fonction quelconque dans l'Institut belge des services postaux et des télécommunications [1 ...]1 ou dans un établissement privé ou public, qui fournit dans un but de lucre des biens ou services de télécommunications.
  
Art. 59/1. <INGEVOEGD bij W 1994-12-12/31, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 22-12-1994> In artikel 37 van deze wet worden de woorden " door of krachtens deze titel " vervangen door de woorden " door of krachtens deze wet ".
Art. 59/1. A l'article 37 de la présente loi, les mots " du présent titre " sont remplacés par les mots " de la présente loi ".
Art. 59/2. <INGEVOEGD bij W 1994-12-12/31, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 22-12-1994> § 1. Buiten de toepassing van de bepalingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 van artikel 38, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, ertoe besluiten dat het autonoom overheidsbedrijf [1 Proximus]1 in een naamloze vennootschap van publiek recht wordt omgezet onder de voorwaarden en met de statuten die Hij vaststelt. De §§ 4, 5 en 6 zijn op een dergelijke omzetting van toepassing. Een bedrijfsrevisor, aangewezen door de Minister onder wie [1 Proximus]1 ressorteert, brengt verslag uit over een staat waarin activa en passiva samengevat zijn en waarin het bedrag van het maatschappelijk kapitaal na omzetting wordt aangegeven. Dat bedrag mag niet hoger zijn dan de netto-activa zoals ze uit voormelde staat blijken die door de raad van bestuur wordt vastgesteld. De besluiten van de bedrijfsrevisor worden in het verslag aan de Koning opgenomen.
  § 2. In afwijking van artikel 18, § 1, eerste lid, is de raad van bestuur van [1 Proximus]1 samengesteld uit ten hoogste achttien leden, met inbegrip van de gedelegeerd bestuurder en de leden van het directiecomité die er lid van zijn.
  Artikel 18, § 1, tweede lid, is niet van toepassing op [1 Proximus]1.
  (De statuten van [1 Proximus]1 kunnen afwijken van artikel 18, § 3.) <W 1995-12-20/31, art. 81, 1°, 013; Inwerkingtreding : 02-01-1996>
  § 3. Op de dag van inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 38, § 3, of in § 1 van dit artikel komt van rechtswege een einde aan de functie van de leden van de raad van bestuur.
  § 4. Wat [1 Proximus]1 betreft, bepalen de statuten de vertegenwoordiging voor het dagelijks bestuur, de bevoegdheden van de gedelegeerd bestuurder, (en, in voorkomend geval) de rol en de werking van het directiecomité evenals de benoeming en het ontslag van de leden van het directiecomité, met uitzondering van de gedelegeerd bestuurder. Die statuten kunnen afwijken van de artikelen 19 en 20. <W 1995-12-20/31, art. 81, 2°, 013; Inwerkingtreding : 02-01-1996>
  (In artikel 17, §§ 1 en 2, wordt, wat [1 Proximus]1 betreft, het woord " directiecomité " vervangen door de woorden " gedelegeerd bestuurder ".) <W 1995-12-20/31, art. 81, 3°, 013; Inwerkingtreding : 02-01-1996>
  In de artikelen 20, 21 en 22 worden wat [1 Proximus]1 betreft, de woorden " bestuurder-directeur " vervangen door de woorden " lid van het directiecomité. ".
  
Art. 59/2. § 1. Outre l'application des dispositions visées aux §§ 1, 2 et 3 de l'article 38, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, décider de la transformation de l'entreprise publique autonome [1 Proximus]1 en société anonyme de droit public, aux conditions et avec les statuts qu'Il détermine. Les §§ 4, 5 et 6 sont applicables à une telle transformation. Un réviseur d'entreprises, désigné par le Ministre dont relève [1 Proximus]1, fait rapport sur un état résumant l'actif et le passif et indiquant le montant du capital social après la transformation. Ce montant ne peut être supérieur à l'actif net, tel qu'il résulte de l'état précité qui est établi par le conseil d'administration. Les conclusions du réviseur sont reprises dans le rapport au Roi.
  § 2. Par dérogation à l'article 18, § 1, alinéa 1, le conseil d'administration de [1 Proximus]1 est composé de dix-huit membres au plus, en ce compris l'administrateur-délégué et les membres du comité de direction qui en sont membres.
  L'article 18, § 1, alinéa 2, n'est pas applicable à [1 Proximus]1.
  (Les statuts de [1 Proximus]1 peuvent déroger à l'article 18, § 3.) <L 1995-12-20/31, art. 81, 1°, 013; En vigueur : 02-01-1996>
  § 3. Au jour de l'entrée en vigueur de l'arrêté royal visé au § 3 de l'article 38 ou au § 1 du présent article, les fonctions des membres du conseil d'administration prennent fin de plein droit.
  § 4. En ce qui concerne [1 Proximus]1, la représentation pour la gestion journalière, les pouvoirs de l'administrateur-délégué, (et, le cas échéant,) le rôle et le fonctionnement du comité de direction ainsi que la nomination et la révocation des membres du comité de direction, autres que l'administrateur-délégué, seront déterminés par les statuts. Ces statuts peuvent déroger aux articles 19 et 20. <L 1995-12-20/31, art. 81, 2°, 013; En vigueur : 02-01-1996>
  (En ce qui concerne [1 Proximus]1, à l'article 17, §§ 1er et 2, les mots "Comité de direction" sont remplacés par les mots "administrateur délégué".) <L 1995-12-20/31, art. 81, 3°, 013; En vigueur : 02-01-1996>
  En ce qui concerne [1 Proximus]1, les mots " administrateur-directeur " sont remplacés par les mots " membre du comité de direction " dans les articles 20, 21 et 22.
  
Art. 59/3. <INGEVOEGD bij W 1994-12-12/31, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 22-12-1994> Buiten de toepassing van artikel 18, § 5 kunnen de statuten van [1 Proximus]1 de voorwaarden van informatie, verificatie en controle bepalen.
  
Art. 59/3. Outre l'application de l'article 18, § 5, les modalités d'information, de vérification et de contrôle peuvent être définies par les statuts de [1 Proximus]1.
  
Art. 59/4. <INGEVOEGD bij W 1994-12-12/31, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 22-12-1994> § 1. In afwijking van de artikelen 18, § 2, laatste lid, en 20, § 3, derde lid, kunnen de door de Koning benoemde voorzitter en leden van de raad van bestuur van [1 Proximus]1 slechts bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden ontslagen.
  § 2. In afwijking van artikel 20, § 2, kan de gedelegeerd bestuurder van [1 Proximus]1 slechts bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden ontslagen.
  
Art. 59/4. § 1. Par dérogation aux articles 18, § 2, dernier alinéa, et 20, § 3, troisième alinéa, le président et les membres du conseil d'administration de [1 Proximus]1 nommés par le Roi, ne peuvent être révoqués que par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  § 2. Par dérogation à l'article 20, § 2, l'Administrateur-délégué de [1 Proximus]1 ne peut être révoqué que par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  
Art. 59/5. <INGEVOEGD bij 1994-12-12/31, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 22-12-1994> Buiten de toepassing van de artikelen 22, § 1, en 59, worden in de statuten van het bedrijf bijkomende onverenigbaarheden betreffende de mandaten van bestuurder van [1 Proximus]1, van haar filialen en subfilialen vastgesteld.
  
Art. 59/5. Outre l'application des articles 22, § 1, et 59, les statuts de l'entreprise définissent des incompatibilités supplémentaires en ce qui concerne les mandats d'administrateur de [1 Proximus]1, de ses filiales et sous-filiales.
  
Art. 59/7. <INGEVOEGD bij W 1995-12-20/31, art. 82; Inwerkingtreding : 02-01-1996> Artikel 3, § 2, 6°, 8° en 10°, artikel 10, § 1, tweede lid, artikel 11, § 2, tweede en derde lid, en de tweede zin van artikel 12, § 3, zijn niet van toepassing op [1 Proximus]1.
  
Art. 59/7. L'article 3, § 2, 6°, 8° et 10°, l'article 10, § 1er, alinéa 2, l'article 11, § 2, alinéas 2 et 3, et la deuxième phrase de l'article 12, § 3, ne sont pas applicables à [1 Proximus]1.
  
Art. 59/8. <INGEVOEGD bij W 1995-12-20/31, art. 83; Inwerkingtreding : 02-01-1996> In artikel 13, § 3, eerste lid, zijn de woorden " en statutair recht geeft op meer dan 75 % van de stemmen en mandaten in alle organen van de bedoelde dochteronderneming " niet van toepassing op [1 Proximus]1.
  
Art. 59/8. A l'article 13, § 3, alinéa 1er, les mots "et donne droit statutairement à plus de 75 % des voix et des mandats dans tous les organes de la filiale concernée" ne sont pas applicables à [1 Proximus]1.
  
Art. 59/9. [1 De artikelen 59/2, §§ 2 en 4, en 59/4 zijn niet van toepassing zolang de aandelen van Proximus zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.]1
  
Art. 59/9. [1 Les articles 59/2, §§ 2 et 4, et 59/4 ne sont pas d'application aussi longtemps que les actions de Proximus sont admises à la négociation sur un marché réglementé au sens de l'article 2, 3°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.]1
  
Art.60. In de wet van 19 juli 1930 tot oprichting van de Regie van telegraaf en telefoon, worden opgeheven :
  1° artikel 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 91 van 11 november 1967;
  2° artikel 8, tweede en derde lid, en het vierde lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 91 van 11 november 1967;
  3° artikel 10, 1°, 2°, 4° en 5°, gewijzigd bij de wet van 18 januari 1962;
  4° de artikelen 11, 12 en 14;
  5° artikel 14bis, ingevoegd bij de wet van 18 januari 1962;
  6° artikel 15, gewijzigd bij de wet van 23 december 1937;
  7° artikel 16;
  8° artikel 18, vervangen bij de wet van 23 december 1937;
  9° artikel 19;
  10° artikel 20, vervangen bij de wet van 23 december 1937.
Art.60. Dans la loi du 19 juillet 1930 créant la Régie des télégraphes et des téléphones, sont abrogés :
  1° l'article 3, modifié par l'arrêté royal n° 91 du 11 novembre 1967;
  2° l'article 8, alinéas 2 et 3 et alinéa 4, modifié par l'arrêté royal n° 91 du 11 novembre 1967;
  3° l'article 10, 1°, 2°, 4° et 5°, modifié par la loi du 18 janvier 1962;
  4° les articles 11, 12 et 14;
  5° l'article 14bis, inséré par la loi du 18 janvier 1962;
  6° l'article 15, modifié par la loi du 23 décembre 1937;
  7° l'article 16;
  8° l'article 18, remplacé par la loi du 23 décembre 1937;
  9° l'article 19;
  10° l'article 20, remplacé par la loi du 23 décembre 1937.
HOOFDSTUK IVbis. - Aandelen uitgegeven door [1 Proximus]1.
CHAPITRE IVbis. - Actions émises par [1 Proximus]1.
Art. 60/1. <INGEVOEGD bij W 1994-12-12/31, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 22-12-1994> § 1. (Artikel 39, § 1, derde lid, § 2 en § 5, en artikel 40, § 2, zijn niet van toepassing op [1 Proximus]1.) <W 1995-12-20/31, art. 84, 1°, 013; Inwerkingtreding : 02-01-1996>
  § 2. Alle representatieve effecten van het kapitaal zijn nominatief zolang zij in het bezit zijn van een publieke overheid in de zin van artikel 42.
  § 3. (De Staat mag de aandelen die hem ter gelegenheid van de omzetting werden toegekend of waarop hij zou inschrijven bij een latere kapitaalverhoging, slechts overdragen aan personen daartoe aangewezen door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, en voor zover de directe deelneming van de overheid daardoor niet daalt tot beneden 50 percent van de aandelen plus één aandeel.) <W 1995-12-20/31, art. 84, 2°, 013; Inwerkingtreding : 02-01-1996>
  § 4. (Onverminderd artikel 39, § 3, in geval van plaatsing van aandelen bij andere personen dan de overheid, mag een gedeelte van de uitgifte bij voorkeur worden aangeboden aan de personeelsleden van [1 Proximus]1 en haar dochterondernemingen onder voorwaarden welke kunnen afwijken van deze bepaald in artikel 52septies, § 1, eerste lid, en § 2, 4°, van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 november 1935.) <W 1995-12-20/31, art. 84, 3°, 013; Inwerkingtreding : 02-01-1996>
  
Art. 60/1. § 1. (L'article 39, § 1er, alinéa 3, § 2 et § 5, et l'article 40, § 2, ne sont pas applicables à [1 Proximus]1.) <L 1995-12-20/31, art. 84, 1°, 013; En vigueur : 02-01-1996>
  § 2. Tous les titres représentatifs du capital sont nominatifs tant qu'ils sont détenus par une autorité publique au sens de l'article 42.
  § 3. (L'Etat ne peut céder les actions qui lui sont attribuées à l'occasion de la transformation ou qu'il souscrirait lors d'une augmentation de capital ultérieure qu'à des personnes désignées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, aux conditions qu'Il détermine et pour autant que la participation directe des autorités publiques ne descende pas en dessous de 50 pourcent des actions plus une action.) <L 1995-12-20/31, art. 84, 2°, 013; En vigueur : 02-01-1996>
  § 4. (Sans préjudice de l'article 39, § 3, en cas de souscription d'actions par des personnes autres que des autorités publiques, une partie de l'émission peut être offerte par préférence aux membres du personnel de [1 Proximus]1 et de celui de ses filiales dans des conditions qui peuvent déroger à celles prévues à l'article 52septies, § 1er, alinéa 1er, et § 2, 4°, des lois sur les sociétés commerciales, coordonnées le 30 novembre 1935.) <L 1995-12-20/31, art. 84, 3°, 013; En vigueur : 02-01-1996>
  
HOOFDSTUK V. - Toezicht.
CHAPITRE V. - Tutelle.
Art.61. In dezelfde wet worden opgeheven :
  1° artikel 9, dat weer in werking gesteld is bij het koninklijk besluit van 18 december 1957 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 91 van 11 november 1967;
  2° artikel 9bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 91 van 11 november 1967.
Art.61. Dans la même loi, sont abrogés :
  1° l'article 9, remis en vigueur par l'arrêté royal du 18 novembre 1957 et modifié par l'arrête royal n° 91 du 11 novembre 1967;
  2° l'article 9bis, inséré par l'arrêté royal n° 91 du 11 novembre 1967.
HOOFDSTUK VI. - Middelen.
CHAPITRE VI. - Moyens.
Art.62. § 1. In dezelfde wet worden opgeheven :
  1° artikel 2;
  2° artikel 4, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 237 van 31 december 1983;
  3° de artikelen 5, 6 en 7;
  4° artikel 13, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 91 van 11 november 1967;
  5° artikel 23, gewijzigd bij de wet van 13 oktober 1930 en bij de wet van 30 juli 1979;
  6° artikel 26.
  § 2. Vijf procent van de jaarlijkse winst vóór vennootschapsbelasting wordt uitgekeerd aan het kader en het personeel.
  [1 Proximus]1 NV van publiek recht heeft de mogelijkheid om, voor de uitkering in 2004 aan het kader en het personeel van het aandeel in de winst voor vennootschapsbelasting met betrekking tot 2003, na voorlegging aan het Paritair Comité in toepassing van het gestelde in artikel 34, § 2, B, 8°, en G, 2°, en beslissing conform het gestelde in artikel 35, af te wijken van het bepaalde in het voorgaande lid.)
  [2 Proximus NV van publiek recht heeft de mogelijkheid om af te wijken van de bepalingen opgenomen in het eerste lid voor de uitkering aan het kader en het personeel van het aandeel in de winst voor vennootschapsbelasting, na voorlegging aan het Paritair Comité in toepassing van artikel 34, § 2, B, 8°, en G, 2°, en na de beslissing conform artikel 35.]2 <W 2003-12-22/42, art. 448, 047; Inwerkingtreding : 31-12-2003>
  
Art.62. § 1. Dans cette loi sont abrogés :
  1° l'article 2;
  2° l'article 4, modifié par l'arrêté royal n° 237 du 31 décembre 1983;
  3° les articles 5, 6 et 7;
  4° l'article 13, modifié par l'arrêté royal n° 91 du 11 novembre 1967;
  5° l'article 23, modifié par la loi du 13 octobre 1930 et par la loi du 30 juillet 1979;
  6° l'article 26.
  § 2. Cinq pour cent des bénéfices annuels, avant le prélèvement de l'impôt sur les sociétés, seront versés au cadre et au personnel.
  [1 Proximus]1 SA de droit public a la possibilité de déroger aux dispositions prévues à l'alinéa précédent pour la répartition aux cadres et au personnel en 2004 de la part des bénéfices avant impôts des sociétés concernant 2003, après en avoir soumis la proposition à la Commission Paritaire conformément à l'article 34, § 2, B, 8°, et G, 2°, et après décision telle que prévue à l'article 35.
  [2 Proximus SA de droit public a la possibilité de déroger aux dispositions prévues à l'alinéa premier pour la répartition au cadre et au personnel de la part des bénéfices avant impôts des sociétés, après en avoir soumis la proposition à la Commission Paritaire conformément à l'article 34, § 2, B, 8°, et G, 2°, et après décision telle que prévue à l'article 35.]2 <L 2003-12-22/42, art. 448, 047; En vigueur : 31-12-2003>
  
HOOFDSTUK VII. - Personeel.
CHAPITRE VII. - Personnel.
Art.63. In de wet van 19 juli 1930 tot oprichting van de Regie van telegraaf en telefoon wordt artikel 21, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr 91 van 11 november 1967, opgeheven.
Art.63. Dans la loi du 19 juillet 1930 créant la Régie des télégraphes et des téléphones, l'article 21 modifié par l'arrêté royal n° 91 du 11 novembre 1967, est abrogé.
HOOFDSTUK VIII. - Aansprakelijkheid.
CHAPITRE VIII. - Responsabilité.
Art.65. Artikel 24 van de wet van 19 juli 1930 tot oprichting van de Regie van telegraaf en telefoon, wordt opgeheven.
Art.65. L'article 24 de la loi du 19 juillet 1930 créant la Régie des télégraphes et des téléphones, est abrogé.
HOOFDSTUK IX. - Overgangsbepalingen en bepalingen in verband met de inwerkingtreding.
CHAPITRE IX. - Dispositions transitoires et d'entrée en vigueur.
Art.66. De eerste raad van bestuur en het eerste directiecomité van BELGACOM, opgericht overeenkomstig artikel 48 van titel I van deze wet, zullen tot haar indeling bij de autonome overheidsbedrijven, in afwijking van de bepalingen onder hoofdstuk IV van titel I, een dubbele opdracht vervullen : enerzijds, het onderhandelen en sluiten van het eerste beheerscontract en, anderzijds, het overnemen van de bevoegdheden van het Algemeen Bestuur van de Regie van telegraaf en telefoon binnen het kader van de wet van 19 juli 1930.
Art.66. Le premier conseil d'administration et le premier comité de direction de BELGACOM, établis conformément à l'article 48 du titre Ier de la présente loi, exerceront une double mission jusqu'à son classement parmi les entreprises publiques autonomes, par dérogation aux dispositions du chapitre IV, du titre Ier susmentionné : d'une part, la négociation et la conclusion du premier contrat de gestion et, d'autre part, la reprise des pouvoirs de l'Administration générale de la Régie des télégraphes et des téléphones dans le cadre de la loi du 19 juillet 1930.
Art.67. De bepalingen van deze titel treden in werking op de datum waarop BELGACOM ingedeeld wordt bij de autonome overheidsbedrijven overeenkomstig titel I van deze wet, behalve :
  1° de artikelen 59 en 66, die in werking treden op de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt;
  2° het artikel 63, dat in werking treedt op de datum van de inwerkingtreding van het eerste personeelsstatuut en het eerste syndicaal statuut, die overeenkomstig artikel 33 zijn vastgesteld.
Art.67. Les dispositions du présent titre entrent en vigueur à la date du classement de BELGACOM parmi les entreprises publiques autonomes, conformément au titre Ier de la présente loi, à l'exception :
  1° des articles 59 et 66, qui entrent en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge;
  2° de l'article 63, qui entre en vigueur à la date de l'entrée en vigueur du premier statut du personnel et du premier statut syndical fixés conformément à l'article 33.
TITEL III. - De telecommunicatie.
TITRE III. - Les télécommunications.
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE I. - Définitions.
Art.68. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  2° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  3° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  4° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  (5° Telecommunicatienetwerk : de transmissiesystemen en, voor zover van toepassing, schakelapparatuur en andere hulpmiddelen die het mogelijk maken signalen tussen welbepaalde aansluitpunten via draadverbindingen, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen over te brengen;) <W 1997-12-19/30, art. 13, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  (5°bis [2 openbaar elektronische-communicatienetwerk]2 : een telecommunicatienet dat geheel of gedeeltelijk voor het verlenen van voor het publiek toegankelijke telecommunicatiediensten wordt gebruikt;) <W 1997-12-19/30, art. 13, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  6° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  7° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  8° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  9° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  10° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  11° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  12° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  13° (...) <W 1997-12-19/30, art. 13, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  14° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  15° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  16° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  17° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  18° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  (19° Telecommunicatiedienst : dienst die geheel of gedeeltelijk in de transmissie en routering van signalen over telecommunicatienetwerken bestaat, met uitzondering van [1 audiovisuele of auditieve mediadiensten]1;
  20° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  21° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  21°bis (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  22° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  23° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  24° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  25° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  26° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  27° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  28° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  29° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  30° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  31° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  32° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  33° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  34° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  35° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  36° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  37° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  38° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  39° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  40° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  41° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  42° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  43° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  44° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  45° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  46° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 056; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  
Art.68. Pour l'application de la présente loi, on entend par :
  1° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  2° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  3° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  4° (abroge) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  (5° Réseau de télécommunications : les systèmes de transmission et, le cas échéant, l'équipement de commutation et autres ressources permettant le transport de signaux entre des points de terminaisons définis, par fils, par faisceaux hertziens, par moyens optiques ou par d'autres moyens electro-magnétiques;) <L 1997-12-19/30, art. 13, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  (5°bis [2 réseau public de communications électroniques]2 : un réseau de télécommunications utilisé en tout ou partie pour la fourniture de services de télécommunications offerts au public;) <L 1997-12-19/30, art. 13, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  6° (abroge) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  7° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  8° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  9° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  10° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  11° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  12° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  13° (...) <L 1997-12-19/30, art. 13, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  14° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  15° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  16° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  17° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  18° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  (19° Service de télécommunications : service consistant, en tout ou en partie, en la transmission et l'acheminement de signaux par des réseaux de télécommunications, à l'exception [1 des services de médias audiovisuels ou sonores]1;
  20° (abroge) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  21° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  21°bis. (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  22° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  23° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  24° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  25° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  26° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  27° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  28° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  29° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  30° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  31° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  32° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  33° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  34° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  35° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  36° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  37° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  38° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  39° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  40° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  41° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  42° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  43° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  44° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  45° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  46° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 056; En vigueur : 30-06-2005>
  
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen. (opgeheven)
CHAPITRE II. - Dispositions générales. (abrogé)
HOOFDSTUK III. - Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie. (opgeheven)
CHAPITRE III. - Institut belge des services postaux et des télécommunications. (abrogé)
Art.73. (Opgeheven; §§ 2 en 3 worden artikel 26bis van de W 2003-06-17/30) <W 2007-04-25/38, art. 158, 159 en 160, 067; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
Art.73. (Abrogé. Les §§ 2 et 3 forment l'art. 26bis de la L 2003-01-17/30.) <L 2007-04-25/38, art. 158, 159 et 160, 067; En vigueur : 18-05-2007>
HOOFDSTUK IV. - Raadgevend Comité. (opgeheven)
CHAPITRE IV. - Comité consultatif. (abrogé)
HOOFDSTUK V. - (De openbare telecommunicatiedienst.)
CHAPITRE V. - (Le service public des télécommunications.)
Art. 86ter. <INGEVOEGD bij W 1997-12-19/30, art. 31; Inwerkingtreding : 01-01-1998> § 1. [1 Proximus]1 is verplicht om deel te nemen aan :
  - de medewerking met de civiele bescherming in het kader van het Nationaal Comité voor de plannen van civiele bescherming;
  - de medewerking met de Gemengde Commissie voor telecommunicatie, opgericht bij het koninklijk besluit van 10 december 1957 en gewijzigd door het koninklijk besluit van 24 september 1993;
  - de terbeschikkingstelling van alle nodige huurlijnen voor de telecommunicatienetwerken ten behoeve van de inrichtingen bedoeld in artikel 91, lid 2 van deze wet. De kwaliteit en de capaciteit van de bedoelde huurlijnen, alsook de vergoeding hiervoor worden bepaald in het beheerscontract afgesloten tussen de federale staat en [1 Proximus]1 of in een overeenkomst voor wat betreft een andere operator.
  Elke andere operator kan alleen of gezamenlijk, binnen de voorwaarden bepaald door de Koning en op advies van het Instituut, onder gelijkwaardige voorwaarden deelnemen aan diensten van algemeen belang zoals in deze paragraaf vermeld.
  § 2. [1 Proximus]1 zorgt voor de terbeschikkingstelling tegen een betaalbare prijs, wat de aansluiting betreft, de kostprijs van de verbindingen en het abonnement, van een lijn met een capaciteit die interactiviteit mogelijk maakt met het oog op het verlenen van toegang tot datanetten, met name Internet, om aldus tegemoet te komen aan de bijzondere noden van ziekenhuizen, scholen en openbare bibliotheken.
  Deze terbeschikkingstelling geschiedt volgens de voorwaarden bepaald in bijlage 3 van deze wet. De Koning kan (...), bij een in Ministerraad overlegd besluit, volgens de procedure bepaald in artikel 122, §§ 2 en 3 van deze wet, bijlage 3 van deze wet wijzigen teneinde tegemoet te komen aan de technologische en maatschappelijke ontwikkelingen. <W 2003-01-17/30, art. 42, 043; Inwerkingtreding : 23-04-2003>
  Elke andere operator kan alleen of gezamenlijk binnen de voorwaarden bepaald door de Koning (...), onder gelijkwaardige voorwaarden deelnemen aan diensten van algemeen belang zoals in deze paragraaf vermeld. <W 2003-01-17/30, art. 42, 043; Inwerkingtreding : 23-04-2003>
  § 3. [1 Proximus]1 kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, belast worden met andere opdrachten van algemeen belang.
  Elke andere operator kan alleen of gezamenlijk binnen de voorwaarden bepaald door de Koning en op advies van het Instituut, onder gelijkwaardige voorwaarden deelnemen aan diensten van algemeen belang zoals in deze paragraaf vermeld.
  (§ 4. [1 Proximus]1 biedt op eigen kosten een speciaal telefoontarief ten gunste van de politieke dagbladen en weekbladen, van de algemeen informatieve dagbladen en weekbladen en van de in België gevestigde persagentschappen waarbij een meerderheid van de dagbladen die landelijk of in grote oplage in België worden verspreid, zich contractueel geabonneerd hebben.) <W 2001-07-19/38, art. 31, 035; Inwerkingtreding : 28-07-2001>
  
Art. 86ter. § 1er. [1 Proximus]1 est tenue de participer à :
  - la collaboration à la défense civile dans le cadre du Comité national des Plans de défense civile;
  - la collaboration à la Commission mixte des télécommunications, créée par l'arrêté royal du 10 décembre 1957, modifié par l'arrêté royal du 24 septembre 1993;
  - la mise à disposition de toutes les lignes louées nécessaires pour les réseaux de télécommunications au profit des institutions visées à l'article 91, alinéa 2, de la présente loi. La qualité et la capacité des lignes louées concernées ainsi que le payement sont déterminés dans le contrat de gestion conclu entre [1 Proximus]1 et l'Etat fédéral ou dans un contrat, en ce qui concerne les autres opérateurs.
  Tous les autres opérateurs peuvent participer seuls ou ensemble, à des conditions équivalentes, à des services d'intérêt général visés dans le présent paragraphe, et ce, aux conditions fixées par le Roi et sur avis de l'institut.
  § 2. [1 Proximus]1 assure la mise à disposition à un prix abordable en ce qui concerne la connexion, le coût des communications et de la redevance, d'une ligne permettant l'interactivité, en vue de fournir un accès à des réseaux de données, notamment Internet, et répondre ainsi aux besoins particuliers des hôpitaux, écoles et bibliothèques publiques.
  Cette mise à disposition est faite dans les conditions décrites à l'annexe 3 à la présente loi. Le Roi peut (...), par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, suivant la procédure décrite à l'article 122, §§ 2 et 3, de la présente loi, modifier cette annexe 3 en vue de répondre au progrès technologique et social. <L 2003-01-17/30, art. 42, 043; En vigueur : 23-04-2003>
  Tous les autres opérateurs peuvent, seuls ou conjointement, aux conditions fixées par le Roi (...), participer, à des conditions équivalentes, aux services d'intérêt général visés au présent paragraphe. <L 2003-01-17/30, art. 42, 043; En vigueur : 23-04-2003>
  § 3. [1 Proximus]1 peut être chargée, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, d'autres missions d'intérêt général.
  Tous les autres opérateurs peuvent participer, seuls ou ensemble, à des conditions équivalentes, à des services d'intérêt général visés dans le présent paragraphe, et ce, aux conditions fixées par le Roi et sur avis de l'institut.
  (§ 4. [1 Proximus]1 assure à ses frais la fourniture d'un tarif téléphonique spécial en faveur des quotidiens et hebdomadaires politiques et d'information générale et des agences de presse établies en Belgique et avec lesquelles la majorité des journaux à diffusion nationale ou à large diffusion en Belgique ont souscrit un contrat d'abonnement.) <L 2001-07-19/38, art. 31, 035; En vigueur : 28-07-2001>
  
HOOFDSTUK VI. - (De overige telecommunicatiediensten.) (abrogé)
CHAPITRE VI. - (Les autres services de télécommunications.) (abrogé)
HOOFDSTUK VII. - Telecommunicatie-inrichtingen. (opgeheven)
CHAPITRE VII. - Installations de télécommunications. (abrogé)
HOOFDSTUK VIII. - (Apparatuur.)
CHAPITRE VIII. - (Equipements.)
HOOFDSTUK IX. - Kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen.
CHAPITRE IX. - Câbles, lignes aériennes et équipements connexes.
Art.97. § 1. Onder de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk, is (elke operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) gemachtigd om, mits eerbiediging van hun bestemming en de wettelijke en reglementaire bepalingen die hun gebruik regelen, het openbaar domein en de eigendommen te gebruiken om kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen aan te leggen en alle nodige werken hieraan uit te voeren. <W 1997-12-19/30, art. 48, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Tot deze werken behoren die welke nodig zijn voor de instandhouding, de wijziging, de herstelling, de opruiming en de controle op de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen.
  § 2. De aangelegde kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen blijven eigendom van (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) [2 , ook indien deze in de gemeenschappelijke delen van een gebouw conform artikel 3.82, § 2, van het Burgerlijk Wetboek worden aangelegd]2. <W 1997-12-19/30, art. 48, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  
Art.97. § 1. Dans les conditions prévues dans ce chapitre, (tout opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) est autorisée à faire usage du domaine public et des propriétés pour établir des câbles, lignes aériennes et équipements connexes et exécuter tous les travaux y afférents, dans le respect de leur destination et des dispositions légales et réglementaires régissant leur utilisation. <L 1997-12-19/30, art. 48, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Font partie de ces travaux, ceux qui sont nécessaires au maintien, à la modification, à la réparation, à l'enlèvement et au contrôle des câbles, lignes aériennes et équipements connexes.
  § 2. Les câbles, lignes aériennes et équipements connexes établis restent la propriété de (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) [2 , même si ceux-ci sont installés dans les parties communes d'un bâtiment conformément à l'article 3.82, § 2, du Code civil]2. <L 1997-12-19/30, art. 48, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  
Art. 98. (NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) § 1. Vooraleer kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen aan te leggen op het openbaar domein, onderwerpt (elke operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) het plan van de plaats van aanleg en de bijzonderheden ervan aan de goedkeuring van de overheid van wie het openbaar domein afhangt. <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Deze overheid beslist binnen twee maanden vanaf de dag waarop het plan werd ingediend en zij geeft (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) kennis van haar beslissing. Na het verstrijken van die termijn geldt het stilzwijgen van de overheid als goedkeuring. <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  In geval van blijvende onenigheid wordt beslist bij koninklijk besluit.
  § 2. De overheid mag voor dat gebruiksrecht (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) geen belasting, taks, cijns, retributie of vergoeding, van welke aard ook, opleggen. <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Bovendien bezit (elke operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) een kosteloos doorgangsrecht voor de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen in de openbare of particuliere bouwwerken, die in het openbaar domein worden aangebracht. <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 3. De overheid heeft het recht om de inrichting of het plan van aanleg van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen te doen wijzigen naar aanleiding van werken die zij wenst uit te voeren aan het openbaar domein dat zij beheert. Zij behoort (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) hiervan bij ter post aangetekende brief kennis te geven ten minste twee maanden vóór de uitvoering van de werken wordt aangevat. De kosten wegens wijziging van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen zijn ten laste van (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1). <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Wanneer die werken aan het openbaar domein niet worden uitgevoerd of wanneer de overheid de wijziging van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen heeft aangevraagd ten gunste van een andere persoon, kan (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) de kosten van de wijziging ten laste van de overheid leggen. <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Art. 98. (NOTE : voir plus loin forme(s) non fédérale(s) de cet article.) § 1er. Avant d'établir des câbles, lignes aériennes et équipements connexes sur le domaine public, (tout opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) soumet le plan des lieux et les caractéristiques d'aménagement à l'approbation de l'autorité dont relève le domaine public. <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Cette autorité devra statuer dans les deux mois à compter du dépôt du plan et donner notification de sa décision à (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné). Passé ce délai, le silence de autorité vaut approbation. <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  En cas de contestation persistante, il est statué par arrêté royal.
  § 2. Pour ce droit d'utilisation, l'autorité ne peut imposer à (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) aucun impôt, taxe, péage, rétribution ou indemnité, de quelque nature que ce soit. <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  (Tout opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) détient en outre un droit de passage gratuit pour les câbles, lignes aériennes et équipements connexes dans les ouvrages publics ou privés situés dans le domaine public.<L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  § 3. L'autorité a le droit de faire modifier l'installation ou le plan d'aménagement des câbles, lignes aériennes et équipements connexes à l'occasion de travaux qu'elle désire effectuer au domaine public qu'elle gère. Elle doit en informer (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) par lettre recommandée à la poste au moins deux mois avant de commencer l'exécution des travaux. Les frais inhérents à la modification des câbles, lignes aériennes et équipements connexes sont à charge de (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné). <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Lorsque ces travaux au domaine public ne sont pas entrepris ou lorsque l'autorité a demandé la modification des câbles, lignes aériennes et équipements connexes en faveur d'une autre personne, (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) peut mettre les frais de modification à la charge de l'autorité. <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  COMMUNAUTES ET REGIONS
Art. 98. (Brussels Hoofdstedelijk Gewest)
  § 1. (NOTA : § 1 opgeheven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor zover hij op de bouwplaatsen betrekking heeft. <span class="domain-tag domain-ord"><span class="domain-tag domain-ord">&lt;ORD 2008-07-03/43, art. 91, 071; Inwerkingtreding : 01-11-2013&gt;</span></span>) Vooraleer kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen aan te leggen op het openbaar domein, onderwerpt (elke operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) het plan van de plaats van aanleg en de bijzonderheden ervan aan de goedkeuring van de overheid van wie het openbaar domein afhangt. <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Deze overheid beslist binnen twee maanden vanaf de dag waarop het plan werd ingediend en zij geeft (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) kennis van haar beslissing. Na het verstrijken van die termijn geldt het stilzwijgen van de overheid als goedkeuring. <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  In geval van blijvende onenigheid wordt beslist bij koninklijk besluit.
  § 2. De overheid mag voor dat gebruiksrecht (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) geen belasting, taks, cijns, retributie of vergoeding, van welke aard ook, opleggen. <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Bovendien bezit (elke operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) een kosteloos doorgangsrecht voor de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen in de openbare of particuliere bouwwerken, die in het openbaar domein worden aangebracht. <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 3. De overheid heeft het recht om de inrichting of het plan van aanleg van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen te doen wijzigen naar aanleiding van werken die zij wenst uit te voeren aan het openbaar domein dat zij beheert. Zij behoort (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) hiervan bij ter post aangetekende brief kennis te geven ten minste twee maanden vóór de uitvoering van de werken wordt aangevat. De kosten wegens wijziging van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen zijn ten laste van (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1). <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Wanneer die werken aan het openbaar domein niet worden uitgevoerd of wanneer de overheid de wijziging van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen heeft aangevraagd ten gunste van een andere persoon, kan (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) de kosten van de wijziging ten laste van de overheid leggen. <W 1997-12-19/30, art. 49, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  
Art. 98. (Région de Bruxelles-Capitale)
  § 1er. (NOTE : § 1er abrogé pour la Région de Bruxelles-Capitale en tant qu'il vise les chantiers. <ORD 2008-07-03/43, art. 91, 071; En vigueur : 01-11-2013>) Avant d'établir des câbles, lignes aériennes et équipements connexes sur le domaine public, (tout opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) soumet le plan des lieux et les caractéristiques d'aménagement à l'approbation de l'autorité dont relève le domaine public. <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Cette autorité devra statuer dans les deux mois à compter du dépôt du plan et donner notification de sa décision à (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné). Passé ce délai, le silence de autorité vaut approbation. <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  En cas de contestation persistante, il est statué par arrêté royal.
  § 2. Pour ce droit d'utilisation, autorité ne peut imposer à (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) aucun impôt, taxe, péage, rétribution ou indemnité, de quelque nature que ce soit. <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  (Tout opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) détient en outre un droit de passage gratuit pour les câbles, lignes aériennes et équipements connexes dans les ouvrages publics ou privés situés dans le domaine public. <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  § 3. L'autorité a le droit de faire modifier l'installation ou le plan d'aménagement des câbles, lignes aériennes et équipements connexes à l'occasion de travaux qu'elle désire effectuer au domaine public qu'elle gère. Elle doit en informer (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) par lettre recommandée à la poste au moins deux mois avant de commencer l'exécution des travaux. Les frais inhérents à la modification des câbles, lignes aériennes et équipements connexes sont à charge de (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné). <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Lorsque ces travaux au domaine public ne sont pas entrepris ou lorsque l'autorité a demandé la modification des câbles, lignes aériennes et équipements connexes en faveur d'une autre personne, (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) peut mettre les frais de modification à la charge de l'autorité. <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  
Art.99. § 1. (Elke operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) heeft het recht kosteloos, voor de aanleg van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen, op blijvende wijze steun te nemen op muren en gevels, die uitgeven op de openbare weg, gebruik te maken van open en onbebouwde gronden of eigendommen zonder aanhechting of aanraking te overspannen of te overschrijden. <W 1997-12-19/30, art. 50, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 2. Indien (een operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) het voornemen heeft kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen aan te leggen, op te ruimen of hieraan werken uit te voeren, streeft zij naar overeenstemming met degene op wiens eigendom steun wordt genomen of wiens eigendom wordt overspannen of overschreden, over de plaats en de wijze van uitvoering van de werken. <W 1997-12-19/30, art. 50, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Bij gebreke aan overeenstemming geeft (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) aan degene op wiens eigendom steun wordt genomen of wiens eigendom wordt overspannen of overschreden bij een ter post aangetekend schrijven een duidelijke omschrijving van de voorgenomen plaats en de wijze van uitvoering van de werken. Binnen de acht vrije dagen na de ontvangst van dit schrijven kan degene op wiens eigendom steun wordt genomen of wiens eigendom wordt overspannen of overschreden, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het Instituut. De indiening van het bezwaarschrift schorst de uitvoering van het voornemen. Het Instituut hoort beide partijen en neemt een gemotiveerde beslissing binnen de termijn van één maand na de ontvangst van het bezwaarschrift. <W 1997-12-19/30, art. 50, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 3. De uitvoering van deze werken heeft geen buitenbezitstelling tot gevolg.
  De eigenaar of de rechthebbende op wie de gedoogplicht rust, behoudt het recht om alle werken aan het privé-eigendom uit te voeren, onder voorbehoud geen maatregelen te nemen, die alleen een wijziging of verplaatsing van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen tot doel zouden hebben.
  Hij dient ten minste twee maanden vóór het aanvangen van de werken, die een wijziging of verplaatsing van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen tot gevolg hebben, (elke betrokken operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) hiervan bij ter post aangetekende brief te verwittigen. <W 1997-12-19/30, art. 50, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  De kosten wegens wijziging of verplaatsing van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen zijn ten laste van (elke betrokken operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1). <W 1997-12-19/30, art. 50, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Wanneer, behoudens een geval van overmacht, de voorgenomen werken niet binnen één jaar vanaf de dag van de verwittiging zijn aangevangen, kan (elke betrokken operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) de kosten die veroorzaakt zijn door de wijziging van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen, ten laste leggen van de eigenaar of de rechthebbende en de oorspronkelijke toestand eveneens op zijn kosten herstellen, voor zover dit nodig blijkt. <W 1997-12-19/30, art. 50, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  
Art.99. § 1. (Tout opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) dispose à titre gratuit du droit, pour l'établissement des câbles, lignes aériennes et équipements connexes, de fixer à demeure des supports sur des murs et façades donnant sur la voie publique, d'utiliser des terrains ouverts et non bâtis, de traverser ou de franchir des propriétés sans attache ni contact. <L 1997-12-19/30, art. 50, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  § 2. Lorsque (un opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) a l'intention d'établir des câbles, lignes aériennes et équipements connexes, de les enlever ou d'y exécuter des travaux, elle tend à rechercher un accord quant à l'endroit et la méthode d'exécution des travaux, avec la personne dont la propriété sert d'appui, est franchie ou traversée. <L 1997-12-19/30, art. 49, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  A défaut d'accord, (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) transmet par lettre recommandée à la poste une description claire de l'endroit projeté et de la méthode d'exécution des travaux, à la personne dont la propriété sert d'appui, est franchie ou traversée. Dans les huit jours francs de la réception de ce courrier, la personne dont la propriété sert d'appui, est franchie ou traversée peut introduire une réclamation motivée auprès de l'Institut. L'introduction de la réclamation suspend l'exécution de l'intention. L'Institut entend les deux parties et prend une décision motivée dans un délai d'un mois après réception de la réclamation. <L 1997-12-19/30, art. 50, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  § 3. L'exécution de ces travaux n'entraîne aucune dépossession.
  Le propriétaire ou l'ayant droit débiteur de la servitude conserve le droit d'exécuter tous autres travaux à la propriété privée, sous réserve de ne prendre aucune mesure qui viserait uniquement à modifier ou déplacer les câbles, lignes aériennes et équipements connexes.
  Il doit en avertir (tout opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) par lettre recommandée à la poste, au moins deux mois avant le début des travaux qui impliquent une modification ou un déplacement des câbles, lignes aériennes et équipements connexes. <L 1997-12-19/30, art. 50, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Les frais de modification ou de déplacement des câbles, lignes aériennes et équipements connexes sont à charge de (tout opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné). <L 1997-12-19/30, art. 50, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Sauf en cas de force majeure, lorsque les travaux envisagés n'ont pas débuté dans un délai d'un an à dater de cet avertissement, (tout opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) peut mettre les frais occasionnés par la modification des câbles, lignes aériennes et équipements connexes à charge du propriétaire ou de l'ayant droit et également rétablir la situation primitive aux frais de celui-ci, si cela s'avère nécessaire. <L 1997-12-19/30, art. 50, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  
Art.100. De aanleg en de uitvoering van alle andere werken aan de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen in, tegen en op gebouwen en in en op gronden die daarbij behoren, ten behoeve van de aansluitingen op de infrastructuur in die gebouwen, moeten worden gedoogd door de eigenaar en de rechthebbende, tenzij ze bereid zijn de meerkosten van een tegenvoorstel te dragen.
Art.100. L'établissement et l'exécution de tous les autres travaux aux câbles, lignes aériennes et équipements connexes, dans, contre et sur des bâtiments ainsi que dans et sur des terrains y attenant, pour les besoins de raccordements à l'infrastructure dans ces bâtiments, doivent être tolérés par le propriétaire et l'ayant droit, à moins qu'ils aient accepté de supporter le coût supplémentaire d'une contre-proposition.
Art.101. § 1. Wanneer takken of wortels redelijkerwijze hinderlijk zijn voor de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen, moet de eigenaar of de rechthebbende ze, op verzoek van (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1), inkorten. <W 1997-12-19/30, art. 51, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Indien de eigenaar of de rechthebbende het verzoek gedurende één maand zonder gevolg heeft gelaten, mag (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) zelf overgaan tot het inkorten. <W 1997-12-19/30, art. 51, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 2. De kosten van het inkorten zijn ten laste van :
  1° de eigenaar of de rechthebbende, wanneer de bomen of beplantingen zich op zijn privé-eigendom bevinden en hun takken of wortels hinderlijk zijn voor kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen :
  a) die zich in of boven het openbaar domein bevinden;
  b) die zich in of boven zijn privé-eigendom bevinden en die dienstig zijn voor zijn aansluiting;
  2° (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1), in de overige gevallen. <W 1997-12-19/30, art. 51, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  
Art.101. § 1. Lorsque des branches ou des racines constituent raisonnablement un obstacle pour l'établissement, la maintenance et le fonctionnement des câbles, lignes aériennes et équipements connexes, le propriétaire ou l'ayant droit doit les raccourcir à la demande de (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné). <L 1997-12-19/30, art. 51, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Si le propriétaire ou l'ayant droit n'a pas donné suite à la requête après un mois, (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) peut procéder elle-même au raccourcissement. <L 1997-12-19/30, art. 51, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  § 2. Les frais du raccourcissement sont à charge :
  1° du propriétaire ou de l'ayant droit lorsque les arbres ou plantations se trouvent sur sa propriété privée et que leurs branches ou leurs racines constituent un obstacle, des dérangements aux câbles, lignes aériennes et équipements connexes :
  a) qui se trouvent dans ou au-dessus du domaine public;
  b) qui se trouvent dans ou au-dessus de sa propriété privée et servent à son raccordement;
  2° de (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné), dans les autres cas. <L 1997-12-19/30, art. 51, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  
Art.102. Wanneer de aanwezigheid van een water-, gas-, elektriciteits-, radio- of teledistributie-(, telecommunicatie-) of enige andere inrichting van openbaar nut de uitvoering van werkzaamheden aan de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen belemmert, neemt (elke operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) de kosten ten laste die veroorzaakt worden door de wijziging, op haar aanvraag, van de inrichting van openbaar nut. (Voormelde wijziging wordt uitsluitend uitgevoerd door de beheerder van de betrokken inrichting van openbaar nut of de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1, ieder voor zijn inrichting.) <W 1997-12-19/30, art. 52, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Behoudens de toepassing van de artikelen 98, § 3, en 99, § 3, neemt de beheerder van een in het eerste lid bedoelde inrichting van openbaar nut de kosten ten laste die veroorzaakt worden door de wijziging, op zijn aanvraag, van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen waarvan de aanwezigheid de uitvoering van werken aan zijn inrichting belemmert. (Voormelde wijziging wordt uitsluitend uitgevoerd door de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1 of door de beheerder van de inrichting van openbaar nut bedoeld in het eerste lid.) <W 1997-12-19/30,art. 52, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  De in het eerste en tweede lid bedoelde wijzigingen mogen slechts in geval van volstrekte noodzakelijkheid worden gevorderd.
  Van de bepalingen bedoeld in het eerste en tweede lid kan bij onderlinge overeenkomst tussen (elke operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) en de beheerder van de inrichting van openbaar nut worden afgeweken. <W 1997-12-19/30,art. 52, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Wanneer in andere gevallen dan die welke bedoeld zijn in het tweede lid en in de artikelen 98, § 3, en 99, § 3, een persoon verzoekt kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen te wijzigen, kan (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) die wijziging uitvoeren indien het normaal gebruik van de openbare telecommunicatie niet wordt gestoord en de verzoeker de kosten ten laste neemt. <W 1997-12-19/30,art. 52, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  
Art.102. Lorsque la présence d'une installation d'eau, de gaz, d'électricité, de radiodistribution, de télédistribution (de télécommunication) ou de toute autre installation d'utilité publique gêne l'exécution de travaux aux câbles, lignes aériennes et équipements connexes, (tout opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) prend à sa charge les frais occasionnés par la modification, à sa demande, de l'installation d'utilité publique. (Cette modification est faite exclusivement par l'administrateur de l'installation d'utilité publique concernée ou l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné, chacun pour ce qui le concerne.) <L 1997-12-19/30, art. 52, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Sauf en cas d'application des articles 98, § 3, et 99, § 3, l'administrateur d'une installation d'utilité publique visée à l'alinéa 1er prend à sa charge les frais occasionnés par la modification, à sa demande, des câbles, lignes aériennes et équipements connexes dont la présence gêne l'exécution de travaux à son installation. (Cette modification est faite exclusivement par l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné ou l'administrateur de l'installation d'utilité publique visée à l'alinéa 1er.) <L 1997-12-19/30, art. 52, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Les modifications visées au premier et deuxième alinéa ne peuvent être réclamées qu'en cas de nécessité absolue.
  Il peut être dérogé aux dispositions visées au premier et deuxième alinéa par convention réciproque entre (tout opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) et l'administrateur de l'installation d'utilité publique. <L 1997-12-19/30, art. 52, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Lorsqu'une personne demande de modifier les câbles, lignes aériennes et équipements connexes, dans d'autres cas que ceux visés au deuxième alinéa et aux articles 98, § 3, et 99, § 3, (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) peut effectuer cette modification à condition que cela ne nuise pas à l'usage normal des télécommunications publiques et que le demandeur prenne les frais à sa charge. <L 1997-12-19/30, art. 52, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  
Art. 103. (NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel.) § 1. Wanneer (een operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) de werken bedoeld in de artikelen 97 tot en met 102 uitvoert, is (hij) ertoe gehouden het goed te herstellen in zijn oorspronkelijke staat binnen een redelijke termijn, naargelang van het geval, hetzij door eigen toedoen, hetzij door toedoen van een derde. <W 1997-12-19/30, art. 53, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Van de bepalingen van het eerste lid kan bij overeenkomst tussen (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) en de eigenaar of de rechthebbende van het goed worden afgeweken. <W 1997-12-19/30, art. 53, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 2. De bepalingen van § 1, eerste lid, zijn niet van toepassing met betrekking tot de schade die onvermijdelijk wordt aangericht aan een goed, wanneer (een operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) een werk uitvoert dat nodig is voor de aansluitingen van de eigenaar of de rechthebbende van dit goed. <W 1997-12-19/30, art. 53, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Art. 103. (Voir plus loin forme(s) non fédérale(s) de cet article.) § 1er. Lorsque (l'opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) exécute les travaux visés aux articles 97 à 102 inclus, (il) est (tenu) de rétablir le bien dans son état primitif dans les meilleurs délais, selon les cas, soit par (lui-même), soit par personne interposée. <L 1997-12-19/30, art. 53, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Il peut être dérogé à la disposition du premier alinéa par convention entre (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) et le propriétaire ou l'ayant droit du bien. <L 1997-12-19/30, art. 53, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  § 2. Les dispositions du § 1er, alinéa 1er, ne sont pas applicables au dommage occasionné inévitablement à un bien lorsque (l'opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) exécute un travail nécessaire pour les raccordements du propriétaire ou de l'ayant droit de ce bien. <L 1997-12-19/30, art. 53, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  COMMUNAUTES ET REGIONS
Art. 103. (Brussels Hoofdstedelijk Gewest)
  § 1. (NOTA : § 1 opgeheven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voor zover hij betrekking heeft op de bouwplaatsen. <span class="domain-tag domain-ord"><span class="domain-tag domain-ord">&lt;ORD 2008-07-03/43, art. 91, 071; Inwerkingtreding : 01-11-2013&gt;</span></span>) Wanneer (een operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) de werken bedoeld in de artikelen 97 tot en met 102 uitvoert, is (hij) ertoe gehouden het goed te herstellen in zijn oorspronkelijke staat binnen een redelijke termijn, naargelang van het geval, hetzij door eigen toedoen, hetzij door toedoen van een derde. <W 1997-12-19/30, art. 53, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Van de bepalingen van het eerste lid kan bij overeenkomst tussen (de operator van het betrokken [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) en de eigenaar of de rechthebbende van het goed worden afgeweken. <W 1997-12-19/30, art. 53, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 2. De bepalingen van § 1, eerste lid, zijn niet van toepassing met betrekking tot de schade die onvermijdelijk wordt aangericht aan een goed, wanneer (een operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) een werk uitvoert dat nodig is voor de aansluitingen van de eigenaar of de rechthebbende van dit goed. <W 1997-12-19/30, art. 53, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  
Art. 103. (Région de Bruxelles-Capitale)
   § 1er. (NOTE : § 1er abrogé pour la Région de Bruxelles-Capitale en tant qu'il vise les chantiers. <ORD 2008-07-03/43, art. 91, 071; En vigueur : 01-11-2013>) Lorsque (l'opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) exécute les travaux visés aux articles 97 à 102 inclus, (il) est (tenu) de rétablir le bien dans son état primitif dans les meilleurs délais, selon les cas, soit par (lui-même), soit par personne interposée. <L 1997-12-19/30, art. 53, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Il peut être dérogé à la disposition du premier alinéa par convention entre (l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) et le propriétaire ou l'ayant droit du bien. <L 1997-12-19/30, art. 53, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  § 2. Les dispositions du § 1er, alinéa 1er, ne sont pas applicables au dommage occasionné inévitablement à un bien lorsque (l'opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1) exécute un travail nécessaire pour les raccordements du propriétaire ou de l'ayant droit de ce bien. <L 1997-12-19/30, art. 53, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  
Art.104. De beheerder van elektrische of andere inrichtingen die zich boven, in, tegen of op openbaar domein of privé-eigendom bevinden en die, wegens hun nabijheid, hun fysieke of technische kenmerken of hun gebruiksomstandigheden, een nadelige invloed uitoefenen of kunnen uitoefenen op (het [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1), op de personen die aan (dat net) werken of op de gebruikers van (dat net), moet op zijn kosten alle maatregelen nemen, die noodzakelijk zijn om deze nadelige invloed te vermijden. <W 1997-12-19/30, art. 54, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  De beheerder van elektrische of andere inrichtingen die zich boven, in, tegen of op openbaar domein of privé-eigendom bevinden, moet, op specifiek verzoek van (elke operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1), op zijn kosten deze inrichtingen spanningloos maken of alle andere maatregelen nemen of laten nemen, die nodig zijn om werken aan (het [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) veilig te laten uitvoeren. <W 1997-12-19/30, art. 54, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  De eigenaar of rechthebbende van een goed moet alle maatregelen nemen om, zonder hinder, de werken te laten uitvoeren aan de kabels, bovengrondse lijnen en bijhorende uitrustingen.
  
Art.104. Le gestionnaire d'installations électriques ou autres, situées au-dessus, dans, contre ou sur un domaine public ou une propriété privée et qui, par leur proximité, leurs caractéristiques physiques ou techniques ou leurs conditions d'utilisation, ont ou peuvent avoir un effet néfaste sur le [1 réseau public de communications électroniques]1, sur les personnes travaillant à (ce réseau) ou sur les utilisateurs de (ce réseau), doit prendre, à ses frais, toutes les dispositions nécessaires pour éviter cet effet néfaste. <L 1997-12-19/30, art. 54, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Le gestionnaire d'installations électriques ou autres situées au-dessus, dans, contre ou sur un domaine public ou une propriété privée doit, sur demande spécifique de (tout opérateur d'un [1 réseau public de communications électroniques]1), à ses frais, mettre ces installations hors tension ou encore prendre ou faire prendre toutes les mesures nécessaires pour faire exécuter les travaux (au [1 réseau public de communications électroniques]1 en sécurité. <L 1997-12-19/30, art. 54, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Le propriétaire ou l'ayant droit d'un bien doit prendre toutes les mesures pour permettre une exécution sans entrave de tous les travaux aux câbles, lignes aériennes et équipements connexes.
  
Art. 104_VLAAMS_GEWEST.    De beheerder van elektrische of andere inrichtingen die zich boven, in, tegen of op openbaar domein of privé-eigendom bevinden en die, wegens hun nabijheid, hun fysieke of technische kenmerken of hun gebruiksomstandigheden, een nadelige invloed uitoefenen of kunnen uitoefenen op (het [2 openbaar elektronische-communicatienetwerk]2), op de personen die aan (dat net) werken of op de gebruikers van (dat net), moet op zijn kosten alle maatregelen nemen, die noodzakelijk zijn om deze nadelige invloed te vermijden. <W 1997-12-19/30, art. 54, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  De beheerder van elektrische of andere inrichtingen die zich boven, in, tegen of op openbaar domein of privé-eigendom bevinden, moet, op specifiek verzoek van (elke operator van een [2 openbaar elektronische-communicatienetwerk]2), op zijn kosten deze inrichtingen spanningloos maken of alle andere maatregelen nemen of laten nemen, die nodig zijn om werken aan (het [2 openbaar elektronische-communicatienetwerk]2) veilig te laten uitvoeren. <W 1997-12-19/30, art. 54, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  De eigenaar of rechthebbende van een goed moet alle maatregelen nemen om, zonder hinder, de werken te laten uitvoeren aan de kabels, bovengrondse lijnen en bijhorende uitrustingen.
  [1 De kosten voor de maatregelen, zoals vermeld in het eerste en tweede lid, komen niet ten laste van de beheerder van elektrische of andere inrichtingen die zich boven, in, tegen of op openbaar domein of privé-eigendom bevinden als een operator van een elektronisch communicatienetwerk een beroep doet op het recht van toegang conform artikel 4 van het decreet van 10 november 2017 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten voor de aanleg van elektronische-communicatienetwerken met hoge snelheid en tot wijziging van diverse decreten.
   In geval van een recht van toegang conform artikel 4 van het decreet van 10 november 2017 inzake maatregelen ter verlaging van de kosten voor de aanleg van elektronische-communicatienetwerken met hoge snelheid en tot wijziging van diverse decreten, is het derde lid niet van toepassing als de eigenaar of rechthebbende van het goed de beheerder is van een openbaar domein of openbare weg.]1

  
Art. 104 _REGION_FLAMANDE.
   Le gestionnaire d'installations électriques ou autres, situées au-dessus, dans, contre ou sur un domaine public ou une propriété privée et qui, par leur proximité, leurs caractéristiques physiques ou techniques ou leurs conditions d'utilisation, ont ou peuvent avoir un effet néfaste sur (le [2 réseau public de communications électroniques]2, sur les personnes travaillant à (ce réseau) ou sur les utilisateurs de (ce réseau), doit prendre, à ses frais, toutes les dispositions nécessaires pour éviter cet effet néfaste. <L 1997-12-19/30, art. 54, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Le gestionnaire d'installations électriques ou autres situées au-dessus, dans, contre ou sur un domaine public ou une propriété privée doit, sur demande spécifique de (tout opérateur d'un [2 réseau public de communications électroniques]2), à ses frais, mettre ces installations hors tension ou encore prendre ou faire prendre toutes les mesures nécessaires pour faire exécuter les travaux (au réseau public) de télécommunications en sécurité. <L 1997-12-19/30, art. 54, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Le propriétaire ou l'ayant droit d'un bien doit prendre toutes les mesures pour permettre une exécution sans entrave de tous les travaux aux câbles, lignes aériennes et équipements connexes.
  [1 Les coûts pour les mesures visées aux alinéas 1er et 2 ne sont pas à charge du gestionnaire d'installations électriques ou autres situées au-dessus, dans, contre ou sur un domaine public ou une propriété privée si un opérateur d'un réseau de communications électroniques revendique le droit d'accès conformément à l'article 4 du décret du 10 novembre 2017 relatif à des mesures visant à réduire le coût du déploiement de réseaux de communications électroniques à haut débit et modifiant divers décrets.
   En cas de droit d'accès conformément à l'article 4 du décret du 10 novembre 2017 relatif à des mesures visant à réduire le coût du déploiement de réseaux de communications électroniques à haut débit et modifiant divers décrets, l'alinéa 3 ne s'applique pas si le propriétaire ou l'ayant droit du bien est le gestionnaire d'un domaine public ou d'une voie publique]1

  
HOOFDSTUK IXBIS- (Beheer van de nationale nummeringsruimte.) (opgeheven)
CHAPITRE IXBIS. - (Gestion de l'espace de numérotation national.) (abrogé)
HOOFDSTUK IXTER. - (Bescherming van de gebruikers.) (opgeheven)
CHAPITRE IXTER. - (Protection des utilisateurs.) (abrogé)
HOOFDSTUK X. - (Operatoren met een sterke marktpositie, kostenbasering en interconnectie.) (opgeheven)
CHAPITRE X. - (Opérateurs puissants, orientation sur les coûts et interconnexion.) (abrogé)
HOOFDSTUK XBIS. - (Geheimhouding van gesprekken en bescherming van de persoonlijke levenssfeer.) (opgeheven)
CHAPITRE XBIS. - (Secret des communications et protection de la vie privée.) (abrogé)
HOOFDSTUK XI. - (Sancties, toezicht, (...) en strafbepalingen.)
CHAPITRE XI. - (Sanctions, surveillance, (...) et dispositions pénales).
Art.111. (NOTE : Abrogé par L 1997-12-19/30, art. 83, et rétabli par <L 2001-12-30/30, art. 151, 038; En vigueur : 01-01-2002>) Nul ne peut, dans le Royaume, via l'infrastructure des télécommunications, donner ou tenter de donner des communications portant atteinte au respect des lois, à la sécurité de l'Etat, à l'ordre public ou aux bonnes moeurs ou constituant une offense à l'égard d'un Etat étranger.
  (NOTE : par son arrêt n° 69/2003 du 14-05-2003 (M.B. 30-05-2003, p. 29588), la Cour d'Arbitrage a annulé le rétablissement de cet article)
Art.114. § 1. Met geldboete van 26 tot 500 frank wordt gestraft :
  1° de persoon die, behalve in geval van overmacht, zonder (de betrokken operator van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) ten minste acht dagen vooraf bij ter post aangetekende brief in te lichten, eender welk werk uitvoert of laat uitvoeren waardoor de infrastructuur kan worden beschadigd of waardoor de werking ervan in gevaar kan komen; <W 1997-12-19/30, art. 85, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  2° de persoon, die zich bij het uitvoeren of laten uitvoeren van een in 1° bedoeld werk niet gedraagt naar de richtlijnen, die met het oog op de beveiliging van de infrastructuur, door (de betrokken leverancier van een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) zijn voorgeschreven; <W 1997-12-19/30, art. 85, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  3° (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 057; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  § 2. (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 057; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  § 3. Met geldboete van 500 tot 5 000 frank wordt gestraft de persoon, die onopzettelijk door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg een gedeelte van (een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1) beschadigt, vernielt of de werking ervan hindert of belet. <W 1997-12-19/30, art. 85, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Wanneer één van deze handelingen wordt gesteld door een persoon in andermans dienst, dan wordt de straf opgelegd aan de werkgever of aan de voor het werk verantwoordelijke persoon, indien de ene of de andere verzuimd heeft de betrokken werknemer op de hoogte te brengen van de aanwezigheid van (een [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1 of van de richtlijnen die met het oog op de beveiliging ervan, door de betrokken operator van het [1 openbaar elektronische-communicatienetwerk]1, zijn voorgeschreven). <W 1997-12-19/30, art. 85, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  § 4. Met geldboete van 2 500 tot 25 000 frank wordt gestraft de persoon, die de in § 3 vermelde handelingen opzettelijk heeft gesteld.
  § 5. Met geldboete van 1 000 tot 10 000 frank of met een gevangenisstraf van drie tot zes maanden wordt gestraft de persoon, die op grond van § 3 is veroordeeld en die onopzettelijk door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg één van de in deze paragraaf vermelde handelingen opnieuw stelt binnen één jaar na de uitspraak van het vonnis of van het arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan.
  § 6. Met geldboete van 5 000 tot 50 000 frank of met een gevangenisstraf van zes maanden tot één jaar wordt gestraft de persoon, die op grond van § 3 is veroordeeld en die opzettelijk één van de in deze paragraaf bedoelde handelingen opnieuw stelt binnen één jaar na de uitspraak van het vonnis of van het arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan.
  § 7. (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 057; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  § 8. (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 057; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  § 9. (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 057; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  § 10. (opgeheven) <W 2005-06-13/32, art. 155, 057; Inwerkingtreding : 30-06-2005>
  
Art.114. § 1. Est punie d'une amende de 26 à 500 francs :
  1° la personne qui, sauf en cas de force majeure, effectue ou fait effectuer, sans en aviser (l'opérateur de réseau de télécommunications concerné) au moins huit jours d'avance par lettre recommandée à la poste, tous travaux pouvant endommager l'infrastructure ou mettre en danger son fonctionnement; <L 1997-12-19/30, art. 85, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  2° la personne qui, lorsqu'elle effectue ou fait effectuer un travail visé au 1°, ne respecte pas les directives prescrites par (le fournisseur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) en vue de la protection de l'infrastructure. <L 1997-12-19/30, art. 85, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  3° (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 057; En vigueur : 30-06-2005>
  § 2. (abroge) <L 2005-06-13/32, art. 155, 057; En vigueur : 30-06-2005>
  § 3. Est punie d'une amende de 500 à 5 000 francs, la personne qui involontairement, par défaut de prévoyance ou de précaution, endommage ou détériore une partie d'un [1 réseau public de communications électroniques]1, ou en gêne ou empêche le fonctionnement. <L 1997-12-19/30, art. 85, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  Lorsqu'un de ces actes est le fait d'une personne au service d'un tiers, la peine est imposée à l'employeur ou à la personne responsable du travail, selon que celle-ci ou celui-là a omis d'informer le travailleur en question de la présence (d'un [1 réseau public de communications électroniques]1 ou des directives fournies par l'opérateur du [1 réseau public de communications électroniques]1 concerné) en vue de la protection de cette infrastructure. <L 1997-12-19/30, art. 85, 017; En vigueur : 01-01-1998>
  § 4. Est punie d'une amende de 2 500 à 25 000 francs, la personne qui a posé volontairement les actes prévus au § 3.
  § 5. Est punie d'une amende de 1 000 à 10 000 francs ou d'un emprisonnement de trois à six mois, la personne condamnée sur base du § 3 et qui involontairement, par défaut de prévoyance et de précaution, récidive dans un délai d'un an à dater du prononce du jugement ou de l'arrêt coulé en force de chose jugée.
  § 6. Est punie d'une amende de 5 000 à 50 000 francs ou d'un emprisonnement de six mois à un an, la personne condamnée sur la base du § 3 et qui récidive volontairement dans un des actes prévus à ce paragraphe, dans un délai d'un an à dater du prononcé du jugement ou de l'arrêt coulé en force de chose jugée.
  § 7. (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 057; En vigueur : 30-06-2005>
  § 8. (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 057; En vigueur : 30-06-2005>
  § 9. (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 057; En vigueur : 30-06-2005>
  § 10. (abrogé) <L 2005-06-13/32, art. 155, 057; En vigueur : 30-06-2005>
  
HOOFDSTUK XII. - Allerhande bepalingen. (opgeheven)
CHAPITRE XII. - Dispositions diverses. (abrogé)
TITEL IV. - Hervorming van de Regie der posterijen.
TITRE IV. - Réforme de la Régie des postes.
HOOFDSTUK I. - Benaming.
CHAPITRE I. - Dénomination.
Art.129. <wijzigingsbepaling van art. 1, lid 1 van W 1971-07-06/30>
Art.129.
Art.130. De woorden " Regie der posterijen ", " Bestuur der posterijen " en " Bestuur der postchecks " in al de artikelen van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van de Regie der posterijen, de wet van 26 december 1956 op de Postdienst en de wet van 2 mei 1956 op de Postcheck, worden vervangen door de woorden " DE POST ".
  De woorden " Regie der Posterijen ", " Bestuur der Posterijen ", " Bestuur der Postchecks " en " Regie ", wanneer de Regie der Posterijen bedoeld wordt, worden vervangen door de woorden " DE POST " in alle wetten en reglementen.
  [1 De woorden " DE POST " in al de artikelen van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van de Regie des Posterijen, de wet van 26 december 1956 op de Postdienst en de wet van 2 mei 1956 op de postcheque, worden, wanneer zij krachtens het eerste lid werden opgenomen, vervangen door de woorden " bpost ".
   In alle wetten en reglementen worden de woorden " DE POST ", wanneer zij krachtens het tweede lid werden opgenomen, vervangen door het woord " bpost ".]1

  [2 In alle wetten worden de woorden " DE POST ", wanneer ze verwijzen naar de rechtspersoon bedoeld in artikel 1 van de wet van 6 juli 1971 betreffende de oprichting van DE POST en betreffende sommige postdiensten, vervangen door het woord " bpost ".]2
  
Art.130. Les mots " Régie des postes ", " Administration des postes ", et " Office des chèques postaux " dans tous les articles de la loi du 6 juillet 1971 portant création de la Régie des postes, de la loi du 26 décembre 1956 sur le Service des postes et de la loi du 2 mai 1956 sur le chèque postal, sont remplacés par les mots " LA POSTE ".
   Les mots " Régie des Postes ", " Administration des Postes ", " Office des chèques postaux " et " Régie ", lorsque l'on vise la Régie des Postes, sont remplacés par les mots " LA POSTE " dans toutes les lois et règlements.
   [1 Les mots " LA POSTE " dans tous les articles de la loi du 6 juillet 1971 portant création de la Régie des Postes, de la loi du 26 décembre 1956 sur le Service des postes et de la loi du 2 mai 1956 sur le chèque postal, lorsqu'ils ont été introduits en vertu de l'alinéa premier, sont remplacés par le mot " bpost ".
   Dans toutes les lois et règlements, les mots " LA POSTE ", lorsqu'ils ont été introduits en vertu de l'alinéa 2, sont remplacés par le mot " bpost.]1

  [2 Dans toutes les lois, les mots " LA POSTE ", lorsqu'ils font référence à la personne morale visée à l'article 1er de la loi du 6 juillet 1971 relative à la création de LA POSTE et à certains services postaux, sont remplacés par le mot " bpost ".]2
  
HOOFDSTUK II. - Bepalingen en maatschappelijke zetel.
CHAPITRE II. - Définitions et siège social.
Art.131. [1 Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
   1° postdiensten : diensten die bestaan uit het ophalen, het sorteren, het vervoeren en de distributie van postzendingen.
   De aanbieding van postdiensten door de natuurlijke of rechtspersoon van wie de post afkomstig is wordt van het toepassingsveld van de definitie uitgesloten;
   2° aanbieder van postdiensten : elke onderneming die één of meer postdiensten aanbiedt;
   3° postnetwerk : het geheel van de organisatie en alle middelen, waarvan door de aanbieder(s) van de universele dienst gebruik wordt gemaakt om met name :
   a) op de toegangspunten op het gehele grondgebied de onder een verplichting tot universeledienstverlening vallende postzendingen op te halen;
   b) deze postzendingen tussen de punten van toegang tot het postnetwerk en het distributiecentrum te verzenden en te verwerken;
   c) deze postzendingen op het vermelde adres te bestellen;
   4° toegangspunten : fysieke plaatsen, met inbegrip van brievenbussen voor het publiek aan de openbare weg of in de gebouwen van de aanbieder(s) van postdiensten, waar de postzendingen door de afzenders in het postnetwerk kunnen worden gebracht;
  [2 4° bis postaal service punt: een postkantoor, [3 of een postpunt]3;
   4° ter postkantoor: een postaal service punt uitgebaat door bpost waar minstens het volledige assortiment van diensten wordt aangeboden aan de klant, zijnde:
   a) de diensten van het basisassortiment;
   b) de uitvoering van verrichtingen van basisbankdiensten zoals gedefinieerd in [3 artikel VII.57 van het Wetboek van economisch recht]3;
   c) [3 ...]3
   d) [3 ...]3
   e) het aanvaarden van stortingen ter creditering van rekeningen gehouden bij bpost of andere financiële instellingen;
   f) de afhaling van contant geld van een rekening, ongeacht de voorgestelde methode;
   g) de uitbetaling van assignaties -P;
   h) de inontvangstneming van overschrijvingsformulieren met betrekking tot betalingen vanuit eigen rekening;
   4° quater [3 postpunt]3: een postaal service punt uitgebaat door een derde waarin deze derde openbare diensten uitvoert in naam en voor rekening van de post;
   4° quinquies [3 ...]3
   4° sexies basisassortiment: de volgende diensten:
   a) de inontvangstneming van zendingen van stukpost-brievenpost en stukpost-postpakketten die deel uitmaken van de universele postdienst, met uitzondering van zendingen met aangegeven waarde;
   b) het ter beschikking houden en afgeven van stukpost-aangetekende zendingen en stukpost-postpakketten die deel uitmaken van de universele postdienst en waarvoor een bericht werd achtergelaten na vergeefse aanbieding aan huis;
   c) de verkoop van postzegels;
   d) het aanvaarden van contante stortingen van maximum 500 euro, voorzien van een gestructureerde mededeling, ter creditering van rekening bij bpost of een financiële instelling;
   e) voor zover mogelijk wordt een minimum assortiment van verpakkingen voor brievenpost en postpakketten te koop aangeboden.]2

   5° ophalen : de handeling waarmee een aanbieder van postdiensten postzendingen ophaalt;
   6° distributie : het proces gaande van het sorteren in distributiecentra tot het bestellen van postzendingen aan de geadresseerden;
   7° postzending : geadresseerde zending in definitieve vorm die een aanbieder van postdiensten verzorgt.
   Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt : boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten;
   8° brievenpost : een op enigerlei fysieke drager aangebrachte schriftelijke mededeling die wordt vervoerd en besteld op het door de afzender op de zending zelf of op de omslag daarvan vermelde adres. Boeken, catalogi, kranten en tijdschriften worden niet als brievenpost aangemerkt;
   9° aangetekende zending : een dienst die op forfaitaire basis tegen de risico's van verlies, diefstal of beschadiging waarborgt, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de datum van afgifte of van de bestelling van de postzending aan de geadresseerde;
   10° zending met aangegeven waarde : een dienst die bestaat in de verzekering van de postzending voor de door de afzender aangegeven waarde tegen verlies, diefstal of beschadiging;
   11° ingeschreven zending : een aangetekende zending of een zending met aangegeven waarde;
   12° grensoverschrijdende post : post afkomstig uit of verzonden naar een andere Staat;
   13° aanbieder van de universele dienst : de aanbieder van postdiensten die in België een universele postdienst of een deel daarvan aanbiedt, en waarvan de identiteit aan de Commissie is meegedeeld overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 97/67/EG, gewijzigd bij Richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van Richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap;
   14° vergunning : een machtiging die door het Instituut wordt verleend en waarbij aan een aanbieder van nationale en inkomende grensoverschrijdende brievenpost binnen de werkingssfeer van de universele dienst specifieke rechten worden verleend en waarbij de activiteiten van die onderneming aan specifieke verplichtingen worden onderworpen en waarbij de aanbieder niet gerechtigd is de desbetreffende rechten uit te oefenen alvorens hij het door het Instituut genomen besluit heeft ontvangen;
   15° eindkosten : vergoeding aan de aanbieders van de universele dienst voor de distributie van de inkomende grensoverschrijdende post, bestaande uit postzendingen die uit een andere Staat afkomstig zijn;
   16° afzender : natuurlijke of rechtspersoon van wie de postzending afkomstig is;
   17° gebruiker : natuurlijke of rechtspersoon aan wie de postdienst aangeboden wordt, als afzender of als geadresseerde;
   18° Instituut : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, afgekort BIPT zoals bedoeld in hoofdstuk III van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector;
   19° essentiële eisen : niet-economische redenen van algemeen belang die de Staat ertoe kunnen bewegen voorwaarden inzake het aanbieden van postdiensten op te leggen. Deze redenen zijn het vertrouwelijke karakter van de brievenpost, de veiligheid van het functioneren van het netwerk op het gebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de naleving van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en regelingen voor sociale zekerheid die in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgelegd en/of via collectieve onderhandelingen tussen sociale partners zijn overeengekomen, in overeenstemming met het communautaire en het nationale recht, en, in gerechtvaardigde gevallen, de bescherming van gegevens, de bescherming van het milieu en de ruimtelijke ordening. Gegevensbescherming kan bestaan uit de bescherming van persoonsgegevens, het vertrouwelijke karakter van informatie die wordt doorgegeven en/of opgeslagen, alsmede de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
   20° tegen enkelstukstarieven aangeboden diensten : postdiensten waarvoor het tarief is vastgesteld in de algemene voorwaarden van aanbieder(s) van de universele dienst voor postzendingen die per individueel stuk worden afgegeven;
   21° De Post : het autonome overheidsbedrijf bedoeld in artikel 1, § 4, 3°;
   22° financiële postdiensten : de bewerkingen met chartale, scripturale of elektronische geldmiddelen, kosteloos of tegen betaling verwezenlijkt door De Post en uitgevoerd voor haar eigen rekening of voor rekening van derden;
   23° adres : geheel van gegevens die de aanbieder van postdiensten in staat stelt de plaats van distributie vast te stellen en die minstens het huisnummer, de straatnaam en de naam van de gemeente bevatten of een door de betrokken aanbieder van postdiensten aanvaarde andere vermelding of informatie die hem op een ondubbelzinnige manier in staat stelt minstens het huisnummer, de straatnaam en de naam van de gemeente te bepalen;
   24° direct mail : een mededeling die uitsluitend uit reclame-, marketing- of publiciteitsmateriaal bestaat, die dezelfde boodschap bevat, met uitzondering van de naam, het adres en het identificatienummer van de geadresseerde, alsmede andere variabelen/parameters die de aard van de boodschap niet wijzigen, en die aan een aanzienlijk aantal geadresseerden wordt toegezonden met het oog op vervoer naar en bestelling op het adres dat de afzender op de eigenlijke zending of op de verpakking ervan heeft vermeld;
   25° routage-activiteiten : routage-activiteiten worden verricht door een natuurlijke persoon of rechtspersoon in opdracht van een afzender. Routage-activiteiten bestaan uit activiteiten van gereedmaking van postzendingen volgens de normen van de aanbieder van postdiensten eventueel in combinatie met andere activiteiten ter voorbereiding van postzendingen zoals de verpakking, het afdrukken of de frankering van de postzendingen.]1

  
Art.131. [1 Pour l'application du présent titre, on entend par :
   1° services postaux : des services qui consistent en la levée, le tri, l'acheminement et la distribution des envois postaux.
   La prestation de services postaux par la personne physique ou morale qui est à l'origine de l'envoi du courrier est exclue du champ d'application de la définition;
   2° prestataire de services postaux : toute entreprise qui fournit un ou plusieurs services postaux;
   3° réseau postal : l'ensemble de l'organisation et des moyens de toute nature mis en oeuvre par le ou les prestataires du service universel, en vue notamment de :
   a) la levée des envois postaux couverts par une obligation de service universel aux points d'accès sur l'ensemble du territoire;
   b) l'acheminement et le traitement de ces envois du point d'accès du réseau postal jusqu'au centre de distribution;
   c) la distribution à l'adresse indiquée sur l'envoi postal;
   4° point d'accès : les installations physiques, notamment les boîtes aux lettres mises à la disposition du public soit sur la voie publique, soit dans les locaux du ou des prestataires de services postaux, où les envois postaux peuvent être confiés au réseau postal par les expéditeurs;
  [2 4° bis point de service postal: un bureau de poste, [3 ou un point poste]3;
   4° ter bureau de poste: un point de service postal exploité par bpost qui propose au client au moins l'assortiment complet de services, c'est-à-dire:
   a) l'assortiment de base;
   b) l'exécution des opérations relatives au service bancaire de base tel que défini par [3 l'article VII.57 du Code de droit économique]3;
   c) [3 ...]3
   d) [3 ...]3
   e) l'acceptation de versements sur des comptes ouverts auprès de bpost ou d'autres institutions financières;
   f) le retrait en espèces d'un compte quelle que soit la méthode proposée;
   g) le paiement des assignations -P;
   h) la réception de bulletins de virement relatifs à des paiements à partir d'un compte propre;
   4° quater [3 point poste]3: un point de service postal exploité par un tiers, où celui-ci exécute les services publics dont bpost lui a confié l'exécution (au nom et pour le compte de bpost);
   4° quinquies [3 ...]3
   4° sexies assortiment de base: les services suivants:
   a) la réception d'envois de courrier égrené et de colis postaux individuels faisant partie du service postal universel, à l'exception des envois avec valeur déclarée;
   b) la conservation et la remise d'envois recommandés individuels et de colis postaux individuels faisant partie du service postal universel et pour lesquels un avis a été remis à la suite d'une présentation à domicile infructueuse;
   c) la vente de timbres-poste;
   d) l'acceptation de versements en espèces de maximum 500 euros, pourvus d'une mention structurée, sur un compte auprès de bpost ou d'une institution financière;
   e) dans la mesure du possible, un nombre minimum de conditionnements pour les envois postaux et les colis seront disponibles à la vente;]2

   5° levée : l'opération consistant pour un prestataire de services postaux à collecter les envois postaux;
   6° distribution : le processus allant du tri au centre de distribution jusqu'à la remise des envois postaux aux destinataires;
   7° envoi postal : un envoi portant une adresse sous la forme définitive dans laquelle il doit être acheminé par le prestataire de services postaux.
   Il s'agit, en plus des envois de correspondance, par exemple de livres, de catalogues, de journaux, de périodiques et de colis postaux contenant des marchandises avec ou sans valeur commerciale;
   8° envoi de correspondance : une communication écrite sur un support physique quelconque qui doit être acheminée et remise à l'adresse indiquée par l'expéditeur sur l'envoi lui-même ou sur son conditionnement. Les livres, catalogues, journaux et périodiques ne sont pas considérés comme des envois de correspondance;
   9° envoi recommandé : un service garantissant forfaitairement contre les risques de perte, vol ou détérioration et fournissant à l'expéditeur, le cas échéant à sa demande, une preuve de la date du dépôt de l'envoi postal et/ou de sa remise au destinataire;
   10° envoi à valeur déclarée : un service consistant à assurer l'envoi postal à concurrence de la valeur déclarée par l'expéditeur en cas de perte, vol ou détérioration;
   11° envoi enregistré : envoi recommandé ou à valeur déclarée;
   12° courrier transfrontière : le courrier en provenance ou à destination d'un autre Etat;
   13° prestataire du service universel : le prestataire de services postaux qui assure la totalité ou une partie du service postal universel en Belgique et dont l'identité a été communiquée à la Commission conformément à l'article 4 de la Directive 97/67/CE, modifiée par la Directive 2008/06/CE du Parlement européen et du Conseil du 20 février 2008 modifiant la Directive 97/67/CE en ce qui concerne l'achèvement du marché intérieur des services postaux de la Communauté;
   14° licence : une autorisation qui est octroyée par l'Institut et qui donne à un prestataire d'envois de correspondance domestiques et transfrontières entrants et qui relèvent du service universel des droits spécifiques et soumet les activités dudit prestataire à des obligations spécifiques, lorsque le prestataire de services postaux n'est pas habilité à exercer les droits concernés avant d'avoir reçu la décision de l'Institut;
   15° frais terminaux : la rémunération des prestataires du service universel au titre de la distribution du courrier transfrontière entrant constitué par les envois postaux provenant d'un autre Etat;
   16° expéditeur : une personne physique ou morale qui est à l'origine de l'envoi postal.
   17° utilisateur : toute personne physique ou morale bénéficiaire d'une prestation de service postal en tant qu'expéditeur ou destinataire;
   18° Institut : l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, en abrégé IBPT, visé au chapitre III de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges;
   19° exigences essentielles : les raisons d'intérêt général de nature non économique qui peuvent amener l'Etat à imposer des conditions pour la prestation de services postaux. Ces raisons sont la confidentialité de la correspondance, la sécurité du réseau en ce qui concerne le transport de matières dangereuses, le respect des conditions de travail et des régimes de sécurité sociale prévus par des dispositions législatives, réglementaires ou administratives et/ou par les conventions collectives négociées entre partenaires sociaux, conformément au droit communautaire et à la législation nationale et, dans les cas justifiés, la protection des données, la protection de l'environnement et l'aménagement du territoire. La protection des données peut comprendre la protection des données à caractère personnel, la confidentialité des informations transmises ou stockées ainsi que la protection de la vie privée;
   20° services prestés au tarif unitaire : les services postaux dont le tarif est établi dans les conditions générales du ou des prestataires du service universel pour les envois postaux qui sont déposés par pièce individuelle;
   21° La Poste : l'entreprise publique autonome visée à l'article 1er, § 4, 3°;
   22° services financiers postaux : les opérations en monnaie fiduciaire, scripturale ou électronique, gratuites ou rétribuées, effectuées par La Poste, tant pour son propre compte que pour le compte de tiers;
   23° adresse : ensemble de données permettant au prestataire de services postaux de déterminer le lieu de distribution et contenant au moins le numéro de maison, le nom de la rue et le nom de la commune ou une mention ou information acceptée par le prestataire de services postaux concerné lui permettant de déterminer sans équivoque au moins le numéro de maison, le nom de la rue et le nom de la commune;
   24° publipostage : une communication consistant uniquement en matériel de publicité ou de marketing et contenant un message identique, à l'exception du nom, de l'adresse et du numéro d'identification du destinataire ainsi que d'autres variables/paramètres qui ne modifient pas la nature du message, qui est envoyée à un nombre significatif de personnes et qui doit être acheminée et remise à l'adresse indiquée par l'expéditeur sur l'envoi lui-même ou sur son conditionnement;
   25° activités de routage : les activités de routage sont exécutées par une personne physique ou morale pour le compte d'un expéditeur. Les activités de routage consistent en des activités de conditionnement des envois postaux selon les normes du prestataire de services postaux, éventuellement combinées avec d'autres activités de préparation d'envois postaux comme l'emballage, l'imprimerie ou l'affranchissement des envois postaux.]1

  
Art.132. [1 bpost]1 heeft haar zetel in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en kan, op eenvoudige beslissing van haar raad van bestuur, vestigingen, exploitatiezetels, bijhuizen of agentschappen oprichten in België en in het buitenland.
  
Art.132. [1 bpost]1 a son siège dans la Région de Bruxelles-Capitale et peut établir, sur simple décision de son conseil d'administration, des établissements, sièges d'exploitation, succursales, ou agences en Belgique et à l'étranger.
  
HOOFDSTUK III. - Bevoegdheden van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie ter zake van post.
CHAPITRE III. - Attributions de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications en matière postale.
Art.133. Wat [1 bpost]1 betreft, geeft het Instituut een gemotiveerd advies in de gevallen en naar de vorm voorgeschreven krachtens deze titel.
  Op eigen initiatief, op verzoek van de Minister, (...) of van het [2 bijzondere raadgevende commissie Postdiensten en e-commerce]2 geeft het Instituut een gemotiveerd advies over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de postdiensten (...). <KB 1999-06-09/57, art. 3, 1°, 2° en 3°, 027; Inwerkingtreding : 18-08-1999>
  Het Instituut staat de Minister bij in de onderhandelingen met [1 bpost]1 over het beheerscontract evenals over de aanpassingen hiervan.
  Het Instituut kan bovendien belast worden met de volgende opdrachten :
  1° het uitvoeren van onderzoeken en studies in verband met de postdiensten en de financiële postdiensten;
  2° (...) <W 2003-01-17/30, art. 41, 043; Inwerkingtreding : 23-04-2003>
  (Lid 5 opgeheven) <W 2003-01-17/30, art. 41, 043; Inwerkingtreding : 23-04-2003>
  (Lid 6 opgeheven) <KB 1999-06-09/57, art. 3, 6°, 027; Inwerkingtreding : 18-08-1999>
  
Art.133. Pour ce qui concerne [1 bpost]1, l'Institut donne un avis motivé selon les formes et dans les cas prévus en vertu du présent titre.
  De sa propre initiative, à la demande du Ministre, (...) ou du [2 commission consultative spéciale Services postaux et e-commerce]2, l'Institut donne un avis motivé sur toutes questions relatives aux services postaux (...). <AR 1999-06-09/57, art. 3, 1°, 2° et 3°, 027; En vigueur : 18-08-1999>
  L'Institut assiste le Ministre dans la négociation du contrat de gestion avec [1 bpost]1, ainsi que de ses adaptations.
  L'Institut peut, en outre, être charge des missions suivantes :
  1° réaliser des recherches et des études relatives aux services postaux et aux services financiers postaux;
  2° (...) <L 2003-01-17/30, art. 41, 043; En vigueur : 23-04-2003>
  (Alinéa 5 abrogé) <L 2003-01-17/30, art. 41, 043; En vigueur : 23-04-2003>
  (Alinéa 6 abrogé) <AR 1999-06-09/57, art. 3, 6°, 027; En vigueur : 18-08-1999>
  
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
HOOFDSTUK V. - Doel en opdrachten van openbare dienst.
CHAPITRE V. - Objet social et missions de service public.
Afdeling I. - Doel.
Section I. - Objet social.
Art.140. [2 Het doel van bpost omvat:
   a) het ophalen, het vervoer en de uitreiking van postzendingen, postpakketten en enig ander type van fysieke goederen, en de exploitatie van enige andere post-, transport- of logistieke dienst;
   b) het leveren van diensten die betrekking hebben op papieren of digitale communicatie, certificering, gegevens, printen en beheer van documenten;
   c) het leveren van financiële postdiensten en van enige andere financiële, bancaire of betalings-dienst;
   d) het uitoefenen van activiteiten van kleinhandelsverkoop van goederen of diensten van derden;
   e) alle activiteiten, mede in nieuwe activiteitssectoren, ongeacht de aard van zulke activiteiten of activiteitssectoren, bestemd om rechtstreeks of onrechtstreeks de diensten van de vennootschap te bevorderen of, meer in het algemeen, rechtstreeks of onrechtstreeks bij te dragen tot de ontwikkeling van de activiteiten vermeld onder a) tot en met d) hierboven, of om een optimale aanwending van de infrastructuur en/of het personeel van de vennootschap mogelijk te maken.]2

  
Art.140. [2 L'objet social de bpost comprend:
   a) la collecte, le transport et la distribution du courrier, des colis et de tout autre type de biens physiques et l'exploitation de tous services postaux, de transport et de logistique;
   b) la fourniture de services de communication papier ou digitale, de certification, de données, d'impression et de gestion de documents;
   c) la fourniture de services financiers postaux et de tout autre service financier, bancaire et de paiement;
   d) l'exploitation d'activités de vente de détail de biens ou de services de tiers;
   e) toutes les activités, en ce compris dans de nouveaux secteurs d'activités, indépendamment de la nature de ces activités ou des secteurs d'activités, destinées à améliorer directement ou indirectement les services de la société ou, plus généralement, à contribuer directement ou indirectement au développement des activités visées aux a) à d) ci-dessus ou à permettre une utilisation optimale de l'infrastructure et/ou du personnel de la société.]2

  
Afdeling II. - (Opdrachten van openbare dienst van [1 bpost]1.)
Section II. - (Missions de service public de [1 bpost]1.)
Art.141. <KB 1999-06-09/57, art. 12, 027; Inwerkingtreding : 18-08-1999> § 1. [3 bpost is belast met volgende opdrachten van openbare dienst over het gehele grondgebied van het Rijk:
   A. De instandhouding, teneinde territoriale en sociale cohesie te verzekeren, van een nabijheidsnetwerk met de volgende configuratie:
   1° dit netwerk dient samengesteld te zijn uit minstens 1300 postale service punten waarvan ten minste één in elke gemeente van het land, die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de verplichtingen van bedelingen waarmee bpost belast is teneinde de universele postdienst krachtens [6 artikel 16, § 1, 1° van de wet van 26 januari 2018 betreffende de postdiensten]6, uit te voeren;
   2° de onder 1° bedoelde postale service punten dienen uit minstens 650 postkantoren te bestaan waarvan minstens één in elke gemeente van het land; en
   3° minstens 95 percent van de bevolking dient toegang te hebben tot een postaal service punt dat het bassisassortiment aanbiedt en dat gelegen is binnen een wegafstand van ten hoogste vijf kilometer, en minstens 98 percent van de bevolking dient toegang te hebben tot zulk postaal service punt dat gelegen is binnen een wegafstand van ten hoogste 10 kilometer.
   B. De uitvoering van de volgende financiële postdiensten:
   1° de inontvangstneming van contante stortingen op een post-zichtrekening en de uitvoering van betalingsverrichtingen van of naar deze rekening;
   2° de inontvangstneming van contante stortingen ter creditering van een post-zichtrekening of een rekening gehouden bij een financiële instelling; en
   3° [7 ...]7
   C. De betaling aan huis van ouderdoms- en overlevingspensioenen en van sociale zekerheidsuitkeringen aan personen met een handicap.
   D. De ontwikkeling van de sociale rol van de postbodes, in het bijzonder ten aanzien van de alleenstaanden en de minstbedeelden, en van de dienst "AUB postbode".
   E. De informatie aan het publiek op verzoek van de bevoegde overheidsinstantie.
   F. De verzending tegen een verminderd tarief van postzendingen verstuurd door stichtingen en verenigingen zonder winstoogmerk.
   G. De uitreiking van brievenpostzendingen die onder het stelsel van de portvrijdom vallen.]3

  [4 § 1bis. Andere opdrachten van openbare dienst kunnen, door haar beheerscontract, aan bpost of, door een bijzondere overeenkomst, aan bpost of een derde worden toevertrouwd."
   De opdrachten van openbare dienst, andere dan die opdrachten opgesomd in artikel 141, § 1, A. tot G. die in aanmerking komen om in overeenkomst met de voorgaande paragraaf toegekend te worden, tegen voorwaarden die voorzien zijn in het beheerscontract of in de bijzondere overeenkomst, kunnen met name de abonnementsdienst voor erkende kranten en tijdschriften omvatten [5 , waarvan de uitvoering eventueel gecontroleerd zal worden door een autoriteit aangeduid door een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad]5.
   Wanneer de uitvoering van deze opdrachten niet zou worden gedragen of zonder compensatie niet tegen dezelfde voorwaarden zou worden gedragen, wordt een compensatie toegekend ten laste van de Staatsbegroting.
   Wanneer bpost of de derde niet werd aangewezen in het kader van een toekenningsprocedure voor de selectie van de kandidaat die deze diensten kan leveren tegen de laagst mogelijke kostprijs voor de gemeenschap, is het artikel 141ter mutatis mutandis van toepassing op de compensatie.
   Betreffende de opdrachten van openbare dienst beoogd in het tweede lid van deze § 1bis, regelt het beheerscontract of de bijzondere overeenkomst de volgende materies:
   1° de definitie van de verplichtingen van de openbare dienst en de operationele uitvoeringsmodaliteiten van deze opdrachten;
   2° gedragsregels ten opzichte van de gebruikers;
   3° desgevallend, de objectieve en transparante parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend; en
   4° desgevallend, de voorlopige bedragen en de betalingsmodaliteiten van de compensaties, naargelang het geval, beoogd in artikel 141ter.]4

  § 2. (Eerste lid opgegeven) <W 2007-04-01/50, art. 12, 069; Inwerkingtreding : 24-05-2007>
  De bepalingen van het beheerscontract moeten verenigbaar zijn met de verplichtingen van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst.
  (§ 3. Onverminderd de toepassing van het Strafwetboek en van de tuchtstraffen die hun krachtens hun statuut kunnen worden opgelegd, moeten een strafport betalen dat gelijk is aan tweemaal het bedrag van de ontdoken taksen, de ambtenaren en beambten die zich schuldig hebben gemaakt aan :
  1° misbruik van voor administratieve briefwisseling gebezigde omslagen, banden of kaarten;
  2° bedrog.
  Wordt als bedrieglijk beschouwd, de briefwisseling portvrij, met uitgestelde vergoeding of gefrankeerd verzonden :
  1° die geen administratieve aard van algemeen belang bezit;
  2° met een valse aanduiding inzake de verplichte vermeldingen;
  3° met een gefingeerd adres; onder " gefingeerd adres " wordt verstaan, het adres dat aan de geadresseerde een hoedanigheid toekent waarmede hij niet bekleed is, met het doel de betaling van de posttarieven te ontduiken.
  Hetzelfde geldt voor ambtenaren en beambten die enig misbruik door een derde mogelijk hebben gemaakt.) <W 2007-04-01/50, art. 5, 069; Inwerkingtreding : 24-05-2007>
  
Art.141. <AR 1999-06-09/57, art. 12, 027; En vigueur : 18-08-1999> § 1er. [3 bpost est chargée des missions de service public suivantes sur l'ensemble du territoire du Royaume:
   A. Le maintien, en vue d'assurer la cohésion territoriale et sociale, d'un réseau de proximité configuré comme suit:
   1° ce réseau doit être composé d'au moins 1300 points de service postal dont au moins un dans chaque commune du pays comme nécessaire au respect des obligations pesant sur bpost au titre de la desserte aux fins de la mise en oeuvre du service postal universel en vertu de [6 l'article 16, § 1er, 1° de la loi du 26 janvier 2018 relative aux services postaux]6 ;
   2° les points de service postal visés au 1° doivent comprendre au moins 650 bureaux de poste dont au moins un dans chaque commune du pays; et
   3° au moins 95 pour cent de la population doit avoir accès à un point de service postal offrant l'assortiment de base qui est situé à une distance de route de cinq kilomètres au plus, et au moins 98 pour cent de la population doit avoir accès à un tel point de service postal situé à une distance de route de 10 kilomètres au plus.
   B. L'exécution des services financiers postaux suivants:
   1° la réception de dépôts en espèces sur un compte courant postal et l'exécution des paiements à partir de ce compte ou sur celui-ci;
   2° la réception de dépôts en espèces à porter au crédit d'un compte postal courant ou d'un compte auprès d'une institution financière; et
   3° [7 ...]7
   C. Le paiement à domicile des pensions de retraite et de survie et des allocations de sécurité sociale aux personnes handicapées.
   D. Le développement du rôle social des facteurs, notamment envers les personnes isolées et démunies, et du service "SVP facteur".
   E. L'information au public à la demande de l'autorité publique compétente.
   F. L'envoi à des tarifs réduits de correspondance expédiée par des fondations et associations sans but lucratif.
   G. La distribution des envois de la poste aux lettres soumis au régime des franchises de port.]3

  [4 § 1erbis. D'autres missions de service public peuvent être attribuées, soit à bpost, par son contrat de gestion, soit à bpost ou un tiers, par une convention spécifique.
   Les missions de service public autres que celles énumérées à l'article 141, § 1er, A. à G. qui sont susceptibles d'être attribuées conformément au paragraphe précédent, aux conditions prévues dans le contrat de gestion ou dans la convention spécifique, peuvent notamment inclure le service des abonnements pour les journaux reconnus et les écrits périodiques reconnus [5 , dont l'exécution est, le cas échéant, contrôlée par l'autorité désignée par un arrêté royal, délibéré en Conseil des ministres]5.
   Lorsque l'exécution de ces missions ne serait pas assumée ou ne serait pas assumée dans les mêmes conditions sans contrepartie, une compensation est octroyée à charge du budget de l'Etat.
   Lorsque bpost ou le tiers n'a pas été désigné dans le cadre d'une procédure d'attribution permettant de sélectionner le candidat capable de fournir ces services au moindre coût pour la collectivité, l'article 141ter s'applique mutatis mutandis à la compensation.
   Pour ce qui concerne les missions de service public visées au deuxième alinéa du présent § 1erbis, le contrat de gestion ou la convention spécifique règle les matières suivantes:
   1° la définition des obligations de service public et les modalités opérationnelles de l'exécution de ces missions;
   2° les règles de conduite à l'égard des utilisateurs;
   3° le cas échéant, les paramètres objectifs et transparents sur la base desquels est calculée la compensation; et
   4° le cas échéant, les montants provisoires et les modalités de paiement des compensations, selon le cas, visées à l'article 141ter.]4

  § 2. (Alinéa 1 abrogé) <L 2007-04-01/50, art. 12, 069; En vigueur : 24-05-2007>
  Les dispositions du contrat de gestion doivent être compatibles avec les obligations contenues dans la directive 97/67/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 décembre 1997 concernant des règles communes pour le développement du marché intérieur des services postaux de la Communauté et l'amélioration de la qualité de service.
  (§ 3. Sans préjudice de l'application du Code pénal et des peines disciplinaires qui peuvent leur être imposées en vertu de leur statut, doivent payer une surtaxe qui est égale à deux fois le montant des taxes éludées, les fonctionnaires et employés qui se sont rendus coupables de :
  1° abus d'enveloppes, de bandes ou de cartes utilisées comme courrier administratif;
  2° fraude.
  Est considéré comme frauduleux, le courrier en franchise postale, avec rétribution différée ou envoyé affranchi :
  1° qui ne possède pas de nature administrative d'intérêt général;
  2° qui porte une indication erronée concernant les mentions obligatoires;
  3° avec une adresse simulée, par " adresse simulée " on entend l'adresse qui attribue au destinataire une qualité dont il n'est pas revêtu, dans le but de se soustraire au paiement des tarifs postaux.
  Le même principe vaut pour les fonctionnaires et les agents qui ont permis tout abus par un tiers.) <L 2007-04-01/50, art. 5, 069; En vigueur : 24-05-2007>
  
Art. 141bis. [1 § 1. Voor elk van de opdrachten van openbare dienst bedoeld in artikel 141, § 1, A., B. en C., bepaalt de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit:
   1° de belangrijkste uitvoeringsmodaliteiten van de opdracht; en
   2° in voorkomend geval, de beginselen voor de vaststelling van de tarieven van de dienstverlening door bpost aan de gebruikers.
   § 2. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de nadere regels bepalen voor elke opdracht van openbare dienst bedoeld in artikel 141, § 1, D. tot G.]1

  
Art. 141bis. [1 § 1er. Pour chacune des missions de service public visées à l'article 141, § 1er, A., B. et C., le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, définit:
   1° les principales modalités d'exécution de la mission; et
   2° le cas échéant, les principes gouvernant la fixation des tarifs pour les prestations fournies par bpost aux utilisateurs.
   § 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, définir les modalités pour chacune des missions de service public visées à l'article 141, § 1er, D. à G.]1

  
Art. 141ter. [1 § 1. Voor de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst bedoeld in artikel 141, § 1, A., B. en C. die aanleiding geven tot een nettokost voor bpost, ontvangt bpost een vergoeding ten laste van de Staatsbegroting. Deze vergoeding stemt overeen met de som van de volgende elementen:
   1° de nettokost van de uitvoering van de betreffende opdracht, berekend op basis van de werkelijk gedragen kosten en het werkelijk ontvangen inkomen door bpost en met toepassing van de netto vermeden kostenmethode;
   2° een redelijke winst, in termen van bedrijfsmarge, inzonderheid vastgesteld volgens de belangrijkheid van het risico dat bpost loopt bij de uitvoering van de betreffende opdracht; en
   3° het positieve of negatieve resultaat van een aanmoedigingsmechanisme gericht op efficiëntie,
   met dien verstande dat elke vergoeding is onderworpen aan een globaal plafond vastgesteld door het beheerscontract voor het geheel van vergoedingen die door bpost worden ontvangen voor de opdrachten van openbare dienst.
   § 2. De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit:
   1° de berekeningswijze van elk van de parameters bedoeld in § 1;
   2° de procedures die moeten worden gevolgd voor de vaststelling van de voorlopige en definitieve vergoedingsbedragen; en
   3° de nadere regels voor de controle op de vergoeding en voor de terugvordering van eventueel te veel betaalde vergoeding.]1

  
Art. 141ter. [1 § 1er. Pour l'exécution des missions de service public visées à l'article 141, § 1er, A., B. et C., qui occasionnent pour bpost un coût net, bpost reçoit une compensation à charge du budget de l'Etat. Cette compensation correspond à la somme des éléments suivants:
   1° le coût net de l'exécution de la mission en question, calculé à partir des coûts effectivement supportés et des recettes effectivement perçues par bpost et en utilisant la méthode du coût net évité;
   2° un bénéfice raisonnable, en termes de marge d'exploitation, fixé notamment en fonction du degré de risque encouru par bpost dans l'exécution de la mission en question; et
   3° le résultat positif ou négatif d'un mécanisme d'incitation à l'efficience,
   étant entendu que toute compensation est soumise au plafond global fixé par le contrat de gestion pour l'ensemble des compensations reçues par bpost au titre des missions de service public.
   § 2. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, définit:
   1° les modalités de calcul de chacun des paramètres visés au § 1er;
   2° les procédures à suivre pour l'établissement des montants provisoire et définitif de la compensation; et
   3° les modalités de contrôle de la compensation et de récupération d'une éventuelle surcompensation.]1

  
Art. 141quater. [1 Voor wat de opdrachten van openbare dienst bedoeld in artikel 141, § 1, A. tot G. betreft, regelt het beheerscontract de volgende aangelegenheden:
   1° de operationele modaliteiten voor de uitvoering van die opdrachten;
   2° de gedragsregels ten aanzien van de gebruikers; en
   3° de voorlopige bedragen en de betalingsmodaliteiten van de vergoedingen bedoeld in artikel 141ter.]1

  
Art. 141quater. [1 Pour ce qui concerne les missions de service public visées à l'article 141, § 1er, A. à G., le contrat de gestion règle les matières suivantes:
   1° les modalités opérationnelles de l'exécution de ces missions;
   2° les règles de conduite à l'égard des utilisateurs; et
   3° les montants provisoires et les modalités de paiement des compensations visées à l'article 141ter.]1

  
Art. 141quinquies. [1 bpost is tot [4 31 december 2026]4 belast met de opdrachten van openbare dienst opgelijst in het artikel 141, § 1, A. tot G.]1
  
Art. 141quinquies. [1 bpost est chargée des missions de service public énumérées à l'article 141, § 1er, A. à G. jusqu'au [4 31 décembre 2026]4.]1
  
Afdeling III. - (Inhoud en eisen in verband met de universele postdienst.)
Section III. - (Contenu et exigences liées au service postal universel.)
Art. 144quater. <INGEVOEGD bij KB 1999-06-09/57, art. 19; Inwerkingtreding : 18-08-1999> § 1. [2 ...]2
  § 2. [1 De ombudsdienst voor de postsector publiceert jaarlijks in zijn jaarverslag het aantal klachten en de wijze waarop deze zijn behandeld.]1
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [1 ....]1.
  
Art. 144quater. § 1er. [2 ...]2
  § 2. [1 Le service de médiation pour le secteur postal publie chaque année dans son rapport annuel le nombre de plaintes ainsi que la manière dont celles-ci ont été traitées.]1
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [1 ...]1.
  
HOOFDSTUK VBIS.
CHAPITRE VBIS.
HOOFDSTUK VTER.
CHAPITRE VTER.
HOOFDSTUK VQUATER.
CHAPITRE VQUATER.
HOOFDSTUK VQUINQUIES.
CHAPITRE VQUINQUIES.
HOOFDSTUK VI. - De goederen.
CHAPITRE VI. - Des biens.
Art.145. De onroerende goederen die ter beschikking gesteld zijn van [1 bpost]1, doch aan de Staat toebehoren en die, op de dag van de inwerkingtreding van deze wet, gebruikt worden om te voorzien in de diensten brievenpost en in de financiële postdiensten, worden verder voor dat doel gebruikt.
  
Art.145. Les immeubles mis à la disposition de [1 bpost]1, appartenant à l'Etat et affectés, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, à l'exploitation des services de [1 bpost]1 aux lettres et des services financiers postaux, demeurent affectés à cet usage.
  
Art.146. [1 bpost]1 neemt de titels te haren laste, die in naam van de Staat opgemaakt zijn, met het oog onder meer op de huur of concessie van goederen, die ter beschikking staan van de diensten van de Regie der posterijen op het ogenblik van de indeling van [1 bpost]1 bij de autonome overheidsbedrijven.
  
Art.146. [1 bpost]1 prend à sa charge les titres établis au nom de l'Etat en vue notamment de la prise en location ou concession de biens qui, à la date du classement de [1 bpost]1 parmi les entreprises publiques autonomes, sont mis à la disposition de la Régie des postes.
  
Art.147. Het actief en het passief van [1 bpost]1 omvatten het actief en het passief van de Regie der posterijen.
  (De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, de Staat en onder de overheid ressorterende vennootschappen machtigen om, in gedelegeerde opdracht van de Staat, het kapitaal van [1 bpost]1 te verhogen.) <W 1995-12-20/31, art. 62, 013; Inwerkingtreding : 02-01-1996>
  
Art.147. L'actif et le passif de [1 bpost]1 comprennent l'actif et le passif de la Régie des postes.
  (Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, autoriser l'Etat et des sociétés relevant des autorités publiques à augmenter le capital de [1 bpost]1, en mission déléguée de l'Etat.) <L 1995-12-20/31, art. 62, 013; En vigueur : 02-01-1996>
  
Hoofdstuk VIbis. - Aandelen uitgegeven door [1 bpost]1.
CHAPITRE VIbis. - Actions émises par [1 bpost]1.
Art. 147bis. <KB 2005-12-13/30, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 17-01-2006> Artikel 39, § 1, derde lid, en § 5, en artikel 40, §§ 2 en 3, zijn niet van toepassing op [1 bpost]1.
  Geen enkele verrichting kan tot gevolg hebben dat de rechtstreekse deelneming van de overheid, zoals bepaald door of krachtens artikel 42, in het kapitaal van [1 bpost]1 daalt beneden 50 % van de aandelen plus één aandeel.
  
Art. 147bis. <AR 2005-12-13/30, art. 1, 058; En vigueur : 17-01-2006> L'article 39, § 1er, troisième alinéa, et § 5, et l'article 40, §§ 2 et 3, ne s'appliquent pas à [1 bpost]1.
  Aucune opération ne peut avoir pour conséquence que la participation directe des autorités publiques, telles que définies par ou en vertu de l'article 42, dans le capital de [1 bpost]1 descend en dessous de 50 % des actions plus une action.
  
HOOFDSTUK VII. - Bestuur.
CHAPITRE VII. - Administration.
Art.148. Onverminderd het bepaalde in artikel 22, mogen geen deel uitmaken van de raad van bestuur van [1 bpost]1 als gewoon lid, benoemd door de Koning :
  1° de personen die om het even welke functie uitoefenen in een privé- of openbare kredietinstelling die onderworpen is aan de controle van de Bankcommissie of in een handelsvennootschap of een vennootschap met handelsvorm of in een instelling [2 (andere dan een overheid bedoeld in artikel 42)]2 die rechtstreeks of onrechtstreeks 25 % van het kapitaal van dergelijke instelling in handen heeft;
  2° de personen die enigerlei functie vervullen in een openbare of privé-instelling, die voorziet in besteldiensten of verkoop per postorder of die diensten van [1 bpost]1 aanbiedt;
  3° de personeelsleden van het Instituut.
  
Art.148. Sans préjudice des dispositions de l'article 22, ne peuvent être appelées à faire partie du conseil d'administration de [1 bpost]1 en qualité de membre ordinaire nommé par le Roi :
  1° les personnes remplissant une fonction quelconque dans un établissement privé ou public de crédit, soumis au contrôle de la Commission bancaire ou dans une Société commerciale ou à forme commerciale ou dans une institution [2 (autre qu'une autorité publique visée à l'article 42)]2 détenant directement ou indirectement 25 % du capital d'un tel établissement;
  2° les personnes remplissant une fonction quelconque dans un établissement, privé ou public, qui assure des services de messagerie, de vente par correspondance ou qui offre des services postaux;
  3° les membres du personnel de l'Institut.
  
HOOFDSTUK VIIBIS. - (Algemene bepalingen met betrekking tot het verstrekken van postdiensten.)
CHAPITRE VIIBIS. - (Dispositions générales relatives à la prestation de services postaux.)
Afdeling I. - [1 Bepalingen met betrekking tot het verstrekken van postdiensten.]1
Section I. - [1 Dispositions concernant la prestation de services postaux.]1
Art. 148bis /1.<INGEVOEGD bij W 1999-12-24/34, art. 9, Inwerkingtreding : 10-01-2000> § 1. Buiten de toepassing van de bepalingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 van artikel 38, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, ertoe besluiten dat het autonoom overheidsbedrijf [1 bpost]1 in een naamloze vennootschap van publiek recht wordt omgezet onder de voorwaarden en met de statuten die Hij vaststelt. De §§ 4, 5 en 6 zijn op een dergelijke omzetting van toepassing. Een bedrijfsrevisor aangewezen door de minister onder wie [1 bpost]1 ressorteert, brengt verslag uit over een staat waarin activa en passiva samengevat zijn en waarin het bedrag van het maatschappelijk kapitaal na omzetting wordt aangegeven. Dat bedrag mag niet hoger zijn dan de netto-activa zoals ze uit voormelde staat blijken die door de raad van bestuur of door de revisor aangeduid door de minister wordt vastgesteld. De besluiten van de bedrijfsrevisor worden in het verslag aan de Koning opgenomen.
  § 2. In afwijking van artikel 18, § 1, eerste lid, is de raad van bestuur van [1 bpost]1 samengesteld uit ten hoogste achttien leden, met inbegrip van de gedelegeerd bestuurder en die leden van het directiecomité, die er lid van zouden zijn.
  Artikel 18, § 1, tweede lid, is niet van toepassing op [1 bpost]1.
  § 3. Op de dag van inwerkingtreding van het koninklijk besluit bedoeld in artikel 38, § 3, of in § 1 van dit artikel komt van rechtswege een einde aan de functie van de leden van de raad van bestuur.
  § 4. Wat [1 bpost]1 betreft, bepalen de statuten de vertegenwoordiging voor het dagelijks bestuur, de bevoegdheden van de gedelegeerd bestuurder, de rol en de werking van het directiecomité evenals de benoeming en het ontslag van de leden van het directiecomité, met uitzondering van de gedelegeerd bestuurder. De statuten kunnen afwijken van de artikelen 19 en 20.
  In de artikelen 20, 21 en 22 worden wat [1 bpost]1 betreft, de woorden " bestuurder-directeur " vervangen door de woorden " lid van het directiecomité ".
  (In de tweede zin van artikel 18, § 2, tweede lid, wordt, wat [1 bpost]1 betreft, het woord " Staat " vervangen door het woord " overheid ".
  De leden van de raad van bestuur van [1 bpost]1 die niet door de Koning worden benoemd, worden niet in aanmerking genomen voor het vereiste van taalpariteit gesteld in artikel 16.) <AR 2005-12-13/30, art. 2, 058; Inwerkingtreding : 17-01-2006>
  [2 § 5. In afwijking van artikel 18, § 3 worden de gewone leden van de raad van bestuur van bpost benoemd voor een hernieuwbare termijn van maximum vier jaar.]2
  
Art. 148bis /1. § 1er. Outre l'application des dispositions visées aux §§ 1er, 2 et 3 de l'article 38, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, décider de la transformation de l'entreprise publique autonome [1 bpost]1 en société anonyme de droit public, aux conditions et avec les statuts qu'Il détermine. Les §§ 4, 5 et 6 sont applicables à une telle transformation. Un réviseur d'entreprises, désigné par le ministre dont relève [1 bpost]1, fait rapport sur un état résumant l'actif et le passif et indiquant le montant du capital social après la transformation. Ce montant ne peut être supérieur à l'actif net, tel qu'il résulte de l'état précité qui est établi par le conseil d'administration ou le réviseur désigné par le ministre. Les conclusions du réviseur sont reprises dans le rapport au Roi.
  § 2. Par dérogation à l'article 18, § 1er, alinéa 1er, le conseil d'administration de [1 bpost]1 est composé de dix-huit membres au plus, en ce compris l'administrateur-délégué et ceux des membres du comité de direction, qui en seraient membres.
  L'article 18, § 1er, alinéa 2, n'est pas applicable à [1 bpost]1.
  § 3. Au jour de l'entrée en vigueur de l'arrêté royal visé au § 3 de l'article 38 ou au § 1er du présent article, les fonctions des membres du conseil d'administration prennent fin de plein droit.
  § 4. En ce qui concerne [1 bpost]1, la représentation pour la gestion journalière, les pouvoirs de l'administrateur-délégué, le rôle et le fonctionnement du comité de direction ainsi que la nomination et la révocation des membres du comité de direction, autres que l'administrateur-délégué, seront déterminés par les statuts. Ces statuts peuvent déroger aux articles 19 et 20.
  En ce qui concerne [1 bpost]1, les mots " administrateur-directeur " sont remplacés par les mots " membre du comité de direction " dans les articles 20, 21 et 22.
  (En ce qui concerne [1 bpost]1, dans la deuxième phrase de l'article 18, § 2, deuxième alinéa, le mot " Etat " est remplacé par les mots " autorités publiques ".
  Les membres du conseil d'administration de [1 bpost]1 qui ne sont pas nommés par le Roi ne sont pas pris en compte pour la parité linguistique requise par l'article 16.) <AR 2005-12-13/30, art. 2, 058; En vigueur : 17-01-2006>
  [2 § 5. Par dérogation à l'article 18, § 3, les membres ordinaires du conseil d'administration de bpost sont nommés pour un terme renouvelable de maximum quatre ans.]2
  
Art. 148bis /2.<INGEVOEGD bij W 1999-12-24/34, art. 10, Inwerkingtreding : 10-01-2000> Buiten de toepassing van artikel 18, § 5, kunnen de statuten van [1 bpost]1 de voorwaarden van informatie, verificatie en controle bepalen.
  
Art. 148bis /2. Outre l'application de l'article 18, § 5, les modalités d'information, de vérification et de contrôle peuvent être définies par les statuts de [1 bpost]1.
  
Art. 148bis /3.<INGEVOEGD bij W 1999-12-24/34, art. 11, Inwerkingtreding : 10-01-2000> § 1. In afwijking van de artikelen 18, § 2, laatste lid, en 20, § 3, derde lid, kunnen de door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit benoemde voorzitter en leden van de raad van bestuur van [1 bpost]1 slechts bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden ontslagen.
  § 2. In afwijking van artikel 20, § 2, kan de gedelegeerd bestuurder van [1 bpost]1 slechts bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden ontslagen.
  
Art. 148bis /3. § 1er. Par dérogation aux articles 18, § 2, dernier alinéa, et 20, § 3, alinéa 3, le président et les membres du conseil d'administration de [1 bpost]1, nommés par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ne peuvent être révoqués que par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
  § 2. Par dérogation à l'article 20, § 2, l'administrateur délégué de [1 bpost]1 ne peut être révoqué que par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
  
Art. 148bis /4. [1 De artikelen 148bis/1, § 2, § 4, eerste lid, en § 5, en 148bis/3 zijn niet van toepassing zolang de aandelen van bpost zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten.]1
  
Art. 148bis /4. [1 Les articles 148bis/1, § 2, § 4, alinéa 1er, et § 5, et 148bis/3 ne sont pas d'application aussi longtemps que les actions de bpost sont admises à la négociation sur un marché réglementé au sens de l'article 2, 3°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.]1
  
Afdeling II.
Section II.
Afdeling IIbis.
Section IIbis.
Afdeling III.
Section III.
HOOFDSTUK IX. - [1 Opheffings-, overgangs- en wijzigingsbepalingen.]1
CHAPITRE IX. - [1 Dispositions modificatives, transitoires et abrogatoires.]1
Art.149. De eerste raad van bestuur en het eerste directiecomité van [1 bpost]1 die overeenkomstig artikel 48 van deze wet worden opgericht, zullen totdat zij bij de autonome overheidsbedrijven wordt ingedeeld, in afwijking van de bepalingen onder hoofdstuk IV van titel I, een tweevoudige opdracht vervullen : enerzijds het onderhandelen over en sluiten van het eerste beheerscontract en, anderzijds, het overnemen van de bevoegdheden van de directie van de Regie der posterijen in het kader van de wet van 6 juli 1971.
  
Art.149. Le premier conseil d'administration et le premier comité de direction de [1 bpost]1, établis conformément à l'article 48 de cette loi, exerceront une double mission jusqu'à son classement parmi les entreprises publiques autonomes, par dérogation aux dispositions visées au chapitre IV du titre Ier : d'une part, la négociation et la conclusion du premier contrat de gestion et, d'autre part, la prise en charge des pouvoirs de la direction de la Régie des postes dans le cadre de la loi du 6 juillet 1971.
  
Art.150.
Art.150.
Art. 150/1. [1 § 1. Als overgangsmaatregel blijven de bepalingen van artikel 144ter, § 3, met uitzondering van de woorden " - de voorbehouden postdiensten met uitzondering van de binnenkomende grensoverschrijdende post opgesomd in artikel 144octies, ongeacht het gebruikte tarifair regime " van toepassing voor de door de aanbieder van de universele dienst gehanteerde tarieven tijdens het jaar 2011.
   § 2. Als overgangsmaatregel worden de tariefverhogingen die betrekking hebben op het jaar 2011 door de aanbieder van de universele dienst meegedeeld aan het Instituut uiterlijk op 1 maart 2011. Het Instituut gaat aan de hand van de verstrekte inlichtingen na of de voorgestelde tariefverhogingen in overeenstemming zijn met de tarifaire principes vermeld in artikel 144ter van deze wet. Het Instituut heeft vanaf de dag van ontvangst van de tariefverhogingen een maand tijd om zijn opmerkingen aan de vergunninghouder mee te delen. Bij ontstentenis van een antwoord binnen die termijn wordt de reactie van het Instituut geacht positief te zijn.]1

  
Art. 150/1. [1 § 1er. A titre de mesure transitoire, les dispositions de l'article 144ter, § 3, à l'exception des mots " - les services postaux réservés, à l'exception du courrier transfrontière entrant, énumérés à l'article 144octies, quel que soit le régime tarifaire appliqué. " restent d'application pour les tarifs appliqués par le prestataire du service universel pendant l'année 2011.
   § 2. A titre de mesure transitoire, les augmentations tarifaires relatives à l'année 2011 sont communiquées par le prestataire du service universel à l'Institut au plus tard le 1er mars 2011. Sur la base des informations fournies, l'Institut vérifie si les augmentations tarifaires proposées sont conformes aux principes tarifaires mentionnés à l'article 144ter de la présente loi. L'Institut dispose d'un mois, à partir du jour de la réception des augmentations tarifaires, pour communiquer ses observations au titulaire de licence. A défaut de réponse dans ce délai, la réaction de l'institut est considérée comme positive.]1

  
Art.151.
Art.151.
Art.153. <wijzigingsbepaling van art. 11, L1, art. 18 en art. 19 van W 1956-05-02/30>
Art.153.
Art.154. De bepalingen van deze titel treden in werking op de datum waarop de Regie ingedeeld wordt bij de autonome overheidsbedrijven, overeenkomstig titel I.
  De bepalingen omtrent de bevoegdheden van het Instituut ter zake van post, treden ten aanzien van [1 bpost]1 in werking op dezelfde dag als deze van de indeling van [1 bpost]1 bij de autonome overheidsbedrijven.
  De artikelen 148 en 149 treden in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.
  Artikel 151, § 1, 17°, treedt in werking op de datum van de inwerkingtreding van het eerste personeelsstatuut en van het eerste syndicaal statuut, vastgelegd overeenkomstig artikel 33.
  
Art.154. Les dispositions du présent titre entrent en vigueur à la date à laquelle la Régie est classée parmi les entreprises publiques autonomes, conformément au titre 1er.
  Les dispositions concernant les attributions de l'Institut en matière postale entrent en vigueur à l'égard de [1 bpost]1, à la même date que celle du classement de [1 bpost]1 parmi les entreprises publiques autonomes.
  Les articles 148 et 149 entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
  L'article 151, § 1er, 17°, entre en vigueur à la date de l'entrée en vigueur du premier statut du personnel et du premier statut syndical, fixés conformément à l'article 33.
  
Art. 154bis. <INGEVOEGD bij W 1999-05-03/31, art. 27; Inwerkingtreding : 14-05-1999> § 1. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, (vóór 31 december 2003) de bepalingen van deze wet opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen teneinde de vereiste maatregelen te nemen ter uitvoering van de verplichtingen die, inzake de postdiensten, voortvloeien uit de van kracht zijnde verordeningen en richtlijnen van de Europese Gemeenschap. <W 2002-12-24/31, art. 481, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  § 2. Het in § 1 bedoeld ontwerp van besluit wordt aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State onderworpen. Dit advies wordt, samen met het verslag aan de Koning en het koninklijk besluit waarop het betrekking heeft, bekendgemaakt.
  § 3. Het koninklijk besluit genomen krachtens § 1 van dit artikel wordt opgeheven wanneer het niet binnen de vijftien maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bij wet werd bekrachtigd.
Art. 154bis. § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, (avant le 31 décembre 2003) supprimer, compléter, modifier ou remplacer les dispositions de la présente loi afin de prendre les mesures nécessaires à l'exécution des obligations qui, en matière de services postaux, résultent des règlements et directives en vigueur de la Communauté européenne. <L 2002-12-24/31, art. 481, 042; En vigueur : 10-01-2003>
  § 2. Le projet d'arrêté dont question au § 1er de cet article est soumis à l'avis motivé de la Section de Législation du Conseil d'Etat. Cet avis est publié en même temps que le rapport au Roi et l'arrêté royal y relatif.
  § 3. L'arrêté royal pris en exécution du § 1er de cet article est abrogé lorsqu'il n'a pas été confirmé par la loi dans les quinze mois qui suivent sa publication au Moniteur belge.
Art. 154ter. <W 2000-07-03/31, art. 23, 030; Inwerkingtreding : 23-07-2000> § 1. In de wet van 26 december 1956 op de postdienst worden opgeheven :
  1° artikel 16, vervangen bij de wet van 21 maart 1991 en bij besluit nr. 437 van 5 augustus 1986;
  2° artikel 17, vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
  3° artikel 18, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991;
  4° artikel 19, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976;
  5° artikel 21, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
  6° artikel 22, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
  7° artikel 23, vervangen bij de wet van 21 maart 1991.
  § 2. In artikel 26 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst vervallen de woorden " en van artikel 134, § 2, en 141, van de wet van 21 maart 199I betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
  § 3. In artikel 28 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst wordt het woord " Postbeambten " vervangen door de woorden " personeelsleden van een postoperator " en worden de woorden " De Post " vervangen door de woorden " een postoperator ".
  § 4. In artikel 29 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst worden de woorden " De Post " vervangen door de woorden " een postoperator ".
Art. 154ter. <L 2000-07-03/31, art. 23, 030; En vigueur : 23-07-2000> § 1er. Sont abrogés dans la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes :
   1° l'article 16, remplacé par la loi du 21 mars 1991 et par l'arrêté n° 437 du 5 août 1986;
   2° l'article 17, remplacé par la loi du 21 mars 1991;
   3° l'article 18, modifié par la loi du 21 mars 1991;
   4° l'article 19, modifié par la loi du 9 juillet 1976;
   5° l'article 21, modifié par la loi du 9 juillet 1976 et remplacé par la loi du 21 mars 1991;
   6° l'article 22, modifié par la loi du 9 juillet 1976 et remplacé par la loi du 21 mars 1991;
   7° l'article 23, remplacé par la loi du 21 mars 1991.
   § 2. Dans l'article 26 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " ainsi qu'aux articles 134, § 2 et 141, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques " sont supprimés.
   § 3. Dans l'article 28 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " les agents des postes " sont remplacés par les mots " les membres du personnel d'un opérateur postal " et les mots " La Poste, " sont remplacés par les mots " un opérateur postal ".
   § 4. Dans l'article 29 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " La Poste " sont remplacés par les mots " un opérateur postal ".
TITEL V. - [1 De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen]1
TITRE V. - [1 La Société nationale des Chemins de fer belges]1
HOOFDSTUK I. - [1 Definities en maatschappelijk doel]1
CHAPITRE I. - [1 Définitions et objet social ]1
Art. 154quater. [1 Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
   1° Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer : de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de Exploitatie van de Luchthaven Brussel-Nationaal, bedoeld in het koninklijk besluit van 25 oktober 2004 tot oprichting van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal, tot vaststelling van zijn samenstelling en het administratief en geldelijk statuut dat van toepassing is op zijn leden;
   2° HR Rail : de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail, bedoeld in de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen;]1

  [2 3° GEN (Gewestelijk ExpresNet) : het basisnet bedoeld in artikel 2, 2°, van de overeenkomst van 4 april 2003 met het oog op de verwezenlijking van het programma van het gewestelijk expresnet van, naar, in en rond Brussel, gesloten tussen de Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.]2
  
Art. 154quater. [1 Pour l'application du présent titre, il y a lieu d'entendre par :
   1° Service de Régulation du Transport ferroviaire : le Service de Régulation du Transport ferroviaire et de l'Exploitation de l'Aéroport de Bruxelles-National, visé dans l'arrêté royal du 25 octobre 2004 créant le Service de Régulation du Transport ferroviaire et de l'Exploitation de l'Aéroport de Bruxelles-National, fixant sa composition ainsi que les statuts administratif et pécuniaire applicables à ses membres;
   2° HR Rail : la société anonyme de droit public HR Rail, visée par la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges;]1

  [2 3° RER (Réseau Express Régional) : le réseau visé à l'article 2, 2°, de la convention du 4 avril 2003 visant à mettre en oeuvre le programme du réseau express régional de, vers, dans et autour de Bruxelles, conclue entre l'Etat, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale.]2
  
Art. 154quinquies. [1 De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, afgekort NMBS, is een autonoom overheidsbedrijf met de rechtsvorm van een naamloze vennootschap van publiek recht. Zij ressorteert onder de minister die bevoegd is voor de overheidsbedrijven.]1
  
Art. 154quinquies. [1 La Société nationale des Chemins de fer belges, en abrégé SNCB, est une entreprise publique autonome ayant la forme d'une société anonyme de droit public. Elle relève du ministre qui a les entreprises publiques dans ses attributions.]1
  
Art.155. [1 De NMBS heeft tot doel :
   1° het vervoer per spoor van reizigers en goederen, met inbegrip van het onthaal van en de informatie aan haar klanten;
   2° het vervoer van goederen in het algemeen en de logistieke diensten die daarmee verband houden;
   3° de verwerving, het onderhoud, het beheer en de financiering van rollend spoorwegmaterieel;
   4° de veiligheid en de bewaking op het gebied van de spoorwegen;
   5° het verwerven, het ontwerpen, de bouw, de vernieuwing, het onderhoud en het beheer van de spoorwegstations, de onbemande stopplaatsen en hun aanhorigheden alsook hun directe omgeving, met inbegrip van het ontwerp, de ontwikkeling, de modernisering en de valorisatie van de stedelijke centra;
   6° de ontwikkeling van commerciële of andere activiteiten die bestemd zijn om rechtstreeks of indirect haar diensten te bevorderen of het gebruik van haar goederen te optimaliseren.
   De NMBS kan, zelf of via deelneming in bestaande of op te richten Belgische, buitenlandse of internationale instellingen en rechtspersonen, alle commerciële, industriële of financiële verrichtingen doen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of ten dele, verband houden met haar doel of de verwezenlijking of ontwikkeling ervan kunnen vergemakkelijken of bevorderen, met inbegrip van het stellen van zekerheden voor schulden van verbonden vennootschappen of vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat.
   De fabricage en de verkoop van goederen of diensten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de spoorwegactiviteit, worden inzonderheid geacht de verwezenlijking of ontwikkeling van het doel te kunnen bevorderen.
   De NMBS kan eveneens optreden als bestuurder, volmachtdrager, mandataris of vereffenaar in andere vennootschappen of ondernemingen.]1

  
Art.155. [1 La SNCB a pour objet :
   1° le transport de voyageurs, en ce compris l'accueil et l'information de sa clientèle, et de marchandises par chemin de fer;
   2° le transport de marchandises en général et les services de logistique prévus à cet effet;
   3° l'acquisition, la maintenance, la gestion et le financement de matériel roulant ferroviaire;
   4° la sécurité et le gardiennage dans le domaine ferroviaire;
   5° l'acquisition, la conception, la construction, le renouvellement, l'entretien et la gestion des gares ferroviaires, des points d'arrêts non gardés et de leurs dépendances ainsi que de leurs abords, en ce compris la conception, le développement, la modernisation et la valorisation des centres urbains;
   6° le développement d'activités commerciales ou autres destinées à favoriser directement ou indirectement ses services ou à optimiser l'utilisation de ses biens.
   La SNCB peut, par elle-même ou par voie de participation à des organismes et personnes morales existants ou à créer, belges, étrangers ou internationaux, faire toutes opérations commerciales, industrielles ou financières se rapportant directement ou indirectement, en tout ou en partie, à son objet ou qui seraient susceptibles d'en faciliter ou d'en favoriser la réalisation ou le développement, y compris la constitution de sûretés pour dettes de sociétés liées ou avec lesquelles il existe un lien de participation.
   Sont notamment considérées comme susceptibles de favoriser la réalisation ou le développement de l'objet, la fabrication et la vente de biens ou services ayant trait directement ou indirectement à l'activité ferroviaire.
   La SNCB peut en outre agir comme administrateur, porteur d'une procuration, mandataire ou liquidateur dans d'autres sociétés ou entreprises.]1

  
HOOFDSTUK II. - Opdrachten van openbare dienst.
CHAPITRE II. - Missions de service public.
Art.156. [1 De opdrachten van openbare dienst van de NMBS omvatten :
   1° het binnenlands vervoer van reizigers met treinen van de gewone dienst, met inbegrip van het onthaal van en de informatie aan haar klanten alsook het aandoen van binnenlandse bestemmingen door hogesnelheidstreinen;
   2° het grensoverschrijdende vervoer van reizigers, dit wil zeggen het vervoer met treinen van de gewone dienst voor het deel van het nationale traject dat niet gedekt is door 1° en tot de stations gelegen op de naburige netwerken bepaald in het beheerscontract;
   3° de verwerving, het onderhoud, het beheer en de financiering van rollend spoorwegmaterieel bestemd voor de uitvoering van de taken bedoeld in 1° en 2° ;
   4° de prestaties die de spoorwegonderneming moet leveren voor de behoeften van de Natie;
   5° het verwerven, het ontwerpen, de bouw, de vernieuwing, het onderhoud en het beheer van de spoorwegstations, de onbemande stopplaatsen en hun aanhorigheden;
   6° de instandhouding van het historisch patrimonium betreffende de spoorwegexploitatie;
   7° de veiligheidsactiviteiten in de stations, in de onbemande stopplaatsen, in de treinen, op de sporen, met inbegrip van de reizigers- en goederenbundels, op de andere voor het publiek toegankelijke plaatsen van het spoorwegdomein en op alle plaatsen die beheerd worden door de NMBS;
   8° de bewakingsactiviteiten van de inrichtingen waarvan zij eigenaar is of waarvan zij het beheer waarneemt;
   9° de andere opdrachten van openbare dienst waarmee zij belast is door of krachtens de wet.]1

  
Art.156. [1 Les missions de service public de la SNCB comprennent :
   1° le transport intérieur de voyageurs assuré par les trains du service ordinaire, en ce compris l'accueil et l'information de sa clientèle, ainsi que les dessertes intérieures par trains à grande vitesse;
   2° le transport transfrontalier de voyageurs, c'est-à-dire le transport assuré par les trains du service ordinaire pour la partie du trajet national non couverte au titre du 1° et jusqu'aux gares situées sur les réseaux voisins définies dans le contrat de gestion;
   3° l'acquisition, la maintenance, la gestion et le financement de matériel roulant ferroviaire destiné à l'accomplissement des missions visées aux 1° et 2° ;
   4° les prestations que l'entreprise ferroviaire est tenue de fournir pour les besoins de la Nation;
   5° l'acquisition, la conception, la construction, le renouvellement, l'entretien et la gestion des gares ferroviaires, des points d'arrêt non gardés et de leurs dépendances;
   6° la conservation du patrimoine historique relatif à l'exploitation ferroviaire;
   7° les activités de sécurité dans les gares, dans les points d'arrêt non gardés, dans les trains, sur les voies, en ce compris les faisceaux voyageurs et marchandises, dans les autres espaces du domaine ferroviaire accessibles au public et dans tous les espaces gérés par la SNCB;
   8° les activités de gardiennage des installations dont elle est propriétaire ou desquelles elle assure la gestion;
   9° les autres missions de service public dont elle est chargée par ou en vertu de la loi.]1

  
Art. 156bis. [1 De opdracht van openbare dienst bedoeld in artikel 156, 7° omvat de volgende activiteiten :
   1° het controleren van de naleving van de wetgeving betreffende de spoorwegpolitie binnen de grenzen bepaald door het beheerscontract;
   2° het waken over de veiligheid, inzonderheid door de aanwezigheid en de tussenkomsten van de veiligheidsdienst;
   3° het coördineren van alle activiteiten die de strijd tegen fraude beogen te verbeteren;
   4° het beheer van de camera's die zich bevinden in de voor het publiek toegankelijke plaatsen, de treinen en de andere inrichtingen beheerd door de NMBS;
   5° het behandelen van noodoproepen in verband met veiligheidsproblemen;
   6° het deelnemen op verzoek van de politiediensten of van de douane, aan de organisatie van hun controles, alsmede aan de uitvoering van de veiligheidscontroles van de reizigers en hun bagage die via de Kanaaltunnel reizen;
   7° de verrichtingen inzake veiligheid afstemmen met de gerechtelijke overheden evenals de politiediensten en de Staatsveiligheid;
   8° het toezicht houden op de sporen met inbegrip van de reizigers- en goederenbundels, inzonderheid met het oog op de bestrijding van kabeldiefstallen.]1

  
Art. 156bis. [1 La mission de service public visée à l'article 156, 7° comprend les activités suivantes :
   1° contrôler le respect de la législation sur la police des chemins de fer, dans les limites fixées par le contrat de gestion;
   2° veiller à la sécurité, notamment par la présence et les interventions du service de sécurité;
   3° coordonner toutes les activités visant à améliorer la lutte contre la fraude;
   4° gérer les caméras placées dans les espaces accessibles au public, les trains et autres installations gérées par la SNCB;
   5° traiter les appels d'urgence liés aux problèmes de sécurité;
   6° participer, à la demande des services de police ou de la douane, à l'organisation de leurs contrôles ainsi qu'à l'exécution des contrôles de sécurité pour les passagers et leurs bagages transitant par le tunnel sous la Manche;
   7° coordonner les opérations liées à la sécurité avec les autorités judiciaires ainsi que les services de police et la sûreté de l'Etat;
   8° surveiller les voies, en ce compris les faisceaux voyageurs et marchandises en vue de lutter notamment contre le vol de câbles.]1

  
Art. 156ter. [1 § 1. De NMBS sluit met Infrabel een samenwerkingsovereenkomst die tot doel heeft de gezamenlijke uitoefening van hun opdrachten van openbare dienst in verband met veiligheid te verzekeren.
   Deze overeenkomst bepaalt de gemeenschappelijke strategie van de NMBS en van Infrabel, inzonderheid wat betreft de wijze en de omvang van de samenwerking, haar financiële modaliteiten, de wederzijdse verplichtingen van de partijen en opvolging van de overeenkomst.
   § 2. De NMBS en Infrabel nemen alle noodzakelijke maatregelen om de instandhouding van de veiligheidsketen en de samenhang van het beleid op vlak van veiligheid te verzekeren.]1

  
Art. 156ter. [1 § 1er. La SNCB conclut avec Infrabel une convention de coopération dont l'objet est d'assurer l'exercice conjoint de leurs missions de service public liées à la sécurité.
   Cette convention définit la stratégie commune de la SNCB et d'Infrabel, notamment en ce qui concerne le type et l'étendue de la collaboration, ses modalités financières, les obligations réciproques des parties et le suivi de la convention.
   § 2. La SNCB et Infrabel prennent toutes les mesures nécessaires afin d'assurer le maintien de la chaîne de sécurité et la cohérence de la politique de sécurité.]1

  
Art. 156quater. [1 § 1. De NMBS is de houder van een eeuwigdurende erfdienstbaarheid ten kosteloze titel op de perrons, op de doorgangen onder de sporen en op alle toegangswegen tot de perrons die eigendom zijn van Infrabel en zich bevinden in de stations en de onbemande stopplaatsen die door de NMBS worden beheerd, evenals op gelijksoortige nieuwe inrichtingen, opgericht door of voor rekening van Infrabel, vanaf hun inwerkingstelling, en dit uitsluitend met het oog op de uitvoering van haar opdrachten van openbare dienst bedoeld in artikel 156, 1° en 5°.
   § 2. De NMBS voert, met vrijstelling van Infrabel, op de goederen die het voorwerp uitmaken van de erfdienstbaarheid de volgende werken uit :
   1° de onderhoudswerken;
   2° de kleine en grote herstellingen;
   3° de inrichting, de verbetering en de renovatie.
   De NMBS heeft het recht om verankeringen aan te brengen aan de structuur van de perrons, de doorgangen onder de sporen en andere toegangswegen tot de perrons die toebehoren aan Infrabel voor zover deze verankeringen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de werken bedoeld in het vorige lid.
   Indien de werken de grenzen van de grondslag van de erfdienstbaarheid wijzigen of in staat zijn deze grenzen te wijzigen, is het voorafgaande akkoord van Infrabel vereist.
   § 3. De erfdienstbaarheid heeft geen betrekking op de aanleg van de perrons, hun hoogte, hun structuur, hun nuttige lengte en breedte, hun afstand in verhouding tot de as van het spoor, hun tracé, hun bescherming tegen elektrische schokken, de plaatsing van beveiligingselementen op de perrons zoals signalisatie, elektrische en relaisdozen en dragers van bovenleidingen of elementen die deel uitmaken van de vertrekprocedure van de treinen. De uitoefening van de erfdienstbaarheid mag deze beveiligingselementen niet aantasten, noch de werking ervan hinderen.
   In haar hoedanigheid van eigenaar behoudt Infrabel het recht om alle elementen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar opdrachten van openbare dienst van spoorweginfrastructuurbeheer op te richten.
   § 4. Infrabel verzaakt aan de natrekking op de bouwwerken, uitrustingen en inrichtingen opgericht door de NMBS in het kader van de erfdienstbaarheid bedoeld in paragraaf 1.
   § 5. De NMBS is aansprakelijk ten aanzien van derden voor de schade veroorzaakt aan de personen en de goederen op of in de inrichtingen bedoeld in paragraaf 1 in haar hoedanigheid van bewaarder van de goederen op basis van [2 artikel 6.16]2 van het Burgerlijk Wetboek alsook ten gevolge van haar fout of haar onzorgvuldigheid.
   § 6. De erfdienstbaarheid heeft niet voor gevolg dat aan de NMBS de hoedanigheid van infrastructuurbeheerder wordt toegekend in de zin van artikel 3, 2°, van de Richtlijn 2012/34/EU van 21 november 2012 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie tot instelling van één Europese spoorwegruimte.
   § 7. De NMBS en Infrabel hebben de verplichting om zich op elkaar af te stemmen, volgens onderling te bepalen modaliteiten, inzonderheid voor de toepassing van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening van de wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen en voor de organisatie van werken op de perrons, de doorgangen onder de sporen en andere toegangswegen tot de perrons om de doorstroming op de perrons, in de doorgangen onder de sporen en op andere toegangswegen tot de perrons evenals het treinverkeer, zo weinig mogelijk te verstoren.]1

  
Art. 156quater. [1 § 1er. La SNCB est titulaire d'une servitude perpétuelle à titre gratuit sur les quais, sur les couloirs sous voie et sur toutes les voies d'accès aux quais, relevant de la propriété d'Infrabel et situés dans l'enceinte des gares et points d'arrêt non gardés dont la SNCB a la gestion ainsi que sur les nouvelles installations similaires, réalisées par ou pour le compte d'Infrabel, dès leur mise en exploitation, et ce, exclusivement, en vue de la réalisation de ses missions de service public visées à l'article 156, 1° et 5°.
   § 2. La SNCB effectue à la décharge d'Infrabel les travaux suivants sur les biens qui font l'objet de la servitude :
   1° les travaux d'entretien;
   2° les petites et grosses réparations;
   3° l'aménagement, l'amélioration et la rénovation.
   La SNCB est autorisée à prendre des emprises dans la structure des quais, couloirs sous voies et autres voies d'accès aux quais appartenant à Infrabel pour autant que ces emprises soient nécessaires à la réalisation des travaux visés à l'alinéa précédent.
   Si les travaux modifient ou sont susceptibles de modifier les limites de l'assiette de la servitude, l'accord préalable d'Infrabel est requis.
   § 3. La servitude ne porte pas sur la construction des quais, leur hauteur, leur structure, leur longueur et largeur utiles, leur distance par rapport à l'axe de la voie, leur tracé, leur protection contre les chocs électriques, le placement d'éléments de sécurité sur les quais tels que signalisation, armoires de relais ou électriques et poteaux caténaires et éléments de procédure de démarrage des trains. L'exercice de la servitude ne peut pas affecter ces éléments de sécurité ni en gêner le fonctionnement.
   Infrabel conserve le droit en tant que propriétaire d'installer tous les éléments nécessaires à la réalisation de ses missions de service public de gestion de l'infrastructure ferroviaire.
   § 4. Infrabel renonce à l'accession sur les constructions, équipements et installations érigés par la SNCB dans le cadre de la servitude visée au paragraphe 1er.
   § 5. La SNCB est responsable à l'égard des tiers en tant que gardienne des biens sur la base [2 de l'article 6.16]2 du Code Civil, et du fait de sa faute ou de sa négligence, des dommages causés aux personnes et aux biens sur ou dans les installations visées au paragraphe 1er.
   § 6. La servitude n'a pas pour effet de conférer à la SNCB la qualité de gestionnaire d'infrastructure au sens de l'article 3, 2°, de la directive du Parlement européen et du Conseil de l'Union européenne 2012/34/UE du 21 novembre 2012 établissant un espace ferroviaire unique européen.
   § 7. La SNCB et Infrabel ont l'obligation de se coordonner, selon des modalités à fixer entre elles, notamment pour l'application de la loi du 25 juillet 1891 révisant la loi du 15 avril 1843 sur la police des chemins de fer et pour l'organisation des travaux sur les quais, couloirs sous voies et autres voies d'accès aux quais, en vue de perturber le moins possible tant la circulation sur les quais, couloirs sous voies et autres voies d'accès aux quais, que la circulation ferroviaire.]1

  
Art. 156quinquies. [1 § 1. Indien de NMBS het voornemen opvat om in een station dat gelegen is in een verstedelijkt gebied een onroerend ontwikkelingsproject tot stand te brengen dat geheel of gedeeltelijk zal worden uitgevoerd in het gebied dat zich boven of onder het domein van Infrabel bevindt, kent deze laatste aan de NMBS de noodzakelijke zakelijke rechten toe om dit project uit te voeren. In de hypothese dat technische problemen worden ingeroepen door Infrabel, overleggen partijen om een oplossing te vinden die de uitvoering van het project toch mogelijk maakt.
   § 2. De NMBS neemt met betrekking tot genoemd project alle bijkomende kosten ten laste die Infrabel oploopt in het kader van de ontwerp- en bouwfase en die betrekking hebben op de spoorweginfrastructuur, evenals, nadat het project werd uitgevoerd, alle eventuele bijkomende exploitatiekosten die voortvloeien uit het gerealiseerde project.
   § 3. Voor het gedeelte van de zakelijke rechten, toegekend in het kader van genoemd project, dat niet behoort tot de opdrachten van openbare dienst van de NMBS, wordt voorzien in een eenmalige vergoeding ten gunste van Infrabel of één van haar dochtervennootschappen, die is overeen te komen tussen de twee partijen, op basis van een voorstel geformuleerd door het comité tot aankoop van onroerende goederen van de Staat, bedoeld in artikel 10, § 2, rekening houdend met de boekwaarde van de oppervlakte van de gronden waarop de voormelde zakelijke rechten zijn toegekend. Deze eenmalige vergoeding is beperkt tot maximum de boekwaarde van de oppervlakte van de gronden waarop de voornoemde zakelijke rechten zijn toegekend, zoals uitgedrukt in de boeken van Infrabel op het ogenblik van de toekennen van de zakelijke rechten.
   § 4. Een tussen Infrabel en de NMBS te sluiten overeenkomst vermeldt de lijst van de stations, bedoeld in paragraaf 1, en de wijze van de eventuele herziening ervan, evenals de overlegprocedures die ertoe strekken de eventuele technische problemen waarmee partijen worden geconfronteerd op te lossen, en bepaalt de modaliteiten van de vergoeding bedoeld in paragraaf 3.]1

  
Art. 156quinquies. [1 § 1er. Si, dans une gare située dans une zone urbanisée, la SNCB envisage un projet de développement immobilier destiné à être réalisé totalement ou partiellement dans des espaces surplombant ou se situant sous le domaine d'Infrabel, cette dernière accorde à la SNCB les droits réels nécessaires à la réalisation de ce projet. Dans l'hypothèse où des problèmes techniques sont invoqués par Infrabel, les parties se concertent pour trouver une solution permettant néanmoins la réalisation du projet.
   § 2. Par rapport audit projet, la SNCB prend en charge tous les coûts supplémentaires relatifs à l'infrastructure ferroviaire encourus par Infrabel dans le cadre des phases de conception et de construction, ainsi que, après la réalisation du projet, tous les éventuels coûts d'exploitation supplémentaires découlant du projet réalisé.
   § 3. Pour la partie des droits réels accordés dans le cadre dudit projet qui ne relève pas des missions de service public de la SNCB, une rémunération unique à négocier par les deux parties, sur base d'une proposition établie par le comité d'acquisition d'immeubles de l'Etat, visé à l'article 10, § 2, et tenant compte de la valeur comptable de la surface des terrains sur lesquels les droits réels susvisés sont accordés, est prévue au bénéfice d'Infrabel ou d'une de ses filiales. Cette rémunération unique est limitée à maximum la valeur comptable de la surface des terrains sur lesquels les droits réels susvisés sont accordés, telle qu'exprimée dans les livres d'Infrabel au moment de l'octroi des droits réels.
   § 4. Une convention à conclure entre Infrabel et la SNCB reprend la liste des gares visées au paragraphe 1er et son mode de révision éventuelle, ainsi que les procédures de concertation visant à résoudre les éventuels problèmes techniques rencontrés, et détermine les modalités de la rémunération visée au paragraphe 3.]1

  
Art. 156sexies. [1 In afwijking van artikel 5, § 2, wordt het beheerscontract tussen de NMBS en de Staat gesloten voor een duur van ten minste vijf en ten hoogste tien jaar.]1
  
Art. 156sexies. [1 Par dérogation à l'article 5, § 2, le contrat de gestion entre la SNCB et l'Etat est conclu pour une durée de cinq ans au moins et de dix ans au plus.]1
  
Art.159. [1 Les biens immeubles relevant de la propriété de la SNCB ne peuvent faire l'objet d'une mesure d'expropriation. Toutefois, sur proposition du ministre qui a les entreprises publiques dans ses attributions, et après avis du conseil d'administration de la SNCB rendu dans les deux mois qui suivent la réception de la demande, le Roi peut autoriser l'expropriation d'un bien immeuble qui ne serait plus utile à l'exploitation ferroviaire. Le produit de l'aliénation de tout bien immeuble revient à la SNCB.]1
  
Art.159. [1 De onroerende goederen die eigendom zijn van de NMBS mogen niet worden onteigend. Op voordracht van de minister die bevoegd is voor de overheidsbedrijven, en na advies van de raad van bestuur van de NMBS, dat wordt verleend binnen de twee maanden volgend op de ontvangst van het verzoek daartoe, mag de Koning echter de onteigening toestaan van een onroerend goed dat niet langer nuttig zou zijn voor de spoorwegexploitatie. De opbrengst van de vervreemding van elk onroerend goed komt toe aan de NMBS.]1
  
Art. 159bis. [1 Avant l'aliénation d'un bien immeuble qui n'est pas nécessaire à l'exercice de ses missions de service public, la SNCB informe Infrabel des conditions de l'aliénation en ce compris le prix de cession.
   Si les conditions de la SNCB sont acceptées par Infrabel sans réserve ni condition, la cession à Infrabel est réputée réalisée.
   Si Infrabel n'exerce pas le droit visé à l'alinéa 1er et qu'ultérieurement, les conditions de l'offre sont modifiées substantiellement par la SNCB, ce droit renaît.
   Les modalités d'exécution de ce droit sont réglées dans une convention à conclure entre la SNCB et Infrabel. Dans l'intervalle, les parties exercent ce droit en bon père de famille.]1

  
Art. 159bis. [1 Voorafgaand aan de vervreemding van een onroerend goed dat niet noodzakelijk is voor de uitvoering van haar opdrachten van openbare dienst, informeert de NMBS Infrabel over de voorwaarden van de vervreemding met inbegrip van de overdrachtsprijs.
   Indien de voorwaarden van de NMBS door Infrabel zonder voorbehoud en onvoorwaardelijk worden aanvaard, wordt de overdracht aan Infrabel geacht tot stand te zijn gekomen.
   Indien Infrabel het recht bedoeld in het eerste lid niet uitoefent en vervolgens de voorwaarden van het aanbod door de NMBS substantieel worden gewijzigd, herleeft dit recht.
   De modaliteiten van de uitoefening van dit recht worden geregeld in een overeenkomst te sluiten tussen de NMBS en Infrabel. In de tussentijd oefenen de partijen dit recht uit als een goede huisvader.]1

  
Art. 159bis. [1 Avant l'aliénation d'un bien immeuble qui n'est pas nécessaire à l'exercice de ses missions de service public, la SNCB informe Infrabel des conditions de l'aliénation en ce compris le prix de cession.
   Si les conditions de la SNCB sont acceptées par Infrabel sans réserve ni condition, la cession à Infrabel est réputée réalisée.
   Si Infrabel n'exerce pas le droit visé à l'alinéa 1er et qu'ultérieurement, les conditions de l'offre sont modifiées substantiellement par la SNCB, ce droit renaît.
   Les modalités d'exécution de ce droit sont réglées dans une convention à conclure entre la SNCB et Infrabel. Dans l'intervalle, les parties exercent ce droit en bon père de famille.]1

  
Art. 161ter. § 1er. [1 Le conseil d'administration constitue en son sein un comité d'audit et un comité de nominations et de rémunération.]1
  § 2. (Le comité d'audit est composé de quatre administrateurs, à l'exclusion de l'administrateur délégué. Le conseil d'administration nomme les membres du comité d'audit. Ce comité peut inviter à ses réunions l'administrateur délégué, qui y siège avec voix consultative.
  Le comité de nomination et de rémunération est composé de quatre administrateurs, dont le président du conseil d'administration qui le préside et l'administrateur délégué. Le conseil d'administration nomme les membres du comité de nomination et de rémunération. (Le comité d'audit et le comité de nomination et de rémunération comptent autant de membres d'expression française que d'expression néerlandaise.) <L 2002-12-24/31, art. 497, 042; En vigueur : 10-01-2003> <AR 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; En vigueur : 01-01-2005>
  § 3. Le comité d'audit assume les taches que lui confie le conseil d'administration. En outre, il a pour mission d'assister le conseil d'administration par l'examen d'informations financières, notamment les comptes annuels, le rapport de gestion et les rapports intermédiaires. Il s'assure également de la fiabilité et de l'intégrité des rapports financiers en matière de gestion des risques.
  Au moins quatorze jours avant la réunion au cours de laquelle il établit les comptes annuels, le conseil d'administration demande l'avis du comité d'audit à propos de ces comptes.
  (Le commissaire du gouvernement participe avec voix consultative aux réunions du comité d'audit. L'assemblée générale peut désigner, sur proposition du conseil d'administration, un auditeur extérieur afin qu'il participe également avec voie consultative aux réunions de ce comité.) <L 2002-12-24/31, art. 497, 042; En vigueur : 10-01-2003>
  § 4. Le comité de nominations et de rémunération rend un avis conformément à l'article 162quater, alinéa 6, sur les candidatures proposées par l'administrateur délégué en vue de la nomination des membres du comité de direction.
  Le conseil d'administration détermine, sur proposition du comité de nominations et de rémunération, la rémunération et les avantages accordés aux membres du comité de direction et aux cadres supérieurs. Il suit ces questions de manière continue.
  § 5. [1 ...]1
  § 5bis. [1 ...]1
  § 6. [1 ...]1
  § 7. [1 ...]1
  
Art. 161ter. <INGEVOEGD bij W 2002-03-22/30, art. 7; Inwerkingtreding : 26-03-2002> § 1. [1 De raad van bestuur richt in zijn schoot een auditcomité en een benoemings- en bezoldigingscomité op.]1
  § 2. (Het auditcomité bestaat uit vier bestuurders, anderen dan de gedelegeerd bestuurder. De raad van bestuur benoemt de leden van het auditcomité. Dit comité mag de gedelegeerd bestuurder uitnodigen op zijn vergaderingen, die er zetelt met raadgevende stem.
  Het benoemings- en bezoldigingscomité bestaat uit vier bestuurders, waaronder de voorzitter van de raad van bestuur die het comité voorzit, en de gedelegeerd bestuurder. De raad van bestuur benoemt de leden van benoemings- en bezoldigingscomité.)(Het auditcomité en het benoemings- en bezoldigingscomité tellen evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.) <W 2002-12-24/31, art. 497, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2003<KB 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 3. Het auditcomité voert de taken uit die de raad van bestuur eraan toevertrouwt. Bovendien heeft het de opdracht om de raad van bestuur bij te staan via het onderzoek van financiële informatie, met name de jaarrekeningen, het jaarverslag en de tussentijdse verslagen. Het auditcomité staat ook in voor de betrouwbaarheid en de integriteit van de financiële verslagen inzake risicobeheer.
  Ten minste veertien dagen vóór de vergadering tijdens dewelke de raad van bestuur de jaarrekeningen opstelt, vraagt hij het advies van het auditcomité over deze rekeningen.
  (De regeringscommissaris neemt met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van het auditcomité. De algemene vergadering kan, op voorstel van de raad van bestuur, een extern auditeur aanduiden opdat hij eveneens met raadgevende stem zou deelnemen aan de vergaderingen van dit comité.) <W 2002-12-24/31, art. 497, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  § 4. Het benoemings- en bezoldigingscomité brengt overeenkomstig artikel 162quater, zesde lid, een advies uit over de kandidaturen die door de gedelegeerd bestuurder worden voorgesteld met het oog op de benoeming van de leden van het directiecomité.
  De raad van bestuur bepaalt, op voorstel van het benoemings- en bezoldigingscomité, de bezoldiging en de voordelen die worden toegekend aan de leden van het directiecomité en aan de hogere kaderleden. De raad volgt deze kwesties op de voet.
  § 5. [1 ...]1
  § 5bis. [1 ...]1
  § 6. [1 ...]1
  § 7. [1 ...]1
  
Art. 161ter. § 1er. [1 Le conseil d'administration constitue en son sein un comité d'audit et un comité de nominations et de rémunération.]1
  § 2. (Le comité d'audit est composé de quatre administrateurs, à l'exclusion de l'administrateur délégué. Le conseil d'administration nomme les membres du comité d'audit. Ce comité peut inviter à ses réunions l'administrateur délégué, qui y siège avec voix consultative.
  Le comité de nomination et de rémunération est composé de quatre administrateurs, dont le président du conseil d'administration qui le préside et l'administrateur délégué. Le conseil d'administration nomme les membres du comité de nomination et de rémunération. (Le comité d'audit et le comité de nomination et de rémunération comptent autant de membres d'expression française que d'expression néerlandaise.) <L 2002-12-24/31, art. 497, 042; En vigueur : 10-01-2003> <AR 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; En vigueur : 01-01-2005>
  § 3. Le comité d'audit assume les taches que lui confie le conseil d'administration. En outre, il a pour mission d'assister le conseil d'administration par l'examen d'informations financières, notamment les comptes annuels, le rapport de gestion et les rapports intermédiaires. Il s'assure également de la fiabilité et de l'intégrité des rapports financiers en matière de gestion des risques.
  Au moins quatorze jours avant la réunion au cours de laquelle il établit les comptes annuels, le conseil d'administration demande l'avis du comité d'audit à propos de ces comptes.
  (Le commissaire du gouvernement participe avec voix consultative aux réunions du comité d'audit. L'assemblée générale peut désigner, sur proposition du conseil d'administration, un auditeur extérieur afin qu'il participe également avec voie consultative aux réunions de ce comité.) <L 2002-12-24/31, art. 497, 042; En vigueur : 10-01-2003>
  § 4. Le comité de nominations et de rémunération rend un avis conformément à l'article 162quater, alinéa 6, sur les candidatures proposées par l'administrateur délégué en vue de la nomination des membres du comité de direction.
  Le conseil d'administration détermine, sur proposition du comité de nominations et de rémunération, la rémunération et les avantages accordés aux membres du comité de direction et aux cadres supérieurs. Il suit ces questions de manière continue.
  § 5. [1 ...]1
  § 5bis. [1 ...]1
  § 6. [1 ...]1
  § 7. [1 ...]1
  
HOOFDSTUK IIIBIS. - [1 Het oriënteringscomité binnen de NMBS.]1
Art. 161quater.[1 Il est créé un comité au sein de la SNCB, ci-après dénommé le comité d'orientation.]1
Art. 161quater. [1 Binnen de NMBS wordt een comité opgericht dat hierna het oriënteringscomité wordt genoemd.]1
  
Art. 161quinquies. [1 § 1er. Le comité d'orientation est composé :
   1° de six représentants de la SNCB;
   2° de six représentants des sociétés régionales de transport, nommés selon les modalités fixées dans un accord de coopération avec les Régions.
   § 2. Le comité d'orientation, de sa propre initiative ou à la demande du conseil d'administration, rend des avis au sujet de toute mesure susceptible d'influencer la coopération avec les sociétés régionales de transport. Si le conseil d'administration souhaite s'écarter de l'avis du comité, il motive sa position.]1

  
Art. 161quinquies. [1 § 1. Het oriënteringscomité is samengesteld uit :
   1° zes vertegenwoordigers van de NMBS;
   2° zes vertegenwoordigers, leden van de gewestelijke vervoermaatschappijen, die worden benoemd volgens de modaliteiten bepaald in een samenwerkingsakkoord met de Gewesten.
   § 2. Het oriënteringscomité geeft, op eigen initiatief of op verzoek van de raad van bestuur, advies over elke maatregel die de samenwerking met de gewestelijke vervoermaatschappijen kan beïnvloeden. Indien de raad van bestuur wenst af te wijken van het advies van het comité, motiveert het zijn standpunt.]1

  
Art. 161quinquies. [1 § 1er. Le comité d'orientation est composé :
   1° de six représentants de la SNCB;
   2° de six représentants des sociétés régionales de transport, nommés selon les modalités fixées dans un accord de coopération avec les Régions.
   § 2. Le comité d'orientation, de sa propre initiative ou à la demande du conseil d'administration, rend des avis au sujet de toute mesure susceptible d'influencer la coopération avec les sociétés régionales de transport. Si le conseil d'administration souhaite s'écarter de l'avis du comité, il motive sa position.]1

  
HOOFDSTUK IIITER. [1 - Het GEN-oriëntatiecomité.]1
Art. 161sexies. [1 § 1er. Le conseil d'administration constitue en son sein un comité d'orientation RER.
Art. 161sexies. [1 § 1. De raad van bestuur richt in zijn midden een GEN-oriëntatiecomité op.
   § 2. Het GEN-oriëntatiecomité is samengesteld uit zes bestuurders, met inbegrip van de gedelegeerd bestuurder. De raad van bestuur benoemt de leden van het GEN-oriëntatiecomité.
   § 3. Het GEN-oriëntatiecomité telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
   § 4. Het GEN-oriëntatiecomité wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder.
   § 5. Het GEN-oriëntatiecomité nodigt de persoon die binnen de NMBS de leiding heeft van de GEN-dienst uit op de vergaderingen van het GEN-oriëntatiecomité. Deze persoon heeft er zitting met raadgevende stem.]1

  
Art. 161septies. [1 § 1er. Le comité d'orientation RER établit une proposition de plan quinquennal relative à l'exploitation du RER. Cette proposition comprend, en tout cas, les éléments suivants :
   1° une évaluation de la situation actuelle en matière d'exploitation du RER;
   2° les objectifs stratégiques et opérationnels relatifs à l'exploitation du RER avec un plan d'action comprenant la planification des actions à entreprendre, leur impact budgétaire, le personnel nécessaire et le timing pour leur réalisation pour les cinq prochaines années;
   3° la planification détaillée, pour les cinq prochaines années, des actions à entreprendre en matière d'exploitation du RER;
   4° une explication détaillée des moyens financiers, des besoins en personnel et des délais projetés, requis pour chacune des actions visées au 3°.
   § 2. Le comité d'orientation RER soumet la proposition de plan quinquennal, au plus tard trois mois avant l'expiration du plan quinquennal précédent, à l'approbation du conseil d'administration.
   Le comité d'orientation RER peut adapter la proposition de plan quinquennal, le cas échéant, aux observations que le conseil d'administration formule à propos de cette proposition.
   Le conseil d'administration se prononce sur la proposition de plan quinquennal en tout cas dans les trois mois de la réception de la proposition visée à l'alinéa 1er.
   § 3. Le comité d'orientation RER rend chaque année un rapport au conseil d'administration sur la mise en oeuvre du plan quinquennal, visé au § 1er, et formule des recommandations sur ladite mise en oeuvre.
   Le cas échéant, le conseil d'administration informe le comité d'orientation RER, par écrit, de la suite donnée aux recommandations visées à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 161septies. [1 § 1. Het GEN-oriëntatiecomité stelt een voorstel voor een vijfjarenplan betreffende de exploitatie van het GEN op. Dit voorstel bevat ten minste de volgende onderdelen :
   1° een evaluatie van de actuele stand van de exploitatie van het GEN;
   2° de strategische en operationele doelstellingen met een actieplan dat de planning bevat van de te ondernemen acties en het detail van de middelen inzake budget, personeel en timing voor elk van de acties voor de volgende vijf jaren betreffende de exploitatie van het GEN;
   3° een gedetailleerde planning voor de volgende vijf jaren van de inzake de exploitatie van het GEN te ondernemen acties;
   4° een gedetailleerde uiteenzetting van de geprojecteerde financiële middelen, personeelsbehoeften en termijnen vereist voor elk van de acties bedoeld in 3°.
   § 2. Het GEN-oriëntatiecomité legt het voorstel voor een vijfjarenplan uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van het vorige vijfjarenplan ter goedkeuring voor aan de raad van bestuur.
   Het GEN-oriëntatiecomité kan het voorstel voor een vijfjarenplan in voorkomend geval aanpassen aan de opmerkingen die de raad van bestuur over het voorstel maakt.
   De raad van bestuur beslist over het voorstel voor een vijfjarenplan in elk geval binnen drie maanden na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde voorstel.
   § 3. Het GEN-oriëntatiecomité brengt jaarlijks verslag uit aan de raad van bestuur over de uitvoering van het vijfjarenplan, bedoeld in § 1, en formuleert over die uitvoering aanbevelingen.
   In vookomend geval informeert de raad van bestuur het GEN-oriëntatiecomité schriftelijk over het gevolg dat aan de aanbevelingen bedoeld in eerste lid wordt gegeven.]1

  
Art. 161septies. [1 § 1er. Le comité d'orientation RER établit une proposition de plan quinquennal relative à l'exploitation du RER. Cette proposition comprend, en tout cas, les éléments suivants :
   1° une évaluation de la situation actuelle en matière d'exploitation du RER;
   2° les objectifs stratégiques et opérationnels relatifs à l'exploitation du RER avec un plan d'action comprenant la planification des actions à entreprendre, leur impact budgétaire, le personnel nécessaire et le timing pour leur réalisation pour les cinq prochaines années;
   3° la planification détaillée, pour les cinq prochaines années, des actions à entreprendre en matière d'exploitation du RER;
   4° une explication détaillée des moyens financiers, des besoins en personnel et des délais projetés, requis pour chacune des actions visées au 3°.
   § 2. Le comité d'orientation RER soumet la proposition de plan quinquennal, au plus tard trois mois avant l'expiration du plan quinquennal précédent, à l'approbation du conseil d'administration.
   Le comité d'orientation RER peut adapter la proposition de plan quinquennal, le cas échéant, aux observations que le conseil d'administration formule à propos de cette proposition.
   Le conseil d'administration se prononce sur la proposition de plan quinquennal en tout cas dans les trois mois de la réception de la proposition visée à l'alinéa 1er.
   § 3. Le comité d'orientation RER rend chaque année un rapport au conseil d'administration sur la mise en oeuvre du plan quinquennal, visé au § 1er, et formule des recommandations sur ladite mise en oeuvre.
   Le cas échéant, le conseil d'administration informe le comité d'orientation RER, par écrit, de la suite donnée aux recommandations visées à l'alinéa 1er.]1

  
Art. 161octies. [1 § 1. Op eigen initiatief of op verzoek van de raad van bestuur verleent het GEN-oriëntatiecomité aan de raad van bestuur voorafgaand advies over elke beslissing of elk voorstel voor een beslissing inzake de exploitatie van het GEN. Daartoe worden deze voorstellen voor een beslissing tijdig aan het GEN-oriëntatiecomité meegedeeld.
   § 2. Indien de raad van bestuur van het advies bedoeld in § 1 afwijkt, dient hij zijn beslissing te motiveren.]1

  
Art. 161octies. [1 § 1er. De sa propre initiative ou à la demande du conseil d'administration, le comité d'orientation RER rend au conseil d'administration un avis préalable sur toute décision ou toute proposition de décision relative à l'exploitation du RER. A cette fin, les propositions de décision sont communiquées à temps au comité d'orientation RER.
   § 2. Si le conseil d'administration s'écarte de l'avis visé au § 1er, il motive sa décision.]1

  
HOOFDSTUK IV. - Beheer.
Art.162.[1 Les articles 18 à 23 ne sont pas applicables à la SNCB.]1
Art. 162bis. § 1er. [1 Le conseil d'administration est composé de maximum quatorze membres, en ce compris l'administrateur délégué. Le nombre d'administrateurs est déterminé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres. Un tiers de ses membres au minimum doivent être de l'autre sexe.]1
  [2 Deux membres du conseil d'administration répondent aux critères énumérés à l'article 526ter du Code des sociétés, à l'exception du 5°, c). Ces deux membres sont de rôle linguistique différent.]2
  § 2. [2 A l'exception des deux administrateurs qui répondent aux critères énumérés à l'article 526ter du Code des sociétés et qui sont nommés par l'assemblée générale, le Roi nomme les administrateurs par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]2
  Les administrateurs sont choisis en fonction de la complémentarité de leurs compétences telle que l'analyse financière et comptable, les aspects juridiques, la connaissance du secteur du transport, l'expertise en matière de mobilité, la stratégie du personnel et les relations sociales.
  [1 ...]1
  [1 Les administrateurs ne peuvent être révoqués que par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]1
  § 3. Les administrateurs sont nommés pour un terme renouvelable de six ans.
  § 4. En cas de vacance d'une place d'administrateur, les administrateurs restants ont le droit d'y pourvoir provisoirement jusqu'à ce qu'une nomination définitive intervienne conformément à la présente disposition.
  § 5. Le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le président du conseil d'administration parmi les administrateurs. Le président du conseil d'administration appartient à un autre rôle linguistique que l'administrateur délégué.
  En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président est prépondérante.
  Le président peut, à tout moment, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures de la [1 SNCB]1, en ce compris les informations et documents dont dispose la [1 SNCB]1 en sa qualité d'actionnaire. (Il peut se faire assister par un expert, aux frais de la société.) <AR 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; En vigueur : 01-01-2005>
  § 6. Dans le cadre de l'exercice de leur mandat et au regard des intérêts de la société, les membres des organes de la [1 SNCB]1 sont tenus à un devoir de discrétion.
  
Art. 162bis. <INGEVOEGD bij W 2002-03-22/30, art. 9; Inwerkingtreding : 26-03-2002> § 1. [1 De raad van bestuur is samengesteld uit maximum veertien leden, met inbegrip van de gedelegeerd bestuurder. Het aantal bestuurders wordt bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Ten minste een derde van zijn leden moet van het andere geslacht zijn.]1
  [2 Twee leden van de raad van bestuur voldoen aan de criteria opgesomd in artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen, met uitzondering van de bepaling onder 5°, c). Deze twee leden behoren tot een verschillende taalrol.]2
  § 2. [2 Met uitzondering van de twee bestuurders die voldoen aan de criteria die worden opgesomd in artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen en die benoemd worden door de algemene vergadering, benoemt de Koning de bestuurders bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]2
  De bestuurders worden gekozen overeenkomstig de complementariteit van hun competentie inzake financiële en boekhoudkundige analyse, juridische aspecten, hun kennis van de vervoersector, hun deskundigheid inzake mobiliteit, personeelsstrategie en sociale relaties.
  [1 ...]1
  [1 De bestuurders kunnen slechts door de Koning worden ontslagen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]1
  § 3. De bestuurders worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar.
  § 4. Wanneer een plaats van bestuurder openvalt, hebben de overblijvende bestuurders het recht om voorlopig in de vacature te voorzien tot er een definitieve benoeming gebeurt overeenkomstig deze bepaling.
  § 5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad benoemt de Koning de voorzitter van de raad van bestuur onder de bestuurders. De voorzitter van de raad van bestuur behoort tot een andere taalrol dan de gedelegeerd bestuurder.
  Bij staking van stemmen in de raad van bestuur is de stem van de voorzitter beslissend.
  De voorzitter kan te allen tijde ter plaatse de boeken, brieven, notulen inkijken en, in het algemeen, alle documenten en geschriften van de [1 NMBS]1, met inbegrip van de gegevens en de documenten waarover de [1 NMBS]1 beschikt in de hoedanigheid van aandeelhouder. Hij kan van de leden van het directiecomité, van de gemachtigden en de personeelsleden van de [1 NMBS]1. (Hij kan zich laten bijstaan door een deskundige, op kosten van de vennootschap). <KB 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 6. Bij de uitoefening van hun mandaat en in het licht van de belangen van het bedrijf zijn de leden van de organen van de [1 NMBS]1. gehouden aan de discretieplicht.
  
Art. 162bis. § 1er. [1 Le conseil d'administration est composé de maximum quatorze membres, en ce compris l'administrateur délégué. Le nombre d'administrateurs est déterminé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres. Un tiers de ses membres au minimum doivent être de l'autre sexe.]1
  [2 Deux membres du conseil d'administration répondent aux critères énumérés à l'article 526ter du Code des sociétés, à l'exception du 5°, c). Ces deux membres sont de rôle linguistique différent.]2
  § 2. [2 A l'exception des deux administrateurs qui répondent aux critères énumérés à l'article 526ter du Code des sociétés et qui sont nommés par l'assemblée générale, le Roi nomme les administrateurs par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]2
  Les administrateurs sont choisis en fonction de la complémentarité de leurs compétences telle que l'analyse financière et comptable, les aspects juridiques, la connaissance du secteur du transport, l'expertise en matière de mobilité, la stratégie du personnel et les relations sociales.
  [1 ...]1
  [1 Les administrateurs ne peuvent être révoqués que par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]1
  § 3. Les administrateurs sont nommés pour un terme renouvelable de six ans.
  § 4. En cas de vacance d'une place d'administrateur, les administrateurs restants ont le droit d'y pourvoir provisoirement jusqu'à ce qu'une nomination définitive intervienne conformément à la présente disposition.
  § 5. Le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le président du conseil d'administration parmi les administrateurs. Le président du conseil d'administration appartient à un autre rôle linguistique que l'administrateur délégué.
  En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président est prépondérante.
  Le président peut, à tout moment, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures de la [1 SNCB]1, en ce compris les informations et documents dont dispose la [1 SNCB]1 en sa qualité d'actionnaire. (Il peut se faire assister par un expert, aux frais de la société.) <AR 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; En vigueur : 01-01-2005>
  § 6. Dans le cadre de l'exercice de leur mandat et au regard des intérêts de la société, les membres des organes de la [1 SNCB]1 sont tenus à un devoir de discrétion.
  
Art. 162bis /1. [1 De gedelegeerd bestuurder van de NMBS behoort tot een andere taalrol dan deze waartoe de gedelegeerd bestuurder van Infrabel behoort.]1
  
Art. 162ter. [1 Le comité de direction est chargé de la gestion journalière et de la représentation en ce qui concerne cette gestion, de même que de l'exécution des décisions du conseil d'administration.
   Les membres du comité de direction forment un collège.
   Ils peuvent se répartir les tâches. Sous réserve des compétences qui lui sont réservées par la présente loi en tant que collège, le comité de direction peut déléguer certaines de ses compétences à un ou plusieurs de ses membres ou à des membres du personnel. Il peut en autoriser la subdélégation. Il informe le conseil d'administration des délégations accordées en vertu du présent alinéa.]1

  
Art. 162ter. [1 Het dagelijks bestuur en de vertegenwoordiging wat dat bestuur aangaat, alsmede de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur worden opgedragen aan het directiecomité.
   De leden van het directiecomité vormen een college.
   Zij kunnen hun taken onder elkaar verdelen. Onder voorbehoud van de bevoegdheden die hem door deze wet zijn opgedragen als college, kan het directiecomité sommige van zijn bevoegdheden delegeren aan één of meer van zijn leden of aan personeelsleden. Hij kan de subdelegatie ervan toestaan. Hij stelt de raad van bestuur in kennis van de bevoegdheidsdelegaties krachtens dit lid.]1

  
Art. 162quater. [1 Le comité de direction de la SNCB se compose de l'administrateur délégué et des membres du comité de direction. Le nombre de membres du comité de direction est déterminé par le conseil d'administration. Ce nombre ne peut dépasser la moitié du nombre de membres du conseil d'administration. Le comité de direction est présidé par l'administrateur délégué.]1
  L'administrateur délégué est nommé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour un terme renouvelable de six ans. Il est révoqué par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  La société est valablement représentée dans ses actes, y compris la représentation en justice, par l'administrateur délégué et le directeur général, désigné à cette fin par le conseil d'administration, agissant conjointement.
  Tous les actes de gestion ou qui engagent la société sont signés conjointement par l'administrateur délégué et le directeur général désigné à cette fin par le conseil d'administration. (Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les actes dont le mode d'approbation déroge à cet article.) <L 2002-12-24/31, art. 499, 042; En vigueur : 10-01-2003>
  L'administrateur délégué appartient à un rôle linguistique différent de celui du directeur général.
  Le conseil d'administration nomme les membres du comite de direction, sur proposition de l'administrateur délégué et après avoir pris l'avis du comité de nominations et de rémunération. (...). <AR 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; En vigueur : 01-01-2005>
  Ils sont révoqués par le conseil d'administration. Ils ne peuvent avoir la qualité d'administrateur de la [1 SNCB]1.
  Tous les membres du comité de direction remplissent au sein de la [1 SNCB]1, ou pour la représentation de celle-ci, des fonctions de plein exercice.
  
Art. 162quater. <INGEVOEGD bij W 2002-03-22/30, art. 9; Inwerkingtreding : 26-03-2002> [1 Het directiecomité van de NMBS is samengesteld uit de gedelegeerd bestuurder en de leden van het directiecomité. Het aantal leden van het directiecomité wordt bepaald door de raad van bestuur. Dit aantal mag de helft van het aantal leden van de raad van bestuur niet overtreffen. Het directiecomité wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder.]1
  De gedelegeerd bestuurder wordt benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Hij wordt ontslagen door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De [1 algemeen directeur]1, die daartoe werd aangesteld door de raad van bestuur, en de gedelegeerd bestuurder vertegenwoordigen gezamenlijk de onderneming in al haar handelingen, met inbegrip van de vertegenwoordiging in rechte.
  Alle akten van beheer of akten die de onderneming verbinden, worden gezamenlijk ondertekend door de gedelegeerd bestuurder en een [1 algemeen directeur]1 die daartoe werd aangesteld door de raad van bestuur. (De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de akten waarvan de goedkeuringswijze afwijkt van dit artikel.) <W 2002-12-24/31, art. 499, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  De gedelegeerd bestuurder behoort tot een andere taalrol dan deze [1 algemeen directeur]1.
  De raad van bestuur benoemt de leden van het directiecomité, op voorstel van de gedelegeerd bestuurder en na het advies te hebben ingewonnen van het benoemings- en bezoldigingscomité. (...). <KB 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  Zij worden afgezet door de raad van bestuur. Zij mogen niet de hoedanigheid van bestuurder van de [1 NMBS]1 hebben.
  Alle leden van het directiecomité vervullen een voltijdse functie binnen de [1 NMBS]1 of in het kader van de vertegenwoordiging van de [1 NMBS]1.
  
Art. 162quinquies. § 1er. Sans préjudice de l'article [3 161ter, § 4, alinéa 2]3, les droits, y compris la rémunération, et obligations mutuels de l'administrateur délégué et des membres du comité de direction, d'une part, et de la [3 SNCB]3, d'autre part, sont réglés dans une convention particulière entre les parties concernées. Lors de la négociation de cette convention, la [3 SNCB]3 est représentée par son conseil d'administration à l'exclusion de l'administrateur délégué. L'administrateur délégué ne peut percevoir d'autres émoluments que sa rémunération.
  L'administrateur délégué ou un membre du comité de direction qui, au moment de sa nomination, se trouve dans un lien statutaire avec l'Etat ou toute autre personne de droit public relevant de l'Etat est mis de plein droit en congé pour mission selon les dispositions du statut en question pour toute la durée de son mandat. Toutefois, durant cette période, il garde ses titres à la promotion et à l'avancement de traitement.
  Lorsque l'administrateur délégué ou un membre du comité de direction au moment de sa nomination se trouve dans un lien contractuel avec l'Etat ou avec toute autre personne de droit public relevant de l'Etat, le contrat concerné est suspendu de plein droit pour toute la durée de son mandat. Toutefois, durant cette période, il garde ses titres à l'avancement de traitement.
  [1 Les articles 520bis et 520ter du Code des sociétés s'appliquent mutatis mutandis à l'administrateur délégué et aux membres du comité de direction.
   Si une convention mentionnée au présent paragraphe prévoit une indemnité de départ qui dépasse les 12 mois de rémunération, ou, sur l'avis motivé du comité de nominations et de rémunération, dépasse les 18 mois de rémunération, cette clause en matière d'indemnité de départ doit recueillir l'approbation préalable de la première assemblée générale ordinaire qui suit. Toute convention contraire est nulle de plein droit.
   La demande de convenir d'une indemnité de départ plus élevée comme stipulée dans l'alinéa 5, doit être communiquée à [2 le comité d'entreprise stratégique visé à l'Art. 127 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges]2. A la demande d'une des parties à [2 ce comité d'entreprise stratégique]2, celle-ci donne un avis à l'assemblée générale.
   Dans ce cas, la demande doit être communiquée trente jours avant le jour de la publication de la convocation de la première assemblée générale ordinaire qui suit et la demande d'avis doit être formulée au moins vingt jours avant la même date. L'avis est donné et publié sur Ie site Internet de la société au plus tard le jour de publication de la convocation.
   Les données à caractère personnel ainsi transmises [2 au comité d'entreprise stratégique visé à l'alinéa six]2, ne peuvent être divulguées par celle-ci, sauf aux fins de l'avis à l'assemblée générale visé à l'alinéa 7.]1

  § 2. [3 L'assemblée générale détermine la rémunération des membres du conseil d'administration sur proposition du comité de nominations et de rémunération. Elle tient compte à cette fin de la prestation des mandataires eu égard notamment à leur participation dans les comités prévus par la loi. Elle tient également compte des objectifs de l'entreprise.]3
  § 3. Les rémunérations visées aux §§ 1er et 2 sont à charge de la [3 SNCB]3 Si les rémunérations concernées comportent un élément variable, l'assiette ne peut comprendre des éléments ayant le caractère de charge d'exploitation. <AR 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; En vigueur : 01-01-2005>
  
Art. 162quinquies. <INGEVOEGD bij W 2002-03-22/30, art. 9; Inwerkingtreding : 26-03-2002> § 1. Onverminderd artikel [3 161ter, § 4, tweede lid]3, worden de rechten, met inbegrip van de vergoeding, en de wederzijdse verplichtingen van de gedelegeerd bestuurder en van de leden van het directiecomité enerzijds en van [3 NMBS]3 anderzijds, geregeld door een bijzondere overeenkomst tussen de betrokken partijen. Bij de onderhandelingen over deze overeenkomst wordt [3 NMBS]3 vertegenwoordigd door haar raad van bestuur met uitzondering van de gedelegeerd bestuurder. De gedelegeerd bestuurder kan geen andere emolumenten ontvangen dan zijn vergoeding.
  De gedelegeerd bestuurder of een lid van het directiecomité dat zich, op het ogenblik van zijn benoeming, in een statutaire band bevindt met de staat of enige andere rechtspersoon van publiek recht die onder de staat ressorteert, wordt van rechtswege ter beschikking gesteld overeenkomstig de bepalingen van het betrokken statuut voor de hele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op bevordering en op loonsverhoging.
  Als de gedelegeerd bestuurder of een lid van het directiecomité zich op het ogenblik van zijn benoeming in een contractuele band bevindt met de Staat of met enige andere rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt de betrokken overeenkomst van rechtswege geschorst voor de hele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op loonsverhoging.
  [1 De artikelen 520bis en 520ter van het Wetboek van vennootschappen zijn mutatis mutandis van toepassing op de gedelegeerd bestuurder en de leden van het directiecomité.
   Indien in een overeenkomst bedoeld in deze paragraaf een vertrekvergoeding wordt opgenomen die hoger is dan 12 maanden loon of, op gemotiveerd advies van het benoemings- en bezoldigingscomité, hoger is dan 18 maanden loon, wordt die bepaling omtrent de vertrekvergoeding voorafgaand goedgekeurd door de eerstvolgende gewone algemene vergadering. Elk hiermee strijdig beding is van rechtswege nietig.
   Het verzoek om een hogere vertrekvergoeding toe te kennen zoals bepaald in het vijfde lid moet worden medegedeeld aan [2 het strategische bedrijfscomité, bedoeld in Art. 127 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen]2. Op vraag van een van de partijen in [2 dat strategische bedrijfscomité ]2, brengt deze een advies uit aan de algemene vergadering.
   In dit geval moet het verzoek dertig dagen voor de datum van de publicatie van de oproeping tot de eerstvolgende gewone algemene vergadering worden meegedeeld en de vraag om een advies worden ingediend ten minste twintig dagen voor dezelfde datum. Het advies wordt uiterlijk op de dag van de publicatie van de oproeping gegeven en op de website van de onderneming gepubliceerd.
   De persoonsgegevens die aldus, aan de[2 het in het zesde lid bedoelde strategische bedrijfscomité]2 worden overgelegd, mogen door laatstgenoemde enkel worden bekendgemaakt voor doeleinden van het in het zevende lid bedoeld advies aan de algemene vergadering.]1

  § 2. [3 De algemene vergadering stelt de bezoldiging vast van de leden van de raad van bestuur op voorstel van het benoemings- en bezoldigingscomité. Zij houdt hierbij rekening met de prestaties van de mandatarissen, in acht genomen onder andere hun lidmaatschap van de bij wet bepaalde comités en de doelstellingen van de onderneming.]3
  § 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde bezoldigingen zijn ten laste van [3 NMBS]3 Indien de betrokken bezoldigingen een variabel bestanddeel hebben, dan kunnen in de berekeningsbasis geen elementen voorkomen die als bedrijfskosten worden aangemerkt.
  
Art. 162quinquies. § 1er. Sans préjudice de l'article [3 161ter, § 4, alinéa 2]3, les droits, y compris la rémunération, et obligations mutuels de l'administrateur délégué et des membres du comité de direction, d'une part, et de la [3 SNCB]3, d'autre part, sont réglés dans une convention particulière entre les parties concernées. Lors de la négociation de cette convention, la [3 SNCB]3 est représentée par son conseil d'administration à l'exclusion de l'administrateur délégué. L'administrateur délégué ne peut percevoir d'autres émoluments que sa rémunération.
  L'administrateur délégué ou un membre du comité de direction qui, au moment de sa nomination, se trouve dans un lien statutaire avec l'Etat ou toute autre personne de droit public relevant de l'Etat est mis de plein droit en congé pour mission selon les dispositions du statut en question pour toute la durée de son mandat. Toutefois, durant cette période, il garde ses titres à la promotion et à l'avancement de traitement.
  Lorsque l'administrateur délégué ou un membre du comité de direction au moment de sa nomination se trouve dans un lien contractuel avec l'Etat ou avec toute autre personne de droit public relevant de l'Etat, le contrat concerné est suspendu de plein droit pour toute la durée de son mandat. Toutefois, durant cette période, il garde ses titres à l'avancement de traitement.
  [1 Les articles 520bis et 520ter du Code des sociétés s'appliquent mutatis mutandis à l'administrateur délégué et aux membres du comité de direction.
   Si une convention mentionnée au présent paragraphe prévoit une indemnité de départ qui dépasse les 12 mois de rémunération, ou, sur l'avis motivé du comité de nominations et de rémunération, dépasse les 18 mois de rémunération, cette clause en matière d'indemnité de départ doit recueillir l'approbation préalable de la première assemblée générale ordinaire qui suit. Toute convention contraire est nulle de plein droit.
   La demande de convenir d'une indemnité de départ plus élevée comme stipulée dans l'alinéa 5, doit être communiquée à [2 le comité d'entreprise stratégique visé à l'Art. 127 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges]2. A la demande d'une des parties à [2 ce comité d'entreprise stratégique]2, celle-ci donne un avis à l'assemblée générale.
   Dans ce cas, la demande doit être communiquée trente jours avant le jour de la publication de la convocation de la première assemblée générale ordinaire qui suit et la demande d'avis doit être formulée au moins vingt jours avant la même date. L'avis est donné et publié sur Ie site Internet de la société au plus tard le jour de publication de la convocation.
   Les données à caractère personnel ainsi transmises [2 au comité d'entreprise stratégique visé à l'alinéa six]2, ne peuvent être divulguées par celle-ci, sauf aux fins de l'avis à l'assemblée générale visé à l'alinéa 7.]1

  § 2. [3 L'assemblée générale détermine la rémunération des membres du conseil d'administration sur proposition du comité de nominations et de rémunération. Elle tient compte à cette fin de la prestation des mandataires eu égard notamment à leur participation dans les comités prévus par la loi. Elle tient également compte des objectifs de l'entreprise.]3
  § 3. Les rémunérations visées aux §§ 1er et 2 sont à charge de la [3 SNCB]3 Si les rémunérations concernées comportent un élément variable, l'assiette ne peut comprendre des éléments ayant le caractère de charge d'exploitation. <AR 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; En vigueur : 01-01-2005>
  
Art. 162sexies. <INGEVOEGD bij W 2002-03-22/30, art. 9; Inwerkingtreding : 26-03-2002> § 1. Onverminderd andere beperkingen bepaald bij of krachtens een wet of door het organieke statuut van [1 NMBS]1, is het mandaat van lid van de raad van bestuur, [1 ...]1 van het oriënteringscomité en van het directiecomité onverenigbaar met het mandaat of met de functie van :
  1° lid van het Europees Parlement;
  2° lid van de Wetgevende Kamers;
  3° minister of staatssecretaris;
  4° lid van de Raad of de Regering van een Gemeenschap of een Gewest;
  5° gouverneur van een provincie of lid van de bestendige deputatie van een provincieraad;
  6° [1 ...]1
  [1 Geen andere bestuurders dan de gedelegeerd bestuurder mogen personeelsleden zijn van de NMBS in de zin van artikel 163bis.]1
  Bovendien is het mandaat van lid van het directiecomité onverenigbaar met het mandaat van burgemeester, schepen of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  (Het mandaat van lid van de raad van bestuur of van het directiecomité is onverenigbaar met elk mandaat of elke functie bij Infrabel.) <W 2008-12-22/33, art. 68, 072; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  § 2. Wanneer één van de leden bedoeld in § 1 een inbreuk pleegt op de bepalingen van § 1, moet hij binnen een termijn van drie maanden de betrokken mandaten of functies neerleggen. Indien hij nalaat dit te doen, wordt hij na afloop van deze termijn geacht van rechtswege zijn mandaat bij (N.M.B.S. Holding) te hebben neergelegd, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de handelingen die hij inmiddels heeft gesteld, of van de beraadslagingen waaraan hij inmiddels heeft deelgenomen.
  
Art. 162sexies. § 1er. Sans préjudice des autres limitations prévues par ou en vertu d'une loi ou dans le statut organique de la [1 SNCB]1, le mandat de membre du conseil d'administration, [1 ...]1, du comité d'orientation et du comité de direction est incompatible avec le mandat ou les fonctions de :
  1° membre du Parlement européen;
  2° membre des Chambres législatives;
  3° ministre ou secrétaire d'Etat;
  4° membre du Conseil ou du Gouvernement d'une Communauté ou d'une Région;
  5° gouverneur d'une province ou membre de la députation permanente d'un conseil provincial;
  6° [1 ...]1
  [1 Les administrateurs autres que l'administrateur délégué ne peuvent pas être membres du personnel de la SNCB au sens de l'article 163bis.]1
  En outre, le mandat de membre du comité de direction est incompatible avec le mandat de bourgmestre, échevin ou président de centre public d'aide sociale.
  § 2. Lorsqu'un des membres visés au § 1er contrevient aux dispositions du § 1er, il est tenu de se démettre des mandats ou fonctions en question dans un délai de trois mois. S'il ne le fait pas, il est réputé, à l'expiration de ce délai, s'être démis de plein droit de son mandat auprès de la S.N.C.B., sans que cela ne porte préjudice à la validité juridique des actes qu'il a accomplis ou des délibérations auxquelles il a pris part pendant la période concernée.
  (Le mandat de membre du conseil d'administration ou du comité de direction est incompatible avec tout mandat ou toute fonction au sein d'Infrabel.) <L 2008-12-22/33, art. 68, 072; En vigueur : 08-01-2009>
  
Art. 162octies. (§ 1.) Tout acte de délégation identifie clairement les compétences faisant l'objet de cette délégation. La délégation est accordée pour une durée fixée par le conseil d'administration. <L 2002-12-24/31, art. 501, 042; En vigueur : 10-01-2003>
  (§ 2. Les comités d'audit, [1 ...]1, de direction, de nomination et de rémunération [2 et d'orientation RER]2 dressent un règlement d'ordre intérieur, qui explicite le cadre régissant leur fonctionnement. Les règlements d'ordre intérieur sont soumis à l'approbation du conseil d'administration.) <L 2002-12-24/31, art. 501, 042; En vigueur : 10-01-2003>
  
Art. 162octies. <INGEVOEGD bij W 2002-03-22/30, art. 9; Inwerkingtreding : 26-03-2002> (§ 1.) Elke delegatie-akte legt duidelijk de bevoegdheden vast die het voorwerp van deze delegatie uitmaken. De delegatie wordt toegekend voor een duur bepaald door de raad van bestuur. <W 2002-12-24/31, art. 501, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  (§ 2. Het auditcomité, [1 ...]1, het directiecomité, het benoemings- en bezoldigingscomité [2 en het GEN-oriëntatiecomité]2 stellen een huishoudelijk reglement op, dat uitdrukkelijk het kader formuleert dat hun werking regelt. De huishoudelijke reglementen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de raad van bestuur.) <W 2002-12-24/31, art. 501, 042; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  
Art. 162nonies. § 1er. La [1 SNCB]1 est soumise au pouvoir de contrôle du [1 ministre des entreprises publiques]1. Ce contrôle est exercé à l'intervention d'un commissaire du Gouvernement, nommé et révoqué par le Roi, sur la proposition du ministre concerné.
  Le [1 ministre des entreprises publiques]1 peut désigner un suppléant pour le cas d'empêchement éventuel du commissaire du Gouvernement ou pour l'assister dans sa mission.
  Le Roi règle l'exercice des missions du commissaire du Gouvernement et sa rémunération. Cette rémunération est à charge de la [1 SNCB]1.
  § 2. Le commissaire du Gouvernement veille au respect de la loi, [1 des statuts]1 de la [1 SNCB]1 et du contrat de gestion. Il s'assure de ce que la politique de la [1 SNCB]1, en particulier celle menée en exécution de l'article 13, ne porte pas préjudice à la mise en oeuvre des tâches de service public.
  Le commissaire du Gouvernement fait rapport au [1 ministre des entreprises publiques]1. Il fait rapport au ministre du Budget sur toutes les décisions du conseil d'administration, du comité de direction, [1 ...]1 [1 ...]1 qui ont une incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat.
  § 3. Le commissaire du Gouvernement est invité à toutes les réunions [1 ...]1, [1 ...]1, du conseil d'administration et du comité de direction et y a voix consultative. Il peut, à tout moment, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures de la [1 SNCB]1 Il peut requérir des membres [1 ...]1 et des administrateurs, des agents et des préposés de la [1 SNCB]1 toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires à l'exécution de son mandat.
  La [1 SNCB]1 met à la disposition du commissaire du Gouvernement les ressources humaines et matérielles nécessaires à l'exécution de son mandat.
  § 4. [1 Le commissaire du Gouvernement introduit, dans un délai de quatre jours ouvrables, un recours auprès du ministre précité contre toute décision contraire à la loi, aux statuts, au contrat de gestion ou susceptible de porter préjudice à la mise en oeuvre des missions de service public de la SNCB.]1
  [1 ...]1
  Ce délai court à partir du jour de la réunion à laquelle la décision a été prise, pour autant que le commissaire du Gouvernement y ait été régulièrement convoqué et, dans le cas contraire, à partir du jour où il en a reçu connaissance. Lorsqu'il est recouru à la procédure écrite prévue à l'article 521, alinéa 2, du Code des sociétés, le délai court à partir du jour ou le commissaire du Gouvernement a reçu connaissance de la décision ainsi adoptée. Le recours est suspensif.
  [1 Le ministre peut annuler la décision en question dans un délai de quatorze jours à compter du même jour que le délai visé au premier alinéa. Il notifie l'annulation à l'organe de gestion concerné. Si, dans le délai précité, le ministre n'a pas prononcé l'annulation, la décision devient définitive, sans préjudice des dispositions du dernier alinéa.
   En cas d'incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat, le ministre demande l'accord du ministre du budget. A défaut d'accord entre ces deux ministres dans le délai de quatorze jours visé à l'alinéa 4, il est statué dans un délai de trente jours à compter du même jour que le délai visé au premier alinéa, selon la procédure fixée par le Roi.]1

  § 5. [2 Chaque année, l'administrateur délégué de la SNCB est auditionné par la Chambre des représentants.
   Lors de cette audition, l'administrateur délégué fait rapport de l'accomplissement par la SNCB de ses missions de service public.]2

  § 6. Chaque année, le [1 ministre des entreprises publiques]1 fait rapport aux Chambres législatives de l'application du titre premier et du présent titre.
  
Art. 162nonies. <INGEVOEGD bij W 2002-03-22/30, art. 9; Inwerkingtreding : 26-03-2002> § 1. [1 NMBS]1 staat onder de controlebevoegdheid van de [1 minister bevoegd voor de overheidsbedrijven]1. Deze controle gebeurt door bemiddeling van een Regeringscommissaris, die wordt benoemd en ontslagen door de Koning op voordracht van de betrokken minister.
  De [1 minister bevoegd voor de overheidsbedrijven]1, kan één plaatsvervanger aanduiden voor het geval de Regeringscommissaris verhinderd zou zijn of om deze laatste bij te staan in zijn opdracht.
  De Koning regelt de uitoefening van de opdrachten van de Regeringscommissaris en zijn bezoldiging. Deze bezoldiging is ten laste van [1 NMBS]1.
  § 2. De Regeringscommissaris waakt over de naleving van de wet, [1 van de statuten]1 van [1 NMBS]1 en van het beheerscontract. Hij ziet er op toe dat het beleid van [1 NMBS]1, inzonderheid wat het beleid bij toepassing van artikel 13 betreft, de uitvoering van de taken van openbare dienst niet in het gedrang brengt.
  De Regeringscommissaris brengt verslag uit bij de [1 minister bevoegd voor de overheidsbedrijven]1. Hij brengt verslag uit aan de minister van Begroting aangaande alle beslissingen van de raad van bestuur, het directiecomité, het strategisch comité [1 ...]1 die een weerslag hebben op de algemene uitgavenbegroting van de Staat.
  § 3. De Regeringscommissaris wordt uitgenodigd op alle vergaderingen [1 ...]1, [1 ...]1 , de raad van bestuur en het directiecomité en heeft er raadgevende stem. Hij kan te allen tijde ter plaatse kennis nemen van de boeken, brieven, notulen en, in het algemeen, van alle documenten en geschriften van [1 NMBS]1 Hij kan van de leden [1 ...]1 en van de bestuurders, van de gemachtigden en de personeelsleden van de [1 NMBS]1 alle ophelderingen of inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die hij nodig acht voor de uitvoering van zijn mandaat.
  [1 NMBS]1 stelt de Regeringscommissaris de menselijke en materiële middelen ter beschikking die nodig zijn voor de uitvoering van zijn mandaat. <KB 2004-10-18/32, art. 27, 051 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 4. [1 De Regeringscommissaris tekent binnen een termijn van vier werkdagen beroep aan bij de bovengenoemde minister tegen elke beslissing die strijdig is met de wet, de statuten, het beheerscontract of waarvan hij oordeelt dat zij nadeel kan berokkenen aan de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst van de NMBS.]1
  [1 ...]1
  Deze termijn gaat in op de dag van de vergadering waarop de beslissing is genomen, voor zover de Regeringscommissaris daarop regelmatig was uitgenodigd, en, in het tegenovergestelde geval, op de dag waarop hij de kennisgeving van de beslissing heeft ontvangen. Wanneer een beroep wordt gedaan op de schriftelijke procedure bepaald in artikel 521, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen, begint de termijn te lopen op de dag waarop de Regeringscommissaris kennis heeft genomen van de aldus aangenomen beslissing. Het beroep is opschortend.
  [1 De minister kan de betrokken beslissing vernietigen binnen een termijn van veertien dagen ingaand op dezelfde dag als de in het eerste lid bedoelde termijn. Hij betekent de vernietiging aan het betrokken bestuursorgaan. Indien de minister de vernietiging niet heeft uitgesproken binnen voornoemde termijn, wordt de beslissing definitief, onverminderd de bepalingen van het laatste lid.
   In geval van weerslag op de algemene uitgavenbegroting van de Staat, vraagt de minister het akkoord van de minister van begroting. Indien deze beide ministers niet tot een akkoord komen binnen de in het vierde lid bedoelde termijn van veertien dagen, wordt over de aangelegenheid beslist binnen een termijn van dertig dagen ingaand op dezelfde dag als de in het eerste lid bedoelde termijn, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure.]1

  § 5. [2 Elk jaar wordt de gedelegeerd bestuurder van de NMBS gehoord door de Kamer van volksvertegenwoordigers.
   Tijdens deze hoorzitting brengt de gedelegeerd bestuurder verslag uit over de uitvoering door de NMBS van haar taken van openbare dienst.]2

  § 6. Elk jaar brengt de [1 minister bevoegd voor de overheidsbedrijven]1, bij de Wetgevende Kamers verslag uit over de toepassing van de eerste titel en van deze titel.
  
Art. 162nonies. § 1er. La [1 SNCB]1 est soumise au pouvoir de contrôle du [1 ministre des entreprises publiques]1. Ce contrôle est exercé à l'intervention d'un commissaire du Gouvernement, nommé et révoqué par le Roi, sur la proposition du ministre concerné.
  Le [1 ministre des entreprises publiques]1 peut désigner un suppléant pour le cas d'empêchement éventuel du commissaire du Gouvernement ou pour l'assister dans sa mission.
  Le Roi règle l'exercice des missions du commissaire du Gouvernement et sa rémunération. Cette rémunération est à charge de la [1 SNCB]1.
  § 2. Le commissaire du Gouvernement veille au respect de la loi, [1 des statuts]1 de la [1 SNCB]1 et du contrat de gestion. Il s'assure de ce que la politique de la [1 SNCB]1, en particulier celle menée en exécution de l'article 13, ne porte pas préjudice à la mise en oeuvre des tâches de service public.
  Le commissaire du Gouvernement fait rapport au [1 ministre des entreprises publiques]1. Il fait rapport au ministre du Budget sur toutes les décisions du conseil d'administration, du comité de direction, [1 ...]1 [1 ...]1 qui ont une incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat.
  § 3. Le commissaire du Gouvernement est invité à toutes les réunions [1 ...]1, [1 ...]1, du conseil d'administration et du comité de direction et y a voix consultative. Il peut, à tout moment, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures de la [1 SNCB]1 Il peut requérir des membres [1 ...]1 et des administrateurs, des agents et des préposés de la [1 SNCB]1 toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires à l'exécution de son mandat.
  La [1 SNCB]1 met à la disposition du commissaire du Gouvernement les ressources humaines et matérielles nécessaires à l'exécution de son mandat.
  § 4. [1 Le commissaire du Gouvernement introduit, dans un délai de quatre jours ouvrables, un recours auprès du ministre précité contre toute décision contraire à la loi, aux statuts, au contrat de gestion ou susceptible de porter préjudice à la mise en oeuvre des missions de service public de la SNCB.]1
  [1 ...]1
  Ce délai court à partir du jour de la réunion à laquelle la décision a été prise, pour autant que le commissaire du Gouvernement y ait été régulièrement convoqué et, dans le cas contraire, à partir du jour où il en a reçu connaissance. Lorsqu'il est recouru à la procédure écrite prévue à l'article 521, alinéa 2, du Code des sociétés, le délai court à partir du jour ou le commissaire du Gouvernement a reçu connaissance de la décision ainsi adoptée. Le recours est suspensif.
  [1 Le ministre peut annuler la décision en question dans un délai de quatorze jours à compter du même jour que le délai visé au premier alinéa. Il notifie l'annulation à l'organe de gestion concerné. Si, dans le délai précité, le ministre n'a pas prononcé l'annulation, la décision devient définitive, sans préjudice des dispositions du dernier alinéa.
   En cas d'incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat, le ministre demande l'accord du ministre du budget. A défaut d'accord entre ces deux ministres dans le délai de quatorze jours visé à l'alinéa 4, il est statué dans un délai de trente jours à compter du même jour que le délai visé au premier alinéa, selon la procédure fixée par le Roi.]1

  § 5. [2 Chaque année, l'administrateur délégué de la SNCB est auditionné par la Chambre des représentants.
   Lors de cette audition, l'administrateur délégué fait rapport de l'accomplissement par la SNCB de ses missions de service public.]2

  § 6. Chaque année, le [1 ministre des entreprises publiques]1 fait rapport aux Chambres législatives de l'application du titre premier et du présent titre.
  
Art. 162decies. [1 § 1. In afwijking van artikel 26, eerste lid stelt de raad van bestuur van de NMBS het ondernemingsplan op voor de duur van het beheerscontract en past het jaarlijks aan. Dit plan geeft de doeleinden en de strategie van de onderneming aan rekening houdend met de mobiliteitsdoeleinden bepaald door de Ministerraad.
   § 2. Verplichte bestanddelen van het ondernemingsplan zijn :
   1° de structuur en de kenmerken van het transportaanbod op het spoorwegnet en de onthaalpunten;
   2° de noden die voortvloeien uit haar doel weergegeven in een meerjarig investeringsplan;
   3° de vooruitzichten inzake personeelsbehoeften;
   4° de evolutie van de exploitatierekeningen weergegeven in een financieel plan;
   5° de beschrijving van de algemene exploitatievoorwaarden betreffende de sectoren die niet tot de opdrachten van openbare dienst van de NMBS behoren.
   § 3. Het meerjarig investeringsplan bedoeld in paragraaf 2, 2°, bevat de planning over meerdere jaren van de investeringen betreffende de verwerving, het onderhoud, het beheer en de financiering van het rollend spoorwegmaterieel, evenals betreffende het verwerven, het ontwerpen, de bouw, de vernieuwing en het beheer van de spoorwegstations, van de onbemande stopplaatsen en hun aanhorigheden en betreffende de activiteiten inzake veiligheid en bewaking.
   § 4. Het meerjarig investeringsplan van de NMBS wordt afgestemd op het meerjarig investeringsplan van Infrabel, in de mate dat de planning van de werken van de NMBS die betrekking hebben op het ontwerpen, de bouw en de vernieuwing van de spoorwegstations, onbemande stopplaatsen en hun aanhorigheden, een invloed heeft op het meerjarig investeringsplan van Infrabel.
   § 5. [2 Het ondernemingsplan en de jaarlijkse aanpassingen daaraan worden meegedeeld aan de minister bevoegd voor de overheidsbedrijven. Het meerjarenplan, bedoeld in § 2, 2°, wordt ter kennis gebracht van de Investeringscel voor het spoor, die in overeenstemming met het tweede lid voorafgaand aan de goedkeuring door de Koning een advies geeft aan de minister die bevoegd is voor de overheidsbedrijven.
   In afwijking van artikel 26, tweede lid, worden de elementen bedoeld in § 2 als noodzakelijk deel voor de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst van de NMBS en voor haar meerjarenplan voor de investeringen, goedgekeurd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]2

   § 6. Het ondernemingsplan is een voorafgaande voorwaarde voor het afsluiten van het beheerscontract. In geval van vernieuwing van het beheerscontract wordt het plan uiterlijk twaalf maanden vóór de vervaldag van het lopende beheerscontract opgesteld. Artikel 3, § 2, 9°, is niet van toepassing.
   § 7. De NMBS stelt een vervoersplan op in uitvoering van het beheerscontract. Elke significante wijziging aan dit plan behoeft de goedkeuring van de Ministerraad.]1

  
Art. 162decies. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 26, alinéa 1er, le conseil d'administration de la SNCB établit le plan d'entreprise pour la durée du contrat de gestion et l'adapte chaque année. Ce plan énonce les objectifs et la stratégie de l'entreprise en tenant compte des objectifs de mobilité fixés par le Conseil des ministres.
   § 2. Le plan d'entreprise contient obligatoirement :
   1° la structure et les caractéristiques de l'offre de transport sur le réseau ferroviaire et les points d'accueil;
   2° les besoins qui découlent de son objet traduits dans un plan pluriannuel d'investissement;
   3° les prévisions en matière de besoins en personnel;
   4° l'évolution des comptes d'exploitation traduits dans un plan financier;
   5° la description des conditions générales d'exploitation relatives aux secteurs d'activité qui ne relèvent pas des missions de service public de la SNCB.
   § 3. Le plan pluriannuel d'investissement visé au paragraphe 2, 2°, contient la planification sur plusieurs années des investissements relatifs à l'acquisition, la maintenance, la gestion et le financement de matériel roulant ferroviaire, ainsi qu'à l'acquisition, la conception, la construction, le renouvellement, l'entretien et la gestion des gares ferroviaires, des points d'arrêt non gardés et de leurs dépendances ainsi qu'aux activités de sécurité et de gardiennage.
   § 4. Le plan pluriannuel d'investissement de la SNCB est aligné sur le plan pluriannuel d'investissement d'Infrabel dans la mesure où le calendrier des travaux de la SNCB relatifs à la conception, à la construction et au renouvellement des gares ferroviaires, des points d'arrêt non gardés et de leurs dépendances a un impact sur le plan pluriannuel d'investissement d'Infrabel.
   § 5. [2 Le plan d'entreprise et ses adaptations annuelles sont communiqués au ministre des entreprises publiques. Le plan pluriannuel visé au § 2, 2°, est communiqué à la Cellule d'Investissement ferroviaire qui remet un avis au ministre des entreprises publiques préalablement à son approbation par le Roi conformément à l'alinéa 2.
   Par dérogation à l'article 26, alinéa 2, les éléments visés au § 2 sont approuvés par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, en tant que partie nécessaire à l'exécution des missions de service public de la SNCB et de son plan pluriannuel d'investissement.]2

   § 6. Le plan d'entreprise est une condition préalable à la conclusion du contrat de gestion. En cas de renouvellement du contrat de gestion, le plan est établi au plus tard douze mois avant l'expiration du contrat de gestion en cours. L'article 3, § 2, 9°, n'est pas applicable.
   § 7. La SNCB établit un plan de transport en exécution du contrat de gestion. Toute modification significative à ce plan est soumise à l'approbation du Conseil des ministres.]1

  
HOOFDSTUK IVbis. [1 - Financiële en boekhoudkundige bepalingen.]1
Art. 162duodecies. [1 § 1er. Le présent article transpose l'article 6(3) de la Directive 2012/34/UE du 21 novembre 2012 du Parlement européen et du Conseil de l'Union européenne établissant un espace ferroviaire unique européen.
Art. 162duodecies. [1 § 1. Dit artikel zet artikel 6(3) om van de Richtlijn 2012/34/EU van 21 november 2012 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie tot instelling van één Europese spoorwegruimte.
   § 2. Onverminderd artikel 27, § 1, houdt de NMBS in haar interne boekhouding afzonderlijke rekeningen aan voor haar activiteiten met betrekking tot het goederenvervoer per spoor. De bijlage bij de jaarrekening van de NMBS bevat een afzonderlijke balans en resultatenrekening voor deze activiteiten.
   § 3. De bijdragen gestort voor de activiteiten met betrekking tot de verstrekking van vervoerdiensten voor reizigers in het kader van de opdrachten van openbare dienst, moeten afzonderlijk worden vermeld in de overeenkomstige rekeningen en mogen niet worden overgedragen naar de activiteiten met betrekking tot de verstrekking van andere vervoerdiensten of naar enige andere activiteit.]1

  
Art. 162duodecies. [1 § 1er. Le présent article transpose l'article 6(3) de la Directive 2012/34/UE du 21 novembre 2012 du Parlement européen et du Conseil de l'Union européenne établissant un espace ferroviaire unique européen.
   § 2. Sans préjudice de l'article 27, § 1er, la SNCB tient, dans sa comptabilité interne, des comptes séparés pour ses activités relatives au transport de marchandises par chemin de fer. Les comptes annuels de la SNCB reprennent, dans leur annexe, un bilan et un compte de résultats séparés pour ces activités.
   § 3. Les contributions versées aux activités relatives à la fourniture de services de transport de voyageurs au titre des missions de service public doivent figurer séparément dans les comptes correspondants et ne peuvent pas être transférées aux activités relatives à la fourniture d'autres services de transport ou à toute autre activité.]1

  
HOOFDSTUK V. - Personeel.
Art.163. A l'alinéa 6 de l'article 13, inséré dans la loi du 26 juillet 1926 créant la Société nationale des chemins de fer belges par la loi du 21 avril 1965, les mots " par le Ministre ayant les chemins de fer dans ses attributions ou par son délégué " sont remplacés par les mots " par le Président du Conseil d'administration ".
Art.163. In het zesde lid van artikel 13 ingevoegd in de wet van 26 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen bij de wet van 21 april 1965, worden de woorden " door de Minister tot wiens bevoegdheid de Spoorwegen behoren of door zijn gemachtigde " vervangen door de woorden " door de Voorzitter van de Raad van bestuur ".
Art. 163bis. [1 § 1. La SNCB dispose du personnel nécessaire à l'accomplissement de ses missions, mis à sa disposition par HR Rail. Le statut du personnel tel que visé à l'article 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, y compris le statut syndical, reste applicable au personnel. Toutefois, pendant la période de sa mise à disposition, ce personnel se trouve sous l'autorité exclusive de la SNCB.
   Les conditions et modalités de la mise à disposition du personnel en vertu du premier alinéa, sont fixées par ou en vertu de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.
   § 2. Le Chapitre III de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs ne s'applique pas à la mise à disposition de personnel visée au § 1er.]1

  
Art. 163bis. [1 § 1. NMBS beschikt over het personeel dat nodig is voor de verwezenlijking van haar opdrachten, haar ter beschikking gesteld door HR Rail. Het personeelsstatuut zoals bedoeld in artikel 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, met inbegrip van het syndicaal statuut, blijft van toepassing op het personeel. Tijdens de periode van hun terbeschikkingstelling staan de personeelsleden evenwel onder het uitsluitende gezag van NMBS.
   De voorwaarden en de nadere bepalingen van de terbeschikkingstelling van het personeel krachtens het eerste lid, worden vastgesteld door of krachtens de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.
   § 2. Hoofdstuk III van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling van personeel bedoeld in § 1.]1

  
Art. 163bis. [1 § 1. La SNCB dispose du personnel nécessaire à l'accomplissement de ses missions, mis à sa disposition par HR Rail. Le statut du personnel tel que visé à l'article 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, y compris le statut syndical, reste applicable au personnel. Toutefois, pendant la période de sa mise à disposition, ce personnel se trouve sous l'autorité exclusive de la SNCB.
   Les conditions et modalités de la mise à disposition du personnel en vertu du premier alinéa, sont fixées par ou en vertu de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.
   § 2. Le Chapitre III de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs ne s'applique pas à la mise à disposition de personnel visée au § 1er.]1

  
Art. 163ter. [1 De bepalingen van titel I, hoofdstuk VIII, met uitzondering van artikel 31, en zonder afbreuk te doen aan artikel 71 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, zijn niet van toepassing op NMBS en het personeel dat aan NMBS ter beschikking wordt gesteld. NMBS en haar personeel zijn onderworpen aan de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.]1
  
Art. 163ter. [1 Les dispositions du titre I, chapitre VIII, à l'exception de l'article 31, et sans porter préjudice à l'article 71 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, ne s'appliquent pas à la SNCB et au personnel mis à la disposition de la SNCB. La SNCB et son personnel sont soumis à la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.]1
  
HOOFDSTUK Vbis. [1 - De vervoersovereenkomst.]1
CHAPITRE Vbis. [1 - La convention de transport.]1
Afdeling I. [1 - Definitie en inhoud.]1
Art. 163quater. [1 § 1er. La SNCB conclut avec Infrabel une convention de transport qui établit les conditions et modalités de la collaboration opérationnelle entre la SNCB et Infrabel, pour les services à prester dans le cadre des missions de service public, entre autres en vue de fournir un service ponctuel et de qualité aux voyageurs.
Art. 163quater. [1 § 1. De NMBS sluit met Infrabel een vervoersovereenkomst die de voorwaarden en nadere regels van de operationele samenwerking tussen de NMBS en Infrabel vastlegt, voor de in het kader van de opdrachten van openbare dienst te presteren diensten, onder andere met het oog op de stipte en kwalitatieve dienstverlening aan de reizigers.
   § 2. De vervoersovereenkomst regelt ten minste de volgende aangelegenheden :
   1° de stiptheid en het treinverkeer;
   2° het onthaal van en de informatie aan de reizigers;
   3° het beheer van incidenten, waaronder de spoedinterventieplannen;
   4° de coördinatie van de uitvoering van de investeringen van de NMBS en van Infrabel.
   § 3. Elke uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde in de vervoersovereenkomst wordt voor niet geschreven gehouden. Artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de vervoersovereenkomst.]1

  
Art. 163quater. [1 § 1er. La SNCB conclut avec Infrabel une convention de transport qui établit les conditions et modalités de la collaboration opérationnelle entre la SNCB et Infrabel, pour les services à prester dans le cadre des missions de service public, entre autres en vue de fournir un service ponctuel et de qualité aux voyageurs.
   § 2. La convention de transport règle au moins les matières suivantes :
   1° la ponctualité et la circulation des trains;
   2° l'accueil et l'information aux voyageurs;
   3° la gestion des incidents dont les plans d'intervention d'urgence;
   4° la coordination de l'exécution des investissements de la SNCB et d'Infrabel.
   § 3. Toute clause résolutoire expresse dans la convention de transport est réputée non écrite.L'article 1184 du Code civil n'est pas applicable à la convention de transport.]1

  
Afdeling II. [1 - Sluiting, goedkeuring, einde en vernieuwing.]1
Art. 163quinquies. [1 § 1er. Lors de la négociation de la convention de transport, la SNCB et Infrabel sont représentées par leur comité de direction. La convention de transport est soumise à l'approbation des conseils d'administration statuant à la majorité des deux tiers des voix exprimées.
Art. 163quinquies. [1 § 1. Bij de onderhandeling en het sluiten van de vervoersovereenkomst worden de NMBS en Infrabel vertegenwoordigd door hun directiecomité. De vervoersovereenkomst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de raden van bestuur die er bij meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen over beslist.
   § 2. De Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer geeft een advies over elk ontwerp van vervoersovereenkomst of over elk ontwerp van wijziging van de vervoersovereenkomst binnen een termijn van een maand nadat de NMBS en Infrabel haar een gemeenschappelijk ontwerp hebben overgemaakt.
   De NMBS en Infrabel mogen niet overgaan tot de sluiting of de wijziging van de vervoersovereenkomst voor het verstrijken van de bovenstaande termijn van een maand.
   § 3. De vervoersovereenkomst en haar opeenvolgende wijzigingen treden pas in werking na goedkeuring door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en vanaf de datum vastgesteld bij dat besluit.]1

  
Art. 163sexies. [1 § 1er. La convention de transport est conclue pour une période de cinq ans.
   § 2. La convention de transport est adaptée, conformément à la procédure prévue à l'article 163quinquies, aux modifications du contrat de gestion de la SNCB et/ou d'Infrabel, dans la mesure où ces modifications le requièrent.
   En cas de différend sur la nécessité de modifier la convention de transport ou sur les modifications elles-mêmes, le Roi détermine par arrêté délibéré au Conseil des ministres, le contenu de la convention de transport, le cas échéant, modifiée, après avoir sollicité l'avis du Service de Régulation du Transport ferroviaire. Cette convention de transport est contraignante à l'égard de la SNCB et d'Infrabel. L'article 163quinquies, § 3, n'est pas applicable.
   § 3. La SNCB et Infrabel peuvent modifier à tout moment la convention de transport, de commun accord, conformément à la procédure prévue à l'article 163quinquies.
   § 4. Au plus tard six mois avant l'expiration de la convention de transport, la SNCB et Infrabel entament les négociations sur le contenu d'une nouvelle convention de transport. Si, à l'expiration de cette période, une nouvelle convention de transport n'est pas entrée en vigueur, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, provisoirement le contenu de la convention de transport après avoir sollicité l'avis du Service de Régulation du Transport ferroviaire. Cette convention est contraignante à l'égard de la SNCB et d'Infrabel jusqu'à la conclusion d'une nouvelle convention de transport, conformément aux dispositions du présent chapitre.]1

  
Art. 163sexies. [1 § 1. De vervoersovereenkomst wordt gesloten voor een duur van vijf jaar.
   § 2. De vervoersovereenkomst wordt, overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 163quinquies, aangepast aan de wijzigingen van het beheerscontract van de NMBS en/of Infrabel, voor zover deze wijzigingen dit vereisen.
   In het geval van onenigheid omtrent de noodzaak om de vervoersovereenkomst te wijzigen of omtrent de wijzigingen zelf, bepaalt de Koning bij besluit genomen na overleg in de Ministerraad, de inhoud van de in voorkomend geval gewijzigde vervoersovereenkomst, na het advies te hebben ingewonnen van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer. Deze vervoersovereenkomst is bindend voor de NMBS en Infrabel. Het artikel 163quinquies, § 3, is niet van toepassing.
   § 3. De NMBS en Infrabel kunnen op elk moment in onderling akkoord de vervoersovereenkomst wijzigen overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 163quinquies.
   § 4. Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de vervoersovereenkomst, vatten de NMBS en Infrabel de onderhandelingen betreffende de inhoud van een nieuwe vervoersovereenkomst aan. Indien voor het verstrijken van deze periode geen nieuwe vervoersovereenkomst in werking is getreden, bepaalt de Koning, bij besluit genomen na overleg in de Ministerraad, voorlopig de inhoud van de vervoersovereenkomst na het advies van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer te hebben ingewonnen. Deze overeenkomst is bindend voor de NMBS en Infrabel tot op het ogenblik dat een nieuwe vervoersovereenkomst wordt gesloten, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.]1

  
Art. 163sexies. [1 § 1er. La convention de transport est conclue pour une période de cinq ans.
   § 2. La convention de transport est adaptée, conformément à la procédure prévue à l'article 163quinquies, aux modifications du contrat de gestion de la SNCB et/ou d'Infrabel, dans la mesure où ces modifications le requièrent.
   En cas de différend sur la nécessité de modifier la convention de transport ou sur les modifications elles-mêmes, le Roi détermine par arrêté délibéré au Conseil des ministres, le contenu de la convention de transport, le cas échéant, modifiée, après avoir sollicité l'avis du Service de Régulation du Transport ferroviaire. Cette convention de transport est contraignante à l'égard de la SNCB et d'Infrabel. L'article 163quinquies, § 3, n'est pas applicable.
   § 3. La SNCB et Infrabel peuvent modifier à tout moment la convention de transport, de commun accord, conformément à la procédure prévue à l'article 163quinquies.
   § 4. Au plus tard six mois avant l'expiration de la convention de transport, la SNCB et Infrabel entament les négociations sur le contenu d'une nouvelle convention de transport. Si, à l'expiration de cette période, une nouvelle convention de transport n'est pas entrée en vigueur, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, provisoirement le contenu de la convention de transport après avoir sollicité l'avis du Service de Régulation du Transport ferroviaire. Cette convention est contraignante à l'égard de la SNCB et d'Infrabel jusqu'à la conclusion d'une nouvelle convention de transport, conformément aux dispositions du présent chapitre.]1

  
Art. 163septies. [1 De Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer neemt een beslissing inzake de geschillen met betrekking tot de uitvoering van de vervoersovereenkomst binnen een termijn van dertig dagen.]1
  
Art. 163septies. [1 Le Service de Régulation du Transport ferroviaire tranche les litiges concernant l'exécution de la convention de transport endéans les trente jours.]1
  
HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepalingen en wijzigingen.
Art.164. 1°
Art.164.
  2°
Art. 164.
  2°
Art.165.
Art.166. Dans la loi du 25 juillet 1891 révisant la loi du 15 avril 1843 sur la police des chemins de fer, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'article 2, alinéa 2, est remplacé par la disposition suivante :
  " En aucun cas, les arbres ne peuvent être plantés, sans autorisation écrite de la S.N.C.B., à moins de 6 mètres du franc-bord du chemin de fer. ";
  2° à l'article 3, alinéas 1er, 3 et 4, les mots " sans autorisation du Gouvernement " sont remplacés par les mots " sans autorisation écrite de la S.N.C.B. ";
  3° à l'article 4, les mots " le Gouvernement " sont remplacés par les mots " la S.N.C.B. ";
  4° l'article 5 est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 5. Sans autorisation écrite de la S.N.C.B., il est défendu d'exécuter des fouilles, déblais ou excavations quelconques, même à titre provisoire, d'ouvrir ou d'exploiter des minières, tourbières, carrières, sablières, phosphatières, soit à ciel ouvert, soit souterraines, ou d'effectuer des travaux de recherches de mines, le long du chemin de fer, dans la distance de 20 mètres du franc-bord. ";
  5° à l'article 6, alinéa 3, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " autorisation du Gouvernement " sont remplacés par les mots " autorisation écrite de la S.N.C.B. ";
  b) les mots " par le feu des locomotives " sont remplacés par les mots " du fait de l'exploitation du chemin de fer ";
  6° à l'article 7, l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " A l'expiration du délai fixé par le jugement, la S.N.C.B. peut faire procéder d'office à la suppression des ouvrages illicites, aux frais du délinquant. ";
  7° à l'article 8, les mots " le Gouvernement " sont remplacés par les mots " la S.N.C.B. ".
Art.166. De wet van 25 juli 1891 tot herziening van de wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen, wordt gewijzigd als volgt :
  1° artikel 2, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " In geen geval mogen de bomen zonder schriftelijke toestemming van de N.M.B.S. op minder dan 6 meter van de vrije rand van de spoorweg worden geplant. ";
  2° in artikel 3, eerste, derde en vierde lid, worden de woorden " zonder machtiging van de Regering " vervangen door de woorden " zonder schriftelijke toestemming van de N.M.B.S. ";
  3° in artikel 4, worden de woorden " de Regering " vervangen door de woorden " de N.M.B.S. ";
  4° artikel 5 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 5. Zonder schriftelijke toestemming van de N.M.B.S., is het verboden langs de spoorweg binnen een afstand van 20 meter van de vrije rand, zelfs voorlopig, opgravingen, uitgravingen of uithollingen te verrichten, mijnen, venen, steengroeven, zandputten of fosfaatmijnen, in open lucht of ondergronds, te openen of werken tot het opsporen van mijnen uit te voeren. ";
  5° in artikel 6, derde lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de woorden " machtiging van de Regering " worden vervangen door de woorden " schriftelijke toestemming van de N.M.B.S. ";
  b) de woorden " door het vuur van de locomotieven " worden vervangen door de woorden " door de exploitatie zelf van de spoorweg ";
  6° in artikel 7, wordt het derde lid vervangen door de volgende bepaling :
  " Bij het vervallen van de termijn, bepaald bij het vonnis, mag de N.M.B.S. de onwettig bestaande werken van ambtswege doen wegruimen op de kosten van de overtreder. ";
  7° in artikel 8, worden de woorden " de Regering " vervangen door de woorden " de N.M.B.S. ".
Art. 166. Dans la loi du 25 juillet 1891 révisant la loi du 15 avril 1843 sur la police des chemins de fer, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'article 2, alinéa 2, est remplacé par la disposition suivante :
  " En aucun cas, les arbres ne peuvent être plantés, sans autorisation écrite de la S.N.C.B., à moins de 6 mètres du franc-bord du chemin de fer. ";
  2° à l'article 3, alinéas 1er, 3 et 4, les mots " sans autorisation du Gouvernement " sont remplacés par les mots " sans autorisation écrite de la S.N.C.B. ";
  3° à l'article 4, les mots " le Gouvernement " sont remplacés par les mots " la S.N.C.B. ";
  4° l'article 5 est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 5. Sans autorisation écrite de la S.N.C.B., il est défendu d'exécuter des fouilles, déblais ou excavations quelconques, même à titre provisoire, d'ouvrir ou d'exploiter des minières, tourbières, carrières, sablières, phosphatières, soit à ciel ouvert, soit souterraines, ou d'effectuer des travaux de recherches de mines, le long du chemin de fer, dans la distance de 20 mètres du franc-bord. ";
  5° à l'article 6, alinéa 3, les modifications suivantes sont apportées :
  a) les mots " autorisation du Gouvernement " sont remplacés par les mots " autorisation écrite de la S.N.C.B. ";
  b) les mots " par le feu des locomotives " sont remplacés par les mots " du fait de l'exploitation du chemin de fer ";
  6° à l'article 7, l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " A l'expiration du délai fixé par le jugement, la S.N.C.B. peut faire procéder d'office à la suppression des ouvrages illicites, aux frais du délinquant. ";
  7° à l'article 8, les mots " le Gouvernement " sont remplacés par les mots " la S.N.C.B. ".
Art.167. § 1. In artikel 1, tweede lid, van de wet van 23 juli 1926 houdende oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen wordt het woord " Regering " vervangen door het woord " Koning ".
  § 2. Het derde lid van hetzelfde artikel wordt opgeheven.
Art.168. § 1er. Les articles 5, 7, 7bis, 7ter, 7quater et 7quinquies de la loi du 26 juillet 1926 cessent leurs effets à la date des nominations visées à l'article 48 de la présente loi.
  § 2. L'article 162 de la présente loi entre en vigueur à la date des nominations visées à l'article 48.
  § 3. Les autres dispositions du titre V entrent en vigueur à la date de l'arrêté portant approbation du premier contrat de gestion de la Société nationale des chemins de fer belges, conformément au titre Ier de la présente loi.
Art.168. § 1. De artikelen 5, 7, 7bis, 7ter, 7quater en 7quinquies van de wet van 26 juli 1926 houden op van kracht te zijn op de datum van de benoemingen bedoeld bij artikel 48 van deze wet.
  § 2. Artikel 162 van deze wet treedt in werking op de datum van de benoemingen bedoeld in artikel 48.
  § 3. De andere bepalingen van titel V treden in werking op de datum van het besluit houdende goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen overeenkomstig titel I van deze wet.
Art. 168. § 1er. Les articles 5, 7, 7bis, 7ter, 7quater et 7quinquies de la loi du 26 juillet 1926 cessent leurs effets à la date des nominations visées à l'article 48 de la présente loi.
  § 2. L'article 162 de la présente loi entre en vigueur à la date des nominations visées à l'article 48.
  § 3. Les autres dispositions du titre V entrent en vigueur à la date de l'arrêté portant approbation du premier contrat de gestion de la Société nationale des chemins de fer belges, conformément au titre Ier de la présente loi.
TITEL VI. - [1 Skeyes.]1
TITRE VI. - [1 Skeyes.]1
HOOFDSTUK I. - (Doel en taken van openbare dienst.)
Art.169. [1 Skeyes]1 est une entreprise publique autonome relevant du ministre qui a les transports dans ses attributions.
Art.169. <KB 1998-04-02/34, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 02-10-1998> [1 Skeyes]1 is een autonoom overheidsbedrijf dat ressorteert onder de minister tot wiens bevoegdheid het vervoer behoort.
  
Art.170. <AR 1998-04-02/34, art. 32, 019; En vigueur : 02-10-1998> [1 Skeyes]1 a pour objet : 1° d'assurer la sécurité de la navigation aérienne dans les espaces aériens dont l'Etat belge est responsable en vertu de la Convention relative à l'Aviation civile internationale du 7 décembre 1944, notamment son annexe 2, approuvée par la loi du 30 avril 1947, ou en vertu de tout autre accord international;
  2° d'assurer à l'aéroport de Bruxelles-National le contrôle des mouvements des aéronefs en approche, à l'atterrissage, au décollage et sur les pistes et les voies de circulation, ainsi que le guidage des aéronefs sur les aires de trafic, et de continuer à assurer la sécurité du trafic aérien des aéroports et aérodromes publics régionaux conformément à l'accord de coopération conclu le 30 novembre 1989 avec les Régions;
  3° de fournir aux services de police et d'inspection aéronautique et aéroportuaire des informations relatives aux aéronefs, à leur pilotage, à leurs mouvements et aux effets observables de ceux-ci;
  4° de fournir des informations météorologiques pour la navigation aérienne, ainsi que des services de télécommunications ou autres services liés aux activités visées aux 1° ou 2°.
  
Art.170. <KB 1998-04-02/34, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 02-10-1998> [1 Skeyes]1 heeft tot doel : 1° de veiligheid van het luchtverkeer waarborgen in het luchtruim waarvoor de Belgische Staat verantwoordelijk is krachtens de Overeenkomst betreffende de Internationale Burgerlijke Luchtvaart van 7 december 1944, inzonderheid bijlage 2, goedgekeurd bij wet van 30 april 1947, of krachtens enig ander internationaal akkoord;
  2° op de luchthaven Brussel-Nationaal de bewegingen van de luchtvaartuigen controleren bij de nadering, de landing, het opstijgen en op de landingsen rolbanen, alsook de geleiding van de luchtvaartuigen op de platforms, en de veiligheid van het luchtverkeer blijven waarborgen op de gewestelijke openbare luchthavens en luchtvaartterreinen overeenkomstig het samenwerkingsakkoord dat op 30 november 1989 met de Gewesten is gesloten;
  3° aan de politie-, luchtvaart- en luchthaveninspectie-diensten inlichtingen verschaffen betreffende de luchtvaartuigen, de besturing, de bewegingen en de waarneembare gevolgen ervan;
  4° weerkundige inlichtingen verschaffen voor de luchtvaart, alsook telecommunicatiediensten of andere diensten verstrekken die verband houden met de activiteiten genoemd in 1° en 2°.
  
Art. 170. <AR 1998-04-02/34, art. 32, 019; En vigueur : 02-10-1998> [1 Skeyes]1 a pour objet : 1° d'assurer la sécurité de la navigation aérienne dans les espaces aériens dont l'Etat belge est responsable en vertu de la Convention relative à l'Aviation civile internationale du 7 décembre 1944, notamment son annexe 2, approuvée par la loi du 30 avril 1947, ou en vertu de tout autre accord international;
  2° d'assurer à l'aéroport de Bruxelles-National le contrôle des mouvements des aéronefs en approche, à l'atterrissage, au décollage et sur les pistes et les voies de circulation, ainsi que le guidage des aéronefs sur les aires de trafic, et de continuer à assurer la sécurité du trafic aérien des aéroports et aérodromes publics régionaux conformément à l'accord de coopération conclu le 30 novembre 1989 avec les Régions;
  3° de fournir aux services de police et d'inspection aéronautique et aéroportuaire des informations relatives aux aéronefs, à leur pilotage, à leurs mouvements et aux effets observables de ceux-ci;
  4° de fournir des informations météorologiques pour la navigation aérienne, ainsi que des services de télécommunications ou autres services liés aux activités visées aux 1° ou 2°.
  
Art.171. <KB 1998-04-02/34, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 02-10-1998> De activiteiten genoemd in artikel 170, 1° tot 3°, zijn taken van openbare dienst.
Art.172. <AR 1998-04-02/34, art. 32, 019; En vigueur : 02-10-1998> [1 Skeyes]1 fixe les redevances pour les services qu'elle rend dans le cadre des missions visées à l'article 171, dans le respect des principes de base et limites établis dans le contrat de gestion.
  
Art.172. <KB 1998-04-02/34, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 02-10-1998> [1 Skeyes]1 stelt de vergoedingen vast voor de diensten die zij verstrekt in het kader van de taken genoemd in artikel 171, met inachtneming van de grondregelen en de grenzen bepaald in het beheerscontract.
  
Art. 172bis. Outre l'application des dispositions visées à l'article 38, §§ 1er, 2 et 3, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, décider de la transformation de l'entreprise publique autonome [1 skeyes]1 en société anonyme de droit public, aux conditions et avec les statuts qu'Il détermine. Les §§ 4, 5 et 6 sont applicables à une telle transformation. Un réviseur d'entreprises, désigné par le ministre dont relève [1 skeyes]1, fait rapport sur un état résumant l'actif et le passif et indiquant le montant du capital social après la transformation. Ce montant ne peut être supérieur à l'actif net, tel qu'il résulte de l'état précité qui est établi par le conseil d'administration ou le réviseur désigné par le ministre. Les conclusions du réviseur d'entreprises sont reprises dans le rapport au Roi.
  
Art. 172bis. <INGEVOEGD bij W 2004-12-27/30, art. 317, Inwerkingtreding : 10-01-2005> Buiten de toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 38, §§ 1, 2 en 3, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, ertoe besluiten dat het autonoom overheidsbedrijf [1 skeyes]1 in een naamloze vennootschap van publiek recht wordt omgezet onder de voorwaarden en met de statuten die Hij vaststelt. De §§ 4, 5 en 6 zijn op een dergelijke omzetting van toepassing. Een bedrijfsrevisor aangeduid door de minister onder wie [1 skeyes]1 ressorteert, brengt verslag uit over een staat waarin activa en passiva zijn samengevat en waarin het bedrag van het maatschappelijk kapitaal na omzetting wordt aangegeven. Dat bedrag mag niet hoger zijn dan de netto-activa zoals ze uit voormelde staat blijken die door de raad van bestuur of door de revisor aangeduid door de minister, wordt vastgesteld. De besluiten van de bedrijfsrevisor worden in het verslag aan de Koning opgenomen.
  
Art. 172bis. Outre l'application des dispositions visées à l'article 38, §§ 1er, 2 et 3, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, décider de la transformation de l'entreprise publique autonome [1 skeyes]1 en société anonyme de droit public, aux conditions et avec les statuts qu'Il détermine. Les §§ 4, 5 et 6 sont applicables à une telle transformation. Un réviseur d'entreprises, désigné par le ministre dont relève [1 skeyes]1, fait rapport sur un état résumant l'actif et le passif et indiquant le montant du capital social après la transformation. Ce montant ne peut être supérieur à l'actif net, tel qu'il résulte de l'état précité qui est établi par le conseil d'administration ou le réviseur désigné par le ministre. Les conclusions du réviseur d'entreprises sont reprises dans le rapport au Roi.
  
HOOFDSTUK II. - (Bestuur.)
Art.173. § 1er. En ce qui concerne [1 skeyes]1, les modifications suivantes sont apportées à l'article 18 : 1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
Art.173. <KB 1998-04-02/34, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 02-10-1998> § 1. Wat [1 skeyes]1 betreft, worden in artikel 18 de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De raad van bestuur van [1 skeyes]1 is samengesteld uit ten minste acht leden en ten hoogste twaalf leden, met inbegrip van de gedelegeerd bestuurder";
  2° de woorden "gewone leden" en "gewone leden van de raad van bestuur" worden vervangen door het woord "bestuurders";
  3° in § 3 worden tussen de woorden "hernieuwbare termijn van" en "zes jaar" de woorden "ten hoogste" ingevoegd;
  4° in § 4 wordt de verwijzing naar artikel 20 geschrapt.
  § 2. Wat [1 skeyes]1 betreft, worden in artikel 20 de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de eerste zin van § 2 worden tussen de woorden "hernieuwbare termijn van" en "zes jaar" de woorden "ten hoogste" ingevoegd;
  2° de laatste zin van § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Hij kan slechts worden ontslagen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op eensluidend gemotiveerd advies van de raad van bestuur aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen";
  3° § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De raad van bestuur benoemt, op voordracht van de gedelegeerd bestuurder, de andere leden van het directiecomité voor een hernieuwbare termijn van ten hoogste zes jaar. (Het lid verantwoordelijk voor de luchtverkeersleiding moet operationele ervaring hebben inzake burgerlijke luchtverkeersleiding). De leden van het directiecomité kunnen slechts worden ontslagen bij een beslissing van de raad van bestuur genomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen." <KB 1998-07-17/31, art. 8, 020; Inwerkingtreding : 02-10-1998>
  § 3. Wat [1 skeyes]1 betreft, worden in de artikelen 20 tot 22 de woorden "bestuurder-directeur" en "bestuurders-directeurs" vervangen door de woorden "lid van het directiecomité" respectievelijk "leden van het directiecomité".
  § 4. Teneinde de raad bij te staan in het onderzoek van de rekeningen, de begrotingscontrole en elke andere aangelegenheid van interne controle, richt de raad van bestuur in zijn midden een auditcomité op samengesteld uit ten minste vier bestuurders andere dan de gedelegeerd bestuurder. De voorzitter van de raad en de Regeringscommissaris worden op de vergaderingen van het auditcomité uitgenodigd en hebben raadgevende stem.
  
Art. 173. <AR 1998-04-02/34, art. 32, 019; En vigueur : 02-10-1998> § 1er. En ce qui concerne [1 skeyes]1, les modifications suivantes sont apportées à l'article 18 : 1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  "Le conseil d'administration de [1 skeyes]1 se compose de huit membres au moins et de douze membres au plus, en ce compris l'administrateur délégué";
  2° les mots "membres ordinaires" et "membres ordinaires du conseil d'administration" sont remplacés par le mot "administrateurs";
  3° au § 3, les mots "au plus" sont ajoutés après les mots "six ans";
  4° au § 4, le renvoi à l'article 20 est supprimé.
  § 2. En ce qui concerne [1 skeyes]1, les modifications suivantes sont apportées à l'article 20 :
  1° dans la première phrase du § 2, les mots "au plus" sont ajoutés après les mots "six ans";
  2° la dernière phrase du § 2 est remplacée par la disposition suivante :
  "Il ne peut être révoqué que par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, sur avis conforme motivé du conseil d'administration adopté à la majorité des deux tiers des voix exprimées";
  3° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
  "Le conseil d'administration nomme, sur la proposition de l'administrateur délégué, les autres membres du comite de direction pour un terme renouvelable de six ans au plus. Le membre responsable pour le contrôle de la circulation aérienne doit avoir une expérience opérationnelle de contrôle aérien civil. Les membres du comité de direction ne peuvent être révoqués que par décision du conseil d'administration adoptée à la majorité des deux tiers des voix exprimées."
  § 3. En ce qui concerne [1 skeyes]1, dans les articles 20 à 22, les mots "administrateur-directeur" et "administrateurs-directeurs" sont remplacés respectivement par les mots "membre du comité de direction" et "membres du comité de direction".
  § 4. En vue d'assister le conseil dans l'examen des comptes, le contrôle du budget et toute autre question de contrôle interne, le conseil d'administration constitue en son sein un comité d'audit composé d'au moins quatre administrateurs autres que l'administrateur délégué. Le président du conseil et le commissaire du Gouvernement sont invités aux réunions du comité d'audit et y siègent avec voix consultative.
  
Art.174. <KB 1998-04-02/34, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 02-10-1998> De raad van bestuur en het directiecomité van [1 skeyes]1 bestaan uit evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. De voorzitter van de raad van bestuur en de gedelegeerd bestuurder behoren tot een verschillende taalgroep. De leden die noch Nederlandstalig noch Franstalig zijn, worden niet in aanmerking genomen om de taalpariteit te bepalen.
  
Art. 174. <AR 1998-04-02/34, art. 32, 019; En vigueur : 02-10-1998> Le conseil d'administration et le comité de direction de [1 skeyes]1 comprennent autant de membres d'expression française que d'expression néerlandaise. Le président du conseil d'administration et l'administrateur délégué sont d'expression linguistique différente. Les membres qui ne sont ni d'expression française ni d'expression néerlandaise ne sont pas pris en compte pour déterminer la parité linguistique.
  
HOOFDSTUK III. - (Personeel.)
Art.175. § 1er. Les dispositions de l'article 29, § 1er, sont sans préjudice du droit de [1 skeyes]1 d'employer sous régime contractuel les travailleurs qu'elle occupait sous un tel régime à la date de son classement en entreprise publique autonome.
Art.175. <KB 1998-04-02/34, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 02-10-1998> § 1. De bepalingen van artikel 29, § 1, gelden onverminderd het recht van [1 skeyes]1 om de werknemers die zij op de datum van haar indeling als autonoom overheidsbedrijf onder een contractueel stelsel in dienst had, onder zulk stelsel tewerk te stellen.
  § 2. In de gevallen en tegen de voorwaarden bepaald in een regeling aangenomen door het paritair comité met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, kan [1 skeyes]1 personeel aanwerven en tewerkstellen op basis van een arbeidsovereenkomst beheerst door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten buiten de gevallen bepaald in artikel 29, § 1, tweede lid.
  § 3. Een regeling aangenomen door het paritair comité met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen en bekrachtigd door de Koning kan een facultatief stelsel inrichten dat leden van het statutair personeel van [1 skeyes]1 de mogelijkheid biedt om naar een contractueel stelsel over te gaan.
  
Art.176. <AR 1998-04-02/34, art. 32, 019; En vigueur : 02-10-1998> § 1er. Dans l'article 7 de l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies institués par l'Etat, modifié par les lois des 28 avril 1958, 1er juillet 1971, 11 juillet 1975, 17 mai 1976 et 15 juillet 1977, l'arrêté royal n° 429 du 5 août 1986 et l'arrêté royal du 2 avril 1998, la mention "Régie des voies aériennes" est supprimée.
  § 2. (1. Pour l'application de ce paragraphe et des paragraphes suivants, il faut entendre par :
  1° " les membres du personnel " : les membres du personnel de [4 skeyes]4, ainsi que les membres du personnel de l'ancienne Régie des voies aériennes qui n'étaient pas affectés aux services en charge des activités au sol, titulaires d'une nomination à titre définitif ou d'une nomination y assimilée par ou en vertu d'une loi.
  2° [1 "le Service des Pensions" : "le Service fédéral des Pensions";]1
  § 2. 2. Les membres du personnel bénéficient, à partir du 1er janvier 2005, d'une pension de retraite à charge du Trésor public dans les mêmes conditions et selon les mêmes modalités que les fonctionnaires publics.) <AR 2004-12-27/37, art. 1, 054; En vigueur : 31-12-2004>
  § 3. ([4 Skeyes]4 virera un montant total de 190.897.114 d'euros au profit de l'Etat, le 31 décembre 2004 à minuit ou avant cette date. Cette cotisation patronale unique est une cotisation ordinaire de sécurité sociale en compensation des droits de pension de retraite accumulés jusqu'au 31 décembre 2004 des pensionnés à cette date ainsi que de ceux qui ont quitté l'entreprise et qui se sont constitués des droits de pension différés et des contrôleurs de la circulation aérienne qui sont en disponibilité obligatoire pour incapacité fonctionnelle. Le cas échéant, le Roi peut, pour l'ensemble des paiements ou une partie de ceux-ci, reporter cette échéance d'une période de quatorze jours au plus et déterminer les modalités afférentes à cette prolongation.
  [4 Skeyes]4 est autorisée à contracter sous la garantie de l'Etat un emprunt d'un montant correspondant à la différence entre le montant visé à l'alinéa 1er et le montant des provisions pour les obligations de pension constituées par [4 skeyes]4. Cette différence entre le montant visé à l'alinéa 1er et le montant des provisions pour les obligations de pension constituées par [4 skeyes]4 sont à considérer pour [4 skeyes]4 comme des frais de restructuration qui conformément à l'article 58 de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du code des sociétés, peuvent être portés à l'actif. Par dérogation à l'article 59 de l'arrêté royal précité, [4 skeyes]4 peut amortir ces frais activés par tranches annuelles de minimum 10 %.
  Par dérogation à l'article 12, § 2, 2°, [4 skeyes]4 n'est pas soumis à l'arrêté royal n° 517 du 31 mars 1987 instaurant une prime annuelle sur les nouveaux engagements garantis par l'Etat de certaines institutions du secteur public, pour tout emprunt contracté dans le cadre des obligations de paiement visées à l'alinéa 1er à l'Etat.
  Le Roi peut prévoir que le versement visé à l'alinéa 1er peut être totalement ou partiellement effectués par le transfert à l'Etat d'instruments financiers désignés par le Roi sur la proposition du Ministre des Finances.) <AR 2004-12-27/37, art. 2, 054; En vigueur : 31-12-2004>
  § 4. (A partir du salaire dû pour janvier 2005, [4 skeyes]4 est redevable d'une cotisation patronale équivalente à 35 %. Cette cotisation patronale est fixée sur la base des traitements ainsi que sur les autres éléments de la rémunération qui sont pris en considération pour le calcul de la pension de retraite. Les dispositions des articles 61 et 61bis de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension s'appliquent à la cotisation patronale susmentionnée.
  Le pourcentage prévu à l'alinéa 1er pourra être revu en concertation avec [4 skeyes]4 si la réglementation en matière de pension applicable au 31 décembre 2004 sur la base de laquelle ce pourcentage a été fixé, devait être modifiée ou si le nombre et la composition des engagements statutaires dévient par rapport à l'hypothèse arrêté pour le calcul de base.
  La cotisation patronale visée à l'alinéa 1er est une cotisation ordinaire de sécurité sociale.) <AR 2004-12-27/37, art. 3, 054; En vigueur : 01-01-2005>
  § 5. (1. Si à un quelconque moment après le 1er janvier 2005, les obligations de pension augmentent ou diminuent à la suite d'une initiative de [4 skeyes]4, [4 skeyes]4 fera un paiement de compensation au [1 Service fédéral des Pensions]1 ou ce dernier fera un paiement de compensation à [4 skeyes]4. <L 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; En vigueur : 01-01-2006>
  § 5.2. Les situations visées au § 5.1 sont :
  a) Toute modification apportée à partir du 1er janvier 2005 à l'initiative de [4 skeyes]4 au statut pécuniaire entraînant une majoration des pensions de retraite à la suite de l'application de l'article 12 de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public;
  b) Majorations individuelles réelles de traitement au-delà de l'évolution individuelle du traitement barémique qui est utilisée pour les calculs actuariels au 31 décembre 2004 et au-delà de l'inflation;
  c) Plans sociaux.
  § 5.3. Les paiements de compensation dont il est question au § 5.1 qui sont dus dans les cas énumérés au § 5.2 sont calculés et limités comme suit :
  A. Dans le cas visé au § 5.2, a, [4 skeyes]4 paie au (Service des Pensions du Secteur public) la valeur actuelle de la majoration des pensions de retraite, pour les pensions de retraite immédiates et différées des anciens membres du personnel. Ce paiement de compensation est dû au moment où la majoration est payée effectivement pour la première fois aux bénéficiaires et uniquement pour les pensions de retraite en cours. <L 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; En vigueur : 01-01-2006>
  B. Dans le cas visé au § 5.2, b, un paiement de compensation est dû pour toute nouvelle pension de retraite immédiate accordée à partir du 1er janvier 2005, sur la différence entre la pension de retraite effectivement octroyée reliée à l'indice 138,01 et la pension de retraite déterminée sur la même base, mais avec un traitement moyen qui est le résultat de l'évolution normale du membre du personnel statutaire à travers les échelles de traitement à l'indice 138,01 applicables chez [4 skeyes]4 au 1er janvier 2005 et tenant compte des promotions connues à cette date. La valeur capitalisée des cotisations qui sont payées en vertu du § 4 sur la différence entre le traitement qui aurait été appliqué pour une évolution normale et le traitement augmenté réellement payé, est déduite pour le calcul des paiements de compensation le cas échéant dus par [4 skeyes]4.
  Si la période de référence pour le calcul de la pension de retraite se situe entièrement ou pour partie avant le 1er janvier 2005, la pension théorique pour cette partie de la période de référence sera calculée sur les traitements réels pour cette période
  Si le membre du personnel est entré en service au plus tôt le 1er janvier 2005, dans ce cas pour la détermination du traitement moyen qui est le résultat de l'évolution normale à travers les échelles de traitement à l'indice 138,01 applicables chez [4 skeyes]4 au 1er janvier 2005, il est considéré que ces échelles de traitement et cette évolution normale lui étaient applicables au moment de son engagement.
  Si la pension de retraite effectivement octroyée est supérieure à la pension théorique telle que décrite ci-dessus, [4 skeyes]4 est redevable de la valeur actuelle de la différence après application de la déduction mentionnée plus haut. Cette valeur actuelle, dont le mode de calcul est fixé par le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, doit être payée au (Service des Pensions du Secteur public). <L 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; En vigueur : 01-01-2006>
  Si la pension de retraite effectivement octroyée est inférieure à la pension théorique, le (Service des Pensions du Secteur public) sera redevable à [4 skeyes]4 de la valeur actuelle de la différence. <L 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; En vigueur : 01-01-2006>
  C. Dans le cas visé au § 5.2, c, si à partir du 1er janvier 2005, [4 skeyes]4 autorise une nouvelle forme de congé préalable à la retraite, [4 skeyes]4 devra payer la cotisation patronale telle que définie au § 4 sur le montant non réduit du traitement qui sert de base au calcul du montant de la pension. Pour les périodes qui, à la suite de l'application de l'arrêté royal n° 442 du 14 août 1986 relatif à l'incidence de certaines positions administratives sur les pensions des agents des services publics ou d'autres réglementations similaires, ne relèvent pas totalement ou en partie du calcul de la pension, la cotisation patronale n'est pas due ou n'est due qu'au pro rata.
  § 5.4. Les paiements de compensation dont il est question aux §§ 5.1 à 5.3, sont considérés comme des cotisations ordinaires de sécurité sociale.
  § 5.5. Les facteurs actuariels sur la base desquels la valeur actuelle et la valeur capitalisée sont calculées sont déterminés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  § 5.6. Les modalités plus précises de paiement sont, en exécution du présent arrêté, déterminées par arrêté royal.) <AR 2004-12-27/37, art. 4, 054; En vigueur : 01-01-2005>
  (§ 6. L'article 12bis de la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit ne s'applique pas à la restructuration des obligations de pensions de [4 skeyes]4.) <AR 2004-12-27/37, art. 5, 054; En vigueur : 01-01-2005>
  [2 § 7. Par dérogation aux articles 33 et 34, à partir du premier janvier 2017, toute nouvelle forme de mise en disponibilité avec traitement d'attente ou de congé préalable à la pension avec traitement d'attente accordés par [1 skeyes]1 à ses membres du personnel, nommés dans les grades liés à la carrière de contrôleur de la circulation aérienne, est fixée par arrêté royal.]2
  [3 § 8. En ce qui concerne les obligations de [4 skeyes]4 en matière de provisions pour risques et charges pour la disponibilité et le congé préalable à la pension de son personnel, [4 skeyes]4 ne doit pas constituer de provision.]3
  
Art.176. § 1. In artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, gewijzigd bij de wetten van 28 april 1958, 1 juli 1971, 11 juli 1975, 17 mei 1976 en 15 juli 1977, het koninklijk besluit nr. 429 van 5 augustus 1986 en het koninklijk besluit van 2 april 1998, wordt de vermelding "Regie der Luchtwegen" geschrapt.
  § 2. (1. Voor de toepassing van deze paragraaf en de volgende paragrafen wordt verstaan onder :
  1° " de personeelsleden " : de personeelsleden van [4 skeyes]4 en de personeelsleden van de voormalige Regie der Luchtwegen die niet tewerkgesteld waren in de diensten belast met grondactiviteiten, titularis van een vaste benoeming of een daarmee gelijkgestelde benoeming door of krachtens een wet.
  2° [1 "de Pensioendienst" : "de Federale Pensioendienst".]1
  § 2. 2. De personeelsleden genieten, met ingang van 1 januari 2005, een rustpensioen ten laste van de Staatskas onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde regels als de rijksambtenaren.) <KB 2004-12-27/37, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 31-12-2004>
  (§ 3. [4 Skeyes]4 zal een totaal bedrag van 190.897.114 euro overmaken ten gunste van de Staat, op of voor 31 december 2004, om middernacht. Deze eenmalige patronale bijdrage is een gewone sociale zekerheidsbijdrage ter compensatie van de opgebouwde rustpensioenrechten tot en met 31 december 2004 van de op dat ogenblik gepensioneerden alsook van diegenen die het bedrijf verlaten hebben en uitgestelde pensioenrechten hebben opgebouwd en van de luchtverkeersleiders die in verplichte disponibiliteit voor functionele ongeschiktheid zijn. In voorkomend geval kan de Koning voor het geheel of een gedeelte van de betalingen deze vervaldag uitstellen met een maximale periode van veertien dagen en de nadere regels bepalen die gepaard gaan met deze verlenging.
  [4 Skeyes]4 wordt gemachtigd om onder staatswaarborg een lening af te sluiten overeenstemmend met het verschil tussen het bedrag bedoeld in lid 1 en het bedrag van de door [4 skeyes]4 aangelegde voorzieningen. Dat verschil tussen het bedrag bedoeld in lid 1 en het bedrag van de door [4 skeyes]4 aangelegde voorzieningen voor de pensioenverplichtingen zijn voor [4 skeyes]4 te beschouwen als herstuctureringskosten die overeenkomstig artikel 58 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen, onder de activa kunnen worden opgenomen. In afwijking van artikel 59 van voormeld koninklijk besluit, kan [4 skeyes]4 deze geactiveerde kosten afschrijven per jaarlijkse tranches van ten minste 10 %.
  In afwijking van artikel 12, § 2, 2°, is [4 skeyes]4 niet onderworpen aan het koninklijk besluit nr. 517 van 31 maart 1987 ter invoering van een jaarlijkse premie op de door de Staat gewaarborgde nieuwe verbintenissen van bepaalde instellingen van de openbare sector voor elke lening aangegaan in het kader van de betalingsverplichtingen bedoeld in het eerste lid aan de Staat.
  De Koning kan bepalen dat de in het eerste lid bedoelde betaling geheel of gedeeltelijk kan worden uitgevoerd door overdracht aan de Staat van door de Koning op voorstel van de Minister van Financiën aan te duiden financiële instrumenten.) <KB 2004-12-27/37, art. 2, 054; Inwerkingtreding : 31-12-2004>
  (§ 4. [4 skeyes]4 is vanaf de voor januari 2005 verschuldigde bezoldiging een patronale bijdrage verschuldigd gelijk aan 35 %. Deze patronale bijdrage wordt vastgesteld op basis van de wedden evenals de andere bezoldigingselementen die in aanmerking genomen worden voor de berekening van het rustpensioen. De bepalingen van de artikelen 61 en 61bis van voormelde wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen zijn toepasselijk op de bovenvermelde patronale bijdrage.
  Het percentage voorzien in het eerste lid kan worden herzien in overleg met [4 skeyes]4 indien de pensioenregelgeving toepasselijk op 31 december 2004 op basis waarvan dit percentage werd vastgesteld, zou worden gewijzigd of indien het aantal en de samenstelling van de statutaire aanwervingen afwijken van de hypothese aangenomen voor de berekeningsbasis.
  De patronale bijdrage bedoeld in lid 1 is een gewone sociale zekerheidsbijdrage.) <KB 2004-12-27/37, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  § 5. (1. Indien op enig tijdstip na 1 januari 2005 de pensioenverplichtingen toenemen of verminderen tengevolge van een initiatief van [4 skeyes]4, dan zal [4 skeyes]4 aan [1 de Federale Pensioendienst]1 of zal [1 de Federale Pensioendienst]1 aan [4 skeyes]4, een compensatiebetaling moeten verrichten. <W 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  § 5.2. De situaties bedoeld in § 5.1 zijn :
  a) Elke wijziging aangebracht vanaf 1 januari 2005 op initiatief van [4 skeyes]4 aan het geldelijk statuut die een verhoging van de rustpensioenen tot gevolg heeft ingevolge de toepassing van artikel 12 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector;
  b) Individuele reële weddeverhogingen bovenop de individuele baremieke wedde-evolutie die gebruikt is voor de actuariële berekeningen per 31 december 2004 en bovenop de inflatie;
  c) Sociale plannen.
  § 5.3. De compensatiebetalingen waarvan sprake in § 5.1 die verschuldigd zijn in de gevallen opgesomd onder § 5.2 worden berekend en beperkt als volgt :
  A. In het geval bedoeld in § 5.2, a, betaalt [4 skeyes]4 voor de onmiddellijke en uitgestelde rustpensioenen van de gewezen personeelsleden aan (de Pensioendienst voor de overheidssector) de actuele waarde van de verhoging van de rustpensioenen. Deze compensatiebetaling is verschuldigd op het ogenblik dat de verhoging effectief voor het eerst wordt uitbetaald aan de begunstigden en alleen op de dan lopende rustpensioenen. <W 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  B. In het geval bedoeld in § 5.2, b, is een compensatiebetaling verschuldigd voor elk nieuw onmiddellijk rustpensioen toegekend vanaf 1 januari 2005, op het verschil tussen het effectief toegekende rustpensioen uitgedrukt aan index 138,01 en het rustpensioen vastgesteld op identiek dezelfde basis, maar met een gemiddelde wedde die het resultaat is van de normale evolutie van het statutair personeelslid doorheen de weddenschalen aan index 138,01 toepasselijk bij [4 skeyes]4 op 1 januari 2005 en rekening houdend met de gekende promoties op die datum. De gekapitaliseerde waarde van de bijdragen die betaald zijn ingevolge § 4 op het verschil tussen de wedde die bij normale evolutie was toepasselijk geweest en de reëel uitbetaalde verhoogde wedde, wordt voor de berekening van de compensatiebetalingen desgevallend verschuldigd door [4 skeyes]4 in mindering gebracht.
  Indien de referteperiode voor de berekening van het rustpensioen zich geheel of gedeeltelijk bevindt vóór 1 januari 2005, dan zal het theoretisch pensioen voor dit deel van de referteperiode berekend worden op de reële wedden voor die periode.
  Indien het personeelslid in dienst is getreden ten vroegste op 1 januari 2005 dan wordt voor de bepaling van de gemiddelde wedde die het resultaat is van de normale evolutie van het personeelslid doorheen de weddenschalen aan index 138,01 toepasselijk bij [4 skeyes]4 op 1 januari 2005, ervan uitgegaan dat op hem deze weddenschalen en deze normale evolutie toepasselijk waren op het moment van zijn aanwerving.
  Indien het effectief toegekende rustpensioen hoger is dan het theoretisch pensioen zoals hierboven omschreven, is [4 skeyes]4 de actuele waarde van het verschil verschuldigd na toepassing van hoger vermelde aftrek. Deze actuele waarde, waarvan de berekeningswijze wordt vastgesteld door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, dient te worden betaald aan (de Pensioendienst voor de overheidssector). <W 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  Indien het effectief toegekende rustpensioen lager is dan het theoretisch pensioen, zal (de Pensioendienst voor de overheidssector) de actuele waarde van het verschil verschuldigd zijn aan [4 skeyes]4. <W 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  C. In het geval bedoeld in § 5.2, c, zal, indien [4 skeyes]4 vanaf 1 januari 2005 een nieuwe vorm van verlof voorafgaandelijk aan de pensionering toestaat, [4 skeyes]4 de patronale bijdrage zoals omschreven in § 4 dienen te betalen op het onverminderd bedrag van de wedde dat dient voor de berekening van het pensioenbedrag. Voor de periodes die ingevolge de toepassing van het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten of ingevolge andere soortgelijke regelingen geheel of gedeeltelijk buiten de pensioenberekening vallen, is geen of slechts een pro rata patronale bijdrage verschuldigd.
  § 5.4. De compensatiebetalingen waarvan sprake in §§ 5.1 tot en met 5.3 dienen te worden beschouwd als gewone sociale zekerheidsbijdragen.
  § 5.5. De actuariële factoren op grond waarvan de actuele waarde en de gekapitaliseerde waarde worden berekend zullen bij koninklijk besluit overlegd in Ministerraad.
  § 5.6. De nadere regels van betaling worden in uitvoering van dit besluit bij koninklijk besluit bepaald.) <KB 2004-12-27/37, art. 4, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  (§ 6. Artikel 12bis van de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden is niet van toepassing op de herstructurering van de pensioenverplichtingen van [4 skeyes]4.) <KB 2004-12-27/37, art. 5, 054; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  [2 § 7. In afwijking van de artikelen 33 en 34 wordt vanaf 1 januari 2017 elke nieuwe vorm van disponibiliteit met wachtgeld of van verlof met wachtgeld voorafgaand aan het pensioen toegestaan door [4 skeyes]4 aan zijn personeelsleden benoemd in de graden die op de loopbaan van luchtverkeersleider betrekking hebben, bij koninklijk besluit vastgesteld.]2
  [3 § 8. Voor de verplichtingen van [4 skeyes]4 inzake voorzieningen voor risico's en kosten voor disponibiliteit en verlof voorafgaand aan het pensioen van zijn personeel moet [4 skeyes]4 geen voorziening aanleggen.]3
  
Art. 176. <AR 1998-04-02/34, art. 32, 019; En vigueur : 02-10-1998> § 1er. Dans l'article 7 de l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies institués par l'Etat, modifié par les lois des 28 avril 1958, 1er juillet 1971, 11 juillet 1975, 17 mai 1976 et 15 juillet 1977, l'arrêté royal n° 429 du 5 août 1986 et l'arrêté royal du 2 avril 1998, la mention "Régie des voies aériennes" est supprimée.
  § 2. (1. Pour l'application de ce paragraphe et des paragraphes suivants, il faut entendre par :
  1° " les membres du personnel " : les membres du personnel de [4 skeyes]4, ainsi que les membres du personnel de l'ancienne Régie des voies aériennes qui n'étaient pas affectés aux services en charge des activités au sol, titulaires d'une nomination à titre définitif ou d'une nomination y assimilée par ou en vertu d'une loi.
  2° [1 "le Service des Pensions" : "le Service fédéral des Pensions";]1
  § 2. 2. Les membres du personnel bénéficient, à partir du 1er janvier 2005, d'une pension de retraite à charge du Trésor public dans les mêmes conditions et selon les mêmes modalités que les fonctionnaires publics.) <AR 2004-12-27/37, art. 1, 054; En vigueur : 31-12-2004>
  § 3. ([4 Skeyes]4 virera un montant total de 190.897.114 d'euros au profit de l'Etat, le 31 décembre 2004 à minuit ou avant cette date. Cette cotisation patronale unique est une cotisation ordinaire de sécurité sociale en compensation des droits de pension de retraite accumulés jusqu'au 31 décembre 2004 des pensionnés à cette date ainsi que de ceux qui ont quitté l'entreprise et qui se sont constitués des droits de pension différés et des contrôleurs de la circulation aérienne qui sont en disponibilité obligatoire pour incapacité fonctionnelle. Le cas échéant, le Roi peut, pour l'ensemble des paiements ou une partie de ceux-ci, reporter cette échéance d'une période de quatorze jours au plus et déterminer les modalités afférentes à cette prolongation.
  [4 Skeyes]4 est autorisée à contracter sous la garantie de l'Etat un emprunt d'un montant correspondant à la différence entre le montant visé à l'alinéa 1er et le montant des provisions pour les obligations de pension constituées par [4 skeyes]4. Cette différence entre le montant visé à l'alinéa 1er et le montant des provisions pour les obligations de pension constituées par [4 skeyes]4 sont à considérer pour [4 skeyes]4 comme des frais de restructuration qui conformément à l'article 58 de l'arrêté royal du 30 janvier 2001 portant exécution du code des sociétés, peuvent être portés à l'actif. Par dérogation à l'article 59 de l'arrêté royal précité, [4 skeyes]4 peut amortir ces frais activés par tranches annuelles de minimum 10 %.
  Par dérogation à l'article 12, § 2, 2°, [4 skeyes]4 n'est pas soumis à l'arrêté royal n° 517 du 31 mars 1987 instaurant une prime annuelle sur les nouveaux engagements garantis par l'Etat de certaines institutions du secteur public, pour tout emprunt contracté dans le cadre des obligations de paiement visées à l'alinéa 1er à l'Etat.
  Le Roi peut prévoir que le versement visé à l'alinéa 1er peut être totalement ou partiellement effectués par le transfert à l'Etat d'instruments financiers désignés par le Roi sur la proposition du Ministre des Finances.) <AR 2004-12-27/37, art. 2, 054; En vigueur : 31-12-2004>
  § 4. (A partir du salaire dû pour janvier 2005, [4 skeyes]4 est redevable d'une cotisation patronale équivalente à 35 %. Cette cotisation patronale est fixée sur la base des traitements ainsi que sur les autres éléments de la rémunération qui sont pris en considération pour le calcul de la pension de retraite. Les dispositions des articles 61 et 61bis de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension s'appliquent à la cotisation patronale susmentionnée.
  Le pourcentage prévu à l'alinéa 1er pourra être revu en concertation avec [4 skeyes]4 si la réglementation en matière de pension applicable au 31 décembre 2004 sur la base de laquelle ce pourcentage a été fixé, devait être modifiée ou si le nombre et la composition des engagements statutaires dévient par rapport à l'hypothèse arrêté pour le calcul de base.
  La cotisation patronale visée à l'alinéa 1er est une cotisation ordinaire de sécurité sociale.) <AR 2004-12-27/37, art. 3, 054; En vigueur : 01-01-2005>
  § 5. (1. Si à un quelconque moment après le 1er janvier 2005, les obligations de pension augmentent ou diminuent à la suite d'une initiative de [4 skeyes]4, [4 skeyes]4 fera un paiement de compensation au [1 Service fédéral des Pensions]1 ou ce dernier fera un paiement de compensation à [4 skeyes]4. <L 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; En vigueur : 01-01-2006>
  § 5.2. Les situations visées au § 5.1 sont :
  a) Toute modification apportée à partir du 1er janvier 2005 à l'initiative de [4 skeyes]4 au statut pécuniaire entraînant une majoration des pensions de retraite à la suite de l'application de l'article 12 de la loi du 9 juillet 1969 modifiant et complétant la législation relative aux pensions de retraite et de survie des agents du secteur public;
  b) Majorations individuelles réelles de traitement au-delà de l'évolution individuelle du traitement barémique qui est utilisée pour les calculs actuariels au 31 décembre 2004 et au-delà de l'inflation;
  c) Plans sociaux.
  § 5.3. Les paiements de compensation dont il est question au § 5.1 qui sont dus dans les cas énumérés au § 5.2 sont calculés et limités comme suit :
  A. Dans le cas visé au § 5.2, a, [4 skeyes]4 paie au (Service des Pensions du Secteur public) la valeur actuelle de la majoration des pensions de retraite, pour les pensions de retraite immédiates et différées des anciens membres du personnel. Ce paiement de compensation est dû au moment où la majoration est payée effectivement pour la première fois aux bénéficiaires et uniquement pour les pensions de retraite en cours. <L 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; En vigueur : 01-01-2006>
  B. Dans le cas visé au § 5.2, b, un paiement de compensation est dû pour toute nouvelle pension de retraite immédiate accordée à partir du 1er janvier 2005, sur la différence entre la pension de retraite effectivement octroyée reliée à l'indice 138,01 et la pension de retraite déterminée sur la même base, mais avec un traitement moyen qui est le résultat de l'évolution normale du membre du personnel statutaire à travers les échelles de traitement à l'indice 138,01 applicables chez [4 skeyes]4 au 1er janvier 2005 et tenant compte des promotions connues à cette date. La valeur capitalisée des cotisations qui sont payées en vertu du § 4 sur la différence entre le traitement qui aurait été appliqué pour une évolution normale et le traitement augmenté réellement payé, est déduite pour le calcul des paiements de compensation le cas échéant dus par [4 skeyes]4.
  Si la période de référence pour le calcul de la pension de retraite se situe entièrement ou pour partie avant le 1er janvier 2005, la pension théorique pour cette partie de la période de référence sera calculée sur les traitements réels pour cette période
  Si le membre du personnel est entré en service au plus tôt le 1er janvier 2005, dans ce cas pour la détermination du traitement moyen qui est le résultat de l'évolution normale à travers les échelles de traitement à l'indice 138,01 applicables chez [4 skeyes]4 au 1er janvier 2005, il est considéré que ces échelles de traitement et cette évolution normale lui étaient applicables au moment de son engagement.
  Si la pension de retraite effectivement octroyée est supérieure à la pension théorique telle que décrite ci-dessus, [4 skeyes]4 est redevable de la valeur actuelle de la différence après application de la déduction mentionnée plus haut. Cette valeur actuelle, dont le mode de calcul est fixé par le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, doit être payée au (Service des Pensions du Secteur public). <L 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; En vigueur : 01-01-2006>
  Si la pension de retraite effectivement octroyée est inférieure à la pension théorique, le (Service des Pensions du Secteur public) sera redevable à [4 skeyes]4 de la valeur actuelle de la différence. <L 2006-01-12/45, art. 47, 2°, 061 ; En vigueur : 01-01-2006>
  C. Dans le cas visé au § 5.2, c, si à partir du 1er janvier 2005, [4 skeyes]4 autorise une nouvelle forme de congé préalable à la retraite, [4 skeyes]4 devra payer la cotisation patronale telle que définie au § 4 sur le montant non réduit du traitement qui sert de base au calcul du montant de la pension. Pour les périodes qui, à la suite de l'application de l'arrêté royal n° 442 du 14 août 1986 relatif à l'incidence de certaines positions administratives sur les pensions des agents des services publics ou d'autres réglementations similaires, ne relèvent pas totalement ou en partie du calcul de la pension, la cotisation patronale n'est pas due ou n'est due qu'au pro rata.
  § 5.4. Les paiements de compensation dont il est question aux §§ 5.1 à 5.3, sont considérés comme des cotisations ordinaires de sécurité sociale.
  § 5.5. Les facteurs actuariels sur la base desquels la valeur actuelle et la valeur capitalisée sont calculées sont déterminés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  § 5.6. Les modalités plus précises de paiement sont, en exécution du présent arrêté, déterminées par arrêté royal.) <AR 2004-12-27/37, art. 4, 054; En vigueur : 01-01-2005>
  (§ 6. L'article 12bis de la loi du 28 avril 1958 relative à la pension des membres du personnel de certains organismes d'intérêt public et de leurs ayants droit ne s'applique pas à la restructuration des obligations de pensions de [4 skeyes]4.) <AR 2004-12-27/37, art. 5, 054; En vigueur : 01-01-2005>
  [2 § 7. Par dérogation aux articles 33 et 34, à partir du premier janvier 2017, toute nouvelle forme de mise en disponibilité avec traitement d'attente ou de congé préalable à la pension avec traitement d'attente accordés par [1 skeyes]1 à ses membres du personnel, nommés dans les grades liés à la carrière de contrôleur de la circulation aérienne, est fixée par arrêté royal.]2
  [3 § 8. En ce qui concerne les obligations de [4 skeyes]4 en matière de provisions pour risques et charges pour la disponibilité et le congé préalable à la pension de son personnel, [4 skeyes]4 ne doit pas constituer de provision.]3
  
HOOFDSTUK IV. - (Reglementen.)
Art. 176bis. Le conseil d'administration de [1 skeyes]1 peut, dans le respect des principes de base et limites fixés dans le contrat de gestion et sans préjudice des dispositions de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la réglementation de la navigation aérienne, arrêter des règlements en vue de régler les matières visées aux articles 170, 1° et 2°, et 172.
Art. 176bis. <INGEVOEGD bij KB 1998-07-17/31, art. 9; Inwerkingtreding : 02-10-1998> De raad van bestuur van [1 skeyes]1 kan, met inachtneming van de grondregelen en de grenzen bepaald in het beheerscontract en onverminderd de bepalingen van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919 betreffende de regeling der luchtvaart, reglementen vaststellen tot regeling van de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 170, 1° en 2°, en 172.
  
Art. 176ter. Les règlements arrêtés par [1 skeyes]1 en vertu de l'article 176bis sont soumis à l'approbation du ministre qui a les transports dans ses attributions. Ils sont obligatoires dès leur publication au Moniteur belge, ou si la notification a lieu avant cette publication, dès leur notification aux intéressés.
  En outre, les dispositions des règlements visés au premier alinéa qui intéressent les usagers d'aéroports situés en Belgique sont publiées à l'" Aeronautical Information Publication " publiée par les soins de [1 skeyes]1.
  
Art. 176ter. <INGEVOEGD bij KB 1998-07-17/31, art. 9; Inwerkingtreding : 02-10-1998> De reglementen vastgesteld door [1 skeyes]1 krachtens artikel 176bis zijn onderworpen aan de goedkeuring van de minister tot wiens bevoegdheid het vervoer behoort. Zij zijn verbindend vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad of, indien de kennisgeving plaatsvindt vóór deze bekendmaking, vanaf kennisgeving ervan aan de belanghebbenden.
  Bovendien worden de bepalingen van de reglementen bedoeld in het eerste lid die de gebruikers van in België gelegen luchthavens aanbelangen, bekendgemaakt in de "Aeronautical Information Publication" uitgegeven door [1 skeyes]1.
  
Art. 176quater. § 1er. Les règlements vises à l'article 176bis peuvent prévoir les sanctions suivantes pour des infractions à leurs dispositions, et ce en fonction de la nature et de la gravité de ces infractions :
  1° un accroissement des redevances visées à l'article 172 allant de 50 pour-cent à 200 pour-cent des redevances dues;
  2° une amende administrative de 2.000 à 200.000 francs, étant entendu que :
  a) en cas de nouvelle infraction dans les trois ans, ces montants sont doublés;
  b) en cas de concours de plusieurs infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés sans pouvoir excéder la somme de 2.000.000 de francs.
  § 2. Les sanctions visées au § 1er sont imposées par décision motivée de l'administrateur délégué de [1 skeyes]1, l'auteur de l'infraction ou son représentant ayant été entendu ou dûment appelé. Aucune de ces sanctions ne peut être prononcée plus de douze mois après les faits constitutifs de l'infraction.
  L'auteur de l'infraction peut, dans les trente jours suivant la date de notification de la décision de l'administrateur délégué, prendre recours contre cette décision auprès du Directeur général de l'Administration de l'Aéronautique. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
  § 3. Les accroissements et amendes visés au § 1er sont recouvrés au profit du Trésor par l'Administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines.
  
Art. 176quater. <INGEVOEGD bij KB 1998-07-17/31, art. 9; Inwerkingtreding : 02-10-1998> § 1. De reglementen bedoeld in artikel 176bis kunnen de volgende sancties bepalen voor inbreuken op hun bepalingen, en dit naargelang van de aard en de ernst van deze inbreuken :
  1° een verhoging van de vergoedingen bedoeld in artikel 172 gaande van 50 procent tot 200 procent van de verschuldigde vergoedingen;
  2° een administratieve geldboete van 2.000 tot 200.000 frank, met dien verstande dat :
  a) in geval van een nieuwe overtreding binnen drie jaar deze bedragen worden verdubbeld;
  b) in geval van samenloop van verscheidene inbreuken de bedragen van de administratieve geldboeten worden samengevoegd, zonder dat zij het bedrag van 2 000 000 frank mogen overschrijden.
  § 2. De sancties bedoeld in § 1 worden opgelegd bij een met redenen omklede beslissing van de gedelegeerd bestuurder van [1 skeyes]1, nadat de overtreder of zijn vertegenwoordiger werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen. Geen van deze sancties mag later dan twaalf maanden na de feiten die de inbreuk opleveren, worden uitgesproken.
  De overtreder kan, binnen dertig dagen volgend op de datum van kennisgeving van de beslissing van de gedelegeerd bestuurder, tegen deze beslissing in beroep gaan bij de directeur-generaal van het Bestuur van de Luchtvaart. Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing.
  § 3. De verhogingen en boeten bedoeld in § 1 worden ten gunste van de Schatkist ingevorderd door de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen.
  
Art. 176quater. § 1er. Les règlements vises à l'article 176bis peuvent prévoir les sanctions suivantes pour des infractions à leurs dispositions, et ce en fonction de la nature et de la gravité de ces infractions :
  1° un accroissement des redevances visées à l'article 172 allant de 50 pour-cent à 200 pour-cent des redevances dues;
  2° une amende administrative de 2.000 à 200.000 francs, étant entendu que :
  a) en cas de nouvelle infraction dans les trois ans, ces montants sont doublés;
  b) en cas de concours de plusieurs infractions, les montants des amendes administratives sont cumulés sans pouvoir excéder la somme de 2.000.000 de francs.
  § 2. Les sanctions visées au § 1er sont imposées par décision motivée de l'administrateur délégué de [1 skeyes]1, l'auteur de l'infraction ou son représentant ayant été entendu ou dûment appelé. Aucune de ces sanctions ne peut être prononcée plus de douze mois après les faits constitutifs de l'infraction.
  L'auteur de l'infraction peut, dans les trente jours suivant la date de notification de la décision de l'administrateur délégué, prendre recours contre cette décision auprès du Directeur général de l'Administration de l'Aéronautique. Ce recours suspend l'exécution de la décision.
  § 3. Les accroissements et amendes visés au § 1er sont recouvrés au profit du Trésor par l'Administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines.
  
HOOFDSTUK V. - (Diverse bepalingen.)
Art.177. Le statut de la R.V.A., annexé à l'arrêté royal du 5 octobre 1970 portant refonte du statut de la Régie des voies aériennes et modifié par l'arrêté royal du 31 mars 1981, l'arrêté royal n° 240 du 31 décembre 1983 et l'arrêté royal n° 425 du 1er août 1986, est abrogé, à l'exception des articles 12 et 20.
Art.177. <KB 1998-04-02/34, art. 32, 019; Inwerkingtreding : 02-10-1998> Het statuut van de R.L.W., gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 oktober 1970 houdende omwerking van het statuut van de Regie der Luchtwegen en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 maart 1981, het koninklijk besluit nr. 240 van 31 december 1983 en het koninklijk besluit nr. 425 van 1 augustus 1986, wordt opgeheven met uitzondering van de artikelen 12 en 20.
Art. 177. <AR 1998-04-02/34, art. 32, 019; En vigueur : 02-10-1998> Le statut de la R.V.A., annexé à l'arrêté royal du 5 octobre 1970 portant refonte du statut de la Régie des voies aériennes et modifié par l'arrêté royal du 31 mars 1981, l'arrêté royal n° 240 du 31 décembre 1983 et l'arrêté royal n° 425 du 1er août 1986, est abrogé, à l'exception des articles 12 et 20.
Art. 177/1. [1 In alle wetten en reglementen, met uitzondering van de artikelen 31, 32 en 34 van het koninklijk besluit van 2 april 1998 tot hervorming van de beheersstructuren van de luchthaven Brussel-Nationaal, wordt het woord "Belgocontrol" vervangen door het woord "skeyes".]1
  
Art. 177/1. [1 Dans toutes les lois et tous les règlements, à l'exception des articles 31, 32 et 34 de l'arrêté royal du 2 avril 1998 portant réforme des structures de gestion de l'aéroport de Bruxelles-National, le mot "Belgocontrol", est remplacé par le mot "skeyes".]1
  
TITEL VII. - (Brussels International Airport Company.)
TITRE VII. - (Brussels International Airport Company.)
HOOFDSTUK I. - (Doel en taken van openbare dienst.)
Art.178. (abrogé)
HOOFDSTUK II. - (Bestuur.)
Art.182. (abrogé)
HOOFDSTUK III. - (Personeel.)
Art.189. (abrogé)
Art.190. § 1er. Dans l'article 7 de l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies institués par l'Etat, modifié par les lois des 28 avril 1958, 1er juillet 1971, 11 juillet 1975, 17 mai 1976 et 15 juillet 1977 et l'arrête royal n° 429 du 5 août 1986, la mention "Brussels International Airport Company" est insérée après la mention "Régie des voies aériennes".
  § 2. (...) <AR 2004-12-22/32, art. 14, 053; En vigueur : 01-01-2005>
Art.190. <INGEVOEGD bij KB 1998-04-02/34, art. 10; Inwerkingtreding : 01-10-1998> § 1. In artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, gewijzigd bij de wetten van 28 april 1958, 1 juli 1971, 11 juli 1975, 17 mei 1976 en 15 juli 1977 en het koninklijk besluit nr. 429 van 5 augustus 1986, wordt de vermelding "Brussels International Airport Company" ingevoegd na de vermelding "Regie der Luchtwegen".
  § 2. (...) <KB 2004-12-22/32, art. 14, 053; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
Art. 190. § 1er. Dans l'article 7 de l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies institués par l'Etat, modifié par les lois des 28 avril 1958, 1er juillet 1971, 11 juillet 1975, 17 mai 1976 et 15 juillet 1977 et l'arrête royal n° 429 du 5 août 1986, la mention "Brussels International Airport Company" est insérée après la mention "Régie des voies aériennes".
  § 2. (...) <AR 2004-12-22/32, art. 14, 053; En vigueur : 01-01-2005>
CHAPITRE IV. - (Capital et actions.)
HOOFDSTUK IV. - (Kapitaal en aandelen.)
Art.192. (abrogé)
HOOFDSTUK V. - (Reglementen.)
Art.194. (abrogé)
TITEL VIII- Infrabel.
CHAPITRE Ier. - Objet et missions de service public.
HOOFDSTUK I. - Doel en opdrachten van openbare dienst.
Art.197. Pour l'application du présent titre, il y a lieu d'entendre par :
Art.197. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
  1° " spoorweginfrastructuur " : alle elementen bepaald in bijlage I, deel A, van verordening (EEG) nr. 2598/70 van de Europese Commissie van 18 december 1970 betreffende de vaststelling van de inhoud van de verschillende posten van de boekhoudkundige schema's, bedoeld in bijlage I van verordening (EEG) nr. 1108/70 van de Raad van 4 juli 1970, met uitzondering van het laatste streepje dat in de zin van deze titel als volgt luidt : " Dienstgebouwen voor de infrastructuur ";
  2° (" spoorwegonderneming " : iedere privaatrechtelijke of publiekrechtelijke onderneming die houder is van een vergunning overeenkomstig de van kracht zijnde Europese wetgeving, waarvan de activiteit bestaat in het verlenen van spoorwegvervoerdiensten voor goederen of voor reizigers, waarbij deze onderneming voor de tractie moet zorgen; hiertoe behoren ook de ondernemingen die uitsluitend tractie leveren;) <W 2008-12-22/33, art. 70, 072; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  3° [2 ...]2
  4° [1 " Nationale Paritaire Commissie " : de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.]1
  [1 5° Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer : de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de Exploitatie van de Luchthaven Brussel-Nationaal bedoeld in het koninklijk besluit van 25 oktober 2004 tot oprichting van de Dienst Regulering van het Spoorwegvervoer en van de exploitatie van de luchthaven Brussel-Nationaal, tot vaststelling van zijn samenstelling en het administratief en geldelijk statuut dat van toepassing is op zijn leden;
   6° HR Rail : de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail bedoeld in de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.]1

  
Art. 197. Pour l'application du présent titre, il y a lieu d'entendre par :
  1° " infrastructure ferroviaire " : l'ensemble des éléments visés à l'annexe I, partie A, du règlement (CEE) n° 2598/70 de la Commission européenne du 18 décembre 1970 relatif à la fixation du contenu des différentes positions des schémas de comptabilisation de l'annexe I du règlement (CEE) n° 1108/70 du Conseil du 4 juillet 1970, à l'exception du dernier tiret qui, aux fins du présent titre, se lit comme suit : " Bâtiments affectés au service des infrastructures ";
  2° (" entreprise ferroviaire " : toute entreprise à statut privé ou public et titulaire d'une licence conformément à la législation européenne applicable, dont l'activité est la fourniture de prestations de services de transport de marchandises et/ou de passagers par chemin de fer, la traction devant être obligatoirement assurée par cette entreprise; cette notion recouvre également les entreprises qui fournissent uniquement la traction;) <L 2008-12-22/33, art. 70, 072; En vigueur : 08-01-2009>
  3° [2 ...]2
  4° [1 " Commission Paritaire Nationale " : la Commission paritaire nationale visée à l'article 115 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.]1
  [2 5° Service de Régulation du Transport ferroviaire : le Service de Régulation du Transport ferroviaire et de l'Exploitation de l'Aéroport de Bruxelles-National, visé dans l'arrêté royal du 25 octobre 2004 créant le Service de Régulation du Transport ferroviaire et de l'Exploitation de l'Aéroport de Bruxelles-National, fixant sa composition ainsi que les statuts administratif et pécuniaire applicables à ses membres;
   6° HR Rail : la société anonyme de droit public HR Rail, visée par la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.]2

  
Art.198. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> Infrabel is een autonoom overheidsbedrijf met de rechtsvorm van een naamloze vennootschap van publiek recht. Zij ressorteert onder de minister die bevoegd is voor de overheidsbedrijven.
Art.199. [1 § 1er. Infrabel a pour objet, pour l'ensemble du réseau belge :
   1° l'acquisition, la conception, la construction, le renouvellement, l'entretien et la gestion de l'infrastructure ferroviaire;
   2° la gestion des systèmes de régulation et de sécurité de cette infrastructure;
   3° la fourniture aux entreprises ferroviaires des services devant leur être fournis conformément à la loi;
   4° la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire disponibles;
   5° la tarification, la facturation et la perception des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire et des services visés au 3° ;
   6° l'acquisition, le développement, l'entretien, la gestion, l'exploitation et la commercialisation de ressources informatiques et de réseaux de télécommunication.
   Infrabel peut prendre des participations dans toute société ou association, de droit public ou privé, en Belgique comme à l'étranger, qui peuvent contribuer directement ou indirectement à la réalisation de son objet. Elle peut également constituer des sûretés pour les dettes de sociétés liées.
   Infrabel peut en outre agir comme administrateur, porteur d'une procuration, mandataire ou liquidateur dans d'autres sociétés ou entreprises.
   Elle peut, en Belgique comme à l'étranger, accomplir tous actes et opérations nécessaires ou utiles à la réalisation de son objet.
   § 2. Les missions de service public du gestionnaire de l'infrastructure comprennent les tâches visées au paragraphe 1er, 1° à 5°, ainsi que les autres missions de service public qui lui sont confiées par ou en vertu de la loi.]1

  
Art.199. [1 § 1. Infrabel heeft tot doel, met betrekking tot het volledige Belgische net :
   1° het verwerven, het ontwerpen, de bouw, de vernieuwing, het onderhoud en het beheer van de spoorweginfrastructuur;
   2° het beheer van de regelings- en veiligheidssystemen van deze infrastructuur;
   3° het leveren aan de spoorwegondernemingen van de hen overeenkomstig de wet te leveren diensten;
   4° de toewijzing van de beschikbare spoorweginfrastructuurcapaciteit;
   5° de tarifering, de facturering en de inning van heffingen voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur en voor de diensten bedoeld in 3° ;
   6° de verwerving, de ontwikkeling, het onderhoud, het beheer, de uitbating en de commercialisering van informaticasystemen en telecommunicatienetwerken.
   Infrabel kan deelnemen in elke vennootschap of vereniging, van publiek of privaat recht, in België en in het buitenland, die rechtstreeks of onrechtstreeks kunnen bijdragen tot haar doel. Zij kan eveneens zekerheden stellen voor de schulden van verbonden vennootschappen.
   Infrabel kan eveneens optreden als bestuurder, volmachtdrager, mandataris of vereffenaar in andere vennootschappen of ondernemingen.
   Zij mag, in België en in het buitenland, alle handelingen stellen en verrichtingen doen die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van haar doel.
   § 2. De opdrachten van openbare dienst van de infrastructuurbeheerder omvatten de taken bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 5°, evenals de andere opdrachten van openbare dienst waarmee hij door of krachtens de wet wordt belast.]1

  
Art. 199bis. § 1er. Au sein d'Infrabel, les tâches visées à l'article 199, § 1er, 4° et 5°, sont confiées à un service spécialisé dépendant directement du comité de direction.
  § 2. Les membres du service visé au § 1er sont tenus au secret professionnel et ne peuvent divulguer à quelque personne que ce soit les informations commerciales confidentielles qui leur sont communiquées par des entreprises ferroviaires ou regroupements de telles entreprises dans le cadre de la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire.
  L'interdiction énoncée à l'alinéa 1er ne fait cependant pas obstacle à la communication d'informations confidentielles :
  1° à des entités ou organismes compétents pour la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire dans d'autres Etats membres de l'Union européenne, dans le cadre de la coopération prévue à l'article 15 de la directive 2001/14/CE du Parlement européen et du Conseil du 26 février 2001 concernant la répartition des capacités d'infrastructure ferroviaire, la tarification de l'infrastructure ferroviaire et la certification en matière de sécurité;
  2° à l'organisme de contrôle belge au sens de l'article 30 de la même directive;
  3° lors d'un témoignage en justice;
  4° dans le cadre de recours contre les actes et décisions d'Infrabel en matière de répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire;
  5° sous une forme sommaire ou agrégée de façon que des entreprises ou regroupements individuels ne puissent pas être identifiés.
  § 3. Les infractions au § 2 sont punies des peines prévues à l'article 458 du Code pénal. Les dispositions du livre premier du même Code, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables à ces infractions.
  (§ 4. Les membres du personnel affectés auprès du service visé au § 1er ne peuvent exercer, soit personnellement, soit par l'intermédiaire d'une personne morale, aucune autre fonction ou activité, rémunérée ou non, au service d'une entreprise ferroviaire.) <L 2008-12-22/33, art. 69, 072; En vigueur : 08-01-2009>
Art. 199bis. <INGEVOEGD bij W 2004-07-09/30, art. 54; Inwerkingtreding : 25-07-2004> § 1. Binnen Infrabel worden de taken bedoeld in artikel 199, § 1, 4° en 5°, opgedragen aan een gespecialiseerde dienst die rechtstreeks afhangt van het directiecomité.
  § 2. De leden van de in § 1 bedoelde dienst zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke commerciële informatie die hun door de spoorwegondernemingen of groeperingen van dergelijke ondernemingen worden meegedeeld in het kader van de toewijzing van de spoorweginfrastrucuurcapaciteiten, niet onthullen aan welke persoon ook.
  Het in het eerste lid bedoelde verbod doet evenwel geen afbreuk aan de mededeling van vertrouwelijke informatie :
  1° aan entiteiten of organismen die bevoegd zijn voor de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten in andere Lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de samenwerking bedoeld in artikel 15 van richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;
  2° aan de Belgische toezichthoudende instantie in de zin van artikel 30 van dezelfde richtlijn;
  3° tijdens een getuigenis in rechte;
  4° in het kader van beroepsprocedures tegen de handelingen en beslissingen van Infrabel inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit;
  5° in beknopte of samengevoegde vorm zodat ondernemingen of groeperingen niet individueel kunnen worden geïdentificeerd.
  § 3. De inbreuken op § 2 worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. De bepalingen van het eerste boek van hetzelfde Wetboek zijn, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en van artikel 85, van toepassing op deze inbreuken.
  (§ 4. De personeelsleden van de in § 1 bedoelde dienst mogen, noch persoonlijk, noch via tussenkomst van een rechtspersoon, een andere, al dan niet bezoldigde, functie of activiteit vervullen bij een spoorwegonderneming.) <W 2008-12-22/33, art. 69, 072; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
Art. 199bis. § 1er. Au sein d'Infrabel, les tâches visées à l'article 199, § 1er, 4° et 5°, sont confiées à un service spécialisé dépendant directement du comité de direction.
  § 2. Les membres du service visé au § 1er sont tenus au secret professionnel et ne peuvent divulguer à quelque personne que ce soit les informations commerciales confidentielles qui leur sont communiquées par des entreprises ferroviaires ou regroupements de telles entreprises dans le cadre de la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire.
  L'interdiction énoncée à l'alinéa 1er ne fait cependant pas obstacle à la communication d'informations confidentielles :
  1° à des entités ou organismes compétents pour la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire dans d'autres Etats membres de l'Union européenne, dans le cadre de la coopération prévue à l'article 15 de la directive 2001/14/CE du Parlement européen et du Conseil du 26 février 2001 concernant la répartition des capacités d'infrastructure ferroviaire, la tarification de l'infrastructure ferroviaire et la certification en matière de sécurité;
  2° à l'organisme de contrôle belge au sens de l'article 30 de la même directive;
  3° lors d'un témoignage en justice;
  4° dans le cadre de recours contre les actes et décisions d'Infrabel en matière de répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire;
  5° sous une forme sommaire ou agrégée de façon que des entreprises ou regroupements individuels ne puissent pas être identifiés.
  § 3. Les infractions au § 2 sont punies des peines prévues à l'article 458 du Code pénal. Les dispositions du livre premier du même Code, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables à ces infractions.
  (§ 4. Les membres du personnel affectés auprès du service visé au § 1er ne peuvent exercer, soit personnellement, soit par l'intermédiaire d'une personne morale, aucune autre fonction ou activité, rémunérée ou non, au service d'une entreprise ferroviaire.) <L 2008-12-22/33, art. 69, 072; En vigueur : 08-01-2009>
Art. 199ter. <INGEVOEGD bij W 2008-12-22/33, art. 71, 072; Inwerkingtreding : 08-01-2009> § 1. [2 De personeelsleden die behoren tot de in artikel 199bis, § 1, bedoelde gespecialiseerde dienst en er een directiefunctie of een functie als lid van het hogere kaderpersoneel uitoefenen, mogen noch persoonlijk, noch via tussenkomst van een rechtspersoon, een andere, al dan niet bezoldigde, functie, mandaat of activiteit uitoefenen, ten dienste van een spoorwegonderneming, ten dienste van HR Rail of ten dienste van een vennootschap die, in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen, verbonden is met één ervan.]2
  De Koning bepaalt de directiefuncties en de hogere functies waarop dit verbod betrekking heeft.
  § 2. Het verbod bepaald in § 1 blijft van kracht gedurende twee jaren nadat de personen bedoeld in § 1 hun functies binnen de gespecialiseerde dienst neergelegd hebben.
  § 3. [1 Elke overtreding van de in § 1 en § 2 bedoelde verbodsbepalingen wordt bestraft met een geldboete van 1.000 tot 10.000 euro.]1
  
Art. 199ter. § 1er. [2 Les membres du personnel affectés auprès du service spécialisé visé à l'article 199bis, § 1er, et y exerçant une fonction de direction ou une fonction de cadre supérieur ne peuvent exercer, soit personnellement, soit par l'intermédiaire d'une personne morale, aucune autre fonction, mandat ou activité, rémunérée ou non, au service d'une entreprise ferroviaire, au service de HR Rail ou au service d'une société liée à l'une de celles-ci au sens de l'article 11 du Code des sociétés.]2
  Le Roi détermine les fonctions de direction et les fonctions supérieures concernées par cette interdiction.
  § 2. L'interdiction prévue au § 1er subsiste pendant deux ans après que les personnes visées au § 1er aient quitté leur fonction au sein du dit service spécialisé.
  § 3. [1 Toute infraction aux interdictions visées au § 1er et § 2 sera punie d'une amende de 1.000 euros à 10.000 euros.]1
  
Art. 199quater. [1 Infrabel sluit met de NMBS de samenwerkingsovereenkomst bedoeld in artikel 156ter.]1
  
Art. 199quinquies. [1 Par dérogation à l'article 5, § 2, le contrat de gestion entre Infrabel et l'Etat est conclu pour une durée de cinq ans au moins et de dix ans au plus.]1
  
Art. 199quinquies. [1 In afwijking van artikel 5, § 2, wordt het beheerscontract tussen Infrabel en de Staat gesloten voor een duur van ten minste vijf en ten hoogste tien jaar.]1
  
Art.200. § 1er. [2 Par dérogation à l'article 26, alinéa 1er, le conseil d'administration d'Infrabel établit le plan d'entreprise pour la durée du contrat de gestion et l'adapte chaque année. Ce plan énonce les objectifs et la stratégie de l'entreprise en tenant compte des objectifs de mobilité fixés par le Conseil des Ministres.]2
  § 2. Le plan d'entreprise contient obligatoirement :
  1° les besoins en infrastructure traduits dans un plan pluriannuel d'investissement;
  2° les prévisions en matière de besoins en personnel;
  3° l'évolution des comptes d'exploitation traduits dans un plan financier;
  4° la méthode de calcul des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire;
  5° les moyens de financement des investissements programmés.
  § 3. [2 Le plan pluriannuel d'investissement visé au paragraphe 2, 1°, contient la planification sur plusieurs années des investissements relatifs à l'acquisition, la conception, la construction, le renouvellement, l'entretien et la gestion de l'infrastructure ferroviaire.]2
  [2 Le plan pluriannuel d'investissement d'Infrabel est aligné avec le plan pluriannuel d'investissement de la SNCB dans la mesure où le calendrier des travaux d'Infrabel relatifs à la conception, la construction et le renouvellement de l'infrastructure ferroviaire a un impact sur la partie du plan pluriannuel d'investissement de la SNCB relative à la conception, à la construction et au renouvellement des gares ferroviaires, des points d'arrêt non gardés et de leurs dépendances.]2
  Avant d'arrêter le plan pluriannuel d'investissement, le conseil d'administration d'Infrabel en transmet le projet par voie recommandée aux entreprises ferroviaires qui utilisent l'infrastructure ferroviaire du réseau belge. Celles-ci peuvent soumettre leurs commentaires à Infrabel dans un délai de quarante-cinq jours de la date d'envoi du projet.
  § 4. [3 Le plan d'entreprise et ses adaptations annuelles sont communiqués au ministre des entreprises publiques ainsi qu'au ministre qui a la régulation du transport ferroviaire dans ses attributions. Le plan pluriannuel visé au § 2, 1°, est communiqué à la Cellule d'Investissement ferroviaire qui remet un avis au ministre des entreprises publiques préalablement à son approbation par le Roi conformément à l'alinéa 2.
   Par dérogation à l'article 26, alinéa 2, les éléments visés au § 2 sont approuvés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, en tant que partie nécessaire à l'exécution des missions de service public d'Infrabel et de son plan pluriannuel d'investissement.]3

  § 5. Le plan d'entreprise est une condition préalable à la conclusion du contrat de gestion. En cas de renouvellement du contrat de gestion, le plan est établi au plus tard douze mois avant l'expiration du contrat de gestion en cours. [L'article 3, § 2, 9°, n'est pas applicable.] <AR 2004-10-18/32, art. 37, En vigueur : 20-10-2004>
  
Art.200. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> § 1. [2 In afwijking van artikel 26, eerste lid, stelt de raad van bestuur van Infrabel een ondernemingsplan vast voor de duur van het beheerscontract en past het dit jaarlijks aan. Dit plan geeft de doeleinden en de strategie van de onderneming aan, rekening houdend met de mobiliteitsdoeleinden bepaald door de Ministerraad.]2
  § 2. Verplichte bestanddelen van het ondernemingsplan zijn :
  1° de infrastructurele behoeften weergegeven in een meerjarig investeringsplan;
  2° de vooruitzichten inzake de behoefte aan personeel;
  3° de evolutie van de exploitatierekeningen weergegeven in een financieel plan;
  4° de methode voor de berekening van de heffingen voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur;
  5° de middelen voor de financiering van de geplande investeringen.
  § 3. [2 Het meerjarig investeringsplan bedoeld in paragraaf 2, 1°, bevat de planning over meerdere jaren van de investeringen betreffende het verwerven, het ontwerpen, de bouw, de vernieuwing en het beheer van de spoorweginfrastructuur.]2
  [2 Het meerjarig investeringsplan van Infrabel wordt afgestemd op het meerjarig investeringsplan van NMBS in de mate dat de planning van de werken van Infrabel die betrekking hebben op het ontwerpen, de bouw en de vernieuwing van de spoorweginfrastructuur een invloed heeft op het gedeelte van het meerjarig investeringsplan van de NMBS met betrekking tot het ontwerpen, de bouw en de vernieuwing van de spoorwegstations, de onbemande stopplaatsen en hun aanhorigheden.]2
  Vóór de goedkeuring van het meerjarig investeringsplan maakt de raad van bestuur van Infrabel een ontwerp van dit plan per aangetekend schrijven over aan de spoorwegondernemingen die gebruik maken van de spoorweginfrastructuur van het Belgische net. Zij kunnen hun opmerkingen aan Infrabel meedelen binnen een termijn van vijfenveertig dagen vanaf de datum van verzending van het ontwerp.
  § 4. [3 Het ondernemingsplan en de jaarlijkse aanpassingen daaraan worden meegedeeld aan de minister bevoegd voor overheidsbedrijven, evenals aan de minister die bevoegd is voor de regulering van het spoorvervoer. Het meerjarenplan bedoeld in § 2, 1°, wordt ter kennis gebracht van de Investeringscel voor het spoor die een advies verleent aan de minister bevoegd voor overheidsbedrijven voorafgaand aan de goedkeuring door de Koning in overeenstemming met het tweede lid.
   In afwijking van artikel 26, tweede lid, worden de elementen bedoeld in § 2 als noodzakelijk deel voor de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst van Infrabel en voor haar meerjarenplan voor de investeringen, goedgekeurd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]3

  § 5. Het ondernemingsplan is een voorafgaande voorwaarde voor het afsluiten van het beheerscontract. In geval van vernieuwing van het beheerscontract wordt het plan uiterlijk twaalf maanden vóór de vervaldag van het lopende beheerscontract opgesteld. [Artikel 3, § 2, 9°, is niet van toepassing.] <KB 2004-10-18/32, art. 37, Inwerkingtreding : 20-10-2004>
  
Art. 200. § 1er. [2 Par dérogation à l'article 26, alinéa 1er, le conseil d'administration d'Infrabel établit le plan d'entreprise pour la durée du contrat de gestion et l'adapte chaque année. Ce plan énonce les objectifs et la stratégie de l'entreprise en tenant compte des objectifs de mobilité fixés par le Conseil des Ministres.]2
  § 2. Le plan d'entreprise contient obligatoirement :
  1° les besoins en infrastructure traduits dans un plan pluriannuel d'investissement;
  2° les prévisions en matière de besoins en personnel;
  3° l'évolution des comptes d'exploitation traduits dans un plan financier;
  4° la méthode de calcul des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire;
  5° les moyens de financement des investissements programmés.
  § 3. [2 Le plan pluriannuel d'investissement visé au paragraphe 2, 1°, contient la planification sur plusieurs années des investissements relatifs à l'acquisition, la conception, la construction, le renouvellement, l'entretien et la gestion de l'infrastructure ferroviaire.]2
  [2 Le plan pluriannuel d'investissement d'Infrabel est aligné avec le plan pluriannuel d'investissement de la SNCB dans la mesure où le calendrier des travaux d'Infrabel relatifs à la conception, la construction et le renouvellement de l'infrastructure ferroviaire a un impact sur la partie du plan pluriannuel d'investissement de la SNCB relative à la conception, à la construction et au renouvellement des gares ferroviaires, des points d'arrêt non gardés et de leurs dépendances.]2
  Avant d'arrêter le plan pluriannuel d'investissement, le conseil d'administration d'Infrabel en transmet le projet par voie recommandée aux entreprises ferroviaires qui utilisent l'infrastructure ferroviaire du réseau belge. Celles-ci peuvent soumettre leurs commentaires à Infrabel dans un délai de quarante-cinq jours de la date d'envoi du projet.
  § 4. [3 Le plan d'entreprise et ses adaptations annuelles sont communiqués au ministre des entreprises publiques ainsi qu'au ministre qui a la régulation du transport ferroviaire dans ses attributions. Le plan pluriannuel visé au § 2, 1°, est communiqué à la Cellule d'Investissement ferroviaire qui remet un avis au ministre des entreprises publiques préalablement à son approbation par le Roi conformément à l'alinéa 2.
   Par dérogation à l'article 26, alinéa 2, les éléments visés au § 2 sont approuvés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, en tant que partie nécessaire à l'exécution des missions de service public d'Infrabel et de son plan pluriannuel d'investissement.]3

  § 5. Le plan d'entreprise est une condition préalable à la conclusion du contrat de gestion. En cas de renouvellement du contrat de gestion, le plan est établi au plus tard douze mois avant l'expiration du contrat de gestion en cours. [L'article 3, § 2, 9°, n'est pas applicable.] <AR 2004-10-18/32, art. 37, En vigueur : 20-10-2004>
  
HOOFDSTUK II. - Financiële en fiscale bepalingen.
Art.201. Infrabel fixe des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire pour les services qu'elle rend dans le cadre de ses missions de service public, dans le respect des principes et procédures définis par le Roi, par arrête délibéré en Conseil des Ministres, et des dispositions du contrat de gestion.
Art.201. Infrabel bepaalt de rechten voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur voor de diensten die zij verleent in het kader van haar opdrachten van openbare dienst, met inachtneming van de principes en procedures bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, en de bepalingen van het beheerscontract.
Art.202. § 1er. Le contrat de gestion à conclure entre l'Etat et Infrabel définit le calcul et les modalités de paiement de l'ensemble des subventions de l'Etat pour l'accomplissement des missions de service public d'Infrabel, de manière à :
  1° assurer au moins un équilibre, dans des conditions normales d'activité et par rapport à une période raisonnable, entre, d'une part, les recettes provenant des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire, les excédents dégagés d'activités commerciales et les subventions de l'Etat et, d'autre part, les dépenses d'infrastructure;
  2° prévoir des incitants financiers appropriés pour réduire tant les coûts de fourniture de l'infrastructure ferroviaire que le niveau des redevances d'utilisation de cette infrastructure, pour maximaliser l'utilisation de l'infrastructure et pour réaliser les investissements nécessaires afin de maintenir la performance, la qualité du service et la sécurité de l'infrastructure à un niveau supérieur.
Art.202. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> § 1. Het beheerscontract dat tussen de Staat en Infrabel moet worden afgesloten, bepaalt de berekening en de betalingsvoorwaarden van alle Staatstoelagen voor de verwezenlijking van de opdrachten van openbare dienst van Infrabel, teneinde :
  1° minstens een evenwicht te waarborgen onder normale omstandigheden van bedrijfsvoering en over een redelijk tijdsverloop, tussen, enerzijds, de ontvangsten voortvloeiend uit de heffingen voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur, de overschotten uit commerciële activiteiten en de Staatstoelagen en, anderzijds, de infrastructuuruitgaven;
  2° de gepaste financiële stimuli te voorzien om zowel de kosten voor het verstrekken van de spoorweginfrastructuur als de heffingen voor het gebruik van deze infrastructuur te verminderen, om het gebruik van de infrastructuur te maximaliseren en om de investeringen te realiseren die nodig zijn om de performantie, de kwaliteit van de dienstverlening en de veiligheid van de infrastructuur op een hoog niveau te handhaven.
Art. 202. § 1er. Le contrat de gestion à conclure entre l'Etat et Infrabel définit le calcul et les modalités de paiement de l'ensemble des subventions de l'Etat pour l'accomplissement des missions de service public d'Infrabel, de manière à :
  1° assurer au moins un équilibre, dans des conditions normales d'activité et par rapport à une période raisonnable, entre, d'une part, les recettes provenant des redevances d'utilisation de l'infrastructure ferroviaire, les excédents dégagés d'activités commerciales et les subventions de l'Etat et, d'autre part, les dépenses d'infrastructure;
  2° prévoir des incitants financiers appropriés pour réduire tant les coûts de fourniture de l'infrastructure ferroviaire que le niveau des redevances d'utilisation de cette infrastructure, pour maximaliser l'utilisation de l'infrastructure et pour réaliser les investissements nécessaires afin de maintenir la performance, la qualité du service et la sécurité de l'infrastructure à un niveau supérieur.
Art. 202bis. [1 De onroerende goederen die eigendom zijn van Infrabel mogen niet worden onteigend. Op voordracht van de minister die bevoegd is voor de overheidsbedrijven, en na advies van de raad van bestuur van Infrabel, dat wordt verleend binnen de twee maanden volgend op de ontvangst van het verzoek daartoe, mag de Koning echter de onteigening toestaan van een onroerend goed dat niet langer nuttig zou zijn voor het beheer van de spoorweginfrastructuur. De opbrengst van de vervreemding van elk onroerend goed komt toe aan Infrabel.]1
  
Art. 202ter. [1 Avant l'aliénation d'un bien immeuble qui n'est pas nécessaire à l'exercice de ses missions de service public, Infrabel informe la SNCB des conditions de l'aliénation en ce compris le prix de cession.
   Si les conditions d'Infrabel sont acceptées par la SNCB sans réserve ni condition, la cession à la SNCB est réputée réalisée.
   Si la SNCB n'exerce pas le droit visé à l'alinéa 1er et qu'ultérieurement, les conditions de l'offre sont modifiées substantiellement par Infrabel, ce droit renaît.
   Les modalités d'exécution de ce droit sont réglées dans une convention à conclure entre Infrabel et la SNCB. Dans l'intervalle, les parties exercent ce droit en bon père de famille.]1

  
Art. 202ter. [1 Voorafgaand aan de vervreemding van een onroerend goed dat niet noodzakelijk is voor de uitvoering van haar opdrachten van openbare dienst, informeert Infrabel de NMBS over de voorwaarden van de vervreemding met inbegrip van de overdrachtsprijs.
   Indien de voorwaarden van Infrabel door de NMBS zonder voorbehoud en onvoorwaardelijk worden aanvaard, wordt de overdracht aan de NMBS geacht tot stand te zijn gekomen.
   Indien de NMBS het recht bedoeld in het eerste lid niet uitoefent en vervolgens de voorwaarden van het aanbod door Infrabel substantieel worden gewijzigd, herleeft dit recht.
   De modaliteiten van de uitoefening van dit recht worden geregeld in een overeenkomst te sluiten tussen Infrabel en de NMBS. In de tussentijd oefenen de partijen dit recht uit als een goede huisvader.]1

  
Art. 202ter. [1 Avant l'aliénation d'un bien immeuble qui n'est pas nécessaire à l'exercice de ses missions de service public, Infrabel informe la SNCB des conditions de l'aliénation en ce compris le prix de cession.
   Si les conditions d'Infrabel sont acceptées par la SNCB sans réserve ni condition, la cession à la SNCB est réputée réalisée.
   Si la SNCB n'exerce pas le droit visé à l'alinéa 1er et qu'ultérieurement, les conditions de l'offre sont modifiées substantiellement par Infrabel, ce droit renaît.
   Les modalités d'exécution de ce droit sont réglées dans une convention à conclure entre Infrabel et la SNCB. Dans l'intervalle, les parties exercent ce droit en bon père de famille.]1

  
Art.203. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> De Koning kan, tegen de voorwaarden die Hij bepaalt, de Staatswaarborg toekennen aan de verbintenissen van Infrabel ingevolge leningen die door haar zijn uitgegeven of aangegaan in het kader van haar opdrachten van openbare dienst, of ingevolge overeenkomsten tot dekking van de wisselkoers- en interestrisico's betreffende dergelijke leningen. [1 De Koning mag, in afwijking van artikel 12, § 2, tweede lid, 2°, afwijken, voor leningen die bij een multilaterale bank worden aangegaan, van het koninklijk besluit nr. 517 van 31 maart 1987 ter invoering van een jaarlijkse premie op de door de Staat gewaarborgde nieuwe verbintenissen van bepaalde instellingen van de openbare sector.]1
  
Art. 203. Le Roi peut, aux conditions qu'Il détermine, accorder la garantie de l'Etat aux obligations d'Infrabel en vertu d'emprunts émis ou contractés par celle-ci dans le cadre de ses missions de service public ou en vertu de conventions visant à couvrir les risques de change ou de taux d'intérêt afférents à de tels emprunts. [1 Par dérogation à l'article 12, § 2, alinéa 2, 2°, le Roi peut, pour les emprunts contractés auprès d'une banque multilatérale, déroger à l'arrêté royal n° 517 du 31 mars 1987 instaurant une prime annuelle sur les nouveaux engagements garantis par l'Etat de certaines institutions du secteur public.]1
  
Art.204. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> In artikel 180 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt een 12° toegevoegd, luidende :
  " 12° de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel ".
  Infrabel is vrijgesteld van alle belastingen, heffingen en rechten ten voordele van de provincies, de gemeenten en de agglomeraties van gemeenten.
Art. 204. A l'article 180 du Code des impôts sur les revenus 1992, il est ajouté un 12°, rédigé comme suit :
  " 12° la société anonyme de droit public Infrabel ".
  Infrabel est exempte de tous impôts, taxes et droits au profit des provinces, communes et agglomérations et fédérations de communes.
HOOFDSTUK III. - Beheer
Art.206. Les articles 18 à 23 ne sont pas applicables à Infrabel.
Art.206. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> De artikelen 18 tot 23 zijn niet van toepassing op Infrabel.
Art.207. § 1er. Le conseil d'administration est composé de [1 quatorze]1 membres au plus, en ce compris l'administrateur délégué. [Le nombre d'administrateurs est déterminé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.] <AR 2004-10-18/32, art. 37, En vigueur : 20-10-2004>
  Un tiers des administrateurs au moins doivent être de sexe différent que les autres administrateurs.
  [2 Deux membres du conseil d'administration répondent aux critères énumérés à l'article 526ter du Code des sociétés, à l'exception du 5°, c). Ces deux membres sont de rôle linguistique différent.]2
  § 2. [2 A l'exception des deux administrateurs qui répondent aux critères énumérés à l'article 526ter du Code des sociétés et qui sont nommés par l'assemblée générale, le Roi nomme les administrateurs par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]2
  Les administrateurs sont choisis en fonction de la complémentarité de leurs compétences telles que l'analyse financière, la gestion comptable, les aspects juridiques, la connaissance du secteur du transport, l'expertise en matière de mobilité, la gestion du personnel et les relations sociales.
  Les administrateurs sont nommés pour un terme renouvelable de six ans [...]. [1 Les administrateurs ne peuvent être révoqués que par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]1 <AR 2004-10-18/32, art. 37, En vigueur : 20-10-2004>
  § 3. En cas de vacance d'un mandat d'administrateur, les administrateurs restants ont le droit d'y pourvoir provisoirement jusqu'à ce qu'une nomination définitive intervienne conformément au § 2.
  § 4. Le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le président du conseil d'administration parmi les administrateurs. Le président du conseil d'administration appartient à un autre rôle linguistique que l'administrateur délégué.
  En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président est prépondérante.
  Le président peut, à tout moment, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures d'Infrabel. Il peut requérir des membres du comité de direction, des agents et des préposés d'Infrabel toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires pour l'exécution de son mandat. [Il peut se faire assister par un expert, aux frais de la société.] <AR 2004-10-18/32, art. 37, En vigueur : 20-10-2004>
  § 5. Dans le cadre de l'exercice de leur mandat et au regard des intérêts de la société, les membres des organes d'Infrabel sont tenus à un devoir de discrétion.
  
Art.207. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> § 1. De raad van bestuur is samengesteld uit maximum [1 veertien]1 leden, met inbegrip van de gedelegeerd bestuurder. [Het aantal bestuurders wordt bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.] <KB 2004-10-18/32, art. 37, Inwerkingtreding : 20-10-2004>
  Ten minste één derde van de bestuurders moet van het andere geslacht zijn dan dat van de andere bestuurders.
  [2 Twee leden van de raad van bestuur voldoen aan de criteria opgesomd in artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen, met uitzondering van de bepaling onder 5°, c). Deze twee leden behoren tot een verschillende taalrol.]2
  § 2. [2 Met uitzondering van de twee bestuurders die voldoen aan de criteria die worden opgesomd in artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen en die benoemd worden door de algemene vergadering, benoemt de Koning de bestuurders bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]2
  De bestuurders worden gekozen op grond van de complementariteit van hun competentie inzake financiële analyse, boekhoudkundig beheer, juridische aspecten, kennis van de vervoersector, deskundigheid inzake mobiliteit, personeelsbeheer en sociale relaties.
  De bestuurders worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van zes jaar [...]. [1 De bestuurders kunnen slechts door de Koning worden ontslagen, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]1
  § 3. Wanneer een plaats van bestuurder openvalt, hebben de overblijvende bestuurders het recht om voorlopig in de vacature te voorzien tot op het ogenblik dat een definitieve benoeming gebeurt overeenkomstig § 2.
  § 4. Bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, benoemt de Koning de voorzitter van de raad van bestuur onder de bestuurders. De voorzitter van de raad van bestuur behoort tot een andere taalrol dan de gedelegeerd bestuurder.
  Bij staking van de stemmen in de raad van bestuur is de stem van de voorzitter beslissend.
  De voorzitter kan te allen tijde ter plaatse de boeken, brieven, notulen en in het algemeen alle documenten en geschriften van Infrabel inkijken. Hij kan van de leden van het directiecomité, van de gemachtigden en de personeelsleden van Infrabel alle ophelderingen of inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn mandaat. [Hij kan zich laten bijstaan door een deskundige, op kosten van de vennootschap.] <KB 2004-10-18/32, art. 37, Inwerkingtreding : 20-10-2004>
  § 5. Bij de uitoefening van hun mandaat en in acht genomen belangen van de vennootschap, zijn de leden van de organen van Infrabel gehouden tot discretie.
  
Art. 207. § 1er. Le conseil d'administration est composé de [1 quatorze]1 membres au plus, en ce compris l'administrateur délégué. [Le nombre d'administrateurs est déterminé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.] <AR 2004-10-18/32, art. 37, En vigueur : 20-10-2004>
  Un tiers des administrateurs au moins doivent être de sexe différent que les autres administrateurs.
  [2 Deux membres du conseil d'administration répondent aux critères énumérés à l'article 526ter du Code des sociétés, à l'exception du 5°, c). Ces deux membres sont de rôle linguistique différent.]2
  § 2. [2 A l'exception des deux administrateurs qui répondent aux critères énumérés à l'article 526ter du Code des sociétés et qui sont nommés par l'assemblée générale, le Roi nomme les administrateurs par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]2
  Les administrateurs sont choisis en fonction de la complémentarité de leurs compétences telles que l'analyse financière, la gestion comptable, les aspects juridiques, la connaissance du secteur du transport, l'expertise en matière de mobilité, la gestion du personnel et les relations sociales.
  Les administrateurs sont nommés pour un terme renouvelable de six ans [...]. [1 Les administrateurs ne peuvent être révoqués que par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]1 <AR 2004-10-18/32, art. 37, En vigueur : 20-10-2004>
  § 3. En cas de vacance d'un mandat d'administrateur, les administrateurs restants ont le droit d'y pourvoir provisoirement jusqu'à ce qu'une nomination définitive intervienne conformément au § 2.
  § 4. Le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le président du conseil d'administration parmi les administrateurs. Le président du conseil d'administration appartient à un autre rôle linguistique que l'administrateur délégué.
  En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président est prépondérante.
  Le président peut, à tout moment, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures d'Infrabel. Il peut requérir des membres du comité de direction, des agents et des préposés d'Infrabel toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires pour l'exécution de son mandat. [Il peut se faire assister par un expert, aux frais de la société.] <AR 2004-10-18/32, art. 37, En vigueur : 20-10-2004>
  § 5. Dans le cadre de l'exercice de leur mandat et au regard des intérêts de la société, les membres des organes d'Infrabel sont tenus à un devoir de discrétion.
  
Art. 207bis. [1 De gedelegeerd bestuurder van Infrabel behoort tot een andere taalrol dan deze waartoe de gedelegeerd bestuurder van de NMBS behoort.]1
  
Art.208. § 1er. Le comité de direction est chargé de la gestion journalière et de la représentation en ce qui concerne cette gestion, de même que de l'exécution des décisions du conseil d'administration.
  Les membres du comité de direction forment un collège. Ils peuvent se répartir les tâches. Sous réserve des compétences qui lui sont réservées par la présente loi en tant que collège, le comité de direction peut déléguer certaines de ses compétences à un ou plusieurs de ses membres ou à des membres du personnel. Il peut en autoriser la subdélégation. Il informe le conseil d'administration des délégations accordées en vertu du présent alinéa.
  § 2. Le comité de direction est présidé par l'administrateur délégué. Le conseil d'administration fixe le nombre des autres membres du comité de direction et nomme ceux-ci sur proposition de l'administrateur délégué et après avis du comité de nominations et de rémunération. [1 Le nombre de membres du comité de direction ne peut dépasser la moitié du nombre de membres du conseil d'administration]1
  Les membres du comité de direction autres que l'administrateur délégué sont révoques par le conseil d'administration.
  Tous les membres du comité de direction remplissent au sein d'Infrabel des fonctions de plein exercice. A l'exception de l'administrateur délégué, ils ne peuvent avoir la qualité d'administrateur d'Infrabel.
  § 3. L'administrateur délégué est nommé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour un terme renouvelable de six ans. Il est révoqué par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  § 4. [1 Infrabel est valablement représentée à l'égard des tiers et en justice par l'administrateur délégué et le membre du comité de direction désigné à cet effet par le conseil d'administration, agissant conjointement.
   Tous les actes de gestion ou qui engagent la société sont signés conjointement par l'administrateur délégué et le membre du comité de direction désigné à cet effet par le conseil d'administration. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les actes dont le mode d'approbation déroge au présent paragraphe.
   L'administrateur délégué appartient à un rôle linquistique différent de celui du membre du comité de direction désigné conformément au premier alinéa.]1

  
Art.208. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> § 1. Het directiecomité is belast met het dagelijks bestuur en de vertegenwoordiging wat dit bestuur aangaat, alsmede met de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur.
  De leden van het directiecomité vormen een college. Zij kunnen de taken onder elkaar verdelen. Onder voorbehoud van de bevoegdheden die hem door deze wet zijn opgedragen als college, kan het directiecomité sommige van zijn bevoegdheden delegeren aan één of meer van zijn leden of aan personeelsleden. Hij kan de subdelegatie ervan toestaan. Hij brengt de raad van bestuur in kennis van de bevoegdheidsdelegaties krachtens dit lid.
  § 2. Het directiecomité wordt voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder. De raad van bestuur bepaalt het aantal overige leden van het directiecomité en benoemt deze leden op voorstel van de gedelegeerd bestuurder en na het advies van het benoemings- en bezoldigingscomité. [1 Het aantal leden van het directiecomité mag de helft van het aantal leden van de raad van bestuur niet overtreffen.]1
  De andere leden van het directiecomité dan de gedelegeerd bestuurder worden ontslagen door de raad van bestuur.
  Alle leden van het directiecomité vervullen een voltijdse functie binnen Infrabel. Met uitzondering van de gedelegeerd bestuurder mogen zij niet de hoedanigheid van bestuurder van Infrabel hebben.
  § 3. De gedelegeerd bestuurder wordt benoemd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Hij wordt ontslagen door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad.
  § 4. [1 Infrabel wordt geldig vertegenwoordigd jegens derden en in rechte door de gedelegeerd bestuurder en het daartoe aangewezen lid van het directiecomité, die gezamenlijk optreden.
   Alle akten van bestuur of akten die de vennootschap verbinden worden gezamenlijk ondertekend door de gedelegeerd bestuurder en het daartoe door de raad van bestuur aangewezen lid van het directiecomité. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de akten waarvan de goedkeuringswijze afwijkt van deze paragraaf.
   De gedelegeerd bestuurder behoort tot een andere taalrol dan deze van het lid van het directiecomité aangewezen overeenkomstig het eerste lid.]1

  
Art.209. § 1er. [3 Sans préjudice de l'article 211, § 2, alinéa 2, les droits, y compris la rémunération, et obligations de l'administrateur délégué et des autres membres du comité de direction, d'une part, et d'Infrabel, d'autre part, sont réglés dans une convention particulière entre les parties. Lors de la négociation de cette convention, Infrabel est représentée par son conseil d'administration à l'exclusion de l'administrateur délégué.
   L'administrateur délégué ne peut percevoir d'autres émoluments que sa rémunération.]3

  [3 ...]3
  Lorsque l'administrateur délégué ou un membre du comité de direction se trouve, au moment de sa nomination, dans un lien contractuel avec l'Etat ou avec toute autre personne de droit public relevant de l'Etat, le contrat concerné est suspendu de plein droit pour toute la durée du mandat de l'intéressé auprès d'Infrabel. Toutefois, durant cette période, il garde ses titres à l'avancement de traitement.
  [1 Les articles 520bis et 520ter du Code des sociétés s'appliquent mutatis mutandis à l'administrateur délégué et aux membres du comité de direction.
   Si une convention mentionnée au présent paragraphe prévoit une indemnité de départ qui dépasse les 12 mois de rémunération, ou, sur l'avis motivé du comité de nominations et de rémunération, dépasse les 18 mois de rémunération, cette clause doit recueillir l'approbation préalable de la première assemblée générale ordinaire qui suit. Toute convention contraire est nulle de plein droit.
   La demande de convenir d'une indemnité de départ plus élevée comme stipulée à l'alinéa 5, doit être communiquée à [2 le comité d'entreprise stratégique visé à l'article 127 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges]2. A la demande d'une des parties à [2 ce comité d'entreprise stratégique]2, celle-ci donne un avis à l'assemblée générale.
   Dans ce cas, la demande doit être communiquée trente jours avant le jour de la publication de la convocation de la première assemblée générale ordinaire qui suit et la demande d'avis doit être formulée au moins vingt jours avant la même date. L'avis est donné et publié sur le site internet de la société au plus tard le jour de publication de la convocation.
   Les données à caractère personnel ainsi transmises [2 au comité d'entreprise stratégique visé à l'alinéa six]2, ne peuvent être divulguées par celle-ci, sauf aux fins de l'avis à l'assemblée générale visé à l'alinéa 7.]1

  § 2. L'assemblée générale détermine la rémunération des membres du conseil d'administration sur proposition du comité de nominations et de rémunération. L'assemblée tient compte à cette fin de la prestation des mandataires eu égard notamment à leur participation dans les comités prévus par la loi et aux objectifs de l'entreprise.
  § 3. Les rémunérations visées aux §§ 1er et 2 sont à charge d'Infrabel. Si les rémunérations concernées comportent un élément variable, l'assiette ne peut comprendre des éléments ayant le caractère de charge d'exploitation.
  
Art.209. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> § 1. [3 Onverminderd artikel 211, § 2, tweede lid, worden de rechten, met inbegrip van de bezoldiging, en plichten van de gedelegeerd bestuurder en van de andere leden van het directiecomité, enerzijds, en van Infrabel, anderzijds, geregeld door een bijzondere overeenkomst tussen de partijen. Bij de onderhandelingen over deze overeenkomst wordt Infrabel vertegenwoordigd door haar raad van bestuur met uitzondering van de gedelegeerd bestuurder.
   De gedelegeerd bestuurder kan geen andere emolumenten ontvangen dan zijn vergoeding.]3

  [3 ...]3
  Als de gedelegeerd bestuurder of een lid van het directiecomité zich op het ogenblik van zijn benoeming in een contractuele band bevindt met de Staat of met enige andere rechtspersoon van publiek recht die onder de Staat ressorteert, wordt de betrokken overeenkomst van rechtswege geschorst voor de hele duur van het mandaat van de betrokkene bij Infrabel. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op loonsverhoging.
  [1 De artikelen 520bis en 520ter van het Wetboek van vennootschappen zijn mutatis mutandis van toepassing op de gedelegeerd bestuurder en de leden van het directiecomité.
   Indien in een overeenkomst bedoeld in deze paragraaf een vertrekvergoeding wordt opgenomen die hoger is dan 12 maanden loon of, op gemotiveerd advies van het benoemings- en bezoldigingscomité, hoger is dan 18 maanden loon, wordt die bepaling omtrent de vertrekvergoeding voorafgaand goedgekeurd door de eerstvolgende gewone algemene vergadering. Elk hiermee strijdig beding is van rechtswege nietig.
   Het verzoek om een hogere vertrekvergoeding toe te kennen zoals bepaald in het vijfde lid moet worden medegedeeld aan [2 het strategische bedrijfscomité, bedoeld in artikel 127 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen]2. Op vraag van een van de partijen in [2 dat strategische bedrijfscomité]2, brengt deze een advies uit aan de algemene vergadering.
   In dit geval moet het verzoek dertig dagen voor de datum van de publicatie van de oproeping tot de eerstvolgende gewone algemene vergadering worden meegedeeld en de vraag om een advies worden ingediend ten minste twintig dagen voor dezelfde datum. Het advies wordt uiterlijk op de dag van de publicatie van de oproeping gegeven en op de website van de onderneming gepubliceerd.
   De persoonsgegevens die aldus, aan [2 het in het zesde lid bedoelde strategische bedrijfscomité]2, worden overgelegd, mogen door laatstgenoemde enkel worden bekendgemaakt voor doeleinden van het in het zevende lid bedoeld advies aan de algemene vergadering]1

  § 2. De algemene vergadering stelt de bezoldiging van de leden van de raad van bestuur vast op voorstel van het benoemings- en bezoldigingscomité. De vergadering houdt hierbij rekening met de prestaties van de mandatarissen, in acht genomen onder andere hun lidmaatschap van de bij wet bepaalde comités en de doelstellingen van de onderneming.
  § 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde bezoldigingen zijn ten laste van Infrabel. Indien de betrokken bezoldigingen een variabel bestanddeel bevatten, mogen in de berekeningsbasis geen elementen voorkomen die als bedrijfskosten worden aangemerkt.
  
Art. 209. § 1er. [3 Sans préjudice de l'article 211, § 2, alinéa 2, les droits, y compris la rémunération, et obligations de l'administrateur délégué et des autres membres du comité de direction, d'une part, et d'Infrabel, d'autre part, sont réglés dans une convention particulière entre les parties. Lors de la négociation de cette convention, Infrabel est représentée par son conseil d'administration à l'exclusion de l'administrateur délégué.
   L'administrateur délégué ne peut percevoir d'autres émoluments que sa rémunération.]3

  [3 ...]3
  Lorsque l'administrateur délégué ou un membre du comité de direction se trouve, au moment de sa nomination, dans un lien contractuel avec l'Etat ou avec toute autre personne de droit public relevant de l'Etat, le contrat concerné est suspendu de plein droit pour toute la durée du mandat de l'intéressé auprès d'Infrabel. Toutefois, durant cette période, il garde ses titres à l'avancement de traitement.
  [1 Les articles 520bis et 520ter du Code des sociétés s'appliquent mutatis mutandis à l'administrateur délégué et aux membres du comité de direction.
   Si une convention mentionnée au présent paragraphe prévoit une indemnité de départ qui dépasse les 12 mois de rémunération, ou, sur l'avis motivé du comité de nominations et de rémunération, dépasse les 18 mois de rémunération, cette clause doit recueillir l'approbation préalable de la première assemblée générale ordinaire qui suit. Toute convention contraire est nulle de plein droit.
   La demande de convenir d'une indemnité de départ plus élevée comme stipulée à l'alinéa 5, doit être communiquée à [2 le comité d'entreprise stratégique visé à l'article 127 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges]2. A la demande d'une des parties à [2 ce comité d'entreprise stratégique]2, celle-ci donne un avis à l'assemblée générale.
   Dans ce cas, la demande doit être communiquée trente jours avant le jour de la publication de la convocation de la première assemblée générale ordinaire qui suit et la demande d'avis doit être formulée au moins vingt jours avant la même date. L'avis est donné et publié sur le site internet de la société au plus tard le jour de publication de la convocation.
   Les données à caractère personnel ainsi transmises [2 au comité d'entreprise stratégique visé à l'alinéa six]2, ne peuvent être divulguées par celle-ci, sauf aux fins de l'avis à l'assemblée générale visé à l'alinéa 7.]1

  § 2. L'assemblée générale détermine la rémunération des membres du conseil d'administration sur proposition du comité de nominations et de rémunération. L'assemblée tient compte à cette fin de la prestation des mandataires eu égard notamment à leur participation dans les comités prévus par la loi et aux objectifs de l'entreprise.
  § 3. Les rémunérations visées aux §§ 1er et 2 sont à charge d'Infrabel. Si les rémunérations concernées comportent un élément variable, l'assiette ne peut comprendre des éléments ayant le caractère de charge d'exploitation.
  
Art.210. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> § 1. De raad van bestuur richt in zijn midden een auditcomité op.
  Het auditcomité bestaat uit vier bestuurders, anderen dan de gedelegeerd bestuurder, die door de raad van bestuur worden benoemd. Dit comité telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
  Het auditcomité mag de gedelegeerd bestuurder uitnodigen op zijn vergaderingen, die er zetelt met raadgevende stem. De Regeringscommissarissen nemen eveneens met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van dit comité.
  § 2. Het auditcomité voert de taken uit die de raad van bestuur eraan toevertrouwt. Bovendien heeft het de opdracht om de raad van bestuur bij te staan door onderzoek van de financiële informatie, met name de jaarrekeningen, het jaarverslag en de tussentijdse verslagen. Het auditcomité staat ook in voor de betrouwbaarheid en de integriteit van de financiële verslagen inzake risicobeheer.
  Ten minste veertien dagen vóór de vergadering waarop de raad van bestuur de jaarrekeningen vaststelt, legt de raad deze rekeningen ter advies voor aan het auditcomité.
  [1 De algemene vergadering kan, op voorstel van de raad van bestuur, een extern auditeur aanduiden opdat hij eveneens met raadgevende stem zou deelnemen aan de vergaderingen van dit comité.]1
  
Art. 210. § 1er. Le conseil d'administration constitue en son sein un comité d'audit.
  Le comité d'audit est composé de quatre administrateurs autres que l'administrateur délégué, qui sont nommés par le conseil d'administration. Ce comité compte autant de membres d'expression française que d'expression néerlandaise.
  Le comité d'audit peut inviter à ses réunions l'administrateur délégué, qui y siège avec voix consultative. Les commissaires du Gouvernement participent également avec voix consultative aux réunions de ce comité.
  § 2. Le comité d'audit assume les tâches que lui confie le conseil d'administration. En outre, il a pour mission d'assister le conseil d'administration par l'examen des informations financières, notamment les comptes annuels, le rapport de gestion et les rapports intermédiaires. Il s'assure également de la fiabilité et de l'intégrité des rapports financiers en matière de gestion des risques.
  Au moins quatorze jours avant la réunion au cours de laquelle il établit les comptes annuels, le conseil d'administration soumet ces comptes à l'avis du comité d'audit.
  [1 L'assemblée générale peut désigner, sur proposition du conseil d'administration, un auditeur extérieur afin qu'il participe également avec voix consultative aux réunions de ce comité.]1
  
Art.211. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> § 1. De raad van bestuur richt in zijn midden een benoemings- en bezoldigingscomité op.
  Het benoemings- en bezoldigingscomité bestaat uit vier bestuurders, waaronder de voorzitter van de raad van bestuur, die het comité voorzit, en de gedelegeerd bestuurder. De raad van bestuur benoemt de overige leden van dit comité. Het telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
  § 2. Het benoemings- en bezoldigingscomité brengt overeenkomstig artikel 208, § 2, eerste lid, een advies uit over de kandidaturen die door de gedelegeerd bestuurder worden voorgesteld met het oog op de benoeming van de leden van het directiecomité.
  De raad van bestuur bepaalt, op voorstel van het benoemings- en bezoldigingscomité, de bezoldiging en de voordelen die worden toegekend aan de leden van het directiecomité en aan de hogere kaderleden. De raad volgt deze aangelegenheden continu op.
Art.212. § 1er. Sans préjudice des autres limitations prévues par ou en vertu de la loi ou dans les statuts d'Infrabel, le mandat de membre du conseil d'administration ou du comité de direction est incompatible avec le mandat ou les fonctions de :
  1° membre du Parlement européen;
  2° membre des Chambres législatives;
  3° Ministre ou secrétaire d'Etat;
  4° membre du Conseil ou du Gouvernement d'une Communauté ou d'une Région;
  5° gouverneur d'une province ou membre de la députation permanente d'un conseil provincial.
  En outre, les administrateurs autres que l'administrateur délégué ne peuvent pas être membres du personnel d'Infrabel au sens de l'article 214, § 1er.
  Les membres du comité de direction ne peuvent pas être bourgmestre, échevin ou président d'un centre public d'aide sociale.
  § 2. [2 Le mandat de membre du conseil d'administration ou du comité de direction est incompatible avec une fonction, un mandat ou une activité, rémunérée ou non, soit personnellement, soit par l'intermédiaire d'une personne morale, au service d'une entreprise ferroviaire, au service de HR Rail ou au service d'une société liée à l'une de celles-ci au sens de l'article 11 du Code des sociétés.]2
  [1 L'interdiction énoncée à l'alinéa 1er ne s'applique pas lorsqu'un membre du conseil d'administration ou du comité de direction représente Infrabel :
   -auprès de la commission paritaire nationale ou auprès d'une instance de concertation ou de coordination à laquelle sont également associées des entreprises visées à l'alinéa premier;
   - au sein du conseil d'administration ou du comité de direction d'une société filiale contrôlée par Infrabel au sens de l'article 5 du Code des sociétés.]1

  [2 L'interdiction visée à l'alinéa 1er ne s'applique pas pour les mandats visés aux articles 34, § 1er, 2° et 45, § 1er, 3e tiret de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.]2
  [Un membre du comité de direction ou du conseil d'administration ne peut détenir aucun droit social ou actions de l'une des entreprises visées à l'alinéa 1er.
  Un membre du comité de direction ou du conseil d'administration est tenu de notifier au président du Conseil d'administration toute forme d'intérêt de nature patrimoniale qu'il détient dans une telle entreprise.] <L 2008-12-22/33, art. 72, 1°, 072; En vigueur : 08-01-2009>
  [1 lid opgeheven]1
  § 3. Lorsqu'un des membres du conseil d'administration ou du comité de direction contrevient aux dispositions des §§ 1er et 2, premier alinéa, il est tenu de se démettre des mandats ou fonctions en question dans un délai de trois mois. S'il ne le fait pas, il est réputé, à l'expiration de ce délai, s'être démis de plein droit de son mandat auprès d'Infrabel, sans que cela ne porte préjudice à la validité juridique des actes qu'il a accomplis ou des délibérations auxquelles il a pris part pendant la période concernée.
  [§ 4. L'interdiction prévue au § 2, alinéa 1er, subsiste pendant deux ans après la sortie de charge.] <L 2008-12-22/33, art. 72, 2°, 072; En vigueur : 08-01-2009>
  § 5. [1 Toute infraction aux interdictions visées au § 2, alinéa 1er et § 4 sera punie d'une amende de 1.000 euros à 10.000 euros.]1
  
Art.212. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> § 1. Onverminderd andere beperkingen bepaald bij of krachtens de wet of de statuten van Infrabel, is het mandaat van lid van de raad van bestuur of van het directiecomité onverenigbaar met het mandaat of de functie van :
  1° lid van het Europees Parlement;
  2° lid van de Wetgevende Kamers;
  3° Minister of Staatssecretaris;
  4° lid van de Raad of van de Regering van een Gemeenschap of een Gewest;
  5° gouverneur van een provincie of lid van de bestendige deputatie van een provincieraad.
  Bovendien mogen geen andere bestuurders dan de gedelegeerd bestuurder personeelsleden zijn van Infrabel in de zin van artikel 214, § 1.
  De leden van het directiecomité mogen geen burgemeester, schepen of voorzitter zijn van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  § 2. [2 Het mandaat van lid van de raad van bestuur of van het directiecomité, is onverenigbaar met elke al dan niet bezoldigde functie, mandaat of activiteit, die hetzij persoonlijk, hetzij via tussenkomst van een rechtspersoon uitgeoefend wordt ten dienste van een spoorwegonderneming, ten dienste van HR Rail of ten dienste van een vennootschap die, in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen, verbonden is met één ervan.]2
  [1 Het verbod vermeld in het eerste lid is niet van toepassing als een lid van de raad van bestuur of van het directiecomité Infrabel vertegenwoordigt :
   -bij de nationale paritaire commissie of bij een overleg- of coördinatie-instantie waarbij ook de in het eerste lid bedoelde ondernemingen betrokken zijn;
   - in de raad van bestuur of het directiecomité van een dochtervennootschap gecontroleerd door Infrabel in de zin van artikel 5 van het Wetboek van vennootschappen.]1

  [2 Het verbod vermeld in het eerste lid is niet van toepassing op de mandaten bedoeld in de artikelen 34, § 1, 2° en 45, § 1, derde streepje van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.]2
  [Een lid van het directiecomité of van de raad van bestuur mag geen maatschappelijke rechten of aandelen van één van de in eerste lid bedoelde ondernemingen bezitten.
  Een lid van het directiecomité of van de raad van bestuur is verplicht de voorzitter van de raad van bestuur in te lichten over elke vorm van vermogensrechtelijk belang in een dergelijke onderneming.] <W 2008-12-22/33, art. 72, 1°, 072; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [1 lid opgeheven]1
  § 3. Wanneer één van de leden van de raad van bestuur of van het directiecomité de bepalingen van §§ 1 en 2, eerste lid, overtreedt, moet hij binnen een termijn van drie maanden de betrokken mandaten of functies neerleggen. Indien hij nalaat dit te doen, wordt hij na afloop van deze termijn van rechtswege geacht zijn mandaat bij Infrabel te hebben neergelegd, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de handelingen die hij inmiddels heeft gesteld, of van de beraadslagingen waaraan hij inmiddels heeft deelgenomen.
  [§ 4. Het verbod beschreven in de eerste lid, van § 2 blijft twee jaren na de beëindiging van het mandaat gelden.] <W 2008-12-22/33, art. 72, 2°, 072; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  § 5. [1 Elke overtreding van de in § 2, eerste lid, en § 4, bedoelde verbodsbepalingen wordt bestraft met een geldboete van 1.000 euro tot 10.000 euro.]1
  
Art.213. § 1er. Infrabel est soumise au contrôle du ministre qui a les entreprises publiques dans ses attributions et du ministre qui a la régulation du transport ferroviaire dans ses attributions. Ce contrôle est exercé à l'intervention de deux commissaires du Gouvernement, nommés et révoqués par le Roi sur la proposition du ministre concerné.
  Les ministres précités peuvent chacun désigner un suppléant pour le cas d'empêchement éventuel du commissaire du Gouvernement ou pour l'assister dans sa mission.
  Le Roi règle l'exercice des missions des commissaires du Gouvernement et leur rémunération. Cette rémunération est à charge d'Infrabel.
  § 2. Les commissaires du Gouvernement veillent au respect de la loi, des statuts et du contrat de gestion. Ils veillent à ce que la politique d'Infrabel, en particulier celle menée en exécution de l'article 13, ne porte pas préjudice à la mise en oeuvre des missions de service public.
  Chaque commissaire du Gouvernement fait rapport au ministre dont il relève. Les commissaires du Gouvernement font rapport au ministre du budget sur toutes les décisions du conseil d'administration ou du comité de direction qui ont une incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat.
  § 3. Les commissaires du Gouvernement sont invités à toutes les réunions du conseil d'administration et du comité de direction et y siègent avec voix consultative. Ils peuvent chacun individuellement, à tout moment, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures d'Infrabel. Ils peuvent chacun individuellement requérir des administrateurs, agents et préposés d'Infrabel et des membres de son comité de direction toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui leur paraissent nécessaires à l'exécution de leur mandat.
  Infrabel met à la disposition des commissaires du Gouvernement les ressources humaines et matérielles nécessaires à l'exécution de leur mandat.
  § 4. Chaque commissaire du Gouvernement introduit, dans un délai de quatre jours ouvrables, un recours auprès du ministre dont il relève contre toute décision du conseil d'administration ou du comité de direction qu'il estime contraire à la loi, aux statuts ou au contrat de gestion ou susceptible de porter préjudice à la mise en oeuvre des missions de service public d'Infrabel. Chaque commissaire du Gouvernement peut, dans le même délai, introduire un tel recours contre toute décision d'augmentation des redevances de l'utilisation de l'infrastructure ferroviaire. Le recours est suspensif.
  Le délai visé au premier alinéa court à partir du jour de la réunion à laquelle la décision a été prise, pour autant que le commissaire du Gouvernement en question y ait été régulièrement convoque et, dans le cas contraire, à partir du jour où il en a reçu connaissance. Lorsqu'il est recouru à la procédure écrite prévue à l'article 521, alinéa 2, du Code des sociétés, le délai court à partir du jour où le commissaire du Gouvernement en question a reçu connaissance de la décision ainsi adoptée.
  Le ministre saisi du recours peut annuler la décision en question dans un délai de [1 quatorze jours]1 à compter du même jour que le délai visé au premier alinéa. Le ministre notifie l'annulation à l'organe de gestion concernée. Si, dans le délai précité, aucun des ministres compétents n'a prononcé l'annulation, la décision devient définitive, sans préjudice des dispositions du dernier alinéa.
  En cas d'incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat, le ministre saisi du recours demande l'accord du ministre du budget. A défaut d'accord entre ces deux ministres dans le délai de [1 quatorze jours]1 vise à l'alinéa 3, il est statué dans un délai de [1 trente jours]1 à compter du même jour que le délai visé au premier alinéa, selon la procédure fixée par le Roi.
  § 5. [2 Chaque année, l'administrateur délégué d'Infrabel est auditionné par la Chambre des représentants.
   Lors de cette audition, l'administrateur délégué fait rapport de l'accomplissement par Infrabel de ses missions de service public.
   Chaque année, le ministre qui a les entreprises publiques dans ses attributions et le ministre qui a la régulation du transport ferroviaire dans ses attributions font rapport à la Chambre des représentants de l'application du présent titre.]2

  
Art.213. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> § 1. Infrabel is onderworpen aan het toezicht van de minister bevoegd voor de overheidsbedrijven en van de minister bevoegd voor de regulering van het spoorvervoer. Dit toezicht wordt uitgeoefend door tussenkomst van twee Regeringscommissarissen die worden benoemd en ontslagen door de Koning op voordracht van de betrokken minister.
  Voornoemde ministers kunnen elk een plaatsvervanger aanduiden voor het geval de Regeringscommissaris eventueel verhinderd zou zijn of om deze laatste bij te staan in zijn opdracht.
  De Koning regelt de uitoefening van de opdrachten van de Regeringscommissarissen en hun bezoldiging. Deze bezoldiging is ten laste van Infrabel.
  § 2. De Regeringscommissarissen zien toe op de naleving van de wet, van de statuten en van het beheerscontract. Zij zien er op toe dat het beleid van Infrabel, inzonderheid het beleid met toepassing van artikel 13, de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst niet in het gedrang brengt.
  Elke Regeringscommissaris brengt verslag uit bij de minister onder wie hij ressorteert. De Regeringscommissarissen brengen verslag uit aan de minister van begroting aangaande alle beslissingen van de raad van bestuur of het directiecomité die een weerslag hebben op de algemene uitgavenbegroting van de Staat.
  § 3. De Regeringscommissarissen worden uitgenodigd op alle vergaderingen van de raad van bestuur en van het directiecomité en hebben er een raadgevende stem. Zij kunnen te allen tijde individueel ter plaatse kennis nemen van de boeken, brieven, notulen en in het algemeen van alle documenten en geschriften van Infrabel. Zij kunnen ieder individueel van de bestuurders, van de gemachtigden en de personeelsleden van Infrabel en van de leden van haar directiecomité alle ophelderingen of inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die zij nodig achten voor de uitoefening van hun mandaat.
  Infrabel stelt de Regeringscommissarissen de menselijke en materiële middelen ter beschikking die nodig zijn voor de uitoefening van hun mandaat.
  § 4. Iedere Regeringscommissaris tekent binnen een termijn van vier werkdagen beroep aan bij de minister onder wij hij ressorteert, tegen elke beslissing van de raad van bestuur of van het directiecomité die hij strijdig acht met de wet, de statuten of het beheerscontract of waarvan hij oordeelt dat zij nadeel kan berokkenen aan de uitvoering van de opdrachten van openbare dienst van Infrabel. Iedere Regeringscommissaris kan, binnen dezelfde termijn, beroep aantekenen tegen elke beslissing tot verhoging van de rechten voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur. Het beroep is opschortend.
  De termijn bedoeld in het eerste lid gaat in op de dag van de vergadering waarop de beslissing is genomen, voor zover de betrokken Regeringscommissaris daarop regelmatig was uitgenodigd en, in het tegenovergestelde geval, op de dag waarop hij van de beslissing kennis heeft genomen. Wanneer een beroep wordt gedaan op de schriftelijke procedure bepaald in artikel 521, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen, begint de termijn te lopen op de dag waarop de betrokken Regeringscommissaris kennis heeft genomen van de aldus aangenomen beslissing.
  De minister bij wie beroep werd aangetekend, kan de betrokken beslissing vernietigen binnen een termijn van [1 veertien dagen]1 ingaand op dezelfde dag als de in het eerste lid bedoelde termijn. De minister betekent de vernietiging aan het betrokken bestuursorgaan. Indien geen van de bevoegde ministers de vernietiging heeft uitgesproken binnen voornoemde termijn, wordt de beslissing definitief, onverminderd de bepalingen van het laatste lid.
  In geval van weerslag op de algemene uitgavenbegroting van de Staat, vraagt de minister bij wie beroep werd aangetekend, het akkoord van de minister van begroting. Indien deze beide ministers niet tot een akkoord komen binnen de in het derde lid bedoelde termijn van [1 veertien dagen]1, wordt over de aangelegenheid beslist binnen een termijn van [1 dertig dagen]1 ingaand op dezelfde dag als de in het eerste lid bedoelde termijn, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure.
  § 5. [2 Elk jaar wordt de gedelegeerd bestuurder van Infrabel gehoord door de Kamer van volksvertegenwoordigers.
   Tijdens deze hoorzitting brengt de gedelegeerd bestuurder verslag uit over de uitvoering door Infrabel van zijn taken van openbare dienst.
   Elk jaar brengen de minister bevoegd voor de overheidsbedrijven en de minister bevoegd voor de regulering van het spoorvervoer bij de Kamer van volksvertegenwoordigers verslag uit over de toepassing van deze titel.]2

  
Art. 213. § 1er. Infrabel est soumise au contrôle du ministre qui a les entreprises publiques dans ses attributions et du ministre qui a la régulation du transport ferroviaire dans ses attributions. Ce contrôle est exercé à l'intervention de deux commissaires du Gouvernement, nommés et révoqués par le Roi sur la proposition du ministre concerné.
  Les ministres précités peuvent chacun désigner un suppléant pour le cas d'empêchement éventuel du commissaire du Gouvernement ou pour l'assister dans sa mission.
  Le Roi règle l'exercice des missions des commissaires du Gouvernement et leur rémunération. Cette rémunération est à charge d'Infrabel.
  § 2. Les commissaires du Gouvernement veillent au respect de la loi, des statuts et du contrat de gestion. Ils veillent à ce que la politique d'Infrabel, en particulier celle menée en exécution de l'article 13, ne porte pas préjudice à la mise en oeuvre des missions de service public.
  Chaque commissaire du Gouvernement fait rapport au ministre dont il relève. Les commissaires du Gouvernement font rapport au ministre du budget sur toutes les décisions du conseil d'administration ou du comité de direction qui ont une incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat.
  § 3. Les commissaires du Gouvernement sont invités à toutes les réunions du conseil d'administration et du comité de direction et y siègent avec voix consultative. Ils peuvent chacun individuellement, à tout moment, prendre connaissance, sans déplacement, des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et généralement de tous les documents et de toutes les écritures d'Infrabel. Ils peuvent chacun individuellement requérir des administrateurs, agents et préposés d'Infrabel et des membres de son comité de direction toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui leur paraissent nécessaires à l'exécution de leur mandat.
  Infrabel met à la disposition des commissaires du Gouvernement les ressources humaines et matérielles nécessaires à l'exécution de leur mandat.
  § 4. Chaque commissaire du Gouvernement introduit, dans un délai de quatre jours ouvrables, un recours auprès du ministre dont il relève contre toute décision du conseil d'administration ou du comité de direction qu'il estime contraire à la loi, aux statuts ou au contrat de gestion ou susceptible de porter préjudice à la mise en oeuvre des missions de service public d'Infrabel. Chaque commissaire du Gouvernement peut, dans le même délai, introduire un tel recours contre toute décision d'augmentation des redevances de l'utilisation de l'infrastructure ferroviaire. Le recours est suspensif.
  Le délai visé au premier alinéa court à partir du jour de la réunion à laquelle la décision a été prise, pour autant que le commissaire du Gouvernement en question y ait été régulièrement convoque et, dans le cas contraire, à partir du jour où il en a reçu connaissance. Lorsqu'il est recouru à la procédure écrite prévue à l'article 521, alinéa 2, du Code des sociétés, le délai court à partir du jour où le commissaire du Gouvernement en question a reçu connaissance de la décision ainsi adoptée.
  Le ministre saisi du recours peut annuler la décision en question dans un délai de [1 quatorze jours]1 à compter du même jour que le délai visé au premier alinéa. Le ministre notifie l'annulation à l'organe de gestion concernée. Si, dans le délai précité, aucun des ministres compétents n'a prononcé l'annulation, la décision devient définitive, sans préjudice des dispositions du dernier alinéa.
  En cas d'incidence sur le budget général des dépenses de l'Etat, le ministre saisi du recours demande l'accord du ministre du budget. A défaut d'accord entre ces deux ministres dans le délai de [1 quatorze jours]1 vise à l'alinéa 3, il est statué dans un délai de [1 trente jours]1 à compter du même jour que le délai visé au premier alinéa, selon la procédure fixée par le Roi.
  § 5. [2 Chaque année, l'administrateur délégué d'Infrabel est auditionné par la Chambre des représentants.
   Lors de cette audition, l'administrateur délégué fait rapport de l'accomplissement par Infrabel de ses missions de service public.
   Chaque année, le ministre qui a les entreprises publiques dans ses attributions et le ministre qui a la régulation du transport ferroviaire dans ses attributions font rapport à la Chambre des représentants de l'application du présent titre.]2

  
Art. 213bis. [1 Infrabel sluit met de NMBS de overeenkomst bedoeld in artikel 163quater, § 1.]1
  
Art. 213bis. [1 Infrabel conclut avec la SNCB la convention visée à l'article 163quater, § 1er.]1
  
HOOFDSTUK IV. - Personeel.
Art.214. § 1er. Infrabel dispose du personnel nécessaire à l'accomplissement de ses missions, mis à sa disposition par la [1 HR Rail]1. [1 Le statut du personnel, visé à l'article 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ]1, y compris le statut syndical, reste applicable à ce personnel. Toutefois, pendant la période de sa mise à disposition, ce personnel se trouve [1 sous l'autorité exclusive d'Infrabel ]1.
Art.214. <INGEVOEGD bij KB 2004-06-14/31, art. 5; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste op : 01-01-2005> § 1. Infrabel beschikt over het personeel dat nodig is voor de verwezenlijking van haar opdrachten, haar ter beschikking gesteld door de [1 HR Rail]1). [1 Het personeelsstatuut zoals bedoeld in artikel 21 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen]1, met inbegrip van het syndicaal statuut, blijft van toepassing op dit personeel. Tijdens de periode van hun terbeschikkingstelling staan de personeelsleden evenwel [1 onder het uitsluitende gezag van Infrabel]1. <KB 2004-10-18/32, art. 6, 052 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
  [1 De voorwaarden en de nadere bepalingen van de terbeschikkingstelling van het personeel krachtens het eerste lid, worden vastgesteld door of krachtens de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.]1
  § 2. Hoofdstuk III van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers is niet van toepassing op de terbeschikkingstelling van personeel bedoeld in § 1.
  
Art. 214. § 1er. Infrabel dispose du personnel nécessaire à l'accomplissement de ses missions, mis à sa disposition par la [1 HR Rail]1. [1 Le statut du personnel, visé à l'article 21 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges ]1, y compris le statut syndical, reste applicable à ce personnel. Toutefois, pendant la période de sa mise à disposition, ce personnel se trouve [1 sous l'autorité exclusive d'Infrabel ]1. <AR 2004-10-18/32, art. 6, 052 ; En vigueur : 01-01-2005>
  [1 Les conditions et modalités de la mise à disposition du personnel en vertu du premier alinéa, sont fixées par ou en vertu de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.]1
  § 2. Le Chapitre III de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs ne s'applique pas à la mise à disposition de personnel visée au § 1er.
  
Art.215. [1 De bepalingen van titel I, hoofdstuk VIII, met uitzondering van artikel 31, en zonder afbreuk te doen aan artikel 71 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen, zijn niet van toepassing op Infrabel en het personeel dat aan Infrabel ter beschikking wordt gesteld. Infrabel en haar personeel zijn onderworpen aan de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen.]1
  
Art. 215. [1 Le titre I, chapitre VIII, à l'exception de l'article 31, et sans porter préjudice à l'article 71 de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges, ne s'applique pas à Infrabel et au personnel mis à disposition d'Infrabel. Infrabel et son personnel sont soumis à la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges.]1
  
HOOFDSTUK V. [1 Diverse bepalingen.]1
Art. 215bis. [1 Infrabel est titulaire d'une servitude perpétuelle à titre gratuit sur les gares et sur les terrains relevant de la propriété de la SNCB pour faire passer tous les câbles liés à la haute tension, aux éléments de procédure de démarrage des trains, à la signalisation ou à la sonorisation, nécessaires à l'exécution par Infrabel de ses missions de service public.]1
Art. 215bis. [1 Infrabel is de houder van een eeuwigdurende erfdienstbaarheid ten kosteloze titel op de stations en op de terreinen die eigendom zijn van de NMBS om een doorgang te verlenen aan alle hoogspanningskabels, aan de kabels die verbonden zijn met de elementen die deel uitmaken van de vertrekprocedure van de treinen, met de signalisatie of met de geluidsinstallaties, die nodig zijn voor de uitvoering door Infrabel van haar opdrachten van openbare dienst.]1
  
Art. 215ter. [1 § 1er. Par ailleurs, Infrabel est autorisée à utiliser le domaine des gares perpétuellement et à titre gratuit pour établir et maintenir des câbles et équipements connexes relatifs aux installations de communication et informatiques et exécuter les travaux y afférents.
   § 2. Font partie des travaux visés au paragraphe 1er ceux qui sont nécessaires à l'entretien, au maintien, à la modification, à la réparation, à l'enlèvement et au contrôle des câbles et équipements connexes.
   Avant d'établir des câbles et équipements connexes sur le domaine d'une gare, lnfrabel recueille l'accord préalable de la SNCB sur le plan d'implantation et les caractéristiques d'aménagement.
   § 3. Infrabel est autorisée à accéder aux équipements précités afin de pouvoir procéder à leur entretien, à leur maintien, à leur modification, à leur réparation, à leur enlèvement ou à leur contrôle.
   § 4. Les travaux sont exécutés en bon père de famille et de manière à provoquer le moins de nuisances possibles.]1

  
Art. 215ter. [1 § 1. Infrabel mag daarenboven eeuwig en ten kosteloze titel gebruik maken van het stationsdomein voor de plaatsing en de instandhouding van de kabels en de verbonden uitrustingen die verband houden met communicatie- en informaticasystemen, en voor de uitvoering van de daarmee verbonden werken.
   § 2. Onder de werken bedoeld in paragraaf 1 worden deze begrepen die noodzakelijk zijn voor het onderhoud, de instandhouding, de wijziging, de herstelling, de verwijdering en de controle van de kabels en verbonden uitrustingen.
   Voorafgaand aan de plaatsing van de kabels en verbonden uitrustingen op het stationsdomein, dient Infrabel het voorafgaand akkoord van de NMBS in te winnen over het liggingsplan en de inrichtingskenmerken.
   § 3. Infrabel heeft toegang tot genoemde uitrustingen om te kunnen overgaan tot hun onderhoud, hun instandhouding, hun wijziging, hun herstelling, hun verwijdering of hun controle.
   § 4. De werken worden uitgevoerd als een goed huisvader en op een wijze die zo weinig mogelijk hinder veroorzaakt.]1

  
Art. 215ter. [1 § 1er. Par ailleurs, Infrabel est autorisée à utiliser le domaine des gares perpétuellement et à titre gratuit pour établir et maintenir des câbles et équipements connexes relatifs aux installations de communication et informatiques et exécuter les travaux y afférents.
   § 2. Font partie des travaux visés au paragraphe 1er ceux qui sont nécessaires à l'entretien, au maintien, à la modification, à la réparation, à l'enlèvement et au contrôle des câbles et équipements connexes.
   Avant d'établir des câbles et équipements connexes sur le domaine d'une gare, lnfrabel recueille l'accord préalable de la SNCB sur le plan d'implantation et les caractéristiques d'aménagement.
   § 3. Infrabel est autorisée à accéder aux équipements précités afin de pouvoir procéder à leur entretien, à leur maintien, à leur modification, à leur réparation, à leur enlèvement ou à leur contrôle.
   § 4. Les travaux sont exécutés en bon père de famille et de manière à provoquer le moins de nuisances possibles.]1

  
Art. 215quater. [1 § 1. De NMBS heeft het recht wijzigingen te laten aanbrengen aan de ligging van de kabels en van de verbonden uitrustingen bedoeld in artikel 215ter ter gelegenheid van werken die zij wenst uit te voeren in een station.
   De NMBS en Infrabel hebben de verplichting om elkaar te informeren en zich op elkaar af te stemmen voor de organisatie van de werken.
   § 2. De kosten verbonden aan de wijziging van de kabels en verbonden uitrustingen uitgevoerd op vraag van de NMBS in het kader van haar taken van openbare dienst zijn ten laste van Infrabel.
   § 3. Als de werken die de NMBS uitvoert echter kaderen in haar commerciële activiteiten met betrekking tot vastgoedontwikkeling, blijven de kosten van de verplaatsing van de kabels en verbonden uitrustingen ten haren laste.]1

  
Art. 215quater. [1 § 1er. La SNCB a le droit de faire modifier l'implantation des câbles et équipements connexes visés à l'article 215ter à l'occasion de travaux qu'elle désire effectuer dans la gare.
   La SNCB et Infrabel ont l'obligation de s'informer et de se coordonner pour l'organisation des travaux.
   § 2. Les frais inhérents à la modification des câbles et équipements connexes exécutée à la demande de la SNCB dans le cadre de ses missions de service public sont à charge d'Infrabel.
   § 3. Si, toutefois, les travaux que la SNCB effectue le sont dans le cadre de ses activités commerciales de développement immobilier, les frais de déplacement des câbles et équipements connexes restent à sa charge.]1

  
TITEL IX.
CHAPITRE Ier.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE Ier.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
TITEL X. Fonds voor spoorweginfrastructuur.
TITRE X. Fonds de l'infrastructure ferroviaire.
Art.234.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.235.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.235.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.236.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.236.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.237.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.237.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.238.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.238.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.239.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.239.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.240.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.240.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.241.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.241.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.242.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.242.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.243.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.243.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.244.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.244.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.245.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art.245.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Art. 245.   (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Abrogé art. 19 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
BIJLAGEN.
Art. N1.
Art. N3. Annexe 3. Arrêtant les conditions techniques et financières de prestation des services offerts en vue de rencontrer les besoins sociaux particuliers visés à l'article 86ter, § 2, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
  (Pour l'annexe, voir 1997-12-19/33).
  Modifié par :
  <L 2001-07-19/38, art. 35 à 37; M.B. 28-07-2001>
Art. N3. Bijlage 3. Tot vaststelling van de technische en financiële prestatievoorwaarden betreffende de diensten die worden aangeboden met het oog op de tegemoetkoming aan de bijzondere sociale behoeften bedoeld in artikel 86, § 2 van de wet van 21 maart 1991betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
  (Voor deze bijlage, zie 1997-12-19/33.)
  Gewijzigd bij :
  <W 2001-07-19/38, art. 35 t/m 37; B.St. 28-07-2001>
Art. N3. Annexe 3. Arrêtant les conditions techniques et financières de prestation des services offerts en vue de rencontrer les besoins sociaux particuliers visés à l'article 86ter, § 2, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
  (Pour l'annexe, voir 1997-12-19/33).
  Modifié par :
  <L 2001-07-19/38, art. 35 à 37; M.B. 28-07-2001>