Artikel 1. [1 § 1.]1 In dit Wetboek wordt verwerving van de nationaliteit verkrijging of toekenning genaamd al naargelang zij al dan niet afhangt van een vrijwillige handeling van de belanghebbende met het oog op deze verwerving.
[1 § 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
1° hoofdverblijfplaats : de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister;
2° vreemdelingenwet : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
3° regularisatiewet : de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk;
4° gewichtige feiten eigen aan de persoon zijn, met name :
a) het feit zich te bevinden in een van de gevallen bedoeld [2 in de artikelen 23, 23/1 of 23/2]2;
b) het feit aanhanger te zijn van een beweging of organisatie die door de Veiligheid van de Staat als gevaarlijk wordt beschouwd;
c) het feit dat de identiteit of hoofdverblijfplaats onmogelijk kan worden gecontroleerd of de identiteit niet kan worden gewaarborgd;
d) het feit dat aan de aanvrager, omwille van eender welke vorm van sociale of fiscale fraude, door de rechter een definitieve straf is opgelegd die in kracht van gewijsde is gegaan.
5° bewijs van kennis van één van de drie landstalen : minimale kennis van één van de drie landstalen die gelijk is aan het niveau A2 van het Europees Referentiekader voor Talen. Dit bewijs dient te worden geleverd aan de hand van de bewijsmiddelen bepaald in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. [3 Voor een analfabeet in de zin van dit Wetboek is enkel het bewijs van een mondelinge kennis die gelijk is aan het niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen, vereist]3;
6° werkdag : de werkdag zoals bedoeld in artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek;
7° arbeidsdag : de arbeidsdagen en de met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen in de zin van artikel 37 en 38 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, met dien verstande dat de in het buitenland verrichte arbeid en de in het buitenland gelijkgestelde dagen niet worden meegerekend. Ingeval de vreemdeling in de referentieperiode van vijf jaar enerzijds als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en anderzijds, als zelfstandige in hoofdberoep heeft gewerkt, wordt ieder als zelfstandige in hoofdberoep gewerkt kwartaal voor 78 arbeidsdagen in rekening gebracht. Deeltijdse arbeid, die in uren wordt uitgedrukt, wordt in aanmerking genomen volgens de formule die wordt gebruikt met toepassing van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de ministeriële besluiten die daaraan uitvoering geven;
8° sociale fraude : iedere inbreuk op een sociale wetgeving;
9° fiscale fraude : iedere inbreuk op de fiscale wetboeken of op de ter uitvoering ervan genomen besluiten die wordt begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden;
[3 10° analfabeet: de persoon die de vereiste mondelinge taalkennis bezit maar niet over de taalkundige basiscompetenties en inzichten beschikt, waardoor hij de schriftelijke kennis gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen niet kan verwerven, zelfs door deel te nemen aan een door de bevoegde gemeenschapsoverheid daartoe ingerichte opleiding. De inachtneming van deze voorwaarden wordt bevestigd door de bevoegde gemeenschapsoverheid.]3
De lijst van gewichtige feiten eigen aan de persoon die in het 4° bedoeld worden, kan aangevuld worden door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]1
(NOTA : bij arrest nr. 96/2024 van 19-09-2024 (2024-09-19/01, B.St. 17-10-2024, p. 121929), heeft het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 122, 1°, van de wet van 28 maart 2024 " houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis ", en artikel 12bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, in zoverre die bepalingen niet voorzien in een uitzondering op het vereiste om over een minimale kennis van een van de landstalen te beschikken gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, ten aanzien van de vreemdelingen die analfabeet zijn en die, hoewel zij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikken, door een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten niet in staat zijn de met dat niveau overeenstemmende schriftelijke vaardigheden te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen.)
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
28 JUNI 1984. - Wetboek van de Belgische nationaliteit (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-07-1991 en tekstbijwerking tot 12-06-2024)
Titre
28 JUIN 1984. - Code de la nationalité belge (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-07-1991 et mise à jour au 12-06-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK II. - TOEKENNING VAN DE BELGISCHE NAT...
Afdeling 1. - Toekenning van de Belgische natio...
Afdeling 2. - Toekenning van de Belgische natio...
Afdeling 3. - Toekenning van de Belgische natio...
Afdeling 4.
HOOFDSTUK III. - VERKRIJGING VAN DE BELGISCHE N...
Afdeling 1. - Verkrijging van de Belgische nati...
Afdeling 2.
Afdeling 3.
Afdeling 4.
Afdeling 2. [1 - Terugkrijgen van de Belgische ...
Afdeling 3.]1 - (vroeger afdeling 5) Verkrijgin...
HOOFDSTUK IV. - VERLIES VAN DE BELGISCHE NATION...
HOOFDSTUK V. - HERKRIJGING VAN DE BELGISCHE NAT...
HOOFDSTUK Vbis. - (ingevoegd bij ) Adviesbevoeg...
HOOFDSTUK Vter. [1 - Adviesbevoegdheid van de F...
HOOFDSTUK VI. - REGISTERS EN MELDINGEN.
HOOFDSTUK VII. - OVERGANGSBEPALINGEN.
Inhoud
CHAPITRE 1er. - DISPOSITIONS GENERALES.
CHAPITRE II. _ ATTRIBUTION DE LA NATIONALITE BE...
Section 1. - Attribution de la nationalité belg...
Section 2. - Attribution de la nationalité belg...
Section 3. - Attribution de la nationalité belg...
Section 4.
CHAPITRE III. - ACQUISITION DE LA NATIONALITE B...
Section 1. - Acquisition de la nationalité belg...
Section 2.
Section 3.
Section 4.
Section 2. [1 - Réacquisition de la nationalité...
Section 3.]1 - (ancienne section 5) Acquisition...
CHAPITRE IV. - PERTE DE LA NATIONALITE BELGE.
CHAPITRE V. - RECOUVREMENT DE LA NATIONALITE BE...
CHAPITRE Vbis. - [inséré par ] Compétences d'av...
CHAPITRE Vter. [1 - Compétence d'avis du Servic...
CHAPITRE VI. - REGISTRES ET MENTIONS.
CHAPITRE VII. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES.
Tekst (58)
Texte (58)
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
CHAPITRE 1er. - DISPOSITIONS GENERALES.
Article 1. [1 § 1er.]1 Dans le présent Code, l'obtention de la nationalité s'appelle acquisition ou attribution, suivant qu'elle est ou non subordonnée à un acte volontaire de l'intéressé tendant à cette obtention.
[1 § 2. Pour l'application de la présente loi, on entend par :
1° résidence principale : le lieu de l'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente;
2° loi sur les étrangers : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
3° loi de régularisation : la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume;
4° faits personnels graves : des faits qui sont notamment :
a) le fait de se trouver dans l'un des cas visés [2 aux articles 23, 23/1 ou 23/2]2;
b) le fait d'adhérer à un mouvement ou à une organisation considéré comme dangereux par la Sûreté de l'Etat;
c) l'impossibilité de contrôler l'identité ou la résidence principale ou de garantir l'identité;
d) le fait que le juge ait infligé au demandeur une peine définitive, coulée en force de chose jugée, en raison d'une quelconque forme de fraude fiscale ou sociale.
5° preuve de la connaissance d'une des trois langues nationales : la connaissance minimale d'une des trois langues nationales correspondant au niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues. Cette preuve doit être rapportée par les moyens de preuve définis dans un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. [3 Pour la personne analphabète au sens du présent Code, seule la preuve d'une connaissance orale correspondant au niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues, est exigée]3;
6° jour ouvrable : le jour ouvrable visé à l'article 53 du Code judiciaire;
7° journée de travail : les journées de travail et les journées de travail assimilées au sens des articles 37 et 38 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, étant entendu que le travail effectué à l'étranger et les journées y assimilées ne sont pas pris en compte. Si, au cours de la période de référence de cinq ans, l'étranger a travaillé, d'une part, comme travailleur salarié et/ou agent statutaire nommé dans la fonction publique et, d'autre part, comme travailleur indépendant à titre principal, chaque trimestre presté comme indépendant à titre principal sera comptabilisé à raison de 78 journées de travail. Le travail à temps partiel, exprimé en heures, est pris en compte suivant la formule utilisée en application de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et de ses arrêtés ministériels d'exécution;
8° fraude sociale : toute infraction à une législation sociale;
9° fraude fiscale : toute infraction aux codes fiscaux ou à leurs arrêtés d'exécution commise avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire;
[3 10° personne analphabète: la personne qui possède les connaissances linguistiques orales exigées mais qui ne possède pas les compétences et notions linguistiques de base lui permettant d'acquérir les connaissances écrites correspondant au niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues, même en participant aux formations organisées à cet effet par l'autorité communautaire compétente. Le respect de ces conditions est attesté par l'autorité communautaire compétente.]3
La liste des faits personnels graves visés au 4° peut être complétée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]1
(NOTE : par son arrêt n° 96/2024 du 19-09-2024 (2024-09-19/01, M.B. 17-10-2024, p. 121929), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 1er, § 2, 5°, du Code de la nationalité belge, tel qu'il était applicable avant sa modification par l'article 122, 1°, de la loi du 28 mars 2024 " portant dispositions en matière de digitalisation de la justice et dispositions diverses Ibis ", et l'article 12bis, § 1er, du même Code, en ce que ces dispositions ne prévoient pas, à l'égard des étrangers qui sont analphabètes, qui possèdent les compétences linguistiques orales exigées et qui, parce qu'il leur manque des compétences et notions linguistiques de base, ne sont pas en mesure d'acquérir les aptitudes écrites correspondant à ce niveau, même en participant aux formations organisées à cet effet, une exception à l'exigence de posséder une connaissance minimale d'une des langues nationales correspondant au niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues.)
[1 § 2. Pour l'application de la présente loi, on entend par :
1° résidence principale : le lieu de l'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente;
2° loi sur les étrangers : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
3° loi de régularisation : la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume;
4° faits personnels graves : des faits qui sont notamment :
a) le fait de se trouver dans l'un des cas visés [2 aux articles 23, 23/1 ou 23/2]2;
b) le fait d'adhérer à un mouvement ou à une organisation considéré comme dangereux par la Sûreté de l'Etat;
c) l'impossibilité de contrôler l'identité ou la résidence principale ou de garantir l'identité;
d) le fait que le juge ait infligé au demandeur une peine définitive, coulée en force de chose jugée, en raison d'une quelconque forme de fraude fiscale ou sociale.
5° preuve de la connaissance d'une des trois langues nationales : la connaissance minimale d'une des trois langues nationales correspondant au niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues. Cette preuve doit être rapportée par les moyens de preuve définis dans un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. [3 Pour la personne analphabète au sens du présent Code, seule la preuve d'une connaissance orale correspondant au niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues, est exigée]3;
6° jour ouvrable : le jour ouvrable visé à l'article 53 du Code judiciaire;
7° journée de travail : les journées de travail et les journées de travail assimilées au sens des articles 37 et 38 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, étant entendu que le travail effectué à l'étranger et les journées y assimilées ne sont pas pris en compte. Si, au cours de la période de référence de cinq ans, l'étranger a travaillé, d'une part, comme travailleur salarié et/ou agent statutaire nommé dans la fonction publique et, d'autre part, comme travailleur indépendant à titre principal, chaque trimestre presté comme indépendant à titre principal sera comptabilisé à raison de 78 journées de travail. Le travail à temps partiel, exprimé en heures, est pris en compte suivant la formule utilisée en application de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et de ses arrêtés ministériels d'exécution;
8° fraude sociale : toute infraction à une législation sociale;
9° fraude fiscale : toute infraction aux codes fiscaux ou à leurs arrêtés d'exécution commise avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire;
[3 10° personne analphabète: la personne qui possède les connaissances linguistiques orales exigées mais qui ne possède pas les compétences et notions linguistiques de base lui permettant d'acquérir les connaissances écrites correspondant au niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues, même en participant aux formations organisées à cet effet par l'autorité communautaire compétente. Le respect de ces conditions est attesté par l'autorité communautaire compétente.]3
La liste des faits personnels graves visés au 4° peut être complétée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]1
(NOTE : par son arrêt n° 96/2024 du 19-09-2024 (2024-09-19/01, M.B. 17-10-2024, p. 121929), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 1er, § 2, 5°, du Code de la nationalité belge, tel qu'il était applicable avant sa modification par l'article 122, 1°, de la loi du 28 mars 2024 " portant dispositions en matière de digitalisation de la justice et dispositions diverses Ibis ", et l'article 12bis, § 1er, du même Code, en ce que ces dispositions ne prévoient pas, à l'égard des étrangers qui sont analphabètes, qui possèdent les compétences linguistiques orales exigées et qui, parce qu'il leur manque des compétences et notions linguistiques de base, ne sont pas en mesure d'acquérir les aptitudes écrites correspondant à ce niveau, même en participant aux formations organisées à cet effet, une exception à l'exigence de posséder une connaissance minimale d'une des langues nationales correspondant au niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues.)
Art. 2. Toekenning, verkrijging, verlies en herkrijging van de Belgische nationaliteit, uit welke oorzaak ook, hebben alleen gevolg voor de toekomst.
Art. 2. L'attribution, l'acquisition, la perte ou le recouvrement de la nationalité belge, de quelque cause qu'ils procèdent, ne produisent d'effet que pour l'avenir.
Art. 3. De afstamming heeft inzake de Belgische nationaliteit alleen dan van rechtswege gevolg indien ze is vastgesteld voordat het kind de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd wordt voor die leeftijd.
Art. 3. La filiation n'a d'effet de plein droit en matière de nationalité belge que si elle est établie avant que l'enfant n'atteigne l'âge de dix-huit ans ou ne soit émancipé avant cet âge.
Art. 4. Het bewijs van de Belgische nationaliteit wordt geleverd door aan te tonen dat de bij de Belgische wet opgelegde voorwaarden en vormvereisten zijn vervuld.
Wanneer de Belgische nationaliteit echter alleen op afstamming of adoptie berust, wordt zij, behoudens tegenbewijs, als bewezen beschouwd, indien de persoon, aan wie de belanghebbende zijn nationaliteit beweert te ontlenen, zonder onderbreking de staat van Belg heeft bezeten.
Het bezit van de staat van Belg wordt verkregen door uitoefening van de rechten welke uitsluitend aan Belgen worden toegekend.
Wanneer de Belgische nationaliteit echter alleen op afstamming of adoptie berust, wordt zij, behoudens tegenbewijs, als bewezen beschouwd, indien de persoon, aan wie de belanghebbende zijn nationaliteit beweert te ontlenen, zonder onderbreking de staat van Belg heeft bezeten.
Het bezit van de staat van Belg wordt verkregen door uitoefening van de rechten welke uitsluitend aan Belgen worden toegekend.
Art. 4. La preuve de la nationalité belge est faite en établissant l'existence des conditions et formalités requises par la loi belge.
Toutefois, lorsque la nationalité belge trouve sa seule source dans la filiation ou l'adoption, elle est tenue pour établie, sauf preuve contraire, si la personne dont l'intéressé prétend tenir cette nationalité a joui d'une manière constante de la possession d'état de Belge.
La possession d'état de Belge s'acquiert par l'exercice des droits qui sont conférés exclusivement aux Belges.
Toutefois, lorsque la nationalité belge trouve sa seule source dans la filiation ou l'adoption, elle est tenue pour établie, sauf preuve contraire, si la personne dont l'intéressé prétend tenir cette nationalité a joui d'une manière constante de la possession d'état de Belge.
La possession d'état de Belge s'acquiert par l'exercice des droits qui sont conférés exclusivement aux Belges.
Art. 5. <W 2000-03-01/49, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-05-2000> § 1. [3 Belanghebbende die in de onmogelijkheid verkeert zich een akte van geboorte te verschaffen in het kader van procedures tot verwerving van de Belgische nationaliteit, kan de akte van geboorte vervangen door :
1° indien zijn akte van geboorte werd opgesteld in een land waarvoor de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de bedoelde akte van de burgerlijke stand te verkrijgen, werden aanvaard :
a) hetzij een gelijkwaardig document afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van zijn land van geboorte;
b) hetzij, in geval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om zich voornoemd document te verschaffen, een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van zijn hoofdverblijfplaats;
2° indien zijn akte van geboorte niet werd opgesteld in een land waarvoor de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de akte van de burgerlijke stand in kwestie te verkrijgen, werden aanvaard : een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van hun hoofdverblijfplaats.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, de lijst van landen waarvoor de in het eerste lid, 1°, bedoelde onmogelijkheid of zware moeilijkheden worden aanvaard.]3
§ 2. In de akte van bekendheid verklaren twee getuigen, van het mannelijke of vrouwelijke geslacht, bloedverwanten of geen bloedverwanten, de voornamen, de naam, het beroep en de woonplaats van de belanghebbende, en die van zijn ouders, indien deze bekend zijn; de plaats en, zo mogelijk, het tijdstip van zijn geboorte en de redenen die beletten de akte van geboorte over te leggen. De getuigen tekenen met de vrederechter de akte van bekendheid en, indien er getuigen zijn die niet in staat zijn te tekenen of niet kunnen tekenen, wordt dit vermeld.
§ 3. De akte van bekendheid wordt vertoond aan de [2 familierechtbank]2 van het rechtsgebied. De rechtbank, na de procureur des Konings gehoord te hebben, verleent of weigert haar homologatie naargelang zij oordeelt dat de verklaringen van de getuigen en de redenen die het overleggen van de akte van geboorte beletten, al dan niet voldoende zijn.
§ 4. Indien de belanghebbende in de onmogelijkheid verkeert zich zodanige akte van bekendheid te verschaffen, kan die akte, met verlof van de rechtbank, op verzoekschrift verleend, het openbaar ministerie gehoord, vervangen worden door een beëdigde verklaring van de belanghebbende zelf.
[4 § 5. Een ieder die reeds een akte van bekendheid heeft verkregen of aan wie de rechtbank reeds toelating heeft verleend een beëdigde verklaring af te leggen, en die aantoont dat hij nog steeds in de onmogelijkheid verkeert de akte van geboorte over te leggen, kan deze vervangen door de akte van bekendheid of door de toelating, voor zover de juistheid van de gegevens die zij bevat, niet wordt weerlegd.
De gehomologeerde akte van bekendheid of de toelating tot afleggen van een beëdigde verklaring worden als bijlage in de DABS opgenomen.]4
1° indien zijn akte van geboorte werd opgesteld in een land waarvoor de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de bedoelde akte van de burgerlijke stand te verkrijgen, werden aanvaard :
a) hetzij een gelijkwaardig document afgegeven door de diplomatieke of consulaire overheden van zijn land van geboorte;
b) hetzij, in geval van onmogelijkheid of zware moeilijkheden om zich voornoemd document te verschaffen, een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van zijn hoofdverblijfplaats;
2° indien zijn akte van geboorte niet werd opgesteld in een land waarvoor de onmogelijkheid of zware moeilijkheden om de akte van de burgerlijke stand in kwestie te verkrijgen, werden aanvaard : een akte van bekendheid, afgegeven door de vrederechter van hun hoofdverblijfplaats.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, de lijst van landen waarvoor de in het eerste lid, 1°, bedoelde onmogelijkheid of zware moeilijkheden worden aanvaard.]3
§ 2. In de akte van bekendheid verklaren twee getuigen, van het mannelijke of vrouwelijke geslacht, bloedverwanten of geen bloedverwanten, de voornamen, de naam, het beroep en de woonplaats van de belanghebbende, en die van zijn ouders, indien deze bekend zijn; de plaats en, zo mogelijk, het tijdstip van zijn geboorte en de redenen die beletten de akte van geboorte over te leggen. De getuigen tekenen met de vrederechter de akte van bekendheid en, indien er getuigen zijn die niet in staat zijn te tekenen of niet kunnen tekenen, wordt dit vermeld.
§ 3. De akte van bekendheid wordt vertoond aan de [2 familierechtbank]2 van het rechtsgebied. De rechtbank, na de procureur des Konings gehoord te hebben, verleent of weigert haar homologatie naargelang zij oordeelt dat de verklaringen van de getuigen en de redenen die het overleggen van de akte van geboorte beletten, al dan niet voldoende zijn.
§ 4. Indien de belanghebbende in de onmogelijkheid verkeert zich zodanige akte van bekendheid te verschaffen, kan die akte, met verlof van de rechtbank, op verzoekschrift verleend, het openbaar ministerie gehoord, vervangen worden door een beëdigde verklaring van de belanghebbende zelf.
[4 § 5. Een ieder die reeds een akte van bekendheid heeft verkregen of aan wie de rechtbank reeds toelating heeft verleend een beëdigde verklaring af te leggen, en die aantoont dat hij nog steeds in de onmogelijkheid verkeert de akte van geboorte over te leggen, kan deze vervangen door de akte van bekendheid of door de toelating, voor zover de juistheid van de gegevens die zij bevat, niet wordt weerlegd.
De gehomologeerde akte van bekendheid of de toelating tot afleggen van een beëdigde verklaring worden als bijlage in de DABS opgenomen.]4
Art. 5. <L 2000-03-01/49, art. 2, 007; En vigueur : 01-05-2000> § 1er. [3 En cas d'impossibilité de se procurer un acte de naissance dans le cadre des procédures d'obtention de la nationalité belge, l'intéressé peut produire afin de suppléer à l'acte de naissance :
1° si son acte de naissance a été dressé dans un pays pour lequel l'impossibilité ou les difficultés sérieuses d'obtenir l'acte d'état civil en question ont été admises :
a) soit un document équivalent délivré par les autorités diplomatiques ou consulaires de son pays de naissance;
b) soit en cas d'impossibilité ou de difficultés sérieuses à se procurer ce dernier document, un acte de notoriété délivré par le juge de paix de sa résidence principale;
2° si son acte de naissance n'a pas été dressé dans un pays pour lequel l'impossibilité ou les difficultés sérieuses d'obtenir l'acte d'état civil en question ont été admises, un acte de notoriété délivré par le juge de paix de sa résidence principale.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur proposition du ministre des Affaires étrangères, la liste des pays pour lesquels l'impossibilité ou les difficultés sérieuses, visées à l'alinéa 1er, 1°, sont admises.]3
§ 2. L'acte de notoriété contiendra la déclaration faite par deux témoins, de l'un ou de l'autre sexe, parents ou non parents, des prénoms, nom, profession et domicile de l'intéressé et de ceux de ses père et mère, s'ils sont connus; le lieu et, autant que possible, l'époque de sa naissance et les causes qui empêchent de produire l'acte de naissance. Les témoins signeront l'acte de notoriété avec le juge de paix et, s'il est des témoins qui ne puissent ou ne sachent signer, il en sera fait mention.
§ 3. L'acte de notoriété sera présenté au tribunal de [2 la famille]2 du ressort. Le tribunal, après avoir entendu le procureur du Roi, donnera ou refusera son homologation, selon qu'il trouvera suffisantes ou insuffisantes les déclarations des témoins, et les causes qui empêchent de produire l'acte de naissance.
§ 4. Si l'intéressé est dans l'impossibilité de se procurer cet acte de notoriété, il peut y être suppléé, avec l'autorisation du tribunal, donnée sur requête, le ministère public entendu, par une déclaration sous serment de l'intéressé lui-même.
[4 § 5. Toute personne qui a déjà obtenu un acte de notoriété ou qui a déjà été autorisée par le tribunal à faire une déclaration sous serment et qui établit qu'elle est toujours dans l'impossibilité de produire son acte de naissance, peut le suppléer par cet acte de notoriété ou cette autorisation, pour autant que l'exactitude des données qu'il contient ne soit pas réfutée.
L'acte de notoriété homologué ou l'autorisation de faire une déclaration sous serment sont enregistrées en tant qu'annexe dans la BAEC.]4
1° si son acte de naissance a été dressé dans un pays pour lequel l'impossibilité ou les difficultés sérieuses d'obtenir l'acte d'état civil en question ont été admises :
a) soit un document équivalent délivré par les autorités diplomatiques ou consulaires de son pays de naissance;
b) soit en cas d'impossibilité ou de difficultés sérieuses à se procurer ce dernier document, un acte de notoriété délivré par le juge de paix de sa résidence principale;
2° si son acte de naissance n'a pas été dressé dans un pays pour lequel l'impossibilité ou les difficultés sérieuses d'obtenir l'acte d'état civil en question ont été admises, un acte de notoriété délivré par le juge de paix de sa résidence principale.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur proposition du ministre des Affaires étrangères, la liste des pays pour lesquels l'impossibilité ou les difficultés sérieuses, visées à l'alinéa 1er, 1°, sont admises.]3
§ 2. L'acte de notoriété contiendra la déclaration faite par deux témoins, de l'un ou de l'autre sexe, parents ou non parents, des prénoms, nom, profession et domicile de l'intéressé et de ceux de ses père et mère, s'ils sont connus; le lieu et, autant que possible, l'époque de sa naissance et les causes qui empêchent de produire l'acte de naissance. Les témoins signeront l'acte de notoriété avec le juge de paix et, s'il est des témoins qui ne puissent ou ne sachent signer, il en sera fait mention.
§ 3. L'acte de notoriété sera présenté au tribunal de [2 la famille]2 du ressort. Le tribunal, après avoir entendu le procureur du Roi, donnera ou refusera son homologation, selon qu'il trouvera suffisantes ou insuffisantes les déclarations des témoins, et les causes qui empêchent de produire l'acte de naissance.
§ 4. Si l'intéressé est dans l'impossibilité de se procurer cet acte de notoriété, il peut y être suppléé, avec l'autorisation du tribunal, donnée sur requête, le ministère public entendu, par une déclaration sous serment de l'intéressé lui-même.
[4 § 5. Toute personne qui a déjà obtenu un acte de notoriété ou qui a déjà été autorisée par le tribunal à faire une déclaration sous serment et qui établit qu'elle est toujours dans l'impossibilité de produire son acte de naissance, peut le suppléer par cet acte de notoriété ou cette autorisation, pour autant que l'exactitude des données qu'il contient ne soit pas réfutée.
L'acte de notoriété homologué ou l'autorisation de faire une déclaration sous serment sont enregistrées en tant qu'annexe dans la BAEC.]4
Art. 6. Iedere rechtshandeling met betrekking tot de toekenning, de verkrijging, het behoud, het verlies of de herkrijging van de Belgische nationaliteit, kan worden verricht krachtens een bijzondere en authentieke volmacht.
Art. 6. Tout acte juridique ayant pour objet l'attribution, l'acquisition, la conservation, la perte ou le recouvrement de la nationalité belge peut être accompli en vertu d'une procuration spéciale et authentique.
Art. 7. Personen die onbekwaam zijn uit hoofde van hun geestestoestand, worden, voor het verrichten van rechtshandelingen inzake nationaliteit, vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger.
Personen aan wie een [1 ...]1 bewindvoerder is toegevoegd kunnen door deze worden vertegenwoordigd.
Personen aan wie een [1 ...]1 bewindvoerder is toegevoegd kunnen door deze worden vertegenwoordigd.
Art. 7. Les personnes qui sont incapables en raison d'une déficience mentale sont représentées, pour accomplir des actes juridiques en matière de nationalité, par leur représentant légal.
Les personnes pourvues d'un administrateur [1 ...]1 peuvent être représentées par ce dernier.
Les personnes pourvues d'un administrateur [1 ...]1 peuvent être représentées par ce dernier.
Art. 7bis. [1 § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit Wetboek inzake verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit, moet de vreemdeling zijn hoofdverblijfplaats in België hebben gevestigd op grond van een wettelijk verblijf, en dit zowel op het ogenblik van het indienen van zijn verzoek of verklaring als gedurende de onmiddellijk hieraan voorafgaande periode. Zowel het wettelijk verblijf als het hoofdverblijf dienen ononderbroken te zijn.
§ 2. Onder wettelijk verblijf wordt verstaan :
1° wat het ogenblik van de indiening van zijn verzoek of verklaring betreft : toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of om er zich te vestigen op basis van de vreemdelingenwet;
2° wat de voorafgaande periode betreft : toegelaten of gemachtigd zijn om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om er zich te vestigen overeenkomstig de vreemdelingenwet of de regularisatiewet.
[2 Voor de burgers van de Europese Unie en hun familieleden bedoeld in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de periode tussen de datum van de indiening van hun aanvraag en de datum waarop hun dat recht op verblijf is toegekend, gelijkgesteld aan een gemachtigd verblijf in de zin van paragraaf 2, 2°.
Voor de vluchtelingen erkend overeenkomstig het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 wordt de periode tussen de datum van de indiening van hun aanvraag tot internationale bescherming en de datum van de erkenning van het statuut van vluchteling door de bevoegde minister, gelijkgesteld aan een gemachtigd verblijf in de zin van paragraaf 2, 2°.]2
[3 Voor de echtgenoten van ambtenaren van de buitenlandse carrière of van de consulaire carrière, aangesteld in een diplomatieke zending of consulaire beroepspost en, mutatis mutandis, voor de echtgenoten van gemeenschaps- en gewestvertegenwoordigers in het buitenland, worden gelijkgesteld aan een wettelijk verblijf in de zin van het eerste lid, 2°, de periodes die, in het kader van de aanstellingen eigen aan de carrière van hun echtgenoot, in het buitenland worden doorgebracht onmiddellijk na of voor een periode die in hetzelfde verband op het Belgische grondgebied wordt doorgebracht. De Koning bepaalt, op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, welke documenten vereist zijn ter staving van het feit dat het verblijf van de aanvrager in het buitenland daadwerkelijk vereist was door de aanstellingen eigen aan de carrière van zijn echtgenoot.]3
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, welke documenten in aanmerking komen als bewijs van het in het eerste lid bedoelde verblijf.
§ 3. In de gevallen bepaald in dit Wetboek wordt het ononderbroken karakter van het verblijf bedoeld in § 2 niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van hoogstens zes maanden, voor zover deze afwezigheden in totaal de duur van een vijfde van de in dit Wetboek vereiste termijnen voor verkrijging van de nationaliteit niet overschrijden.]1
§ 2. Onder wettelijk verblijf wordt verstaan :
1° wat het ogenblik van de indiening van zijn verzoek of verklaring betreft : toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of om er zich te vestigen op basis van de vreemdelingenwet;
2° wat de voorafgaande periode betreft : toegelaten of gemachtigd zijn om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of om er zich te vestigen overeenkomstig de vreemdelingenwet of de regularisatiewet.
[2 Voor de burgers van de Europese Unie en hun familieleden bedoeld in artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de periode tussen de datum van de indiening van hun aanvraag en de datum waarop hun dat recht op verblijf is toegekend, gelijkgesteld aan een gemachtigd verblijf in de zin van paragraaf 2, 2°.
Voor de vluchtelingen erkend overeenkomstig het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 wordt de periode tussen de datum van de indiening van hun aanvraag tot internationale bescherming en de datum van de erkenning van het statuut van vluchteling door de bevoegde minister, gelijkgesteld aan een gemachtigd verblijf in de zin van paragraaf 2, 2°.]2
[3 Voor de echtgenoten van ambtenaren van de buitenlandse carrière of van de consulaire carrière, aangesteld in een diplomatieke zending of consulaire beroepspost en, mutatis mutandis, voor de echtgenoten van gemeenschaps- en gewestvertegenwoordigers in het buitenland, worden gelijkgesteld aan een wettelijk verblijf in de zin van het eerste lid, 2°, de periodes die, in het kader van de aanstellingen eigen aan de carrière van hun echtgenoot, in het buitenland worden doorgebracht onmiddellijk na of voor een periode die in hetzelfde verband op het Belgische grondgebied wordt doorgebracht. De Koning bepaalt, op voordracht van de minister van Buitenlandse Zaken, welke documenten vereist zijn ter staving van het feit dat het verblijf van de aanvrager in het buitenland daadwerkelijk vereist was door de aanstellingen eigen aan de carrière van zijn echtgenoot.]3
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, welke documenten in aanmerking komen als bewijs van het in het eerste lid bedoelde verblijf.
§ 3. In de gevallen bepaald in dit Wetboek wordt het ononderbroken karakter van het verblijf bedoeld in § 2 niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van hoogstens zes maanden, voor zover deze afwezigheden in totaal de duur van een vijfde van de in dit Wetboek vereiste termijnen voor verkrijging van de nationaliteit niet overschrijden.]1
Art. 7bis. [1 § 1er. Pour l'application des dispositions du présent Code en matière d'acquisition ou de recouvrement de la nationalité belge, l'étranger doit avoir fixé sa résidence principale en Belgique sur la base d'un séjour légal, et ce, aussi bien au moment de l'introduction de sa demande ou déclaration que durant la période la précédant immédiatement. Tant le séjour légal que la résidence principale doivent être ininterrompus.
§ 2. On entend par séjour légal :
1° en ce qui concerne le moment de l'introduction de la demande ou déclaration : avoir été admis ou autorisé au séjour illimité dans le Royaume ou à s'y établir en vertu de la loi sur les étrangers;
2° en ce qui concerne la période qui précède : avoir été admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume ou autorisé à s'y établir conformément à la loi sur les étrangers ou la loi de régularisation.
[2 Pour les citoyens de l'Union européenne et les membres de leur famille visés à l'article 40bis de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, la période entre la date d'introduction de leur demande et la date à laquelle ce droit de séjour leur est reconnu est assimilée à un séjour autorisé au sens du paragraphe 2, 2°.
Pour les réfugiés reconnus selon la Convention internationale relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, la période entre la date du dépôt de leur demande de protection internationale et la date de la reconnaissance du statut de réfugié par le ministre compétent est assimilée à un séjour autorisé au sens du paragraphe 2, 2°.]2
[3 Pour les époux des agents de la carrière extérieure et de la carrière consulaire affectés dans une mission diplomatique ou dans un poste consulaire de carrière et par analogie pour les époux des représentants des Communautés et Régions à l'étranger, sont assimilées au séjour légal au sens de l'alinéa 1er, 2°, les périodes passées à l'étranger, dans le cadre des affectations spécifiques à la carrière de leur époux, suivant ou précédant immédiatement les périodes passées sur le territoire belge dans ce même cadre. Le Roi détermine, sur proposition du ministre des Affaires étrangères, les documents établissant que le séjour à l'étranger du demandeur est effectivement imposé par les affectations spécifiques à la carrière de son époux.]3
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les documents qui seront pris en considération en tant que preuve du séjour visé à l'alinéa 1er.
§ 3. Dans les cas prévus par le présent Code, le caractère ininterrompu du séjour défini au § 2 n'est pas affecté par des absences temporaires de six mois maximum et ce, pour autant que ces absences ne dépassent pas au total une durée d'un cinquième des délais requis par le présent Code dans le cadre de l'acquisition de la nationalité.]1
§ 2. On entend par séjour légal :
1° en ce qui concerne le moment de l'introduction de la demande ou déclaration : avoir été admis ou autorisé au séjour illimité dans le Royaume ou à s'y établir en vertu de la loi sur les étrangers;
2° en ce qui concerne la période qui précède : avoir été admis ou autorisé à séjourner plus de trois mois dans le Royaume ou autorisé à s'y établir conformément à la loi sur les étrangers ou la loi de régularisation.
[2 Pour les citoyens de l'Union européenne et les membres de leur famille visés à l'article 40bis de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, la période entre la date d'introduction de leur demande et la date à laquelle ce droit de séjour leur est reconnu est assimilée à un séjour autorisé au sens du paragraphe 2, 2°.
Pour les réfugiés reconnus selon la Convention internationale relative au statut des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951, la période entre la date du dépôt de leur demande de protection internationale et la date de la reconnaissance du statut de réfugié par le ministre compétent est assimilée à un séjour autorisé au sens du paragraphe 2, 2°.]2
[3 Pour les époux des agents de la carrière extérieure et de la carrière consulaire affectés dans une mission diplomatique ou dans un poste consulaire de carrière et par analogie pour les époux des représentants des Communautés et Régions à l'étranger, sont assimilées au séjour légal au sens de l'alinéa 1er, 2°, les périodes passées à l'étranger, dans le cadre des affectations spécifiques à la carrière de leur époux, suivant ou précédant immédiatement les périodes passées sur le territoire belge dans ce même cadre. Le Roi détermine, sur proposition du ministre des Affaires étrangères, les documents établissant que le séjour à l'étranger du demandeur est effectivement imposé par les affectations spécifiques à la carrière de son époux.]3
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les documents qui seront pris en considération en tant que preuve du séjour visé à l'alinéa 1er.
§ 3. Dans les cas prévus par le présent Code, le caractère ininterrompu du séjour défini au § 2 n'est pas affecté par des absences temporaires de six mois maximum et ce, pour autant que ces absences ne dépassent pas au total une durée d'un cinquième des délais requis par le présent Code dans le cadre de l'acquisition de la nationalité.]1
Art. 7ter. [1 In het geval dat de afstamming van een Belgische ouder niet langer vaststaat, vindt de intrekking van rechtswege van de Belgische nationaliteit van het kind niet plaats indien in het vonnis waarbij de vernietiging van de afstamming wordt uitgesproken, is beslist om de Belgische nationaliteit te behouden overeenkomstig artikel 334quater van het oud Burgerlijk Wetboek.
In het geval van intrekking van de Belgische nationaliteit, betekent de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand die intrekking onverwijld per aangetekende zending aan de betrokkene of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Tenzij een rechter zich reeds heeft uitgesproken over het behoud van de Belgische nationaliteit overeenkomstig artikel 334quater van het oud Burgerlijk Wetboek, vermeldt de betekening dat tegen een dergelijke intrekking beroep kan worden aangetekend bij de familierechtbank binnen vijftien dagen na deze betekening.]1
In het geval van intrekking van de Belgische nationaliteit, betekent de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand die intrekking onverwijld per aangetekende zending aan de betrokkene of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Tenzij een rechter zich reeds heeft uitgesproken over het behoud van de Belgische nationaliteit overeenkomstig artikel 334quater van het oud Burgerlijk Wetboek, vermeldt de betekening dat tegen een dergelijke intrekking beroep kan worden aangetekend bij de familierechtbank binnen vijftien dagen na deze betekening.]1
Art. 7ter. [1 Dans les cas où la filiation cesse d'être établie à l'égard d'un auteur belge, le retrait de plein droit de la nationalité belge de l'enfant n'intervient pas si le jugement prononçant l'anéantissement de la filiation a décidé du maintien de la nationalité belge, conformément à l'article 334quater de l'ancien Code civil.
En cas de retrait de la nationalité belge, l'officier de l'état civil compétent notifie immédiatement ce retrait à l'intéressé ou à son représentant légal par envoi recommandé.
A moins qu'un juge ne se soit déjà prononcé sur le maintien de la nationalité belge conformément à l'article 334quater de l'ancien Code civil, la notification mentionne que ce retrait peut faire l'objet d'un recours devant le tribunal de la famille dans les quinze jours de cette notification.]1
En cas de retrait de la nationalité belge, l'officier de l'état civil compétent notifie immédiatement ce retrait à l'intéressé ou à son représentant légal par envoi recommandé.
A moins qu'un juge ne se soit déjà prononcé sur le maintien de la nationalité belge conformément à l'article 334quater de l'ancien Code civil, la notification mentionne que ce retrait peut faire l'objet d'un recours devant le tribunal de la famille dans les quinze jours de cette notification.]1
HOOFDSTUK II. - TOEKENNING VAN DE BELGISCHE NATIONALITEIT.
CHAPITRE II. _ ATTRIBUTION DE LA NATIONALITE BELGE.
Afdeling 1. - Toekenning van de Belgische nationaliteit op grond van de nationaliteit van de vader of van de moeder.
Section 1. - Attribution de la nationalité belge en raison de la nationalité du père ou de la mère.
Art. 8. § 1. Belg zijn :
1° het kind geboren in België uit een Belgische ouder;
2° het kind geboren in het buitenland :
a) uit een Belgische ouder geboren in België of in gebieden onder Belgische soevereiniteit of onder Belgisch bestuur;
b) uit een Belgische ouder die, binnen een termijn van vijf jaar na de geboorte, een verklaring heeft afgelegd waarin hij verzoekt om toekenning van de Belgische nationaliteit aan zijn kind;
c) uit een Belgische ouder, op voorwaarde dat het kind geen andere nationaliteit bezit of behoudt tot de leeftijd van achttien jaar of zijn ontvoogding voor die leeftijd.
[1 De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b, wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een akte van nationaliteit opgesteld, overeenkomstig artikel 22, § 4.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]1
Diegene aan wie de Belgische nationaliteit krachtens het eerste lid, 2°, c, is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat hij een vreemde nationaliteit bezit.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 dient de ouder de Belgische nationaliteit te bezitten op de geboortedag van het kind of, indien hij overleden is voor deze geboorte, op de dag van zijn overlijden.
§ 3. De afstamming vastgesteld ten aanzien van een Belgische ouder na de datum van het vonnis of het arrest dat de adoptie homologeert of uitspreekt, verleent de Belgische nationaliteit maar aan het kind, indien die afstamming wordt vastgesteld ten aanzien van de adoptant of diens echtgenoot.
§ 4. De persoon aan wie de Belgische nationaliteit van zijn ouder is toegekend, behoudt die nationaliteit wanneer zijn afstamming niet langer vaststaat nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd. Indien zijn afstamming niet langer blijkt vast te staan voor de leeftijd van achttien jaar of de ontvoogding voor die leeftijd, kunnen de handelingen die zijn aangegaan toen de afstamming nog vaststond en voor de geldigheid waarvan de staat van Belg vereist was, niet worden betwist enkel en alleen omdat de belanghebbende die nationaliteit niet bezat. Hetzelfde geldt voor de rechten welke zijn verkregen voor die datum.
(NOTA : bij arrest nr. 77/2024 van 04-07-2024 (2024-07-04/08, B.St. 24-07-2024, p. 88089), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 8, § 4, vernietigt, zoals het van toepassing was tot de inwerkingtreding van de artikelen 165 en 166 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis », in zoverre het niet voorziet in een mogelijkheid voor een niet-ontvoogde minderjarige die van rechtswege de Belgische nationaliteit heeft verloren omdat de afstamming op grond waarvan die nationaliteit werd toegekend niet langer vaststaat, om een rechterlijke instantie te verzoeken dat verlies met terugwerkende kracht ongedaan te maken, wanneer de concrete gevolgen ervan buitensporig zijn.)
1° het kind geboren in België uit een Belgische ouder;
2° het kind geboren in het buitenland :
a) uit een Belgische ouder geboren in België of in gebieden onder Belgische soevereiniteit of onder Belgisch bestuur;
b) uit een Belgische ouder die, binnen een termijn van vijf jaar na de geboorte, een verklaring heeft afgelegd waarin hij verzoekt om toekenning van de Belgische nationaliteit aan zijn kind;
c) uit een Belgische ouder, op voorwaarde dat het kind geen andere nationaliteit bezit of behoudt tot de leeftijd van achttien jaar of zijn ontvoogding voor die leeftijd.
[1 De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b, wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een akte van nationaliteit opgesteld, overeenkomstig artikel 22, § 4.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]1
Diegene aan wie de Belgische nationaliteit krachtens het eerste lid, 2°, c, is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat hij een vreemde nationaliteit bezit.
§ 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 dient de ouder de Belgische nationaliteit te bezitten op de geboortedag van het kind of, indien hij overleden is voor deze geboorte, op de dag van zijn overlijden.
§ 3. De afstamming vastgesteld ten aanzien van een Belgische ouder na de datum van het vonnis of het arrest dat de adoptie homologeert of uitspreekt, verleent de Belgische nationaliteit maar aan het kind, indien die afstamming wordt vastgesteld ten aanzien van de adoptant of diens echtgenoot.
§ 4. De persoon aan wie de Belgische nationaliteit van zijn ouder is toegekend, behoudt die nationaliteit wanneer zijn afstamming niet langer vaststaat nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd. Indien zijn afstamming niet langer blijkt vast te staan voor de leeftijd van achttien jaar of de ontvoogding voor die leeftijd, kunnen de handelingen die zijn aangegaan toen de afstamming nog vaststond en voor de geldigheid waarvan de staat van Belg vereist was, niet worden betwist enkel en alleen omdat de belanghebbende die nationaliteit niet bezat. Hetzelfde geldt voor de rechten welke zijn verkregen voor die datum.
(NOTA : bij arrest nr. 77/2024 van 04-07-2024 (2024-07-04/08, B.St. 24-07-2024, p. 88089), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 8, § 4, vernietigt, zoals het van toepassing was tot de inwerkingtreding van de artikelen 165 en 166 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis », in zoverre het niet voorziet in een mogelijkheid voor een niet-ontvoogde minderjarige die van rechtswege de Belgische nationaliteit heeft verloren omdat de afstamming op grond waarvan die nationaliteit werd toegekend niet langer vaststaat, om een rechterlijke instantie te verzoeken dat verlies met terugwerkende kracht ongedaan te maken, wanneer de concrete gevolgen ervan buitensporig zijn.)
Art. 8. § 1er. Sont Belges:
1° l'enfant né en Belgique d'un auteur belge;
2° l'enfant né à l'étranger:
a) d'un auteur belge né en Belgique ou dans des territoires soumis à la souveraineté belge ou confiés à l'administration de la Belgique;
b) d'un auteur belge ayant fait dans un délai de cinq ans à dater de la naissance une déclaration réclamant, pour son enfant, l'attribution de la nationalité belge;
c) d'un auteur belge, à condition que l'enfant ne possède pas, ou ne conserve pas jusqu'à l'âge de dix-huit ans ou son émancipation avant cet âge, une autre nationalité.
[1 La déclaration visée à l'alinéa 1er, 2°, b, est faite, et, sur la base de celle-ci, un acte de nationalité est établi conformément à l'article 22, § 4.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]1
Celui à qui la nationalité belge a été attribuée en vertu du premier alinéa, 2°, c, conserve cette nationalité tant qu'il n'a pas été établi, avant qu'il n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou n'ait été émancipé avant cet âge, qu'il possède une nationalité étrangère.
§ 2. Pour l'application du paragraphe 1er, l'auteur doit avoir la nationalité belge au jour de la naissance de l'enfant ou, s'il est mort avant cette naissance, au jour de son décès.
§ 3. La filiation établie à l'égard d'un auteur belge après la date du jugement ou de l'arrêt homologuant ou prononçant l'adoption n'attribue la nationalité belge à l'enfant que si cette filiation est établie à l'égard de l'adoptant ou du conjoint de celui-ci.
§ 4. La personne à laquelle a été attribuée la nationalité belge de son auteur conserve cette nationalité si la filiation cesse d'être établie après qu'elle a atteint l'âge de dix-huit ans ou été émancipée avant cet âge. Si la filiation cesse d'être établie avant l'âge de dix-huit ans ou l'émancipation antérieure à cet âge, les actes passés avant que la filiation cesse d'être établie et dont la validité est subordonnée à la possession de la nationalité belge ne peuvent être contestés pour le seul motif que l'intéressé n'avait pas cette nationalité. Il en est de même des droits acquis avant la même date.
(NOTE : par son arrêt n° 77/2024 du 04-07-2024 (2024-07-04/08, M.B. 24-07-2024, p. 88089), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 8,§4, tel qu'il était applicable jusqu'à l'entrée en vigueur des articles 165 et 166 de la loi du 28 mars 2024 « portant dispositions en matière de digitalisation de la justice et dispositions diverses Ibis », en ce qu'il ne prévoit pas la possibilité, pour un mineur non émancipé qui a perdu de plein droit la nationalité belge parce que la filiation sur la base de laquelle cette nationalité a été attribuée a cessé d'être établie, de demander à une juridiction d'annuler rétroactivement cette perte lorsque les conséquences concrètes sont disproportionnées.)
1° l'enfant né en Belgique d'un auteur belge;
2° l'enfant né à l'étranger:
a) d'un auteur belge né en Belgique ou dans des territoires soumis à la souveraineté belge ou confiés à l'administration de la Belgique;
b) d'un auteur belge ayant fait dans un délai de cinq ans à dater de la naissance une déclaration réclamant, pour son enfant, l'attribution de la nationalité belge;
c) d'un auteur belge, à condition que l'enfant ne possède pas, ou ne conserve pas jusqu'à l'âge de dix-huit ans ou son émancipation avant cet âge, une autre nationalité.
[1 La déclaration visée à l'alinéa 1er, 2°, b, est faite, et, sur la base de celle-ci, un acte de nationalité est établi conformément à l'article 22, § 4.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]1
Celui à qui la nationalité belge a été attribuée en vertu du premier alinéa, 2°, c, conserve cette nationalité tant qu'il n'a pas été établi, avant qu'il n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou n'ait été émancipé avant cet âge, qu'il possède une nationalité étrangère.
§ 2. Pour l'application du paragraphe 1er, l'auteur doit avoir la nationalité belge au jour de la naissance de l'enfant ou, s'il est mort avant cette naissance, au jour de son décès.
§ 3. La filiation établie à l'égard d'un auteur belge après la date du jugement ou de l'arrêt homologuant ou prononçant l'adoption n'attribue la nationalité belge à l'enfant que si cette filiation est établie à l'égard de l'adoptant ou du conjoint de celui-ci.
§ 4. La personne à laquelle a été attribuée la nationalité belge de son auteur conserve cette nationalité si la filiation cesse d'être établie après qu'elle a atteint l'âge de dix-huit ans ou été émancipée avant cet âge. Si la filiation cesse d'être établie avant l'âge de dix-huit ans ou l'émancipation antérieure à cet âge, les actes passés avant que la filiation cesse d'être établie et dont la validité est subordonnée à la possession de la nationalité belge ne peuvent être contestés pour le seul motif que l'intéressé n'avait pas cette nationalité. Il en est de même des droits acquis avant la même date.
(NOTE : par son arrêt n° 77/2024 du 04-07-2024 (2024-07-04/08, M.B. 24-07-2024, p. 88089), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 8,§4, tel qu'il était applicable jusqu'à l'entrée en vigueur des articles 165 et 166 de la loi du 28 mars 2024 « portant dispositions en matière de digitalisation de la justice et dispositions diverses Ibis », en ce qu'il ne prévoit pas la possibilité, pour un mineur non émancipé qui a perdu de plein droit la nationalité belge parce que la filiation sur la base de laquelle cette nationalité a été attribuée a cessé d'être établie, de demander à une juridiction d'annuler rétroactivement cette perte lorsque les conséquences concrètes sont disproportionnées.)
Wijzigingen
Afdeling 2. - Toekenning van de Belgische nationaliteit op grond van adoptie.
Section 2. - Attribution de la nationalité belge en raison d'une adoption.
Art. 9. [2 § 1.]2 Belg wordt de dag dat de adoptie uitwerking heeft, indien het op die dag de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd is :
1° het kind geboren in België en geadopteerd door een Belg;
2° het kind geboren in het buitenland en geadopteerd :
a) door een Belg geboren in België of in gebieden onder Belgische soevereiniteit of onder Belgisch bestuur;
b) door een Belg die, binnen een termijn van vijf jaar na de dag dat de adoptie uitwerking heeft, een verklaring heeft afgelegd waarin hij verzoekt om toekenning van de Belgische nationaliteit aan zijn geadopteerd kind dat de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd is voor die leeftijd;
c) door een Belg, op voorwaarde dat het kind geen andere nationaliteit bezit.
[1 De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b, wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een akte van nationaliteit opgesteld, overeenkomstig artikel 22, § 4.]1
Het kind aan wie de Belgische nationaliteit krachtens het eerste lid, 2°, c, is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit.
[2 § 2. In geval van herziening van de adoptie, zoals bedoeld in artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek, of van herroeping van de adoptie, zoals bedoeld in de artikelen 354-1 tot 354-3 van het oud Burgerlijk Wetboek, behoudt de geadopteerde de Belgische nationaliteit.]2
1° het kind geboren in België en geadopteerd door een Belg;
2° het kind geboren in het buitenland en geadopteerd :
a) door een Belg geboren in België of in gebieden onder Belgische soevereiniteit of onder Belgisch bestuur;
b) door een Belg die, binnen een termijn van vijf jaar na de dag dat de adoptie uitwerking heeft, een verklaring heeft afgelegd waarin hij verzoekt om toekenning van de Belgische nationaliteit aan zijn geadopteerd kind dat de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd is voor die leeftijd;
c) door een Belg, op voorwaarde dat het kind geen andere nationaliteit bezit.
[1 De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b, wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een akte van nationaliteit opgesteld, overeenkomstig artikel 22, § 4.]1
Het kind aan wie de Belgische nationaliteit krachtens het eerste lid, 2°, c, is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit.
[2 § 2. In geval van herziening van de adoptie, zoals bedoeld in artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek, of van herroeping van de adoptie, zoals bedoeld in de artikelen 354-1 tot 354-3 van het oud Burgerlijk Wetboek, behoudt de geadopteerde de Belgische nationaliteit.]2
Art. 9. [2 § 1er.]2 Devient Belge à la date à laquelle l'adoption produit ses effets, s'il n'a pas à cette date atteint l'âge de dix-huit ans ou n'est pas émancipé:
1° l'enfant né en Belgique et adopté par un Belge;
2° l'enfant né à l'étranger et adopté:
a) par un Belge né en Belgique ou dans des territoires soumis à la souveraineté belge ou confiés à l'administration de la Belgique;
b) par un Belge ayant fait, dans un délai de cinq ans à partir de la date à laquelle l'adoption produit ses effets, une déclaration réclamant l'attribution de la nationalité belge pour son enfant adoptif qui n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans ou n'est pas émancipé avant cet âge;
c) par un Belge, à condition que l'enfant ne possède pas une autre nationalité.
[1 La déclaration visée à l'alinéa 1er, 2°, b, est faite, et, sur la base de celle-ci, un acte de nationalité est établi, conformément à l'article 22, § 4.]1
L'enfant auquel la nationalité belge a été attribuée en vertu du premier alinéa, 2°, c, conserve cette nationalité tant qu'il n'a pas été établi, avant qu'il n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou n'ait été émancipé avant cet âge, qu'il possède une nationalité étrangère.
[2 § 2. En cas de révision de l'adoption, telle que prévue à l'article 351 de l'ancien Code civil, ou de révocation de l'adoption, telle que prévue aux articles 354-1 à 354-3 de l'ancien Code civil, l'adopté conserve la nationalité belge.]2
1° l'enfant né en Belgique et adopté par un Belge;
2° l'enfant né à l'étranger et adopté:
a) par un Belge né en Belgique ou dans des territoires soumis à la souveraineté belge ou confiés à l'administration de la Belgique;
b) par un Belge ayant fait, dans un délai de cinq ans à partir de la date à laquelle l'adoption produit ses effets, une déclaration réclamant l'attribution de la nationalité belge pour son enfant adoptif qui n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans ou n'est pas émancipé avant cet âge;
c) par un Belge, à condition que l'enfant ne possède pas une autre nationalité.
[1 La déclaration visée à l'alinéa 1er, 2°, b, est faite, et, sur la base de celle-ci, un acte de nationalité est établi, conformément à l'article 22, § 4.]1
L'enfant auquel la nationalité belge a été attribuée en vertu du premier alinéa, 2°, c, conserve cette nationalité tant qu'il n'a pas été établi, avant qu'il n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou n'ait été émancipé avant cet âge, qu'il possède une nationalité étrangère.
[2 § 2. En cas de révision de l'adoption, telle que prévue à l'article 351 de l'ancien Code civil, ou de révocation de l'adoption, telle que prévue aux articles 354-1 à 354-3 de l'ancien Code civil, l'adopté conserve la nationalité belge.]2
Afdeling 3. - Toekenning van de Belgische nationaliteit op grond van de geboorte in België [1 of als gezamenlijk gevolg van een akte van verkrijging]1.
Section 3. - Attribution de la nationalité belge en raison de la naissance en Belgique [1 ou par effet collectif d'un acte d'acquisition]1.
Art. 10. [1 § 1.]1 Belg is het kind geboren in België en dat, op gelijk welk ogenblik voor de leeftijd van achttien jaar of voor de ontvoogding voor die leeftijd, [2 geen andere nationaliteit bezit]2.
(Het eerste lid zal evenwel niet van toepassing zijn indien het kind een andere nationaliteit kan verkrijgen, mits zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) administratieve handelingen verrichten bij de diplomatieke of consulaire overheden van het land van de ouders of van één van hen.) <W 2006-12-27/32, art. 380, 009; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
[1 De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt alle nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind geboren is. In geval van twijfel over het ontbreken van nationaliteit van het kind, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings. In dat geval zendt hij hem een afschrift van het dossier. Het advies wordt op korte termijn verstrekt door de procureur des Konings.]1
[1 § 2.]1 Het in België gevonden pasgeboren kind wordt, behoudens tegenbewijs, verondersteld in België te zijn geboren.
[1 § 3.]1 Het kind aan wie de Belgische nationaliteit krachtens dit artikel is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit.
(Het eerste lid zal evenwel niet van toepassing zijn indien het kind een andere nationaliteit kan verkrijgen, mits zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) administratieve handelingen verrichten bij de diplomatieke of consulaire overheden van het land van de ouders of van één van hen.) <W 2006-12-27/32, art. 380, 009; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
[1 De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt alle nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind geboren is. In geval van twijfel over het ontbreken van nationaliteit van het kind, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings. In dat geval zendt hij hem een afschrift van het dossier. Het advies wordt op korte termijn verstrekt door de procureur des Konings.]1
[1 § 2.]1 Het in België gevonden pasgeboren kind wordt, behoudens tegenbewijs, verondersteld in België te zijn geboren.
[1 § 3.]1 Het kind aan wie de Belgische nationaliteit krachtens dit artikel is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit.
Art. 10. [1 § 1er.]1 Est Belge, l'enfant né en Belgique et qui, à un moment quelconque avant l'âge de dix-huit ans ou l'émancipation antérieure à cet âge [1 ne possède aucune autre nationalité]1.
[Toutefois, l'alinéa 1er ne s'appliquera pas si l'enfant peut obtenir une autre nationalité moyennant l'accomplissement par son ou ses représentants légaux d'une démarche administrative auprès des autorités diplomatiques ou consulaires du pays de ses auteurs ou de l'un de ceux-ci.] <L 2006-12-27/32, art. 380, 009; En vigueur : 28-12-2006>
[1 Le représentant légal de l'enfant transmet à l'officier de l'état civil du lieu de naissance de l'enfant toutes les pièces utiles dont il dispose. En cas de doute sur l'absence de nationalité de l'enfant, l'officier de l'état civil demande l'avis du procureur du Roi. Dans ce cas, il lui transmet une copie du dossier. L'avis est rendu à bref délai par le procureur du Roi.]1
[1 § 2.]1 L'enfant nouveau-né trouvé en Belgique est présumé, jusqu'à preuve du contraire, être né en Belgique.
[1 § 3.]1 L'enfant auquel la nationalité belge a été attribuée en vertu du présent article conserve cette nationalité tant qu'il n'a pas été établi, avant qu'il n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou n'ait été émancipé avant cet âge, qu'il possède une nationalité étrangère.
[Toutefois, l'alinéa 1er ne s'appliquera pas si l'enfant peut obtenir une autre nationalité moyennant l'accomplissement par son ou ses représentants légaux d'une démarche administrative auprès des autorités diplomatiques ou consulaires du pays de ses auteurs ou de l'un de ceux-ci.] <L 2006-12-27/32, art. 380, 009; En vigueur : 28-12-2006>
[1 Le représentant légal de l'enfant transmet à l'officier de l'état civil du lieu de naissance de l'enfant toutes les pièces utiles dont il dispose. En cas de doute sur l'absence de nationalité de l'enfant, l'officier de l'état civil demande l'avis du procureur du Roi. Dans ce cas, il lui transmet une copie du dossier. L'avis est rendu à bref délai par le procureur du Roi.]1
[1 § 2.]1 L'enfant nouveau-né trouvé en Belgique est présumé, jusqu'à preuve du contraire, être né en Belgique.
[1 § 3.]1 L'enfant auquel la nationalité belge a été attribuée en vertu du présent article conserve cette nationalité tant qu'il n'a pas été établi, avant qu'il n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou n'ait été émancipé avant cet âge, qu'il possède une nationalité étrangère.
Wijzigingen
Art. 11. [1 [2 ...]2 Volgende kinderen zijn Belg op grond van geboorte in België :
1° het kind in België geboren, voor zover minstens één van de ouders :
a) zelf in België is geboren;
b) en gedurende vijf jaar in de loop van de tien jaren voorafgaand aan de geboorte van het kind zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad;
2° het kind in België geboren en geadopteerd door een vreemdeling, voor zover de adoptant :
a) zelf in België is geboren;
b) en gedurende vijf jaar in de loop van de tien jaren voorafgaand aan de dag waarop de adoptie uitwerking heeft, zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad.
Indien de afstamming ten aanzien van de ouder bedoeld in het eerste lid, 1°, pas wordt vastgesteld na de datum van het vonnis of arrest dat de adoptie homologeert of uitspreekt, dan wordt de Belgische nationaliteit slechts toegekend aan het kind indien de afstamming wordt vastgesteld ten aanzien van de adoptant of diens echtgenoot.
De persoon aan wie de Belgische nationaliteit is toegekend krachtens het eerste lid, 1°, behoudt die nationaliteit indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is op het ogenblik dat zijn afstamming niet langer vaststaat. Indien hij de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt noch ontvoogd is, dan kunnen de handelingen die verricht werden toen de afstamming nog vaststond en waarvoor de staat van Belg vereist was, niet betwist worden enkel en alleen omdat de belanghebbende die nationaliteit niet bezat. Dit is eveneens het geval voor de rechten die vóór deze datum verkregen zijn.
De Belgische nationaliteit toegekend krachtens het eerste lid, 2°, wordt toegekend vanaf de dag waarop de adoptie uitwerking heeft, tenzij het kind op die dag de leeftijd van achttien jaar bereikt heeft of ontvoogd is.
§ 2. [2 ...]2]1
1° het kind in België geboren, voor zover minstens één van de ouders :
a) zelf in België is geboren;
b) en gedurende vijf jaar in de loop van de tien jaren voorafgaand aan de geboorte van het kind zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad;
2° het kind in België geboren en geadopteerd door een vreemdeling, voor zover de adoptant :
a) zelf in België is geboren;
b) en gedurende vijf jaar in de loop van de tien jaren voorafgaand aan de dag waarop de adoptie uitwerking heeft, zijn hoofdverblijfplaats in België heeft gehad.
Indien de afstamming ten aanzien van de ouder bedoeld in het eerste lid, 1°, pas wordt vastgesteld na de datum van het vonnis of arrest dat de adoptie homologeert of uitspreekt, dan wordt de Belgische nationaliteit slechts toegekend aan het kind indien de afstamming wordt vastgesteld ten aanzien van de adoptant of diens echtgenoot.
De persoon aan wie de Belgische nationaliteit is toegekend krachtens het eerste lid, 1°, behoudt die nationaliteit indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is op het ogenblik dat zijn afstamming niet langer vaststaat. Indien hij de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt noch ontvoogd is, dan kunnen de handelingen die verricht werden toen de afstamming nog vaststond en waarvoor de staat van Belg vereist was, niet betwist worden enkel en alleen omdat de belanghebbende die nationaliteit niet bezat. Dit is eveneens het geval voor de rechten die vóór deze datum verkregen zijn.
De Belgische nationaliteit toegekend krachtens het eerste lid, 2°, wordt toegekend vanaf de dag waarop de adoptie uitwerking heeft, tenzij het kind op die dag de leeftijd van achttien jaar bereikt heeft of ontvoogd is.
§ 2. [2 ...]2]1
Art. 11. [1 [3 ...]3 Les enfants suivants sont Belges sur la base d'une naissance en Belgique :
1° l'enfant né en Belgique, pour autant qu'un de ses [2 auteurs]2 au moins :
a) soit né lui-même en Belgique;
b) et ait eu sa résidence principale en Belgique durant cinq ans au cours des dix années précédant la naissance de l'enfant;
2° l'enfant né en Belgique et adopté par un étranger, pour autant que l'adoptant :
a) soit né lui-même en Belgique;
b) et ait eu sa résidence principale en Belgique durant cinq ans au cours des dix années précédant la date à laquelle l'adoption produit ses effets.
Si la filiation à l'égard [2 d'un auteur]2 visé à l'alinéa 1er, 1°, n'est établie qu'après la date du jugement ou de l'arrêt homologuant ou prononçant l'adoption, la nationalité belge n'est accordée à l'enfant que si la filiation est établie à l'égard de l'adoptant ou du conjoint de celui-ci.
La personne à laquelle la nationalité belge a été accordée en vertu de l'alinéa 1er, 1°, conserve cette nationalité si elle a atteint l'âge de dix-huit ans ou qu'elle est émancipée au moment où sa filiation n'est plus établie. Si elle n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans et qu'elle n'est pas émancipée, les actes passés lorsque la filiation était encore établie et pour lesquels l'état de Belge est requis ne peuvent être contestés pour le seul motif que l'intéressé n'avait pas cette nationalité. Il en est de même des droits acquis avant cette date.
La nationalité belge accordée en vertu de l'alinéa 1er, 2°, est accordée à partir du jour où l'adoption produit ses effets, à moins qu'à cette date, l'enfant n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou soit émancipé.
§ 2. [3 ...]3]1
1° l'enfant né en Belgique, pour autant qu'un de ses [2 auteurs]2 au moins :
a) soit né lui-même en Belgique;
b) et ait eu sa résidence principale en Belgique durant cinq ans au cours des dix années précédant la naissance de l'enfant;
2° l'enfant né en Belgique et adopté par un étranger, pour autant que l'adoptant :
a) soit né lui-même en Belgique;
b) et ait eu sa résidence principale en Belgique durant cinq ans au cours des dix années précédant la date à laquelle l'adoption produit ses effets.
Si la filiation à l'égard [2 d'un auteur]2 visé à l'alinéa 1er, 1°, n'est établie qu'après la date du jugement ou de l'arrêt homologuant ou prononçant l'adoption, la nationalité belge n'est accordée à l'enfant que si la filiation est établie à l'égard de l'adoptant ou du conjoint de celui-ci.
La personne à laquelle la nationalité belge a été accordée en vertu de l'alinéa 1er, 1°, conserve cette nationalité si elle a atteint l'âge de dix-huit ans ou qu'elle est émancipée au moment où sa filiation n'est plus établie. Si elle n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans et qu'elle n'est pas émancipée, les actes passés lorsque la filiation était encore établie et pour lesquels l'état de Belge est requis ne peuvent être contestés pour le seul motif que l'intéressé n'avait pas cette nationalité. Il en est de même des droits acquis avant cette date.
La nationalité belge accordée en vertu de l'alinéa 1er, 2°, est accordée à partir du jour où l'adoption produit ses effets, à moins qu'à cette date, l'enfant n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou soit émancipé.
§ 2. [3 ...]3]1
Art. 11bis. [1 § 1. Is Belg ingevolge een verklaring afgelegd door de ouders of adoptanten, het kind in België geboren en dat sinds zijn geboorte zijn hoofdverblijfplaats in België heeft en dit voor zover de ouders of de adoptanten :
a) een verklaring afleggen voor het kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt;
b) en gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad;
c) en minstens een van hen op het ogenblik van de verklaring toegelaten of gemachtigd is om voor onbeperkte duur in België te verblijven.
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde verklaring wordt door beide ouders gezamenlijk afgelegd wanneer de afstamming van het kind ten aanzien van beiden vaststaat. Bij adoptie door twee personen wordt deze verklaring door de twee adoptanten gezamenlijk afgelegd.
De verklaring van één ouder of adoptant volstaat indien de andere ouder of adoptant :
a) overleden is;
b) of in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven;
c) of afwezig is verklaard;
d) of zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt.
De verklaring door één ouder of adoptant volstaat eveneens indien :
a) de afstamming van het kind slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat;
b) of als het kind slechts door één persoon is geadopteerd, tenzij de adoptant de echtgenoot is van de ouder, in welk geval de verklaring door beide belanghebbenden wordt afgelegd.
§ 3. De verklaring wordt afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats van het kind.
Indien de schrijfwijze van de naam of voornaam van één van de betrokkenen niet identiek is in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister, strafregister of de voorgelegde documenten, wordt de aanvraag opgeschort totdat de schrijfwijze in alle registers en documenten gelijk is gemaakt.
Indien één van de betrokkenen geen naam of voornaam heeft, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de ouder of adoptant voor kosteloos een procedure in te stellen overeenkomstig [2 boek I, titel VIII/1, hoofdstuk 3 van het Burgerlijk Wetboek]2, in welk geval de aanvraag wordt opgeschort totdat het kind een naam en voornaam heeft bekomen.
§ 4. De ambtenaar van de burgerlijke stand onderzoekt de volledigheid van de verklaring binnen dertig werkdagen na de aflegging van de verklaring.
Indien een verklaring onvolledig is, biedt de ambtenaar de verklaarder of de verklaarders de gelegenheid om binnen twee maanden het verzuim te herstellen. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft in een formulier zoals vastgesteld door de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, aan welke stukken in de verklaring ontbreken.
Indien van de gelegenheid om het verzuim te herstellen geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de verklaring onontvankelijk verklaard.
Als de verklaring volledig en ontvankelijk is, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een ontvangstbewijs af, hetzij binnen vijfendertig werkdagen na de aflegging van de verklaring indien de verklaring meteen volledig werd bevonden, hetzij binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de verklaarder of de verklaarders werd verleend om het verzuim te herstellen.
Wordt de verklaring onvolledig beschouwd, dan wordt hiervan kennis gegeven bij aangetekende zending binnen vijfendertig werkdagen na de aflegging van de verklaring, dan wel binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de verklaarder of de verklaarders wordt verleend om het verzuim te herstellen.
Indien het ontvangstbewijs niet tijdig is betekend of indien niet tijdig is meegedeeld dat de verklaring onvolledig is, wordt de verklaring geacht volledig te zijn. Tegen de uitdrukkelijke onontvankelijk verklaring staat een beroep tot nietigverklaring open bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, overeenkomstig artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State.
De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op voordracht van de minister van Justitie, welke akten en stavingsstukken bij de aanvraag moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden, en dat het dossier als volledig wordt bevonden als bedoeld in het eerste lid.
De ambtenaar van de burgerlijke stand zendt een afschrift van het volledige dossier voor advies aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op de aflevering van het ontvangstbewijs. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.
Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het volledige dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift ervan aan de dienst Vreemdelingenzaken.
§ 5. De procureur des Konings kan, binnen vier maanden te rekenen van de datum van het in paragraaf 4 bedoelde ontvangstbewijs een negatief advies uitbrengen inzake de toekenning van de Belgische nationaliteit indien de verklaring een ander oogmerk heeft dan het belang van het kind om zich de Belgische nationaliteit te zien toekennen of als de grondvoorwaarden, die hij moet aanduiden, niet vervuld zijn.
Als bij miskenning van paragraaf 4, achtste lid, de verklaring bedoeld in paragraaf 2 laattijdig wordt overgezonden in de loop van de laatste maand van de termijn, wordt deze van ambtswege verlengd met een maand, te rekenen van de overzending van het dossier aan de procureur des Konings.
[2 Indien de procureur des Konings meent geen negatief advies te moeten uitbrengen, maakt hij een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Op basis van de verklaring wordt een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4.
Bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het tweede lid, en bij gebrek aan een negatief advies of overmaking van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht, wordt op basis van de verklaring ambtshalve een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4. Bij gebrek aan de overmaking bedoeld in paragraaf 4, achtste lid, wordt er echter geen akte van nationaliteit opgemaakt en brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de verklaarder of verklaarders daarvan onmiddellijk op de hoogte.
Van de opmaak van de akte van nationaliteit wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis gegeven aan de verklaarder of verklaarders.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]2
§ 6. Het negatief advies van de procureur des Konings moet met redenen zijn omkleed. Het wordt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en, bij een aangetekende zending, aan de verklaarder of de verklaarders betekend door toedoen van de procureur des Konings.
§ 7. [2 De verklaarder of de verklaarders kunnen bij een aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen hun dossier aan de familierechtbank over te zenden, binnen vijftien dagen na de ontvangst van het negatieve advies bedoeld in paragraaf 5 of van het niet opmaken van de akte van nationaliteit zoals bedoeld in paragraaf 5, vierde lid, laatste zin.
De familierechtbank doet, na de verklaarder of de verklaarders te hebben gehoord of opgeroepen, bij een met reden omklede beslissing uitspraak over de gegrondheid van het niet opmaken van de akte van nationaliteit bedoeld in paragraaf 5, vierde lid, laatste zin, of het negatief advies bedoeld in paragraaf 5.
De beslissing wordt aan de verklaarder of de verklaarders en het parket ter kennis gebracht door toedoen van de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. De verklaarder of de verklaarders en de procureur des Konings kunnen, binnen vijftien dagen na de kennisgeving, bij een aan de familiekamer van het hof van beroep gericht verzoekschrift, hiertegen hoger beroep instellen. De verlenging van de termijnen wegens de gerechtelijke vakantie geschiedt overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
De familiekamer van het hof van beroep doet uitspraak na het advies van de procureur-generaal en na de verklaarder of de verklaarders te hebben gehoord of opgeroepen.
De kennisgevingen geschieden bij gerechtsbrief. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
De griffier stuurt onmiddellijk de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het negatieve advies ongegrond wordt verklaard, nodig voor de opmaak van de akte van nationaliteit via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze maakt de akte van nationaliteit op overeenkomstig artikel 22, § 4.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]2
§ 8. Bij ontstentenis van de in paragraaf 2 vereiste toestemming, kan de verklaring niettemin door de andere ouder of adoptant worden afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats van het kind. Deze onderzoekt de volledigheid van de verklaring overeenkomstig paragraaf 4, eerste tot zevende lid. De ambtenaar van de burgerlijke stand deelt de verklaring binnen uiterlijk vijf werkdagen na de afgifte van het ontvangstbewijs mee aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied. De procureur des Konings maakt hiervan onverwijld akte op. Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het volledige dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift ervan aan de dienst Vreemdelingenzaken.
Op advies van de procureur des Konings en na de ouders of de adoptanten te hebben gehoord of opgeroepen, doet de familierechtbank uitspraak over de inwilliging van de verklaring. Zij willigt de verklaring in indien zij de weigering tot toestemming een misbruik acht te zijn en indien de verklaring geen ander oogmerk heeft dan het belang van het kind om zich de Belgische nationaliteit te zien toekennen. De beslissing moet met redenen zijn omkleed.
Door toedoen van de procureur des Konings worden de ouders of de adoptanten in kennis gesteld van de beslissing. De ouders of de adoptanten en de procureur des Konings kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving hoger beroep instellen tegen de beslissing van de rechtbank, bij een aan de familiekamer van het hof van beroep gericht verzoekschrift. Het hof doet uitspraak na advies van de procureur-generaal en na de ouders of de adoptanten te hebben gehoord of opgeroepen.
De kennisgevingen geschieden bij gerechtsbrief. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
[2 Het beschikkende gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane onherroepelijke beslissing tot inwilliging vermeldt de volledige identiteit van het kind. De griffier stuurt onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van nationaliteit via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
Deze maakt de akte van nationaliteit onmiddellijk op, op basis van de verklaring, bedoeld in artikel 22, § 4.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]2]1
a) een verklaring afleggen voor het kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt;
b) en gedurende de tien jaren voorafgaand aan de verklaring hun hoofdverblijfplaats in België hebben gehad;
c) en minstens een van hen op het ogenblik van de verklaring toegelaten of gemachtigd is om voor onbeperkte duur in België te verblijven.
§ 2. De in de eerste paragraaf bedoelde verklaring wordt door beide ouders gezamenlijk afgelegd wanneer de afstamming van het kind ten aanzien van beiden vaststaat. Bij adoptie door twee personen wordt deze verklaring door de twee adoptanten gezamenlijk afgelegd.
De verklaring van één ouder of adoptant volstaat indien de andere ouder of adoptant :
a) overleden is;
b) of in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven;
c) of afwezig is verklaard;
d) of zijn hoofdverblijfplaats niet meer in België heeft, maar in de toekenning van de Belgische nationaliteit toestemt.
De verklaring door één ouder of adoptant volstaat eveneens indien :
a) de afstamming van het kind slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat;
b) of als het kind slechts door één persoon is geadopteerd, tenzij de adoptant de echtgenoot is van de ouder, in welk geval de verklaring door beide belanghebbenden wordt afgelegd.
§ 3. De verklaring wordt afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats van het kind.
Indien de schrijfwijze van de naam of voornaam van één van de betrokkenen niet identiek is in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister, strafregister of de voorgelegde documenten, wordt de aanvraag opgeschort totdat de schrijfwijze in alle registers en documenten gelijk is gemaakt.
Indien één van de betrokkenen geen naam of voornaam heeft, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de ouder of adoptant voor kosteloos een procedure in te stellen overeenkomstig [2 boek I, titel VIII/1, hoofdstuk 3 van het Burgerlijk Wetboek]2, in welk geval de aanvraag wordt opgeschort totdat het kind een naam en voornaam heeft bekomen.
§ 4. De ambtenaar van de burgerlijke stand onderzoekt de volledigheid van de verklaring binnen dertig werkdagen na de aflegging van de verklaring.
Indien een verklaring onvolledig is, biedt de ambtenaar de verklaarder of de verklaarders de gelegenheid om binnen twee maanden het verzuim te herstellen. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft in een formulier zoals vastgesteld door de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, aan welke stukken in de verklaring ontbreken.
Indien van de gelegenheid om het verzuim te herstellen geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de verklaring onontvankelijk verklaard.
Als de verklaring volledig en ontvankelijk is, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een ontvangstbewijs af, hetzij binnen vijfendertig werkdagen na de aflegging van de verklaring indien de verklaring meteen volledig werd bevonden, hetzij binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de verklaarder of de verklaarders werd verleend om het verzuim te herstellen.
Wordt de verklaring onvolledig beschouwd, dan wordt hiervan kennis gegeven bij aangetekende zending binnen vijfendertig werkdagen na de aflegging van de verklaring, dan wel binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de verklaarder of de verklaarders wordt verleend om het verzuim te herstellen.
Indien het ontvangstbewijs niet tijdig is betekend of indien niet tijdig is meegedeeld dat de verklaring onvolledig is, wordt de verklaring geacht volledig te zijn. Tegen de uitdrukkelijke onontvankelijk verklaring staat een beroep tot nietigverklaring open bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, overeenkomstig artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State.
De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op voordracht van de minister van Justitie, welke akten en stavingsstukken bij de aanvraag moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden, en dat het dossier als volledig wordt bevonden als bedoeld in het eerste lid.
De ambtenaar van de burgerlijke stand zendt een afschrift van het volledige dossier voor advies aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op de aflevering van het ontvangstbewijs. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.
Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het volledige dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift ervan aan de dienst Vreemdelingenzaken.
§ 5. De procureur des Konings kan, binnen vier maanden te rekenen van de datum van het in paragraaf 4 bedoelde ontvangstbewijs een negatief advies uitbrengen inzake de toekenning van de Belgische nationaliteit indien de verklaring een ander oogmerk heeft dan het belang van het kind om zich de Belgische nationaliteit te zien toekennen of als de grondvoorwaarden, die hij moet aanduiden, niet vervuld zijn.
Als bij miskenning van paragraaf 4, achtste lid, de verklaring bedoeld in paragraaf 2 laattijdig wordt overgezonden in de loop van de laatste maand van de termijn, wordt deze van ambtswege verlengd met een maand, te rekenen van de overzending van het dossier aan de procureur des Konings.
[2 Indien de procureur des Konings meent geen negatief advies te moeten uitbrengen, maakt hij een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Op basis van de verklaring wordt een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4.
Bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het tweede lid, en bij gebrek aan een negatief advies of overmaking van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht, wordt op basis van de verklaring ambtshalve een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4. Bij gebrek aan de overmaking bedoeld in paragraaf 4, achtste lid, wordt er echter geen akte van nationaliteit opgemaakt en brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de verklaarder of verklaarders daarvan onmiddellijk op de hoogte.
Van de opmaak van de akte van nationaliteit wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis gegeven aan de verklaarder of verklaarders.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]2
§ 6. Het negatief advies van de procureur des Konings moet met redenen zijn omkleed. Het wordt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en, bij een aangetekende zending, aan de verklaarder of de verklaarders betekend door toedoen van de procureur des Konings.
§ 7. [2 De verklaarder of de verklaarders kunnen bij een aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen hun dossier aan de familierechtbank over te zenden, binnen vijftien dagen na de ontvangst van het negatieve advies bedoeld in paragraaf 5 of van het niet opmaken van de akte van nationaliteit zoals bedoeld in paragraaf 5, vierde lid, laatste zin.
De familierechtbank doet, na de verklaarder of de verklaarders te hebben gehoord of opgeroepen, bij een met reden omklede beslissing uitspraak over de gegrondheid van het niet opmaken van de akte van nationaliteit bedoeld in paragraaf 5, vierde lid, laatste zin, of het negatief advies bedoeld in paragraaf 5.
De beslissing wordt aan de verklaarder of de verklaarders en het parket ter kennis gebracht door toedoen van de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. De verklaarder of de verklaarders en de procureur des Konings kunnen, binnen vijftien dagen na de kennisgeving, bij een aan de familiekamer van het hof van beroep gericht verzoekschrift, hiertegen hoger beroep instellen. De verlenging van de termijnen wegens de gerechtelijke vakantie geschiedt overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
De familiekamer van het hof van beroep doet uitspraak na het advies van de procureur-generaal en na de verklaarder of de verklaarders te hebben gehoord of opgeroepen.
De kennisgevingen geschieden bij gerechtsbrief. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
De griffier stuurt onmiddellijk de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het negatieve advies ongegrond wordt verklaard, nodig voor de opmaak van de akte van nationaliteit via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze maakt de akte van nationaliteit op overeenkomstig artikel 22, § 4.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]2
§ 8. Bij ontstentenis van de in paragraaf 2 vereiste toestemming, kan de verklaring niettemin door de andere ouder of adoptant worden afgelegd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats van het kind. Deze onderzoekt de volledigheid van de verklaring overeenkomstig paragraaf 4, eerste tot zevende lid. De ambtenaar van de burgerlijke stand deelt de verklaring binnen uiterlijk vijf werkdagen na de afgifte van het ontvangstbewijs mee aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied. De procureur des Konings maakt hiervan onverwijld akte op. Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het volledige dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift ervan aan de dienst Vreemdelingenzaken.
Op advies van de procureur des Konings en na de ouders of de adoptanten te hebben gehoord of opgeroepen, doet de familierechtbank uitspraak over de inwilliging van de verklaring. Zij willigt de verklaring in indien zij de weigering tot toestemming een misbruik acht te zijn en indien de verklaring geen ander oogmerk heeft dan het belang van het kind om zich de Belgische nationaliteit te zien toekennen. De beslissing moet met redenen zijn omkleed.
Door toedoen van de procureur des Konings worden de ouders of de adoptanten in kennis gesteld van de beslissing. De ouders of de adoptanten en de procureur des Konings kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving hoger beroep instellen tegen de beslissing van de rechtbank, bij een aan de familiekamer van het hof van beroep gericht verzoekschrift. Het hof doet uitspraak na advies van de procureur-generaal en na de ouders of de adoptanten te hebben gehoord of opgeroepen.
De kennisgevingen geschieden bij gerechtsbrief. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
[2 Het beschikkende gedeelte van de in kracht van gewijsde gegane onherroepelijke beslissing tot inwilliging vermeldt de volledige identiteit van het kind. De griffier stuurt onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van nationaliteit via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.
Deze maakt de akte van nationaliteit onmiddellijk op, op basis van de verklaring, bedoeld in artikel 22, § 4.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]2]1
Art. 11bis. [1 § 1er. Est Belge à la suite d'une déclaration faite par les auteurs ou par les adoptants, l'enfant né en Belgique et ayant, depuis sa naissance, sa résidence principale en Belgique et ce, pour autant que les auteurs ou les adoptants :
a) fassent une déclaration avant que l'enfant n'ait atteint l'âge de douze ans;
b) et aient eu leur résidence principale en Belgique pendant les dix années précédant la déclaration;
c) et qu'au moins l'un d'entre eux soit admis ou autorisé à séjourner de manière illimitée en Belgique au moment de la déclaration.
§ 2. Lorsque la filiation de l'enfant est établie à l'égard de ses deux auteurs, la déclaration visée au paragraphe 1er est faite conjointement par ceux-ci. Si l'enfant a été adopté par deux personnes, cette déclaration est faite conjointement par les deux adoptants.
La déclaration d'un auteur ou d'un adoptant suffit si l'autre parent ou adoptant :
a) est décédé;
b) ou est dans l'impossibilité d'exprimer sa volonté;
c) ou a été déclaré absent;
d) ou n'a plus sa résidence principale en Belgique, mais consent à l'attribution de la nationalité belge.
La déclaration faite par un auteur ou un adoptant suffit également si :
a) la filiation de l'enfant n'est établie qu'à l'égard d'un de ses auteurs;
b) ou si l'enfant n'a été adopté que par une seule personne, sauf si l'adoptant est le conjoint de l'auteur, auquel cas la déclaration est faite par les deux intéressés.
§ 3. La déclaration est faite devant l'officier de l'état civil de la résidence principale de l'enfant.
Si le nom ou le prénom d'un des intéressés n'est pas orthographié de la même façon dans le registre de la population, le registre des étrangers, le casier judiciaire ou les documents présentés, la demande est suspendue jusqu'à ce que l'orthographe ait été uniformisée dans tous les registres et documents.
Si un des intéressés n'a pas de nom ou de prénom, l'officier de l'état civil propose au parent ou à l'adoptant d'introduire gratuitement une procédure conformément [2 au livre Ier, titre VIII/1, chapitre 3 du Code civil]2, auquel cas la demande est suspendue jusqu'à ce que l'enfant ait un nom et un prénom.
§ 4. L'officier de l'état civil examine l'exhaustivité de la déclaration dans les trente jours ouvrables qui suivent le dépôt de celle-ci.
Lorsqu'une déclaration est incomplète, l'officier offre au déclarant ou aux déclarants la possibilité de réparer l'oubli dans un délai de deux mois. L'officier de l'état civil indique dans un formulaire établi par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, quelles sont les pièces qui font défaut dans la déclaration.
S'il n'est pas ou pas suffisamment fait usage de la possibilité de réparer l'oubli, la déclaration est déclarée irrecevable.
Si la déclaration est complète et recevable, l'officier de l'état civil délivre un récépissé, soit dans les trente-cinq jours ouvrables suivant le dépôt de la déclaration si la déclaration a immédiatement été jugée complète, soit dans les quinze jours ouvrables suivant l'expiration du délai accordé au déclarant ou aux déclarants pour réparer l'oubli.
Si la déclaration est jugée incomplète, il en est donné connaissance par envoi recommandé dans les trente-cinq jours ouvrables suivant le dépôt de la déclaration ou dans les quinze jours ouvrables suivant l'expiration du délai accordé au déclarant ou aux déclarants pour réparer l'oubli.
Si le récépissé ou le caractère incomplet de la déclaration n'a pas été notifié dans les délais, la déclaration est réputée complète. La déclaration expresse d'irrecevabilité est susceptible de recours en annulation devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat, conformément à l'article 14, § 1er, des lois coordonnées du 12 janvier 1973 sur le Conseil d'Etat.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, et sur la proposition du ministre de la Justice, les actes et justificatifs à joindre à la demande pour apporter la preuve que les conditions sont réunies et que le dossier a été jugé complet, comme le prévoit l'alinéa 1er.
L'officier de l'état civil transmet, pour avis, une copie de l'intégralité du dossier au procureur du Roi du tribunal de première instance du ressort, au plus tard dans les cinq jours ouvrables de la délivrance du récépissé. Le procureur du Roi en accuse réception sans délai.
En même temps qu'il communique au procureur du Roi copie du dossier complet, l'officier de l'état civil en transmet également copie à l'Office des étrangers.
§ 5. Dans un délai de quatre mois à compter de la date du récépissé visé au paragraphe 4, le procureur du Roi peut émettre un avis négatif sur l'attribution de la nationalité belge si la déclaration vise un autre but que l'intérêt de l'enfant à se voir attribuer la nationalité belge ou lorsque les conditions de base, qu'il doit indiquer, ne sont pas remplies.
Si, en violation du paragraphe 4, alinéa 8, la déclaration visée au paragraphe 2 est communiquée tardivement dans le courant du dernier mois du délai, celui-ci est d'office prolongé d'un mois à dater de la communication du dossier au procureur du Roi.
[2 Si le procureur du Roi estime ne pas devoir émettre d'avis négatif, il envoie à l'officier de l'état civil une attestation signifiant l'absence d'avis négatif. Sur la base de la déclaration, un acte de nationalité est établi conformément à l'article 22, § 4.
A l'expiration du délai de quatre mois, le cas échéant, prolongé conformément à l'alinéa 2, et, à défaut d'avis négatif ou de transmission d'une attestation signifiant l'absence d'avis négatif, un acte de nationalité est d'office établi, sur la base de la déclaration, conformément à l'article 22, § 4. Toutefois, à défaut de la transmission visée au paragraphe 4, alinéa 8, l'établissement de l'acte de nationalité n'a pas lieu et l'officier de l'état civil en informe immédiatement le déclarant ou les déclarants.
Notification de l'établissement de l'acte de nationalité est faite au déclarant ou aux déclarants par l'officier de l'état civil.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]2
§ 6. L'avis négatif du procureur du Roi doit être motivé. Il est notifié à l'officier de l'état civil et, par envoi recommandé, au déclarant ou aux déclarants par les soins du procureur du Roi.
§ 7. [2 Le déclarant ou les déclarants peuvent inviter l'officier de l'état civil, par lettre recommandée, à transmettre leur dossier au tribunal de la famille dans les quinze jours suivant la réception de l'avis négatif visé au paragraphe 5 ou du non-établissement de l'acte de nationalité visé au paragraphe 5, alinéa 4, dernière phrase.
Après avoir entendu ou appelé le ou les déclarants, le tribunal de la famille statue par voie de décision motivée sur le bien-fondé de l'absence d'établissement de l'acte de nationalité visée au paragraphe 5, alinéa 4, dernière phrase, ou sur l'avis négatif visé au paragraphe 5.
La décision est notifiée au déclarant ou aux déclarants et au parquet par le greffe du tribunal de première instance. Dans les quinze jours de la notification, le déclarant ou les déclarants et le procureur du Roi peuvent interjeter appel de la décision par requête adressée à la chambre de la famille de la cour d'appel. La prorogation des délais en raison des vacances judiciaires a lieu conformément à l'article 50, alinéa 2, du Code judiciaire.
La chambre de la famille de la cour d'appel statue, après avis du procureur général, et après avoir entendu ou appelé le déclarant ou les déclarants.
Les notifications sont effectuées par pli judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.
Le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil via la BAEC, les données de la décision passée en force de chose jugée par laquelle l'avis négatif est déclaré non fondé, nécessaires à l'établissement de l'acte de nationalité. Celui-ci établit l'acte de nationalité, conformément à l'article 22, § 4.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]2
§ 8. A défaut du consentement exigé au paragrahe 2, la déclaration peut néanmoins être souscrite par l'autre auteur ou adoptant, devant l'officier de l'état civil de la résidence principale de l'enfant. Celui-ci examine l'exhaustivité de la déclaration, comme le prévoient les alinéas 1er à 7 du paragrahe 4. L'officier de l'état civil communique au plus tard dans les cinq jours ouvrables de la délivrance du récépissé la déclaration au parquet du tribunal de première instance du ressort. Le procureur du Roi en dresse acte, sans délai. En même temps qu'il communique au procureur du Roi copie du dossier complet, l'officier de l'état civil en transmet également copie à l'Office des étrangers.
Sur avis du procureur du Roi et après avoir entendu ou appelé les auteurs ou les adoptants, le tribunal de la famille se prononce sur l'agrément de la déclaration. Il l'agrée s'il estime le refus de consentement abusif et si la déclaration ne vise pas d'autre but que l'intérêt de l'enfant à se voir attribuer la nationalité belge. La décision doit être motivée.
La décision est notifiée aux auteurs ou aux adoptants par les soins du procureur du Roi. Dans les quinze jours de la notification, les auteurs ou les adoptants et le procureur du Roi peuvent interjeter appel de la décision du tribunal, par requête adressée à la chambre de la famille de la cour d'appel. La cour statue, après avis du procureur général et après avoir entendu ou appelé les auteurs ou les adoptants.
Les notifications sont effectuées par pli judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.
[2 Le dispositif de la décision définitive d'agrément qui est passée en force de chose jugée mentionne l'identité complète de l'enfant. Le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil les données nécessaires à l'établissement de l'acte de nationalité via la BAEC.
Celui-ci établit immédiatement l'acte de nationalité sur la base de la déclaration visée à l'article 22, § 4.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]2]1
a) fassent une déclaration avant que l'enfant n'ait atteint l'âge de douze ans;
b) et aient eu leur résidence principale en Belgique pendant les dix années précédant la déclaration;
c) et qu'au moins l'un d'entre eux soit admis ou autorisé à séjourner de manière illimitée en Belgique au moment de la déclaration.
§ 2. Lorsque la filiation de l'enfant est établie à l'égard de ses deux auteurs, la déclaration visée au paragraphe 1er est faite conjointement par ceux-ci. Si l'enfant a été adopté par deux personnes, cette déclaration est faite conjointement par les deux adoptants.
La déclaration d'un auteur ou d'un adoptant suffit si l'autre parent ou adoptant :
a) est décédé;
b) ou est dans l'impossibilité d'exprimer sa volonté;
c) ou a été déclaré absent;
d) ou n'a plus sa résidence principale en Belgique, mais consent à l'attribution de la nationalité belge.
La déclaration faite par un auteur ou un adoptant suffit également si :
a) la filiation de l'enfant n'est établie qu'à l'égard d'un de ses auteurs;
b) ou si l'enfant n'a été adopté que par une seule personne, sauf si l'adoptant est le conjoint de l'auteur, auquel cas la déclaration est faite par les deux intéressés.
§ 3. La déclaration est faite devant l'officier de l'état civil de la résidence principale de l'enfant.
Si le nom ou le prénom d'un des intéressés n'est pas orthographié de la même façon dans le registre de la population, le registre des étrangers, le casier judiciaire ou les documents présentés, la demande est suspendue jusqu'à ce que l'orthographe ait été uniformisée dans tous les registres et documents.
Si un des intéressés n'a pas de nom ou de prénom, l'officier de l'état civil propose au parent ou à l'adoptant d'introduire gratuitement une procédure conformément [2 au livre Ier, titre VIII/1, chapitre 3 du Code civil]2, auquel cas la demande est suspendue jusqu'à ce que l'enfant ait un nom et un prénom.
§ 4. L'officier de l'état civil examine l'exhaustivité de la déclaration dans les trente jours ouvrables qui suivent le dépôt de celle-ci.
Lorsqu'une déclaration est incomplète, l'officier offre au déclarant ou aux déclarants la possibilité de réparer l'oubli dans un délai de deux mois. L'officier de l'état civil indique dans un formulaire établi par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, quelles sont les pièces qui font défaut dans la déclaration.
S'il n'est pas ou pas suffisamment fait usage de la possibilité de réparer l'oubli, la déclaration est déclarée irrecevable.
Si la déclaration est complète et recevable, l'officier de l'état civil délivre un récépissé, soit dans les trente-cinq jours ouvrables suivant le dépôt de la déclaration si la déclaration a immédiatement été jugée complète, soit dans les quinze jours ouvrables suivant l'expiration du délai accordé au déclarant ou aux déclarants pour réparer l'oubli.
Si la déclaration est jugée incomplète, il en est donné connaissance par envoi recommandé dans les trente-cinq jours ouvrables suivant le dépôt de la déclaration ou dans les quinze jours ouvrables suivant l'expiration du délai accordé au déclarant ou aux déclarants pour réparer l'oubli.
Si le récépissé ou le caractère incomplet de la déclaration n'a pas été notifié dans les délais, la déclaration est réputée complète. La déclaration expresse d'irrecevabilité est susceptible de recours en annulation devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat, conformément à l'article 14, § 1er, des lois coordonnées du 12 janvier 1973 sur le Conseil d'Etat.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, et sur la proposition du ministre de la Justice, les actes et justificatifs à joindre à la demande pour apporter la preuve que les conditions sont réunies et que le dossier a été jugé complet, comme le prévoit l'alinéa 1er.
L'officier de l'état civil transmet, pour avis, une copie de l'intégralité du dossier au procureur du Roi du tribunal de première instance du ressort, au plus tard dans les cinq jours ouvrables de la délivrance du récépissé. Le procureur du Roi en accuse réception sans délai.
En même temps qu'il communique au procureur du Roi copie du dossier complet, l'officier de l'état civil en transmet également copie à l'Office des étrangers.
§ 5. Dans un délai de quatre mois à compter de la date du récépissé visé au paragraphe 4, le procureur du Roi peut émettre un avis négatif sur l'attribution de la nationalité belge si la déclaration vise un autre but que l'intérêt de l'enfant à se voir attribuer la nationalité belge ou lorsque les conditions de base, qu'il doit indiquer, ne sont pas remplies.
Si, en violation du paragraphe 4, alinéa 8, la déclaration visée au paragraphe 2 est communiquée tardivement dans le courant du dernier mois du délai, celui-ci est d'office prolongé d'un mois à dater de la communication du dossier au procureur du Roi.
[2 Si le procureur du Roi estime ne pas devoir émettre d'avis négatif, il envoie à l'officier de l'état civil une attestation signifiant l'absence d'avis négatif. Sur la base de la déclaration, un acte de nationalité est établi conformément à l'article 22, § 4.
A l'expiration du délai de quatre mois, le cas échéant, prolongé conformément à l'alinéa 2, et, à défaut d'avis négatif ou de transmission d'une attestation signifiant l'absence d'avis négatif, un acte de nationalité est d'office établi, sur la base de la déclaration, conformément à l'article 22, § 4. Toutefois, à défaut de la transmission visée au paragraphe 4, alinéa 8, l'établissement de l'acte de nationalité n'a pas lieu et l'officier de l'état civil en informe immédiatement le déclarant ou les déclarants.
Notification de l'établissement de l'acte de nationalité est faite au déclarant ou aux déclarants par l'officier de l'état civil.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]2
§ 6. L'avis négatif du procureur du Roi doit être motivé. Il est notifié à l'officier de l'état civil et, par envoi recommandé, au déclarant ou aux déclarants par les soins du procureur du Roi.
§ 7. [2 Le déclarant ou les déclarants peuvent inviter l'officier de l'état civil, par lettre recommandée, à transmettre leur dossier au tribunal de la famille dans les quinze jours suivant la réception de l'avis négatif visé au paragraphe 5 ou du non-établissement de l'acte de nationalité visé au paragraphe 5, alinéa 4, dernière phrase.
Après avoir entendu ou appelé le ou les déclarants, le tribunal de la famille statue par voie de décision motivée sur le bien-fondé de l'absence d'établissement de l'acte de nationalité visée au paragraphe 5, alinéa 4, dernière phrase, ou sur l'avis négatif visé au paragraphe 5.
La décision est notifiée au déclarant ou aux déclarants et au parquet par le greffe du tribunal de première instance. Dans les quinze jours de la notification, le déclarant ou les déclarants et le procureur du Roi peuvent interjeter appel de la décision par requête adressée à la chambre de la famille de la cour d'appel. La prorogation des délais en raison des vacances judiciaires a lieu conformément à l'article 50, alinéa 2, du Code judiciaire.
La chambre de la famille de la cour d'appel statue, après avis du procureur général, et après avoir entendu ou appelé le déclarant ou les déclarants.
Les notifications sont effectuées par pli judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.
Le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil via la BAEC, les données de la décision passée en force de chose jugée par laquelle l'avis négatif est déclaré non fondé, nécessaires à l'établissement de l'acte de nationalité. Celui-ci établit l'acte de nationalité, conformément à l'article 22, § 4.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]2
§ 8. A défaut du consentement exigé au paragrahe 2, la déclaration peut néanmoins être souscrite par l'autre auteur ou adoptant, devant l'officier de l'état civil de la résidence principale de l'enfant. Celui-ci examine l'exhaustivité de la déclaration, comme le prévoient les alinéas 1er à 7 du paragrahe 4. L'officier de l'état civil communique au plus tard dans les cinq jours ouvrables de la délivrance du récépissé la déclaration au parquet du tribunal de première instance du ressort. Le procureur du Roi en dresse acte, sans délai. En même temps qu'il communique au procureur du Roi copie du dossier complet, l'officier de l'état civil en transmet également copie à l'Office des étrangers.
Sur avis du procureur du Roi et après avoir entendu ou appelé les auteurs ou les adoptants, le tribunal de la famille se prononce sur l'agrément de la déclaration. Il l'agrée s'il estime le refus de consentement abusif et si la déclaration ne vise pas d'autre but que l'intérêt de l'enfant à se voir attribuer la nationalité belge. La décision doit être motivée.
La décision est notifiée aux auteurs ou aux adoptants par les soins du procureur du Roi. Dans les quinze jours de la notification, les auteurs ou les adoptants et le procureur du Roi peuvent interjeter appel de la décision du tribunal, par requête adressée à la chambre de la famille de la cour d'appel. La cour statue, après avis du procureur général et après avoir entendu ou appelé les auteurs ou les adoptants.
Les notifications sont effectuées par pli judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.
[2 Le dispositif de la décision définitive d'agrément qui est passée en force de chose jugée mentionne l'identité complète de l'enfant. Le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil les données nécessaires à l'établissement de l'acte de nationalité via la BAEC.
Celui-ci établit immédiatement l'acte de nationalité sur la base de la déclaration visée à l'article 22, § 4.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]2]1
Afdeling 4.
Section 4.
Art. 12. [1 Aan een kind dat de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt of niet ontvoogd is vóór die leeftijd, wordt de Belgische nationaliteit toegekend in geval van vrijwillige verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit door een ouder of een adoptant die het gezag over het kind uitoefent, op voorwaarde dat dat kind zijn hoofdverblijfplaats in België heeft. ]1
Art. 12. [1 En cas d'acquisition volontaire ou de recouvrement de la nationalité belge par un auteur ou un adoptant qui exerce l'autorité sur la personne d'un enfant qui n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans ou n'est pas émancipé avant cet âge, la nationalité belge est attribuée à ce dernier et ce, pour autant que celui-ci ait sa résidence principale en Belgique.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - VERKRIJGING VAN DE BELGISCHE NATIONALITEIT.
CHAPITRE III. - ACQUISITION DE LA NATIONALITE BELGE.
Afdeling 1. - Verkrijging van de Belgische nationaliteit door nationaliteitsverklaring.)
Section 1. - Acquisition de la nationalité belge par déclaration de nationalité.
Art. 12bis. [1 § 1. Kunnen de Belgische nationaliteit verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig artikel 15 :
1° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en in België geboren is en er sedert zijn geboorte [3 zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd op grond van een wettelijk verblijf]3;
2° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en vijf jaar [3 zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf]3;
c) en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
d) en zijn maatschappelijke integratie bewijst door :
- hetzij een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of de Koninklijke Militaire School en dat minstens van het niveau is van het hoger secundair onderwijs;
- hetzij een beroepsopleiding van minimum 400 uur erkend door een bevoegde overheid te hebben gevolgd;
- hetzij [3 , naargelang het geval, het bewijs uitgereikt door de daartoe bevoegde overheid te leveren van het met succes gevolgd hebben van het inburgeringstraject, het onthaaltraject of het integratieparcours waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij dit aanvat]3;
- hetzij gedurende de voorbije vijf jaar onafgebroken als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en/of als zelfstandige in hoofdberoep te hebben gewerkt;
e) en zijn economische participatie bewijst door :
- hetzij als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst gedurende de voorbije vijf jaar minimaal 468 arbeidsdagen te hebben gewerkt;
- hetzij in het kader van een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep de voorbije vijf jaar gedurende minstens zes kwartalen de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen voor zelfstandigen in België te hebben betaald;
De duur van de opleiding gevolgd tijdens de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek bedoeld in 2°, d), eerste en/of tweede streepje, wordt in mindering gebracht van de duur van de vereiste beroepsactiviteit van minstens 468 dagen of van de duur van de zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep.
3° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en vijf jaar [3 zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf]3;
c) en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
d) en gehuwd is met een Belg, indien de echtgenoten gedurende ten minste drie jaar in België hebben samengeleefd, of [2 de ouder of adoptant is van een Belgisch kind dat de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt of niet ontvoogd is vóór die leeftijd]2;
e) en zijn maatschappelijke integratie bewijst door :
- hetzij een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of de Koninklijke Militaire School en dat minstens van het niveau is van het hoger secundair onderwijs;
- hetzij een beroepsopleiding van minimum 400 uur erkend door een bevoegde overheid te hebben gevolgd en in de voorbije vijf jaar als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst gewerkt te hebben gedurende ten minste 234 arbeidsdagen of in het kader van een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep gedurende minstens drie kwartalen de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen voor zelfstandigen in België te hebben betaald;
- hetzij [3 , naargelang het geval, het bewijs uitgereikt door de daartoe bevoegde overheid te leveren van het met succes gevolgd hebben van het inburgeringstraject, het onthaaltraject of het integratieparcours waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij dit aanvat]3;
4° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en vijf jaar [3 zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf]3;
c) en het bewijs levert omwille van een handicap of invaliditeit geen betrekking of economische activiteit te kunnen uitoefenen of de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
5° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en tien jaar [3 zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf]3;
c) en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
d) en het bewijs levert van zijn deelname aan het leven van zijn onthaalgemeenschap. Dit bewijs kan door alle rechtsmiddelen geleverd worden, en bevat elementen waaruit blijkt dat de aanvrager deelneemt aan het economische en/of socioculturele leven van die onthaalgemeenschap.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. De verklaring bevat voorafgaand aan de handtekening van de vreemdeling [4 de volgende vermelding, door de vreemdeling met de hand geschreven of, wanneer de persoon niet in staat is deze met de hand te schrijven, mondeling uitgesproken en opgetekend door de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand]4 : " Ik verklaar Belgisch staatsburger te willen worden en de Grondwet, de wetten van het Belgische volk en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te zullen naleven.]1
(NOTA : bij arrest nr. 96/2024 van 19-09-2024 (2024-09-19/01, B.St. 17-10-2024, p. 121929), heeft het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 122, 1°, van de wet van 28 maart 2024 " houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis ", en artikel 12bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, in zoverre die bepalingen niet voorzien in een uitzondering op het vereiste om over een minimale kennis van een van de landstalen te beschikken gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, ten aanzien van de vreemdelingen die analfabeet zijn en die, hoewel zij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikken, door een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten niet in staat zijn de met dat niveau overeenstemmende schriftelijke vaardigheden te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen.)
1° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en in België geboren is en er sedert zijn geboorte [3 zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd op grond van een wettelijk verblijf]3;
2° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en vijf jaar [3 zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf]3;
c) en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
d) en zijn maatschappelijke integratie bewijst door :
- hetzij een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of de Koninklijke Militaire School en dat minstens van het niveau is van het hoger secundair onderwijs;
- hetzij een beroepsopleiding van minimum 400 uur erkend door een bevoegde overheid te hebben gevolgd;
- hetzij [3 , naargelang het geval, het bewijs uitgereikt door de daartoe bevoegde overheid te leveren van het met succes gevolgd hebben van het inburgeringstraject, het onthaaltraject of het integratieparcours waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij dit aanvat]3;
- hetzij gedurende de voorbije vijf jaar onafgebroken als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst en/of als zelfstandige in hoofdberoep te hebben gewerkt;
e) en zijn economische participatie bewijst door :
- hetzij als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst gedurende de voorbije vijf jaar minimaal 468 arbeidsdagen te hebben gewerkt;
- hetzij in het kader van een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep de voorbije vijf jaar gedurende minstens zes kwartalen de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen voor zelfstandigen in België te hebben betaald;
De duur van de opleiding gevolgd tijdens de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek bedoeld in 2°, d), eerste en/of tweede streepje, wordt in mindering gebracht van de duur van de vereiste beroepsactiviteit van minstens 468 dagen of van de duur van de zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep.
3° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en vijf jaar [3 zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf]3;
c) en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
d) en gehuwd is met een Belg, indien de echtgenoten gedurende ten minste drie jaar in België hebben samengeleefd, of [2 de ouder of adoptant is van een Belgisch kind dat de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt of niet ontvoogd is vóór die leeftijd]2;
e) en zijn maatschappelijke integratie bewijst door :
- hetzij een diploma of getuigschrift van een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap of de Koninklijke Militaire School en dat minstens van het niveau is van het hoger secundair onderwijs;
- hetzij een beroepsopleiding van minimum 400 uur erkend door een bevoegde overheid te hebben gevolgd en in de voorbije vijf jaar als werknemer en/of als statutair benoemde in overheidsdienst gewerkt te hebben gedurende ten minste 234 arbeidsdagen of in het kader van een zelfstandige beroepsactiviteit in hoofdberoep gedurende minstens drie kwartalen de verschuldigde sociale kwartaalbijdragen voor zelfstandigen in België te hebben betaald;
- hetzij [3 , naargelang het geval, het bewijs uitgereikt door de daartoe bevoegde overheid te leveren van het met succes gevolgd hebben van het inburgeringstraject, het onthaaltraject of het integratieparcours waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats op het tijdstip dat hij dit aanvat]3;
4° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en vijf jaar [3 zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf]3;
c) en het bewijs levert omwille van een handicap of invaliditeit geen betrekking of economische activiteit te kunnen uitoefenen of de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
5° de vreemdeling die :
a) de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
b) en tien jaar [3 zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd in België op grond van een wettelijk verblijf]3;
c) en het bewijs levert van de kennis van één van de drie landstalen;
d) en het bewijs levert van zijn deelname aan het leven van zijn onthaalgemeenschap. Dit bewijs kan door alle rechtsmiddelen geleverd worden, en bevat elementen waaruit blijkt dat de aanvrager deelneemt aan het economische en/of socioculturele leven van die onthaalgemeenschap.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. De verklaring bevat voorafgaand aan de handtekening van de vreemdeling [4 de volgende vermelding, door de vreemdeling met de hand geschreven of, wanneer de persoon niet in staat is deze met de hand te schrijven, mondeling uitgesproken en opgetekend door de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand]4 : " Ik verklaar Belgisch staatsburger te willen worden en de Grondwet, de wetten van het Belgische volk en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te zullen naleven.]1
(NOTA : bij arrest nr. 96/2024 van 19-09-2024 (2024-09-19/01, B.St. 17-10-2024, p. 121929), heeft het Grondwettelijk Hof vernietigt artikel 1, § 2, 5°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 122, 1°, van de wet van 28 maart 2024 " houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis ", en artikel 12bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, in zoverre die bepalingen niet voorzien in een uitzondering op het vereiste om over een minimale kennis van een van de landstalen te beschikken gelijk aan niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, ten aanzien van de vreemdelingen die analfabeet zijn en die, hoewel zij over de vereiste mondelinge taalvaardigheid beschikken, door een gebrek aan taalkundige basiscompetenties en -inzichten niet in staat zijn de met dat niveau overeenstemmende schriftelijke vaardigheden te verwerven, ook niet door de daartoe ingerichte opleidingen te volgen.)
Art. 12bis. [1 § 1er. Peuvent acquérir la nationalité belge en faisant une déclaration conformément à l'article 15 :
1° l'étranger qui :
a) a atteint l'âge de dix-huit ans;
b) et est né en Belgique et [3 y a fixé sa résidence principale sur la base d'un séjour légal]3 depuis sa naissance;
2° l'étranger qui :
a) a atteint l'âge de dix-huit ans;
b) et [3 a fixé sa résidence principale en Belgique sur la base d'un séjour légal]3 depuis cinq ans;
c) et apporte la preuve de la connaissance d'une des trois langues nationales;
d) et prouve son intégration sociale :
- ou bien par un diplôme ou un certificat délivré par un établissement d'enseignement organisé, reconnu ou subventionné par une Communauté ou par l'Ecole royale militaire et qui est au moins du niveau de l'enseignement secondaire supérieur;
- ou bien en ayant suivi une formation professionnelle d'au moins 400 heures reconnue par une autorité compétente;
- ou bien en ayant [3 , selon le cas, fourni la preuve délivrée par l'autorité compétente, du suivi avec succès du trajet d'intégration, du parcours d'accueil ou du parcours d'intégration prévu par l'autorité compétente de sa résidence principale au moment où il entame celui-ci]3;
- ou bien en ayant travaillé de manière ininterrompue au cours des cinq dernières années comme travailleur salarié et/ou comme agent statutaire nommé dans la fonction publique et/ou comme travailleur indépendant à titre principal;
e) et prouve sa participation économique :
- soit en ayant travaillé pendant au moins 468 journées de travail au cours des cinq dernières années en tant que travailleur salarié et/ou agent statutaire dans la fonction publique;
- soit en ayant payé, en Belgique, dans le cadre d'une activité professionnelle indépendante exercée à titre principal, les cotisations sociales trimestrielles dues par les travailleurs indépendants pendant au moins six trimestres au cours des cinq dernières années;
La durée de la formation suivie dans les cinq ans qui ont précédé la demande visée au 2°, d), premier et/ ou deuxième tirets, est déduite de la durée de l'activité professionnelle requise de 468 jours minimum ou de la durée de l'activité professionnelle indépendante à titre principal.
3° l'étranger qui :
a) a atteint l'âge de dix-huit ans;
b) et [3 a fixé sa résidence principale en Belgique sur la base d'un séjour légal]3 depuis cinq ans;
c) et apporte la preuve de la connaissance d'une des trois langues nationales;
d) et est marié avec une personne de nationalité belge, si les époux ont vécu ensemble en Belgique pendant au moins trois ans, ou est [2 l'auteur ou l'adoptant d'un enfant belge qui n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans ou n'est pas émancipé avant cet âge]2;
e) et prouve son intégration sociale :
- ou bien par un diplôme ou un certificat délivré par un établissement d'enseignement [2 organisé]2, reconnu ou subventionné par une Communauté ou par l'Ecole royale militaire et qui est au moins du niveau de l'enseignement secondaire supérieur;
- ou bien en ayant suivi une formation professionnelle d'au moins 400 heures reconnue par une autorité compétente, et en ayant travaillé, au cours des cinq dernières années, pendant au moins 234 journées comme travailleur salarié et/ou comme agent statutaire nommé dans la fonction publique ou en ayant payé en Belgique, dans le cadre d'une activité professionnelle indépendante à titre principal, les cotisations sociales trimestrielles dues par les travailleurs indépendants pendant au moins trois trimestres;
- ou bien en ayant [3 , selon le cas, fourni la preuve délivrée par l'autorité compétente, du suivi avec succès du trajet d'intégration, du parcours d'accueil ou du parcours d'intégration prévu par l'autorité compétente de sa résidence principale au moment où il entame celui-ci]3;
4° l'étranger qui :
a) a atteint l'âge de dix-huit ans;
b) et [3 a fixé sa résidence principale en Belgique sur la base d'un séjour légal]3 depuis cinq ans;
c) et apporte la preuve qu'il ne peut, en raison d'un handicap ou d'une invalidité, ni occuper un emploi ni exercer une activité économique, ou a atteint l'âge de la pension;
5° l'étranger qui :
a) a atteint l'âge de dix-huit ans;
b) et [3 a fixé sa résidence principale en Belgique sur la base d'un séjour légal]3 depuis dix ans;
c) et apporte la preuve de la connaissance d'une des trois langues nationales;
d) et justifie de sa participation à la vie de sa communauté d'accueil. Cette preuve peut être apportée par toutes voies de droit, et contient des éléments attestant que le demandeur prend part à la vie économique et/ou socioculturelle de cette communauté d'accueil.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. La déclaration comporte, préalablement à la signature de l'étranger, la mention suivante, écrite de la main de l'étranger [4 ou, lorsque celui-ci est dans l'incapacité de l'écrire à la main, prononcée oralement par l'étranger et inscrite par l'officier de l'état civil compétent]4 : " Je déclare vouloir acquérir la nationalité belge et me soumettre à la Constitution, aux lois du peuple belge et à la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.]1
(NOTE : par son arrêt n° 96/2024 du 19-09-2024 (2024-09-19/01, M.B. 17-10-2024, p. 121929), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 1er, § 2, 5°, du Code de la nationalité belge, tel qu'il était applicable avant sa modification par l'article 122, 1°, de la loi du 28 mars 2024 " portant dispositions en matière de digitalisation de la justice et dispositions diverses Ibis ", et l'article 12bis, § 1er, du même Code, en ce que ces dispositions ne prévoient pas, à l'égard des étrangers qui sont analphabètes, qui possèdent les compétences linguistiques orales exigées et qui, parce qu'il leur manque des compétences et notions linguistiques de base, ne sont pas en mesure d'acquérir les aptitudes écrites correspondant à ce niveau, même en participant aux formations organisées à cet effet, une exception à l'exigence de posséder une connaissance minimale d'une des langues nationales correspondant au niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues.)
1° l'étranger qui :
a) a atteint l'âge de dix-huit ans;
b) et est né en Belgique et [3 y a fixé sa résidence principale sur la base d'un séjour légal]3 depuis sa naissance;
2° l'étranger qui :
a) a atteint l'âge de dix-huit ans;
b) et [3 a fixé sa résidence principale en Belgique sur la base d'un séjour légal]3 depuis cinq ans;
c) et apporte la preuve de la connaissance d'une des trois langues nationales;
d) et prouve son intégration sociale :
- ou bien par un diplôme ou un certificat délivré par un établissement d'enseignement organisé, reconnu ou subventionné par une Communauté ou par l'Ecole royale militaire et qui est au moins du niveau de l'enseignement secondaire supérieur;
- ou bien en ayant suivi une formation professionnelle d'au moins 400 heures reconnue par une autorité compétente;
- ou bien en ayant [3 , selon le cas, fourni la preuve délivrée par l'autorité compétente, du suivi avec succès du trajet d'intégration, du parcours d'accueil ou du parcours d'intégration prévu par l'autorité compétente de sa résidence principale au moment où il entame celui-ci]3;
- ou bien en ayant travaillé de manière ininterrompue au cours des cinq dernières années comme travailleur salarié et/ou comme agent statutaire nommé dans la fonction publique et/ou comme travailleur indépendant à titre principal;
e) et prouve sa participation économique :
- soit en ayant travaillé pendant au moins 468 journées de travail au cours des cinq dernières années en tant que travailleur salarié et/ou agent statutaire dans la fonction publique;
- soit en ayant payé, en Belgique, dans le cadre d'une activité professionnelle indépendante exercée à titre principal, les cotisations sociales trimestrielles dues par les travailleurs indépendants pendant au moins six trimestres au cours des cinq dernières années;
La durée de la formation suivie dans les cinq ans qui ont précédé la demande visée au 2°, d), premier et/ ou deuxième tirets, est déduite de la durée de l'activité professionnelle requise de 468 jours minimum ou de la durée de l'activité professionnelle indépendante à titre principal.
3° l'étranger qui :
a) a atteint l'âge de dix-huit ans;
b) et [3 a fixé sa résidence principale en Belgique sur la base d'un séjour légal]3 depuis cinq ans;
c) et apporte la preuve de la connaissance d'une des trois langues nationales;
d) et est marié avec une personne de nationalité belge, si les époux ont vécu ensemble en Belgique pendant au moins trois ans, ou est [2 l'auteur ou l'adoptant d'un enfant belge qui n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans ou n'est pas émancipé avant cet âge]2;
e) et prouve son intégration sociale :
- ou bien par un diplôme ou un certificat délivré par un établissement d'enseignement [2 organisé]2, reconnu ou subventionné par une Communauté ou par l'Ecole royale militaire et qui est au moins du niveau de l'enseignement secondaire supérieur;
- ou bien en ayant suivi une formation professionnelle d'au moins 400 heures reconnue par une autorité compétente, et en ayant travaillé, au cours des cinq dernières années, pendant au moins 234 journées comme travailleur salarié et/ou comme agent statutaire nommé dans la fonction publique ou en ayant payé en Belgique, dans le cadre d'une activité professionnelle indépendante à titre principal, les cotisations sociales trimestrielles dues par les travailleurs indépendants pendant au moins trois trimestres;
- ou bien en ayant [3 , selon le cas, fourni la preuve délivrée par l'autorité compétente, du suivi avec succès du trajet d'intégration, du parcours d'accueil ou du parcours d'intégration prévu par l'autorité compétente de sa résidence principale au moment où il entame celui-ci]3;
4° l'étranger qui :
a) a atteint l'âge de dix-huit ans;
b) et [3 a fixé sa résidence principale en Belgique sur la base d'un séjour légal]3 depuis cinq ans;
c) et apporte la preuve qu'il ne peut, en raison d'un handicap ou d'une invalidité, ni occuper un emploi ni exercer une activité économique, ou a atteint l'âge de la pension;
5° l'étranger qui :
a) a atteint l'âge de dix-huit ans;
b) et [3 a fixé sa résidence principale en Belgique sur la base d'un séjour légal]3 depuis dix ans;
c) et apporte la preuve de la connaissance d'une des trois langues nationales;
d) et justifie de sa participation à la vie de sa communauté d'accueil. Cette preuve peut être apportée par toutes voies de droit, et contient des éléments attestant que le demandeur prend part à la vie économique et/ou socioculturelle de cette communauté d'accueil.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. La déclaration comporte, préalablement à la signature de l'étranger, la mention suivante, écrite de la main de l'étranger [4 ou, lorsque celui-ci est dans l'incapacité de l'écrire à la main, prononcée oralement par l'étranger et inscrite par l'officier de l'état civil compétent]4 : " Je déclare vouloir acquérir la nationalité belge et me soumettre à la Constitution, aux lois du peuple belge et à la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.]1
(NOTE : par son arrêt n° 96/2024 du 19-09-2024 (2024-09-19/01, M.B. 17-10-2024, p. 121929), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 1er, § 2, 5°, du Code de la nationalité belge, tel qu'il était applicable avant sa modification par l'article 122, 1°, de la loi du 28 mars 2024 " portant dispositions en matière de digitalisation de la justice et dispositions diverses Ibis ", et l'article 12bis, § 1er, du même Code, en ce que ces dispositions ne prévoient pas, à l'égard des étrangers qui sont analphabètes, qui possèdent les compétences linguistiques orales exigées et qui, parce qu'il leur manque des compétences et notions linguistiques de base, ne sont pas en mesure d'acquérir les aptitudes écrites correspondant à ce niveau, même en participant aux formations organisées à cet effet, une exception à l'exigence de posséder une connaissance minimale d'une des langues nationales correspondant au niveau A2 du Cadre européen commun de référence pour les langues.)
Afdeling 2.
Section 2.
Art. 15. [1 § 1. De vreemdeling legt de verklaring af voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van zijn hoofdverblijfplaats.
[4 In afwijking van het voorgaande kunnen de in de artikelen 17 en 24, derde lid, bedoelde procedures worden ingediend ten overstaan van het hoofd van een Belgische beroepsconsulaire post, die in casu de bevoegdheden uitoefent van de ambtenaar van de burgerlijke stand overeenkomstig artikel 15, § 2.
Indien de procedures zijn ingeleid overeenkomstig het tweede lid, vanuit het buitenland, kan de aangetekende zending bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid en in de paragrafen 4 en 5, worden vervangen door elk vorm van schriftelijke communicatie met verzendingsbewijs.]4
Indien de schrijfwijze van de naam of voornaam van de vreemdeling niet identiek is [6 of indien de geboortedatum niet gelijk is]6 in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister, strafregister of de voorgelegde documenten, wordt de aanvraag opgeschort totdat de schrijfwijze [6 van de naam of voornaam of de geboortedatum in alle registers en documenten gelijk zijn gemaakt]6.
Indien de vreemdeling geen naam of voornaam heeft, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de vreemdeling voor kosteloos een procedure in te stellen overeenkomstig [5 boek I, titel VIII/1, hoofdstuk 3 van het Burgerlijk Wetboek]5, in welk geval de aanvraag wordt opgeschort totdat de vreemdeling een naam en voornaam heeft bekomen.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand onderzoekt de volledigheid van de verklaring binnen dertig werkdagen na de aflegging van de verklaring.
Indien een verklaring onvolledig is, biedt de ambtenaar de aanvrager de gelegenheid om binnen twee maanden het verzuim te herstellen. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft in een formulier zoals vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, aan welke stukken in de verklaring ontbreken.
Indien van de gelegenheid om het verzuim te herstellen geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de [2 verklaring]2 niet-ontvankelijk verklaard.
Als de [2 verklaring]2 volledig en ontvankelijk is, en het registratierecht vermeld in artikel 238 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, werd voldaan, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een ontvangstbewijs af, hetzij binnen vijfendertig werkdagen na de af egging van de verklaring indien de verklaring meteen volledig werd bevonden, hetzij binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de vreemdeling werd verleend om het verzuim te herstellen.
Wordt de [2 verklaring]2 onvolledig beschouwd, dan wordt hiervan kennis gegeven bij aangetekende brief binnen vijfendertig werkdagen na de af egging van de verklaring, dan wel binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de vreemdeling wordt verleend om het verzuim te herstellen. De niet-tijdige betaling van het registratierecht kan evenwel niet worden geregulariseerd.
Indien het ontvangstbewijs niet tijdig is betekend of indien niet tijdig is meegedeeld dat de verklaring onvolledig is, wordt de [2 verklaring]2 geacht volledig te zijn. Tegen de uitdrukkelijke onontvankelijk verklaring staat een beroep tot nietigverklaring open bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals bepaald in artikel 14, § 1, van de Wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op voordracht van de minister van Justitie, welke akten en stavingsstukken bij het verzoek moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden, en dat het dossier als volledig wordt bevonden als bedoeld in het eerste lid.
De ambtenaar zendt een afschrift van het volledige dossier voor advies aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op de af evering van het ontvangstbewijs. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.
[4 Indien de procedure is ingeleid vanuit het buitenland, zendt het hoofd van de Belgische beroepsconsulaire post een afschrift van het volledig dossier aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel indien de aanvrager het Nederlands of het Frans als voertaal heeft gekozen. Als de aanvrager het Duits als voertaal heeft gekozen, wordt het afschrift van het volledige dossier overgezonden aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen.]4
Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het volledige dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift ervan aan de dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat.
§ 3. De procureur des Konings kan, binnen vier maanden te rekenen van de datum van het in § 2 bedoelde ontvangstbewijs, een negatief advies uitbrengen inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten eigen aan de persoon, die hij in de motivering van zijn advies dient te omschrijven, of als de grondvoorwaarden, die hij moet aanduiden, niet vervuld zijn.
Als bij miskenning van § 2, achtste lid, de verklaring zoals bedoeld in § 1 laattijdig wordt overgezonden in de loop van de laatste maand van de termijn, wordt deze van ambtswege verlengd met een maand, te rekenen van de overzending van het dossier aan de procureur des Konings.
[5 Indien de procureur des Konings meent geen negatief advies te moeten uitbrengen, maakt hij een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Op basis van de verklaring wordt een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4.
Bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het tweede lid, en bij gebrek aan een negatief advies of overmaking van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht, wordt op basis van de verklaring ambtshalve een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4. Bij gebrek aan de overmaking bedoeld in paragraaf 2, achtste lid, wordt er echter geen akte van nationaliteit opgemaakt en brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de belanghebbende daarvan onmiddellijk op de hoogte.
Van de opmaak van de akte van nationaliteit wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis gegeven aan de belanghebbende.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]5
§ 4. Het negatieve advies van de procureur des Konings moet met redenen zijn omkleed. Het wordt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en bij een aangetekende brief aan de belanghebbende betekend door toedoen van de procureur des Konings.
§ 5. [5 De belanghebbende kan bij een aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen zijn dossier aan de familierechtbank over te zenden, binnen vijftien dagen na de ontvangst van het negatieve advies bedoeld in paragraaf 3 of van het niet opmaken van de akte van nationaliteit zoals bedoeld in paragraaf 3, vierde lid, laatste zin.
De familierechtbank doet, na de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen, bij een met reden omklede beslissing uitspraak over de gegrondheid van het niet opmaken van de akte van nationaliteit bedoeld in paragraaf 3, vierde lid, laatste zin of het negatief advies bedoeld in paragraaf 3.
De beslissing wordt aan de belanghebbende en het parket ter kennis gebracht door toedoen van de griffie. De belanghebbende en de procureur des Konings kunnen, binnen vijftien dagen na de kennisgeving, bij een aan de familiekamer van het hof van beroep gericht verzoekschrift, hiertegen hoger beroep instellen. De verlenging van de termijnen wegens de gerechtelijke vakantie geschiedt overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Het hof van beroep doet uitspraak na het advies van de procureur-generaal en na de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen.
De kennisgevingen gebeuren overeenkomstig artikel 1030 van het Gerechtelijk Wetboek. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
De griffier stuurt onmiddellijk de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het negatieve advies ongegrond wordt verklaard, nodig voor de opmaak van de akte van nationaliteit via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze maakt de akte van nationaliteit op overeenkomstig artikel 22, § 4.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]5
§ 6. [4 ...]4]1
[4 In afwijking van het voorgaande kunnen de in de artikelen 17 en 24, derde lid, bedoelde procedures worden ingediend ten overstaan van het hoofd van een Belgische beroepsconsulaire post, die in casu de bevoegdheden uitoefent van de ambtenaar van de burgerlijke stand overeenkomstig artikel 15, § 2.
Indien de procedures zijn ingeleid overeenkomstig het tweede lid, vanuit het buitenland, kan de aangetekende zending bedoeld in paragraaf 2, vijfde lid en in de paragrafen 4 en 5, worden vervangen door elk vorm van schriftelijke communicatie met verzendingsbewijs.]4
Indien de schrijfwijze van de naam of voornaam van de vreemdeling niet identiek is [6 of indien de geboortedatum niet gelijk is]6 in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister, strafregister of de voorgelegde documenten, wordt de aanvraag opgeschort totdat de schrijfwijze [6 van de naam of voornaam of de geboortedatum in alle registers en documenten gelijk zijn gemaakt]6.
Indien de vreemdeling geen naam of voornaam heeft, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de vreemdeling voor kosteloos een procedure in te stellen overeenkomstig [5 boek I, titel VIII/1, hoofdstuk 3 van het Burgerlijk Wetboek]5, in welk geval de aanvraag wordt opgeschort totdat de vreemdeling een naam en voornaam heeft bekomen.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand onderzoekt de volledigheid van de verklaring binnen dertig werkdagen na de aflegging van de verklaring.
Indien een verklaring onvolledig is, biedt de ambtenaar de aanvrager de gelegenheid om binnen twee maanden het verzuim te herstellen. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft in een formulier zoals vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, aan welke stukken in de verklaring ontbreken.
Indien van de gelegenheid om het verzuim te herstellen geen dan wel op niet afdoende wijze gebruik wordt gemaakt, wordt de [2 verklaring]2 niet-ontvankelijk verklaard.
Als de [2 verklaring]2 volledig en ontvankelijk is, en het registratierecht vermeld in artikel 238 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, werd voldaan, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een ontvangstbewijs af, hetzij binnen vijfendertig werkdagen na de af egging van de verklaring indien de verklaring meteen volledig werd bevonden, hetzij binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de vreemdeling werd verleend om het verzuim te herstellen.
Wordt de [2 verklaring]2 onvolledig beschouwd, dan wordt hiervan kennis gegeven bij aangetekende brief binnen vijfendertig werkdagen na de af egging van de verklaring, dan wel binnen vijftien werkdagen na het verstrijken van de termijn die aan de vreemdeling wordt verleend om het verzuim te herstellen. De niet-tijdige betaling van het registratierecht kan evenwel niet worden geregulariseerd.
Indien het ontvangstbewijs niet tijdig is betekend of indien niet tijdig is meegedeeld dat de verklaring onvolledig is, wordt de [2 verklaring]2 geacht volledig te zijn. Tegen de uitdrukkelijke onontvankelijk verklaring staat een beroep tot nietigverklaring open bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals bepaald in artikel 14, § 1, van de Wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op voordracht van de minister van Justitie, welke akten en stavingsstukken bij het verzoek moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden, en dat het dossier als volledig wordt bevonden als bedoeld in het eerste lid.
De ambtenaar zendt een afschrift van het volledige dossier voor advies aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op de af evering van het ontvangstbewijs. De procureur des Konings geeft hiervan onverwijld ontvangstmelding.
[4 Indien de procedure is ingeleid vanuit het buitenland, zendt het hoofd van de Belgische beroepsconsulaire post een afschrift van het volledig dossier aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel indien de aanvrager het Nederlands of het Frans als voertaal heeft gekozen. Als de aanvrager het Duits als voertaal heeft gekozen, wordt het afschrift van het volledige dossier overgezonden aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen.]4
Op hetzelfde ogenblik dat de ambtenaar van de burgerlijke stand aan de procureur des Konings een afschrift van het volledige dossier overzendt, zendt hij eveneens een afschrift ervan aan de dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat.
§ 3. De procureur des Konings kan, binnen vier maanden te rekenen van de datum van het in § 2 bedoelde ontvangstbewijs, een negatief advies uitbrengen inzake de verkrijging van de Belgische nationaliteit wanneer er een beletsel is wegens gewichtige feiten eigen aan de persoon, die hij in de motivering van zijn advies dient te omschrijven, of als de grondvoorwaarden, die hij moet aanduiden, niet vervuld zijn.
Als bij miskenning van § 2, achtste lid, de verklaring zoals bedoeld in § 1 laattijdig wordt overgezonden in de loop van de laatste maand van de termijn, wordt deze van ambtswege verlengd met een maand, te rekenen van de overzending van het dossier aan de procureur des Konings.
[5 Indien de procureur des Konings meent geen negatief advies te moeten uitbrengen, maakt hij een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Op basis van de verklaring wordt een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4.
Bij het verstrijken van de termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het tweede lid, en bij gebrek aan een negatief advies of overmaking van een attest dat er geen negatief advies wordt uitgebracht, wordt op basis van de verklaring ambtshalve een akte van nationaliteit opgemaakt overeenkomstig artikel 22, § 4. Bij gebrek aan de overmaking bedoeld in paragraaf 2, achtste lid, wordt er echter geen akte van nationaliteit opgemaakt en brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand de belanghebbende daarvan onmiddellijk op de hoogte.
Van de opmaak van de akte van nationaliteit wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis gegeven aan de belanghebbende.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]5
§ 4. Het negatieve advies van de procureur des Konings moet met redenen zijn omkleed. Het wordt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en bij een aangetekende brief aan de belanghebbende betekend door toedoen van de procureur des Konings.
§ 5. [5 De belanghebbende kan bij een aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vragen zijn dossier aan de familierechtbank over te zenden, binnen vijftien dagen na de ontvangst van het negatieve advies bedoeld in paragraaf 3 of van het niet opmaken van de akte van nationaliteit zoals bedoeld in paragraaf 3, vierde lid, laatste zin.
De familierechtbank doet, na de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen, bij een met reden omklede beslissing uitspraak over de gegrondheid van het niet opmaken van de akte van nationaliteit bedoeld in paragraaf 3, vierde lid, laatste zin of het negatief advies bedoeld in paragraaf 3.
De beslissing wordt aan de belanghebbende en het parket ter kennis gebracht door toedoen van de griffie. De belanghebbende en de procureur des Konings kunnen, binnen vijftien dagen na de kennisgeving, bij een aan de familiekamer van het hof van beroep gericht verzoekschrift, hiertegen hoger beroep instellen. De verlenging van de termijnen wegens de gerechtelijke vakantie geschiedt overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Het hof van beroep doet uitspraak na het advies van de procureur-generaal en na de belanghebbende te hebben gehoord of opgeroepen.
De kennisgevingen gebeuren overeenkomstig artikel 1030 van het Gerechtelijk Wetboek. De berekening van de termijnen in geval van kennisgeving geschiedt overeenkomstig artikel 52 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
De griffier stuurt onmiddellijk de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane beslissing waarbij het negatieve advies ongegrond wordt verklaard, nodig voor de opmaak van de akte van nationaliteit via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. Deze maakt de akte van nationaliteit op overeenkomstig artikel 22, § 4.
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]5
§ 6. [4 ...]4]1
Wijzigingen
Art. 15. [1 § 1er. L'étranger fait la déclaration devant l'officier de l'état civil de sa résidence principale.
[4 Par dérogation à ce qui précède, les procédures visées aux articles 17 et 24, alinéa 3, peuvent être introduites devant le chef d'un poste consulaire de carrière belge qui exerce, dans ce cas, les compétences dévolues à l'officier de l'état civil par l'article 15, § 2.
Lorsque les procédures sont introduites, conformément à l'alinéa 2, depuis l'étranger, l'envoi recommandé, visé au paragraphe 2, alinéa 5, et aux paragraphes 4 et 5, peut être remplacé par tout moyen écrit de communication avec preuve d'expédition.]4
Si le nom ou le prénom de l'étranger n'est pas orthographié de la même façon [6 ou si la date de naissance n'est pas uniforme]6 dans le registre de la population, le registre des étrangers, le casier judiciaire ou les documents présentés, la demande est suspendue jusqu'à ce que l'orthographe [6 du nom ou du prénom ou la date de naissance aient été uniformisées]6 dans tous les registres et documents.
Si l'étranger n'a pas de nom ou de prénom, l'officier de l'état civil propose à l'étranger d'introduire gratuitement une procédure conformément [5 au livre Ier, titre VIII/1, chapitre 3 du Code civil]5, auquel cas la demande est suspendue jusqu'à ce que l'étranger ait un nom et un prénom.
§ 2. L'officier de l'état civil examine l'exhaustivité de la déclaration dans les trente jours ouvrables qui suivent le dépôt de celle-ci.
Lorsqu'une déclaration est incomplète, l'officier offre au demandeur la possibilité de réparer l'oubli dans un délai de deux mois. L'officier de l'état civil indique dans un formulaire établi par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, quelles sont les pièces qui font défaut dans la déclaration.
S'il n'est pas ou pas suffisamment fait usage de la possibilité de réparer l'oubli, la [2 déclaration]2 est déclarée irrecevable.
Si la [2 déclaration]2 est complète et recevable et si le droit d'enregistrement mentionné à l'article 238 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, a été acquitté, l'officier de l'état civil délivre un récépissé, soit dans les trente-cinq jours ouvrables suivant le dépôt de la déclaration si la déclaration a immédiatement été jugée complète, soit dans les quinze jours ouvrables suivant l'expiration du délai accordé à l'étranger pour réparer l'oubli.
Si la [2 déclaration]2 est jugée incomplète, il en est donné connaissance par lettre recommandée dans les trente-cinq jours ouvrables suivant le dépôt de la déclaration ou dans les quinze jours ouvrables suivant l'expiration du délai accordé à l'étranger pour réparer l'oubli. Le paiement tardif du droit d'enregistrement ne peut toutefois pas être régularisé.
Si le récépissé ou le caractère incomplet de la déclaration n'a pas été notifié dans les délais, la [2 déclaration]2 est réputée complète. La déclaration expresse d'irrecevabilité peut faire l'objet d'un recours en annulation devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat, ainsi que le prévoit l'article 14, § 1er, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, et sur la proposition du ministre de la Justice, les actes et justificatifs à joindre à la demande pour apporter la preuve que les conditions sont réunies et que le dossier a été jugé complet, comme le prévoit l'alinéa 1er.
L'officier transmet, pour avis, une copie de l'intégralité du dossier au procureur du Roi du tribunal de première instance du ressort, au plus tard dans les cinq jours ouvrables de la délivrance du récépissé. Le procureur du Roi en accuse réception sans délai.
[4 Lorsque la procédure est introduite depuis l'étranger, le chef du poste consulaire de carrière belge transmet la copie du dossier complet au procureur du Roi du tribunal de première instance de Bruxelles lorsque le demandeur a fait choix de la langue française ou de la langue néerlandaise. Lorsque le demandeur a fait choix de la langue allemande, la copie du dossier complet est transmise au procureur du Roi du tribunal de première instance d'Eupen.]4
En même temps qu'il communique au procureur du Roi copie du dossier complet, l'officier de l'état civil en transmet également copie à l'Office des étrangers et à la Sûreté de l'Etat.
§ 3. Dans un délai de quatre mois à compter de la date du récépissé visé au § 2, le procureur du Roi peut émettre un avis négatif sur l'acquisition de la nationalité belge lorsqu'il existe un empêchement résultant de faits personnels graves, qu'il doit préciser dans les motifs de son avis, ou lorsque les conditions de base, qu'il doit indiquer, ne sont pas remplies.
Si, en violation du § 2, alinéa 8, la déclaration visée au § 1er est communiquée tardivement dans le courant du dernier mois du délai, celui-ci est d'office prolongé d'un mois à dater de la communication du dossier au procureur du Roi.
[5 Si le procureur du Roi estime ne pas devoir émettre d'avis négatif, il envoie à l'officier de l'état civil une attestation signifiant l'absence d'avis négatif. Sur la base de la déclaration, un acte de nationalité est établi conformément à l'article 22, § 4.
A l'expiration du délai de quatre mois, le cas échéant, prolongé conformément à l'alinéa 2, et à défaut d'avis négatif ou de transmission d'une attestation signifiant l'absence d'avis négatif un acte de nationalité est d'office établi sur la base de la déclaration conformément à l'article 22, § 4. Toutefois, à défaut de la transmission visée au paragraphe 2, alinéa 8, l'établissement de l'acte de nationalité n'a pas lieu et l'officier de l'état civil en informe immédiatement l'intéressé.
Notification de l'établissement de l'acte de nationalité est faite à l'intéressé par l'officier de l'état civil.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]5
§ 4. L'avis négatif du procureur du Roi doit être motivé. Il est notifié à l'officier de l'état civil et, par lettre recommandée, à l'intéressé par les soins du procureur du Roi.
§ 5. [5 L'intéressé peut inviter l'officier de l'état civil, par lettre recommandée, à transmettre son dossier au tribunal de la famille dans les quinze jours suivant la réception de l'avis négatif visé au paragraphe 3 ou du non-établissement de l'acte de nationalité visé au paragraphe 3, alinéa 4, dernière phrase.
Après avoir entendu ou appelé l'intéressé, le tribunal de la famille statue par voie de décision motivée sur le bien-fondé de l'absence d'établissement de l'acte de nationalité visée au paragraphe 3, alinéa 4, dernière phrase ou sur l'avis négatif visé au paragraphe 3.
La décision est notifiée à l'intéressé et au parquet par le greffe. Dans les quinze jours de la notification, l'intéressé et le procureur du Roi peuvent interjeter appel de la décision par requête adressée à la chambre de la famille de la cour d'appel. La prorogation des délais en raison des vacances judiciaires a lieu conformément à l'article 50, alinéa 2, du Code judiciaire.
La cour d'appel statue, après avis du procureur général, et après avoir entendu ou appelé l'intéressé.
Les notifications sont effectuées conformément à l'article 1030 du Code judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.
Le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil via la BAEC, les données de la décision passée en force de chose jugée par laquelle l'avis négatif est déclaré non fondé, nécessaires à l'établissement de l'acte de nationalité. Celui-ci établit l'acte de nationalité, conformément à l'article 22, § 4.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]5
§ 6. [4 ...]4]1
[4 Par dérogation à ce qui précède, les procédures visées aux articles 17 et 24, alinéa 3, peuvent être introduites devant le chef d'un poste consulaire de carrière belge qui exerce, dans ce cas, les compétences dévolues à l'officier de l'état civil par l'article 15, § 2.
Lorsque les procédures sont introduites, conformément à l'alinéa 2, depuis l'étranger, l'envoi recommandé, visé au paragraphe 2, alinéa 5, et aux paragraphes 4 et 5, peut être remplacé par tout moyen écrit de communication avec preuve d'expédition.]4
Si le nom ou le prénom de l'étranger n'est pas orthographié de la même façon [6 ou si la date de naissance n'est pas uniforme]6 dans le registre de la population, le registre des étrangers, le casier judiciaire ou les documents présentés, la demande est suspendue jusqu'à ce que l'orthographe [6 du nom ou du prénom ou la date de naissance aient été uniformisées]6 dans tous les registres et documents.
Si l'étranger n'a pas de nom ou de prénom, l'officier de l'état civil propose à l'étranger d'introduire gratuitement une procédure conformément [5 au livre Ier, titre VIII/1, chapitre 3 du Code civil]5, auquel cas la demande est suspendue jusqu'à ce que l'étranger ait un nom et un prénom.
§ 2. L'officier de l'état civil examine l'exhaustivité de la déclaration dans les trente jours ouvrables qui suivent le dépôt de celle-ci.
Lorsqu'une déclaration est incomplète, l'officier offre au demandeur la possibilité de réparer l'oubli dans un délai de deux mois. L'officier de l'état civil indique dans un formulaire établi par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, quelles sont les pièces qui font défaut dans la déclaration.
S'il n'est pas ou pas suffisamment fait usage de la possibilité de réparer l'oubli, la [2 déclaration]2 est déclarée irrecevable.
Si la [2 déclaration]2 est complète et recevable et si le droit d'enregistrement mentionné à l'article 238 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, a été acquitté, l'officier de l'état civil délivre un récépissé, soit dans les trente-cinq jours ouvrables suivant le dépôt de la déclaration si la déclaration a immédiatement été jugée complète, soit dans les quinze jours ouvrables suivant l'expiration du délai accordé à l'étranger pour réparer l'oubli.
Si la [2 déclaration]2 est jugée incomplète, il en est donné connaissance par lettre recommandée dans les trente-cinq jours ouvrables suivant le dépôt de la déclaration ou dans les quinze jours ouvrables suivant l'expiration du délai accordé à l'étranger pour réparer l'oubli. Le paiement tardif du droit d'enregistrement ne peut toutefois pas être régularisé.
Si le récépissé ou le caractère incomplet de la déclaration n'a pas été notifié dans les délais, la [2 déclaration]2 est réputée complète. La déclaration expresse d'irrecevabilité peut faire l'objet d'un recours en annulation devant la section du contentieux administratif du Conseil d'Etat, ainsi que le prévoit l'article 14, § 1er, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, et sur la proposition du ministre de la Justice, les actes et justificatifs à joindre à la demande pour apporter la preuve que les conditions sont réunies et que le dossier a été jugé complet, comme le prévoit l'alinéa 1er.
L'officier transmet, pour avis, une copie de l'intégralité du dossier au procureur du Roi du tribunal de première instance du ressort, au plus tard dans les cinq jours ouvrables de la délivrance du récépissé. Le procureur du Roi en accuse réception sans délai.
[4 Lorsque la procédure est introduite depuis l'étranger, le chef du poste consulaire de carrière belge transmet la copie du dossier complet au procureur du Roi du tribunal de première instance de Bruxelles lorsque le demandeur a fait choix de la langue française ou de la langue néerlandaise. Lorsque le demandeur a fait choix de la langue allemande, la copie du dossier complet est transmise au procureur du Roi du tribunal de première instance d'Eupen.]4
En même temps qu'il communique au procureur du Roi copie du dossier complet, l'officier de l'état civil en transmet également copie à l'Office des étrangers et à la Sûreté de l'Etat.
§ 3. Dans un délai de quatre mois à compter de la date du récépissé visé au § 2, le procureur du Roi peut émettre un avis négatif sur l'acquisition de la nationalité belge lorsqu'il existe un empêchement résultant de faits personnels graves, qu'il doit préciser dans les motifs de son avis, ou lorsque les conditions de base, qu'il doit indiquer, ne sont pas remplies.
Si, en violation du § 2, alinéa 8, la déclaration visée au § 1er est communiquée tardivement dans le courant du dernier mois du délai, celui-ci est d'office prolongé d'un mois à dater de la communication du dossier au procureur du Roi.
[5 Si le procureur du Roi estime ne pas devoir émettre d'avis négatif, il envoie à l'officier de l'état civil une attestation signifiant l'absence d'avis négatif. Sur la base de la déclaration, un acte de nationalité est établi conformément à l'article 22, § 4.
A l'expiration du délai de quatre mois, le cas échéant, prolongé conformément à l'alinéa 2, et à défaut d'avis négatif ou de transmission d'une attestation signifiant l'absence d'avis négatif un acte de nationalité est d'office établi sur la base de la déclaration conformément à l'article 22, § 4. Toutefois, à défaut de la transmission visée au paragraphe 2, alinéa 8, l'établissement de l'acte de nationalité n'a pas lieu et l'officier de l'état civil en informe immédiatement l'intéressé.
Notification de l'établissement de l'acte de nationalité est faite à l'intéressé par l'officier de l'état civil.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]5
§ 4. L'avis négatif du procureur du Roi doit être motivé. Il est notifié à l'officier de l'état civil et, par lettre recommandée, à l'intéressé par les soins du procureur du Roi.
§ 5. [5 L'intéressé peut inviter l'officier de l'état civil, par lettre recommandée, à transmettre son dossier au tribunal de la famille dans les quinze jours suivant la réception de l'avis négatif visé au paragraphe 3 ou du non-établissement de l'acte de nationalité visé au paragraphe 3, alinéa 4, dernière phrase.
Après avoir entendu ou appelé l'intéressé, le tribunal de la famille statue par voie de décision motivée sur le bien-fondé de l'absence d'établissement de l'acte de nationalité visée au paragraphe 3, alinéa 4, dernière phrase ou sur l'avis négatif visé au paragraphe 3.
La décision est notifiée à l'intéressé et au parquet par le greffe. Dans les quinze jours de la notification, l'intéressé et le procureur du Roi peuvent interjeter appel de la décision par requête adressée à la chambre de la famille de la cour d'appel. La prorogation des délais en raison des vacances judiciaires a lieu conformément à l'article 50, alinéa 2, du Code judiciaire.
La cour d'appel statue, après avis du procureur général, et après avoir entendu ou appelé l'intéressé.
Les notifications sont effectuées conformément à l'article 1030 du Code judiciaire. Le calcul des délais en cas de notification a lieu conformément aux articles 52 et suivants du Code judiciaire.
Le greffier transmet immédiatement à l'officier de l'état civil via la BAEC, les données de la décision passée en force de chose jugée par laquelle l'avis négatif est déclaré non fondé, nécessaires à l'établissement de l'acte de nationalité. Celui-ci établit l'acte de nationalité, conformément à l'article 22, § 4.
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]5
§ 6. [4 ...]4]1
Wijzigingen
Afdeling 3.
Section 3.
Afdeling 4.
Section 4.
Afdeling 2. [1 - Terugkrijgen van de Belgische nationaliteit als deze na onterecht te zijn verleend, is ingetrokken geworden nadat belanghebbende minstens tien jaar in het genot is geweest van de hoedanigheid van Belg.]1
Section 2. [1 - Réacquisition de la nationalité belge lorsque celle-ci octroyée erronément a été retirée après que l'intéressé ait joui pendant au moins dix ans de la qualité de Belge]1
Art. 17. [1 De persoon te goeder trouw aan wie de Belgische nationaliteit onterecht is verleend en gedurende ten minste tien jaar zonder onderbreking door de Belgische overheden behandeld werd als Belg, kan, wanneer zijn Belgische nationaliteit wordt betwist, de Belgische nationaliteit verkrijgen overeenkomstig artikel 15.
[2 Wanneer de verklaarder in België verblijft, is de voorwaarde van het onbeperkt verblijf vervat in het artikel 7bis, § 2, eerste lid, 1°, niet van toepassing. Wanneer de aanvraag is ingediend vanuit het buitenland in toepassing van het artikel 15, § 1, tweede lid, zijn de voorwaarden voorzien in het artikel 7bis, §§ 1 en 2, eerste lid, 1°, niet van toepassing.]2
De verklaring dient te worden afgelegd voordat een termijn van een jaar is verstreken vanaf het ogenblik dat een Belgische overheid het houden van de Belgische nationaliteit door de persoon definitief betwist.
Die termijn wordt verlengd tot de leeftijd van negentien jaar wanneer de belanghebbende een persoon is wiens afstamming van een Belgische ouder gebleken is niet langer vast te staan voordat hij ontvoogd was en de leeftijd van achttien jaar had bereikt.
Wanneer de geldigheid van de voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit verrichte akten afhankelijk was van het houden van de Belgische nationaliteit, kan die geldigheid niet worden betwist op de enkele grond dat de belanghebbende die nationaliteit niet bezat. Hetzelfde geldt voor de rechten die voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit zijn verkregen en waarvoor het bezit van de Belgische nationaliteit vereist was.]1
[2 Wanneer de verklaarder in België verblijft, is de voorwaarde van het onbeperkt verblijf vervat in het artikel 7bis, § 2, eerste lid, 1°, niet van toepassing. Wanneer de aanvraag is ingediend vanuit het buitenland in toepassing van het artikel 15, § 1, tweede lid, zijn de voorwaarden voorzien in het artikel 7bis, §§ 1 en 2, eerste lid, 1°, niet van toepassing.]2
De verklaring dient te worden afgelegd voordat een termijn van een jaar is verstreken vanaf het ogenblik dat een Belgische overheid het houden van de Belgische nationaliteit door de persoon definitief betwist.
Die termijn wordt verlengd tot de leeftijd van negentien jaar wanneer de belanghebbende een persoon is wiens afstamming van een Belgische ouder gebleken is niet langer vast te staan voordat hij ontvoogd was en de leeftijd van achttien jaar had bereikt.
Wanneer de geldigheid van de voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit verrichte akten afhankelijk was van het houden van de Belgische nationaliteit, kan die geldigheid niet worden betwist op de enkele grond dat de belanghebbende die nationaliteit niet bezat. Hetzelfde geldt voor de rechten die voor de verkrijging van de Belgische nationaliteit zijn verkregen en waarvoor het bezit van de Belgische nationaliteit vereist was.]1
Art. 17. [1 La personne de bonne foi à qui la nationalité belge a été octroyée erronément et qui a, de façon constante durant au moins dix années, été considérée comme Belge par les autorités belges, peut, si la nationalité belge lui est contestée, acquérir la nationalité belge conformément à l'article 15.
[2 Lorsque le déclarant réside en Belgique, la condition de séjour illimité prévue par l'article 7bis, § 2, alinéa 1er, 1°, ne s'applique pas. Lorsque la demande est introduite depuis l'étranger en application de l'article 15, § 1er, alinéa 2, les conditions visées à l'article 7bis, §§ 1er et 2, alinéa 1er, 1°, ne s'appliquent pas.]2
La déclaration doit être faite avant l'expiration d'un délai d'un an prenant cours à la date à laquelle une autorité belge conteste définitivement la détention de la nationalité belge par la personne.
Ce délai est prorogé jusqu'à l'âge de dix-neuf ans si le déclarant est une personne dont la filiation à l'égard d'un auteur belge a cessé d'être établie alors qu'il n'était pas émancipé et n'avait pas atteint l'âge de dix-huit ans.
Lorsque la validité des actes passés antérieurement à l'acquisition de la nationalité belge était subordonnée à la détention de la nationalité belge, cette validité ne peut être contestée pour le seul motif que le déclarant n'avait pas cette nationalité. Il en est de même des droits acquis antérieurement à l'acquisition de la nationalité belge pour lesquels la nationalité belge était requise.]1
[2 Lorsque le déclarant réside en Belgique, la condition de séjour illimité prévue par l'article 7bis, § 2, alinéa 1er, 1°, ne s'applique pas. Lorsque la demande est introduite depuis l'étranger en application de l'article 15, § 1er, alinéa 2, les conditions visées à l'article 7bis, §§ 1er et 2, alinéa 1er, 1°, ne s'appliquent pas.]2
La déclaration doit être faite avant l'expiration d'un délai d'un an prenant cours à la date à laquelle une autorité belge conteste définitivement la détention de la nationalité belge par la personne.
Ce délai est prorogé jusqu'à l'âge de dix-neuf ans si le déclarant est une personne dont la filiation à l'égard d'un auteur belge a cessé d'être établie alors qu'il n'était pas émancipé et n'avait pas atteint l'âge de dix-huit ans.
Lorsque la validité des actes passés antérieurement à l'acquisition de la nationalité belge était subordonnée à la détention de la nationalité belge, cette validité ne peut être contestée pour le seul motif que le déclarant n'avait pas cette nationalité. Il en est de même des droits acquis antérieurement à l'acquisition de la nationalité belge pour lesquels la nationalité belge était requise.]1
Wijzigingen
Afdeling 3.]1 - (vroeger afdeling 5) Verkrijging van de Belgische nationaliteit door naturalisatie.
Section 3.]1 - (ancienne section 5) Acquisition de la nationalité belge par naturalisation.
Art. 18. De naturalisatie verleent de staat van Belg.
(Lid 2 opgeheven) <W 1993-08-06/35, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 03-10-1993>
(Lid 2 opgeheven) <W 1993-08-06/35, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 03-10-1993>
Art. 18. La naturalisation confère la nationalité belge.
[Alinéa 2 abrogé] <L 1993-08-06/35, art. 5, 004; En vigueur : 03-10-1993>
[Alinéa 2 abrogé] <L 1993-08-06/35, art. 5, 004; En vigueur : 03-10-1993>
Art. 19. [1 § 1. Om de naturalisatie te kunnen aanvragen, moet de belanghebbende :
1° de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt [3 of voor die leeftijd zijn ontvoogd]3;
2° wettelijk verblijven in België;
3° en aan België buitengewone verdiensten hebben bewezen of kunnen bewijzen op het wetenschappelijk, sportief, of sociocultureel vlak en daardoor een bijzondere bijdrage kunnen leveren voor de internationale uitstraling van België;
4° en met redenen omkleden waarom het voor hem zo goed als onmogelijk is om de Belgische nationaliteit te verkrijgen door het af eggen van een nationaliteitsverklaring overeenkomstig artikel 12bis.
Om zich te kunnen beroepen op buitengewone verdiensten, moet de belanghebbende op straffe van onontvankelijkheid volgende elementen kunnen aantonen :
1° in het geval van buitengewone verdiensten op wetenschappelijk vlak : een doctoraatstitel;
2° in het geval van buitengewone verdiensten op sportief vlak : het halen van de internationale selectiecriteria of de door het BOIC opgelegde criteria van een Europees Kampioenschap, een Wereldkampioenschap of de Olympische Spelen, of zich in het geval bevinden dat de federatie van de betrokken sporttak van oordeel is dat hij of zij een meerwaarde kan betekenen voor België in het kader van de voorronde of het eindtoernooi van een Europees Kampioenschap, een Wereldkampioenschap of de Olympische Spelen;
3° In het geval van buitengewone verdiensten op sociocultureel vlak : de eindselectie van een internationale cultuurwedstrijd gehaald hebben of internationaal geprezen worden omwille van zijn verdiensten op cultureel vlak of omwille van zijn sociale en maatschappelijke inzet.
§ 2. De naturalisatie kan eveneens worden aangevraagd door de vreemdeling [2 die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt]2 [3 of voor die leeftijd is ontvoogd]3 en de hoedanigheid heeft van staatloze in België krachtens de er vigerende internationale overeenkomsten, en sedert ten minste twee jaar wettelijk verblijf heeft in België.]1
1° de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt [3 of voor die leeftijd zijn ontvoogd]3;
2° wettelijk verblijven in België;
3° en aan België buitengewone verdiensten hebben bewezen of kunnen bewijzen op het wetenschappelijk, sportief, of sociocultureel vlak en daardoor een bijzondere bijdrage kunnen leveren voor de internationale uitstraling van België;
4° en met redenen omkleden waarom het voor hem zo goed als onmogelijk is om de Belgische nationaliteit te verkrijgen door het af eggen van een nationaliteitsverklaring overeenkomstig artikel 12bis.
Om zich te kunnen beroepen op buitengewone verdiensten, moet de belanghebbende op straffe van onontvankelijkheid volgende elementen kunnen aantonen :
1° in het geval van buitengewone verdiensten op wetenschappelijk vlak : een doctoraatstitel;
2° in het geval van buitengewone verdiensten op sportief vlak : het halen van de internationale selectiecriteria of de door het BOIC opgelegde criteria van een Europees Kampioenschap, een Wereldkampioenschap of de Olympische Spelen, of zich in het geval bevinden dat de federatie van de betrokken sporttak van oordeel is dat hij of zij een meerwaarde kan betekenen voor België in het kader van de voorronde of het eindtoernooi van een Europees Kampioenschap, een Wereldkampioenschap of de Olympische Spelen;
3° In het geval van buitengewone verdiensten op sociocultureel vlak : de eindselectie van een internationale cultuurwedstrijd gehaald hebben of internationaal geprezen worden omwille van zijn verdiensten op cultureel vlak of omwille van zijn sociale en maatschappelijke inzet.
§ 2. De naturalisatie kan eveneens worden aangevraagd door de vreemdeling [2 die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt]2 [3 of voor die leeftijd is ontvoogd]3 en de hoedanigheid heeft van staatloze in België krachtens de er vigerende internationale overeenkomsten, en sedert ten minste twee jaar wettelijk verblijf heeft in België.]1
Art. 19. [1 § 1er. Pour pouvoir demander la naturalisation, l'intéressé doit :
1° avoir atteint l'âge de dix-huit ans [3 ou avoir été émancipé avant cet âge]3;
2° séjourner légalement en Belgique;
3° et avoir témoigné ou pouvoir témoigner à la Belgique de mérites exceptionnels dans les domaines scientifique, sportif ou socioculturel et, de ce fait, pouvoir apporter une contribution particulière au rayonnement international de la Belgique;
4° et motiver pourquoi il lui est quasiment impossible d'acquérir la nationalité belge en faisant une déclaration de nationalité conformément à l'article 12bis.
Pour pouvoir se prévaloir de mérites exceptionnels, l'intéressé doit, sous peine d'irrecevabilité, pouvoir fournir la preuve des éléments suivants :
1° en cas de mérites exceptionnels dans le domaine scientifique : un doctorat;
2° en cas de mérites exceptionnels dans le domaine sportif : avoir satisfait aux critères de sélection internationaux ou aux critères imposés par le COIB pour un championnat d'Europe, un championnat du monde ou les Jeux olympiques, ou se trouver dans le cas où la fédération de la discipline sportive concernée considère qu'il ou elle peut représenter une valeur ajoutée pour la Belgique dans le cadre des phases éliminatoires ou finales d'un championnat d'Europe, d'un championnat du monde ou des Jeux olympiques;
3° en cas de mérites exceptionnels dans le domaine socioculturel : avoir atteint la sélection finale d'une compétition culturelle internationale ou être récompensé sur la scène internationale en raison de ses mérites sur le plan culturel ou en raison de son investissement social et sociétal.
§ 2. La naturalisation peut également être demandée par un étranger [2 qui a atteint l'âge de dix-huit ans [3 ou a été émancipé avant cet âge]3 et]2 qui a la qualité d'apatride en Belgique en vertu des conventions internationales qui y sont en vigueur, et qui séjourne légalement en Belgique depuis deux ans au moins.]1
1° avoir atteint l'âge de dix-huit ans [3 ou avoir été émancipé avant cet âge]3;
2° séjourner légalement en Belgique;
3° et avoir témoigné ou pouvoir témoigner à la Belgique de mérites exceptionnels dans les domaines scientifique, sportif ou socioculturel et, de ce fait, pouvoir apporter une contribution particulière au rayonnement international de la Belgique;
4° et motiver pourquoi il lui est quasiment impossible d'acquérir la nationalité belge en faisant une déclaration de nationalité conformément à l'article 12bis.
Pour pouvoir se prévaloir de mérites exceptionnels, l'intéressé doit, sous peine d'irrecevabilité, pouvoir fournir la preuve des éléments suivants :
1° en cas de mérites exceptionnels dans le domaine scientifique : un doctorat;
2° en cas de mérites exceptionnels dans le domaine sportif : avoir satisfait aux critères de sélection internationaux ou aux critères imposés par le COIB pour un championnat d'Europe, un championnat du monde ou les Jeux olympiques, ou se trouver dans le cas où la fédération de la discipline sportive concernée considère qu'il ou elle peut représenter une valeur ajoutée pour la Belgique dans le cadre des phases éliminatoires ou finales d'un championnat d'Europe, d'un championnat du monde ou des Jeux olympiques;
3° en cas de mérites exceptionnels dans le domaine socioculturel : avoir atteint la sélection finale d'une compétition culturelle internationale ou être récompensé sur la scène internationale en raison de ses mérites sur le plan culturel ou en raison de son investissement social et sociétal.
§ 2. La naturalisation peut également être demandée par un étranger [2 qui a atteint l'âge de dix-huit ans [3 ou a été émancipé avant cet âge]3 et]2 qui a la qualité d'apatride en Belgique en vertu des conventions internationales qui y sont en vigueur, et qui séjourne légalement en Belgique depuis deux ans au moins.]1
Art. 20. (Opgeheven) <W 1993-08-06/35, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 03-10-1993>
Art. 20. [Abrogé] <L 1993-08-06/35, art. 7, 004; En vigueur : 03-10-1993>
Art. 21. [1 § 1. Het verzoek om naturalisatie wordt gericht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de belanghebbende zijn hoofdverblijfplaats heeft of aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De aanvraagformulieren, waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald op voordracht van de minister van Justitie, kunnen worden bekomen bij ieder gemeentebestuur.
De Koning bepaalt, op voordracht van de minister van Justitie, welke akten en stavingsstukken bij het verzoek moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 19. De verzoeker kan alle bijkomende documenten, die hij nuttig acht ter staving van zijn aanvraag, bij zijn verzoek voegen.
Het aanvraagformulier wordt door de aanvrager ondertekend. De handtekening wordt voorafgegaan door de volgende, door de aanvrager met de hand geschreven vermelding :
" Ik verklaar Belgisch staatsburger te willen worden en de Grondwet, de wetten van het Belgische volk en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te zullen naleven ".
§ 2. Indien de schrijfwijze van de naam of voornaam van de vreemdeling niet identiek is in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister, strafregister of de voorgelegde documenten, dan wordt de aanvraag opgeschort totdat de schrijfwijze in alle registers en documenten gelijk is gemaakt.
Indien de vreemdeling geen naam of voornaam heeft, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand of de Kamer van volksvertegenwoordigers de vreemdeling voor kosteloos een procedure in te stellen overeenkomstig de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, in welk geval de aanvraag wordt opgeschort totdat de vreemdeling een naam en voornaam heeft bekomen.
§ 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de Kamer van volksvertegenwoordigers levert een ontvangstbewijs van het naturalisatieverzoek af wanneer het dossier volledig werd bevonden en het registratierecht bepaald bij artikel 238 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, werd voldaan.
§ 4. Het verzoek om naturalisatie vervalt wanneer na de indiening ervan de belanghebbende ophoudt wettelijk in België te verblijven, of zijn hoofdverblijf in België te hebben.
§ 5. Indien het verzoek tot naturalisatie gericht is aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, zendt deze dit verzoek, alsook de stukken bedoeld in § 1, derde lid, die hem zijn toegezonden, over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de ontvangst van het verzoek.
De Kamer van volksvertegenwoordigers levert aan de belanghebbende een ontvangstbewijs af dat bevestigt dat het aanvraagdossier volledig is. Uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op de neerlegging van het verzoek tot naturalisatie, wordt een afschrift hiervan, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs, overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdverblijfplaats van de verzoeker, aan de dienst Vreemdelingenzaken en aan de Veiligheid van de Staat, met het oog op het verstrekken van een advies binnen een termijn van vier maanden met betrekking tot de in artikel 19 gestelde vereisten en de in artikel 15, § 3, bedoelde omstandigheden, alsook met betrekking tot ieder gegeven waarover de Kamer wenst te worden ingelicht. De procureur des Konings, de Dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat geven hiervan onverwijld ontvangstmelding.
Indien de overzending van het naturalisatieverzoek door de Kamer van volksvertegenwoordigers niet gebeurt binnen de in het tweede lid voorgeschreven termijn en indien ze plaatsheeft in de loop van de laatste maand van de termijn, wordt deze van ambtswege verlengd met een maand te rekenen van de overzending aan de drie instanties bedoeld in het tweede lid.
Het advies wordt geacht gunstig te zijn indien geen opmerkingen gemaakt zijn door het parket, de Dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat binnen een termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het derde lid, te rekenen van de indiening van een volledig aanvraagdossier bij de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De Kamer van volksvertegenwoordigers beslist over het verlenen van de naturalisatie op de wijze bepaald in haar reglement. Integratie en kennis van één van de drie landstalen zijn hierbij belangrijke elementen die worden uitgewerkt door de commissie voor de Naturalisaties in haar reglement.
§ 6. De akte van naturalisatie aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers en bekrachtigd door de Koning op voordracht van de minister van Justitie wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze akte heeft uitwerking te rekenen van de dag van die bekendmaking.]1
De aanvraagformulieren, waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald op voordracht van de minister van Justitie, kunnen worden bekomen bij ieder gemeentebestuur.
De Koning bepaalt, op voordracht van de minister van Justitie, welke akten en stavingsstukken bij het verzoek moeten worden gevoegd om te bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 19. De verzoeker kan alle bijkomende documenten, die hij nuttig acht ter staving van zijn aanvraag, bij zijn verzoek voegen.
Het aanvraagformulier wordt door de aanvrager ondertekend. De handtekening wordt voorafgegaan door de volgende, door de aanvrager met de hand geschreven vermelding :
" Ik verklaar Belgisch staatsburger te willen worden en de Grondwet, de wetten van het Belgische volk en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te zullen naleven ".
§ 2. Indien de schrijfwijze van de naam of voornaam van de vreemdeling niet identiek is in het bevolkingsregister, vreemdelingenregister, strafregister of de voorgelegde documenten, dan wordt de aanvraag opgeschort totdat de schrijfwijze in alle registers en documenten gelijk is gemaakt.
Indien de vreemdeling geen naam of voornaam heeft, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand of de Kamer van volksvertegenwoordigers de vreemdeling voor kosteloos een procedure in te stellen overeenkomstig de wet van 15 mei 1987 betreffende de namen en voornamen, in welk geval de aanvraag wordt opgeschort totdat de vreemdeling een naam en voornaam heeft bekomen.
§ 3. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de Kamer van volksvertegenwoordigers levert een ontvangstbewijs van het naturalisatieverzoek af wanneer het dossier volledig werd bevonden en het registratierecht bepaald bij artikel 238 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, werd voldaan.
§ 4. Het verzoek om naturalisatie vervalt wanneer na de indiening ervan de belanghebbende ophoudt wettelijk in België te verblijven, of zijn hoofdverblijf in België te hebben.
§ 5. Indien het verzoek tot naturalisatie gericht is aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, zendt deze dit verzoek, alsook de stukken bedoeld in § 1, derde lid, die hem zijn toegezonden, over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de ontvangst van het verzoek.
De Kamer van volksvertegenwoordigers levert aan de belanghebbende een ontvangstbewijs af dat bevestigt dat het aanvraagdossier volledig is. Uiterlijk binnen vijf werkdagen die volgen op de neerlegging van het verzoek tot naturalisatie, wordt een afschrift hiervan, samen met een afschrift van het ontvangstbewijs, overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers aan het parket van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdverblijfplaats van de verzoeker, aan de dienst Vreemdelingenzaken en aan de Veiligheid van de Staat, met het oog op het verstrekken van een advies binnen een termijn van vier maanden met betrekking tot de in artikel 19 gestelde vereisten en de in artikel 15, § 3, bedoelde omstandigheden, alsook met betrekking tot ieder gegeven waarover de Kamer wenst te worden ingelicht. De procureur des Konings, de Dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat geven hiervan onverwijld ontvangstmelding.
Indien de overzending van het naturalisatieverzoek door de Kamer van volksvertegenwoordigers niet gebeurt binnen de in het tweede lid voorgeschreven termijn en indien ze plaatsheeft in de loop van de laatste maand van de termijn, wordt deze van ambtswege verlengd met een maand te rekenen van de overzending aan de drie instanties bedoeld in het tweede lid.
Het advies wordt geacht gunstig te zijn indien geen opmerkingen gemaakt zijn door het parket, de Dienst Vreemdelingenzaken en de Veiligheid van de Staat binnen een termijn van vier maanden, desgevallend verlengd overeenkomstig het derde lid, te rekenen van de indiening van een volledig aanvraagdossier bij de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De Kamer van volksvertegenwoordigers beslist over het verlenen van de naturalisatie op de wijze bepaald in haar reglement. Integratie en kennis van één van de drie landstalen zijn hierbij belangrijke elementen die worden uitgewerkt door de commissie voor de Naturalisaties in haar reglement.
§ 6. De akte van naturalisatie aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers en bekrachtigd door de Koning op voordracht van de minister van Justitie wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze akte heeft uitwerking te rekenen van de dag van die bekendmaking.]1
Art. 21. [1 § 1er. La demande de naturalisation est adressée à l'officier de l'état civil du lieu où l'intéressé a sa résidence principale ou à la Chambre des représentants.
Les formulaires de demande, dont le contenu est fixé par le Roi sur la proposition du ministre de la Justice, peuvent être obtenus dans les administrations communales.
Le Roi, sur la proposition du ministre de la Justice, détermine les actes et justificatifs à joindre à la demande pour apporter la preuve que les conditions prévues à l'article 19 sont réunies. Le demandeur peut joindre à sa demande tous les autres documents qu'il juge utiles pour la justifier.
Le formulaire de demande est signé par le demandeur, qui fait précéder sa signature de la mention manuscrite :
" Je déclare vouloir acquérir la nationalité belge et me soumettre à la Constitution, aux lois du peuple belge et à la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales ".
§ 2. Si le nom ou le prénom de l'étranger n'est pas orthographié de la même façon dans le registre de la population, le registre des étrangers, le casier judiciaire ou les documents présentés, la demande est suspendue jusqu'à ce que l'orthographe ait été uniformisée dans tous les registres et documents.
Si l'étranger n'a pas de nom ou de prénom, l'officier de l'état civil ou la Chambre des représentants proposera à l'étranger d'introduire gratuitement une procédure conformément à la loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms, auquel cas la demande est suspendue jusqu'à ce que l'étranger ait un nom et un prénom.
§ 3. L'officier de l'état civil ou la Chambre des représentants délivre un accusé de réception de la demande de naturalisation lorsque le dossier est jugé complet et que le droit d'enregistrement prévu à l'article 238 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe a été acquitté.
§ 4. La demande de naturalisation devient caduque si, après son introduction, son auteur cesse d'être en séjour légal en Belgique ou d'y avoir sa résidence principale.
§ 5. Si la demande de naturalisation est adressée à l'officier de l'état civil, celui-ci la transmet, ainsi que les pièces visées au § 1er, alinéa 3, qui lui ont été communiquées, à la Chambre des représentants dans un délai de quinze jours suivant sa réception.
La Chambre des représentants délivre au demandeur un récépissé attestant le dépôt d'un dossier de demande complet. Au plus tard dans les cinq jours ouvrables qui suivent le dépôt de la demande de naturalisation, une copie de celle-ci, à laquelle une copie du récépissé est jointe, est communiquée par la Chambre des représentants au parquet du tribunal de première instance de la résidence principale du demandeur, à l'Office des étrangers et à la Sûreté de l'Etat, pour avis à fournir dans un délai de quatre mois sur les critères prévus à l'article 19 et les circonstances prévues à l'article 15, § 3, ainsi que sur tout autre élément dont la Chambre souhaite être informée. Le procureur du Roi, l'Office des étrangers et la Sûreté de l'Etat en accusent réception sans délai.
Si la communication de la demande de naturalisation par la Chambre des représentants ne s'effectue pas conformément au délai prescrit à l'alinéa 2 et qu'elle intervient au cours du dernier mois du délai, celui-ci sera d'office prolongé d'un mois à dater de la communication aux trois instances visées à l'alinéa 2.
L'avis est réputé favorable à défaut d'observations formulées par le parquet, l'Office des étrangers et la Sûreté de l'Etat dans un délai de quatre mois, éventuellement prolongé conformément à l'alinéa 3, à dater du dépôt d'un dossier complet de demande à la Chambre des représentants.
La Chambre des représentants statue sur l'octroi de la naturalisation selon les modalités déterminées dans son règlement. L'intégration et la connaissance d'une des trois langues nationales constituent des éléments importants à cet égard, qui sont précisés par la commission des Naturalisations dans son règlement.
§ 6. L'acte de naturalisation, adopté par la Chambre des représentants et sanctionné par le Roi sur la proposition du ministre de la Justice, est publié au Moniteur belge. Cet acte produit ses effets à compter du jour de cette publication.]1
Les formulaires de demande, dont le contenu est fixé par le Roi sur la proposition du ministre de la Justice, peuvent être obtenus dans les administrations communales.
Le Roi, sur la proposition du ministre de la Justice, détermine les actes et justificatifs à joindre à la demande pour apporter la preuve que les conditions prévues à l'article 19 sont réunies. Le demandeur peut joindre à sa demande tous les autres documents qu'il juge utiles pour la justifier.
Le formulaire de demande est signé par le demandeur, qui fait précéder sa signature de la mention manuscrite :
" Je déclare vouloir acquérir la nationalité belge et me soumettre à la Constitution, aux lois du peuple belge et à la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales ".
§ 2. Si le nom ou le prénom de l'étranger n'est pas orthographié de la même façon dans le registre de la population, le registre des étrangers, le casier judiciaire ou les documents présentés, la demande est suspendue jusqu'à ce que l'orthographe ait été uniformisée dans tous les registres et documents.
Si l'étranger n'a pas de nom ou de prénom, l'officier de l'état civil ou la Chambre des représentants proposera à l'étranger d'introduire gratuitement une procédure conformément à la loi du 15 mai 1987 relative aux noms et prénoms, auquel cas la demande est suspendue jusqu'à ce que l'étranger ait un nom et un prénom.
§ 3. L'officier de l'état civil ou la Chambre des représentants délivre un accusé de réception de la demande de naturalisation lorsque le dossier est jugé complet et que le droit d'enregistrement prévu à l'article 238 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe a été acquitté.
§ 4. La demande de naturalisation devient caduque si, après son introduction, son auteur cesse d'être en séjour légal en Belgique ou d'y avoir sa résidence principale.
§ 5. Si la demande de naturalisation est adressée à l'officier de l'état civil, celui-ci la transmet, ainsi que les pièces visées au § 1er, alinéa 3, qui lui ont été communiquées, à la Chambre des représentants dans un délai de quinze jours suivant sa réception.
La Chambre des représentants délivre au demandeur un récépissé attestant le dépôt d'un dossier de demande complet. Au plus tard dans les cinq jours ouvrables qui suivent le dépôt de la demande de naturalisation, une copie de celle-ci, à laquelle une copie du récépissé est jointe, est communiquée par la Chambre des représentants au parquet du tribunal de première instance de la résidence principale du demandeur, à l'Office des étrangers et à la Sûreté de l'Etat, pour avis à fournir dans un délai de quatre mois sur les critères prévus à l'article 19 et les circonstances prévues à l'article 15, § 3, ainsi que sur tout autre élément dont la Chambre souhaite être informée. Le procureur du Roi, l'Office des étrangers et la Sûreté de l'Etat en accusent réception sans délai.
Si la communication de la demande de naturalisation par la Chambre des représentants ne s'effectue pas conformément au délai prescrit à l'alinéa 2 et qu'elle intervient au cours du dernier mois du délai, celui-ci sera d'office prolongé d'un mois à dater de la communication aux trois instances visées à l'alinéa 2.
L'avis est réputé favorable à défaut d'observations formulées par le parquet, l'Office des étrangers et la Sûreté de l'Etat dans un délai de quatre mois, éventuellement prolongé conformément à l'alinéa 3, à dater du dépôt d'un dossier complet de demande à la Chambre des représentants.
La Chambre des représentants statue sur l'octroi de la naturalisation selon les modalités déterminées dans son règlement. L'intégration et la connaissance d'une des trois langues nationales constituent des éléments importants à cet égard, qui sont précisés par la commission des Naturalisations dans son règlement.
§ 6. L'acte de naturalisation, adopté par la Chambre des représentants et sanctionné par le Roi sur la proposition du ministre de la Justice, est publié au Moniteur belge. Cet acte produit ses effets à compter du jour de cette publication.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK IV. - VERLIES VAN DE BELGISCHE NATIONALITEIT.
CHAPITRE IV. - PERTE DE LA NATIONALITE BELGE.
Art. 22. § 1. De staat van Belg verliest :
1° (...) <W 2006-12-27/32, art. 386, 1°, 009; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
2° hij die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en verklaart afstand te doen van de Belgische nationaliteit; de daartoe strekkende verklaring kan alleen worden afgelegd wanneer de belanghebbende bewijst dat hij een vreemde nationaliteit bezit of die als gevolg van zijn verklaring verkrijgt of herkrijgt [1 indien deze verkrijging of herkrijging niet onmiddellijk volgt op de verklaring van afstand en bovendien tot gevolg heeft dat de belanghebbende daardoor staatloos wordt, heeft deze verklaring slechts rechtsgevolgen op het ogenblik van de daadwerkelijke verkrijging of herkrijging van de vreemde nationaliteit]1;
3° het niet ontvoogd kind dat de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en onder het gezag staat van een enkele ouder of adoptant wanneer deze op grond van (...) 2° de staat van Belg verliest, mits de vreemde nationaliteit van de ouder of adoptant aan dat kind wordt verleend of dit die nationaliteit reeds bezit; wanneer het gezag over het kind door de ouders of door de adoptanten wordt uitgeoefend, verliest het niet ontvoogd kind dat de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt de Belgische nationaliteit niet zolang één van hen die nog bezit; het verliest ze wanneer die ouder of adoptant ze zelf verliest, mits dit kind de nationaliteit van één van zijn ouders of adoptanten verkrijgt of ze reeds bezit; dezelfde regel geldt wanneer het gezag over het kind door de vader of de moeder samen met de echtgenoot-adoptant wordt uitgeoefend; <L 2006-12-27/32, art. 386, 2°, 009; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
4° het niet ontvoogd kind dat de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en dat door een vreemdeling of door vreemdelingen geadopteerd wordt, mits het ten gevolge van de adoptie de nationaliteit van de adoptant of van één van hen verkrijgt of die nationaliteit reeds bezit; het verliest de Belgische nationaliteit niet wanneer een van de adoptanten Belg is of de ouder die echtgenoot is van de vreemde adoptant, Belg is;
5° de Belg die in het buitenland geboren is met uitzondering van de voormalige Belgische koloniën, wanneer :
a) hij van achttien tot achtentwintig jaar ononderbroken zijn hoofdverblijfplaats in het buitenland gehad heeft;
b) hij in het buitenland geen ambt uitoefent dat hem door de Belgische Regering of door dezer bemiddeling opgedragen is of daar niet tewerkgesteld is door een vennootschap of een vereniging naar Belgisch recht waarvan hij personeelslid is;
c) hij, alvorens de leeftijd van achtentwintig jaar te bereiken, niet verklaard heeft zijn Belgische nationaliteit te willen behouden; (...) <W 2006-12-27/32, art. 386, 009; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
6° het niet ontvoogd kind dat de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en onder het gezag van een enkele ouder of adoptant staat, wanneer deze op grond van 5° de Belgische nationaliteit verliest; wanneer het gezag over het kind door de ouders of door de adoptanten wordt uitgeoefend, verliest het niet ontvoogd kind dat de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt de Belgische nationaliteit niet zolang één van hen die nog bezit; het verliest ze wanneer die ouder of adoptant ze zelf verliest; dezelfde regel geldt wanneer het gezag over het kind door de vader of de moeder samen met de echtgenoot-adoptant wordt uitgeoefend;
7° hij die krachtens [1 artikelen 23, 23/1 en 23/2]1 van de Belgische nationaliteit vervallen is verklaard.
§ 2. [2 Paragraaf 1, 5°, is niet van toepassing op de Belg die tussen de leeftijd van achttien en achtentwintig jaar, een Belgisch paspoort of Belgische identiteitskaart heeft aangevraagd en aan wie dit werd uitgereikt.]2
§ 3. Paragraaf 1, 5° en 6°, is niet van toepassing op de Belg die ingevolge een van die bepalingen staatloos zou worden.
§ 4. De verklaringen bedoeld in § 1, 2° en 5°, worden afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats van [1 degene die de verklaring aflegt]1 of, in het buitenland, ten overstaan van het hoofd van de [2 ...]2 (beroepsconsulaire post) [4 bevoegd overeenkomstig het Consulair Wetboek en volgens de daar bepaalde voorwaarden]4. [3 De ambtenaar van de burgerlijke stand of, in voorkomend geval, het hoofd van de Belgische consulaire beroepspost maakt op basis van de verklaring een akte van nationaliteit op overeenkomstig artikel 67 van het Burgerlijk Wetboek.
[4 ...]4
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]3 De ambtenaar van de burgerlijke stand treedt op zonder getuigen. [1 ....]1. <W 2006-12-27/32, art. 386, 009; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
1° (...) <W 2006-12-27/32, art. 386, 1°, 009; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
2° hij die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en verklaart afstand te doen van de Belgische nationaliteit; de daartoe strekkende verklaring kan alleen worden afgelegd wanneer de belanghebbende bewijst dat hij een vreemde nationaliteit bezit of die als gevolg van zijn verklaring verkrijgt of herkrijgt [1 indien deze verkrijging of herkrijging niet onmiddellijk volgt op de verklaring van afstand en bovendien tot gevolg heeft dat de belanghebbende daardoor staatloos wordt, heeft deze verklaring slechts rechtsgevolgen op het ogenblik van de daadwerkelijke verkrijging of herkrijging van de vreemde nationaliteit]1;
3° het niet ontvoogd kind dat de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en onder het gezag staat van een enkele ouder of adoptant wanneer deze op grond van (...) 2° de staat van Belg verliest, mits de vreemde nationaliteit van de ouder of adoptant aan dat kind wordt verleend of dit die nationaliteit reeds bezit; wanneer het gezag over het kind door de ouders of door de adoptanten wordt uitgeoefend, verliest het niet ontvoogd kind dat de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt de Belgische nationaliteit niet zolang één van hen die nog bezit; het verliest ze wanneer die ouder of adoptant ze zelf verliest, mits dit kind de nationaliteit van één van zijn ouders of adoptanten verkrijgt of ze reeds bezit; dezelfde regel geldt wanneer het gezag over het kind door de vader of de moeder samen met de echtgenoot-adoptant wordt uitgeoefend; <L 2006-12-27/32, art. 386, 2°, 009; Inwerkingtreding : 09-06-2007>
4° het niet ontvoogd kind dat de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en dat door een vreemdeling of door vreemdelingen geadopteerd wordt, mits het ten gevolge van de adoptie de nationaliteit van de adoptant of van één van hen verkrijgt of die nationaliteit reeds bezit; het verliest de Belgische nationaliteit niet wanneer een van de adoptanten Belg is of de ouder die echtgenoot is van de vreemde adoptant, Belg is;
5° de Belg die in het buitenland geboren is met uitzondering van de voormalige Belgische koloniën, wanneer :
a) hij van achttien tot achtentwintig jaar ononderbroken zijn hoofdverblijfplaats in het buitenland gehad heeft;
b) hij in het buitenland geen ambt uitoefent dat hem door de Belgische Regering of door dezer bemiddeling opgedragen is of daar niet tewerkgesteld is door een vennootschap of een vereniging naar Belgisch recht waarvan hij personeelslid is;
c) hij, alvorens de leeftijd van achtentwintig jaar te bereiken, niet verklaard heeft zijn Belgische nationaliteit te willen behouden; (...) <W 2006-12-27/32, art. 386, 009; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
6° het niet ontvoogd kind dat de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en onder het gezag van een enkele ouder of adoptant staat, wanneer deze op grond van 5° de Belgische nationaliteit verliest; wanneer het gezag over het kind door de ouders of door de adoptanten wordt uitgeoefend, verliest het niet ontvoogd kind dat de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt de Belgische nationaliteit niet zolang één van hen die nog bezit; het verliest ze wanneer die ouder of adoptant ze zelf verliest; dezelfde regel geldt wanneer het gezag over het kind door de vader of de moeder samen met de echtgenoot-adoptant wordt uitgeoefend;
7° hij die krachtens [1 artikelen 23, 23/1 en 23/2]1 van de Belgische nationaliteit vervallen is verklaard.
§ 2. [2 Paragraaf 1, 5°, is niet van toepassing op de Belg die tussen de leeftijd van achttien en achtentwintig jaar, een Belgisch paspoort of Belgische identiteitskaart heeft aangevraagd en aan wie dit werd uitgereikt.]2
§ 3. Paragraaf 1, 5° en 6°, is niet van toepassing op de Belg die ingevolge een van die bepalingen staatloos zou worden.
§ 4. De verklaringen bedoeld in § 1, 2° en 5°, worden afgelegd ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de hoofdverblijfplaats van [1 degene die de verklaring aflegt]1 of, in het buitenland, ten overstaan van het hoofd van de [2 ...]2 (beroepsconsulaire post) [4 bevoegd overeenkomstig het Consulair Wetboek en volgens de daar bepaalde voorwaarden]4. [3 De ambtenaar van de burgerlijke stand of, in voorkomend geval, het hoofd van de Belgische consulaire beroepspost maakt op basis van de verklaring een akte van nationaliteit op overeenkomstig artikel 67 van het Burgerlijk Wetboek.
[4 ...]4
De verklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van nationaliteit.]3 De ambtenaar van de burgerlijke stand treedt op zonder getuigen. [1 ....]1. <W 2006-12-27/32, art. 386, 009; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
Art. 22. § 1er. Perdent la qualité de Belge :
1° [...] <L 2006-12-27/32, art. 386, 1°, 009; En vigueur : 09-06-2007>
2° celui qui, ayant atteint l'âge de dix-huit ans, déclare renoncer à la nationalité belge; cette déclaration ne peut être faite que si le déclarant prouve qu'il possède une nationalité étrangère ou qu'il l'acquiert ou la recouvre par l'effet de la déclaration [1 si cette acquisition ou ce recouvrement ne suit pas immédiatement la déclaration de renonciation et a, en outre, pour résultat de rendre l'intéressé apatride, cette déclaration ne produit des effets juridiques qu'au moment de l'acquisition ou du recouvrement effectifs de la nationalité étrangère;]1;
3° l'enfant non émancipé n'ayant pas atteint l'âge de dix-huit ans et soumis à l'autorité d'un seul auteur ou adoptant, lorsque celui-ci perd la nationalité belge par l'effet du [...] 2°, à la condition que la nationalité étrangère de l'auteur ou de l'adoptant soit conférée à cet enfant ou que celui-ci la possède déjà; lorsque l'autorité sur l'enfant est exercée par les père et mère ou par les adoptants, l'enfant non émancipé n'ayant pas atteint l'âge de dix-huit ans ne perd pas la nationalité belge tant que l'un d'eux la possède encore; il la perd lorsque cet auteur ou adoptant vient lui-même à la perdre, à la condition que cet enfant acquière la nationalité d'un de ses auteurs ou adoptants ou qu'il la possède déjà; la même règle s'applique au cas où l'autorité sur l'enfant est exercée par le père ou la mère et son conjoint adoptant; <L 2006-12-27/32, art. 386, 2°, 009; En vigueur : 09-06-2007>
4° l'enfant non émancipé n'ayant pas atteint l'âge de dix-huit ans, adopté par un étranger ou par des étrangers, à la condition que la nationalité de l'adoptant ou de l'un d'eux lui soit acquise par l'effet de l'adoption ou qu'il possède déjà cette nationalité; il ne perd pas la nationalité belge si l'un des adoptants est Belge ou si l'auteur conjoint de l'adoptant étranger est Belge;
5° le Belge né à l'étranger a l'exception des anciennes colonies belges lorsque :
a) il a eu sa résidence principale et continue à l'étranger de dix-huit à vingt-huit ans;
b) il n'exerce à l'étranger aucune fonction conférée par le Gouvernement belge ou à l'intervention de celui-ci, ou n'y est pas occupé par une société ou une association de droit belge au personnel de laquelle il appartient;
c) il n'a pas déclare, avant d'atteindre l'âge de vingt-huit ans, vouloir conserver sa nationalité belge; [...] <L 2006-12-27/32, art. 386, 009; En vigueur : 28-12-2006>
6° l'enfant non émancipé n'ayant pas atteint l'âge de dix-huit ans et soumis à l'autorité d'un seul auteur ou adoptant, lorsque celui-ci perd la nationalité belge par l'effet du 5°; lorsque l'autorité sur l'enfant est exercée par les père et mère ou par les adoptants, l'enfant non émancipé n'ayant pas atteint l'âge de dix-huit ans ne perd pas la nationalité belge tant que l'un d'eux la possède encore; il la perd lorsque cet auteur ou adoptant vient lui-même à la perdre; la même règle s'applique au cas où l'autorité sur l'enfant est exercée par le père ou la mère et son conjoint adoptant;
7° celui qui est déchu de la nationalité belge en vertu [1 des articles 23, 23/1 et 23/2]1.
§ 2. [2 Le paragraphe 1er, 5°, ne s'applique pas au Belge qui, entre ses dix-huit et ses vingt-huit ans, a demandé et s'est vu délivrer un passeport ou une carte d'identité belge.]2
§ 3. Le § 1er, 5° et 6°, ne s'applique pas au Belge qui, par l'effet d'une de ces dispositions, deviendrait apatride.
§ 4. Les déclarations prévues au § 1er, 2° et 5°, sont faites devant l'officier de l'état civil de la résidence principale du déclarant et, à l'étranger, devant le chef [2 ...]2 d'un [poste consulaire de carrière] belge [4 compétent conformément au Code consulaire et dans le respect des conditions prévues par ce Code]4. [3 L'officier de l'état civil ou, le cas échéant, le chef du poste consulaire de carrière belge, établit, sur la base de la déclaration, un acte de nationalité conformément à l'article 67 du Code civil.
[4 ...]4
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]3 L'officier de l'état civil instrumente sans l'assistance de témoins. [1 ...]1 <L 2006-12-27/32, art. 386, 009; En vigueur : 28-12-2006>
1° [...] <L 2006-12-27/32, art. 386, 1°, 009; En vigueur : 09-06-2007>
2° celui qui, ayant atteint l'âge de dix-huit ans, déclare renoncer à la nationalité belge; cette déclaration ne peut être faite que si le déclarant prouve qu'il possède une nationalité étrangère ou qu'il l'acquiert ou la recouvre par l'effet de la déclaration [1 si cette acquisition ou ce recouvrement ne suit pas immédiatement la déclaration de renonciation et a, en outre, pour résultat de rendre l'intéressé apatride, cette déclaration ne produit des effets juridiques qu'au moment de l'acquisition ou du recouvrement effectifs de la nationalité étrangère;]1;
3° l'enfant non émancipé n'ayant pas atteint l'âge de dix-huit ans et soumis à l'autorité d'un seul auteur ou adoptant, lorsque celui-ci perd la nationalité belge par l'effet du [...] 2°, à la condition que la nationalité étrangère de l'auteur ou de l'adoptant soit conférée à cet enfant ou que celui-ci la possède déjà; lorsque l'autorité sur l'enfant est exercée par les père et mère ou par les adoptants, l'enfant non émancipé n'ayant pas atteint l'âge de dix-huit ans ne perd pas la nationalité belge tant que l'un d'eux la possède encore; il la perd lorsque cet auteur ou adoptant vient lui-même à la perdre, à la condition que cet enfant acquière la nationalité d'un de ses auteurs ou adoptants ou qu'il la possède déjà; la même règle s'applique au cas où l'autorité sur l'enfant est exercée par le père ou la mère et son conjoint adoptant; <L 2006-12-27/32, art. 386, 2°, 009; En vigueur : 09-06-2007>
4° l'enfant non émancipé n'ayant pas atteint l'âge de dix-huit ans, adopté par un étranger ou par des étrangers, à la condition que la nationalité de l'adoptant ou de l'un d'eux lui soit acquise par l'effet de l'adoption ou qu'il possède déjà cette nationalité; il ne perd pas la nationalité belge si l'un des adoptants est Belge ou si l'auteur conjoint de l'adoptant étranger est Belge;
5° le Belge né à l'étranger a l'exception des anciennes colonies belges lorsque :
a) il a eu sa résidence principale et continue à l'étranger de dix-huit à vingt-huit ans;
b) il n'exerce à l'étranger aucune fonction conférée par le Gouvernement belge ou à l'intervention de celui-ci, ou n'y est pas occupé par une société ou une association de droit belge au personnel de laquelle il appartient;
c) il n'a pas déclare, avant d'atteindre l'âge de vingt-huit ans, vouloir conserver sa nationalité belge; [...] <L 2006-12-27/32, art. 386, 009; En vigueur : 28-12-2006>
6° l'enfant non émancipé n'ayant pas atteint l'âge de dix-huit ans et soumis à l'autorité d'un seul auteur ou adoptant, lorsque celui-ci perd la nationalité belge par l'effet du 5°; lorsque l'autorité sur l'enfant est exercée par les père et mère ou par les adoptants, l'enfant non émancipé n'ayant pas atteint l'âge de dix-huit ans ne perd pas la nationalité belge tant que l'un d'eux la possède encore; il la perd lorsque cet auteur ou adoptant vient lui-même à la perdre; la même règle s'applique au cas où l'autorité sur l'enfant est exercée par le père ou la mère et son conjoint adoptant;
7° celui qui est déchu de la nationalité belge en vertu [1 des articles 23, 23/1 et 23/2]1.
§ 2. [2 Le paragraphe 1er, 5°, ne s'applique pas au Belge qui, entre ses dix-huit et ses vingt-huit ans, a demandé et s'est vu délivrer un passeport ou une carte d'identité belge.]2
§ 3. Le § 1er, 5° et 6°, ne s'applique pas au Belge qui, par l'effet d'une de ces dispositions, deviendrait apatride.
§ 4. Les déclarations prévues au § 1er, 2° et 5°, sont faites devant l'officier de l'état civil de la résidence principale du déclarant et, à l'étranger, devant le chef [2 ...]2 d'un [poste consulaire de carrière] belge [4 compétent conformément au Code consulaire et dans le respect des conditions prévues par ce Code]4. [3 L'officier de l'état civil ou, le cas échéant, le chef du poste consulaire de carrière belge, établit, sur la base de la déclaration, un acte de nationalité conformément à l'article 67 du Code civil.
[4 ...]4
La déclaration a effet à compter de l'établissement de l'acte de nationalité.]3 L'officier de l'état civil instrumente sans l'assistance de témoins. [1 ...]1 <L 2006-12-27/32, art. 386, 009; En vigueur : 28-12-2006>
Art. 23. § 1. (De Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van [2 een ouder of een adoptant die Belg was]2 op de dag van hun geboorte en de Belgen wier nationaliteit niet werd toegekend op grond van [3 de artikelen 11 en 11bis]3, kunnen van de Belgische nationaliteit vervallen worden verklaard :
1° [1 indien zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie, het plegen van valsheid in geschrifte en/of het gebruik van valse of vervalste stukken, door identiteitsfraude of fraude bij het verkrijgen van het recht op verblijf;]1;
2° indien zij ernstig tekortkomen aan hun verplichtingen als Belgische burger.) <W 2006-12-27/32, art. 387, 009; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
[2 Het Hof spreekt de vervallenverklaring niet uit indien dit tot gevolg zou hebben dat de betrokkene staatloos zou worden, tenzij de nationaliteit verkregen werd ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie of door verzwijging van enig relevant feit. In dat geval, zelfs indien de betrokkene er niet in geslaagd is zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen, zal de vervallenverklaring van de nationaliteit slechts uitgesproken worden na het verstrijken van een redelijke termijn die door het Hof aan de belanghebbende werd toegekend om te pogen zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen.]2
§ 2. De vervallenverklaring wordt gevorderd door het openbaar ministerie. De ten laste gelegde tekortkomingen worden in het dagvaardingsexploot nauwkeurig omschreven.
§ 3. De vordering tot vervallenverklaring wordt vervolgd voor het hof van beroep van de hoofdverblijfplaats in België van de verweerder of, bij gebreke daarvan, voor het hof van beroep te Brussel.
§ 4. De eerste voorzitter stelt een raadsheer aan, op wiens verslag het hof uitspraak doet binnen een maand na het verstrijken van de termijn van dagvaarding.
§ 5. Is het arrest bij verstek gewezen, dan wordt het na zijn betekening, tenzij deze aan de persoon is gedaan, bij uittreksel bekendgemaakt in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad.
[5 Het verzet moet op straffe van onontvankelijkheid worden gedaan binnen de termijn waarin voor burgerlijke zaken is voorzien in artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek, eventueel verlengd wegens de gerechtelijke vakantie, overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.]5
Het verzet wordt op de eerste terechtzitting van de kamer die het arrest heeft uitgesproken behandeld op verslag van de aangewezen raadsheer, indien hij nog deel uitmaakt van de kamer of, bij diens ontstentenis, van de raadsheer daartoe door de eerste voorzitter aangewezen, en het arrest wordt binnen vijftien dagen uitgesproken.
§ 6. [6 ...]6
[6 De voorziening in cassatie]6 wordt ingesteld en berecht zoals is voorgeschreven voor de voorzieningen in criminele zaken.
§ 7. De termijn om zich in cassatie te voorzien en het cassatieberoep schorsen de tenuitvoerlegging van het arrest.
§ 8. [4 Wanneer het arrest, waarbij de vervallenverklaring van de staat van Belg wordt uitgesproken, onherroepelijk is geworden, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit via de DABS naar de ambtenaar van de burgerlijke stand, met vermelding van de volledige identiteit van de belanghebbende.
De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, de actuele verblijfplaats van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, van Brussel, maakt een akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit op.
De vervallenverklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit.]4
§ 9. Hij die van de staat van Belg vervallen is verklaard, kan alleen door naturalisatie opnieuw Belg worden.
(In het geval bedoeld in § 1, 1°, verjaart de vordering tot vervallenverklaring door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het bekomen van de Belgische nationaliteit door de betrokkene.) <W 2006-12-27/32, art. 387, 009; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
1° [1 indien zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie, het plegen van valsheid in geschrifte en/of het gebruik van valse of vervalste stukken, door identiteitsfraude of fraude bij het verkrijgen van het recht op verblijf;]1;
2° indien zij ernstig tekortkomen aan hun verplichtingen als Belgische burger.) <W 2006-12-27/32, art. 387, 009; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
[2 Het Hof spreekt de vervallenverklaring niet uit indien dit tot gevolg zou hebben dat de betrokkene staatloos zou worden, tenzij de nationaliteit verkregen werd ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie of door verzwijging van enig relevant feit. In dat geval, zelfs indien de betrokkene er niet in geslaagd is zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen, zal de vervallenverklaring van de nationaliteit slechts uitgesproken worden na het verstrijken van een redelijke termijn die door het Hof aan de belanghebbende werd toegekend om te pogen zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen.]2
§ 2. De vervallenverklaring wordt gevorderd door het openbaar ministerie. De ten laste gelegde tekortkomingen worden in het dagvaardingsexploot nauwkeurig omschreven.
§ 3. De vordering tot vervallenverklaring wordt vervolgd voor het hof van beroep van de hoofdverblijfplaats in België van de verweerder of, bij gebreke daarvan, voor het hof van beroep te Brussel.
§ 4. De eerste voorzitter stelt een raadsheer aan, op wiens verslag het hof uitspraak doet binnen een maand na het verstrijken van de termijn van dagvaarding.
§ 5. Is het arrest bij verstek gewezen, dan wordt het na zijn betekening, tenzij deze aan de persoon is gedaan, bij uittreksel bekendgemaakt in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad.
[5 Het verzet moet op straffe van onontvankelijkheid worden gedaan binnen de termijn waarin voor burgerlijke zaken is voorzien in artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek, eventueel verlengd wegens de gerechtelijke vakantie, overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.]5
Het verzet wordt op de eerste terechtzitting van de kamer die het arrest heeft uitgesproken behandeld op verslag van de aangewezen raadsheer, indien hij nog deel uitmaakt van de kamer of, bij diens ontstentenis, van de raadsheer daartoe door de eerste voorzitter aangewezen, en het arrest wordt binnen vijftien dagen uitgesproken.
§ 6. [6 ...]6
[6 De voorziening in cassatie]6 wordt ingesteld en berecht zoals is voorgeschreven voor de voorzieningen in criminele zaken.
§ 7. De termijn om zich in cassatie te voorzien en het cassatieberoep schorsen de tenuitvoerlegging van het arrest.
§ 8. [4 Wanneer het arrest, waarbij de vervallenverklaring van de staat van Belg wordt uitgesproken, onherroepelijk is geworden, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit via de DABS naar de ambtenaar van de burgerlijke stand, met vermelding van de volledige identiteit van de belanghebbende.
De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, de actuele verblijfplaats van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, van Brussel, maakt een akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit op.
De vervallenverklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit.]4
§ 9. Hij die van de staat van Belg vervallen is verklaard, kan alleen door naturalisatie opnieuw Belg worden.
(In het geval bedoeld in § 1, 1°, verjaart de vordering tot vervallenverklaring door verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van het bekomen van de Belgische nationaliteit door de betrokkene.) <W 2006-12-27/32, art. 387, 009; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
Wijzigingen
Art. 23. § 1er. [Les Belges qui ne tiennent pas leur nationalité d'un [2 auteur ou adoptant belge]2 au jour de leur naissance et les Belges qui ne se sont pas vu attribuer leur nationalité en vertu [3 des articles 11 et 11bis]3 peuvent être déchus de la nationalité belge :
1° [1 s'ils ont acquis la nationalité belge à la suite d'une conduite frauduleuse, par de fausses informations, par faux en écriture et/ou utilisation de documents faux ou falsifiés, par fraude à l'identité ou par fraude à l'obtention du droit de séjour;]1
2° s'ils manquent gravement à leurs devoirs de citoyen belge.] <L 2006-12-27/32, art. 387, 009; En vigueur : 28-12-2006>
[2 La Cour ne prononce pas la déchéance au cas où celle-ci aurait pour effet de rendre l'intéressé apatride, à moins que la nationalité n'ait été acquise à la suite d'une conduite frauduleuse, par de fausses informations ou par dissimulation d'un fait pertinent. Dans ce cas, même si l'intéressé n'a pas réussi à recouvrer sa nationalité d'origine, la déchéance de nationalité ne sera prononcée qu'à l'expiration d'un délai raisonnable accordé par la Cour à l'intéressé afin de lui permettre d'essayer de recouvrer sa nationalité d'origine.]2
§ 2. La déchéance est poursuivie par le ministère public. Les manquements reprochés sont spécifiés dans l'exploit de citation.
§ 3. L'action en déchéance se poursuit devant la Cour d'appel de la résidence principale en Belgique du défendeur ou, à défaut, devant la Cour d'appel de Bruxelles.
§ 4. Le premier président commet un conseiller, sur le rapport duquel la Cour statue dans le mois de l'expiration du délai de citation.
§ 5. Si l'arrêt est rendu par défaut, il est, après sa signification, à moins que celle-ci ne soit faite à personne, publié par extrait dans deux journaux de la province et au Moniteur belge.
[5 L'opposition doit, à peine d'irrecevabilité, être formée dans le délai prévu, en matière civile, à l'article 1048 du Code judiciaire, éventuellement prolongé en raison des vacances judiciaires, conformément à l'article 50, alinéa 2, du Code judiciaire.]5
L'opposition est portée à la première audience de la chambre qui a rendu l'arrêt; elle est jugée sur le rapport du conseiller commis s'il fait encore partie de la chambre, ou, à son défaut, par le conseiller désigné par le premier président, et l'arrêt est rendu dans les quinze jours.
§ 6. [6 ...]6
[6 Le pourvoi en cassation]6 est formé et jugé comme il est prescrit pour les pourvois en matière criminelle.
§ 7. Le délai pour se pourvoir en cassation et le pourvoi sont suspensifs de l'exécution de l'arrêt.
§ 8. [4 Lorsque l'arrêt prononçant la déchéance de la nationalité belge est devenu définitif, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge, via la BAEC à l'officier de l'état civil, avec la mention de l'identité complète de l'intéressé.
L'officier de l'état civil du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente de l'intéressé, ou, à défaut, de la résidence actuelle de l'intéressé, ou, à défaut, de Bruxelles établit un acte de déchéance de la nationalité belge.
La déchéance a effet à compter de l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge.]4
§ 9. La personne qui a été déchue de la nationalité belge ne peut redevenir belge que par naturalisation.
[Dans le cas visé au § 1er, 1°, l'action en déchéance se prescrit par cinq ans à compter de la date de l'obtention de la nationalité belge par l'intéressé.] <L 2006-12-27/32, art. 387, 009; En vigueur : 28-12-2006>
1° [1 s'ils ont acquis la nationalité belge à la suite d'une conduite frauduleuse, par de fausses informations, par faux en écriture et/ou utilisation de documents faux ou falsifiés, par fraude à l'identité ou par fraude à l'obtention du droit de séjour;]1
2° s'ils manquent gravement à leurs devoirs de citoyen belge.] <L 2006-12-27/32, art. 387, 009; En vigueur : 28-12-2006>
[2 La Cour ne prononce pas la déchéance au cas où celle-ci aurait pour effet de rendre l'intéressé apatride, à moins que la nationalité n'ait été acquise à la suite d'une conduite frauduleuse, par de fausses informations ou par dissimulation d'un fait pertinent. Dans ce cas, même si l'intéressé n'a pas réussi à recouvrer sa nationalité d'origine, la déchéance de nationalité ne sera prononcée qu'à l'expiration d'un délai raisonnable accordé par la Cour à l'intéressé afin de lui permettre d'essayer de recouvrer sa nationalité d'origine.]2
§ 2. La déchéance est poursuivie par le ministère public. Les manquements reprochés sont spécifiés dans l'exploit de citation.
§ 3. L'action en déchéance se poursuit devant la Cour d'appel de la résidence principale en Belgique du défendeur ou, à défaut, devant la Cour d'appel de Bruxelles.
§ 4. Le premier président commet un conseiller, sur le rapport duquel la Cour statue dans le mois de l'expiration du délai de citation.
§ 5. Si l'arrêt est rendu par défaut, il est, après sa signification, à moins que celle-ci ne soit faite à personne, publié par extrait dans deux journaux de la province et au Moniteur belge.
[5 L'opposition doit, à peine d'irrecevabilité, être formée dans le délai prévu, en matière civile, à l'article 1048 du Code judiciaire, éventuellement prolongé en raison des vacances judiciaires, conformément à l'article 50, alinéa 2, du Code judiciaire.]5
L'opposition est portée à la première audience de la chambre qui a rendu l'arrêt; elle est jugée sur le rapport du conseiller commis s'il fait encore partie de la chambre, ou, à son défaut, par le conseiller désigné par le premier président, et l'arrêt est rendu dans les quinze jours.
§ 6. [6 ...]6
[6 Le pourvoi en cassation]6 est formé et jugé comme il est prescrit pour les pourvois en matière criminelle.
§ 7. Le délai pour se pourvoir en cassation et le pourvoi sont suspensifs de l'exécution de l'arrêt.
§ 8. [4 Lorsque l'arrêt prononçant la déchéance de la nationalité belge est devenu définitif, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge, via la BAEC à l'officier de l'état civil, avec la mention de l'identité complète de l'intéressé.
L'officier de l'état civil du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente de l'intéressé, ou, à défaut, de la résidence actuelle de l'intéressé, ou, à défaut, de Bruxelles établit un acte de déchéance de la nationalité belge.
La déchéance a effet à compter de l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge.]4
§ 9. La personne qui a été déchue de la nationalité belge ne peut redevenir belge que par naturalisation.
[Dans le cas visé au § 1er, 1°, l'action en déchéance se prescrit par cinq ans à compter de la date de l'obtention de la nationalité belge par l'intéressé.] <L 2006-12-27/32, art. 387, 009; En vigueur : 28-12-2006>
Wijzigingen
Art. 23/1. [1 § 1. De vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit kan op vordering van het openbaar ministerie door de rechter worden uitgesproken ten aanzien van Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van [3 een ouder of een adoptant die Belg was]3 op de dag van hun geboorte en van Belgen wier nationaliteit niet werd toegekend op grond van artikel 11, [5 ...]5 eerste lid, 1° en 2° :
1° indien zij als dader, mededader of medeplichtige veroordeeld werden tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar zonder uitstel voor een misdrijf vermeld in de artikelen 101 tot 112, 113 tot 120bis, 120quater, 120sexies, 120octies, 121 tot 123, 123ter, 123quater, tweede lid, [2 124 tot 134]2 , 136bis, 136ter, 136quater, 136quinquies, 136sexies en 136septies, [4 ...]4 331bis, 433quinquies tot 433octies, 477 tot 477sexies en 488bis van het Strafwetboek en de artikelen 77bis, 77ter, 77quater en 77quinquies van de vreemdelingenwet, voor zover zij de hen ten laste gelegde feiten hebben gepleegd binnen tien jaar vanaf de dag waarop zij de Belgische nationaliteit hebben verworven, met uitzondering van de misdrijven bedoeld in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater van het Strafwetboek;
2° indien zij als dader, mededader of medeplichtige veroordeeld werden tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar zonder uitstel voor het plegen van een misdrijf waarvan het plegen kennelijk werd vergemakkelijkt door het bezit van de Belgische nationaliteit, voor zover zij het misdrijf hebben gepleegd binnen vijf jaar vanaf de dag waarop zij de Belgische nationaliteit hebben verworven;
3° indien zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen door huwelijk krachtens [2 artikel 12bis, § 1, 3°]2 , en indien dit huwelijk is nietig verklaard wegens schijnhuwelijk zoals omschreven in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek, onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 201 en 202 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. [3 De rechter spreekt de vervallenverklaring niet uit indien dit tot gevolg zou hebben dat de betrokkene staatloos zou worden, tenzij de nationaliteit verkregen werd ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie of door verzwijging van enig relevant feit. In dat geval, zelfs indien de betrokkene er niet in geslaagd is zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen, zal de vervallenverklaring van de nationaliteit slechts uitgesproken worden na het verstrijken van een redelijke termijn die door de rechter aan de belanghebbende werd toegekend om te pogen zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen.]3
§ 3. [6 Wanneer het vonnis waarbij de vervallenverklaring van de staat van Belg wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit via de DABS naar de ambtenaar van de burgerlijke stand, met vermelding van de volledige identiteit van de belanghebbende.
De ambtenaar van de burgerlijke stand, van de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, de actuele verblijfplaats van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, van Brussel, maakt een akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit op.
De vervallenverklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit.]6
§ 4. Hij die krachtens dit artikel van de staat van Belg vervallen is verklaard, kan alleen door naturalisatie opnieuw Belg worden.]1
1° indien zij als dader, mededader of medeplichtige veroordeeld werden tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar zonder uitstel voor een misdrijf vermeld in de artikelen 101 tot 112, 113 tot 120bis, 120quater, 120sexies, 120octies, 121 tot 123, 123ter, 123quater, tweede lid, [2 124 tot 134]2 , 136bis, 136ter, 136quater, 136quinquies, 136sexies en 136septies, [4 ...]4 331bis, 433quinquies tot 433octies, 477 tot 477sexies en 488bis van het Strafwetboek en de artikelen 77bis, 77ter, 77quater en 77quinquies van de vreemdelingenwet, voor zover zij de hen ten laste gelegde feiten hebben gepleegd binnen tien jaar vanaf de dag waarop zij de Belgische nationaliteit hebben verworven, met uitzondering van de misdrijven bedoeld in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater van het Strafwetboek;
2° indien zij als dader, mededader of medeplichtige veroordeeld werden tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar zonder uitstel voor het plegen van een misdrijf waarvan het plegen kennelijk werd vergemakkelijkt door het bezit van de Belgische nationaliteit, voor zover zij het misdrijf hebben gepleegd binnen vijf jaar vanaf de dag waarop zij de Belgische nationaliteit hebben verworven;
3° indien zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen door huwelijk krachtens [2 artikel 12bis, § 1, 3°]2 , en indien dit huwelijk is nietig verklaard wegens schijnhuwelijk zoals omschreven in artikel 146bis van het Burgerlijk Wetboek, onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 201 en 202 van het Burgerlijk Wetboek.
§ 2. [3 De rechter spreekt de vervallenverklaring niet uit indien dit tot gevolg zou hebben dat de betrokkene staatloos zou worden, tenzij de nationaliteit verkregen werd ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie of door verzwijging van enig relevant feit. In dat geval, zelfs indien de betrokkene er niet in geslaagd is zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen, zal de vervallenverklaring van de nationaliteit slechts uitgesproken worden na het verstrijken van een redelijke termijn die door de rechter aan de belanghebbende werd toegekend om te pogen zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen.]3
§ 3. [6 Wanneer het vonnis waarbij de vervallenverklaring van de staat van Belg wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit via de DABS naar de ambtenaar van de burgerlijke stand, met vermelding van de volledige identiteit van de belanghebbende.
De ambtenaar van de burgerlijke stand, van de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, de actuele verblijfplaats van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, van Brussel, maakt een akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit op.
De vervallenverklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit.]6
§ 4. Hij die krachtens dit artikel van de staat van Belg vervallen is verklaard, kan alleen door naturalisatie opnieuw Belg worden.]1
Wijzigingen
Art. 23/1. [1 § 1er. La déchéance de la nationalité belge peut être prononcée par le juge sur réquisition du ministère public à l'égard de Belges qui ne tiennent pas leur nationalité d'un [3 auteur ou adoptant belge]3 au jour de leur naissance et des Belges qui ne se sont pas vu attribuer leur nationalité en vertu de l'article 11, [5 ...]5 alinéa 1er, 1° et 2° :
1° s'ils ont été condamnés, comme auteur, coauteur ou complice, à une peine d'emprisonnement d'au moins cinq ans sans sursis pour une infraction visée aux articles 101 à 112, 113 à 120bis, 120quater, 120sexies, 120octies, 121 à 123, 123ter, 123quater, alinéa 2, 124 à 134, 136bis, 136ter, 136quater, 136quinquies, 136sexies et 136septies, [4 ...]4 331bis, 433quinquies à 433octies, 477 à 477sexies et 488bis du Code pénal et aux articles 77bis, 77ter, 77quater et 77quinquies de la loi sur les étrangers, pour autant que les faits leur reprochés aient été commis dans les dix ans à compter de la date d'obtention de la nationalité belge, à l'exception des infractions visées aux articles 136bis, 136ter et 136quater du Code pénal;
2° s'ils ont été condamnés, comme auteur, coauteur ou complice à une peine d'emprisonnement de cinq ans sans sursis pour une infraction dont la commission a été manifestement facilitée par la possession de la nationalité belge, pour autant que l'infraction ait été commise dans les cinq ans à compter de la date d'obtention de la nationalité belge;
3° s'ils ont acquis la nationalité belge par mariage conformément à [2 l'article 12bis, § 1er, 3°]2 , et que ce mariage a été annulé pour cause de mariage de complaisance tel que décrit à l'article 146bis du Code civil, sous réserve des dispositions des articles 201 et 202 du Code civil.
§ 2. [3 Le juge ne prononce pas la déchéance au cas où celle-ci aurait pour effet de rendre l'intéressé apatride, à moins que la nationalité n'ait été acquise à la suite d'une conduite frauduleuse, par de fausses informations ou par dissimulation d'un fait pertinent. Dans ce cas, même si l'intéressé n'a pas réussi à recouvrer sa nationalité d'origine, la déchéance de nationalité ne sera prononcée qu'à l'expiration d'un délai raisonnable accordé par le juge à l'intéressé afin de lui permettre d'essayer de recouvrer sa nationalité d'origine.]3
§ 3. [6 Lorsque le jugement prononçant la déchéance de la nationalité belge est passé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge via la BAEC à l'officier de l'état civil, avec la mention de l'identité complète de l'intéressé.
L'officier de l'état civil du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente de l'intéressé, ou, à défaut, de la résidence actuelle de l'intéressé, ou, à défaut, de Bruxelles établit un acte de déchéance de la nationalité belge.
La déchéance a effet à compter de l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge.]6
§ 4. La personne qui a été déchue de la nationalité belge en vertu du présent article ne peut redevenir Belge que par naturalisation.]1
1° s'ils ont été condamnés, comme auteur, coauteur ou complice, à une peine d'emprisonnement d'au moins cinq ans sans sursis pour une infraction visée aux articles 101 à 112, 113 à 120bis, 120quater, 120sexies, 120octies, 121 à 123, 123ter, 123quater, alinéa 2, 124 à 134, 136bis, 136ter, 136quater, 136quinquies, 136sexies et 136septies, [4 ...]4 331bis, 433quinquies à 433octies, 477 à 477sexies et 488bis du Code pénal et aux articles 77bis, 77ter, 77quater et 77quinquies de la loi sur les étrangers, pour autant que les faits leur reprochés aient été commis dans les dix ans à compter de la date d'obtention de la nationalité belge, à l'exception des infractions visées aux articles 136bis, 136ter et 136quater du Code pénal;
2° s'ils ont été condamnés, comme auteur, coauteur ou complice à une peine d'emprisonnement de cinq ans sans sursis pour une infraction dont la commission a été manifestement facilitée par la possession de la nationalité belge, pour autant que l'infraction ait été commise dans les cinq ans à compter de la date d'obtention de la nationalité belge;
3° s'ils ont acquis la nationalité belge par mariage conformément à [2 l'article 12bis, § 1er, 3°]2 , et que ce mariage a été annulé pour cause de mariage de complaisance tel que décrit à l'article 146bis du Code civil, sous réserve des dispositions des articles 201 et 202 du Code civil.
§ 2. [3 Le juge ne prononce pas la déchéance au cas où celle-ci aurait pour effet de rendre l'intéressé apatride, à moins que la nationalité n'ait été acquise à la suite d'une conduite frauduleuse, par de fausses informations ou par dissimulation d'un fait pertinent. Dans ce cas, même si l'intéressé n'a pas réussi à recouvrer sa nationalité d'origine, la déchéance de nationalité ne sera prononcée qu'à l'expiration d'un délai raisonnable accordé par le juge à l'intéressé afin de lui permettre d'essayer de recouvrer sa nationalité d'origine.]3
§ 3. [6 Lorsque le jugement prononçant la déchéance de la nationalité belge est passé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge via la BAEC à l'officier de l'état civil, avec la mention de l'identité complète de l'intéressé.
L'officier de l'état civil du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente de l'intéressé, ou, à défaut, de la résidence actuelle de l'intéressé, ou, à défaut, de Bruxelles établit un acte de déchéance de la nationalité belge.
La déchéance a effet à compter de l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge.]6
§ 4. La personne qui a été déchue de la nationalité belge en vertu du présent article ne peut redevenir Belge que par naturalisation.]1
Wijzigingen
Art. 23/2. [1 § 1. De vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit kan op vordering van het openbaar ministerie door de rechter worden uitgesproken ten aanzien van Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een ouder of een adoptant die Belg was op de dag van hun geboorte en van Belgen wier nationaliteit niet werd toegekend op grond van artikel 11, [2 ...]2 eerste lid, 1° en 2°, indien zij als dader, mededader of medeplichtige veroordeeld werden tot een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar zonder uitstel voor een misdrijf als bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek.
§ 2. De rechter spreekt de vervallenverklaring niet uit indien dit tot gevolg zou hebben dat de betrokkene staatloos zou worden, tenzij de nationaliteit verkregen werd ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie of door verzwijging van enig relevant feit. In dat geval, zelfs indien de betrokkene er niet in geslaagd is zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen, zal de vervallenverklaring van de nationaliteit slechts uitgesproken worden na het verstrijken van een redelijke termijn die door de rechter aan de belanghebbende werd toegekend om te pogen zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen.
§ 3. [3 Wanneer het vonnis waarbij de vervallenverklaring van de staat van Belg wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit via de DABS naar de ambtenaar van de burgerlijke stand, met vermelding van de volledige identiteit van de belanghebbende.
De ambtenaar van de burgerlijke stand, van de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, de actuele verblijfplaats van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, van Brussel, maakt onmiddellijk een akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit op.
De vervallenverklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit.]3
§ 4. Hij die krachtens dit artikel van de staat van Belg vervallen is verklaard, kan alleen door naturalisatie opnieuw Belg worden.]1
§ 2. De rechter spreekt de vervallenverklaring niet uit indien dit tot gevolg zou hebben dat de betrokkene staatloos zou worden, tenzij de nationaliteit verkregen werd ten gevolge van een bedrieglijke handelwijze, door valse informatie of door verzwijging van enig relevant feit. In dat geval, zelfs indien de betrokkene er niet in geslaagd is zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen, zal de vervallenverklaring van de nationaliteit slechts uitgesproken worden na het verstrijken van een redelijke termijn die door de rechter aan de belanghebbende werd toegekend om te pogen zijn oorspronkelijke nationaliteit te herkrijgen.
§ 3. [3 Wanneer het vonnis waarbij de vervallenverklaring van de staat van Belg wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit via de DABS naar de ambtenaar van de burgerlijke stand, met vermelding van de volledige identiteit van de belanghebbende.
De ambtenaar van de burgerlijke stand, van de plaats van inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, de actuele verblijfplaats van de betrokkene of, bij gebrek hieraan, van Brussel, maakt onmiddellijk een akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit op.
De vervallenverklaring heeft gevolg vanaf de opmaak van de akte van vervallenverklaring van Belgische nationaliteit.]3
§ 4. Hij die krachtens dit artikel van de staat van Belg vervallen is verklaard, kan alleen door naturalisatie opnieuw Belg worden.]1
Art. 23/2. [1 § 1er. La déchéance de la nationalité belge peut être prononcée par le juge sur réquisition du ministère public à l'égard de Belges qui ne tiennent pas leur nationalité d'un auteur ou adoptant belge au jour de leur naissance et des Belges qui ne se sont pas vu attribuer leur nationalité en vertu de l'article 11, [2 ...]2 alinéa 1er, 1° et 2°, s'ils ont été condamnés, comme auteur, coauteur ou complice, à une peine d'emprisonnement d'au moins cinq ans sans sursis pour une infraction visée au livre II, titre Ierter, du Code pénal.
§ 2. Le juge ne prononce pas la déchéance au cas où celle-ci aurait pour effet de rendre l'intéressé apatride, à moins que la nationalité n'ait été acquise à la suite d'une conduite frauduleuse, par de fausses informations ou par dissimulation d'un fait pertinent. Dans ce cas, même si l'intéressé n'a pas réussi à recouvrer sa nationalité d'origine, la déchéance de nationalité ne sera prononcée qu'à l'expiration d'un délai raisonnable accordé par le juge à l'intéressé afin de lui permettre d'essayer de recouvrer sa nationalité d'origine.
§ 3. [3 Lorsque le jugement prononçant la déchéance de la nationalité belge est passé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge via la BAEC à l'officier de l'état civil, avec la mention de l'identité complète de l'intéressé.
L'officier de l'état civil du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente de l'intéressé, ou, à défaut, de la résidence actuelle de l'intéressé, ou, à défaut, de Bruxelles établit immédiatement l'acte de déchéance de la nationalité belge.
La déchéance a effet à compter de l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge.]3
§ 4. La personne qui a été déchue de la nationalité belge en vertu du présent article ne peut redevenir Belge que par naturalisation.]1
§ 2. Le juge ne prononce pas la déchéance au cas où celle-ci aurait pour effet de rendre l'intéressé apatride, à moins que la nationalité n'ait été acquise à la suite d'une conduite frauduleuse, par de fausses informations ou par dissimulation d'un fait pertinent. Dans ce cas, même si l'intéressé n'a pas réussi à recouvrer sa nationalité d'origine, la déchéance de nationalité ne sera prononcée qu'à l'expiration d'un délai raisonnable accordé par le juge à l'intéressé afin de lui permettre d'essayer de recouvrer sa nationalité d'origine.
§ 3. [3 Lorsque le jugement prononçant la déchéance de la nationalité belge est passé en force de chose jugée, le greffier transmet immédiatement les données nécessaires à l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge via la BAEC à l'officier de l'état civil, avec la mention de l'identité complète de l'intéressé.
L'officier de l'état civil du lieu d'inscription au registre de la population, au registre des étrangers ou au registre d'attente de l'intéressé, ou, à défaut, de la résidence actuelle de l'intéressé, ou, à défaut, de Bruxelles établit immédiatement l'acte de déchéance de la nationalité belge.
La déchéance a effet à compter de l'établissement de l'acte de déchéance de la nationalité belge.]3
§ 4. La personne qui a été déchue de la nationalité belge en vertu du présent article ne peut redevenir Belge que par naturalisation.]1
HOOFDSTUK V. - HERKRIJGING VAN DE BELGISCHE NATIONALITEIT.
CHAPITRE V. - RECOUVREMENT DE LA NATIONALITE BELGE.
Art. 24. (Hij die de Belgische nationaliteit anders dan door vervallenverklaring heeft verloren, kan ze door een overeenkomstig artikel 15 afgelegde (...) verklaring herkrijgen onder de voorwaarden dat hij ten minste achttien jaar oud is en [1 dat hij zijn hoofdverblijfplaats in België heeft op grond van een ononderbroken wettelijk verblijf sedert ten minste twaalf maanden en dat hij op het ogenblik van de verklaring toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur]1.) <W 1993-08-06/35, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 03-10-1993> <W 2000-03-01/49, art. 11, 007; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
([1 ...]1 Indien het verlies van de Belgische nationaliteit het gevolg is van afstand, kan de procureur des Konings toch menen geen negatief advies te moeten uitbrengen, nadat hij de omstandigheden heeft beoordeeld waarin de belanghebbende de Belgische nationaliteit heeft verloren, alsmede de redenen waarom hij die wil herkrijgen.) <W 1998-12-22/51, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
[2 Indien het verlies van de Belgische nationaliteit het gevolg is van de onmogelijkheid om de verklaring als bedoeld in artikel 22, § 1, 5°, af te leggen en de betrokkene niet voldoet aan de twee laatste voorwaarden bedoeld in het eerste lid, kan de procureur des Konings toch menen geen negatief advies te moeten uitbrengen, nadat hij de omstandigheden heeft beoordeeld waarin de belanghebbende de Belgische nationaliteit heeft verloren, alsmede de redenen waarom hij die wil herkrijgen.]2
([1 ...]1 Indien het verlies van de Belgische nationaliteit het gevolg is van afstand, kan de procureur des Konings toch menen geen negatief advies te moeten uitbrengen, nadat hij de omstandigheden heeft beoordeeld waarin de belanghebbende de Belgische nationaliteit heeft verloren, alsmede de redenen waarom hij die wil herkrijgen.) <W 1998-12-22/51, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 01-09-1999>
[2 Indien het verlies van de Belgische nationaliteit het gevolg is van de onmogelijkheid om de verklaring als bedoeld in artikel 22, § 1, 5°, af te leggen en de betrokkene niet voldoet aan de twee laatste voorwaarden bedoeld in het eerste lid, kan de procureur des Konings toch menen geen negatief advies te moeten uitbrengen, nadat hij de omstandigheden heeft beoordeeld waarin de belanghebbende de Belgische nationaliteit heeft verloren, alsmede de redenen waarom hij die wil herkrijgen.]2
Art. 24. [Celui qui a perdu la nationalité belge autrement que par déchéance peut, par une déclaration faite [...] conformément à l'article 15, la recouvrer aux conditions qu'il soit âgé d'au moins dix-huit ans [1 , qu'il ait sa résidence principale en Belgique depuis au moins douze mois, sur la base d'un séjour légal ininterrompu, et qu'il soit, au moment de la déclaration, admis ou autorisé au séjour pour une durée illimitée]1.] <L 1993-08-06/35, art. 8, 004; En vigueur : 03-10-1993> <L 2000-03-01/49, art. 11, 007; En vigueur : 01-05-2000>
[[1 ...]1 Si la perte de la nationalité belge procède d'une renonciation, le procureur du Roi peut néanmoins juger ne pas devoir émettre d'avis négatif, après avoir apprécié les circonstances dans lesquelles le déclarant a perdu la nationalité belge, ainsi que les raisons pour lesquelles il veut la recouvrer.] <L 1998-12-22/51, art. 5, 006; En vigueur : 01-09-1999>
[2 Si la perte de la nationalité belge résulte de l'impossibilité de faire la déclaration telle que prévue à l'article 22, § 1er, 5°, et si l'intéressé ne satisfait pas aux deux dernières conditions visées au premier alinéa, le procureur du Roi peut néanmoins juger ne pas devoir émettre d'avis négatif, après avoir apprécié les circonstances dans lesquelles le déclarant a perdu la nationalité belge, ainsi que les raisons pour lesquelles il veut la recouvrer.]2
[[1 ...]1 Si la perte de la nationalité belge procède d'une renonciation, le procureur du Roi peut néanmoins juger ne pas devoir émettre d'avis négatif, après avoir apprécié les circonstances dans lesquelles le déclarant a perdu la nationalité belge, ainsi que les raisons pour lesquelles il veut la recouvrer.] <L 1998-12-22/51, art. 5, 006; En vigueur : 01-09-1999>
[2 Si la perte de la nationalité belge résulte de l'impossibilité de faire la déclaration telle que prévue à l'article 22, § 1er, 5°, et si l'intéressé ne satisfait pas aux deux dernières conditions visées au premier alinéa, le procureur du Roi peut néanmoins juger ne pas devoir émettre d'avis négatif, après avoir apprécié les circonstances dans lesquelles le déclarant a perdu la nationalité belge, ainsi que les raisons pour lesquelles il veut la recouvrer.]2
HOOFDSTUK Vbis. - (ingevoegd bij ) Adviesbevoegdheid van het parket.
CHAPITRE Vbis. - [inséré par ] Compétences d'avis du parquet.
Art. 24bis. (ingevoegd bij <W 1998-12-22/51, art. 6, Inwerkingtreding : 01-09-1999>) [1 Het College van procureurs-generaal kan de richtlijnen vastleggen]1 met betrekking tot de wijze waarop het parket bij de rechtbank van eerste aanleg het onderzoek verricht met het oog op het verlenen van een advies zoals bepaald in deze wet [1 ...]1. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. Voor de opdrachten die vervuld moeten worden teneinde de procureur des Konings in staat te stellen de vereiste adviezen te verstrekken, zijn de politiediensten onderworpen aan zijn gezag. Het college van procureurs-generaal houdt toezicht op de wijze waarop de parketten de opdrachten zoals beschreven in deze wet, uitvoeren.
Art. 24bis. [1 Le Collège des procureurs généraux peut arrêter]1 les directives concernant les modalités selon lesquelles le parquet près le Tribunal de première instance mène l'enquête en vue de la présentation d'un avis tel que prévu dans la présente loi [1 ...]1. Ces directives sont contraignantes pour tous les membres du ministère public. Pour les missions qui doivent être accomplies afin de permettre au procureur du Roi d'émettre les avis requis, les services de police sont soumis à l'autorité de celui-ci. Le Collège des procureurs généraux exerce le contrôle sur les modalités selon lesquelles les parquets exécutent les missions définies dans la présente loi.
Wijzigingen
HOOFDSTUK Vter. [1 - Adviesbevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Justitie.]1
CHAPITRE Vter. [1 - Compétence d'avis du Service Public Fédéral Justice.]1
Art. 24ter. [1 § 1. Een Centrale Autoriteit inzake nationaliteit wordt opgericht binnen de Federale Overheidsdienst Justitie.
Behalve in de materies of in de gevallen waar dit Wetboek of de wet bevoegdheden toekent aan de procureur des Konings, verleent de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit niet-bindende adviezen, op vraag van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister, in geval van ernstige twijfel omtrent de wijze van toepassing van een of meer bepalingen van dit Wetboek.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister zendt zijn adviesaanvraag over aan de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit, samen met de stukken waarover hij beschikt.
De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit kan, indien nodig, bijkomende documenten of akten opvragen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd. Deze laatste zendt ze onmiddellijk over aan de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit.
§ 3. De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit verleent advies binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van alle benodigde stukken, verlengbaar met zes maanden door de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit.
§ 4. De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit brengt het advies ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd.]1
Behalve in de materies of in de gevallen waar dit Wetboek of de wet bevoegdheden toekent aan de procureur des Konings, verleent de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit niet-bindende adviezen, op vraag van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister, in geval van ernstige twijfel omtrent de wijze van toepassing van een of meer bepalingen van dit Wetboek.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister zendt zijn adviesaanvraag over aan de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit, samen met de stukken waarover hij beschikt.
De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit kan, indien nodig, bijkomende documenten of akten opvragen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd. Deze laatste zendt ze onmiddellijk over aan de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit.
§ 3. De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit verleent advies binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van alle benodigde stukken, verlengbaar met zes maanden door de Centrale Autoriteit inzake nationaliteit.
§ 4. De Centrale Autoriteit inzake nationaliteit brengt het advies ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd.]1
Art. 24ter. [1 § 1er. Une Autorité Centrale en matière de nationalité est créée au sein du Service public fédéral Justice.
Sauf dans les matières où le présent Code ou la loi accordent des compétences au procureur du Roi, l'Autorité Centrale en matière de nationalité rend des avis non contraignants, à la demande de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, en cas de doute sérieux sur la manière d'appliquer une ou plusieurs dispositions du présent Code.
§ 2. L'officier de l'état civil ou le détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, transmet sa demande d'avis à l'Autorité Centrale en matière de nationalité, accompagnée des pièces dont il dispose.
L'Autorité Centrale en matière de nationalité peut, si nécessaire, demander des documents ou des actes complémentaires, à l'officier de l'état civil ou au détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui a demandé l'avis. Celui-ci les transmet immédiatement à l'Autorité Centrale en matière de nationalité.
§ 3. L'Autorité Centrale en matière de nationalité rend un avis dans un délai de six mois à partir de la réception de l'ensemble des pièces nécessaires, prolongeable de six mois par l'Autorité Centrale en matière de nationalité.
§ 4. L'Autorité Centrale en matière de nationalité porte l'avis à la connaissance de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui l'a demandé.]1
Sauf dans les matières où le présent Code ou la loi accordent des compétences au procureur du Roi, l'Autorité Centrale en matière de nationalité rend des avis non contraignants, à la demande de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, en cas de doute sérieux sur la manière d'appliquer une ou plusieurs dispositions du présent Code.
§ 2. L'officier de l'état civil ou le détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, transmet sa demande d'avis à l'Autorité Centrale en matière de nationalité, accompagnée des pièces dont il dispose.
L'Autorité Centrale en matière de nationalité peut, si nécessaire, demander des documents ou des actes complémentaires, à l'officier de l'état civil ou au détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui a demandé l'avis. Celui-ci les transmet immédiatement à l'Autorité Centrale en matière de nationalité.
§ 3. L'Autorité Centrale en matière de nationalité rend un avis dans un délai de six mois à partir de la réception de l'ensemble des pièces nécessaires, prolongeable de six mois par l'Autorité Centrale en matière de nationalité.
§ 4. L'Autorité Centrale en matière de nationalité porte l'avis à la connaissance de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui l'a demandé.]1
HOOFDSTUK VI. - REGISTERS EN MELDINGEN.
CHAPITRE VI. - REGISTRES ET MENTIONS.
HOOFDSTUK VII. - OVERGANGSBEPALINGEN.
CHAPITRE VII. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES.
Art. 26. § 1. De bepalingen van de artikelen 10, 12, 13, 15 tot 17 en 22, eerste en tweede lid, en 25 van de wetten op de verkrijging, het verlies en de herkrijging van de nationaliteit, gecoördineerd op 14 december 1932 en gewijzigd bij de wetten van 21 mei 1951, 22 december 1961, 17 maart 1964, 2 april 1965 en 10 oktober 1967, blijven van toepassing op de verklaringen die zijn afgelegd met het oog op de verkrijging of de herkrijging van de Belgische nationaliteit alsmede op de verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit Wetboek.
§ 2. In afwijking van § 1, is de openbaarmaking, door aanplakking en inlassing in een dagblad, van de verklaringen tot verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit of van de verzoeken om naturalisatie niet meer vereist.
§ 3. De naturalisaties verleend op verzoeken die vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek zijn ingediend blijven onderworpen aan de vroeger toepasselijke bepalingen van de artikelen 238, 239, 241 tot 243, 245 en 246 van het koninklijk besluit nr. 64 van 30 november 1939, houdende het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, bevestigd door de wet van 16 juni 1947, gewijzigd bij de wetten van 14 augustus 1947, 28 februari 1962 en 17 maart 1964.
(§ 4. Verzoeken om grote of gewone naturalisatie die vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek zijn ingediend op grond van de artikelen 12 en 13 van de wetten op de verkrijging, het verlies en de herkrijging van de nationaliteit, gecoördineerd op 14 december 1932 en gewijzigd bij de wetten van 21 mei 1951, 22 december 1961, 17 maart 1964, 2 april 1965 en 10 oktober 1967, worden geacht verzoeken om naturalisatie te betreffen.
§ 5. Hetzelfde geldt voor verzoeken om gewone of grote naturalisatie, die vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 augustus 1993 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de wetten betreffende de naturalisatie werden ingediend op grond van de vroeger toepasselijke bepalingen van de artikelen 19 en 20 van dit Wetboek.
§ 6. De aanvragen om grote naturalisatie die vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 augustus 1993 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de wetten betreffende de naturalisatie werden ingediend door de aanvragers, die de Belgische nationaliteit bezaten als gevolg van gewone naturalisatie of een verklaring afgelegd krachtens artikel 16 van dit Wetboek, of door een vrouw die op grond van de vroeger toepasselijke wetsbepalingen Belg is geworden bij haar huwelijk met een Belg of als gevolg van de verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit door haar man, vervallen.
Het door de aanvrager gekweten registratierecht wordt terugbetaald mits een verklaring wordt voorgelegd, afgeleverd door de Minister van Justitie, waarin wordt bevestigd dat het verzoek om naturalisatie vervallen is.
§ 7. Verklaringen die vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 augustus 1993 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de wetten betreffende de naturalisatie werden afgelegd op grond van de vroeger toepasselijke bepaling van artikel 16, § 2, van dit Wetboek blijven onderworpen aan die bepaling.) <W 1993-08-06/35, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 03-10-1993>
(§ 8. De verzoeken om naturalisatie die vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit zijn ingediend op grond van de vroeger toepasselijke bepaling van artikel 21 van dit Wetboek blijven onderworpen aan die bepaling.
§ 9. De verklaringen die afgelegd zijn vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit op grond van de vroeger toepasselijke bepalingen van de artikelen 11bis, 12bis en 15 van dit Wetboek blijven onderworpen aan die bepalingen.
§ 10. De verzoeken om naturalisatie die vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit zijn ingediend, blijven onderworpen aan de vroeger toepasselijke bepalingen van de artikelen 238, 240, 240bis, 241 en 244, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.) <W 2000-03-01/49, art. 13, 007; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
§ 2. In afwijking van § 1, is de openbaarmaking, door aanplakking en inlassing in een dagblad, van de verklaringen tot verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit of van de verzoeken om naturalisatie niet meer vereist.
§ 3. De naturalisaties verleend op verzoeken die vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek zijn ingediend blijven onderworpen aan de vroeger toepasselijke bepalingen van de artikelen 238, 239, 241 tot 243, 245 en 246 van het koninklijk besluit nr. 64 van 30 november 1939, houdende het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, bevestigd door de wet van 16 juni 1947, gewijzigd bij de wetten van 14 augustus 1947, 28 februari 1962 en 17 maart 1964.
(§ 4. Verzoeken om grote of gewone naturalisatie die vóór de inwerkingtreding van dit Wetboek zijn ingediend op grond van de artikelen 12 en 13 van de wetten op de verkrijging, het verlies en de herkrijging van de nationaliteit, gecoördineerd op 14 december 1932 en gewijzigd bij de wetten van 21 mei 1951, 22 december 1961, 17 maart 1964, 2 april 1965 en 10 oktober 1967, worden geacht verzoeken om naturalisatie te betreffen.
§ 5. Hetzelfde geldt voor verzoeken om gewone of grote naturalisatie, die vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 augustus 1993 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de wetten betreffende de naturalisatie werden ingediend op grond van de vroeger toepasselijke bepalingen van de artikelen 19 en 20 van dit Wetboek.
§ 6. De aanvragen om grote naturalisatie die vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 augustus 1993 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de wetten betreffende de naturalisatie werden ingediend door de aanvragers, die de Belgische nationaliteit bezaten als gevolg van gewone naturalisatie of een verklaring afgelegd krachtens artikel 16 van dit Wetboek, of door een vrouw die op grond van de vroeger toepasselijke wetsbepalingen Belg is geworden bij haar huwelijk met een Belg of als gevolg van de verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit door haar man, vervallen.
Het door de aanvrager gekweten registratierecht wordt terugbetaald mits een verklaring wordt voorgelegd, afgeleverd door de Minister van Justitie, waarin wordt bevestigd dat het verzoek om naturalisatie vervallen is.
§ 7. Verklaringen die vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 augustus 1993 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de wetten betreffende de naturalisatie werden afgelegd op grond van de vroeger toepasselijke bepaling van artikel 16, § 2, van dit Wetboek blijven onderworpen aan die bepaling.) <W 1993-08-06/35, art. 15, 004; Inwerkingtreding : 03-10-1993>
(§ 8. De verzoeken om naturalisatie die vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit zijn ingediend op grond van de vroeger toepasselijke bepaling van artikel 21 van dit Wetboek blijven onderworpen aan die bepaling.
§ 9. De verklaringen die afgelegd zijn vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit op grond van de vroeger toepasselijke bepalingen van de artikelen 11bis, 12bis en 15 van dit Wetboek blijven onderworpen aan die bepalingen.
§ 10. De verzoeken om naturalisatie die vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit zijn ingediend, blijven onderworpen aan de vroeger toepasselijke bepalingen van de artikelen 238, 240, 240bis, 241 en 244, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.) <W 2000-03-01/49, art. 13, 007; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
Art. 26. § 1er. Les dispositions des articles 10, 12, 13, 15 à 17, 22, premier et deuxième alinéas, et 25 des lois sur l'acquisition, la perte et le recouvrement de la nationalité, coordonnées le 14 décembre 1932 et modifiées par les lois des 21 mai 1951, 22 décembre 1961, 17 mars 1964, 2 avril 1965 et 10 octobre 1967, demeurent applicables aux déclarations souscrites en vue d'acquérir ou de recouvrer la nationalité belge ainsi qu'aux demandes de naturalisation introduites avant l'entrée en vigueur du présent Code.
§ 2. Par dérogation au § 1er, il n'est plus requis d'assurer la publicité, par affichage et insertion dans un journal, des déclarations d'acquisition ou de recouvrement de la nationalité belge ni des demandes de naturalisation.
§ 3. Les naturalisations accordées à la suite de demandes introduites avant l'entrée en vigueur du présent Code sont soumises aux dispositions antérieurement applicables des articles 238, 239, 241 à 243, 245 et 246 de l'arrêté royal n° 64 du 30 novembre 1939, contenant le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, confirmé par la loi du 16 juin 1947, modifiés par les lois des 14 août 1947, 28 février 1962 et 17 mars 1964.
[§ 4. Les demandes de grande naturalisation ou de naturalisation ordinaire qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur du présent Code, sur la base des articles 12 et 13 des lois sur l'acquisition, la perte et le recouvrement de la nationalité coordonnées le 14 décembre 1932 et modifiées par les lois des 21 mai 1951, 22 décembre 1961, 17 mars 1964, 2 avril 1965 et 10 octobre 1967, sont présumées relatives à la naturalisation.
§ 5. Il en va de même pour les demandes de naturalisation ordinaire ou de grande naturalisation, qui ont été introduites sur la base des dispositions antérieures applicables des articles 19 et 20 du présent code avant l'entrée en vigueur de la loi du 6 août 1993 modifiant le Code de la nationalité belge et les lois relatives à la naturalisation.
§ 6. Les demandes de grande naturalisation qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur de la loi du 6 août 1993 modifiant le Code de la nationalité belge et les lois relatives à la naturalisation par des demandeurs qui possédaient la nationalité belge par naturalisation ordinaire ou par déclaration souscrite en vertu de l'article 16 du présent code ou par une femme devenue Belge par mariage avec un Belge sur la base des dispositions légales applicables antérieurement ou du fait de l'acquisition ou de recouvrement de son mari de la nationalité belge, sont caduques.
Le droit d'enregistrement acquitté par le demandeur sera restitué moyennant la production d'une attestation, délivrée par le Ministre de la Justice, certifiant que la demande de naturalisation est caduque.
§ 7. Les déclarations qui ont été souscrites avant l'entrée en vigueur de la loi du 6 août 1993 modifiant le Code de la nationalité belge et les lois relatives a la naturalisation, sur base de la disposition antérieurement applicable de l'article 16, § 2, du présent Code, restent soumises à cette disposition.] <L 1993-08-06/35, art. 15, 004; En vigueur : 03-10-1993>
[§ 8. Les demandes de naturalisation qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur de la loi du 1er mars 2000 modifiant certaines dispositions relatives à la nationalité belge, sur la base de la disposition antérieurement applicable de l'article 21 du présent Code, restent soumises à cette disposition.
§ 9. Les déclarations qui ont été faites avant l'entrée en vigueur de la loi du 1er mars 2000 modifiant certaines dispositions relatives à la nationalité belge, sur la base des dispositions antérieurement applicables des articles 11bis, 12bis et 15 du présent Code, restent soumises à ces dispositions.
§ 10. Les demandes de naturalisation qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur de la loi du 1er mars 2000 modifiant certaines dispositions relatives à la nationalité belge restent soumises aux dispositions antérieurement applicables des articles 238, 240, 240bis, 241 et 244, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.] <L 2000-03-01/49, art. 13, 007; En vigueur : 01-05-2000>
§ 2. Par dérogation au § 1er, il n'est plus requis d'assurer la publicité, par affichage et insertion dans un journal, des déclarations d'acquisition ou de recouvrement de la nationalité belge ni des demandes de naturalisation.
§ 3. Les naturalisations accordées à la suite de demandes introduites avant l'entrée en vigueur du présent Code sont soumises aux dispositions antérieurement applicables des articles 238, 239, 241 à 243, 245 et 246 de l'arrêté royal n° 64 du 30 novembre 1939, contenant le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, confirmé par la loi du 16 juin 1947, modifiés par les lois des 14 août 1947, 28 février 1962 et 17 mars 1964.
[§ 4. Les demandes de grande naturalisation ou de naturalisation ordinaire qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur du présent Code, sur la base des articles 12 et 13 des lois sur l'acquisition, la perte et le recouvrement de la nationalité coordonnées le 14 décembre 1932 et modifiées par les lois des 21 mai 1951, 22 décembre 1961, 17 mars 1964, 2 avril 1965 et 10 octobre 1967, sont présumées relatives à la naturalisation.
§ 5. Il en va de même pour les demandes de naturalisation ordinaire ou de grande naturalisation, qui ont été introduites sur la base des dispositions antérieures applicables des articles 19 et 20 du présent code avant l'entrée en vigueur de la loi du 6 août 1993 modifiant le Code de la nationalité belge et les lois relatives à la naturalisation.
§ 6. Les demandes de grande naturalisation qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur de la loi du 6 août 1993 modifiant le Code de la nationalité belge et les lois relatives à la naturalisation par des demandeurs qui possédaient la nationalité belge par naturalisation ordinaire ou par déclaration souscrite en vertu de l'article 16 du présent code ou par une femme devenue Belge par mariage avec un Belge sur la base des dispositions légales applicables antérieurement ou du fait de l'acquisition ou de recouvrement de son mari de la nationalité belge, sont caduques.
Le droit d'enregistrement acquitté par le demandeur sera restitué moyennant la production d'une attestation, délivrée par le Ministre de la Justice, certifiant que la demande de naturalisation est caduque.
§ 7. Les déclarations qui ont été souscrites avant l'entrée en vigueur de la loi du 6 août 1993 modifiant le Code de la nationalité belge et les lois relatives a la naturalisation, sur base de la disposition antérieurement applicable de l'article 16, § 2, du présent Code, restent soumises à cette disposition.] <L 1993-08-06/35, art. 15, 004; En vigueur : 03-10-1993>
[§ 8. Les demandes de naturalisation qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur de la loi du 1er mars 2000 modifiant certaines dispositions relatives à la nationalité belge, sur la base de la disposition antérieurement applicable de l'article 21 du présent Code, restent soumises à cette disposition.
§ 9. Les déclarations qui ont été faites avant l'entrée en vigueur de la loi du 1er mars 2000 modifiant certaines dispositions relatives à la nationalité belge, sur la base des dispositions antérieurement applicables des articles 11bis, 12bis et 15 du présent Code, restent soumises à ces dispositions.
§ 10. Les demandes de naturalisation qui ont été introduites avant l'entrée en vigueur de la loi du 1er mars 2000 modifiant certaines dispositions relatives à la nationalité belge restent soumises aux dispositions antérieurement applicables des articles 238, 240, 240bis, 241 et 244, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.] <L 2000-03-01/49, art. 13, 007; En vigueur : 01-05-2000>
Art. 27. <W 1993-08-06/35, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 03-10-1993> De personen die de grote of gewone naturalisatie hebben verkregen, worden geacht de Belgische nationaliteit te hebben verkregen door naturalisatie.
De personen die vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 augustus 1993 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de wetten betreffende de naturalisatie Belg zijn geworden door de naturalisatie of door verklaring afgelegd krachtens artikel 16 van dit Wetboek en de vrouwen die op grond van de vroeger toepasselijke wetsbepalingen Belg zijn geworden bij hun huwelijk met een Belg of wegens de verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit door hun man, verwerven automatisch de rechten en plichten verbonden aan de staat van Belg, zonder dat hen kan worden tegengeworpen dat zij niet de hoedanigheid van Belg door geboorte hadden verworven.
De personen die vóór de inwerkingtreding van de wet van 6 augustus 1993 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de wetten betreffende de naturalisatie Belg zijn geworden door de naturalisatie of door verklaring afgelegd krachtens artikel 16 van dit Wetboek en de vrouwen die op grond van de vroeger toepasselijke wetsbepalingen Belg zijn geworden bij hun huwelijk met een Belg of wegens de verkrijging of herkrijging van de Belgische nationaliteit door hun man, verwerven automatisch de rechten en plichten verbonden aan de staat van Belg, zonder dat hen kan worden tegengeworpen dat zij niet de hoedanigheid van Belg door geboorte hadden verworven.
Art. 27. <L 1993-08-06/35, art. 16, 004; En vigueur : 03-10-1993> Les personnes ayant obtenu la grande naturalisation ou la naturalisation ordinaire sont considérées comme ayant acquis la nationalité belge par naturalisation.
Les personnes devenues Belges avant l'entrée en vigueur de la loi du 6 août 1993 modifiant le Code de la nationalité belge et les lois relatives a la naturalisation par naturalisation ou par déclaration souscrite en vertu de l'article 16 du présent Code, ainsi que les femmes devenues Belges sur la base des dispositions légales applicables antérieurement, par mariage avec un Belge ou du fait de l'acquisition ou du recouvrement de la nationalité belge par leur mari, acquièrent automatiquement les droits et obligations liés à la nationalité belge, sans qu'il puisse leur être opposé qu'elles n'avaient pas acquis la qualité de Belge de naissance.
Les personnes devenues Belges avant l'entrée en vigueur de la loi du 6 août 1993 modifiant le Code de la nationalité belge et les lois relatives a la naturalisation par naturalisation ou par déclaration souscrite en vertu de l'article 16 du présent Code, ainsi que les femmes devenues Belges sur la base des dispositions légales applicables antérieurement, par mariage avec un Belge ou du fait de l'acquisition ou du recouvrement de la nationalité belge par leur mari, acquièrent automatiquement les droits et obligations liés à la nationalité belge, sans qu'il puisse leur être opposé qu'elles n'avaient pas acquis la qualité de Belge de naissance.
Art. 28. § 1. Wie verzuimd heeft tijdig een verklaring van nationaliteitskeuze af te leggen op grond van artikel 2, § 4, van de wet van 22 december 1961 betreffende de verwerving of herkrijging van de Belgische nationaliteit door de buitenlanders die geboren zijn of hun woonplaats hebben op het grondgebied van de Republiek Congo of door de Congolezen die hun gewone verblijfplaats in België hebben gehad, kunnen die verklaring afleggen, op de wijze bepaald bij artikel 15, binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Wetboek.
§ 2. De belanghebbende moet zijn hoofdverblijf in België hebben gehad gedurende de twee jaar die aan de inwerkingtreding van dit Wetboek voorafgaan en dit verblijf hebben behouden tot op het tijdstip waarop de verklaring wordt afgelegd.
§ 2. De belanghebbende moet zijn hoofdverblijf in België hebben gehad gedurende de twee jaar die aan de inwerkingtreding van dit Wetboek voorafgaan en dit verblijf hebben behouden tot op het tijdstip waarop de verklaring wordt afgelegd.
Art. 28. § 1er. Les personnes qui ont omis de souscrire en temps utile une déclaration d'option en faveur de la nationalité belge sur base de l'article 2, § 4, de la loi du 22 décembre 1961 relative à l'acquisition ou au recouvrement de la nationalité belge par des étrangers nés ou domiciliés sur le territoire de la République du Congo ou par les Congolais ayant eu en Belgique leur résidence habituelle, sont admises à souscrire cette déclaration, dans la forme prévue à l'article 15, dans les deux ans suivant l'entrée en vigueur du présent Code.
§ 2. Les déclarants doivent avoir eu leur résidence principale en Belgique durant les deux années précédant l'entrée en vigueur du présent Code et avoir maintenu cette résidence jusqu'au moment où la déclaration est souscrite.
§ 2. Les déclarants doivent avoir eu leur résidence principale en Belgique durant les deux années précédant l'entrée en vigueur du présent Code et avoir maintenu cette résidence jusqu'au moment où la déclaration est souscrite.
Art. 29. De inwerkingtreding van de artikelen 8 tot 10 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit heeft niet tot gevolg dat de Belgische nationaliteit wordt toegekend aan de vreemdeling die op het tijdstip van die inwerkingtreding, de volle leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
Art. 29. L'entrée en vigueur des articles 8 à 10 du Code de la nationalité belge n'a pas pour effet d'attribuer la nationalité belge à l'étranger qui, lors de cette entrée en vigueur, est âgé de dix-huit ans accomplis.
Art. 30. De in artikel 22, § 1, 5° van het Wetboek van de Belgische nationaliteit bepaalde periode van verblijf in het buitenland gaat in de dag waarop dit Wetboek in werking treedt."
Art. 30. Le délai de résidence à l'étranger prévu à l'article 22, § 1er, 5° du Code de la nationalité belge prend cours à la date d'entrée en vigueur dudit Code.
Art. 31. [1 § 1. De vreemdeling die met vrucht een inburgeringscursus heeft gevolgd overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de bevoegde overheid van zijn hoofdverblijfplaats, bewijst zijn maatschappelijke integratie als bedoeld in het oude artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van dit Wetboek, zoals het bestond voor de wijziging ervan bij de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing.
De vreemdeling moet de inburgeringscursus ten laatste begonnen zijn binnen drie jaar te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing.
§ 2. Het oude artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van dit Wetboek, zoals het bestond voor de wijziging ervan bij de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, blijft van toepassing op de vreemdeling die aan de in para-graaf 1 bedoelde voorwaarden voldoet.]1
De vreemdeling moet de inburgeringscursus ten laatste begonnen zijn binnen drie jaar te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing.
§ 2. Het oude artikel 12bis, § 1, 2°, d), en 3°, e), van dit Wetboek, zoals het bestond voor de wijziging ervan bij de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, blijft van toepassing op de vreemdeling die aan de in para-graaf 1 bedoelde voorwaarden voldoet.]1
Art. 31. [1 § 1er. L'étranger qui a suivi avec fruit un cours d'intégration aux conditions fixées par l'autorité compétente de sa résidence principale, prouve son intégration sociale visée à l'ancien article 12bis § 1er, 2°, d) et 3°, e) du présent Code dans sa rédaction antérieure à sa modification par la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolutions des litiges.
L'étranger doit avoir entamé le cours d'intégration au plus tard dans les trois ans à compter du 1er jour du mois qui suit la date de publication au Moniteur belge de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges.
§ 2. L'ancien article 12bis § 1er, 2°, d) et 3°, e) du présent Code dans sa rédaction antérieure à sa modification par la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, reste d'application à l'étranger qui remplit les conditions visées au paragraphe 1er.]1
L'étranger doit avoir entamé le cours d'intégration au plus tard dans les trois ans à compter du 1er jour du mois qui suit la date de publication au Moniteur belge de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges.
§ 2. L'ancien article 12bis § 1er, 2°, d) et 3°, e) du présent Code dans sa rédaction antérieure à sa modification par la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, reste d'application à l'étranger qui remplit les conditions visées au paragraphe 1er.]1