Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
2 JUNI 1986. _ Reglementaire onderrichting genomen ter uitvoering van artikel 76 tot en met 81 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid.
Titre
2 JUIN 1986. _ Instruction réglementaire prise en exécution des articles 76 à 81 inclus de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage.
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. 1. Wordt verstaan onder oprichting van een onderneming : de creatie van een nieuwe onderneming.
2. Wordt verstaan onder uitbreiding van een onderneming : de oprichting van een nieuwe afdeling voor de vervaardiging van andere produkten of de invoering van bijkomende deelfazen in het produktieproces van voorheen vervaardigde produkten; een uitbreiding ingevolge de verhoging van de produktiecapaciteit, komt in aanmerking indien de tewerkstelling met minimum 150 eenheden wordt verhoogd.
3. Wordt verstaan onder overschakeling van een onderneming :
_ de structurele wijziging van het activiteitspatroon van de onderneming;
_ de grondige wijziging van de produktietechnieken en -apparatuur.
Article 1. 1. Par création d'une entreprise il faut entendre : la création d'une nouvelle entreprise.
2. Par extension d'une entreprise il faut entendre : la création d'une nouvelle section en vue de la fabrication d'autres produits ou l'introduction d'étapes supplémentaires dans une production existante; une extension résultant de l'accroissement de la capacité de production est prise en compte si l'emploi augmente par 150 unités au minimum.
3. Par reconversion d'une entreprise il faut entendre :
_ la modification structurelle des activités de l'entreprise;
_ la modification radicale des techniques et de l'appareillage de production.
Art. 2. De R.V.A. kan voor gevallen genoemd in artikel 1 een financiële tegemoetkoming verlenen voor de opleiding, zowel ter plaatse als in het buitenland, van werknemers van de onderneming, alsook voor de kosten i.v.m. de opleidingstaak van Belgische en buitenlandse instructeurs.
Overeenkomstig artikel 80 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 richt de werkgever daartoe aan het Hoofdbestuur van de R.V.A. een aangetekend schrijven, dat hierna basisaanvraag wordt genoemd.
Art. 2. L'O.N.E.M. peut pour les cas cités à l'article 1er, accorder une intervention financière en vue de la formation, tant sur place qu'à l'étranger, des travailleurs de l'entreprise ainsi que pour couvrir les frais occasionnés par la formation des instructeurs belges et étrangers.
Conformément à l'article 80 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 l'employeur adresse à cet effet une lettre recommandée à l'administration centrale de l'O.N.E.M., ci-après dénommée demande de base.
Art. 3. Een tegemoetkoming wordt slechts verleend voor opleidingen die plaatshebben binnen een globale referteperiode van twee jaar. Deze referteperiode kan ten vroegste een aanvang nemen vanaf de datum waarop de onderneming haar basisaanvraag indiende, hetzij later namelijk vanaf de begindatum van de eerste opleiding, doch ten laatste één jaar na de datum van de basisaanvraag.
De uitbetaling van de tegemoetkoming zal slechts gebeuren indien de onderneming binnen de 12 maanden na het einde van de referteperiode alle vereiste stukken heeft bezorgd om de R.V.A. in staat te stellen de werkelijkheid van de uitgaven na te gaan.
Een tegemoetkoming wordt slechts verleend indien de onderneming haar activiteiten uitoefent in eigen gebouwen (uiterlijk één jaar na het einde van de in lid 1 vermelde referteperiode). Indien hiervan wordt afgeweken gaat de onderneming de verbintenis aan, in geval zij haar activiteiten binnen de vijf jaar stopzet, de ontvangen tegemoetkoming aan de R.V.A. terug te storten.
Art. 3. Sont seules admissibles à l'intervention, les formations ayant lieu au cours d'une période de référence de deux ans. Cette période de référence peut prendre cours au plus tôt à la date de la demande de base de la part de l'entreprise, soit ultérieurement, notamment à la date où la première formation prend cours, mais au plus tard un an après la date de la demande de base.
L'octroi de l'intervention est tributaire de la production par l'entreprise dans les 12 mois prenant cours à la fin de la période de référence, de toute pièce permettant à l'O.N.E.M. de vérifier l'exactitude des dépenses.
Une intervention n'est octroyée que si l'entreprise exerce ses activités dans ses propres bâtiments (au plus tard un an après la fin de la période de référence prévue au premier alinéa). En cas de dérogation, l'entreprise s'engage à rembourser à l'O.N.E.M. l'intervention octroyée, si elle arrête ses activités dans les cinq ans.
Art. 4. Bijkomende voorwaarden van tegemoetkoming :
1. De op te leiden werknemers moeten minstens 18 jaar oud zijn.
2. De opleiding moet een essentieel technisch karakter hebben; opleidingen voor commerciële of administratieve functies worden niet weerhouden.
3. Aan de opleiding dient een effectieve arbeidsplaats te beantwoorden; de opgeleide werknemer moet derhalve op het einde van de in artikel 3, lid 1 genoemde referteperiode in dienst zijn van de onderneming.
4. Een werknemer kan slechts opgeleid worden voor één functie.
5. De op te leiden werknemers moeten effectief in België woonachtig zijn.
Art. 4. Conditions supplémentaires liées à l'octroi de l'intervention :
1. Pour être admissibles à la formation, les travailleurs doivent avoir au moins 18 ans.
2. La formation doit avoir un caractère essentiellement technique; les formations aux fonctions commerciales et administratives ne seront pas retenues.
3. A la formation doit correspondre un emploi effectif; dès lors, le travailleur formé devra être occupé par la firme à la fin de la période de référence prévue à l'article 3, alinéa premier.
4. La formation d'un travailleur ne peut concerner qu'une seule fonction.
5. Les travailleurs à former doivent résider effectivement en Belgique.
Art. 5. Zowel voor de opleidingen van werknemers ter plaatse en in het buitenland als voor de opleidingstaak van Belgische en buitenlandse instructeurs wordt de tegemoetkoming toegekend op basis van 50 pct. van de aan de betrokkenen betaalde bruto bezoldigingen en de hierop verschuldigde werkgeversbijdragen inzake sociale zekerheid en ongevallenverzekering.
Wat betreft de opleidingsstages van werknemers in het buitenland en de kosten voor buitenlandse instructeurs heeft de tegemoetkoming eveneens betrekking op de kosten in verband met één reis heen en terug, de verblijfkosten en -vergoedingen.
In voorkomend geval wordt voor de buitenlandse instructeurs de tegemoetkoming voor de kosten vermeld in lid 2, afgezien van de reiskosten, beperkt tot een maximumbedrag van 19 230 fr. per week "per persoon".
Art. 5. Tant pour les formations de travailleurs sur place et à l'étranger que pour la tâche de formation d'instructeurs belges et étrangers, l'intervention est octroyée sur base de 50 p.c. des rémunérations brutes payées aux intéressés et des cotisations patronales en matière de sécurité sociale et d'assurance contre les accidents.
Pour ce qui concerne les stages de formation des travailleurs à l'étranger et les frais liés aux instructeurs étrangers, l'intervention couvre les frais d'un voyage aller et retour ainsi que les frais et indemnités de séjour.
Pour les instructeurs étrangers, l'intervention octroyée pour les frais prévus à l'alinéa 2, excepté les frais de déplacement, est limité, le cas échéant, au montant maximum de 19 230 F par semaine "par personne".
Art. 6. In verband met de duurtijd van de opleidingen die voor de tegemoetkoming in aanmerking komt, worden volgende principes gehanteerd :
1. De opleiding in de onderneming moet minimum 4 weken bedragen en mag 26 weken niet overschrijden.
2. Een opleidingsstage in het buitenland wordt slechts in aanmerking genomen als de stage minstens een duur heeft van 5 opeenvolgende dagen; de maximumduur bedraagt 26 weken.
3. De duurtijd voor de tussenkomst in het loon van de instructeurs wordt bepaald :
_ in functie van de beroepen waarin de instructeurs opleiding verstrekken en het hierbij betrokken aantal werknemers;
_ de maximumduur die in aanmerking genomen wordt, bedraagt 1/10e van het aantal man-weken dat voor de opleiding van de betrokken werknemers in aanmerking werd genomen.
Art. 6. Les principes suivants régissent la durée des formations admissibles à l'octroi d'une intervention :
1. La formation dans l'entreprise doit avoir une durée maximum de 4 semaines et ne peut excéder 26 semaines.
2. Un stage de formation à l'étranger n'est pris en compte que s'il dure au moins 5 jours successifs; la durée maximale est de 26 semaines.
3. La durée sur base de laquelle est fixée l'intervention dans la rémunération des instructeurs, est déterminée :
_ en fonction des professions faisant l'objet de la formation donnée par les instructeurs et du nombre de travailleurs y associés;
_ la durée maximale pris en compte s'élève à 1/10e du nombre de semaines-homme prises en considération pour la formation des travailleurs intéressés.
Art. 7. Deze reglementaire onderrichting wordt voor het Vlaams Gewest van kracht op 1 januari 1986.
Art. 7. La présente instruction réglementaire entre en vigueur, pour ce qui concerne la Région flamande, au 1er janvier 1986.