Artikel 1. § 1. De bepalingen van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, hierna koninklijk besluit nr. 50 genoemd, blijven van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 1991 ingaan, onverminderd de mogelijke toepassing van afwijkende bepalingen in deze wet.
§ 2. Blijven eveneens van toepassing op de in § 1 bedoelde pensioenen :
1° artikel 21 van de wet van 13 juni 1966 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor arbeiders, bedienden, zeevarenden onder Belgische vlag, mijnwerkers en vrijwillig verzekerden;
2° de wet van 11 juli 1973 tot verbetering van de toestand van de bezoldigde ouder die tijdelijk ophoudt onderworpen te zijn aan de maatschappelijke zekerheid in sommige regelingen van de maatschappelijke zekerheid;
3° de artikelen 152 en 153 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980;
4° de artikelen 33 en 34 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 JULI 1990. - Wet tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-01-1991 en tekstbijwerking tot 19-06-2020)
Titre
20 JUILLET 1990. - Loi instaurant un âge flexible de la retraite pour les travailleurs salariés et adaptant les pensions des travailleurs salariés à l'évolution du bien-être général. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-01-1991 et mise à jour au 19-06-2020)
Documentinformatie
Numac: 1990022394
Datum: 1990-07-20
Info du document
Numac: 1990022394
Date: 1990-07-20
Inhoud
TITEL I. - Flexibele pensioenleeftijd.
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
HOOFDSTUK II. - Het rustpensioen.
Afdeling 1. - De pensioenleeftijd.
Afdeling 2. - De pensioenberekening.
HOOFDSTUK III. - Het overlevingspensioen.
TITEL II. - Aanpassing van de werknemerspensioe...
TITEL III. - Bijzondere bepalingen.
TITEL IV. - Opheffings- en slotbepalingen.
Inhoud
TITRE I. - Age flexible de la pension.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
CHAPITRE II. - La pension de retraite.
Section 1. - L'âge de la retraite.
Section 2. - Le calcul de la pension.
CHAPITRE III. - La pension de survie.
TITRE II. - Liaison des pensions pour travaille...
TITRE III. - Dispositions particulières.
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et finales.
Tekst (27)
Texte (27)
TITEL I. - Flexibele pensioenleeftijd.
TITRE I. - Age flexible de la pension.
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Article 1. § 1. Les dispositions de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, dénommé ci-après arrêté royal n° 50, restent d'application aux pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 1991, sans préjudice de l'application éventuelle de dispositions dérogatoires de la présente loi.
§ 2. Restent également d'application aux pensions visées au § 1er;
1° l'article 21 de la loi du 13 juin 1966 relative à la pension de retraite et de survie des ouvriers, des employés, des marins naviguant sous pavillon belge, des ouvriers mineurs et des assurés libres;
2° la loi du 11 juillet 1973 améliorant dans certains régimes de sécurité sociale, la situation du parent salarié qui cesse d'être temporairement assujetti à la sécurité sociale;
3° les articles 152 et 153 de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980;
4° les articles 33 et 34 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social.
§ 2. Restent également d'application aux pensions visées au § 1er;
1° l'article 21 de la loi du 13 juin 1966 relative à la pension de retraite et de survie des ouvriers, des employés, des marins naviguant sous pavillon belge, des ouvriers mineurs et des assurés libres;
2° la loi du 11 juillet 1973 améliorant dans certains régimes de sécurité sociale, la situation du parent salarié qui cesse d'être temporairement assujetti à la sécurité sociale;
3° les articles 152 et 153 de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980;
4° les articles 33 et 34 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social.
HOOFDSTUK II. - Het rustpensioen.
CHAPITRE II. - La pension de retraite.
Afdeling 1. - De pensioenleeftijd.
Section 1. - L'âge de la retraite.
Art.2. § 1. Het rustpensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens welke de belanghebbende het aanvraagt en ten vroegste de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt.
§ 2. In afwijking van § 1 gaat het rustpensioen evenwel ten vroegste in de eerste dag van de maand volgend op deze waarin :
1° de mannelijke gerechtigde op een conventioneel brugpensioen de leeftijd van 65 jaar bereikt. De Koning stelt bij een in Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden vast waaronder gelijkaardige voordelen die door een werkgever in uitvoering van een individueel akkoord tussen de werkgever en de werknemer, onder welke vorm of benaming ook, worden toegekend, met het hoger vernoemd conventioneel brugpensioen worden gelijkgesteld;
2° de belanghebbende de leeftijd van 55 jaar bereikt wanneer het een rustpensioen om reden van een tewerkstelling als ondergrondse mijnwerker betreft;
3° de belanghebbende doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond van de mijnen of de steengroeven met ondergrondse winning gedurende vijfentwintig jaren.
§ 3. De Koning bepaalt in welke gevallen de rechten op het krachtens dit artikel toegekende rustpensioen ambtshalve worden onderzocht.
§ 2. In afwijking van § 1 gaat het rustpensioen evenwel ten vroegste in de eerste dag van de maand volgend op deze waarin :
1° de mannelijke gerechtigde op een conventioneel brugpensioen de leeftijd van 65 jaar bereikt. De Koning stelt bij een in Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden vast waaronder gelijkaardige voordelen die door een werkgever in uitvoering van een individueel akkoord tussen de werkgever en de werknemer, onder welke vorm of benaming ook, worden toegekend, met het hoger vernoemd conventioneel brugpensioen worden gelijkgesteld;
2° de belanghebbende de leeftijd van 55 jaar bereikt wanneer het een rustpensioen om reden van een tewerkstelling als ondergrondse mijnwerker betreft;
3° de belanghebbende doet blijken van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als mijnwerker in de ondergrond van de mijnen of de steengroeven met ondergrondse winning gedurende vijfentwintig jaren.
§ 3. De Koning bepaalt in welke gevallen de rechten op het krachtens dit artikel toegekende rustpensioen ambtshalve worden onderzocht.
Art.2. § 1. La pension de retraite prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'intéressé en fait la demande et au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il atteint l'âge de 60 ans.
§ 2. Par dérogation au § 1er, la pension de retraite prend cependant cours au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel :
1° le bénéficiaire masculin d'une prépension conventionnelle atteint l'âge de 65 ans. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les conditions selon lesquelles des avantages similaires accordés par un employeur, en exécution d'un accord individuel entre l'employeur et le travailleur, sous quelque forme ou dénomination que ce soit, sont assimilés à la prépension conventionnelle précitée;
2° l'intéressé atteint l'âge de 55 ans, lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite en raison d'une occupation comme ouvrier mineur du fond;
3° l'intéressé justifie avoir été occupé habituellement et en ordre principal comme ouvrier mineur au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine pendant vingt-cinq années.
§ 3. Le Roi détermine les cas dans lesquels les droits à la pension de retraite attribuée en vertu du présent article sont examinés d'office.
§ 2. Par dérogation au § 1er, la pension de retraite prend cependant cours au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel :
1° le bénéficiaire masculin d'une prépension conventionnelle atteint l'âge de 65 ans. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les conditions selon lesquelles des avantages similaires accordés par un employeur, en exécution d'un accord individuel entre l'employeur et le travailleur, sous quelque forme ou dénomination que ce soit, sont assimilés à la prépension conventionnelle précitée;
2° l'intéressé atteint l'âge de 55 ans, lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite en raison d'une occupation comme ouvrier mineur du fond;
3° l'intéressé justifie avoir été occupé habituellement et en ordre principal comme ouvrier mineur au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine pendant vingt-cinq années.
§ 3. Le Roi détermine les cas dans lesquels les droits à la pension de retraite attribuée en vertu du présent article sont examinés d'office.
Afdeling 2. - De pensioenberekening.
Section 2. - Le calcul de la pension.
Art.3. § 1. Het recht op het rustpensioen wordt per kalenderjaar verkregen naar rata van een breuk van de werkelijke, fictieve en forfaitaire brutolonen bedoeld bij de artikelen 7, 8 en 9bis van het koninklijk besluit nr. 50 en in aanmerking genomen ten belope van :
a) 75 t.h. voor de werknemers van wie de echtgenoot :
- elke beroepsarbeid, behalve die door de Koning toegestaan, heeft gestaakt;
- geen van de vergoedingen of uitkeringen bedoeld in artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 50 geniet;
- geen rust- en overlevingspensioen en geen als dusdanig geldende uitkeringen geniet, toegekend krachtens deze wet, krachtens het koninklijk besluit nr. 50, krachtens een Belgische regeling voor arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeevarenden of zelfstandigen, krachtens een Belgische regeling toepasselijk op het personeel van de overheidsdiensten of van (N.M.B.S. Holding) [1 of HR Rail]1, (krachtens iedere andere Belgische regeling,) krachtens een regeling van een vreemd land of krachtens een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling; <W 1990-12-29/30, art. 181, 002; Inwerkingtreding : 19-01-1991> <KB 2004-10-18/32, art. 25, 003 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
b) 60 t.h. voor de andere werknemers.
De breuk die met elk kalenderjaar overeenstemt heeft als teller de eenheid en als noemer het getal 45 of 40 naargelang het een man of een vrouw betreft.
Wanneer het aantal kalenderjaren die de loopbaan bevat, hoger is dan het aantal uitgedrukt door de noemer van de breuk, worden de kalenderjaren die recht geven op het voordeligste pensioen in aanmerking genomen tot beloop van dat laatste aantal.
§ 2. In afwijking van § 1, tweede lid, kan de werknemer die ten minste twintig jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker tewerkgesteld is geweest een rustpensioen verkrijgen dat verworven is naar rata van een dertigste per kalenderjaar tewerkstelling als mijnwerker.
§ 3. In afwijking van § 1, tweede lid, kan de werknemer een rustpensioen bekomen dat verworven is naar rata van een veertigste per kalenderjaar tewerkstelling als zeevarende.
§ 4. De werknemer beoogd bij § 2 kan eveneens de toepassing van § 3 bekomen, ten belope van het aantal voordeligste kalenderjaren, dat gelijk is aan het verschil tussen het getal 40 en het resultaat dat bekomen wordt door het aantal jaren tewerkstelling als mijnwerker te vermenigvuldigen met 1,333. Indien dit resultaat een gedeelte van een eenheid bevat, wordt het op de naastlagere eenheid afgerond.
De werknemers beoogd bij de §§ 2 en 3, kunnen voor de jaren tewerkstelling die niet in aanmerking werden genomen overeenkomstig die paragrafen eveneens de toepassing bekomen van § 1, ten belope van het aantal voordeligste kalenderjaren, dat gelijk is aan het verschil tussen het getal 45 en het resultaat dat bekomen wordt door het aantal jaren tewerkstelling beoogd bij de §§ 2 en 3 te vermenigvuldigen met 1,5 of 1,125 naargelang het een tewerkstelling respectievelijk hetzij als mijnwerker, hetzij als zeevarende betreft. Indien dit resultaat een gedeelte van een eenheid bevat, wordt het op de naastlagere eenheid afgerond.
De in vorig lid genoemde getallen 45, 1,5 en 1,125 worden vervangen door respectievelijk 40, 1,333 en 1 wanneer het een vrouw betreft.
§ 5. In afwijking van de §§ 1, 2 en 3 kan de werknemer die ten minste 168 maanden dienst ter zee onder Belgische vlag bewijst een rustpensioen bekomen dat verworven is naar rata van een breuk, gelijk aan 1/14e per jaar, van de als zeevarende verdiende lonen welke betrekking hebben op de veertien voordeligste jaren, en in aanmerking worden genomen tot beloop van 75 of 60 t.h. naargelang van het onderscheid waarin voorzien bij § 1.
Het bedrag van dit rustpensioen wordt verminderd met 1/45e per kalenderjaar waarvoor hij een pensioen in een andere regeling bekomt, of indien dit voor hem voordeliger is, met het bedrag van laatstgenoemd pensioen. Deze vermindering wordt evenwel niet toegepast wanneer het pensioen krachtens de andere regeling werd toegekend voor een bijkomende arbeid, zoals bepaald door de Koning.
De duur van de dienst ter zee wordt bepaald door de inschrijvingen op de monsterrol.
In geval van toepassing van deze paragraaf kan de betrokkene geen aanspraak maken op een pensioen overeenkomstig de §§ 1, 2, 3 en 4 van dit artikel.
§ 6. Het bedrag van het rustpensioen van de werknemer die geen dertig, doch ten minste vijfentwintig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning tewerkgesteld is geweest, wordt met een supplement verhoogd.
Dat supplement is gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat hij zou bekomen hebben indien hij daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk in de ondergrond van voormelde ondernemingen zou hebben gewerkt en het globale bedrag van de rustpensioenen of als zodanig geldende uitkeringen waarop hij krachtens een of meer van de in § 1, eerste lid, a), bedoelde regelingen aanspraak kan maken.
[2 Het bedrag van het referentieloon voor de berekening van het supplement bedoeld in het eerste lid is gelijk aan 75 t.h. of 60 t.h., naargelang het gaat om een werknemer bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, a) of b) van deze wet (of in artikel 5, § 1, eerste lid, a) of b), van het koninklijk besluit van 23 december 1996), van de geïndexeerde werkelijke, forfaitaire en fictieve lonen van de werknemers bedoeld in het eerste lid met betrekking tot het voorlaatste volledig gewerkte jaar in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning.]2
De Koning bepaalt de berekeningswijze van het referentiepensioen.
§ 7. De werknemer van Belgische nationaliteit :
a) die gewoonlijk tewerkgesteld werd in de hoedanigheid van arbeider, bediende of mijnwerker in een aan België grenzend land, op voorwaarde dat hij zijn hoofdverblijfplaats in België heeft behouden en er in principe iedere dag is teruggekeerd,
b) of die in het buitenland tewerkgesteld werd in de hoedanigheid van arbeider of bediende, voor periodes van minder dan één jaar elk, voor rekening van een werkgever van dat land, om er seizoenarbeid of daarmee gelijkgestelde loonarbeid te verrichten, op voorwaarde dat hij zijn hoofdverblijfplaats in België heeft behouden en zijn familie er bleef wonen,
kan een rustpensioen bekomen gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat hij zou bekomen hebben indien deze activiteit in de hoedanigheid van werknemer in België was uitgeoefend en het bedrag van het pensioen dat voor dezelfde activiteit bekomen wordt in toepassing van de wetgeving van het land van tewerkstelling.
§ 8. In afwijking van § 1, eerste lid, a), vormt het genot, in hoofde van een van de echtgenoten, van één of meer rust- of overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen, toegekend krachtens één of meer Belgische regelingen, andere dan die voor arbeiders; bedienden, mijnwerkers, zeevarenden en werknemers krachtens een regeling van een vreemd land of krachtens een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling geen beletsel voor de toekenning aan de andere echtgenoot van een rustpensioen berekend met toepassing van § 1, eerste lid, a), van dit artikel, voor zover het globale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen van de eerstgenoemde echtgenoot kleiner is dan het verschil tussen de bedragen van het rustpensioen van de andere echtgenoot, respectievelijk berekend met toepassing van § 1, eerste lid, a), en van § 1, eerste lid, b), van dit artikel.
Evenwel wordt in dat geval het totale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen, van eerstgenoemde echtgenoot in mindering gebracht op het bedrag van het rustpensioen van de andere echtgenoot.
§ 9. Het pensioen waarvan het bedrag kleiner is dan 500 frank per jaar, wordt niet toegekend. Dit bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer 114,20 en verandert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
a) 75 t.h. voor de werknemers van wie de echtgenoot :
- elke beroepsarbeid, behalve die door de Koning toegestaan, heeft gestaakt;
- geen van de vergoedingen of uitkeringen bedoeld in artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 50 geniet;
- geen rust- en overlevingspensioen en geen als dusdanig geldende uitkeringen geniet, toegekend krachtens deze wet, krachtens het koninklijk besluit nr. 50, krachtens een Belgische regeling voor arbeiders, bedienden, mijnwerkers, zeevarenden of zelfstandigen, krachtens een Belgische regeling toepasselijk op het personeel van de overheidsdiensten of van (N.M.B.S. Holding) [1 of HR Rail]1, (krachtens iedere andere Belgische regeling,) krachtens een regeling van een vreemd land of krachtens een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling; <W 1990-12-29/30, art. 181, 002; Inwerkingtreding : 19-01-1991> <KB 2004-10-18/32, art. 25, 003 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
b) 60 t.h. voor de andere werknemers.
De breuk die met elk kalenderjaar overeenstemt heeft als teller de eenheid en als noemer het getal 45 of 40 naargelang het een man of een vrouw betreft.
Wanneer het aantal kalenderjaren die de loopbaan bevat, hoger is dan het aantal uitgedrukt door de noemer van de breuk, worden de kalenderjaren die recht geven op het voordeligste pensioen in aanmerking genomen tot beloop van dat laatste aantal.
§ 2. In afwijking van § 1, tweede lid, kan de werknemer die ten minste twintig jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker tewerkgesteld is geweest een rustpensioen verkrijgen dat verworven is naar rata van een dertigste per kalenderjaar tewerkstelling als mijnwerker.
§ 3. In afwijking van § 1, tweede lid, kan de werknemer een rustpensioen bekomen dat verworven is naar rata van een veertigste per kalenderjaar tewerkstelling als zeevarende.
§ 4. De werknemer beoogd bij § 2 kan eveneens de toepassing van § 3 bekomen, ten belope van het aantal voordeligste kalenderjaren, dat gelijk is aan het verschil tussen het getal 40 en het resultaat dat bekomen wordt door het aantal jaren tewerkstelling als mijnwerker te vermenigvuldigen met 1,333. Indien dit resultaat een gedeelte van een eenheid bevat, wordt het op de naastlagere eenheid afgerond.
De werknemers beoogd bij de §§ 2 en 3, kunnen voor de jaren tewerkstelling die niet in aanmerking werden genomen overeenkomstig die paragrafen eveneens de toepassing bekomen van § 1, ten belope van het aantal voordeligste kalenderjaren, dat gelijk is aan het verschil tussen het getal 45 en het resultaat dat bekomen wordt door het aantal jaren tewerkstelling beoogd bij de §§ 2 en 3 te vermenigvuldigen met 1,5 of 1,125 naargelang het een tewerkstelling respectievelijk hetzij als mijnwerker, hetzij als zeevarende betreft. Indien dit resultaat een gedeelte van een eenheid bevat, wordt het op de naastlagere eenheid afgerond.
De in vorig lid genoemde getallen 45, 1,5 en 1,125 worden vervangen door respectievelijk 40, 1,333 en 1 wanneer het een vrouw betreft.
§ 5. In afwijking van de §§ 1, 2 en 3 kan de werknemer die ten minste 168 maanden dienst ter zee onder Belgische vlag bewijst een rustpensioen bekomen dat verworven is naar rata van een breuk, gelijk aan 1/14e per jaar, van de als zeevarende verdiende lonen welke betrekking hebben op de veertien voordeligste jaren, en in aanmerking worden genomen tot beloop van 75 of 60 t.h. naargelang van het onderscheid waarin voorzien bij § 1.
Het bedrag van dit rustpensioen wordt verminderd met 1/45e per kalenderjaar waarvoor hij een pensioen in een andere regeling bekomt, of indien dit voor hem voordeliger is, met het bedrag van laatstgenoemd pensioen. Deze vermindering wordt evenwel niet toegepast wanneer het pensioen krachtens de andere regeling werd toegekend voor een bijkomende arbeid, zoals bepaald door de Koning.
De duur van de dienst ter zee wordt bepaald door de inschrijvingen op de monsterrol.
In geval van toepassing van deze paragraaf kan de betrokkene geen aanspraak maken op een pensioen overeenkomstig de §§ 1, 2, 3 en 4 van dit artikel.
§ 6. Het bedrag van het rustpensioen van de werknemer die geen dertig, doch ten minste vijfentwintig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk als mijnwerker in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning tewerkgesteld is geweest, wordt met een supplement verhoogd.
Dat supplement is gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat hij zou bekomen hebben indien hij daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk in de ondergrond van voormelde ondernemingen zou hebben gewerkt en het globale bedrag van de rustpensioenen of als zodanig geldende uitkeringen waarop hij krachtens een of meer van de in § 1, eerste lid, a), bedoelde regelingen aanspraak kan maken.
[2 Het bedrag van het referentieloon voor de berekening van het supplement bedoeld in het eerste lid is gelijk aan 75 t.h. of 60 t.h., naargelang het gaat om een werknemer bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, a) of b) van deze wet (of in artikel 5, § 1, eerste lid, a) of b), van het koninklijk besluit van 23 december 1996), van de geïndexeerde werkelijke, forfaitaire en fictieve lonen van de werknemers bedoeld in het eerste lid met betrekking tot het voorlaatste volledig gewerkte jaar in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning.]2
De Koning bepaalt de berekeningswijze van het referentiepensioen.
§ 7. De werknemer van Belgische nationaliteit :
a) die gewoonlijk tewerkgesteld werd in de hoedanigheid van arbeider, bediende of mijnwerker in een aan België grenzend land, op voorwaarde dat hij zijn hoofdverblijfplaats in België heeft behouden en er in principe iedere dag is teruggekeerd,
b) of die in het buitenland tewerkgesteld werd in de hoedanigheid van arbeider of bediende, voor periodes van minder dan één jaar elk, voor rekening van een werkgever van dat land, om er seizoenarbeid of daarmee gelijkgestelde loonarbeid te verrichten, op voorwaarde dat hij zijn hoofdverblijfplaats in België heeft behouden en zijn familie er bleef wonen,
kan een rustpensioen bekomen gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het rustpensioen dat hij zou bekomen hebben indien deze activiteit in de hoedanigheid van werknemer in België was uitgeoefend en het bedrag van het pensioen dat voor dezelfde activiteit bekomen wordt in toepassing van de wetgeving van het land van tewerkstelling.
§ 8. In afwijking van § 1, eerste lid, a), vormt het genot, in hoofde van een van de echtgenoten, van één of meer rust- of overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen, toegekend krachtens één of meer Belgische regelingen, andere dan die voor arbeiders; bedienden, mijnwerkers, zeevarenden en werknemers krachtens een regeling van een vreemd land of krachtens een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling geen beletsel voor de toekenning aan de andere echtgenoot van een rustpensioen berekend met toepassing van § 1, eerste lid, a), van dit artikel, voor zover het globale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen van de eerstgenoemde echtgenoot kleiner is dan het verschil tussen de bedragen van het rustpensioen van de andere echtgenoot, respectievelijk berekend met toepassing van § 1, eerste lid, a), en van § 1, eerste lid, b), van dit artikel.
Evenwel wordt in dat geval het totale bedrag van bovenbedoelde pensioenen en van de als zodanig geldende uitkeringen, van eerstgenoemde echtgenoot in mindering gebracht op het bedrag van het rustpensioen van de andere echtgenoot.
§ 9. Het pensioen waarvan het bedrag kleiner is dan 500 frank per jaar, wordt niet toegekend. Dit bedrag is gekoppeld aan het indexcijfer 114,20 en verandert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Art.3. § 1. Le droit à la pension de retraite est acquis, par année civile, à raison d'une fraction des rémunérations brutes réelles, fictives et forfaitaires visées aux articles 7, 8 et 9bis de l'arrêté royal n° 50 et prises en considération à concurrence de :
a) 75 p.c. pour les travailleurs dont le conjoint :
- a cessé toute activité professionnelle, sauf celle autorisée par le Roi;
- ne jouit pas d'une des indemnités ou allocations visées à l'article 25 de l'arrêté royal n° 50;
- ne jouit pas d'une pension de retraite ou de survie ou de prestations en tenant lieu, accordées en vertu de la présente loi, en vertu de l'arrêté royal n° 50, en vertu d'un régime belge pour ouvriers, employés, mineurs, marins ou indépendants, en vertu d'un régime belge applicable au personnel des services publics ou de la (S.N.C.B. Holding) [1 ou HR Rail]1, (en vertu de tout autre régime belge), en vertu d'un régime d'un pays étranger ou en vertu d'un régime applicable au personnel d'une institution de droit international public; <L 1990-12-29/30, art. 181, 002; En vigueur : 19-01-1991> <AR 2004-10-18/32, art. 25, 003 ; En vigueur : 01-01-2005>
b) 60 p.c. pour les autres travailleurs.
La fraction correspondant à chaque année civile a pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre 45 ou 40 selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme.
Lorsque le nombre d'années civiles que la carrière comporte est supérieur au nombre d'années exprimé par le dénominateur de la fraction, les années civiles donnant droit à la pension la plus avantageuse sont prises en considération à concurrence de ce dernier nombre.
§ 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le travailleur qui a été occupé habituellement et en ordre principal comme ouvrier mineur pendant au moins vingt années, peut obtenir une pension de retraite acquise à raison d'un trentième par année civile d'occupation comme ouvrier mineur.
§ 3. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le travailleur peut obtenir une pension de retraite à raison d'un quarantième par année civile d'occupation comme marin.
§ 4. Le travailleur visé au § 2, peut obtenir en outre l'application du § 3 à concurrence du nombre d'années civiles les plus avantageuses qui est égal à la différence entre le nombre 40 et le résultat obtenu en multipliant le nombre d'années d'occupation comme ouvrier mineur par 1,333. Si ce résultat comporte une fraction d'unité, il est arrondi à l'unité immédiatement inférieure.
Les travailleurs visés aux §§ 2 et 3 peuvent obtenir en outre pour les années d'occupation qui n'ont pas été prises en considération conformément à ces paragraphes, l'application du § 1er, à concurrence du nombre d'années civiles les plus avantageuses, qui est égal à la différence entre le nombre 45 et le résultat obtenu en multipliant le nombre d'années d'occupation visé aux §§ 2 et 3, par 1,5 ou 1,125 selon qu'il s'agit d'une occupation respectivement, soit comme ouvrier mineur, soit comme marin. Si ce résultat comporte une fraction d'unité, il est arrondi à l'unité immédiatement inférieure.
Les nombres 45, 1,5 et 1,125 cités à l'alinéa précédent, sont remplacés respectivement par 40, 1,333 et 1 lorsqu'il s'agit d'une femme.
§ 5. Par dérogation aux §§ 1er, 2 et 3 le travailleur qui justifie d'au moins 168 mois de service à la mer sous pavillon belge peut obtenir une pension de retraite qui est acquise à raison d'une fraction, égale à 1/14e par année, des rémunérations proméritées comme marin afférentes aux quatorze années les plus avantageuses prises en considération à raison de 75 ou de 60 p.c. selon la distinction prévue au § 1er.
Le montant de cette pension de retraite est réduit de 1/45e par année civile pour laquelle il obtient une pension en vertu d'un autre régime, ou si cela lui est plus favorable, du montant de cette dernière pension. Cette réduction n'est toutefois pas appliquée si la pension en vertu de l'autre régime a été accordée pour une activité accessoire telle qu'elle est déterminée par le Roi.
La durée des services en mer est déterminée au moyen des inscriptions au rôle d'équipage.
En cas d'application du présent paragraphe, l'intéressé ne peut prétendre à une pension en vertu des §§ 1er, 2, 3 et 4 du présent article.
§ 6. Le montant de la pension de retraite du travailleur salarié qui ne totalise pas trente années civiles d'occupation habituelle et en ordre principal en qualité d'ouvrier au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine, mais en compte vingt-cinq au moins, est majorée d'un supplément.
Ce supplément est égal à la différence entre le montant de la pension de retraite qu'il aurait obtenu s'il avait été effectivement occupé habituellement et en ordre principal au fond des entreprises précitées pendant trente années civiles, et le montant global des pensions de retraite ou des prestations en tenant lieu auxquelles il peut prétendre en vertu d'un ou de plusieurs régimes visés au § 1er, alinéa 1er, a).
[2 Le montant du salaire de référence pour le calcul du supplément visé à l'alinéa 1er est égal à 75 % ou 60 %, selon qu'il s'agit d'un travailleur salarié visé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, a) ou b), de la présente loi (ou à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, a) ou b), de l'arrêté royal du 23 décembre 1996), des rémunérations réelles, forfaitaires et fictives indexées des travailleurs salariés visés à l'alinéa 1er relatif à l'avant-dernière année de travail complète au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine.]2
Le Roi détermine le mode de calcul de la pension de référence.
§ 7. Le travailleur de nationalité belge :
a) qui a été occupé habituellement en qualité d'ouvrier, d'employé ou d'ouvrier mineur dans un pays limitrophe de la Belgique, à condition qu'il ait conservé sa résidence principale en Belgique et y soit revenu en principe chaque jour,
b) ou qui a été occupé dans un pays étranger en qualité d'ouvrier ou d'employé pour des périodes d'une durée inférieure à un an chacune pour le compte d'un employeur établi dans ce pays, pour y effectuer un travail salarié ou assimilé à caractère saisonnier, à condition qu'il ait conservé sa résidence principale en Belgique et que sa famille ait continué d'y résider,
peut obtenir une pension de retraite égale à la différence entre le montant de la pension de retraite qu'il aurait obtenu si cette activité en qualité de travailleur salarié avait été exercée en Belgique et le montant de la pension obtenu pour la même activité en vertu de la législation du pays d'occupation.
§ 8. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, a), le bénéfice, dans le chef d'un des conjoints, d'une ou de plusieurs pensions de retraite ou de survie ou de prestations en tenant lieu, accordées en vertu d'un ou de plusieurs régimes belges, autres que ceux pour les ouvriers, employés, mineurs, marins et travailleurs salariés, en vertu d'un régime d'un pays étranger ou en vertu d'un régime applicable au personnel d'une institution de droit international public ne fait pas obstacle à l'octroi à l'autre conjoint, de la pension de retraite calculée en application du § 1er, alinéa 1er, a), du présent article, pour autant que le montant global des pensions susmentionnées et des avantages en tenant lieu du premier conjoint, soit plus petit que la différence entre les montants de la pension de retraite de l'autre conjoint calculés respectivement en application du § 1er, alinéa 1er, a), et du § 1er, alinéa 1er, b), du présent article.
Dans ce cas cependant, le montant global des pensions susmentionnées et des prestations en tenant lieu du premier conjoint est déduit du montant de la pension de retraite de l'autre conjoint.
§ 9. La pension, dont le montant est inférieur à 500 francs par an, n'est pas attribuée. Ce montant est lié à l'indice 114,20 et varie conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocation et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
a) 75 p.c. pour les travailleurs dont le conjoint :
- a cessé toute activité professionnelle, sauf celle autorisée par le Roi;
- ne jouit pas d'une des indemnités ou allocations visées à l'article 25 de l'arrêté royal n° 50;
- ne jouit pas d'une pension de retraite ou de survie ou de prestations en tenant lieu, accordées en vertu de la présente loi, en vertu de l'arrêté royal n° 50, en vertu d'un régime belge pour ouvriers, employés, mineurs, marins ou indépendants, en vertu d'un régime belge applicable au personnel des services publics ou de la (S.N.C.B. Holding) [1 ou HR Rail]1, (en vertu de tout autre régime belge), en vertu d'un régime d'un pays étranger ou en vertu d'un régime applicable au personnel d'une institution de droit international public; <L 1990-12-29/30, art. 181, 002; En vigueur : 19-01-1991> <AR 2004-10-18/32, art. 25, 003 ; En vigueur : 01-01-2005>
b) 60 p.c. pour les autres travailleurs.
La fraction correspondant à chaque année civile a pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre 45 ou 40 selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme.
Lorsque le nombre d'années civiles que la carrière comporte est supérieur au nombre d'années exprimé par le dénominateur de la fraction, les années civiles donnant droit à la pension la plus avantageuse sont prises en considération à concurrence de ce dernier nombre.
§ 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le travailleur qui a été occupé habituellement et en ordre principal comme ouvrier mineur pendant au moins vingt années, peut obtenir une pension de retraite acquise à raison d'un trentième par année civile d'occupation comme ouvrier mineur.
§ 3. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le travailleur peut obtenir une pension de retraite à raison d'un quarantième par année civile d'occupation comme marin.
§ 4. Le travailleur visé au § 2, peut obtenir en outre l'application du § 3 à concurrence du nombre d'années civiles les plus avantageuses qui est égal à la différence entre le nombre 40 et le résultat obtenu en multipliant le nombre d'années d'occupation comme ouvrier mineur par 1,333. Si ce résultat comporte une fraction d'unité, il est arrondi à l'unité immédiatement inférieure.
Les travailleurs visés aux §§ 2 et 3 peuvent obtenir en outre pour les années d'occupation qui n'ont pas été prises en considération conformément à ces paragraphes, l'application du § 1er, à concurrence du nombre d'années civiles les plus avantageuses, qui est égal à la différence entre le nombre 45 et le résultat obtenu en multipliant le nombre d'années d'occupation visé aux §§ 2 et 3, par 1,5 ou 1,125 selon qu'il s'agit d'une occupation respectivement, soit comme ouvrier mineur, soit comme marin. Si ce résultat comporte une fraction d'unité, il est arrondi à l'unité immédiatement inférieure.
Les nombres 45, 1,5 et 1,125 cités à l'alinéa précédent, sont remplacés respectivement par 40, 1,333 et 1 lorsqu'il s'agit d'une femme.
§ 5. Par dérogation aux §§ 1er, 2 et 3 le travailleur qui justifie d'au moins 168 mois de service à la mer sous pavillon belge peut obtenir une pension de retraite qui est acquise à raison d'une fraction, égale à 1/14e par année, des rémunérations proméritées comme marin afférentes aux quatorze années les plus avantageuses prises en considération à raison de 75 ou de 60 p.c. selon la distinction prévue au § 1er.
Le montant de cette pension de retraite est réduit de 1/45e par année civile pour laquelle il obtient une pension en vertu d'un autre régime, ou si cela lui est plus favorable, du montant de cette dernière pension. Cette réduction n'est toutefois pas appliquée si la pension en vertu de l'autre régime a été accordée pour une activité accessoire telle qu'elle est déterminée par le Roi.
La durée des services en mer est déterminée au moyen des inscriptions au rôle d'équipage.
En cas d'application du présent paragraphe, l'intéressé ne peut prétendre à une pension en vertu des §§ 1er, 2, 3 et 4 du présent article.
§ 6. Le montant de la pension de retraite du travailleur salarié qui ne totalise pas trente années civiles d'occupation habituelle et en ordre principal en qualité d'ouvrier au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine, mais en compte vingt-cinq au moins, est majorée d'un supplément.
Ce supplément est égal à la différence entre le montant de la pension de retraite qu'il aurait obtenu s'il avait été effectivement occupé habituellement et en ordre principal au fond des entreprises précitées pendant trente années civiles, et le montant global des pensions de retraite ou des prestations en tenant lieu auxquelles il peut prétendre en vertu d'un ou de plusieurs régimes visés au § 1er, alinéa 1er, a).
[2 Le montant du salaire de référence pour le calcul du supplément visé à l'alinéa 1er est égal à 75 % ou 60 %, selon qu'il s'agit d'un travailleur salarié visé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, a) ou b), de la présente loi (ou à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, a) ou b), de l'arrêté royal du 23 décembre 1996), des rémunérations réelles, forfaitaires et fictives indexées des travailleurs salariés visés à l'alinéa 1er relatif à l'avant-dernière année de travail complète au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine.]2
Le Roi détermine le mode de calcul de la pension de référence.
§ 7. Le travailleur de nationalité belge :
a) qui a été occupé habituellement en qualité d'ouvrier, d'employé ou d'ouvrier mineur dans un pays limitrophe de la Belgique, à condition qu'il ait conservé sa résidence principale en Belgique et y soit revenu en principe chaque jour,
b) ou qui a été occupé dans un pays étranger en qualité d'ouvrier ou d'employé pour des périodes d'une durée inférieure à un an chacune pour le compte d'un employeur établi dans ce pays, pour y effectuer un travail salarié ou assimilé à caractère saisonnier, à condition qu'il ait conservé sa résidence principale en Belgique et que sa famille ait continué d'y résider,
peut obtenir une pension de retraite égale à la différence entre le montant de la pension de retraite qu'il aurait obtenu si cette activité en qualité de travailleur salarié avait été exercée en Belgique et le montant de la pension obtenu pour la même activité en vertu de la législation du pays d'occupation.
§ 8. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, a), le bénéfice, dans le chef d'un des conjoints, d'une ou de plusieurs pensions de retraite ou de survie ou de prestations en tenant lieu, accordées en vertu d'un ou de plusieurs régimes belges, autres que ceux pour les ouvriers, employés, mineurs, marins et travailleurs salariés, en vertu d'un régime d'un pays étranger ou en vertu d'un régime applicable au personnel d'une institution de droit international public ne fait pas obstacle à l'octroi à l'autre conjoint, de la pension de retraite calculée en application du § 1er, alinéa 1er, a), du présent article, pour autant que le montant global des pensions susmentionnées et des avantages en tenant lieu du premier conjoint, soit plus petit que la différence entre les montants de la pension de retraite de l'autre conjoint calculés respectivement en application du § 1er, alinéa 1er, a), et du § 1er, alinéa 1er, b), du présent article.
Dans ce cas cependant, le montant global des pensions susmentionnées et des prestations en tenant lieu du premier conjoint est déduit du montant de la pension de retraite de l'autre conjoint.
§ 9. La pension, dont le montant est inférieur à 500 francs par an, n'est pas attribuée. Ce montant est lié à l'indice 114,20 et varie conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocation et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
HOOFDSTUK III. - Het overlevingspensioen.
CHAPITRE III. - La pension de survie.
Art.4. § 1. Indien de echtgenoot vóór de ingangsdatum van zijn rustpensioen is overleden, is het overlevingspensioen gelijk aan 80 t.h. van het bedrag van het rustpensioen berekend overeenkomstig artikel 3, § 1, eerste lid, a), van deze wet dat aan de echtgenoot overeenkomstig deze wet zou zijn toegekend.
Evenwel wordt voor ieder jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling vóór 1955, dat in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van het rustpensioen, rekening gehouden met een forfaitair loon van 85 500 frank.
De breuk die met elk kalenderjaar overeenstemt, heeft als teller de eenheid en als noemer het aantal kalenderjaren, begrepen in de periode ingaande op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag en eindigend op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan dat van het overlijden, zonder dat de noemer van die breuk evenwel hoger mag zijn dan 45 of 40 naargelang het een man of een vrouw betreft.
Wanneer het aantal kalenderjaren die de loopbaan bevat groter is dan het aantal uitgedrukt door de noemer van de breuk, worden de kalenderjaren die recht geven op het voordeligste pensioen in aanmerking genomen tot beloop van dat laatste aantal.
Wanneer het rustpensioen overeenkomstig artikel 3, § 2, wordt berekend op grond van de loopbaan van een in artikel 3, § 6, beoogde werknemer wordt het overlevingspensioen met een supplement verhoogd. Dat supplement is gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het overlevingspensioen dat zou toegekend geweest zijn indien de werknemer daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning zou hebben gewerkt en het globale bedrag van de overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen waarop de langstlevende echtgenoot krachtens één of meer van de in artikel 3, § 1, eerste lid, a), bedoelde regelingen aanspraak kan maken.
Voor de berekening van het rustpensioen overeenkomstig artikel 3, §§ 2 en 3, wordt rekening gehouden met de breuk zoals bepaald in het derde lid indien dit voor de langstlevende echtgenoot voordeliger is.
Het totaal van de breuken bedoeld in artikel 3, §§ 1, 2 en 3 wordt tot de eenheid beperkt.
Indien de echtgenoot vóór 1 januari van het jaar van zijn eenentwintigste verjaardag overleden is, is het bedrag van het rustpensioen dat tot basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen gelijk aan :
a) 64 125 frank indien de langstlevende echtgenoot bewijst dat de overleden echtgenoot gewoonlijk en hoofdzakelijk tewerkgesteld is geweest in de zin van het koninklijk besluit nr. 50 gedurende één kalenderjaar vóór 1955 of bewijst dat de overleden echtgenoot op het ogenblik van het overlijden in de zin van dat besluit was tewerkgesteld;
b) 75 % van het bedrag van de lonen van de overleden echtgenoot bedoeld bij artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 50 en die betrekking hebben op het voordeligste van de kalenderjaren die aan dat van het overlijden voorafgaan, indien de wijze van berekening bedoeld bij a) niet kan worden toegepast of minder voordelig is.
De bepalingen van het vorig lid zijn niet van toepassing wanneer de langstlevende echtgenoot een ander overlevingspensioen of een als zodanig geldende uitkering geniet.
Het krachtens deze paragraaf toegekend overlevingspensioen wordt beperkt tot het produkt van de vermenigvuldiging van de breuk die gediend heeft voor de berekening van het overlevingspensioen, met het bedrag van het rustpensioen berekend tegen het bedrag bepaald bij artikel 3, § 1, eerste lid, a), dat de echtgenoot zou verkregen hebben indien hij op de dag van zijn overlijden de leeftijd van 65 jaar had bereikt en het bewijs had geleverd van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als werknemer gedurende 45 of 40 jaar naargelang het een man of een vrouw betreft.
Dit referentiepensioen wordt per kalenderjaar, berekend naar rata van 1/45e of 1/40e naargelang de overleden echtgenoot een man of een vrouw is :
a) van de werkelijke, fictieve en forfaitaire lonen die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het overlevingspensioen, voor zover zij betrekking hebben op jaren van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling;
b) van het forfaitaire loon bedoeld bij artikel 9bis van het koninklijk besluit nr. 50 voor een aantal jaren gelijk aan het verschil tussen 45 of 40 naargelang de overleden echtgenoot een man of een vrouw is, en het aantal jaren bedoeld onder a).
De artikelen 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 en 33 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector zijn niet van toepassing op dit referentiepensioen.
§ 2. Indien de echtgenoot na de ingangsdatum van zijn rustpensioen is overleden, is onder voorbehoud van het bepaalde in § 3, het overlevingspensioen gelijk aan 80 t.h. van het bedrag van het rustpensioen dat hem overeenkomstig deze wet of krachtens het koninklijk besluit nr. 50 was toegekend, berekend tegen het bedrag bepaald bij artikel 3, § 1, eerste lid, a), en zonder dat eventueel de vermindering wegens vervroeging wordt toegepast. Voor ieder jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling vóór 1955, wordt evenwel rekening gehouden met een forfaitair loon dat eenvormig op 85 500 frank wordt vastgesteld. Dit loon wordt geherwaardeerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 29bis, § 3, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 50.
§ 3. Indien de echtgenoot na de ingangsdatum van zijn rustpensioen is overleden en dit voor de eerste maal is ingegaan vóór 1 januari 1968, is het overlevingspensioen gelijk aan 80 t.h. van het bedrag van het aan de echtgenoot toegekend rustpensioen als arbeider, bediende en zeevarende, berekend zoals voor de werknemers bedoeld bij artikel 3, § 1, eerste lid, a), van deze wet en zonder dat eventueel de vermindering wegens vervroeging wordt toegepast.
Het overlevingspensioen berekend op basis van een rustpensioen voor een tewerkstelling als mijnwerker is evenwel gelijk aan een breuk van 52 200 frank, welke overeenstemt met de breuk van het rustpensioen als mijnwerker dat aan de overleden echtgenoot werd toegekend. Het bedrag van dit overlevingspensioen wordt geherwaardeerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 29bis, § 3, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 50.
Elke betaling van het overlevingspensioen toegekend bij toepassing van deze paragraaf wordt geacht het voorschot te omvatten van de termijnen van elke overlevingsrente gevestigd ingevolge een verplichte verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood. Nochtans wordt het overlevingspensioen geacht, tot beloop van een jaarbedrag van 300 frank, de overlevingsrente te omvatten, gevestigd bij toepassing van de samengeordende wetten betreffende de verplichte verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, en, tot beloop van een door de Koning te bepalen jaarbedrag, de overlevingsrente gevestigd met toepassing van de wet van 18 juni 1930 tot herziening van de wet van 10 maart 1925 op de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden.
[1 de Rijksdienst voor Pensioenen]1 treedt in de plaats van de gerechtigde op de bij vorig lid genoemde renten, ten opzichte van de instelling waarbij deze renten zijn gevestigd.
§ 4. Voor de toepassing van de §§ 2 en 3 van dit artikel is het bedrag van het rustpensioen dat tot basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen gelijk aan het bedrag van het rustpensioen dat de echtgenoot zou hebben bekomen indien hij zijn pensioen zou hebben genoten tot op de ingangsdatum van het overlevingspensioen. De langstlevende echtgenoot kan de rechten uitoefenen die de overleden echtgenoot zou hebben kunnen doen gelden.
§ 5. Voor de berekening van het overlevingspensioen dat aan de langstlevende echtgenoot van een afgevaardigde-werkman bij het toezicht in de steenkolenmijnen kan worden verleend, wordt geen rekening gehouden met de perioden van tewerkstelling in deze hoedanigheid van de overleden echtgenoot, die in aanmerking worden genomen voor het verlenen van een overlevingspensioen ten laste van de Staat.
§ 6. In afwijking van de voorafgaande paragrafen en voor de bij artikel 3, § 7, van deze wet bedoelde activiteit, kan de langstlevende echtgenoot van de werknemer een overlevingspensioen verkrijgen dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van het overlevingspensioen dat hij zou verkrijgen indien deze activiteit in België was uitgeoefend en het pensioen dat voor dezelfde activiteit verkregen wordt met toepassing van de wetgeving van het land van tewerkstelling.
Evenwel wordt voor ieder jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling vóór 1955, dat in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van het rustpensioen, rekening gehouden met een forfaitair loon van 85 500 frank.
De breuk die met elk kalenderjaar overeenstemt, heeft als teller de eenheid en als noemer het aantal kalenderjaren, begrepen in de periode ingaande op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag en eindigend op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan dat van het overlijden, zonder dat de noemer van die breuk evenwel hoger mag zijn dan 45 of 40 naargelang het een man of een vrouw betreft.
Wanneer het aantal kalenderjaren die de loopbaan bevat groter is dan het aantal uitgedrukt door de noemer van de breuk, worden de kalenderjaren die recht geven op het voordeligste pensioen in aanmerking genomen tot beloop van dat laatste aantal.
Wanneer het rustpensioen overeenkomstig artikel 3, § 2, wordt berekend op grond van de loopbaan van een in artikel 3, § 6, beoogde werknemer wordt het overlevingspensioen met een supplement verhoogd. Dat supplement is gelijk aan het verschil tussen het bedrag van het overlevingspensioen dat zou toegekend geweest zijn indien de werknemer daadwerkelijk gedurende dertig kalenderjaren gewoonlijk en hoofdzakelijk in de ondergrond van de mijnen of van steengroeven met ondergrondse winning zou hebben gewerkt en het globale bedrag van de overlevingspensioenen of als zodanig geldende uitkeringen waarop de langstlevende echtgenoot krachtens één of meer van de in artikel 3, § 1, eerste lid, a), bedoelde regelingen aanspraak kan maken.
Voor de berekening van het rustpensioen overeenkomstig artikel 3, §§ 2 en 3, wordt rekening gehouden met de breuk zoals bepaald in het derde lid indien dit voor de langstlevende echtgenoot voordeliger is.
Het totaal van de breuken bedoeld in artikel 3, §§ 1, 2 en 3 wordt tot de eenheid beperkt.
Indien de echtgenoot vóór 1 januari van het jaar van zijn eenentwintigste verjaardag overleden is, is het bedrag van het rustpensioen dat tot basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen gelijk aan :
a) 64 125 frank indien de langstlevende echtgenoot bewijst dat de overleden echtgenoot gewoonlijk en hoofdzakelijk tewerkgesteld is geweest in de zin van het koninklijk besluit nr. 50 gedurende één kalenderjaar vóór 1955 of bewijst dat de overleden echtgenoot op het ogenblik van het overlijden in de zin van dat besluit was tewerkgesteld;
b) 75 % van het bedrag van de lonen van de overleden echtgenoot bedoeld bij artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 50 en die betrekking hebben op het voordeligste van de kalenderjaren die aan dat van het overlijden voorafgaan, indien de wijze van berekening bedoeld bij a) niet kan worden toegepast of minder voordelig is.
De bepalingen van het vorig lid zijn niet van toepassing wanneer de langstlevende echtgenoot een ander overlevingspensioen of een als zodanig geldende uitkering geniet.
Het krachtens deze paragraaf toegekend overlevingspensioen wordt beperkt tot het produkt van de vermenigvuldiging van de breuk die gediend heeft voor de berekening van het overlevingspensioen, met het bedrag van het rustpensioen berekend tegen het bedrag bepaald bij artikel 3, § 1, eerste lid, a), dat de echtgenoot zou verkregen hebben indien hij op de dag van zijn overlijden de leeftijd van 65 jaar had bereikt en het bewijs had geleverd van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als werknemer gedurende 45 of 40 jaar naargelang het een man of een vrouw betreft.
Dit referentiepensioen wordt per kalenderjaar, berekend naar rata van 1/45e of 1/40e naargelang de overleden echtgenoot een man of een vrouw is :
a) van de werkelijke, fictieve en forfaitaire lonen die in aanmerking werden genomen voor de berekening van het overlevingspensioen, voor zover zij betrekking hebben op jaren van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling;
b) van het forfaitaire loon bedoeld bij artikel 9bis van het koninklijk besluit nr. 50 voor een aantal jaren gelijk aan het verschil tussen 45 of 40 naargelang de overleden echtgenoot een man of een vrouw is, en het aantal jaren bedoeld onder a).
De artikelen 152 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 en 33 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector zijn niet van toepassing op dit referentiepensioen.
§ 2. Indien de echtgenoot na de ingangsdatum van zijn rustpensioen is overleden, is onder voorbehoud van het bepaalde in § 3, het overlevingspensioen gelijk aan 80 t.h. van het bedrag van het rustpensioen dat hem overeenkomstig deze wet of krachtens het koninklijk besluit nr. 50 was toegekend, berekend tegen het bedrag bepaald bij artikel 3, § 1, eerste lid, a), en zonder dat eventueel de vermindering wegens vervroeging wordt toegepast. Voor ieder jaar gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling vóór 1955, wordt evenwel rekening gehouden met een forfaitair loon dat eenvormig op 85 500 frank wordt vastgesteld. Dit loon wordt geherwaardeerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 29bis, § 3, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 50.
§ 3. Indien de echtgenoot na de ingangsdatum van zijn rustpensioen is overleden en dit voor de eerste maal is ingegaan vóór 1 januari 1968, is het overlevingspensioen gelijk aan 80 t.h. van het bedrag van het aan de echtgenoot toegekend rustpensioen als arbeider, bediende en zeevarende, berekend zoals voor de werknemers bedoeld bij artikel 3, § 1, eerste lid, a), van deze wet en zonder dat eventueel de vermindering wegens vervroeging wordt toegepast.
Het overlevingspensioen berekend op basis van een rustpensioen voor een tewerkstelling als mijnwerker is evenwel gelijk aan een breuk van 52 200 frank, welke overeenstemt met de breuk van het rustpensioen als mijnwerker dat aan de overleden echtgenoot werd toegekend. Het bedrag van dit overlevingspensioen wordt geherwaardeerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 29bis, § 3, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 50.
Elke betaling van het overlevingspensioen toegekend bij toepassing van deze paragraaf wordt geacht het voorschot te omvatten van de termijnen van elke overlevingsrente gevestigd ingevolge een verplichte verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood. Nochtans wordt het overlevingspensioen geacht, tot beloop van een jaarbedrag van 300 frank, de overlevingsrente te omvatten, gevestigd bij toepassing van de samengeordende wetten betreffende de verplichte verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, en, tot beloop van een door de Koning te bepalen jaarbedrag, de overlevingsrente gevestigd met toepassing van de wet van 18 juni 1930 tot herziening van de wet van 10 maart 1925 op de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood der bedienden.
[1 de Rijksdienst voor Pensioenen]1 treedt in de plaats van de gerechtigde op de bij vorig lid genoemde renten, ten opzichte van de instelling waarbij deze renten zijn gevestigd.
§ 4. Voor de toepassing van de §§ 2 en 3 van dit artikel is het bedrag van het rustpensioen dat tot basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen gelijk aan het bedrag van het rustpensioen dat de echtgenoot zou hebben bekomen indien hij zijn pensioen zou hebben genoten tot op de ingangsdatum van het overlevingspensioen. De langstlevende echtgenoot kan de rechten uitoefenen die de overleden echtgenoot zou hebben kunnen doen gelden.
§ 5. Voor de berekening van het overlevingspensioen dat aan de langstlevende echtgenoot van een afgevaardigde-werkman bij het toezicht in de steenkolenmijnen kan worden verleend, wordt geen rekening gehouden met de perioden van tewerkstelling in deze hoedanigheid van de overleden echtgenoot, die in aanmerking worden genomen voor het verlenen van een overlevingspensioen ten laste van de Staat.
§ 6. In afwijking van de voorafgaande paragrafen en voor de bij artikel 3, § 7, van deze wet bedoelde activiteit, kan de langstlevende echtgenoot van de werknemer een overlevingspensioen verkrijgen dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van het overlevingspensioen dat hij zou verkrijgen indien deze activiteit in België was uitgeoefend en het pensioen dat voor dezelfde activiteit verkregen wordt met toepassing van de wetgeving van het land van tewerkstelling.
Art.4. § 1. Lorsque le conjoint est décédé avant la prise de cours de sa pension de retraite, la pension de survie est égale à 80 p.c. du montant de la pension de retraite, calculé au taux prévu à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, a), de la présente loi qui aurait été accordée au conjoint en application de cette loi.
Toutefois il est tenu compte d'une rémunération forfaitaire de 85 500 francs, pour chaque année d'occupation habituelle et en ordre principal, antérieure à 1955, qui peut être prise en considération pour le calcul de la pension de retraite.
La fraction accordée pour chaque année civile à pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre d'années civiles comprises dans la période prenant cours le 1er janvier de l'année du vingtième anniversaire et se terminant le 31 décembre de l'année qui précède celle du décès, sans que le dénominateur de cette fraction puisse être supérieur à 45 ou 40 selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme.
Lorsque le nombre d'années civiles que la carrière comporte est supérieur au nombre exprimé par le dénominateur de la fraction, les années civiles donnant droit à la pension la plus avantageuse sont prises en considération, à concurrence de ce dernier nombre.
Lorsque la pension de retraite est calculée, conformément à l'article 3, § 2, sur la base de la carrière d'un travailleur visé à l'article 3, § 6, le montant de la pension de survie est majoré d'un supplément. Ce supplément est égal à la différence entre le montant de la pension de survie qui aurait été accordé si le travailleur avait effectivement travaillé habituellement et en ordre principal au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine durant trente années civiles et le montant global de la pension de survie ou des prestations en tenant lieu auxquelles le conjoint survivant peut prétendre en vertu d'un ou de plusieurs régimes visés à l'article 3, § 1er, premier alinéa, a).
Pour le calcul de la pension de retraite conformément à l'article 3, §§ 2 et 3, il est tenu compte de la fraction déterminée selon l'alinéa 3 si cela est plus favorable au conjoint survivant.
Le total des fractions visées à l'article 3, §§ 1er, 2 et 3 est limité à l'unité.
Lorsque le mari est décédé avant le 1er janvier de l'année de son 21e anniversaire, le montant de la pension de retraite servant de base au calcul de la pension de survie est égal à :
a) 64 125 francs si le conjoint survivant prouve que son époux a été occupé habituellement et en ordre principal au sens de l'arrêté royal n° 50 au cours d'une année civile antérieure à 1955 ou que ledit époux était occupé au sens de cet arrêté au moment du décès;
b) 75 % du montant des rémunérations du conjoint décédé, visées à l'article 7 de l'arrêté royal n° 50 et afférentes à la plus avantageuse des années civiles antérieures à celle du décès, si le mode de calcul visé au a) ne peut être appliqué ou est moins favorable.
Les dispositions de l'alinéa précédent ne sont pas applicables lorsque le conjoint survivant bénéficie d'une autre pension de survie ou d'une allocation en tenant lieu.
La pension de survie accordée en application du présent paragraphe est limitée au produit de la multiplication de la fraction ayant servi de base au calcul de la pension de survie, avec le montant de la pension de retraite calculé au taux prévu à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, a), que le conjoint aurait obtenu s'il avait atteint l'âge de 65 ans le jour de son décès et s'il avait fourni la preuve d'une occupation habituelle et en ordre principal comme travailleur salarié pendant 45 ou 40 ans selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme.
Cette pension de référence est calculée par année civile à raison de 1/45e ou de 1/40e, selon que le conjoint décédé est un homme ou une femme :
a) des rémunérations réelles, fictives et forfaitaires qui ont été prises en considération pour le calcul de la pension de survie, pour autant qu'elles se rapportent à des années d'occupation habituelle et en ordre principal;
b) de la rémunération forfaitaire prévue à l'article 9bis de l'arrêté royal n° 50, pour un nombre d'années égal à la différence entre 45 ou 40, selon que le conjoint décédé est un homme ou une femme, et le nombre d'années visé au a).
Les articles 152 de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980 et 33 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social ne sont pas applicables à cette pension de référence.
§ 2. Lorsque le conjoint est décédé après la date de prise de cours de sa pension de retraite, la pension de survie est égale, sous réserve des dispositions du § 3, à 80 p.c. du montant de la pension de retraite, qui lui était accordée conformément à la présente loi ou en vertu de l'arrêté royal n° 50, calculée au taux fixé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, a), et sans que soit éventuellement appliquée la réduction pour cause d'anticipation. Pour chaque année d'occupation habituelle et en ordre principal antérieure à 1955, il est toutefois tenu compte d'une rémunération forfaitaire fixée uniformément à 85 500 francs. Cette rémunération est revalorisée conformément aux dispositions prévues à l'article 29bis, § 3, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 50.
§ 3. Lorsque le conjoint est décédé après la date de prise de cours de sa pension de retraite et que celle-ci a pris cours pour la première fois avant le 1er janvier 1968, la pension de survie est égale à 80 p.c. du montant de la pension de retraite accordée à ce dernier en qualité d'ouvrier, d'employé et de marin, calculé comme pour les travailleurs visés à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, a), de la présente loi, et sans que soit éventuellement appliquée la réduction pour cause d'anticipation.
La pension de survie calculée sur la base d'une pension de retraite pour une occupation comme ouvrier mineur est toutefois égale à une fraction de 52 200 francs correspondant à la fraction de la pension de retraite en qualité d'ouvrier mineur, qui a été accordée au conjoint décédé. Le montant de cette pension de survie est revalorisé conformément aux dispositions prévues à l'article 29bis, § 3, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 50.
Chaque paiement de la pension de survie accordée en application du présent paragraphe est censé comporter l'avance des arrérages de toute rente de survie constituée conformément à une assurance obligatoire en vue de la vieillesse et du décès prématuré. Toutefois, la pension de survie est censée comporter, à concurrence d'un montant annuel de 300 francs, la rente de survie constituée en application des lois coordonnées relatives à l'assurance obligatoire en vue de la vieillesse et du décès prématuré, et, à concurrence d'un montant annuel à déterminer par le Roi, la rente de survie constituée en application de la loi du 18 juin 1930 portant révision de la loi du 10 mars 1925 relative à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés.
[1 le Service fédéral des Pensions]1 est subrogé dans les droits des titulaires des rentes citées à l'alinéa précédent vis-à-vis de l'organisme auprès duquel ces rentes sont constituées.
§ 4. Pour l'application des §§ 2 et 3 du présent article, le montant de la pension de retraite servant de base au calcul de la pension de survie est égal au montant de la pension de retraite que le conjoint aurait obtenu s'il avait bénéficié de sa pension jusqu'à la date de prise de cours de la pension de survie. Le conjoint survivant peut exercer les droits que le conjoint décédé aurait pu faire valoir.
§ 5. Pour le calcul de la pension de survie qui peut être accordée au conjoint survivant d'un délégué-ouvrier à l'inspection des mines de houille, il n'est pas tenu compte des périodes d'occupation en cette qualité du conjoint décédé qui sont prises en considération pour l'octroi d'une pension de survie à charge de l'Etat.
§ 6. Par dérogation aux paragraphes précédents et pour l'activité visée à l'article 3, § 7, de la présente loi, le conjoint survivant du travailleur peut obtenir une pension de survie égale à la différence entre le montant de la pension de survie qu'il obtiendrait si cette activité avait été exercée en Belgique et le montant de la pension obtenue pour la même activité en vertu de la législation du pays d'occupation.
Toutefois il est tenu compte d'une rémunération forfaitaire de 85 500 francs, pour chaque année d'occupation habituelle et en ordre principal, antérieure à 1955, qui peut être prise en considération pour le calcul de la pension de retraite.
La fraction accordée pour chaque année civile à pour numérateur l'unité et pour dénominateur le nombre d'années civiles comprises dans la période prenant cours le 1er janvier de l'année du vingtième anniversaire et se terminant le 31 décembre de l'année qui précède celle du décès, sans que le dénominateur de cette fraction puisse être supérieur à 45 ou 40 selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme.
Lorsque le nombre d'années civiles que la carrière comporte est supérieur au nombre exprimé par le dénominateur de la fraction, les années civiles donnant droit à la pension la plus avantageuse sont prises en considération, à concurrence de ce dernier nombre.
Lorsque la pension de retraite est calculée, conformément à l'article 3, § 2, sur la base de la carrière d'un travailleur visé à l'article 3, § 6, le montant de la pension de survie est majoré d'un supplément. Ce supplément est égal à la différence entre le montant de la pension de survie qui aurait été accordé si le travailleur avait effectivement travaillé habituellement et en ordre principal au fond des mines ou des carrières avec exploitation souterraine durant trente années civiles et le montant global de la pension de survie ou des prestations en tenant lieu auxquelles le conjoint survivant peut prétendre en vertu d'un ou de plusieurs régimes visés à l'article 3, § 1er, premier alinéa, a).
Pour le calcul de la pension de retraite conformément à l'article 3, §§ 2 et 3, il est tenu compte de la fraction déterminée selon l'alinéa 3 si cela est plus favorable au conjoint survivant.
Le total des fractions visées à l'article 3, §§ 1er, 2 et 3 est limité à l'unité.
Lorsque le mari est décédé avant le 1er janvier de l'année de son 21e anniversaire, le montant de la pension de retraite servant de base au calcul de la pension de survie est égal à :
a) 64 125 francs si le conjoint survivant prouve que son époux a été occupé habituellement et en ordre principal au sens de l'arrêté royal n° 50 au cours d'une année civile antérieure à 1955 ou que ledit époux était occupé au sens de cet arrêté au moment du décès;
b) 75 % du montant des rémunérations du conjoint décédé, visées à l'article 7 de l'arrêté royal n° 50 et afférentes à la plus avantageuse des années civiles antérieures à celle du décès, si le mode de calcul visé au a) ne peut être appliqué ou est moins favorable.
Les dispositions de l'alinéa précédent ne sont pas applicables lorsque le conjoint survivant bénéficie d'une autre pension de survie ou d'une allocation en tenant lieu.
La pension de survie accordée en application du présent paragraphe est limitée au produit de la multiplication de la fraction ayant servi de base au calcul de la pension de survie, avec le montant de la pension de retraite calculé au taux prévu à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, a), que le conjoint aurait obtenu s'il avait atteint l'âge de 65 ans le jour de son décès et s'il avait fourni la preuve d'une occupation habituelle et en ordre principal comme travailleur salarié pendant 45 ou 40 ans selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme.
Cette pension de référence est calculée par année civile à raison de 1/45e ou de 1/40e, selon que le conjoint décédé est un homme ou une femme :
a) des rémunérations réelles, fictives et forfaitaires qui ont été prises en considération pour le calcul de la pension de survie, pour autant qu'elles se rapportent à des années d'occupation habituelle et en ordre principal;
b) de la rémunération forfaitaire prévue à l'article 9bis de l'arrêté royal n° 50, pour un nombre d'années égal à la différence entre 45 ou 40, selon que le conjoint décédé est un homme ou une femme, et le nombre d'années visé au a).
Les articles 152 de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980 et 33 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social ne sont pas applicables à cette pension de référence.
§ 2. Lorsque le conjoint est décédé après la date de prise de cours de sa pension de retraite, la pension de survie est égale, sous réserve des dispositions du § 3, à 80 p.c. du montant de la pension de retraite, qui lui était accordée conformément à la présente loi ou en vertu de l'arrêté royal n° 50, calculée au taux fixé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, a), et sans que soit éventuellement appliquée la réduction pour cause d'anticipation. Pour chaque année d'occupation habituelle et en ordre principal antérieure à 1955, il est toutefois tenu compte d'une rémunération forfaitaire fixée uniformément à 85 500 francs. Cette rémunération est revalorisée conformément aux dispositions prévues à l'article 29bis, § 3, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 50.
§ 3. Lorsque le conjoint est décédé après la date de prise de cours de sa pension de retraite et que celle-ci a pris cours pour la première fois avant le 1er janvier 1968, la pension de survie est égale à 80 p.c. du montant de la pension de retraite accordée à ce dernier en qualité d'ouvrier, d'employé et de marin, calculé comme pour les travailleurs visés à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, a), de la présente loi, et sans que soit éventuellement appliquée la réduction pour cause d'anticipation.
La pension de survie calculée sur la base d'une pension de retraite pour une occupation comme ouvrier mineur est toutefois égale à une fraction de 52 200 francs correspondant à la fraction de la pension de retraite en qualité d'ouvrier mineur, qui a été accordée au conjoint décédé. Le montant de cette pension de survie est revalorisé conformément aux dispositions prévues à l'article 29bis, § 3, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 50.
Chaque paiement de la pension de survie accordée en application du présent paragraphe est censé comporter l'avance des arrérages de toute rente de survie constituée conformément à une assurance obligatoire en vue de la vieillesse et du décès prématuré. Toutefois, la pension de survie est censée comporter, à concurrence d'un montant annuel de 300 francs, la rente de survie constituée en application des lois coordonnées relatives à l'assurance obligatoire en vue de la vieillesse et du décès prématuré, et, à concurrence d'un montant annuel à déterminer par le Roi, la rente de survie constituée en application de la loi du 18 juin 1930 portant révision de la loi du 10 mars 1925 relative à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré des employés.
[1 le Service fédéral des Pensions]1 est subrogé dans les droits des titulaires des rentes citées à l'alinéa précédent vis-à-vis de l'organisme auprès duquel ces rentes sont constituées.
§ 4. Pour l'application des §§ 2 et 3 du présent article, le montant de la pension de retraite servant de base au calcul de la pension de survie est égal au montant de la pension de retraite que le conjoint aurait obtenu s'il avait bénéficié de sa pension jusqu'à la date de prise de cours de la pension de survie. Le conjoint survivant peut exercer les droits que le conjoint décédé aurait pu faire valoir.
§ 5. Pour le calcul de la pension de survie qui peut être accordée au conjoint survivant d'un délégué-ouvrier à l'inspection des mines de houille, il n'est pas tenu compte des périodes d'occupation en cette qualité du conjoint décédé qui sont prises en considération pour l'octroi d'une pension de survie à charge de l'Etat.
§ 6. Par dérogation aux paragraphes précédents et pour l'activité visée à l'article 3, § 7, de la présente loi, le conjoint survivant du travailleur peut obtenir une pension de survie égale à la différence entre le montant de la pension de survie qu'il obtiendrait si cette activité avait été exercée en Belgique et le montant de la pension obtenue pour la même activité en vertu de la législation du pays d'occupation.
Wijzigingen
Art.5. Indien het overlevingspensioen wordt toegekend bij toepassing van artikel 4, § 1, van deze wet en het daadwerkelijk en voor de eerste maal op 1 januari 1991 ingaat, wordt, bij de berekening ervan, toepassing gemaakt van de artikelen 7bis en 9bis van het koninklijk besluit nr. 50.
Art.5. Si la pension de survie est accordée en application de l'article 4, § 1er, de la présente loi et prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 1991, il est fait application, pour le calcul, des articles 7bis et 9bis de l'arrêté royal n° 50.
Art.6. De aanvraag om een overlevingspensioen geldt in voorkomend geval als aanvraag om rustpensioen indien de langstlevende echtgenoot de leeftijd bedoeld bij artikel 2 van deze wet heeft bereikt of deze bereikt binnen de twaalf maanden na de datum waarop bedoelde aanvraag om overlevingspensioen werd ingediend.
De aanvraag om rustpensioenen ingediend door de langstlevende echtgenoot geldt, in voorkomend geval, eveneens als een aanvraag om overlevingspensioen.
De aanvraag om rustpensioenen ingediend door de langstlevende echtgenoot geldt, in voorkomend geval, eveneens als een aanvraag om overlevingspensioen.
Art.6. La demande de pension de survie vaut également, le cas échéant, demande de pension de retraite lorsque le conjoint survivant atteint l'âge visé à l'article 2 de la présente loi ou lorsqu'il atteint cet âge dans les douze mois suivant la date à laquelle cette demande a été introduite.
La demande de pension de retraite introduite par un conjoint survivant vaut également, le cas échéant, demande de pension de survie.
La demande de pension de retraite introduite par un conjoint survivant vaut également, le cas échéant, demande de pension de survie.
TITEL II. - Aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn.
TITRE II. - Liaison des pensions pour travailleurs salariés à l'évolution du bien-être général.
Art.7. De bedragen van de rust- en overlevingspensioenen ten laste van de pensioenregeling voor werknemers worden vanaf 1 oktober 1990 vermenigvuldigd met een coëfficiënt gelijk aan :
- 1,03 wanneer het rustpensioen en/of het overlevingspensioen respectievelijk daadwerkelijk en voor de eerste maal vóór 1 januari 1973 zijn ingegaan;
- 1,02 wanneer het rustpensioen en/of het overlevingspensioen respectievelijk daadwerkelijk en voor de eerste maal na 31 december 1972, doch vóór 1 januari 1983 zijn ingegaan;
- 1,01 wanneer het rustpensioen en/of het overlevingspensioen respectievelijk daadwerkelijk en voor de eerste maal na 31 december 1982, doch vóór 1 januari 1988 zijn ingegaan.
- 1,03 wanneer het rustpensioen en/of het overlevingspensioen respectievelijk daadwerkelijk en voor de eerste maal vóór 1 januari 1973 zijn ingegaan;
- 1,02 wanneer het rustpensioen en/of het overlevingspensioen respectievelijk daadwerkelijk en voor de eerste maal na 31 december 1972, doch vóór 1 januari 1983 zijn ingegaan;
- 1,01 wanneer het rustpensioen en/of het overlevingspensioen respectievelijk daadwerkelijk en voor de eerste maal na 31 december 1982, doch vóór 1 januari 1988 zijn ingegaan.
Art.7. Les montants des pensions de retraite et de survie à charge du régime de pension pour travailleurs salariés sont multipliés à partir du 1er octobre 1990 par un coefficient égal à :
- 1,03 lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite et/ou d'une pension de survie qui ont respectivement pris cours, effectivement et pour la première fois avant le 1er janvier 1973;
- 1,02 lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite et/ou d'une pension de survie qui ont respectivement pris cours, effectivement et pour la première fois après le 31 décembre 1972, mais avant le 1er janvier 1983;
- 1,01 lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite et/ou d'une pension de survie qui ont respectivement pris cours, effectivement et pour la première fois après le 31 décembre 1982, mais avant le 1er janvier 1988.
- 1,03 lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite et/ou d'une pension de survie qui ont respectivement pris cours, effectivement et pour la première fois avant le 1er janvier 1973;
- 1,02 lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite et/ou d'une pension de survie qui ont respectivement pris cours, effectivement et pour la première fois après le 31 décembre 1972, mais avant le 1er janvier 1983;
- 1,01 lorsqu'il s'agit d'une pension de retraite et/ou d'une pension de survie qui ont respectivement pris cours, effectivement et pour la première fois après le 31 décembre 1982, mais avant le 1er janvier 1988.
TITEL III. - Bijzondere bepalingen.
TITRE III. - Dispositions particulières.
Art.8.
Art.8.
Art.9.
Art.9.
Art.10.
Art.10.
Art.11.
Art.11.
Art.12.
Art.12.
Art.13.
Art.13.
Art.14.
Art.14.
Art.15.
Art.15.
TITEL IV. - Opheffings- en slotbepalingen.
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et finales.
Art.16. Worden opgeheven vanaf 1 januari 1991 maar blijven van toepassing op de rust- en overlevingspensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal vóór 1 januari 1991 ingaan :
1° in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers :
a)
b)
c)
d)
e)
f)
g)
h)
i)
j)
k)
l)
m)
n)
o)
2° het koninklijk besluit van 15 september 1972 tot uitvoering inzake het pensioen der werknemers, van artikel 19 van de wet van 12 juli 1972 houdende wijziging van sommige bepalingen inzake het sociaal statuut der zelfstandigen.
1° in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers :
a)
b)
c)
d)
e)
f)
g)
h)
i)
j)
k)
l)
m)
n)
o)
2° het koninklijk besluit van 15 september 1972 tot uitvoering inzake het pensioen der werknemers, van artikel 19 van de wet van 12 juli 1972 houdende wijziging van sommige bepalingen inzake het sociaal statuut der zelfstandigen.
Art.16. Sont abrogés à partir du 1er janvier 1991, mais restent d'application aux pensions de retraite et de survie prenant cours effectivement et pour la première fois avant le 1er janvier 1991 :
1° dans l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés :
a)
b)
c)
d)
e)
f)
g)
h)
i)
j)
k)
l)
m)
n)
o)
2° l'arrêté royal du 15 septembre 1972 portant exécution, en ce qui concerne la pension de travailleur salarié, de l'article 19 de la loi du 12 juillet 1972 modifiant certaines dispositions en matière de statut social des travailleurs indépendants.
1° dans l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés :
a)
b)
c)
d)
e)
f)
g)
h)
i)
j)
k)
l)
m)
n)
o)
2° l'arrêté royal du 15 septembre 1972 portant exécution, en ce qui concerne la pension de travailleur salarié, de l'article 19 de la loi du 12 juillet 1972 modifiant certaines dispositions en matière de statut social des travailleurs indépendants.
Art.17. De Koning kan de bestaande wetsbepalingen wijzigen om de tekst ervan in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze wet.
Art.17. Le Roi peut modifier les dispositions légales en vigueur en vue de mettre le texte de celles-ci en concordance avec les dispositions de la présente loi.
Art. 18. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1991, met uitzondering van artikel 7 dat op 1 oktober 1990 in werking treedt en van artikel 10 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1987.
De bepalingen van artikel 15 van deze wet zijn alleen van toepassing op de opzeggingen die vanaf 1 januari 1991 worden ter kennis gebracht.
De bepalingen van artikel 15 van deze wet zijn alleen van toepassing op de opzeggingen die vanaf 1 januari 1991 worden ter kennis gebracht.
Art. 18. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 1991, à l'exception de l'article 7 qui entre en vigueur le 1er octobre 1990 et de l'article 10 qui produit ses effets le 1er janvier 1987.
Les dispositions de l'article 15 de la présente loi ne sont applicables qu'aux préavis notifiés à partir du 1er janvier 1991.
Les dispositions de l'article 15 de la présente loi ne sont applicables qu'aux préavis notifiés à partir du 1er janvier 1991.