Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 JULI 1990. - Wet betreffende de voorlopige hechtenis. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-12-1990 en tekstbijwerking tot 17-06-2024)
Titre
20 JUILLET 1990. - Loi relative à la détention préventive. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-12-1990 et mise à jour au 17-06-2024)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (81)
Texte (81)
TITEL I. - De voorlopige hechtenis.
TITRE I. - De la détention préventive.
HOOFDSTUK I. - De [1 arrestatie]1
CHAPITRE I. - De l'arrestation.
Artikel 1. Voor de [2 arrestatie]2 bij op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf gelden de volgende regels :
  1° de vrijheidsbeneming mag in geen geval langer duren dan [1 achtenveertig]1 uren;
  2° de agenten van de openbare macht stellen de verdachte van wie zij de vlucht hebben verhinderd, onmiddellijk ter beschikking van de officier van gerechtelijke politie. De termijn van [1 achtenveertig]1 uren waarvan sprake is in het 1°, gaat in op het ogenblik dat de verdachte, ten gevolge van het optreden van de agent van de openbare macht, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan;
  3° iedere particulier die iemand vasthoudt die bij een misdaad of wanbedrijf op heterdaad betrapt werd, geeft de feiten onverwijld aan bij een agent van de openbare macht. De termijn van [1 achtenveertig]1 uren waarvan sprake is in het 1°, gaat in op het ogenblik dat die aangifte wordt gedaan;
  4° zodra de officier van gerechtelijke politie tot [2 arrestatie]2 is overgegaan, deelt hij dit onverwijld mee aan de procureur des Konings door middel van de snelste communicatiemiddelen. Hij voert de bevelen van deze magistraat uit, zowel wat de vrijheidsbeneming als wat de uit te voeren plichten betreft;
  5° indien het misdrijf het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek, wordt de in het 4° bedoelde mededeling gedaan aan de onderzoeksrechter;
  6° van de aanhouding wordt proces-verbaal opgemaakt.
  Dit proces-verbaal vermeldt :
  a) het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming, met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsbeneming tot stand gekomen is;
  b) de mededelingen gedaan overeenkomstig het 4° en het 5°, met opgave van het juiste uur en van de beslissingen genomen door de magistraat.
  
Article 1. L'arrestation en cas de flagrant crime ou de flagrant délit est soumise aux règles suivantes :
  1° la privation de liberté ne peut en aucun cas dépasser [1 quarante-huit]1 heures;
  2° les agents de la force publique mettent immédiatement à la disposition de l'officier de police judiciaire toute personne soupçonnée dont ils ont empêché la fuite. Le délai de [1 quarante-huit]1 heures prévu au 1° prend cours à partir du moment où cette personne ne dispose plus, à la suite de l'intervention de l'agent de la force publique, de la liberté d'aller et de venir;
  3° tout particulier qui retient une personne prise en flagrant crime ou en flagrant délit dénonce immédiatement les faits à un agent de la force publique. Le délai de [1 quarante-huit]1 heures prévu au 1° prend cours à partir du moment de cette dénonciation;
  4° dès que l'officier de police judiciaire a procédé à une arrestation, il en informe immédiatement le procureur du Roi par les moyens de communication les plus rapides. Il exécute les ordres donnés par ce magistrat en ce qui concerne tant la privation de liberté que les devoirs à exécuter;
  5° si l'infraction fait l'objet d'une instruction, l'information prévue au 4° est communiquée au juge d'instruction;
  6° il est dressé procès-verbal de l'arrestation.
  Ce procès-verbal mentionne :
  a) l'heure précise de la privation de liberté effective, avec indication détaillée des circonstances dans lesquelles la privation de liberté s'est effectuée;
  b) les communications faites conformément aux 4° et 5°, avec l'indication de l'heure précise et des décisions prises par le magistrat.
  
Art.2. Buiten het geval van op heterdaad ontdekte misdaad of op heterdaad ontdekt wanbedrijf, kan een persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf bestaan, slechts ter beschikking van de rechter worden gesteld, en voor een termijn die niet langer duurt dan [1 achtenveertig]1uren, met inachtneming van de volgende regels :
  1° de beslissing tot [2 arrestatie]2 kan alleen worden genomen door de procureur des Konings;
  2° indien deze persoon poogt te vluchten of poogt zich te onttrekken aan het toezicht van een agent van de openbare macht, mogen bewarende maatregelen worden getroffen in afwachting dat de procureur des Konings, onverwijld door de snelste communicatiemiddelen op de hoogte gebracht, een beslissing neemt;
  3° van de beslissing tot [2 arrestatie]2 wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokkene. Deze kennisgeving bestaat in het mondeling mededelen van de beslissing in de taal van de rechtspleging;
  4° er wordt een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal vermeldt :
  a) de beslissing van de procureur des Konings, de door hem getroffen maatregelen en de wijze waarop deze zijn medegedeeld;
  b) het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming, met nauwkeurige opgave van de omstandigheden waarin de vrijheidsbeneming tot stand gekomen is;
  c) het juiste uur van de kennisgeving aan de betrokkene van de beslissing tot [2 arrestatie]2.
  5° de [2 gearresteerde]2 of vastgehouden persoon wordt in vrijheid gesteld zodra de maatregel niet langer noodzakelijk is. De vrijheidsbeneming mag in geen geval langer duren dan [1 achtenveertig]1 uren te rekenen van de kennisgeving van de beslissing of, ingeval er bewarende dwangmaatregelen zijn genomen, te rekenen van het ogenblik dat de persoon niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan;
  6° wanneer de zaak aanhangig is bij de onderzoeksrechter, oefent deze de bevoegdheden uit die dit artikel aan de procureur des Konings opdraagt.
  
Art.2. Hors le cas de flagrant crime ou de flagrant délit, une personne à l'égard de laquelle il existe des indices sérieux de culpabilité relatifs à un crime ou à un délit ne peut être mise à la disposition de la justice, et pour une durée qui ne peut dépasser [1 quarante-huit]1 heures, que dans le respect des règles suivantes :
  1° la décision de [2 arrestation]2 ne peut être prise que par le procureur du Roi;
  2° si cette personne tente de fuir ou tente de se soustraire à la surveillance d'un agent de la force publique, des mesures conservatoires peuvent être prises en attendant que le procureur du Roi, informé immédiatement par les moyens de communication les plus rapides, prenne une décision;
  3° la décision d'arrestation est immédiatement notifiée à l'intéressé. Cette notification consiste en une communication verbale de la décision dans la langue de la procédure;
  4° il est dressé un procès-verbal qui mentionne :
  a) la décision et les mesures prises par le procureur du Roi, et la manière dont elles ont été communiquées;
  b) l'heure précise de la privation de liberté effective, avec l'indication détaillée des circonstances dans lesquelles la privation de liberté s'est effectuée;
  c) l'heure précise de la notification à l'intéressé de la décision d'arrestation.
  5° la personne arrêtée ou retenue est mise en liberté dès que la mesure a cessé d'être nécessaire. La privation de liberté ne peut en aucun cas dépasser [1 quarante-huit]1 heures à compter de la notification de la décision ou, si des mesures conservatoires contraignantes ont été prises, à compter du moment où la personne ne dispose plus de la liberté d'aller et de venir;
  6° lorsque le juge d'instruction est saisi, il exerce les compétences attribuées au procureur du Roi par le présent article.
  
Art. 2bis. [1 § 1. Deze bepaling regelt de toegang tot een advocaat binnen de termijnen bedoeld bij de artikelen 1, 1°, 2, [2 12 en 18, § 1]2.
   § 2. Eenieder die van zijn vrijheid is benomen overeenkomstig de artikelen 1 of 2 of ter uitvoering van een in artikel 3 bedoeld bevel tot medebrenging heeft vanaf dat ogenblik en vóór het eerstvolgende verhoor door de politiediensten, of bij gebrek hieraan door de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, het recht om zonder onnodig uitstel vertrouwelijk overleg te plegen met een advocaat naar keuze. Teneinde de door hem gekozen advocaat of een andere advocaat te contacteren, wordt contact opgenomen met de permanentiedienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", of bij gebrek hieraan door de stafhouder van de Orde of zijn gemachtigde.
   Vanaf het contact met de gekozen advocaat of de permanentiedienst, dient het vertrouwelijk overleg met de advocaat binnen twee uren plaats te vinden. Op vraag van de advocaat in akkoord met de betrokken persoon, kan het vertrouwelijk overleg telefonisch plaatsgrijpen. Het vertrouwelijk overleg kan dertig minuten duren en is in uitzonderlijke gevallen beperkt verlengbaar op beslissing van de verhoorder. [3 ...]3
  [3 Indien het geplande vertrouwelijke overleg niet binnen twee uren heeft kunnen plaatsvinden, vindt alsnog een contact met de permanentiedienst plaats teneinde het vertrouwelijk overleg met de advocaat en de bijstand van de advocaat tijdens het verhoor onverwijld te regelen. Het verhoor kan geen aanvang nemen zonder de effectieve bijstand van de advocaat.]3
   § 3. Na telefonisch vertrouwelijk overleg met de gekozen advocaat of met de advocaat van de permanentie, en in akkoord met deze, kan de meerderjarige verdachte afstand doen van het recht op bijstand tijdens het verhoor dat, indien mogelijk, audio gefilmd kan worden opgenomen ter controle van het verloop van het verhoor.
   De verhoorder, de procureur des Konings of de gelaste onderzoeksrechter kunnen te allen tijde ambtshalve beslissen het verhoor audio gefilmd op te nemen.
   Al deze elementen worden nauwkeurig opgenomen in een proces-verbaal.
   De digitale opname van het verhoor wordt overgemaakt aan de procureur des Konings of in voorkomend geval aan de gelaste onderzoeksrechter, samen met het proces-verbaal van verhoor. Ze maakt deel uit van het strafdossier en er kan inzage of afschrift van bekomen worden overeenkomstig de artikelen 21bis en 61ter van het Wetboek van strafvordering. De van zijn vrijheid benomen verdachte heeft evenwel het recht om zelf of via zijn advocaat kennis te nemen van de opname van zijn verhoor op eenvoudig verzoek van hemzelf of van zijn advocaat aan de procureur des Konings of, in voorkomend geval, aan de gelaste onderzoeksrechter.
   De opname van het verhoor wordt digitaal bewaard.
   § 4. Indien de ondervraagde persoon de taal van de procedure niet verstaat of spreekt of indien hij lijdt aan gehoor- of spraakstoornissen en indien de advocaat de taal van de te horen persoon niet verstaat of spreekt, wordt een beroep gedaan op een beëdigd tolk tijdens het voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg met de advocaat. [4 In geval de beëdigd tolk in de onmogelijkheid verkeert om zich te verplaatsen, kan deze bijstand ook met telecommunicatiemiddelen worden verleend. De organisatie en het verloop van de bijstand met telecommunicatiemiddelen moeten zodanig zijn dat de rechten van verdediging van de ondervraagde persoon worden gevrijwaard.]4 Het proces-verbaal maakt melding van de bijstand door een beëdigd tolk, alsmede van diens naam en hoedanigheid [4 en van de wijze waarop deze bijstand werd verleend]4. De kosten van vertolking zijn ten laste van de Staat.
   § 5. De te horen persoon heeft recht op bijstand door zijn advocaat tijdens de verhoren die plaatsvinden binnen de bij paragraaf 1 bepaalde termijnen.
   Het verhoor wordt gedurende maximaal vijftien minuten onderbroken met het oog op bijkomend vertrouwelijk overleg, hetzij eenmalig op verzoek van de te horen persoon zelf of op verzoek van zijn advocaat, hetzij bij het aan het licht komen van nieuwe strafbare feiten die niet in verband staan met de feiten die hem overeenkomstig artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering ter kennis werden gebracht.
   § 6. Enkel de meerderjarige te horen persoon kan vrijwillig en weloverwogen afstand doen van de in de paragrafen 2 en 5 vermelde rechten. Hij kan voor het nemen van deze beslissing om een vertrouwelijk telefonisch contact verzoeken met een advocaat van de permanentiedienst. Hij moet de afstand schriftelijk doen, in een door hem gedateerd en ondertekend document, waarin hem de nodige informatie wordt verstrekt over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op bijstand van een advocaat. Betrokkene wordt in kennis gesteld dat hij zijn afstand kan herroepen.
   § 7. Onverminderd bepalingen in bijzondere wetten, heeft eenieder die van zijn vrijheid is benomen overeenkomstig de artikelen 1, 2 of 3, het recht, indien de verdachte hierom verzoekt, dat een door hem aangeduide derde over zijn [2 arrestatie]2 wordt ingelicht door de ondervrager of een door hem aangewezen persoon, via het meest geschikte communicatiemiddel.
   De procureur des Konings of de met het dossier belaste onderzoeksrechter, naargelang van de stand van de procedure, kan bij een met redenen omklede beslissing deze inlichting uitstellen voor de duur die noodzakelijk is om de belangen van het onderzoek te beschermen, ingeval een van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigen:
   a) een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;
   b) een dringende noodzaak om een situatie te voorkomen waarin substantiële schade aan de strafprocedure kan worden toegebracht.
   § 8. Eenieder die van zijn vrijheid is benomen overeenkomstig de artikelen 1, 2 of 3, heeft recht op medische bijstand. De kosten van de medische bijstand verleend tijdens de termijnen bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3, vallen onder de gerechtskosten.
   Onverminderd het in het eerste lid bepaalde recht, heeft deze persoon subsidiair het recht een onderzoek door een arts naar keuze te vragen. De kosten voor dit onderzoek vallen te zijnen laste.
   § 9. In het licht van de bijzondere omstandigheden van de zaak kan de procureur des Konings of de gelaste onderzoeksrechter, naargelang van de stand van de procedure, uitzonderlijk, bij een met redenen omklede beslissing, afwijken van de in de paragrafen 2 en 5 bepaalde rechten, ingeval een of meer van de volgende dwingende redenen zulks rechtvaardigen:
   a) indien er sprake is van een dringende noodzaak om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen. De verhoren afgenomen zonder inachtneming van de in de paragrafen 2 en 5 bepaalde rechten worden uitgevoerd met als enig doel en voor zover noodzakelijk om de informatie te verkrijgen die essentieel is om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen;
   b) indien onmiddellijk optreden noodzakelijk is om te voorkomen dat de strafprocedure substantiële schade wordt toegebracht. De verhoren afgenomen zonder inachtneming van de in de paragrafen 2 en 5 bepaalde rechten worden uitgevoerd met als enig doel en voor zover noodzakelijk om informatie te verkrijgen die essentieel is om te voorkomen dat de strafprocedure substantiële schade wordt toegebracht.
   § 10. [3 De procureur des Konings of de gelaste onderzoeksrechter kan, naargelang van de stand van de procedure, uitzonderlijk, bij een met redenen omklede beslissing tijdelijk afwijken van het zonder onnodig uitstel voorzien van het recht op toegang tot een advocaat, indien de geografische afstand waarop de verdachte zich bevindt het onmogelijk maakt om het recht op toegang tot een advocaat onverwijld na de vrijheidsbeneming te kunnen waarborgen en de uitoefening van deze rechten niet kan worden gerealiseerd door middel van radio, telefoon, audiovisuele of andere technische middelen.]3 Deze bepaling is niet van toepassing op de verdachte die zich bevindt binnen de grenzen van de Staat zoals bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.]1

  
Art. 2bis. [1 § 1er. La présente disposition règle l'accès à un avocat dans les délais visés aux articles 1er, 1°, 2,[2 12 et 18, § 1er]2.
   § 2. Quiconque est privé de sa liberté conformément aux articles 1er ou 2, ou en exécution d'un mandat d'amener visé à l'article 3, a le droit, dès ce moment et préalablement au premier interrogatoire suivant par les services de police ou, à défaut, par le procureur du Roi ou le juge d'instruction, de se concerter confidentiellement avec un avocat de son choix sans retard indu. Afin de contacter l'avocat de son choix ou un autre avocat, contact est pris avec la permanence organisée par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, et l'"Orde van Vlaamse balies" ou, à défaut, par le bâtonnier de l'Ordre ou son délégué.
   Dès l'instant où contact est pris avec l'avocat choisi ou la permanence, la concertation confidentielle avec l'avocat doit avoir lieu dans les deux heures. La concertation confidentielle peut avoir lieu par téléphone à la demande de l'avocat en accord avec la personne concernée. La concertation confidentielle peut durer trente minutes et peut, dans des cas exceptionnels, être prolongée dans une mesure limitée, sur décision de la personne qui procède à l'audition. [3 ...]3
  [3 Si la concertation confidentielle prévue ne peut pas avoir lieu dans les deux heures, un contact a néanmoins encore lieu avec la permanence, afin d'organiser immédiatement la concertation confidentielle avec l'avocat et l'assistance de l'avocat durant l'audition. L'audition ne peut pas commencer sans l'assistance effective de l'avocat.]3
   § 3. Après s'être concerté confidentiellement par téléphone avec l'avocat qu'il a choisi ou avec l'avocat de la permanence, et en accord avec lui, le suspect majeur peut renoncer au droit d'être assisté pendant l'audition qui peut, si possible, faire l'objet d'un enregistrement audio filmée afin de contrôler le déroulement de l'audition.
   La personne qui procède à l'audition, le procureur du Roi ou le juge d'instruction en charge peut à tout moment décider d'office que l'audition doit faire l'objet d'un enregistrement audio filmé.
   Tous ces éléments sont consignés avec précision dans un procès-verbal.
   L'enregistrement digital de l'audition est communiqué au procureur du Roi ou, le cas échéant au juge d'instruction en charge, avec le procès-verbal de l'audition. Il fait partie du dossier pénal et la consultation ou l'obtention des copies se fait conformément aux articles 21bis et 61ter du Code d'instruction criminelle. Le suspect qui est privé de sa liberté a cependant le droit de prendre connaissance, en personne ou par son avocat, de l'enregistrement de son audition sur simple demande de lui-même ou de son avocat au procureur du Roi ou, le cas échéant, au juge d'instruction en charge.
   L'enregistrement de l'audition est conservé sur support numérique.
   § 4. Si la personne interrogée ne comprend pas ou ne parle pas la langue de la procédure, ou si elle souffre de troubles de l'audition ou de la parole et si l'avocat ne comprend pas ou ne parle pas la langue de la personne à entendre, il est fait appel à un interprète assermenté durant la concertation confidentielle préalable avec l'avocat. [4 Dans le cas où l'interprète assermenté est dans l'impossibilité de se déplacer, l'assistance peut également se faire par des moyens de télécommunication. L'organisation et le déroulement de l'assistance par des moyens de télécommunication doivent être tels que les droits de la défense de la personne interrogée sont garantis.]4 Le procès-verbal mentionne l'assistance d'un interprète assermenté ainsi que son nom et sa qualité [4 et la manière dont cette assistance a été donnée]4. Les frais de l'interprétation sont à charge de l'Etat.
   § 5. La personne à entendre a le droit d'être assistée de son avocat lors des auditions qui ont lieu dans les délais visés au paragraphe 1er.
   L'audition est interrompue pendant quinze minutes au maximum en vue d'une concertation confidentielle supplémentaire, soit une seule fois à la demande de la personne à entendre elle-même ou à la demande de son avocat, soit en cas de révélation de nouvelles infractions qui ne sont pas en relation avec les faits qui ont été portés à sa connaissance conformément à l'article 47bis, § 2, du Code d'instruction criminelle.
   § 6. Seule la personne majeure à entendre peut renoncer volontairement et de manière réfléchie aux droits visés aux paragraphes 2 et 5. Avant de prendre cette décision, elle peut demander à s'entretenir confidentiellement par téléphone avec un avocat de la permanence. Elle doit procéder à la renonciation par écrit, dans un document daté et signé par elle, dans lequel les informations nécessaires lui sont fournies sur les conséquences éventuelles d'une renonciation au droit à l'assistance d'un avocat. La personne concernée est informée qu'elle peut révoquer sa renonciation.
   § 7. Sans préjudice des dispositions des lois particulières, quiconque est privé de sa liberté conformément aux articles 1er, 2 ou 3, a droit, si le suspect en fait la demande, à ce qu'un tiers qu'il désigne soit informé de son arrestation, par la personne qui interroge ou une personne désignée par elle, par le moyen de communication le plus approprié.
   Le procureur du Roi ou le juge d'instruction en charge du dossier, en fonction de l'état de la procédure, peut, par décision motivée, différer cette communication pour la durée nécessaire à la protection des intérêts de l'enquête, au cas où l'un des motifs impérieux suivants le justifie:
   a) une nécessité urgente de prévenir une atteinte grave à la vie, à la liberté ou à l'intégrité physique d'une personne;
   b) une nécessité urgente de prévenir une situation dans laquelle la procédure pénale peut être sérieusement compromise.
   § 8. Quiconque est privé de sa liberté conformément aux articles 1er, 2 ou 3 a droit à une assistance médicale. Le coût de l'assistance médicale fournie dans les délais visés aux articles 1er, 2 et 3 s'inscrit dans les frais de justice.
   Sans préjudice du droit prévu à l'alinéa 1er, cette personne a subsidiairement le droit de demander à être examinée par un médecin de son choix. Le coût de cet examen est à sa charge.
   § 9. A la lumière des circonstances particulières de l'espèce, le procureur du Roi ou le juge d'instruction en charge, en fonction de l'état de la procédure, peut exceptionnellement, par une décision motivée, déroger à l'application des droits prévus aux paragraphes 2 et 5, au cas où l'un ou plusieurs des motifs impérieux suivants le justifient:
   a) lorsqu'il existe une nécessité urgente de prévenir une atteinte grave à la vie, à la liberté ou à l'intégrité physique d'une personne. Les interrogatoires effectués sans que les droits prévus aux paragraphes 2 et 5 soient observés, sont menés à la seule fin d'obtenir des informations essentielles pour prévenir des atteintes graves à la vie, à la liberté ou à l'intégrité physique d'une personne et dans la mesure nécessaire à cet effet;
   b) lorsqu'il est impératif que les autorités qui procèdent à l'enquête agissent immédiatement pour éviter de compromettre sérieusement une procédure pénale. Les interrogatoires effectués sans que les droits prévus aux paragraphes 2 et 5 soient observés, sont menés à la seule fin d'obtenir des informations essentielles pour éviter de compromettre sérieusement une procédure pénale et dans la mesure nécessaire à cet effet.
   § 10. [3 Le procureur du Roi ou le juge d'instruction en charge, en fonction de l'état de la procédure, peut exceptionnellement, par une décision motivée, déroger temporairement à l'octroi du droit d'avoir accès à un avocat sans retard indu, lorsqu'il est impossible, en raison de l'éloignement géographique du suspect, d'assurer le droit d'accès à un avocat sans retard indu après la privation de liberté et que ces droits ne peuvent être exercés par des moyens radio, téléphoniques, audiovisuels ou d'autres moyens techniques.]3 Cette disposition ne s'applique pas au suspect se trouvant à l'intérieur des frontières de l'Etat telles que visées à l'article 7 de la Constitution.]1

  
HOOFDSTUK II. - Het bevel tot medebrenging.
CHAPITRE II. - Du mandat d'amener.
Art.3. De onderzoeksrechter kan een met redenen omkleed bevel tot medebrenging uitvaardigen tegen elke persoon tegen wie ernstige aanwijzingen van schuld aan een misdaad of een wanbedrijf bestaan en die niet reeds te zijner beschikking is gesteld.
  [1 Het bevel tot medebrenging levert ten aanzien van deze personen een titel van vrijheidsbeneming van maximum achtenveertig uren op, te rekenen van het tijdstip van effectieve vrijheidsbeneming zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2.]1
  
Art.3. Le juge d'instruction peut décerner un mandat d'amener motivé contre toute personne à l'égard de laquelle il existe des indices sérieux de culpabilité relatifs à un crime ou à un délit, et qui ne se trouve pas déjà à sa disposition.
  [1 Le mandat d'amener fournit à l'égard de ces personnes un titre de privation de liberté de maximum quarante-huit heures à compter du moment de privation effective de liberté telle que visée aux articles 1er et 2.]1
  
Art.4. Ook tegen de getuigen die weigeren te verschijnen op de dagvaarding die hun werd gedaan, kan de onderzoeksrechter bevelen tot medebrenging uitvaardigen overeenkomstig artikel 80 van het Wetboek van Strafvordering en onverminderd de geldboete bepaald bij dat artikel.
Art.4. Le juge d'instruction peut aussi décerner des mandats d'amener contre les témoins qui refusent de comparaître sur la citation qui leur a été donnée, conformément à l'article 80 du Code d'instruction criminelle et sans préjudice de l'amende prévue à cet article.
Art.5. De onderzoeksrechter ondervraagt [1 zonder onnodig uitstel]1 na de betekening van het bevel tot medebrenging.
  
Art.5. Le juge d'instruction interroge [1 sans retard indu]1 de la signification du mandat d'amener.
  
Art.6. Het bevel tot medebrenging wordt ondertekend door de magistraat die het verleend heeft en wordt met zijn zegel bekleed.
  De persoon tegen wie dit bevel is uitgevaardigd, wordt erin met name genoemd of zo duidelijk mogelijk aangewezen.
Art.6. Le mandat d'amener est signé par le magistrat qui l'a décerné et revêtu de son sceau.
  La personne qui fait l'objet de ce mandat y est nommée ou désignée le plus clairement possible.
Art.7. Het bevel tot medebrenging wordt betekend op het ogenblik van de [1 arrestatie]1 zo hiertoe wordt overgegaan ter uitvoering van dat bevel of [1 zonder onnodig uitstel na]1 de effectieve vrijheidsbeneming indien de aflevering van het bevel is voorafgegaan door een maatregel getroffen door de agenten van de openbare macht of door de procureur des Konings.
  Er wordt een proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal vermeldt :
  a) het juiste uur van de effectieve vrijheidsbeneming;
  b) het juiste uur van de betekening van het bevel tot medebrenging aan de betrokkene;
  c) alles wat de agenten van de openbare macht hebben verricht om de betrokkene ter beschikking van de onderzoeksrechter te stellen.
  
Art.7. Le mandat d'amener doit être signifié au moment de l'arrestation si celle-ci intervient par l'effet de l'exécution de ce mandat ou [1 sans retard indu après]1 la privation de liberté effective si la délivrance du mandat a été précédée d'une mesure prise par des agents de la force publique ou le procureur du Roi.
  Il est dressé un procès-verbal qui mentionne :
  a) l'heure précise de la privation de liberté effective;
  b) l'heure précise de la signification du mandat d'amener à l'intéressé;
  c) toutes les mesures prises par les agents de la force publique pour mettre l'intéressé à la disposition du juge d'instruction.
  
Art.8. Het bevel tot medebrenging wordt betekend door een agent van de openbare macht, die een afschrift van het bevel aan de betrokkene ter hand stelt en daarvan een akte opmaakt.
  [1 ...]1
  
Art.8. Le mandat d'amener est signifié par un agent de la force publique, qui remet une copie du mandat à l'intéressé et en dresse acte.
  [1 ...]1
  
Art.9. Het bevel tot medebrenging is uitvoerbaar over het gehele grondgebied van het Rijk.
  (In vredestijd kan het bevel tot medebrenging dat wordt uitgevaardigd ten aanzien van een persoon bedoeld in [1 artikel 10]1 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, in voorkomend geval worden uitgevoerd op buitenlands grondgebied.) <W 2003-04-10/60, art. 48, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  
Art.9. Le mandat d'amener est exécutoire dans tout le territoire du Royaume.
  (En temps de paix, le mandat d'amener délivré à l'encontre d'une personne visée à l'[1 article 10]1 du titre préliminaire du Code de procédure pénale, peut être exécuté le cas échéant sur le territoire étranger.) <L 2003-04-10/60, art. 48, 012; En vigueur : 01-01-2004>
  
Art.10. Het bevel tot medebrenging wordt onmiddellijk uitgevoerd. De onderzoeksrechter kan die uitvoering evenwel uitstellen wanneer de persoon tegen wie ze gericht is, nog niet van zijn vrijheid is beroofd.
Art.10. Le mandat d'amener est immédiatement exécuté. Toutefois, le juge d'instruction peut différer cette exécution lorsque la personne qui en fait l'objet n'est pas encore privée de sa liberté.
Art.11. Indien de persoon weigert aan het bevel tot medebrenging te gehoorzamen of indien hij poogt te ontvluchten na te hebben verklaard dat hij bereid is te gehoorzamen, moet tegen hem dwang gebruikt worden.
  De houder van het bevel tot medebrenging vordert desnoods het optreden van de openbare macht van de dichtstbijgelegen plaats, die verplicht is gevolg te geven aan de in het bevel vervatte vordering.
Art.11. La personne qui refuse d'obéir au mandat d'amener, ou qui, après avoir déclaré qu'elle est prête à obéir, tente de s'évader, doit être contrainte.
  Le porteur du mandat d'amener requiert, au besoin, la force publique du lieu le plus proche, qui est tenue de donner suite à la réquisition contenue dans le mandat.
Art.12. [1 Ten aanzien van de getuigen bedoeld in artikel 4 dekt het bevel tot medebrenging een periode van vrijheidsbeneming van hoogstens vierentwintig uren te rekenen van de vrijheidsbeneming, ongeacht of de vrijheidsbeneming het gevolg is van de uitvoering van het bevel tot medebrenging. ]1
  
Art.12. [1 Pour les témoins visés à l'article 4, le mandat d'amener couvre une période de privation de liberté de vingt-quatre heures au plus, à compter de la privation de liberté, que la privation de liberté fasse suite à l'exécution du mandat d'amener ou non.]1
  
Art.13. De onderzoeksrechter bij wie de zaak rechtstreeks of door verwijzing overeenkomstig artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering aanhangig is gemaakt, doet aan de onderzoeksrechter van de plaats waar de persoon gevonden is tegen wie het bevel tot medebrenging is uitgevaardigd, de stukken, nota's en inlichtingen betreffende het misdrijf toekomen, teneinde die persoon te doen verhoren.
  Evenzo worden alle stukken vervolgens, met het proces-verbaal van verhoor, teruggezonden aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is.
Art.13. Le juge d'instruction, saisi de l'affaire directement ou par renvoi, en exécution de l'article 90 du Code d'instruction criminelle, transmet au juge d'instruction du lieu où la personne qui faisait l'objet du mandat d'amener a été trouvée, les pièces, notes et renseignements relatifs à l'infraction, afin de faire entendre cette personne.
  Toutes les pièces sont ensuite pareillement renvoyées, avec le procès-verbal d'interrogatoire, au juge saisi de l'affaire.
Art.14. Indien de persoon tegen wie een bevel tot medebrenging uitgevaardigd is, niet gevonden kan worden, wordt dat bevel vertoond aan de burgemeester of aan een schepen of aan de politiecommissaris van de gemeente waar die persoon verblijft.
  De burgemeester, de schepen of de politiecommissaris viseert het origineel van de akte van betekening.
  (Indien het bevel tot medebrenging wordt uitgevaardigd overeenkomstig artikel 9, tweede lid, en de persoon niet kan worden gevonden, kan het eveneens worden vertoond aan de commandant van de militaire eenheid waartoe de betrokkene behoort. De commandant viseert in dit geval het origineel van de akte van betekening.) <W 2003-04-10/60, art. 49, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art.14. Si la personne contre laquelle il a été décerné un mandat d'amener ne peut être trouvée, ce mandat est exhibé au bourgmestre ou à un échevin, ou au commissaire de police de la commune de la résidence de cette personne.
  Le bourgmestre, l'échevin ou le commissaire de police vise l'original de l'acte de signification.
  (Si le mandat d'amener est décerné conformément à l'article 9, alinéa 2, et que la personne ne peut être trouvée, il peut être présenté au commandant de l'unité militaire à laquelle appartient l'intéressé. Dans ce cas, le commandant vise l'original de l'acte de signification.) <L 2003-04-10/60, art. 49, 012; En vigueur : 01-01-2004>
Art.15. Het verzuim van de vormen die voorgeschreven zijn voor het bevel tot medebrenging, wordt altijd gestraft met geldboete van ten minste vijftig frank ten laste van de griffier en kan aanleiding geven tot vermaning van de onderzoeksrechter en van de procureur des Konings, en zelfs tot verhaal op de rechter.
Art.15. L'inobservation des formalités prescrites pour le mandat d'amener est toujours punie d'une amende de cinquante francs au moins contre le greffier et peut donner lieu à des injonctions au juge d'instruction et au procureur du Roi, et même à prise à partie.
HOOFDSTUK II/I.
CHAPITRE II/I.
HOOFDSTUK III. - Het bevel tot aanhouding.
CHAPITRE III. - Du mandat d'arrêt.
Art.16. § 1. Slechts in geval van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en indien het feit voor de verdachte een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kan hebben, kan de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding verlenen.
  [2 De onderzoeksrechter beslist eveneens of dit bevel tot aanhouding moet worden uitgevoerd ofwel in een gevangenis, ofwel door een hechtenis onder elektronisch toezicht. De uitvoering van de hechtenis onder elektronisch toezicht, die inhoudt dat de betrokkene, met uitzondering van toegestane verplaatsingen, voortdurend op een bepaald adres moet verblijven, vindt plaats overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels.]2
  Deze maatregel mag niet worden getroffen met het oog op onmiddellijke bestraffing, noch met het oog op de uitoefening van enige andere vorm van dwang.
  [5 Indien het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar opsluiting of, bij misdrijven bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, vijf jaar gevangenisstraf niet te boven gaat, mag het bevel slechts worden verleend als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de in vrijheid gelaten verdachte nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen, zich aan het optreden van het gerecht zou onttrekken, bewijzen zou pogen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden. Behalve voor de strafbare feiten gepleegd in het kader van een vereniging bedoeld in artikel 322 van het Strafwetboek of in het kader van een criminele organisatie bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, voor de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 433quinquies tot 433octies van het Strafwetboek, de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en voor de strafbare feiten bedoeld in artikel 2bis, § 3, b), en § 4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, kan de voorwaarde dat er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat de verdachte zich zou verstaan met derden enkel het verlenen van een bevel tot aanhouding, de handhaving ervan bij de eerste verschijning overeenkomstig artikel 21 en bij de eerste maandelijkse verschijning overeenkomstig artikel 22 motiveren.]5
  § 2. Tenzij de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt, moet de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, de verdachte ondervragen (over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding) en zijn opmerkingen horen. (Bij ontstentenis van deze ondervraging, wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld.) <W 2005-05-31/32, art. 6, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>
  [1 De verdachte heeft recht op bijstand van zijn advocaat tijdens de ondervraging. Alleen de meerderjarige verdachte kan hiervan vrijwillig en weloverwogen afstand doen. De onderzoeksrechter maakt melding van deze afstand in het proces-verbaal van het verhoor.
  [4 De advocaat mag opmerkingen formuleren overeenkomstig artikel 47bis, § 6, 7), van het Wetboek van strafvordering.]4
   De onderzoeksrechter verwittigt de advocaat tijdig van de plaats en het uur van de ondervraging die [6 bijwoont, onverminderd de uitzonderingen bepaald in artikel 2bis, § 9]6. [6 ...]6.]1

  [1 De onderzoeksrechter moet de verdachte eveneens meedelen dat tegen hem een aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd en hij moet zijn opmerkingen en, in voorkomend geval, die van zijn advocaat ter zake horen.]1 [4 ...]4
  Al deze gegevens worden vermeld in het proces-verbaal van verhoor.
  (Wanneer het bevel tot aanhouding wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 19, § 1bis, gebeurt deze ondervraging (door middel van radio, telefoon, audiovisuele of andere technische middelen die een rechtstreekse overbrenging van de stem tussen de onderzoeksrechter en de verdachte toelaten en de vertrouwelijkheid van hun gesprek waarborgen).) <W 2003-04-10/60, art. 50, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2006-07-20/39, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  § 3. Het bevel tot aanhouding wordt dadelijk na de eerste ondervraging van de verdachte door de onderzoeksrechter verleend, tenzij de rechter onderzoeksmaatregelen treft om een gegeven van de ondervraging te controleren, terwijl de verdachte te zijner beschikking blijft.
  § 4. [4 Indien de verdachte nog geen advocaat heeft, herinnert de onderzoeksrechter hem eraan dat hij het recht heeft een advocaat te kiezen en neemt hij contact op met de permanentiedienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", of bij gebrek hieraan door de stafhouder van de Orde of zijn gemachtigde. Van die formaliteiten wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van verhoor.]4
  § 5. Het bevel tot aanhouding bevat de opgave van het feit waarvoor het wordt verleend, vermeldt de wetsbepaling die bepaalt dat het feit een misdaad of een wanbedrijf is en stelt het bestaan vast van ernstige aanwijzingen van schuld.
  De rechter vermeldt daarin de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in § 1. [4 ...]4
  [2 Indien de onderzoeksrechter beslist dat het bevel tot aanhouding moet worden uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht, vermeldt hij eveneens het adres van uitvoering van de hechtenis onder elektronisch toezicht.]2
  Het bevel tot aanhouding vermeldt eveneens dat de verdachte vooraf is gehoord.
  § 6. Het bevel wordt ondertekend door de rechter die het heeft verleend, en wordt met zijn zegel bekleed. [4 ...]4
  De verdachte wordt erin met name genoemd of zo duidelijk mogelijk aangewezen.
  [4 § 6bis. [6 De verdachte die de taal van de procedure niet spreekt of verstaat, heeft recht op een schriftelijke of mondelinge vertaling van de relevante passages van het bevel in een taal die hij verstaat, zodat hij kennis heeft van de hem ten laste gelegde feiten en hij zich effectief kan verdedigen. Indien dit het eerste verhoor betreft, wordt hem voorafgaand aan het verhoor gevraagd in welke taal die hij verstaat hij wenst te worden bijgestaan voor het verdere verloop van de procedure door een tolk en de vertaling wenst te bekomen van relevante passages van, in voorkomend geval, het bevel tot aanhouding of het Europees aanhoudingsbevel, de dagvaarding en de rechterlijke uitspraak. De vertaling wordt verstrekt binnen een redelijke termijn. De mondelinge vertaling of de mondelinge samenvatting laat het eerlijke verloop van de procedure onverlet. De griffier van de onderzoeksrechter staat in voor de opdracht tot vertaling van het document en de verzending ervan]6
   Indien een mondelinge vertaling aan de verdachte werd verstrekt, wordt daarvan melding gemaakt in het bevel tot aanhouding.
   De kosten van vertaling zijn ten laste van de Staat.]4

  § 7. Het proces-verbaal van het verhoor van de verdachte door de onderzoeksrechter, evenals alle processen-verbaal van de verhoren die van de verdachte werden afgenomen tussen het tijdstip van zijn vrijheidsbeneming en het tijdstip waarop hij naar de onderzoeksrechter wordt verwezen, moeten het uur vermelden van het begin van de ondervraging, van het begin en het einde van de eventuele onderbrekingen en van het einde van de ondervraging.
  
Art.16. § 1. En cas d'absolue nécessité pour la sécurité publique seulement, et si le fait est de nature à entraîner pour l'inculpé un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou une peine plus grave, le juge d'instruction peut décerner un mandat d'arrêt.
  [2 Le juge d'instruction décide également si ce mandat d'arrêt doit être exécuté soit dans une prison, soit par une détention sous surveillance électronique. L'exécution de la détention sous surveillance électronique, qui implique la présence permanente de l'intéressé à une adresse déterminée, exception faite des déplacements autorisés, a lieu conformément aux modalités fixées par le Roi.]2
  Cette mesure ne peut être prise dans le but d'exercer une répression immédiate ou toute autre forme de contrainte.
  [5 Si le maximum de la peine applicable ne dépasse pas quinze ans de réclusion ou, en cas d'infractions visées au livre II, titre Ierter, du Code pénal, cinq ans d'emprisonnement, le mandat ne peut être décerné que s'il existe de sérieuses raisons de craindre que l'inculpé, s'il était laissé en liberté, commette de nouveaux crimes ou délits, se soustraie à l'action de la justice, tente de faire disparaître des preuves ou entre en collusion avec des tiers. A l'exception des infractions commises dans le cadre d'une association visée à l'article 322 du Code pénal ou dans le cadre d'une organisation criminelle visée à l'article 324bis du Code pénal, des infractions visées aux articles 433quinquies à 433octies du Code pénal, des infractions visées aux articles 77bis à 77quinquies de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et des infractions visées à l'article 2bis, § 3, b), et § 4, b), de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes, la condition qu'il existe de sérieuses raisons de craindre que l'inculpé entre en collusion avec des tiers ne peut motiver que la délivrance d'un mandat d'arrêt, le maintien de celui-ci lors de la première comparution conformément à l'article 21 et lors de la première comparution mensuelle conformément à l'article 22.]5
  § 2. Sauf si l'inculpé est fugitif ou latitant, le juge d'instruction doit, avant de décerner un mandat d'arrêt, interroger l'inculpé (sur les faits qui sont à la base de l'inculpation et qui peuvent donner lieu à la délivrance d'un mandat d'arrêt,) et entendre ses observations. (A défaut de cet interrogatoire, l'inculpé est mis en liberté). <L 2005-05-31/32, art. 6, 014 ; En vigueur : 26-06-2005>
  [1 L'inculpé a le droit à être assisté de son avocat lors de l'interrogatoire. Seul l'inculpé majeur peut renoncer volontairement et de manière réfléchie à ce droit. Le juge d'instruction fait mention de cette renonciation dans le procès-verbal d'audition.
  [4 L'avocat peut formuler des observations conformément à l'article 47bis, § 6, 7), du Code d'instruction criminelle.]4
   Le juge d'instruction informe l'avocat à temps des lieu et heure de l'interrogatoire, auquel [6 il assiste, sans préjudice des exceptions prévues dans l'article 2bis, § 9]6. [6 ...]6]1

  [1 Le juge d'instruction doit également informer l'inculpé de la possibilité qu'un mandat d'arrêt soit décerné à son encontre, et l'entendre en ses observations à ce sujet et, le cas échéant, en celles de son avocat.]1 [4 ...]4
  Tous ces éléments sont relatés au procès-verbal d'audition.
  (Lorsque le mandat d'arrêt est exécuté conformément à l'article 19, § 1erbis, il est recouru lors de l'interrogatoire (à des moyens radio, téléphoniques, audio-visuels ou d'autres moyens techniques qui permettent une transmission directe de la voix entre le juge d'instruction et le suspect tout en garantissant la confidentialité de leurs échanges).) <L 2003-04-10/60, art. 50, 012; En vigueur : 01-01-2004> <L 2006-07-20/39, art. 9, 015; En vigueur : 07-08-2006>
  § 3. Le mandat d'arrêt est décerné immédiatement après le premier interrogatoire de l'inculpé par le juge d'instruction, sauf si le juge prend des mesures d'investigation aux fins de contrôler un élément de l'interrogatoire, l'inculpé restant à sa disposition.
  § 4. [4 Si l'inculpé n'a pas encore d'avocat, le juge d'instruction lui rappelle qu'il a le droit de choisir un avocat et il prend contact avec la permanence organisée par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, et l'"Orde van Vlaamse balies" ou, à défaut, par le bâtonnier de l'Ordre ou son délégué. Il est fait mention de ces formalités dans le procès-verbal d'audition.]4
  § 5. Le mandat d'arrêt contient l'énonciation du fait pour lequel il est décerné, mentionne la disposition législative qui prévoit que ce fait est un crime ou un délit et constate l'existence d'indices sérieux de culpabilité.
  Le juge y mentionne les circonstances de fait de la cause et celles liées à la personnalité de l'inculpé qui justifient la détention préventive eu égard aux critères prévus par le § 1er. [4 ...]4
  [2 Dans le cas où le juge d'instruction décide que le mandat d'arrêt doit être exécuté par une détention sous surveillance électronique, il mentionne également l'adresse de l'exécution de la détention sous surveillance électronique.]2
  Le mandat d'arrêt indique également que l'inculpé a été préalablement entendu.
  § 6. Le mandat est signé par le juge qui l'a décerné et revêtu de son sceau. [4 ...]4
  L'inculpé y est nommé ou désigné le plus clairement possible.
  [4 § 6bis. [6 L'inculpé qui ne parle pas ou ne comprend pas la langue de la procédure a le droit d'obtenir une traduction écrite ou orale des passages pertinents du mandat dans une langue qu'il comprend pour lui permettre d'avoir connaissance des faits qui lui sont reprochés et de se défendre de manière effective. S'il s'agit de la première audition, il lui est demandé préalablement à l'audition dans quelle langue, qu'il comprend, il souhaite être assisté d'un interprète pour la suite de la procédure et obtenir la traduction des passages pertinents, le cas échéant, du mandat d'arrêt ou du mandat d'arrêt européen, de la citation et de la décision judiciaire. La traduction est fournie dans un délai raisonnable. La traduction orale ou le résumé oral ne porte pas atteinte au caractère équitable de la procédure. Le greffier du juge d'instruction se charge de la demande de traduction du document et de l'envoi de celle-ci.]6
   Si une traduction orale a été fournie à l'inculpé, mention en est faite dans le mandat d'arrêt.
   Les frais de traduction sont à charge de l'Etat.]4

  § 7. Le procès-verbal de l'audition de l'inculpé par le juge d'instruction, ainsi que tous les procès-verbaux d'auditions de l'inculpé intervenues entre le moment de sa privation de liberté et le moment où il est déféré au juge d'instruction, doivent mentionner les heures du début de l'interrogatoire, du début et de la fin des interruptions éventuelles et de la fin de l'interrogatoire.
  
Art.17. Wanneer de onderzoeksrechter weigert een door de procureur des Konings gevorderd bevel tot aanhouding te verlenen, geeft hij een met redenen omklede beschikking die hij hem onmiddellijk mededeelt.
  Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
Art.17. Lorsque le juge d'instruction refuse de décerner un mandat d'arrêt requis par le procureur du Roi, il rend une ordonnance motivée qu'il lui communique immédiatement.
  Cette ordonnance n'est susceptible d'aucun recours.
Art.18. § 1. [1 Het bevel tot aanhouding wordt aan de verdachte betekend binnen een termijn van [2 achtenveertig]2 uur. [3 Deze termijn gaat in hetzij op het tijdstip dat wordt bepaald door artikel 1, 2° of 3°, of door artikel 2, 5°, hetzij op het tijdstip dat wordt bepaald door artikel 3, tweede lid, wanneer het bevel tot aanhouding is uitgevaardigd tegen een verdachte die van zijn vrijheid is benomen op grond van een bevel tot medebrenging.]3
  De betekening geschiedt door de griffier van de onderzoeksrechter, door de directeur van een strafinrichting of door een agent van de openbare macht.
  Ze bestaat in het mondeling meedelen van de beslissing in de taal van de rechtspleging, met afgifte van een volledig afschrift van de akte. Zelfs indien de verdachte zich reeds in hechtenis bevindt, wordt het bevel tot aanhouding hem vertoond en wordt hem daarvan afschrift gegeven.
  Bij ontstentenis van regelmatige betekening binnen de wettelijke termijn, wordt de verdachte in vrijheid gesteld.
  § 2. Bij de betekening van het bevel tot aanhouding wordt aan de verdachte een afschrift overhandigd van het proces-verbaal van zijn verhoor door de onderzoeksrechter, alsmede een afschrift van de andere in artikel 16, § 7, bedoelde stukken.
  
Art.18. § 1. [1 Le mandat d'arrêt est signifié à l'inculpé dans un délai de [2 quarante-huit]2 heures.[3 Celui-ci commence à courir soit au moment déterminé par l'article 1er, 2° ou 3°, ou par l'article 2, 5°, soit, au moment déterminé par l'article 3, alinéa 2, lorsque le mandat d'arrêt est décerné à charge d'un inculpé détenu sur le fondement d'un mandat d'amener.]3
  La signification est faite par le greffier du juge d'instruction, par le directeur d'un établissement pénitentiaire ou par un agent de la force publique.
  Elle consiste en une communication verbale de la décision, dans la langue de la procédure, accompagnée de la remise d'une copie intégrale de l'acte. Le mandat d'arrêt est exhibé à l'inculpé lors même qu'il serait déjà détenu, et il lui en est délivré copie.
  A défaut de signification régulière dans le délai légal, l'inculpé est mis en liberté.
  § 2. Au moment de la signification du mandat d'arrêt, une copie du procès-verbal de son audition par le juge d'instruction et une copie des autres pièces visées à l'article 16, § 7, sont remises à l'inculpé.
  
Art.19. § 1. Het bevel tot aanhouding wordt onmiddellijk ten uitvoer gelegd. Het is niet vatbaar voor hoger beroep, noch voor cassatieberoep. Het is uitvoerbaar over het gehele grondgebied van het Rijk.
  (§ 1bis. In vredestijd kan het bevel tot aanhouding dat wordt uitgevaardigd ten aanzien van een persoon bedoeld in [2 artikel 10]2 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, in voorkomend geval worden uitgevoerd op buitenlands grondgebied.) <W 2003-04-10/60, art. 51, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 2. De onderzoeksrechter bij wie de zaak rechtstreeks of door verwijzing overeenkomstig artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering aanhangig is gemaakt, doet aan de onderzoeksrechter van de plaats waar de verdachte gevonden is tegen wie een bevel is uitgevaardigd, de stukken, nota's en inlichtingen betreffende het misdrijf toekomen, teneinde die verdachte te doen verhoren.
  Evenzo worden alle stukken vervolgens, met het proces-verbaal van verhoor, teruggezonden aan de rechter bij wie de zaak aanhangig is.
  § 3. Indien de rechter bij wie de zaak aanhangig is, in de loop van het onderzoek een bevel tot aanhouding verleent, kan hij bij dat bevel gelasten dat de verdachte zal worden overgebracht naar het huis van arrest van de plaats waar het onderzoek gedaan wordt.
  Wordt in het bevel tot aanhouding niet bepaald dat de verdachte aldus zal worden overgebracht, dan blijft hij in het huis van arrest van het arrondissement waar hij gevonden is, totdat de raadkamer beschikt heeft overeenkomstig de artikelen 127, 128, 129, 130, 132 en 133 van het Wetboek van Strafvordering.
  § 4. De houder van een bevel tot aanhouding vordert desnoods het optreden van de openbare macht van de dichtstbijgelegen plaats, die verplicht is gevolg te geven aan de in het bevel vervatte vordering.
  § 5. De verdachte, gevat krachtens een bevel tot aanhouding, wordt zonder verwijl naar het in het bevel aangewezen huis van arrest gebracht.
  § 6. De officier belast met de uitvoering van het bevel tot aanhouding, geeft de verdachte over aan de bewaarder van het huis van arrest, die hem daarvan ontlasting geeft.
  Vervolgens brengt hij de stukken betreffende de aanhouding naar de griffie van de correctionele rechtbank en krijgt daarvan een ontvangbewijs.
  Hij vertoont het bewijs van ontlasting en het ontvangbewijs binnen [1 achtenveertig]1 uren aan de onderzoeksrechter; deze voorziet beide stukken van zijn visum, dat hij dagtekent en ondertekent.
  (Wanneer het bevel tot aanhouding wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 19, § 1bis, dient het bewijs van ontlasting en het ontvangstbewijs de onderzoeksrechter binnen de [1 achtenveertig]1 uur na de aankomst van de verdachte op het Belgische grondgebied te worden overgemaakt.) <W 2003-04-10/60, art. 51, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 7. Het verzuim van de vormen die voorgeschreven zijn voor het bevel tot aanhouding, wordt altijd gestraft met geldboete van ten minste vijftig frank ten laste van de griffier en kan aanleiding geven tot vermaning van de onderzoeksrechter en van de procureur des Konings, en zelfs tot verhaal op de rechter.
  
Art.19. § 1. Le mandat d'arrêt est immédiatement exécuté. Il n'est susceptible ni d'appel, ni de pourvoi en cassation. Il est exécutoire dans tout le territoire du Royaume.
  (§ 1erbis. En temps de paix, le mandat d'arrêt délivré à l'encontre d'une personne visée à l'[2 article 10]2 du titre préliminaire du Code de procédure pénale peut être exécuté, le cas échéant, sur le territoire étranger.) <L 2003-04-10/60, art. 51, 012; En vigueur : 01-01-2004>
  § 2. Le juge d'instruction, saisi de l'affaire directement ou par renvoi, en exécution de l'article 90 du Code d'instruction criminelle, transmet au juge d'instruction du lieu où l'inculpé qui faisait l'objet du mandat a été trouvé, les pièces, notes et renseignements relatifs à l'infraction, afin de le faire entendre.
  Toutes les pièces sont ensuite pareillement renvoyées, avec le procès-verbal de l'interrogatoire, au juge saisi de l'affaire.
  § 3. Si, dans le cours de l'instruction, le juge saisi de l'affaire décerne un mandat d'arrêt, il peut ordonner, par ce mandat, que l'inculpé sera transféré dans la maison d'arrêt du lieu où se fait l'instruction.
  S'il n'est pas indiqué dans le mandat d'arrêt que l'inculpé sera ainsi transféré, il restera en la maison d'arrêt de l'arrondissement dans lequel il aura été trouvé, jusqu'à ce qu'il ait été statué par la chambre du conseil, conformément aux articles 127, 128, 129, 130, 132 et 133 du Code d'instruction criminelle.
  § 4. Le porteur du mandat d'arrêt requiert, au besoin, la force publique du lieu le plus proche, qui est tenue de donner suite à la réquisition contenue dans le mandat.
  § 5. L'inculpé saisi en vertu d'un mandat d'arrêt est conduit, sans délai, dans la maison d'arrêt indiquée par le mandat.
  § 6. L'officier chargé de l'exécution du mandat d'arrêt remet l'inculpé au gardien de la maison d'arrêt, qui lui en donne décharge.
  Il porte ensuite au greffe du tribunal correctionnel les pièces relatives à l'arrestation et en reçoit un accusé de réception.
  Il exhibe ces décharge et accusé de réception dans les vingt-quatre heures au juge d'instruction; celui-ci appose sur l'une et l'autre son visa, qu'il date et signe.
  (Quand le mandat d'arrêt est exécuté conformément à l'article 19, § 1erbis, les décharge et accusé de réception doivent être transmis au juge d'instruction dans les [1 quarante-huit]1 heures après l'arrivée de l'inculpé sur le territoire belge.) <L 2003-04-10/60, art. 51, 012; En vigueur : 01-01-2004>
  § 7. L'inobservation des formalités prescrites pour le mandat d'arrêt est toujours punie d'une amende de cinquante francs au moins contre le greffier et peut donner lieu à des injonctions au juge d'instruction et au procureur du Roi, et même à prise à partie.
  
Art.20. (§ 1.) [1 Onverminderd het bepaalde in de [4 artikelen 2bis en 16]4, kan de verdachte onmiddellijk na zijn eerste verhoor door de onderzoeksrechter vrij verkeer hebben met zijn advocaat.]1 <W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  (§ 2.) Wanneer zulks voor het onderzoek noodzakelijk is, kan de rechter het vrije verkeer met andere personen dan de advocaat verbieden. Hij geeft te dien einde een met redenen omklede beschikking, die zal worden overgeschreven in het register van de gevangenis. Het verbod geldt ten hoogste voor drie dagen na het eerste verhoor. Het kan niet worden vernieuwd. <W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  (§ 3. Als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat een verdachte zou pogen bewijzen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, kan de onderzoeksrechter bevelen om een verdachte gescheiden te houden van andere verdachten en, in afwijking van § 2 :
  1° het bezoek verbieden van individueel in het bevel vermelde personen van buiten de inrichting;
  2° de briefwisseling verbieden gericht aan of uitgaande van individueel in het bevel vermelde personen;
  3° telefonische contacten verbieden met individueel in het bevel vermelde personen.
  [2 § 3bis. Indien het bevel tot aanhouding wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht, kan de onderzoeksrechter :
   1° verbieden dat de verdachte bezoek ontvangt van de individueel in het bevel tot aanhouding vermelde personen;
   2° elke briefwisseling verbieden met de individueel in het bevel tot aanhouding vermelde personen of instellingen;
   3° elke telefonische of elektronische communicatie verbieden met de individueel in het bevel tot aanhouding vermelde personen of instellingen.]2

  § 4. De onderzoeksrechter neemt deze beslissing bij een met redenen omklede beschikking, die wordt overgeschreven in een daartoe bestemd register in de gevangenis en die door de directeur van de gevangenis wordt betekend aan de verdachte.
  De beslissing geldt voor de strikt noodzakelijke duur door de onderzoeksrechter bepaald en uiterlijk tot op het ogenblik dat hij het dossier overzendt aan de procureur des Konings overeenkomstig artikel 127, eerste lid van het Wetboek van strafvordering.
  § 5. De beslissing van de onderzoeksrechter tot beperking van bezoek, briefwisseling en telefoongesprekken laat de rechten van de verdachte op deze contactmogelijkheden met zijn advocaat onverlet.
  De beslissing van de onderzoeksrechter tot beperking van briefwisseling, laat de rechten van de verdachte op briefwisseling met personen met wie hij krachtens [artikel 57] van de basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden zonder controle briefwisseling mag voeren, onverlet. <W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 15-01-2007; gewijzigd bij W 2005-12-23/31, art. 34>
  De onderzoeksrechter kan het bezoek van de in artikel 59, § 1, eerste lid, bedoelde personen, enkel beperken indien deze personen in verdenking werden gesteld, onverminderd de in artikel 59, § 1, tweede lid van de basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden bepaalde bepalingen.) <W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 01-09-2011>
  § 6. De verdachte kan bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis een verzoekschrift indienen tot wijziging of opheffing van de door de onderzoeksrechter [krachtens [2 § 3 en § 3bis]2] opgelegde maatregelen bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis. Het verzoekschrift wordt bij het dossier van de voorlopige hechtenis gevoegd.<W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 15-01-2007; gewijzigd bij W 2005-12-23/31, art. 34>
  De procedure verloopt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 21 tot 24. Hoger beroep tegen de beslissing wordt ingesteld overeenkomstig artikel 30 [3 ...]3.) [3 Tegen de beslissing in hoger beroep kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld.]3 <W 2005-01-12/39, art. 179, 013; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  [2 § 7. De §§ 2 en 3 zijn niet van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht.]2
Art.20. (§ 1er.) [1 Sans préjudice des dispositions des articles [4 articles 2bis et 16]4, l'inculpé peut communiquer librement avec son avocat immédiatement après sa première audition par le juge d'instruction.]1 <L 2005-01-12/39, art. 179, 013; En vigueur : 15-01-2007>
  (§ 2.) Lorsque les nécessités de l'instruction le commandent, le juge peut prononcer une interdiction de communiquer avec d'autres personnes que l'avocat. Il rend, à cette fin, une ordonnance motivée, qui est transcrite sur le registre de la prison. L'interdiction ne peut s'étendre au-delà de trois jours à partir de la première audition. Elle ne peut être renouvelée. <L 2005-01-12/39, art. 179, 013; En vigueur : 15-01-2007>
  (§ 3. S'il existe de sérieuses raisons de craindre qu'un inculpé puisse tenter de faire disparaître des preuves ou d'entrer en collusion avec des tiers, le juge d'instruction peut ordonner de maintenir un inculpé à l'écart d'autres inculpés et, par dérogation au § 2 :
  1° d'interdire la visite des personnes extérieures à la prison citées individuellement dans l'ordonnance;
  2° d'interdire la correspondance provenant ou à destination des personnes citées individuellement dans l'ordonnance;
  3° d'interdire les contacts téléphoniques avec les personnes citées individuellement dans l'ordonnance.
  [2 § 3bis. Si le mandat d'arrêt est exécuté par une détention sous surveillance électronique, le juge d'instruction peut :
   1° interdire à l'inculpé la visite des personnes citées individuellement dans le mandat d'arrêt;
   2° interdire toute correspondance avec les personnes ou instances citées individuellement dans le mandat d'arrêt;
   3° interdire toute communication téléphonique ou électronique avec les personnes ou instances citées individuellement dans le mandat d'arrêt.]2

  § 4. Le juge d'instruction prend cette décision par ordonnance motivée, laquelle est retranscrite à la prison dans un registre prévu à cet effet et est signifiée à l'inculpé par le directeur de la prison.
  La décision s'applique pour la durée strictement nécessaire fixée par le juge d'instruction, et au plus tard jusqu'au moment où celui-ci transmet le dossier au procureur du Roi conformément à l'article 127, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle.
  § 5. La décision du juge d'instruction portant restriction des visites, de la correspondance et des communications téléphoniques ne modifie pas les droits de l'inculpé en ce qui concerne ces possibilités de contact avec son avocat.
  La décision du juge d'instruction portant restriction de la correspondance ne modifie pas les droits de l'inculpé en ce qui concerne la correspondance avec les personnes avec lesquelles il peut correspondre sans surveillance en vertu de l'[article 57] de la loi de principes concernant l'administration des établissements pénitentiaires ainsi que le statut juridique des détenus. <L 2005-01-12/39, art. 179, 013; En vigueur : 15-01-2007; modifié par L 2005-12-23/31, art. 34>
  (Sans préjudice des restrictions prévues à l'article 59, § 1er, alinéa 2, de la loi de principes concernant l'administration des établissements pénitentiaires et le statut juridique des détenus, le juge d'instruction ne peut restreindre les visites des personnes citées à l'article 59, § 1er, alinéa 1er que dans la mesure où celles-ci ont été inculpées.) L 2005-01-12/39, art. 179, 013; En vigueur : 01-09-2011>
  § 6. L'inculpé peut introduire auprès de la juridiction d'instruction qui statue sur la détention préventive une requête en vue de la modification ou de la levée des mesures imposées par le juge d'instruction [en vertu [2 des § 3 et § 3bis]2 ]. Cette requête est jointe au dossier de la détention préventive. <L 2005-01-12/39, art. 179, 013; En vigueur : 15-01-2007; modifié par L 2005-12-23/31, art. 34>
  La procédure se déroule conformément aux dispositions des articles 21 à 24. L'appel de la décision est interjeté conformément à l'article 30 [3 ...]3. [3 La décision prononcée en appel n'est susceptible d'aucun pourvoi en cassation immédiat.]3) L 2005-01-12/39, art. 179, 013; En vigueur : 15-01-2007>
  [2 § 7. Les §§ 2 et 3 ne sont pas d'application au mandat d'arrêt qui est exécuté par une détention sous surveillance électronique.]2
HOOFDSTUK IIIbis. - (Bevel tot aanhouding met het oog op onmiddellijke verschijning).
CHAPITRE IIIbis. - (Du mandat d'arrêt en vue de comparution immédiate.).
HOOFDSTUK IV. - De handhaving van de voorlopige hechtenis.
CHAPITRE IV. - Du maintien de la détention préventive.
Art.21. § 1. Het bevel tot aanhouding verleend door de onderzoeksrechter is geldig voor een termijn van ten hoogste vijf dagen, te rekenen van zijn tenuitvoerlegging.
  Vóór het verstrijken van die termijn en onverminderd de bepalingen van artikel 25, § 1, beslist de raadkamer, op verslag van de onderzoeksrechter en na de procureur des Konings [3 en de verdachte en/of zijn raadsman]3 te hebben gehoord, of de voorlopige hechtenis gehandhaafd moet blijven [1 en over de modaliteit van uitvoering ervan]1.
  § 2. Ten minste vierentwintig uren vóór de verschijning voor de raadkamer, worden de plaats, de dag en het uur daarvan opgetekend in een bijzonder register dat ter griffie wordt gehouden en de griffier geeft hiervan per faxpost [3 , bij aangetekende zending of langs elektronische weg]3, bericht aan de verdachte en aan zijn raadsman.
  § 3. Het dossier wordt gedurende de laatste werkdag vóór de verschijning ter beschikking gehouden van de verdachte en van zijn raadsman. [4 De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.]4
  [2 Deze terbeschikkingstelling kan gebeuren in de vorm van afschriften, in voorkomend geval in elektronische vorm, die door de griffier voor eensluidend zijn verklaard.]2
  Indien de voorafgaande dag geen werkdag is, wordt het dossier opnieuw te hunner beschikking gehouden gedurende de voormiddag van de dag van verschijning; in dat geval heeft de verschijning voor de raadkamer 's namiddags plaats.
  § 4. De raadkamer gaat na of het bevel tot aanhouding regelmatig is ten aanzien van de bepalingen van deze wet. Zij oordeelt bovendien over de noodzakelijkheid van de handhaving van de hechtenis [1 en over de modaliteit van uitvoering ervan]1, volgens de in artikel 16, § 1, bepaalde criteria.
  § 5. Oordeelt de raadkamer dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, dan moet haar beslissing met redenen worden omkleed op de wijze bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.
  § 6. De beschikking tot handhaving van de hechtenis is één maand geldig vanaf de dag waarop ze wordt gegeven.
  
Art.21. § 1. Le mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction est valable pour une durée maximale de cinq jours à compter de son exécution.
  Avant l'expiration de ce délai et sans préjudice de l'application de l'article 25, § 1er, la chambre du conseil, sur le rapport du juge d'instruction, le procureur du Roi [3 et l'inculpé et/ou son conseil]3 entendus, décide s'il y a lieu de maintenir la détention préventive [1 ainsi que de la modalité de l'exécution de celle-ci]1.
  § 2. Vingt-quatre heures au moins avant la comparution en chambre du conseil, les lieu, jour et heure de la comparution sont indiqués dans un registre spécial tenu au greffe et le greffier en donne avis, par télécopieur [3 , par envoi recommandé ou par voie électronique]3, à l'inculpé et à son conseil.
  § 3. Le dossier est mis à la disposition de l'inculpé et de son conseil pendant le dernier jour ouvrable avant la comparution. [4 La consultation du dossier implique que l'inculpé ou son avocat peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place. Le juge d'instruction peut toutefois, de manière motivée, interdire la prise de copie du dossier ou de certaines pièces si les nécessités de l'instruction le requièrent, ou si cette prise de copie présente un danger pour les personnes ou porte gravement atteinte à leur vie privée.]4
  [2 Cette mise à la disposition peut se faire sous forme de copies, le cas échéant sous forme électronique, certifiées conformes par le greffier.]2
  Le dossier est à nouveau mis à leur disposition pendant la matinée du jour de la comparution si la veille n'était pas un jour ouvrable; dans ce cas, la comparution en chambre du conseil a lieu l'après-midi.
  § 4. La chambre du conseil s'assure de la régularité du mandat d'arrêt au regard des dispositions de la présente loi. Elle juge en outre de la nécessité du maintien de la détention [1 et se prononce sur la modalité de l'exécution de celle-ci]1 suivant les critères prévus à l'article 16, § 1er.
  § 5. Si la chambre du conseil estime que la détention préventive doit être maintenue, elle motive sa décision comme il est prévu à l'article 16, § 5, premier et deuxième alinéas.
  § 6. L'ordonnance de maintien en détention est valable pour un mois à dater du jour où elle est rendue.
  
Art.22. Zolang aan de voorlopige hechtenis geen einde wordt gemaakt en het gerechtelijk onderzoek niet is afgesloten, oordeelt de raadkamer van maand tot maand [5 of, vanaf de [7 vierde]7 beslissing, om de twee maanden]5 over het handhaven van de voorlopige hechtenis [2 en over de modaliteit van uitvoering ervan]2.
  [5 Vanaf de [7 vierde]7 beslissing, levert de beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering hiervan een titel van vrijheidsbeneming voor twee maanden op.]5
  Op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman roept de onderzoeksrechter, binnen tien dagen die aan elke verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling die overeenkomstig artikel 31, § 4, uitspraak doet na verwijzing voorafgaan, de verdachte op voor een samenvattende ondervraging; de griffier brengt de oproeping, schriftelijk [4 , per faxpost of langs elektronische weg]4, onmiddellijk ter kennis van de raadsman van de verdachte en van de procureur des Konings, die deze ondervraging kunnen bijwonen.
  Het dossier wordt gedurende twee dagen vóór de verschijning ter beschikking gehouden van de verdachte en van zijn raadsman. De griffier geeft hun hiervan bericht per faxpost [4 , bij aangetekende zending of langs elektronische weg]4. [6 De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onderzoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden.]6
  [3 Deze terbeschikkingstelling kan gebeuren in de vorm van afschriften, in voorkomend geval in elektronische vorm, die door de griffier voor eensluidend zijn verklaard.]3
  De raadkamer onderzoekt of er tegen de verdachte ernstige aanwijzingen van schuld blijven bestaan en of er met artikel 16, § 1, overeenstemmende redenen voorhanden zijn om de hechtenis te handhaven [2 of de modaliteit van uitvoering ervan te wijzigen]2.
  Oordeelt zij dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd [2 of dat de modaliteit van uitvoering ervan moet worden gewijzigd]2, dan moet haar beslissing met redenen worden omkleed op de wijze bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.
  [5 ...]5.<W 2005-05-31/32, art. 7, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>
  
Art.22. Tant qu'il n'est pas mis fin à la détention préventive et que l'instruction n'est pas close, la chambre du conseil est appelée à statuer, de mois en mois [5 ou, à partir de la [7 quatrième]7 décision, tous les deux mois]5, sur le maintien de la détention [2 et sur la modalité de l'exécution de celle-ci]2.
  [5 A partir de la [7 quatrième]7 décision, l'ordonnance de maintien en détention préventive et relative à la modalité de l'exécution de celle-ci forme un titre de privation de liberté pour deux mois.]5
  Sur requête de l'inculpé ou de son conseil, le juge d'instruction convoque l'inculpé dans les dix jours qui précèdent chaque comparution en chambre du conseil ou en chambre des mises en accusation statuant sur renvoi conformément à l'article 31, § 4, pour un interrogatoire récapitulatif; le greffier notifie immédiatement et par écrit [4 , par télécopieur ou par voie électronique]4 la convocation au conseil de l'inculpé et au procureur du Roi, lesquels peuvent assister à cet interrogatoire.
  Avant la comparution, le dossier est mis pendant deux jours à la disposition de l'inculpé et de son conseil. Le greffier leur en donne avis par télécopieur [4 , par envoi recommandé à la poste ou par voie électronique]4. [6 La consultation du dossier implique que l'inculpé ou son avocat peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place. Le juge d'instruction peut toutefois, de manière motivée, interdire la prise de copie du dossier ou de certaines pièces si les nécessités de l'instruction le requièrent, ou si cette prise de copie présente un danger pour les personnes ou porte gravement atteinte à leur vie privée.]6
  [3 Cette mise à la disposition peut se faire sous forme de copies, le cas échéant sous forme électronique, certifiées conformes par le greffier.]3
  La chambre du conseil vérifie s'il subsiste des indices sérieux de culpabilité à charge de l'inculpé et s'il existe des raisons conformes à l'article 16, § 1er, de maintenir la détention [2 ou de modifier la modalité de l'exécution de celle-ci]2.
  Si elle décide que la détention doit être maintenue [2 ou que la modalité de l'exécution doit être modifiée]2, elle motive sa décision comme il est dit à l'article 16, § 5, premier et deuxième alinéas.
  [5 ...]5.) <L 2005-05-31/32, art. 7, 014 ; En vigueur : 26-06-2005>
  
Art.23. Voor de toepassing van de [2 artikelen 21 en 22]2 gelden de volgende regels : <W 2005-05-31/32, art. 9, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>
  1° de rechtspleging verloopt met gesloten deuren, hetgeen wordt vermeld in de beslissing;
  2° [1 de verdachte verschijnt persoonlijk of in de persoon van een advocaat. De raadkamer kan de persoonlijke verschijning bevelen [3 al dan niet in een videoconferentie]3 ten minste drie dagen voor de verschijning, zonder dat tegen haar beslissing een rechtsmiddel kan worden ingesteld. Deze beslissing wordt op verzoek van het openbaar ministerie aan de betrokkene betekend. Indien de verdachte of zijn advocaat niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan in hun afwezigheid;]1
  3° in elk stadium van de rechtspleging kan de raadkamer, indien zij de kwalificatie van de in het bevel tot aanhouding bedoelde feiten niet passend acht, en na de partijen de gelegenheid te hebben geboden hun standpunt daarover mede te delen, de kwalificatie wijzigen. Zij mag er evenwel geen andere feiten voor in de plaats stellen;
  4° de raadkamer moet antwoorden op de conclusies van de partijen. Betwisten de partijen in hun conclusies het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld, onder vermelding van feitelijke gegevens, dan moet de raadkamer, indien zij de voorlopige hechtenis handhaaft, preciseren welke gegevens volgens haar dergelijke aanwijzingen van schuld uitmaken.
  
Art.23. Pour l'application des [2 articles 21 et 22]2 les règles suivantes doivent être observées : <L 2005-05-31/32, art. 9, 014 ; En vigueur : 26-06-2005>
  1° la procédure se déroule à huis clos, ce dont il est fait mention dans la décision;
  2° [1 l'inculpé comparaît en personne ou représenté par un avocat. La chambre du conseil peut, sans que sa décision puisse faire l'objet d'aucun recours, ordonner la comparution en personne [3 , par vidéoconférence ou non,]3 au moins trois jours avant la comparution. Cette décision est signifiée à la partie concernée à la requête du ministère public. Si l'inculpé ou son avocat ne comparaît pas, il est statué en leur absence.]1
  3° à tous les stades de la procédure, la chambre du conseil peut, si la qualification des faits visés au mandat d'arrêt lui paraît inadéquate, la modifier après avoir donné aux parties l'occasion de s'en expliquer. Elle ne peut y substituer d'autres faits;
  4° la chambre du conseil doit répondre aux conclusions des parties. Si celles-ci, dans leurs conclusions, contestent, en faisant état d'éléments de fait, l'existence d'indices sérieux de culpabilité, la chambre du conseil doit, si elle maintient la détention, préciser quels sont les éléments qui lui paraissent constituer de tels indices.
  
Art.24. Na zes maanden vrijheidsbeneming indien het maximum van de van toepassing zijnde straf vijftien jaar (opsluiting) niet te boven gaat, of na een jaar in het andere geval, kan de verdachte bij zijn verschijning voor de raadkamer of voor de kamer van inbeschuldigingstelling met toepassing van de artikelen 22 (...) of 30, vragen om in openbare terechtzitting te verschijnen. <W 2003-01-23/42, art. 124, 011; Inwerkingtreding : 13-03-2003> <W 2005-05-31/32, art. 10 , 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>
  Dit verzoek kan, bij een met redenen omklede beslissing, enkel worden geweigerd :
  - indien deze openbaarheid gevaar oplevert voor de orde, de goede zeden of de nationale veiligheid;
  - indien de belangen van de minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van de slachtoffers of van de andere verdachten dit vereisen;
  - indien de openbaarheid de belangen van de justitie kan schaden wegens de gevaren die zij meebrengt voor de veiligheid van de slachtoffers of van de getuigen.
Art.24. Après six mois de privation de liberté si le maximum de la peine applicable ne dépasse pas quinze ans de (réclusion) ou après un an dans le cas contraire, l'inculpé pourra, lors de sa comparution en chambre du conseil ou en chambre des mises en accusation en application des articles 22 (...) ou 30, demander de comparaître en audience publique. <L 2003-01-23/42, art. 124, 011; En vigueur : 13-03-2003> <L 2005-05-31/32, art. 10, 014 ; En vigueur : 26-06-2005>
  Cette demande ne pourra être rejetée, par décision motivée, que :
  - si cette publicité est dangereuse pour l'ordre, les moeurs ou la sécurité nationale;
  - si les intérêts des mineurs ou la protection de la vie privée des victimes ou des autres inculpés l'exigent;
  - si la publicité est de nature à porter atteinte aux intérêts de la justice en raison des dangers qu'elle entraîne pour la sécurité des victimes ou des témoins.
Art. 24bis. [2 § 1.]2 [1 De onderzoeksrechter kan in elke stand van het geding, ambtshalve of op vordering van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking beslissen dat het bevel tot aanhouding of de beschikking of het arrest tot handhaving van de voorlopige hechtenis uitgevoerd door een hechtenis onder elektronisch toezicht, vanaf dat moment ten uitvoer zal worden gelegd in de gevangenis, indien :
   1° de verdachte verzuimt bij enige proceshandeling te verschijnen [2 overeenkomstig de bepalingen van artikel 23, 2°]2;
   2° de verdachte de standaardinstructies en de overeenkomstig artikel 16, § 1, tweede lid, bepaalde regels van de hechtenis onder elektronisch toezicht niet naleeft;
   3° de verdachte de bij artikel 20, § 3bis, bepaalde verboden overtreedt;
   4° nieuwe en ernstige omstandigheden dit noodzakelijk maken.
  [4 5° het technisch onmogelijk blijkt het elektronisch toezicht voort te zetten.]4
   De beschikking wordt onmiddellijk aan de verdachte betekend en onmiddellijk aan de procureur des Konings meegedeeld.
   Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
   De procedure verloopt overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken III, IV en V.]1

  [2 § 2. De onderzoeksrechter kan in elke stand van het geding ambtshalve of op vordering van de procureur des Konings, bij een met redenen omklede beschikking die hij onmiddellijk aan de procureur des Konings meedeelt, beslissen dat het bevel tot aanhouding of de beschikking of het arrest tot handhaving van de voorlopige hechtenis dat ten uitvoer wordt gelegd in de gevangenis, vanaf dat moment ten uitvoer zal worden gelegd door een hechtenis onder elektronisch toezicht.]2
  [3 § 3. Ingeval van handhaving van een hechtenis onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 26, § 3, tweede lid, worden de bevoegdheden bedoeld in de paragrafen 1 en 2, uitsluitend op vordering van het openbaar ministerie, uitgeoefend door de in artikel 27, § 1, bedoelde rechtsinstanties.
   Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen en ingeschreven in een daartoe bestemd register. Over het verzoekschrift wordt in raadkamer beslist binnen vijf dagen na de neerlegging ervan, het openbaar ministerie, de betrokkene en diens raadsman gehoord, waarbij aan deze laatste bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 21, § 2.
   Indien er binnen die termijn van vijf dagen, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 32, geen beslissing over het verzoekschrift is genomen, blijft de voorlopige hechtenis uitgevoerd onder elektronisch toezicht.
   De beslissing wordt met redenen omkleed overeenkomstig artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.]3

  [4 § 4. De verdachte die in voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht is geplaatst, verblijft in de gevangenis :
   1° voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de plaatsing en de activering van het materiaal voor het elektronisch toezicht;
   2° op bevel van de procureur des Konings, in geval van overmacht of wanneer hij een van de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden vervuld acht, of wanneer de verdachte wordt onderschept nadat hij zich aan het elektronisch toezicht heeft onttrokken, of wanneer het noodzakelijk blijkt bij wijziging van het adres van uitvoering van het elektronisch toezicht.
   De onderzoeksrechter, die behoorlijk en onverwijld in kennis wordt gesteld door de procureur des Konings van het bevel vermeld in het eerste lid, 2°, doet binnen vijf werkdagen te rekenen vanaf de terugkeer van de verdachte in de gevangenis uitspraak over het al dan niet voortzetten van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht, zulks met toepassing van de paragrafen 1 en 2. Hij moet voorafgaandelijk de verdachte en zijn advocaat horen, aan wie daarvan bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 21, § 2. In geval van handhaving van een hechtenis onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 26, § 3, tweede lid, wordt gehandeld overeenkomstig paragraaf 3.]4

  
Art. 24bis. [2 § 1er.]2 [1 Le juge d'instruction peut décider d'office ou à la demande du procureur du Roi, à tout moment de la procédure, par une ordonnance motivée, que le mandat d'arrêt ou l'ordonnance ou l'arrêt de maintien de la détention préventive exécutée par une détention sous surveillance électronique sera exécuté à partir de ce moment dans la prison, si :
   1° l'inculpé reste en défaut de se présenter à un acte de la procédure [2 conformément aux dispositions de l'article 23, 2°]2;
   2° l'inculpé ne respecte pas les instructions standard et les règles de détention sous surveillance électronique fixées conformément à l'article 16, § 1er, alinéa 2;
   3° l'inculpé méconnaît les interdictions prévues dans l'article 20, § 3bis;
   4° des circonstances nouvelles et graves rendent cette mesure nécessaire.
  [4 5° la poursuite de la surveillance électronique s'avère techniquement impossible.]4
   L'ordonnance est signifiée sans délai à l'inculpé et communiquée sans délai au procureur du Roi.
   Cette ordonnance n'est susceptible d'aucun recours.
   La procédure se déroule conformément aux dispositions des chapitres III, IV et V.]1

  [2 § 2. Le juge d'instruction peut décider d'office ou à la demande du procureur du Roi, à tout moment de la procédure, par une ordonnance motivée qu'il communique directement au procureur du Roi, que le mandat d'arrêt ou l'ordonnance ou l'arrêt de maintien de la détention préventive exécuté dans la prison sera exécuté à partir de ce moment-là par une détention sous surveillance électronique.]2
  [3 § 3. En cas de maintien d'une détention sous surveillance électronique, conformément à l'article 26, § 3, alinéa 2, les compétences visées aux paragraphes 1er et 2 sont exercées, exclusivement sur réquisition du ministère public, par les juridictions visées à l'article 27, § 1er.
   La requête est déposée au greffe de la juridiction qui doit statuer et inscrite au registre prévu à cet effet. Il est statué sur cette requête en chambre du conseil dans les cinq jours de son dépôt, le ministère public, l'intéressé et son conseil entendus, et il en est donné avis à ce dernier conformément à l'article 21, § 2.
   Si aucune décision n'a été prise sur la requête dans ce délai de cinq jours, éventuellement prolongé conformément à l'article 32, la détention préventive continue d'être exécutée sous surveillance électronique.
   La décision est motivée conformément à l'article 16, § 5, alinéas 1er et 2.]3

  [4 § 4. L'inculpé placé en détention préventive sous surveillance électronique séjourne en prison :
   1° pour le temps strictement nécessaire au placement et à l'activation du matériel de surveillance électronique;
   2° sur ordre du procureur du Roi, en cas de force majeure ou lorsque l'une des conditions visées au paragraphe 1er paraît rencontrée, ou lorsque l'inculpé est intercepté après s'être soustrait à la surveillance électronique, ou lorsque cela s'avère nécessaire suite au changement de l'adresse d'exécution de la surveillance électronique.
   Le juge d'instruction, dûment et immédiatement avisé par le procureur du Roi, de l'ordre visé à l'alinéa 1er, 2°, statue dans les cinq jours ouvrables à compter de la réintégration de l'inculpé en prison sur la poursuite ou non de la détention préventive sous surveillance électronique en application des paragraphes 1er et 2. Il est tenu d'entendre préalablement l'inculpé et son avocat, auxquels en est donné avis conformément à l'article 21, § 2. En cas de maintien d'une détention sous surveillance électronique conformément à l'article 26, § 3, alinéa 2, il est procédé conformément au paragraphe 3.]4

  
HOOFDSTUK IV/1. [1 - Bijstand van de advocaat bij de verhoren tijdens de periode van de handhaving van de voorlopige hechtenis.]1
CHAPITRE IV/1. [1 - De l'assistance de l'avocat lors des auditions pendant la période du maintien en détention préventive.]1
Art. 24bis /1. [1 De verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft vanaf de betekening van het bevel tot aanhouding recht op vertrouwelijk overleg met zijn advocaat overeenkomstig artikel 20, § 1, recht op bijstand van een advocaat tijdens de verhoren die worden afgenomen en recht op de onderbreking van het verhoor overeenkomstig artikel 2bis, § 5, tweede lid. In het licht van bijzondere omstandigheden van de zaak kan de gelaste onderzoeksrechter beslissen te handelen overeenkomstig artikel 2bis, §§ 9 en 10.
   Indien het verhoor op schriftelijke uitnodiging geschiedt met vermelding van een beknopte omschrijving van de feiten, van het recht op vertrouwelijk overleg met zijn advocaat, het recht op bijstand van zijn advocaat tijdens het verhoor, het recht om het verhoor eenmalig te onderbreken overeenkomstig artikel 2bis, § 5, tweede lid, en de rechten bepaald in artikel 47bis, § 2, 2) en 3), van het Wetboek van strafvordering, wordt betrokkene geacht zijn advocaat te hebben geraadpleegd.
   Enkel de meerderjarige kan vrijwillig en weloverwogen afstand doen van het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor in een door hem gedateerd en ondertekend document, waarin hem de nodige informatie wordt verstrekt over de mogelijke gevolgen van een afstand van het recht op bijstand van een advocaat. Betrokkene wordt in kennis gesteld dat hij zijn afstand kan herroepen.
   De verhoorder neemt contact op met de permanentie bepaald in artikel 2bis, § 2, teneinde de gekozen advocaat of zijn plaatsvervanger op te roepen voor het verhoor met vermelding van plaats, dag en uur. De advocaat die een verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt bijstaat of die een andere advocaat opvolgt, meldt zijn tussenkomst onverwijld aan de in artikel 2bis, § 2, bedoelde permanentie.
   Indien het verhoor niet op schriftelijke uitnodiging geschiedt of indien er tussen de uitnodiging en het verhoor geen vrije dag wordt gelaten, zijn de bepalingen van artikel 2bis, §§ 2 en 3, van toepassing.]1

  
Art. 24bis /1. [1 A compter de la signification du mandat d'arrêt, le suspect qui se trouve en détention préventive a le droit de se concerter confidentiellement avec son avocat conformément à l'article 20, § 1er, de se faire assister par un avocat pendant les auditions qui sont effectuées et d'interrompre l'audition conformément à l'article 2bis, § 5, alinéa 2. A la lumière des circonstances particulières de l'espèce, le juge d'instruction en charge peut décider d'agir conformément l'article 2bis, §§ 9 et 10.
   Si l'audition a lieu sur convocation écrite avec communication succincte des faits, du droit de se concerter confidentiellement avec son avocat, du droit de se faire assister par son avocat pendant l'audition, du droit d'interrompre une seule fois l'audition conformément à l'article 2bis, § 5, alinéa 2, et des droits prévus à l'article 47bis, § 2, 2) et 3), du Code d'instruction criminelle, la personne concernée est présumée avoir consulté son avocat.
   Seule la personne majeure peut volontairement et de manière réfléchie renoncer au droit de se faire assister par un avocat pendant l'audition dans un document daté et signé par elle, dans lequel les informations nécessaires lui sont fournies sur les conséquences éventuelles d'une renonciation au droit à l'assistance d'un avocat. La personne concernée est informée du fait qu'elle peut révoquer sa renonciation.
   La personne qui procède à l'audition prend contact avec la permanence prévue à l'article 2bis, § 2, afin de convoquer à l'audition l'avocat choisi ou l'avocat qui le remplace, en mentionnant les lieu, jour et heure. L'avocat qui assiste un suspect qui se trouve en détention préventive ou qui succède à un autre avocat informe immédiatement la permanence visée à l'article 2bis, § 2, de son intervention.
   Les dispositions de l'article 2bis, §§ 2 et 3, sont d'application si l'audition n'a pas lieu sur convocation écrite ou si la convocation et l'audition ne sont pas espacées d'un jour libre.]1

  
HOOFDSTUK V. - De opheffing van het bevel tot aanhouding.
CHAPITRE V. - De la mainlevée du mandat d'arrêt.
Art.25. § 1. Vóór de in artikel 21 bedoelde verschijning van de verdachte voor de raadkamer kan de onderzoeksrechter, bij een met redenen omklede beschikking die hij onmiddellijk aan de procureur des Konings meedeelt, het bevel tot aanhouding opheffen.
  Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
  § 2. (Na de bij artikel 21 bedoelde beslissing van de raadkamer, kan de onderzoeksrechter in de loop van het onderzoek, bij een met redenen omklede beschikking die hij onmiddellijk aan de procureur des Konings meedeelt, het bevel tot aanhouding opheffen.
  Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
  De procureur des Konings kan bovendien op elk moment de onderzoeksrechter verzoeken het bevel tot aanhouding op te heffen [1 ...]1.) <W 2005-05-31/32, art. 11, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>
  § 3. In alle gevallen waarin met toepassing van de voorgaande bepalingen opheffing van het bevel tot aanhouding is verleend, is de verdachte verplicht om bij de proceshandelingen te verschijnen zodra zulks van hem wordt gevorderd.
  
Art.25. § 1. Avant la comparution de l'inculpé devant la chambre du conseil prévue à l'article 21, le juge d'instruction peut donner mainlevée du mandat d'arrêt, par une ordonnance motivée qu'il communique immédiatement au procureur du Roi.
  Cette ordonnance n'est susceptible d'aucun recours.
  § 2. (Après la décision de la chambre du conseil visée à l'article 21, le juge d'instruction peut, dans le cours de l'instruction, donner mainlevée du mandat d'arrêt par une ordonnance motivée qu'il communique immédiatement au procureur du Roi.
  Cette ordonnance n'est susceptible d'aucun recours.
  Le procureur du Roi peut par ailleurs requérir à tout moment du juge d'instruction la mainlevée du mandate d'arrêt [1 ...]1.) <L 2005-05-31/32, art. 11, 014 ; En vigueur : 26-06-2005>
  § 3. Dans tous les cas où mainlevée du mandat d'arrêt a été donnée par application des dispositions qui précèdent, l'inculpé est tenu de se présenter à tous les actes de la procédure aussitôt qu'il en est requis.
  
HOOFDSTUK VI. - De weerslag van de regeling van de rechtspleging op de vrijheidsbenemende maatregelen.
CHAPITRE VI. - De l'incidence du règlement de la procédure sur les mesures privatives de liberté.
Art.26. § 1. Ingeval van beschikking tot buitenvervolgingstelling of van beschikking tot verwijzing naar de politierechtbank, wordt de verdachte in vrijheid gesteld (tenzij hij werd verwezen wegens een feit dat een inbreuk uitmaakt op de artikelen 418 en 419 van het Strafwetboek of op de artikelen 33, § 2, en 36 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer). <W 1994-07-11/33, art. 16, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  § 2. Indien de raadkamer de verdachte naar de correctionele rechtbank (of naar de politierechtbank) verwijst wegens een feit dat geen gevangenisstraf van een jaar of meer tot gevolg kan hebben, wordt de verdachte in vrijheid gesteld, onder verplichting om op een te bepalen dag voor de bevoegde rechtbank te verschijnen. <W 1994-07-11/33, art. 15, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  § 3. Wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de verdachte naar de correctionele rechtbank (of naar de politierechtbank) verwijst wegens een feit waarvoor hij zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarop volgens de wet een gevangenisstraf staat waarvan de duur langer is dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, (kan zij de verdachte in vrijheid stellen of, bij afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, beslissen dat de verdachte aangehouden blijft " of dat hij in vrijheid wordt gesteld onder oplegging van een of meer voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 35). <W 1994-07-11/33, art. 15, 3°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <W 1996-08-04/04, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 27-09-1996>
  [1 Indien de verdachte in hechtenis onder elektronisch toezicht staat, kan de raadkamer bij een met redenen omklede beslissing de hechtenis onder elektronisch toezicht handhaven.]1
  § 4. In geval uit de beschikking van de raadkamer de invrijheidstelling van de verdachte volgt, kan de procureur des Konings hiertegen, wat de voorlopige hechtenis betreft, hoger beroep aantekenen binnen vierentwintig uren; in de gevallen bedoeld in de bovenstaande §§ 1 en 2, kan hij dit slechts doen na hoger beroep ingesteld te hebben tegen de beslissing in zoverre zij de regeling van de rechtspleging betreft.
  De verdachte blijft aangehouden tot na verloop van de voormelde termijn.
  Het hoger beroep heeft schorsende werking.
  § 5. De raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen, in de gevallen van de artikelen 133 en 231 van het Wetboek van Strafvordering, een beschikking tot gevangenneming geven en de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan bevelen.
  Deze beschikkingen bevatten de naam van de verdachte, zijn persoonsbeschrijving, zijn woonplaats, indien zij bekend zijn, de uiteenzetting van het feit en de aard van het misdrijf.
  Wanneer een beschikking tot gevangenneming gegeven wordt ten aanzien van een verdachte of een beschuldigde die wegens wanbedrijf wordt vervolgd, worden de bepalingen van artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, in acht genomen.
  De beschikkingen van de raadkamer en van de kamer van inbeschuldigingstelling worden door de rechters bij meerderheid van stemmen genomen.
  [1 In voorkomend geval is paragraaf 4 van toepassing.]1
  
Art.26. § 1. En cas d'ordonnance de non-lieu ou d'ordonnance de renvoi devant le tribunal de police, l'inculpé est mis en liberté (à moins que celui-ci ne soit renvoyé pour un fait constitutif d'infraction aux articles 418 et 419 du Code pénal ou aux articles 33, § 2, et 36 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière). <L 1994-07-11/33, art. 15, 1°, 003; En vigueur : 01-01-1995>
  § 2. Si la chambre du conseil renvoie l'inculpé devant le tribunal correctionnel (ou devant le tribunal de police) en raison d'un fait qui ne doit pas entraîner une peine d'emprisonnement égale ou supérieure à un an, l'inculpé sera mis en liberté, à charge de se représenter, à jour fixe, devant le tribunal compétent. <L 1994-07-11/33, art. 15, 2°, 003; En vigueur : 01-01-1995>
  § 3. Lorsque, en réglant la procédure, la chambre du conseil renvoie l'inculpé devant le tribunal correctionnel [ou devant le tribunal de police] en raison d'un fait sur lequel est fondée la détention préventive et qui est légalement passible d'une peine d'emprisonnement supérieure à la durée de la détention préventive déjà subie, [elle peut mettre l'inculpé en liberté ou décider, par une ordonnance séparée et motivée conformément à l'article 16, §§ 1 et 5, premier et deuxième alinéas, que l'inculpé restera en détention, ou qu'il sera mis en liberté en lui imposant de respecter une ou plusieurs conditions, comme il est prévu à l'article 35]. <L 1994-07-11/33, art. 15, 3°, 003; En vigueur : 01-01-1995> <L %1996-08-04/04, art. 2, 004; En vigueur : 27-09-1996>
  [2 Si l'inculpé se trouve en détention sous surveillance électronique, la chambre du conseil peut, par décision motivée, maintenir la détention préventive sous surveillance électronique.]2
  § 4. Dans les cas où l'ordonnance de la chambre du conseil a pour effet la mise en liberté de l'inculpé, le procureur du Roi peut, dans les vingt-quatre heures, interjeter appel de la décision en tant qu'elle concerne la détention préventive; dans les cas visés aux §§ 1er et 2 ci-dessus, il ne peut le faire qu'après avoir interjeté appel de la décision en tant qu'elle concerne le règlement de la procédure.
  L'inculpé reste détenu jusqu'à l'expiration dudit délai.
  L'appel a un effet suspensif.
  § 5. La chambre du conseil et la chambre des mises en accusation peuvent, dans les cas prévus par les articles 133 et 231 du Code d'instruction criminelle, décerner une ordonnance de prise de corps et en prescrire l'exécution immédiate.
  Ces ordonnances contiennent le nom de l'inculpé, son signalement, son domicile, s'ils sont connus, l'exposé du fait et la nature [1 de l'infraction]1.
  Lorsque l'ordonnance de prise de corps est rendue à charge d'un inculpé ou d'un accusé qui est poursuivi en raison d'un délit, les dispositions de l'article 16, §§ 1er et 5, premier et deuxième alinéas, sont observées.
  Les ordonnances de la chambre du conseil et de la chambre des mises en accusation sont rendues à la majorité des juges.
  [2 Le cas échéant, le paragraphe 4 s'applique.]2
  
Art.27. § 1. Wanneer geen einde werd gemaakt aan de voorlopige hechtenis en ofwel het onderzoek afgesloten is, ofwel toepassing werd gemaakt van artikel 133 van het Wetboek van Strafvordering en van artikel 26, § 5, kan de voorlopige invrijheidstelling worden verleend op indiening van een verzoekschrift dat gericht wordt :
  1° aan de correctionele rechtbank (of aan de politierechtbank) waar de zaak aanhangig is, vanaf de verwijzende beschikking tot het vonnis; <W 1994-07-11/33, art. 16, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  2° (aan de correctionele rechtbank die zitting houdt in hoger beroep, of) aan de kamer belast met correctionele zaken in hoger beroep, vanaf het instellen van het beroep tot de beslissing in hoger beroep; <W 1994-07-11/33, art. 16, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  3° aan de kamer van inbeschuldigingstelling :
  a) (vanaf de beschikking gegeven overeenkomstig artikel 133 van het Wetboek van strafvordering totdat het hof van assisen einduitspraak heeft gedaan;) <W 2000-06-30/47, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 27-03-2001>
  b) tijdens het geding tot regeling van rechtsgebied, wanneer de verdachte gevangen gehouden wordt ter uitvoering van een beschikking tot gevangenneming gegeven door de raadkamer;
  (c) tijdens het geding voor de kamer van inbeschuldigingstelling bedoeld in de artikelen 135, 235 en 235bis van het Wetboek van Strafvordering) <W 1998-03-12/39, art. 41, 005; Inwerkingtreding : 1998-10-02>
  4° (...) <W 2000-06-30/47, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 27-03-2001>
  5° aan de kamer van inbeschuldigingstelling, vanaf het cassatieberoep tot het arrest.
  § 2. De voorlopige invrijheidstelling kan ook worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een na veroordeling uitgesproken bevel tot onmiddellijke aanhouding, mits er tegen de veroordeling zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend. Zij kan in dezelfde voorwaarden worden aangevraagd door wie aangehouden is ingevolge een veroordeling bij verstek, waartegen verzet binnen de buitengewone termijn is aangetekend.
  [1 § 2bis. De voorlopige invrijheidstelling kan ook worden aangevraagd door degene die aangehouden is op het ogenblik van zijn internering of van wie de onmiddellijke opsluiting is bevolen ter gelegenheid van de internering, conform artikel 10 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen, mits er tegen de internering zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend.]1
  § 3. Het verzoekschrift wordt neergelegd op de griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen en het wordt er ingeschreven in het register vermeld in artikel 21, § 2.
  Over het verzoekschrift wordt beslist in raadkamer binnen vijf dagen na de neerlegging ervan, het openbaar ministerie, de betrokkene en diens raadsman gehoord, waarbij aan deze laatste bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 21, § 2.
  Indien er binnen de termijn van vijf dagen, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 32, geen uitspraak over het verzoekschrift is gedaan, wordt de betrokkene in vrijheid gesteld.
  De beslissing tot verwerping wordt gemotiveerd met inachtneming van hetgeen voorgeschreven is in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.
  [2 § 4. Indien het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidsstelling is verworpen, kan een nieuw verzoekschrift slechts worden ingediend na een termijn van een maand na de verwerping ervan.]2
  
Art.27. § 1. Lorsque la détention préventive n'a pas pris fin et que l'instruction est close ou qu'il a été fait application de l'article 133 du Code d'instruction criminelle et de l'article 26, § 5, la mise en liberté provisoire peut être accordée sur requête adressée :
  1° au tribunal correctionnel (ou au tribunal de police) saisi, depuis l'ordonnance de renvoi jusqu'au jugement; <L 1994-07-11/33, art. 16, 1°, 003; En vigueur : 01-01-1995>
  2° [au tribunal correctionnel, siégeant en degré d'appel ou] à la chambre des appels correctionnels, depuis l'appel jusqu'à la décision d'appel; <L 1994-07-11/33, art. 16, 2°, 003; En vigueur : 01-01-1995>
  3° à la chambre des mises en accusation :
  a) [depuis l'ordonnance rendue conformément à l'article 133 du Code d'instruction criminelle jusqu'à ce que la cour d'assises ait définitivement statué;] <L 2000-06-30/47, art. 42, 008; En vigueur : 27-03-2001>
  b) pendant l'instance en règlement de juges, lorsque l'inculpé est détenu en exécution d'une ordonnance de prise de corps décernée par la chambre du conseil;
  [c) pendant l'instance devant la chambre des mises en accusation prévue aux articles 135, 235 et 235bis du Code d'instruction criminelle] <L 1998-03-12/39, art. 41, 005; En vigueur : 1998-10-02>
  4° [...] <L 2000-06-30/47, art. 42, 008; En vigueur : 27-03-2001>
  5° à la chambre des mises en accusation, depuis le recours en cassation jusqu'à l'arrêt.
  § 2. La mise en liberté provisoire peut aussi être demandée par celui qui est privé de sa liberté en vertu d'un ordre d'arrestation immédiate décerné après condamnation, à la condition qu'appel, opposition ou pourvoi en cassation ait été formé contre la décision de condamnation elle-même. Elle peut dans les mêmes conditions être demandée par celui qui est privé de sa liberté sur le fondement d'une condamnation par défaut, contre laquelle opposition est formée dans le délai extraordinaire.
  [1 § 2bis. La mise en liberté provisoire peut aussi être demandée par celui qui est privé de sa liberté au moment de son internement ou dont l'incarcération immédiate a été ordonnée à l'occasion de l'internement, conformément à l'article 10 de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement [1 ...] 1 à la condition qu'appel, opposition ou pourvoi en cassation ait été formé contre la décision d'internement elle-même.]1
  § 3. La requête est déposée au greffe de la juridiction appelée à statuer et y est inscrite au registre mentionné à l'article 21, § 2.
  Il est statué sur la requête en chambre du conseil dans les cinq jours de son dépôt, le ministère public, l'intéressé et son conseil entendus, celui-ci étant avisé conformément à l'article 21, § 2.
  S'il n'est pas statué sur la requête dans le délai de cinq jours, éventuellement prorogé conformément à l'article 32, l'intéressé est mis en liberté.
  La décision de rejet est motivée en observant ce qui est prescrit à l'article 16, § 5, premier et deuxième alinéas.
  [2 § 4. En cas de rejet de la requête de mise en liberté provisoire, une nouvelle requête ne peut être introduite qu'après l'expiration d'un délai d'un mois à compter du rejet.]2
  
Art.28. § 1. De onderzoeksrechter kan in elke stand van de zaak een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de in vrijheid gelaten of in vrijheid gestelde verdachte :
  1° als deze verzuimt bij enige proceshandeling te verschijnen;
  2° indien nieuwe en ernstige omstandigheden die maatregel noodzakelijk maken. In dit laatste geval vermeldt het bevel de nieuwe en ernstige omstandigheden die de aanhouding wettigen.
  De bepalingen van hoofdstukken III, IV en V zijn mede van toepassing.
  § 2. De rechtbank of het hof, naargelang van het geval, kan een bevel tot aanhouding uitvaardigen in het geval bedoeld in [1 § 1, 1° en 2°]1.
  
Art.28. § 1er. Le juge d'instruction peut décerner un mandat d'arrêt en tout état de cause contre l'inculpé laissé ou remis en liberté :
  1° si celui-ci reste en défaut de se présenter à un acte de la procédure;
  2° si des circonstances nouvelles et graves rendent cette mesure nécessaire. Dans ce dernier cas, le mandat mentionne les circonstances nouvelles et graves qui justifient l'arrestation.
  Les dispositions des chapitres III, IV et V sont applicables.
  § 2. Le tribunal ou la cour, selon le cas, peut décerner un mandat d'arrêt dans le cas visé au [1 § 1er, 1° et 2°]1.
  
Art. 28/1. [1 De rechtbank of het hof, naargelang van het geval, kan een bevel tot aanhouding uitvaardigen in het geval dat de verdachte niet persoonlijk kan verschijnen omwille van een hechtenis in het buitenland en hijzelf gevraagd heeft om persoonlijk aanwezig te kunnen zijn.]1
  
Art. 28/1. [1 Le tribunal ou la cour, selon le cas, peut décerner un mandat d'arrêt dans le cas où le suspect ne peut pas comparaître en personne en raison d'une détention à l'étranger et a lui-même demandé à pouvoir être présent en personne.]1
  
Art.29. De voorlopig in vrijheid gestelde persoon moet aangeven op welk adres hem nadien de voor het onderzoek [1 en het strafproces"]1 vereiste oproepingen en betekeningen kunnen worden gedaan. Tot op het ogenblik dat de betrokkene bij ter post aangetekende brief aan het openbaar ministerie een wijzigingsbericht doet geworden [1 of indien hij is ingeschreven op een nieuw adres in het Rijksregister]1, worden de oproepingen en betekeningen geldig op die plaats gedaan.
  
Art.29. La personne mise en liberté provisoire doit indiquer à quelle adresse les convocations et les significations requises par l'instruction [1 et le procès pénal]1 peuvent lui être faites ultérieurement. Jusqu'au moment où l'intéressé fait parvenir un avis de changement par lettre recommandée à la poste adressée au ministère public [1 ou qu'il est inscrit à une nouvelle adresse au registre national]1, les convocations et les significations ont lieu valablement à cet endroit.
  
HOOFDSTUK VII. - Het hoger beroep.
CHAPITRE VII. - De l'appel.
Art.30. (§ 1. De verdachte, de beklaagde of de beschuldigde en het openbaar ministerie kunnen voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer gegeven in de gevallen bedoeld in de artikelen 21, 22 (...) [2 ...]2 en 28. Over het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de correctionele rechtbank of van de politierechtbank, gewezen overeenkomstig artikel 27, wordt uitspraak gedaan, naar het geval, door de kamer belast met correctionele zaken in hoger beroep of door de correctionele rechtbank die zitting houdt in hoger beroep.) <W 1994-07-11/33, art. 17, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995> <W 2005-05-31/32, art. 12, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>
  § 2. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die, ten aanzien van het openbaar ministerie, begint te lopen vanaf de dag van de beslissing en ten aanzien van de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde, vanaf de dag waarop die hem betekend is in de vorm bepaald in artikel 18.
  Deze betekening wordt gedaan binnen vierentwintig uren. In de akte van betekening wordt aan de verdachte kennis gegeven van het hem toekomende recht van hoger beroep en van de termijn waarbinnen dit recht moet worden uitgeoefend.
  De verklaring van hoger beroep wordt gedaan op de griffie van de rechtbank die uitspraak heeft gedaan, en wordt ingeschreven in het register van hoger beroep in correctionele zaken.
  De stukken worden, in voorkomend geval, door de procureur des Konings bezorgd aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.
  Aan de raadsman van de verdachte wordt bericht gegeven door de griffier (van het gerecht in hoger beroep). <W 1994-07-11/33, art. 17, 2°, 003; Inwerkingtreding : onbepaald >
  § 3. Over het hoger beroep wordt uitspraak gedaan met voorrang boven alle andere zaken, [1 het openbaar ministerie en de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde en/of zijn raadsman gehoord]1. [3 De kamer van inbeschuldigingstelling kan beslissen dat de inverdenkinggestelde in een videoconferentie verschijnt.]3
  De verdachte blijft in hechtenis totdat over het hoger beroep is beslist, voor zover dit geschiedt binnen vijftien dagen nadat het beroep is ingesteld; de verdachte wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet gewezen is binnen die termijn.
  [1 Op de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling zijn de bij artikel 23, 1° tot 4°, bepaalde regels van toepassing.]1
  § 4. Het gerecht dat over het hoger beroep beslist, doet uitspraak rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling, in de gevallen van de artikelen 21, 22 (...) [2 ...]2 en 28, beslist dat de voorlopige hechtenis gehandhaafd blijft, levert het arrest een titel van vrijheidsbeneming op voor (een maand) te rekenen van de beslissing [2 indien zij betrekking heeft op de [4 eerste, tweede of de derde]4 beschikking van de raadkamer, of voor twee maanden te rekenen van de beslissing indien zij betrekking heeft op een daaropvolgende beschikking]2. <W 2005-05-31/32, art. 12, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>
  (Wanneer, bij toepassing van de artikelen 135 en 235 van het Wetboek van Strafvordering, de kamer van inbeschuldigingstelling een onderzoeksmagistraat met een zaak belast en de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd, doet de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak over de voorlopige hechtenis in een afzonderlijk arrest dat, in geval van handhaving van de voorlopige hechtenis, geldt als titel van vrijheidsbeneming voor [2 twee maanden]2.) <W 1998-03-12/39, art. 42, 005; Inwerkingtreding : 1998-10-02>
  
Art.30. (§ 1. L'inculpé, le prévenu ou l'accusé, et le ministère public peuvent faire appel devant la chambre des mises en accusation, des ordonnances de la chambre du conseil rendues dans les cas prévus par les articles 21, 22 (...) [2 ...]2 et 28. S'il s'agit d'un jugement du tribunal correctionnel ou du tribunal de police, rendu conformément à l'article 27, il est statué sur l'appel, selon le cas, par la chambre des appels correctionnels ou par le tribunal correctionnel siégeant en degré d'appel.) <L 1994-07-11/33, art. 17, 1°, 003; En vigueur : 01-01-1995> <L 2005-05-31/32, art. 12, 014 ; En vigueur : 26-06-2005>
  § 2. L'appel doit être interjeté dans un délai de vingt-quatre heures, qui court contre le ministère public à compter du jour de la décision et contre l'inculpé, le prévenu ou l'accusé, du jour où elle lui est signifiée dans les formes prévues à l'article 18.
  Cette signification est faite dans les vingt-quatre heures. L'acte de signification contient avertissement à l'inculpé du droit qui lui est accordé d'appeler et du terme dans lequel il doit être exercé.
  La déclaration d'appel est faite au greffe du tribunal qui a rendu la décision attaquée, et est consignée au registre des appels en matière correctionnelle.
  Les pièces sont, s'il y a lieu, transmises par le procureur du Roi au procureur général près la cour d'appel.
  Le conseil de l'inculpé est avisé par le greffier (de la juridiction d'appel). <L 1994-07-11/33, art. 17, 2°, 003; En vigueur : 01-01-1995>
  § 3. Il est statué sur l'appel toutes affaires cessantes, [1 le ministère public et l'inculpé, le prévenu ou l'accusé et/ou son conseil entendus]1. [3 La chambre des mises en accusation peut décider que l'inculpé comparaîtra par vidéoconférence.]3
  L'inculpé reste en détention jusqu'à la décision sur l'appel pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration d'appel; l'inculpé est mis en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
  [1 Les règles prévues à l'article 23, 1° à 4°, sont d'application à la procédure devant la chambre des mises en accusation.]1
  § 4. La juridiction d'appel statue en tenant compte des circonstances de la cause au moment de sa décision. Si la chambre des mises en accusation, dans les cas des articles 21, 22 [...] [2 ...]2 et 28, décide de maintenir la détention préventive, l'arrêt forme un titre de privation de liberté pour [un mois] à partir de la décision [2 si elle porte sur [4 la première, la deuxième ou la troisième]4 ordonnance de la chambre du conseil ou pour deux mois à partir de la décision si elle porte sur une ordonnance subséquente]2. <L 2005-05-31/32, art. 12, 014 ; En vigueur : 26-06-2005>
  [Si, à la suite de l'application des articles 135 et 235 du Code d'instruction criminelle, la chambre des mises en accusation saisit un magistrat instructeur et que l'inculpé est détenu, la chambre des mises en accusation statue sur la détention préventive par un arrêt séparé qui, en cas de maintien de la détention préventive, forme titre de détention pour [2 deux mois]2.] <L 1998-03-12/39, art. 42, 005; En vigueur : 1998-10-02>
  
HOOFDSTUK VIII. - Het cassatieberoep.
CHAPITRE VIII. - Du pourvoi en cassation.
Art.31. § 1. De arresten (en vonnissen) waardoor de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd, worden binnen vierentwintig uren aan de verdachte betekend in de vorm bepaald in artikel 18. <W 1994-07-11/33, art. 18, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  § 2. [1 Tegen deze beslissingen kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld behoudens tegen de arresten gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling op het beroep tegen de beslissingen bedoeld in artikel 21, § 1, tweede lid, waartegen cassatieberoep kan]1 worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die begint te lopen vanaf de dag waarop (de beslissing) aan verdachte wordt betekend. <W 1994-07-11/33, art. 18, 2°, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  § 3. Het dossier wordt binnen vierentwintig uren te rekenen van het instellen van het cassatieberoep aan de griffier van het Hof van Cassatie toegestuurd. Cassatiemiddelen kunnen worden voorgedragen, hetzij in de akte van voorziening, hetzij in een bij die gelegenheid neergelegd geschrift, hetzij in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen uiterlijk de vijfde dag na de datum van de voorziening.
  Het Hof van Cassatie beslist binnen vijftien dagen te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. De verdachte wordt in vrijheid gesteld als het arrest niet gewezen is binnen die termijn.
  § 4. Na een cassatiearrest met verwijzing, doet de kamer van inbeschuldigingstelling waarnaar de zaak verwezen is, uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. De verdachte wordt in vrijheid gesteld als het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling niet gewezen is binnen die termijn.
  Voor het overige zijn de bepalingen van artikel 30, §§ 3 en 4, mede van toepassing.
  Als het gerecht waarnaar de zaak verwezen is de voorlopige hechtenis handhaaft, geldt zijn beslissing als titel van hechtenis voor (een maand) te rekenen van de beslissing [2 indien ze betrekking heeft op de eerste, de tweede of de derde beschikking van de raadkamer of voor twee maanden indien ze betrekking heeft op een daaropvolgende beschikking]2. <W 2005-05-31/32, art. 13, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>
  (§ 5. Als het cassatiebroep wordt verworpen, dient de raadkamer uitspraak te doen [2 binnen een maand te rekenen vanaf de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie indien de beroepen beschikking de eerste, de tweede of de derde beschikking van de raadkamer is of binnen de twee maanden na die uitspraak indien de beroepen beschikking een daaropvolgende beschikking is]2, terwijl de verdachte inmiddels in hechtenis blijft. Hij wordt in vrijheid gesteld als de beschikking van de raadkamer niet gewezen wordt binnen deze termijn.) <W 1990-11-28/30, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1990>
  
Art.31. § 1. Les arrêts [et jugements] par lesquels la détention préventive est maintenue, sont signifiés à l'inculpé dans les vingt-quatre heures, dans les formes prévues à l'article 18. <L 1994-07-11/33, art. 18, 1°, 003; En vigueur : 01-01-1995>
  § 2. [1 Ces décisions ne sont susceptibles d'aucun pourvoi en cassation immédiat, à l'exception des arrêts rendus par la chambre des mises en accusation sur l'appel formé contre les décisions visées à l'article 21, § 1er, alinéa 2, lesquels]1 peuvent faire l'objet d'un pourvoi en cassation dans un délai de vingt-quatre heures qui court à compter du jour où [la décision] est signifié à l'inculpé.
  § 3. Le dossier est transmis au greffe de la Cour de cassation dans les vingt-quatre heures à compter du pourvoi. Les moyens de cassation peuvent être proposés soit dans l'acte de pourvoi, soit dans un écrit déposé à cette occasion, soit dans un mémoire qui doit parvenir au greffe de la Cour de cassation au plus tard le cinquième jour après la date du pourvoi.
  La Cour de cassation statue dans un délai de quinze jours à compter de la date du pourvoi, l'inculpé restant en détention. L'inculpé est mis en liberté si l'arrêt n'est pas rendu dans ce délai.
  § 4. Après un arrêt de cassation avec renvoi, la chambre des mises en accusation à laquelle la cause est renvoyée doit statuer dans les quinze jours à compter du prononcé de l'arrêt de la Cour de cassation, l'inculpé restant entre-temps en détention. Il est mis en liberté si l'arrêt de la chambre des mises en accusation n'est pas rendu dans ce délai.
  Pour le surplus, les dispositions de l'article 30, §§ 3 et 4, sont d'application.
  Si la juridiction de renvoi maintient la détention préventive, sa décision constitue un titre de détention pour [un mois] à compter de la décision [2 si elle porte sur la première, la deuxième ou la troisième ordonnance de la chambre du conseil ou pour deux mois à partir de la décision si elle porte sur une ordonnance subséquente]2. <L 2005-05-31/32, art. 13, 014 ; En vigueur : 26-06-2005>
  [§ 5. Si le pourvoi en cassation est rejeté, la chambre du conseil doit statuer [2 dans le mois à compter du prononcé de l'arrêt de la Cour de cassation si l'ordonnance entreprise est la première, la deuxième ou la troisième ordonnance de la chambre du conseil ou dans les deux mois de ce prononcé si l'ordonnance entreprise est une ordonnance subséquente]2, l'inculpé restant entre-temps en détention. Il est mis en liberté si l'ordonnance de la chambre du conseil n'est pas rendue dans ce délai.] <L 1990-11-28/30, art. 1, 002; En vigueur : 01-12-1990>
  
HOOFDSTUK IX. - De verlenging van de termijnen, de invrijheidstelling, de onmiddellijke aanhouding en het bevel tot aanhouding bij verstek.
CHAPITRE IX. - De la prolongation des délais, de la mise en liberté, de l'arrestation immédiate et du mandat d'arrêt par défaut.
Art.32. De termijnen bepaald in de artikelen 21, § 1, [1 22, 24bis, § 3, 25]1, § 2, 27, § 3, 30, § 3 en 31, § 3, worden geschorst tijdens de duur van het uitstel verleend op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman.
  
Art.32. Les délais prévus par les articles 21, § 1er, [1 22, 24bis, § 3, 25]1, § 2, 27, § 3, 30, § 3, et 31, § 3, sont suspendus pendant le temps de la remise accordée à la demande de l'inculpé ou de son conseil.
  
Art. 32bis. <INGEVOEGD bij W 2003-04-10/60, art. 52; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Wanneer het bevel tot aanhouding dient te worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 19, § 1bis, kan de onderzoeksrechter in het geval van overmacht de termijn van artikel 21 met vijf dagen verlengen. Deze verlenging dient op straffe van nietigheid te gebeuren binnen de geldigheidstermijn van het afgeleverde bevel tot aanhouding.
  De omstandigheden die deze handelswijze rechtvaardigen, dienen uitdrukkelijk vermeld te worden op het bevel tot aanhouding dat deze verlenging vaststelt. Hiertegen staat geen rechtsmiddel open.
Art. 32bis. Quand le mandat d'arrêt doit être exécuté conformément à l'article 19, § 1erbis, le juge d'instruction peut prolonger le délai de l'article 21 de cinq jours en cas de force majeure. Cette prolongation doit intervenir à peine de nullité dans le délai de validité du mandat d'arrêt délivré.
  Les circonstances qui justifient cette manière d'agir doivent être mentionnées expressément dans le mandat d'arrêt que cette prolongation concerne. Il n'existe aucune possibilité de recours contre cette décision.
Art.33. § 1. Tenzij de beklaagde of de beschuldigde gevangen gehouden wordt om een andere reden, wordt hij, niettegenstaande hoger beroep, onmiddellijk in vrijheid gesteld als hij wordt vrijgesproken, veroordeeld wordt met uitstel [3 , veroordeeld wordt tot een straf onder elektronisch toezicht, tot een werkstraf, tot een autonome probatiestraf, of tot een geldboete alleen, of indien een eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken]3 of indien hij opschorting heeft gekregen van de uitspraak der veroordeling (, of indien hij niet wordt veroordeeld tot een effectieve hoofdgevangenisstraf binnen zeven dagen te rekenen van de uitvaardiging van het bevel tot aanhouding met het oog op onmiddellijke verschijning). (De onmiddellijke invrijheidstelling van de beklaagde of de beschuldigde brengt met zich dat jegens hem geen dwangmiddelen mogen worden gebruikt.) <W 2000-03-28/31, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 2000-04-30> <W 2002-08-02/66, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 15-09-2002>
  [5 Tenzij de beklaagde of de beschuldigde gevangen gehouden wordt om een andere reden, wordt hij, niettegenstaande hoger beroep, eveneens onmiddellijk in vrijheid gesteld als hij wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf zonder uitstel van minder dan drie jaar of als hij wordt veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf zonder uitstel van minder dan een jaar op basis van de artikelen van titel Iter van boek II, de artikelen 417/5 tot 417/41, 417/43 tot 417/47, 417/50 tot 417/55, 433quater/1 tot 433quater/4 van het Strafwetboek. Indien het openbaar ministerie op basis van het dossier van oordeel is dat de beklaagde of de beschuldigde geen hoofdverblijfplaats heeft, maakt dit het voorwerp uit van een afzonderlijk debat. Indien naar aanleiding van dit debat wordt vastgesteld dat de beklaagde of beschuldigde geen hoofdverblijfplaats heeft, beveelt het hof of de rechtbank dat hij aangehouden blijft tenzij het hof of de rechtbank oordeelt dat deze situatie geen risico met zich meebrengt op het zich onttrekken aan de straf. Paragraaf 2, derde lid, is van toepassing op deze beslissing. De onmiddellijke invrijheidstelling van de beklaagde of de beschuldigde brengt met zich dat jegens hem geen dwangmiddelen mogen worden gebruikt.]5
  [5 Onverminderd het tweede lid, wordt hij die tot een hoofdgevangenisstraf zonder uitstel wordt veroordeeld]5, niettegenstaande hoger beroep, in vrijheid gesteld zodra de ondergane hechtenis gelijk is aan de uitgesproken hoofdgevangenisstraf; zoniet, dan blijft hij aangehouden voor zover de straf wordt uitgesproken wegens het feit dat de voorlopige hechtenis heeft gewettigd.
  § 2. Wanneer de hoven en de rechtbanken de beklaagde of de beschuldigde [2 veroordelen tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar of tot een zwaardere straf, zonder uitstel, en voor veroordelingen wegens feiten bedoeld in titel Iter van boek II en in de [5 artikelen 417/5 tot 417/41, 417/43 tot 417/47, 417/50 tot 417/55, 433quater/1 tot 433quater/4]5 van het Strafwetboek, tot een hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf, zonder uitstel,]2 kunnen zij, op vordering van het openbaar ministerie, zijn onmiddellijke aanhouding gelasten, indien te vrezen is dat de beklaagde of de beschuldigde zich aan de uitvoering van de straf zou pogen te onttrekken [4 of dat hij nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen]4. Die beslissing moet nader aangeven welke omstandigheden van de zaak die vrees bepaaldelijk wettigen.
  Indien op verzet of hoger beroep de straf verminderd wordt [2 tot minder dan drie jaar en voor veroordelingen wegens feiten bedoeld in titel Iter van boek II en in de [5 artikelen 417/5 tot 417/41, 417/43 tot 417/47, 417/50 tot 417/55, 433quater/1 tot 433quater/4]5 van het Strafwetboek, tot minder dan een jaar]2, kan het hof of de rechtbank, met eenparigheid van stemmen, op vordering van het openbaar ministerie en na de beklaagde en zijn raadsman te hebben gehoord als zij aanwezig zijn, de gevangenhouding handhaven.
  Over de krachtens deze paragraaf genomen beslissingen moet een afzonderlijk debat worden gehouden, onmiddellijk na de uitspraak van de straf. De beklaagde of de beschuldigde en zijn raadsman worden gehoord als ze aanwezig zijn. Deze beslissingen zijn niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. [1 Ze zijn vatbaar voor cassatieberoep voor zover dit rechtsmiddel ook tegen de veroordelende beslissing wordt ingesteld.]1
  
Art.33. § 1. A moins qu'il ne soit retenu pour une autre cause, le prévenu ou l'accusé est, nonobstant appel, mis immédiatement en liberté s'il est acquitté, condamné avec sursis [3 , condamné à une peine de surveillance électronique, à une peine de travail, à une peine de probation autonome ou seulement à une amende, ou si une simple déclaration de culpabilité a été prononcée]3, ou s'il bénéficie de la suspension du prononcé de la condamnation (, ou s'il n'est pas condamné à une peine d'emprisonnement principal effective dans les sept jours à compter de la délivrance du mandat d'arrêt en vue de comparution immédiate). (La libération immédiate du prévenu ou de l'accusé entraîne, à son égard, l'interdiction de l'usage de tous moyens de contrainte.) <L 2000-03-28/31, art. 8, 007; En vigueur : 2000-04-30> <L 2002-08-02/66, art. 2, 010; En vigueur : 15-09-2002>
  [5 A moins qu'il ne soit retenu pour une autre cause, le prévenu ou l'accusé est, nonobstant appel, également mis immédiatement en liberté s'il est condamné à un emprisonnement principal sans sursis de moins de trois ans ou s'il est condamné à une peine principale d'emprisonnement sans sursis de moins d'un an sur la base des articles du titre Ierter du livre II, articles 417/5 à 417/41, 417/43 à 417/47, 417/50 à 417/55, 433quater/1 à 433quater/4 du Code pénal. Si le ministère public estime sur la base du dossier que le prévenu ou l'accusé n'a pas de résidence principale, ceci fait l'objet d'un débat distinct. Si à l'issue de ce débat il est établi que le prévenu ou l'accusé n'a pas de résidence principale, la cour ou le tribunal ordonne qu'il reste détenu, sauf si la cour ou le tribunal estime que cette situation n'entraine pas de risques quant au fait de se soustraire à l'exécution de la peine. Le paragraphe 2, alinéa 3, s'applique à cette décision. La libération immédiate du prévenu ou de l'accusé entraîne, à son égard, l'interdiction de l'usage de tous moyens de contrainte.]5
  [5 Sans préjudice de l'alinéa 2, celui qui est condamné à un emprisonnement principal sans sursis]5 est mis en liberté, nonobstant appel, dès que la détention subie égale la durée de l'emprisonnement principal prononcé; dans les autres cas, il reste détenu pour autant que la peine soit prononcée en raison du fait qui a motivé la détention préventive.
  § 2. Lorsqu'ils condamnent le prévenu ou l'accusé à un emprisonnement principal [2 de trois ans ou à une peine plus grave, sans sursis, et pour des condamnations pour des faits visés dans le titre Ierter du livre II et dans les [5 articles 417/5 à 417/41, 417/43 à 417/47, 417/50 à 417/55, 433quater/1 à 433quater/4]5 du Code pénal, à un emprisonnement principal d'un an ou à une peine plus grave, sans sursis,]2 les cours et les tribunaux peuvent ordonner son arrestation immédiate, sur réquisition du ministère public, s'il y a lieu de craindre que le prévenu ou l'accusé ne tente de se soustraire à l'exécution de la peine [4 ou ne commette de nouveaux crimes ou délits]4. Cette décision doit préciser les circonstances de la cause motivant spécialement cette crainte.
  Si, sur opposition ou appel, la peine est réduite [2 à moins de trois ans et pour des condamnations pour des faits visés dans le titre Ierter du livre II et dans les [5 articles 417/5 à 417/41, 417/43 à 417/47, 417/50 à 417/55, 433quater/1 à 433quater/4]5 du Code pénal, à moins d'un an]2, la cour ou le tribunal pourra, à l'unanimité, sur réquisition du ministère public, le prévenu et son conseil entendus s'ils sont présents, maintenir l'incarcération.
  Les décisions rendues par application de ce paragraphe font l'objet d'un débat distinct, immédiatement après le prononcé de la peine. Le prévenu ou l'accusé et son conseil sont entendus s'ils sont présents. Ces décisions ne sont susceptibles ni d'appel ni d'opposition. [1 Elles sont susceptibles de pourvoi en cassation pour autant que le pourvoi soit également formé contre la décision de condamnation.]1
  
Art.34. § 1. Wanneer de verdachte voortvluchtig is of zich verbergt of wanneer er grond bestaat om zijn uitlevering te vragen, kan de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding bij verstek uitvaardigen.
  § 2. Wordt dit bevel uitgevoerd vóór het onderzoek is afgesloten, dan moet de verdachte door de onderzoeksrechter worden ondervraagd. Oordeelt de onderzoeksrechter dat de voorlopige hechtenis moet worden gehandhaafd, dan kan hij een nieuw bevel tot aanhouding uitvaardigen, waarop de bepalingen van de hoofdstukken III, IV en V mede van toepassing zijn.
  Dit nieuwe bevel tot aanhouding wordt aan de verdachte betekend binnen [1 achtenveertig]1 uren te rekenen van de betekening op het Belgisch grondgebied (of op het buitenlandse grondgebied waar een legeronderdeel is gestationeerd) van het bevel tot aanhouding bij verstek, welke betekening moet geschieden binnen [1 achtenveertig]1 uren na de aankomst of de vrijheidsbeneming op het Belgisch grondgebied.<W 2003-04-10/60, art. 53, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 3. De beklaagde of de beschuldigde kan zijn invrijheidstelling alleen vragen overeenkomstig artikel 27.
  
Art.34. § 1. Lorsque l'inculpé est fugitif ou latitant ou lorsqu'il y a lieu de demander son extradition, le juge d'instruction peut décerner un mandat d'arrêt par défaut.
  § 2. Si ce mandat est exécuté avant la clôture de l'instruction, l'inculpé doit être interrogé par le juge d'instruction. Si le juge d'instruction estime que la détention doit être maintenue, il peut délivrer un nouveau mandat d'arrêt auquel sont applicables les dispositions des chapitres III, IV et V.
  Ce nouveau mandat d'arrêt est signifié à l'inculpé dans les [1 quarante-huit]1 heures à compter de la signification sur le territoire belge (ou sur le territoire étranger où une fraction de l'armée est stationnée) du mandat d'arrêt par défaut, laquelle doit intervenir dans les [1 quarante-huit]1 heures de l'arrivée ou de la privation de liberté sur le sol belge. <L 2003-04-10/60, art. 53, 012; En vigueur : 01-01-2004>
  § 3. Le prévenu ou l'accusé ne peut demander sa mise en liberté que conformément à l'article 27.
  
HOOFDSTUK X. - Vrijheid onder voorwaarden en invrijheidstelling onder voorwaarden.
CHAPITRE X. - De la liberté sous conditions et de la mise en liberté sous conditions.
Art.35. § 1. In de gevallen waarin voorlopige hechtenis kan worden bevolen of gehandhaafd onder de in artikel 16, § 1, bepaalde voorwaarden, kan de onderzoeksrechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de verdachte, de betrokkene in vrijheid laten onder oplegging van een of meer voorwaarden voor de tijd die hij bepaalt en maximum voor drie maanden.
  [1 Hij kan de betrokkene verbieden om een activiteit uit te oefenen waarbij hij in contact zou komen met minderjarigen.]1
  [Met het oog op de bepaling van de voorwaarden, kan de onderzoeksrechter de [4 bevoegde dienst van de gemeenschappen]4 van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de betrokkene de opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De Koning bepaalt de nadere regels inzake het beknopt voorlichtingsrapport en de maatschappelijke enquête.
  Deze rapporten en deze onderzoeken mogen alleen de pertinente elementen bevatten die van aard zijn de overheid die het verzoek tot de [4 bevoegde dienst van de gemeenschappen]4 richtte in te lichten over de opportuniteit van de overwogen maatregel of straf.] <W 2006-12-27/33, art. 48, 1°, 016; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  § 2. Alle beslissingen waarbij aan de verdachte of de beklaagde een of meer voorwaarden worden opgelegd, moeten met redenen omkleed zijn, zoals bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.
  § 3. De rechter bepaalt de op te leggen voorwaarden. Deze moeten betrekking hebben op [3 een van de redenen genoemd in artikel 16, § 1, vierde lid,]3 en daaraan aangepast zijn, in acht genomen de omstandigheden van de zaak.
  § 4. De rechter kan ook de voorafgaande en volledige betaling van een borgsom vorderen, waarvan hij het bedrag bepaalt.
  Hij kan zijn beslissing met name gronden op ernstige vermoedens dat gelden of waarden afkomstig van het misdrijf in het buitenland zijn geplaatst ofwel verborgen gehouden.
  De borgsom wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort en het openbaar ministerie doet, op vertoon van het ontvangstbewijs, de beschikking of het arrest van invrijheidstelling ten uitvoer leggen.
  Niettegenstaande de termijn bepaald in artikel 35, § 1, en onverminderd de toepassing van artikel 36, wordt de borgsom teruggegeven indien de verdachte bij alle proceshandelingen, alsook ter tenuitvoerlegging van het vonnis, verschenen is. Wanneer de veroordeling voorwaardelijk is, is het voldoende dat de verdachte bij alle proceshandelingen verschenen is.
  De borgsom wordt toegewezen aan de Staat, zodra gebleken is dat de verdachte zonder wettige reden van verschoning niet verschenen is bij enige proceshandeling of ter tenuitvoerlegging van het vonnis. [2 In geval echter van buitenvervolgingstelling, vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, voorwaardelijke veroordeling of verjaring van de strafvordering, beveelt het vonnis of het arrest de teruggave, onder voorbehoud van de buitengewone kosten waartoe de niet-verschijning aanleiding mocht hebben gegeven.]2
  De niet-verschijning van de verdachte bij een proceshandeling wordt vastgesteld door het vonnis of het arrest van veroordeling, waarbij eveneens verklaard wordt dat de borgsom aan de Staat vervalt.
  De niet-verschijning van de veroordeelde ter tenuitvoerlegging van het vonnis wordt, op vordering van het openbaar ministerie, vastgesteld door de rechtbank die de veroordeling heeft uitgesproken. Het vonnis verklaart tevens dat de borgsom aan de Staat vervalt.
  § 5. De onderzoeksrechter en de onderzoeks- of vonnisgerechten beschikken over dezelfde bevoegdheden wanneer een verdachte of een beklaagde in vrijheid wordt gesteld.
  (§ 6. Indien de voorwaarden die krachtens § 3 bepaald zijn, het volgen van een begeleiding of een behandeling opleggen, nodigt de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht de inverdenkinggestelde uit om een bevoegde persoon of dienst te kiezen. Die keuze wordt aan de rechter of het gerecht ter goedkeuring voorgelegd.
  Deze dienst of persoon die de opdracht aanneemt, brengt aan de rechter of aan het gerecht ( [4 en aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen]4 die met de ondersteuning en de controle is belast), binnen de maand na de invrijheidstelling en telkens als die dienst of persoon het nuttig acht, of op verzoek van de rechter of van het gerecht en ten minste om de twee maanden, verslag uit over de begeleiding of de behandeling. <W 2006-12-27/33, art. 48, 2°, 016; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  Het in het tweede lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, de ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
  De bevoegde dienst of de bevoegde persoon moet de rechter of het gerecht op de hoogte brengen van het stopzetten van de begeleiding of de behandeling.) <W 2000-11-28/35, art. 46, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2001>
  [4 De onderzoeksrechter of, na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, de procureur des Konings bezorgt de bevoegde dienst of persoon, bedoeld in het tweede lid, de gegevens van het dossier die noodzakelijk zijn voor de behandeling of begeleiding van de betrokkene. Hiervoor kan, mits toelating van de onderzoeksrechter dan wel de procureur des Konings, beroep worden gedaan op de bevoegde diensten van de gemeenschappen, mits hen daartoe de nodige toelating te verlenen.]4
  
Art.35. § 1. Dans les cas où la détention préventive peut être ordonnée ou maintenue dans les conditions prévues à l'article 16, § 1er, le juge d'instruction peut, d'office, sur réquisition du ministère public ou à la demande de l'inculpé, laisser l'intéressé en liberté en lui imposant de respecter une ou plusieurs conditions, pendant le temps qu'il détermine et pour un maximum de trois mois.
  [1 Il peut interdire à l'intéressé d'exercer une activité qui le mettrait en contact avec des mineurs.]1
  [En vue de la détermination des conditions, le juge d'instruction peut faire procéder par [4 le service compétents des communautés]4 de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence de l'intéressé à une enquête sociale ou un rapport d'information succinct. Le Roi précise les modalités relatives au rapport d'information succinct et à l'enquête sociale.] <L 2006-12-27/33, art. 48, 1°, 016; En vigueur : 07-01-2007>
  [Ces rapports et ces enquêtes ne peuvent contenir que les éléments pertinents de nature à éclairer l'autorité qui a adressé la demande au service [4 compétent des communautés]4 sur l'opportunité de la mesure ou la peine envisagée.] <L 2006-12-27/33, art. 48, 1°, 016; En vigueur : 07-01-2007>
  § 2. Toutes les décisions qui imposent une ou plusieurs conditions à l'inculpé ou au prévenu sont motivées, conformément aux dispositions de l'article 16, § 5, premier et deuxième alinéas.
  § 3. Le juge arrête les conditions à imposer. Elles doivent viser [3 l'une des raisons énoncées à l'article 16, § 1er, alinéa 4,]3 et être adaptées à cette raison, compte tenu des circonstances de la cause.
  § 4. Le juge peut également exiger le paiement préalable et intégral d'un cautionnement, dont il fixe le montant.
  Il peut motiver sa décision notamment sur la base de sérieux soupçons que des fonds ou des valeurs tirés de l'infraction ont été placés à l'étranger ou dissimulés.
  Le cautionnement est versé à la Caisse des dépôts et consignations, et le ministère public, au vu du récépissé, fait exécuter l'ordonnance ou l'arrêt de mise en liberté.
  Nonobstant le délai fixé à l'article 35, § 1er, et sans préjudice de l'application de l'article 36, le cautionnement est restitué si l'inculpé s'est présenté à tous les actes de la procédure et pour l'exécution du jugement. Si la condamnation est conditionnelle, il suffit que l'inculpé se soit présenté à tous les actes de la procédure.
  Le cautionnement est attribué à l'Etat dès que l'inculpé, sans motif légitime d'excuse, est resté en défaut de se présenter à un acte quelconque de la procédure ou pour l'exécution du jugement. [2 Néanmoins, en cas de renvoi des poursuites, d'acquittement, d'absolution, de condamnation conditionnelle ou de prescription de l'action publique, le jugement ou l'arrêt en ordonne la restitution, sauf prélèvement des frais extraordinaires auxquels le défaut de se présenter aura pu donner lieu.]2
  Le défaut, par l'inculpé, de s'être présenté à un acte de la procédure est constaté par le jugement ou l'arrêt de condamnation, lequel déclare, en même temps, que le cautionnement est acquis à l'Etat.
  Le défaut, par le condamné, de se présenter pour l'exécution du jugement est constaté, sur les réquisitions du ministère public, par le tribunal qui a prononcé la condamnation. Le jugement déclare, en même temps, que le cautionnement est acquis à l'Etat.
  § 5. Le juge d'instruction et les juridictions d'instruction ou de jugement disposent des mêmes pouvoirs lorsqu'un inculpé ou un prévenu est mis en liberté.
  [§ 6. Si les conditions arrêtées conformément au § 3 imposent le suivi d'une guidance ou d'un traitement, le juge d'instruction ou la juridiction d'instruction ou de jugement, invite l'inculpé à choisir une personne compétente ou un service compétent. Ce choix est soumis à l'accord du juge ou de la juridiction.
  Ladite personne ou ledit service qui accepte la mission, adresse au juge ou à la juridiction [[4 et au service compétent des communautés]4 qui est chargé du soutien et du contrôle], dans le mois qui suit la libération, et chaque fois que cette personne ou ce service l'estime utile, ou sur l'invitation du juge ou de la juridiction, et au moins une fois tous les deux mois, un rapport de suivi sur la guidance ou le traitement. <L 2006-12-27/33, art. 48, 2°, 016; En vigueur : 07-01-2007>
  Le rapport visé à l'alinéa 2 porte sur les points suivants : les présences effectives de l'intéressé aux consultations proposées, les absences injustifiées, la cessation unilatérale de la guidance ou du traitement par la personne concernée, les difficultés survenues dans la mise en oeuvre de ceux-ci et les situations comportant un risque sérieux pour les tiers.
  Le service compétent ou la personne compétente est tenu d'informer le juge ou la juridiction de l'interruption de la guidance ou du traitement.] <L 2000-11-28/35, art. 46, 009; En vigueur : 01-04-2001>
  [4 Le juge d'instruction ou, après la clôture de l'enquête judiciaire, le procureur du Roi procure à la personne ou au service compétents visés à l'alinéa 2, les données du dossier qui sont nécessaires pour le traitement ou la guidance de l'intéressé. Pour cela, moyennant l'accord du juge d'instruction ou du procureur du Roi, il peut être fait appel aux services compétents des communautés, à condition de leur octroyer l'autorisation nécessaire.]4
  
Art.36. § 1. De onderzoeksrechter kan in de loop van het gerechtelijk onderzoek, ambtshalve of op vordering van de procureur des Konings, een of meer nieuwe voorwaarden opleggen, reeds opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk opheffen, wijzigen of verlengen.
  (De beslissing tot verlenging van de voorwaarden wordt genomen vóór het verstrijken van de door de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 35, § 1, bepaalde termijn. Bij gebreke hiervan vervallen de voorwaarden. Deze voorwaarden kunnen worden verlengd voor de termijn die hij bepaalt en maximum voor drie maanden). <W 2005-05-31/32, art. 14, 014 ; Inwerkingtreding : 26-06-2005>
  Hij kan vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of van sommige daarvan.
  De verdachte kan vragen dat de opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden opgeheven of gewijzigd; hij kan ook vragen te worden vrijgesteld van alle voorwaarden of van sommige daarvan.
  Doet de raadkamer binnen vijf dagen geen uitspraak over het verzoek van de verdachte, dan vervallen de bevolen maatregelen.
  § 2. Wanneer de raadkamer, bij het regelen van de rechtspleging, de verdachte naar de correctionele rechtbank (of naar de politierechtbank) verwijst wegens een feit dat de toepassing wettigt van een van de voorwaarden bedoeld in artikel 35, [1 beslist zij bij een afzonderlijke en overeenkomstig artikel 16, §§ 1 en 5, eerste en tweede lid, gemotiveerde beschikking, of de opgelegde voorwaarden al dan niet gehandhaafd worden tot de beslissing ten gronde kracht van gewijsde heeft verkregen of tot een beslissing van vroegere datum tussenkomt die een einde maakt aan de vervolging. Zij kan ambtshalve, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte, de opgelegde voorwaarden wijzigen, opheffen of vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of sommige daarvan]1. Zij kan geen nieuwe voorwaarden opleggen. <W 1994-07-11/33, art. 19, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  § 3. Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek kan het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte, de opgelegde voorwaarden [1 wijzigen, opheffen of vrijstelling verlenen van de naleving van alle voorwaarden of sommige daarvan]1. Het kan geen nieuwe voorwaarden opleggen.
  [1 § 4. De beslissingen en beschikkingen, bedoeld in de paragrafen 1 tot 3, krijgen uitwerking op de datum van de beslissing of beschikking.]1
  
Art.36. § 1. Au cours de l'instruction judiciaire, le juge d'instruction peut, d'office ou sur réquisition du procureur du Roi, imposer une ou plusieurs conditions nouvelles, retirer, modifier ou prolonger, en tout ou en partie, des conditions déjà imposées.
  [La décision de prolongation des conditions est prise avant l'expiration du temps déterminé par le juge d'instruction conformément à l'article 35, § 1er. A défaut, les conditions sont caduques. Ces conditions peuvent être prolongées pour le délai qu'il détermine et pour un maximum de trois mois.] <L 2005-05-31/32, art. 14, 014 ; En vigueur : 26-06-2005>
  Il peut dispenser de l'observation de toutes les conditions ou de certaines d'entre elles.
  L'inculpé peut demander le retrait ou la modification de tout ou partie des conditions imposées; il peut aussi demander d'être dispensé des conditions ou de certaines d'entre elles.
  S'il n'est pas statué par la chambre du conseil sur la demande de l'inculpé dans les cinq jours, les mesures ordonnées sont caduques.
  § 2. Lorsque, en réglant la procédure, la chambre du conseil renvoie l'inculpé devant le tribunal correctionnel [ou devant le tribunal de police] en raison d'un fait qui justifie l'application d'une condition visée à l'article 35, elle [1 décide, par une ordonnance distincte et motivée conformément à l'article 16, §§ 1er et 5, alinéas 1er et 2, de maintenir ou non les conditions imposées jusqu'à ce qu'une décision sur le fond ayant acquis l'autorité de la chose jugée est prise ou qu'une une décision d'une date antérieure mettant fin aux poursuites intervient. Elle peut, d'office, à la demande du procureur du Roi ou à la demande de l'inculpé modifier, retirer ou dispenser de l'observation de tout ou partie des conditions]1. Elle ne peut en imposer de nouvelles. <L 1994-07-11/33, art. 19, 003; En vigueur : 01-01-1995>
  § 3. Après clôture de l'instruction judiciaire, et sur réquisition du procureur du Roi ou à la requête de l'inculpé, la juridiction de jugement saisie de la cause peut [1 modifier, retirer ou dispenser de l'observation de tout ou partie des conditions.]1 Elle ne peut en imposer de nouvelles.
  [1 § 4. Les décisions et ordonnances visées aux paragraphes 1 à 3 prennent effet à la date de la décision ou de l'ordonnance.]1
  
Art.37. De beslissingen genomen ter uitvoering van de artikelen 35 en 36 worden aan de partijen betekend met inachtneming van de vormen bepaald voor de voorlopige hechtenis. Tegen deze beslissingen staan dezelfde rechtsmiddelen open als tegen de beslissingen die inzake voorlopige hechtenis worden genomen.
  [1 De beslissingen genomen met toepassing van artikel 35, § 1, tweede lid, alsook de beslissingen tot intrekking, wijziging of verlenging van deze beslissingen worden overgezonden [2 aan het Centraal Strafregister en]2 aan de politiedienst van de gemeente waar de betrokkene zijn woon- of verblijfplaats heeft. [2 ...]2.]1
  
Art.37. Les décisions prises en application des articles 35 et 36 sont signifiées aux parties dans les formes prévues en matière de détention préventive et sont susceptibles des mêmes recours que les décisions prises en cette matière.
  [1 Les décisions prises en application de l'article 35, § 1er, alinéa 2, de même que les décisions de retrait, de modification ou de prolongation de ces décisions, sont transmises [2 au Casier judiciaire central et]2 au service de police de la commune où l'intéressé a son domicile ou sa résidence. [2 ...]2.]1
  
Art.38. § 1. [1 Voor hulp en voor nazicht betreffende het respecteren van de begeleidingsvoorwaarden kan er een beroep gedaan worden op de bevoegde diensten van de gemeenschappen. Daartoe wordt hen een kopie van de beslissing of beschikking waarbij een begeleidingsvoorwaarde wordt opgelegd, gehandhaafd, gewijzigd of opgeheven, of vrijstelling van de naleving ervan wordt verleend, overgemaakt.
   In het kader van het toezicht op de naleving van de begeleidingsvoorwaarden maakt de bevoegde dienst van de gemeenschappen tijdens het gerechtelijk onderzoek een verslag over aan de onderzoeksrechter ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de door hem opgelegde termijn, en bezorgt de dienst een kopie ervan aan de procureur des Konings.
   Na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek bezorgt de bevoegde dienst van de gemeenschappen een verslag aan de procureur des Konings telkens als deze erom verzoekt, en tenminste om de zes maanden.
   De bevoegde dienst van de gemeenschappen kan een verslag opstellen telkens als zij dit nodig acht.
   Het toezicht op het volgen van een begeleiding of een behandeling gebeurt overeenkomstig artikel 35, § 6.
   Het naleven van de verbodsvoorwaarden wordt door de politiediensten gecontroleerd.]1

  § 2. Bij niet-naleving van de voorwaarden kan de onderzoeksrechter, de rechtbank of het hof van beroep, al naar het geval, een bevel tot aanhouding uitvaardigen onder de voorwaarden bepaald in artikel 28.
  
Art.38. § 1. [1 Les services compétents des communautés peuvent être mandatés pour l'aide et la vérification du respect des conditions de guidance. A cette fin, une copie de la décision ou de l'ordonnance imposant, maintenant, modifiant ou retirant une condition de guidance ou accordant une dispense leur est communiquée.
   Dans le cadre du contrôle du respect des conditions de guidance, le service compétent des communautés adresse pendant l'instruction judiciaire un rapport au juge d'instruction au moins quinze jours avant l'expiration du délai qu'il a imposé et en adresse une copie au procureur du Roi.
   Après la clôture de l'instruction judiciaire, le service compétent des communautés adresse un rapport au procureur du Roi chaque fois que celui-ci le demande, et au moins tous les six mois.
   Le service compétent des communautés peut établir un rapport chaque fois qu'il l'estime utile.
   Le contrôle d'une guidance ou d'un traitement s'effectue conformément à l'article 35, § 6.
   Le respect des conditions d'interdiction est contrôlé par les services de police.]1

  § 2. Lorsque les conditions ne sont pas observées, le juge d'instruction, le tribunal ou la cour d'appel, selon le cas, peut décerner un mandat d'arrêt, dans les conditions prévues à l'article 28.
  
Art. 38bis. <INGEVOEGD bij W 2006-12-27/33, art. 50; Inwerkingtreding : 07-01-2007> Op federaal en lokaal niveau, worden overlegstructuren inzake de toepassing van deze wet opgericht. Deze overlegstructuren hebben tot taak de instanties die betrokken zijn bij de uitvoering deze wet, op regelmatige basis samen te brengen teneinde hun samenwerking te evalueren. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de samenstelling en de werking van deze overlegstructuren.
Art. 38bis. Aux niveaux fédéral et local, des structures de concertation relatives à l'application de cette loi sont créées. Ces structures de concertation ont pour mission de réunir sur une base régulière les instances concernées par l'exécution de la présente loi afin d'évaluer leur collaboration. Le Roi arrête les modalités de composition et de fonctionnement de ces structures de concertation.
HOOFDSTUK XI. [1 Het informeren van de slachtoffers]1
CHAPITRE XI. [1 De l'information des victimes]1
Art.38ter. [1 De benadeelde persoon of de burgerlijke partij kunnen in kennis worden gesteld van het verloop van de voorlopige hechtenis van de verdachte van een misdaad of een wanbedrijf waarbij de fysieke en/of psychische integriteit van henzelf of van een derde die ze vertegenwoordigen, werd bedreigd of aangetast.
   De aldus meegedeelde informatie heeft betrekking op de volgende aspecten:
   1° het afleveren of het opheffen van een bevel tot aanhouding;
   2° het uitvoeren van de voorlopige hechtenis onder elektronisch toezicht;
   3° de beslissing tot invrijheidstelling;
   4° de voorwaarden die in het belang van de benadeelde persoon of de burgerlijke partij worden opgelegd evenals het opleggen van nieuwe voorwaarden, het gedeeltelijk of geheel opheffen of het wijzigen ervan overeenkomstig artikel 36 in het geval van een beslissing tot invrijheidstelling onder voorwaarden of tegen borgstelling en een beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling.
   Tenzij er een aanwijsbaar risico bestaat dat de verdachte als gevolg van de kennisgeving schade zou kunnen worden berokkend, informeert de griffier de benadeelde persoon of de burgerlijke partij volgens de door de Koning bepaalde regels zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vierentwintig uur via het meest geschikte communicatiemiddel.
   De kennisgeving is, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, gericht aan de benadeelde persoon of de burgerlijke partij.
   De benadeelde persoon of de burgerlijke partij kunnen ook verzoeken dat een afschrift van de informatie aan hun raadsheer of aan de bevoegde diensten van de gemeenschappen wordt bezorgd. In dat laatste geval bepaalt de Koning hoe de griffier die informatie indien nodig aan de gemeenschapsdiensten en aan de politiediensten moet bezorgen.]1

  
Art.38ter. [1 La personne lésée ou partie civile constituée peut être informée du déroulement de la détention préventive du suspect d'un crime ou d'un délit menaçant ou portant atteinte à son intégrité physique et/ou psychique ou à celle d'un tiers qu'elle représente.
   L'information communiquée porte sur les éléments suivants:
   1° la délivrance ou la mainlevée d'un mandat d'arrêt;
   2° l'exécution de la détention préventive sous surveillance électronique;
   3° la décision de mise en liberté;
   4° les conditions imposées dans l'intérêt de la personne lésée ou partie civile constituée ainsi que l'imposition de nouvelles conditions, leur suppression partielle ou totale ou leur modification conformément à l'article 36 en cas de décision de libération sous condition ou sous caution et de décision de mise en liberté sous conditions.
   Sauf si cette notification entraîne un risque identifié de préjudice pour le suspect, le greffier informe la personne lésée ou la partie civile constituée, selon les règles fixées par le Roi, le plus rapidement possible et, au plus tard, dans les vingt-quatre heures par le moyen de communication le plus approprié.
   La notification, selon des modalités à définir par le Roi, est réalisée auprès de la personne lésée ou de la partie civile constituée.
   La personne lésée ou la partie civile constituée peut également solliciter que l'information soit communiquée en copie à son conseil ou aux services compétents des communautés. Dans cette dernière hypothèse, le Roi fixe la manière dont le greffier communique les informations aux services communautaires et aux services de police si nécessaire.]1

  
TITEL I/1. [1 Het gebruik van videoconferentie voor de zittingen voor de onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie]1
TITRE Ier/1. [1 De l'utilisation de la vidéoconférence pour les audiences devant les juridictions d'instruction, les tribunaux et la Cour de cassation]1
Art.38quater. [1 De artikelen 556 tot 562 en 565 tot 567 van het Wetboek van strafvordering zijn van toepassing voor zover daarvan niet wordt afgeweken door deze titel.]1
  
Art.38quater. [1 Les articles 556 à 562 et 565 à 567 du Code d'instruction criminelle s'appliquent dans la mesure où il n'y est pas dérogé par le présent titre.]1
  
Art.38quinquies. [1 § 1. De onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie kunnen ambtshalve de inverdenkinggestelde en het openbaar ministerie uitnodigen om op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen per videoconferentie, mits hun akkoord, elk voor wat hun verschijning of deelname betreft, wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
   1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;
   2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.
   Voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de duur van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, de mogelijkheid tot interactie, de fase van de procedure, de beroepsmogelijkheden, de technische capaciteit van de gevangenissen, de verblijfssituatie waarin de inverdenkinggestelde zich bevindt, de fysieke of psychische toestand en de kwetsbare toestand van de inverdenkinggestelde.
   De oproeping voor de zitting bevat de uitnodiging om per videoconferentie te verschijnen.
   Ten aanzien van de inverdenkinggestelde, aan wie een uitnodiging om per videoconferentie te verschijnen is betekend en die niet verschijnt hetzij per videoconferentie, hetzij op de plaats waar het gerecht zetelt en op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, is de regel bedoeld in artikel 23, 2°, van toepassing.
   § 2. De inverdenkinggestelde en het openbaar ministerie kunnen het gerecht verzoeken om toelating om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen. Dit verzoek wordt ten laatste op de vijfde dag voor de zitting langs elektronische weg meegedeeld bij de griffie van het gerecht waarvoor de inverdenkinggestelde of het openbaar ministerie moet verschijnen of worden gehoord en aan de partijen.
   Het onderzoeksgerecht, de rechtbank of het Hof van Cassatie kan dit verzoek inwilligen indien het van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
   1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bedoeld in paragraaf 1, tweede lid;
   2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.
   De griffie van het gerecht stelt de inverdenkinggestelde en het openbaar ministerie in kennis van deze beslissing ten laatste op de derde dag vóór de zitting.
   Ten aanzien van de inverdenkinggestelde die heeft verzocht per videoconferentie te mogen verschijnen, aan wie een toelating ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, hetzij per videoconferentie, hetzij op de plaats waar het gerecht zetelt en op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, is de regel bedoeld in artikel 23, 2°, van toepassing.
   § 3. De onderzoeksgerechten, de rechtbanken en het Hof van Cassatie kunnen, bij een met redenen omklede beslissing, de inverdenkinggestelde of het openbaar ministerie verbieden in fysieke persoon te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
   1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak, die worden beoordeeld zoals bedoeld in paragraaf 1, tweede lid;
   2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering zijn vervuld;
   3° ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat:
   a) een epidemische noodsituatie is afgekondigd overeenkomstig artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt; of
   b) er objectiveerbare aanwijzingen zijn van een ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid die verhinderen dat de betrokkene aanwezig kan zijn op de zitting of dat, ingeval de betrokkene gedetineerd is, zijn transport naar de zittingszaal in veiligheid kan worden gegarandeerd.
   De oproeping bevat het verbod om fysiek te verschijnen. De griffie van het gerecht deelt deze beslissing eveneens onverwijld mee aan het openbaar ministerie.
   Tegen deze beslissing staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open.
   Ten aanzien van een inverdenkinggestelde die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen of deel te nemen en die niet per videoconferentie op de zitting verschijnt, is de regel bedoeld in artikel 23, 2°, van toepassing.
   § 4. De verschijning van de inverdenkinggestelde per videoconferentie of de deelname van het openbaar ministerie per videoconferentie vindt, indien deze daarop werd uitgenodigd krachtens paragraaf 1, plaats mits hun respectievelijke akkoord. De inverdenkinggestelde, die van zijn vrijheid is benomen, deelt zijn akkoord mee ten laatste op de derde dag voor de zitting. Behalve in het geval van de inverdenkinggestelde die van zijn vrijheid is benomen, geldt de connectie met het videoconferentiesysteem op de dag en het tijdstip die in de oproeping zijn vermeld eveneens als akkoord.
   De inverdenkinggestelde of het openbaar ministerie die krachtens paragraaf 2 werd toegelaten om per videoconferentie te verschijnen of deel te nemen, wordt verondersteld te hebben toegestemd om te verschijnen of deel te nemen per videoconferentie.
   Behalve de inverdenkinggestelde die van zijn vrijheid is benomen, heeft de partij die zijn toestemming om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen heeft meegedeeld of die daartoe werd toegelaten, altijd het recht om vóór het begin van de zitting te beslissen om in de zittingszaal waar het gerecht zetelt op de zitting te verschijnen of eraan deel te nemen.
   Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.
   § 5. Indien het gerecht in de loop van de zitting, ambtshalve of op aangeven van één van de personen die aan de zitting deelnemen, vaststelt dat niet langer is voldaan aan de in artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering bedoelde waarborgen of, in voorkomend geval, de in artikel 38sexies bedoelde voorwaarden, beveelt het:
   1° de schorsing van de zitting totdat weer is voldaan aan deze voorwaarden;
   2° in voorkomend geval, de voortzetting van het geding op een andere datum, hetzij per videoconferentie, hetzij in fysieke aanwezigheid van de personen die per videoconferentie verschenen in de zittingszaal, indien het vaststelt dat de voornoemde waarborgen en voorwaarden niet opnieuw vervuld kunnen zijn binnen de kortst mogelijke termijn na kennis te hebben genomen van het standpunt van de personen die aan de zitting deelnemen. De rechter geeft de redenen voor deze beslissing aan in het proces-verbaal van de zitting.
   Indien het gerecht tijdens de zitting per videoconferentie, ambtshalve of op aangeven van één van de partijen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat het gebruik van de videoconferentie niet of niet meer verenigbaar is met de bijzondere omstandigheden van de zaak of, in voorkomend geval, de epidemische noodsituatie of het ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid heeft opgehouden te bestaan, beveelt het, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen, de voortzetting van de zitting in aanwezigheid van de personen die verschenen per videoconferentie binnen de kortst mogelijke termijn. De rechter laat de redenen voor deze beslissing opnemen in het proces-verbaal van de zitting.
   Indien de zitting omwille van overmacht niet kan worden hervat tijdens de termijn voorzien in de artikelen 22 en 30, kan het gerecht deze termijn met vijf dagen verlengen. Deze beslissing tot verlenging dient op straffe van nietigheid te worden genomen binnen de geldigheidstermijn van de titel van vrijheidsbeneming. De zitting moet plaatsvinden binnen deze termijn. De omstandigheden die deze handelswijze rechtvaardigen, dienen uitdrukkelijk vermeld te worden in de beslissing die de vrijheidsbeneming verlengt. Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
   § 6. Elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in deze titel gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een inverdenkinggestelde betreft die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, het elektronisch adres van de griffie van de gevangenis of, in voorkomend geval, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die inverdenkinggestelde indien het niet een gedetineerde betreft, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat de inverdenkinggestelde heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokkene enkel fysiek in de zittingszaal verschijnen op de zitting waarop hij regelmatig door het gerecht werd opgeroepen om te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.
   § 7. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op de verschijning bedoeld in artikel 21.]1

  
Art.38quinquies. [1 § 1er. Les juridictions d'instruction, les tribunaux et la Cour de cassation peuvent d'initiative inviter l'inculpé et le ministère public à comparaitre ou participer à l'audience par vidéoconférence, moyennant leur accord, chacun pour ce qui concerne sa comparution ou participation, s'ils estiment que les conditions suivantes sont réunies:
   1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire;
   2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle sont réunies.
   Pour l'évaluation des circonstances particulières de l'affaire visée à l'alinéa 1er, il est notamment tenu compte de la durée de la procédure, de la nature du litige, de la complexité de l'affaire, de l'assistance d'un avocat, de la possibilité d'interaction, de la phase de la procédure, des possibilités de recours, de la capacité technique des prisons, de la situation de résidence dans laquelle se trouve l'inculpé, de la situation physique ou psychique et de la situation de vulnérabilité de l'inculpé.
   La convocation à l'audience contient l'invitation de comparaitre par vidéoconférence.
   A l'égard de l'inculpé à qui une invitation à comparaitre par vidéoconférence a été notifiée et qui ne comparait ni par vidéoconférence, ni au lieu où siège la juridiction et à l'heure indiquée dans la convocation, la règle visée à l'article 23, 2°, s'applique.
   § 2. L'inculpé et le ministère public peuvent demander à la juridiction l'autorisation de comparaître ou de participer à l'audience par vidéoconférence. Cette demande est communiquée au plus tard le cinquième jour avant l'audience par voie électronique au greffe de la juridiction devant laquelle l'inculpé ou le ministère public doit comparaître ou être entendu ainsi qu'aux parties.
   La juridiction d'instruction, le tribunal ou la Cour de cassation peut faire droit à cette demande s'il estime que les conditions suivantes sont réunies:
   1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, évaluées comme visé au paragraphe 1er, alinéa 2;
   2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle sont réunies.
   Le greffe de la juridiction notifie cette décision à l'inculpé ainsi qu'au ministère public, au plus tard le troisième jour avant l'audience.
   A l'égard de l'inculpé qui a demandé de comparaitre par vidéoconférence, à qui une autorisation a été notifiée et qui ne comparait ni par vidéoconférence ni au lieu où siège la juridiction et à l'heure indiquée dans la convocation, la règle visée à l'article 23, 2°, s'applique.
   § 3. Les juridictions d'instruction, les tribunaux et la Cour de cassation peuvent, par décision motivée, interdire l'inculpé ou le ministère public de comparaitre ou de participer à l'audience physiquement, s'ils estiment que les conditions suivantes sont réunies:
   1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, qui sont évaluées comme visé au paragraphe 1er, alinéa 2;
   2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle sont réunies;
   3° lorsque la vidéoconférence est l'unique possibilité de participer à l'audience car:
   a) une situation d'urgence épidémique est déclarée conformément à l'article 3, § 1er, de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique et des mesures de police administrative empêchant la comparution physique à l'audience ou ayant pour conséquence d'empêcher une telle comparution physique sont adoptées; ou
   b) il existe des indices objectivables d'un risque grave et concret pour la sécurité publique qui empêche que la personne concernée soit présente à l'audience ou que le transport vers la salle d'audience en sécurité soit garanti lorsque la personne concernée est détenue.
   La convocation contient l'interdiction de comparaitre physiquement. Le greffe de la juridiction communique également cette décision sans délai au ministère public.
   Cette décision n'est pas susceptible de recours distinct.
   A l'égard de l'inculpé à qui une interdiction de comparaitre physiquement a été notifié et qui ne comparait pas à l'audience par vidéoconférence, la règle visée à l'article 23, 2°, s'applique.
   § 4. La comparution par vidéoconférence de l'inculpé ou la participation par vidéoconférence du ministère public, lorsqu'il y est invité en vertu du paragraphe 1er, a lieu moyennant leurs accords respectifs. L'inculpé qui est privé de sa liberté communique son accord au plus tard le troisième jour avant l'audience. Sauf en ce qui concerne l'inculpé qui est privé de sa liberté, la connexion au système de vidéoconférence aux jour et heure indiqués dans la convocation vaut également accord.
   L'inculpé ou le ministère public ayant été autorisé à comparaitre ou participer par vidéoconférence en vertu du paragraphe 2 est présumé avoir marqué son accord à comparaitre ou participer par vidéoconférence.
   Sauf en ce qui concerne l'inculpé qui est privé de sa liberté, la partie ayant communiqué son accord à comparaitre ou participer à l'audience par vidéoconférence ou y ayant été autorisée, a toujours le droit de décider, avant le début de l'audience, de comparaitre ou participer à l'audience dans le lieu où la juridiction siège.
   Au début de chaque audience, la juridiction vérifie que l'accord est libre et éclairé. Le procès-verbal de l'audience en fait mention.
   § 5. Si la juridiction constate, au cours de l'audience, d'office ou sur indication d'une des personnes participant à l'audience, que les garanties visées à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle, ou le cas échéant, les conditions visées à l'article 38sexies, ne sont plus réunies, celle-ci ordonne:
   1° la suspension de l'audience jusqu'à ce que ces conditions soient à nouveaux réunies;
   2° le cas échéant, la poursuite du procès à une autre date, soit par vidéoconférence, soit dans la salle d'audience en présence physique de toutes les personnes qui comparaissent par vidéoconférence, si elle constate que les garanties et conditions précitées ne peuvent être à nouveau réunies dans les plus brefs délais après avoir pris connaissance de la position des personnes participant à l'audience. Le juge indique les motifs de cette décision dans le procès-verbal d'audience.
   Si la juridiction constate, au cours de l'audience par vidéoconférence, d'office ou sur indication d'une des personnes participant à l'audience, que le recours à la vidéoconférence n'est pas ou plus compatible avec les circonstances particulières de l'affaire ou, le cas échéant, que la situation d'urgence épidémique ou le risque grave et concret pour la sécurité publique a cessé d'exister, celle-ci ordonne, après avoir pris connaissance de la position des parties, la reprise de l'audience en présence des personnes qui comparaissent par vidéoconférence dans les plus brefs délais. Le juge fait acter les raisons de cette décision dans le procès-verbal de l'audience.
   Lorsque la reprise de l'audience ne peut pas avoir lieu dans le délai prévu dans les articles 22 et 30 pour cause de force majeure, la juridiction peut prolonger ce délai de cinq jours. Cette décision de prolongation doit être prise à peine de nullité dans le délai de validité du titre de privation de liberté. L'audience doit avoir lieu dans ce délai. Les circonstances qui justifient cette manière d'agir doivent être mentionnées expressément dans le titre de privation de liberté qui prolonge la privation de liberté. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
   § 6. Toute notification par le greffe prévue dans le présent titre a lieu par voie électronique à l'adresse électronique professionnelle de l'avocat ou, s'il s'agit de l'inculpé non représenté par un avocat, à l'adresse judiciaire électronique du greffe de la prison ou, le cas échéant, à l'adresse judiciaire électronique de l'inculpé si la personne n'est pas détenue ou, à défaut, à la dernière adresse électronique que l'inculpé a fournie dans le cadre de la procédure. Si aucune adresse électronique n'est connue du greffier, ou si la notification à l'adresse électronique a manifestement échoué, la personne concernée ne peut comparaitre que physiquement dans la salle d'audience à l'audience à laquelle elle a été régulièrement convoquée par la juridiction. Lorsque l'interdiction de comparaitre physiquement n'a pas pu être notifiée, la juridiction peut remettre l'audience à une date ultérieure.
   § 7. Les paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas à la comparution prévue à l'article 21.]1

  
Art.38sexies. [1 Behalve wanneer de procedure ter openbare terechtzitting moet plaatsvinden, is de verschijning per videoconferentie van de inverdenkinggestelde slechts mogelijk indien de videoconferentie de waarborgen vervult bedoeld in artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering en:
   1° ingeval de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid benomen is, een gemachtigde van de directeur van de gevangenis of, in voorkomend geval, zijn advocaat als hij aanwezig is, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf, de inverdenkinggestelde en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar ze zich bevinden, noch op andere wijze kan worden gevolgd wat er wordt gezegd; of
   2° de inverdenkinggestelde zelf of, in voorkomend geval, zijn advocaat aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd; of
   3° ingeval het gerecht van oordeel is dat de aanwezigheid van de advocaat of, bij gebreke ervan, een gerechtsdeurwaarder bij de inverdenkinggestelde vereist is, de advocaat of, bij gebreke ervan, de gerechtsdeurwaarder aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan hijzelf en de betrokken persoon en, in voorkomend geval, de met name in genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd.]1

  
Art.38sexies. [1 Sauf lorsque la procédure doit se dérouler en audience publique, la comparution par vidéoconférence de l'inculpé n'est possible que si la vidéoconférence réunit les garanties visées à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle et que:
   1° lorsque l'inculpé est privé de sa liberté, un délégué du directeur de la prison ou, le cas échéant, son avocat lorsque celui-ci est présent, confirme à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes, l'inculpé et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où ils se trouvent et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
   2° que l'inculpé-même ou, le cas échéant, son avocat confirme à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
   3° lorsque la juridiction estime que la présence de l'avocat ou, à défaut, d'un huissier de justice est requise auprès de l'inculpé, l'avocat ou, à défaut, l'huissier de justice confirme à la juridiction que personne d'autre que lui-même, la personne concernée et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution, et ne peut suivre autrement ce qui y est dit.]1

  
Art.38septies. [1 Artikel 38quinquies is niet van toepassing ten aanzien van de inverdenkinggestelde die van zijn vrijheid is benomen in de gevallen waarin de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling in het administratieve gedeelte van de gevangenis zetelt overeenkomstig de artikelen 76, § 5, en 101, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek. Zijn advocaat kan evenwel deelnemen aan de zitting per videoconferentie.]1
  
Art.38septies. [1 L'article 38quinquies ne s'applique pas à l'inculpé qui est privé de sa liberté dans les cas où la chambre du conseil ou la chambre des mises en accusation siège dans la partie administrative de la prison conformément aux articles 76, § 5, et 101, § 3, du Code judiciaire. Son avocat peut toutefois participer à l'audience par vidéoconférence.]1
  
Art.38octies. [1 In de gevallen waarin de raadkamer in de gevangenis zetelt overeenkomstig artikel 76, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de onderzoeksrechter aan de zitting deelnemen per videoconferentie, mits toestemming van de raadkamer en mits toestemming van zijn korpsoverste als aan de volgende voorwaarden voldaan is:
   1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;
   2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.
   Voor de in het eerste lid bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de duur van de procedure, de mogelijkheid tot interactie, de fase van de procedure, de beroepsmogelijkheden, de technische capaciteit van de gevangenissen en de kwetsbare toestand van de inverdenkinggestelde.]1

  
Art.38octies. [1 Dans les cas où la chambre du conseil siège en prison conformément à l'article 76, § 5, du Code judiciaire, le juge d'instruction peut participer à l'audience par vidéoconférence, moyennant l'autorisation de la chambre du conseil et moyennant l'autorisation de son chef de corps si les conditions suivantes sont réunies:
   1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire;
   2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle sont réunies.
   Pour l'évaluation des circonstances particulières de l'affaire visée à l'alinéa 1er, il est notamment tenu compte de la durée de la procédure, de la possibilité d'interaction, de la phase de la procédure, des possibilités de recours, de la capacité technique des prisons et de la situation de vulnérabilité dans laquelle se trouve l'inculpé.]1

  
TITEL II. - Slot-, wijzigings- en opheffingsbepalingen.
TITRE II. - Dispositions finales, modificatives et abrogatoires.
Art.39. <Wijzigingsbepaling van art. 128 van SV 1808-11-17/30>
Art.39.
Art.40. <Wijzigingsbepaling van art. 129, Lid 1, van SV 1808-11-17/30>
Art.40.
Art.41. <Wijzigingsbepaling van art. 133, Lid 1, van SV 1808-11-17/30>
Art.41.
Art.42. <Wijzigingsbepaling van art. 135 van SV 1808-11-17/30>
Art.42.
Art.43. Artikel 24 van de wet van 20 april 1874 betreffende de voorlopige hechtenis, gewijzigd bij de besluitwet van 1 februari 1947 en bij de wetten van 27 maart 1969 en 18 juni 1985, vormt artikel 89bis van het Wetboek van Strafvordering.
Art.43. L'article 24 de la loi du 20 avril 1874 relative à la détention préventive modifié par l'arrêté-loi du 1er février 1947 et par les lois du 27 mars 1969 et du 18 juin 1985, forme l'article 89bis du Code d'instruction criminelle.
Art.44. Artikel 25 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1989, vormt artikel 90bis van het Wetboek van strafvordering met als opschrift " § 5. - Onderzoek aan het lichaam ", ingevoegd in hoofdstuk VI van boek I van hetzelfde Wetboek.
Art.44. L'article 25 de la même loi, modifié par la loi du 4 juillet 1989, forme l'article 90bis du Code d'instruction criminelle, sous l'intitulé " § 5. - De l'exploration corporelle ", inséré dans le chapitre VI du livre Ier du même Code.
Art.45. Artikel 26 van dezelfde wet vormt artikel 136bis van hetzelfde Wetboek.
Art.45. L'article 26 de la même loi forme l'article 136bis du même Code.
Art.46. In artikel 1 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, gewijzigd bij de wet van 1 juli 1964, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid, worden de woorden " in afwijking van het bepaalde in artikel 5 van de wet van 20 april 1874, " geschrapt;
  2° in het vijfde lid, worden de woorden " in de vorm bepaald in artikel 4 van de wet van 20 april 1874 " vervangen door de woorden " in de vorm bepaald in artikel 21 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis ".
Art.46. A l'article 1er de la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude, modifié par la loi du 1er juillet 1964, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 2, les mots " par dérogation aux dispositions de l'article 5 de la loi du 20 avril 1874 " sont supprimés;
  2° à l'alinéa 5, les mots " dans les formes prévues à l'article 4 de la loi du 20 avril 1874 " sont remplacés par les mots " dans les formes prévues à l'article 21 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive ".
Art.47. Deze wet brengt geen wijziging aan in de wetten betreffende de bestraffing van bedrog inzake douane en accijnzen.
Art.47. La présente loi ne modifie pas les lois relatives à la répression de la fraude en matière de douanes et accises.
Art.48. 1° a)
  b)
  c)
  d)
  e)
  2°
  Het opschrift van de wet van 20 april 1874 betreffende de voorlopige hechtenis wordt vervangen als volgt : " Wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis ".
Art.48. 1° a)
  b)
  c)
  d)
  e)
  2°
  L'intitulé de la loi du 20 avril 1874 relative à la détention préventive est remplacé par l'intitulé suivant : " Loi du 13 mars 1973 relative à l'indemnité en cas de détention préventive inopérante ".
Art. 49. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de vierde maand die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art. 49. La présente loi entre en vigueur le premier jour du quatrième mois qui suit sa publication au Moniteur belge.