Artikel 1. (Zie NOTA onder TITEL) In de schoot van het Hoofdbestuur van het Ministerie van Onderwijs en in de schoot van het Hoofdbestuur van het "Ministère de l'Education nationale" wordt een Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer opgericht.
Er worden gedeconcentreerde diensten ingesteld, waarvan één voor het Duitse taalgebied; van de andere diensten wordt de territoriale bevoegdheid bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit vastgesteld.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 JULI 1983. - Wet houdende oprichting van de Nationale Dienst voor leerlingenvervoer. (NOTA : Opgeheven op het grondgebied van het Franse taalgebied bij DWG 1998-07-16/48, art. 15, 2°, b); Inwerkingtreding : 29-08-1998) (NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap worden overal de woorden "Nationale Maatschappij voor Buurtspoorwegen" vervangen door de woorden "Vlaamse Vervoermaatschappij" (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 5, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1997)) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-08-1998 en tekstbijwerking tot 14-10-2024)
Titre
15 JUILLET 1983. - Loi portant création du Service national de Transport scolaire. (NOTE : Abrogé sur le territoire de la région de langue française, par DRW 1998-07-16/48, art. 15, 2°, b); En vigueur : 29-08-1998) (NOTE : Pour la Communauté flamande les mots "Nationale Maatschappij voor Buurtspoorwegen" sont remplacés par les mots "Vlaamse Vervoermaatschappij" (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 5, 002; En vigueur : 01-09-1997)) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-08-1998 et mise à jour au 14-10-2024)
Documentinformatie
Numac: 1983010482
Datum: 1983-07-15
Info du document
Numac: 1983010482
Date: 1983-07-15
Tekst (14)
Texte (14)
Article 1. (Voir NOTE sous TITRE) Un Service national de Transport scolaire est créé au sein de l'Administration centrale du Ministère de l'Education nationale et au sein de l'Administration centrale du "Ministerie van Onderwijs".
Des services déconcentrés sont créés, dont un pour la région de langue allemande; pour les autres, leur compétence territoriale sera fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Des services déconcentrés sont créés, dont un pour la région de langue allemande; pour les autres, leur compétence territoriale sera fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Art.2. (Zie NOTA onder TITEL) Voor de toepassing van deze wet wordt onder leerlingenvervoer verstaan: het vervoer van leerlingen van de ophaalplaatsen of van de verblijfplaats, het tehuis of het pleeggezin in het geval bedoeld door artikel 20 van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon onderwijs, naar de door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde school en omgekeerd.
Elk ander leerlingenvervoer wordt als intern vervoer beschouwd en valt niet onder toepassing van deze wet.
Elk ander leerlingenvervoer wordt als intern vervoer beschouwd en valt niet onder toepassing van deze wet.
Art.2. (Voir NOTE sous TITRE) Il faut entendre par transport scolaire au sens de la présente loi, le transport des élèves au départ des points d'embarquement ou dans le cas visé par l'article 20 de la loi du 6 juillet 1970, de la résidence, du home ou de la famille d'accueil, vers l'école organisée ou subventionnée par l'Etat, et inversément.
Tous autres transports d'élèves sont réputés internes et ils sont exclus du champ d'application de la présente loi.
Tous autres transports d'élèves sont réputés internes et ils sont exclus du champ d'application de la présente loi.
Art.3. (Zie NOTA onder TITEL) De Dienst voor Leerlingenvervoer behorend tot het "Ministère de l'Education nationale" is bevoegd voor de scholen die ressorteren onder de bevoegdheid van de Minister van Onderwijs - Franse sector, met uitsluiting van de scholen die buiten het nationaal grondgebied gelegen zijn.
De Dienst voor Leerlingenvervoer behorend tot het Ministerie van Onderwijs is bevoegd voor de scholen die ressorteren onder de bevoegdheid van de Minister van Onderwijs - Nederlandse sector, met uitsluiting van de scholen die buiten het nationaal grondgebied gelegen zijn.
De Dienst voor Leerlingenvervoer behorend tot het Ministerie van Onderwijs is bevoegd voor de scholen die ressorteren onder de bevoegdheid van de Minister van Onderwijs - Nederlandse sector, met uitsluiting van de scholen die buiten het nationaal grondgebied gelegen zijn.
Art.3. (Voir NOTE sous TITRE) Le Service de Transport scolaire appartenant au Ministère de l'Education nationale est compétent pour les écoles qui relèvent de la compétence du Ministère de l'Education nationale, secteur français, à l'exclusion des écoles situées en dehors du territoire national.
Le Service de Transport scolaire appartenant au "Ministerie van Onderwijs" est compétent pour les écoles qui relèvent de la compétence du Ministre de l'Education nationale, secteur néerlandais, à l'exclusion des écoles situées en dehors du territoire national.
Le Service de Transport scolaire appartenant au "Ministerie van Onderwijs" est compétent pour les écoles qui relèvent de la compétence du Ministre de l'Education nationale, secteur néerlandais, à l'exclusion des écoles situées en dehors du territoire national.
Art.4. (Zie NOTA onder TITEL) § 1. Elke Dienst voor Leerlingenvervoer is belast met het (.....) verzekeren, volgens de voorwaarden en de modaliteiten door de Koning te bepalen en voor zover er geen passend openbaar vervoer bestaat, van het vervoer van leerlingen naar de dichtstbijgelegen niet-confessionele, confessionele of pluralistische school, voor zover de ouders de gekozen studierichting in zulke school niet vinden op de afstand bepaald in toepassing van artikel 4 van de wet van 29 mei 1959.
§ 2. De diensten verzekeren eveneens vervoer voor niet onder § 1 bedoeld leerlingen, voor zover deze een school bezoeken die gelegen is in de door de diensten bediende zone en voor zover er geen passend openbaar vervoer bestaat. Voor de toegang tot dat vervoer wordt voorrang verleend aan de leerlingen die de dichtstbijgelegen confessionele, niet-confessionele of pluralistische school bezoeken.
De leerlingen die gebruik maken van dit faciliteitsvervoer, betalen de vervoerprijs volgens het tarief van de Nationale Maatschappij voor Buurtspoorwegen.
<NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt in paragraaf 1, tussen de woorden "leerlingen" en "naar" de woorden "van het secundair onderwijs" ingevoegd. (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 1, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1997)>
<NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt een § 1bis ingevoegd luidend als volgt: "§ 1bis. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 191 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, zijn de diensten voor leerlingenvervoer belast met het verzekeren van vervoer van de leerlingen van het basisonderwijs voor zover deze leerlingen in een school ingeschreven zijn die gelegen is in een door de diensten bediende zone en voor zover er geen passend openbaar vervoer bestaat naar de dichtstbijzijnde vrije of officiële school zoals bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, indien de ouders dergelijke school niet vinden binnen een afstand van vier kilometer." (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 2, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1997)>
<NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt in § 2, tussen de woorden "leerlingen" en "voorzover" de woorden "van het secundair onderwijs" ingevoegd. (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 3, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1997>
<NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt § 2bis ingevoegd luidend als volgt: "§ 2bis. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 191 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, verzekeren de diensten eveneens vervoer voor niet onder § 1bis bedoelde leerlingen, voor zover deze in een school ingeschreven zijn die gelegen is in de door de diensten bediende zone en voor zover er geen passend openbaar vervoer bestaat. Voor de toegang tot dat vervoer wordt voorrang verleend aan de leerlingen die de dichtstbijzijnde vrije of officiële school zoals bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 bezoeken.
De leerlingen die gebruik maken van dit faciliteitsvervoer, betalen de vervoerprijs volgens het tarief van de Vlaamse Vervoersmaatschappij." (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 4, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1997)>
§ 2. De diensten verzekeren eveneens vervoer voor niet onder § 1 bedoeld leerlingen, voor zover deze een school bezoeken die gelegen is in de door de diensten bediende zone en voor zover er geen passend openbaar vervoer bestaat. Voor de toegang tot dat vervoer wordt voorrang verleend aan de leerlingen die de dichtstbijgelegen confessionele, niet-confessionele of pluralistische school bezoeken.
De leerlingen die gebruik maken van dit faciliteitsvervoer, betalen de vervoerprijs volgens het tarief van de Nationale Maatschappij voor Buurtspoorwegen.
<NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt in paragraaf 1, tussen de woorden "leerlingen" en "naar" de woorden "van het secundair onderwijs" ingevoegd. (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 1, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1997)>
<NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt een § 1bis ingevoegd luidend als volgt: "§ 1bis. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 191 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, zijn de diensten voor leerlingenvervoer belast met het verzekeren van vervoer van de leerlingen van het basisonderwijs voor zover deze leerlingen in een school ingeschreven zijn die gelegen is in een door de diensten bediende zone en voor zover er geen passend openbaar vervoer bestaat naar de dichtstbijzijnde vrije of officiële school zoals bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, indien de ouders dergelijke school niet vinden binnen een afstand van vier kilometer." (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 2, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1997)>
<NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt in § 2, tussen de woorden "leerlingen" en "voorzover" de woorden "van het secundair onderwijs" ingevoegd. (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 3, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1997>
<NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt § 2bis ingevoegd luidend als volgt: "§ 2bis. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 191 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, verzekeren de diensten eveneens vervoer voor niet onder § 1bis bedoelde leerlingen, voor zover deze in een school ingeschreven zijn die gelegen is in de door de diensten bediende zone en voor zover er geen passend openbaar vervoer bestaat. Voor de toegang tot dat vervoer wordt voorrang verleend aan de leerlingen die de dichtstbijzijnde vrije of officiële school zoals bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 bezoeken.
De leerlingen die gebruik maken van dit faciliteitsvervoer, betalen de vervoerprijs volgens het tarief van de Vlaamse Vervoersmaatschappij." (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 4, 002; Inwerkingtreding : 01-09-1997)>
Art.4. (Voir NOTE sous TITRE) § 1. Chacun des Services de Transport scolaire est chargé, aux conditions et selon les modalités à fixer par le Roi et à défaut de transport public répondant aux besoins, d'assurer le transport (...) des élèves vers l'école non confessionnelle, confessionnelle ou pluraliste la plus proche pour autant que les parents ne trouvent pas l'orientation d'études choisie dans une telle école, située à la distance prévue à l'article 4 de la loi du 29 mai 1959.
§ 2. Les services prennent en charge des élèves non visés au § 1 du présent article pour autant que ces élèves fréquentent une école située dans la zone désservie et qu'il n'existe aucun transport public répondant aux besoins. Le bénéfice de ce transport est accordée par priorité aux élèves qui fréquentent l'école confessionnelle, non confessionnelle ou pluraliste la plus proche.
Les élèves qui utilisent ce transport de commodité acquittent le montant fixé suivant le tarif de la Société Nationale des Chemins de Fer Vicinaux.
Les élèves qui font usage de ces facilités de transport paient le prix de transport selon le tarif de la Vlaamse Vervoermaatschappij." (DVR 1998-07-14/41, art. 127, § 4, 002; En vigueur : 01-09-1997)>
§ 2. Les services prennent en charge des élèves non visés au § 1 du présent article pour autant que ces élèves fréquentent une école située dans la zone désservie et qu'il n'existe aucun transport public répondant aux besoins. Le bénéfice de ce transport est accordée par priorité aux élèves qui fréquentent l'école confessionnelle, non confessionnelle ou pluraliste la plus proche.
Les élèves qui utilisent ce transport de commodité acquittent le montant fixé suivant le tarif de la Société Nationale des Chemins de Fer Vicinaux.
Art. 5. (NOTA : zie verder niet-federale vorm(en) van dit artikel) Ter uitvoering van hun opdracht vervullen de centrale en de gedeconcentreerde diensten de taken die door de Koning worden bepaald. Deze omvatten onder meer:
1° het opstellen en coördineren van de reglementering;
2° de rationalisering van het vervoer, het vastleggen van de reisroutes, het vaststellen van de behoeften;
3° de organisatie van het overleg en van de coördinatie tussen de onderwijsnetten;
4° de organisatie van de begeleiding der leerlingen;
5° de voorbereiding, het onderzoek en het behandelen van de vervoerdossiers;
6° de verrichtingen inzake het toezicht op de georganiseerde diensten voor vervoer.
1° het opstellen en coördineren van de reglementering;
2° de rationalisering van het vervoer, het vastleggen van de reisroutes, het vaststellen van de behoeften;
3° de organisatie van het overleg en van de coördinatie tussen de onderwijsnetten;
4° de organisatie van de begeleiding der leerlingen;
5° de voorbereiding, het onderzoek en het behandelen van de vervoerdossiers;
6° de verrichtingen inzake het toezicht op de georganiseerde diensten voor vervoer.
Art. 5. (NOTE : voir plus loin forme(s) non fédérale(s) de cet article) Pour l'exécution de leur mission les services centraux et déconcentrés remplissent les tâches fixées par le Roi. Celles-ci comprennent notamment:
1° l'élaboration et la coordination de la réglementation;
2° la rationalisation du transport, la fixation des itinéraires, la détermination des besoins;
3° l'organisation de la concertation et de la coordination entre les réseaux scolaires;
4° l'organisation de l'accompagnement des élèves;
5° la préparation, l'examen et le traitement des dossiers du transport;
6° les opérations de contrôle relatives aux services de transport organisés.
1° l'élaboration et la coordination de la réglementation;
2° la rationalisation du transport, la fixation des itinéraires, la détermination des besoins;
3° l'organisation de la concertation et de la coordination entre les réseaux scolaires;
4° l'organisation de l'accompagnement des élèves;
5° la préparation, l'examen et le traitement des dossiers du transport;
6° les opérations de contrôle relatives aux services de transport organisés.
Art. 5. (Vlaamse Overheid) [1 § 1. De Vlaamse Regering is verantwoordelijk voor de volgende taken :
1° voorstellen en evalueren van de regelgeving;
2° vaststellen van het recht op leerlingenvervoer;
3° verlenen van subsidies voor begeleiding van leerlingen tijdens het leerlingenvervoer;
4° verlenen van subsidies voor individueel vervoer.
§ 2. De Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, vermeld in het decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, is verantwoordelijk voor de volgende taken :
1° het vastleggen van de reisroutes;
2° het vastleggen van de logistieke behoeften;
3° het in eigen beheer of via uitbesteding uitvoeren van de busdiensten.
§ 3. Er wordt samen ingestaan voor het overleg met het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen en andere belanghebbende gesprekspartners, en voor het toezicht op het georganiseerde leerlingenvervoer.]1
1° voorstellen en evalueren van de regelgeving;
2° vaststellen van het recht op leerlingenvervoer;
3° verlenen van subsidies voor begeleiding van leerlingen tijdens het leerlingenvervoer;
4° verlenen van subsidies voor individueel vervoer.
§ 2. De Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, vermeld in het decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, is verantwoordelijk voor de volgende taken :
1° het vastleggen van de reisroutes;
2° het vastleggen van de logistieke behoeften;
3° het in eigen beheer of via uitbesteding uitvoeren van de busdiensten.
§ 3. Er wordt samen ingestaan voor het overleg met het Gemeenschapsonderwijs en de verenigingen van schoolbesturen en andere belanghebbende gesprekspartners, en voor het toezicht op het georganiseerde leerlingenvervoer.]1
Art. 5. (Autorité flamande) [1 § 1er. Le Gouvernement flamand est responsable des tâches suivantes :
1° la proposition et l'évaluation de la réglementation;
2° la reconnaissance/ouverture du droit au transport scolaire;
3° l'attribution de subventions à l'accompagnement des élèves lors du transport scolaire;
4° l'attribution de subventions au transport individuel.
§ 2. La Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, visée au décret du 31 juillet 1990 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public 'Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn', est responsable des tâches suivantes :
1° la fixation des itinéraires;
2° la détermination des besoins;
3° l'accomplissement en régie ou par sous-traitance des services de transport par bus.
§ 3. La concertation avec l'Enseignement communautaire et les associations des autorités scolaires et autres interlocuteurs concernés, et la surveillance du transport scolaire organisé sont assurées de concert.]1
1° la proposition et l'évaluation de la réglementation;
2° la reconnaissance/ouverture du droit au transport scolaire;
3° l'attribution de subventions à l'accompagnement des élèves lors du transport scolaire;
4° l'attribution de subventions au transport individuel.
§ 2. La Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn, visée au décret du 31 juillet 1990 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public 'Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn', est responsable des tâches suivantes :
1° la fixation des itinéraires;
2° la détermination des besoins;
3° l'accomplissement en régie ou par sous-traitance des services de transport par bus.
§ 3. La concertation avec l'Enseignement communautaire et les associations des autorités scolaires et autres interlocuteurs concernés, et la surveillance du transport scolaire organisé sont assurées de concert.]1
Wijzigingen
Art.6. (Zie NOTA onder TITEL) § 1. Elk van de centrale en van de gedeconcentreerde diensten wordt bijgestaan door een raadgevende commissie.
§ 2. De gedeconcentreerde raadgevende commissies maken hun adviezen betreffende de in 2°, 3°, 4° en 5° van artikel 5 van deze wet bedoelde punten over aan iedere gedeconcentreerde dienst, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek.
§ 3. De centrale raadgevende commissies maken hun adviezen en voorstellen betreffende het algemeen beleid inzake leerlingenvervoer aan de bevoegde Minister van Onderwijs over, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek.
Indien een gedeconcentreerde raadgevende commissie er niet in slaagt en advies uit te brengen met de vereiste meerderheid, wordt het advies uitgebracht door de centrale raadgevende commissie.
§ 4. De Minister van Onderwijs neemt slechts een beslissing na beroep op de Ministerraad hetzij zo de centrale raadgevende commissie er niet in geslaagd is met de vereiste meerderheid een voorstel te doen, hetzij zo de vertegenwoordiger van de Minister van Verkeerswezen zich tegen het voorstel heeft verzet, hetzij zo hij wenst af te wijken van de voorstellen van de centrale raadgevende commissie.
§ 2. De gedeconcentreerde raadgevende commissies maken hun adviezen betreffende de in 2°, 3°, 4° en 5° van artikel 5 van deze wet bedoelde punten over aan iedere gedeconcentreerde dienst, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek.
§ 3. De centrale raadgevende commissies maken hun adviezen en voorstellen betreffende het algemeen beleid inzake leerlingenvervoer aan de bevoegde Minister van Onderwijs over, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek.
Indien een gedeconcentreerde raadgevende commissie er niet in slaagt en advies uit te brengen met de vereiste meerderheid, wordt het advies uitgebracht door de centrale raadgevende commissie.
§ 4. De Minister van Onderwijs neemt slechts een beslissing na beroep op de Ministerraad hetzij zo de centrale raadgevende commissie er niet in geslaagd is met de vereiste meerderheid een voorstel te doen, hetzij zo de vertegenwoordiger van de Minister van Verkeerswezen zich tegen het voorstel heeft verzet, hetzij zo hij wenst af te wijken van de voorstellen van de centrale raadgevende commissie.
Art.6. (Voir NOTE sous TITRE) § 1. Chacun des services centraux et déconcentrés est assisté d'une commission consultative.
§ 2. Les commissions consultatives déconcentrées transmettent à chaque service déconcentré, d'initiative ou à sa demande, leurs avis sur les questions visées au 2°, 3°, 4° et 5° de l'article 5.
§ 3. Les commissions consultatives centrales transmettent au Ministre de l'Education nationale compétent, d'initiative ou à sa demande, leurs avis et propositions relatifs à la politique générale des transports scolaires.
Si une commission consultative déconcentrée ne parvient pas à émettre un avis à la majorité requise l'avis est émis par la commission consultative centrale.
§ 4. Le Ministre de l'Education nationale ne prend de décision qu'après en avoir référé au Conseil des Ministres soit sur les questions que les commissions consultatives centrales ne sont pas parvenues à régler à la majorité requise soit sur les propositions auxquelles le représentant du Ministre des Communications s'est opposé, soit aussi s'il souhaite s'écarter des propositions de la commission consultative centrale.
§ 2. Les commissions consultatives déconcentrées transmettent à chaque service déconcentré, d'initiative ou à sa demande, leurs avis sur les questions visées au 2°, 3°, 4° et 5° de l'article 5.
§ 3. Les commissions consultatives centrales transmettent au Ministre de l'Education nationale compétent, d'initiative ou à sa demande, leurs avis et propositions relatifs à la politique générale des transports scolaires.
Si une commission consultative déconcentrée ne parvient pas à émettre un avis à la majorité requise l'avis est émis par la commission consultative centrale.
§ 4. Le Ministre de l'Education nationale ne prend de décision qu'après en avoir référé au Conseil des Ministres soit sur les questions que les commissions consultatives centrales ne sont pas parvenues à régler à la majorité requise soit sur les propositions auxquelles le représentant du Ministre des Communications s'est opposé, soit aussi s'il souhaite s'écarter des propositions de la commission consultative centrale.
Art.7. (Zie NOTA onder TITEL) Op eenparig voorstel van een raadgevende commissie en zonder dat hij de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer kan ontslaan van het vervullen van zijn wettelijke taken, kan de Minister van het bepaalde in artikel 4 afwijken om de kostprijs van de organisatie van het vervoer te verlagen zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de dienstverlening of om de dienstverlening te verbeteren zonder de kostprijs van de organisatie te verhogen.
Art.7. (Voir NOTE sous TITRE) Sur la proposition unanime d'une commission consultative et sans pouvroir dispenser le Service national de Transport scolaire de l'accomplissement de ses missions légales, le Ministre peut déroger aux dispositions de l'article 4 afin de réduire le coût de l'organisation du transport, sans diminuer la qualité du service ou afin d'améliorer le service sans augmenter le coût de l'organisation.
Art.8. (Zie NOTA onder TITEL) § 1. De samenstelling en de werking van de commissies vermeld in artikel 6 wordt vastgesteld door de Koning.
§ 2. De centrale en gedeconcentreerde raadgevende commissies zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de inrichtende machten van de instellingen én van de ouderverenigingen van de leerlingen die van het vervoer genieten georganiseerd door de Dienst. In deze raadgevende commissie is de Minister van Verkeerswezen eveneens vertegenwoordigd met raadgevende stem.
§ 3. Elk van de raadgevende commissies is dusdanig samengesteld dat noch de leden die het confessioneel onderwijs, noch de leden die het niet-confessioneel onderwijs vertegenwoordigen over de meerderheid beschikken.
§ 4. De effectieve en de plaatsvervangende leden van de raadgevende commissies worden op voordracht van de bevoegde Minister voor een periode van vier jaar door de Koning benoemd. Deze mandaten zijn hernieuwbaar.
Op de voordracht van de bevoegde Minister van Onderwijs benoemt de Koning een voorzitter en een ondervoorzitter onder de effectieve leden van elke raadgevende commissie, en dit voor een termijn van twee jaar.
De voorzitter wordt beurtelings uit de vertegenwoordigers van het niet-confessioneel en uit de vertegenwoordigers van het confessioneel onderwijs benoemd.
Ingeval de voorzitter het niet-confessioneel onderwijs vertegenwoordigt, dan vertegenwoordigt de ondervoorzitter het confessioneel onderwijs en omgekeerd.
§ 5. Het secretariaat van elk van deze raadgevende commissies wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor Leerlingenvervoer.
§ 6. De gemotiveerde adviezen van de raadgevende commissies worden binnen door de Koning te bepalen termijnen met een drie vierden meerderheid uitgebracht.
§ 2. De centrale en gedeconcentreerde raadgevende commissies zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de inrichtende machten van de instellingen én van de ouderverenigingen van de leerlingen die van het vervoer genieten georganiseerd door de Dienst. In deze raadgevende commissie is de Minister van Verkeerswezen eveneens vertegenwoordigd met raadgevende stem.
§ 3. Elk van de raadgevende commissies is dusdanig samengesteld dat noch de leden die het confessioneel onderwijs, noch de leden die het niet-confessioneel onderwijs vertegenwoordigen over de meerderheid beschikken.
§ 4. De effectieve en de plaatsvervangende leden van de raadgevende commissies worden op voordracht van de bevoegde Minister voor een periode van vier jaar door de Koning benoemd. Deze mandaten zijn hernieuwbaar.
Op de voordracht van de bevoegde Minister van Onderwijs benoemt de Koning een voorzitter en een ondervoorzitter onder de effectieve leden van elke raadgevende commissie, en dit voor een termijn van twee jaar.
De voorzitter wordt beurtelings uit de vertegenwoordigers van het niet-confessioneel en uit de vertegenwoordigers van het confessioneel onderwijs benoemd.
Ingeval de voorzitter het niet-confessioneel onderwijs vertegenwoordigt, dan vertegenwoordigt de ondervoorzitter het confessioneel onderwijs en omgekeerd.
§ 5. Het secretariaat van elk van deze raadgevende commissies wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor Leerlingenvervoer.
§ 6. De gemotiveerde adviezen van de raadgevende commissies worden binnen door de Koning te bepalen termijnen met een drie vierden meerderheid uitgebracht.
Art.8. (Voir NOTE sous TITRE) § 1. La composition et le fonctionnement des commissions visées à l'article 6 sont réglés par le Roi.
§ 2. Les commissions consultatives centrales et déconcentrées sont composées de représentants des pouvoirs organisateurs des établissements et des organisations de parents des élèves qui bénéficient du transport organisé par le Service. Le Ministre des Communications y est, en outre, représenté avec voix consultative.
§ 3. Chacune des commissions consultatives est composée de manière telle que ni les membres qui représentent l'enseignement confessionnel, ni les membres qui représentent l'enseignement non confessionnel n'y disposent de la majorité.
§ 4. Les membres effectifs et suppléants des commissions consultatives sont nommés par le Roi sur la proposition du Ministre compétent, pour un terme de quatre ans. Ces mandats sont renouvelables.
Sur la proposition du Ministre de l'Education nationale compétent, le Roi nomme un président et l'un vice-président parmi les membres effectifs de chaque commission consultative, pour un terme de deux ans.
Le président est nommé alternativement parmi les représentants de l'enseignement non confessionnel et parmi les représentants de l'enseignement confessionnel.
Lorsque le président représente l'enseignement non confessionnel, le vice-président représente l'enseignement confessionnel et vice versa.
§ 5. Le secrétariat de chacune des commissions consultatives est assuré par un membre du personnel du Service de Transport scolaire.
§ 6. Les avis motivés des commissions consultatives sont émis dans les délais à fixer par le Roi, à la majorité des trois quarts des voix.
§ 2. Les commissions consultatives centrales et déconcentrées sont composées de représentants des pouvoirs organisateurs des établissements et des organisations de parents des élèves qui bénéficient du transport organisé par le Service. Le Ministre des Communications y est, en outre, représenté avec voix consultative.
§ 3. Chacune des commissions consultatives est composée de manière telle que ni les membres qui représentent l'enseignement confessionnel, ni les membres qui représentent l'enseignement non confessionnel n'y disposent de la majorité.
§ 4. Les membres effectifs et suppléants des commissions consultatives sont nommés par le Roi sur la proposition du Ministre compétent, pour un terme de quatre ans. Ces mandats sont renouvelables.
Sur la proposition du Ministre de l'Education nationale compétent, le Roi nomme un président et l'un vice-président parmi les membres effectifs de chaque commission consultative, pour un terme de deux ans.
Le président est nommé alternativement parmi les représentants de l'enseignement non confessionnel et parmi les représentants de l'enseignement confessionnel.
Lorsque le président représente l'enseignement non confessionnel, le vice-président représente l'enseignement confessionnel et vice versa.
§ 5. Le secrétariat de chacune des commissions consultatives est assuré par un membre du personnel du Service de Transport scolaire.
§ 6. Les avis motivés des commissions consultatives sont émis dans les délais à fixer par le Roi, à la majorité des trois quarts des voix.
Art.9. (Zie NOTA onder TITEL) Niemand mag nog een dient voor leerlingenvervoer in de zin van deze wet organiseren in een door de Nationale Dienst bediende zone, zodra er door die Dienst in zodanig vervoer wordt voorzien.
<NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt de volgende zinsnede toegevoegd in fine van het eerste lid : ", tenzij voor die zones waar ritten zonder rechthebbenden worden afgeschaft en mits machtiging van de Vlaamse Regering."; DVR 1993-12-22/37, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
De Koning zal de nodige sancties bepalen die zullen worden toegepast in geval van van inbreuk op dit verbod.
Het maximum van de strafrechtelijke sancties wordt vastgesteld op een geldboete van 1 000 frank.
<NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt de volgende zinsnede toegevoegd in fine van het eerste lid : ", tenzij voor die zones waar ritten zonder rechthebbenden worden afgeschaft en mits machtiging van de Vlaamse Regering."; DVR 1993-12-22/37, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-1994>
De Koning zal de nodige sancties bepalen die zullen worden toegepast in geval van van inbreuk op dit verbod.
Het maximum van de strafrechtelijke sancties wordt vastgesteld op een geldboete van 1 000 frank.
Art.9. (Voir NOTE sous TITRE) Aucun service de transport scolaire au sens de la présente loi ne pourra plus être organisé par quiconque dans une zone desservie par le Service national, dès que pareil transport y sera assuré par ce service.
Le Roi déterminera les sanctions nécessaires qui seront appliquées en cas d'infraction.
Le maximum des sanctions pénales est fixé à une amende de 1 000 francs par infraction.
Le Roi déterminera les sanctions nécessaires qui seront appliquées en cas d'infraction.
Le maximum des sanctions pénales est fixé à une amende de 1 000 francs par infraction.
Art.10. (Zie NOTA onder TITEL) De voorlopige en definitieve machtigingen voor leerlingenvervoer worden door de Minister van verkeerswezen slechts afgeleverd op voorstel van de bevoegde Minister van Onderwijs.
Art.10. (Voir NOTE sous TITRE) Les autorisations provisoires et définitives de transport scolaire ne seront délivrées par le Ministre des Communications que sur la proposition du Ministre de l'Education nationale compétent.
Art.10 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Opgeheven art. 25 van 8 MEI 2024. - Decreet houdende maatregelen inzake onderwijs en ouderenbeleid - 2024
Opgeheven art. 25 van 8 MEI 2024. - Decreet houdende maatregelen inzake onderwijs en ouderenbeleid - 2024
Art.10 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Abrogé art. 25 van 8 MEI 2024. - Decreet houdende maatregelen inzake onderwijs en ouderenbeleid - 2024
Abrogé art. 25 van 8 MEI 2024. - Decreet houdende maatregelen inzake onderwijs en ouderenbeleid - 2024
Art.11. (Zie NOTA onder TITEL) De zendingsgelastigden bij de Coördinatiecommissie voor Leerlingenvervoer, opgericht in het kader van artikel 2, 2° van de wet van 14 juli 1975 houdende wijziging van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet in dienst zijn, worden naar rata van zes per taalstelsel, op hun verzoek toegevoegd aan de in artikel 1, eerste lid, van deze wet genoemde diensten.
Betrokkenen blijven onderworpen aan het administratief regime, de bezoldigingsregeling en de pensioenregeling die op hen van toepassing waren op het ogenblik van hun indiensttreding bij de hierbovengenoemde diensten. Zij hebben recht op de reis- en verblijfsvergoedingen waarin voorzien is voor ambtenaren van rang 13.
(NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt aan artikel 11 de volgende zin toegevoegd : " Zij blijven eveneens onderworpen aan het administratief en geldelijk statuut dat op hen van toepassing zou zijn, indien zij in dienst zouden gebleven zijn in hun dienst of instelling van herkomst. " <span class="domain-tag domain-dvr"><span class="domain-tag domain-dvr"><span class="metadata-tag bg-amber-100 text-amber-800 dark:bg-yellow-900/40 dark:text-yellow-300 px-1 rounded"><DVR 1999-05-18/63, art. 2.49, Inwerkingtreding : 01-04-1991></span></span></span>)
Betrokkenen blijven onderworpen aan het administratief regime, de bezoldigingsregeling en de pensioenregeling die op hen van toepassing waren op het ogenblik van hun indiensttreding bij de hierbovengenoemde diensten. Zij hebben recht op de reis- en verblijfsvergoedingen waarin voorzien is voor ambtenaren van rang 13.
(NOTA : Voor de Vlaamse Gemeenschap wordt aan artikel 11 de volgende zin toegevoegd : " Zij blijven eveneens onderworpen aan het administratief en geldelijk statuut dat op hen van toepassing zou zijn, indien zij in dienst zouden gebleven zijn in hun dienst of instelling van herkomst. " <span class="domain-tag domain-dvr"><span class="domain-tag domain-dvr"><span class="metadata-tag bg-amber-100 text-amber-800 dark:bg-yellow-900/40 dark:text-yellow-300 px-1 rounded"><DVR 1999-05-18/63, art. 2.49, Inwerkingtreding : 01-04-1991></span></span></span>)
Art.11. (Voir NOTE sous TITRE) A concurrence de six par rôle linguistique, les chargés de mission auprès de la Mission de coordination des Transports scolaires, créée dans le cadre de l'article 2, 2°, de la loi du 14 juillet 1975 modifiant la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, qui sont en fonction au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi sont, à leur demande, attachés aux services visés à l'article 1, premier alinéa, de la présente loi.
Les intéressés restent soumis aux régimes administratif, pécuniaire et de pension qui leur étaient applicables avant leur entrée en fonction aux services susvisés. Ils peuvent prétendre aux indemnités pour frais de parcours et de séjour réservées aux fonctionnaires du rang 13.
(NOTE : pour la Communauté flamande, la phrase suivante est ajoutée à l'article 11 : " Ils continuent à être assujettis au statut administratif et pécuniaire qui leur serait applicable au cas où ils seraient restés occupés dans leur service ou établissement. ".)
Les intéressés restent soumis aux régimes administratif, pécuniaire et de pension qui leur étaient applicables avant leur entrée en fonction aux services susvisés. Ils peuvent prétendre aux indemnités pour frais de parcours et de séjour réservées aux fonctionnaires du rang 13.
(NOTE : pour la Communauté flamande, la phrase suivante est ajoutée à l'article 11 : " Ils continuent à être assujettis au statut administratif et pécuniaire qui leur serait applicable au cas où ils seraient restés occupés dans leur service ou établissement. ".
Art.12. (Zie NOTA onder TITEL) Artikel 2 van de wet van 26 april 1962 betreffende het gemeenschappelijk vervoer van de leerlingen van de onderwijsinrichtingen wordt opgeheven naarmate deze wet in werking treedt per zone.
Art.12. (Voir NOTE sous TITRE) L'article 2 de la loi du 26 avril 1962 relative au tansport en commun d'élèves des établissements d'enseignement est abrogé au fur et à mesure de l'entrée en vigueur de la présente loi par zone.
Art. 13. (Zie NOTA onder TITEL) Deze wet treedt in werking per zone, op een datum die door de Minister wordt bepaald. De Minister legt meteen ook het gebied van de zone vast.
Elk jaar brengen de Minister van Onderwijs gezamenlijk verslag uit over de toepassing van deze wet bij de bevoegde commissies van Kamer en Senaat.
Elk jaar brengen de Minister van Onderwijs gezamenlijk verslag uit over de toepassing van deze wet bij de bevoegde commissies van Kamer en Senaat.
Art. 13. (Voir NOTE sous TITRE) La présente loi entre en vigueur par zone à une date à fixer par le Ministre, lequel détermine par la même occasion le territoire concerné.
Chaque année les Ministres de l'Education nationale informeront conjointement les commissions compétentes de la Chambre et du Sénat de l'application de la présente loi.
Chaque année les Ministres de l'Education nationale informeront conjointement les commissions compétentes de la Chambre et du Sénat de l'application de la présente loi.