Artikel 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
Motorrijtuigen : rij- of voertuigen, bestemd om zich over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, zonder aan spoorstaven te zijn gebonden; al wat aan het rij- of voertuig is gekoppeld, wordt als een deel daarvan aangemerkt.
Met motorrijtuigen worden gelijkgesteld, de door de Koning bepaalde aanhangwagens die speciaal gebouwd zijn om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld met het oog op het vervoer van personen of zaken. [1 De Koning kan, bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, nader bepalen welke vervoermiddelen onder de definitie van motorrijtuigen vallen.]1
[2 Deelneming aan het verkeer van een voertuig: het gebruik van een voertuig, dat op het ogenblik van het ongeval overeenstemt met de functie van dat voertuig als vervoermiddel, ongeacht de kenmerken van het voertuig en ongeacht het terrein waarop het motorrijtuig wordt gebruikt en of het stilstaat of in beweging is.]2
Verzekerden : zij wier aansprakelijkheid overeenkomstig de bepalingen van deze wet is gedekt.
[2 Benadeelde: eenieder die recht heeft op vergoeding van door voertuigen veroorzaakte schade of veroorzaakt letsel.]2
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 NOVEMBER 1989. - Wet betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-03-1991 en tekstbijwerking tot 23-12-2025)
Titre
21 NOVEMBRE 1989. - Loi relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 27-03-1991 et mise à jour au 23-12-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Verplichte verzekering.
HOOFDSTUK IIbis. - Tariferingsbureau.
HOOFDSTUK III. - Voertuigen toebehorend aan de ...
HOOFDSTUK IV. - Vordering van de benadeelde teg...
Afdeling 1. - De schaderegelaar.
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende het instel...
Afdeling 3. - Gevallen waarin gebeurtenissen of...
HOOFDSTUK IVbis. - Regels met betrekking tot de...
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Afdeling 2. - Informatieopdracht van het Fonds.
Afdeling 3. - Vergoedingsopdracht van het Fonds.
HOOFDSTUK V. - Strafbepalingen.
Afdeling 1. - (Beslag en soortgelijke maatregel...
Afdeling 2. - Straffen.
HOOFDSTUK Vbis. - Vergoeding van bepaalde slach...
HOOFDSTUK VI.
HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE I. - Dispositions préliminaires.
CHAPITRE II. - De l'assurance obligatoire.
CHAPITRE IIbis. - Bureau de tarification.
CHAPITRE III. - Des véhicules appartenant à l'E...
CHAPITRE IV. - De l'action de la personne lésée...
Section 1. - Du représentant chargé du règlemen...
Section 2. - Dispositions relatives à l'introdu...
Section 3. - De l'opposabilité aux personnes lé...
CHAPITRE IVbis. - Des règles relatives à la rép...
Section 1. - Dispositions générales.
Section 2. - Mission d'information du Fonds.
Section 3. - Mission d'indemnisation du Fonds
CHAPITRE V. - Dispositions pénales.
Section 1. - (Des saisies et autres mesures sim...
Section 2. - Des peines.
CHAPITRE Vbis. - De l'indemnisation de certaine...
CHAPITRE VI.
CHAPITRE X. - Dispositions finales.
Tekst (86)
Texte (86)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions préliminaires.
Article 1. Pour l'application de la présente loi on entend :
Par véhicules automoteurs : les véhicules destinés à circuler sur le sol et qui peuvent être actionnés par une force mécanique sans être liés à une voie ferrée; tout ce qui est attelé au véhicule est considéré comme en faisant partie.
Sont assimilées aux véhicules automoteurs, les remorques construites spécialement pour être attelées à un véhicule automoteur en vue du transport de personnes ou de choses et qui sont déterminées par le Roi. [1 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, préciser quels sont les moyens de transport relevant de la définition de véhicule automoteur.]1
[2 Par circulation d'un véhicule: toute utilisation d'un véhicule qui est conforme à la fonction de moyen de transport du véhicule au moment de l'accident, quelles que soient les caractéristiques du véhicule et quel que soit le terrain sur lequel le véhicule automoteur est utilisé et que celui-ci soit à l'arrêt ou en mouvement.]2
Par assurés : les personnes dont la responsabilité est couverte conformément aux dispositions de la présente loi.
[2 Par personne lésée: toute personne ayant droit à la réparation du dommage causé par des véhicules.]2
Par véhicules automoteurs : les véhicules destinés à circuler sur le sol et qui peuvent être actionnés par une force mécanique sans être liés à une voie ferrée; tout ce qui est attelé au véhicule est considéré comme en faisant partie.
Sont assimilées aux véhicules automoteurs, les remorques construites spécialement pour être attelées à un véhicule automoteur en vue du transport de personnes ou de choses et qui sont déterminées par le Roi. [1 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, préciser quels sont les moyens de transport relevant de la définition de véhicule automoteur.]1
[2 Par circulation d'un véhicule: toute utilisation d'un véhicule qui est conforme à la fonction de moyen de transport du véhicule au moment de l'accident, quelles que soient les caractéristiques du véhicule et quel que soit le terrain sur lequel le véhicule automoteur est utilisé et que celui-ci soit à l'arrêt ou en mouvement.]2
Par assurés : les personnes dont la responsabilité est couverte conformément aux dispositions de la présente loi.
[2 Par personne lésée: toute personne ayant droit à la réparation du dommage causé par des véhicules.]2
HOOFDSTUK II. - Verplichte verzekering.
CHAPITRE II. - De l'assurance obligatoire.
Art. 2. § 1. Tot het verkeer op de openbare weg en op terreinen die toegankelijk zijn voor het publiek of slechts voor een zeker aantal personen die het recht hebben om er te komen, worden motorrijtuigen alleen toegelaten indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, gedekt is door een verzekeringsovereenkomst die aan de bepalingen van deze wet voldoet en waarvan de werking niet is geschorst.
[2 Motorrijtuigen die zich bevinden op terreinen, andere dan die bedoeld in het eerste lid, moeten gedekt zijn door een verzekeringsovereenkomst overeenkomstig het eerste lid.
De motorrijtuigen waarvan het gebruik op de openbare weg niet is toegestaan, zijn vrijgesteld van verzekering wanneer zij zich bevinden op terreinen, andere dan die bedoeld in het eerste lid. De Koning kan bepalen wat begrepen wordt onder de woorden "niet toegestaan op de openbare weg.]2
De verplichting tot het sluiten van de verzekering rust op de eigenaar van het motorrijtuig. Indien een andere persoon de verzekering heeft aangegaan, is de verplichting van de eigenaar geschorst voor de duur van de overeenkomst die door de andere persoon is gesloten.
[2 De verzekering moet zijn gesloten bij een verzekeraar die overeenkomstig de wet deze verzekering mag aanbieden.]2
§ 2. Niettemin worden motorrijtuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald, ook tot het verkeer in België toegelaten, mits een Bureau, daartoe erkend of opgericht op grond van [1 artikel 19bis-1]1 zelf tegenover de benadeelden de verplichtingen op zich neemt de schade, door de motorrijtuigen in België toegebracht, overeenkomstig de bepalingen van deze wet te vergoeden.
Voor de toepassing van deze wet wordt dit Bureau met een verzekeraar gelijkgesteld.
De Koning bepaalt welke voertuigen voor de uitvoering van deze wet geacht worden gewoonlijk in het buitenland te zijn gestald. Hij stelt vast op welke wijze die voertuigen in België worden toegelaten en kan overlegging van een internationaal verzekeringsbewijs eisen.
Indien van bestuurders van voertuigen die gewoonlijk zijn gestald in door de Koning nader te noemen vreemde landen, niet wordt geëist dat zij het internationaal verzekeringsbewijs bij zich hebben, blijft de verplichting van het in het eerste lid genoemde Bureau bestaan, zelfs als de verzekeringsplicht niet is nagekomen.
[2 Motorrijtuigen die zich bevinden op terreinen, andere dan die bedoeld in het eerste lid, moeten gedekt zijn door een verzekeringsovereenkomst overeenkomstig het eerste lid.
De motorrijtuigen waarvan het gebruik op de openbare weg niet is toegestaan, zijn vrijgesteld van verzekering wanneer zij zich bevinden op terreinen, andere dan die bedoeld in het eerste lid. De Koning kan bepalen wat begrepen wordt onder de woorden "niet toegestaan op de openbare weg.]2
De verplichting tot het sluiten van de verzekering rust op de eigenaar van het motorrijtuig. Indien een andere persoon de verzekering heeft aangegaan, is de verplichting van de eigenaar geschorst voor de duur van de overeenkomst die door de andere persoon is gesloten.
[2 De verzekering moet zijn gesloten bij een verzekeraar die overeenkomstig de wet deze verzekering mag aanbieden.]2
§ 2. Niettemin worden motorrijtuigen die gewoonlijk in het buitenland zijn gestald, ook tot het verkeer in België toegelaten, mits een Bureau, daartoe erkend of opgericht op grond van [1 artikel 19bis-1]1 zelf tegenover de benadeelden de verplichtingen op zich neemt de schade, door de motorrijtuigen in België toegebracht, overeenkomstig de bepalingen van deze wet te vergoeden.
Voor de toepassing van deze wet wordt dit Bureau met een verzekeraar gelijkgesteld.
De Koning bepaalt welke voertuigen voor de uitvoering van deze wet geacht worden gewoonlijk in het buitenland te zijn gestald. Hij stelt vast op welke wijze die voertuigen in België worden toegelaten en kan overlegging van een internationaal verzekeringsbewijs eisen.
Indien van bestuurders van voertuigen die gewoonlijk zijn gestald in door de Koning nader te noemen vreemde landen, niet wordt geëist dat zij het internationaal verzekeringsbewijs bij zich hebben, blijft de verplichting van het in het eerste lid genoemde Bureau bestaan, zelfs als de verzekeringsplicht niet is nagekomen.
Art. 2. § 1. Les véhicules automoteurs ne sont admis à la circulation sur la voie publique, les terrains ouverts au public et les terrains non publics mais ouverts à un certain nombre de personnes ayant le droit de les fréquenter, que si la responsabilité civile à laquelle ils peuvent donner lieu est couverte par un contrat d'assurance répondant aux dispositions de la présente loi et dont les effets ne sont pas suspendus.
[2 Les véhicules automoteurs se trouvant sur des terrains, autres que ceux visés à l'alinéa 1er, doivent être couverts par un contrat d'assurance conformément à l'alinéa 1er.
Les véhicules automoteurs dont la circulation sur la voie publique n'est pas autorisée sont exemptés de l'obligation d'assurance lorsqu'ils se trouvent sur des terrains autres que ceux visés à l'alinéa 1er. Le Roi peut déterminer ce qu'il faut entendre par "non autorisés sur la voie publique.]2
L'obligation de contracter l'assurance incombe au propriétaire du véhicule. Si une autre personne à contracté l'assurance, l'obligation du propriétaire est suspendue pour la durée du contrat conclu par cette autre personne.
[2 L'assurance doit être contractée auprès d'un assureur qui est autorisé à offrir de souscrire cette assurance, conformément à la loi.]2
§ 2. Toutefois, les véhicules automoteurs ayant leur stationnement habituel à l'étranger sont également admis à la circulation en Belgique à la condition que le Bureau agréé ou créé à cette fin en application de [1 l'article 19bis-1]1 assume lui-même à l'égard des personnes lésées, la charge de réparer conformément aux dispositions de la présente loi les dommages causés en Belgique par ces véhicules.
Pour l'application de la présente loi, ce Bureau est assimilé à un assureur.
Le Roi détermine quels sont les véhicules qui sont réputés, pour l'exécution de la présente loi, avoir leur stationnement habituel à l'étranger. Il fixe les modalités d'admission de ces véhicules en Belgique et il peut exiger la production d'un certificat international d'assurance.
Lorsque, pour des conducteurs de véhicules ayant leur stationnement habituel dans les pays étrangers que le Roi détermine, le port du certificat international d'assurance n'est pas exigé, l'obligation du Bureau est maintenue même si l'obligation d'assurance n'a pas été respectée.
[2 Les véhicules automoteurs se trouvant sur des terrains, autres que ceux visés à l'alinéa 1er, doivent être couverts par un contrat d'assurance conformément à l'alinéa 1er.
Les véhicules automoteurs dont la circulation sur la voie publique n'est pas autorisée sont exemptés de l'obligation d'assurance lorsqu'ils se trouvent sur des terrains autres que ceux visés à l'alinéa 1er. Le Roi peut déterminer ce qu'il faut entendre par "non autorisés sur la voie publique.]2
L'obligation de contracter l'assurance incombe au propriétaire du véhicule. Si une autre personne à contracté l'assurance, l'obligation du propriétaire est suspendue pour la durée du contrat conclu par cette autre personne.
[2 L'assurance doit être contractée auprès d'un assureur qui est autorisé à offrir de souscrire cette assurance, conformément à la loi.]2
§ 2. Toutefois, les véhicules automoteurs ayant leur stationnement habituel à l'étranger sont également admis à la circulation en Belgique à la condition que le Bureau agréé ou créé à cette fin en application de [1 l'article 19bis-1]1 assume lui-même à l'égard des personnes lésées, la charge de réparer conformément aux dispositions de la présente loi les dommages causés en Belgique par ces véhicules.
Pour l'application de la présente loi, ce Bureau est assimilé à un assureur.
Le Roi détermine quels sont les véhicules qui sont réputés, pour l'exécution de la présente loi, avoir leur stationnement habituel à l'étranger. Il fixe les modalités d'admission de ces véhicules en Belgique et il peut exiger la production d'un certificat international d'assurance.
Lorsque, pour des conducteurs de véhicules ayant leur stationnement habituel dans les pays étrangers que le Roi détermine, le port du certificat international d'assurance n'est pas exigé, l'obligation du Bureau est maintenue même si l'obligation d'assurance n'a pas été respectée.
Art. 2bis. [1 Zijn vrijgesteld van de verzekeringsplicht bedoeld in artikel 2, § 1, de motorrijtuigen:
a) die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 6 km/u en een maximale massa hebben van niet meer dan 100 kg;
b) die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 6 km/u, maar niet meer dan 25 km/u, en een maximale massa hebben van niet meer dan 25 kg;
c) die gemotoriseerde rolstoelen zijn, uitsluitend bestemd voor gebruik door personen met een lichamelijke handicap.
De massa wordt geschat met inbegrip van de accu.
Blijven onderworpen aan de verzekeringsplicht, bedoeld in artikel 2, § 1, de motorrijtuigen die eveneens voor andere doeleinden bestemd zijn dan het zich enkel verplaatsen.]1
a) die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 6 km/u en een maximale massa hebben van niet meer dan 100 kg;
b) die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 6 km/u, maar niet meer dan 25 km/u, en een maximale massa hebben van niet meer dan 25 kg;
c) die gemotoriseerde rolstoelen zijn, uitsluitend bestemd voor gebruik door personen met een lichamelijke handicap.
De massa wordt geschat met inbegrip van de accu.
Blijven onderworpen aan de verzekeringsplicht, bedoeld in artikel 2, § 1, de motorrijtuigen die eveneens voor andere doeleinden bestemd zijn dan het zich enkel verplaatsen.]1
Art. 2bis. [1 Sont exemptés de l'obligation d'assurance visée à l'article 2, § 1er, les véhicules automoteurs:
a) qui peuvent être actionnés par une force mécanique avec une vitesse maximale par construction ne dépassant pas 6 km/h et ayant une masse maximale ne dépassant pas 100 kg;
b) qui peuvent être actionnés par une force mécanique avec une vitesse maximale par construction supérieure à 6 km/h, mais ne dépassant pas 25 km/h et ayant une masse maximale ne dépassant pas 25 kg;
c) qui sont des fauteuils roulants automoteurs exclusivement destinés à être utilisés par des personnes souffrant d'un handicap physique.
La masse est estimée batterie comprise.
Restent soumis à l'obligation d'assurance visée à l'article 2, § 1er, les véhicules automoteurs qui sont destinés également à d'autres finalités que le simple déplacement.]1
a) qui peuvent être actionnés par une force mécanique avec une vitesse maximale par construction ne dépassant pas 6 km/h et ayant une masse maximale ne dépassant pas 100 kg;
b) qui peuvent être actionnés par une force mécanique avec une vitesse maximale par construction supérieure à 6 km/h, mais ne dépassant pas 25 km/h et ayant une masse maximale ne dépassant pas 25 kg;
c) qui sont des fauteuils roulants automoteurs exclusivement destinés à être utilisés par des personnes souffrant d'un handicap physique.
La masse est estimée batterie comprise.
Restent soumis à l'obligation d'assurance visée à l'article 2, § 1er, les véhicules automoteurs qui sont destinés également à d'autres finalités que le simple déplacement.]1
Wijzigingen
Art. 3. § 1. De verzekering moet waarborgen dat benadeelden schadeloos worden gesteld in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar, van iedere houder en van iedere bestuurder van het verzekerde motorrijtuig, alsmede van degenen die daarin worden vervoerd [1 en van de personen die burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de voornoemde personen,]1 zulks met uitzondering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van hen die zich door diefstal, geweldpleging of heling de macht over het motorrijtuig hebben verschaft. <W 2005-07-03/59, art. 8bis; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De verzekering moet, onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, de schade omvatten welke aan personen en aan goederen wordt toegebracht door feiten die voorgevallen zijn op het grondgebied van de Staten die de Koning bepaalt. Hierin is begrepen de schade toegebracht aan personen die, onder welke titel ook, worden vervoerd door het verzekerd motorrijtuig.
(De verzekering waarborgt ieder verblijf van het verzekerde motorrijtuig in een andere staat van de Europese Economische Ruimte gedurende de ganse duur van de overeenkomst. In geen geval kan een dergelijk verblijf worden aanzien als een verzwaring of vermindering van het verzekerde risico, noch aanleiding geven tot wijziging van de verzekering. Van zodra het verzekerde motorrijtuig ingeschreven wordt in een andere staat dan België, is de verzekering van rechtswege beëindigd.) <W 2008-06-08/31, art. 14, 019; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
Van de verzekering kan niettemin worden uitgesloten, de schade aan :
1° het verzekerd voertuig;
2° [1 de door dit voertuig beroepsmatig en onder bezwarende titel vervoerde goederen, met uitzondering van de kleding en bagage die persoonlijk toebehoren aan de vervoerde personen.]1
De verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken voor de schade die het motorrijtuig heeft veroorzaakt, zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.
De verzekering met betrekking tot een door artikel 1 met een motorrijtuig gelijkgestelde aanhangwagen moet alleen de schade dekken die door de niet gekoppelde aanhangwagen wordt veroorzaakt.
[2 Wanneer de verzekeraar van de aanhangwagen beschikt over gegevens betreffende de identiteit van de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het trekkend motorrijtuig, maakt hij deze gegevens onverwijld over op verzoek van de benadeelde. Wanneer deze gegevens niet gekend zijn door de verzekeraar van de aanhangwagen en het ongeval zich op Belgisch grondgebied heeft voorgedaan, licht hij de benadeelde in over de vergoedingsvoorwaarden die door het Fonds, bedoeld in artikel 19bis-2, worden toegepast indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd.]2
§ 2. (Voor schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels is de dekking onbeperkt.
[2 ...]2
Voor stoffelijke schade kan de dekking beperkt worden tot een bedrag dat niet lager mag liggen dan 100 miljoen euro per schadegeval.) <W 2007-01-12/49, art. 2, 1°, 018; Inwerkingtreding : 17-03-2007>
[2 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een eenmalig bedrag bepalen voor alle lichamelijke letsels en stoffelijke schade. Dit bedrag mag niet lager zijn dan 200 miljoen euro per schadegeval voor alle lichamelijke en stoffelijke schade. Wanneer de verzekeraar vaststelt dat het door de Koning vastgelegde bedrag niet volstaat om alle geleden schade te vergoeden of wanneer nog niet voldoende vaststaat dat alle schade met het door de Koning vastgelegde bedrag kan worden vergoed, worden de lichamelijke letsels als eerste vergoed.]2
§ 3. Dit artikel vindt geen toepassing op schade te vergoeden overeenkomstig de wetgeving betreffende de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie.
(Tweede lid opgeheven) <W 2007-01-12/49, art. 2, 2°, 018; Inwerkingtreding : 17-03-2007>
§ 4. (De in de voorgaande paragrafen bedoelde bedragen worden om de vijf jaar van rechtswege aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk. De eerste aanpassing vindt plaats op 1 januari 2011, met als basis het indexcijfer van december 2005 (basis 2004 = 100).) <W 2007-01-12/49, art. 2, 3°, 018; Inwerkingtreding : 17-03-2007>
De verzekering moet, onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, de schade omvatten welke aan personen en aan goederen wordt toegebracht door feiten die voorgevallen zijn op het grondgebied van de Staten die de Koning bepaalt. Hierin is begrepen de schade toegebracht aan personen die, onder welke titel ook, worden vervoerd door het verzekerd motorrijtuig.
(De verzekering waarborgt ieder verblijf van het verzekerde motorrijtuig in een andere staat van de Europese Economische Ruimte gedurende de ganse duur van de overeenkomst. In geen geval kan een dergelijk verblijf worden aanzien als een verzwaring of vermindering van het verzekerde risico, noch aanleiding geven tot wijziging van de verzekering. Van zodra het verzekerde motorrijtuig ingeschreven wordt in een andere staat dan België, is de verzekering van rechtswege beëindigd.) <W 2008-06-08/31, art. 14, 019; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
Van de verzekering kan niettemin worden uitgesloten, de schade aan :
1° het verzekerd voertuig;
2° [1 de door dit voertuig beroepsmatig en onder bezwarende titel vervoerde goederen, met uitzondering van de kleding en bagage die persoonlijk toebehoren aan de vervoerde personen.]1
De verzekering moet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekken voor de schade die het motorrijtuig heeft veroorzaakt, zoals die aansprakelijkheid voortvloeit uit de toepasselijke wet.
De verzekering met betrekking tot een door artikel 1 met een motorrijtuig gelijkgestelde aanhangwagen moet alleen de schade dekken die door de niet gekoppelde aanhangwagen wordt veroorzaakt.
[2 Wanneer de verzekeraar van de aanhangwagen beschikt over gegevens betreffende de identiteit van de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid van het trekkend motorrijtuig, maakt hij deze gegevens onverwijld over op verzoek van de benadeelde. Wanneer deze gegevens niet gekend zijn door de verzekeraar van de aanhangwagen en het ongeval zich op Belgisch grondgebied heeft voorgedaan, licht hij de benadeelde in over de vergoedingsvoorwaarden die door het Fonds, bedoeld in artikel 19bis-2, worden toegepast indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd.]2
§ 2. (Voor schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels is de dekking onbeperkt.
[2 ...]2
Voor stoffelijke schade kan de dekking beperkt worden tot een bedrag dat niet lager mag liggen dan 100 miljoen euro per schadegeval.) <W 2007-01-12/49, art. 2, 1°, 018; Inwerkingtreding : 17-03-2007>
[2 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een eenmalig bedrag bepalen voor alle lichamelijke letsels en stoffelijke schade. Dit bedrag mag niet lager zijn dan 200 miljoen euro per schadegeval voor alle lichamelijke en stoffelijke schade. Wanneer de verzekeraar vaststelt dat het door de Koning vastgelegde bedrag niet volstaat om alle geleden schade te vergoeden of wanneer nog niet voldoende vaststaat dat alle schade met het door de Koning vastgelegde bedrag kan worden vergoed, worden de lichamelijke letsels als eerste vergoed.]2
§ 3. Dit artikel vindt geen toepassing op schade te vergoeden overeenkomstig de wetgeving betreffende de aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie.
(Tweede lid opgeheven) <W 2007-01-12/49, art. 2, 2°, 018; Inwerkingtreding : 17-03-2007>
§ 4. (De in de voorgaande paragrafen bedoelde bedragen worden om de vijf jaar van rechtswege aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen van het Rijk. De eerste aanpassing vindt plaats op 1 januari 2011, met als basis het indexcijfer van december 2005 (basis 2004 = 100).) <W 2007-01-12/49, art. 2, 3°, 018; Inwerkingtreding : 17-03-2007>
Art. 3. § 1. L'assurance doit garantir l'indemnisation des personnes lésées chaque fois qu'est engagée la responsabilité civile du propriétaire, de tout détenteur et de tout conducteur du véhicule assuré, de toute personne transportée [1 et des personnes qui sont civilement responsables des personnes précitées,]1 à l'exclusion de la responsabilité civile de ceux qui se seraient rendus maîtres du véhicule par vol ou violence ou par suite de recel. <L 2005-07-03/59, art. 8bis; En vigueur : 01-01-2007>
L'assurance doit garantir, aux conditions que le Roi détermine, les dommages causés aux personnes et aux biens par des faits survenus sur le territoire des Etats déterminés par le Roi. Elle doit garantir les dommages causés aux personnes transportées à quelque titre que ce soit par le véhicule assuré.
(L'assurance garantit pendant toute la durée du contrat, chaque séjour du véhicule assuré dans un autre Etat de l'Espace économique européen. En aucun cas, ce séjour ne peut être considéré comme une aggravation ou une diminution du risque assuré, ni entraîner une modification des conditions d'assurance. Dès que le véhicule assuré est inscrit dans un autre Etat que la Belgique, l'assurance prend fin de plein droit.) <L 2008-06-08/31, art. 14, 019; En vigueur : 26-06-2008>
Toutefois, peuvent être exclus de l'assurance, les dommages :
1° au véhicule assuré;
2° [1 aux biens transportés à titre professionnel et onéreux par ce véhicule à l'exception des vêtements et bagages appartenant personnellement aux personnes transportées.]1
L'assurance doit couvrir la responsabilité civile du chef des dommages causés par le véhicule automoteur telle qu'elle résulte de la loi applicable.
L'assurance portant sur une remorque assimilée à un véhicule automoteur par l'article 1er, ne doit couvrir que les dommages causés par la remorque non attelée.
[2 Lorsque l'assureur de la remorque dispose d'informations sur l'identité de l'assureur responsabilité civile du véhicule tracteur, il fournit ces informations, sans délai, à la demande de la personne lésée. Si l'assureur de la remorque n'a pas connaissance de ces éléments et que l'accident est survenu sur le territoire belge, il informe la personne lésée des conditions d'indemnisation qui sont appliquées par le Fonds visé à l'article 19bis-2 si le véhicule automoteur ayant causé l'accident ne peut être identifié.]2
§ 2. (En ce qui concerne les dommages résultant des lésions corporelles, la garantie est illimitée.
[2 ...]2
En ce qui concerne les dommages matériels, la couverture peut être limitée à un montant qui ne peut être inférieur à 100 millions d'euros par sinistre.) <L 2007-01-12/49, art. 2, 1°, 018; En vigueur : 17-03-2007>
[2 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer un montant unique pour l'ensemble des lésions corporelles et des dommages matériels, lequel montant ne peut pas être inférieur à un montant 200 millions d'euros par sinistre pour l'ensemble des dommages corporels et matériels. Dans ce cas, lorsque l'assureur constate que le montant fixé par le Roi ne suffit pas à indemniser l'ensemble des dommages subis ou lorsqu'il n'est pas encore établi avec suffisance que le montant fixé par le Roi permettra d'indemniser l'ensemble des dommages, les lésions corporelles sont indemnisées en priorité.]2
§ 3. Le présent article n'est pas applicable aux dommages dont la réparation est organisée par la législation relative à la responsabilité civile dans le domaine de l'énergie nucléaire.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2007-01-12/49, art. 2, 2°, 018; En vigueur : 17-03-2007>
§ 4. (Tous les cinq ans, les montants visés aux paragraphes précédents sont adaptés d'office à l'évolution de l'indice des prix à la consommation de Royaume. La première révision a lieu le 1er janvier 2011, l'indice de base étant celui de décembre 2005 (base 2004 = 100).) <L 2007-01-12/49, art. 2, 3°, 018; En vigueur : 17-03-2007>
L'assurance doit garantir, aux conditions que le Roi détermine, les dommages causés aux personnes et aux biens par des faits survenus sur le territoire des Etats déterminés par le Roi. Elle doit garantir les dommages causés aux personnes transportées à quelque titre que ce soit par le véhicule assuré.
(L'assurance garantit pendant toute la durée du contrat, chaque séjour du véhicule assuré dans un autre Etat de l'Espace économique européen. En aucun cas, ce séjour ne peut être considéré comme une aggravation ou une diminution du risque assuré, ni entraîner une modification des conditions d'assurance. Dès que le véhicule assuré est inscrit dans un autre Etat que la Belgique, l'assurance prend fin de plein droit.) <L 2008-06-08/31, art. 14, 019; En vigueur : 26-06-2008>
Toutefois, peuvent être exclus de l'assurance, les dommages :
1° au véhicule assuré;
2° [1 aux biens transportés à titre professionnel et onéreux par ce véhicule à l'exception des vêtements et bagages appartenant personnellement aux personnes transportées.]1
L'assurance doit couvrir la responsabilité civile du chef des dommages causés par le véhicule automoteur telle qu'elle résulte de la loi applicable.
L'assurance portant sur une remorque assimilée à un véhicule automoteur par l'article 1er, ne doit couvrir que les dommages causés par la remorque non attelée.
[2 Lorsque l'assureur de la remorque dispose d'informations sur l'identité de l'assureur responsabilité civile du véhicule tracteur, il fournit ces informations, sans délai, à la demande de la personne lésée. Si l'assureur de la remorque n'a pas connaissance de ces éléments et que l'accident est survenu sur le territoire belge, il informe la personne lésée des conditions d'indemnisation qui sont appliquées par le Fonds visé à l'article 19bis-2 si le véhicule automoteur ayant causé l'accident ne peut être identifié.]2
§ 2. (En ce qui concerne les dommages résultant des lésions corporelles, la garantie est illimitée.
[2 ...]2
En ce qui concerne les dommages matériels, la couverture peut être limitée à un montant qui ne peut être inférieur à 100 millions d'euros par sinistre.) <L 2007-01-12/49, art. 2, 1°, 018; En vigueur : 17-03-2007>
[2 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer un montant unique pour l'ensemble des lésions corporelles et des dommages matériels, lequel montant ne peut pas être inférieur à un montant 200 millions d'euros par sinistre pour l'ensemble des dommages corporels et matériels. Dans ce cas, lorsque l'assureur constate que le montant fixé par le Roi ne suffit pas à indemniser l'ensemble des dommages subis ou lorsqu'il n'est pas encore établi avec suffisance que le montant fixé par le Roi permettra d'indemniser l'ensemble des dommages, les lésions corporelles sont indemnisées en priorité.]2
§ 3. Le présent article n'est pas applicable aux dommages dont la réparation est organisée par la législation relative à la responsabilité civile dans le domaine de l'énergie nucléaire.
(Alinéa 2 abrogé) <L 2007-01-12/49, art. 2, 2°, 018; En vigueur : 17-03-2007>
§ 4. (Tous les cinq ans, les montants visés aux paragraphes précédents sont adaptés d'office à l'évolution de l'indice des prix à la consommation de Royaume. La première révision a lieu le 1er janvier 2011, l'indice de base étant celui de décembre 2005 (base 2004 = 100).) <L 2007-01-12/49, art. 2, 3°, 018; En vigueur : 17-03-2007>
Art. 4. § 1. [1 ...]1
§ 2. Van de verzekering kan worden uitgesloten de schade die voortvloeit uit het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden, waartoe van overheidswege verlof is verleend overeenkomstig artikel 8.
§ 2. Van de verzekering kan worden uitgesloten de schade die voortvloeit uit het deelnemen van het motorrijtuig aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden, waartoe van overheidswege verlof is verleend overeenkomstig artikel 8.
Art. 4. § 1. [1 ...]1
§ 2. Peuvent être exclus de l'assurance, les dommages qui découlent de la participation du véhicule à des courses ou concours de vitesse, de régularité ou d'adresse autorisés conformément à l'article 8.
§ 2. Peuvent être exclus de l'assurance, les dommages qui découlent de la participation du véhicule à des courses ou concours de vitesse, de régularité ou d'adresse autorisés conformément à l'article 8.
Wijzigingen
Art. 5. <HERSTELD bij W 2007-01-12/49, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 17-03-2007> Onverminderd de toepassing van Hoofdstuk III, treedt de Staat die om solidariteitsredenen de benadeelde geheel of gedeeltelijk schadeloos heeft gesteld alvorens de verzekeraar tot vrijwillige of gedwongen betaling overgaat, ten belope van het bedrag van die schadeloosstelling in de rechten en de rechtsvorderingen van de benadeelde tegen de verzekeraar.
Indien door toedoen van de benadeelde de indeplaatsstelling geen gevolg kan hebben ten voordele van de Staat, kan de Staat van de benadeelde de terugbetaling vorderen van de betaalde schadevergoeding in de mate van het geleden nadeel.
De indeplaatsstelling mag de benadeelde, die slechts gedeeltelijk vergoed is, niet benadelen. In dat geval kan hij zijn rechten uitoefenen, voor hetgeen hem nog verschuldigd is, bij voorrang boven de Staat.) <W 2007-01-12/49, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 17-03-2007>
Indien door toedoen van de benadeelde de indeplaatsstelling geen gevolg kan hebben ten voordele van de Staat, kan de Staat van de benadeelde de terugbetaling vorderen van de betaalde schadevergoeding in de mate van het geleden nadeel.
De indeplaatsstelling mag de benadeelde, die slechts gedeeltelijk vergoed is, niet benadelen. In dat geval kan hij zijn rechten uitoefenen, voor hetgeen hem nog verschuldigd is, bij voorrang boven de Staat.) <W 2007-01-12/49, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 17-03-2007>
Art. 5. Sans préjudice de l'application du Chapitre III, l'Etat qui, pour des raisons de solidarité, a indemnisé la personne lésée en tout ou en partie avant que l'assureur procède au paiement volontaire ou forcée, est subrogé à concurrence du montant de cette indemnisation, dans les droits et actions de la personne lésée contre l'assureur.
Si par le fait de la personne lésée, la subrogation ne peut plus produire ses effets en faveur de l'Etat, l'Etat peut réclamer à la personne lésée la restitution de l'indemnité versée dans la mesure du préjudice subi.
La subrogation ne peut nuire à la personne lésée qui n'aurait été indemnisée qu'en partie. Dans ce cas, elle peut exercer ses droits, pour ce qui lui reste dû, de préférence à l'Etat.
Si par le fait de la personne lésée, la subrogation ne peut plus produire ses effets en faveur de l'Etat, l'Etat peut réclamer à la personne lésée la restitution de l'indemnité versée dans la mesure du préjudice subi.
La subrogation ne peut nuire à la personne lésée qui n'aurait été indemnisée qu'en partie. Dans ce cas, elle peut exercer ses droits, pour ce qui lui reste dû, de préférence à l'Etat.
Art. 6. § 1. Geen motorrijtuig mag worden ingeschreven als het niet overeenkomstig deze wet is gedekt tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het aanleiding kan geven.
De Koning regelt de afgifte van de kentekenplaten en hun inlevering.
(Derde lid opgeheven) <W 2004-07-09/30, art. 70, 013; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(Vierde lid opgeheven) <W 2004-07-09/30, art. 70, 013; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
§ 2. Geen motorrijtuig mag op de openbare weg in het verkeer worden gebracht indien niet aan de hierna volgende voorschriften is voldaan :
1. Als het motorrijtuig in België is ingeschreven moet het voorzien zijn van een kentekenplaat die overeenstemt met de vermeldingen in het inschrijvingsbewijs.
2. [1 ...]1
3. Als het motorrijtuig gewoonlijk in het buitenland is gestald, moet de bestuurder, aan de hand van de door de Koning bepaalde bewijsmiddelen, kunnen aantonen dat het motorrijtuig krachtens artikel 2 van deze wet of op grond van een internationaal verdrag tot het verkeer in België is toegelaten.
De Koning regelt de afgifte van de kentekenplaten en hun inlevering.
(Derde lid opgeheven) <W 2004-07-09/30, art. 70, 013; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(Vierde lid opgeheven) <W 2004-07-09/30, art. 70, 013; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
§ 2. Geen motorrijtuig mag op de openbare weg in het verkeer worden gebracht indien niet aan de hierna volgende voorschriften is voldaan :
1. Als het motorrijtuig in België is ingeschreven moet het voorzien zijn van een kentekenplaat die overeenstemt met de vermeldingen in het inschrijvingsbewijs.
2. [1 ...]1
3. Als het motorrijtuig gewoonlijk in het buitenland is gestald, moet de bestuurder, aan de hand van de door de Koning bepaalde bewijsmiddelen, kunnen aantonen dat het motorrijtuig krachtens artikel 2 van deze wet of op grond van een internationaal verdrag tot het verkeer in België is toegelaten.
Art. 6. § 1. L'immatriculation d'un véhicule automoteur est subordonnée à la couverture conforme aux dispositions de la présente loi de la responsabilité civile à laquelle ce véhicule peut donner lieu.
Le Roi réglemente la délivrance et la restitution de la marque d'immatriculation.
(Alinéa 3 abrogé) <L 2004-07-09/30, art. 70, 013; En vigueur : 25-07-2004>
(Alinéa 4 abrogé) <L 2004-07-09/30, art. 70, 013; En vigueur : 25-07-2004>
§ 2. Aucun véhicule automoteur ne peut être mis en circulation sur la voie publique sans qu'il soit satisfait aux prescriptions suivantes :
1. Si le véhicule est immatriculé en Belgique, il doit être muni de la marque d'immatriculation correspondant aux mentions du certificat d'immatriculation.
2. [1 ...]1
3. Si le véhicule a son stationnement habituel à l'étranger, le conducteur doit pouvoir établir par les moyens de preuve déterminés par le Roi que le véhicule est admis à circuler en Belgique en vertu de l'article 2 de la présente loi ou en vertu d'un traité international.
Le Roi réglemente la délivrance et la restitution de la marque d'immatriculation.
(Alinéa 3 abrogé) <L 2004-07-09/30, art. 70, 013; En vigueur : 25-07-2004>
(Alinéa 4 abrogé) <L 2004-07-09/30, art. 70, 013; En vigueur : 25-07-2004>
§ 2. Aucun véhicule automoteur ne peut être mis en circulation sur la voie publique sans qu'il soit satisfait aux prescriptions suivantes :
1. Si le véhicule est immatriculé en Belgique, il doit être muni de la marque d'immatriculation correspondant aux mentions du certificat d'immatriculation.
2. [1 ...]1
3. Si le véhicule a son stationnement habituel à l'étranger, le conducteur doit pouvoir établir par les moyens de preuve déterminés par le Roi que le véhicule est admis à circuler en Belgique en vertu de l'article 2 de la présente loi ou en vertu d'un traité international.
Wijzigingen
Art. 7. <W 2008-06-08/31, art. 15, 019; Inwerkingtreding : 26-06-2008> § 1. De verzekeraar geeft aan de verzekeringnemer een bewijs af van het bestaan van de verzekeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 2.
[1 De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden verzekeraars kunnen worden vrijgesteld van de verplichting om het internationaal verzekeringsbewijs aan de verzekeringnemer af te geven.]1
§ 2. Hij overhandigt hem eveneens binnen vijftien dagen na zijn verzoek en na het einde van de overeenkomst een verklaring betreffende de vorderingen die derden gedurende ten minste de laatste vijf jaar van de contractuele verhouding hebben ingediend ten aanzien van het voertuig of de voertuigen door de verzekeringsovereenkomst gedekt of een verklaring betreffende het ontbreken van dergelijke vorderingen.
[2 Wanneer de verzekeringsonderneming rekening houdt met de in het eerste lid bedoelde verklaring die door andere verzekeringsondernemingen of andere organen zijn verstrekt, wordt de verzekeringsnemer niet op een discriminerende manier behandeld en worden er geen hogere premies in rekening gebracht vanwege de nationaliteit of louter op basis van de vorige lidstaat van verblijfplaats.
De verzekeringsonderneming maakt een algemeen overzicht van zijn beleid op het gebied van het gebruik van de in het eerste lid bedoelde verklaring bij de premieberekening bekend.
De in het eerste lid bedoelde verklaring neemt de vorm en de inhoud aan van een model dat de Europese Commissie door middel van de uitvoeringshandeling bedoeld in artikel 16, zesde alinea, van Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, vaststelt.]2
§ 3. De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de bij de voorgaande paragrafen bedoelde documenten worden afgegeven en ingetrokken. Hij kan de vorm ervan bepalen alsook de gegevens die zij moeten vermelden.
[3 § 4. In het kader van de delegatie bepaald in paragraaf 3, kan de Koning de verwerking van persoonsgegevens betreffende de verklaring bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, hierna te noemen "de verklaring betreffende het schadeverleden", preciseren, voor zover is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° de categorie van personen van wie de persoonsgegevens het voorwerp van een verwerking mogen uitmaken, zijn de verzekeringnemer, de uitgever van de verklaring betreffende het schadeverleden en de bestuurder van het verzekerde voertuig;
2° de verwerkte persoonsgegevens zijn:
a) de persoonlijke identificatiegegevens en contactgegevens van de verzekeringnemer en de uitgever van de verklaring betreffende het schadeverleden;
b) de persoonlijke identificatiegegevens van de bestuurder van het verzekerde voertuig op het ogenblik van het schadegeval;
c) de identificatiegegevens van het verzekerde voertuig;
d) het polisnummer van de verzekeringsovereenkomst;
3° het doel van de verwerking van persoonsgegevens is de kandidaat-verzekeraar in staat te stellen om op basis van de verklaring betreffende het schadeverleden het risico correct te beoordelen en de premie voor het te verzekeren risico vast te stellen;
4° de categorie van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens zijn de verzekeringnemer, de uitgever van de verklaring betreffende het schadeverleden, de kandidaat-verzekeraar en, in voorkomend geval, de verzekeringstussenpersoon;
5° behoudens andersluidende wettelijke bepaling, bedraagt de maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens vijf jaar na de overhandiging van de verklaring betreffende het schadeverleden aan de verzekeraar en, in voorkomend geval, aan de verzekeringstussenpersoon. In geval van gerechtelijke procedure kan deze termijn worden verlengd tot het moment waarop het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan.]3
[1 De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden verzekeraars kunnen worden vrijgesteld van de verplichting om het internationaal verzekeringsbewijs aan de verzekeringnemer af te geven.]1
§ 2. Hij overhandigt hem eveneens binnen vijftien dagen na zijn verzoek en na het einde van de overeenkomst een verklaring betreffende de vorderingen die derden gedurende ten minste de laatste vijf jaar van de contractuele verhouding hebben ingediend ten aanzien van het voertuig of de voertuigen door de verzekeringsovereenkomst gedekt of een verklaring betreffende het ontbreken van dergelijke vorderingen.
[2 Wanneer de verzekeringsonderneming rekening houdt met de in het eerste lid bedoelde verklaring die door andere verzekeringsondernemingen of andere organen zijn verstrekt, wordt de verzekeringsnemer niet op een discriminerende manier behandeld en worden er geen hogere premies in rekening gebracht vanwege de nationaliteit of louter op basis van de vorige lidstaat van verblijfplaats.
De verzekeringsonderneming maakt een algemeen overzicht van zijn beleid op het gebied van het gebruik van de in het eerste lid bedoelde verklaring bij de premieberekening bekend.
De in het eerste lid bedoelde verklaring neemt de vorm en de inhoud aan van een model dat de Europese Commissie door middel van de uitvoeringshandeling bedoeld in artikel 16, zesde alinea, van Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, vaststelt.]2
§ 3. De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden de bij de voorgaande paragrafen bedoelde documenten worden afgegeven en ingetrokken. Hij kan de vorm ervan bepalen alsook de gegevens die zij moeten vermelden.
[3 § 4. In het kader van de delegatie bepaald in paragraaf 3, kan de Koning de verwerking van persoonsgegevens betreffende de verklaring bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, hierna te noemen "de verklaring betreffende het schadeverleden", preciseren, voor zover is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° de categorie van personen van wie de persoonsgegevens het voorwerp van een verwerking mogen uitmaken, zijn de verzekeringnemer, de uitgever van de verklaring betreffende het schadeverleden en de bestuurder van het verzekerde voertuig;
2° de verwerkte persoonsgegevens zijn:
a) de persoonlijke identificatiegegevens en contactgegevens van de verzekeringnemer en de uitgever van de verklaring betreffende het schadeverleden;
b) de persoonlijke identificatiegegevens van de bestuurder van het verzekerde voertuig op het ogenblik van het schadegeval;
c) de identificatiegegevens van het verzekerde voertuig;
d) het polisnummer van de verzekeringsovereenkomst;
3° het doel van de verwerking van persoonsgegevens is de kandidaat-verzekeraar in staat te stellen om op basis van de verklaring betreffende het schadeverleden het risico correct te beoordelen en de premie voor het te verzekeren risico vast te stellen;
4° de categorie van personen die toegang hebben tot de persoonsgegevens zijn de verzekeringnemer, de uitgever van de verklaring betreffende het schadeverleden, de kandidaat-verzekeraar en, in voorkomend geval, de verzekeringstussenpersoon;
5° behoudens andersluidende wettelijke bepaling, bedraagt de maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens vijf jaar na de overhandiging van de verklaring betreffende het schadeverleden aan de verzekeraar en, in voorkomend geval, aan de verzekeringstussenpersoon. In geval van gerechtelijke procedure kan deze termijn worden verlengd tot het moment waarop het vonnis of arrest in kracht van gewijsde is gegaan.]3
Art. 7. <L 2008-06-08/31, art. 15, 019; En vigueur : 26-06-2008> § 1er. L'assureur délivre au preneur d'assurance un certificat justifiant du contrat d'assurance prévu à l'article 2.
[1 Le Roi peut déterminer les conditions dans lesquelles les assureurs peuvent être dispensés de l'obligation de délivrer le certificat international d'assurance au preneur d'assurance.]1
§ 2. Il lui délivre également dans les quinze jours de sa demande et à la fin de son contrat, une attestation relative aux recours de tiers ou à l'absence de tels recours impliquant le véhicule ou les véhicules couverts par le contrat d'assurance au cours des cinq dernières années au moins de la relation contractuelle.
[2 Lorsque l'entreprise d'assurances tient compte de l'attestation visée à l'alinéa 1er fournie par d'autres entreprises d'assurances ou d'autres organismes, le preneur d'assurance n'est pas traité de manière discriminatoire et des primes plus élevées ne sont pas facturées en raison de la nationalité ou sur le seul fondement du précédent Etat membre de résidence.
L'entreprise d'assurances publie une synthèse générale de sa politique en matière d'utilisation de l'attestation visée à l'alinéa 1er pour le calcul des primes.
L'attestation visée à l'alinéa 1er reprend la forme et le contenu d'un modèle adopté par la Commission européenne par l'acte d'exécution visé à l'article 16, sixième alinéa, de la directive 2009/103/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l'assurance de la responsabilité civile résultant de la circulation de véhicules automoteurs et le contrôle de l'obligation d'assurer cette responsabilité.]2
§ 3. Le Roi peut déterminer les conditions de délivrance et de retrait des documents visés aux paragraphes précédents. Il peut également en déterminer la forme ainsi que les mentions qui doivent y figurer.
[3 § 4. Dans le cadre de la délégation prévue au paragraphe 3, le Roi peut préciser le traitement de données à caractère personnel relatives à l'attestation visée au paragraphe 2, alinéa 1er, dénommée ci-après "le relevé de sinistres", à condition qu'il soit satisfait aux conditions suivantes:
1° la catégorie de personnes dont les données à caractère personnel sont susceptibles de faire l'objet d'un traitement sont le preneur d'assurance, l'émetteur du relevé de sinistres et le conducteur du véhicule assuré;
2° les données à caractère personnel traitées sont:
a) les données d'identification personnelles et les données de contact du preneur d'assurance et de l'émetteur du relevé de sinistres;
b) les données d'identification personnelles du conducteur du véhicule assuré au moment du sinistre;
c) les données d'identification du véhicule assuré;
d) le numéro de police du contrat d'assurance;
3° la finalité du traitement des données à caractère personnel est de permettre au candidat assureur, sur la base du relevé de sinistres, d'apprécier correctement le risque et de déterminer la prime pour le risque à assurer;
4° la catégorie des personnes qui ont accès aux données à caractère personnel sont le preneur d'assurance, l'émetteur du relevé de sinistres, le candidat assureur et, le cas échéant, l'intermédiaire d'assurance;
5° sauf disposition contraire de la loi, le délai maximum de conservation des données à caractère personnel est de cinq ans après la remise du relevé de sinistres à l'assureur et, le cas échéant, à l'intermédiaire d'assurance. En cas de procédure judiciaire, ce délai peut être prolongé jusqu'à ce que le jugement ou l'arrêt soit coulé en force de chose jugée.]3
[1 Le Roi peut déterminer les conditions dans lesquelles les assureurs peuvent être dispensés de l'obligation de délivrer le certificat international d'assurance au preneur d'assurance.]1
§ 2. Il lui délivre également dans les quinze jours de sa demande et à la fin de son contrat, une attestation relative aux recours de tiers ou à l'absence de tels recours impliquant le véhicule ou les véhicules couverts par le contrat d'assurance au cours des cinq dernières années au moins de la relation contractuelle.
[2 Lorsque l'entreprise d'assurances tient compte de l'attestation visée à l'alinéa 1er fournie par d'autres entreprises d'assurances ou d'autres organismes, le preneur d'assurance n'est pas traité de manière discriminatoire et des primes plus élevées ne sont pas facturées en raison de la nationalité ou sur le seul fondement du précédent Etat membre de résidence.
L'entreprise d'assurances publie une synthèse générale de sa politique en matière d'utilisation de l'attestation visée à l'alinéa 1er pour le calcul des primes.
L'attestation visée à l'alinéa 1er reprend la forme et le contenu d'un modèle adopté par la Commission européenne par l'acte d'exécution visé à l'article 16, sixième alinéa, de la directive 2009/103/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l'assurance de la responsabilité civile résultant de la circulation de véhicules automoteurs et le contrôle de l'obligation d'assurer cette responsabilité.]2
§ 3. Le Roi peut déterminer les conditions de délivrance et de retrait des documents visés aux paragraphes précédents. Il peut également en déterminer la forme ainsi que les mentions qui doivent y figurer.
[3 § 4. Dans le cadre de la délégation prévue au paragraphe 3, le Roi peut préciser le traitement de données à caractère personnel relatives à l'attestation visée au paragraphe 2, alinéa 1er, dénommée ci-après "le relevé de sinistres", à condition qu'il soit satisfait aux conditions suivantes:
1° la catégorie de personnes dont les données à caractère personnel sont susceptibles de faire l'objet d'un traitement sont le preneur d'assurance, l'émetteur du relevé de sinistres et le conducteur du véhicule assuré;
2° les données à caractère personnel traitées sont:
a) les données d'identification personnelles et les données de contact du preneur d'assurance et de l'émetteur du relevé de sinistres;
b) les données d'identification personnelles du conducteur du véhicule assuré au moment du sinistre;
c) les données d'identification du véhicule assuré;
d) le numéro de police du contrat d'assurance;
3° la finalité du traitement des données à caractère personnel est de permettre au candidat assureur, sur la base du relevé de sinistres, d'apprécier correctement le risque et de déterminer la prime pour le risque à assurer;
4° la catégorie des personnes qui ont accès aux données à caractère personnel sont le preneur d'assurance, l'émetteur du relevé de sinistres, le candidat assureur et, le cas échéant, l'intermédiaire d'assurance;
5° sauf disposition contraire de la loi, le délai maximum de conservation des données à caractère personnel est de cinq ans après la remise du relevé de sinistres à l'assureur et, le cas échéant, à l'intermédiaire d'assurance. En cas de procédure judiciaire, ce délai peut être prolongé jusqu'à ce que le jugement ou l'arrêt soit coulé en force de chose jugée.]3
Art. 8. Geen snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsrit of -wedstrijd voor motorrijtuigen mag worden georganiseerd dan met schriftelijke toestemming van een door de Koning aan te wijzen overheid, die moet vaststellen of de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de organisatoren en van de in artikel 3, § 1 bedoelde personen gedekt is door een bijzondere verzekering die aan de bepalingen van deze wet voldoet.
Die toestemming vervangt niet de toestemming die krachtens andere wetten en verordeningen moet worden verkregen.
[1 ...]1
[2 De Koning kan de voorwaarden van de verzekering, bedoeld in het eerste lid, nader bepalen.]2
Die toestemming vervangt niet de toestemming die krachtens andere wetten en verordeningen moet worden verkregen.
[1 ...]1
[2 De Koning kan de voorwaarden van de verzekering, bedoeld in het eerste lid, nader bepalen.]2
Art. 8. L'organisation de courses ou de concours de vitesse, de régularité ou d'adresse au moyen de véhicules automoteurs est soumise à une autorisation délivrée par une autorité, désignée par le Roi, qui a pour mission de constater qu'une assurance spéciale répondant aux dispositions de la présente loi, couvre la responsabilité civile des organisateurs et des personnes visées à l'article 3, § 1er.
Cette autorisation ne dispense pas de celles qui sont requises par d'autres dispositions légales ou réglementaires.
[1 ...]1
[2 Le Roi peut préciser les conditions de l'assurance, visée à l'alinéa 1er.]2
Cette autorisation ne dispense pas de celles qui sont requises par d'autres dispositions légales ou réglementaires.
[1 ...]1
[2 Le Roi peut préciser les conditions de l'assurance, visée à l'alinéa 1er.]2
Art. 9. (Lid 1 opgeheven) <W 2002-08-22/41, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003>
De Koning kan regels stellen betreffende de vaststelling van het ongeval door de verzekerden, de vorm en de wijze van aangifte aan de verzekeraar en het model van de daartoe aan te wenden bescheiden die de verzekerde bij zich moet hebben.
De Koning kan (ook) regels stellen betreffende de vaststelling van het ongeval door de ambtenaren die daartoe bevoegd zijn. Hij kan onder meer het model van het formulier bepalen dat door dezen moet worden gebruikt en voorschrijven welke inlichtingen onverwijld aan de betrokken partijen en hun verzekeraars moeten worden gezonden. <W 2002-08-22/41, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003>
De Koning kan regels stellen betreffende de vaststelling van het ongeval door de verzekerden, de vorm en de wijze van aangifte aan de verzekeraar en het model van de daartoe aan te wenden bescheiden die de verzekerde bij zich moet hebben.
De Koning kan (ook) regels stellen betreffende de vaststelling van het ongeval door de ambtenaren die daartoe bevoegd zijn. Hij kan onder meer het model van het formulier bepalen dat door dezen moet worden gebruikt en voorschrijven welke inlichtingen onverwijld aan de betrokken partijen en hun verzekeraars moeten worden gezonden. <W 2002-08-22/41, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003>
Art. 9. (Alinéa 1 abrogé) <L 2002-08-22/41, art. 4, 010; En vigueur : 19-01-2003>
Le Roi peut fixer des règles concernant la constatation de l'accident par les assurés, la forme et les modalités de la déclaration à l'assureur, et le modèle des documents qui doivent être utilisés à ces fins et dont l'assuré doit être porteur.
Le Roi peut également fixer des règles concernant la constatation de l'accident par les agents qualifiés à cet effet. Il peut notamment établir le modèle du constat à utiliser par ceux-ci et déterminer les renseignements qui doivent être transmis sans délai aux parties intéressées et à leurs assureurs.
Le Roi peut fixer des règles concernant la constatation de l'accident par les assurés, la forme et les modalités de la déclaration à l'assureur, et le modèle des documents qui doivent être utilisés à ces fins et dont l'assuré doit être porteur.
Le Roi peut également fixer des règles concernant la constatation de l'accident par les agents qualifiés à cet effet. Il peut notamment établir le modèle du constat à utiliser par ceux-ci et déterminer les renseignements qui doivent être transmis sans délai aux parties intéressées et à leurs assureurs.
HOOFDSTUK IIbis. - Tariferingsbureau.
CHAPITRE IIbis. - Bureau de tarification.
Art. 9bis. <INGEVOEGD bij W 2002-08-02/47, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 09-09-2002> § 1. Binnen het Gemeenschappelijk Waarborgfonds bedoeld in [1 artikel 19bis-2]1 wordt een tariferingsbureau opgericht dat tot taak heeft vast te stellen tegen welke premie en onder welke voorwaarden een verzekeringsonderneming een persoon moet dekken die gehouden is tot de verplichting bedoeld in [3 artikel 2, § 1, eerste lid,]3 en die zich bevindt in de voorwaarden bepaald door of krachtens dit hoofdstuk.
(Het Bureau wordt niet beschouwd als een verzekeringstussenpersoon in de zin van de [1 wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, Deel 6]1.) <W 2005-12-27/31, art. 17, 016; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
§ 2. Het bureau bestaat uit vier leden die de verzekeringsondernemingen vertegenwoordigen en vier leden die de verbruikers vertegenwoordigen, benoemd door de Koning voor een termijn van zes jaar. Deze leden worden gekozen [2 uit twee lijsten, één voorgesteld door de beroepsorganisaties van verzekeringsondernemingen en de andere door de verenigingen ter verdediging van de consumentenbelangen]2.
De Koning wijst voor elk lid eveneens een plaatsvervanger aan. De plaatsvervangende leden worden op dezelfde manier gekozen als de leden.
De Koning benoemt voor een termijn van zes jaar een voorzitter die niet tot de voorgaande categorieën behoort. Het bureau kan zich experts toevoegen die geen stemrecht hebben.
De minister bevoegd voor Economische Zaken kan een waarnemer bij het bureau afvaardigen.
§ 3. Het Gemeenschappelijk Waarborgfonds zorgt voor het secretariaat en het dagelijks bestuur van het Tariferingsbureau.
Het Tariferingsbureau bepaalt zijn huishoudelijk reglement en legt het ter goedkeuring voor aan de minister bevoegd voor Economische Zaken.
[1 § 4. Het Tariferingsbureau maakt driejaarlijks een verslag op over zijn werking en de ondervonden problemen, maakt dit bekend op zijn website en geeft dit onverwijld door aan de Federale Wetgevende Kamers.]1
(Het Bureau wordt niet beschouwd als een verzekeringstussenpersoon in de zin van de [1 wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen, Deel 6]1.) <W 2005-12-27/31, art. 17, 016; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
§ 2. Het bureau bestaat uit vier leden die de verzekeringsondernemingen vertegenwoordigen en vier leden die de verbruikers vertegenwoordigen, benoemd door de Koning voor een termijn van zes jaar. Deze leden worden gekozen [2 uit twee lijsten, één voorgesteld door de beroepsorganisaties van verzekeringsondernemingen en de andere door de verenigingen ter verdediging van de consumentenbelangen]2.
De Koning wijst voor elk lid eveneens een plaatsvervanger aan. De plaatsvervangende leden worden op dezelfde manier gekozen als de leden.
De Koning benoemt voor een termijn van zes jaar een voorzitter die niet tot de voorgaande categorieën behoort. Het bureau kan zich experts toevoegen die geen stemrecht hebben.
De minister bevoegd voor Economische Zaken kan een waarnemer bij het bureau afvaardigen.
§ 3. Het Gemeenschappelijk Waarborgfonds zorgt voor het secretariaat en het dagelijks bestuur van het Tariferingsbureau.
Het Tariferingsbureau bepaalt zijn huishoudelijk reglement en legt het ter goedkeuring voor aan de minister bevoegd voor Economische Zaken.
[1 § 4. Het Tariferingsbureau maakt driejaarlijks een verslag op over zijn werking en de ondervonden problemen, maakt dit bekend op zijn website en geeft dit onverwijld door aan de Federale Wetgevende Kamers.]1
Art. 9bis. § 1er. II est créé, au sein du Fonds commun de garantie visé à l' [1 article 19bis-2]1, un Bureau de tarification qui a pour mission d'établir la prime et les conditions auxquelles une entreprise d'assurances est tenue de couvrir une personne soumise à l'obligation de [3 l'article 2, § 1er, alinéa 1er,]3 et qui se trouve dans les conditions fixées par ou en vertu du présent chapitre.
(Le Bureau n'est pas considéré comme un intermédiaire d'assurances au sens de la [1 loi du 4 avril 2014 relative aux assurances, Partie 6]1.) <L 2005-12-27/31, art. 17, 016; En vigueur : 09-01-2006>
§ 2. Le bureau se compose de quatre membres représentant les entreprises d'assurances et quatre membres représentant les consommateurs, nommés par le Roi pour un terme de six ans. Ces membres sont choisis [2 à partir de deux listes, présentées l'une par les associations professionnelles des entreprises d'assurances et l'autre par les associations ayant pour objet la défense des intérêts des consommateurs]2.
Le Roi désigne également pour chaque membre un suppléant. Les suppléants sont choisis de la même manière que les membres effectifs.
Le Roi nomme, pour un terme de six ans, un président n'appartenant pas aux catégories précédentes. Le bureau peut s'adjoindre des experts n'ayant pas voix délibérative.
Le Ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions peut déléguer un observateur auprès du bureau.
§ 3. Le Fonds commun de garantie assure le secrétariat et la gestion journalière du Bureau de tarification.
Le Bureau de tarification établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du Ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions.
[1 § 4. Le Bureau de Tarification rédige, tous les trois ans, un rapport sur son fonctionnement et les problématiques rencontrées qui est publié sur son site et transmis sans délai aux Chambres législatives fédérales.]1
(Le Bureau n'est pas considéré comme un intermédiaire d'assurances au sens de la [1 loi du 4 avril 2014 relative aux assurances, Partie 6]1.) <L 2005-12-27/31, art. 17, 016; En vigueur : 09-01-2006>
§ 2. Le bureau se compose de quatre membres représentant les entreprises d'assurances et quatre membres représentant les consommateurs, nommés par le Roi pour un terme de six ans. Ces membres sont choisis [2 à partir de deux listes, présentées l'une par les associations professionnelles des entreprises d'assurances et l'autre par les associations ayant pour objet la défense des intérêts des consommateurs]2.
Le Roi désigne également pour chaque membre un suppléant. Les suppléants sont choisis de la même manière que les membres effectifs.
Le Roi nomme, pour un terme de six ans, un président n'appartenant pas aux catégories précédentes. Le bureau peut s'adjoindre des experts n'ayant pas voix délibérative.
Le Ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions peut déléguer un observateur auprès du bureau.
§ 3. Le Fonds commun de garantie assure le secrétariat et la gestion journalière du Bureau de tarification.
Le Bureau de tarification établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du Ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions.
[1 § 4. Le Bureau de Tarification rédige, tous les trois ans, un rapport sur son fonctionnement et les problématiques rencontrées qui est publié sur son site et transmis sans délai aux Chambres législatives fédérales.]1
Art. 9ter. <INGEVOEGD bij W 2002-08-02/47, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 09-09-2002> § 1. Iedere persoon, onderworpen aan de verplichting van [2 artikel 2, § 1, eerste lid]2, kan bij het Tariferingsbureau een aanvraag indienen, als ten minste drie verzekeringsondernemingen waartoe de persoon zich heeft gewend, geweigerd hebben hem een dekking toe te staan. [1 Na advies van de Commissie voor Verzekeringen en op voorstel van het Tariferingsbureau, kan de Koning naargelang de bijzondere risicocategorie van de betrokken persoon, het aantal vereiste weigeringen verminderen.]1
§ 2. Het voorstel van een premie die hoger is dan de door de Koning bepaalde drempel, wordt met een weigering gelijkgesteld.
Deze drempel wordt vastgesteld door de laagste premie van het tarief van de verzekeringsonderneming, voor een motorrijtuig dat identiek is aan datgene wat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag tot dekking, te vermenigvuldigen met 5. Deze coëfficiënt kan gewijzigd worden door de Koning zonder dat hij lager mag zijn dan 4.
§ 3. Een vrijstelling die hoger is dan de door de Koning bepaalde drempel wordt met een weigering gelijkgesteld.
Deze drempel wordt vastgesteld door de laagste premie van het tarief van de verzekeringsonderneming, voor een motorrijtuig dat identiek is aan datgene wat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag tot dekking, te vermenigvuldigen met 3. Deze coëfficiënt kan gewijzigd worden door de Koning zonder dat hij lager mag zijn dan 2,5.
§ 4. De Koning kan de coëfficiënten bedoeld in de §§ 2 en 3 onderverdelen, meer bepaald in functie van de leeftijd, het aantal jaren dat men over een rijbewijs beschikt en de statistieken van de bestuurder inzake ongevallen.
§ 5. De verzekeringsonderneming moet de kandidaatverzekeringnemer informeren over het feit dat hij zich in één van de gevallen bevindt als bedoeld in de §§ 2 en 3.
§ 2. Het voorstel van een premie die hoger is dan de door de Koning bepaalde drempel, wordt met een weigering gelijkgesteld.
Deze drempel wordt vastgesteld door de laagste premie van het tarief van de verzekeringsonderneming, voor een motorrijtuig dat identiek is aan datgene wat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag tot dekking, te vermenigvuldigen met 5. Deze coëfficiënt kan gewijzigd worden door de Koning zonder dat hij lager mag zijn dan 4.
§ 3. Een vrijstelling die hoger is dan de door de Koning bepaalde drempel wordt met een weigering gelijkgesteld.
Deze drempel wordt vastgesteld door de laagste premie van het tarief van de verzekeringsonderneming, voor een motorrijtuig dat identiek is aan datgene wat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag tot dekking, te vermenigvuldigen met 3. Deze coëfficiënt kan gewijzigd worden door de Koning zonder dat hij lager mag zijn dan 2,5.
§ 4. De Koning kan de coëfficiënten bedoeld in de §§ 2 en 3 onderverdelen, meer bepaald in functie van de leeftijd, het aantal jaren dat men over een rijbewijs beschikt en de statistieken van de bestuurder inzake ongevallen.
§ 5. De verzekeringsonderneming moet de kandidaatverzekeringnemer informeren over het feit dat hij zich in één van de gevallen bevindt als bedoeld in de §§ 2 en 3.
Art. 9ter. § 1er. Toute personne soumise à l'obligation de [2 l'article 2, § 1er, alinéa 1er,]2 peut introduire une demande auprès du Bureau de tarification lorsqu'au moins trois entreprises d'assurances auxquelles elle s'est adressée ont refusé de lui accorder une couverture. [1 Après avis de la Commission des assurances et sur proposition du Bureau de tarification, le Roi peut réduire le nombre de refus requis en fonction de la catégorie spécifique de risque de la personne concernée.]1
§ 2. Est assimilée à un refus la proposition d'une prime supérieure au seuil défini par le Roi.
Ce seuil est déterminé en multipliant la prime la plus basse du tarif de l'entreprise d'assurances pour un véhicule automoteur identique à celui faisant l'objet de la demande de couverture par 5. Ce coefficient peut être modifié par le Roi sans qu'il puisse être inférieur à 4.
§ 3. Est assimilée à un refus la proposition d'une franchise supérieure au seuil défini par le Roi.
Ce seuil est déterminé en multipliant la prime la plus basse du tarif de l'entreprise d'assurances pour un véhicule automoteur identique à celui faisant l'objet de la demande de couverture par 3. Ce coefficient peut être modifié par le Roi sans qu'il puisse être inférieur à 2,5.
§ 4. Le Roi peut subdiviser les coefficients visés aux §§ 2 et 3 notamment en fonction de l'âge, de l'ancienneté du permis de conduire et des statistiques en matière de sinistre du conducteur.
§ 5. L'entreprise d'assurances est tenue d'informer le candidat preneur d'assurance qu'il se trouve dans l'un des cas visés aux §§ 2 et 3.
§ 2. Est assimilée à un refus la proposition d'une prime supérieure au seuil défini par le Roi.
Ce seuil est déterminé en multipliant la prime la plus basse du tarif de l'entreprise d'assurances pour un véhicule automoteur identique à celui faisant l'objet de la demande de couverture par 5. Ce coefficient peut être modifié par le Roi sans qu'il puisse être inférieur à 4.
§ 3. Est assimilée à un refus la proposition d'une franchise supérieure au seuil défini par le Roi.
Ce seuil est déterminé en multipliant la prime la plus basse du tarif de l'entreprise d'assurances pour un véhicule automoteur identique à celui faisant l'objet de la demande de couverture par 3. Ce coefficient peut être modifié par le Roi sans qu'il puisse être inférieur à 2,5.
§ 4. Le Roi peut subdiviser les coefficients visés aux §§ 2 et 3 notamment en fonction de l'âge, de l'ancienneté du permis de conduire et des statistiques en matière de sinistre du conducteur.
§ 5. L'entreprise d'assurances est tenue d'informer le candidat preneur d'assurance qu'il se trouve dans l'un des cas visés aux §§ 2 et 3.
Art. 9quater. <INGEVOEGD bij W 2002-08-02/47, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 09-09-2002> § 1. Het verzoek moet bij het Tariferingsbureau worden ingediend binnen de twee maanden na de weigering of het tariferingsvoorstel bedoeld in artikel 9ter. Het is niet ontvankelijk wanneer de verzoeker in de negen maanden voorafgaande aan deze weigering of dit voorstel voor hetzelfde risico een aanbod van het Tariferingsbureau heeft ontvangen.
§ 2. Het Tariferingsbureau bepaalt de premie rekening houdend met het risico dat de verzekeringnemer vertoont en met de omslag over alle verzekerden. Het kan voorwaarden opleggen ter beperking van het risico dat de verzekeringnemer vertoont.
§ 3. Het Tariferingsbureau doet een tariferingsvoorstel binnen de maand na de ontvangst van het verzoek en van de inlichtingen die nodig zijn om het tarief vast te stellen. Het voorstel wordt binnen acht dagen ter kennis gebracht van de verzoeker. Het is een maand geldig te rekenen vanaf de uitgifte.
§ 2. Het Tariferingsbureau bepaalt de premie rekening houdend met het risico dat de verzekeringnemer vertoont en met de omslag over alle verzekerden. Het kan voorwaarden opleggen ter beperking van het risico dat de verzekeringnemer vertoont.
§ 3. Het Tariferingsbureau doet een tariferingsvoorstel binnen de maand na de ontvangst van het verzoek en van de inlichtingen die nodig zijn om het tarief vast te stellen. Het voorstel wordt binnen acht dagen ter kennis gebracht van de verzoeker. Het is een maand geldig te rekenen vanaf de uitgifte.
Art. 9quater. § 1er. La demande doit être introduite auprès du Bureau de tarification dans les deux mois à dater du refus ou de la proposition de tarification visés à l'article 9ter. Elle n'est pas recevable lorsque le demandeur a reçu une offre du Bureau de tarification, pour le même risque, dans les neuf mois précédant ce refus ou cette proposition.
§ 2. Le Bureau de tarification fixe la prime en tenant compte du risque que le preneur d'assurance présente et de la solidarité entre l'ensemble des assurés. Il peut imposer des conditions propres à réduire le risque que le preneur d'assurance présente.
§ 3. Le Bureau de tarification fait une proposition de tarification dans le mois de la réception de la demande et des renseignements nécessaires à l'établissement de la tarification. La proposition est notifiée au demandeur dans les huit jours. Elle est valable pendant un mois à compter de son expédition.
§ 2. Le Bureau de tarification fixe la prime en tenant compte du risque que le preneur d'assurance présente et de la solidarité entre l'ensemble des assurés. Il peut imposer des conditions propres à réduire le risque que le preneur d'assurance présente.
§ 3. Le Bureau de tarification fait une proposition de tarification dans le mois de la réception de la demande et des renseignements nécessaires à l'établissement de la tarification. La proposition est notifiée au demandeur dans les huit jours. Elle est valable pendant un mois à compter de son expédition.
Art. 9quinquies. <INGEVOEGD bij W 2002-08-02/47, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 09-09-2002> § 1. Het Tariferingsbureau vertrouwt het beheer van de door hem getarifeerde risico's toe aan een of meer verzekeringsondernemingen die lid zijn van het Gemeenschappelijk Waarborgfonds dat is ingesteld door [1 artikel 19bis-2]1.
§ 2. Het resultaat van het schadegevallenbeheer betreffende de door het Tariferingsbureau getarifeerde risico's wordt opgenomen in de rekening van het Fonds.
§ 3. De Koning kan regels bepalen om dit resultaat te verdelen over de verzekeringsondememingen die lid zijn van het fonds.
§ 2. Het resultaat van het schadegevallenbeheer betreffende de door het Tariferingsbureau getarifeerde risico's wordt opgenomen in de rekening van het Fonds.
§ 3. De Koning kan regels bepalen om dit resultaat te verdelen over de verzekeringsondememingen die lid zijn van het fonds.
Art. 9quinquies. § 1er. Le Bureau de tarification confie la gestion des risques tarifés par lui à une ou plusieurs entreprises d'assurances membres du Fonds commun de garantie institué par l' [1 article 19bis-2]1.
§ 2. Le résultat de la gestion des sinistres relatifs aux risques tarifés par le Bureau de tarification est intégré aux comptes du Fonds.
§ 3. Le Roi peut fixer des règles propres à répartir ce résultat entre les entreprises d'assurances membres du fonds.
§ 2. Le résultat de la gestion des sinistres relatifs aux risques tarifés par le Bureau de tarification est intégré aux comptes du Fonds.
§ 3. Le Roi peut fixer des règles propres à répartir ce résultat entre les entreprises d'assurances membres du fonds.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - Voertuigen toebehorend aan de Staat of aan bepaalde openbare instellingen.
CHAPITRE III. - Des véhicules appartenant à l'Etat ou à certains organismes publics.
Art. 10. § 1. De Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, [3 Proximus]3, (de Nationale Maatschappij der luchtwegen (N.M.L.W.)), de Nationale Maatschappij der Belgische Spoortwegen), ([2 ...]2, Infrabel) de Nationale Maatschappij van Buurtspoorwegen, (...) en [1 bpost]1 zijn niet verplicht een verzekering aan te gaan voor motorrijtuigen die hun toebehoren of op hun naam zijn ingeschreven. <W 1991-03-21/30, art. 55, 002; Inwerkingtreding : 04-09-1992> <W 1991-03-21/30, art. 169, 002; Inwerkingtreding : 5555-55-55> <W 1991-03-21/30, art. 130, 002; Inwerkingtreding : 01-10-1992> <KB 1997-02-18/30, art. 10, 006; Inwerkingtreding : onbepaald > <KB 2004-10-18/32, art. 24, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
Als er geen verzekering is, dekken zij zelf, overeenkomstig deze wet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, daarbij zijn de in de artikelen 3 en 4 bedoelde uitsluitingen en beperkingen van toepassing, tenzij de Koning anders bepaalt.
Indien zij niet tot schadevergoeding zijn gehouden uit hoofde van hun eigen aansprakelijkheid, hebben zij jegens de benadeelden dezelfde verplichtingen als de verzekeraar. Zij kunnen in ieder geval in de zaak betrokken worden voor het strafgerecht waarbij de burgerlijke rechtsvordering tegen degene die de schade heeft veroorzaakt, aanhangig is.
Zij hebben jegens de benadeelde de verplichtingen (die artikel 19bis -11, § 1, 3°) en 4°)) aan het Waarborgfonds oplegt, als de bestuurder of de houder van het motorrijtuig zich door diefstal, geweldpleging of heling daarover de macht heeft verschaft of als hij van alle aansprakelijkheid is ontslagen wegens toeval of overmacht. <W 2002-08-22/41, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003>
§ 2. De Koning kan de nationale of gewestelijke instellingen van openbaar nut voor gemeenschappelijk vervoer die Hij aanwijst, machtiging verlenen om de voor de Staat geldende regeling toe te passen.
Wat betreft de instellingen die afhangen van de Gewesten wordt deze machtiging evenwel verleend na advies van deze laatsten.
De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder die machtiging wordt verleend en ingetrokken, alsook de controlemaatregelen die nodig zijn.
Aan de machtiging kan onder meer de voorwaarde worden verbonden dat zekerheid wordt gesteld bij de Deposito- en Consignatiekas.
[4 § 3. Wanneer een motorrijtuig dat valt onder de toepassing van de bij wet van 9 januari 1953 goedgekeurde Overeenkomst tussen de bij het Noord-Atlantisch Verdrag aangesloten Staten betreffende de rechtspositie van hun krijgsmachten, en van de bijlage, ondertekend op 19 juni 1951 te Londen en dat gewoonlijk is gestald in het buitenland, in België schade toebrengt, betaalt de Staat de schadevergoeding overeenkomstig § 1 en onverminderd de toepassing van artikel 2, § 2.]4
Als er geen verzekering is, dekken zij zelf, overeenkomstig deze wet de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, daarbij zijn de in de artikelen 3 en 4 bedoelde uitsluitingen en beperkingen van toepassing, tenzij de Koning anders bepaalt.
Indien zij niet tot schadevergoeding zijn gehouden uit hoofde van hun eigen aansprakelijkheid, hebben zij jegens de benadeelden dezelfde verplichtingen als de verzekeraar. Zij kunnen in ieder geval in de zaak betrokken worden voor het strafgerecht waarbij de burgerlijke rechtsvordering tegen degene die de schade heeft veroorzaakt, aanhangig is.
Zij hebben jegens de benadeelde de verplichtingen (die artikel 19bis -11, § 1, 3°) en 4°)) aan het Waarborgfonds oplegt, als de bestuurder of de houder van het motorrijtuig zich door diefstal, geweldpleging of heling daarover de macht heeft verschaft of als hij van alle aansprakelijkheid is ontslagen wegens toeval of overmacht. <W 2002-08-22/41, art. 5, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003>
§ 2. De Koning kan de nationale of gewestelijke instellingen van openbaar nut voor gemeenschappelijk vervoer die Hij aanwijst, machtiging verlenen om de voor de Staat geldende regeling toe te passen.
Wat betreft de instellingen die afhangen van de Gewesten wordt deze machtiging evenwel verleend na advies van deze laatsten.
De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder die machtiging wordt verleend en ingetrokken, alsook de controlemaatregelen die nodig zijn.
Aan de machtiging kan onder meer de voorwaarde worden verbonden dat zekerheid wordt gesteld bij de Deposito- en Consignatiekas.
[4 § 3. Wanneer een motorrijtuig dat valt onder de toepassing van de bij wet van 9 januari 1953 goedgekeurde Overeenkomst tussen de bij het Noord-Atlantisch Verdrag aangesloten Staten betreffende de rechtspositie van hun krijgsmachten, en van de bijlage, ondertekend op 19 juni 1951 te Londen en dat gewoonlijk is gestald in het buitenland, in België schade toebrengt, betaalt de Staat de schadevergoeding overeenkomstig § 1 en onverminderd de toepassing van artikel 2, § 2.]4
Wijzigingen
Art. 10. § 1. L'Etat, les Régions, les Communautés, ([3 Proximus]3), (la Société nationale des voies aériennes (S.N.V.A.)), la Société nationale des chemins de fer belges, ([2 ...]2, Infrabel), la Société nationale des chemins de fer vicinaux, (...) et [1 bpost]1 ne sont pas tenus de contracter une assurance pour les véhicules leur appartenant ou immatriculés en leur nom. <L 1991-03-21/30, art. 55, 002; En vigueur : 04-09-1992> <L 1991-03-21/30, art. 169, 002; En vigueur : 5555-55-55> <L 1991-03-21/30, art. 130, 002; En vigueur : 01-10-1992> <AR 1997-02-18/30, art. 10, 006; En vigueur : indéterminée > <AR 2004-10-18/32, art. 24, 014; En vigueur : 01-01-2005> <AR 2004-10-18/32, art. 24, 014 ; En vigueur : 01-01-2005>
En l'absence d'assurance, ils couvrent eux-mêmes conformément à la présente loi la responsabilité civile à laquelle le véhicule automoteur peut donner lieu, les exclusions et limitations prévues aux articles 3 et 4 étant applicables si le Roi n'en dispose autrement.
Lorsqu'ils ne sont pas obligés de réparer le dommage, en raison de la responsabilité civile qui leur est propre, ils sont tenus, à l'égard des personnes lésées, dans les mêmes conditions que l'assureur. Ils peuvent en tout cas être mis en cause devant la juridiction répressive, saisie de l'action civile intentée contre l'auteur du dommage.
Ils ont, à l'égard de la personne lésée, les obligations mises à charge du Fonds de garantie (par l'article 19bis-11, § 1er, 3°) et 4°)) si le conducteur ou le détenteur du véhicule automoteur s'en est rendu maître par vol, violence ou par suite de recel, ou s'il est exonéré de toute responsabilité par suite d'un cas fortuit. <L 2002-08-22/41, art. 5, 010; En vigueur : 19-01-2003>
§ 2. Le Roi peut autoriser les organismes d'intérêt public de transport en commun nationaux ou régionaux qu'Il désigne à bénéficier du régime applicable à l'Etat.
Toutefois, en ce qui concerne les organismes qui dépendent des Régions, cette autorisation est accordée après avis de celles-ci.
Le Roi fixe les conditions d'octroi et de retrait de cette autorisation, ainsi que les mesures de contrôle nécessaires.
L'autorisation peut notamment être subordonnée au dépôt d'un cautionnement à la Caisse de dépôts et consignations.
[4 § 3. Lorsqu'un véhicule automoteur tombant sous l'application de la loi du 9 janvier 1953 portant approbation de la Convention entre les Etats parties au Traité de l'Atlantique nord sur le statut de leurs forces et de l'annexe, signées à Londres le 19 juin 1951 et qui est habituellement stationné à l'étranger, cause des dommages en Belgique, l'Etat paie l'indemnisation conformément au § 1er et sans préjudice de l'application de l'article 2, § 2.]4
En l'absence d'assurance, ils couvrent eux-mêmes conformément à la présente loi la responsabilité civile à laquelle le véhicule automoteur peut donner lieu, les exclusions et limitations prévues aux articles 3 et 4 étant applicables si le Roi n'en dispose autrement.
Lorsqu'ils ne sont pas obligés de réparer le dommage, en raison de la responsabilité civile qui leur est propre, ils sont tenus, à l'égard des personnes lésées, dans les mêmes conditions que l'assureur. Ils peuvent en tout cas être mis en cause devant la juridiction répressive, saisie de l'action civile intentée contre l'auteur du dommage.
Ils ont, à l'égard de la personne lésée, les obligations mises à charge du Fonds de garantie (par l'article 19bis-11, § 1er, 3°) et 4°)) si le conducteur ou le détenteur du véhicule automoteur s'en est rendu maître par vol, violence ou par suite de recel, ou s'il est exonéré de toute responsabilité par suite d'un cas fortuit. <L 2002-08-22/41, art. 5, 010; En vigueur : 19-01-2003>
§ 2. Le Roi peut autoriser les organismes d'intérêt public de transport en commun nationaux ou régionaux qu'Il désigne à bénéficier du régime applicable à l'Etat.
Toutefois, en ce qui concerne les organismes qui dépendent des Régions, cette autorisation est accordée après avis de celles-ci.
Le Roi fixe les conditions d'octroi et de retrait de cette autorisation, ainsi que les mesures de contrôle nécessaires.
L'autorisation peut notamment être subordonnée au dépôt d'un cautionnement à la Caisse de dépôts et consignations.
[4 § 3. Lorsqu'un véhicule automoteur tombant sous l'application de la loi du 9 janvier 1953 portant approbation de la Convention entre les Etats parties au Traité de l'Atlantique nord sur le statut de leurs forces et de l'annexe, signées à Londres le 19 juin 1951 et qui est habituellement stationné à l'étranger, cause des dommages en Belgique, l'Etat paie l'indemnisation conformément au § 1er et sans préjudice de l'application de l'article 2, § 2.]4
Wijzigingen
Art. 11. § 1. De motorrijtuigen die gewoonlijk gestald zijn buiten het grondgebied van België, zijn in België vrijgesteld van de toepassing van artikel 2 wanneer zij in het bezit zijn van een verklaring afgegeven door de regering van een andere Staat, waaruit blijkt dat het rijtuig aan die Staat toebehoort of, indien het een federale Staat betreft, dat het aan die Staat of aan een van zijn deelstaten toebehoort; in dit laatste geval wordt de verklaring afgegeven door de federale regering.
§ 2. In die verklaring wordt de autoriteit of de instelling aangewezen die belast is met de vergoeding van de schade overeenkomstig de Belgische wet, en volgens die wet gedagvaard kan worden voor de bevoegde rechter. De Staat of het land waaraan dat rijtuig toebehoort staat in voor de afdoening ervan.
§ 2. In die verklaring wordt de autoriteit of de instelling aangewezen die belast is met de vergoeding van de schade overeenkomstig de Belgische wet, en volgens die wet gedagvaard kan worden voor de bevoegde rechter. De Staat of het land waaraan dat rijtuig toebehoort staat in voor de afdoening ervan.
Art. 11. § 1. Les véhicules automoteurs ayant leur stationnement habituel en dehors du territoire de la Belgique seront dispensés, en Belgique, de l'application de l'article 2 lorsqu'ils seront munis d'une attestation du gouvernement d'un autre Etat constatant que le véhicule appartient à cet Etat ou, s'il s'agit d'un Etat fédéral, à celui-ci ou à l'un de ses pays membres; dans ce dernier cas, l'attestation sera délivrée par le gouvernement fédéral.
§ 2. Cette attestation désignera l'autorité ou l'organisme qui sera chargé de réparer le dommage conformément à la loi belge et qui sera susceptible d'être cité, devant les juridictions compétentes selon cette loi. L'Etat ou le pays auquel appartient ce véhicule se portera garant dudit règlement.
§ 2. Cette attestation désignera l'autorité ou l'organisme qui sera chargé de réparer le dommage conformément à la loi belge et qui sera susceptible d'être cité, devant les juridictions compétentes selon cette loi. L'Etat ou le pays auquel appartient ce véhicule se portera garant dudit règlement.
HOOFDSTUK IV. - Vordering van de benadeelde tegenover de verzekeraar en de schaderegelaar
CHAPITRE IV. - De l'action de la personne lésée contre l'assureur et le représentant chargé du règlement des sinistres
Afdeling 1. - De schaderegelaar.
Section 1. - Du représentant chargé du règlement des sinistres
Art. 12. <W 2002-08-22/41, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003> § 1. [1 Iedere verzekeringsonderneming die een vergunning bekomen heeft om de risico's te dekken die zijn ingedeeld bij tak 10 van bijlage I bij de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, uitgezonderd de aansprakelijkheid van de vervoerder, wijst in iedere andere Staat van de Europese Economische Ruimte dan België, een schaderegelaar aan.
Deze schaderegelaar wordt belast met de behandeling en afwikkeling van verzoeken tot schadevergoeding ten gevolge van een ongeval voorgekomen op het grondgebied van een land waarvan het Nationaal Bureau aangesloten is bij het systeem van het internationaal verzekeringsbewijs en wanneer het een voertuig betreft dat gewoonlijk gestald is in een Staat van de Europese Economische Ruimte, dat verzekerd is voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen door de onderneming die hem heeft aangewezen. De schaderegelaar heeft zijn verblijfplaats of vestiging in de Staat waar hij is aangewezen.]1
§ 2. De keuze van de schaderegelaar wordt overgelaten aan het oordeel van de verzekeringsonderneming.
§ 3. De schaderegelaar kan voor rekening van een of meer verzekeringsondernemingen optreden.
§ 4. De schaderegelaar verzamelt, met betrekking tot de verzoeken tot schadevergoeding, alle inlichtingen die nodig zijn om deze te kunnen afhandelen en neemt alle passende maatregelen om over een afwikkeling te onderhandelen. De vereiste om een schaderegelaar aan te wijzen doet geen afbreuk aan het recht van de benadeelde, of diens verzekeringsonderneming, om rechtstreeks degene die het ongeval heeft veroorzaakt, of diens verzekeringsonderneming, in rechte aan te spreken.
§ 5. [1 De schaderegelaar beschikt over voldoende bevoegdheden om de verzekeringsonderneming ten aanzien van de benadeelden te vertegenwoordigen en om hun verzoeken tot schadevergoeding volledig af te handelen. Tot de voldoende bevoegdheden waarover de schaderegelaar beschikt, behoort onder meer de bevoegdheid om rechtsgeldig de betekening in ontvangst te nemen van gerechtelijke akten die zijn vereist om bij de bevoegde rechter een vordering tot schadevergoeding in te stellen. Hij moet in staat zijn de zaak in de officiële taal of talen van de Staat van de verblijfplaats van de benadeelde te behandelen.]1
§ 6. [1 De aanwijzing van een schaderegelaar wordt op zich niet beschouwd als de opening van een bijkantoor in de zin van artikel 15, 33°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
De schaderegelaar wordt niet beschouwd als een vestiging in de zin van:
1° artikel 15, 34°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
2° Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano op 30 oktober 2007 en het Besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 inzake de sluiting van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.]1
Deze schaderegelaar wordt belast met de behandeling en afwikkeling van verzoeken tot schadevergoeding ten gevolge van een ongeval voorgekomen op het grondgebied van een land waarvan het Nationaal Bureau aangesloten is bij het systeem van het internationaal verzekeringsbewijs en wanneer het een voertuig betreft dat gewoonlijk gestald is in een Staat van de Europese Economische Ruimte, dat verzekerd is voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen door de onderneming die hem heeft aangewezen. De schaderegelaar heeft zijn verblijfplaats of vestiging in de Staat waar hij is aangewezen.]1
§ 2. De keuze van de schaderegelaar wordt overgelaten aan het oordeel van de verzekeringsonderneming.
§ 3. De schaderegelaar kan voor rekening van een of meer verzekeringsondernemingen optreden.
§ 4. De schaderegelaar verzamelt, met betrekking tot de verzoeken tot schadevergoeding, alle inlichtingen die nodig zijn om deze te kunnen afhandelen en neemt alle passende maatregelen om over een afwikkeling te onderhandelen. De vereiste om een schaderegelaar aan te wijzen doet geen afbreuk aan het recht van de benadeelde, of diens verzekeringsonderneming, om rechtstreeks degene die het ongeval heeft veroorzaakt, of diens verzekeringsonderneming, in rechte aan te spreken.
§ 5. [1 De schaderegelaar beschikt over voldoende bevoegdheden om de verzekeringsonderneming ten aanzien van de benadeelden te vertegenwoordigen en om hun verzoeken tot schadevergoeding volledig af te handelen. Tot de voldoende bevoegdheden waarover de schaderegelaar beschikt, behoort onder meer de bevoegdheid om rechtsgeldig de betekening in ontvangst te nemen van gerechtelijke akten die zijn vereist om bij de bevoegde rechter een vordering tot schadevergoeding in te stellen. Hij moet in staat zijn de zaak in de officiële taal of talen van de Staat van de verblijfplaats van de benadeelde te behandelen.]1
§ 6. [1 De aanwijzing van een schaderegelaar wordt op zich niet beschouwd als de opening van een bijkantoor in de zin van artikel 15, 33°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen.
De schaderegelaar wordt niet beschouwd als een vestiging in de zin van:
1° artikel 15, 34°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
2° Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano op 30 oktober 2007 en het Besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 inzake de sluiting van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.]1
Art. 12. <L 2002-08-22/41, art. 6, 010; En vigueur : 19-01-2003> § 1er. [1 Chaque entreprise d'assurances ayant obtenu un agrément pour couvrir les risques classés dans la branche 10 de l'annexe I à la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, à l'exclusion de la responsabilité civile du transporteur, désigne, dans chacun des Etats de l'Espace économique européen autre que la Belgique, un représentant chargé du règlement des sinistres.
Ce représentant a pour mission de traiter et de régler les demandes d'indemnisation résultant d'un accident survenu sur le territoire d'un pays dont le Bureau national a adhéré au système de la preuve internationale d'assurance et impliquant un véhicule ayant son stationnement habituel sur le territoire d'un Etat de l'Espace économique européen, assuré en responsabilité civile automobile par l'entreprise qui l'a désigné. Le représentant chargé du règlement des sinistres a sa résidence ou est établi dans l'Etat où il est désigné.]1
§ 2. Le choix du représentant chargé du règlement des sinistres est laissé à l'appréciation de l'entreprise d'assurances.
§ 3. Le représentant chargé du règlement des sinistres peut agir pour le compte d'une ou de plusieurs entreprises d'assurances.
§ 4. Le représentant chargé du règlement des sinistres réunit, à propos des demandes d'indemnisation, toutes les informations nécessaires pour pouvoir les traiter et prend les mesures adéquates pour en négocier le règlement. L'exigence relative à la désignation d'un représentant n'exclut pas le droit pour la personne lésée ou son entreprise d'assurances d'engager directement des procédures contre la personne ayant causé l'accident ou son entreprise d'assurances.
§ 5. [1 Le représentant chargé du règlement des sinistres dispose de pouvoirs suffisants pour représenter l'entreprise d'assurances auprès des personnes lésées et pour traiter intégralement leurs demandes d'indemnisation. Parmi les pouvoirs suffisants dont dispose le représentant chargé du règlement des sinistres, figure l'habilitation de celui-ci à recevoir valablement la notification des actes judiciaires nécessaires à l'introduction d'une procédure en réparation d'un sinistre devant la juridiction compétente. Il doit être en mesure d'examiner l'affaire dans la ou les langues officielles de l'Etat de résidence de la personne lésée.]1
§ 6. [1 La désignation d'un représentant chargé du règlement des sinistres ne constitue pas en soi l'ouverture d'une succursale au sens de l'article 15, 33°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance.
Le représentant chargé du règlement des sinistres n'est pas considéré comme un établissement au sens:
1° de l'article 15, 34°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;
2° du règlement (UE) n° 1215/2012 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2012 concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale, de la Convention concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale signée à Lugano le 30 octobre 2007 et de la décision 2009/430/CE du Conseil du 27 novembre 2008 relative à la conclusion de la convention sur la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale.]1
Ce représentant a pour mission de traiter et de régler les demandes d'indemnisation résultant d'un accident survenu sur le territoire d'un pays dont le Bureau national a adhéré au système de la preuve internationale d'assurance et impliquant un véhicule ayant son stationnement habituel sur le territoire d'un Etat de l'Espace économique européen, assuré en responsabilité civile automobile par l'entreprise qui l'a désigné. Le représentant chargé du règlement des sinistres a sa résidence ou est établi dans l'Etat où il est désigné.]1
§ 2. Le choix du représentant chargé du règlement des sinistres est laissé à l'appréciation de l'entreprise d'assurances.
§ 3. Le représentant chargé du règlement des sinistres peut agir pour le compte d'une ou de plusieurs entreprises d'assurances.
§ 4. Le représentant chargé du règlement des sinistres réunit, à propos des demandes d'indemnisation, toutes les informations nécessaires pour pouvoir les traiter et prend les mesures adéquates pour en négocier le règlement. L'exigence relative à la désignation d'un représentant n'exclut pas le droit pour la personne lésée ou son entreprise d'assurances d'engager directement des procédures contre la personne ayant causé l'accident ou son entreprise d'assurances.
§ 5. [1 Le représentant chargé du règlement des sinistres dispose de pouvoirs suffisants pour représenter l'entreprise d'assurances auprès des personnes lésées et pour traiter intégralement leurs demandes d'indemnisation. Parmi les pouvoirs suffisants dont dispose le représentant chargé du règlement des sinistres, figure l'habilitation de celui-ci à recevoir valablement la notification des actes judiciaires nécessaires à l'introduction d'une procédure en réparation d'un sinistre devant la juridiction compétente. Il doit être en mesure d'examiner l'affaire dans la ou les langues officielles de l'Etat de résidence de la personne lésée.]1
§ 6. [1 La désignation d'un représentant chargé du règlement des sinistres ne constitue pas en soi l'ouverture d'une succursale au sens de l'article 15, 33°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance.
Le représentant chargé du règlement des sinistres n'est pas considéré comme un établissement au sens:
1° de l'article 15, 34°, de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;
2° du règlement (UE) n° 1215/2012 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2012 concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale, de la Convention concernant la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale signée à Lugano le 30 octobre 2007 et de la décision 2009/430/CE du Conseil du 27 novembre 2008 relative à la conclusion de la convention sur la compétence judiciaire, la reconnaissance et l'exécution des décisions en matière civile et commerciale.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende het instellen en het vervolgen van de vordering
Section 2. - Dispositions relatives à l'introduction et à la poursuite de l'action.
Art. 13. [1 § 1. Binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de benadeelde een verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, moet de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van degene aan wie het schadegeval wordt toegerekend, of de verzekeraar van de eigenaar, de houder of de bestuurder van het motorrijtuig betrokken in het ongeval in de zin van artikel 29bis, § 1, eerste lid, of artikel 29ter, § 1, of hun schaderegelaar, een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding voorleggen, wanneer aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de dekking van de aansprakelijkheid door de verzekeringsovereenkomst of de toepassing van artikel 29bis of van artikel 29ter wordt niet betwist; en
2° de aansprakelijkheid wordt niet betwist en de schade wordt niet betwist en werd gekwantificeerd.
Wanneer de schade niet volledig gekwantificeerd is, moet de verzekeraar of zijn schaderegelaar een voorstel tot voorschot voorleggen. Wat de lichamelijke schade betreft, heeft het voorschot ten minste betrekking op de reeds gemaakte kosten en op het zonder betwisting verschuldigde bedrag in het licht van de reeds gekende gevolgen van de geleden schade en, in het bijzonder, de periodes van tijdelijke ongeschiktheid en invaliditeit die al zijn verstreken en nog te verwachten zijn op basis van de beschikbare, al dan niet tegensprekelijke, verslagen van de medische expertise. Het in aanmerking te nemen toekomstige nadeel mag beperkt worden tot de drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend.
De verzekeraar keert de schadevergoeding onverwijld aan de benadeelde uit en in ieder geval binnen dertig werkdagen die volgen op de datum van de ontvangst door de verzekeraar van de aanvaarding van zijn met redenen omkleed voorstel van schadevergoeding door de benadeelde.
In voorkomend geval deelt de verzekeraar aan de benadeelde de conclusies mee van het voorlopig eenzijdig verslag van de medische expertise, waarbij hij verduidelijkt dat het om een voorlopig medisch verslag gaat en de benadeelde aanbeveelt zich te informeren over waar hij recht op heeft.
§ 2. De benadeelde aan wie een voorstel tot voorschot wordt gericht, kan ten vroegste zes maanden na het vorige verzoek, een nieuw verzoek indienen op basis van later verzamelde aanvullende informatie over de schade en de evolutie hiervan.
§ 3. Indien geen voorstel tot schadevergoeding is voorgelegd binnen de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde termijn van drie maanden, is de verzekeraar van rechtswege gehouden ten voordele van de benadeelde tot betaling van een bijkomend bedrag dat overeenkomt met de wettelijke interestvoet, toegepast op de vergoeding of het voorschot door de verzekeraar voorgesteld of door de rechter aan de benadeelde toegewezen, en dit gedurende een termijn die ingaat op de dag waarop de genoemde termijn van drie maanden verstrijkt en die loopt tot de dag volgend op de dag van ontvangst van het voorstel door de benadeelde of, in voorkomend geval, tot de dag waarop het vonnis of arrest waarbij de vergoeding wordt toegewezen in kracht van gewijsde is gegaan.
Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het in paragraaf 1 bedoelde voorstel, niet betaald wordt binnen dertig werkdagen die volgen op de datum van de ontvangst door de verzekeraar van de aanvaarding van dit voorstel door de benadeelde. In dit geval loopt de termijn vanaf de dag van de ontvangst van de aanvaarding tot de dag waarop het bedrag aan de benadeelde is gestort.
Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het in paragraaf 1 bedoelde voorstel kennelijk ontoereikend is. De interest wordt berekend op het verschil tussen het bedrag vermeld in het voorstel en het bedrag vermeld in het vonnis of arrest in verband met dit voorstel en dat kracht van gewijsde heeft. De termijn loopt vanaf de dag na het verstrijken van genoemde termijn van drie maanden tot de dag van het vonnis of het arrest.
§ 4. De voorstellen tot voorschot mogen in geen geval een kwijting voor saldo van rekening bevatten, zelfs geen gedeeltelijke kwijting.
§ 5. Verzoeken van de verzekeraar in verband met documenten en inlichtingen die hem in staat moeten stellen om te bepalen of het schadegeval dat zich voordeed door de waarborg gedekt is, alsook om het bedrag van de prestatie te bepalen, moeten redelijk en relevant zijn.]1
1° de dekking van de aansprakelijkheid door de verzekeringsovereenkomst of de toepassing van artikel 29bis of van artikel 29ter wordt niet betwist; en
2° de aansprakelijkheid wordt niet betwist en de schade wordt niet betwist en werd gekwantificeerd.
Wanneer de schade niet volledig gekwantificeerd is, moet de verzekeraar of zijn schaderegelaar een voorstel tot voorschot voorleggen. Wat de lichamelijke schade betreft, heeft het voorschot ten minste betrekking op de reeds gemaakte kosten en op het zonder betwisting verschuldigde bedrag in het licht van de reeds gekende gevolgen van de geleden schade en, in het bijzonder, de periodes van tijdelijke ongeschiktheid en invaliditeit die al zijn verstreken en nog te verwachten zijn op basis van de beschikbare, al dan niet tegensprekelijke, verslagen van de medische expertise. Het in aanmerking te nemen toekomstige nadeel mag beperkt worden tot de drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend.
De verzekeraar keert de schadevergoeding onverwijld aan de benadeelde uit en in ieder geval binnen dertig werkdagen die volgen op de datum van de ontvangst door de verzekeraar van de aanvaarding van zijn met redenen omkleed voorstel van schadevergoeding door de benadeelde.
In voorkomend geval deelt de verzekeraar aan de benadeelde de conclusies mee van het voorlopig eenzijdig verslag van de medische expertise, waarbij hij verduidelijkt dat het om een voorlopig medisch verslag gaat en de benadeelde aanbeveelt zich te informeren over waar hij recht op heeft.
§ 2. De benadeelde aan wie een voorstel tot voorschot wordt gericht, kan ten vroegste zes maanden na het vorige verzoek, een nieuw verzoek indienen op basis van later verzamelde aanvullende informatie over de schade en de evolutie hiervan.
§ 3. Indien geen voorstel tot schadevergoeding is voorgelegd binnen de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde termijn van drie maanden, is de verzekeraar van rechtswege gehouden ten voordele van de benadeelde tot betaling van een bijkomend bedrag dat overeenkomt met de wettelijke interestvoet, toegepast op de vergoeding of het voorschot door de verzekeraar voorgesteld of door de rechter aan de benadeelde toegewezen, en dit gedurende een termijn die ingaat op de dag waarop de genoemde termijn van drie maanden verstrijkt en die loopt tot de dag volgend op de dag van ontvangst van het voorstel door de benadeelde of, in voorkomend geval, tot de dag waarop het vonnis of arrest waarbij de vergoeding wordt toegewezen in kracht van gewijsde is gegaan.
Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het in paragraaf 1 bedoelde voorstel, niet betaald wordt binnen dertig werkdagen die volgen op de datum van de ontvangst door de verzekeraar van de aanvaarding van dit voorstel door de benadeelde. In dit geval loopt de termijn vanaf de dag van de ontvangst van de aanvaarding tot de dag waarop het bedrag aan de benadeelde is gestort.
Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het in paragraaf 1 bedoelde voorstel kennelijk ontoereikend is. De interest wordt berekend op het verschil tussen het bedrag vermeld in het voorstel en het bedrag vermeld in het vonnis of arrest in verband met dit voorstel en dat kracht van gewijsde heeft. De termijn loopt vanaf de dag na het verstrijken van genoemde termijn van drie maanden tot de dag van het vonnis of het arrest.
§ 4. De voorstellen tot voorschot mogen in geen geval een kwijting voor saldo van rekening bevatten, zelfs geen gedeeltelijke kwijting.
§ 5. Verzoeken van de verzekeraar in verband met documenten en inlichtingen die hem in staat moeten stellen om te bepalen of het schadegeval dat zich voordeed door de waarborg gedekt is, alsook om het bedrag van de prestatie te bepalen, moeten redelijk en relevant zijn.]1
Art. 13. [1 § 1er. Dans un délai de trois mois à compter de la date à laquelle la personne lésée a présenté une demande d'indemnisation, l'assureur qui couvre la responsabilité de la personne à qui le sinistre est imputé ou l'assureur du propriétaire, du détenteur ou du conducteur du véhicule automoteur impliqué dans l'accident au sens de l'article 29bis, § 1er, alinéa 1er, ou de l'article 29ter, § 1er, ou leur représentant chargé du règlement des sinistres, est tenu de présenter une offre d'indemnisation motivée lorsque chacune des conditions suivantes est remplie:
1° la couverture de la responsabilité par le contrat d'assurance ou l'application de l'article 29bis ou de l'article 29ter n'est pas contestée; et
2° la responsabilité n'est pas contestée, et le dommage n'est pas contesté et a été quantifié.
Lorsque le dommage n'est pas entièrement quantifié, l'assureur ou son représentant chargé du règlement des sinistres doit présenter une offre d'avance. En ce qui concerne le dommage corporel, l'avance porte au moins sur les frais déjà exposés et sur l'incontestablement dû au regard des conséquences déjà connues du dommage subi et, en particulier, des périodes d'incapacité et d'invalidité temporaires déjà écoulées et prévisibles sur la base des rapports d'expertise médicale, contradictoires ou non, disponibles. La prise en compte du préjudice futur peut être limitée aux trois mois suivant la date à laquelle la personne lésée a présenté sa demande d'indemnisation.
L'assureur verse l'indemnisation à la personne lésée sans délai et, en tout cas, dans les trente jours ouvrables qui suivent la date à laquelle l'assureur reçoit l'acceptation de son offre motivée d'indemnisation par la personne lésée.
Le cas échéant, l'assureur communique à la personne lésée les conclusions du rapport provisoire unilatéral d'expertise médicale, en précisant qu'il s'agit d'un rapport médical provisoire, et en recommandant à la personne lésée de s'informer de ce à quoi elle a droit.
§ 2. La personne lésée qui s'est vu adresser une offre d'avance peut, au plus tôt six mois après la demande précédente, introduire une nouvelle demande sur la base des informations complémentaires recueillies ultérieurement sur son dommage et son évolution.
§ 3. Si aucune offre d'indemnisation n'est présentée dans le délai de trois mois visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, l'assureur est tenu de plein droit en faveur de la personne lésée au paiement d'un montant complémentaire, correspondant à l'intérêt légal sur le montant de l'indemnisation ou de l'avance offerte par l'assureur ou octroyée par le juge à la personne lésée, pendant un délai qui court du jour de l'expiration du délai de trois mois précité au jour suivant celui de la réception de l'offre par la personne lésée ou, le cas échéant, au jour où le jugement ou l'arrêt par lequel l'indemnisation est accordée est coulé en force de chose jugée.
La même sanction est applicable lorsque le montant proposé dans l'offre visée au paragraphe 1er n'est pas liquidé dans les trente jours ouvrables qui suivent la date à laquelle l'assureur reçoit l'acceptation de cette offre par la personne lésée. Dans ce cas, le délai court du jour de la réception de l'acceptation au jour où la somme a été versée à la personne lésée.
La même sanction est applicable lorsque le montant proposé dans l'offre visée au paragraphe 1er est manifestement insuffisant. L'intérêt est calculé sur la différence entre le montant mentionné dans l'offre et le montant mentionné dans le jugement ou dans l'arrêt relatif à cette offre et passé en force de chose jugée. Le délai court du lendemain de l'expiration du délai de trois mois précité au jour du jugement ou de l'arrêt.
§ 4. En aucun cas les offres d'avance ne peuvent contenir quittance pour solde de compte, même partiel.
§ 5. Les demandes de l'assureur relatives aux documents et informations visant à lui permettre de déterminer si le sinistre survenu est couvert par la garantie ainsi que le montant de la prestation doivent être raisonnables et pertinentes.]1
1° la couverture de la responsabilité par le contrat d'assurance ou l'application de l'article 29bis ou de l'article 29ter n'est pas contestée; et
2° la responsabilité n'est pas contestée, et le dommage n'est pas contesté et a été quantifié.
Lorsque le dommage n'est pas entièrement quantifié, l'assureur ou son représentant chargé du règlement des sinistres doit présenter une offre d'avance. En ce qui concerne le dommage corporel, l'avance porte au moins sur les frais déjà exposés et sur l'incontestablement dû au regard des conséquences déjà connues du dommage subi et, en particulier, des périodes d'incapacité et d'invalidité temporaires déjà écoulées et prévisibles sur la base des rapports d'expertise médicale, contradictoires ou non, disponibles. La prise en compte du préjudice futur peut être limitée aux trois mois suivant la date à laquelle la personne lésée a présenté sa demande d'indemnisation.
L'assureur verse l'indemnisation à la personne lésée sans délai et, en tout cas, dans les trente jours ouvrables qui suivent la date à laquelle l'assureur reçoit l'acceptation de son offre motivée d'indemnisation par la personne lésée.
Le cas échéant, l'assureur communique à la personne lésée les conclusions du rapport provisoire unilatéral d'expertise médicale, en précisant qu'il s'agit d'un rapport médical provisoire, et en recommandant à la personne lésée de s'informer de ce à quoi elle a droit.
§ 2. La personne lésée qui s'est vu adresser une offre d'avance peut, au plus tôt six mois après la demande précédente, introduire une nouvelle demande sur la base des informations complémentaires recueillies ultérieurement sur son dommage et son évolution.
§ 3. Si aucune offre d'indemnisation n'est présentée dans le délai de trois mois visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, l'assureur est tenu de plein droit en faveur de la personne lésée au paiement d'un montant complémentaire, correspondant à l'intérêt légal sur le montant de l'indemnisation ou de l'avance offerte par l'assureur ou octroyée par le juge à la personne lésée, pendant un délai qui court du jour de l'expiration du délai de trois mois précité au jour suivant celui de la réception de l'offre par la personne lésée ou, le cas échéant, au jour où le jugement ou l'arrêt par lequel l'indemnisation est accordée est coulé en force de chose jugée.
La même sanction est applicable lorsque le montant proposé dans l'offre visée au paragraphe 1er n'est pas liquidé dans les trente jours ouvrables qui suivent la date à laquelle l'assureur reçoit l'acceptation de cette offre par la personne lésée. Dans ce cas, le délai court du jour de la réception de l'acceptation au jour où la somme a été versée à la personne lésée.
La même sanction est applicable lorsque le montant proposé dans l'offre visée au paragraphe 1er est manifestement insuffisant. L'intérêt est calculé sur la différence entre le montant mentionné dans l'offre et le montant mentionné dans le jugement ou dans l'arrêt relatif à cette offre et passé en force de chose jugée. Le délai court du lendemain de l'expiration du délai de trois mois précité au jour du jugement ou de l'arrêt.
§ 4. En aucun cas les offres d'avance ne peuvent contenir quittance pour solde de compte, même partiel.
§ 5. Les demandes de l'assureur relatives aux documents et informations visant à lui permettre de déterminer si le sinistre survenu est couvert par la garantie ainsi que le montant de la prestation doivent être raisonnables et pertinentes.]1
Wijzigingen
Art. 14. [1 § 1. Wanneer de benadeelde een verzoek tot schadevergoeding indient maar:
1° de dekking van de aansprakelijkheid door de verzekeringsovereenkomst of de toepassing van artikel 29bis of artikel 29ter wordt betwist, of wanneer
2° de aansprakelijkheid of de toepassing van artikel 29bis of artikel 29ter niet duidelijk werd vastgesteld, of wanneer
3° de schade wordt betwist of niet gekwantificeerd is,
geeft de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van degene aan wie het schadegeval wordt toegerekend of de verzekeringsonderneming van de eigenaar, de houder of de bestuurder van het motorrijtuig betrokken in het ongeval in de zin van artikel 29bis, § 1, eerste lid, of artikel 29ter, § 1, of hun schaderegelaar, een met redenen omkleed antwoord op de elementen die in het verzoek worden vermeld, en dit binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop dit verzoek werd ingediend.
§ 2. Indien geen met redenen omkleed antwoord is gegeven binnen de termijn van drie maanden bedoeld in paragraaf 1, is de verzekeraar van rechtswege gehouden tot betaling van een forfaitair bedrag van 300 euro ten voordele van de benadeelde.
Wanneer de benadeelde, na het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in paragraaf 1 bij aangetekende zending of met om het even welk ander gelijkgesteld middel een herinnering aan de verzekeraar heeft verzonden, is deze van rechtswege gehouden tot betaling van een forfaitair bedrag van 300 euro per dag vertraging ten voordele van de benadeelde vanaf de dag van de verzending van de herinnering indien hij niet binnen elf dagen op de herinnering heeft geantwoord. De Koning kan de communicatiemiddelen die als gelijkgesteld met de aangetekende zending worden beschouwd, nader bepalen.
De termijn van elf dagen bedoeld in het tweede lid gaat in op de derde werkdag na de dag waarop de benadeelde de herinnering heeft verzonden, tenzij de verzekeraar het tegendeel bewijst.
Het bedrag bedoeld in het tweede lid is niet meer verschuldigd de dag volgend op de dag van de ontvangst door de benadeelde van het met redenen omklede antwoord of het gemotiveerde voorstel tot schadevergoeding.
De in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen worden jaarlijks op 1 januari automatisch geïndexeerd op basis van het meest recent beschikbare indexcijfer van de consumptieprijzen. De indexering gebeurt voor de eerste maal op 1 januari van het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit artikel, met als referentie-index de consumptieprijsindex van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel. Het basisjaar dat gebruikt wordt voor de consumptieprijsindex is 2013 = 100.]1
1° de dekking van de aansprakelijkheid door de verzekeringsovereenkomst of de toepassing van artikel 29bis of artikel 29ter wordt betwist, of wanneer
2° de aansprakelijkheid of de toepassing van artikel 29bis of artikel 29ter niet duidelijk werd vastgesteld, of wanneer
3° de schade wordt betwist of niet gekwantificeerd is,
geeft de verzekeraar die de aansprakelijkheid dekt van degene aan wie het schadegeval wordt toegerekend of de verzekeringsonderneming van de eigenaar, de houder of de bestuurder van het motorrijtuig betrokken in het ongeval in de zin van artikel 29bis, § 1, eerste lid, of artikel 29ter, § 1, of hun schaderegelaar, een met redenen omkleed antwoord op de elementen die in het verzoek worden vermeld, en dit binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop dit verzoek werd ingediend.
§ 2. Indien geen met redenen omkleed antwoord is gegeven binnen de termijn van drie maanden bedoeld in paragraaf 1, is de verzekeraar van rechtswege gehouden tot betaling van een forfaitair bedrag van 300 euro ten voordele van de benadeelde.
Wanneer de benadeelde, na het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in paragraaf 1 bij aangetekende zending of met om het even welk ander gelijkgesteld middel een herinnering aan de verzekeraar heeft verzonden, is deze van rechtswege gehouden tot betaling van een forfaitair bedrag van 300 euro per dag vertraging ten voordele van de benadeelde vanaf de dag van de verzending van de herinnering indien hij niet binnen elf dagen op de herinnering heeft geantwoord. De Koning kan de communicatiemiddelen die als gelijkgesteld met de aangetekende zending worden beschouwd, nader bepalen.
De termijn van elf dagen bedoeld in het tweede lid gaat in op de derde werkdag na de dag waarop de benadeelde de herinnering heeft verzonden, tenzij de verzekeraar het tegendeel bewijst.
Het bedrag bedoeld in het tweede lid is niet meer verschuldigd de dag volgend op de dag van de ontvangst door de benadeelde van het met redenen omklede antwoord of het gemotiveerde voorstel tot schadevergoeding.
De in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen worden jaarlijks op 1 januari automatisch geïndexeerd op basis van het meest recent beschikbare indexcijfer van de consumptieprijzen. De indexering gebeurt voor de eerste maal op 1 januari van het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit artikel, met als referentie-index de consumptieprijsindex van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel. Het basisjaar dat gebruikt wordt voor de consumptieprijsindex is 2013 = 100.]1
Art. 14. [1 § 1er. Lorsque la personne lésée présente une demande d'indemnisation mais que:
1° la couverture de la responsabilité par le contrat d'assurance ou l'application de l'article 29bis ou de l'article 29ter est contestée, ou que
2° la responsabilité ou l'application de l'article 29bis ou de l'article 29ter n'est pas clairement établie, ou que
3° le dommage est contesté ou n'est pas quantifié,
l'assureur qui couvre la responsabilité de la personne à qui le sinistre est imputé ou l'entreprise d'assurances du propriétaire, du détenteur ou du conducteur du véhicule impliqué dans l'accident au sens de l'article 29bis, § 1er, alinéa 1er, ou de l'article 29ter, § 1er, ou leur représentant chargé du règlement des sinistres, donne une réponse motivée aux éléments invoqués dans la demande dans un délai de trois mois à compter de la date à laquelle celle-ci a été présentée.
§ 2. Si aucune réponse motivée n'est donnée dans le délai de trois mois visé au paragraphe 1er, l'assureur est tenu de plein droit au paiement d'un montant forfaitaire de 300 euros en faveur de la personne lésée.
Lorsque, après l'expiration du délai de trois mois visé au paragraphe 1er la personne lésée a envoyé un rappel, par envoi recommandé ou par tout autre moyen équivalent, à l'assureur, celui-ci est tenu de plein droit au paiement d'un montant forfaitaire de 300 euros par jour de retard en faveur de la personne lésée à partir du jour de l'envoi du rappel s'il n'a pas répondu au rappel dans les onze jours. Le Roi peut préciser les moyens de communication considérés équivalents à l'envoi recommandé.
Le délai de onze jours visé à l'alinéa 2 prend cours le troisième jour ouvrable qui suit celui de l'envoi du rappel par la personne lésée, sauf preuve contraire de l'assureur.
Le montant visé à l'alinéa 2 cesse d'être dû le jour suivant celui de la réception de la réponse motivée ou de l'offre motivée d'indemnisation par la personne lésée.
Les montants visés aux alinéas 1er et 2 sont indexés automatiquement le 1er janvier de chaque année sur la base du dernier indice des prix à la consommation disponible. L'indexation a lieu pour la première fois le 1er janvier de l'année suivant l'entrée en vigueur du présent article, en utilisant comme indice de référence l'indice des prix à la consommation du mois précédant l'entrée en vigueur du présent article. L'année de base utilisée pour l'indice des prix à la consommation est 2013 = 100.]1
1° la couverture de la responsabilité par le contrat d'assurance ou l'application de l'article 29bis ou de l'article 29ter est contestée, ou que
2° la responsabilité ou l'application de l'article 29bis ou de l'article 29ter n'est pas clairement établie, ou que
3° le dommage est contesté ou n'est pas quantifié,
l'assureur qui couvre la responsabilité de la personne à qui le sinistre est imputé ou l'entreprise d'assurances du propriétaire, du détenteur ou du conducteur du véhicule impliqué dans l'accident au sens de l'article 29bis, § 1er, alinéa 1er, ou de l'article 29ter, § 1er, ou leur représentant chargé du règlement des sinistres, donne une réponse motivée aux éléments invoqués dans la demande dans un délai de trois mois à compter de la date à laquelle celle-ci a été présentée.
§ 2. Si aucune réponse motivée n'est donnée dans le délai de trois mois visé au paragraphe 1er, l'assureur est tenu de plein droit au paiement d'un montant forfaitaire de 300 euros en faveur de la personne lésée.
Lorsque, après l'expiration du délai de trois mois visé au paragraphe 1er la personne lésée a envoyé un rappel, par envoi recommandé ou par tout autre moyen équivalent, à l'assureur, celui-ci est tenu de plein droit au paiement d'un montant forfaitaire de 300 euros par jour de retard en faveur de la personne lésée à partir du jour de l'envoi du rappel s'il n'a pas répondu au rappel dans les onze jours. Le Roi peut préciser les moyens de communication considérés équivalents à l'envoi recommandé.
Le délai de onze jours visé à l'alinéa 2 prend cours le troisième jour ouvrable qui suit celui de l'envoi du rappel par la personne lésée, sauf preuve contraire de l'assureur.
Le montant visé à l'alinéa 2 cesse d'être dû le jour suivant celui de la réception de la réponse motivée ou de l'offre motivée d'indemnisation par la personne lésée.
Les montants visés aux alinéas 1er et 2 sont indexés automatiquement le 1er janvier de chaque année sur la base du dernier indice des prix à la consommation disponible. L'indexation a lieu pour la première fois le 1er janvier de l'année suivant l'entrée en vigueur du présent article, en utilisant comme indice de référence l'indice des prix à la consommation du mois précédant l'entrée en vigueur du présent article. L'année de base utilisée pour l'indice des prix à la consommation est 2013 = 100.]1
Wijzigingen
Art. 15. <W 2002-08-22/41, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003> Voor de toepassing van de bepalingen van deze wet kan de verzekeraar in België door de benadeelde worden gedagvaard, hetzij voor de rechter van de plaats van het feit waaruit de schade is ontstaan, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de benadeelde, hetzij voor de rechter van de zetel van de verzekeraar.
Art. 15. Pour l'application des dispositions de la présente loi, la personne lésée peut citer l'assureur en Belgique, soit devant le juge du lieu où s'est produit le fait générateur du dommage, soit devant le juge de son propre domicile, soit devant le juge du siège de l'assureur.
Art. 16. <W 2002-08-22/41, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003> Onverminderd het bepaalde in afdeling 3 van dit hoofdstuk kan geen uit de wet of uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende nietigheid, verweer [1 , vrijstelling]1 of verval door een verzekeraar aan een benadeelde worden tegengeworpen.
Elke verzekeringsovereenkomst met het oog op de uitvoering van deze wet gesloten, wordt, ten opzichte van de benadeelde, van rechtswege geacht elk risico te dekken dat verplicht verzekerd moet zijn.
Elke verzekeringsovereenkomst met het oog op de uitvoering van deze wet gesloten, wordt, ten opzichte van de benadeelde, van rechtswege geacht elk risico te dekken dat verplicht verzekerd moet zijn.
Art. 16. <L 2002-08-22/41, art. 6, 010; En vigueur : 19-01-2003> Sans préjudice des dispositions de la section 3 du présent chapitre, aucune nullité, aucune exception [1 , franchise]1 ou déchéance dérivant de la loi ou du contrat d'assurance ne peut être opposée par l'assureur à la personne lésée.
Tout contrat d'assurance conclu en vue de l'exécution de la présente loi est réputé couvrir de plein droit, à l'égard de la personne lésée, tous les risques qui doivent obligatoirement être assurés.
Tout contrat d'assurance conclu en vue de l'exécution de la présente loi est réputé couvrir de plein droit, à l'égard de la personne lésée, tous les risques qui doivent obligatoirement être assurés.
Wijzigingen
Art. 16bis. [1 De verzekeraar kan zich een recht van verhaal voorbehouden op de verzekeringnemer en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, wanneer hij bewijst dat op het ogenblik van het schadegeval, het verzekerde motorrijtuig bestuurd wordt :
1° door een persoon die niet voldoet aan de Belgische vereiste wettelijke minimumleeftijd om dat motorrijtuig te besturen;
2° door een persoon die niet beschikt over een geldig rijbewijs om dat motorrijtuig te besturen;
3° door een persoon die de specifieke beperkingen inzake het besturen van het motorrijtuig vermeld op zijn rijbewijs niet naleeft;
4° door een persoon die in België een rijverbod heeft zelfs indien het schadegeval zich voordoet in het buitenland.
Het recht van verhaal voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3° geldt niet wanneer de persoon, die in het buitenland het motorrijtuig bestuurt, aan de voorwaarden voldoet voorgeschreven door de plaatselijke wet en reglementen om dat motorrijtuig te besturen.
Het recht van verhaal voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4° geldt niet indien de verzekeringnemer, of de verzekerde die geen verzekeringnemer is, aantoont dat deze situatie te wijten is aan het niet naleven van een louter administratieve formaliteit.
De verzekeraar kan echter voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 4° geen verhaal uitoefenen op een verzekeringnemer, of de verzekerde die geen verzekeringnemer is, indien deze aantoont dat de tekortkomingen of de feiten waarop het verhaal gesteund is, te wijten zijn aan een andere verzekerde of dat ze zich hebben voorgedaan in strijd met zijn onderrichtingen of buiten zijn medeweten.]1
1° door een persoon die niet voldoet aan de Belgische vereiste wettelijke minimumleeftijd om dat motorrijtuig te besturen;
2° door een persoon die niet beschikt over een geldig rijbewijs om dat motorrijtuig te besturen;
3° door een persoon die de specifieke beperkingen inzake het besturen van het motorrijtuig vermeld op zijn rijbewijs niet naleeft;
4° door een persoon die in België een rijverbod heeft zelfs indien het schadegeval zich voordoet in het buitenland.
Het recht van verhaal voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3° geldt niet wanneer de persoon, die in het buitenland het motorrijtuig bestuurt, aan de voorwaarden voldoet voorgeschreven door de plaatselijke wet en reglementen om dat motorrijtuig te besturen.
Het recht van verhaal voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4° geldt niet indien de verzekeringnemer, of de verzekerde die geen verzekeringnemer is, aantoont dat deze situatie te wijten is aan het niet naleven van een louter administratieve formaliteit.
De verzekeraar kan echter voor de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° en 4° geen verhaal uitoefenen op een verzekeringnemer, of de verzekerde die geen verzekeringnemer is, indien deze aantoont dat de tekortkomingen of de feiten waarop het verhaal gesteund is, te wijten zijn aan een andere verzekerde of dat ze zich hebben voorgedaan in strijd met zijn onderrichtingen of buiten zijn medeweten.]1
Art. 16bis. [1 L'assureur peut se réserver un droit de recours contre le preneur d'assurance et, s'il y a lieu, contre l'assuré autre que le preneur d'assurance, lorsqu'il prouve qu'au moment du sinistre, le véhicule automoteur assuré est conduit :
1° par une personne n'ayant pas atteint l'âge minimum légalement requis en Belgique pour conduire ce véhicule automoteur;
2° par une personne n'étant pas titulaire d'un permis de conduire valable pour conduire ce véhicule automoteur;
3° par une personne qui a enfreint les restrictions spécifiques pour conduire le véhicule automoteur mentionnées sur son permis de conduire;
4° par une personne qui a une interdiction de conduire en cours en Belgique, même si le sinistre se produit à l'étranger.
Il n'y a pas de droit de recours pour les cas visés à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3° si la personne qui conduit le véhicule automoteur à l'étranger a respecté les conditions prescrites par la loi et les règlements locaux pour conduire le véhicule automoteur.
Il n'y a pas de droit de recours pour les cas visés à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4° lorsque le preneur d'assurance, ou l'assuré autre que le preneur d'assurance, démontre que cette situation résulte uniquement du non-respect d'une formalité purement administrative.
Toutefois, l'assureur ne peut exercer le recours pour les cas visés à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° et 4° contre le preneur d'assurance, ou l'assuré autre que le preneur d'assurance, qui établit que les manquements ou faits générateurs du recours sont imputables à un autre assuré ou se sont produits à l'encontre de ses instructions ou à son insu.]1
1° par une personne n'ayant pas atteint l'âge minimum légalement requis en Belgique pour conduire ce véhicule automoteur;
2° par une personne n'étant pas titulaire d'un permis de conduire valable pour conduire ce véhicule automoteur;
3° par une personne qui a enfreint les restrictions spécifiques pour conduire le véhicule automoteur mentionnées sur son permis de conduire;
4° par une personne qui a une interdiction de conduire en cours en Belgique, même si le sinistre se produit à l'étranger.
Il n'y a pas de droit de recours pour les cas visés à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3° si la personne qui conduit le véhicule automoteur à l'étranger a respecté les conditions prescrites par la loi et les règlements locaux pour conduire le véhicule automoteur.
Il n'y a pas de droit de recours pour les cas visés à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4° lorsque le preneur d'assurance, ou l'assuré autre que le preneur d'assurance, démontre que cette situation résulte uniquement du non-respect d'une formalité purement administrative.
Toutefois, l'assureur ne peut exercer le recours pour les cas visés à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° et 4° contre le preneur d'assurance, ou l'assuré autre que le preneur d'assurance, qui établit que les manquements ou faits générateurs du recours sont imputables à un autre assuré ou se sont produits à l'encontre de ses instructions ou à son insu.]1
Afdeling 3. - Gevallen waarin gebeurtenissen of bedingen die de verzekeringsovereenkomst beëindigen of schorsen, dan wel de door de overeenkomst geboden dekking schorsen, tegen benadeelden kunnen worden ingeroepen
Section 3. - De l'opposabilité aux personnes lésées des événements ou clauses mettant fin au contrat d'assurance, suspendant celui-ci ou la garantie qui en fait l'objet.
Art. 17. <W 2002-08-22/41, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003> § 1. In geval van overdracht van de eigendom van het motorrijtuig kunnen de bedingen van de verzekeringsovereenkomst die ertoe strekken door het loutere feit van de overdracht een einde te maken aan de verzekering betreffende dit motorrijtuig, tegen de benadeelde worden ingeroepen.
§ 2. In afwijking van § 1, blijft, gedurende zestien dagen te rekenen vanaf de overdracht en voor zover geen andere verzekering hetzelfde risico dekt, de verzekeraar van het motorrijtuig waarvan de eigendom werd overgedragen, evenwel gehouden tegenover de benadeelde persoon.
De verzekeraar is met toepassing van het eerste lid tegenover de benadeelde persoon enkel gehouden indien de schade werd veroorzaakt door :
1° het motorrijtuig waarvan de eigendom is overgedragen, als het, zelfs op ongeoorloofde wijze, aan het verkeer deelneemt onder de kentekenplaat die het voor de overgang droeg;
2° het motorrijtuig, gebruikt ter vervanging van dat waarvan de eigendom is overgedragen, als het, zelfs op ongeoorloofde wijze, aan het verkeer deelneemt onder de kentekenplaat die dit laatste voor de overdracht droeg.
§ 2. In afwijking van § 1, blijft, gedurende zestien dagen te rekenen vanaf de overdracht en voor zover geen andere verzekering hetzelfde risico dekt, de verzekeraar van het motorrijtuig waarvan de eigendom werd overgedragen, evenwel gehouden tegenover de benadeelde persoon.
De verzekeraar is met toepassing van het eerste lid tegenover de benadeelde persoon enkel gehouden indien de schade werd veroorzaakt door :
1° het motorrijtuig waarvan de eigendom is overgedragen, als het, zelfs op ongeoorloofde wijze, aan het verkeer deelneemt onder de kentekenplaat die het voor de overgang droeg;
2° het motorrijtuig, gebruikt ter vervanging van dat waarvan de eigendom is overgedragen, als het, zelfs op ongeoorloofde wijze, aan het verkeer deelneemt onder de kentekenplaat die dit laatste voor de overdracht droeg.
Art. 17. <L 2002-08-22/41, art. 6, 010; En vigueur : 19-01-2003> § 1er. En cas de transfert de propriété du véhicule automoteur, les stipulations du contrat d'assurance qui ont pour objet de mettre fin, par le seul effet du transfert, à l'assurance portant sur ce véhicule, sont opposables à la personne lésée.
§ 2. Par dérogation au § 1er, pendant seize jours à dater du transfert et pour autant qu'une autre assurance ne couvre pas le même risque, l'assureur du véhicule automoteur dont la propriété a été transférée reste cependant tenu à l'égard de la personne lésée.
En application de l'alinéa 1er, l'assureur n'est tenu à l'égard de la personne lésée que si le dommage a été causé par :
1° le véhicule dont la propriété a été transférée, s'il circule même illicitement sous la marque d'immatriculation qu'il portait avant le transfert;
2° le véhicule utilisé en remplacement de celui dont la propriété a été transférée, s'il circule même illicitement sous la marque d'immatriculation que ce dernier portait avant le transfert.
§ 2. Par dérogation au § 1er, pendant seize jours à dater du transfert et pour autant qu'une autre assurance ne couvre pas le même risque, l'assureur du véhicule automoteur dont la propriété a été transférée reste cependant tenu à l'égard de la personne lésée.
En application de l'alinéa 1er, l'assureur n'est tenu à l'égard de la personne lésée que si le dommage a été causé par :
1° le véhicule dont la propriété a été transférée, s'il circule même illicitement sous la marque d'immatriculation qu'il portait avant le transfert;
2° le véhicule utilisé en remplacement de celui dont la propriété a été transférée, s'il circule même illicitement sous la marque d'immatriculation que ce dernier portait avant le transfert.
Art. 18. <W 2002-08-22/41, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003> Artikel 17, § 2, tweede lid, is niet toepasselijk op [1 niet aan inschrijving onderworpen motorrijtuigen]1.
Art. 18. <L 2002-08-22/41, art. 6, 010; En vigueur : 19-01-2003> L'article 17, § 2, alinéa 2, n'est pas applicable aux [1 véhicules automoteurs non soumis à l'immatriculation]1.
Wijzigingen
Art. 19. <W 2002-08-22/41, art. 6, 010; Inwerkingtreding : 19-01-2003> Wanneer een motorrijtuig door een burgerlijke of militaire autoriteit in eigendom of in huur wordt opgevorderd, dekt de publiekrechtelijke persoon in wiens naam de opvordering is geschied, door dat feit zelf en voor de duur van de ingebruikneming, alleen en volgens de regels van artikel 10, § 1, de aansprakelijkheid waartoe het opgevorderde rijtuig aanleiding kan geven.
Art. 19. <L 2002-08-22/41, art. 6, 010; En vigueur : 19-01-2003> Lorsqu'un véhicule automoteur fait l'objet d'une mesure de réquisition civile ou militaire en propriété ou en location, la personne publique au nom de laquelle la réquisition a eu lieu couvre seule, par ce fait et pour la durée de la prise en charge, selon les règles de l'article 10, § 1er, la responsabilité à laquelle le véhicule réquisitionné peut donner lieu.
HOOFDSTUK IVbis. - Regels met betrekking tot de vergoeding van bepaalde schade veroorzaakt door motorrijtuigen
CHAPITRE IVbis. - Des règles relatives à la réparation de certains dommages causés par des véhicules automoteurs
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 19bis -1.<INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> De Koning laat, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, een nationaal verzekeringsbureau, hierna het Belgisch Bureau genoemd, toe met als opdracht overeenkomstig de wetgeving betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen de schade te vergoeden, in België veroorzaakt door motorrijtuigen die gewoonlijk in het buitenland gestald zijn.
[1 ...]1
[1 ...]1
Art. 19bis -1. Le Roi agrée, aux conditions qu'Il détermine, un bureau national d'assurances, ci-après dénommé le Bureau belge, qui a pour mission de réparer, conformément à la législation relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs, les dommages causés en Belgique par des véhicules ayant leur stationnement habituel à l'étranger.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 19bis -2.<INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> De Koning laat, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, een Gemeenschappelijk Waarborgfonds, hierna het Fonds benoemd, toe met als opdracht :
1°) aan de benadeelden van verkeersongevallen de bij afdeling 2 bedoelde inlichtingen te verstrekken,
2°) de schade te vergoeden door een motorrijtuig veroorzaakt in de bij Afdeling 3 vermelde gevallen.
[1 ...]1
1°) aan de benadeelden van verkeersongevallen de bij afdeling 2 bedoelde inlichtingen te verstrekken,
2°) de schade te vergoeden door een motorrijtuig veroorzaakt in de bij Afdeling 3 vermelde gevallen.
[1 ...]1
Art. 19bis -2. Le Roi agrée, aux conditions qu'Il détermine, un Fonds commun de Garantie, ci-après dénommé le Fonds, qui a pour mission :
1°) de fournir aux personnes lésées par les accidents de la circulation les informations visées à la section 2,
2°) de réparer les dommages causés par un véhicule automoteur dans les cas cités à la Section 3.
[1 ...]1
1°) de fournir aux personnes lésées par les accidents de la circulation les informations visées à la section 2,
2°) de réparer les dommages causés par un véhicule automoteur dans les cas cités à la Section 3.
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 19bis -3. <INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> De Koning keurt de statuten goed en reglementeert de controle op de activiteit van het Belgisch Bureau en het Fonds. Hij wijst de handelingen aan die in het Belgisch Staatsblad moeten worden bekendgemaakt. Zo nodig stelt de Koning het Belgisch Bureau of het Fonds in.
Art. 19bis -3. Le Roi approuve les statuts et réglemente le contrôle des activités du Bureau belge et du Fonds. II indique les actes qui doivent faire l'objet d'une publication au Moniteur belge. Au besoin, le Roi crée le Bureau belge ou le Fonds.
Art. 19bis -4.[1 De verzekeringsondernemingen, die de verplichte verzekering van de burgerlijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen beoefenen, zijn hoofdelijk gehouden tot de nodige financiële bijdragen aan het Belgisch Bureau en het Fonds voor het volbrengen van hun opdrachten en om hun werkingskosten te dragen.
In afwijking van het eerste lid kunnen in de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) en 2° ), de financiële bijdragen door het Fonds alleen worden opgelegd aan verzekeringsondernemingen die hun vergunning hebben verkregen van de Nationale Bank van België.
Indien het Belgisch Bureau of het Fonds door de Koning zijn ingesteld, legt een koninklijk besluit jaarlijks de regels vast voor het berekenen van de nodige financiële bijdragen ten laste van de verzekeringsondernemingen.]1
In afwijking van het eerste lid kunnen in de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) en 2° ), de financiële bijdragen door het Fonds alleen worden opgelegd aan verzekeringsondernemingen die hun vergunning hebben verkregen van de Nationale Bank van België.
Indien het Belgisch Bureau of het Fonds door de Koning zijn ingesteld, legt een koninklijk besluit jaarlijks de regels vast voor het berekenen van de nodige financiële bijdragen ten laste van de verzekeringsondernemingen.]1
Art. 19bis -4.[1 Les entreprises d'assurances qui pratiquent l'assurance obligatoire de la responsabilité civile en matière de véhicules automoteurs sont solidairement tenues aux contributions financières nécessaires au Bureau belge et au Fonds pour l'accomplissement de leurs missions et pour supporter leurs frais de fonctionnement.
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) et 2° ), les contributions financières peuvent uniquement être imposées par le Fonds aux entreprises d'assurances qui ont obtenu leur agrément de la Banque nationale de Belgique.
Si le Bureau belge ou le Fonds sont créés par le Roi, un arrêté royal fixe chaque année la règle de calcul des contributions financières nécessaires à charge des entreprises d'assurances.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) et 2° ), les contributions financières peuvent uniquement être imposées par le Fonds aux entreprises d'assurances qui ont obtenu leur agrément de la Banque nationale de Belgique.
Si le Bureau belge ou le Fonds sont créés par le Roi, un arrêté royal fixe chaque année la règle de calcul des contributions financières nécessaires à charge des entreprises d'assurances.]1
Wijzigingen
Art. 19bis -5. <INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> De toelating wordt ingetrokken indien het Belgisch Bureau of het Fonds niet handelen overeenkomstig de wetten, verordeningen of hun statuten.
In dat geval kan de Koning alle passende maatregelen nemen ter vrijwaring van de rechten van de verzekeringsnemers, de verzekerden en de benadeelden.
Zolang de vereffening van hun verrichtingen duurt, blijven die instellingen aan de controle onderworpen.
De Koning benoemt voor deze vereffening een bijzonder vereffenaar.
Zolang die vereffening duurt, blijft artikel 19bis-4 van toepassing.
In dat geval kan de Koning alle passende maatregelen nemen ter vrijwaring van de rechten van de verzekeringsnemers, de verzekerden en de benadeelden.
Zolang de vereffening van hun verrichtingen duurt, blijven die instellingen aan de controle onderworpen.
De Koning benoemt voor deze vereffening een bijzonder vereffenaar.
Zolang die vereffening duurt, blijft artikel 19bis-4 van toepassing.
Art. 19bis -5. L'agrément est retiré si le Bureau belge ou le Fonds n'agissent pas conformément aux lois, règlements ou à leurs statuts.
Dans ce cas, le Roi peut prendre toutes mesures propres à sauvegarder les droits des preneurs d'assurance, des assurés et des personnes lésées.
Les organismes restent soumis au contrôle pendant la durée de la liquidation de leurs opérations.
Le Roi nomme un liquidateur spécial chargé de cette liquidation.
Pendant cette liquidation, l'article 19bis-4 reste d'application.
Dans ce cas, le Roi peut prendre toutes mesures propres à sauvegarder les droits des preneurs d'assurance, des assurés et des personnes lésées.
Les organismes restent soumis au contrôle pendant la durée de la liquidation de leurs opérations.
Le Roi nomme un liquidateur spécial chargé de cette liquidation.
Pendant cette liquidation, l'article 19bis-4 reste d'application.
Afdeling 2. - Informatieopdracht van het Fonds.
Section 2. - Mission d'information du Fonds.
Art. 19bis -6.<INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> § 1. Het Fonds houdt een register bij dat de volgende gegevens bevat :
1°) wat de voertuigen betreft die gewoonlijk op het Belgisch grondgebied zijn gestald,
a) het inschrijvingsnummer, de datum van de laatste inschrijving en de geldigheidsduur van de inschrijving van het voertuig in het repertorium van de voertuigen;
b) de naam, de eerste voornaam of de benaming van de titularis van de kentekenplaat en het [1 geactualiseerde]1 adres van de houder van de kentekenplaat;
c) de aard van het voertuig of van de inschrijving;
d) het merk, het type, het chassisnummer, het controlenummer, het vermogen of de cylinderinhoud van de motor, de maximum toegelaten massa en de datum van de eerste inverkeersstelling van het voertuig;
2°) [2 de nummers van de verzekeringspolissen waardoor het gebruik van de voertuigen bedoeld in 1° ) wordt gedekt voor de risico's vermeld in tak 10 van bijlage I van [4 de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,]4 uitgezonderd de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de vervoerder, de datum waarop de dekking is geëindigd en de datum waarop de waarborg is geschorst;]2
3°) de verzekeringsondernemingen die het gebruik van de voertuigen dekken voor de risico's vermeld in tak 10 van bijlage I van [4 de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,]4 uitgezonderd de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de vervoerder, en de schaderegelaars die deze verzekeringsondernemingen hebben aangesteld overeenkomstig artikel 12, § 1;
4°) de lijst van de voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 10 wordt afgeweken van de verplichte verzekering;
5°) met betrekking tot voertuigen als bedoeld in 4°), de naam en het adres van de overheden of de instellingen die zijn belast met de schadevergoeding aan de benadeelden;
6°) de naam en het adres van de in iedere Staat van de Europese Economische Ruimte aangewezen schaderegelaar;
[4 7° ) de nummers van de verzekeringspolissen waardoor de deelneming aan het verkeer van de voertuigen, die hetzij vanuit België verzonden worden naar een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij vanuit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte naar België verzonden worden, wordt gedekt voor de risico's vermeld in tak 10 van bijlage I bij de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, uitgezonderd de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de vervoerder, de datum waarop de dekking is geëindigd en de datum waarop de waarborg is geschorst.]4
§ 2. De in § 1 genoemde gegevens moeten gedurende zeven jaar na het verstrijken van de inschrijving van het voertuig of van de verzekeringsovereenkomst worden bewaard.
§ 3. De Koning bepaalt, op voorstel van de ministers die de economische zaken en de inschrijving van de voertuigen onder hun bevoegdheid hebben, de gegevens die de directie van de inschrijvingen bij het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur en die de verzekeringsondernemingen en de in artikel 10 bedoelde overheden en instellingen, aan het Fonds dienen te verstrekken.
[3 § 4. Het Fonds is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, voor de verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk is voor de vervulling van zijn opdrachten en verplichtingen krachtens de wet.]3
1°) wat de voertuigen betreft die gewoonlijk op het Belgisch grondgebied zijn gestald,
a) het inschrijvingsnummer, de datum van de laatste inschrijving en de geldigheidsduur van de inschrijving van het voertuig in het repertorium van de voertuigen;
b) de naam, de eerste voornaam of de benaming van de titularis van de kentekenplaat en het [1 geactualiseerde]1 adres van de houder van de kentekenplaat;
c) de aard van het voertuig of van de inschrijving;
d) het merk, het type, het chassisnummer, het controlenummer, het vermogen of de cylinderinhoud van de motor, de maximum toegelaten massa en de datum van de eerste inverkeersstelling van het voertuig;
2°) [2 de nummers van de verzekeringspolissen waardoor het gebruik van de voertuigen bedoeld in 1° ) wordt gedekt voor de risico's vermeld in tak 10 van bijlage I van [4 de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,]4 uitgezonderd de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de vervoerder, de datum waarop de dekking is geëindigd en de datum waarop de waarborg is geschorst;]2
3°) de verzekeringsondernemingen die het gebruik van de voertuigen dekken voor de risico's vermeld in tak 10 van bijlage I van [4 de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,]4 uitgezonderd de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de vervoerder, en de schaderegelaars die deze verzekeringsondernemingen hebben aangesteld overeenkomstig artikel 12, § 1;
4°) de lijst van de voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 10 wordt afgeweken van de verplichte verzekering;
5°) met betrekking tot voertuigen als bedoeld in 4°), de naam en het adres van de overheden of de instellingen die zijn belast met de schadevergoeding aan de benadeelden;
6°) de naam en het adres van de in iedere Staat van de Europese Economische Ruimte aangewezen schaderegelaar;
[4 7° ) de nummers van de verzekeringspolissen waardoor de deelneming aan het verkeer van de voertuigen, die hetzij vanuit België verzonden worden naar een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij vanuit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte naar België verzonden worden, wordt gedekt voor de risico's vermeld in tak 10 van bijlage I bij de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, uitgezonderd de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de vervoerder, de datum waarop de dekking is geëindigd en de datum waarop de waarborg is geschorst.]4
§ 2. De in § 1 genoemde gegevens moeten gedurende zeven jaar na het verstrijken van de inschrijving van het voertuig of van de verzekeringsovereenkomst worden bewaard.
§ 3. De Koning bepaalt, op voorstel van de ministers die de economische zaken en de inschrijving van de voertuigen onder hun bevoegdheid hebben, de gegevens die de directie van de inschrijvingen bij het Bestuur van Wegverkeer en Infrastructuur en die de verzekeringsondernemingen en de in artikel 10 bedoelde overheden en instellingen, aan het Fonds dienen te verstrekken.
[3 § 4. Het Fonds is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, voor de verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk is voor de vervulling van zijn opdrachten en verplichtingen krachtens de wet.]3
Art. 19bis -6. § 1er. Le Fonds tient un registre contenant les données suivantes :
1°) en ce qui concerne les véhicules ayant leur stationnement habituel sur le territoire belge,
a) le numéro d'immatriculation, la date de la dernière immatriculation et la durée de la validité de l'immatriculation dans le répertoire matricule des véhicules;
b) le nom, le premier prénom ou la dénomination du titulaire de la marque d'immatriculation et l'adresse [1 actualisée]1 du détenteur de la marque d'immatriculation;
c) le genre du véhicule ou de l'immatriculation;
d) la marque, le type, le numéro de châssis, le numéro de contrôle, la puissance ou la cylindrée du moteur, la masse maximale autorisée et la date de la première mise en circulation du véhicule;
2°) [2 les numéros des polices d'assurance couvrant la circulation des véhicules visés au 1° ) pour les risques mentionnés dans la branche 10 de l'annexe I [4 à la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance,]4 à l'exclusion de la responsabilité civile du transporteur, la date à laquelle la couverture d'assurance prend fin et la date à laquelle la garantie est suspendue;]2
3°) les entreprises d'assurances couvrant la circulation des véhicules pour les risques mentionnés dans la branche 10 de l'annexe I [4 la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance,]4 à l'exclusion de la responsabilité civile du transporteur, et les représentants chargés du règlement des sinistres désignés par ces entreprises d'assurances conformément à l'article 12, § 1er;
4°) la liste des véhicules bénéficiant de la dérogation à l'obligation d'être couverts par une assurance conformément à l'article 10;
5°) en ce qui concerne les véhicules visés au 4°), le nom et l'adresse des autorités ou organismes désignés pour indemniser les personnes lésées;
6°) le nom et l'adresse du représentant chargé du règlement des sinistres désigné dans chacun des Etats de l'Espace économique européen;
[4 7° ) les numéros des polices d'assurance couvrant la circulation des véhicules expédiés, soit de la Belgique vers un autre Etat membre de l'Espace économique européen, soit d'un Etat membre de l'Espace économique européen vers la Belgique, pour les risques mentionnés dans la branche 10 de l'annexe I à la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, à l'exclusion de la responsabilité civile du transporteur, la date à laquelle la couverture d'assurance prend fin et la date à laquelle la garantie est suspendue.]4
§ 2. Les données visées au § 1er, doivent être conservées pendant une période de sept ans après que l'immatriculation du véhicule ou le contrat d'assurance a pris fin.
§ 3. Le Roi détermine, sur proposition des ministres ayant les affaires économiques et l'immatriculation des véhicules dans leurs compétences, les données à fournir au Fonds par la direction de l'immatriculation auprès de l'administration de la circulation routière et de l'infrastructure, par les entreprises d'assurances et par les autorités et organismes visés à l'article 10.
[3 § 4. Le Fonds est responsable du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE des traitements de données à caractère personnel nécessaires à l'exécution des missions et obligations qui lui incombent en vertu de la loi.]3
1°) en ce qui concerne les véhicules ayant leur stationnement habituel sur le territoire belge,
a) le numéro d'immatriculation, la date de la dernière immatriculation et la durée de la validité de l'immatriculation dans le répertoire matricule des véhicules;
b) le nom, le premier prénom ou la dénomination du titulaire de la marque d'immatriculation et l'adresse [1 actualisée]1 du détenteur de la marque d'immatriculation;
c) le genre du véhicule ou de l'immatriculation;
d) la marque, le type, le numéro de châssis, le numéro de contrôle, la puissance ou la cylindrée du moteur, la masse maximale autorisée et la date de la première mise en circulation du véhicule;
2°) [2 les numéros des polices d'assurance couvrant la circulation des véhicules visés au 1° ) pour les risques mentionnés dans la branche 10 de l'annexe I [4 à la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance,]4 à l'exclusion de la responsabilité civile du transporteur, la date à laquelle la couverture d'assurance prend fin et la date à laquelle la garantie est suspendue;]2
3°) les entreprises d'assurances couvrant la circulation des véhicules pour les risques mentionnés dans la branche 10 de l'annexe I [4 la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance,]4 à l'exclusion de la responsabilité civile du transporteur, et les représentants chargés du règlement des sinistres désignés par ces entreprises d'assurances conformément à l'article 12, § 1er;
4°) la liste des véhicules bénéficiant de la dérogation à l'obligation d'être couverts par une assurance conformément à l'article 10;
5°) en ce qui concerne les véhicules visés au 4°), le nom et l'adresse des autorités ou organismes désignés pour indemniser les personnes lésées;
6°) le nom et l'adresse du représentant chargé du règlement des sinistres désigné dans chacun des Etats de l'Espace économique européen;
[4 7° ) les numéros des polices d'assurance couvrant la circulation des véhicules expédiés, soit de la Belgique vers un autre Etat membre de l'Espace économique européen, soit d'un Etat membre de l'Espace économique européen vers la Belgique, pour les risques mentionnés dans la branche 10 de l'annexe I à la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, à l'exclusion de la responsabilité civile du transporteur, la date à laquelle la couverture d'assurance prend fin et la date à laquelle la garantie est suspendue.]4
§ 2. Les données visées au § 1er, doivent être conservées pendant une période de sept ans après que l'immatriculation du véhicule ou le contrat d'assurance a pris fin.
§ 3. Le Roi détermine, sur proposition des ministres ayant les affaires économiques et l'immatriculation des véhicules dans leurs compétences, les données à fournir au Fonds par la direction de l'immatriculation auprès de l'administration de la circulation routière et de l'infrastructure, par les entreprises d'assurances et par les autorités et organismes visés à l'article 10.
[3 § 4. Le Fonds est responsable du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE des traitements de données à caractère personnel nécessaires à l'exécution des missions et obligations qui lui incombent en vertu de la loi.]3
Art. 19bis -7. <INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> Het Fonds mag, op basis van een wederzijds samenwerkingsakkoord, gegevens ontvangen, doorgeven of uitwisselen met gelijkaardige buitenlandse informatiecentra.
(Het Fonds zendt aan de Europese Commissie de lijst van de personen of instellingen die zijn vrijgesteld van de verzekeringsverplichting en op wiens naam de voertuigen zijn ingeschreven bedoeld in artikel 19bis -6, § 1, 4°), alsmede de naam en het adres van de overheden en instellingen die belast zijn met de vergoeding bedoeld in artikel 19bis-6, § 1, 5°).) <W 2008-06-08/31, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
(Het Fonds zendt aan de Europese Commissie de lijst van de personen of instellingen die zijn vrijgesteld van de verzekeringsverplichting en op wiens naam de voertuigen zijn ingeschreven bedoeld in artikel 19bis -6, § 1, 4°), alsmede de naam en het adres van de overheden en instellingen die belast zijn met de vergoeding bedoeld in artikel 19bis-6, § 1, 5°).) <W 2008-06-08/31, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
Art. 19bis -7. Le Fonds peut, sur la base d'un accord réciproque de collaboration, recevoir, céder ou échanger des données aux organismes d'information équivalents étrangers.
(Le Fonds adresse à la Commission européenne la liste des personnes ou institutions dispensées de l'obligation d'assurance au nom desquelles sont immatriculés les véhicules visés par l'article 19bis-6, § 1er, 4°), ainsi que le nom et l'adresse des autorités et organismes chargés de l'indemnisation visés à l'article 19bis-6, § 1er, 5°).) <L 2008-06-08/31, art. 16, 019; En vigueur : 26-06-2008>
(Le Fonds adresse à la Commission européenne la liste des personnes ou institutions dispensées de l'obligation d'assurance au nom desquelles sont immatriculés les véhicules visés par l'article 19bis-6, § 1er, 4°), ainsi que le nom et l'adresse des autorités et organismes chargés de l'indemnisation visés à l'article 19bis-6, § 1er, 5°).) <L 2008-06-08/31, art. 16, 019; En vigueur : 26-06-2008>
Art. 19bis -8.<INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> § 1. Elke bij een verkeersongeval betrokken persoon, alsmede zijn rechthebbenden en iedere natuurlijke of rechtspersoon evenals iedere instelling die of ieder organisme dat beschikt over een wettelijk of conventioneel recht van indeplaatsstelling of over een eigen recht ingevolge dat ongeval, [1 kan een toegang hebben tot het register, bedoeld in artikel [2 19bis-6]2 om de hierna volgende inlichtingen betreffende ieder bij het ongeval betrokken motorrijtuig te verkrijgen]1 :
1°) de naam en het adres van de verzekeringsonderneming;
2°) het nummer van de verzekeringspolis;
3°) de naam en het adres van de schaderegelaar van de verzekeringsonderneming in de staat van de [3 verblijfplaats]3 van de benadeelde;
4°) indien de aanvrager aantoont dat hij er rechtmatig belang bij heeft, de naam en het adres van de eigenaar, in voorkomend geval de gebruikelijke bestuurder of de ingeschreven houder van het motorrijtuig;
5°) indien het gaat om een voertuig voor hetwelk gebruik werd gemaakt van de vrijstelling bedoeld in artikel 10 of van een gelijkaardige bepaling van het recht van een andere Staat van de Europese Economische Ruimte, de naam en het adres van de overheid of van de instelling die aangeduid werd ter afwikkeling van de ongevallen die zich daar hebben voorgedaan.
[1 ...]1 Het verzoek om inlichtingen is slechts ontvankelijk in zover :
1°) [1 het verzoek betrekking heeft op een motorrijtuig dat gewoonlijk gestald is op het grondgebied van een Staat van de Europese Economische Ruimte;]1
2°) [1 het ongeval zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een Staat van de Europese Economische Ruimte of van een derde Staat waarvan het nationaal bureau van verzekeraars bij het internationaal systeem aangesloten is waarvan het Bureau bedoeld in artikel 19bis-1 lid is]1;
3°) het verzoek aan het Fonds werd gericht binnen een termijn van zeven jaar na het ongeval.
De Koning kan de vorm en inhoud van het verzoek om inlichtingen bepalen.
[1 § 2. Met het oog op de strijd tegen niet-verzekering, beschikken de bevoegde leden van de politiediensten, bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, over elektronische toegang tot het register bedoeld in artikel 19bis-6. De raadpleging is beperkt tot de controle van de verzekeringssituatie van een bepaald voertuig.
Voor het uitvoeren van preventie-, controle- en onderzoeksmissies, hebben toegang tot het register bedoeld in artikel 19bis-6 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten :
1° de leden van de politiediensten bedoeld in artikel 593 van het Wetboek van strafvordering belast met de uitvoering van opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
2° de personeelsleden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593 van het wetboek van strafvordering;
3° de personeelsleden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593 van het wetboek van strafvordering;
4° de leden en personeelsleden van het Controleorgaan op de politionele informatie en van zijn Dienst Onderzoeken, bedoeld in artikel 593 van het wetboek van strafvordering;
5° de personeelsleden van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, bedoeld in artikel 593 van het wetboek van strafvordering;
6° de magistraten van de zetel van alle strafgerechten en de magistraten van de politierechtbanken, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies, het openbaar ministerie en de parketsecretariaten, de probatiecommissie en haar secretariaat, die een kennisbehoefte hebben en die nominatief en voorafgaandelijk door de hiërarchisch bevoegde autoriteit worden aangewezen;
7° de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bedoeld in artikel 593 van het Wetboek van strafvordering.
Voor de behoeften in verband met de wettelijke opdrachten van de personen bedoeld in het tweede lid, bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de relevante gegevens waartoe toegang wordt verleend.]1
[2 § 3. Hebben op basis van het register toegang tot de bevestiging of het Fonds al dan niet in het bezit is van gegevens die het bestaan van de verzekeringsovereenkomst van een voertuig van het Belgische repertorium van de voertuigen bewijzen:
1° de benadeelde en de personen die namens hem kunnen optreden om vergoeding van de geleden schade te verkrijgen;
2° de eigenaar, bestuurder en houder van het motorrijtuig en de personen die namens hen kunnen optreden om vast te stellen of het voertuig in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving in goede staat van verzekering verkeert;
3° met uitzondering van de personen bedoeld in paragraaf 2, elke natuurlijke of rechtspersoon die krachtens een Belgische wetsbepaling en met het oog op het door die bepaling nagestreefde doel de raadpleging van een internationale verzekeringskaart voor motorrijtuigen kan eisen.
De raadpleging is toegelaten in real time, permanent, op afstand en elektronisch. De raadpleging is beperkt tot het bekomen van de bevestiging dat het Fonds al dan niet in het bezit is van gegevens tot bewijs van het bestaan van de verzekeringsovereenkomst.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de aanvraag tot het bekomen van de informatie.]2
1°) de naam en het adres van de verzekeringsonderneming;
2°) het nummer van de verzekeringspolis;
3°) de naam en het adres van de schaderegelaar van de verzekeringsonderneming in de staat van de [3 verblijfplaats]3 van de benadeelde;
4°) indien de aanvrager aantoont dat hij er rechtmatig belang bij heeft, de naam en het adres van de eigenaar, in voorkomend geval de gebruikelijke bestuurder of de ingeschreven houder van het motorrijtuig;
5°) indien het gaat om een voertuig voor hetwelk gebruik werd gemaakt van de vrijstelling bedoeld in artikel 10 of van een gelijkaardige bepaling van het recht van een andere Staat van de Europese Economische Ruimte, de naam en het adres van de overheid of van de instelling die aangeduid werd ter afwikkeling van de ongevallen die zich daar hebben voorgedaan.
[1 ...]1 Het verzoek om inlichtingen is slechts ontvankelijk in zover :
1°) [1 het verzoek betrekking heeft op een motorrijtuig dat gewoonlijk gestald is op het grondgebied van een Staat van de Europese Economische Ruimte;]1
2°) [1 het ongeval zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een Staat van de Europese Economische Ruimte of van een derde Staat waarvan het nationaal bureau van verzekeraars bij het internationaal systeem aangesloten is waarvan het Bureau bedoeld in artikel 19bis-1 lid is]1;
3°) het verzoek aan het Fonds werd gericht binnen een termijn van zeven jaar na het ongeval.
De Koning kan de vorm en inhoud van het verzoek om inlichtingen bepalen.
[1 § 2. Met het oog op de strijd tegen niet-verzekering, beschikken de bevoegde leden van de politiediensten, bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, over elektronische toegang tot het register bedoeld in artikel 19bis-6. De raadpleging is beperkt tot de controle van de verzekeringssituatie van een bepaald voertuig.
Voor het uitvoeren van preventie-, controle- en onderzoeksmissies, hebben toegang tot het register bedoeld in artikel 19bis-6 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten :
1° de leden van de politiediensten bedoeld in artikel 593 van het Wetboek van strafvordering belast met de uitvoering van opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
2° de personeelsleden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593 van het wetboek van strafvordering;
3° de personeelsleden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593 van het wetboek van strafvordering;
4° de leden en personeelsleden van het Controleorgaan op de politionele informatie en van zijn Dienst Onderzoeken, bedoeld in artikel 593 van het wetboek van strafvordering;
5° de personeelsleden van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, bedoeld in artikel 593 van het wetboek van strafvordering;
6° de magistraten van de zetel van alle strafgerechten en de magistraten van de politierechtbanken, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies, het openbaar ministerie en de parketsecretariaten, de probatiecommissie en haar secretariaat, die een kennisbehoefte hebben en die nominatief en voorafgaandelijk door de hiërarchisch bevoegde autoriteit worden aangewezen;
7° de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bedoeld in artikel 593 van het Wetboek van strafvordering.
Voor de behoeften in verband met de wettelijke opdrachten van de personen bedoeld in het tweede lid, bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de relevante gegevens waartoe toegang wordt verleend.]1
[2 § 3. Hebben op basis van het register toegang tot de bevestiging of het Fonds al dan niet in het bezit is van gegevens die het bestaan van de verzekeringsovereenkomst van een voertuig van het Belgische repertorium van de voertuigen bewijzen:
1° de benadeelde en de personen die namens hem kunnen optreden om vergoeding van de geleden schade te verkrijgen;
2° de eigenaar, bestuurder en houder van het motorrijtuig en de personen die namens hen kunnen optreden om vast te stellen of het voertuig in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving in goede staat van verzekering verkeert;
3° met uitzondering van de personen bedoeld in paragraaf 2, elke natuurlijke of rechtspersoon die krachtens een Belgische wetsbepaling en met het oog op het door die bepaling nagestreefde doel de raadpleging van een internationale verzekeringskaart voor motorrijtuigen kan eisen.
De raadpleging is toegelaten in real time, permanent, op afstand en elektronisch. De raadpleging is beperkt tot het bekomen van de bevestiging dat het Fonds al dan niet in het bezit is van gegevens tot bewijs van het bestaan van de verzekeringsovereenkomst.
De Koning bepaalt de vorm en de inhoud van de aanvraag tot het bekomen van de informatie.]2
Art. 19bis -8. § 1er. Toute personne impliquée dans un accident de la circulation routière ainsi que ses ayants droit et toute personne physique ou morale ainsi que toute institution ou organisme disposant d'un droit de subrogation légale ou conventionnelle ou d'un droit propre suite à cet accident, [1 peut avoir accès au registre visé à l'article 19bis-6 pour obtenir les informations suivantes concernant tout véhicule automoteur impliqué dans l'accident]1 :
1°) le nom et l'adresse de l'entreprise d'assurances;
2°) le numéro de la police d'assurance;
3°) le nom et l'adresse du représentant chargé du règlement des sinistres de cette entreprise d'assurances dans l'Etat de résidence de la personne lésée;
4°) si le demandeur justifie d'un intérêt légitime, le nom et l'adresse du propriétaire, le cas échéant du conducteur habituel ou du détenteur déclaré du véhicule;
5°) s'il s'agit d'un véhicule pour lequel il a été fait usage de la dispense visée à l'article 10 ou d'une disposition équivalente du droit d'un autre Etat de l'Espace économique européen, le nom et l'adresse de l'autorité ou de l'organisme désigné pour régler les accidents qui y sont survenus.
[1 ...]1 La demande d'informations n'est recevable que pour autant que :
1°) [1 la demande concerne un véhicule automoteur ayant son stationnement habituel sur le territoire d'un Etat de l'Espace économique européen]1;
2°) [1 l'accident s'est produit sur le territoire d'un Etat de l'Espace économique européen ou d'un Etat tiers dont le bureau national d'assurance a adhéré au système international duquel le Bureau visé à l'article 19bis-1 est membre;]1
3°) la demande a été adressée au Fonds dans un délai de sept ans après l'accident.
Le Roi peut déterminer la forme et le contenu de la demande d'informations.
[1 § 2. Aux fins de lutter contre la non-assurance, les membres compétents des services de police au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police structuré organisé à deux niveaux disposent d'un accès par voie électronique au registre visé à l'article 19bis-6. La consultation est limitée au contrôle de la situation d'assurance d'un véhicule déterminé.
Aux fins d'exercer des missions de prévention, de contrôle et d'enquête, ont accès au registre visé à l'article 19bis-6 dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales :
1° les membres des services de police visés à l'article 593 du Code d'Instruction Criminelles qui sont chargés de l'exécution de missions de police administrative et judiciaire conformément aux articles 14 et 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
2° les membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de police et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593 du Code d'instruction Criminelle;
3° les membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de renseignements et de sécurité et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593 du Code d'instruction criminelle;
4° les membres et membres du personnel de l'Organe de contrôle de l'information policière et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593 du Code d'instruction criminelle;
5° les membres du personnel de l'inspection générale de la police fédérale et de la police locale, visés à l'article 593 du Code d'Instruction Criminelle;
6° les magistrats du siège de toutes les juridictions pénales et les magistrats des tribunaux de police, les assesseurs au tribunal de l'application des peines et les greffes, le ministère public et les secrétariats du parquet, la commission de probation et son secrétariat, qui ont le besoin d'en connaître, et qui sont nominativement et préalablement désignés par l'autorité hiérarchique compétente;
7° les services de renseignement et de sécurité visé à l'article 593 du Code d'Instruction criminelle.
Pour les besoins relatifs aux missions légales des personnes visées à l'alinéa 2, le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les données pertinentes auxquelles l'accès est donné.]1
[2 § 3. Ont accès sur la base du registre, à la confirmation que le Fonds est ou non en possession de données prouvant l'existence du contrat d'assurance d'un véhicule du répertoire matricule des véhicules belges:
1° la personne lésée et les personnes pouvant agir en son nom afin d'obtenir réparation du dommage subi;
2° le propriétaire, le conducteur et le détenteur du véhicule automoteur et les personnes pouvant agir en leur nom afin de déterminer si le véhicule est en ordre d'assurance conformément au droit applicable;
3° à l'exception des personnes visées au paragraphe 2, toute personne physique ou morale pouvant exiger une carte internationale d'assurance automobile, en vertu d'une disposition légale belge et conformément à la finalité poursuivie par cette disposition.
La consultation est permise en temps réel, en permanence, à distance et par voie électronique. Elle est limitée à la confirmation que le Fonds est ou non en possession de données prouvant l'existence du contrat d'assurance.
Le Roi détermine la forme et le contenu de la demande d'information.]2
1°) le nom et l'adresse de l'entreprise d'assurances;
2°) le numéro de la police d'assurance;
3°) le nom et l'adresse du représentant chargé du règlement des sinistres de cette entreprise d'assurances dans l'Etat de résidence de la personne lésée;
4°) si le demandeur justifie d'un intérêt légitime, le nom et l'adresse du propriétaire, le cas échéant du conducteur habituel ou du détenteur déclaré du véhicule;
5°) s'il s'agit d'un véhicule pour lequel il a été fait usage de la dispense visée à l'article 10 ou d'une disposition équivalente du droit d'un autre Etat de l'Espace économique européen, le nom et l'adresse de l'autorité ou de l'organisme désigné pour régler les accidents qui y sont survenus.
[1 ...]1 La demande d'informations n'est recevable que pour autant que :
1°) [1 la demande concerne un véhicule automoteur ayant son stationnement habituel sur le territoire d'un Etat de l'Espace économique européen]1;
2°) [1 l'accident s'est produit sur le territoire d'un Etat de l'Espace économique européen ou d'un Etat tiers dont le bureau national d'assurance a adhéré au système international duquel le Bureau visé à l'article 19bis-1 est membre;]1
3°) la demande a été adressée au Fonds dans un délai de sept ans après l'accident.
Le Roi peut déterminer la forme et le contenu de la demande d'informations.
[1 § 2. Aux fins de lutter contre la non-assurance, les membres compétents des services de police au sens de l'article 2, 2°, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police structuré organisé à deux niveaux disposent d'un accès par voie électronique au registre visé à l'article 19bis-6. La consultation est limitée au contrôle de la situation d'assurance d'un véhicule déterminé.
Aux fins d'exercer des missions de prévention, de contrôle et d'enquête, ont accès au registre visé à l'article 19bis-6 dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales :
1° les membres des services de police visés à l'article 593 du Code d'Instruction Criminelles qui sont chargés de l'exécution de missions de police administrative et judiciaire conformément aux articles 14 et 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
2° les membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de police et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593 du Code d'instruction Criminelle;
3° les membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de renseignements et de sécurité et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593 du Code d'instruction criminelle;
4° les membres et membres du personnel de l'Organe de contrôle de l'information policière et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593 du Code d'instruction criminelle;
5° les membres du personnel de l'inspection générale de la police fédérale et de la police locale, visés à l'article 593 du Code d'Instruction Criminelle;
6° les magistrats du siège de toutes les juridictions pénales et les magistrats des tribunaux de police, les assesseurs au tribunal de l'application des peines et les greffes, le ministère public et les secrétariats du parquet, la commission de probation et son secrétariat, qui ont le besoin d'en connaître, et qui sont nominativement et préalablement désignés par l'autorité hiérarchique compétente;
7° les services de renseignement et de sécurité visé à l'article 593 du Code d'Instruction criminelle.
Pour les besoins relatifs aux missions légales des personnes visées à l'alinéa 2, le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les données pertinentes auxquelles l'accès est donné.]1
[2 § 3. Ont accès sur la base du registre, à la confirmation que le Fonds est ou non en possession de données prouvant l'existence du contrat d'assurance d'un véhicule du répertoire matricule des véhicules belges:
1° la personne lésée et les personnes pouvant agir en son nom afin d'obtenir réparation du dommage subi;
2° le propriétaire, le conducteur et le détenteur du véhicule automoteur et les personnes pouvant agir en leur nom afin de déterminer si le véhicule est en ordre d'assurance conformément au droit applicable;
3° à l'exception des personnes visées au paragraphe 2, toute personne physique ou morale pouvant exiger une carte internationale d'assurance automobile, en vertu d'une disposition légale belge et conformément à la finalité poursuivie par cette disposition.
La consultation est permise en temps réel, en permanence, à distance et par voie électronique. Elle est limitée à la confirmation que le Fonds est ou non en possession de données prouvant l'existence du contrat d'assurance.
Le Roi détermine la forme et le contenu de la demande d'information.]2
Art. 19bis -9. <INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> De leden van de Raad van Bestuur van het Fonds, alsook de personen die krachtens een wettelijke of een statutaire opdracht gemachtigd zijn om deel te nemen aan de vergaderingen van deze Raad, de personeelsleden van het Fonds, alsook de personen die voorheen bedoelde functies hebben uitgeoefend, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de gegevens waarvan zij kennis hebben gekregen op grond van de in dit hoofdstuk bedoelde opdrachten aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om getuigenis in rechte in strafzaken af te leggen.
Art. 19bis -9. Les membres du Conseil d'administration du Fonds ainsi que les personnes habilitées, en vertu d'une disposition légale ou statutaire, à assister aux réunions de ce Conseil, de même que les membres du personnel du Fonds et les personnes ayant exercé par le passé les fonctions précitées, sont soumis au secret professionnel et ne peuvent divulguer à quelque personne ou autorité que ce soit les données dont ils ont eu connaissance en raison des missions visées au présent chapitre, hormis le cas où ils sont appelés à rendre témoignage en justice en matière pénale.
Art. 19bis -10. <INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> Artikel 19bis-9 doet geen afbreuk aan :
1°) de mogelijkheid tot mededeling, in beknopte of samengevoegde vorm, van gegevens over verzekeringsondernemingen of verzekeringsnemers, voor zover de individuele gegevens over die verzekeringsondernemingen of verzekeringsnemers niet kunnen worden geïdentificeerd;
2°) de mogelijkheid voor het Fonds, wanneer het de identiteit van de verzekeringsonderneming van een motorrijtuig niet onmiddellijk kan vaststellen, de betrokken houder van de kentekenplaat om inlichtingen te verzoeken aangaande de verzekeringsstatus van zijn rijtuig;
3°) de mogelijkheid voor het Fonds om op basis van een wederzijds samenwerkingsakkoord met een gelijkaardig informatiecentrum van een andere Lidstaat van de Europese Unie, gegevens te ontvangen, door te geven of uit te wisselen;
4°) de mogelijkheid voor het Fonds om op basis van een wederzijds samenwerkingsakkoord met een gelijkaardig informatiecentrum van een derde Staat, gegevens te ontvangen, door te geven of uit te wisselen, voor zover dit centrum gebonden is aan een gelijkwaardig beroepsgeheim als bedoeld in artikel 19bis -9.
1°) de mogelijkheid tot mededeling, in beknopte of samengevoegde vorm, van gegevens over verzekeringsondernemingen of verzekeringsnemers, voor zover de individuele gegevens over die verzekeringsondernemingen of verzekeringsnemers niet kunnen worden geïdentificeerd;
2°) de mogelijkheid voor het Fonds, wanneer het de identiteit van de verzekeringsonderneming van een motorrijtuig niet onmiddellijk kan vaststellen, de betrokken houder van de kentekenplaat om inlichtingen te verzoeken aangaande de verzekeringsstatus van zijn rijtuig;
3°) de mogelijkheid voor het Fonds om op basis van een wederzijds samenwerkingsakkoord met een gelijkaardig informatiecentrum van een andere Lidstaat van de Europese Unie, gegevens te ontvangen, door te geven of uit te wisselen;
4°) de mogelijkheid voor het Fonds om op basis van een wederzijds samenwerkingsakkoord met een gelijkaardig informatiecentrum van een derde Staat, gegevens te ontvangen, door te geven of uit te wisselen, voor zover dit centrum gebonden is aan een gelijkwaardig beroepsgeheim als bedoeld in artikel 19bis -9.
Art. 19bis -10. L'article 19bis-9 ne porte pas préjudice à :
1°) la possibilité de communiquer, sous une forme sommaire ou agrégée, des données relatives aux entreprises d'assurances ou preneurs d'assurance à condition que les éléments individuels relatifs aux entreprises d'assurances ou aux preneurs d'assurance ne puissent être identifiés;
2°) la possibilité pour le Fonds, lorsqu'il se trouve dans l'impossibilité d'identifier immédiatement l'entreprise d'assurances d'un véhicule automoteur, de s'informer auprès du titulaire de la marque d'immatriculation quant à la situation en matière d'assurance de son véhicule;
3°) la possibilité, pour le Fonds, sur base d'un accord de collaboration réciproque avec un organisme d'information similaire d'un autre Etat membre de l'Union européenne, de recevoir, de céder ou d'échanger des données;
4°) la possibilité, pour le Fonds, sur base d'un accord de collaboration réciproque, avec un organisme d'information similaire d'un Etat tiers, de recevoir, de céder ou d'échanger des données, pour autant que cet organisme soit soumis à un secret professionnel équivalent à celui visé à l'article 19bis-9.
1°) la possibilité de communiquer, sous une forme sommaire ou agrégée, des données relatives aux entreprises d'assurances ou preneurs d'assurance à condition que les éléments individuels relatifs aux entreprises d'assurances ou aux preneurs d'assurance ne puissent être identifiés;
2°) la possibilité pour le Fonds, lorsqu'il se trouve dans l'impossibilité d'identifier immédiatement l'entreprise d'assurances d'un véhicule automoteur, de s'informer auprès du titulaire de la marque d'immatriculation quant à la situation en matière d'assurance de son véhicule;
3°) la possibilité, pour le Fonds, sur base d'un accord de collaboration réciproque avec un organisme d'information similaire d'un autre Etat membre de l'Union européenne, de recevoir, de céder ou d'échanger des données;
4°) la possibilité, pour le Fonds, sur base d'un accord de collaboration réciproque, avec un organisme d'information similaire d'un Etat tiers, de recevoir, de céder ou d'échanger des données, pour autant que cet organisme soit soumis à un secret professionnel équivalent à celui visé à l'article 19bis-9.
Afdeling 3. - Vergoedingsopdracht van het Fonds.
Section 3. - Mission d'indemnisation du Fonds
Art. 19bis -11.<INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> § 1. Elke benadeelde kan van het Fonds de vergoeding bekomen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt :
1°) [3 wanneer de verzekeringsonderneming die de vergoeding verschuldigd is, onderworpen wordt aan een faillissementsprocedure. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht stemt deze procedure overeen met een faillissement als bedoeld in boek XX van het Wetboek van economisch recht.
De Nationale Bank van België informeert het Fonds van zodra zij op de hoogte is van de voormelde procedure;]3
2°) [3 wanneer de verzekeringsonderneming die de vergoeding verschuldigd is, onderworpen wordt aan de liquidatieprocedure, bedoeld in artikel 268, lid 1, d), van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht stemt deze procedure overeen met collectieve liquidatieprocedures, bedoeld in boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
De Nationale Bank van België informeert het Fonds van zodra zij op de hoogte is van de voormelde procedure;]3
3°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat;
4°) wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting;
5°) indien binnen drie maanden na de datum waarop hij zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend bij de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of bij haar schaderegelaar, die verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar hem geen met redenen omkleed antwoord op de diverse punten in het verzoek heeft verstrekt;
6°) indien de verzekeringsonderneming heeft nagelaten om een schaderegelaar aan te wijzen;
7°) indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd; in dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon;
8°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is hetzij omdat de verzekeringsplicht niet nageleefd werd, hetzij de verzekeringsonderneming binnen twee maanden na het ongeval niet kan geïdentificeerd worden;
[2 9°) wanneer voor wat betreft een motorrijtuig vrijgesteld van de verplichting tot verzekering overeenkomstig artikel 2bis, eerste lid, geen enkele verzekeringsonderneming de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurder van het voertuig die het ongeval heeft veroorzaakt, dekt.]2
§ 2. [3 De Koning mag de omvang bepalen en de voorwaarden vastleggen van de vergoeding, bedoeld in paragraaf 1.
De tussenkomst van het Fonds mag niet afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de benadeelde op enigerlei wijze aantoont dat de aansprakelijke persoon niet in staat is om te betalen of weigert te betalen.
Wanneer het Fonds tussenbeide komt voor een benadeelde vanwege aanzienlijke lichamelijke letsels zoals bedoeld in artikel 19bis-13, § 3, derde lid, als gevolg van hetzelfde ongeval waarbij de materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, mag de vergoeding van de materiële schade niet worden uitgesloten omdat het gaat om een niet-geïdentificeerd voertuig. Een vrijstelling van maximaal 500 euro mag worden opgelegd aan de benadeelde persoon die dergelijke materiële schade heeft geleden.]3
1°) [3 wanneer de verzekeringsonderneming die de vergoeding verschuldigd is, onderworpen wordt aan een faillissementsprocedure. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht stemt deze procedure overeen met een faillissement als bedoeld in boek XX van het Wetboek van economisch recht.
De Nationale Bank van België informeert het Fonds van zodra zij op de hoogte is van de voormelde procedure;]3
2°) [3 wanneer de verzekeringsonderneming die de vergoeding verschuldigd is, onderworpen wordt aan de liquidatieprocedure, bedoeld in artikel 268, lid 1, d), van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf. Voor de ondernemingen naar Belgisch recht stemt deze procedure overeen met collectieve liquidatieprocedures, bedoeld in boek 2, titel 8, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
De Nationale Bank van België informeert het Fonds van zodra zij op de hoogte is van de voormelde procedure;]3
3°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is om reden van een toevallig feit waardoor de bestuurder van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte, vrijuit gaat;
4°) wanneer in geval van diefstal, geweldpleging of heling, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet verzekerd is, overeenkomstig de wettelijk geoorloofde uitsluiting;
5°) indien binnen drie maanden na de datum waarop hij zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend bij de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of bij haar schaderegelaar, die verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar hem geen met redenen omkleed antwoord op de diverse punten in het verzoek heeft verstrekt;
6°) indien de verzekeringsonderneming heeft nagelaten om een schaderegelaar aan te wijzen;
7°) indien het motorrijtuig dat het ongeval heeft veroorzaakt, niet kan worden geïdentificeerd; in dat geval wordt het Fonds in de plaats gesteld van de aansprakelijke persoon;
8°) wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot die vergoeding verplicht is hetzij omdat de verzekeringsplicht niet nageleefd werd, hetzij de verzekeringsonderneming binnen twee maanden na het ongeval niet kan geïdentificeerd worden;
[2 9°) wanneer voor wat betreft een motorrijtuig vrijgesteld van de verplichting tot verzekering overeenkomstig artikel 2bis, eerste lid, geen enkele verzekeringsonderneming de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurder van het voertuig die het ongeval heeft veroorzaakt, dekt.]2
§ 2. [3 De Koning mag de omvang bepalen en de voorwaarden vastleggen van de vergoeding, bedoeld in paragraaf 1.
De tussenkomst van het Fonds mag niet afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de benadeelde op enigerlei wijze aantoont dat de aansprakelijke persoon niet in staat is om te betalen of weigert te betalen.
Wanneer het Fonds tussenbeide komt voor een benadeelde vanwege aanzienlijke lichamelijke letsels zoals bedoeld in artikel 19bis-13, § 3, derde lid, als gevolg van hetzelfde ongeval waarbij de materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig, mag de vergoeding van de materiële schade niet worden uitgesloten omdat het gaat om een niet-geïdentificeerd voertuig. Een vrijstelling van maximaal 500 euro mag worden opgelegd aan de benadeelde persoon die dergelijke materiële schade heeft geleden.]3
Art. 19bis -11. § 1er. Toute personne lésée peut obtenir du Fonds la réparation des dommages causés par un véhicule automoteur :
1°) [3 lorsque l'entreprise d'assurances débitrice des indemnités fait l'objet d'une procédure de faillite. Pour les entreprises de droit belge, cette procédure correspond à la faillite au sens du livre XX du Code de droit économique.
La Banque nationale de Belgique informe le Fonds dès qu'elle est informée de la procédure susmentionnée;]3
2°) [3 lorsque l'entreprise d'assurances débitrice des indemnités fait l'objet d'une procédure de liquidation au sens de l'article 268, paragraphe 1, d), de la directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice. Pour les entreprises de droit belge, cette procédure correspond aux procédures collectives de liquidation, visées au livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations.
La Banque nationale de Belgique informe le Fonds dès qu'elle est informée de la procédure susmentionnée;]3
3°) lorsqu'aucune entreprise d'assurances n'est obligée à ladite réparation en raison d'un cas fortuit exonerant le conducteur du véhicule qui a causé l'accident;
4°) lorsque, en cas de vol, de violence ou de recel, la responsabilité civile à laquelle le véhicule peut donner lieu n'est pas assurée, conformément à l'exclusion légalement permise;
5°) lorsque, dans un délai de trois mois à compter de la date à laquelle elle a présenté à l'entreprise d'assurances [3 du véhicule dont la circulation a causé l'accident]3 ou à son représentant chargé du règlement des sinistres une demande d'indemnisation, l'entreprise d'assurances ou son représentant chargé du règlement des sinistres n'a pas donné de réponse motivée aux éléments de la demande;
6°) lorsque l'entreprise d'assurances n'a pas désigné de représentant chargé du règlement des sinistres;
7°) si le véhicule automoteur qui a causé l'accident ne peut pas être identifié; dans ce cas, le Fonds est substitué à la personne responsable;
8°) lorsqu'aucune entreprise d'assurances n'est obligée à ladite réparation soit du fait que l'obligation d'assurance n'a pas été respectée, soit parce que, dans les deux mois après l'accident, il est impossible d'identifier l'entreprise d'assurances;
[2 9°) lorsque, s'agissant d'un véhicule automoteur exempté de l'obligation d'assurance conformément à l'article 2bis, alinéa 1er, aucune entreprise d'assurances ne couvre la responsabilité civile du conducteur du véhicule qui a causé l'accident.]2
§ 2. [3 Le Roi peut déterminer l'étendue de la réparation visée au paragraphe 1er et en fixer les conditions.
L'intervention du Fonds ne peut pas être subordonnée à la condition que la personne lésée établisse, d'une quelconque manière, que la personne responsable n'est pas en mesure ou refuse de payer.
Lorsque le Fonds intervient pour toute personne lésée en raison de lésions corporelles importantes visées à l'article 19bis-13, § 3, alinéa 3, en conséquence du même accident dans lequel des dommages matériels ont été causés par un véhicule non identifié, l'indemnisation des dommages matériels ne peut être exclue au motif qu'il s'agit d'un véhicule non identifié. Une franchise de maximum 500 euros peut être imposée à la personne lésée qui subit de tels dommages matériels.]3
1°) [3 lorsque l'entreprise d'assurances débitrice des indemnités fait l'objet d'une procédure de faillite. Pour les entreprises de droit belge, cette procédure correspond à la faillite au sens du livre XX du Code de droit économique.
La Banque nationale de Belgique informe le Fonds dès qu'elle est informée de la procédure susmentionnée;]3
2°) [3 lorsque l'entreprise d'assurances débitrice des indemnités fait l'objet d'une procédure de liquidation au sens de l'article 268, paragraphe 1, d), de la directive 2009/138/CE du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 sur l'accès aux activités de l'assurance et de la réassurance et leur exercice. Pour les entreprises de droit belge, cette procédure correspond aux procédures collectives de liquidation, visées au livre 2, titre 8, du Code des sociétés et des associations.
La Banque nationale de Belgique informe le Fonds dès qu'elle est informée de la procédure susmentionnée;]3
3°) lorsqu'aucune entreprise d'assurances n'est obligée à ladite réparation en raison d'un cas fortuit exonerant le conducteur du véhicule qui a causé l'accident;
4°) lorsque, en cas de vol, de violence ou de recel, la responsabilité civile à laquelle le véhicule peut donner lieu n'est pas assurée, conformément à l'exclusion légalement permise;
5°) lorsque, dans un délai de trois mois à compter de la date à laquelle elle a présenté à l'entreprise d'assurances [3 du véhicule dont la circulation a causé l'accident]3 ou à son représentant chargé du règlement des sinistres une demande d'indemnisation, l'entreprise d'assurances ou son représentant chargé du règlement des sinistres n'a pas donné de réponse motivée aux éléments de la demande;
6°) lorsque l'entreprise d'assurances n'a pas désigné de représentant chargé du règlement des sinistres;
7°) si le véhicule automoteur qui a causé l'accident ne peut pas être identifié; dans ce cas, le Fonds est substitué à la personne responsable;
8°) lorsqu'aucune entreprise d'assurances n'est obligée à ladite réparation soit du fait que l'obligation d'assurance n'a pas été respectée, soit parce que, dans les deux mois après l'accident, il est impossible d'identifier l'entreprise d'assurances;
[2 9°) lorsque, s'agissant d'un véhicule automoteur exempté de l'obligation d'assurance conformément à l'article 2bis, alinéa 1er, aucune entreprise d'assurances ne couvre la responsabilité civile du conducteur du véhicule qui a causé l'accident.]2
§ 2. [3 Le Roi peut déterminer l'étendue de la réparation visée au paragraphe 1er et en fixer les conditions.
L'intervention du Fonds ne peut pas être subordonnée à la condition que la personne lésée établisse, d'une quelconque manière, que la personne responsable n'est pas en mesure ou refuse de payer.
Lorsque le Fonds intervient pour toute personne lésée en raison de lésions corporelles importantes visées à l'article 19bis-13, § 3, alinéa 3, en conséquence du même accident dans lequel des dommages matériels ont été causés par un véhicule non identifié, l'indemnisation des dommages matériels ne peut être exclue au motif qu'il s'agit d'un véhicule non identifié. Une franchise de maximum 500 euros peut être imposée à la personne lésée qui subit de tels dommages matériels.]3
Art. 19bis -12.<INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> [3 § 1.]3 Een verzoek tot schadevergoeding met toepassing van artikel 19bis -11, § 1, kan door de benadeelde bij het Fonds worden ingediend. Dat verzoek is slechts ontvankelijk indien :
1°) het ongeval zich heeft voorgedaan op het Belgisch grondgebied voor wat betreft de gevallen [3 bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 3° ) en 4° )]3;
2°) [3 het ongeval zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van een derde Staat waarvan het nationaal Bureau van verzekeraars is aangesloten bij het systeem van het internationaal verzekeringsbewijs, op voorwaarde dat het betrokken voertuig gewoonlijk gestald is in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 5° ) en 6° );]3
3°) [3 het ongeval zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ), 2° ), 7° ) en 9° );]3
4°) de benadeelde die, in het geval bedoeld in artikel 19bis -11, § 1, 6°), een verzoek tot schadevergoeding rechtstreeks heeft ingediend bij de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee het ongeval is veroorzaakt, binnen drie maanden na de indiening van het verzoek geen met redenen omkleed antwoord ontvangen heeft;
5°) in de gevallen bedoeld in artikel 19bis -11, § 1, 5°) en 6°), de benadeelde geen rechtsvordering rechtstreeks tegen de verzekeringsonderneming ingesteld heeft;
[1 6°) [3 het ongeval zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 8° ).]3]1
[3 § 2. Voor de ongevallen die zich niet hebben voorgedaan op het Belgisch grondgebied is het verzoek tot schadevergoeding bedoeld in paragraaf 1 slechts ontvankelijk voor zover de benadeelde zijn verblijfplaats heeft in België.]3
1°) het ongeval zich heeft voorgedaan op het Belgisch grondgebied voor wat betreft de gevallen [3 bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 3° ) en 4° )]3;
2°) [3 het ongeval zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van een derde Staat waarvan het nationaal Bureau van verzekeraars is aangesloten bij het systeem van het internationaal verzekeringsbewijs, op voorwaarde dat het betrokken voertuig gewoonlijk gestald is in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 5° ) en 6° );]3
3°) [3 het ongeval zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ), 2° ), 7° ) en 9° );]3
4°) de benadeelde die, in het geval bedoeld in artikel 19bis -11, § 1, 6°), een verzoek tot schadevergoeding rechtstreeks heeft ingediend bij de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee het ongeval is veroorzaakt, binnen drie maanden na de indiening van het verzoek geen met redenen omkleed antwoord ontvangen heeft;
5°) in de gevallen bedoeld in artikel 19bis -11, § 1, 5°) en 6°), de benadeelde geen rechtsvordering rechtstreeks tegen de verzekeringsonderneming ingesteld heeft;
[1 6°) [3 het ongeval zich heeft voorgedaan op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, voor wat betreft de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 8° ).]3]1
[3 § 2. Voor de ongevallen die zich niet hebben voorgedaan op het Belgisch grondgebied is het verzoek tot schadevergoeding bedoeld in paragraaf 1 slechts ontvankelijk voor zover de benadeelde zijn verblijfplaats heeft in België.]3
Art. 19bis -12. [3 § 1er.]3 En application de l'article 19bis-11, § 1er, une demande d'indemnisation peut être introduite auprès du Fonds par la personne lésée. Cette demande n'est recevable que si :
1°) l'accident s'est produit sur le territoire belge, en ce qui concerne les cas [3 visés à l'article 19bis-11, § 1er, 3° ) et 4° )]3;
2°) [3 l'accident s'est produit sur le territoire d'un Etat membre de l'Espace économique européen ou d'un Etat tiers dont le Bureau national des assureurs a adhéré au système de la preuve internationale d'assurance, à condition que le véhicule ait son stationnement habituel dans un des Etats membres de l'Espace économique européen, en ce qui concerne les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 5° ) et 6° );]3
3°) [3 l'accident s'est produit sur le territoire d'un Etat membre de l'Espace économique européen, en ce qui concerne les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ), 2° ), 7° ) et 9° );]3
4°) la personne lésée qui, dans le cas visé au 6°) de l'article 19bis-11, § 1er, a adressé directement une demande d'indemnisation à l'entreprise d'assurances du véhicule qui a causé l'accident, n'a pas reçu de réponse motivée dans un délai de trois mois à compter de la présentation de la demande;
5°) dans les cas visés aux 5°) et 6°) de l'article 19bis-11, § 1er, la personne lésée n'a pas introduit d'action en justice directement à l'encontre de l'entreprise d'assurances;
[1 6° ) [3 l'accident s'est produit sur le territoire d'un Etat membre de l'Espace économique européen, en ce qui concerne les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 8° ).]3]1
[3 § 2. Pour les accidents qui ne se sont pas produits sur le territoire belge, la demande d'indemnisation visée au paragraphe 1er est uniquement recevable si la personne lésée a sa résidence en Belgique.]3
1°) l'accident s'est produit sur le territoire belge, en ce qui concerne les cas [3 visés à l'article 19bis-11, § 1er, 3° ) et 4° )]3;
2°) [3 l'accident s'est produit sur le territoire d'un Etat membre de l'Espace économique européen ou d'un Etat tiers dont le Bureau national des assureurs a adhéré au système de la preuve internationale d'assurance, à condition que le véhicule ait son stationnement habituel dans un des Etats membres de l'Espace économique européen, en ce qui concerne les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 5° ) et 6° );]3
3°) [3 l'accident s'est produit sur le territoire d'un Etat membre de l'Espace économique européen, en ce qui concerne les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ), 2° ), 7° ) et 9° );]3
4°) la personne lésée qui, dans le cas visé au 6°) de l'article 19bis-11, § 1er, a adressé directement une demande d'indemnisation à l'entreprise d'assurances du véhicule qui a causé l'accident, n'a pas reçu de réponse motivée dans un délai de trois mois à compter de la présentation de la demande;
5°) dans les cas visés aux 5°) et 6°) de l'article 19bis-11, § 1er, la personne lésée n'a pas introduit d'action en justice directement à l'encontre de l'entreprise d'assurances;
[1 6° ) [3 l'accident s'est produit sur le territoire d'un Etat membre de l'Espace économique européen, en ce qui concerne les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 8° ).]3]1
[3 § 2. Pour les accidents qui ne se sont pas produits sur le territoire belge, la demande d'indemnisation visée au paragraphe 1er est uniquement recevable si la personne lésée a sa résidence en Belgique.]3
Art. 19bis -13.<INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> § 1. In de gevallen bedoeld in artikel 19bis -11, § 1, 5°) en 6°), treedt het Fonds op binnen twee maanden nadat de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, maar staakt zijn optreden indien de verzekeringsonderneming of haar schaderegelaar binnen deze termijn een met redenen omkleed antwoord op het verzoek heeft gegeven.
In dezelfde gevallen stelt het Fonds onmiddellijk de volgende personen in kennis van het verzoek tot schadevergoeding vanwege de benadeelde, met de mededeling dat het binnen twee maanden na de indiening ervan zal optreden :
1°) de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of de schaderegelaar;
2°) [1 het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van de vestiging van de verzekeringsonderneming die de verzekeringsovereenkomst heeft afgesloten;]1
3°) indien deze bekend is, de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. (In het geval bedoeld bij artikel 19bis-11, § 1, 7°, en wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan op het Belgische grondgebied, kan de Koning de verplichtingen van het Fonds beperken tot de vergoeding van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels.
Evenwel is een dergelijke beperking niet toegelaten wanneer het Fonds vergoedt omwille van aanzienlijk lichamelijk letsel door enige benadeelde opgelopen in een ongeval waarbij materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig.
Wordt beschouwd als aanzienlijk lichamelijk letsel, een lichamelijk letsel dat, ingevolge het ongeval, ofwel :
1. de dood van de benadeelde;
2. een bestendige invaliditeit van 15 % of meer;
3. een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer;
4. een hospitaalopname van zeven dagen of meer heeft veroorzaakt.
De Koning kan de voorwaarden, waaronder een lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, nader bepalen of de lijst ervan aanvullen.
De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de gevolgen van de ongevallen die zich hebben voorgedaan voor zijn inwerkingtreding.) <W 2008-06-08/31, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
In dezelfde gevallen stelt het Fonds onmiddellijk de volgende personen in kennis van het verzoek tot schadevergoeding vanwege de benadeelde, met de mededeling dat het binnen twee maanden na de indiening ervan zal optreden :
1°) de verzekeringsonderneming van het voertuig waarmee, door deelneming aan het verkeer, het ongeval is veroorzaakt of de schaderegelaar;
2°) [1 het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van de vestiging van de verzekeringsonderneming die de verzekeringsovereenkomst heeft afgesloten;]1
3°) indien deze bekend is, de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. (In het geval bedoeld bij artikel 19bis-11, § 1, 7°, en wanneer het ongeval zich heeft voorgedaan op het Belgische grondgebied, kan de Koning de verplichtingen van het Fonds beperken tot de vergoeding van de schade voortvloeiend uit lichamelijke letsels.
Evenwel is een dergelijke beperking niet toegelaten wanneer het Fonds vergoedt omwille van aanzienlijk lichamelijk letsel door enige benadeelde opgelopen in een ongeval waarbij materiële schade werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig.
Wordt beschouwd als aanzienlijk lichamelijk letsel, een lichamelijk letsel dat, ingevolge het ongeval, ofwel :
1. de dood van de benadeelde;
2. een bestendige invaliditeit van 15 % of meer;
3. een tijdelijke invaliditeit van een maand of meer;
4. een hospitaalopname van zeven dagen of meer heeft veroorzaakt.
De Koning kan de voorwaarden, waaronder een lichamelijk letsel als aanzienlijk wordt beschouwd, nader bepalen of de lijst ervan aanvullen.
De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op de gevolgen van de ongevallen die zich hebben voorgedaan voor zijn inwerkingtreding.) <W 2008-06-08/31, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
Art. 19bis -13. § 1er. Dans les cas visés aux 5°) et 6°) de l'article 19bis-11, § 1er, le Fonds intervient dans un délai de deux mois après que la personne lésée lui ait présenté une demande d'indemnisation, mais cesse d'intervenir si l'entreprise d'assurances ou son représentant chargé du règlement des sinistres a, dans ce délai, donné une réponse motivée à la demande.
Dans ces mêmes cas, le Fonds informe immédiatement les personnes suivantes du fait qu'il a reçu une demande d'indemnisation de la part de la personne lésée et qu'il va y répondre, dans un délai de deux mois après présentation de cette demande :
1°) l'entreprise d'assurances du véhicule dont la circulation a causé l'accident ou le représentant chargé du règlement des sinistres;
2°) [1 l'organisme d'indemnisation de l'Etat membre d'établissement de l'entreprise d'assurances qui a produit le contrat d'assurance;]1
3°) si elle est identifiée, la personne ayant causé l'accident.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. (Dans le cas prévu à l'article 19bis-11, § 1er, 7°), et lorsque l'accident est survenu sur le territoire belge, le Roi peut limiter les obligations du Fonds à l'indemnisation des dommages resultant de lésions corporelles.
Toutefois, cette limitation n'est pas autorisée lorsque le Fonds indemnise en raison de lésions corporelles importantes encourues par toute personne lésée d'un accident dans lequel des dommages matériels ont été causés par un véhicule non identifié.
Sont considérées comme lésions corporelles importantes, les lésions corporelles résultant d'un accident qui a occasionné soit :
1. le décès de la [1 personne lésée]1;
2. une invalidité permanente de 15 % ou plus;
3. une invalidite temporaire d'un mois ou plus;
4. une hospitalisation de sept jours ou plus.
Le Roi peut préciser davantage les conditions dans lesquelles les lésions corporelles peuvent être considérées comme importantes ou en compléter la liste.
Les dispositions du présent paragraphe ne sont pas d'application aux conséquences des accidents qui se sont produits avant son entrée en vigueur.) <L 2008-06-08/31, art. 17, 019; En vigueur : 26-06-2008>
Dans ces mêmes cas, le Fonds informe immédiatement les personnes suivantes du fait qu'il a reçu une demande d'indemnisation de la part de la personne lésée et qu'il va y répondre, dans un délai de deux mois après présentation de cette demande :
1°) l'entreprise d'assurances du véhicule dont la circulation a causé l'accident ou le représentant chargé du règlement des sinistres;
2°) [1 l'organisme d'indemnisation de l'Etat membre d'établissement de l'entreprise d'assurances qui a produit le contrat d'assurance;]1
3°) si elle est identifiée, la personne ayant causé l'accident.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. (Dans le cas prévu à l'article 19bis-11, § 1er, 7°), et lorsque l'accident est survenu sur le territoire belge, le Roi peut limiter les obligations du Fonds à l'indemnisation des dommages resultant de lésions corporelles.
Toutefois, cette limitation n'est pas autorisée lorsque le Fonds indemnise en raison de lésions corporelles importantes encourues par toute personne lésée d'un accident dans lequel des dommages matériels ont été causés par un véhicule non identifié.
Sont considérées comme lésions corporelles importantes, les lésions corporelles résultant d'un accident qui a occasionné soit :
1. le décès de la [1 personne lésée]1;
2. une invalidité permanente de 15 % ou plus;
3. une invalidite temporaire d'un mois ou plus;
4. une hospitalisation de sept jours ou plus.
Le Roi peut préciser davantage les conditions dans lesquelles les lésions corporelles peuvent être considérées comme importantes ou en compléter la liste.
Les dispositions du présent paragraphe ne sont pas d'application aux conséquences des accidents qui se sont produits avant son entrée en vigueur.) <L 2008-06-08/31, art. 17, 019; En vigueur : 26-06-2008>
Wijzigingen
Art. 19bis -13/1.[2 § 1.]2 [1 In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) en 2° ), beschikt het Fonds over alle nodige bevoegdheden en competenties om te kunnen samenwerken met andere overeenkomstige organen in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte en met andere betrokken partijen, onder meer met de verzekeringsonderneming die het voorwerp uitmaakt van een faillissements- of vereffeningsprocedure, met de bewindvoerder of de vereffenaar van die onderneming, met de schaderegelaar, alsmede met de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte. Deze samenwerking omvat, in voorkomend geval, het verzoek om, de ontvangst van en de verstrekking van informatie, onder meer over de bijzonderheden van specifieke vorderingen.]1
[2 § 2. In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), wanneer de betrokken verzekeringsonderneming haar vergunning heeft verkregen van de Nationale Bank van België:
1° ) ziet het Fonds erop toe dat alle schadevergoedingsorganen, bedoeld in de artikelen 10bis, 24 en 25bis, van Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, onverwijld in kennis worden gesteld van de procedure bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), naargelang het geval;
2° ) betaalt het Fonds het overeenkomstige orgaan van de lidstaat van de Europese Economische Ruimte van de verblijfplaats van de benadeelde binnen een termijn van zes maanden nadat het een vordering tot terugbetaling heeft ontvangen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen.
§ 3. In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), brengt de verzekeringsonderneming, bedoeld in paragraaf 2, die het voorwerp is van een faillissements- of liquidatieprocedure, of de bewindvoerder of de liquidateur ervan, het Fonds op de hoogte wanneer zij een vergoeding uitkeert, of wanneer zij de vordering van de benadeelde die ook bij het Fonds is ingediend, afwijst.
§ 4. In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), wanneer het Fonds een vordering van de benadeelde heeft ontvangen in de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), stelt het Fonds de hierna vermelde personen, organen en verzekeringsondernemingen in kennis:
1° ) het overeenkomstige orgaan in de lidstaat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt;
2° ) het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van verblijfplaats van de benadeelde, bedoeld in § 2, 1° );
3° ) de verzekeringsonderneming die naargelang het geval het voorwerp uitmaakt van een procedure bedoeld in artikel 19bis-1, § 1, 1° ) of 2° ), of haar bewindvoerder of liquidateur.
§ 5. Wanneer het Fonds een vordering van de benadeelde heeft ontvangen die zijn verblijfplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat waarvan het overeenkomstige orgaan gehouden is tot terugbetaling aan het Fonds overeenkomstig artikel 19bis-14, § 6, mag het Fonds dezelfde subsidiariteit toepassen als deze die wordt toegepast door dit orgaan.]2
[2 § 2. In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), wanneer de betrokken verzekeringsonderneming haar vergunning heeft verkregen van de Nationale Bank van België:
1° ) ziet het Fonds erop toe dat alle schadevergoedingsorganen, bedoeld in de artikelen 10bis, 24 en 25bis, van Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, onverwijld in kennis worden gesteld van de procedure bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), naargelang het geval;
2° ) betaalt het Fonds het overeenkomstige orgaan van de lidstaat van de Europese Economische Ruimte van de verblijfplaats van de benadeelde binnen een termijn van zes maanden nadat het een vordering tot terugbetaling heeft ontvangen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen.
§ 3. In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), brengt de verzekeringsonderneming, bedoeld in paragraaf 2, die het voorwerp is van een faillissements- of liquidatieprocedure, of de bewindvoerder of de liquidateur ervan, het Fonds op de hoogte wanneer zij een vergoeding uitkeert, of wanneer zij de vordering van de benadeelde die ook bij het Fonds is ingediend, afwijst.
§ 4. In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), wanneer het Fonds een vordering van de benadeelde heeft ontvangen in de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), stelt het Fonds de hierna vermelde personen, organen en verzekeringsondernemingen in kennis:
1° ) het overeenkomstige orgaan in de lidstaat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt;
2° ) het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van verblijfplaats van de benadeelde, bedoeld in § 2, 1° );
3° ) de verzekeringsonderneming die naargelang het geval het voorwerp uitmaakt van een procedure bedoeld in artikel 19bis-1, § 1, 1° ) of 2° ), of haar bewindvoerder of liquidateur.
§ 5. Wanneer het Fonds een vordering van de benadeelde heeft ontvangen die zijn verblijfplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat waarvan het overeenkomstige orgaan gehouden is tot terugbetaling aan het Fonds overeenkomstig artikel 19bis-14, § 6, mag het Fonds dezelfde subsidiariteit toepassen als deze die wordt toegepast door dit orgaan.]2
Art. 19bis -13/1.[2 § 1er.]2 [1 Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) et 2° ), le Fonds dispose de tous les pouvoirs et compétences nécessaires pour pouvoir coopérer avec d'autres organismes similaires dans d'autres Etats membres de l'Espace économique européen, et avec d'autres parties intéressées, notamment avec l'entreprise d'assurance faisant l'objet d'une procédure de faillite ou de liquidation, son administrateur ou son liquidateur, le représentant chargé du règlement des sinistres et les autorités nationales compétentes des Etats membres de l'Espace économique européen. Cette coopération comprend la demande, la réception et la fourniture d'informations, y compris sur le détail des demandes spécifiques, le cas échéant.]1
[2 § 2. Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), lorsque l'entreprise d'assurances concernée a obtenu son agrément auprès de la Banque nationale de Belgique:
1° ) le Fonds veille à ce que tous les organismes d'indemnisation visés aux articles 10bis, 24 et 25bis, de la directive 2009/103/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l'assurance de la responsabilité civile résultant de la circulation de véhicules automoteurs et le contrôle de l'obligation d'assurer cette responsabilité, soient informés, sans délai, de la procédure visée à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), selon le cas;
2° ) le Fonds paie l'organisme correspondant de l'Etat membre de l'Espace économique européen où réside la personne lésée dans les six mois suivant la réception d'une demande de remboursement, sauf s'il en est convenu autrement par écrit.
§ 3. Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), l'entreprise d'assurances visée au paragraphe 2 qui fait l'objet d'une procédure de faillite ou de liquidation, ou son administrateur ou liquidateur, informe le Fonds lorsqu'elle indemnise ou lorsqu'elle rejette la demande d'indemnisation également présentée par la personne lésée au Fonds.
§ 4. Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), lorsque le Fonds a reçu une demande d'indemnisation de la personne lésée, dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), il en informe les personnes, organismes et entreprises d'assurances énumérés ci-après:
1° ) l'organisme correspondant dans l'Etat membre où se trouve le siège principal de l'entreprise d'assurances couvrant le risque;
2° ) l'organisme d'indemnisation de l'Etat membre de résidence de la personne lésée, tel que visé au § 2, 1° );
3° ) l'entreprise d'assurances qui, selon le cas, fait l'objet d'une procédure visée à l'article 19bis-1, § 1er, 1° ) ou 2° ), son administrateur ou son liquidateur.
§ 5. Lorsque le Fonds a reçu une demande d'indemnisation d'une personne lésée résidant sur le territoire de l'Etat membre dont l'organe correspondant est tenu de rembourser le Fonds conformément à l'article 19bis-14, § 6, le Fonds peut appliquer la même subsidiarité que celle appliquée par cet organisme.]2
[2 § 2. Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), lorsque l'entreprise d'assurances concernée a obtenu son agrément auprès de la Banque nationale de Belgique:
1° ) le Fonds veille à ce que tous les organismes d'indemnisation visés aux articles 10bis, 24 et 25bis, de la directive 2009/103/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 concernant l'assurance de la responsabilité civile résultant de la circulation de véhicules automoteurs et le contrôle de l'obligation d'assurer cette responsabilité, soient informés, sans délai, de la procédure visée à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), selon le cas;
2° ) le Fonds paie l'organisme correspondant de l'Etat membre de l'Espace économique européen où réside la personne lésée dans les six mois suivant la réception d'une demande de remboursement, sauf s'il en est convenu autrement par écrit.
§ 3. Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), l'entreprise d'assurances visée au paragraphe 2 qui fait l'objet d'une procédure de faillite ou de liquidation, ou son administrateur ou liquidateur, informe le Fonds lorsqu'elle indemnise ou lorsqu'elle rejette la demande d'indemnisation également présentée par la personne lésée au Fonds.
§ 4. Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), lorsque le Fonds a reçu une demande d'indemnisation de la personne lésée, dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), il en informe les personnes, organismes et entreprises d'assurances énumérés ci-après:
1° ) l'organisme correspondant dans l'Etat membre où se trouve le siège principal de l'entreprise d'assurances couvrant le risque;
2° ) l'organisme d'indemnisation de l'Etat membre de résidence de la personne lésée, tel que visé au § 2, 1° );
3° ) l'entreprise d'assurances qui, selon le cas, fait l'objet d'une procédure visée à l'article 19bis-1, § 1er, 1° ) ou 2° ), son administrateur ou son liquidateur.
§ 5. Lorsque le Fonds a reçu une demande d'indemnisation d'une personne lésée résidant sur le territoire de l'Etat membre dont l'organe correspondant est tenu de rembourser le Fonds conformément à l'article 19bis-14, § 6, le Fonds peut appliquer la même subsidiarité que celle appliquée par cet organisme.]2
Art. 19bis -13/2. [1 § 1. Het toepassingsgebied van dit artikel zijn de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1.
§ 2. Binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de benadeelde zijn vordering tot schadevergoeding heeft ingediend bij het Fonds, moet het Fonds, op basis van onder andere de inlichtingen die het op zijn verzoek van de benadeelde heeft gekregen en overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding voorleggen wanneer aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het Fonds heeft vastgesteld dat het gehouden is om schadevergoeding te verlenen; en
2° de vordering wordt niet betwist; en
3° de schade werd geheel of gedeeltelijk gekwantificeerd.
Wanneer de schade niet volledig gekwantificeerd is, moet het Fonds een voorstel tot voorschot voorleggen.
Wat de lichamelijke schade betreft, heeft het voorschot ten minste betrekking op de reeds gemaakte kosten en op het zonder betwisting verschuldigde bedrag in het licht van de reeds gekende gevolgen van de geleden schade en, in het bijzonder, de periodes van tijdelijke ongeschiktheid en invaliditeit die al zijn verstreken en nog te verwachten zijn op basis van de beschikbare, al dan niet tegensprekelijke, verslagen van de medische expertise. Het in aanmerking te nemen toekomstige nadeel mag beperkt worden tot de drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend.
In voorkomend geval deelt het Fonds aan de benadeelde de conclusies mee van het voorlopig eenzijdig verslag van de medische expertise, waarbij het verduidelijkt dat het om een voorlopig medisch verslag gaat en de benadeelde aanbeveelt zich te informeren over waar hij recht op heeft.
§ 3. Het Fonds keert de schadevergoeding onverwijld aan de benadeelde uit en in ieder geval binnen dertig werkdagen die volgen op de datum van de ontvangst door het Fonds van de aanvaarding van zijn met redenen omkleed voorstel van schadevergoeding door de benadeelde.
§ 4. De benadeelde aan wie een voorstel tot voorschot wordt gericht, kan ten vroegste zes maanden na het vorige verzoek, een nieuw verzoek indienen op basis van later verzamelde aanvullende informatie over de schade en de evolutie hiervan.
§ 5. Indien er geen voorstel is voorgelegd binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn van drie maanden, is het Fonds van rechtswege gehouden ten voordele van de benadeelde tot betaling van een bijkomend bedrag dat overeenkomt met de wettelijke interestvoet, toegepast op de vergoeding of het voorschot door het Fonds voorgesteld of door de rechter aan de benadeelde toegewezen, en dit gedurende een termijn die ingaat op de dag waarop de voornoemde termijn van drie maanden verstrijkt en die loopt tot de dag volgend op de dag van ontvangst van het voorstel door de benadeelde of, in voorkomend geval, tot de dag waarop het vonnis of arrest waarbij de vergoeding wordt toegewezen in kracht van gewijsde is gegaan.
Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het in paragraaf 2 bedoelde voorstel, niet betaald wordt binnen dertig werkdagen die volgen op de datum van de ontvangst door het Fonds van de aanvaarding van dit voorstel door de benadeelde. In dit geval loopt de termijn vanaf de dag van de ontvangst van de aanvaarding tot de dag waarop het bedrag aan de benadeelde is gestort.
Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het in paragraaf 2 bedoelde voorstel kennelijk ontoereikend is. De interest wordt berekend op het verschil tussen het bedrag vermeld in het voorstel en het bedrag vermeld in het vonnis of arrest in verband met dit voorstel en dat kracht van gewijsde heeft. De termijn loopt vanaf de dag na het verstrijken van genoemde termijn van drie maanden tot de dag van het vonnis of het arrest.
§ 6. De voorstellen tot voorschot mogen in geen geval een kwijting voor saldo van rekening bevatten, zelfs geen gedeeltelijke kwijting.
§ 7. Verzoeken van het Fonds in verband met documenten en inlichtingen die het in staat moeten stellen om te bepalen of het is gehouden om een schadevergoeding te verlenen voor het schadegeval dat zich voordeed, alsook om het bedrag van de prestatie te bepalen, moeten redelijk en relevant zijn.]1
§ 2. Binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de benadeelde zijn vordering tot schadevergoeding heeft ingediend bij het Fonds, moet het Fonds, op basis van onder andere de inlichtingen die het op zijn verzoek van de benadeelde heeft gekregen en overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding voorleggen wanneer aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
1° het Fonds heeft vastgesteld dat het gehouden is om schadevergoeding te verlenen; en
2° de vordering wordt niet betwist; en
3° de schade werd geheel of gedeeltelijk gekwantificeerd.
Wanneer de schade niet volledig gekwantificeerd is, moet het Fonds een voorstel tot voorschot voorleggen.
Wat de lichamelijke schade betreft, heeft het voorschot ten minste betrekking op de reeds gemaakte kosten en op het zonder betwisting verschuldigde bedrag in het licht van de reeds gekende gevolgen van de geleden schade en, in het bijzonder, de periodes van tijdelijke ongeschiktheid en invaliditeit die al zijn verstreken en nog te verwachten zijn op basis van de beschikbare, al dan niet tegensprekelijke, verslagen van de medische expertise. Het in aanmerking te nemen toekomstige nadeel mag beperkt worden tot de drie maanden na de datum waarop de benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend.
In voorkomend geval deelt het Fonds aan de benadeelde de conclusies mee van het voorlopig eenzijdig verslag van de medische expertise, waarbij het verduidelijkt dat het om een voorlopig medisch verslag gaat en de benadeelde aanbeveelt zich te informeren over waar hij recht op heeft.
§ 3. Het Fonds keert de schadevergoeding onverwijld aan de benadeelde uit en in ieder geval binnen dertig werkdagen die volgen op de datum van de ontvangst door het Fonds van de aanvaarding van zijn met redenen omkleed voorstel van schadevergoeding door de benadeelde.
§ 4. De benadeelde aan wie een voorstel tot voorschot wordt gericht, kan ten vroegste zes maanden na het vorige verzoek, een nieuw verzoek indienen op basis van later verzamelde aanvullende informatie over de schade en de evolutie hiervan.
§ 5. Indien er geen voorstel is voorgelegd binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn van drie maanden, is het Fonds van rechtswege gehouden ten voordele van de benadeelde tot betaling van een bijkomend bedrag dat overeenkomt met de wettelijke interestvoet, toegepast op de vergoeding of het voorschot door het Fonds voorgesteld of door de rechter aan de benadeelde toegewezen, en dit gedurende een termijn die ingaat op de dag waarop de voornoemde termijn van drie maanden verstrijkt en die loopt tot de dag volgend op de dag van ontvangst van het voorstel door de benadeelde of, in voorkomend geval, tot de dag waarop het vonnis of arrest waarbij de vergoeding wordt toegewezen in kracht van gewijsde is gegaan.
Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het in paragraaf 2 bedoelde voorstel, niet betaald wordt binnen dertig werkdagen die volgen op de datum van de ontvangst door het Fonds van de aanvaarding van dit voorstel door de benadeelde. In dit geval loopt de termijn vanaf de dag van de ontvangst van de aanvaarding tot de dag waarop het bedrag aan de benadeelde is gestort.
Dezelfde sanctie is van toepassing wanneer het bedrag vermeld in het in paragraaf 2 bedoelde voorstel kennelijk ontoereikend is. De interest wordt berekend op het verschil tussen het bedrag vermeld in het voorstel en het bedrag vermeld in het vonnis of arrest in verband met dit voorstel en dat kracht van gewijsde heeft. De termijn loopt vanaf de dag na het verstrijken van genoemde termijn van drie maanden tot de dag van het vonnis of het arrest.
§ 6. De voorstellen tot voorschot mogen in geen geval een kwijting voor saldo van rekening bevatten, zelfs geen gedeeltelijke kwijting.
§ 7. Verzoeken van het Fonds in verband met documenten en inlichtingen die het in staat moeten stellen om te bepalen of het is gehouden om een schadevergoeding te verlenen voor het schadegeval dat zich voordeed, alsook om het bedrag van de prestatie te bepalen, moeten redelijk en relevant zijn.]1
Art.19bis-13/2. [1 § 1er. Cet article a pour champ d'application les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er.
§ 2. Dans un délai de trois mois à compter de la date à laquelle la personne lésée a présenté une demande d'indemnisation au Fonds, le Fonds est tenu, sur la base notamment des informations recueillies à sa demande auprès de la personne lésée et conformément au droit national applicable, de présenter une offre d'indemnisation motivée lorsque chacune des conditions suivantes est remplie:
1° le Fonds a établi qu'il est tenu de verser une indemnisation; et
2° la demande n'est pas contestée; et,
3° les dommages ont été partiellement ou entièrement quantifiés.
Lorsque le dommage n'est pas entièrement quantifié, le Fonds doit présenter une offre d'avance.
En ce qui concerne le dommage corporel, l'avance porte au moins sur les frais déjà exposés et sur l'incontestablement dû au regard des conséquences déjà connues du dommage subi et, en particulier, des périodes d'incapacité et d'invalidité temporaires déjà écoulées et prévisibles sur la base des rapports d'expertise médicale, contradictoire ou non, disponibles. La prise en compte du préjudice futur peut être limitée aux trois mois suivant la date à laquelle la personne lésée a présenté sa demande d'indemnisation.
Le cas échéant, le Fonds communique à la personne lésée les conclusions du rapport provisoire unilatéral d'expertise médicale, en précisant qu'il s'agit d'un rapport médical provisoire, et en recommandant à la personne lésée de s'informer de ce à quoi elle a droit.
§ 3. Le Fonds verse l'indemnité à la personne lésée sans délai et, en tout cas, dans les trente jours ouvrables qui suivent la date à laquelle le Fonds reçoit l'acceptation de son offre motivée d'indemnisation par la personne lésée.
§ 4. La personne lésée qui s'est vu adresser une offre d'avance peut, au plus tôt six mois après la demande précédente, introduire une nouvelle demande sur la base des informations complémentaires recueillies ultérieurement sur son dommage et son évolution.
§ 5. Si aucune offre n'est présentée dans le délai de trois mois visé au paragraphe 2, le Fonds est tenu de plein droit en faveur de la personne lésée au paiement d'une somme complémentaire, correspondant à l'intérêt légal sur le montant de l'indemnisation ou de l'avance offerte par le Fonds ou octroyée par le juge à la personne lésée, pendant un délai qui court du jour de l'expiration du délai de trois mois précité au jour suivant celui de la réception de l'offre par la personne lésée ou, le cas échéant, au jour où le jugement ou l'arrêt par lequel l'indemnisation est accordée est coulé en force de chose jugée.
La même sanction est applicable lorsque le montant proposé dans l'offre visée au paragraphe 2 n'est pas liquidé dans les trente jours ouvrables qui suivent la date à laquelle le Fonds reçoit l'acceptation de cette offre par la personne lésée. Dans ce cas, le délai court du jour de la réception de l'acceptation au jour où la somme a été versée à la personne lésée.
La même sanction est applicable lorsque le montant proposé dans l'offre visée au paragraphe 2 est manifestement insuffisant. L'intérêt est calculé sur la différence entre le montant mentionné dans l'offre et le montant mentionné dans le jugement ou dans l'arrêt relatif à cette offre et passé en force de chose jugée. Le délai court du lendemain de l'expiration du délai de trois mois précité au jour du jugement ou de l'arrêt.
§ 6. En aucun cas les offres d'avance ne peuvent contenir quittance pour solde de compte, même partiel.
§ 7. Les demandes du Fonds relatives aux documents et informations visant à lui permettre de déterminer s'il est tenu d'octroyer une indemnisation pour le sinistre survenu ainsi que de déterminer le montant de la prestation doivent être raisonnables et pertinentes.]1
§ 2. Dans un délai de trois mois à compter de la date à laquelle la personne lésée a présenté une demande d'indemnisation au Fonds, le Fonds est tenu, sur la base notamment des informations recueillies à sa demande auprès de la personne lésée et conformément au droit national applicable, de présenter une offre d'indemnisation motivée lorsque chacune des conditions suivantes est remplie:
1° le Fonds a établi qu'il est tenu de verser une indemnisation; et
2° la demande n'est pas contestée; et,
3° les dommages ont été partiellement ou entièrement quantifiés.
Lorsque le dommage n'est pas entièrement quantifié, le Fonds doit présenter une offre d'avance.
En ce qui concerne le dommage corporel, l'avance porte au moins sur les frais déjà exposés et sur l'incontestablement dû au regard des conséquences déjà connues du dommage subi et, en particulier, des périodes d'incapacité et d'invalidité temporaires déjà écoulées et prévisibles sur la base des rapports d'expertise médicale, contradictoire ou non, disponibles. La prise en compte du préjudice futur peut être limitée aux trois mois suivant la date à laquelle la personne lésée a présenté sa demande d'indemnisation.
Le cas échéant, le Fonds communique à la personne lésée les conclusions du rapport provisoire unilatéral d'expertise médicale, en précisant qu'il s'agit d'un rapport médical provisoire, et en recommandant à la personne lésée de s'informer de ce à quoi elle a droit.
§ 3. Le Fonds verse l'indemnité à la personne lésée sans délai et, en tout cas, dans les trente jours ouvrables qui suivent la date à laquelle le Fonds reçoit l'acceptation de son offre motivée d'indemnisation par la personne lésée.
§ 4. La personne lésée qui s'est vu adresser une offre d'avance peut, au plus tôt six mois après la demande précédente, introduire une nouvelle demande sur la base des informations complémentaires recueillies ultérieurement sur son dommage et son évolution.
§ 5. Si aucune offre n'est présentée dans le délai de trois mois visé au paragraphe 2, le Fonds est tenu de plein droit en faveur de la personne lésée au paiement d'une somme complémentaire, correspondant à l'intérêt légal sur le montant de l'indemnisation ou de l'avance offerte par le Fonds ou octroyée par le juge à la personne lésée, pendant un délai qui court du jour de l'expiration du délai de trois mois précité au jour suivant celui de la réception de l'offre par la personne lésée ou, le cas échéant, au jour où le jugement ou l'arrêt par lequel l'indemnisation est accordée est coulé en force de chose jugée.
La même sanction est applicable lorsque le montant proposé dans l'offre visée au paragraphe 2 n'est pas liquidé dans les trente jours ouvrables qui suivent la date à laquelle le Fonds reçoit l'acceptation de cette offre par la personne lésée. Dans ce cas, le délai court du jour de la réception de l'acceptation au jour où la somme a été versée à la personne lésée.
La même sanction est applicable lorsque le montant proposé dans l'offre visée au paragraphe 2 est manifestement insuffisant. L'intérêt est calculé sur la différence entre le montant mentionné dans l'offre et le montant mentionné dans le jugement ou dans l'arrêt relatif à cette offre et passé en force de chose jugée. Le délai court du lendemain de l'expiration du délai de trois mois précité au jour du jugement ou de l'arrêt.
§ 6. En aucun cas les offres d'avance ne peuvent contenir quittance pour solde de compte, même partiel.
§ 7. Les demandes du Fonds relatives aux documents et informations visant à lui permettre de déterminer s'il est tenu d'octroyer une indemnisation pour le sinistre survenu ainsi que de déterminer le montant de la prestation doivent être raisonnables et pertinentes.]1
Art. 19bis -13/3. [1 § 1. Het toepassingsgebied van dit artikel zijn de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1.
§ 2. Wanneer de benadeelde een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend maar het Fonds heeft vastgesteld:
1° dat het niet gehouden is om schadevergoeding te verlenen, of dat
2° de aansprakelijkheid of de toepassing van artikel 29bis of artikel 29ter niet duidelijk werd vastgesteld, of dat
3° de schade wordt betwist of niet gekwantificeerd is,
geeft het Fonds op basis van onder andere de inlichtingen die het op zijn verzoek van de benadeelde heeft gekregen een met redenen omkleed antwoord op de elementen die in de vordering worden vermeld, en dit binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop deze vordering tot schadevergoeding bij het Fonds werd ingediend.
§ 3. Indien geen met redenen omkleed antwoord is gegeven binnen de termijn van drie maanden bedoeld in paragraaf 2, is het Fonds van rechtswege gehouden tot betaling van een forfaitair bedrag van 300 euro ten voordele van de benadeelde.
Wanneer de benadeelde, na het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in paragraaf 2, bij aangetekende zending of met om het even welk ander gelijkgesteld middel een herinnering aan het Fonds heeft verzonden, is deze van rechtswege gehouden tot betaling van een forfaitair bedrag van 300 euro per dag vertraging ten voordele van de benadeelde vanaf de dag van de verzending van de herinnering indien hij niet binnen elf dagen op de herinnering heeft geantwoord. De Koning kan de communicatiemiddelen die als gelijkgesteld met de aangetekende zending worden beschouwd, nader bepalen.
De termijn van elf dagen bedoeld in het tweede lid gaat in op de derde werkdag na de dag waarop de benadeelde de herinnering heeft verzonden, tenzij het Fonds het tegendeel bewijst.
Het bedrag bedoeld in het tweede lid is niet meer verschuldigd de dag volgend op de dag van de ontvangst door de benadeelde van het met redenen omklede antwoord of het gemotiveerde voorstel tot schadevergoeding.
De in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen worden jaarlijks op 1 januari automatisch geïndexeerd op basis van het meest recent beschikbare indexcijfer van de consumptieprijzen. De indexering gebeurt voor de eerste maal op 1 januari van het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit artikel, met als referentie-index de consumptieprijsindex van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel. Het basisjaar dat gebruikt wordt voor de consumptieprijsindex is 2013 = 100.
§ 4. De termijnen waarin dit artikel voorziet, worden opgeschort wanneer het Fonds de benadeelde schriftelijk de redenen duidelijk heeft gemaakt die, buiten zijn wil om, de uitvoering van zijn verplichtingen binnen de genoemde termijnen onmogelijk maken.]1
§ 2. Wanneer de benadeelde een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend maar het Fonds heeft vastgesteld:
1° dat het niet gehouden is om schadevergoeding te verlenen, of dat
2° de aansprakelijkheid of de toepassing van artikel 29bis of artikel 29ter niet duidelijk werd vastgesteld, of dat
3° de schade wordt betwist of niet gekwantificeerd is,
geeft het Fonds op basis van onder andere de inlichtingen die het op zijn verzoek van de benadeelde heeft gekregen een met redenen omkleed antwoord op de elementen die in de vordering worden vermeld, en dit binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop deze vordering tot schadevergoeding bij het Fonds werd ingediend.
§ 3. Indien geen met redenen omkleed antwoord is gegeven binnen de termijn van drie maanden bedoeld in paragraaf 2, is het Fonds van rechtswege gehouden tot betaling van een forfaitair bedrag van 300 euro ten voordele van de benadeelde.
Wanneer de benadeelde, na het verstrijken van de termijn van drie maanden bedoeld in paragraaf 2, bij aangetekende zending of met om het even welk ander gelijkgesteld middel een herinnering aan het Fonds heeft verzonden, is deze van rechtswege gehouden tot betaling van een forfaitair bedrag van 300 euro per dag vertraging ten voordele van de benadeelde vanaf de dag van de verzending van de herinnering indien hij niet binnen elf dagen op de herinnering heeft geantwoord. De Koning kan de communicatiemiddelen die als gelijkgesteld met de aangetekende zending worden beschouwd, nader bepalen.
De termijn van elf dagen bedoeld in het tweede lid gaat in op de derde werkdag na de dag waarop de benadeelde de herinnering heeft verzonden, tenzij het Fonds het tegendeel bewijst.
Het bedrag bedoeld in het tweede lid is niet meer verschuldigd de dag volgend op de dag van de ontvangst door de benadeelde van het met redenen omklede antwoord of het gemotiveerde voorstel tot schadevergoeding.
De in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen worden jaarlijks op 1 januari automatisch geïndexeerd op basis van het meest recent beschikbare indexcijfer van de consumptieprijzen. De indexering gebeurt voor de eerste maal op 1 januari van het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit artikel, met als referentie-index de consumptieprijsindex van de maand voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel. Het basisjaar dat gebruikt wordt voor de consumptieprijsindex is 2013 = 100.
§ 4. De termijnen waarin dit artikel voorziet, worden opgeschort wanneer het Fonds de benadeelde schriftelijk de redenen duidelijk heeft gemaakt die, buiten zijn wil om, de uitvoering van zijn verplichtingen binnen de genoemde termijnen onmogelijk maken.]1
Art.19bis-13/3. [1 § 1er. Cet article a pour champ d'application, les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er.
§ 2. Lorsque la personne lésée présente une demande d'indemnisation mais que le Fonds a établi:
1° ne pas être tenu d'octroyer une indemnisation, ou que
2° la responsabilité ou l'application de l'article 29bis ou 29ter n'est pas clairement établie, ou que
3° le dommage est contesté ou non quantifié,
le Fonds donne une réponse motivée aux éléments repris dans la demande notamment sur la base des informations recueillies à sa demande auprès de la personne lésée, dans un délai de trois mois à compter de la date à laquelle la demande d'indemnisation a été introduite auprès du Fonds.
§ 3. Si aucune réponse motivée n'est donnée dans le délai de trois mois visé au paragraphe 2, le Fonds est tenu de plein droit au paiement d'un montant forfaitaire de 300 euros en faveur de la personne lésée.
Lorsque, après l'expiration du délai de trois mois visé au paragraphe 2, la personne lésée a envoyé un rappel, par envoi recommandé ou par tout autre moyen équivalent au Fonds, celui-ci est tenu de plein droit au paiement d'un montant forfaitaire de 300 euros par jour de retard en faveur de la personne lésée à partir du jour de l'envoi du rappel s'il n'a pas répondu au rappel dans les onze jours. Le Roi peut préciser les moyens de communication considérés équivalents à l'envoi recommandé.
Le délai de onze jours visé à l'alinéa 2 prend cours le troisième jour ouvrable qui suit celui de l'envoi du rappel par la personne lésée, sauf preuve contraire du Fonds.
Le montant visé à l'alinéa 2 cesse d'être dû le jour suivant celui de la réception de la réponse motivée ou de l'offre motivée d'indemnisation par la personne lésée.
Les montants visés aux alinéas 1er et 2 sont indexés automatiquement le 1er janvier de chaque année sur la base du dernier indice des prix à la consommation disponible. L'indexation a lieu pour la première fois le 1er janvier de l'année suivant l'entrée en vigueur du présent article, en utilisant comme indice de référence l'indice des prix à la consommation du mois précédant l'entrée en vigueur du présent article. L'année de base utilisée pour l'indice des prix à la consommation est 2013 = 100.
§ 4. Les délais prévus dans le présent article sont suspendus lorsque le Fonds a fait connaître par écrit à la personne lésée les raisons qui, indépendantes de sa volonté, le mettent dans l'impossibilité d'exécuter ses obligations dans lesdits délais.]1
§ 2. Lorsque la personne lésée présente une demande d'indemnisation mais que le Fonds a établi:
1° ne pas être tenu d'octroyer une indemnisation, ou que
2° la responsabilité ou l'application de l'article 29bis ou 29ter n'est pas clairement établie, ou que
3° le dommage est contesté ou non quantifié,
le Fonds donne une réponse motivée aux éléments repris dans la demande notamment sur la base des informations recueillies à sa demande auprès de la personne lésée, dans un délai de trois mois à compter de la date à laquelle la demande d'indemnisation a été introduite auprès du Fonds.
§ 3. Si aucune réponse motivée n'est donnée dans le délai de trois mois visé au paragraphe 2, le Fonds est tenu de plein droit au paiement d'un montant forfaitaire de 300 euros en faveur de la personne lésée.
Lorsque, après l'expiration du délai de trois mois visé au paragraphe 2, la personne lésée a envoyé un rappel, par envoi recommandé ou par tout autre moyen équivalent au Fonds, celui-ci est tenu de plein droit au paiement d'un montant forfaitaire de 300 euros par jour de retard en faveur de la personne lésée à partir du jour de l'envoi du rappel s'il n'a pas répondu au rappel dans les onze jours. Le Roi peut préciser les moyens de communication considérés équivalents à l'envoi recommandé.
Le délai de onze jours visé à l'alinéa 2 prend cours le troisième jour ouvrable qui suit celui de l'envoi du rappel par la personne lésée, sauf preuve contraire du Fonds.
Le montant visé à l'alinéa 2 cesse d'être dû le jour suivant celui de la réception de la réponse motivée ou de l'offre motivée d'indemnisation par la personne lésée.
Les montants visés aux alinéas 1er et 2 sont indexés automatiquement le 1er janvier de chaque année sur la base du dernier indice des prix à la consommation disponible. L'indexation a lieu pour la première fois le 1er janvier de l'année suivant l'entrée en vigueur du présent article, en utilisant comme indice de référence l'indice des prix à la consommation du mois précédant l'entrée en vigueur du présent article. L'année de base utilisée pour l'indice des prix à la consommation est 2013 = 100.
§ 4. Les délais prévus dans le présent article sont suspendus lorsque le Fonds a fait connaître par écrit à la personne lésée les raisons qui, indépendantes de sa volonté, le mettent dans l'impossibilité d'exécuter ses obligations dans lesdits délais.]1
Art. 19bis -14.<INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> § 1. In de gevallen bepaald in artikel 19bis -11, § 1, treedt het Fonds, in zoverre het de schade heeft vergoed, in de rechten van de benadeelde tegen de aansprakelijke personen en eventueel tegen hun verzekeraars.
[1 § 1/1. Indien het de benadeelde heeft vergoed, met toepassing van artikel 19bis-11, § 1, 4° ), heeft het Fonds enkel het recht de uitbetaalde schadevergoeding terug te vorderen van de dief, de geweldpleger of de heler.]1
§ 2. Indien het Fonds de benadeelde heeft vergoed, met toepassing van artikel 19bis -11, § 1, 5°) of 6°), heeft het Fonds het recht de uitbetaalde schadevergoeding te verhalen op het schadevergoedingsorgaan in de Staat van de vestiging van de verzekeringsonderneming die de [2 verzekeringsovereenkomst]2 heeft afgesloten.
§ 3. [2 Het Fonds dat een schadevergoedingsorgaan van een andere Staat heeft terugbetaald met toepassing van een bepaling die naar het recht van deze Staat gelijkaardig is aan artikel 19bis-11, § 1, 5° ) of 6° ), wordt gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde persoon tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt of diens verzekeringsonderneming, in de mate waarin het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van de verblijfplaats van de benadeelde persoon deze heeft vergoed voor de opgelopen schade.]2
§ 4. Het Fonds dat de benadeelde persoon heeft vergoed, in toepassing van artikel 19bis -11, § 1, 7°) of 8°), kan zich verhalen :
1°) indien de verzekeringsonderneming niet kan worden geïdentificeerd : op het garantiefonds in de Staat van de Europese Economische Ruimte waar het voertuig gewoonlijk gestald is;
2°) indien het betrokken voertuig niet kan worden geïdentificeerd : op het garantiefonds van de Staat van de Europese Economische Ruimte waar het ongeval zich heeft voorgedaan;
3°) indien het gaat om een voertuig uit een derde Staat : op het garantiefonds van de Staat van de Europese Economische Ruimte waar het ongeval zich heeft voorgedaan.
[1 § 5. In afwijking van paragraaf 1 en in het geval van artikel 19bis-11, § 1, 8° ), heeft het Fonds ten belope van het bedrag van de vergoeding een recht op verhaal tegen de eigenaar van het motorrijtuig en eventueel tegen zijn verzekeraar. De eigenaar heeft geen enkel recht om het bedrag van de schadevergoeding terug te vorderen.
In afwijking van het voorgaande lid blijft paragraaf 1 van toepassing indien het ongeval en de schade met opzet werden veroorzaakt.]1
[2 § 6. In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) en 2° ), heeft het Fonds het recht om van het overeenkomstige orgaan in de lidstaat waar het hoofdkantoor van de verzekeringsonderneming is gevestigd die het risico dekt, volledige terugbetaling te vorderen van de bij wijze van schadevergoeding uitgekeerde bedragen.
In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), wordt het Fonds gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde jegens de aansprakelijke persoon of zijn verzekeringsonderneming. Het Fonds kan zich slechts verhalen op de aansprakelijke persoon, de verzekeringnemer of de verzekerde, indien voldaan is aan de voorwaarden waaronder zodanig verhaal volgens de wet of het contract voor de verzekeraar zelf openstaat.
§ 7. De subrogatie mag geen afbreuk doen aan de rechten die benadeelden die samen met het Fonds opkomen, persoonlijk zouden kunnen doen gelden. Deze benadeelden, met uitsluiting van de gesubrogeerden, oefenen hun rechten uit bij voorkeur boven het Fonds.]2
[1 § 1/1. Indien het de benadeelde heeft vergoed, met toepassing van artikel 19bis-11, § 1, 4° ), heeft het Fonds enkel het recht de uitbetaalde schadevergoeding terug te vorderen van de dief, de geweldpleger of de heler.]1
§ 2. Indien het Fonds de benadeelde heeft vergoed, met toepassing van artikel 19bis -11, § 1, 5°) of 6°), heeft het Fonds het recht de uitbetaalde schadevergoeding te verhalen op het schadevergoedingsorgaan in de Staat van de vestiging van de verzekeringsonderneming die de [2 verzekeringsovereenkomst]2 heeft afgesloten.
§ 3. [2 Het Fonds dat een schadevergoedingsorgaan van een andere Staat heeft terugbetaald met toepassing van een bepaling die naar het recht van deze Staat gelijkaardig is aan artikel 19bis-11, § 1, 5° ) of 6° ), wordt gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde persoon tegen de persoon die het ongeval heeft veroorzaakt of diens verzekeringsonderneming, in de mate waarin het schadevergoedingsorgaan van de lidstaat van de verblijfplaats van de benadeelde persoon deze heeft vergoed voor de opgelopen schade.]2
§ 4. Het Fonds dat de benadeelde persoon heeft vergoed, in toepassing van artikel 19bis -11, § 1, 7°) of 8°), kan zich verhalen :
1°) indien de verzekeringsonderneming niet kan worden geïdentificeerd : op het garantiefonds in de Staat van de Europese Economische Ruimte waar het voertuig gewoonlijk gestald is;
2°) indien het betrokken voertuig niet kan worden geïdentificeerd : op het garantiefonds van de Staat van de Europese Economische Ruimte waar het ongeval zich heeft voorgedaan;
3°) indien het gaat om een voertuig uit een derde Staat : op het garantiefonds van de Staat van de Europese Economische Ruimte waar het ongeval zich heeft voorgedaan.
[1 § 5. In afwijking van paragraaf 1 en in het geval van artikel 19bis-11, § 1, 8° ), heeft het Fonds ten belope van het bedrag van de vergoeding een recht op verhaal tegen de eigenaar van het motorrijtuig en eventueel tegen zijn verzekeraar. De eigenaar heeft geen enkel recht om het bedrag van de schadevergoeding terug te vorderen.
In afwijking van het voorgaande lid blijft paragraaf 1 van toepassing indien het ongeval en de schade met opzet werden veroorzaakt.]1
[2 § 6. In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) en 2° ), heeft het Fonds het recht om van het overeenkomstige orgaan in de lidstaat waar het hoofdkantoor van de verzekeringsonderneming is gevestigd die het risico dekt, volledige terugbetaling te vorderen van de bij wijze van schadevergoeding uitgekeerde bedragen.
In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) of 2° ), wordt het Fonds gesubrogeerd in de rechten van de benadeelde jegens de aansprakelijke persoon of zijn verzekeringsonderneming. Het Fonds kan zich slechts verhalen op de aansprakelijke persoon, de verzekeringnemer of de verzekerde, indien voldaan is aan de voorwaarden waaronder zodanig verhaal volgens de wet of het contract voor de verzekeraar zelf openstaat.
§ 7. De subrogatie mag geen afbreuk doen aan de rechten die benadeelden die samen met het Fonds opkomen, persoonlijk zouden kunnen doen gelden. Deze benadeelden, met uitsluiting van de gesubrogeerden, oefenen hun rechten uit bij voorkeur boven het Fonds.]2
Art. 19bis -14. § 1er. Dans les cas prévus à l'article (19bis-11, § 1er), le Fonds est subrogé, dans la mesure où il a réparé le dommage, aux droits de la personne lésée contre les personnes responsables et éventuellement contre leurs assureurs.
[1 § 1/1. S'il a indemnisé la personne lésée en application de l'article 19bis-11, § 1er, 4° ), le Fonds n'a le droit de réclamer la somme payée à titre d'indemnisation qu'à l'auteur de vol, de violence ou de recel.]1
§ 2. S'il a indemnisé la personne lésée, en application de l'article 19bis-11, § 1er, 5°) ou 6°), le Fonds a le droit de réclamer à l'organisme d'indemnisation de l'Etat où est situé l'établissement de l'entreprise d'assurances qui a produit le contrat, le remboursement de la somme payée à titre d'indemnisation.
§ 3. [2 Le Fonds qui a remboursé un organisme d'indemnisation d'un autre Etat en application d'une disposition similaire à l'article 19bis-11, § 1er, 5° ) ou 6° ), du droit de cet Etat, est subrogé dans les droits de la personne lésée à l'encontre de la personne ayant causé l'accident ou de son entreprise d'assurances, dans la mesure où l'organisme d'indemnisation de l'Etat membre de résidence de la personne lésée l'a indemnisée pour le préjudice subi.]2
§ 4. Le Fonds qui a indemnisé la personne lésée en application de l'article 19bis-11, § 1er, 7°) ou 8°), a une créance :
1°) sur le fonds de garantie de l'Etat de l'Espace économique européen où le véhicule a son stationnement habituel si l'entreprise d'assurances ne peut pas être identifiée;
2°) sur le fonds de garantie de l'Etat de l'Espace économique européen où l'accident a eu lieu dans le cas d'un véhicule non identifié;
3°) sur le fonds de garantie de l'Etat de l'Espace économique européen où l'accident a eu lieu dans le cas d'un véhicule d'un pays tiers.
[1 § 5. Par dérogation au paragraphe 1er et dans le cas de l'article 19bis-11, § 1er, 8° ), le Fonds a un droit de recours à concurrence du montant de l'indemnité contre le propriétaire du véhicule automoteur et le cas échéant, contre son assureur. Le propriétaire ne dispose d'aucun droit en vue de récupérer le montant de l'indemnisation.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le paragraphe 1er reste d'application si l'accident et les dommages ont été causés intentionnellement.]1
[2 § 6. Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) et 2° ), le Fonds est en droit de réclamer, à l'organisme correspondant dans l'Etat membre où se trouve le siège principal de l'entreprise d'assurances couvrant le risque, le remboursement intégral des montants versés à titre d'indemnisation.
Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), le Fonds est subrogé dans les droits de la personne lésée à l'encontre de la personne responsable ou de son entreprise d'assurances. Le Fonds ne peut exercer de recours contre la personne responsable, le preneur d'assurance ou l'assuré, que si les conditions, dans lesquelles un tel recours est permis par la loi ou le contrat à l'assureur lui-même, sont remplies.
§ 7. La subrogation ne peut porter préjudice aux droits que pourraient faire valoir personnellement des personnes lésées qui seraient en concours avec le Fonds. Ces personnes lésées, à l'exclusion des personnes subrogées, exercent leurs droits par préférence au Fonds.]2
[1 § 1/1. S'il a indemnisé la personne lésée en application de l'article 19bis-11, § 1er, 4° ), le Fonds n'a le droit de réclamer la somme payée à titre d'indemnisation qu'à l'auteur de vol, de violence ou de recel.]1
§ 2. S'il a indemnisé la personne lésée, en application de l'article 19bis-11, § 1er, 5°) ou 6°), le Fonds a le droit de réclamer à l'organisme d'indemnisation de l'Etat où est situé l'établissement de l'entreprise d'assurances qui a produit le contrat, le remboursement de la somme payée à titre d'indemnisation.
§ 3. [2 Le Fonds qui a remboursé un organisme d'indemnisation d'un autre Etat en application d'une disposition similaire à l'article 19bis-11, § 1er, 5° ) ou 6° ), du droit de cet Etat, est subrogé dans les droits de la personne lésée à l'encontre de la personne ayant causé l'accident ou de son entreprise d'assurances, dans la mesure où l'organisme d'indemnisation de l'Etat membre de résidence de la personne lésée l'a indemnisée pour le préjudice subi.]2
§ 4. Le Fonds qui a indemnisé la personne lésée en application de l'article 19bis-11, § 1er, 7°) ou 8°), a une créance :
1°) sur le fonds de garantie de l'Etat de l'Espace économique européen où le véhicule a son stationnement habituel si l'entreprise d'assurances ne peut pas être identifiée;
2°) sur le fonds de garantie de l'Etat de l'Espace économique européen où l'accident a eu lieu dans le cas d'un véhicule non identifié;
3°) sur le fonds de garantie de l'Etat de l'Espace économique européen où l'accident a eu lieu dans le cas d'un véhicule d'un pays tiers.
[1 § 5. Par dérogation au paragraphe 1er et dans le cas de l'article 19bis-11, § 1er, 8° ), le Fonds a un droit de recours à concurrence du montant de l'indemnité contre le propriétaire du véhicule automoteur et le cas échéant, contre son assureur. Le propriétaire ne dispose d'aucun droit en vue de récupérer le montant de l'indemnisation.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le paragraphe 1er reste d'application si l'accident et les dommages ont été causés intentionnellement.]1
[2 § 6. Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) et 2° ), le Fonds est en droit de réclamer, à l'organisme correspondant dans l'Etat membre où se trouve le siège principal de l'entreprise d'assurances couvrant le risque, le remboursement intégral des montants versés à titre d'indemnisation.
Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) ou 2° ), le Fonds est subrogé dans les droits de la personne lésée à l'encontre de la personne responsable ou de son entreprise d'assurances. Le Fonds ne peut exercer de recours contre la personne responsable, le preneur d'assurance ou l'assuré, que si les conditions, dans lesquelles un tel recours est permis par la loi ou le contrat à l'assureur lui-même, sont remplies.
§ 7. La subrogation ne peut porter préjudice aux droits que pourraient faire valoir personnellement des personnes lésées qui seraient en concours avec le Fonds. Ces personnes lésées, à l'exclusion des personnes subrogées, exercent leurs droits par préférence au Fonds.]2
Art. 19bis -15.<INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> Wanneer bij toepassing van de wet borg gesteld of zekerheid gestort is, treedt het Fonds ten aanzien van de borg of de zekerheid in de rechten van de benadeelden, die het heeft vergoed voor de schade door het motorrijtuig veroorzaakt. Hetzelfde geldt voor de opbrengst van de verkoop van het motorrijtuig, die tot vergoeding van de schade is aangewend.
De indeplaatsstelling mag geen afbreuk doen aan de rechten die benadeelden die samen met het Fonds opkomen, persoonlijk zouden kunnen doen gelden. Deze benadeelden, met uitsluiting van de in hun plaats gestelden, oefenen hun rechten uit bij voorkeur boven het Fonds.
[1 ...]1
De indeplaatsstelling mag geen afbreuk doen aan de rechten die benadeelden die samen met het Fonds opkomen, persoonlijk zouden kunnen doen gelden. Deze benadeelden, met uitsluiting van de in hun plaats gestelden, oefenen hun rechten uit bij voorkeur boven het Fonds.
[1 ...]1
Art. 19bis -15. Lorsque, en application de la loi, une caution est fournie ou un cautionnement est verse, le Fonds est, à l'égard de la caution ou du cautionnement, subrogé dans les droits des personnes lésées qu'il a indemnisées des dommages causés par le véhicule. II en est de même à l'égard du produit de la vente du véhicule qui a été affecté à la réparation des dommages.
La subrogation ne peut préjudicier aux droits que pourraient faire valoir personnellement des personnes lésées qui seraient en concours avec le Fonds. Ces personnes lésées, à l'exclusion des personnes qui leur seraient subrogées, exercent leurs droits par préférence au Fonds.
[1 ...]1
La subrogation ne peut préjudicier aux droits que pourraient faire valoir personnellement des personnes lésées qui seraient en concours avec le Fonds. Ces personnes lésées, à l'exclusion des personnes qui leur seraient subrogées, exercent leurs droits par préférence au Fonds.
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 19bis -16.[1 Het vonnis gewezen in een geschil ter zake van door een motorrijtuig veroorzaakte schade, kan tegen het Fonds, tegen de aansprakelijke persoon of tegen de benadeelde slechts worden ingeroepen, indien zij in het geding partij zijn geweest of zijn geroepen.
In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) en 2° ), kan het vonnis, in afwijking van het eerste lid, tegen het Fonds worden ingeroepen, zelfs wanneer het in het geding noch partij is geweest, noch daarin is geroepen.
In dezelfde gevallen kan het Fonds in elke stand van het geding tussenkomen in de rechtsvorderingen tegen de verzekeringsonderneming of tegen haar verzekerden.
Het Fonds kan de aansprakelijke persoon in het geding roepen, dat door de benadeelde tegen het Fonds wordt ingesteld.]1
In de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ) en 2° ), kan het vonnis, in afwijking van het eerste lid, tegen het Fonds worden ingeroepen, zelfs wanneer het in het geding noch partij is geweest, noch daarin is geroepen.
In dezelfde gevallen kan het Fonds in elke stand van het geding tussenkomen in de rechtsvorderingen tegen de verzekeringsonderneming of tegen haar verzekerden.
Het Fonds kan de aansprakelijke persoon in het geding roepen, dat door de benadeelde tegen het Fonds wordt ingesteld.]1
Art. 19bis -16.[1 Le jugement rendu sur une contestation née d'un préjudice causé par un véhicule automoteur est uniquement opposable au Fonds, à la personne responsable ou à la personne lésée, s'ils ont été présents ou appelés à l'instance.
Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) et 2° ), le jugement peut, par dérogation à l'alinéa 1er, être opposé au Fonds, même s'il n'a pas été présent ou appelé à l'instance.
Dans les mêmes cas, le Fonds peut intervenir en tout état de cause dans les actions dirigées contre l'entreprise d'assurances ou ses assurés.
Le Fonds peut mettre la personne responsable en cause dans le procès qui lui est intenté par la personne lésée.]1
Dans les cas visés à l'article 19bis-11, § 1er, 1° ) et 2° ), le jugement peut, par dérogation à l'alinéa 1er, être opposé au Fonds, même s'il n'a pas été présent ou appelé à l'instance.
Dans les mêmes cas, le Fonds peut intervenir en tout état de cause dans les actions dirigées contre l'entreprise d'assurances ou ses assurés.
Le Fonds peut mettre la personne responsable en cause dans le procès qui lui est intenté par la personne lésée.]1
Wijzigingen
Art. 19bis -17.<INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 7; Inwerkingtreding : 19-01-2003> Wanneer de burgerlijke vordering tot vergoeding van de door een motorrijtuig veroorzaakte schade wordt ingesteld voor het strafgerecht, kan het Fonds door de benadeelde in het geding worden geroepen en kan het ook vrijwillig tussenkomen onder dezelfde voorwaarden als wanneer de vordering voor het burgerlijk gerecht was gebracht. Wanneer, ingeval van niet-verzekering, het Fonds is overgegaan tot vergoeding van de schade, kan het zich burgerlijke partij stellen tegen de aansprakelijke persoon [1 , voor zover het gaat om de eigenaar van het rijtuig of de persoon die het ongeval en de schade met opzet heeft veroorzaakt]1.
Het Fonds en de aansprakelijke persoon kunnen zich laten vertegenwoordigen onder dezelfde voorwaarden als de burgerlijk aansprakelijke partij.
Het Fonds en de aansprakelijke persoon kunnen zich laten vertegenwoordigen onder dezelfde voorwaarden als de burgerlijk aansprakelijke partij.
Art. 19bis -17. Lorsque l'action civile en réparation du dommage cause par un véhicule automoteur est intentée devant la juridiction répressive, le Fonds peut être mis en cause par la personne lésée et peut aussi intervenir volontairement dans les mêmes conditions que si l'action était portée devant la juridiction civile. Lorsque, en cas de non assurance, il a procédé à la réparation du dommage, le Fonds peut se porter partie civile contre la personne responsable [1 pour autant qu'il s'agisse du propriétaire du véhicule ou la personne qui a intentionnellement causé l'accident et les dommages]1.
Le Fonds et la personne responsable peuvent se faire représenter dans les mêmes conditions que la partie civilement responsable.
Le Fonds et la personne responsable peuvent se faire représenter dans les mêmes conditions que la partie civilement responsable.
Wijzigingen
Art. 19bis -18.[1 Bij onenigheid tussen het Fonds en de verzekeringsonderneming over de vraag wie van beide de benadeelde moet vergoeden, vergoedt het Fonds in eerste instantie de benadeelde. Indien uiteindelijk wordt besloten dat de verzekeringsonderneming de schadevergoeding of een gedeelte daarvan had moeten betalen, betaalt deze het bedrag van de schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke intresten, terug aan het Fonds. Die intresten lopen vanaf de betalingen van het Fonds aan de benadeelde.]1
Art. 19bis -18.[1 En cas de litige entre le Fonds et l'entreprise d'assurances, sur le point de savoir qui des deux doit indemniser la personne lésée, le Fonds indemnise celle-ci dans un premier temps. S'il est finalement décidé que l'entreprise d'assurances aurait dû payer tout ou partie de l'indemnisation, elle rembourse au Fonds le montant de l'indemnité majoré des intérêts légaux. Ces intérêts courent à partir des paiements du Fonds à la personne lésée.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - Strafbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions pénales.
Afdeling 1. - (Beslag en soortgelijke maatregelen.)
Section 1. - (Des saisies et autres mesures similaires.)
Art. 19bis. <INGEVOEGD bij W 2002-08-02/47, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 09-09-2002> Het Gemeenschappelijk Waarborgfonds dat is ingesteld door [1 artikel 19bis-2]1 moet alle informatie verzamelen nodig voor de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk.
Wanneer het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de verzekeringsondememing van een motorrijtuig niet onmiddellijk kan identificeren op basis van de inlichtingen die verzameld worden in het kader van [1 artikel 19bis-6]1, verzoekt dit fonds de eigenaar van het motorrijtuig alle inlichtingen te verstrekken die het mogelijk maken de verzekeringssituatie van zijn motorrijtuig vast te stellen.
Is er binnen de maand na het verzoek geen antwoord of blijkt uit het antwoord dat het motorrijtuig niet voldoet aan de regelgeving betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dan geeft het fonds deze situatie zonder verwijl aan bij de officieren van gerechtelijke politie, bij de ambtenaren of agenten bedoeld in artikel 20, die in voorkomend geval de in artikel 20 bedoelde maatregelen toepassen.
Wanneer het Gemeenschappelijk Waarborgfonds de verzekeringsondememing van een motorrijtuig niet onmiddellijk kan identificeren op basis van de inlichtingen die verzameld worden in het kader van [1 artikel 19bis-6]1, verzoekt dit fonds de eigenaar van het motorrijtuig alle inlichtingen te verstrekken die het mogelijk maken de verzekeringssituatie van zijn motorrijtuig vast te stellen.
Is er binnen de maand na het verzoek geen antwoord of blijkt uit het antwoord dat het motorrijtuig niet voldoet aan de regelgeving betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, dan geeft het fonds deze situatie zonder verwijl aan bij de officieren van gerechtelijke politie, bij de ambtenaren of agenten bedoeld in artikel 20, die in voorkomend geval de in artikel 20 bedoelde maatregelen toepassen.
Art. 19bis. Le Fonds commun de garantie, institué par l' [1 article 19bis-2]1 est chargé de collecter toutes informations permettant l'application des dispositions du présent chapitre.
Lorsque le Fonds commun de garantie se trouve, sur la base des informations recueillies dans le cadre de l' [1 article 19bis-6]1 dans l'impossibilité d'identifier immédiatement l'entreprise d'assurances d'un véhicule automoteur, ce fonds invite le propriétaire du véhicule automoteur à lui fournir toutes informations permettant d'établir la situation d'assurance de son véhicule automoteur.
A défaut de réponse dans le mois de la demande ou s'il résulte de la réponse fournie que le véhicule automoteur ne satisfait pas à la réglementation relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs, le fonds signale cette situation sans délai aux officiers de police judiciaire, fonctionnaires ou agents visés à l'article 20. Ceux-ci appliquent, le cas échéant, les mesures visées à l'article 20.
Lorsque le Fonds commun de garantie se trouve, sur la base des informations recueillies dans le cadre de l' [1 article 19bis-6]1 dans l'impossibilité d'identifier immédiatement l'entreprise d'assurances d'un véhicule automoteur, ce fonds invite le propriétaire du véhicule automoteur à lui fournir toutes informations permettant d'établir la situation d'assurance de son véhicule automoteur.
A défaut de réponse dans le mois de la demande ou s'il résulte de la réponse fournie que le véhicule automoteur ne satisfait pas à la réglementation relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs, le fonds signale cette situation sans délai aux officiers de police judiciaire, fonctionnaires ou agents visés à l'article 20. Ceux-ci appliquent, le cas échéant, les mesures visées à l'article 20.
Wijzigingen
Art. 20. (Onverminderd de bevoegdheden verleend door het Wetboek van strafvordering, kan iedere officier van gerechtelijke politie en iedere ambtenaar of agent van de openbare macht die bevoegd is om proces-verbaal op te maken wegens overtreding van deze wet, [1 het rijtuig immobiliseren of]1 beslag leggen op het rijtuig of op de kentekenplaten ervan wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe een motorrijtuig dat in het verkeer is gebracht op de openbare weg of op een van de in artikel 2, § 1, bedoelde terreinen aanleiding kan geven, niet is gedekt.
Wanneer het rijtuig niet in het verkeer is gebracht op de openbare weg kunnen diezelfde officieren, ambtenaren en agenten eveneens iedere maatregel nemen die ertoe strekt te waarborgen dat het rijtuig niet op de openbare weg of op de op artikel 2, § 1, bedoelde terreinen in het verkeer zal worden gebracht.) <W 2002-08-02/47, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 09-09-2002>
Een afschrift van het proces-verbaal wordt aan de eigenaar van het motorrijtuig gezonden binnen twee dagen na de dag waarop diens identiteit kon worden vastgesteld.
Tijdens de duur van het beslag blijft het risico voor de eigenaar van het rijtuig.
Wanneer het rijtuig niet in het verkeer is gebracht op de openbare weg kunnen diezelfde officieren, ambtenaren en agenten eveneens iedere maatregel nemen die ertoe strekt te waarborgen dat het rijtuig niet op de openbare weg of op de op artikel 2, § 1, bedoelde terreinen in het verkeer zal worden gebracht.) <W 2002-08-02/47, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 09-09-2002>
Een afschrift van het proces-verbaal wordt aan de eigenaar van het motorrijtuig gezonden binnen twee dagen na de dag waarop diens identiteit kon worden vastgesteld.
Tijdens de duur van het beslag blijft het risico voor de eigenaar van het rijtuig.
Art. 20. (Sans préjudice des pouvoirs accordés par le Code d'instruction criminelle, tout officier de police judiciaire et tout fonctionnaire ou agent de l'autorité publique qualifié pour dresser des procès-verbaux du chef d'infraction à la présente loi peut, lorsqu'il y a lieu de croire que la responsabilité civile à laquelle peut donner lieu un véhicule automoteur mis en circulation sur la voie publique ou sur un des terrains visés à l'article 2, § 1er n'est pas couverte, procéder à [1 l'immobilisation ou]1 la saisie du véhicule ou de ses marques d'immatriculation.
Lorsque le véhicule n'est pas mis en circulation sur la voie publique, ces mêmes officiers, fonctionnaires et agents peuvent également prendre toute mesure destinée à garantir que le véhicule ne sera pas mis en circulation sur la voie publique ou les terrains visés à l'article 2, § 1er.) <L 2002-08-02/47, art. 5, 009; En vigueur : 09-09-2002>
Une copie du procès-verbal est adressée au propriétaire du véhicule dans les deux jours à compter de celui où son identité a pu être établie.
Le véhicule reste aux risques du propriétaire pendant la durée de la saisie.
Lorsque le véhicule n'est pas mis en circulation sur la voie publique, ces mêmes officiers, fonctionnaires et agents peuvent également prendre toute mesure destinée à garantir que le véhicule ne sera pas mis en circulation sur la voie publique ou les terrains visés à l'article 2, § 1er.) <L 2002-08-02/47, art. 5, 009; En vigueur : 09-09-2002>
Une copie du procès-verbal est adressée au propriétaire du véhicule dans les deux jours à compter de celui où son identité a pu être établie.
Le véhicule reste aux risques du propriétaire pendant la durée de la saisie.
Wijzigingen
Art. 21. <W 2006-12-27/33, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 07-01-2007> Wanneer bewezen is dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kon geven ten tijde van het beslag, gedekt was door een verzekering die aan de bepalingen van deze wet voldoet of dat het voertuig daarvan wettelijk vrijgesteld was, en wanneer de eigenaar van het motorrijtuig geen overtreding van de artikelen 22, 23 of 26 ten laste wordt gelegd, wordt het beslag door het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is, opgeheven, tenzij de handhaving daarvan om een andere reden vereist is.
§ 2. In de andere gevallen kan het beslag slechts opgeheven worden nadat er een verzekeringsovereenkomst is afgesloten overeenkomstig deze wet en na de betaling van de beslag- en bewaringskosten voor het motorrijtuig.
De opheffing van het beslag kan afhankelijk gemaakt worden van de betaling van een geldsom aan het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring, met het oog op het vrijwaren van het herstel van de schade veroorzaakt door het voertuig. Het bedrag wordt vastgesteld door het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is.
§ 3. Wanneer het beslag langer duurt dan dertig dagen, kan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is, de procedure toepassen die voorzien is in de artikelen 28octies en 61sexies van het Wetboek van strafvordering, behoudens voor wat betreft het rechtsmiddel vermeld in § 4 van het huidige artikel.
§ 4. Wanneer de inbeslagneming gebeurde door de procureur des Konings in toepassing van deze wet, kunnen de personen aan wie van deze beslissing werd kennis gegeven krachtens artikel 28octies van het Wetboek van strafvordering, zich tot de politierechtbank wenden binnen de vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing.
Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen indien een van deze personen in het buitenland verblijft.
De zaak wordt aangebracht bij de politierechter door een verklaring gedaan op de griffie van de politierechtbank en ingeschreven in een daartoe bestemd register.
De procureur des Konings legt de stukken ter staving van zijn beslissing neer ter griffie.
De politierechter doet in eerste en laatste aanleg uitspraak binnen de vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. De partijen en het openbaar ministerie worden gehoord.
De griffier stelt de partijen en hun advocaten per faxpost of bij een [1 aangetekende zending]1, uiterlijk achtenveertig uur vooraf, in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.
De griffier maakt een kopie van het vonnis over aan het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring.
§ 5. Na afhouding door de Staat van de beslag- en bewaringskosten voor het motorrijtuig, vervangt de opbrengst van de vervreemding het in beslag genomen motorrijtuig.
§ 2. In de andere gevallen kan het beslag slechts opgeheven worden nadat er een verzekeringsovereenkomst is afgesloten overeenkomstig deze wet en na de betaling van de beslag- en bewaringskosten voor het motorrijtuig.
De opheffing van het beslag kan afhankelijk gemaakt worden van de betaling van een geldsom aan het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring, met het oog op het vrijwaren van het herstel van de schade veroorzaakt door het voertuig. Het bedrag wordt vastgesteld door het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is.
§ 3. Wanneer het beslag langer duurt dan dertig dagen, kan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter, het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is, de procedure toepassen die voorzien is in de artikelen 28octies en 61sexies van het Wetboek van strafvordering, behoudens voor wat betreft het rechtsmiddel vermeld in § 4 van het huidige artikel.
§ 4. Wanneer de inbeslagneming gebeurde door de procureur des Konings in toepassing van deze wet, kunnen de personen aan wie van deze beslissing werd kennis gegeven krachtens artikel 28octies van het Wetboek van strafvordering, zich tot de politierechtbank wenden binnen de vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing.
Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen indien een van deze personen in het buitenland verblijft.
De zaak wordt aangebracht bij de politierechter door een verklaring gedaan op de griffie van de politierechtbank en ingeschreven in een daartoe bestemd register.
De procureur des Konings legt de stukken ter staving van zijn beslissing neer ter griffie.
De politierechter doet in eerste en laatste aanleg uitspraak binnen de vijftien dagen na de neerlegging van de verklaring. De partijen en het openbaar ministerie worden gehoord.
De griffier stelt de partijen en hun advocaten per faxpost of bij een [1 aangetekende zending]1, uiterlijk achtenveertig uur vooraf, in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.
De griffier maakt een kopie van het vonnis over aan het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring.
§ 5. Na afhouding door de Staat van de beslag- en bewaringskosten voor het motorrijtuig, vervangt de opbrengst van de vervreemding het in beslag genomen motorrijtuig.
Art. 21. <L 2006-12-27/33, art. 32, 017; En vigueur : 07-01-2007> § 1er. Lorsqu'il est justifié qu'au moment de la saisie, la responsabilité civile à laquelle le véhicule pouvait donner lieu, était couverte par une assurance répondant aux dispositions de la présente loi, ou que le véhicule en était légalement dispensé, et lorsque aucune infraction aux articles 22, 23 ou 26 n'est retenue à charge du propriétaire du véhicule, la saisie est levée par le ministère public, le juge d'instruction, la juridiction d'instruction ou la juridiction de jugement saisie, à moins qu'elle ne soit exigée pour un autre motif.
§ 2. Dans les autres cas, la saisie ne peut être levée qu'apres la justification de la conclusion d'un contrat d'assurance répondant aux dispositions de la présente loi ainsi que du paiement des frais de saisie et de conservation du véhicule.
La levée de la saisie peut être subordonnée au paiement d'une somme d'argent à l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation en vue de garantir la réparation des dommages causés par le véhicule. Son montant est déterminé par le ministère public, par le juge d'instruction, par la juridiction d'instruction ou la juridiction de jugement saisie.
§ 3. Lorsque la saisie se prolonge plus de trente jours, le procureur du Roi, le juge d'instruction, la juridiction d'instruction ou la juridiction de jugement saisie peut appliquer la procédure prévue aux articles 28octies et 61sexies du Code d'instruction criminelle sauf en ce qui concerne le recours réglé par le § 4 du présent article.
§ 4. Lorsque la saisie est faite par le procureur du Roi en application de la présente loi, les personnes à qui la décision a été notifiée en vertu de l'article 28octies du Code d'instruction criminelle peuvent saisir le tribunal de police dans les quinze jours de la notification de la décision.
Ce délai est prolongé de quinze jours, si une de ces personnes réside hors du Royaume.
Le juge de police est saisi du recours par une déclaration faite au greffe du tribunal de police et inscrite dans le registre ouvert à cet effet.
Le procureur du Roi depose les pièces justificatives de sa décision au greffe.
Le juge de police statue en unique ressort, dans les quinze jours du dépôt de la déclaration, les parties et le ministère public étant entendues.
Le greffier avise les parties et leurs avocats, par télécopie ou par [1 envoi recommandé]1, des lieux, date et heure de l'audience, au plus tard quarante-huit heures à l'avance.
Le greffier communique une copie du jugement à l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation.
§ 5. Après prélèvement par l'Etat des frais de saisie et de conservation du véhicule, le produit de l'aliénation est substitué au véhicule saisi.
§ 2. Dans les autres cas, la saisie ne peut être levée qu'apres la justification de la conclusion d'un contrat d'assurance répondant aux dispositions de la présente loi ainsi que du paiement des frais de saisie et de conservation du véhicule.
La levée de la saisie peut être subordonnée au paiement d'une somme d'argent à l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation en vue de garantir la réparation des dommages causés par le véhicule. Son montant est déterminé par le ministère public, par le juge d'instruction, par la juridiction d'instruction ou la juridiction de jugement saisie.
§ 3. Lorsque la saisie se prolonge plus de trente jours, le procureur du Roi, le juge d'instruction, la juridiction d'instruction ou la juridiction de jugement saisie peut appliquer la procédure prévue aux articles 28octies et 61sexies du Code d'instruction criminelle sauf en ce qui concerne le recours réglé par le § 4 du présent article.
§ 4. Lorsque la saisie est faite par le procureur du Roi en application de la présente loi, les personnes à qui la décision a été notifiée en vertu de l'article 28octies du Code d'instruction criminelle peuvent saisir le tribunal de police dans les quinze jours de la notification de la décision.
Ce délai est prolongé de quinze jours, si une de ces personnes réside hors du Royaume.
Le juge de police est saisi du recours par une déclaration faite au greffe du tribunal de police et inscrite dans le registre ouvert à cet effet.
Le procureur du Roi depose les pièces justificatives de sa décision au greffe.
Le juge de police statue en unique ressort, dans les quinze jours du dépôt de la déclaration, les parties et le ministère public étant entendues.
Le greffier avise les parties et leurs avocats, par télécopie ou par [1 envoi recommandé]1, des lieux, date et heure de l'audience, au plus tard quarante-huit heures à l'avance.
Le greffier communique une copie du jugement à l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation.
§ 5. Après prélèvement par l'Etat des frais de saisie et de conservation du véhicule, le produit de l'aliénation est substitué au véhicule saisi.
Wijzigingen
Afdeling 2. - Straffen.
Section 2. - Des peines.
Art. 22. § 1. De eigenaar of de houder van het motorrijtuig die het in het verkeer brengt of toelaat dat het in het verkeer wordt gebracht op een van de in artikel 2, § 1, bedoelde plaatsen zonder dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het aanleiding kan geven, gedekt is overeenkomstig deze wet, alsmede de bestuurder van dat motorrijtuig, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot duizend frank, of met een van die straffen alleen.
De houder en de bestuurder van het motorrijtuig zijn krachtens het eerste lid alleen strafbaar als zij weten dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet gedekt is overeenkomstig deze wet.
§ 2. Hij die snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden organiseert of eraan deelneemt, zonder dat hij gedekt is door de in artikel 8 bedoelde bijzondere verzekering, wordt gestraft met de straffen gesteld in § 1, eerste lid.
§ 3. (...) <W 2005-12-23/31, art. 60, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
De houder en de bestuurder van het motorrijtuig zijn krachtens het eerste lid alleen strafbaar als zij weten dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe het motorrijtuig aanleiding kan geven, niet gedekt is overeenkomstig deze wet.
§ 2. Hij die snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden organiseert of eraan deelneemt, zonder dat hij gedekt is door de in artikel 8 bedoelde bijzondere verzekering, wordt gestraft met de straffen gesteld in § 1, eerste lid.
§ 3. (...) <W 2005-12-23/31, art. 60, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
Art. 22. § 1. Le propriétaire ou le détenteur d'un véhicule automoteur qui le met en circulation ou tolère qu'il soit mis en circulation dans l'un des endroits prévus à l'article 2, § 1er, sans que la responsabilité civile à laquelle il peut donner lieu soit couverte conformément à la présente loi, ainsi que le conducteur de ce vehicule, sont punis d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de cent francs à mille francs, ou d'une de ces peines seulement.
Le détenteur et le conducteur du véhicule ne sont punissables, en vertu de l'alinéa 1er, que s'ils savent que la responsabilité civile à laquelle le véhicule peut donner lieu n'est pas couverte conformément à la présente loi.
§ 2. Est puni des peines prévues au § 1er, alinéa 1er, quiconque organise des courses ou concours de vitesse, de régularité ou d'adresse ou y participe, sans être couvert par l'assurance speciale prévue a l'article 8.
§ 3. (...) <L 2005-12-23/31, art. 60, 015; En vigueur : 09-01-2006>
Le détenteur et le conducteur du véhicule ne sont punissables, en vertu de l'alinéa 1er, que s'ils savent que la responsabilité civile à laquelle le véhicule peut donner lieu n'est pas couverte conformément à la présente loi.
§ 2. Est puni des peines prévues au § 1er, alinéa 1er, quiconque organise des courses ou concours de vitesse, de régularité ou d'adresse ou y participe, sans être couvert par l'assurance speciale prévue a l'article 8.
§ 3. (...) <L 2005-12-23/31, art. 60, 015; En vigueur : 09-01-2006>
Art. 23. Wanneer een motorrijtuig dat niet onderworpen is aan de voorschriften van artikel 2, § 2, zich bevindt op één van de plaatsen vermeld [2 in artikel 2, § 1, eerste en tweede lid]2, zonder te beschikken over het bewijs bedoeld in artikel 7, wordt de bestuurder gestraft met de straffen bepaald (in artikel 29, § 2) van de bij koninklijk besluit van 16 maart 1968 gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer. <W 2003-02-07/38, art. 40, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004>
[1 Het eerste lid is niet van toepassing indien de voorwaarden die de Koning bepaalt, ter uitvoering van artikel 7, § 1, tweede lid, zijn vervuld.]1
[1 Het eerste lid is niet van toepassing indien de voorwaarden die de Koning bepaalt, ter uitvoering van artikel 7, § 1, tweede lid, zijn vervuld.]1
Art. 23. Lorsqu'un véhicule automoteur, autre que ceux soumis aux prescriptions du § 2 de l'article 2, se trouve dans un des lieux indiqués [2 à l'article 2, § 1er, alinéas 1er et 2]2 sans être muni du certificat prévu à l'article 7, le conducteur est puni des peines prévues (à l'article 29, § 2) des lois relatives à la police de la circulation routière, coordonnées par l'arrêté royal du 16 mars 1968. <L 2003-02-07/38, art. 40, 011; En vigueur : 01-03-2004>
[1 L'alinéa premier n'est pas d'application lorsque les conditions fixées par le Roi en exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 2, sont réunies.]1
[1 L'alinéa premier n'est pas d'application lorsque les conditions fixées par le Roi en exécution de l'article 7, § 1er, alinéa 2, sont réunies.]1
Art. 23 TOEKOMSTIG RECHT. [1 ...]1
Art. 23 DROIT FUTUR. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 24. <W 2006-12-27/33, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 07-01-2007> Bovendien kunnen de rechtbanken, in de gevallen bedoeld in artikel 22 :
1° voorgoed of voor een duur van ten minste acht dagen en van ten hoogste vijf jaar de vervallenverklaring uitspreken van het recht om een motorrijtuig te besturen.
De bepalingen betreffende de vervallenverklaring van het recht tot sturen, vervat in de wetgeving op de politie van het wegverkeer, zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde vervallenverklaring van het recht tot sturen;
2° onverminderd de rechten van de [1 benadeelden]1 en van de rechtmatige eigenaar, de verbeurdverklaring van het voertuig bevelen. Er kan worden overgegaan tot de verbeurdverklaring indien de eigenaar onbekend blijft.
1° voorgoed of voor een duur van ten minste acht dagen en van ten hoogste vijf jaar de vervallenverklaring uitspreken van het recht om een motorrijtuig te besturen.
De bepalingen betreffende de vervallenverklaring van het recht tot sturen, vervat in de wetgeving op de politie van het wegverkeer, zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde vervallenverklaring van het recht tot sturen;
2° onverminderd de rechten van de [1 benadeelden]1 en van de rechtmatige eigenaar, de verbeurdverklaring van het voertuig bevelen. Er kan worden overgegaan tot de verbeurdverklaring indien de eigenaar onbekend blijft.
Art. 24. <L 2006-12-27/33, art. 33, 017; En vigueur : 07-01-2007> Dans les cas prévus à l'article 22 les tribunaux peuvent, en outre :
1° prononcer la déchéance du droit de conduire un véhicule automoteur, soit à titre définitif, soit pour une durée de huit jours au moins et de cinq ans au plus.
Les dispositions relatives à la déchéance du droit de conduire contenues dans la législation sur la police de la circulation routière sont applicables à la déchéance du droit de conduire prévue à l'alinéa 1er;
2° sans préjudice des droits de [1 personnes lésées]1 et du légitime propriétaire, ordonner la confiscation du véhicule. Il peut être procedé à la confiscation si le propriétaire est demeuré inconnu.
1° prononcer la déchéance du droit de conduire un véhicule automoteur, soit à titre définitif, soit pour une durée de huit jours au moins et de cinq ans au plus.
Les dispositions relatives à la déchéance du droit de conduire contenues dans la législation sur la police de la circulation routière sont applicables à la déchéance du droit de conduire prévue à l'alinéa 1er;
2° sans préjudice des droits de [1 personnes lésées]1 et du légitime propriétaire, ordonner la confiscation du véhicule. Il peut être procedé à la confiscation si le propriétaire est demeuré inconnu.
Wijzigingen
Art. 25. <W 2006-12-27/33, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 07-01-2007> Bij veroordeling van de eigenaar van het motorrijtuig wegens overtreding van artikel 22 kunnen de rechtbanken bevelen dat de geldsom bedoeld in artikel 21, § 2, tweede lid, of de opbrengst van de vervreemding bedoeld in artikel 21, § 3, na aftrek van de beslag- en bewaringskosten voor het motorrijtuig, bestemd wordt voor de vergoeding van de door dat rijtuig veroorzaakte schade, met voorrang boven iedere andere schuldvordering.
Art. 25. <L 2006-12-27/33, art. 34, 017; En vigueur : 07-01-2007> En condamnant le propriétaire du véhicule automoteur pour infraction à l'article 22, les tribunaux peuvent ordonner que la somme d'argent visée à l'article 21, § 2, alinéa 2, ou le produit de l'aliénation visée à l'article 21, § 3, soit, après déduction des frais de saisie et de conservation du véhicule automoteur, affecté à la réparation des dommages causés par celui-ci par préférence à toute autre créance.
Art. 26. Met de straffen gesteld (in artikel 29, § 2), van de bij koninklijk besluit van 16 maart 1968 gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer, wordt gestraft de houder van de kentekenplaat die, na verloop van de door de Koning bepaalde tijd, niet voldoet aan de verplichting opgelegd krachtens artikel 6, § 1, tweede lid. <W 2003-02-07/38, art. 41, 011; Inwerkingtreding : 01-03-2004>
Dezelfde straffen zijn toepasselijk op de eigenaar, op de houder of op de bestuurder in geval van overtreding van de bepalingen van artikel 6, § 2.
De houder en de bestuurder van het motorrijtuig zijn slechts strafbaar indien zij weten dat de voorwaarden waaraan artikel 6, § 2, het in het verkeer brengen van een motorrijtuig op de openbare weg heeft verbonden, niet vervuld zijn.
Dezelfde straffen zijn toepasselijk op de eigenaar, op de houder of op de bestuurder in geval van overtreding van de bepalingen van artikel 6, § 2.
De houder en de bestuurder van het motorrijtuig zijn slechts strafbaar indien zij weten dat de voorwaarden waaraan artikel 6, § 2, het in het verkeer brengen van een motorrijtuig op de openbare weg heeft verbonden, niet vervuld zijn.
Art. 26. Est puni des peines prévues (par l'article 29, § 2), des lois relatives à la police de la circulation routière, coordonnées par arrêté royal du 16 mars 1968, le titulaire de la marque d'immatriculation qui, après l'expiration du délai fixé par le Roi, reste en défaut de satisfaire à l'obligation imposée en vertu de l'article 6, § 1er, alinéa 2. <L 2003-02-07/38, art. 41, 011; En vigueur : 01-03-2004>
Les mêmes peines sont applicables au propriétaire, au détenteur ou au conducteur en cas d'infraction aux dispositions de l'article 6, § 2.
Le détenteur et le conducteur du véhicule ne sont punissables que s'ils savent que les conditions auxquelles l'article 6, § 2, subordonne la mise en circulation d'un véhicule automoteur ne sont pas remplies.
Les mêmes peines sont applicables au propriétaire, au détenteur ou au conducteur en cas d'infraction aux dispositions de l'article 6, § 2.
Le détenteur et le conducteur du véhicule ne sont punissables que s'ils savent que les conditions auxquelles l'article 6, § 2, subordonne la mise en circulation d'un véhicule automoteur ne sont pas remplies.
Art. 27. (Opgeheven) <W 2005-12-23/31, art. 60, 015; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
Art. 27. (Abrogé) <L 2005-12-23/31, art. 60, 015; En vigueur : 09-01-2006>
Art. 28. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, doch met uitzondering van artikel 43, eerste lid, zijn toepasselijk op de misdrijven bedoeld door deze wet.
Art. 28. Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, mais à l'exception de l'article 43, alinéa 1er, sont applicables aux infractions prévues par la présente loi.
Art. 29. Tot vaststelling van de overtredingen van deze wet en van de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen zijn bevoegd, onverminderd de bevoegdheid der officieren van gerechtelijke politie, de ambtenaren en agenten van de openbare macht die belast zijn met het toezicht op de uitvoering van de wetten en verordeningen op de politie van het wegverkeer, alsmede zij die door de Koning speciaal daartoe worden aangewezen.
[1 De automatisch werkende toestellen mogen, onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, worden gebruikt om de overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten vast te stellen.]1
Processen-verbaal door die ambtenaren en agenten opgemaakt, leveren bewijs op tot bewijs van het tegendeel.
[1 De automatisch werkende toestellen mogen, onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, worden gebruikt om de overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten vast te stellen.]1
Processen-verbaal door die ambtenaren en agenten opgemaakt, leveren bewijs op tot bewijs van het tegendeel.
Art. 29. Sans préjudice des devoirs incombant aux officiers de police judiciaire, sont qualifiés pour constater les infractions aux dispositions de la présente loi et des règlements pris pour son exécution, les fonctionnaires et agents de l'autorité publique délégues pour surveiller l'exécution de la législation et des règlements sur la police du roulage, ainsi que ceux qui seront specialement désignés par le Roi.
[1 Les appareils automatiques peuvent, dans les mêmes conditions que celles visées à l'article 62 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, être utilisés pour constater les infractions à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution. ]1
Les procès-verbaux dressés par ces fonctionnaires et agents font foi jusqu'à preuve contraire.
[1 Les appareils automatiques peuvent, dans les mêmes conditions que celles visées à l'article 62 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, être utilisés pour constater les infractions à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution. ]1
Les procès-verbaux dressés par ces fonctionnaires et agents font foi jusqu'à preuve contraire.
Wijzigingen
HOOFDSTUK Vbis. - Vergoeding van bepaalde slachtoffers van verkeersongevallen.
CHAPITRE Vbis. - De l'indemnisation de certaines victimes d'accidents de la circulation.
Art. 29bis. <W 1995-04-13/58, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1995> § 1. (Bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in [3 artikel 2, § 1, eerste lid]3, wordt, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder.) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
(Bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden, rust de verplichting tot schadevergoeding die in het voorgaande lid is bepaald, op de eigenaar van het motorrijtuig.) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
Schade aan functionele prothesen wordt beschouwd als lichamelijke schade. (Onder functionele prothesen wordt verstaan : de door het slachtoffer gebruikte middelen om lichamelijke gebreken te compenseren.) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : Inwerkingtreding : 03-03-2001>
[1 Artikel 19bis-11, § 1]1 is van toepassing op deze schadevergoeding. Wanneer het ongeval evenwel door toeval gebeurde, blijft de verzekeraar tot vergoeding gehouden.
De bepalingen van dit artikel zijn tevens van toepassing op de verkeersongevallen (in de zin van het eerste lid) waarbij motorrijtuigen zijn betrokken die krachtens artikel 10 van deze wet vrijgesteld zijn van de verplichting tot verzekering en wanneer de eigenaars van die motorrijtuigen gebruik hebben gemaakt van die vrijstelling. <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
(Slachtoffers die ouder zijn dan 14 jaar en het ongeval en zijn gevolgen hebben gewild, kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van het eerste lid.) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
(lid opgeheven) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
(lid opgeheven) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
Deze vergoedingsplicht wordt uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voorzover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.
§ 2. De bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel (, tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt.) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
§ 3. [3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder motorrijtuig verstaan ieder voertuig bedoeld in artikel 1 met uitzondering van deze die zijn vrijgesteld van de verzekeringsplicht overeenkomstig artikel 2bis, eerste lid.]3
§ 4. De verzekeraar of het gemeenschappelijk waarborgfonds treden in de rechten van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden. [2 De uitoefening van deze vordering is onderworpen aan de voorwaarden bepaald in artikel 95, tweede tot en met vijfde lid, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.]2
De vergoedingen, die ter uitvoering van dit artikel werden uitgekeerd, zijn niet vatbaar voor beslag of schuldvergelijking met het oog op de vordering van andere vergoedingen wegens het verkeersongeval.
§ 5. De regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid blijven van toepassing op alles wat niet uitdrukkelijk bij dit artikel wordt geregeld.
(Bij een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig is betrokken dat aan spoorstaven is gebonden, rust de verplichting tot schadevergoeding die in het voorgaande lid is bepaald, op de eigenaar van het motorrijtuig.) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
Schade aan functionele prothesen wordt beschouwd als lichamelijke schade. (Onder functionele prothesen wordt verstaan : de door het slachtoffer gebruikte middelen om lichamelijke gebreken te compenseren.) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : Inwerkingtreding : 03-03-2001>
[1 Artikel 19bis-11, § 1]1 is van toepassing op deze schadevergoeding. Wanneer het ongeval evenwel door toeval gebeurde, blijft de verzekeraar tot vergoeding gehouden.
De bepalingen van dit artikel zijn tevens van toepassing op de verkeersongevallen (in de zin van het eerste lid) waarbij motorrijtuigen zijn betrokken die krachtens artikel 10 van deze wet vrijgesteld zijn van de verplichting tot verzekering en wanneer de eigenaars van die motorrijtuigen gebruik hebben gemaakt van die vrijstelling. <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
(Slachtoffers die ouder zijn dan 14 jaar en het ongeval en zijn gevolgen hebben gewild, kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van het eerste lid.) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
(lid opgeheven) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
(lid opgeheven) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
Deze vergoedingsplicht wordt uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen betreffende de aansprakelijkheidsverzekering in het algemeen en de aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen in het bijzonder, voorzover daarvan in dit artikel niet wordt afgeweken.
§ 2. De bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden kunnen zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel (, tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt.) <W 2001-01-19/42, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-03-2001>
§ 3. [3 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder motorrijtuig verstaan ieder voertuig bedoeld in artikel 1 met uitzondering van deze die zijn vrijgesteld van de verzekeringsplicht overeenkomstig artikel 2bis, eerste lid.]3
§ 4. De verzekeraar of het gemeenschappelijk waarborgfonds treden in de rechten van het slachtoffer tegen de in gemeen recht aansprakelijke derden. [2 De uitoefening van deze vordering is onderworpen aan de voorwaarden bepaald in artikel 95, tweede tot en met vijfde lid, van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen.]2
De vergoedingen, die ter uitvoering van dit artikel werden uitgekeerd, zijn niet vatbaar voor beslag of schuldvergelijking met het oog op de vordering van andere vergoedingen wegens het verkeersongeval.
§ 5. De regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid blijven van toepassing op alles wat niet uitdrukkelijk bij dit artikel wordt geregeld.
Art. 29bis. <L 1995-04-13/58, art. 1, 005; En vigueur : 01-07-1995> § 1er. (En cas d'accident de la circulation impliquant un ou plusieurs véhicules automoteurs, aux endroits visés à l'[3 article 2, § 1er, alinéa 1er]3, et à l'exception des dégâts matériels et des dommages subis par le conducteur de chaque véhicule automoteur impliqué, tous les dommages subis par les victimes et leurs ayants droit et résultant de lésions corporelles ou du décès, y compris les dégâts aux vêtements, sont réparés solidairement par les assureurs qui, conformément à la présente loi, couvrent la responsabilité du propriétaire, du conducteur ou du détenteur des véhicules automoteurs. La présente disposition s'applique également si les dommages ont été causés volontairement par le conducteur.) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
(En cas d'accident de la circulation impliquant un véhicule automoteur lié à une voie ferrée, l'obligation de réparer les dommages prévue à l'alinéa précédent incombe au propriétaire de ce véhicule.) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
Les dommages occasionnés aux prothèses fonctionnelles sont considérés comme des lésions corporelles. (Il y a lieu d'entendre par prothèses fonctionnelles : les moyens utilisés par la victime pour compenser des déficiences corporelles.) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
L' [1 article 19bis-11, § 1er]1 s'applique à cette indemnisation. Toutefois, si l'accident résulte d'un cas fortuit, l'assureur reste tenu.
Les dispositions du présent article s'appliquent également aux accidents de la circulation (, au sens de l'alinéa 1er,) impliquant des véhicules automoteurs qui sont exemptés de l'obligation d'assurance en vertu de l'article 10 de la présente loi et dont les propriétaires ont fait usage de cette exemption. <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
(Les victimes âgées de plus de 14 ans qui ont voulu l'accident et ses conséquences ne peuvent se prévaloir des dispositions visées à l'alinéa 1.) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
(alinéa abrogé) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
(alinea abrogé) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
Cette obligation d'indemnisation est exécutée conformément aux dispositions légales relatives à l'assurance de la responsabilité en général et à l'assurance de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs en particulier, pour autant que le présent article n'y déroge pas.
§ 2. Le conducteur d'un véhicule automoteur et ses ayants droit ne peuvent se prévaloir du présent article (, sauf si le conducteur agit en qualité d'ayant droit d'une victime qui n'était pas conducteur et à condition qu'il n'ait pas causé intentionnellement les dommages.) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
§ 3. [3 Pour l'application du présent article, il faut entendre par véhicules automoteurs tout véhicule visé à I' article 1er, à l'exclusion de ceux qui sont exemptés de I'obligation d'assurance conformément à l'article 2bis, alinéa 1er.]3
§ 4. L'assureur ou le fonds commun de garantie automobile sont subrogés dans les droits de la victime contre les tiers responsables en droit commun. [2 Les modalités d'exercice de ce recours sont soumises aux conditions prévues par l'article 95, alinéas 2 à 5, de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.]2
Les indemnités versées en exécution du présent article ne peuvent faire l'objet de compensation ou de saisie en vue du paiement des autres indemnités dues à raison de l'accident de la circulation.
§ 5. Les règles de la responsabilité civile restent d'application pour tout ce qui n'est pas régi expressément par le présent article.
(En cas d'accident de la circulation impliquant un véhicule automoteur lié à une voie ferrée, l'obligation de réparer les dommages prévue à l'alinéa précédent incombe au propriétaire de ce véhicule.) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
Les dommages occasionnés aux prothèses fonctionnelles sont considérés comme des lésions corporelles. (Il y a lieu d'entendre par prothèses fonctionnelles : les moyens utilisés par la victime pour compenser des déficiences corporelles.) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
L' [1 article 19bis-11, § 1er]1 s'applique à cette indemnisation. Toutefois, si l'accident résulte d'un cas fortuit, l'assureur reste tenu.
Les dispositions du présent article s'appliquent également aux accidents de la circulation (, au sens de l'alinéa 1er,) impliquant des véhicules automoteurs qui sont exemptés de l'obligation d'assurance en vertu de l'article 10 de la présente loi et dont les propriétaires ont fait usage de cette exemption. <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
(Les victimes âgées de plus de 14 ans qui ont voulu l'accident et ses conséquences ne peuvent se prévaloir des dispositions visées à l'alinéa 1.) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
(alinéa abrogé) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
(alinea abrogé) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
Cette obligation d'indemnisation est exécutée conformément aux dispositions légales relatives à l'assurance de la responsabilité en général et à l'assurance de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs en particulier, pour autant que le présent article n'y déroge pas.
§ 2. Le conducteur d'un véhicule automoteur et ses ayants droit ne peuvent se prévaloir du présent article (, sauf si le conducteur agit en qualité d'ayant droit d'une victime qui n'était pas conducteur et à condition qu'il n'ait pas causé intentionnellement les dommages.) <L 2001-01-19/42, art. 2, 008; En vigueur : 03-03-2001>
§ 3. [3 Pour l'application du présent article, il faut entendre par véhicules automoteurs tout véhicule visé à I' article 1er, à l'exclusion de ceux qui sont exemptés de I'obligation d'assurance conformément à l'article 2bis, alinéa 1er.]3
§ 4. L'assureur ou le fonds commun de garantie automobile sont subrogés dans les droits de la victime contre les tiers responsables en droit commun. [2 Les modalités d'exercice de ce recours sont soumises aux conditions prévues par l'article 95, alinéas 2 à 5, de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances.]2
Les indemnités versées en exécution du présent article ne peuvent faire l'objet de compensation ou de saisie en vue du paiement des autres indemnités dues à raison de l'accident de la circulation.
§ 5. Les règles de la responsabilité civile restent d'application pour tout ce qui n'est pas régi expressément par le présent article.
Art. 29ter. [1 § 1. Wanneer twee of meer voertuigen, betrokken zijn bij een verkeersongeval in België, en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt alle schade geleden door de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden, zijnde de personen op wie met zekerheid geen aansprakelijkheid rust, ten laste genomen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Voor de toepassing van dit artikel dient onder voertuig te worden verstaan, alle motorrijtuigen, zoals gedefinieerd in artikel 1, alsmede de gemotoriseerde voertuigen die aan spoorstaven gebonden zijn.
Schade waarvoor een vergoeding kan uitgekeerd worden in uitvoering van artikel 29bis is uitgesloten van de toepassing van dit artikel.
De schade geleden door de voertuigen die klaarblijkelijk het ongeval niet hebben veroorzaakt, komt in aanmerking voor vergoeding in toepassing van dit artikel. De schade aan de andere betrokken voertuigen is uitgesloten van de toepassing van dit artikel.
Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, is dit artikel van toepassing wanneer het ongeval zich voordoet op plaatsen bedoeld in [2 artikel 2, § 1, eerste lid]2.
§ 2. Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, rust de vergoedingsplicht op de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid ervan dekken. Het Fonds vergoedt de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden in de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ), 2° ), 4° ), 7° ) en 8° ).
Voor motorrijtuigen die in uitvoering van artikel 10 vrijgesteld zijn van de verzekeringsplicht, rust de vergoedingsverplichting op degene aan wie ze toebehoren of op wiens naam ze ingeschreven zijn.
Voor motorrijtuigen die aan spoorstaven gebonden zijn, rust de verplichting tot vergoeding op de eigenaar van deze motorrijtuigen.
Diegenen die waarborg geven aan de voertuigen die het ongeval met zekerheid niet hebben veroorzaakt, zijn niet tot vergoeding gehouden.
§ 3. De personen vermeld in paragraaf 2 en op wie de verplichting tot vergoeding rust, zijn hoofdelijk gehouden ten aanzien van de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden. Het aandeel in de schadelast wordt onder deze vergoedingsplichtigen in gelijke delen verdeeld.]1
Voor de toepassing van dit artikel dient onder voertuig te worden verstaan, alle motorrijtuigen, zoals gedefinieerd in artikel 1, alsmede de gemotoriseerde voertuigen die aan spoorstaven gebonden zijn.
Schade waarvoor een vergoeding kan uitgekeerd worden in uitvoering van artikel 29bis is uitgesloten van de toepassing van dit artikel.
De schade geleden door de voertuigen die klaarblijkelijk het ongeval niet hebben veroorzaakt, komt in aanmerking voor vergoeding in toepassing van dit artikel. De schade aan de andere betrokken voertuigen is uitgesloten van de toepassing van dit artikel.
Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, is dit artikel van toepassing wanneer het ongeval zich voordoet op plaatsen bedoeld in [2 artikel 2, § 1, eerste lid]2.
§ 2. Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, rust de vergoedingsplicht op de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid ervan dekken. Het Fonds vergoedt de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden in de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1° ), 2° ), 4° ), 7° ) en 8° ).
Voor motorrijtuigen die in uitvoering van artikel 10 vrijgesteld zijn van de verzekeringsplicht, rust de vergoedingsverplichting op degene aan wie ze toebehoren of op wiens naam ze ingeschreven zijn.
Voor motorrijtuigen die aan spoorstaven gebonden zijn, rust de verplichting tot vergoeding op de eigenaar van deze motorrijtuigen.
Diegenen die waarborg geven aan de voertuigen die het ongeval met zekerheid niet hebben veroorzaakt, zijn niet tot vergoeding gehouden.
§ 3. De personen vermeld in paragraaf 2 en op wie de verplichting tot vergoeding rust, zijn hoofdelijk gehouden ten aanzien van de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden. Het aandeel in de schadelast wordt onder deze vergoedingsplichtigen in gelijke delen verdeeld.]1
Art. 29ter. [1 § 1er. Lorsque deux ou plusieurs véhicules sont impliqués dans un accident de circulation en Belgique et s'il n'est pas possible de déterminer quel véhicule a causé l'accident, tous les dommages subis par les victimes innocentes et leurs ayants droit, c'est-à-dire les personnes sur lesquelles ne pèse manifestement aucune responsabilité, sont pris en charge conformément aux dispositions de cet article.
Pour l'application de cet article, il faut entendre par véhicule tous les véhicules automoteurs, tels que définis à l'article 1er, ainsi que les véhicules motorisés qui sont liés à une voie ferrée.
Le dommage pour lequel une indemnisation peut être allouée en exécution de l'article 29bis, est exclu de l'application du présent article.
Les dommages subis par les véhicules qui n'ont manifestement pas causé l'accident, sont indemnisables en application du présent article. Les dommages aux autres véhicules impliqués sont exclus de l'application du présent article.
Pour les véhicules automoteurs, visés à l'article 1er, le présent article est d'application quand l'accident se produit dans les lieux visés à [2 l'article 2, § 1er, alinéa 1er]2.
§ 2. Pour les véhicules automoteurs, visés à l'article 1er, l'obligation d'indemnisation repose sur les assureurs qui couvrent leur responsabilité civile. Le Fonds indemnise les victimes innocentes et leurs ayants droit dans les cas visés par l'article 19bis-11, § 1er, 1° ), 2° ), 4° ), 7° ) et 8° ).
Pour les véhicules automoteurs qui sont exemptés de l'obligation d'assurance en exécution de l'article 10, l'obligation d'indemnisation repose sur celui à qui ils appartiennent ou au nom duquel ils sont immatriculés.
Pour les véhicules automoteurs qui sont liés à une voie ferrée, l'obligation d'indemnisation repose sur le propriétaire de ces véhicules automoteurs.
Tous ceux qui donnent leur garantie à des véhicules qui n'ont certainement pas causé l'accident, ne sont pas tenus à l'indemnisation.
§ 3. Les personnes mentionnées au paragraphe 2 et sur lesquelles pèse l'obligation d'indemnisation sont tenues solidairement à l'égard des victimes innocentes et de leurs ayants droit. La contribution à la charge de l'indemnisation du dommage se répartit par parts égales entre ces débiteurs de l'indemnisation.]1
Pour l'application de cet article, il faut entendre par véhicule tous les véhicules automoteurs, tels que définis à l'article 1er, ainsi que les véhicules motorisés qui sont liés à une voie ferrée.
Le dommage pour lequel une indemnisation peut être allouée en exécution de l'article 29bis, est exclu de l'application du présent article.
Les dommages subis par les véhicules qui n'ont manifestement pas causé l'accident, sont indemnisables en application du présent article. Les dommages aux autres véhicules impliqués sont exclus de l'application du présent article.
Pour les véhicules automoteurs, visés à l'article 1er, le présent article est d'application quand l'accident se produit dans les lieux visés à [2 l'article 2, § 1er, alinéa 1er]2.
§ 2. Pour les véhicules automoteurs, visés à l'article 1er, l'obligation d'indemnisation repose sur les assureurs qui couvrent leur responsabilité civile. Le Fonds indemnise les victimes innocentes et leurs ayants droit dans les cas visés par l'article 19bis-11, § 1er, 1° ), 2° ), 4° ), 7° ) et 8° ).
Pour les véhicules automoteurs qui sont exemptés de l'obligation d'assurance en exécution de l'article 10, l'obligation d'indemnisation repose sur celui à qui ils appartiennent ou au nom duquel ils sont immatriculés.
Pour les véhicules automoteurs qui sont liés à une voie ferrée, l'obligation d'indemnisation repose sur le propriétaire de ces véhicules automoteurs.
Tous ceux qui donnent leur garantie à des véhicules qui n'ont certainement pas causé l'accident, ne sont pas tenus à l'indemnisation.
§ 3. Les personnes mentionnées au paragraphe 2 et sur lesquelles pèse l'obligation d'indemnisation sont tenues solidairement à l'égard des victimes innocentes et de leurs ayants droit. La contribution à la charge de l'indemnisation du dommage se répartit par parts égales entre ces débiteurs de l'indemnisation.]1
HOOFDSTUK VI.
CHAPITRE VI.
HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen.
CHAPITRE X. - Dispositions finales.
Art. 31. Van de bepalingen van deze wet mag niet worden afgeweken door bijzondere overeenkomsten die aan de rechten van benadeelden afbreuk zouden kunnen doen.
Art. 31. Il ne peut être dérogé aux dispositions de la présente loi par des conventions particulières qui porteraient atteinte aux droits des personnes lésées.
Art. 32. § 1. De wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1972, wordt opgeheven.
§ 2. De bepalingen betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen die voorkomen in artikel 28 van de besluitwet van 30 december 1946 houdende herziening en coördinatie van de wetgeving betreffende het bezoldigd vervoer van personen door middel van automobielen, zoals het is gewijzigd door de wet van 20 december 1957, worden opgeheven voor zover voor die aansprakelijkheid overeenkomstig deze wet een verplichte verzekering is afgesloten.
§ 3. Artikel 3 van de besluitwet van 24 februari 1947 waarbij de verplichting van de technische controle uitgebreid wordt tot de automobielen dienende tot het vervoer van zaken voor rekening van hun eigenaar, wordt opgeheven.
§ 2. De bepalingen betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen die voorkomen in artikel 28 van de besluitwet van 30 december 1946 houdende herziening en coördinatie van de wetgeving betreffende het bezoldigd vervoer van personen door middel van automobielen, zoals het is gewijzigd door de wet van 20 december 1957, worden opgeheven voor zover voor die aansprakelijkheid overeenkomstig deze wet een verplichte verzekering is afgesloten.
§ 3. Artikel 3 van de besluitwet van 24 februari 1947 waarbij de verplichting van de technische controle uitgebreid wordt tot de automobielen dienende tot het vervoer van zaken voor rekening van hun eigenaar, wordt opgeheven.
Art. 32. § 1. La loi du 1er juillet 1956 relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité civile en matière de véhicules automoteurs, modifiée par la loi du 4 juillet 1972, est abrogée.
§ 2. Les dispositions relatives à l'assurance de la responsabilité civile en matière de véhicules automoteurs figurant dans l'article 28 de l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 portant révision et coordination de la législation relative au transport rémunéré de personnes par véhicule automobile, tel qu'il a été modifié par la loi du 20 décembre 1957, sont abrogées dans la mesure où cette responsabilité fait l'objet d'une assurance obligatoire conformément à la présente loi.
§ 3. L'article 3 de l'arrêté-loi du 24 février 1947 étendant l'obligation du contrôle technique aux véhicules automobiles servant au transport de choses pour le compte propre de leur propriétaire est abrogé.
§ 2. Les dispositions relatives à l'assurance de la responsabilité civile en matière de véhicules automoteurs figurant dans l'article 28 de l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 portant révision et coordination de la législation relative au transport rémunéré de personnes par véhicule automobile, tel qu'il a été modifié par la loi du 20 décembre 1957, sont abrogées dans la mesure où cette responsabilité fait l'objet d'une assurance obligatoire conformément à la présente loi.
§ 3. L'article 3 de l'arrêté-loi du 24 février 1947 étendant l'obligation du contrôle technique aux véhicules automobiles servant au transport de choses pour le compte propre de leur propriétaire est abrogé.
Art. 33. De bepalingen van deze wet treden in werking op de door de Koning te bepalen tijdstippen.
Art. 33. Les dispositions de la présente loi entreront en vigueur aux dates fixées par le Roi.
Art. 33bis. [1 De wijzigingen aan deze wet zijn van toepassing op de verkeersongevallen die hebben plaatsgevonden vanaf de inwerkingtreding van deze wijzigingen.]1
Art. 33bis. [1 Les modifications à la présente loi sont applicables aux accidents de la circulation qui sont survenus à partir de l'entrée en vigueur de ces modifications.]1
Art. 33ter. [1 De inwerkingtreding van de wet van 31 mei 2017 tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de latere wijzigingen van de voormelde wet van 21 november 1989 alsmede de latere uitvoeringsbesluiten van deze wet leiden binnen de door haar bepalingen gestelde begrenzingen van rechtswege tot wijziging van de verplichtingen van de verzekeraars, zoals die voortvloeien uit de algemene voorwaarden van de lopende verzekeringsovereenkomsten.
Met uitzondering van de premieverhogingen, kunnen deze wijzigingen de opzegging van de lopende overeenkomst niet rechtvaardigen.]1
Met uitzondering van de premieverhogingen, kunnen deze wijzigingen de opzegging van de lopende overeenkomst niet rechtvaardigen.]1
Art. 33ter. [1 L'entrée en vigueur de la loi du 31 mai 2017 modifiant la loi du 21 novembre 1989 relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs, les modifications ultérieures de la loi du 21 novembre 1989 précitée ainsi que les arrêtés d'exécution ultérieurs de cette dernière ont pour effet de modifier de plein droit, dans les limites fixées par ses dispositions, les obligations des assureurs telles qu'elles résultent des conditions générales des contrats en cours.
A l'exception des augmentations de prime, ces modifications ne peuvent justifier la résiliation du contrat en cours.]1
A l'exception des augmentations de prime, ces modifications ne peuvent justifier la résiliation du contrat en cours.]1
Art. 34. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bepalingen van deze wet aanpassen aan de verplichtingen die voor België voortvloeien uit internationale overeenkomsten en verdragen.
Art. 34. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter les dispositions de la présente loi aux obligations découlant pour la Belgique d'accords et de traités internationaux.
Art. 35. <INGEVOEGD bij W 2002-08-22/41, art. 8; Inwerkingtreding : 19-01-2003> De Koning kan de bepalingen van deze wet coördineren met bepalingen die daarin uitdrukkelijk of stilzwijgend wijzigingen hebben aangebracht tot het tijdstip van de coördinatie.
Daartoe kan Hij inzonderheid :
1°) de te coördineren bepalingen anders inrichten, inzonderheid opnieuw ordenen en vernummeren;
2°) de verwijzingen in de te coördineren bepalingen dienovereenkomstig vernummeren;
3°) de te coördineren bepalingen met het oog op onderlinge overeenstemming en eenheid van terminologie herschrijven, zonder te raken aan de erin neergelegde beginselen.
De coördinaties zullen het opschrift dragen bepaald door de Koning.
Daartoe kan Hij inzonderheid :
1°) de te coördineren bepalingen anders inrichten, inzonderheid opnieuw ordenen en vernummeren;
2°) de verwijzingen in de te coördineren bepalingen dienovereenkomstig vernummeren;
3°) de te coördineren bepalingen met het oog op onderlinge overeenstemming en eenheid van terminologie herschrijven, zonder te raken aan de erin neergelegde beginselen.
De coördinaties zullen het opschrift dragen bepaald door de Koning.
Art. 35. Le Roi peut coordonner les dispositions de la présente loi et les dispositions qui les auraient expressément ou implicitement modifiées au moment ou les coordinations seront établies.
A cette fin, II peut notamment :
1°) modifier l'ordre, le numérotage et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
2°) modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner, en vue de les mettre en concordance avec la nouvelle numérotation;
3°) modifier la rédaction des dispositions à coordonner, en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie, sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
Les coordinations porteront l'intitulé déterminé par le Roi.
A cette fin, II peut notamment :
1°) modifier l'ordre, le numérotage et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
2°) modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner, en vue de les mettre en concordance avec la nouvelle numérotation;
3°) modifier la rédaction des dispositions à coordonner, en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie, sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
Les coordinations porteront l'intitulé déterminé par le Roi.