Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
13 JUNI 1990. - Bosdecreet. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-03-1997 en tekstbijwerking tot 29-07-2022)
Titre
13 JUIN 1990. - Décret forestier. (Traduction) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-03-1997 et mise à jour au 29-07-2022)
Documentinformatie
Numac: 1990029924
Datum: 1990-06-13
Info du document
Numac: 1990029924
Date: 1990-06-13
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - De bosfuncties.
Afdeling I. - De economische functie.
Afdeling II. - De sociale en educatieve functie.
Afdeling III. - De (milieubeschermende functie).
Afdeling IV. - De ecologische functie.
Afdeling V. -
HOOFDSTUK III. - Het Bosbeheer.
HOOFDSTUK IV.
HOOFDSTUK V. - Het beheer van de bossen.
Afdeling I. - Het beheer van de bossen in het a...
Afdeling II. - Het beheersplan.
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepalingen betreffen...
Afdeling I. - Algemeen.
Afdeling II. - Verkopingen.
Afdeling III. - Exploitatie.
Afdeling IV. - Schouwing en controle.
HOOFDSTUK VII. - Bijzondere bepalingen betreffe...
HOOFDSTUK VIII. - De Bosbescherming.
HOOFDSTUK IX. - [1 Handhaving]1
HOOFDSTUK X. - (Slotbepalingen).
Inhoud
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - Les fonctions forestières.
Section I. - La fonction économique.
Section II. - La fonction sociale et éducative.
Section III. - La (fonction protectrice de l'en...
Section IV. - La fonction écologique.
Section V. -
CHAPITRE III. - L'administration forestière.
CHAPITRE IV.
CHAPITRE V. - La gestion des bois.
Section I. - La gestion des bois en général.
Section II. - Le plan de gestion.
CHAPITRE VI. - Dispositions particulières relat...
Section I. - Généralités.
Section II. - Ventes.
Section III. - Exploitation.
Section IV. - Récolement et contrôle.
CHAPITRE VII. - Dispositions particulières rela...
CHAPITRE VIII. - La protection des bois.
CHAPITRE IX. - [1 Maintien]1
CHAPITRE IX. - (Dispositions finales).
Tekst (155)
Texte (155)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit decreet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 107quater van de Grondwet.
Article 1. Le présent décret règle une matière visée à l'article 107quater de la Constitution.
Art.2. Le présent décret tend à régler la conservation, la protection, (la gestion, la remise en état des bois et de leur milieu naturel et) la plantation (...) des bois. Il s'applique tant aux bois publics qu'aux bois privés.
Art.3. § 1. Onder de voorschriften van dit decreet vallen :
de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen.
§ 2. Onder de voorschriften van dit decreet vallen eveneens :
1. de kaalvlakten, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren;
2. niet-beboste oppervlakten die nodig zijn voor het behoud van het bos, zoals de boswegen, de brandwegen, de aanpalende of binnen het bos gelegen stapelplaatsen, dienstterreinen en ambtswoningen;
3. bestendig bosvrije oppervlakten of stroken en recreatieve uitrustingen binnen het bos;
4. de aanplantingen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de houtvoortbrengst, onder meer die van populier en wilg (, uitgezonderd de korte-omloop-houtteelt waarvan de aanplant plaatsgevonden heeft op gronden die op dat ogenblik gelegen zijn buiten de ruimtelijk kwetsbare gebieden [1 zoals bepaald in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]1);
5. de grienden.
§ 3. Onder de voorschriften van dit decreet vallen niet :
1. de fruitboomgaarden en fruitaanplantingen;
2. de tuinen, plantsoenen en parken;
3. de lijnbeplantingen en houtkanten, onder meer langs wegen, rivieren en kanalen;
4. de boom- en sierstruikkwekerijen en arboreta die buiten het bos zijn gelegen;
5. de sierbeplantingen;
6. (de aanplantingen met naaldbomen die uitsluitend bestemd zijn voor de verkoop als kerstboom. Een aanplanting wordt geacht niet langer aan deze voorwaarde te voldoen wanneer de gemiddelde hoogte van het bestand 4 meter heeft bereikt;)
7. alle tijdelijke aanplantingen met houtachtige gewassen in uitvoering van de verordeningen van de Europese Gemeenschap voor wat betreft het uit produktie nemen van bouwland;
(8. de wissenteelt waarvan de bovengrondse massa periodiek tot maximaal drie jaar na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst.)
[1 9. [2 systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op dezelfde grond, toegepast op een perceel landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwer, exploitatie en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en het landbouwbeleid en waarvan de aanmelding via de verzamelaanvraag en het aanplanten van de bomen gebeurde na het inwerking treden van het decreet van 20 april 2012 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur.]2 ]1
de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen.
§ 2. Onder de voorschriften van dit decreet vallen eveneens :
1. de kaalvlakten, voorheen met bos bezet, die tot het bos blijven behoren;
2. niet-beboste oppervlakten die nodig zijn voor het behoud van het bos, zoals de boswegen, de brandwegen, de aanpalende of binnen het bos gelegen stapelplaatsen, dienstterreinen en ambtswoningen;
3. bestendig bosvrije oppervlakten of stroken en recreatieve uitrustingen binnen het bos;
4. de aanplantingen die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de houtvoortbrengst, onder meer die van populier en wilg (, uitgezonderd de korte-omloop-houtteelt waarvan de aanplant plaatsgevonden heeft op gronden die op dat ogenblik gelegen zijn buiten de ruimtelijk kwetsbare gebieden [1 zoals bepaald in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]1);
5. de grienden.
§ 3. Onder de voorschriften van dit decreet vallen niet :
1. de fruitboomgaarden en fruitaanplantingen;
2. de tuinen, plantsoenen en parken;
3. de lijnbeplantingen en houtkanten, onder meer langs wegen, rivieren en kanalen;
4. de boom- en sierstruikkwekerijen en arboreta die buiten het bos zijn gelegen;
5. de sierbeplantingen;
6. (de aanplantingen met naaldbomen die uitsluitend bestemd zijn voor de verkoop als kerstboom. Een aanplanting wordt geacht niet langer aan deze voorwaarde te voldoen wanneer de gemiddelde hoogte van het bestand 4 meter heeft bereikt;)
7. alle tijdelijke aanplantingen met houtachtige gewassen in uitvoering van de verordeningen van de Europese Gemeenschap voor wat betreft het uit produktie nemen van bouwland;
(8. de wissenteelt waarvan de bovengrondse massa periodiek tot maximaal drie jaar na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst.)
[1 9. [2 systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op dezelfde grond, toegepast op een perceel landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwer, exploitatie en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en het landbouwbeleid en waarvan de aanmelding via de verzamelaanvraag en het aanplanten van de bomen gebeurde na het inwerking treden van het decreet van 20 april 2012 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur.]2 ]1
Art.3. § 1. Sont régis par les dispositions du présent décret :
les bois, étant des surfaces couvertes essentiellement d'arbres et d'arbrisseaux, possédant une faune et une flore typiques et pouvant remplir une ou plusieurs fonctions.
§ 2. Sont également régies par les dispositions du présent décret :
1. les coupes à blanc, antérieurement boisées, qui continuent à faire partie du bois;
2. les surfaces déboisées nécessaires à la conservation du bois, telles que les chemins forestiers, les coupe-feu, les dépôts situés à l'orée ou à l'intérieur du bois, les terrains de service et les logements forestiers;
3. les surfaces ou bandes dégarnies d'arbres en permanence et les équipements récréatifs situés dans le périmètre du bois;
4. les plantations destinées principalement à la production de bois, notamment les peupleraies et les saulaies (, à l'exception de la sylviculture à courte rotation dont la plantation a eu lieu sur des terrains qui à ce moment étaient situés en-dehors des zones spatiales vulnérables [1 telles que déterminées à l'article 1.1.2, 10°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire]1);
5. les oseraies.
§ 3. Le présent décret n'est pas applicable :
1. aux vergers et aux plantations d'arbres fruitiers;
2. aux jardins, jardins publics et parcs;
3. aux plantations d'alignement et aux rideaux d'arbres, notamment en bordure des chemins, rivières et canaux;
4. aux pépinières d'arbres et d'arbustes d'ornement et aux arboretums situés à l'extérieur des bois;
5. aux plantations d'ornement;
6. (les plantations de conifères qui sont exclusivement destinés à la Vente comme arbre de Noël. Une plantation est supposée ne plus répondre à cette condition lorsque la hauteur moyenne de la population a atteint une hauteur de 4 mètres;)
7. à toute plantation temporaire de végétations ligneuses effectuée en exécution des règlements de la Communauté européenne relatifs à la mise hors production des surfaces cultivables.
(8. culture d'osiers dont la masse au-dessus du sol est périodiquement récoltée jusqu'à au maximum trois ans après la plantation ou après la récolte précédente.)
[1 9. [2 les systèmes d'utilisation des terres combinant la culture d'arbres à l'agriculture sur la même terre, appliqués à une parcelle de terre agricole telle que visée à l'article 2, 12° du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique agricole et dont l'inscription est effectuée via la demande collectrice et la plantation des arbres après l'entrée en vigueur du décret du 20 avril 2012 portant diverses dispositions en matière d'environnement et de nature.]2]1
les bois, étant des surfaces couvertes essentiellement d'arbres et d'arbrisseaux, possédant une faune et une flore typiques et pouvant remplir une ou plusieurs fonctions.
§ 2. Sont également régies par les dispositions du présent décret :
1. les coupes à blanc, antérieurement boisées, qui continuent à faire partie du bois;
2. les surfaces déboisées nécessaires à la conservation du bois, telles que les chemins forestiers, les coupe-feu, les dépôts situés à l'orée ou à l'intérieur du bois, les terrains de service et les logements forestiers;
3. les surfaces ou bandes dégarnies d'arbres en permanence et les équipements récréatifs situés dans le périmètre du bois;
4. les plantations destinées principalement à la production de bois, notamment les peupleraies et les saulaies (, à l'exception de la sylviculture à courte rotation dont la plantation a eu lieu sur des terrains qui à ce moment étaient situés en-dehors des zones spatiales vulnérables [1 telles que déterminées à l'article 1.1.2, 10°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire]1);
5. les oseraies.
§ 3. Le présent décret n'est pas applicable :
1. aux vergers et aux plantations d'arbres fruitiers;
2. aux jardins, jardins publics et parcs;
3. aux plantations d'alignement et aux rideaux d'arbres, notamment en bordure des chemins, rivières et canaux;
4. aux pépinières d'arbres et d'arbustes d'ornement et aux arboretums situés à l'extérieur des bois;
5. aux plantations d'ornement;
6. (les plantations de conifères qui sont exclusivement destinés à la Vente comme arbre de Noël. Une plantation est supposée ne plus répondre à cette condition lorsque la hauteur moyenne de la population a atteint une hauteur de 4 mètres;)
7. à toute plantation temporaire de végétations ligneuses effectuée en exécution des règlements de la Communauté européenne relatifs à la mise hors production des surfaces cultivables.
(8. culture d'osiers dont la masse au-dessus du sol est périodiquement récoltée jusqu'à au maximum trois ans après la plantation ou après la récolte précédente.)
[1 9. [2 les systèmes d'utilisation des terres combinant la culture d'arbres à l'agriculture sur la même terre, appliqués à une parcelle de terre agricole telle que visée à l'article 2, 12° du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique agricole et dont l'inscription est effectuée via la demande collectrice et la plantation des arbres après l'entrée en vigueur du décret du 20 avril 2012 portant diverses dispositions en matière d'environnement et de nature.]2]1
Art.4. In de zin van dit decreet wordt verstaan onder :
1° [1 aangestelde : elk personeelslid van het Agentschap voor Natuur en Bos met een technische, administratieve of bewakingsopdracht;]1
[1 bis. administratieve overheden : het Vlaamse Gewest, de openbare instellingen die ervan afhangen, de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut en de andere besturen die onderworpen zijn aan het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest;]
[1 1°ter Agentschap : het Agentschap voor Natuur en Bos;]1
[1 2° ambtenaar : elk personeelslid van het Agentschap voor Natuur en Bos behorende tot het niveau A.]1 [2 ...]2
[2bis. autochtone boom- of struiksoort : boom- of struiksoort die, sinds zijn spontane vestiging na de laatste ijstijd, zich ter plaatse altijd slechts natuurlijk heeft verjongd of kunstmatig verjongd is met strikt lokaal uitgangsmateriaal;]
3. [bebossing : bezetting met bomen of houtachtige struikvegetaties, door menselijke ingreep of spontaan, van een oppervlakte die daardoor onder het toepassingsgebied van dit decreet komt te vallen;]
4. beheersplan : document met het geheel van maatregelen om de functievervulling van een bos te verwezenlijken, uitgaande van de bestaande toestand, de vooruitzichten en de nagestreefde doelstellingen; [5 en dat is vastgesteld met toepassing van dit decreet of met toepassing van artikel 16octies, § 2, van het decreet Natuurbehoud;]5
5. bestand : het kleinste onderdeel van het bos waarop een afzonderlijk [aangepast beheer] wordt toegepast;
[5bis. bijzondere wachter : wachter aangesteld door bijzondere personen en gelijkgesteld met de veldwachters zoals bedoeld in artikel 61 van het Veldwetboek;]
6. [1 ...]1
[6 bis. bosbeheerders : de boseigenaar of mede-eigenaar, de houder van andere zakelijk rechten of de houder van een persoonlijk recht aan wie het beheer van het bos toekomt;]
7. [...]
[8. [4 bosgroep: een bosgroep zoals vermeld in artikel 54bis van decreet Natuurbehoud;]4
9. [6 ...]6
[9bis. het Decreet Natuurbehoud : het decreet van 21 oktober 1997 inzake het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;]
10. domeinbos : openbaar bos waarvan het volledige beheer werd toevertrouwd aan het [1 Agentschap]1;
11. [herbebossing : bezetting met bomen of houtachtige struikvegetaties, door menselijke ingreep of spontaan, van een oppervlakte die reeds onder de toepassing van dit decreet viel;]
[11bis. inheemse boom- of struiksoort : boom- of struiksoort, die van nature voorkomt in een bepaalde streek of regio;]
[12. kaalslag : het kappen van het bosbestand zonder aan de grond een ander gebruik te geven;]
13. [...]
14. [...]
[14bis. kavel : een bestand, deel van een bestand of een groep bestanden waarin de bomen al dan niet geveld en/of andere bosproducten dan hout te koop worden aangeboden;]
[14bis1. Korte-omloop-houtteelt : teelt van snelgroeiende houtachtige gewassen waarbij de bovengrondse biomassa periodiek tot maximaal 8 jaar na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst;]
14ter. lot : vastgelegde en gemerkte hoeveelheid te vellen of gevelde bomen in één of meerdere kavels, of opgestapeld in het bos, die gezamenlijk te koop worden aangeboden;
14quater. natuurvereniging : erkende terreinbeherende vereniging, zoals bedoeld in artikel 2, 16° van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;]
[15. ontbossen : iedere handeling waardoor een bos geheel of gedeeltelijk verdwijnt en aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt gegeven;]
16. openbaar bos : elk bos waarvan een publiekrechtelijk rechtspersoon eigenaar of medeëigenaar is;
[3 16bis. pesticiden :
1° een gewasbeschermingsmiddel zoals omschreven in verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
2° een biocide zoals omschreven in richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden, waarin biociden gedefinieerd worden als werkzame stoffen en preparaten die, in de vorm waarin ze aan de gebruiker worden geleverd, een of meer werkzame stoffen bevatten en bestemd zijn om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of het op een andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden;]3
17. privé-bos : elk bos waarvan [uitsluitend] natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen eigenaar zijn;
18. [...]
19. [MiNa-Raad : de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen zoals opgericht bij artikel 11.1.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid];
20. rooiing : het verwijderen van bomen en houtachtige gewassen, met inbegrip van hun wortelstelsel.
[21. vertegenwoordiger van de bosgroep : afgevaardigde aangewezen door de Raad van bestuur van de bosgroep;
22. [6 ...]6 ]
1° [1 aangestelde : elk personeelslid van het Agentschap voor Natuur en Bos met een technische, administratieve of bewakingsopdracht;]1
[1 bis. administratieve overheden : het Vlaamse Gewest, de openbare instellingen die ervan afhangen, de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut en de andere besturen die onderworpen zijn aan het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest;]
[1 1°ter Agentschap : het Agentschap voor Natuur en Bos;]1
[1 2° ambtenaar : elk personeelslid van het Agentschap voor Natuur en Bos behorende tot het niveau A.]1 [2 ...]2
[2bis. autochtone boom- of struiksoort : boom- of struiksoort die, sinds zijn spontane vestiging na de laatste ijstijd, zich ter plaatse altijd slechts natuurlijk heeft verjongd of kunstmatig verjongd is met strikt lokaal uitgangsmateriaal;]
3. [bebossing : bezetting met bomen of houtachtige struikvegetaties, door menselijke ingreep of spontaan, van een oppervlakte die daardoor onder het toepassingsgebied van dit decreet komt te vallen;]
4. beheersplan : document met het geheel van maatregelen om de functievervulling van een bos te verwezenlijken, uitgaande van de bestaande toestand, de vooruitzichten en de nagestreefde doelstellingen; [5 en dat is vastgesteld met toepassing van dit decreet of met toepassing van artikel 16octies, § 2, van het decreet Natuurbehoud;]5
5. bestand : het kleinste onderdeel van het bos waarop een afzonderlijk [aangepast beheer] wordt toegepast;
[5bis. bijzondere wachter : wachter aangesteld door bijzondere personen en gelijkgesteld met de veldwachters zoals bedoeld in artikel 61 van het Veldwetboek;]
6. [1 ...]1
[6 bis. bosbeheerders : de boseigenaar of mede-eigenaar, de houder van andere zakelijk rechten of de houder van een persoonlijk recht aan wie het beheer van het bos toekomt;]
7. [...]
[8. [4 bosgroep: een bosgroep zoals vermeld in artikel 54bis van decreet Natuurbehoud;]4
9. [6 ...]6
[9bis. het Decreet Natuurbehoud : het decreet van 21 oktober 1997 inzake het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;]
10. domeinbos : openbaar bos waarvan het volledige beheer werd toevertrouwd aan het [1 Agentschap]1;
11. [herbebossing : bezetting met bomen of houtachtige struikvegetaties, door menselijke ingreep of spontaan, van een oppervlakte die reeds onder de toepassing van dit decreet viel;]
[11bis. inheemse boom- of struiksoort : boom- of struiksoort, die van nature voorkomt in een bepaalde streek of regio;]
[12. kaalslag : het kappen van het bosbestand zonder aan de grond een ander gebruik te geven;]
13. [...]
14. [...]
[14bis. kavel : een bestand, deel van een bestand of een groep bestanden waarin de bomen al dan niet geveld en/of andere bosproducten dan hout te koop worden aangeboden;]
[14bis1. Korte-omloop-houtteelt : teelt van snelgroeiende houtachtige gewassen waarbij de bovengrondse biomassa periodiek tot maximaal 8 jaar na de aanplanting of na de vorige oogst, in zijn totaliteit wordt geoogst;]
14ter. lot : vastgelegde en gemerkte hoeveelheid te vellen of gevelde bomen in één of meerdere kavels, of opgestapeld in het bos, die gezamenlijk te koop worden aangeboden;
14quater. natuurvereniging : erkende terreinbeherende vereniging, zoals bedoeld in artikel 2, 16° van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;]
[15. ontbossen : iedere handeling waardoor een bos geheel of gedeeltelijk verdwijnt en aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt gegeven;]
16. openbaar bos : elk bos waarvan een publiekrechtelijk rechtspersoon eigenaar of medeëigenaar is;
[3 16bis. pesticiden :
1° een gewasbeschermingsmiddel zoals omschreven in verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
2° een biocide zoals omschreven in richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden, waarin biociden gedefinieerd worden als werkzame stoffen en preparaten die, in de vorm waarin ze aan de gebruiker worden geleverd, een of meer werkzame stoffen bevatten en bestemd zijn om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of het op een andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden;]3
17. privé-bos : elk bos waarvan [uitsluitend] natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen eigenaar zijn;
18. [...]
19. [MiNa-Raad : de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen zoals opgericht bij artikel 11.1.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid];
20. rooiing : het verwijderen van bomen en houtachtige gewassen, met inbegrip van hun wortelstelsel.
[21. vertegenwoordiger van de bosgroep : afgevaardigde aangewezen door de Raad van bestuur van de bosgroep;
22. [6 ...]6 ]
Wijzigingen
Art.4. Au sens du présent décret, il faut entendre par :
1. [1 préposé : tout membre du personnel de l'Agentschap voor Natuur en Bos, chargé d'une mission technique, administrative ou de garde;]1
[1 °bis. autorités administratives : la Région flamande, les organismes publics qui en relèvent, les institutions de droit public et privé chargées de missions d'utilité publique et les autres administrations soumises à la tutelle administrative de la Région flamande;]
[1 1°ter Agence : l'Agentschap voor Natuur en Bos;]1
[1 2° fonctionnaire : chaque membre du personnel de l'Agentschap voor Natuur en Bos appartenant au niveau A.]1 [2 ...]2
(2bis. espèce d'arbre ou d'arbrisseau indigène : espèce d'arbre ou d'arbrisseau qui dès son établissement spontané, après la dernière glaciation, s'est régénérée naturellement ou par voie artificielle à l'aide de matériel de multiplication strictement local;)
3. (boisement : garnir une surface déboisée d'arbres ou de végétations ligneuses, soit par intervention humaine, soit spontanément, de sorte que cette dernière ressorte du champ d'application du présent décret;)
4. plan de gestion : document comportant l'ensemble de mesures en vue de réaliser les fonctions d'un bois, sur base de la situation existante, des prévisions et des objectifs poursuivis; [5 et qui est arrêté en application du présent décret ou en application de l'article 16octies, § 2, du décret concernant la conservation de la nature;]5
5. peuplement : l'entité la plus petite du bois faisant l'objet d'un [gestion appropriée];
(5bis. garde spécial : garde désigné par des personnes spéciales et assimilé aux gardes champêtres tels que visés à l'article 161 du Code rural;)
6°. [1 ...]1
[6 bis. gestionnaires forestiers : le propriétaire forestier ou le copropriétaire, le titulaire d'autres droits réels ou le titulaire d'un droit personnel auquel revient la gestion du bois;]
7. [...]
[8. [4 groupement forestier : un groupement forestier tel que visé à l'article 54bis du décret concernant la conservation de la nature;]4
9. [6 ...]6
[9bis. le décret " conservation de la nature " : le décret du 21 octobre 1997 en matière de conservation de la nature et le milieu naturel;]
10. bois domanial : bois public dont la gestion entière est confiée à [1 l'Agence]1;
11. [reboisement : garnir une surface déboisée d'arbres ou de végétations ligneuses, soit par intervention humaine, soit spontanément, qui ressortait déjà du champ d'application du présent décret;]
[11bis. espèce d'arbre ou d'arbrisseau indigène : espèce d'arbre ou d'arbrisseau qui croît naturellement dans une région ou contrée déterminée;]
[12. coupe à blanc : abattage d'un peuplement sans que le terrain soit affecté à une autre destination;]
13. [...]
14. [...]
[14bis. parcelle : un peuplement, une partie d'un peuplement ou un groupe de peuplements dans lequel les arbres sont abattus ou non et/ou d'autres produits forestiers que le bois sont mis en vente;]
[14bis1. Sylviculture à courte rotation : culture de végétations ligneuses à croissance rapide dont la masse au-dessus du sol est périodiquement récoltée en sa totalité jusqu'à au maximum 8 ans après la plantation ou après la récolte précédente.]
[14ter. lot : la quantité d'arbres déterminés et marqués abattus ou à abattre dans une ou plusieurs parcelles, ou stockés dans le bois, qui sont mis en vente;
14quater. association de défense de la nature : association agréée pour la gestion de terrains, telle que visée à l'article 2, 16° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel;]
[15. déboisement : toute opération entraînant la disparition, en tout ou en partie, du bois et une réaffectation ou réutilisation du terrain;]
16. bois public : tout bois dont une personne morale publique est propriétaire ou copropriétaire;
[3 16bis. pesticides :
1° un produit phytopharmaceutique tel que décrit au Règlement (CE) n° 1107/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et abrogeant les Directives 79/117/CEE et 91/414/CE du Conseil;
2° un produit biocide tel que décrit à la Directive 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides, qui définit les produits biocides comme des substances actives et des préparations contenant une ou plusieurs substances actives qui sont présentées sous la forme dans laquelle elles sont livrées à l'utilisateur, qui sont destinées à détruire, repousser ou rendre inoffensifs les organismes nuisibles, à en prévenir l'action ou à les combattre de toute autre manière, par une action chimique ou biologique;]3
17. bois privé : [tout bois appartenant exclusivement à des personnes physiques ou des personnes morales de droit privé];
18. [...]
19. (Conseil MiNa : le Conseil de l'Environnement et de la Nature de la Flandre " tel qu'il a été créé par l'article 11.1.2 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement);
20. défrichement : l'enlèvement des arbres et des végétations ligneuses y compris leurs racines.
[21. représentant du groupe forestier : représentant désigné par le Conseil d'administration du groupe forestier;
22. [6 ...]6 ]
1. [1 préposé : tout membre du personnel de l'Agentschap voor Natuur en Bos, chargé d'une mission technique, administrative ou de garde;]1
[1 °bis. autorités administratives : la Région flamande, les organismes publics qui en relèvent, les institutions de droit public et privé chargées de missions d'utilité publique et les autres administrations soumises à la tutelle administrative de la Région flamande;]
[1 1°ter Agence : l'Agentschap voor Natuur en Bos;]1
[1 2° fonctionnaire : chaque membre du personnel de l'Agentschap voor Natuur en Bos appartenant au niveau A.]1 [2 ...]2
(2bis. espèce d'arbre ou d'arbrisseau indigène : espèce d'arbre ou d'arbrisseau qui dès son établissement spontané, après la dernière glaciation, s'est régénérée naturellement ou par voie artificielle à l'aide de matériel de multiplication strictement local;)
3. (boisement : garnir une surface déboisée d'arbres ou de végétations ligneuses, soit par intervention humaine, soit spontanément, de sorte que cette dernière ressorte du champ d'application du présent décret;)
4. plan de gestion : document comportant l'ensemble de mesures en vue de réaliser les fonctions d'un bois, sur base de la situation existante, des prévisions et des objectifs poursuivis; [5 et qui est arrêté en application du présent décret ou en application de l'article 16octies, § 2, du décret concernant la conservation de la nature;]5
5. peuplement : l'entité la plus petite du bois faisant l'objet d'un [gestion appropriée];
(5bis. garde spécial : garde désigné par des personnes spéciales et assimilé aux gardes champêtres tels que visés à l'article 161 du Code rural;)
6°. [1 ...]1
[6 bis. gestionnaires forestiers : le propriétaire forestier ou le copropriétaire, le titulaire d'autres droits réels ou le titulaire d'un droit personnel auquel revient la gestion du bois;]
7. [...]
[8. [4 groupement forestier : un groupement forestier tel que visé à l'article 54bis du décret concernant la conservation de la nature;]4
9. [6 ...]6
[9bis. le décret " conservation de la nature " : le décret du 21 octobre 1997 en matière de conservation de la nature et le milieu naturel;]
10. bois domanial : bois public dont la gestion entière est confiée à [1 l'Agence]1;
11. [reboisement : garnir une surface déboisée d'arbres ou de végétations ligneuses, soit par intervention humaine, soit spontanément, qui ressortait déjà du champ d'application du présent décret;]
[11bis. espèce d'arbre ou d'arbrisseau indigène : espèce d'arbre ou d'arbrisseau qui croît naturellement dans une région ou contrée déterminée;]
[12. coupe à blanc : abattage d'un peuplement sans que le terrain soit affecté à une autre destination;]
13. [...]
14. [...]
[14bis. parcelle : un peuplement, une partie d'un peuplement ou un groupe de peuplements dans lequel les arbres sont abattus ou non et/ou d'autres produits forestiers que le bois sont mis en vente;]
[14bis1. Sylviculture à courte rotation : culture de végétations ligneuses à croissance rapide dont la masse au-dessus du sol est périodiquement récoltée en sa totalité jusqu'à au maximum 8 ans après la plantation ou après la récolte précédente.]
[14ter. lot : la quantité d'arbres déterminés et marqués abattus ou à abattre dans une ou plusieurs parcelles, ou stockés dans le bois, qui sont mis en vente;
14quater. association de défense de la nature : association agréée pour la gestion de terrains, telle que visée à l'article 2, 16° du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel;]
[15. déboisement : toute opération entraînant la disparition, en tout ou en partie, du bois et une réaffectation ou réutilisation du terrain;]
16. bois public : tout bois dont une personne morale publique est propriétaire ou copropriétaire;
[3 16bis. pesticides :
1° un produit phytopharmaceutique tel que décrit au Règlement (CE) n° 1107/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 concernant la mise sur le marché des produits phytopharmaceutiques et abrogeant les Directives 79/117/CEE et 91/414/CE du Conseil;
2° un produit biocide tel que décrit à la Directive 98/8/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 concernant la mise sur le marché des produits biocides, qui définit les produits biocides comme des substances actives et des préparations contenant une ou plusieurs substances actives qui sont présentées sous la forme dans laquelle elles sont livrées à l'utilisateur, qui sont destinées à détruire, repousser ou rendre inoffensifs les organismes nuisibles, à en prévenir l'action ou à les combattre de toute autre manière, par une action chimique ou biologique;]3
17. bois privé : [tout bois appartenant exclusivement à des personnes physiques ou des personnes morales de droit privé];
18. [...]
19. (Conseil MiNa : le Conseil de l'Environnement et de la Nature de la Flandre " tel qu'il a été créé par l'article 11.1.2 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement);
20. défrichement : l'enlèvement des arbres et des végétations ligneuses y compris leurs racines.
[21. représentant du groupe forestier : représentant désigné par le Conseil d'administration du groupe forestier;
22. [6 ...]6 ]
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - De bosfuncties.
CHAPITRE II. - Les fonctions forestières.
Art.5. Le bois peut remplir simultanément plusieurs fonctions entre autres économiques, sociales, éducatives, scientifiques, écologiques, (protectrices d'organismes) ainsi que (protectrices de l'environnement).
Art.6. [De Vlaamse regering stelt langetermijnplannen vast, na advies van de MiNa-Raad.
Het agentschap voor Natuur en Bos bereidt de plannen voor die uitvoering geven aan deze langetermijnplannen. De Vlaamse regering stelt deze uitvoeringsplannen vast. Zij houdt daarbij rekening met de ruimtelijke plannen, het ruimtelijk beleid, en het algemeen milieu- en natuurbeleid.]
De langetermijnplannen en de uitvoeringsplannen worden voor zij worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering, meegedeeld aan het Vlaams Parlement.
Het agentschap voor Natuur en Bos bereidt de plannen voor die uitvoering geven aan deze langetermijnplannen. De Vlaamse regering stelt deze uitvoeringsplannen vast. Zij houdt daarbij rekening met de ruimtelijke plannen, het ruimtelijk beleid, en het algemeen milieu- en natuurbeleid.]
De langetermijnplannen en de uitvoeringsplannen worden voor zij worden goedgekeurd door de Vlaamse Regering, meegedeeld aan het Vlaams Parlement.
Art.6. (Le Gouvernement flamand établit des plans à long terme, après avis du Conseil MiNa.
L'agence de la Nature et des Forêts prépare les plans qui donnent exécution à ces plans à long terme. Le Gouvernement flamand fixe ces plans d'exécution. A cet effet, il tient compte des plans spatiaux, de la politique spatiale et de la politique générale de l'environnement et de la nature).
Les plans à long terme et les plans d'exécution sont communiqués au Parlement flamand avant leur approbation par le Gouvernement flamand.
L'agence de la Nature et des Forêts prépare les plans qui donnent exécution à ces plans à long terme. Le Gouvernement flamand fixe ces plans d'exécution. A cet effet, il tient compte des plans spatiaux, de la politique spatiale et de la politique générale de l'environnement et de la nature).
Les plans à long terme et les plans d'exécution sont communiqués au Parlement flamand avant leur approbation par le Gouvernement flamand.
Art. 6bis. In uitvoering van de in artikel 6 voorziene uitvoeringsplannen, kan de Vlaamse Regering ondersteunende maatregelen nemen ter bevordering van de gebiedsgerichte uitbreiding van het bosareaal die gericht is op duurzaam bosbeheer. Daartoe kan het Vlaamse Gewest, op voorstel van het [1 Agentschap]1, onder meer overeenkomsten afsluiten met gemeenten, provincies en andere openbare besturen om bebossingprojecten voor te bereiden en uit te voeren.
De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen om zoveel mogelijk doelgroepen te betrekken bij de voorbereiding en bij de uitvoering van deze bebossingprojecten, om het draagvlak van die projecten te vergroten.
De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen om zoveel mogelijk doelgroepen te betrekken bij de voorbereiding en bij de uitvoering van deze bebossingprojecten, om het draagvlak van die projecten te vergroten.
Art. 6bis. En exécution des plans d'exécution prévus à l'article 6, le Gouvernement flamand peut prendre des mesures d'aide en vue de promouvoir l'extension de la superficie forestière axée sur une gestion forestière durable. A cet effet, la Région flamande peut, sur proposition de [1 l'Agence]1, passer des conventions avec des communes, provinces et autres administrations publiques afin de préparer et d'exécuter des projets de boisement.
Le Gouvernement flamand prend les mesures nécessaires pour associer des groupes cibles, dans la mesure du possible, à la préparation et à l'exécution de ces projets de boisement afin d'agrandir la base portante desdits projets.
Le Gouvernement flamand prend les mesures nécessaires pour associer des groupes cibles, dans la mesure du possible, à la préparation et à l'exécution de ces projets de boisement afin d'agrandir la base portante desdits projets.
Wijzigingen
Art.7. Om beter te voldoen aan de aan het bos toebedeelde functies kan de Vlaamse Regering, [na advies van de MiNa-Raad], volgens de voorwaarden en de normen die ze zelf bepaalt, de uitvoeringsmaatregelen die overeenkomstig dit decreet worden genomen, afstemmen op de door het natuurbeleid en/of ruimtelijk beleid vooropgestelde gebiedscategorieën evenals op de gebiedsgerichte werking van andere beleidssectoren zoals, onder meer, het algemene milieubeleid en de werkgelegenheid.
Art.7. Pour mieux rencontrer les fonctions dévolues au bois, le Gouvernement flamand peut, (après avis du Conseil MiNa), aux conditions et normes qu'il détermine lui-même, aligner les mesures d'exécution prises conformément au présent décret, sur les catégories zonales proposées par la politique de la nature et/ou spatiale ainsi que sur l'action zonale des autres secteurs politiques tels que la politique générale de l'environnement et l'emploi.
Afdeling I. - De economische functie.
Section I. - La fonction économique.
Art.8. [1 Een bos heeft een economische functie als vermeld in artikel 12quinquies van het decreet Natuurbehoud.]1
Art.8. [1 Un bois a une fonction économique telle que visée à l'article 12quinquies du décret concernant la conservation de la nature.]1
Wijzigingen
Art.9. § 1. Het [1 Agentschap]1 is belast met het vastleggen van het na te streven voorraadpeil en van het jaarlijks gemiddeld kapquantum in alle openbare bossen en dit in overeenstemming met de lange-termijnplanning bepaald in artikel 6.
§ 2. Elke overschrijding van het in het beheersplan vastgelegd kapquantum, ongeacht deze overschrijding het gevolg is van een vergissing, verleende machtiging, inbreuk, ongeoorloofde toeëigening of een geval van overmacht, dient te worden gecompenseerd door het uitvoeren van kappingen beneden het peil dat werd bepaald, om de voorraad opnieuw op een behoorlijk peil te brengen.
Met dit doel zal een aanvulling van het beheersplan worden opgesteld en dit binnen het jaar na de overschrijding [2 ...]2.
De aanvullingen van het beheersplan zijn aan dezelfde bepalingen inzake uitwerking, goedkeuring en uitvoering onderworpen als die welke voor het beheersplan zelf gelden.
§ 2. Elke overschrijding van het in het beheersplan vastgelegd kapquantum, ongeacht deze overschrijding het gevolg is van een vergissing, verleende machtiging, inbreuk, ongeoorloofde toeëigening of een geval van overmacht, dient te worden gecompenseerd door het uitvoeren van kappingen beneden het peil dat werd bepaald, om de voorraad opnieuw op een behoorlijk peil te brengen.
Met dit doel zal een aanvulling van het beheersplan worden opgesteld en dit binnen het jaar na de overschrijding [2 ...]2.
De aanvullingen van het beheersplan zijn aan dezelfde bepalingen inzake uitwerking, goedkeuring en uitvoering onderworpen als die welke voor het beheersplan zelf gelden.
Art.9. § 1. [1 L'Agence]1 est chargée de déterminer le niveau de la superficie et les quantités annuelles de coupe dans tous les bois publics et cela conformément à la planification à long terme prévue à l'article 6.
§ 2. Tout dépassement des quantités de coupe prévues dans le plan de gestion, qu'il soit causé par une erreur, une autorisation accordée, une contravention, une appropriation interdite ou un cas de force majeure, doit être compensé par des coupes inférieures au niveau fixé pour rétablir suffisamment les réserves forestières.
A cet effet, un complément doit être ajouté au plan de gestion dans l'année qui suit le dépassement [2 ...]2.
Les compléments au plan de gestion sont régis par les mêmes dispositions en matière d'application, d'approbation et d'exécution que celles s'appliquant au plan de gestion lui-même.
§ 2. Tout dépassement des quantités de coupe prévues dans le plan de gestion, qu'il soit causé par une erreur, une autorisation accordée, une contravention, une appropriation interdite ou un cas de force majeure, doit être compensé par des coupes inférieures au niveau fixé pour rétablir suffisamment les réserves forestières.
A cet effet, un complément doit être ajouté au plan de gestion dans l'année qui suit le dépassement [2 ...]2.
Les compléments au plan de gestion sont régis par les mêmes dispositions en matière d'application, d'approbation et d'exécution que celles s'appliquant au plan de gestion lui-même.
Afdeling II. - De sociale en educatieve functie.
Section II. - La fonction sociale et éducative.
Art.10. [1 Een bos heeft een sociale en educatieve functie als vermeld in artikel 12sexies van het decreet Natuurbehoud.]1
Art.10. [1 Un bois a une fonction sociale et éducative telle que visée à l'article 12sexies du décret concernant la conservation de la nature.]1
Wijzigingen
Art.12. [1 De toegankelijkheid van een bos wordt geregeld met toepassing van artikel 12septies, 12octies en 12novies van het decreet Natuurbehoud.]1
Art.12. [1 L'accès à un bois est régi en application des articles 12septies, 12octies et 12novies du décret concernant la conservation de la nature.]1
Wijzigingen
Afdeling III. - De (milieubeschermende functie).
Section III. - La (fonction protectrice de l'environnement).
Art. 16. [1 Een bos heeft een milieubeschermende functie als vermeld in artikel 12ter van het decreet Natuurbehoud.]1
Art.16. [1 Un bois a une fonction protectrice de l'environnement telle que visée à l'article 12ter du décret concernant la conservation de la nature.]1
Wijzigingen
Afdeling IV. - De ecologische functie.
Section IV. - La fonction écologique.
Art.18. [1 De zorg voor de ecologische functie van een bos moet worden begrepen overeenkomstig artikel 12quater van het decreet Natuurbehoud.]1
Art.18. [1 Le souci de la fonction écologique d'un bois doit se comprendre conformément à l'article 12quater du décret concernant la conservation de la nature.]1
Wijzigingen
Art.20. Onverminderd [de verbodsbepalingen opgenomen in de wetten, decreten reglementen en ontheffingen opgenomen in het beheersplan] is het zonder machtiging van het [1 Agentschap]1, in de openbare bossen verboden :
1. planten of onderdelen van planten te verwijderen;
2. opgravingen of extracties van materiaal uit de bodem of uit de ondergrond te verrichten;
3. werkzaamheden uit te voeren die niet in het beheersplan zijn opgenomen en die van aard zijn wijzigingen aan te brengen in de mineralogische en paleontologische sites, de archeologische grondvesten, het landschap, het reliëf, de natuurlijke [waterhuishouding], de bodemvruchtbaarheid, de zuiverheid en het regime van de waterlopen, de vegetatie en de inheemse [organismen];
4. dieren en planten te introduceren;
5. vuur te maken behalve wanneer zulks nodig is als beheersmaatregel, als fytosanitaire maatregel bij wet verplicht of als onderdeel van een wetenschappelijk experiment;
6. bronnen, veen- of turflagen te wijzigen;
7. dieren en planten te verdelgen, dieren te verplaatsen of te vangen, hun jongen, eieren, nesten of schuilplaatsen te storen.
[8. [3 pesticiden]3 te gebruiken;
9. meststoffen te gebruiken, behalve het opbrengen van stalmest in het kader van de bemesting van de plantput bij bosaanplanting.]
[2 lid 2 opgeheven]2
[4 Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.]4
1. planten of onderdelen van planten te verwijderen;
2. opgravingen of extracties van materiaal uit de bodem of uit de ondergrond te verrichten;
3. werkzaamheden uit te voeren die niet in het beheersplan zijn opgenomen en die van aard zijn wijzigingen aan te brengen in de mineralogische en paleontologische sites, de archeologische grondvesten, het landschap, het reliëf, de natuurlijke [waterhuishouding], de bodemvruchtbaarheid, de zuiverheid en het regime van de waterlopen, de vegetatie en de inheemse [organismen];
4. dieren en planten te introduceren;
5. vuur te maken behalve wanneer zulks nodig is als beheersmaatregel, als fytosanitaire maatregel bij wet verplicht of als onderdeel van een wetenschappelijk experiment;
6. bronnen, veen- of turflagen te wijzigen;
7. dieren en planten te verdelgen, dieren te verplaatsen of te vangen, hun jongen, eieren, nesten of schuilplaatsen te storen.
[8. [3 pesticiden]3 te gebruiken;
9. meststoffen te gebruiken, behalve het opbrengen van stalmest in het kader van de bemesting van de plantput bij bosaanplanting.]
[2 lid 2 opgeheven]2
[4 Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.]4
Wijzigingen
Art.20. Sans préjudice [des prohibitions reprises dans les lois, décrets, règlements et les dispenses figurant dans le plan de gestion], il est interdit dans les bois publics, sans autorisation de [1 l'Agence]1 :
1. d'enlever des plantes ou des parties de plantes;
2. de faire des excavations ou d'extraire du matériel du sol ou du sous-sol;
3. d'exécuter des travaux qui ne figurent pas dans le plan de gestion et qui sont de nature à modifier les sites minéralogiques et paléontologiques, les vestiges archéologiques, le site, le relief, [le régime hydraulique naturel], la fertilité du sol, la pureté et le régime des cours d'eau, la végétation ainsi que [les organismes] indigènes;
4. d'introduire des animaux ou des plantes;
5. d'allumer des feux sauf si des mesures gestionnelles ou phytosanitaires imposées par la loi ou s'inscrivant dans le cadre d'une expérimentation scientifique le rendent nécessaires;
6. de modifier des sources et des couches de tourbe;
7. de détruire des animaux ou des plantes, de déplacer ou de capturer des animaux, de déranger leurs jeunes, leurs oeufs, leurs nids ou leurs refuges.
[8. d'utiliser des pesticides;
9. d'utiliser des engrais, sauf l'épandage de fumier dans le cadre de la fertilisation du trou de plantation en cas de plantations forestières.]
[2 alinéa 2 abrogé]2
[3 Conformément à l'article 6.4.4, § 3, du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, pour l'octroi d'une autorisation telle que visée à l'alinéa premier, ayant trait à un acte au niveau de biens protégés ou dans des biens protégés tels que visés dans ce décret, un avis est demandé à l'entité qui est chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier. ]3
1. d'enlever des plantes ou des parties de plantes;
2. de faire des excavations ou d'extraire du matériel du sol ou du sous-sol;
3. d'exécuter des travaux qui ne figurent pas dans le plan de gestion et qui sont de nature à modifier les sites minéralogiques et paléontologiques, les vestiges archéologiques, le site, le relief, [le régime hydraulique naturel], la fertilité du sol, la pureté et le régime des cours d'eau, la végétation ainsi que [les organismes] indigènes;
4. d'introduire des animaux ou des plantes;
5. d'allumer des feux sauf si des mesures gestionnelles ou phytosanitaires imposées par la loi ou s'inscrivant dans le cadre d'une expérimentation scientifique le rendent nécessaires;
6. de modifier des sources et des couches de tourbe;
7. de détruire des animaux ou des plantes, de déplacer ou de capturer des animaux, de déranger leurs jeunes, leurs oeufs, leurs nids ou leurs refuges.
[8. d'utiliser des pesticides;
9. d'utiliser des engrais, sauf l'épandage de fumier dans le cadre de la fertilisation du trou de plantation en cas de plantations forestières.]
[2 alinéa 2 abrogé]2
[3 Conformément à l'article 6.4.4, § 3, du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, pour l'octroi d'une autorisation telle que visée à l'alinéa premier, ayant trait à un acte au niveau de biens protégés ou dans des biens protégés tels que visés dans ce décret, un avis est demandé à l'entité qui est chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier. ]3
Art.21. De Vlaamse Executieve kan in alle bossen het gebruik van [2 pesticiden]2 regelen.
[1 lid 2 opgeheven]1
[1 lid 2 opgeheven]1
Art.21. L'Exécutif peut réglementer l'utilisation de [2 pesticides]2 dans tous les bois.
[1 alinéa 2 abrogé]1
[1 alinéa 2 abrogé]1
Afdeling V. -
Section V. -
HOOFDSTUK III. - Het Bosbeheer.
CHAPITRE III. - L'administration forestière.
Art.31. [§ 1.] De toepassing van [dit decreet] op alle bossen en het toezicht op het beheer behoren tot de opdrachten van het [1 Agentschap]1, behoudens andersluidende beslissing van de Vlaamse Executieve.
[§ 2. Volgens de voorwaarden door de Vlaamse Regering vast te leggen, kunnen personeelsleden van de administratieve overheden specifieke taken met betrekking tot het beheer en/of toezicht op bossen in uitvoering van dit decreet uitoefenen.
Zij volgen, wat de in het eerste lid vermelde opdrachten betreft, de algemene richtlijnen van het [1 Agentschap]1. In die hoedanigheid worden zij buitengewone leden van het [1 Agentschap]1 genoemd.
§ 3. [2 Met uitzondering van domeinbossen en bossen gelegen in speciale beschermingszones, kan de Vlaamse Regering voor privébossen en openbare bossen, die gelegen zijn in zones met de bestemming woongebied, industriegebied, dienstverleningsgebied, gebied voor verblijfsrecreatie of een met voormelde gebieden gelijk te stellen bestemming, volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die overeenkomstig de wetgeving op de ruimtelijke ordening werden opgemaakt en in goedgekeurde en niet vervallen verkavelingen, volgens de nadere regels die ze zelf bepaalt, op verzoek van de gemeente de bevoegdheid van het Agentschap met betrekking tot artikelen 43, 44, 81, 83, 90, 91, 94 tot en met 97, 99, 104 tot en met 106 van dit decreet toewijzen aan de gemeente, op wiens grondgebied voormelde bossen gelegen zijn.]2
[§ 2. Volgens de voorwaarden door de Vlaamse Regering vast te leggen, kunnen personeelsleden van de administratieve overheden specifieke taken met betrekking tot het beheer en/of toezicht op bossen in uitvoering van dit decreet uitoefenen.
Zij volgen, wat de in het eerste lid vermelde opdrachten betreft, de algemene richtlijnen van het [1 Agentschap]1. In die hoedanigheid worden zij buitengewone leden van het [1 Agentschap]1 genoemd.
§ 3. [2 Met uitzondering van domeinbossen en bossen gelegen in speciale beschermingszones, kan de Vlaamse Regering voor privébossen en openbare bossen, die gelegen zijn in zones met de bestemming woongebied, industriegebied, dienstverleningsgebied, gebied voor verblijfsrecreatie of een met voormelde gebieden gelijk te stellen bestemming, volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen die overeenkomstig de wetgeving op de ruimtelijke ordening werden opgemaakt en in goedgekeurde en niet vervallen verkavelingen, volgens de nadere regels die ze zelf bepaalt, op verzoek van de gemeente de bevoegdheid van het Agentschap met betrekking tot artikelen 43, 44, 81, 83, 90, 91, 94 tot en met 97, 99, 104 tot en met 106 van dit decreet toewijzen aan de gemeente, op wiens grondgebied voormelde bossen gelegen zijn.]2
Art.31. [§ 1.] L'application [du présent décret] à tous les bois et la surveillance de la gestion incombent à [1 l'Agence]1, sauf décision contraire de l'Exécutif flamand.
[§ 2. En vertu du présent décret, les membres du personnel des autorités administratives peuvent accomplir des missions spécifiques en matière de gestion et/ou de surveillance des bois, aux conditions que le Gouvernement flamand fixe.
Ils se conforment, quant aux missions énoncées à l'alinéa premier, aux directives générales de [1 l'Agence]1. En cette qualité, ils sont appelés membres extraordinaires de [1 l'Agence]1.
§ 3. [2 Pour les bois privés et les bois publics, situés dans des zones ayant pour destination zone d'habitation, zone industrielle, zone de services, zone pour récréation de séjour ou une destination assimilable aux zones précitées, suivant les plans de secteur ou les plans d'exécution spatiaux en vigueur, établis conformément à la législation sur l'aménagement du territoire et dans des lotissements approuvés et non échus, et à l'exception des bois domaniaux et des bois situés en zones de protection spéciale, le Gouvernement flamand peut, à la demande de la commune, assigner la compétence de l'Agence concernant les articles 43, 44, 81, 83, 90, 91, 94 à 97 inclus, 99, 104 à 106 inclus du présent décret, à la commune sur le territoire de laquelle les bois précités sont situés, suivant les modalités qu'il fixe lui-même.]2
[§ 2. En vertu du présent décret, les membres du personnel des autorités administratives peuvent accomplir des missions spécifiques en matière de gestion et/ou de surveillance des bois, aux conditions que le Gouvernement flamand fixe.
Ils se conforment, quant aux missions énoncées à l'alinéa premier, aux directives générales de [1 l'Agence]1. En cette qualité, ils sont appelés membres extraordinaires de [1 l'Agence]1.
§ 3. [2 Pour les bois privés et les bois publics, situés dans des zones ayant pour destination zone d'habitation, zone industrielle, zone de services, zone pour récréation de séjour ou une destination assimilable aux zones précitées, suivant les plans de secteur ou les plans d'exécution spatiaux en vigueur, établis conformément à la législation sur l'aménagement du territoire et dans des lotissements approuvés et non échus, et à l'exception des bois domaniaux et des bois situés en zones de protection spéciale, le Gouvernement flamand peut, à la demande de la commune, assigner la compétence de l'Agence concernant les articles 43, 44, 81, 83, 90, 91, 94 à 97 inclus, 99, 104 à 106 inclus du présent décret, à la commune sur le territoire de laquelle les bois précités sont situés, suivant les modalités qu'il fixe lui-même.]2
Art.33. Le Gouvernement flamand fixe les normes de la désignation du nombre de personnes [1 au sein de l'Agence]1 requises pour la gestion et la surveillance des bois.
Wijzigingen
Art.36. De personeelsleden van het [1 Agentschap]1 kunnen enkel met toelating van [2 het hoofd van het Agentschap]2 als gerechtelijke deskundigen optreden.
Art.36. Les agents de [1 l'Agence]1 ne peuvent agir en qualité d'expert judiciaire qu'avec l'assentiment [2 du chef de l'Agence]2.
Art.37. De personeelsleden van het [1 Agentschap]1 mogen geen handel drijven, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks, in hout- en [aandere bosproducten] en boomkwekerijprodukten. Het is de personeelsleden van het [1 Agentschap]1 ook verboden privé-bossen te beheren of erin beheersdaden te stellen. [Het is hen ook verboden beheersplannen van privé-bossen op te maken [2 ...]2.]
Art.37. Les agents de [1 l'Agence]1 ne peuvent exercer, ni directement, ni indirectement le commerce du bois, [d'autres produits forestiers] et de produits de pépinière forestière. Il est également interdit aux agents de [1 l'Agence]1 de gérer des bois privés ou d'y poser des actes de gestion. [Il leur est également interdit d'établir des plans de gestion pour bois privés [2 ...]2.]
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
HOOFDSTUK V. - Het beheer van de bossen.
CHAPITRE V. - La gestion des bois.
Afdeling I. - Het beheer van de bossen in het algemeen.
Section I. - La gestion des bois en général.
Art.41. Het beheer van de bossen heeft tot doel het bosareaal te bewaren en (het) te brengen of te behouden in een bestendige staat van veelzijdige functie zoals bepaald in artikel 5.
[1 Het beheer van de bossen wordt in voorkomend geval uitgevoerd conform de criteria, vermeld in artikel 16septies, zevende lid, van het decreet Natuurbehoud.]1
[1 Het beheer van de bossen wordt in voorkomend geval uitgevoerd conform de criteria, vermeld in artikel 16septies, zevende lid, van het decreet Natuurbehoud.]1
Art.41. La gestion des bois a pour but de conserver l'aire boisée et d'assurer [qu'elle] acquiert ou conserve un état permanent de fonction multiple telle que prévue à l'article 5.
[1 La gestion des bois est exercée le cas échéant conformément aux critères visés à l'article 16septies, septième alinéa du décret concernant la conservation de la nature.]1
[1 La gestion des bois est exercée le cas échéant conformément aux critères visés à l'article 16septies, septième alinéa du décret concernant la conservation de la nature.]1
Wijzigingen
Art. 41quater. § 1. Het [1 Agentschap]1 houdt een inventaris bij van alle bossen gelegen in het Vlaamse Gewest. De inventaris heeft tot doel het bosbeleid te ondersteunen op het vlak van de bosbescherming, de bosuitbreiding en het bosbeheer. De bosinventaris bestaat uit statistische gegevens over de verspreiding en de aard van de bossen en heeft onder meer betrekking op de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van het natuurlijk milieu in de bossen.
§ 2. Voor alle bossen, openbare bossen en privé-bossen, wordt met een tussenperiode van ten minste vijf jaar en maximaal om de tien jaar, door het [1 Agentschap]1 een inventarisatie uitgevoerd op basis van steekproeftechnieken. Die wordt de gewestelijke bosinventaris genoemd.
In afwijking van artikel 10, § 2, hebben alle personen die door het [1 Agentschap]1 worden aangesteld voor het uitvoeren van de gewestelijke bosinventaris, toegang tot alle bossen voor het uitvoeren van die opdracht.
§ 3. Elke bosbeheerder kan worden verplicht om met een tussenperiode van minimum vijf jaar een inventaris van zijn bossen op te maken.
Het [1 Agentschap]1 kan toezicht uitoefenen op de inventaris, en desgevallend zijn medewerking verlenen of de inventaris ambtshalve uitvoeren. Bij ambtshalve uitvoering van de inventaris, kunnen de kosten volgens de voorwaarden door de Vlaamse Regering vastgelegd [...] van de bosbeheerder gevorderd worden.
§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt [...] de nadere regels voor het opmaken, het bijhouden, het uitvoeren van de inventarissen [overeenkomstig §§ 1, 2 en 3] en voor het bekendmaken van de bij deze inventarissen verzamelde gegevens. Ze kan daarbij eveneens de wijze waarop andere administratieve overheden hun medewerking dienen te verlenen voor het verzamelen van de gegevens van de bosinventaris bepalen.
§ 2. Voor alle bossen, openbare bossen en privé-bossen, wordt met een tussenperiode van ten minste vijf jaar en maximaal om de tien jaar, door het [1 Agentschap]1 een inventarisatie uitgevoerd op basis van steekproeftechnieken. Die wordt de gewestelijke bosinventaris genoemd.
In afwijking van artikel 10, § 2, hebben alle personen die door het [1 Agentschap]1 worden aangesteld voor het uitvoeren van de gewestelijke bosinventaris, toegang tot alle bossen voor het uitvoeren van die opdracht.
§ 3. Elke bosbeheerder kan worden verplicht om met een tussenperiode van minimum vijf jaar een inventaris van zijn bossen op te maken.
Het [1 Agentschap]1 kan toezicht uitoefenen op de inventaris, en desgevallend zijn medewerking verlenen of de inventaris ambtshalve uitvoeren. Bij ambtshalve uitvoering van de inventaris, kunnen de kosten volgens de voorwaarden door de Vlaamse Regering vastgelegd [...] van de bosbeheerder gevorderd worden.
§ 4. De Vlaamse Regering bepaalt [...] de nadere regels voor het opmaken, het bijhouden, het uitvoeren van de inventarissen [overeenkomstig §§ 1, 2 en 3] en voor het bekendmaken van de bij deze inventarissen verzamelde gegevens. Ze kan daarbij eveneens de wijze waarop andere administratieve overheden hun medewerking dienen te verlenen voor het verzamelen van de gegevens van de bosinventaris bepalen.
Art. 41quater. § 1er. [1 L'Agence]1 tient un inventaire de tous les bois situés en Région flamande. L'inventaire a pour but de soutenir la politique forestière dans le domaine de la protection, de l'extension et de la gestion forestières. L'inventaire comporte des données statistiques sur la répartition et la nature des bois et porte entre autres sur les aspects qualitatifs et quantitatifs du milieu naturel des bois.
§ 2. Au moins tous les cinq ans et au plus tous les dix ans, un inventaire est établi, par [1 l'Agence]1, à l'aide de sondages, pour tous les bois, bois publics et bois privés. Il est appelé inventaire forestier régional.
Par dérogation à l'article 10, § 2, toutes les personnes désignées par [1 l'Agence]1 pour l'établissement de l'inventaire forestier régional, ont accès à tous les bois pour l'accomplissement de cette mission.
§ 3. Chaque gestionnaire forestier peut être obligé a dresser l'inventaire de ses bois au moins tous les cinq ans.
[1 L'Agence]1 peut exercer un contrôle sur l'inventaire et, le cas échéant, y apporter sa collaboration ou le dresser d'office. En cas d'établissement d'office de l'inventaire, les frais peuvent être réclamés au gestionnaire forestier, aux conditions que le Gouvernement fixe, (...).
§ 4. Le Gouvernement flamand arrête, (...), les modalités de l'établissement, de la mise à jour et de l'exécution des inventaires, [conformément aux §§ 1er, 2 et 3] et de la publication des données recueillies par ces inventaires. Il peut également fixer les modalités de collaboration des autres autorités administratives au rassemblement des données de l'inventaire forestier.
§ 2. Au moins tous les cinq ans et au plus tous les dix ans, un inventaire est établi, par [1 l'Agence]1, à l'aide de sondages, pour tous les bois, bois publics et bois privés. Il est appelé inventaire forestier régional.
Par dérogation à l'article 10, § 2, toutes les personnes désignées par [1 l'Agence]1 pour l'établissement de l'inventaire forestier régional, ont accès à tous les bois pour l'accomplissement de cette mission.
§ 3. Chaque gestionnaire forestier peut être obligé a dresser l'inventaire de ses bois au moins tous les cinq ans.
[1 L'Agence]1 peut exercer un contrôle sur l'inventaire et, le cas échéant, y apporter sa collaboration ou le dresser d'office. En cas d'établissement d'office de l'inventaire, les frais peuvent être réclamés au gestionnaire forestier, aux conditions que le Gouvernement fixe, (...).
§ 4. Le Gouvernement flamand arrête, (...), les modalités de l'établissement, de la mise à jour et de l'exécution des inventaires, [conformément aux §§ 1er, 2 et 3] et de la publication des données recueillies par ces inventaires. Il peut également fixer les modalités de collaboration des autres autorités administratives au rassemblement des données de l'inventaire forestier.
Wijzigingen
Art.42. De Vlaamse Executieve bepaalt de procedure tot erkenning van uitgangsmateriaal voor de produktie van bosbouwkundig teeltmateriaal.
Art.42. L'Exécutif flamand fixe la procédure d'agrément du matériel de base pour la production de matériel forestier de reproduction.
Afdeling II. - Het beheersplan.
Section II. - Le plan de gestion.
Art.43. [1 Beheersplannen voor bossen worden vastgesteld conform de bepalingen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 2, van het decreet Natuurbehoud.]1
Art.43. [1 Les plans de gestion pour les bois sont arrêtés conformément aux dispositions stipulées au chapitre IV, section 2, du décret concernant la conservation de la nature.]1
Wijzigingen
Art.44. § 1. Het [1 Agentschap]1 houdt toezicht op de correcte uitvoering van de voorschriften van het beheersplan.
§ 2. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
Art.44. § 1. [1 L'Agence]1 veille à l'application correcte des prescriptions du plan de gestion.
§ 2. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
Art.47. [7 ...]7
[2 [3 In afwijking van [5 de vergunningsplicht voor ontbossing]5, zoals bepaald in artikel 4.2.1, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening,]3 is er voor ontbossing in natuurreservaten, [6 waarvoor een beheerplan is goedgekeurd [7 met toepassing van het decreet Natuurbehoud]7 ]6, enkel een voorafgaande eenvoudige melding aan de ambtenaar vereist, op voorwaarde dat deze ontbossing voorzien is in het vermelde beheerplan en, met betrekking tot beheerplannen die goedgekeurd worden na 1 januari 2009, [6 als de ontbossing noodzakelijk is met het oog op de realisatie van vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen]6]2 Van deze melding stelt de ambtenaar onverwijld het college van burgemeester en schepenen en [4 het [8 Departement Omgeving]8]4 in kennis.
[2 [3 In afwijking van [5 de vergunningsplicht voor ontbossing]5, zoals bepaald in artikel 4.2.1, 2°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening,]3 is er voor ontbossing in natuurreservaten, [6 waarvoor een beheerplan is goedgekeurd [7 met toepassing van het decreet Natuurbehoud]7 ]6, enkel een voorafgaande eenvoudige melding aan de ambtenaar vereist, op voorwaarde dat deze ontbossing voorzien is in het vermelde beheerplan en, met betrekking tot beheerplannen die goedgekeurd worden na 1 januari 2009, [6 als de ontbossing noodzakelijk is met het oog op de realisatie van vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen]6]2 Van deze melding stelt de ambtenaar onverwijld het college van burgemeester en schepenen en [4 het [8 Departement Omgeving]8]4 in kennis.
Wijzigingen
Art.47. [7 ...]7
[2 [3 Par dérogation à [5 l'obligation d'autorisation pour le déboisement]5, telle que visée à l'article 4.2.1, 2° du Code flamand de l'Aménagement du Territoire,]3, une simple notification préalable au fonctionnaire est requise pour les opérations de déboisement dans des réserves naturelles [6 pour lesquelles un plan de gestion a été approuvé [7 en application du décret concernant la conservation de la nature]7]6, à condition que ce déboisement soit prévu dans le plan de gestion précité et, pour ce qui est des plans de gestion qui sont approuvés après le 1er janvier 2009, [6 si le déboisement est nécessaire en vue de la réalisation des objectifs de conservation fixés]6.]2 Cette notification est communiquée, sans délai, par le fonctionnaire, au Collège des bourgmestre et échevins et à [4 le [8 Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire]8]4.
[2 [3 Par dérogation à [5 l'obligation d'autorisation pour le déboisement]5, telle que visée à l'article 4.2.1, 2° du Code flamand de l'Aménagement du Territoire,]3, une simple notification préalable au fonctionnaire est requise pour les opérations de déboisement dans des réserves naturelles [6 pour lesquelles un plan de gestion a été approuvé [7 en application du décret concernant la conservation de la nature]7]6, à condition que ce déboisement soit prévu dans le plan de gestion précité et, pour ce qui est des plans de gestion qui sont approuvés après le 1er janvier 2009, [6 si le déboisement est nécessaire en vue de la réalisation des objectifs de conservation fixés]6.]2 Cette notification est communiquée, sans délai, par le fonctionnaire, au Collège des bourgmestre et échevins et à [4 le [8 Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire]8]4.
Wijzigingen
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere bepalingen betreffende de openbare bossen.
CHAPITRE VI. - Dispositions particulières relatives aux bois publics.
Afdeling I. - Algemeen.
Section I. - Généralités.
Art.48. [1 Om de bescherming, de ontwikkeling, het herstel, het behoud en de uitbreiding van het bosareaal te garanderen, kan de Vlaamse Regering onder de voorwaarden die ze zelf bepaalt, subsidies verlenen aan publiekrechtelijke rechtspersonen die eigenaar zijn van een openbaar bos of die een openbaar bos wensen aan te leggen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de wijze van toekenning van genoemde subsidies, binnen de perken van de begrotingskredieten. [2 Voor zover het gaat om kapitaalsubsidies gericht op uitbreiding of ontwikkeling van het bosareaal, worden deze toegekend met het oog op bebossingen:
1° op percelen die gelegen zijn in gebieden aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen en sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos", "overig groen" of "reservaat en natuur". Een bestemmingsvoorschrift van een plan van aanleg is alleszins vergelijkbaar met een categorie van gebiedsaanduiding, indien deze concordantie vermeld wordt in de tabel, opgenomen in artikel 7.4.13, eerste lid, van het Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in de concordantielijst, bepaald krachtens voornoemd artikel 7.4.13, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° op percelen gelegen in een speciale beschermingszone zoals vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, voor zover de bebossing nodig is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen.]2
[3 Als de subsidie betrekking heeft op de aankoop van te bebossen percelen, kan ze maximaal 60 % van de aankoopsom bedragen of 80 % van de aankoopsom voor gronden in de gebiedsaanduiding `bos' en `reservaat en natuur', tot maximaal 3,5 euro per vierkante meter. De subsidie kan gecumuleerd worden met subsidies van andere overheden, maar de gecumuleerde subsidies mogen niet meer bedragen dan 60 % van de aankoopsom of 80 % van de aankoopsom voor gronden in de gebiedsaanduiding `bos' en `reservaat en natuur'.]3
Indien de voorwaarden, die aan de subsidies verbonden werden, niet werden nageleefd, kan de subsidie teruggevorderd worden en toegewezen aan het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur. Wanneer de teruggevorderde subsidie afkomstig is uit het Fonds voor de compenserende bebossing zoals bedoeld in artikel 17 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, wordt zij toegewezen aan dat Fonds.]1
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de wijze van toekenning van genoemde subsidies, binnen de perken van de begrotingskredieten. [2 Voor zover het gaat om kapitaalsubsidies gericht op uitbreiding of ontwikkeling van het bosareaal, worden deze toegekend met het oog op bebossingen:
1° op percelen die gelegen zijn in gebieden aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen en sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos", "overig groen" of "reservaat en natuur". Een bestemmingsvoorschrift van een plan van aanleg is alleszins vergelijkbaar met een categorie van gebiedsaanduiding, indien deze concordantie vermeld wordt in de tabel, opgenomen in artikel 7.4.13, eerste lid, van het Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in de concordantielijst, bepaald krachtens voornoemd artikel 7.4.13, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° op percelen gelegen in een speciale beschermingszone zoals vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, voor zover de bebossing nodig is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen.]2
[3 Als de subsidie betrekking heeft op de aankoop van te bebossen percelen, kan ze maximaal 60 % van de aankoopsom bedragen of 80 % van de aankoopsom voor gronden in de gebiedsaanduiding `bos' en `reservaat en natuur', tot maximaal 3,5 euro per vierkante meter. De subsidie kan gecumuleerd worden met subsidies van andere overheden, maar de gecumuleerde subsidies mogen niet meer bedragen dan 60 % van de aankoopsom of 80 % van de aankoopsom voor gronden in de gebiedsaanduiding `bos' en `reservaat en natuur'.]3
Indien de voorwaarden, die aan de subsidies verbonden werden, niet werden nageleefd, kan de subsidie teruggevorderd worden en toegewezen aan het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur. Wanneer de teruggevorderde subsidie afkomstig is uit het Fonds voor de compenserende bebossing zoals bedoeld in artikel 17 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, wordt zij toegewezen aan dat Fonds.]1
Art.48. [1 Pour garantir la protection, le développement, la remise en état, la conservation et l'accroissement de la superficie forestière, le Gouvernement flamand peut, aux conditions qu'il arrête lui-même, accorder des subventions aux personnes morales de droit public qui sont propriétaires d'un bois public ou qui souhaitent aménager un bois public.
Le Gouvernement flamand arrête les conditions et modalités d'octroi des subventions visées, dans les limites des crédits budgétaires. [2 Pour autant qu'il s'agisse de subventions de capital en vue de l'accroissement ou du développement de la superficie forestière, celles-ci sont attribuées pour le boisement :
1° de parcelles qui sont situées dans des zones désignées sur les plans d'aménagement ou sur les plans d'exécution spatiale et relevant de la catégorie des zones désignées " bois ", " autres zones vertes " ou " réserve et nature ". Une prescription d'affectation d'un plan d'aménagement est toutefois comparable à une catégorie de désignation de zone, si cette concordance est mentionnée dans le tableau, repris à l'article 7.4.13, alinéa premier, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ou à la liste de concordance, fixée en vertu de l'article 7.4.13, alinéa deux, précité du Code flamand de l'Aménagement du Territoire.
2° de parcelles situées dans une zone de protection spéciale telle que visée à l'article 2, 43°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, pour autant que le boisement est nécessaire à la réalisation d'objectifs de maintien.]2
[3 Si la subvention concerne l'achat de parcelles à boiser, elle peut s'élever à au maximum 60 % du prix d'achat ou 80 % du prix d'achat pour les terrains dans l'indication de zone " forêt " et " réserve et nature ", jusqu'à 3,5 euros par mètre carré au maximum. La subvention peut être cumulée avec des subventions d'autres autorités, mais les subventions cumulées ne peuvent pas être supérieures à 60 % du prix d'achat ou 80 % du prix d'achat pour les terrains dans l'indication de zone " forêt " et " réserve et nature ".]3
Si les conditions applicables aux subventions, ne sont pas respectées, la subvention peut être réclamée et affectée au Fonds de Prévention et d'Assainissement en matière de l'Environnement et de la Nature. Lorsque la subvention recouvrée provient du Fonds pour le boisement compensateur tel que visé à l'article 17 du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, elle est attribuée à ce Fonds.]1
Le Gouvernement flamand arrête les conditions et modalités d'octroi des subventions visées, dans les limites des crédits budgétaires. [2 Pour autant qu'il s'agisse de subventions de capital en vue de l'accroissement ou du développement de la superficie forestière, celles-ci sont attribuées pour le boisement :
1° de parcelles qui sont situées dans des zones désignées sur les plans d'aménagement ou sur les plans d'exécution spatiale et relevant de la catégorie des zones désignées " bois ", " autres zones vertes " ou " réserve et nature ". Une prescription d'affectation d'un plan d'aménagement est toutefois comparable à une catégorie de désignation de zone, si cette concordance est mentionnée dans le tableau, repris à l'article 7.4.13, alinéa premier, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ou à la liste de concordance, fixée en vertu de l'article 7.4.13, alinéa deux, précité du Code flamand de l'Aménagement du Territoire.
2° de parcelles situées dans une zone de protection spéciale telle que visée à l'article 2, 43°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, pour autant que le boisement est nécessaire à la réalisation d'objectifs de maintien.]2
[3 Si la subvention concerne l'achat de parcelles à boiser, elle peut s'élever à au maximum 60 % du prix d'achat ou 80 % du prix d'achat pour les terrains dans l'indication de zone " forêt " et " réserve et nature ", jusqu'à 3,5 euros par mètre carré au maximum. La subvention peut être cumulée avec des subventions d'autres autorités, mais les subventions cumulées ne peuvent pas être supérieures à 60 % du prix d'achat ou 80 % du prix d'achat pour les terrains dans l'indication de zone " forêt " et " réserve et nature ".]3
Si les conditions applicables aux subventions, ne sont pas respectées, la subvention peut être réclamée et affectée au Fonds de Prévention et d'Assainissement en matière de l'Environnement et de la Nature. Lorsque la subvention recouvrée provient du Fonds pour le boisement compensateur tel que visé à l'article 17 du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, elle est attribuée à ce Fonds.]1
Art. 49bis. [1 Voor de beplanting met houtachtige gewassen van gronden die eigendom zijn van publiekrechtelijke rechtspersonen en die gelegen zijn in agrarisch gebied verleent [2 het agentschap en]2 het daartoe aangestelde personeelslid van het departement Landbouw en Visserij een advies in het kader van de in artikel 35bis, § 5, van het Veldwetboek vereiste vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen. Het advies wordt verleend binnen een termijn van 20 dagen. De termijn begint te lopen op de datum van verzending. Bij gebrek aan advies binnen deze termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.]1
Art. 49bis. [1 Pour la plantation de végétations ligneuses sur des terres en propriété de personnes morales de droit public, situées en zone agricole, [2 l'agence et le membre du personnel du département de l'Agriculture et de la Pêche désigné à cet effet émettent un avis]2 dans le cadre de l'autorisation du Collège des Bourgmestre et Echevins requise par l'article 35bis, § 5, du Code rural. L'avis est émis dans un délai de 20 jours. Le délai prend cours à la date d'envoi. Faute d'avis dans ce délai, l'avis est censé être favorable.]1
Art.50. Met uitzondering van de kappingen bedoeld in artikel 55, § 2, punt 3 mag een kapping in andere dan domeinbossen die niet is opgenomen in het beheersplan slechts worden uitgevoerd en mag de verkoop of de exploitatie van het hout boven de door het beheersplan bepaalde gewone of bijkomende kappingen alleen plaatshebben met de machtiging van het [1 Agentschap]1.
[3 Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.]3
[4 ...]4
Bij overtreding van het bepaalde in het eerste lid, is de verkoop nietig. De kopers hebben een recht van verhaal tegen diegenen die zonder toestemming van [1 het Agentschap]1, de kappingen bevolen of toegelaten hebben.
[2 De Vlaamse Regering kan de kappingen bepalen die door hun geringe impact vrijgesteld worden van machtiging.]2
[3 Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.]3
[4 ...]4
Bij overtreding van het bepaalde in het eerste lid, is de verkoop nietig. De kopers hebben een recht van verhaal tegen diegenen die zonder toestemming van [1 het Agentschap]1, de kappingen bevolen of toegelaten hebben.
[2 De Vlaamse Regering kan de kappingen bepalen die door hun geringe impact vrijgesteld worden van machtiging.]2
Wijzigingen
Art.50. A l'exception des coupes visées à l'article 55, § 2, point 3, aucune coupe qui n'est pas prévue dans le plan de gestion ne peut être effectuée dans les bois autres que les bois domaniaux sans l'autorisation de [1 l'Agence]1 ainsi que la vente et l'exploitation du bois au-delà des coupes ordinaires ou supplémentaires.
[3 Conformément à l'article 6.4.4, § 3, du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, pour l'octroi d'une autorisation telle que visée à l'alinéa premier, ayant trait à un acte au niveau de biens protégés ou dans des biens protégés tels que visés dans ce décret, un avis est demandé à l'entité qui est chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier.]3
[4 ...]4
En cas d'infraction des dispositions du premier alinéa, la vente est nulle. Les adjudicataires peuvent exercer un recours contre ceux qui, sans autorisation [1 de l'Agence]1, ont ordonné ou autorisé les coupes.
[2 Le Gouvernement flamand peut déterminer les coupes qui, de par leur faible incidence, sont exemptées d'autorisation.]2
[3 Conformément à l'article 6.4.4, § 3, du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, pour l'octroi d'une autorisation telle que visée à l'alinéa premier, ayant trait à un acte au niveau de biens protégés ou dans des biens protégés tels que visés dans ce décret, un avis est demandé à l'entité qui est chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier.]3
[4 ...]4
En cas d'infraction des dispositions du premier alinéa, la vente est nulle. Les adjudicataires peuvent exercer un recours contre ceux qui, sans autorisation [1 de l'Agence]1, ont ordonné ou autorisé les coupes.
[2 Le Gouvernement flamand peut déterminer les coupes qui, de par leur faible incidence, sont exemptées d'autorisation.]2
Wijzigingen
Art.51. In de openbare bossen mogen geen gebruiksrechten, van welke aard ook worden verleend, behoudens machtiging van de Vlaamse Executieve.
Rechtshandelingen waarbij dergelijke rechten verleend worden zonder machtiging van de Vlaamse Executieve, zijn nietig.
Rechtshandelingen waarbij dergelijke rechten verleend worden zonder machtiging van de Vlaamse Executieve, zijn nietig.
Art.51. Aucun droit d'usage ne peut être accordé dans les bois publics sans autorisation de l'Exécutif flamand.
Des actes juridiques accordant de tels droits sans autorisation de l'Exécutif flamand, sont nuls.
Des actes juridiques accordant de tels droits sans autorisation de l'Exécutif flamand, sont nuls.
Art.52. [1 De Vlaamse Regering bepaalt de mogelijke manieren om bomen te merken als ze gekapt of verkocht worden of als ze voorbehouden zijn.]1
Art.52. [1 Le Gouvernement flamand détermine les différentes manières possibles de marquer les arbres s'ils sont coupés ou vendus ou s'ils ont été réservés.]1
Wijzigingen
Art.53. De eigenaar beslist of het hout bestemd is voor eigen gebruik, dan wel of het [1 ...]1 verkocht wordt volgens de bepalingen vervat in artikel 55.
Art.53. Le propriétaire décide si le bois est destiné à son usage propre ou si le bois sera vendu [1 ...]1 conformément aux dispositions de l'article 55.
Wijzigingen
Art. 53bis. [1 Om beroepsmatig als koper of exploitant te kunnen optreden in de openbare bossen, is een erkenning nodig. De Vlaamse Regering stelt de procedure en de voorwaarden vast voor die erkenning.
De Vlaamse Regering kan bepalen dat de erkenning, vermeld in het eerste lid, niet nodig is in de volgende gevallen:
1° voor kopers of exploitanten die jaarlijks maximaal een beperkte hoeveelheid hout kopen of exploiteren. De Vlaamse Regering bepaalt die hoeveelheid;
2° om hout te kopen waarvoor geen bosexploitatiewerkzaamheden uitgevoerd hoeven te worden;
3° om resthout te versnipperen dat bestemd is voor de afvoer als biomassa, als het resthout versnipperd wordt op de wegen die bestemd zijn voor het houttransport of op een houtstapelplaats die daarvoor ingericht is, en er bij het proces geen bosexploitatiewerkzaamheden meer uitgevoerd hoeven te worden.]1
De Vlaamse Regering kan bepalen dat de erkenning, vermeld in het eerste lid, niet nodig is in de volgende gevallen:
1° voor kopers of exploitanten die jaarlijks maximaal een beperkte hoeveelheid hout kopen of exploiteren. De Vlaamse Regering bepaalt die hoeveelheid;
2° om hout te kopen waarvoor geen bosexploitatiewerkzaamheden uitgevoerd hoeven te worden;
3° om resthout te versnipperen dat bestemd is voor de afvoer als biomassa, als het resthout versnipperd wordt op de wegen die bestemd zijn voor het houttransport of op een houtstapelplaats die daarvoor ingericht is, en er bij het proces geen bosexploitatiewerkzaamheden meer uitgevoerd hoeven te worden.]1
Art. 53bis. [1 L'intervention dans les bois publics en qualité d'acquéreur ou d'exploitant, à titre professionnel, nécessite un agrément. Le Gouvernement flamand fixe la procédure et les conditions pour cet agrément.
Le Gouvernement flamand peut stipuler que l'agrément visé à l'alinéa 1er n'est pas nécessaire dans les cas suivants :
1° pour les acquéreurs ou exploitants qui achètent ou exploitent annuellement au maximum une quantité limitée de bois. Le Gouvernement flamand détermine cette quantité ;
2° pour acheter du bois ne nécessitant pas d'activités d'exploitation forestière ;
3° pour broyer du bois résiduel destiné à être évacué comme biomasse, si le bois résiduel est broyé sur les routes destinées au transport du bois ou dans un entrepôt de bois aménagé à cet effet et que le processus ne nécessite plus d'activités d'exploitation forestière.]1
Le Gouvernement flamand peut stipuler que l'agrément visé à l'alinéa 1er n'est pas nécessaire dans les cas suivants :
1° pour les acquéreurs ou exploitants qui achètent ou exploitent annuellement au maximum une quantité limitée de bois. Le Gouvernement flamand détermine cette quantité ;
2° pour acheter du bois ne nécessitant pas d'activités d'exploitation forestière ;
3° pour broyer du bois résiduel destiné à être évacué comme biomasse, si le bois résiduel est broyé sur les routes destinées au transport du bois ou dans un entrepôt de bois aménagé à cet effet et que le processus ne nécessite plus d'activités d'exploitation forestière.]1
Afdeling II. - Verkopingen.
Section II. - Ventes.
Art.54. L'Exécutif flamand, (...), fixe les modalités et [1 les conditions à respecter lors de la vente de bois et d'autres produits forestiers]1.
Wijzigingen
Art.55. § 1. [2 Het hout wordt verkocht volgens de principes van openbaarheid, transparantie en mededinging.]2
§ 2. De Vlaamse Executieve bepaalt bij besluit de voorwaarden waarin, in de hierna opgesomde gevallen, uitzonderlijk een verkoop uit de hand toegelaten is :
1. voor de [loten] waarvoor geen voldoende aanbod werd verkregen [2 bij verkoop volgens de principes van openbaarheid, transparantie en mededinging]2;
2. voor de [2 windworp van niet-toegewezen bomen in de al toegewezen loten]2; deze windworp wordt in de eerste plaats aangeboden aan de kopers van de [loten];
3. voor de bomen die dringend geëxploiteerd moeten worden om sanitaire of veiligheidsredenen;
4. voor het [2 hout dat op onrechtmatige wijze is gekapt]2;
5. voor de bosprodukten andere dan het hout;
6. voor de [loten] van gering belang.
[2 De Vlaamse Regering bepaalt bij besluit de wijze waarop de marktconforme prijzen van onderhandse verkoop in domeinbossen worden vastgesteld.]2
[1 lid 3 opgeheven]1
[lid 4 opgeheven]
§ 2. De Vlaamse Executieve bepaalt bij besluit de voorwaarden waarin, in de hierna opgesomde gevallen, uitzonderlijk een verkoop uit de hand toegelaten is :
1. voor de [loten] waarvoor geen voldoende aanbod werd verkregen [2 bij verkoop volgens de principes van openbaarheid, transparantie en mededinging]2;
2. voor de [2 windworp van niet-toegewezen bomen in de al toegewezen loten]2; deze windworp wordt in de eerste plaats aangeboden aan de kopers van de [loten];
3. voor de bomen die dringend geëxploiteerd moeten worden om sanitaire of veiligheidsredenen;
4. voor het [2 hout dat op onrechtmatige wijze is gekapt]2;
5. voor de bosprodukten andere dan het hout;
6. voor de [loten] van gering belang.
[2 De Vlaamse Regering bepaalt bij besluit de wijze waarop de marktconforme prijzen van onderhandse verkoop in domeinbossen worden vastgesteld.]2
[1 lid 3 opgeheven]1
[lid 4 opgeheven]
Art.55. § 1. [2 Le bois est vendu suivant les principes de publicité, de transparence et de concurrence.]2
§ 2. L'Exécutif flamand fixe par arrêté les conditions permettant exceptionnellement, dans les cas suivants, une vente de gré à gré :
1. les [lots] pour [2 lesquels]2 aucune offre valable n'a été obtenue [2 lors de la vente suivant les principes de publicité, de transparence et de concurrence]2;
2. [2 le chablis d'arbres non adjugés dans les lots déjà adjugés]2; celui-ci sera offert en premier lieu aux adjudicataires des [lots];
3. les arbres à exploiter d'urgence pour des raisons sanitaires ou de sécurité;
4. le [2 bois coupé de façon irrégulière]2;
5. les produits forestiers autres que le bois;
6. les [lots] de moindre importance.
[2 Le Gouvernement flamand détermine par arrêté le mode de fixation des prix de vente de gré à gré, conformes au marché, dans les bois domaniaux.]2]
[1 alinéa 3 abrogé]1
[alinéa 4 abrogé]
§ 2. L'Exécutif flamand fixe par arrêté les conditions permettant exceptionnellement, dans les cas suivants, une vente de gré à gré :
1. les [lots] pour [2 lesquels]2 aucune offre valable n'a été obtenue [2 lors de la vente suivant les principes de publicité, de transparence et de concurrence]2;
2. [2 le chablis d'arbres non adjugés dans les lots déjà adjugés]2; celui-ci sera offert en premier lieu aux adjudicataires des [lots];
3. les arbres à exploiter d'urgence pour des raisons sanitaires ou de sécurité;
4. le [2 bois coupé de façon irrégulière]2;
5. les produits forestiers autres que le bois;
6. les [lots] de moindre importance.
[2 Le Gouvernement flamand détermine par arrêté le mode de fixation des prix de vente de gré à gré, conformes au marché, dans les bois domaniaux.]2]
[1 alinéa 3 abrogé]1
[alinéa 4 abrogé]
Art.60. In geval van onverdeeldheid tussen de Staat, de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest en andere eigenaars van openbaar bos en indien er geen bijzondere overeenkomst bestaat, waarin bepaald wordt dat een afhouding op de opbrengst van de verkopen bestemd moet worden voor het Fonds voor Preventie en Sanering inzake milieu en natuur en aangewend voor beheer en onderhoud van de bossen, dient voor elke verdeling een afhouding te geschieden voor het beheer en het onderhoud van de bossen onder voorwaarden bepaald door de Vlaamse Executieve.
Art.60. En cas d'indivision entre l'Etat, la Communauté flamande ou la Région flamande et les autres propriétaires de bois publics et à défaut d'une convention particulière stipulant qu'un prélèvement sur le produit des ventes est versé au Fonds pour la Prévention et l'Assainissement en matière d'environnement et de nature et est affecté à la gestion et à l'entretien des bois, un prélèvement doit être effectué avant toute répartition pour la gestion et l'entretien des bois dans les conditions arrêtées par l'Exécutif flamand.
Afdeling III. - Exploitatie.
Section III. - Exploitation.
Art.62. [1 Voor de loten die verkocht zijn bij een verkoop die het Agentschap georganiseerd heeft, mag niet begonnen worden met de kapping zonder een voorafgaande betalingsbevestiging van het Agentschap.
Voor de loten die verkocht zijn bij een verkoop die een ander openbaar bestuur of zijn aangestelde georganiseerd heeft, mag niet begonnen worden met de kapping zonder een voorafgaande betalingsbevestiging van het betrokken openbaar bestuur of de betrokken aangestelde.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor de betalingsbevestiging, vermeld in het eerste lid.]1
Voor de loten die verkocht zijn bij een verkoop die een ander openbaar bestuur of zijn aangestelde georganiseerd heeft, mag niet begonnen worden met de kapping zonder een voorafgaande betalingsbevestiging van het betrokken openbaar bestuur of de betrokken aangestelde.
De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten voor de betalingsbevestiging, vermeld in het eerste lid.]1
Art.62. [1 En ce qui concerne les lots vendus dans le cadre d'une vente organisée par l'Agence, la coupe ne peut pas être entamée sans confirmation de paiement préalable de l'Agence.
En ce qui concerne les lots vendus dans le cadre d'une vente organisée par une autre administration publique ou son préposé, la coupe ne peut pas être entamée sans confirmation de paiement préalable de l'administration publique concernée ou du préposé concerné.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la confirmation de paiement visée à l'alinéa 1er.]1
En ce qui concerne les lots vendus dans le cadre d'une vente organisée par une autre administration publique ou son préposé, la coupe ne peut pas être entamée sans confirmation de paiement préalable de l'administration publique concernée ou du préposé concerné.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de la confirmation de paiement visée à l'alinéa 1er.]1
Wijzigingen
Art.64. [1 De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de volgende aspecten van de exploitatie:
1° de omgang met bomen die tijdens de exploitatie ten onrechte gekapt zijn;
2° het vermijden van schade bij de uitvoering van de exploitatie;
3° het tijdstip van de exploitatie;
4° de termijn voor de uitvoering van de exploitatie;
5° het transport van hout en andere bosproducten;
6° de controle van de exploitatie.]1
1° de omgang met bomen die tijdens de exploitatie ten onrechte gekapt zijn;
2° het vermijden van schade bij de uitvoering van de exploitatie;
3° het tijdstip van de exploitatie;
4° de termijn voor de uitvoering van de exploitatie;
5° het transport van hout en andere bosproducten;
6° de controle van de exploitatie.]1
Art.64. [1 Le Gouvernement flamand fixe les modalités relatives aux aspects suivants de l'exploitation :
1° la gestion des arbres coupés indûment durant l'exploitation ;
2° la prévention des dommages lors de l'exécution de l'exploitation ;
3° la période de l'exploitation ;
4° le délai d'exécution de l'exploitation ;
5° le transport du bois et d'autres produits forestiers ;
6° le contrôle de l'exploitation.]1
1° la gestion des arbres coupés indûment durant l'exploitation ;
2° la prévention des dommages lors de l'exécution de l'exploitation ;
3° la période de l'exploitation ;
4° le délai d'exécution de l'exploitation ;
5° le transport du bois et d'autres produits forestiers ;
6° le contrôle de l'exploitation.]1
Wijzigingen
Art.74. De kopers en hun borgen zijn burgerlijk aansprakelijk voor de schadevergoedingen en teruggaven voor bosmisdrijven die in [1 het lot]1 gepleegd zijn door de houthakkers, vervoerders en alle personen die voor rekening van de kopers werken.
[1 In voorkomend geval zijn aannemers van een exploitatie, bij bosmisdrijven als vermeld in het eerste lid, hoofdelijk aansprakelijk, samen met de koper.]1
[1 In voorkomend geval zijn aannemers van een exploitatie, bij bosmisdrijven als vermeld in het eerste lid, hoofdelijk aansprakelijk, samen met de koper.]1
Art.74. Les adjudicataires et leurs cautions sont responsables des indemnisations et restitutions encourues pour délits forestiers commis dans [1 le lot]1 par les bûcherons, transporteurs et toute personne travaillant pour le compte des adjudicataires.
[1 Le cas échéant, les entrepreneurs d'une exploitation sont solidairement responsables avec l'adjudicataire des délits forestiers tels que visés à l'alinéa 1er.]1
[1 Le cas échéant, les entrepreneurs d'une exploitation sont solidairement responsables avec l'adjudicataire des délits forestiers tels que visés à l'alinéa 1er.]1
Wijzigingen
Afdeling IV. - Schouwing en controle.
Section IV. - Récolement et contrôle.
HOOFDSTUK VII. - Bijzondere bepalingen betreffende de privé-bossen.
CHAPITRE VII. - Dispositions particulières relatives aux bois privés.
Art.81. Kappingen voorzien in een goedgekeurd beheersplan mogen onmiddellijk worden uitgevoerd en zijn niet meldingsplichtig.
[Indien onverwijld moet worden overgegaan tot kapping om veiligheidsredenen moet de kapping en de motivering ervan ten laatste 24 uur na het aanvangen van de kapping schriftelijk worden medegedeeld aan het [1 Agentschap]1 [2 ...]2. Indien dringend moet worden overgegaan tot kapping om sanitaire redenen, moet de kapping en de motivering ervan minstens veertien dagen voor het aanvangen van de kapping aan het [1 Agentschap]1 schriftelijk worden meegedeeld.]
[Binnen een termijn van zes maanden na het uitvoeren van de voormelde kappingen dient de bosbeheerder een voorstel van herstelmaatregelen, gaande van de herbebossing van de gekapte of beschadigde percelen tot een gelijkwaardige oppervlakte, met inbegrip van spontane herbebossing, ter goedkeuring aan het [1 Agentschap]1 voor te leggen. Wanneer de bosbeheerder geen herstelmaatregelen voorlegt binnen die termijn of wanneer hij in gebreke blijft om de goedgekeurde herstelmaatregelen uit te voeren binnen een termijn van één jaar na de goedkeuring van het al dan niet gewijzigde voorstel of wanneer binnen deze termijn de spontane herbebossing geen of onvoldoende resultaten opgeleverd heeft, kan het [1 Agentschap]1 de werken op kosten van de bosbeheerders laten uitvoeren. De kosten worden verhaald door toezending via een aangetekende zending van de kostenstaat aan de bosbeheerder.]
[3 Voor alle andere kappingen moet een machtiging gevraagd worden aan het Agentschap. Kappingen andere dan vermeld in het eerste tot en met het derde lid waarvoor geen machtiging is verleend, alsook het niet naleven van de voorwaarden van een machtiging, zijn verboden.]3
[5 Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het vierde lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.]5
Het [1 Agentschap]1 beslist binnen de zestig dagen na de datum van indiening van het verzoek of de kapping kan worden uitgevoerd, waarvan onverwijld mededeling wordt gegeven aan de betrokken gemeentebesturen. Na verloop van deze termijn wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.
[6 ...]6
[4 De Vlaamse Regering kan de kappingen bepalen die door hun geringe impact vrijgesteld worden van machtiging.]4
[Indien onverwijld moet worden overgegaan tot kapping om veiligheidsredenen moet de kapping en de motivering ervan ten laatste 24 uur na het aanvangen van de kapping schriftelijk worden medegedeeld aan het [1 Agentschap]1 [2 ...]2. Indien dringend moet worden overgegaan tot kapping om sanitaire redenen, moet de kapping en de motivering ervan minstens veertien dagen voor het aanvangen van de kapping aan het [1 Agentschap]1 schriftelijk worden meegedeeld.]
[Binnen een termijn van zes maanden na het uitvoeren van de voormelde kappingen dient de bosbeheerder een voorstel van herstelmaatregelen, gaande van de herbebossing van de gekapte of beschadigde percelen tot een gelijkwaardige oppervlakte, met inbegrip van spontane herbebossing, ter goedkeuring aan het [1 Agentschap]1 voor te leggen. Wanneer de bosbeheerder geen herstelmaatregelen voorlegt binnen die termijn of wanneer hij in gebreke blijft om de goedgekeurde herstelmaatregelen uit te voeren binnen een termijn van één jaar na de goedkeuring van het al dan niet gewijzigde voorstel of wanneer binnen deze termijn de spontane herbebossing geen of onvoldoende resultaten opgeleverd heeft, kan het [1 Agentschap]1 de werken op kosten van de bosbeheerders laten uitvoeren. De kosten worden verhaald door toezending via een aangetekende zending van de kostenstaat aan de bosbeheerder.]
[3 Voor alle andere kappingen moet een machtiging gevraagd worden aan het Agentschap. Kappingen andere dan vermeld in het eerste tot en met het derde lid waarvoor geen machtiging is verleend, alsook het niet naleven van de voorwaarden van een machtiging, zijn verboden.]3
[5 Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het vierde lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.]5
Het [1 Agentschap]1 beslist binnen de zestig dagen na de datum van indiening van het verzoek of de kapping kan worden uitgevoerd, waarvan onverwijld mededeling wordt gegeven aan de betrokken gemeentebesturen. Na verloop van deze termijn wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd.
[6 ...]6
[4 De Vlaamse Regering kan de kappingen bepalen die door hun geringe impact vrijgesteld worden van machtiging.]4
Wijzigingen
Art.81. Les coupes prévues dans un plan de gestion approuvé peuvent être exécutées immédiatement et ne sont pas soumis à déclaration.
[S'il y a lieu de procéder sans tarder à des coupes pour des raisons de sécurité, la coupe et sa motivation doivent être notifiées à [1 l'Agence]1 au plus tard 24 heures après le début de la coupe [2 ...]2. Si la coupe s'avère nécessaire pour des raisons sanitaires, la coupe et sa motivation doivent être notifiées à [1 l'Agence]1 au moins quatorze jours avant le début de la coupe.]
[Dans un délai de six mois suivant l'exécution des coupes précitées, le gestionnaire forestier doit soumettre à l'approbation de [1 l'Agence]1 une proposition de mesures de remise en état consistant en un reboisement des parcelles coupées et endommagées à concurrence d'une superficie équivalente, y compris une régénération spontanée. Lorsque le gestionnaire forestier ne propose pas de mesures de remise en état dans le délai précité ou lorsqu'il omet d'exécuter les mesures de remise en état approuvées dans un délai d'un an suivant l'approbation de la proposition, modifiée ou non, ou lorsque, dans ce délai, la régénération spontanée n'a eu aucun ou peu de résultat, [1 l'Agence]1 peut faire exécuter les travaux aux frais des gestionnaires forestiers. Les frais sont récupérés par l'envoi, par lettre recommandée, de l'état des charges au gestionnaire forestier.]
[3 Pour toutes les autres coupes une autorisation doit être demandée à l'Agence. Les coupes autres que celles visées au premier jusqu'au troisième alinéa inclus qui n'ont pas été autorisées, ainsi que le non-respect des conditions d'autorisation, sont interdits.]3
[5 Conformément à l'article 6.4.4, § 3, du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, pour l'octroi d'une autorisation telle que visée à l'alinéa premier, ayant trait à un acte au niveau de biens protégés ou dans des biens protégés tels que visés dans ce décret, un avis est demandé à l'entité qui est chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier. ]5
[1 L'Agence]1 décide dans les soixante jours de la date de l'introduction de la demande d'exécution de la coupe; cette décision est notifiée sans tarder aux administrations communales concernées. A l'expiration de ce délai, la demande est réputée recueillie.
[6 ...]6
[4 Le Gouvernement flamand peut déterminer les coupes qui, de par leur faible incidence, sont exemptées d'autorisation.]4
[S'il y a lieu de procéder sans tarder à des coupes pour des raisons de sécurité, la coupe et sa motivation doivent être notifiées à [1 l'Agence]1 au plus tard 24 heures après le début de la coupe [2 ...]2. Si la coupe s'avère nécessaire pour des raisons sanitaires, la coupe et sa motivation doivent être notifiées à [1 l'Agence]1 au moins quatorze jours avant le début de la coupe.]
[Dans un délai de six mois suivant l'exécution des coupes précitées, le gestionnaire forestier doit soumettre à l'approbation de [1 l'Agence]1 une proposition de mesures de remise en état consistant en un reboisement des parcelles coupées et endommagées à concurrence d'une superficie équivalente, y compris une régénération spontanée. Lorsque le gestionnaire forestier ne propose pas de mesures de remise en état dans le délai précité ou lorsqu'il omet d'exécuter les mesures de remise en état approuvées dans un délai d'un an suivant l'approbation de la proposition, modifiée ou non, ou lorsque, dans ce délai, la régénération spontanée n'a eu aucun ou peu de résultat, [1 l'Agence]1 peut faire exécuter les travaux aux frais des gestionnaires forestiers. Les frais sont récupérés par l'envoi, par lettre recommandée, de l'état des charges au gestionnaire forestier.]
[3 Pour toutes les autres coupes une autorisation doit être demandée à l'Agence. Les coupes autres que celles visées au premier jusqu'au troisième alinéa inclus qui n'ont pas été autorisées, ainsi que le non-respect des conditions d'autorisation, sont interdits.]3
[5 Conformément à l'article 6.4.4, § 3, du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, pour l'octroi d'une autorisation telle que visée à l'alinéa premier, ayant trait à un acte au niveau de biens protégés ou dans des biens protégés tels que visés dans ce décret, un avis est demandé à l'entité qui est chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier. ]5
[1 L'Agence]1 décide dans les soixante jours de la date de l'introduction de la demande d'exécution de la coupe; cette décision est notifiée sans tarder aux administrations communales concernées. A l'expiration de ce délai, la demande est réputée recueillie.
[6 ...]6
[4 Le Gouvernement flamand peut déterminer les coupes qui, de par leur faible incidence, sont exemptées d'autorisation.]4
Art.82. De voorschriften van dit decreet heffen de ermede strijdige bepalingen van de gemeentelijke en provinciale verordeningen van rechtswege op.
De besluiten van de gemeenteraad en de provincieraad tot aanneming of wijziging van de gemeentelijke en provinciale verordeningen, voor zover zij betrekking hebben op aangelegenheden die in dit decreet of haar uitvoeringsbesluiten worden geregeld, worden aan het advies van het [1 Agentschap]1 en aan de goedkeuring van de Vlaamse Executieve onderworpen.
De besluiten van de gemeenteraad en de provincieraad tot aanneming of wijziging van de gemeentelijke en provinciale verordeningen, voor zover zij betrekking hebben op aangelegenheden die in dit decreet of haar uitvoeringsbesluiten worden geregeld, worden aan het advies van het [1 Agentschap]1 en aan de goedkeuring van de Vlaamse Executieve onderworpen.
Art.82. Les dispositions du présent décret abrogent de droit les dispositions contraires des règlements provinciaux et communaux.
Les arrêtés du conseil communal et du conseil provincial portant ou modifiant des règlements communaux et provinciaux, pour autant qu'ils se rapportent aux matières réglées par le présent décret ou ses arrêtés d'exécution, sont soumis à l'avis de [1 l'Agence]1 et à l'approbation de l'Exécutif flamand.
Les arrêtés du conseil communal et du conseil provincial portant ou modifiant des règlements communaux et provinciaux, pour autant qu'ils se rapportent aux matières réglées par le présent décret ou ses arrêtés d'exécution, sont soumis à l'avis de [1 l'Agence]1 et à l'approbation de l'Exécutif flamand.
Wijzigingen
Art.83. Het [1 Agentschap]1 kan toezicht uitoefenen op het merken, het kappen en de aflevering van de gevelde bomen, de werkzaamheden tot verjonging, de herbebossing en bebossing.
Art.83. [1 L'Agence]1 peut exercer un contrôle sur le marquage, la coupe et la délivrance des arbres abattus, ainsi que sur les travaux de régénération, de boisement et de reboisement.
Wijzigingen
Art.84. De bosbeheerder van privé-bossen kan een beroep doen op het [2 Agentschap]2 om hem advies te verlenen. Onder de voorwaarden die door de Vlaamse Regering worden bepaald, kan desgevallend een kostendekkende vergoeding worden gevraagd.
[1 Het Vlaamse Gewest kan met de eigenaar van een privébos een niet-verlengbare overeenkomst, met een maximumlooptijd van vijf jaar, afsluiten voor het beheer van het privébos door het Agentschap, voor zover dit gebeurt als een overgangsregeling, ter voorbereiding van een aankoop met het oog op omzetting tot domeinbos. In afwijking van artikel 37 worden deze bossen in dat geval volledig beheerd door het Agentschap, overeenkomstig de bepalingen geldend voor domeinbossen. In de vermelde overeenkomst wordt bepaald dat de op grond van deze overeenkomst gemaakte beheerkosten dienen te worden terugbetaald, indien de voorziene aankoop binnen de vijf jaar na het afsluiten van de overeenkomst geen doorgang gevonden heeft.]1
[1 Het Vlaamse Gewest kan met de eigenaar van een privébos een niet-verlengbare overeenkomst, met een maximumlooptijd van vijf jaar, afsluiten voor het beheer van het privébos door het Agentschap, voor zover dit gebeurt als een overgangsregeling, ter voorbereiding van een aankoop met het oog op omzetting tot domeinbos. In afwijking van artikel 37 worden deze bossen in dat geval volledig beheerd door het Agentschap, overeenkomstig de bepalingen geldend voor domeinbossen. In de vermelde overeenkomst wordt bepaald dat de op grond van deze overeenkomst gemaakte beheerkosten dienen te worden terugbetaald, indien de voorziene aankoop binnen de vijf jaar na het afsluiten van de overeenkomst geen doorgang gevonden heeft.]1
Art.84. [2 L'agence]2 de bois publics peut faire appel à l'Administration forestière pour des services de conseil. Une indemnite couvrant les frais peut être réclamée, aux conditions que le Gouvernement flamand arrête.
[1 La région flamande peut conclure, avec le propriétaire d'un bois privé, une convention non renouvelable, d'une durée maximum de cinq ans, pour la gestion du bois privé par l'Agence, pour autant qu'il s'agisse d'un règlement transitoire en préparation d'un achat en vue de la conversion en forêt domaniale. Par dérogation à l'article 37, ces bois relèvent dans ce cas entièrement de la gestion par l'Agence, conformément aux dispositions relatives aux bois domaniaux. La convention précitée stipule que les frais de gestion occasionnés par l'application de la présente convention doivent être remboursés, si l'achat prévu n'a pas eu lieu dans les cinq ans après la conclusion de la convention.]1
[1 La région flamande peut conclure, avec le propriétaire d'un bois privé, une convention non renouvelable, d'une durée maximum de cinq ans, pour la gestion du bois privé par l'Agence, pour autant qu'il s'agisse d'un règlement transitoire en préparation d'un achat en vue de la conversion en forêt domaniale. Par dérogation à l'article 37, ces bois relèvent dans ce cas entièrement de la gestion par l'Agence, conformément aux dispositions relatives aux bois domaniaux. La convention précitée stipule que les frais de gestion occasionnés par l'application de la présente convention doivent être remboursés, si l'achat prévu n'a pas eu lieu dans les cinq ans après la conclusion de la convention.]1
Art.87. Voor elke beplanting met houtachtige gewassen van minstens een halve hectare volgens een plan, goedgekeurd door het [1 Agentschap]1, kunnen door de Vlaamse Executieve subsidies verleend worden. [2 De Vlaamse Regering kan tevens subsidies verlenen met het oog op de bescherming, de ontwikkeling, het herstel, het behoud en de uitbreiding van het bosareaal, voor zover deze activiteiten beantwoorden aan de criteria [10 , vermeld in artikel 16septies, zevende lid, van het decreet Natuurbehoud]10. [10 Als de subsidie betrekking heeft op de aankoop van te bebossen percelen, kan ze maximaal 60 % van de aankoopsom bedragen of 80 % van de aankoopsom voor gronden in de gebiedsaanduiding `bos' en `reservaat en natuur', tot maximaal 3,5 euro per vierkante meter. De subsidie kan gecumuleerd worden met subsidies van andere overheden, maar de gecumuleerde subsidies mogen niet meer bedragen dan 60 % van de aankoopsom of 80 % van de aankoopsom voor gronden in de gebiedsaanduiding `bos' en `reservaat en natuur'.]10 ]2
De Vlaamse Executieve bepaalt de nadere voorwaarden en de wijze van toekenning voor genoemde subsidies, binnen de perken van de begrotingskredieten. [2 [6 Voor zover het gaat om kapitaalsubsidies gericht op uitbreiding of ontwikkeling van het bosareaal, worden deze toegekend met het oog op bebossingen:
1° op percelen die gelegen zijn in gebieden aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen en sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos", "overig groen" of "reservaat en natuur". Een bestemmingsvoorschrift van een plan van aanleg is alleszins vergelijkbaar met een categorie van gebiedsaanduiding, indien deze concordantie vermeld wordt in de tabel, opgenomen in artikel 7.4.13, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in de concordantielijst, bepaald krachtens voornoemd artikel 7.4.13, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Deze bebossingen of herbebossingen gebeuren bij voorkeur in het kader van de te realiseren instandhoudingsdoelstellingen;
2° op percelen gelegen in een speciale beschermingszone zoals vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, voor zover de bebossing nodig is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen.]6 ]2
Indien de voorwaarden, die aan de subsidies verbonden werden, niet werden nageleefd, kan de subsidie teruggevorderd worden en toegewezen aan het [Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur dat is ingeschreven in de begroting van het Vlaamse Gewest] overeenkomstig de bepalingen van artikel 13. [2 Wanneer de teruggevorderde subsidie afkomstig is uit het Fonds voor Compenserende Bebossing zoals bedoeld in artikel 17 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, wordt zij toegewezen aan dat Fonds.]2
[4 Voor de beplanting met houtachtige gewassen van gronden gelegen [11 in agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied]11 verleent [12 het agentschap en]12 het daartoe aangestelde personeelslid van het departement Landbouw en Visserij een advies in het kader van de in artikel 35bis, § 5, van het Veldwetboek vereiste vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen. Het advies wordt verleend binnen een termijn van 20 dagen. De termijn begint te lopen op de datum van verzending. Bij gebrek aan advies binnen deze termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.]4
[8 Voor de rooiing binnen een termijn van 22 jaar na de aanplanting of na spontane bebossing [11 met als bedoeling terug te keren naar gebruik als landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwer, exploitatie en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid]11, is in afwijking van de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing, zoals bepaald in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, enkel een voorafgaande eenvoudige melding van de rooiing aan de landbouwkundig ingenieur van de Dienst Landbouw en de ambtenaar vereist. In het geval van exploitatie van de houtachtige gewassen, vermeld in het vierde lid, bedraagt deze termijn evenwel drie jaar na de laatste exploitatie. Van deze melding stelt de ambtenaar onverwijld het college van burgemeester en schepenen en het [9 Departement Omgeving]9 in kennis. De hiervoor bedoelde termijnen kunnen door de Vlaamse Regering worden aangepast.]8
[1 lid 6 opgeheven]1
[De Vlaamse regering bepaalt criteria voor ecologisch verantwoorde bebossing en bosuitbreiding.]
De Vlaamse Executieve bepaalt de nadere voorwaarden en de wijze van toekenning voor genoemde subsidies, binnen de perken van de begrotingskredieten. [2 [6 Voor zover het gaat om kapitaalsubsidies gericht op uitbreiding of ontwikkeling van het bosareaal, worden deze toegekend met het oog op bebossingen:
1° op percelen die gelegen zijn in gebieden aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen en sorterend onder de categorie van gebiedsaanduiding "bos", "overig groen" of "reservaat en natuur". Een bestemmingsvoorschrift van een plan van aanleg is alleszins vergelijkbaar met een categorie van gebiedsaanduiding, indien deze concordantie vermeld wordt in de tabel, opgenomen in artikel 7.4.13, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of in de concordantielijst, bepaald krachtens voornoemd artikel 7.4.13, tweede lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Deze bebossingen of herbebossingen gebeuren bij voorkeur in het kader van de te realiseren instandhoudingsdoelstellingen;
2° op percelen gelegen in een speciale beschermingszone zoals vermeld in artikel 2, 43°, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, voor zover de bebossing nodig is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen.]6 ]2
Indien de voorwaarden, die aan de subsidies verbonden werden, niet werden nageleefd, kan de subsidie teruggevorderd worden en toegewezen aan het [Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur dat is ingeschreven in de begroting van het Vlaamse Gewest] overeenkomstig de bepalingen van artikel 13. [2 Wanneer de teruggevorderde subsidie afkomstig is uit het Fonds voor Compenserende Bebossing zoals bedoeld in artikel 17 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, wordt zij toegewezen aan dat Fonds.]2
[4 Voor de beplanting met houtachtige gewassen van gronden gelegen [11 in agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied]11 verleent [12 het agentschap en]12 het daartoe aangestelde personeelslid van het departement Landbouw en Visserij een advies in het kader van de in artikel 35bis, § 5, van het Veldwetboek vereiste vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen. Het advies wordt verleend binnen een termijn van 20 dagen. De termijn begint te lopen op de datum van verzending. Bij gebrek aan advies binnen deze termijn, wordt het advies geacht gunstig te zijn.]4
[8 Voor de rooiing binnen een termijn van 22 jaar na de aanplanting of na spontane bebossing [11 met als bedoeling terug te keren naar gebruik als landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwer, exploitatie en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid]11, is in afwijking van de stedenbouwkundige vergunningsplicht voor ontbossing, zoals bepaald in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, enkel een voorafgaande eenvoudige melding van de rooiing aan de landbouwkundig ingenieur van de Dienst Landbouw en de ambtenaar vereist. In het geval van exploitatie van de houtachtige gewassen, vermeld in het vierde lid, bedraagt deze termijn evenwel drie jaar na de laatste exploitatie. Van deze melding stelt de ambtenaar onverwijld het college van burgemeester en schepenen en het [9 Departement Omgeving]9 in kennis. De hiervoor bedoelde termijnen kunnen door de Vlaamse Regering worden aangepast.]8
[1 lid 6 opgeheven]1
[De Vlaamse regering bepaalt criteria voor ecologisch verantwoorde bebossing en bosuitbreiding.]
Wijzigingen
Art.87. Toute plantation d'essences ligneuses d'au moins un demi-hectare suivant un plan approuvé par [1 l'Agence]1, peut être subventionnée par l'Exécutif flamand. [2 Le Gouvernement flamand peut également accorder des subventions en vue de la protection, du développement, de la remise en état, de la conservation et de l'accroissement de la superficie forestière, pour autant que ces activités répondent aux critères [10 , visés à l'article 16septies, alinéa 7, du décret sur la Conservation de la Nature ]10 [10 Si la subvention concerne l'achat de parcelles à boiser, elle peut s'élever à au maximum 60 % du prix d'achat ou 80 % du prix d'achat pour les terrains dans l'indication de zone " forêt " et " réserve et nature ", jusqu'à 3,5 euros par mètre carré au maximum. La subvention peut être cumulée avec des subventions d'autres autorités, mais les subventions cumulées ne peuvent pas être supérieures à 60 % du prix d'achat ou 80 % du prix d'achat pour les terrains dans l'indication de zone " forêt " et " réserve et nature ".]10 ]2
L'Exécutif flamand fixe les critères et les modalités d'octroi desdites subventions, dans les limites des crédits budgétaires. [2 [6 Pour autant qu'il s'agisse de subventions de capital en vue d'un autre accroissement ou développement de la superficie forestière, celles-ci sont attribuées pour le boisement :
1° de parcelles qui sont situées dans des zones désignées sur les plans d'aménagement ou sur les plans d'exécution spatiale et relevant de la catégorie des zones désignées " bois ", " autres zones vertes " ou " réserve et nature ". Une prescription d'affectation d'un plan d'aménagement est toutefois comparable à une catégorie de désignation de zone, si cette concordance est mentionnée dans le tableau, repris à l'article 7.4.13, alinéa premier, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ou à la liste de concordance, fixée en vertu de l'article 7.4.13, alinéa deux, précité du Code flamand de l'Aménagement du Territoire. Ces boisements ou reboisements se font de préférence dans le cadre d'objectifs de maintien à réaliser ;
2° de parcelles situées dans une zone de protection spéciale telle que visée à l'article 2, 43°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, pour autant que le boisement est nécessaire à la réalisation d'objectifs de maintien.]6 ]2
S'il n'est pas satisfait aux conditions d'octroi de subventions, la subvention peut être répétée et attribuée au [Fonds de prévention et d'assainissement en matière de l'environnement et de la nature qui est inscrit au budget de la Région flamande] conformément aux dispositions de l'article 13. [2 Lorsque la subvention recouvrée provient du Fonds pour le boisement compensateur tel que visé à l'article 17 du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, elle est attribuée à ce Fonds.]2
[4 Pour la plantation de végétations ligneuses sur des terres situées [11 en zone agricole ou dans une zone d'affectation assimilée]11, [12 l'agence et le membre du personnel du département de l'Agriculture et de la Pêche désigné à cet effet émettent un avis]12 dans le cadre de l'autorisation du Collège des Bourgmestre et Echevins requise par l'article 35bis, § 5, du Code rural. L'avis est émis dans un délai de 20 jours. Le délai prend cours à la date d'envoi. Faute d'avis dans ce délai, l'avis est censé être favorable.]4
[8 Par dérogation à l'obligation d'autorisation urbanistique pour le déboisement visée à l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, le défrichement dans un délai de 22 ans suivant la plantation ou le boisement spontané [11 , dans le but de revenir à une utilisation comme terre agricole telle que visée à l'article 2, 12°, du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, ]11 ne requiert qu'une simple notification préalable à l'ingénieur agronome du Service de l'Agriculture et au fonctionnaire. Ce délai est toutefois de trois ans suivant la dernière exploitation dans le cas d'exploitation des essences ligneuses visées à l'alinéa 4. Cette notification est communiquée, sans délai, par le fonctionnaire, au collège des bourgmestre et échevins et au [9 Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire]9. Les délai susvisés peuvent être modifiés par le Gouvernement flamand.]8
[1 alinéa 6 abrogé]1
[Le Gouvernement flamand arrête les critères de boisement et d'extension forestière écologiques.]
L'Exécutif flamand fixe les critères et les modalités d'octroi desdites subventions, dans les limites des crédits budgétaires. [2 [6 Pour autant qu'il s'agisse de subventions de capital en vue d'un autre accroissement ou développement de la superficie forestière, celles-ci sont attribuées pour le boisement :
1° de parcelles qui sont situées dans des zones désignées sur les plans d'aménagement ou sur les plans d'exécution spatiale et relevant de la catégorie des zones désignées " bois ", " autres zones vertes " ou " réserve et nature ". Une prescription d'affectation d'un plan d'aménagement est toutefois comparable à une catégorie de désignation de zone, si cette concordance est mentionnée dans le tableau, repris à l'article 7.4.13, alinéa premier, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ou à la liste de concordance, fixée en vertu de l'article 7.4.13, alinéa deux, précité du Code flamand de l'Aménagement du Territoire. Ces boisements ou reboisements se font de préférence dans le cadre d'objectifs de maintien à réaliser ;
2° de parcelles situées dans une zone de protection spéciale telle que visée à l'article 2, 43°, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel, pour autant que le boisement est nécessaire à la réalisation d'objectifs de maintien.]6 ]2
S'il n'est pas satisfait aux conditions d'octroi de subventions, la subvention peut être répétée et attribuée au [Fonds de prévention et d'assainissement en matière de l'environnement et de la nature qui est inscrit au budget de la Région flamande] conformément aux dispositions de l'article 13. [2 Lorsque la subvention recouvrée provient du Fonds pour le boisement compensateur tel que visé à l'article 17 du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, elle est attribuée à ce Fonds.]2
[4 Pour la plantation de végétations ligneuses sur des terres situées [11 en zone agricole ou dans une zone d'affectation assimilée]11, [12 l'agence et le membre du personnel du département de l'Agriculture et de la Pêche désigné à cet effet émettent un avis]12 dans le cadre de l'autorisation du Collège des Bourgmestre et Echevins requise par l'article 35bis, § 5, du Code rural. L'avis est émis dans un délai de 20 jours. Le délai prend cours à la date d'envoi. Faute d'avis dans ce délai, l'avis est censé être favorable.]4
[8 Par dérogation à l'obligation d'autorisation urbanistique pour le déboisement visée à l'article 4.2.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, le défrichement dans un délai de 22 ans suivant la plantation ou le boisement spontané [11 , dans le but de revenir à une utilisation comme terre agricole telle que visée à l'article 2, 12°, du décret du 22 décembre 2006 portant création d'une identification commune d'agriculteurs, d'exploitations et de terres agricoles dans le cadre de la politique relative aux engrais et de la politique de l'agriculture, ]11 ne requiert qu'une simple notification préalable à l'ingénieur agronome du Service de l'Agriculture et au fonctionnaire. Ce délai est toutefois de trois ans suivant la dernière exploitation dans le cas d'exploitation des essences ligneuses visées à l'alinéa 4. Cette notification est communiquée, sans délai, par le fonctionnaire, au collège des bourgmestre et échevins et au [9 Département de l'Environnement et de l'Aménagement du Territoire]9. Les délai susvisés peuvent être modifiés par le Gouvernement flamand.]8
[1 alinéa 6 abrogé]1
[Le Gouvernement flamand arrête les critères de boisement et d'extension forestière écologiques.]
Wijzigingen
Art.88. Op basis van de goedgekeurde lange-termijnplanning zoals bepaald in artikel 6 kan de Vlaamse Executieve subsidiëringsstelsels instellen volgens de voorwaarden en de normen door haar te bepalen, binnen de perken van de begrotingskredieten.
Art.88. Sur base de la planification à long terme visée à l'article 6 et dans les limites des crédits budgétaires, l'Exécutif flamand peut arrêter des régimes de subventions, selon les conditions et les critères à fixer par lui.
HOOFDSTUK VIII. - De Bosbescherming.
CHAPITRE VIII. - La protection des bois.
Art.90. [Eerste lid opgeheven]
[...] openbare onroerende goederen, die onder de toepassing van het decreet vallen, kunnen niet vervreemd worden zonder machtiging van de Vlaamse Executieve.
In alle bossen kunnen werkzaamheden, die wijzigingen van de fysische toestand voor gevolg hebben, slechts worden uitgevoerd na machtiging van het [1 Agentschap]1 [2 of indien ze voorzien zijn in het goedgekeurd beheersplan]2.
[De Vlaamse Regering kan in een algemeen besluit de samenstelling van het aanvraagdossier, de behandelingstermijn, de procedure en de mogelijk op te leggen voorwaarden regelen.]
De Vlaamse Executieve kan in een algemeen besluit de uitvoering van deze werkzaamheden, handelingen of wijzigingen van de fysische toestand regelen alsook de wijzigingen van de fysische toestand bepalen die door hun geringe omvang vrijgesteld worden van een machtiging.
[3 ...]3
[...]
[...] openbare onroerende goederen, die onder de toepassing van het decreet vallen, kunnen niet vervreemd worden zonder machtiging van de Vlaamse Executieve.
In alle bossen kunnen werkzaamheden, die wijzigingen van de fysische toestand voor gevolg hebben, slechts worden uitgevoerd na machtiging van het [1 Agentschap]1 [2 of indien ze voorzien zijn in het goedgekeurd beheersplan]2.
[De Vlaamse Regering kan in een algemeen besluit de samenstelling van het aanvraagdossier, de behandelingstermijn, de procedure en de mogelijk op te leggen voorwaarden regelen.]
De Vlaamse Executieve kan in een algemeen besluit de uitvoering van deze werkzaamheden, handelingen of wijzigingen van de fysische toestand regelen alsook de wijzigingen van de fysische toestand bepalen die door hun geringe omvang vrijgesteld worden van een machtiging.
[3 ...]3
[...]
Art.90. [Alinéa 1 abrogé]
(...) bien immobilier public auquel le décret est applicable ne peut être aliéné qu'avec l'autorisation de l'Exécutif flamand.
Dans tous les bois, des travaux entraînant des modifications de l'état physique, ne peuvent être exécutés qu'avec l'autorisation de [1 l'Agence]1 [2 ou s'il est prévu dans le plan de gestion approuvé]2.
[Le Gouvernement flamand peut, dans un arrêté général, régler la composition du dossier de demande, le délai de traitement, la procédure et les conditions à imposer éventuellement.]
L'Exécutif flamand peut dans un arrêté à portée générale réglementer l'exécution des travaux, actes ou modifications de l'état physique et arrêter les modifications de l'état physique qui par leur importance secondaire sont dispensées d'autorisation.
[3 ...]3
[...]
(...) bien immobilier public auquel le décret est applicable ne peut être aliéné qu'avec l'autorisation de l'Exécutif flamand.
Dans tous les bois, des travaux entraînant des modifications de l'état physique, ne peuvent être exécutés qu'avec l'autorisation de [1 l'Agence]1 [2 ou s'il est prévu dans le plan de gestion approuvé]2.
[Le Gouvernement flamand peut, dans un arrêté général, régler la composition du dossier de demande, le délai de traitement, la procédure et les conditions à imposer éventuellement.]
L'Exécutif flamand peut dans un arrêté à portée générale réglementer l'exécution des travaux, actes ou modifications de l'état physique et arrêter les modifications de l'état physique qui par leur importance secondaire sont dispensées d'autorisation.
[3 ...]3
[...]
Art. 90bis. § 1. [2 Ontbossing is verboden tenzij mits het bekomen van een [7 omgevingsvergunning]7 in toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening.[7 en omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden]7 voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen kan niet worden verleend tenzij in de hierna vermelde gevallen :
1° ontbossing met het oog op [4 handelingen van algemeen belang zoals bepaald in de [7 artikel 4.1.1, 5°, en artikel 4.4.7, § 2,]7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]4;
2° ontbossing of verkaveling in zones met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin;
3° ontbossing of verkaveling in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin;
4° ontbossing van de uitvoerbare delen in een niet-vervallen vergunde verkaveling;
5° ontbossing in functie van vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen, [8 ...]8 [5 , op voorwaarde dat die ontbossing opgenomen is in een beheerplan dat is goedgekeurd op grond van artikel 25, 43, § 1, 43, § 2, of 43, § 3, van dit decreet [9 , van artikel 34, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of opgenomen is in een natuurbeheerplan dat is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet]9]5.
De [7 omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden]7 voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen wordt verleend na voorafgaand advies van het [3 Agentschap]3. Het advies wordt verleend op verzoek van de vergunningverlenende overheid. Als het advies niet wordt verleend binnen dertig dagen, wordt het geacht gunstig te zijn.
Voor andere ontbossingen of voor andere verkavelingen in geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, dan deze genoemd in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering, op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen of een [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een [7 omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden]7 voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en na advies van het [3 Agentschap]3. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen inzake de ontheffing van dit verbod.]2
[8 Het is voor eenieder, met behoud van de toepassing van artikel 91, § 1 en § 2, van dit decreet, verboden om een onwettige ontbossing in stand te houden in ruimtelijk kwetsbare gebieden als vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.]8
[10 Gronden die via eenvoudige melding als vermeld in artikel 87, vijfde lid, worden gerooid na inwerkingtreding van het decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw, komen niet in aanmerking voor compensatie in natura in de volgende gevallen:
1° gedurende 20 jaar na de melding indien de grond gelegen is in agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied;
2° tot aan de datum van inwerkingtreding van de bestemmingswijziging van de grond naar een bestemming die ressorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding `bos', `overig groen' of `reservaat en natuur' of tot aan de datum van inwerkingtreding van de aanduiding van de grond als `watergevoelig openruimtegebied' conform artikel 5.6.8, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.]10
§ 2. Met het oog op het behoud van een gelijkwaardig bosareaal,
1° wordt door de houder van de [7 omgevingsvergunning voor ontbossing]7 compensatie gegeven voor de in § 1 [2 eerste lid, 1° tot en met 4°, of het derde lid]2 bedoelde ontbossing;
2° wordt door de houder van de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 compensatie gegeven voor de beboste delen van de verkaveling waarvoor de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van [3 het decreet van 17 juli 2000 houdende wijziging van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990]3.
§ 3. Voor de in § 2, 2°, bedoelde verkaveling wordt compensatie gegeven voor de gezamenlijke oppervlakte, voorzover die bebost is, van de kavels en van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde werken, met uitzondering van de oppervlakte van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde groene ruimten. [3 Het behoud van deze als bos te behouden groene ruimten wordt door de vergunningverlenende instantie expliciet in de verkavelingsvoorschriften opgenomen.]3 De aanvrager van de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 kan zowel openbare als niet-openbare beboste groene ruimten aanduiden.
De verkaveling wordt vergund na voorafgaand advies van het [1 Agentschap]1, dat wordt verleend volgens de bepalingen van § 1, tweede lid.
[3 [7 De vergunning tot ontbossing]7 van een grond in een in § 2,2°, bedoelde verkaveling is niet onderworpen aan het in § 1, tweede lid, bedoelde advies en aan de compensatie. Bijkomende ontbossing van de in het eerste lid bedoelde groene ruimten kan enkel vergund worden na aanpassing van de verkavelingsvoorschriften via een verkavelingswijziging en na compensatie door de aanvrager van de verkavelingswijziging.]3
§ 4. De compensatie wordt gegeven op één van de volgende wijzen :
1° in natura;
[2 ° door storting van een bosbehoudsbijdrage;]
3° door een combinatie van 1° en 2°.
[6 Voor ontbossingen groter dan drie hectare is steeds een volledige compensatie in natura vereist.]6
[6 De integrale compensatie in natura betreft ten minste een gelijke oppervlakte. Voor bossen die een bijdrage kunnen leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen, als vermeld in artikel 2, punt 65°, van het decreet Natuurbehoud, bedraagt de compensatie een drievoud van de ontboste oppervlakte. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake de wijze en de omvang van de compensatie waarbij differentiatie mogelijk is, bepaalt de gebieden die in aanmerking komen voor compensatie in natura en stelt een lijst vast van bostypes die een bijdrage leveren aan de realisatie van de vermelde instandhoudingsdoelstellingen.]6
§ 5. De aanvrager van [7 de vergunning tot ontbossing]7 of van de in § 2, 2°, bedoelde [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 stelt de compensatie voor overeenkomstig de eisen van het in § 4, [8 derde lid]8, bedoelde besluit en dient het voorstel in bij de vergunningverlenende overheid, die het ter goedkeuring voorlegt aan het [1 Agentschap]1.
Indien het voorstel niet voldoet aan de eisen van het in § 4, [8 derde lid]8, bedoelde besluit of wanneer het voorstel om bosbouwkundige redenen niet aanvaardbaar is, past het [1 Agentschap]1 het voorstel aan aan de eisen van dat besluit of, wanneer het een compensatie in natura betreft, aan de eisen van wat bosbouwkundig aanvaardbaar is.
[2 Het Agentschap stelt de aanvrager schriftelijk in kennis van de aanpassing, met vermelding van de redenen. Een kopie van deze kennisgeving wordt aan de vergunningverlenende overheid bezorgd. De aanvrager kan binnen de 14 dagen na ontvangst bezwaren tegen deze aanpassing of een alternatief compensatievoorstel aan het Agentschap overmaken. [4 De [7 adviestermijn, vermeld in artikel 26 en 43 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,]7]4 wordt gedurende de periode vanaf de kennisgeving van de aanpassing voor maximaal 14 dagen opgeschort. Na ontvangst van de bezwaren of het alternatief compensatievoorstel of, indien de aanvrager niet reageert op de kennisgeving van de aanpassing, na 14 dagen vanaf deze kennisgeving, neemt het Agentschap een definitieve beslissing met betrekking tot het compensatievoorstel.]2
Het goedgekeurde of aangepaste voorstel geldt als voorwaarde bij de in § 2, 1° of 2°, bedoelde vergunning.
De in § 2, 2°, bedoelde [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 laat slechts vervreemding van een kavel toe nadat volledige compensatie werd gegeven.
§ 6. De vergunningverlenende overheid bezorgt een afschrift van haar beslissing inzake de aanvraag tot de in § 2, 1° en 2°, bedoelde vergunning aan het [1 Agentschap]1.
§ 7. De in § 2 bedoelde compensatieplicht geldt niet voor gronden die spontaan bebost zijn na het in werking treden van dit decreet, voorzover deze spontane bebossing de leeftijd van tweeëntwintig jaar niet heeft bereikt.
Om sociale redenen worden uitzonderingen op de in § 2 bedoelde compensatieplicht toegestaan in functie van de woningbouw in zones met de bestemming woongebied in de ruime zin of in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemming woongebied. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze uitzonderingen wordt verleend.
[3 ...]3
1° ontbossing met het oog op [4 handelingen van algemeen belang zoals bepaald in de [7 artikel 4.1.1, 5°, en artikel 4.4.7, § 2,]7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]4;
2° ontbossing of verkaveling in zones met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin;
3° ontbossing of verkaveling in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin;
4° ontbossing van de uitvoerbare delen in een niet-vervallen vergunde verkaveling;
5° ontbossing in functie van vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen, [8 ...]8 [5 , op voorwaarde dat die ontbossing opgenomen is in een beheerplan dat is goedgekeurd op grond van artikel 25, 43, § 1, 43, § 2, of 43, § 3, van dit decreet [9 , van artikel 34, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of opgenomen is in een natuurbeheerplan dat is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet]9]5.
De [7 omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden]7 voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen wordt verleend na voorafgaand advies van het [3 Agentschap]3. Het advies wordt verleend op verzoek van de vergunningverlenende overheid. Als het advies niet wordt verleend binnen dertig dagen, wordt het geacht gunstig te zijn.
Voor andere ontbossingen of voor andere verkavelingen in geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, dan deze genoemd in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering, op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen of een [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een [7 omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden]7 voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en na advies van het [3 Agentschap]3. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen inzake de ontheffing van dit verbod.]2
[8 Het is voor eenieder, met behoud van de toepassing van artikel 91, § 1 en § 2, van dit decreet, verboden om een onwettige ontbossing in stand te houden in ruimtelijk kwetsbare gebieden als vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.]8
[10 Gronden die via eenvoudige melding als vermeld in artikel 87, vijfde lid, worden gerooid na inwerkingtreding van het decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw, komen niet in aanmerking voor compensatie in natura in de volgende gevallen:
1° gedurende 20 jaar na de melding indien de grond gelegen is in agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied;
2° tot aan de datum van inwerkingtreding van de bestemmingswijziging van de grond naar een bestemming die ressorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding `bos', `overig groen' of `reservaat en natuur' of tot aan de datum van inwerkingtreding van de aanduiding van de grond als `watergevoelig openruimtegebied' conform artikel 5.6.8, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.]10
§ 2. Met het oog op het behoud van een gelijkwaardig bosareaal,
1° wordt door de houder van de [7 omgevingsvergunning voor ontbossing]7 compensatie gegeven voor de in § 1 [2 eerste lid, 1° tot en met 4°, of het derde lid]2 bedoelde ontbossing;
2° wordt door de houder van de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 compensatie gegeven voor de beboste delen van de verkaveling waarvoor de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van [3 het decreet van 17 juli 2000 houdende wijziging van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990]3.
§ 3. Voor de in § 2, 2°, bedoelde verkaveling wordt compensatie gegeven voor de gezamenlijke oppervlakte, voorzover die bebost is, van de kavels en van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde werken, met uitzondering van de oppervlakte van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde groene ruimten. [3 Het behoud van deze als bos te behouden groene ruimten wordt door de vergunningverlenende instantie expliciet in de verkavelingsvoorschriften opgenomen.]3 De aanvrager van de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 kan zowel openbare als niet-openbare beboste groene ruimten aanduiden.
De verkaveling wordt vergund na voorafgaand advies van het [1 Agentschap]1, dat wordt verleend volgens de bepalingen van § 1, tweede lid.
[3 [7 De vergunning tot ontbossing]7 van een grond in een in § 2,2°, bedoelde verkaveling is niet onderworpen aan het in § 1, tweede lid, bedoelde advies en aan de compensatie. Bijkomende ontbossing van de in het eerste lid bedoelde groene ruimten kan enkel vergund worden na aanpassing van de verkavelingsvoorschriften via een verkavelingswijziging en na compensatie door de aanvrager van de verkavelingswijziging.]3
§ 4. De compensatie wordt gegeven op één van de volgende wijzen :
1° in natura;
[2 ° door storting van een bosbehoudsbijdrage;]
3° door een combinatie van 1° en 2°.
[6 Voor ontbossingen groter dan drie hectare is steeds een volledige compensatie in natura vereist.]6
[6 De integrale compensatie in natura betreft ten minste een gelijke oppervlakte. Voor bossen die een bijdrage kunnen leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen, als vermeld in artikel 2, punt 65°, van het decreet Natuurbehoud, bedraagt de compensatie een drievoud van de ontboste oppervlakte. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake de wijze en de omvang van de compensatie waarbij differentiatie mogelijk is, bepaalt de gebieden die in aanmerking komen voor compensatie in natura en stelt een lijst vast van bostypes die een bijdrage leveren aan de realisatie van de vermelde instandhoudingsdoelstellingen.]6
§ 5. De aanvrager van [7 de vergunning tot ontbossing]7 of van de in § 2, 2°, bedoelde [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 stelt de compensatie voor overeenkomstig de eisen van het in § 4, [8 derde lid]8, bedoelde besluit en dient het voorstel in bij de vergunningverlenende overheid, die het ter goedkeuring voorlegt aan het [1 Agentschap]1.
Indien het voorstel niet voldoet aan de eisen van het in § 4, [8 derde lid]8, bedoelde besluit of wanneer het voorstel om bosbouwkundige redenen niet aanvaardbaar is, past het [1 Agentschap]1 het voorstel aan aan de eisen van dat besluit of, wanneer het een compensatie in natura betreft, aan de eisen van wat bosbouwkundig aanvaardbaar is.
[2 Het Agentschap stelt de aanvrager schriftelijk in kennis van de aanpassing, met vermelding van de redenen. Een kopie van deze kennisgeving wordt aan de vergunningverlenende overheid bezorgd. De aanvrager kan binnen de 14 dagen na ontvangst bezwaren tegen deze aanpassing of een alternatief compensatievoorstel aan het Agentschap overmaken. [4 De [7 adviestermijn, vermeld in artikel 26 en 43 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,]7]4 wordt gedurende de periode vanaf de kennisgeving van de aanpassing voor maximaal 14 dagen opgeschort. Na ontvangst van de bezwaren of het alternatief compensatievoorstel of, indien de aanvrager niet reageert op de kennisgeving van de aanpassing, na 14 dagen vanaf deze kennisgeving, neemt het Agentschap een definitieve beslissing met betrekking tot het compensatievoorstel.]2
Het goedgekeurde of aangepaste voorstel geldt als voorwaarde bij de in § 2, 1° of 2°, bedoelde vergunning.
De in § 2, 2°, bedoelde [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 laat slechts vervreemding van een kavel toe nadat volledige compensatie werd gegeven.
§ 6. De vergunningverlenende overheid bezorgt een afschrift van haar beslissing inzake de aanvraag tot de in § 2, 1° en 2°, bedoelde vergunning aan het [1 Agentschap]1.
§ 7. De in § 2 bedoelde compensatieplicht geldt niet voor gronden die spontaan bebost zijn na het in werking treden van dit decreet, voorzover deze spontane bebossing de leeftijd van tweeëntwintig jaar niet heeft bereikt.
Om sociale redenen worden uitzonderingen op de in § 2 bedoelde compensatieplicht toegestaan in functie van de woningbouw in zones met de bestemming woongebied in de ruime zin of in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemming woongebied. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze uitzonderingen wordt verleend.
[3 ...]3
Art. 90bis. § 1er. [2 Le déboisement est interdit à moins qu'un [7 permis d'environnement ]7 soit délivré en application de la législation relative à l'aménagement du territoire. [7 Un permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols]7 pour des terrains en partie ou en totalité boisés ne peut être délivré que dans les cas suivants :
1° le déboisement pour des [4 actes d'intérêt général tels que visés [7 ux articles 4.1.1, 5°, et 4.4.7, § 2,]7 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire]4;
2° le déboisement ou le lotissement dans des zones affectées comme zone d'habitat ou zone industrielle au sens large;
3° le déboisement ou le lotissement dans des zones à assimiler aux zones d'habitat ou zones industrielles au sens large en vertu des plans d'aménagement et des plans d'exécution spatiaux d'application;
4° le déboisement des parties exécutables dans un lotissement autorisé non échu;
5° le déboisement en fonction des objectifs de conservation fixés [8 ...]8 [5 , [9 à condition que ce déboisement soit repris dans un plan de gestion approuvé sur la base des articles 25, 43, § 1er, 43, § 2, ou 43, § 3, du présent décret ou de l'article 34, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ou soit repris dans un plan de gestion de la nature approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité]9]5.
[7 Un permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols]7 pour des terrains, en partie ou en totalité, boisés est délivré après avis préalable de l'[3 l'Agence]3. L'avis est émis à la demande de l'autorité délivrante. Si l'avis n'est pas émis dans un délai de trente jours, il est réputé positif.
Pour des déboisements ou lotissements de terrains, en partie ou en totalité, boisés autres que ceux cités au premier alinéa, le Gouvernement flamand peut, à la demande individuelle et motivée de celui qui sollicite un permis de déboisement ou un [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11, autoriser la dispense de l'interdiction d'octroyer un [7 permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols]7 pour des terrains en partie ou en totalité boisés, tout en respectant la législation relative à l'aménagement du territoire et après avis de l'[3 l'Agence]3. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la dispense de cette interdiction.]2
[8 Sans préjudice de l'application de l'article 91, §§ 1er et 2, du présent décret, il est interdit à quiconque de maintenir un déboisement illégal dans des zones vulnérables d'un point de vue spatial telles que visées à l'article 1.1.2, 10°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.]8
§ 2. En vue du maintien d'une superficie forestière équivalente,
1° le détenteur du [7 permis d'environnement pour le déboisement]7 est tenu de compenser le déboisement visé au § 1er [2 , premier alinéa, 1° à 4°, ou troisième alinéa]2 ;
2° le détenteur du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 est tenu de compenser les parties boisées du lotissement faisant l'objet d'une demande de [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 après l'entrée en vigueur [3 du décret du 17 juillet 2007 modifiant l'article 90bis du Décret forestier du 13 juin 1990]3.
§ 3. Le lotissement visé au § 2, 2° fait l'objet d'une compensation pour la superficie globale des lots, dans la mesure où celle-ci est boisée, et pour les travaux mentionnés dans la demande ou imposées comme charge au lotisseur, à l'exception de la superficie des espaces verts mentionnés dans la demande ou imposées comme charge au lotisseur. [3 Le maintien de ces espaces verts comme bois est explicitement repris dans les prescriptions de lotissement par l'instance accordant le permis.]3 Le demandeur du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 peut indiquer des espaces verts tant publics que non publics.
Le lotissement est autorisé après avis préalable de [1 l'Agence]1 qui est rendu conformément aux dispositions du § 1er, deuxième alinéa.
[3 [7 Le permis d'environnement de déboisement d'un terrain situé dans un lotissement visé au § 2, 2°, n'est ni soumis]7 à l'avis, visé au § 1er, alinéa deux, ni à la compensation. Le déboisement supplémentaire des espaces verts visés à l'alinéa premier ne peut être autorisé qu'après adaptation des prescriptions de lotissement par le biais d'une modification du lotissement et qu'après compensation de la modification de lotissement par le demandeur.]3
§ 4. La compensation s'effectue de la manière suivante :
1° en nature;
[2 ° par versement d'une cotisation de conservation des bois;]
3° par une combinaison de 1° et 2°;
[6 Pour les déboisements de plus de trois hectares, une compensation intégrale en nature est toujours requise.]6
[6 La compensation intégrale en nature concerne au moins une superficie équivalente. Pour les bois qui peuvent apporter une contribution à la réalisation des objectifs de conservation, tels que visés à l'article 2, point 65°, du décret concernant la conservation de la nature, la compensation s'élève au triple de la superficie déboisée. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives au mode de compensation et à sa portée, une différenciation étant possible, détermine les zones qui sont prises en considération pour une compensation en nature et dresse une liste des types de bois qui apportent une contribution à la réalisation des objectifs de conservation visés.]6
[10 Les terres défrichées, via une simple notification telle que visée à l'article 87, alinéa 5, après l'entrée en vigueur du décret 26 avril 2019 portant diverses dispositions en matière d'environnement, de nature et d'agriculture n'entrent pas en considération pour une compensation en nature dans les cas suivants :
1° durant 20 ans suivant la notification si la terre est située en zone agricole ou dans une zone d'affectation assimilée ;
2° jusqu'à la date d'entrée en vigueur de la modification de destination de la terre en une destination relevant de la catégorie d'affectation de zone " forêt ", " autres espaces verts " ou " réserve et nature " ou jusqu'à la date d'entrée en vigueur de la désignation de la terre comme " zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau " conformément à l'article 5.6.8, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire.]10
§ 5. Le demandeur [7 du permis d'environnement de déboisement]7 ou du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 visé au § 2, 2°, propose la compensation conformément aux exigences énumérées à l'arrêté visé au § 4, [8 alinéa 3]8 et adresse la proposition à l'autorité délivrante qui la soumet à l'approbation de [1 l'Agence]1.
Si la proposition n'est pas conforme aux exigences imposées par l'arrêté visé au § 4, [8 alinéa 3]8 ou lorsque la proposition n'est pas acceptable pour des raisons sylvicoles, [1 l'Agence]1 adapte la proposition aux exigences de cet arrêté ou en cas de compensation en nature, aux exigences sylvicoles.
[2 L'Agence informe par écrit le demandeur de cette adaptation, avec mention des motifs. Une copie de cette notification est remise à l'autorité délivrante. Dans un délai de 14 jours après réception, le demandeur peut formuler des objections contre cette adaptation ou une proposition de compensation alternative à l'intention de l'Administration. [4 Le [7 délai d'avis, visé aux articles 26 et 43 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement,]7 ]4 est suspendu pendant une période de 14 jours au maximum à compter de la notification de l'adaptation. Après réception des objections ou de la proposition de compensation alternative ou, si le demandeur ne réagit pas à la notification de l'adaptation, après 14 jours à compter de cette notification, l'Agence prend une décision définitive sur la proposition de compensation.]2
La proposition approuvée ou adaptée tient lieu de condition dans l'autorisation ou le permis visés au § 2, 1° et 2°.
Le [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 visé au § 2, 2° n'autorise l'aliénation d'un lot qu'en cas de compensation complète.
§ 6. L'autorité délivrant l'autorisation transmet à [1 l'Agence]1 une copie de sa décision sur la demande d'autorisation ou de permis visés au § 2, 1° et 2°.
§ 7. L'obligation de compensation visée au § 2 ne s'applique pas aux terrains dont le boisement s'est effectué de manière spontanée après l'entrée en vigueur du présent décret, pour autant que ce boisement spontané n'a pas atteint l'âge de vingt-deux ans.
Des exceptions à l'obligation de compensation visée au § 2 sont autorisées pour des raisons sociales pour la construction de logements dans les zones affectées comme zone d'habitat au sens large ou dans les zones à assimiler aux zones d'habitat en vertu des plans d'aménagement ou des plans d'exécution spatiaux. Le Gouvernement flamand détermine les conditions d'octroi de ces exceptions.
[3 ...]3
1° le déboisement pour des [4 actes d'intérêt général tels que visés [7 ux articles 4.1.1, 5°, et 4.4.7, § 2,]7 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire]4;
2° le déboisement ou le lotissement dans des zones affectées comme zone d'habitat ou zone industrielle au sens large;
3° le déboisement ou le lotissement dans des zones à assimiler aux zones d'habitat ou zones industrielles au sens large en vertu des plans d'aménagement et des plans d'exécution spatiaux d'application;
4° le déboisement des parties exécutables dans un lotissement autorisé non échu;
5° le déboisement en fonction des objectifs de conservation fixés [8 ...]8 [5 , [9 à condition que ce déboisement soit repris dans un plan de gestion approuvé sur la base des articles 25, 43, § 1er, 43, § 2, ou 43, § 3, du présent décret ou de l'article 34, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ou soit repris dans un plan de gestion de la nature approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité]9]5.
[7 Un permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols]7 pour des terrains, en partie ou en totalité, boisés est délivré après avis préalable de l'[3 l'Agence]3. L'avis est émis à la demande de l'autorité délivrante. Si l'avis n'est pas émis dans un délai de trente jours, il est réputé positif.
Pour des déboisements ou lotissements de terrains, en partie ou en totalité, boisés autres que ceux cités au premier alinéa, le Gouvernement flamand peut, à la demande individuelle et motivée de celui qui sollicite un permis de déboisement ou un [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11, autoriser la dispense de l'interdiction d'octroyer un [7 permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols]7 pour des terrains en partie ou en totalité boisés, tout en respectant la législation relative à l'aménagement du territoire et après avis de l'[3 l'Agence]3. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la dispense de cette interdiction.]2
[8 Sans préjudice de l'application de l'article 91, §§ 1er et 2, du présent décret, il est interdit à quiconque de maintenir un déboisement illégal dans des zones vulnérables d'un point de vue spatial telles que visées à l'article 1.1.2, 10°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.]8
§ 2. En vue du maintien d'une superficie forestière équivalente,
1° le détenteur du [7 permis d'environnement pour le déboisement]7 est tenu de compenser le déboisement visé au § 1er [2 , premier alinéa, 1° à 4°, ou troisième alinéa]2 ;
2° le détenteur du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 est tenu de compenser les parties boisées du lotissement faisant l'objet d'une demande de [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 après l'entrée en vigueur [3 du décret du 17 juillet 2007 modifiant l'article 90bis du Décret forestier du 13 juin 1990]3.
§ 3. Le lotissement visé au § 2, 2° fait l'objet d'une compensation pour la superficie globale des lots, dans la mesure où celle-ci est boisée, et pour les travaux mentionnés dans la demande ou imposées comme charge au lotisseur, à l'exception de la superficie des espaces verts mentionnés dans la demande ou imposées comme charge au lotisseur. [3 Le maintien de ces espaces verts comme bois est explicitement repris dans les prescriptions de lotissement par l'instance accordant le permis.]3 Le demandeur du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 peut indiquer des espaces verts tant publics que non publics.
Le lotissement est autorisé après avis préalable de [1 l'Agence]1 qui est rendu conformément aux dispositions du § 1er, deuxième alinéa.
[3 [7 Le permis d'environnement de déboisement d'un terrain situé dans un lotissement visé au § 2, 2°, n'est ni soumis]7 à l'avis, visé au § 1er, alinéa deux, ni à la compensation. Le déboisement supplémentaire des espaces verts visés à l'alinéa premier ne peut être autorisé qu'après adaptation des prescriptions de lotissement par le biais d'une modification du lotissement et qu'après compensation de la modification de lotissement par le demandeur.]3
§ 4. La compensation s'effectue de la manière suivante :
1° en nature;
[2 ° par versement d'une cotisation de conservation des bois;]
3° par une combinaison de 1° et 2°;
[6 Pour les déboisements de plus de trois hectares, une compensation intégrale en nature est toujours requise.]6
[6 La compensation intégrale en nature concerne au moins une superficie équivalente. Pour les bois qui peuvent apporter une contribution à la réalisation des objectifs de conservation, tels que visés à l'article 2, point 65°, du décret concernant la conservation de la nature, la compensation s'élève au triple de la superficie déboisée. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives au mode de compensation et à sa portée, une différenciation étant possible, détermine les zones qui sont prises en considération pour une compensation en nature et dresse une liste des types de bois qui apportent une contribution à la réalisation des objectifs de conservation visés.]6
[10 Les terres défrichées, via une simple notification telle que visée à l'article 87, alinéa 5, après l'entrée en vigueur du décret 26 avril 2019 portant diverses dispositions en matière d'environnement, de nature et d'agriculture n'entrent pas en considération pour une compensation en nature dans les cas suivants :
1° durant 20 ans suivant la notification si la terre est située en zone agricole ou dans une zone d'affectation assimilée ;
2° jusqu'à la date d'entrée en vigueur de la modification de destination de la terre en une destination relevant de la catégorie d'affectation de zone " forêt ", " autres espaces verts " ou " réserve et nature " ou jusqu'à la date d'entrée en vigueur de la désignation de la terre comme " zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau " conformément à l'article 5.6.8, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire.]10
§ 5. Le demandeur [7 du permis d'environnement de déboisement]7 ou du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 visé au § 2, 2°, propose la compensation conformément aux exigences énumérées à l'arrêté visé au § 4, [8 alinéa 3]8 et adresse la proposition à l'autorité délivrante qui la soumet à l'approbation de [1 l'Agence]1.
Si la proposition n'est pas conforme aux exigences imposées par l'arrêté visé au § 4, [8 alinéa 3]8 ou lorsque la proposition n'est pas acceptable pour des raisons sylvicoles, [1 l'Agence]1 adapte la proposition aux exigences de cet arrêté ou en cas de compensation en nature, aux exigences sylvicoles.
[2 L'Agence informe par écrit le demandeur de cette adaptation, avec mention des motifs. Une copie de cette notification est remise à l'autorité délivrante. Dans un délai de 14 jours après réception, le demandeur peut formuler des objections contre cette adaptation ou une proposition de compensation alternative à l'intention de l'Administration. [4 Le [7 délai d'avis, visé aux articles 26 et 43 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement,]7 ]4 est suspendu pendant une période de 14 jours au maximum à compter de la notification de l'adaptation. Après réception des objections ou de la proposition de compensation alternative ou, si le demandeur ne réagit pas à la notification de l'adaptation, après 14 jours à compter de cette notification, l'Agence prend une décision définitive sur la proposition de compensation.]2
La proposition approuvée ou adaptée tient lieu de condition dans l'autorisation ou le permis visés au § 2, 1° et 2°.
Le [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 visé au § 2, 2° n'autorise l'aliénation d'un lot qu'en cas de compensation complète.
§ 6. L'autorité délivrant l'autorisation transmet à [1 l'Agence]1 une copie de sa décision sur la demande d'autorisation ou de permis visés au § 2, 1° et 2°.
§ 7. L'obligation de compensation visée au § 2 ne s'applique pas aux terrains dont le boisement s'est effectué de manière spontanée après l'entrée en vigueur du présent décret, pour autant que ce boisement spontané n'a pas atteint l'âge de vingt-deux ans.
Des exceptions à l'obligation de compensation visée au § 2 sont autorisées pour des raisons sociales pour la construction de logements dans les zones affectées comme zone d'habitat au sens large ou dans les zones à assimiler aux zones d'habitat en vertu des plans d'aménagement ou des plans d'exécution spatiaux. Le Gouvernement flamand détermine les conditions d'octroi de ces exceptions.
[3 ...]3
Wijzigingen
Art.90bis TOEKOMSTIG RECHT. § 1. [2 Ontbossing is verboden tenzij mits het bekomen van een [7 omgevingsvergunning]7 in toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening.[7 en omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden]7 voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen kan niet worden verleend tenzij in de hierna vermelde gevallen :
1° ontbossing met het oog op [4 handelingen van algemeen belang zoals bepaald in de [7 artikel 4.1.1, 5°, en artikel 4.4.7, § 2,]7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]4;
2° ontbossing of verkaveling in zones met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin;
3° ontbossing of verkaveling in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin;
4° ontbossing van de uitvoerbare delen in een niet-vervallen vergunde verkaveling;
5° ontbossing in functie van vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen, [8 ...]8 [5 , op voorwaarde dat die ontbossing opgenomen is in een beheerplan dat is goedgekeurd op grond van artikel 25, 43, § 1, 43, § 2, of 43, § 3, van dit decreet [9 , van artikel 34, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of opgenomen is in een natuurbeheerplan dat is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet]9]5.
De [7 omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden]7 voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen wordt verleend na voorafgaand advies van het [3 Agentschap]3. Het advies wordt verleend op verzoek van de vergunningverlenende overheid. Als het advies niet wordt verleend binnen dertig dagen, wordt het geacht gunstig te zijn.
Voor andere ontbossingen of voor andere verkavelingen in geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, dan deze genoemd in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering, op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen of een [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een [7 omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden]7 voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en na advies van het [3 Agentschap]3. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen inzake de ontheffing van dit verbod.]2
[8 Het is voor eenieder, met behoud van de toepassing van artikel 91, § 1 en § 2, van dit decreet, verboden om een onwettige ontbossing in stand te houden in ruimtelijk kwetsbare gebieden als vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.]8
[10 Gronden die via eenvoudige melding als vermeld in artikel 87, vijfde lid, worden gerooid na inwerkingtreding van het decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw, komen niet in aanmerking voor compensatie in natura in de volgende gevallen:
1° gedurende 20 jaar na de melding indien de grond gelegen is in agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied;
2° tot aan de datum van inwerkingtreding van de bestemmingswijziging van de grond naar een bestemming die ressorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding `bos', `overig groen' of `reservaat en natuur' of tot aan de datum van inwerkingtreding van de aanduiding van de grond als `watergevoelig openruimtegebied' conform artikel 5.6.8, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.]10
§ 2. Met het oog op het behoud van een gelijkwaardig bosareaal,
1° wordt door de houder van de [7 omgevingsvergunning voor ontbossing]7 compensatie gegeven voor de in § 1 [2 eerste lid, 1° tot en met 4°, of het derde lid]2 bedoelde ontbossing;
2° wordt door de houder van de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 compensatie gegeven voor de beboste delen van de verkaveling waarvoor de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van [3 het decreet van 17 juli 2000 houdende wijziging van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990]3.
§ 3. Voor de in § 2, 2°, bedoelde verkaveling wordt compensatie gegeven voor de gezamenlijke oppervlakte, voorzover die bebost is, van de kavels en van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde werken, met uitzondering van de oppervlakte van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde groene ruimten. [3 Het behoud van deze als bos te behouden groene ruimten wordt door de vergunningverlenende instantie expliciet in de verkavelingsvoorschriften opgenomen.]3 De aanvrager van de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 kan zowel openbare als niet-openbare beboste groene ruimten aanduiden.
De verkaveling wordt vergund na voorafgaand advies van het [1 Agentschap]1, dat wordt verleend volgens de bepalingen van § 1, tweede lid.
[3 [7 De vergunning tot ontbossing]7 van een grond in een in § 2,2°, bedoelde verkaveling is niet onderworpen aan het in § 1, tweede lid, bedoelde advies en aan de compensatie. Bijkomende ontbossing van de in het eerste lid bedoelde groene ruimten kan enkel vergund worden na aanpassing van de verkavelingsvoorschriften via een verkavelingswijziging en na compensatie door de aanvrager van de verkavelingswijziging.]3
§ 4. [12 De compensatie, vermeld in paragraaf 2 en 3, wordt gerealiseerd op een van de volgende wijzen:
1° als de ontbossing een openbaar bos betreft door uitvoering in natura;
2° als de ontbossing een privébos betreft:
a) ofwel door storting door de aanvrager van de betrokken vergunning van een bosbehoudsbijdrage dewelke de bevoegde overheid besteedt volgens de voorwaarden bepaald in paragraaf 8;
b) ofwel door uitvoering in natura door de aanvrager van de betrokken vergunning;
c) ofwel door een combinatie van punt a) en b).]12
[12 ...]12
[12 De compensatie, vermeld in paragraaf 2 en 3, betreft ten minste een gelijke oppervlakte ten opzichte van de ontbossing. In het geval van een ontbossing als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, van minimaal 10 ha dient het deel van de compensatie waarvan de aanvrager kiest in natura te compenseren, te worden gerealiseerd in één ruimtelijk aaneengesloten geheel van minimaal 10 ha of te worden gerealiseerd aansluitend bij een bestaand bos van minimaal 5 ha of een combinatie van beide. Voor bossen van minimaal 10 ha wordt na aanplant een natuurbeheerplan van minimaal type 3 opgesteld. Voor bossen die een bijdrage kunnen leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor een speciale beschermingszone als vermeld in artikel 2, 65°, van het decreet Natuurbehoud, bedraagt de compensatie een drievoud van de ontboste oppervlakte. De bosbehoudsbijdrage wordt vastgesteld door de verlener van de omgevingsvergunning zoals bedoeld in paragraaf 1. Het bedrag kan niet lager zijn dan het bedrag vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij gebreke aan een gemeentelijk reglement dat het basisbedrag van de bosbehoudsbijdrage vaststelt op het ogenblik van de vergunningsbeslissing in eerste aanleg, zal het minimumtarief van toepassing zijn zoals bepaald door de Vlaamse Regering overeenkomstig dit lid. De Vlaamse Regering stelt een lijst vast van bostypes die een bijdrage leveren aan de realisatie van de voormelde instandhoudingsdoelstellingen en bepaalt de nadere regels voor:
1° het minimumbedrag voor de bosbehoudsbijdrage, de wijze en de omvang van de compensatie waarbij differentiatie mogelijk is;
2° de wijze waarop de bosbehoudsbijdrage besteed wordt;
3° de wijze waarop over de effectiviteit van de compensatie gerapporteerd wordt;
4° de gebieden die in aanmerking komen voor compensatie in natura.
In geval van hoger beroep blijft de bosbehoudsbijdrage, zoals bepaald door de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg, van toepassing.]12
§ 5. De aanvrager van [7 de vergunning tot ontbossing]7 of van de in § 2, 2°, bedoelde [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 stelt de compensatie voor overeenkomstig de eisen van het in § 4, [8 [12 tweede]12 lid]8, bedoelde besluit en dient het voorstel in bij de vergunningverlenende overheid, die het ter goedkeuring voorlegt aan het [1 Agentschap]1.
Indien het voorstel niet voldoet aan de eisen van het in § 4, [8 [12 tweede]12 lid]8, bedoelde besluit of wanneer het voorstel om bosbouwkundige redenen niet aanvaardbaar is, past het [1 Agentschap]1 het voorstel aan aan de eisen van dat besluit of, wanneer het een compensatie in natura betreft, aan de eisen van wat bosbouwkundig aanvaardbaar is.
[2 Het Agentschap stelt de aanvrager schriftelijk in kennis van de aanpassing, met vermelding van de redenen. Een kopie van deze kennisgeving wordt aan de vergunningverlenende overheid bezorgd. De aanvrager kan binnen de 14 dagen na ontvangst bezwaren tegen deze aanpassing of een alternatief compensatievoorstel aan het Agentschap overmaken. [4 De [7 adviestermijn, vermeld in artikel 26 en 43 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,]7]4 wordt gedurende de periode vanaf de kennisgeving van de aanpassing voor maximaal 14 dagen opgeschort. Na ontvangst van de bezwaren of het alternatief compensatievoorstel of, indien de aanvrager niet reageert op de kennisgeving van de aanpassing, na 14 dagen vanaf deze kennisgeving, neemt het Agentschap een definitieve beslissing met betrekking tot het compensatievoorstel.]2
Het goedgekeurde of aangepaste voorstel geldt als voorwaarde bij de in § 2, 1° of 2°, bedoelde vergunning.
De in § 2, 2°, bedoelde [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 laat slechts vervreemding van een kavel toe nadat volledige compensatie werd gegeven.
§ 6. De vergunningverlenende overheid bezorgt een afschrift van haar beslissing inzake de aanvraag tot de in § 2, 1° en 2°, bedoelde vergunning aan het [1 Agentschap]1.
§ 7. De in § 2 bedoelde compensatieplicht geldt niet voor gronden die spontaan bebost zijn na het in werking treden van dit decreet, voorzover deze spontane bebossing de leeftijd van tweeëntwintig jaar niet heeft bereikt.
Om sociale redenen worden uitzonderingen op de in § 2 bedoelde compensatieplicht toegestaan in functie van de woningbouw in zones met de bestemming woongebied in de ruime zin of in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemming woongebied. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze uitzonderingen wordt verleend.
[12 § 8. In het geval bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, a), en de vergunningverlener het negatief advies van het agentschap ten aanzien van de voorgenomen ontbossing niet volgt, int de vergunningverlenende overheid die in laatste administratieve aanleg de vergunning tot ontbossing of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in paragraaf 2, 2°, aflevert, de bosbehoudsbijdrage en voert zij de compensatie uit binnen de drie jaar te rekenen van de beslissing in laatste administratieve aanleg of, indien gemotiveerd, binnen de vijf jaar.
In het geval bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, en de vergunningverlener het gunstig advies van het agentschap volgt, kan de vergunningverlener kiezen tussen volgende opties:
1° de bosbehoudsbijdrage zelf te innen en zelf de compensatie uit te voeren binnen de drie jaar te rekenen van de beslissing in laatste administratieve aanleg of indien gemotiveerd binnen de vijf jaar;
2° de bosbehoudsbijdrage te laten innen door het agentschap. In dit geval geldt het bedrag dat door de Vlaamse Regering is vastgesteld.
De vergunningverlener maakt deze keuze door middel van een gemotiveerde beslissing.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de ontvangst van de bosbehoudsbijdrage, de realisatie van de boscompensatie en de gevolgen bij het uitblijven van de realisatie van de boscompensatie.]12
[3 ...]3
1° ontbossing met het oog op [4 handelingen van algemeen belang zoals bepaald in de [7 artikel 4.1.1, 5°, en artikel 4.4.7, § 2,]7 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening]4;
2° ontbossing of verkaveling in zones met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin;
3° ontbossing of verkaveling in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin;
4° ontbossing van de uitvoerbare delen in een niet-vervallen vergunde verkaveling;
5° ontbossing in functie van vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen, [8 ...]8 [5 , op voorwaarde dat die ontbossing opgenomen is in een beheerplan dat is goedgekeurd op grond van artikel 25, 43, § 1, 43, § 2, of 43, § 3, van dit decreet [9 , van artikel 34, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu of opgenomen is in een natuurbeheerplan dat is goedgekeurd conform artikel 16octies van het voormelde decreet]9]5.
De [7 omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden]7 voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen wordt verleend na voorafgaand advies van het [3 Agentschap]3. Het advies wordt verleend op verzoek van de vergunningverlenende overheid. Als het advies niet wordt verleend binnen dertig dagen, wordt het geacht gunstig te zijn.
Voor andere ontbossingen of voor andere verkavelingen in geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, dan deze genoemd in het eerste lid, kan de Vlaamse Regering, op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen of een [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een [7 omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden]7 voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en na advies van het [3 Agentschap]3. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regelen inzake de ontheffing van dit verbod.]2
[8 Het is voor eenieder, met behoud van de toepassing van artikel 91, § 1 en § 2, van dit decreet, verboden om een onwettige ontbossing in stand te houden in ruimtelijk kwetsbare gebieden als vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.]8
[10 Gronden die via eenvoudige melding als vermeld in artikel 87, vijfde lid, worden gerooid na inwerkingtreding van het decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen inzake omgeving, natuur en landbouw, komen niet in aanmerking voor compensatie in natura in de volgende gevallen:
1° gedurende 20 jaar na de melding indien de grond gelegen is in agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied;
2° tot aan de datum van inwerkingtreding van de bestemmingswijziging van de grond naar een bestemming die ressorteert onder de categorie van gebiedsaanduiding `bos', `overig groen' of `reservaat en natuur' of tot aan de datum van inwerkingtreding van de aanduiding van de grond als `watergevoelig openruimtegebied' conform artikel 5.6.8, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.]10
§ 2. Met het oog op het behoud van een gelijkwaardig bosareaal,
1° wordt door de houder van de [7 omgevingsvergunning voor ontbossing]7 compensatie gegeven voor de in § 1 [2 eerste lid, 1° tot en met 4°, of het derde lid]2 bedoelde ontbossing;
2° wordt door de houder van de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 compensatie gegeven voor de beboste delen van de verkaveling waarvoor de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van [3 het decreet van 17 juli 2000 houdende wijziging van artikel 90bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990]3.
§ 3. Voor de in § 2, 2°, bedoelde verkaveling wordt compensatie gegeven voor de gezamenlijke oppervlakte, voorzover die bebost is, van de kavels en van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde werken, met uitzondering van de oppervlakte van de in de aanvraag vermelde of als last aan de verkavelaar opgelegde groene ruimten. [3 Het behoud van deze als bos te behouden groene ruimten wordt door de vergunningverlenende instantie expliciet in de verkavelingsvoorschriften opgenomen.]3 De aanvrager van de [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 kan zowel openbare als niet-openbare beboste groene ruimten aanduiden.
De verkaveling wordt vergund na voorafgaand advies van het [1 Agentschap]1, dat wordt verleend volgens de bepalingen van § 1, tweede lid.
[3 [7 De vergunning tot ontbossing]7 van een grond in een in § 2,2°, bedoelde verkaveling is niet onderworpen aan het in § 1, tweede lid, bedoelde advies en aan de compensatie. Bijkomende ontbossing van de in het eerste lid bedoelde groene ruimten kan enkel vergund worden na aanpassing van de verkavelingsvoorschriften via een verkavelingswijziging en na compensatie door de aanvrager van de verkavelingswijziging.]3
§ 4. [12 De compensatie, vermeld in paragraaf 2 en 3, wordt gerealiseerd op een van de volgende wijzen:
1° als de ontbossing een openbaar bos betreft door uitvoering in natura;
2° als de ontbossing een privébos betreft:
a) ofwel door storting door de aanvrager van de betrokken vergunning van een bosbehoudsbijdrage dewelke de bevoegde overheid besteedt volgens de voorwaarden bepaald in paragraaf 8;
b) ofwel door uitvoering in natura door de aanvrager van de betrokken vergunning;
c) ofwel door een combinatie van punt a) en b).]12
[12 ...]12
[12 De compensatie, vermeld in paragraaf 2 en 3, betreft ten minste een gelijke oppervlakte ten opzichte van de ontbossing. In het geval van een ontbossing als vermeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, van minimaal 10 ha dient het deel van de compensatie waarvan de aanvrager kiest in natura te compenseren, te worden gerealiseerd in één ruimtelijk aaneengesloten geheel van minimaal 10 ha of te worden gerealiseerd aansluitend bij een bestaand bos van minimaal 5 ha of een combinatie van beide. Voor bossen van minimaal 10 ha wordt na aanplant een natuurbeheerplan van minimaal type 3 opgesteld. Voor bossen die een bijdrage kunnen leveren aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor een speciale beschermingszone als vermeld in artikel 2, 65°, van het decreet Natuurbehoud, bedraagt de compensatie een drievoud van de ontboste oppervlakte. De bosbehoudsbijdrage wordt vastgesteld door de verlener van de omgevingsvergunning zoals bedoeld in paragraaf 1. Het bedrag kan niet lager zijn dan het bedrag vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij gebreke aan een gemeentelijk reglement dat het basisbedrag van de bosbehoudsbijdrage vaststelt op het ogenblik van de vergunningsbeslissing in eerste aanleg, zal het minimumtarief van toepassing zijn zoals bepaald door de Vlaamse Regering overeenkomstig dit lid. De Vlaamse Regering stelt een lijst vast van bostypes die een bijdrage leveren aan de realisatie van de voormelde instandhoudingsdoelstellingen en bepaalt de nadere regels voor:
1° het minimumbedrag voor de bosbehoudsbijdrage, de wijze en de omvang van de compensatie waarbij differentiatie mogelijk is;
2° de wijze waarop de bosbehoudsbijdrage besteed wordt;
3° de wijze waarop over de effectiviteit van de compensatie gerapporteerd wordt;
4° de gebieden die in aanmerking komen voor compensatie in natura.
In geval van hoger beroep blijft de bosbehoudsbijdrage, zoals bepaald door de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg, van toepassing.]12
§ 5. De aanvrager van [7 de vergunning tot ontbossing]7 of van de in § 2, 2°, bedoelde [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 stelt de compensatie voor overeenkomstig de eisen van het in § 4, [8 [12 tweede]12 lid]8, bedoelde besluit en dient het voorstel in bij de vergunningverlenende overheid, die het ter goedkeuring voorlegt aan het [1 Agentschap]1.
Indien het voorstel niet voldoet aan de eisen van het in § 4, [8 [12 tweede]12 lid]8, bedoelde besluit of wanneer het voorstel om bosbouwkundige redenen niet aanvaardbaar is, past het [1 Agentschap]1 het voorstel aan aan de eisen van dat besluit of, wanneer het een compensatie in natura betreft, aan de eisen van wat bosbouwkundig aanvaardbaar is.
[2 Het Agentschap stelt de aanvrager schriftelijk in kennis van de aanpassing, met vermelding van de redenen. Een kopie van deze kennisgeving wordt aan de vergunningverlenende overheid bezorgd. De aanvrager kan binnen de 14 dagen na ontvangst bezwaren tegen deze aanpassing of een alternatief compensatievoorstel aan het Agentschap overmaken. [4 De [7 adviestermijn, vermeld in artikel 26 en 43 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning,]7]4 wordt gedurende de periode vanaf de kennisgeving van de aanpassing voor maximaal 14 dagen opgeschort. Na ontvangst van de bezwaren of het alternatief compensatievoorstel of, indien de aanvrager niet reageert op de kennisgeving van de aanpassing, na 14 dagen vanaf deze kennisgeving, neemt het Agentschap een definitieve beslissing met betrekking tot het compensatievoorstel.]2
Het goedgekeurde of aangepaste voorstel geldt als voorwaarde bij de in § 2, 1° of 2°, bedoelde vergunning.
De in § 2, 2°, bedoelde [11 omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden]11 laat slechts vervreemding van een kavel toe nadat volledige compensatie werd gegeven.
§ 6. De vergunningverlenende overheid bezorgt een afschrift van haar beslissing inzake de aanvraag tot de in § 2, 1° en 2°, bedoelde vergunning aan het [1 Agentschap]1.
§ 7. De in § 2 bedoelde compensatieplicht geldt niet voor gronden die spontaan bebost zijn na het in werking treden van dit decreet, voorzover deze spontane bebossing de leeftijd van tweeëntwintig jaar niet heeft bereikt.
Om sociale redenen worden uitzonderingen op de in § 2 bedoelde compensatieplicht toegestaan in functie van de woningbouw in zones met de bestemming woongebied in de ruime zin of in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemming woongebied. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze uitzonderingen wordt verleend.
[12 § 8. In het geval bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, a), en de vergunningverlener het negatief advies van het agentschap ten aanzien van de voorgenomen ontbossing niet volgt, int de vergunningverlenende overheid die in laatste administratieve aanleg de vergunning tot ontbossing of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in paragraaf 2, 2°, aflevert, de bosbehoudsbijdrage en voert zij de compensatie uit binnen de drie jaar te rekenen van de beslissing in laatste administratieve aanleg of, indien gemotiveerd, binnen de vijf jaar.
In het geval bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, 2°, en de vergunningverlener het gunstig advies van het agentschap volgt, kan de vergunningverlener kiezen tussen volgende opties:
1° de bosbehoudsbijdrage zelf te innen en zelf de compensatie uit te voeren binnen de drie jaar te rekenen van de beslissing in laatste administratieve aanleg of indien gemotiveerd binnen de vijf jaar;
2° de bosbehoudsbijdrage te laten innen door het agentschap. In dit geval geldt het bedrag dat door de Vlaamse Regering is vastgesteld.
De vergunningverlener maakt deze keuze door middel van een gemotiveerde beslissing.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de ontvangst van de bosbehoudsbijdrage, de realisatie van de boscompensatie en de gevolgen bij het uitblijven van de realisatie van de boscompensatie.]12
[3 ...]3
Art.90bis DROIT FUTUR. § 1er. [2 Le déboisement est interdit à moins qu'un [7 permis d'environnement ]7 soit délivré en application de la législation relative à l'aménagement du territoire. [7 Un permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols]7 pour des terrains en partie ou en totalité boisés ne peut être délivré que dans les cas suivants :
1° le déboisement pour des [4 actes d'intérêt général tels que visés [7 ux articles 4.1.1, 5°, et 4.4.7, § 2,]7 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire]4;
2° le déboisement ou le lotissement dans des zones affectées comme zone d'habitat ou zone industrielle au sens large;
3° le déboisement ou le lotissement dans des zones à assimiler aux zones d'habitat ou zones industrielles au sens large en vertu des plans d'aménagement et des plans d'exécution spatiaux d'application;
4° le déboisement des parties exécutables dans un lotissement autorisé non échu;
5° le déboisement en fonction des objectifs de conservation fixés [8 ...]8 [5 , [9 à condition que ce déboisement soit repris dans un plan de gestion approuvé sur la base des articles 25, 43, § 1er, 43, § 2, ou 43, § 3, du présent décret ou de l'article 34, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ou soit repris dans un plan de gestion de la nature approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité]9]5.
[7 Un permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols]7 pour des terrains, en partie ou en totalité, boisés est délivré après avis préalable de l'[3 l'Agence]3. L'avis est émis à la demande de l'autorité délivrante. Si l'avis n'est pas émis dans un délai de trente jours, il est réputé positif.
Pour des déboisements ou lotissements de terrains, en partie ou en totalité, boisés autres que ceux cités au premier alinéa, le Gouvernement flamand peut, à la demande individuelle et motivée de celui qui sollicite un permis de déboisement ou un [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11, autoriser la dispense de l'interdiction d'octroyer un [7 permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols]7 pour des terrains en partie ou en totalité boisés, tout en respectant la législation relative à l'aménagement du territoire et après avis de l'[3 l'Agence]3. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la dispense de cette interdiction.]2
[8 Sans préjudice de l'application de l'article 91, §§ 1er et 2, du présent décret, il est interdit à quiconque de maintenir un déboisement illégal dans des zones vulnérables d'un point de vue spatial telles que visées à l'article 1.1.2, 10°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.]8
§ 2. En vue du maintien d'une superficie forestière équivalente,
1° le détenteur du [7 permis d'environnement pour le déboisement]7 est tenu de compenser le déboisement visé au § 1er [2 , premier alinéa, 1° à 4°, ou troisième alinéa]2 ;
2° le détenteur du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 est tenu de compenser les parties boisées du lotissement faisant l'objet d'une demande de [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 après l'entrée en vigueur [3 du décret du 17 juillet 2007 modifiant l'article 90bis du Décret forestier du 13 juin 1990]3.
§ 3. Le lotissement visé au § 2, 2° fait l'objet d'une compensation pour la superficie globale des lots, dans la mesure où celle-ci est boisée, et pour les travaux mentionnés dans la demande ou imposées comme charge au lotisseur, à l'exception de la superficie des espaces verts mentionnés dans la demande ou imposées comme charge au lotisseur. [3 Le maintien de ces espaces verts comme bois est explicitement repris dans les prescriptions de lotissement par l'instance accordant le permis.]3 Le demandeur du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 peut indiquer des espaces verts tant publics que non publics.
Le lotissement est autorisé après avis préalable de [1 l'Agence]1 qui est rendu conformément aux dispositions du § 1er, deuxième alinéa.
[3 [7 Le permis d'environnement de déboisement d'un terrain situé dans un lotissement visé au § 2, 2°, n'est ni soumis]7 à l'avis, visé au § 1er, alinéa deux, ni à la compensation. Le déboisement supplémentaire des espaces verts visés à l'alinéa premier ne peut être autorisé qu'après adaptation des prescriptions de lotissement par le biais d'une modification du lotissement et qu'après compensation de la modification de lotissement par le demandeur.]3
§ 4. [12 La compensation visée aux paragraphes 2 et 3 s'effectue de la manière suivante :
1° si le déboisement concerne un bois public, par exécution en nature ;
2° si le déboisement concerne un bois privé :
a) soit par versement, par le demandeur du permis concerné, d'une cotisation de conservation des bois, que l'autorité compétente affecte selon les conditions fixées au paragraphe 8 ;
b) soit par exécution en nature par le demandeur du permis concerné ;
c) soit par une combinaison des points a) et b).]12
[12 ...]12
[12 La compensation visée aux paragraphes 2 et 3 concerne au moins une superficie équivalente par rapport au déboisement. En cas de déboisement tel que visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 2°, d'au moins 10 ha, la partie de la compensation dont le demandeur choisit de compenser en nature, doit être réalisée dans un ensemble spatial continu d'au moins 10 ha ou doit être réalisée de façon contiguë à un bois existant d'au moins 5 ha ou une combinaison des deux. Pour les bois d'au moins 10 ha, un plan de gestion de la nature de type 3 au minimum est établi après la plantation. Pour les bois qui peuvent apporter une contribution à la réalisation des objectifs de conservation pour une zone de protection spéciale, tels que visés à l'article 2, 65°, du décret concernant la conservation de la nature, la compensation s'élève au triple de la superficie déboisée. La cotisation de conservation des bois est établie par l'instance délivrant le permis d'environnement telle que visée au paragraphe 1er. Le montant ne peut être inférieur au montant établi par le Gouvernement flamand. A défaut d'un règlement communal établissant le montant de base de la cotisation de conservation des bois au moment de la décision d'autorisation en première instance, le tarif minimal s'appliquera, tel que fixé par le Gouvernement flamand conformément au présent alinéa. Le Gouvernement flamand dresse une liste de types de bois qui apportent une contribution à la réalisation des objectifs de conservation précités, et arrête les modalités en ce qui concerne :
1° le montant minimal de la cotisation de conservation des bois, le mode et la portée de la compensation, une différenciation étant possible ;
2° le mode d'affectation de la cotisation de conservation des bois ;
3° le mode de compte-rendu sur l'effectivité de la compensation ;
4° les zones éligibles à une compensation en nature.
En cas d'appel, la cotisation de conservation des bois telle que fixée par l'autorité délivrant le permis en première instance, reste d'application.]12
[10 Les terres défrichées, via une simple notification telle que visée à l'article 87, alinéa 5, après l'entrée en vigueur du décret 26 avril 2019 portant diverses dispositions en matière d'environnement, de nature et d'agriculture n'entrent pas en considération pour une compensation en nature dans les cas suivants :
1° durant 20 ans suivant la notification si la terre est située en zone agricole ou dans une zone d'affectation assimilée ;
2° jusqu'à la date d'entrée en vigueur de la modification de destination de la terre en une destination relevant de la catégorie d'affectation de zone " forêt ", " autres espaces verts " ou " réserve et nature " ou jusqu'à la date d'entrée en vigueur de la désignation de la terre comme " zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau " conformément à l'article 5.6.8, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire.]10
§ 5. Le demandeur [7 du permis d'environnement de déboisement]7 ou du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 visé au § 2, 2°, propose la compensation conformément aux exigences énumérées à l'arrêté visé au § 4, [12 alinéa 2]12 et adresse la proposition à l'autorité délivrante qui la soumet à l'approbation de [1 l'Agence]1.
Si la proposition n'est pas conforme aux exigences imposées par l'arrêté visé au § 4, [12 alinéa 2]12 ou lorsque la proposition n'est pas acceptable pour des raisons sylvicoles, [1 l'Agence]1 adapte la proposition aux exigences de cet arrêté ou en cas de compensation en nature, aux exigences sylvicoles.
[2 L'Agence informe par écrit le demandeur de cette adaptation, avec mention des motifs. Une copie de cette notification est remise à l'autorité délivrante. Dans un délai de 14 jours après réception, le demandeur peut formuler des objections contre cette adaptation ou une proposition de compensation alternative à l'intention de l'Administration. [4 Le [7 délai d'avis, visé aux articles 26 et 43 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement,]7 ]4 est suspendu pendant une période de 14 jours au maximum à compter de la notification de l'adaptation. Après réception des objections ou de la proposition de compensation alternative ou, si le demandeur ne réagit pas à la notification de l'adaptation, après 14 jours à compter de cette notification, l'Agence prend une décision définitive sur la proposition de compensation.]2
La proposition approuvée ou adaptée tient lieu de condition dans l'autorisation ou le permis visés au § 2, 1° et 2°.
Le [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 visé au § 2, 2° n'autorise l'aliénation d'un lot qu'en cas de compensation complète.
§ 6. L'autorité délivrant l'autorisation transmet à [1 l'Agence]1 une copie de sa décision sur la demande d'autorisation ou de permis visés au § 2, 1° et 2°.
§ 7. L'obligation de compensation visée au § 2 ne s'applique pas aux terrains dont le boisement s'est effectué de manière spontanée après l'entrée en vigueur du présent décret, pour autant que ce boisement spontané n'a pas atteint l'âge de vingt-deux ans.
Des exceptions à l'obligation de compensation visée au § 2 sont autorisées pour des raisons sociales pour la construction de logements dans les zones affectées comme zone d'habitat au sens large ou dans les zones à assimiler aux zones d'habitat en vertu des plans d'aménagement ou des plans d'exécution spatiaux. Le Gouvernement flamand détermine les conditions d'octroi de ces exceptions.
[12 § 8. Dans le cas visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 2°, a), et si l'autorité délivrant le permis ne suit pas l'avis négatif de l'agence à l'égard du déboisement envisagé, l'autorité délivrant le permis qui délivre en dernière instance administrative le permis de déboisement ou le permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé au paragraphe 2, 2°, perçoit la cotisation de conservation des bois et elle réalise la compensation dans les trois ans à compter de la décision en dernière instance administrative ou, en cas de décision motivée, dans les cinq ans.
Dans le cas visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 2°, et si l'autorité délivrant le permis suit l'avis favorable de l'agence, l'autorité délivrant le permis peut choisir entre les options suivantes :
1° percevoir elle-même la cotisation de conservation des bois et réaliser elle-même la compensation dans les trois ans à compter de la décision en dernière instance administrative ou, en cas de décision motivée, dans les cinq ans ;
2° faire percevoir la cotisation de conservation des bois par l'agence. Dans ce cas, le montant fixé par le Gouvernement flamand s'applique.
L'autorité délivrant le permis fait ce choix au moyen d'une décision motivée.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à la réception de la cotisation de conservation des bois, à la réalisation de la compensation forestière et aux conséquences en l'absence de la réalisation de la compensation forestière.]12
[3 ...]3
1° le déboisement pour des [4 actes d'intérêt général tels que visés [7 ux articles 4.1.1, 5°, et 4.4.7, § 2,]7 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire]4;
2° le déboisement ou le lotissement dans des zones affectées comme zone d'habitat ou zone industrielle au sens large;
3° le déboisement ou le lotissement dans des zones à assimiler aux zones d'habitat ou zones industrielles au sens large en vertu des plans d'aménagement et des plans d'exécution spatiaux d'application;
4° le déboisement des parties exécutables dans un lotissement autorisé non échu;
5° le déboisement en fonction des objectifs de conservation fixés [8 ...]8 [5 , [9 à condition que ce déboisement soit repris dans un plan de gestion approuvé sur la base des articles 25, 43, § 1er, 43, § 2, ou 43, § 3, du présent décret ou de l'article 34, § 1er, du décret du 21 octobre 1997 concernant la conservation de la nature et le milieu naturel ou soit repris dans un plan de gestion de la nature approuvé conformément à l'article 16octies du décret précité]9]5.
[7 Un permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols]7 pour des terrains, en partie ou en totalité, boisés est délivré après avis préalable de l'[3 l'Agence]3. L'avis est émis à la demande de l'autorité délivrante. Si l'avis n'est pas émis dans un délai de trente jours, il est réputé positif.
Pour des déboisements ou lotissements de terrains, en partie ou en totalité, boisés autres que ceux cités au premier alinéa, le Gouvernement flamand peut, à la demande individuelle et motivée de celui qui sollicite un permis de déboisement ou un [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11, autoriser la dispense de l'interdiction d'octroyer un [7 permis d'environnement pour le déboisement ou le lotissement de sols]7 pour des terrains en partie ou en totalité boisés, tout en respectant la législation relative à l'aménagement du territoire et après avis de l'[3 l'Agence]3. Le Gouvernement flamand arrête les modalités relatives à la dispense de cette interdiction.]2
[8 Sans préjudice de l'application de l'article 91, §§ 1er et 2, du présent décret, il est interdit à quiconque de maintenir un déboisement illégal dans des zones vulnérables d'un point de vue spatial telles que visées à l'article 1.1.2, 10°, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire du 15 mai 2009.]8
§ 2. En vue du maintien d'une superficie forestière équivalente,
1° le détenteur du [7 permis d'environnement pour le déboisement]7 est tenu de compenser le déboisement visé au § 1er [2 , premier alinéa, 1° à 4°, ou troisième alinéa]2 ;
2° le détenteur du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 est tenu de compenser les parties boisées du lotissement faisant l'objet d'une demande de [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 après l'entrée en vigueur [3 du décret du 17 juillet 2007 modifiant l'article 90bis du Décret forestier du 13 juin 1990]3.
§ 3. Le lotissement visé au § 2, 2° fait l'objet d'une compensation pour la superficie globale des lots, dans la mesure où celle-ci est boisée, et pour les travaux mentionnés dans la demande ou imposées comme charge au lotisseur, à l'exception de la superficie des espaces verts mentionnés dans la demande ou imposées comme charge au lotisseur. [3 Le maintien de ces espaces verts comme bois est explicitement repris dans les prescriptions de lotissement par l'instance accordant le permis.]3 Le demandeur du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 peut indiquer des espaces verts tant publics que non publics.
Le lotissement est autorisé après avis préalable de [1 l'Agence]1 qui est rendu conformément aux dispositions du § 1er, deuxième alinéa.
[3 [7 Le permis d'environnement de déboisement d'un terrain situé dans un lotissement visé au § 2, 2°, n'est ni soumis]7 à l'avis, visé au § 1er, alinéa deux, ni à la compensation. Le déboisement supplémentaire des espaces verts visés à l'alinéa premier ne peut être autorisé qu'après adaptation des prescriptions de lotissement par le biais d'une modification du lotissement et qu'après compensation de la modification de lotissement par le demandeur.]3
§ 4. [12 La compensation visée aux paragraphes 2 et 3 s'effectue de la manière suivante :
1° si le déboisement concerne un bois public, par exécution en nature ;
2° si le déboisement concerne un bois privé :
a) soit par versement, par le demandeur du permis concerné, d'une cotisation de conservation des bois, que l'autorité compétente affecte selon les conditions fixées au paragraphe 8 ;
b) soit par exécution en nature par le demandeur du permis concerné ;
c) soit par une combinaison des points a) et b).]12
[12 ...]12
[12 La compensation visée aux paragraphes 2 et 3 concerne au moins une superficie équivalente par rapport au déboisement. En cas de déboisement tel que visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 2°, d'au moins 10 ha, la partie de la compensation dont le demandeur choisit de compenser en nature, doit être réalisée dans un ensemble spatial continu d'au moins 10 ha ou doit être réalisée de façon contiguë à un bois existant d'au moins 5 ha ou une combinaison des deux. Pour les bois d'au moins 10 ha, un plan de gestion de la nature de type 3 au minimum est établi après la plantation. Pour les bois qui peuvent apporter une contribution à la réalisation des objectifs de conservation pour une zone de protection spéciale, tels que visés à l'article 2, 65°, du décret concernant la conservation de la nature, la compensation s'élève au triple de la superficie déboisée. La cotisation de conservation des bois est établie par l'instance délivrant le permis d'environnement telle que visée au paragraphe 1er. Le montant ne peut être inférieur au montant établi par le Gouvernement flamand. A défaut d'un règlement communal établissant le montant de base de la cotisation de conservation des bois au moment de la décision d'autorisation en première instance, le tarif minimal s'appliquera, tel que fixé par le Gouvernement flamand conformément au présent alinéa. Le Gouvernement flamand dresse une liste de types de bois qui apportent une contribution à la réalisation des objectifs de conservation précités, et arrête les modalités en ce qui concerne :
1° le montant minimal de la cotisation de conservation des bois, le mode et la portée de la compensation, une différenciation étant possible ;
2° le mode d'affectation de la cotisation de conservation des bois ;
3° le mode de compte-rendu sur l'effectivité de la compensation ;
4° les zones éligibles à une compensation en nature.
En cas d'appel, la cotisation de conservation des bois telle que fixée par l'autorité délivrant le permis en première instance, reste d'application.]12
[10 Les terres défrichées, via une simple notification telle que visée à l'article 87, alinéa 5, après l'entrée en vigueur du décret 26 avril 2019 portant diverses dispositions en matière d'environnement, de nature et d'agriculture n'entrent pas en considération pour une compensation en nature dans les cas suivants :
1° durant 20 ans suivant la notification si la terre est située en zone agricole ou dans une zone d'affectation assimilée ;
2° jusqu'à la date d'entrée en vigueur de la modification de destination de la terre en une destination relevant de la catégorie d'affectation de zone " forêt ", " autres espaces verts " ou " réserve et nature " ou jusqu'à la date d'entrée en vigueur de la désignation de la terre comme " zone d'espace ouvert vulnérable du point de vue de l'eau " conformément à l'article 5.6.8, § 1er, du Code flamand de l'Aménagement du Territoire.]10
§ 5. Le demandeur [7 du permis d'environnement de déboisement]7 ou du [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 visé au § 2, 2°, propose la compensation conformément aux exigences énumérées à l'arrêté visé au § 4, [12 alinéa 2]12 et adresse la proposition à l'autorité délivrante qui la soumet à l'approbation de [1 l'Agence]1.
Si la proposition n'est pas conforme aux exigences imposées par l'arrêté visé au § 4, [12 alinéa 2]12 ou lorsque la proposition n'est pas acceptable pour des raisons sylvicoles, [1 l'Agence]1 adapte la proposition aux exigences de cet arrêté ou en cas de compensation en nature, aux exigences sylvicoles.
[2 L'Agence informe par écrit le demandeur de cette adaptation, avec mention des motifs. Une copie de cette notification est remise à l'autorité délivrante. Dans un délai de 14 jours après réception, le demandeur peut formuler des objections contre cette adaptation ou une proposition de compensation alternative à l'intention de l'Administration. [4 Le [7 délai d'avis, visé aux articles 26 et 43 du décret du 25 avril 2014 relatif au permis d'environnement,]7 ]4 est suspendu pendant une période de 14 jours au maximum à compter de la notification de l'adaptation. Après réception des objections ou de la proposition de compensation alternative ou, si le demandeur ne réagit pas à la notification de l'adaptation, après 14 jours à compter de cette notification, l'Agence prend une décision définitive sur la proposition de compensation.]2
La proposition approuvée ou adaptée tient lieu de condition dans l'autorisation ou le permis visés au § 2, 1° et 2°.
Le [11 permis d'environnement pour le lotissement de sols]11 visé au § 2, 2° n'autorise l'aliénation d'un lot qu'en cas de compensation complète.
§ 6. L'autorité délivrant l'autorisation transmet à [1 l'Agence]1 une copie de sa décision sur la demande d'autorisation ou de permis visés au § 2, 1° et 2°.
§ 7. L'obligation de compensation visée au § 2 ne s'applique pas aux terrains dont le boisement s'est effectué de manière spontanée après l'entrée en vigueur du présent décret, pour autant que ce boisement spontané n'a pas atteint l'âge de vingt-deux ans.
Des exceptions à l'obligation de compensation visée au § 2 sont autorisées pour des raisons sociales pour la construction de logements dans les zones affectées comme zone d'habitat au sens large ou dans les zones à assimiler aux zones d'habitat en vertu des plans d'aménagement ou des plans d'exécution spatiaux. Le Gouvernement flamand détermine les conditions d'octroi de ces exceptions.
[12 § 8. Dans le cas visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 2°, a), et si l'autorité délivrant le permis ne suit pas l'avis négatif de l'agence à l'égard du déboisement envisagé, l'autorité délivrant le permis qui délivre en dernière instance administrative le permis de déboisement ou le permis d'environnement pour le lotissement de sols, visé au paragraphe 2, 2°, perçoit la cotisation de conservation des bois et elle réalise la compensation dans les trois ans à compter de la décision en dernière instance administrative ou, en cas de décision motivée, dans les cinq ans.
Dans le cas visé au paragraphe 4, alinéa 1er, 2°, et si l'autorité délivrant le permis suit l'avis favorable de l'agence, l'autorité délivrant le permis peut choisir entre les options suivantes :
1° percevoir elle-même la cotisation de conservation des bois et réaliser elle-même la compensation dans les trois ans à compter de la décision en dernière instance administrative ou, en cas de décision motivée, dans les cinq ans ;
2° faire percevoir la cotisation de conservation des bois par l'agence. Dans ce cas, le montant fixé par le Gouvernement flamand s'applique.
L'autorité délivrant le permis fait ce choix au moyen d'une décision motivée.
Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à la réception de la cotisation de conservation des bois, à la réalisation de la compensation forestière et aux conséquences en l'absence de la réalisation de la compensation forestière.]12
[3 ...]3
Wijzigingen
Art. 90ter. [1 § 1. De Vlaamse Regering is belast met het opmaken van een kaart op perceelsniveau van de meest kwetsbare waardevolle bossen, niet gelegen in een zone sorterend binnen de categorie van gebiedsaanduiding "bos", "parkgebied" of "reservaat en natuur", zoals aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen.
De meest kwetsbare waardevolle bossen worden geïdentificeerd aan de hand van een multicriteria-analyse op basis van de volgende criteria:
1° oppervlakte;
2° biologische waarde;
3° historiek van het bos;
4° ligging ten opzichte van ruimtelijke structuren inzake bos en natuur;
5° weging ten opzichte van de basiskaart van de inventaris van potentieel waardevolle bossen in Vlaanderen, uitgevoerd door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.
Bossen waarvoor de gehele of gedeeltelijke ontbossing reeds beleidsmatig werd beslist door middel van definitief van kracht zijnde en niet vervallen beslissingen, genomen voor 18 december 2015, worden niet opgenomen op de kaart van de meest kwetsbare waardevolle bossen.
De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de technische invulling van de criteria en de multicriteria-analyse vermeld in het tweede lid.
§ 2. De Vlaamse Regering stelt de ontwerpkaart van meest kwetsbare waardevolle bossen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voorlopig vast en onderwerpt de ontwerpkaart aan een openbaar onderzoek dat binnen 60 dagen na de voorlopige vaststelling wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het gewest worden verspreid.
Deze aankondiging vermeldt minstens:
1° de gemeenten waarop de ontwerpkaart betrekking heeft;
2° de wijze waarop de ontwerpkaart kan worden ingekeken;
3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
4° het adres waar de opmerkingen, vermeld in paragraaf 4, dienen toe te komen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen rond de organisatie van het openbaar onderzoek.
§ 3. Na de aankondiging wordt de ontwerpkaart gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke betrokken gemeente.
§ 4. De opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek aan de Vlaamse Regering toegezonden bij een ter post aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. De opmerkingen kunnen enkel betrekking hebben op het feit of een voorlopig aangeduid kwetsbaar waardevol bos al dan niet voldoet aan de criteria zoals vermeld in paragraaf 1.
§ 5. De Vlaamse Regering stelt na het openbaar onderzoek de kaart van de meest kwetsbare waardevolle bossen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, definitief vast. Bij de definitieve vaststelling kunnen ten opzichte van de voorlopig vastgestelde ontwerpkaart slechts wijzigingen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde opmerkingen.
Het besluit houdende definitieve vaststelling wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt.
§ 6. In afwijking van artikel 90bis is ontbossing van de meest kwetsbare waardevolle bossen die voorlopig of definitief zijn vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2 of 5 verboden.
§ 7. In afwijking van paragraaf 6 kan een vergunning voor de gehele of gedeeltelijke ontbossing van de meest kwetsbare waardevolle bossen, zoals aangeduid op de kaart bedoeld in paragraaf 2 of 5, enkel verleend worden na voorafgaand besluit van de Vlaamse Regering, ongeacht de bestemming op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Indien een in het eerste lid vermeld besluit wordt genomen, dan zijn wat betreft het bos of bosgedeelte waarvoor het verbod niet langer van toepassing is de bepalingen van artikel 90bis, § 1, tweede lid, en § 2 tot en met § 7, van overeenkomstige toepassing.
Diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning voor de gehele of gedeeltelijke ontbossing van de meest kwetsbare waardevolle bossen, zoals aangeduid op de kaart, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, dient hiertoe een gemotiveerd verzoek in bij de Vlaamse Regering. Het verzoek tot afwijking dient een compensatievoorstel te bevatten zoals bedoeld in artikel 90bis, § 5.
De Vlaamse Regering beslist na advies van het Agentschap en een integrale en geïntegreerde afweging om af te wijken van het verbod op ontbossing. De Vlaamse Regering houdt hierbij minstens rekening met de volgende elementen:
1° de doelstellingen vermeld in artikel 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° de ecologische en de ruimtelijk-maatschappelijke context.
Het verbod als vermeld in paragraaf 6 wordt van rechtswege opgeheven door een besluit tot definitieve vaststelling van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat betrekking heeft op bossen opgenomen op de kaart zoals vermeld in paragrafen 1 tot en met 5.
Indien de Vlaamse Regering besluit dat geen afwijking kan toegestaan worden van het verbod tot ontbossing, is de Vlaamse Regering ertoe verplicht om binnen twee jaar, te rekenen vanaf dat besluit, een ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vast te stellen voor het betrokken boscomplex.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere formele en procedurele regels voor de toepassing van deze paragraaf.]1
De meest kwetsbare waardevolle bossen worden geïdentificeerd aan de hand van een multicriteria-analyse op basis van de volgende criteria:
1° oppervlakte;
2° biologische waarde;
3° historiek van het bos;
4° ligging ten opzichte van ruimtelijke structuren inzake bos en natuur;
5° weging ten opzichte van de basiskaart van de inventaris van potentieel waardevolle bossen in Vlaanderen, uitgevoerd door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.
Bossen waarvoor de gehele of gedeeltelijke ontbossing reeds beleidsmatig werd beslist door middel van definitief van kracht zijnde en niet vervallen beslissingen, genomen voor 18 december 2015, worden niet opgenomen op de kaart van de meest kwetsbare waardevolle bossen.
De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de technische invulling van de criteria en de multicriteria-analyse vermeld in het tweede lid.
§ 2. De Vlaamse Regering stelt de ontwerpkaart van meest kwetsbare waardevolle bossen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voorlopig vast en onderwerpt de ontwerpkaart aan een openbaar onderzoek dat binnen 60 dagen na de voorlopige vaststelling wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het gewest worden verspreid.
Deze aankondiging vermeldt minstens:
1° de gemeenten waarop de ontwerpkaart betrekking heeft;
2° de wijze waarop de ontwerpkaart kan worden ingekeken;
3° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
4° het adres waar de opmerkingen, vermeld in paragraaf 4, dienen toe te komen.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen rond de organisatie van het openbaar onderzoek.
§ 3. Na de aankondiging wordt de ontwerpkaart gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke betrokken gemeente.
§ 4. De opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek aan de Vlaamse Regering toegezonden bij een ter post aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. De opmerkingen kunnen enkel betrekking hebben op het feit of een voorlopig aangeduid kwetsbaar waardevol bos al dan niet voldoet aan de criteria zoals vermeld in paragraaf 1.
§ 5. De Vlaamse Regering stelt na het openbaar onderzoek de kaart van de meest kwetsbare waardevolle bossen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, definitief vast. Bij de definitieve vaststelling kunnen ten opzichte van de voorlopig vastgestelde ontwerpkaart slechts wijzigingen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde opmerkingen.
Het besluit houdende definitieve vaststelling wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt.
§ 6. In afwijking van artikel 90bis is ontbossing van de meest kwetsbare waardevolle bossen die voorlopig of definitief zijn vastgesteld overeenkomstig paragraaf 2 of 5 verboden.
§ 7. In afwijking van paragraaf 6 kan een vergunning voor de gehele of gedeeltelijke ontbossing van de meest kwetsbare waardevolle bossen, zoals aangeduid op de kaart bedoeld in paragraaf 2 of 5, enkel verleend worden na voorafgaand besluit van de Vlaamse Regering, ongeacht de bestemming op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Indien een in het eerste lid vermeld besluit wordt genomen, dan zijn wat betreft het bos of bosgedeelte waarvoor het verbod niet langer van toepassing is de bepalingen van artikel 90bis, § 1, tweede lid, en § 2 tot en met § 7, van overeenkomstige toepassing.
Diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning voor de gehele of gedeeltelijke ontbossing van de meest kwetsbare waardevolle bossen, zoals aangeduid op de kaart, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, dient hiertoe een gemotiveerd verzoek in bij de Vlaamse Regering. Het verzoek tot afwijking dient een compensatievoorstel te bevatten zoals bedoeld in artikel 90bis, § 5.
De Vlaamse Regering beslist na advies van het Agentschap en een integrale en geïntegreerde afweging om af te wijken van het verbod op ontbossing. De Vlaamse Regering houdt hierbij minstens rekening met de volgende elementen:
1° de doelstellingen vermeld in artikel 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° de ecologische en de ruimtelijk-maatschappelijke context.
Het verbod als vermeld in paragraaf 6 wordt van rechtswege opgeheven door een besluit tot definitieve vaststelling van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat betrekking heeft op bossen opgenomen op de kaart zoals vermeld in paragrafen 1 tot en met 5.
Indien de Vlaamse Regering besluit dat geen afwijking kan toegestaan worden van het verbod tot ontbossing, is de Vlaamse Regering ertoe verplicht om binnen twee jaar, te rekenen vanaf dat besluit, een ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vast te stellen voor het betrokken boscomplex.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere formele en procedurele regels voor de toepassing van deze paragraaf.]1
Art. 90ter. [1 § 1. Le Gouvernement flamand est chargé de l'élaboration d'une carte au niveau de parcelle des forêts utiles les plus vulnérables, non situées dans une zone relevant de la catégorie d'affectation de zone " forêt ", " zone de parc " ou " réserves et nature ", comme indiqué sur les plans d'aménagement ou les plans d'exécution spatiale.
Les forêts utiles les plus vulnérables sont identifiées sur la base d'une analyse multicritères, fondée sur les critères suivants :
1° superficie ;
2° valeur biologique ;
3° historique de la forêt ;
4° situation par rapport à des structures spatiales en matière de forêt et de nature ;
5° poids par rapport à la carte de base de l'inventaire de forêts utiles potentielles en Flandre, exécutée par l'Institut pour l'Etude de la Nature et des Forêts.
Les forêts pour lesquelles un déboisement total ou partiel a déjà été décidé sur le plan politique, au moyen de décisions définitives qui sont en vigueur et non échues, prises avant le 18 décembre 2015 ne sont pas reprises sur la carte des forêts utiles les plus vulnérables.
Le Gouvernement flamand définit les modalités pour les détails techniques des critères et de l'analyse multicritères visés au deuxième alinéa.
§ 2. Le Gouvernement flamand fixe provisoirement le projet de carte des forêts utiles les plus vulnérables, mentionnées au paragraphe 1er, premier alinéa, et soumet le projet de carte à une enquête publique qui est annoncée dans les 60 jours qui suivent sa fixation provisoire par affichage dans chaque commune à laquelle se rapporte en tout ou en partie le projet de plan, par un avis au Moniteur belge et dans au moins trois quotidiens qui sont diffusés dans la région.
Cette annonce mentionne au moins :
1° les communes auxquelles se rapporte le projet de carte ;
2° le mode de consultation du projet de carte ;
3° les dates de début et de fin de l'enquête publique ;
4° l'adresse à laquelle doivent parvenir les remarques visées au paragraphe 4.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'organisation de l'enquête publique.
§ 3. Après l'annonce, le projet de carte peut être consulté pendant 60 jours à l'hôtel de ville de chaque commune concernée.
§ 4. Les remarques sont transmises au Gouvernement flamand au plus tard le dernier jour du délai de l'enquête publique par lettre recommandée à la poste ou remises contre accusé de réception. Les remarques peuvent seulement porter sur le fait qu'une forêt utile vulnérable, désignée provisoirement, satisfait ou non aux critères visés au paragraphe 1er.
§ 5. Le Gouvernement flamand arrête définitivement la carte des forêts utiles les plus vulnérables, mentionnées au paragraphe 1er, premier alinéa, après l'enquête publique. Lors de la fixation définitive du plan, les seules modifications pouvant être apportées par rapport au plan provisoire, doivent être basées sur, ou découler des remarques formulées durant l'enquête publique.
L'arrêté portant fixation définitive de la carte est publié par extrait au Moniteur belge.
§ 6. Par dérogation à l'article 90bis, le déboisement des forêts utiles les plus vulnérables qui sont provisoirement ou définitivement établies conformément au paragraphe 2 ou 5, est interdit.
§ 7. Par dérogation au paragraphe 6, un permis pour un déboisement total ou partiel des forêts utiles les plus vulnérables, telles qu'indiquées sur la carte visée au paragraphe 2 ou 5, ne peut être délivré qu'après décision préalable du Gouvernement flamand, indépendamment de la destination sur les plans d'aménagement ou les plans d'exécution spatiale.
Si une décision mentionnée au premier alinéa est prise, les dispositions de l'article 90bis, § 1er, deuxième alinéa, et § 2 à § 7, s'appliquent par analogie en ce qui concerne la forêt ou partie de forêt pour laquelle l'interdiction n'est plus applicable.
Celui qui souhaite obtenir une autorisation de déboisement total ou partiel des forêts utiles les plus vulnérables, telles qu'indiquées sur la carte, mentionnée au paragraphe 1er, premier alinéa, doit introduire une demande motivée à cet effet auprès du Gouvernement flamand. La demande de dérogation doit comprendre une proposition de compensation, telle que visée à l'article 90bis, § 5.
Le Gouvernement flamand décide, après avis de l'Agence et une prise en considération intégrale et intégrée, de déroger à l'interdiction de déboisement. Le Gouvernement flamand tient au moins compte, en l'espèce, des éléments suivants :
1° les objectifs mentionnés à l'article 1.1.4 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
2° le contexte écologique et le contexte social du territoire.
L'interdiction telle que visée au paragraphe 6 est abrogée de plein droit par une décision portant fixation définitive du plan régional d'exécution spatiale concernant les forêts reprises sur la carte telle que visée aux paragraphes 1 à 5.
Si le Gouvernement flamand décide qu'aucune dérogation ne peut être permise à l'interdiction de déboisement, le Gouvernement flamand est tenu, dans un délai de deux ans, à compter de cette décision, de fixer provisoirement un projet de plan d'exécution spatiale pour le complexe forestier concerné.
Le Gouvernement flamand fixe les règles formelles et procédurales pour l'application du présent paragraphe.]1
Les forêts utiles les plus vulnérables sont identifiées sur la base d'une analyse multicritères, fondée sur les critères suivants :
1° superficie ;
2° valeur biologique ;
3° historique de la forêt ;
4° situation par rapport à des structures spatiales en matière de forêt et de nature ;
5° poids par rapport à la carte de base de l'inventaire de forêts utiles potentielles en Flandre, exécutée par l'Institut pour l'Etude de la Nature et des Forêts.
Les forêts pour lesquelles un déboisement total ou partiel a déjà été décidé sur le plan politique, au moyen de décisions définitives qui sont en vigueur et non échues, prises avant le 18 décembre 2015 ne sont pas reprises sur la carte des forêts utiles les plus vulnérables.
Le Gouvernement flamand définit les modalités pour les détails techniques des critères et de l'analyse multicritères visés au deuxième alinéa.
§ 2. Le Gouvernement flamand fixe provisoirement le projet de carte des forêts utiles les plus vulnérables, mentionnées au paragraphe 1er, premier alinéa, et soumet le projet de carte à une enquête publique qui est annoncée dans les 60 jours qui suivent sa fixation provisoire par affichage dans chaque commune à laquelle se rapporte en tout ou en partie le projet de plan, par un avis au Moniteur belge et dans au moins trois quotidiens qui sont diffusés dans la région.
Cette annonce mentionne au moins :
1° les communes auxquelles se rapporte le projet de carte ;
2° le mode de consultation du projet de carte ;
3° les dates de début et de fin de l'enquête publique ;
4° l'adresse à laquelle doivent parvenir les remarques visées au paragraphe 4.
Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'organisation de l'enquête publique.
§ 3. Après l'annonce, le projet de carte peut être consulté pendant 60 jours à l'hôtel de ville de chaque commune concernée.
§ 4. Les remarques sont transmises au Gouvernement flamand au plus tard le dernier jour du délai de l'enquête publique par lettre recommandée à la poste ou remises contre accusé de réception. Les remarques peuvent seulement porter sur le fait qu'une forêt utile vulnérable, désignée provisoirement, satisfait ou non aux critères visés au paragraphe 1er.
§ 5. Le Gouvernement flamand arrête définitivement la carte des forêts utiles les plus vulnérables, mentionnées au paragraphe 1er, premier alinéa, après l'enquête publique. Lors de la fixation définitive du plan, les seules modifications pouvant être apportées par rapport au plan provisoire, doivent être basées sur, ou découler des remarques formulées durant l'enquête publique.
L'arrêté portant fixation définitive de la carte est publié par extrait au Moniteur belge.
§ 6. Par dérogation à l'article 90bis, le déboisement des forêts utiles les plus vulnérables qui sont provisoirement ou définitivement établies conformément au paragraphe 2 ou 5, est interdit.
§ 7. Par dérogation au paragraphe 6, un permis pour un déboisement total ou partiel des forêts utiles les plus vulnérables, telles qu'indiquées sur la carte visée au paragraphe 2 ou 5, ne peut être délivré qu'après décision préalable du Gouvernement flamand, indépendamment de la destination sur les plans d'aménagement ou les plans d'exécution spatiale.
Si une décision mentionnée au premier alinéa est prise, les dispositions de l'article 90bis, § 1er, deuxième alinéa, et § 2 à § 7, s'appliquent par analogie en ce qui concerne la forêt ou partie de forêt pour laquelle l'interdiction n'est plus applicable.
Celui qui souhaite obtenir une autorisation de déboisement total ou partiel des forêts utiles les plus vulnérables, telles qu'indiquées sur la carte, mentionnée au paragraphe 1er, premier alinéa, doit introduire une demande motivée à cet effet auprès du Gouvernement flamand. La demande de dérogation doit comprendre une proposition de compensation, telle que visée à l'article 90bis, § 5.
Le Gouvernement flamand décide, après avis de l'Agence et une prise en considération intégrale et intégrée, de déroger à l'interdiction de déboisement. Le Gouvernement flamand tient au moins compte, en l'espèce, des éléments suivants :
1° les objectifs mentionnés à l'article 1.1.4 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire ;
2° le contexte écologique et le contexte social du territoire.
L'interdiction telle que visée au paragraphe 6 est abrogée de plein droit par une décision portant fixation définitive du plan régional d'exécution spatiale concernant les forêts reprises sur la carte telle que visée aux paragraphes 1 à 5.
Si le Gouvernement flamand décide qu'aucune dérogation ne peut être permise à l'interdiction de déboisement, le Gouvernement flamand est tenu, dans un délai de deux ans, à compter de cette décision, de fixer provisoirement un projet de plan d'exécution spatiale pour le complexe forestier concerné.
Le Gouvernement flamand fixe les règles formelles et procédurales pour l'application du présent paragraphe.]1
Art.91. § 1. Bij een overdracht of vestiging van een zakelijk recht op een onroerend goed waarop dit decreet van toepassing is, of bij een verdeling van dergelijk goed, gaan de rechten en de plichten die voortvloeien uit dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten over op de verwerver, in de mate dat hij daarbij geheel of gedeeltelijk het beheer van het bos verkrijgt.
In de mate dat het beheer van het bos geheel of gedeeltelijk overgedragen wordt op enige andere wijze dan bepaald in het vorige lid, en dit voor een duur van meer dan negen jaar, gaan de rechten en de plichten die krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten rusten op het onroerend goed over op de nieuwe bosbeheerder.
§ 2. Bij een overdracht of verdeling van onroerende goederen waarop dit decreet van toepassing is, brengt de overdrager of verdeler de verwerver vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte van de verplichtingen die op dat goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Deze verplichting rust eveneens op degene die het eigendomsrecht van dergelijke onroerende goederen belast met zakelijke rechten in de mate dat daarbij het beheer van het bos wordt overgedragen, en op de persoon die op enige andere wijze het beheer van het bos geheel of gedeeltelijk overdraagt voor meer dan negen jaar.
§ 3. De instrumenterende ambtenaar die een akte verlijdt van overdrachten of verdelingen bedoeld in § 1 neemt in de akte in een aparte rubriek "Bosdecreet" de verklaring op van de overdrager of verdeler dat hij zijn informatieplicht, bedoeld in § 2, heeft nageleefd en, in voorkomend geval, de nodige stukken heeft overgedragen.
Het voorhanden zijn van een bosbeheerplan en de referentiegegevens ervan worden in de akte vermeld.
§ 4. Voormelde instrumenterende ambtenaar deelt binnen zestig dagen na de ondertekening van de akte de wijziging in het beheer van het bos mee aan het [1 Agentschap]1 met een attest waarin de identiteit van de oorspronkelijke en de nieuwe bosbeheerder en de omschrijving van het betreffende onroerend goed worden opgenomen.
§ 5. De partij die haar informatieplicht niet nakomt blijft gehouden tot haar verplichtingen die voortvloeien uit dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Deze niet-tegenstelbaarheid kan niet worden ingeroepen indien voor het verlijden van de akte van overdrachten of verdelingen, bedoeld in § 1, de verwerver op de hoogte is gebracht van de verplichtingen die op het goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
In de mate dat het beheer van het bos geheel of gedeeltelijk overgedragen wordt op enige andere wijze dan bepaald in het vorige lid, en dit voor een duur van meer dan negen jaar, gaan de rechten en de plichten die krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten rusten op het onroerend goed over op de nieuwe bosbeheerder.
§ 2. Bij een overdracht of verdeling van onroerende goederen waarop dit decreet van toepassing is, brengt de overdrager of verdeler de verwerver vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte van de verplichtingen die op dat goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Deze verplichting rust eveneens op degene die het eigendomsrecht van dergelijke onroerende goederen belast met zakelijke rechten in de mate dat daarbij het beheer van het bos wordt overgedragen, en op de persoon die op enige andere wijze het beheer van het bos geheel of gedeeltelijk overdraagt voor meer dan negen jaar.
§ 3. De instrumenterende ambtenaar die een akte verlijdt van overdrachten of verdelingen bedoeld in § 1 neemt in de akte in een aparte rubriek "Bosdecreet" de verklaring op van de overdrager of verdeler dat hij zijn informatieplicht, bedoeld in § 2, heeft nageleefd en, in voorkomend geval, de nodige stukken heeft overgedragen.
Het voorhanden zijn van een bosbeheerplan en de referentiegegevens ervan worden in de akte vermeld.
§ 4. Voormelde instrumenterende ambtenaar deelt binnen zestig dagen na de ondertekening van de akte de wijziging in het beheer van het bos mee aan het [1 Agentschap]1 met een attest waarin de identiteit van de oorspronkelijke en de nieuwe bosbeheerder en de omschrijving van het betreffende onroerend goed worden opgenomen.
§ 5. De partij die haar informatieplicht niet nakomt blijft gehouden tot haar verplichtingen die voortvloeien uit dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Deze niet-tegenstelbaarheid kan niet worden ingeroepen indien voor het verlijden van de akte van overdrachten of verdelingen, bedoeld in § 1, de verwerver op de hoogte is gebracht van de verplichtingen die op het goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Art.91. § 1er. En cas de cession ou d'établissement d'un droit réel sur un bien immobilier auquel le présent décret s'applique ou lors du partage d'un tel bien, les droits et obligations résultant du présent décret et de ses arrêtés d'exécution passent à l'acquéreur, dans la mesure que par cette opération ce dernier obtienne l'entière ou partielle gestion de la forêt.
Dans la mesure que la gestion de la forêt est entièrement ou partiellement cédée d'une autre façon que celle visée au premier alinéa, et ce pour une durée excédant neuf ans, les droits et obligations pesant sur le bien immobilier en vertu du présent décret et de ses arrêtés passent au nouveau gestionnaire de la forêt.
§ 2. Lors d'une cession ou d'un partage de biens immobiliers auxquels s'applique le présent décret, le cédant ou le partageur informe l'acquéreur avant la passation du contrat des obligations pesant sur le bien en question en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
Cette obligation incombe également à la personne grevant le droit de propriété de tels biens immobiliers de droits réels dans la mesure que cela implique la cession de la gestion de la forêt, et à la personne qui cède entièrement ou partiellement la gestion de la forêt d'une autre façon pour une période de lus de neuf ans.
§ 3. Le fonctionnaire instrumentant passant un acte de cessions ou de partages visés au § 1er reprend dans une rubrique séparée 'Décret forestier' de l'acte la déclaration du cédant ou du partageur que ce dernier a respecté son obligation d'information, visée au § 2, et, le cas échéant, a transmis les documents nécessaires.
La disponibilité d'un plan de gestion forestière et de données de référence est mentionnée dans l'acte.
§ 4. Le fonctionnaire instrumentaire précité communique dans les soixante jours suivant la date de la signature de l'acte, la modification de la gestion de la forêt à [1 l'Agence]1 conjointement avec une attestation mentionnant l'identité du gestionnaire de la forêt original et celle du nouveau gestionnaire et contenant une description du bien immobilier en question.
§ 5. La partie qui ne respecte son obligation d'information reste tenue à ses obligations résultant du décret et des ses arrêtés d'exécution. Cette non-opposabilité ne peut pas être invoquée lorsque l'acquéreur a été informé des obligations pesant sur le bien en question en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution avant la passation de l'acte de cession ou de partage, visé au § 1er.
Dans la mesure que la gestion de la forêt est entièrement ou partiellement cédée d'une autre façon que celle visée au premier alinéa, et ce pour une durée excédant neuf ans, les droits et obligations pesant sur le bien immobilier en vertu du présent décret et de ses arrêtés passent au nouveau gestionnaire de la forêt.
§ 2. Lors d'une cession ou d'un partage de biens immobiliers auxquels s'applique le présent décret, le cédant ou le partageur informe l'acquéreur avant la passation du contrat des obligations pesant sur le bien en question en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
Cette obligation incombe également à la personne grevant le droit de propriété de tels biens immobiliers de droits réels dans la mesure que cela implique la cession de la gestion de la forêt, et à la personne qui cède entièrement ou partiellement la gestion de la forêt d'une autre façon pour une période de lus de neuf ans.
§ 3. Le fonctionnaire instrumentant passant un acte de cessions ou de partages visés au § 1er reprend dans une rubrique séparée 'Décret forestier' de l'acte la déclaration du cédant ou du partageur que ce dernier a respecté son obligation d'information, visée au § 2, et, le cas échéant, a transmis les documents nécessaires.
La disponibilité d'un plan de gestion forestière et de données de référence est mentionnée dans l'acte.
§ 4. Le fonctionnaire instrumentaire précité communique dans les soixante jours suivant la date de la signature de l'acte, la modification de la gestion de la forêt à [1 l'Agence]1 conjointement avec une attestation mentionnant l'identité du gestionnaire de la forêt original et celle du nouveau gestionnaire et contenant une description du bien immobilier en question.
§ 5. La partie qui ne respecte son obligation d'information reste tenue à ses obligations résultant du décret et des ses arrêtés d'exécution. Cette non-opposabilité ne peut pas être invoquée lorsque l'acquéreur a été informé des obligations pesant sur le bien en question en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution avant la passation de l'acte de cession ou de partage, visé au § 1er.
Wijzigingen
Art. 91 TOEKOMSTIG RECHT. § 1. [2 In de volgende gevallen is de verwerver ertoe gehouden om de rechten en plichten na te leven die voortvloeien uit dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, met inbegrip van de uitvoering van de bestuurlijke maatregelen die krachtens titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid opgelegd zijn wegens schendingen van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, onverminderd de verplichting van de personen ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen oorspronkelijk zijn opgelegd:
1° bij een overdracht of vestiging van een zakelijk recht op een onroerend goed waarop dit decreet van toepassing is, of bij een verdeling van een dergelijk goed, als de verwerver daarbij geheel of gedeeltelijk het beheer van het bos verkrijgt;
2° bij iedere rechtshandeling waarbij het beheer van een onroerend goed waarop dit decreet van toepassing is, geheel of gedeeltelijk overgedragen wordt voor een duur van meer dan negen jaar.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
1° huwelijkscontracten en de wijzigingen ervan;
2° contracten over de mandeligheid;
3° akten over de fusie van rechtspersonen en de met fusie gelijkgestelde verrichtingen.]2
§ 2. Bij een [2 vestiging of overdracht van een zakelijk recht op of bij een verdeling]2 van onroerende goederen waarop dit decreet van toepassing is, brengt de overdrager of verdeler de verwerver vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte van de verplichtingen die op dat goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten [2 , met inbegrip van elke bestuurlijke maatregel die in voorkomend geval opgelegd is ten aanzien van dit goed wegens schending van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan]2.
Deze verplichting rust eveneens op degene die [2 een zakelijk recht vestigt of overdraagt op dergelijke onroerende goederen als daarbij het beheer van het bos wordt overgedragen, alsook]2 op de persoon die op enige andere wijze het beheer van het bos geheel of gedeeltelijk overdraagt voor meer dan negen jaar.
§ 3. [2 De instrumenterende ambtenaar gaat bij alle akten van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van een inbreng in een vennootschap en ook in alle akten van vestiging, overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal, en in elke andere akte van een eigendomsoverdracht ten bezwarende titel bij het Agentschap na of er rechten, verplichtingen of bestuurlijke maatregelen als vermeld in paragraaf 1, van toepassing zijn op dat goed en neemt die in voorkomend geval op in de akte in een aparte rubriek `Bosdecreet'. In die rubriek neemt hij ook de verklaring op van de overdrager of verdeler dat hij zijn informatieplicht, vermeld in paragraaf 2, heeft nageleefd en, in voorkomend geval, de nodige stukken heeft overgedragen.
De beschikbaarheid van een bosbeheerplan en de referentiegegevens ervan, alsook de verplichtingen die volgen uit kapmachtigingen en bestuurlijke maatregelen, worden in de akte vermeld.
In het databestand van het Agentschap worden de persoonlijke identificatiegegevens opgenomen van eigenaars, in het bijzonder de naam, de voornaam en het rijksregisternummer samen met gegevens op perceelsniveau die verbonden zijn aan de in paragraaf 1 bedoelde rechten en plichten. Deze gegevens kunnen worden verstrekt aan de instrumenterend ambtenaar teneinde de in dit artikel vermelde informatieoverdracht te realiseren.
Deze verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang. Het Agentschap is verwerkingsverantwoordelijke zoals vermeld in de algemene verordening gegevensbescherming, en voldoet aan de verplichtingen die in dat verband op hen rusten. De overdrager of verdeler is de betrokkene zoals vermeld in de algemene verordening gegevensbescherming.
Het Agentschap gebruikt de gegevens ten behoeve van het toezicht inzake naleving van de in paragraaf 1 beschreven rechten en plichten en om deze rechten en plichten die golden ten aanzien van de overdrager of verdeler tegenstelbaar te maken aan de verwerver.
De gegevens worden in het databestand bijgehouden gekoppeld aan het perceel zolang dat vereist is volgens de specifieke vereisten verbonden aan de genoemde rechten en plichten.]2
§ 4. Voormelde instrumenterende ambtenaar deelt binnen zestig dagen na de ondertekening van de akte de wijziging in het beheer van het bos mee aan het [1 Agentschap]1 met een attest waarin de identiteit van de oorspronkelijke en de nieuwe bosbeheerder en de omschrijving van het betreffende onroerend goed worden opgenomen.
§ 5. De partij die haar informatieplicht niet nakomt blijft gehouden tot haar verplichtingen die voortvloeien uit dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Deze niet-tegenstelbaarheid kan niet worden ingeroepen indien voor het verlijden van de akte van overdrachten of verdelingen, bedoeld in § 1, de verwerver op de hoogte is gebracht van de verplichtingen die op het goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
1° bij een overdracht of vestiging van een zakelijk recht op een onroerend goed waarop dit decreet van toepassing is, of bij een verdeling van een dergelijk goed, als de verwerver daarbij geheel of gedeeltelijk het beheer van het bos verkrijgt;
2° bij iedere rechtshandeling waarbij het beheer van een onroerend goed waarop dit decreet van toepassing is, geheel of gedeeltelijk overgedragen wordt voor een duur van meer dan negen jaar.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
1° huwelijkscontracten en de wijzigingen ervan;
2° contracten over de mandeligheid;
3° akten over de fusie van rechtspersonen en de met fusie gelijkgestelde verrichtingen.]2
§ 2. Bij een [2 vestiging of overdracht van een zakelijk recht op of bij een verdeling]2 van onroerende goederen waarop dit decreet van toepassing is, brengt de overdrager of verdeler de verwerver vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte van de verplichtingen die op dat goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten [2 , met inbegrip van elke bestuurlijke maatregel die in voorkomend geval opgelegd is ten aanzien van dit goed wegens schending van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan]2.
Deze verplichting rust eveneens op degene die [2 een zakelijk recht vestigt of overdraagt op dergelijke onroerende goederen als daarbij het beheer van het bos wordt overgedragen, alsook]2 op de persoon die op enige andere wijze het beheer van het bos geheel of gedeeltelijk overdraagt voor meer dan negen jaar.
§ 3. [2 De instrumenterende ambtenaar gaat bij alle akten van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van een inbreng in een vennootschap en ook in alle akten van vestiging, overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal, en in elke andere akte van een eigendomsoverdracht ten bezwarende titel bij het Agentschap na of er rechten, verplichtingen of bestuurlijke maatregelen als vermeld in paragraaf 1, van toepassing zijn op dat goed en neemt die in voorkomend geval op in de akte in een aparte rubriek `Bosdecreet'. In die rubriek neemt hij ook de verklaring op van de overdrager of verdeler dat hij zijn informatieplicht, vermeld in paragraaf 2, heeft nageleefd en, in voorkomend geval, de nodige stukken heeft overgedragen.
De beschikbaarheid van een bosbeheerplan en de referentiegegevens ervan, alsook de verplichtingen die volgen uit kapmachtigingen en bestuurlijke maatregelen, worden in de akte vermeld.
In het databestand van het Agentschap worden de persoonlijke identificatiegegevens opgenomen van eigenaars, in het bijzonder de naam, de voornaam en het rijksregisternummer samen met gegevens op perceelsniveau die verbonden zijn aan de in paragraaf 1 bedoelde rechten en plichten. Deze gegevens kunnen worden verstrekt aan de instrumenterend ambtenaar teneinde de in dit artikel vermelde informatieoverdracht te realiseren.
Deze verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang. Het Agentschap is verwerkingsverantwoordelijke zoals vermeld in de algemene verordening gegevensbescherming, en voldoet aan de verplichtingen die in dat verband op hen rusten. De overdrager of verdeler is de betrokkene zoals vermeld in de algemene verordening gegevensbescherming.
Het Agentschap gebruikt de gegevens ten behoeve van het toezicht inzake naleving van de in paragraaf 1 beschreven rechten en plichten en om deze rechten en plichten die golden ten aanzien van de overdrager of verdeler tegenstelbaar te maken aan de verwerver.
De gegevens worden in het databestand bijgehouden gekoppeld aan het perceel zolang dat vereist is volgens de specifieke vereisten verbonden aan de genoemde rechten en plichten.]2
§ 4. Voormelde instrumenterende ambtenaar deelt binnen zestig dagen na de ondertekening van de akte de wijziging in het beheer van het bos mee aan het [1 Agentschap]1 met een attest waarin de identiteit van de oorspronkelijke en de nieuwe bosbeheerder en de omschrijving van het betreffende onroerend goed worden opgenomen.
§ 5. De partij die haar informatieplicht niet nakomt blijft gehouden tot haar verplichtingen die voortvloeien uit dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Deze niet-tegenstelbaarheid kan niet worden ingeroepen indien voor het verlijden van de akte van overdrachten of verdelingen, bedoeld in § 1, de verwerver op de hoogte is gebracht van de verplichtingen die op het goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Art. 91 DROIT FUTUR. § 1er. [2 Dans les cas suivants, l'acquéreur est tenu de respecter les droits et devoirs découlant du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, y compris l'exécution des mesures administratives imposées en vertu du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement pour violations du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, sans préjudice de l'obligation des personnes à l'égard desquelles les mesures administratives ont été initialement imposées :
1° en cas de cession ou de constitution d'un droit réel sur un bien immobilier auquel le présent décret s'applique ou en cas de partage d'un tel bien, si l'acquéreur acquiert totalement ou partiellement, par cette opération, la gestion de la forêt ;
2° en cas d'acte juridique quelconque par lequel la gestion d'un bien immeuble auquel le présent décret s'applique est cédée, totalement ou partiellement, pour une durée de plus de neuf ans.
L'alinéa 1er ne s'applique pas aux :
1° contrats de mariage et à leurs modifications ;
2° contrats de mitoyenneté ;
3° aux actes afférents à la fusion de personnes morales et aux opérations assimilées à une fusion.]2
§ 2. [2 En cas de constitution ou de cession d'un droit réel sur des biens immobiliers ou en cas de partage]2 de biens immobiliers auxquels s'applique le présent décret, le cédant ou le partageur informe l'acquéreur avant la passation du contrat des obligations pesant sur le bien en question en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution [2 , y compris toute mesure administrative qui a, le cas échéant, été imposée à l'égard de ce bien pour violation du présent décret et de ses arrêtés d'exécution]2.
Cette obligation incombe également à la personne [2 qui constitue ou cède un droit réel sur de tels biens immobiliers si, par cette opération, la gestion de la forêt est cédée, ainsi qu'à]2 la personne qui cède entièrement ou partiellement la gestion de la forêt d'une autre façon pour une période de lus de neuf ans.
§ 3. [2 Dans tous les actes de vente ou de location pour plus de neuf ans d'un bien immobilier, d'apport d'un bien immobilier à une société et également dans tous les actes de constitution, de cession d'usufruit, de bail emphytéotique ou de droit de superficie, et dans tout autre acte de transfert de propriété à titre onéreux, le fonctionnaire instrumentant vérifie auprès de l'Agence si des droits, obligations ou mesures administratives, tels que visés au paragraphe 1er, s'appliquent à ce bien et les reprend, le cas échéant, dans l'acte, sous une rubrique séparée `Décret forestier'. Sous cette rubrique, il reprend également la déclaration du cédant ou du partageur selon laquelle il a respecté son obligation d'information, visée au paragraphe 2, et a, le cas échéant, transmis les documents nécessaires.
La disponibilité d'un plan de gestion forestière et de ses données de référence de même que les obligations résultant d'autorisations de coupe et de mesures administratives sont mentionnées dans l'acte.
Le fichier de données de l'Agence reprend les données d'identification personnelles des propriétaires, en particulier, le nom, le prénom et le numéro de registre national, ainsi que les données au niveau de la parcelle liées aux droits et devoirs visés au paragraphe 1er. Ces données peuvent être fournies au fonctionnaire instrumentant afin de réaliser le transfert d'informations visé au présent article.
Ce traitement est nécessaire à l'accomplissement d'une mission d'intérêt général. L'Agence est le responsable du traitement visé dans le règlement général sur la protection des données, et satisfait aux obligations qui lui incombent à cet égard. Le cédant ou le partageur est la personne concernée visée dans le règlement général sur la protection des données.
L'Agence utilise les données pour contrôler le respect des droits et devoirs visés au paragraphe 1er et pour rendre les droits et devoirs qui s'appliquaient à l'égard du cédant ou du partageur opposables à l'acquéreur.
Les données sont conservées dans le fichier de données, associées à la parcelle aussi longtemps que nécessaire suivant les exigences spécifiques liées aux droits et devoirs visés.]2
§ 4. Le fonctionnaire instrumentaire précité communique dans les soixante jours suivant la date de la signature de l'acte, la modification de la gestion de la forêt à [1 l'Agence]1 conjointement avec une attestation mentionnant l'identité du gestionnaire de la forêt original et celle du nouveau gestionnaire et contenant une description du bien immobilier en question.
§ 5. La partie qui ne respecte son obligation d'information reste tenue à ses obligations résultant du décret et des ses arrêtés d'exécution. Cette non-opposabilité ne peut pas être invoquée lorsque l'acquéreur a été informé des obligations pesant sur le bien en question en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution avant la passation de l'acte de cession ou de partage, visé au § 1er.
1° en cas de cession ou de constitution d'un droit réel sur un bien immobilier auquel le présent décret s'applique ou en cas de partage d'un tel bien, si l'acquéreur acquiert totalement ou partiellement, par cette opération, la gestion de la forêt ;
2° en cas d'acte juridique quelconque par lequel la gestion d'un bien immeuble auquel le présent décret s'applique est cédée, totalement ou partiellement, pour une durée de plus de neuf ans.
L'alinéa 1er ne s'applique pas aux :
1° contrats de mariage et à leurs modifications ;
2° contrats de mitoyenneté ;
3° aux actes afférents à la fusion de personnes morales et aux opérations assimilées à une fusion.]2
§ 2. [2 En cas de constitution ou de cession d'un droit réel sur des biens immobiliers ou en cas de partage]2 de biens immobiliers auxquels s'applique le présent décret, le cédant ou le partageur informe l'acquéreur avant la passation du contrat des obligations pesant sur le bien en question en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution [2 , y compris toute mesure administrative qui a, le cas échéant, été imposée à l'égard de ce bien pour violation du présent décret et de ses arrêtés d'exécution]2.
Cette obligation incombe également à la personne [2 qui constitue ou cède un droit réel sur de tels biens immobiliers si, par cette opération, la gestion de la forêt est cédée, ainsi qu'à]2 la personne qui cède entièrement ou partiellement la gestion de la forêt d'une autre façon pour une période de lus de neuf ans.
§ 3. [2 Dans tous les actes de vente ou de location pour plus de neuf ans d'un bien immobilier, d'apport d'un bien immobilier à une société et également dans tous les actes de constitution, de cession d'usufruit, de bail emphytéotique ou de droit de superficie, et dans tout autre acte de transfert de propriété à titre onéreux, le fonctionnaire instrumentant vérifie auprès de l'Agence si des droits, obligations ou mesures administratives, tels que visés au paragraphe 1er, s'appliquent à ce bien et les reprend, le cas échéant, dans l'acte, sous une rubrique séparée `Décret forestier'. Sous cette rubrique, il reprend également la déclaration du cédant ou du partageur selon laquelle il a respecté son obligation d'information, visée au paragraphe 2, et a, le cas échéant, transmis les documents nécessaires.
La disponibilité d'un plan de gestion forestière et de ses données de référence de même que les obligations résultant d'autorisations de coupe et de mesures administratives sont mentionnées dans l'acte.
Le fichier de données de l'Agence reprend les données d'identification personnelles des propriétaires, en particulier, le nom, le prénom et le numéro de registre national, ainsi que les données au niveau de la parcelle liées aux droits et devoirs visés au paragraphe 1er. Ces données peuvent être fournies au fonctionnaire instrumentant afin de réaliser le transfert d'informations visé au présent article.
Ce traitement est nécessaire à l'accomplissement d'une mission d'intérêt général. L'Agence est le responsable du traitement visé dans le règlement général sur la protection des données, et satisfait aux obligations qui lui incombent à cet égard. Le cédant ou le partageur est la personne concernée visée dans le règlement général sur la protection des données.
L'Agence utilise les données pour contrôler le respect des droits et devoirs visés au paragraphe 1er et pour rendre les droits et devoirs qui s'appliquaient à l'égard du cédant ou du partageur opposables à l'acquéreur.
Les données sont conservées dans le fichier de données, associées à la parcelle aussi longtemps que nécessaire suivant les exigences spécifiques liées aux droits et devoirs visés.]2
§ 4. Le fonctionnaire instrumentaire précité communique dans les soixante jours suivant la date de la signature de l'acte, la modification de la gestion de la forêt à [1 l'Agence]1 conjointement avec une attestation mentionnant l'identité du gestionnaire de la forêt original et celle du nouveau gestionnaire et contenant une description du bien immobilier en question.
§ 5. La partie qui ne respecte son obligation d'information reste tenue à ses obligations résultant du décret et des ses arrêtés d'exécution. Cette non-opposabilité ne peut pas être invoquée lorsque l'acquéreur a été informé des obligations pesant sur le bien en question en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution avant la passation de l'acte de cession ou de partage, visé au § 1er.
Art.92. Voor de toepassing van dit decreet kan de Vlaamse Executieve onroerende goederen onteigenen voor het verwerven van enclaves, voor het realiseren van aaneengesloten boscomplexen en voor het verwerven van bossen die in hun voortbestaan worden bedreigd, voor bosreservaten of voor bossen met een (milieubeschermende functie), zoals bepaald in artikel 16.
Art.92. Pour l'application du présent décret, l'Exécutif flamand peut procéder à l'expropriation de biens immobiliers pour l'acquisition d'enclaves, la réalisation d'étendues forestières contigues et l'acquisition de bois menacés dans leur existence, ainsi que pour les réserves forestières ou pour les bois (à fonction protectrice de l'environnement), prévus à l'article 16.
Art.93. De uitvoering van de kaalslag is alleen toegelaten wanneer deze werd opgenomen in het goedgekeurd beheersplan of werd toegestaan met toepassing van artikel 50 wat het openbaar bos betreft en van de artikelen 44, § 2 en 81 wat het privé-bos betreft [1 ...]1.
Art.93. Une coupe à blanc ne peut s'effectuer que dans la mesure où elle figure dans le plan de gestion approuvé ou qu'elle a été autorisée en application de l'article 50 pour ce qui concerne le bois public et des articles 44, § 2 et 81, pour ce qui concerne le bois privé [1 ...]1.
Wijzigingen
Art.94. Als kaalslag wordt niet beschouwd elke noodgedwongen kapping tot opruiming voortvloeiend uit gehele of gedeeltelijke bestandsvernietiging ingevolge bosbrand, ziekte, storm of andere externe factoren die door het [1 Agentschap]1 worden vastgesteld.
Art.94. N'est pas considérée comme une coupe à blanc, toute coupe de vidange nécessaire découlant d'une destruction totale ou partielle du peuplement pour cause d'incendie, de maladie, de tempête ou d'autres facteurs externes constatés par [1 l'Agence]1.
Wijzigingen
Art.95. Onrechtmatige toeëigening van openbare bossen of gedeelten ervan [1 en het uitvoeren van en opdracht geven tot onrechtmatige kappingen]1 is verboden [1 ...]1.
[1 lid 2 opgeheven]2
[1 lid 3 opgeheven]2
[1 lid 4 opgeheven]2
[1 lid 2 opgeheven]2
[1 lid 3 opgeheven]2
[1 lid 4 opgeheven]2
Art.95. Tout empiètement de bois public ou de parties de ce bois [1 et l'exécution et l'ordre de coupes irrégulières]1 est interdit [1 ...]1.
[1 alinéa 2 abrogé]1
[1 alinéa 3 abrogé]1
[1 alinéa 4 abrogé]1
[1 alinéa 2 abrogé]1
[1 alinéa 3 abrogé]1
[1 alinéa 4 abrogé]1
Wijzigingen
Art.96. Sauf autorisation de [1 l'Agence]1 ou dans les cas et aux conditions prévus dans un plan de gestion approuvé, des modifications et dégâts importants du sol, de la litière, de la strate herbacée ou des arbres sont interdits [2 ...]2
Art.97. § 1. Onverminderd [de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten en reglementen] is het, zonder toestemming van de eigenaar en machtiging van het [1 Agentschap]1 [3 of zonder dat het bepaald is in het goedgekeurd beheersplan]3, in alle openbare bossen [6 ...]6 verboden :
1. het strooisel te verwijderen;
2. het dode hout, op de grond liggend of nog aan de stam bevestigd, te verwijderen tenzij het behoort tot een partij verkochte bomen;
3. knoppen, scheuten, twijgen, bloeiwijzen, kegels, vruchten, zaden te verzamelen en te verwijderen;
4. bomen op te snoeien, behoudens wanneer deze maatregel werd opgenomen in het goedgekeurd beheersplan;
5. keten, loodsen en alle andere constructies en verblijfsgelegenheden [6 op te richten en in stand te houden]6, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn;
6. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;
7. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren;
8. resten, vuilnis en afval, van welke aard ook, achter te laten buiten de daartoe ter beschikking gestelde verzamelplaatsen, met uitzondering van houtafval en boomschors die achterblijven na een toegestane exploitatie;
[9. dieren te houden binnen omheiningen.]
10. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden;
11. onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken;
12. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan.
§ 2. Onverminderd [de verbodsbepalingen opgenomen in de wetten, decreten en reglementen] is het, zonder toestemming van de [bosbeheerder] en machtiging van het [1 Agentschap]1 [3 of zonder dat het voorzien is in het goedgekeurd beheersplan]3, in alle privé-bossen verboden :
1. keten, loodsen en alle andere constructies en verblijfsgelegenheden [6 op te richten en in stand te houden]6, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn;
2. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;
3. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren;
4. resten, vuilnis en afval, van welke aard ook, achter te laten buiten de daartoe ter beschikking gestelde verzamelplaatsen, met uitzondering van houtafval en boomschors die achterblijven na een toegestane exploitatie;
5. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden, tenzij als beheersmaatregel;
6. onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken;
7. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan.
[8. het strooisel te verwijderen;
9. dieren te houden binnen omheiningen, [4 ...]4 . Omvorming van bestaande bossen tot graasweide, wordt gelijkgesteld met ontbossing.]
§ 3. [opgeheven]
[5 § 3. Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in de paragrafen 1 en 2, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.]5
§ 4. [6 De verboden, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden niet in de natuurreservaten, vermeld in artikel 16ter decies van het decreet Natuurbehoud.]6
§ 5. [2 ...]2
1. het strooisel te verwijderen;
2. het dode hout, op de grond liggend of nog aan de stam bevestigd, te verwijderen tenzij het behoort tot een partij verkochte bomen;
3. knoppen, scheuten, twijgen, bloeiwijzen, kegels, vruchten, zaden te verzamelen en te verwijderen;
4. bomen op te snoeien, behoudens wanneer deze maatregel werd opgenomen in het goedgekeurd beheersplan;
5. keten, loodsen en alle andere constructies en verblijfsgelegenheden [6 op te richten en in stand te houden]6, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn;
6. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;
7. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren;
8. resten, vuilnis en afval, van welke aard ook, achter te laten buiten de daartoe ter beschikking gestelde verzamelplaatsen, met uitzondering van houtafval en boomschors die achterblijven na een toegestane exploitatie;
[9. dieren te houden binnen omheiningen.]
10. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden;
11. onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken;
12. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan.
§ 2. Onverminderd [de verbodsbepalingen opgenomen in de wetten, decreten en reglementen] is het, zonder toestemming van de [bosbeheerder] en machtiging van het [1 Agentschap]1 [3 of zonder dat het voorzien is in het goedgekeurd beheersplan]3, in alle privé-bossen verboden :
1. keten, loodsen en alle andere constructies en verblijfsgelegenheden [6 op te richten en in stand te houden]6, en tenten en woonwagens, al dan niet op wielen, te plaatsen, met uitzondering van die welke vereist zijn voor het beheer en de bewaking van de bossen en voor de veiligheid en het welzijn van de personen die op rechtmatige wijze in het bos aanwezig zijn;
2. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;
3. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren;
4. resten, vuilnis en afval, van welke aard ook, achter te laten buiten de daartoe ter beschikking gestelde verzamelplaatsen, met uitzondering van houtafval en boomschors die achterblijven na een toegestane exploitatie;
5. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden, tenzij als beheersmaatregel;
6. onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken;
7. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan.
[8. het strooisel te verwijderen;
9. dieren te houden binnen omheiningen, [4 ...]4 . Omvorming van bestaande bossen tot graasweide, wordt gelijkgesteld met ontbossing.]
§ 3. [opgeheven]
[5 § 3. Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in de paragrafen 1 en 2, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.]5
§ 4. [6 De verboden, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden niet in de natuurreservaten, vermeld in artikel 16ter decies van het decreet Natuurbehoud.]6
§ 5. [2 ...]2
Wijzigingen
Art.97. § 1. Sans préjudice [des interdictions prévues par les lois, décrets et règlements], il est interdit dans tous les bois publics [6 ...]6, sans l'autorisation du propriétaire et de [1 l'Agence]1 [3 ou sans que tel a été fixé dans le plan de gestion approuvé]3 [6 ...]6 :
1. d'enlever la litière;
2. d'enlever le bois mort, gisant par terre ou attaché au fût, à moins qu'il ne fait partie d'un lot de bois vendu;
3. d'enlever les bourgeons, pousses, rameaux, inflorescences, cônes, fruits et graines;
4. d'élaguer les arbres sauf lorsque cette mesure figure dans le plan de gestion approuvé;
5. [6 d'ériger et de maintenir]6 des loges, hangars et autres constructions et logements et d'installer des tentes et des roulottes, munies de roues ou non, à l'exception de ceux indispensables à la gestion et à la surveillance des bois et à la sécurité et le bien-être des personnes qui fréquentent légalement le bois;
6. de fixer de la publicité aux arbres, de placer des panneaux publicitaires et d'utiliser n'importe quel autre moyen de publicité commerciale;
7. de perturber de quelque façon que soit la quiétude qui règne dans le bois et la tranquillité des visiteurs;
8. d'abandonner des restes, ordures et déchets de quelque nature que soit, sauf dans les endroits prévus à cet effet, à l'exception des déchets forestiers et écorces provenant d'une exploitation autorisée;
[9. de tenir des animaux dans des enceintes.]
10. d'endommager des arbres, d'enlever, d'arracher ou de couper des plantes;
11. de détruire, endommager, déplacer n'importe quel objet faisant partie de l'équipement forestier, et d'en abuser;
12. d'utiliser et/ou de maintenir du fil de fer barbelé dans et autour des bois, sauf dispositions contraires dans le plan de gestion.
§ 2. Sans préjudice [des interdictions prévues par les lois, décrets et règlements], il est interdit dans les bois privés, sans l'accord du [gestionnaire forestier] et l'autorisation de [1 l'Agence]1 [3 ou sans que tel a été prévu dans le plan de gestion approuvé]3 :
1. [6 d'ériger et de maintenir]6 des loges, hangars et autres constructions et logements et d'installer des tentes et des roulottes, munies de roues ou non, à l'exception de ceux indispensables à la gestion et à la surveillance des bois et a la sécurité et le bien-être des personnes qui fréquentent légalement le bois;
2. de fixer de la publicité aux arbres, de placer des panneaux publicitaires et d'utiliser n'importe quel autre moyen de publicité commerciale;
3. de perturber de quelque façon que soit la quiétude qui règne dans le bois et la tranquillité des visiteurs;
4. d'abandonner des restes, ordures et déchets de quelque nature que soit, sauf dans les endroits prévus à cet effet, à l'exception des déchets forestiers et écorces provenant d'une exploitation autorisée;
5. d'endommager des arbres, d'enlever, d'arracher ou de couper des plantes;
6. de détruire, endommager, déplacer n'importe quel objet faisant partie de l'équipement forestier, et d'en abuser;
7. d'utiliser et/ou de maintenir du fil de fer barbelé dans et autour des bois, sauf dispositions contraires dans le plan de gestion.
[8. d'éliminer la litière;
9. de tenir des animaux dans des enceintes [4 ...]4. La transformation de bois existants en pâtures est assimilée à un déboisement.]
§ 3. [abrogé]
[5 § 3. Conformément à l'article 6.4.4, § 3, du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, pour l'octroi d'une autorisation telle que visée aux paragraphes 1 et 2, ayant trait à un acte au niveau de biens protégés ou dans des biens protégés tels que visés dans ce décret, un avis est demandé à l'entité qui est chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier.]5
§ 4. [6 Les interdictions visées aux paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas aux réserves naturelles visées à l'article 16terdecies du décret concernant la conservation de la nature.]6
§ 5. [2 ...]2
1. d'enlever la litière;
2. d'enlever le bois mort, gisant par terre ou attaché au fût, à moins qu'il ne fait partie d'un lot de bois vendu;
3. d'enlever les bourgeons, pousses, rameaux, inflorescences, cônes, fruits et graines;
4. d'élaguer les arbres sauf lorsque cette mesure figure dans le plan de gestion approuvé;
5. [6 d'ériger et de maintenir]6 des loges, hangars et autres constructions et logements et d'installer des tentes et des roulottes, munies de roues ou non, à l'exception de ceux indispensables à la gestion et à la surveillance des bois et à la sécurité et le bien-être des personnes qui fréquentent légalement le bois;
6. de fixer de la publicité aux arbres, de placer des panneaux publicitaires et d'utiliser n'importe quel autre moyen de publicité commerciale;
7. de perturber de quelque façon que soit la quiétude qui règne dans le bois et la tranquillité des visiteurs;
8. d'abandonner des restes, ordures et déchets de quelque nature que soit, sauf dans les endroits prévus à cet effet, à l'exception des déchets forestiers et écorces provenant d'une exploitation autorisée;
[9. de tenir des animaux dans des enceintes.]
10. d'endommager des arbres, d'enlever, d'arracher ou de couper des plantes;
11. de détruire, endommager, déplacer n'importe quel objet faisant partie de l'équipement forestier, et d'en abuser;
12. d'utiliser et/ou de maintenir du fil de fer barbelé dans et autour des bois, sauf dispositions contraires dans le plan de gestion.
§ 2. Sans préjudice [des interdictions prévues par les lois, décrets et règlements], il est interdit dans les bois privés, sans l'accord du [gestionnaire forestier] et l'autorisation de [1 l'Agence]1 [3 ou sans que tel a été prévu dans le plan de gestion approuvé]3 :
1. [6 d'ériger et de maintenir]6 des loges, hangars et autres constructions et logements et d'installer des tentes et des roulottes, munies de roues ou non, à l'exception de ceux indispensables à la gestion et à la surveillance des bois et a la sécurité et le bien-être des personnes qui fréquentent légalement le bois;
2. de fixer de la publicité aux arbres, de placer des panneaux publicitaires et d'utiliser n'importe quel autre moyen de publicité commerciale;
3. de perturber de quelque façon que soit la quiétude qui règne dans le bois et la tranquillité des visiteurs;
4. d'abandonner des restes, ordures et déchets de quelque nature que soit, sauf dans les endroits prévus à cet effet, à l'exception des déchets forestiers et écorces provenant d'une exploitation autorisée;
5. d'endommager des arbres, d'enlever, d'arracher ou de couper des plantes;
6. de détruire, endommager, déplacer n'importe quel objet faisant partie de l'équipement forestier, et d'en abuser;
7. d'utiliser et/ou de maintenir du fil de fer barbelé dans et autour des bois, sauf dispositions contraires dans le plan de gestion.
[8. d'éliminer la litière;
9. de tenir des animaux dans des enceintes [4 ...]4. La transformation de bois existants en pâtures est assimilée à un déboisement.]
§ 3. [abrogé]
[5 § 3. Conformément à l'article 6.4.4, § 3, du décret du 12 juillet 2013 relatif au patrimoine immobilier, pour l'octroi d'une autorisation telle que visée aux paragraphes 1 et 2, ayant trait à un acte au niveau de biens protégés ou dans des biens protégés tels que visés dans ce décret, un avis est demandé à l'entité qui est chargée par le Gouvernement flamand de l'exécution de la politique en matière de patrimoine immobilier.]5
§ 4. [6 Les interdictions visées aux paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas aux réserves naturelles visées à l'article 16terdecies du décret concernant la conservation de la nature.]6
§ 5. [2 ...]2
Art.99. [2 In]2 alle bossen en binnen een afstand van [3 vijfentwintig]3 meter tot de bossen [2 is het]2 verboden [vuur te maken in open lucht], om welk motief dan ook, behoudens [in uitvoering van een goedgekeurd beheersplan [4 , behoudens ter uitvoering van een goedgekeurde toegankelijkheidsregeling als overeenkomstig artikel 12,]4 of behoudens een] machtiging door het [1 Agentschap]1 [en] met uitzondering van wettelijk verplichte verbrandingen. [3 De Vlaamse Regering kan desgewenst nadere voorwaarden bepalen.]3
Art.99. [2 Il]2 est interdit dans les bois et dans une distance de [3 vingt-cinq ]3 mètres de ces bois, [d'allumer un feu en plein air], pour quelque motif que soit, sauf [en exécution d'un plan de gestion approuvé [4 , sauf en exécution d'un règlement d'accessibilité approuvé conformément à l'article 12,]4 ou sauf une] autorisation accordée par [1 l'Agence]1, [et], à l'exception des incinérations légalement imposées. [3 Le Gouvernement flamand peut arrêter les conditions à cet effet.]3
Art.100. Tout (gestionnaire forestier) doit prendre des mesures pour prévenir des incendies et limiter leur extension. Ces mesures doivent figurer dans le plan de gestion.
Art.101. Alle bosgebruikers en bosbezoekers dienen hulp te verlenen in geval van bosbrand.
Art.101. Tous les visiteurs et utilisateurs du bois doivent apporter leur aide en cas d'incendie de forêt.
Art.102. Bij bosbrand of bij acute dreiging van bosbrand in het privé-bos mag de [bosbeheerder], op eigen verantwoordelijkheid, een tegenvuur aanleggen maar uitsluitend op zijn eigendom.
Bij bosbrand of bij acute dreiging van bosbrand in het openbaar bos mag een tegenvuur alleen aangelegd worden mits machtiging van de [1 aangewezen ambtenaar]1 of zijn afgevaardigde en dit uitsluitend op het terrein van het openbaar bos, waarvoor de machtiging wordt gevraagd.
Aanleg van tegenvuur onder de wettelijke voorwaarden en de opruiming die er naderhand op kan volgen, worden niet beschouwd als kaalslag en evenmin als een onrechtmatige afwijking van de bepalingen van het goedgekeurd beheersplan.
Bij bosbrand of bij acute dreiging van bosbrand in het openbaar bos mag een tegenvuur alleen aangelegd worden mits machtiging van de [1 aangewezen ambtenaar]1 of zijn afgevaardigde en dit uitsluitend op het terrein van het openbaar bos, waarvoor de machtiging wordt gevraagd.
Aanleg van tegenvuur onder de wettelijke voorwaarden en de opruiming die er naderhand op kan volgen, worden niet beschouwd als kaalslag en evenmin als een onrechtmatige afwijking van de bepalingen van het goedgekeurd beheersplan.
Art.102. En cas d'incendie de forêt ou de danger imminent d'incendie de forêt dans un bois privé, le [gestionnaire forestier] peut, sous sa responsabilité, allumer un contre-feu, mais uniquement sur sa propriété.
En cas d'incendie de forêt ou de danger imminent d'incendie de forêt dans un bois public, un contre-feu ne peut être allumé qu'avec l'autorisation du [1 fonctionnaire désigné]1 ou de son délégué et cela uniquement sur le terrain du bois public auquel l'autorisation se rapporte.
L'allumage d'un contre-feu conformément aux dispositions légales et la vidange qui s'ensuit, ne sont pas considérés comme une coupe à blanc, ni comme une infraction aux dispositions du plan de gestion approuvé.
En cas d'incendie de forêt ou de danger imminent d'incendie de forêt dans un bois public, un contre-feu ne peut être allumé qu'avec l'autorisation du [1 fonctionnaire désigné]1 ou de son délégué et cela uniquement sur le terrain du bois public auquel l'autorisation se rapporte.
L'allumage d'un contre-feu conformément aux dispositions légales et la vidange qui s'ensuit, ne sont pas considérés comme une coupe à blanc, ni comme une infraction aux dispositions du plan de gestion approuvé.
Wijzigingen
Art.103. Elke kapping die moet uitgevoerd worden om te voldoen aan de bescherming van de bossen tegen brand wordt beschouwd als een noodgedwongen kapping tot opruiming en kan in geen geval aangezien worden als een ongeoorloofde kaalslag, een afwijking van het goedgekeurd beheersplan of een afwijking van het vastgestelde kapquantum.
Art.103. Toute coupe exécutée dans le cadre de la protection des bois contre l'incendie, est réputée être une coupe de débardage nécessaire et ne peut être considérée comme une coupe à blanc en délit, une dérogation au plan de gestion approuvé ou une dérogation des quantités fixées à couper.
Art.104. Alle brandwegen dienen regelmatig en tenminste om de twee jaar te worden vrijgemaakt van bedekking met afgestorven vegetatie en dode plantenresten [2 ...]2.
Wanneer zulks niet is gebeurd kan het [1 Agentschap]1 de [bosbeheerder] aanmanen om binnen een periode van een maand, te rekenen vanaf de datum van de waarschuwing, tot de zuiveringswerkzaamheden over te gaan, zonder dat de voorgeschreven termijn aanleiding kan geven tot ontslag van aansprakelijkheid in het geval van brand.
Wanneer na verloop van deze periode van een maand de [bosbeheerder] nog steeds in gebreke is gebleven, kunnen de nodige werkzaamheden te zijnen laste uitgevoerd worden door tussenkomst van het [1 Agentschap]1. [Het niet laten uitvoeren van deze werken door tussenkomst van het [1 Agentschap]1 ontslaat de bosbeheerder niet van aansprakelijkheid in geval van brand.] Deze kosten worden verhaald door eenvoudige toezending van de kostenstaat.
Wanneer zulks niet is gebeurd kan het [1 Agentschap]1 de [bosbeheerder] aanmanen om binnen een periode van een maand, te rekenen vanaf de datum van de waarschuwing, tot de zuiveringswerkzaamheden over te gaan, zonder dat de voorgeschreven termijn aanleiding kan geven tot ontslag van aansprakelijkheid in het geval van brand.
Wanneer na verloop van deze periode van een maand de [bosbeheerder] nog steeds in gebreke is gebleven, kunnen de nodige werkzaamheden te zijnen laste uitgevoerd worden door tussenkomst van het [1 Agentschap]1. [Het niet laten uitvoeren van deze werken door tussenkomst van het [1 Agentschap]1 ontslaat de bosbeheerder niet van aansprakelijkheid in geval van brand.] Deze kosten worden verhaald door eenvoudige toezending van de kostenstaat.
Art.104. Tous les coupe-feu doivent régulièrement et au moins tous les deux ans être dégagés de toute végétation morte et des restes de plantes mortes [2 ...]2.
A défaut, [1 l'Agence]1 peut sommer le [gestionnaire forestier] à exécuter les travaux de dégagement dans un délai d'un mois prenant cours à la date de sommation, sans que le délai prescrit dégage le [gestionnaire forestier] de sa responsabilité en cas d'incendie.
En cas de carence du [gestionnaire forestier] à l'expiration dudit délai d'un mois, les travaux nécessaires peuvent être exécutés à sa charge, à l'intervention de [1 l'Agence]1. [La non-exécution de ces travaux par l'entremise de [1 l'Agence]1, ne décharge en aucun cas le gestionnaire forestier de sa responsabilité en cas d'incendie.] Ces frais sont récupérés par simple envoi de l'état des frais.
A défaut, [1 l'Agence]1 peut sommer le [gestionnaire forestier] à exécuter les travaux de dégagement dans un délai d'un mois prenant cours à la date de sommation, sans que le délai prescrit dégage le [gestionnaire forestier] de sa responsabilité en cas d'incendie.
En cas de carence du [gestionnaire forestier] à l'expiration dudit délai d'un mois, les travaux nécessaires peuvent être exécutés à sa charge, à l'intervention de [1 l'Agence]1. [La non-exécution de ces travaux par l'entremise de [1 l'Agence]1, ne décharge en aucun cas le gestionnaire forestier de sa responsabilité en cas d'incendie.] Ces frais sont récupérés par simple envoi de l'état des frais.
Art.105. Het [1 Agentschap]1 kan de gebieden aanwijzen die bijzonder door brand worden bedreigd, alsmede de periode gedurende welke in deze gebieden met direct brandgevaar rekening gehouden moet worden.
De Vlaamse Executieve kan tevens bepalen welke maatregelen moeten worden getroffen om de bewaking en de bescherming van de bedreigde bossen te waarborgen en op welke manier de uitgaven, hiertoe vereist, tussen de betrokken [bosbeheerders] zullen worden verdeeld.
Het [1 Agentschap]1 kan de [bosbeheerders] de verplichting opleggen het publiek in kennis te stellen van het brandgevaar en de wijze waarop deze voorlichting dient te geschieden.
De Vlaamse Executieve kan tevens bepalen welke maatregelen moeten worden getroffen om de bewaking en de bescherming van de bedreigde bossen te waarborgen en op welke manier de uitgaven, hiertoe vereist, tussen de betrokken [bosbeheerders] zullen worden verdeeld.
Het [1 Agentschap]1 kan de [bosbeheerders] de verplichting opleggen het publiek in kennis te stellen van het brandgevaar en de wijze waarop deze voorlichting dient te geschieden.
Art.105. [1 L'Agence]1 peut désigner les zones particulièrement menacées par l'incendie ainsi que les périodes au cours desquelles le danger d'incendie dans ces zones est directement à craindre.
L'Exécutif flamand peut également fixer les mesures à prendre pour garantir la surveillance et la protection des bois menacés ainsi que les modalités de répartition des dépenses nécessaires à cet effet, entre les [gestionnaires forestiers].
[1 L'Agence]1 peut contraindre les [gestionnaires forestiers] à informer le public du danger d'incendie et prescrire les modalités de cette information.
L'Exécutif flamand peut également fixer les mesures à prendre pour garantir la surveillance et la protection des bois menacés ainsi que les modalités de répartition des dépenses nécessaires à cet effet, entre les [gestionnaires forestiers].
[1 L'Agence]1 peut contraindre les [gestionnaires forestiers] à informer le public du danger d'incendie et prescrire les modalités de cette information.
Wijzigingen
Art.106. Alle bossen, gelegen in een gebied dat als bedreigd wordt beschouwd, overeenkomstig de bepalingen van artikel 105, kunnen voor de duur van de gevaarperiode, onmiddellijk ontoegankelijk worden verklaard door de [bosbeheerder] of het [1 Agentschap]1, zelfs wanneer hierdoor de rechten van gebruikers, exploitanten, bezoekers en huurders tijdelijk worden opgeschort en zonder dat zulks mag worden beschouwd als een eenzijdige verbreking van een overeenkomst, waarvoor schadevergoeding kan worden geëist.
Art.106. Tous les bois situés dans une zone considérée comme menacée, conformément aux dispositions de l'article 105, peuvent être déclarés immédiatement inaccessibles par le [gestionnaire forestier] ou [1 l'Agence]1, pour la durée du danger, même si telle mesure suspend temporairement les droits des usagers, exploitants, visiteurs et locataires et sans que cela puisse être considérée comme une rupture unilatérale d'une convention qui est passible d'une indemnisation.
Wijzigingen
Art.107. De Vlaamse Executieve kan, indien zij het, in uitzonderlijke omstandigheden en voor een bepaalde periode, noodzakelijk acht, alle maatregelen uitvaardigen, die de bescherming van het bos, van de bomen, van de (organismen van van het natuurlijk milieu), tegen biotische en abiotische bedreiging tot doel hebben.
Art.107. L'Exécutif flamand peut, s'il le juge indispensable, dans des circonstances exceptionnelles et pour une période déterminée, prendre toutes les mesures visant à protéger le bois, les arbres et (les organismes du milieu naturel) contre des menaces biotiques et abiotiques.
HOOFDSTUK IX. - [1 Handhaving]1
CHAPITRE IX. - [1 Maintien]1
Art. 107bis. [1 Voor dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten gebeurt het uitoefenen van toezicht, het opleggen van bestuurlijke maatregelen, het onderzoeken van milieu-inbreuken, het opleggen van bestuurlijke geldboeten, het innen en invorderen van verschuldigde bedragen, het opsporen van milieumisdrijven, het strafrechtelijk sanctioneren van milieumisdrijven en het opleggen van veiligheidsmaatregelen volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]1
Art. 107bis. [1 En ce qui concerne ce décret et ses arrêtes d'exécution, la surveillance, l'imposition de mesures administratives, l'instruction de délits environnementaux, l'imposition de amendes administratives, la perception et le recouvrement des montants dus, la recherche de délits environnementaux, la sanction pénale de délits environnementaux et l'imposition de mesures de sécurité, sont exécutés suivant les règles visées aux titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.]1
Art.110. De bevoegdheid van de privé-boswachters is beperkt tot de bossen die eigendom zijn van hun opdrachtgevers of waarin deze laatsten enige zakelijke rechten hebben.
Binnen een termijn van veertien dagen na de vaststelling van het misdrijf, wordt een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreders gezonden en stuurt de verbalisant een afschrift aan de in artikel 109, eerste lid aangewezen ambtenaar.
Binnen een termijn van veertien dagen na de vaststelling van het misdrijf, wordt een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreders gezonden en stuurt de verbalisant een afschrift aan de in artikel 109, eerste lid aangewezen ambtenaar.
Art.110. La compétence des gardes forestiers privés se limite aux bois appartenant à leurs mandants ou dans lesquels ces derniers possèdent quelques droits réels.
Dans un délai de quatorze jours de la constatation du délit, une copie du procès-verbal est transmise aux contrevenants et le verbalisant fait parvenir une copie au fonctionnaire designé à l'article 109, premier alinéa.
Dans un délai de quatorze jours de la constatation du délit, une copie du procès-verbal est transmise aux contrevenants et le verbalisant fait parvenir une copie au fonctionnaire designé à l'article 109, premier alinéa.
HOOFDSTUK X. - (Slotbepalingen).
CHAPITRE IX. - (Dispositions finales).
Art.113. Wat het Vlaamse Gewest betreft, worden opgeheven :
1. Titel I, de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23 van Titel II, Titel III, Titel IV, Titel V, Titel VI, Titel VII, Titel VIII, Titel IX, Titel X, de artikelen 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 173, 174, 175, 176 van Titel XII, de artikelen 177 tweede en derde lid, 178, 179 van Titel XIII van de wet van 19 december 1854 houdende het Boswetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 januari 1924, 10 oktober 1967, 8 april 1969 en 14 juli 1976;
2. de wet van 4 mei 1900 op de handel in scheuten van harsbomen;
3. de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren toebehorende bossen en wouden;
4. de wet van 8 april 1969 houdende aanpassing van de Franse tekst en vaststelling van de Nederlandse tekst van het Boswetboek, gewijzigd bij de wet van 10 november 1972, wat betreft de artikelen in 1° genoemd;
5. Hoofdstuk III, afdeling 2 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
1. Titel I, de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23 van Titel II, Titel III, Titel IV, Titel V, Titel VI, Titel VII, Titel VIII, Titel IX, Titel X, de artikelen 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 173, 174, 175, 176 van Titel XII, de artikelen 177 tweede en derde lid, 178, 179 van Titel XIII van de wet van 19 december 1854 houdende het Boswetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 januari 1924, 10 oktober 1967, 8 april 1969 en 14 juli 1976;
2. de wet van 4 mei 1900 op de handel in scheuten van harsbomen;
3. de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren toebehorende bossen en wouden;
4. de wet van 8 april 1969 houdende aanpassing van de Franse tekst en vaststelling van de Nederlandse tekst van het Boswetboek, gewijzigd bij de wet van 10 november 1972, wat betreft de artikelen in 1° genoemd;
5. Hoofdstuk III, afdeling 2 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
Art.113. Sont abrogés, pour ce qui concerne la Région flamande :
1. Titre Ier, les articles 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, du Titre II, Titre III, Titre IV, Titre V, Titre VI, Titre VII, Titre VIII, Titre IX, Titre X, les articles 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 173, 174, 175, 176 du Titre XII, les articles 177, deuxième et troisième alinéas, 178, 179 du Titre XIII de la loi du 19 décembre 1854 contenant le Code forestier, modifiée par les lois du 30 janvier 1924, 10 octobre 1967, 8 avril 1969 et 14 juillet 1976;
2. la loi du 4 mai 1900 sur le commerce des bourgeons de résineux;
3. la loi du 28 décembre 1931 relative à la protection des bois et forêts appartenant à des particuliers;
4. la loi du 8 avril 1969 portant mise à jour du texte français du Code forestier et établissant le texte néerlandais de ce même Code, modifiée par la loi du 10 novembre 1972, pour ce qui concerne les articles visés au 1°;
5. le Chapitre III, section 2 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
1. Titre Ier, les articles 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, du Titre II, Titre III, Titre IV, Titre V, Titre VI, Titre VII, Titre VIII, Titre IX, Titre X, les articles 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 173, 174, 175, 176 du Titre XII, les articles 177, deuxième et troisième alinéas, 178, 179 du Titre XIII de la loi du 19 décembre 1854 contenant le Code forestier, modifiée par les lois du 30 janvier 1924, 10 octobre 1967, 8 avril 1969 et 14 juillet 1976;
2. la loi du 4 mai 1900 sur le commerce des bourgeons de résineux;
3. la loi du 28 décembre 1931 relative à la protection des bois et forêts appartenant à des particuliers;
4. la loi du 8 avril 1969 portant mise à jour du texte français du Code forestier et établissant le texte néerlandais de ce même Code, modifiée par la loi du 10 novembre 1972, pour ce qui concerne les articles visés au 1°;
5. le Chapitre III, section 2 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature.
Art.115. (Inséré par ) Les dispositions réglementaires prises en exécution des dispositions du présent décret abrogés en vertu du décret du 18 mai 1999, demeurent en vigueur pour autant qu'elles n'ont pas été abrogées, modifiées ou complétées par le Gouvernement flamand.
Art.116. (Ingevoegd bij ) Onverminderd de bepalingen van het tweede lid van artikel 46 van dit decreet, blijven de reglementair goedgekeurde beheersplannen, goedgekeurd voor de inwerkingtreding van dit decreet, onverminderd rechtsgeldig voor de volle duur van de periode waarvoor zij zijn goedgekeurd.
Art.116. (Inséré par ) Sans préjudice des dispositions de l'alinéa deux de l'article 46 du présent décret, les plans de gestion régulièrement approuvés, qui sont approuvés avant l'entrée en vigueur du présent décret, sont intégralement valables pour la durée entière de la période pour laquelle ils ont été approuvés.
Art. 117. (Inséré par ) Les dispositions réglementaires prises en exécution du présent décret, demeurent en vigueur tant qu'elles n'ont pas été abrogées, modifiées ou complétées par le Gouvernement flamand.