Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
4 AUGUSTUS 1981. - Koninklijk besluit houdende politie- en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-07-1987 en tekstbijwerking tot 13-01-2026)
Titre
4 AOUT 1981. - Arrêté royal portant règlement de police et de navigation pour la mer territoriale belge, les ports et les plages du littoral belge. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 18-07-1987 et mise à jour au 13-01-2026)
Documentinformatie
Numac: 1981001557
Datum: 1981-08-04
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1981001557
Date: 1981-08-04
Moniteur: Voir
Tekst (98)
Texte (98)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Sectie 1. Toepassingsgebied.
Section 1. - Champ d'application.
Artikel 1. Dit reglement is van toepassing in de Belgische territoriale zee, in de havens en op de stranden van de Belgische kust.
[1 Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatie-systeem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad, gewijzigd bij Richtlijn 2009/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 en bij Richtlijn 2011/15/EU van de Commissie van 23 februari 2011.]1
Article 1er. Le présent règlement est applicable dans la mer territoriale belge, dans les ports et sur les plages du littoral belge.
[1 Le présent arrêté transpose partiellement la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2002 relative à la mise en place d'un système communautaire de suivi du trafic des navires et d'information et abrogeant la Directive 93/75/CEE du Conseil, modifiée par la Directive 2009/17/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 et par la Directive 2011/15/UE de la Commission du 23 février 2011.]1
Art. 2. § 1. In dit reglement wordt onder "Belgische territoriale zee" verstaan de wateren gelegen binnen een ingebeelde lijn welke parallel loopt met de Belgische kust op een afstand van 3 zeemijlen (5 556m) te rekenen hetzij vanaf de laagwaterlijn van deze kust of van bij eb droogvallende bodemverheffingen indien deze zich binnen 3 zeemijlen vanaf die laagwaterlijn bevinden, hetzij vanaf de uiteinden der permanente havenwerken welke buiten voornoemde laagwaterlijn uitsteken, zoals een en ander op de officiële Belgische op grote schaal uitgevoerde zeekaarten is aangeduid.
§ 2. In dit reglement wordt onder "havens van de Belgische kust" verstaan:
Wat de haven van Oostende betreft: de wateren van de haven van Oostende welke zich uitstrekken van het uiteinde, in zee, van de hoofden der staketsels van de vaargeul tot het benedenhoofd van de sluis van de Handelsdokken, enerzijds, en tot de benedenhoofden van de sluizen van Slijkens, de afsluitdam van de gewezen spuikom en het benedenhoofd van de sluis van het vlotdok van de vissershaven en van het Zeewezendok anderzijds, met inbegrip van de wateren van het Montgomery dok tot aan de Mercatorsluis en van het tijdok van de vissershaven;
Wat de haven van Zeebrugge betreft: de wateren van de haven van Zeebrugge welke zich uitstrekken vanaf de ingebeelde rechte lijn getrokken door de uiterste zeewaartse punten van de havendammen tot de benedenhoofden van de sluizen, met inbegrip van de vissershaven, de jachthaven en het dok van de Belgische Zeemacht alsook de werf- en kielbanken van de vissershaven;
Wat de haven van Nieuwpoort betreft: de wateren van de haven van Nieuwpoort welke zich uitstrekken van het uiteinde in zee, van de hoofden der staketstels van de vaargeul tot de benedenhoofden van de sluizen der achterhaven, met inbegrip van alle ermede in verbinding staande dokken;
Wat de haven van Blankenberge betreft: de wateren van de haven van Blankenberge welke zich uitstrekken van het uiteinde, in zee, van de hoofden der staketsels van de vaargeul tot aan de oosterkaaimuur van het bankdok, met inbegrip van de nieuwe jachthaven.
§ 3. In dit reglement wordt onder "de stranden van de Belgische kust" verstaan de strook van de Belgische kust begrepen tussen de in § 1 bedoelde laagwaterlijn en de hoogwaterlijn.
Art. 2. § 1er. On entend dans le présent règlement par "mer territoriale belge" les eaux situées en deçà de la ligne fictive qui s'étend parallèlement le long de la côte belge à 3 milles marins (5 556 m) de la laisse de basse mer de cette côte ou des hauts fonds découvrants à marée basse pour autant qu'ils se trouvent à moins de 3 milles marins de cette laisse de basse mer, ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant ladite laisse de basse mer, comme il est indiqué sur les cartes marines officielles belges à grande échelle.
§ 2. On entend dans le présent règlement par "ports du littoral belge":
En ce qui concerne le port d'Ostende: les eaux du port d'Ostende qui s'étendent de l'extrémité, en mer, des musoirs des estacades du chenal à la jetée d'aval de l'écluse des bassins de Commerce, d'une part, et aux jetées d'aval des écluses de Slijkens, à l'écluse de l'ancien bassin de chasse et à la jetée d'aval de l'écluse du bassin à flot du port de pêche et du bassin de la Marine, d'autre part, y compris les eaux du bassin Montgomery jusqu'à l'écluse Mercator et du bassin à marée du port de pêche;
En ce qui concerne le port de Zeebrugge: les eaux du port de Zeebrugge qui s'étendent de la ligne droite fictive reliant les points extrêmes, du côté de la mer, des môles aux jetées d'aval des écluses, y compris le port de pêche, le port de plaisance et le bassin de la Force Navale belge ainsi que les bancs de chantier et de carénage dudit port de pêche;
En ce qui concerne le port de Nieuport: les eaux du port de Nieuport qui s'étendent de l'extrémité, en mer, des musoirs des estacades du chenal aux jetées d'aval des écluses de l'arrière-port, y compris tous les bassins qui y sont reliés;
En ce qui concerne le port de Blankenberge: les eaux du port de Blankenberge qui s'étendent de l'extrémité, en mer, des musoirs des estacades du chenal au mur du quai Est du bassin d'échouage y compris le nouveau port de plaisance.
§ 3. On entend dans le présent règlement par "les plages du littoral belge": la partie du littoral belge comprise entre la laisse de basse mer visée au § 1er et la laisse de haute mer.
Sectie 2. - Begripsomschrijvingen.
Section 2. - Définitions.
Art. 3. In dit reglement wordt verstaan onder:
Vaartuig: elk drijvend tuig, met inbegrip van vaartuigen zonder waterverplaatsing en watervliegtuigen, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer of verplaatsing te water;
Zeeschip: elk vaartuig dat gewoonlijk de zee bevaart of hiertoe bestemd is;
Bovenmaats zeeschip: zeeschip dat wegens zijn lengte of zijn diepgang ten opzichte van de toestand van de vaargeul, door de Dienst van het Loodswezen als dusdanig wordt aangemerkt overeenkomstig de normen door die dienst bepaald en officieel meegedeeld aan zeevarenden (bericht aan zeevarenden nr 1 - afgekort B.a.Z. nr 1);
Binnenschip: elk vaartuig dat gewoonlijk de binnenwateren bevaart of hiertoe bestemd is;
Pleziervaartuig: het vaartuig dat al dan niet gebruikt voor winstgevende verrichtingen in welke vorm ook, aan pleziervaart doet of ervoor bestemd is;
Kapitein of schipper: elke persoon die belast is met de leiding van een vaartuig of deze in feite neemt, alsmede elke persoon die hem vervangt;
Ambtenaren of bedienden der overheid: de in artikel 38 bedoelde personen;
Verdrag: het verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, goedgekeurd bij de wet van 24 november 1975;
Voorschrift: één van de voorschriften van de internationale bepalingen gevoegd bij het in 8° bedoeld Verdrag;
10° Helder licht: licht dat onder normale weersomstandigheden op een afstand van ten minste 2 zeemijlen (3 704 m) zichtbaar is.
(11° exploitant : eigenaars, reders, charteraars, beheerders of agenten van een vaartuig, daaronder mede begrepen de kapitein;) <KB 2005-09-17/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
(12° vaartuig dat gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoert : ieder vaartuig dat de volgende stoffen vervoert :
- stoffen als omschreven in de I.M.D.G.-Code, gevaarlijke vloeistoffen opgenomen in hoofdstuk 17 van de I.M.O. Bulk Chemical Code, vloeibare gassen opgenomen in hoofdstuk 19 van de I.M.O. Gas Carrier Code en vaste stoffen als bedoeld in aanhangsel B van de BC-code;
- stoffen voor het vervoer waarvan passende voorwaarden zijn neergelegd overeenkomstig paragraaf 1.1.3 van de I.M.O. Bulk Chemical Code of paragraaf 1.1.6 van de I.M.O. Gas Carrier Code;
- oliesoorten als omschreven in bijlage I van het Marpol Verdrag, schadelijke vloeistoffen als omschreven in bijlage II van het Marpol Verdrag, schadelijke stoffen als omschreven in bijlage III van het Marpol Verdrag;) <KB 2005-09-17/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
(13° I.M.O. : Internationale Maritieme Organisatie;
14° I.M.D.G. Code : de meest recente versie van de Internationale maritieme Code voor gevaarlijke goederen opgemaakt door de I.M.O. en van artikel 108 van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectiereglement (...); <KB 2005-09-17/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
15° I.M.O. Gas Carrier Code : de meest recente versie van de voorschriften voor bouw en uitrusting van zeeschepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren, uitgegeven door de I.M.O., en deze van het ministerieel besluit van 17 juli 1981 betreffende aanvullende voorschriften voor de bouw en de uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren;
16° I.M.O. Bulk Chemical Code : de meest recente versie van de voorschriften voor bouw en uitrusting van zeeschepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, uitgegeven door de I M.O. en deze van het ministerieel besluit van 24 juni 1975 betreffende aanvullende voorschriften voor schepen die gevaarlijke stoffen in bulk vervoeren (...); <KB 2005-09-17/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
17° Marpol Verdrag : de meest recente versie van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen en Bijlagen, opgemaakt te Londen op 2 november 1973 en het Protocol van 1978 bij het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen en Bijlage, opgemaakt te Londen op 17 februari 1978.) <KB 1996-02-09/38, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995>
(18° INF-code : de meest recente versie van de IMO-code van veiligheidsvoorschriften voor het vervoer van bestraalde splijtstoffen, plutonium en hoogradioactieve afvalstoffen in vaten aan boord van een schip.) <KB 1998-12-09/39, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1998>
(19° " IMO-resolutie A.851(20) " : resolutie 851(20) van de Internationale Maritieme Organisatie, aangenomen door de vergadering tijdens haar twintigste zitting op 27 november 1997 betreffende de algemene beginselen voor de positie-indicatie voor schepen en de meldingsvoorschriften, met daarin begrepen de richtlijnen betreffende de melding van incidenten waarbij gevaarlijke goederen, schadelijke substanties en/of zeeverontreinigende stoffen betrokken zijn.) <KB 2001-06-25/32, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 04-08-2001>
(20° verlader : de persoon door wie, namens wie of ten behoeve van wie een overeenkomst voor het vervoer van goederen over zee is gesloten met een vervoerder;
21° adres : naam en communicatieverbindingen via welke, indien nodig, contact kan worden gelegd met de reder of beheerder van een vaartuig, de agent, de havenautoriteit, de bevoegde instantie of iedere andere gemachtigde persoon of organisatie die beschikt over gedetailleerde gegevens betreffende de lading van het vaartuig;
22° traditionele schepen : historische schepen en replica's daarvan, met inbegrip van schepen die ontworpen zijn om traditionele vaardigheden en zeemanschap aan te moedigen en te bevorderen, die als levende cultuurmonumenten volgens de traditionele beginselen van zeemanschap en techniek worden bestuurd;
23° ongeval : een ongeval in de zin van de IMO-code voor het onderzoek naar ongevallen en incidenten op zee;
24° maatschappij : een maatschappij als bedoeld in voorschrift 1, paragraaf 2, van hoofdstuk IX van het SOLAS-verdrag;
25° SOLAS-verdrag : het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee, en bijhorende protocollen en wijzigingen;
26° ISM-code : de internationale veiligheidscode voor de scheepvaart en ter voorkoming van verontreiniging, zoals goedgekeurd door de algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie bij resolutie A.741 (18) van 4 november 1993 en verplicht gesteld krachtens het hoofdstuk IX van het SOLAS-verdrag;
27° BC-code : de IMO-code met praktische voorschriften voor de veiligheid van het vervoer van lading;
28° verkeersbegeleidingssysteem (VBS) : een dienst die is opgezet om de veiligheid en de efficiëntie van het scheepverkeer te verbeteren en het milieu te beschermen en dus in het verkeer kan interveniëren en op verkeerssituaties die zich in het VBS-gebied voordoen, kan reageren;
29° scheepsrouteringssysteem : een systeem van één of meer routes of routeringsmaatregelen om het risico van scheepsongevallen te verkleinen dat bestaat uit verkeersscheidingsstelsels, vaarwegen voor tweerichtingsverkeer, aanbevolen koerslijnen, gebieden die dienen te worden gemeden, zones voor kustverkeer, rotondes, voorzorgsgebieden en diepwaterroutes;
30° agent : de persoon die opdracht of toestemming heeft om namens de exploitant van een vaartuig informatie te verstrekken;
31° de Minister : de minister tot wiens bevoegdheid de maritieme zaken en de scheepvaart behoren.) <KB 2005-09-17/61, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
[1 32° lijndienst : een reeks overtochten door vaartuigen waarmee de verbinding tussen dezelfde twee of meer havens wordt onderhouden, hetzij volgens een gepubliceerde dienstregeling, hetzij met een zodanige regelmaat of frequentie dat zij een herkenbare systematische reeks vormen;
33° vissersvaartuig : elk vaartuig dat is uitgerust voor commerciële exploitatie van levende aquatische hulpbronnen;
34° vaartuig dat bijstand behoeft : een vaartuig in omstandigheden die gevaar voor verlies van het vaartuig, voor het milieu of voor de scheepvaart kunnen opleveren, onverminderd de bepalingen van het SAR-verdrag inzake opsporing en redding op zee;
35° LRIT : een systeem voor het op lange afstand identificeren en volgen van vaartuigen in overeenstemming met Voorschrift 19-1 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag;
36° brutotonnenmaat : de maat van de totale inhoud van een vaartuig vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen.]1

Art. 3. On entend dans le présent règlement par:
Bâtiment: tout engin flottant ou tout appareil de quelque nature que ce soit, y compris les engins sans tirant d'eau et les hydravions, utilisé ou susceptible d'être utilisé comme moyen de transport ou de déplacement sur l'eau:
Navire: tout bâtiment naviguant habituellement en mer ou y étant destiné;
Navire de grandes dimensions: navire qui, en raison de sa longueur ou de son tirant d'eau par rapport à l'état du chenal, est considéré comme tel par le Service du pilotage, conformément aux normes fixées par ce service et communiquées officiellement aux navigants (avis aux navigateurs n° 1 - en abrégé A.A.N. n° 1);
Bateau d'intérieur: tout bâtiment naviguant habituellement dans les eaux intérieures ou y étant destiné;
Bâtiment de plaisance: le bâtiment qui, soit à titre gratuit, soit à titre onéreux et sous quelque forme que ce soit, fait ou est destiné à faire de la navigation de plaisance;
Capitaine ou patron: toute personne qui est chargée du commandement du bâtiment ou qui le prend en fait, ainsi que toute personne qui le remplace;
Fonctionnaires ou agents de l'autorité: les personnes indiquées à l'article 38;
Convention: la convention sur le règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer, approuvée par la loi du 24 novembre 1975;
Règle: l'une des règles du règlement international annexé à la Convention visée au 8°;
10° Feu brillant: un feu qui est, dans des conditions atmosphériques normales, visible à une distance d'au moins 2 milles marins (3 704 m).
(11° exploitant : les propriétaires, armateurs, affréteurs, gérants ou agents d'un bâtiment en ce compris le capitaine;) <AR 2005-09-17/61, art. 9, 010; En vigueur : 11-10-2005>
(12° bâtiment transportant des marchandises dangereuses ou polluantes : tout bâtiment transporteur des marchandises suivantes :
- les marchandises mentionnées dans le Code I.M.D.G., les substances liquides dangereuses énumérées au chapitre 17 du I.M.O. Bulk Chemical Code, les gaz liquéfiés énumérés au chapitre 19 du I.M.O. Gas Carrier Code et les matières solides visées par l'appendice B du recueil BC;
- les marchandises pour le transport desquelles les conditions préliminaires appropriées ont été prescrites conformément au paragraphe 1.1.3 du I.M.O. Bulk Chemical Code ou au paragraphe 1.1.6 du I.M.O. Gas Carrier Code;
- les hydrocarbures tels que définis à l'annexe I de la Convention Marpol, les substances liquides nocives telles que définies à l'annexe II de la Convention Marpol, les substances nuisibles telles que définies à l'annexe III de la Convention Marpol;) <AR 2005-09-17/61, art. 9, 010; En vigueur : 11-10-2005>
(13° O.M.I. : Organisation maritime internationale;
14° Code I.M.D.G. : la version la plus récente du Code maritime international des marchandises dangereuses, établi par l'O.M.I. et de l'article 108 de l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime (...); <AR 2005-09-17/61, art. 9, 010; En vigueur : 11-10-2005>
15° I.M.O. Gas Carrier Code : la version la plus récente des prescriptions régissant la construction et l'armement de navires transportant des gaz liquéfiés en vrac, publiées par l'O.M.I. et celles de l'arrêté ministériel du 17 juillet 1981 portant des règles complémentaires relatives à la construction et à l'équipement des navires transportant des gaz liquéfiés en vrac;
16° I.M.O. Bulk Chemical Code : la version la plus récente des prescriptions régissant la construction et l'armement de navires transportant des substances chimiques dangereuses en vrac, publiées par l'O.M.I. et celles de l'arrêté ministériel du 24 juin 1975 portant des règles complémentaires relatives aux navires transportant des produits dangereux en vrac (...); <AR 2005-09-17/61, art. 9, 010; En vigueur : 11-10-2005>
17° Convention Marpol: la version la plus récente de la Convention internationale pour la prévention de la pollution par les navires et Annexes, faites à Londres le 2 novembre 1973 et le Protocole de 1978 à la Convention internationale de 1973 pour la prévention de la pollution par les navires et Annexe, faits à Londres le 17 février 1978.) <AR 1996-02-09/38, art. 1, 003; En vigueur : 13-09-1995>
(18° Recueil INF : la version la plus récente du recueil de l'OMI relatif aux règles de sécurité pour le transport de combustible nucléaire irradié, de plutonium et de déchets fortement radioactifs en fûts à bord de navires.) <AR 1998-12-09/39, art. 2, 004; En vigueur : 31-12-1998>
(19° " résolution A.851(20) de l'OMI " : la résolution 851(20) de l'Organisation maritime internationale adoptée par l'assemblée lors de sa vingtième session du 27 novembre 1997, relative aux principes généraux applicables aux systèmes de comptes rendus de navires et aux prescriptions en matière de notification, y compris les directives concernant la notification des événements mettant en cause des marchandises dangereuses, des substances nuisibles et/ou des polluants marins.) <AR 2001-06-25/32, art. 1, 009; En vigueur : 04-08-2001>
(20° chargeur : toute personne par laquelle, au nom de laquelle ou pour le compte de laquelle un contrat de transport de marchandises est conclu avec un transporteur;
21° adresse : le nom et les liens de communication permettant d'établir un contact en cas de besoin avec l'armateur ou le gérant du bâtiment, l'agent, l'autorité portuaire, l'autorité compétente ou toute autre personne ou tout autre service habilité, en possession des informations détaillées concernant la cargaison du bâtiment;
22° bateaux traditionnels : tout type de bateau historique ainsi que les répliques de ces bateaux, y compris ceux conçus pour encourager et promouvoir les métiers et la navigation traditionnels, qui servent également de monuments culturels vivants, exploités selon les principes traditionnels de la navigation et de la technique;
23° accident : un accident au sens du code d'enquête de l'OMI sur les accidents et incidents maritimes;
24° compagnie : une compagnie au sens de la règle 1, paragraphe 2, du chapitre IX de la convention SOLAS;
25° convention SOLAS : la Convention internationale de 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer, ainsi que les protocoles et modifications y afférents;
26° code ISM : le code international de gestion pour la sécurité de l'exploitation des navires et la prévention de la pollution, adopté par l'Organisation maritime internationale par la résolution A.741 (18) lors de son assemblée du 4 novembre 1993 et rendu obligatoire par le chapitre IX de la convention SOLAS;
27° recueil BC : le recueil de l'OMI de règles pratiques pour la sécurité du transport des cargaisons solides en vrac;
28° service de trafic maritime (STM) : un service destiné à améliorer la sécurité et l'efficacité du trafic maritime et à protéger l'environnement, qui est en mesure d'intervenir dans le trafic et de réagir à des situations affectant le trafic qui se présentent dans la zone STM qu'il couvre;
29° système d'organisation du trafic : tout système couvrant un ou plusieurs itinéraires ou mesures d'organisation du trafic destiné à réduire le risque d'accident; il comporte des systèmes de séparation du trafic, des itinéraires à double sens, des routes recommandées, des zones à éviter, des zones de trafic côtier, des zones de contournement, des zones de précaution et des routes de haute mer;
30° agent : toute personne mandatée ou autorisée à délivrer l'information au nom de l'exploitant du bâtiment;
31° le Ministre : le ministre qui a les affaires maritimes et la navigation dans ses attributions.) <AR 2005-09-17/61, art. 9, 010; En vigueur : 11-10-2005>
[1 32° service régulier : une série de traversées organisée de façon à desservir deux mêmes ports ou davantage, soit selon un horaire publié, soit avec une régularité ou une fréquence telle qu'elle constitue une série systématique reconnaissable;
33° navire de pêche : tout navire équipé pour l'exploitation commerciale des ressources aquatiques vivantes;
34° bâtiment ayant besoin d'assistance : sans préjudice des dispositions de la convention SAR sur le sauvetage des personnes, un bâtiment se trouvant dans une situation qui pourrait entraîner la perte du bâtiment ou constituer une menace pour l'environnement ou pour la navigation;
35° LRIT : un système d'identification et de suivi à distance des bâtiments conformément à la règle SOLAS V/19-1;
36° jauge brute : la capacité d'utilisation d'un bâtiment, déterminée conformément aux dispositions de la Convention internationale de 23 juin 1969 sur le jaugeage des navires.]1

Art. 4. De in de Voorschriften 3 ,21 en 32 gegeven begripsomschrijvingen gelden ook voor de toepassing van dit besluit, tenzij het er uitdrukkelijk van afwijkt.
Art. 4. Les définitions données aux Règles 3, 21 et 32 valent également pour l'application du présent arrêté, à moins que ce dernier n'y déroge expressément.
HOOFDSTUK II. - Scheepvaartregelen.
CHAPITRE II. - Règles de navigation.
Sectie 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art. 5. § 1. Geen vaartuig mag de havens van de Belgische kust binnenvaren indien het om reden van zijn afmetingen of zijn diepgang of om enige andere reden een gevaar vormt of dreigt te vormen voor de veiligheid van het vaartuig zelf of van de scheepvaart, of voor de haven- en kunstwerken of voor het milieu in 't algemeen. Indien bijzondere omstandigheden dit vereisen kan de overheid echter in door haar te bepalen voorwaarden een vaartuig, dat om een der bovengenoemde redenen niet in de havens van de Belgische kust mag binnenvaren, toegang tot een der Belgische havens verlenen.
§ 2. De haven van Blankenberge is alleen toegankelijk voor pleziervaartuigen.
Art. 5. § 1er. Aucun bâtiment n'est admis à pénétrer dans les ports du littoral belge si, à cause de ses dimensions, de son tirant d'eau ou pour toute autre raison, il constitue ou risque de constituer un danger pour la sécurité du bâtiment lui-même, pour la navigation, pour les installations portuaires et les ouvrages d'art ou pour l'environnement. Toutefois, lorsque des circonstances particulières l'exigent, l'autorité peut, dans des conditions qu'elle fixe, autoriser un navire, qui pour une des raisons précitées ne peut pénétrer dans les ports du littoral belge, à accéder à un des ports belges.
§ 2. Le port de Blankenberge est réservé aux bâtiments de plaisance.
Art. 6. In de havens van de Belgische kust gelden voor de binnenschepen artikel 1, achtste lid, artikel 2, eerste en tweede lid, en de artikelen 4, 5, 7 en 8 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk.
Art. 6. Dans les ports du littoral belge, l'article 1er, alinéa 8, l'article 2, alinéas 1er et 2, et les articles 4, 5, 7 et 8 de l'arrêté royal du 15 octobre 1935 portant règlement général des voies navigables du royaume sont applicables aux bateaux d'intérieur.
Art. 7. § 1. Behoudens andersluidende bijzondere bepaling moet ieder vaartuig op de romp of op de bovenbouw, op een goed zichtbare plaats, zijn naam en die van zijn thuishaven voeren. Die namen moeten in duidelijk met de achtergrond contrasterende letters aangebracht worden en bij helder weer op een afstand van ten minste 50 m leesbaar zijn. Zijn die namen op de zijkant van het schip aangebracht, dan moeten ze aan beide zijden voorkomen.
§ 2. (...) <KB 1999-06-04/53, art. 33, § 2, 007; Inwerkingtreding : 01-10-1999>
§ 3. Met uitzondering van de vissersvaartuigen die gewoonlijk een Belgische haven aandoen, moet elk vaartuig zijn nationale vlag hijsen wanneer het een haven in- of uitvaart en bovendien telkens als de ambtenaren of bedienden van de overheid erom verzoeken.
Art. 7. § 1er. Sauf disposition particulière contraire, tout bâtiment doit porter sur sa coque ou sur sa superstructure, à un endroit visible, son nom et celui de son port d'attache. Ces noms doivent être indiqués en lettres contrastant avec le fond et lisibles par temps clair à une distance d'au moins 50 m. Au cas où ces inscriptions figurent sur le flanc du bâtiment, elles doivent figurer des deux côtés.
§ 2. (...) <AR 1999-06-04/53, art. 33, § 2, 007; En vigueur : 01-10-1999>
§ 3. A l'exception des bateaux de pêche fréquentant habituellement un port belge, tout bâtiment est tenu de hisser son pavillon national à l'entrée et à la sortie du port et, en dehors de ces cas, lorsque les fonctionnaires ou les agents de l'autorité l'y invitent.
Art. 7bis. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 10; Inwerkingtreding : 11-10-2005> De reder of beheerder van een vaartuig met een brutotonnenmaat van 300 of meer dat op weg is naar een haven van de Belgische kust, deelt ten minste vierentwintig uur voor aankomst of uiterlijk op het tijdstip waarop het vaartuig de vorige haven verlaat, indien de reisduur minder dan vierentwintig uur bedraagt, of zodra de aanloophaven bekend is, indien zij nog niet bekend zou zijn of tijdens de reis wordt gewijzigd, aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest de in bijlage 8 bedoelde informatie mee.
[1 Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van het eerste lid niet van toepassing op]1 :
a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
c) [1 [2 ...]2 ]1
Art. 7bis. L'armateur ou le gérant d'un bâtiment d'une jauge brute égale ou supérieure à 300 faisant route vers un port du littoral belge notifie les informations prévues à l'annexe 8 au service compétent de la Région flamande, au moins vingt-quatre heures à l'avance, ou au plus tard au moment où le bâtiment quitte le port précédent, si la durée du voyage est inférieure à vingt-quatre heures, ou si le port d'escale n'est pas connu ou s'il est modifié durant le voyage, dès que cette information est disponible.
[1 Sauf disposition contraire, les dispositions de l'alinéa 1er ne s'appliquent pas]1 :
a) aux navires de guerre, aux navires de guerre auxiliaires ou autres navires appartenant à un Etat membre ou exploités par lui et utilisés pour un service public non commercial;
b) aux navires de pêche, aux bateaux traditionnels et aux bateaux de plaisance d'une longueur inférieure à 45 mètres;
c) [1 [2 ...]2 ]1
Art. 7ter. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 11; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Ieder vaartuig met een brutotonnenmaat van 300 of meer dat zich op zee bevindt of zich naar zee begeeft, ongeacht of het tussentijds een haven aanloopt, en dat het gebied binnenvaart van een verplicht scheepsrapportagesysteem dat overeenkomstig voorschrift 11 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag door de IMO is goedgekeurd en overeenkomstig de relevante richtsnoeren en criteria van de IMO mede door de Belgische Staat wordt geëxploiteerd, voldoet aan dat systeem en verstrekt dus de vereiste informatie, onverminderd de aanvullende informatie die wordt verlangd overeenkomstig IMO-resolutie A.851 (20).
[1 Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van het eerste lid niet van toepassing op]1 :
a) oorlogsschepen, marineschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst zijn bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
c) [1 bunkers op vaartuigen met een brutotonnenmaat van minder dan 1 000 en scheepsvoorraden en uitrusting voor gebruik aan boord van alle vaartuigen.]1
Art. 7ter. Tout bâtiment d'une jauge brute égale ou supérieure à 300 se trouvant en mer ou se dirigeant vers la mer, nonobstant le fait qu'il fasse escale entre-temps, pénétrant dans la zone couverte par un système de compte rendu obligatoire des navires, adopté par l'OMI conformément à la règle 11 du chapitre V de la convention SOLAS et exploité également par l'Etat belge conformément aux directives et critères pertinents mis au point par l'OMI, se conforme à ce système en rendant compte des informations requises, sans préjudice des informations supplémentaires requises conformément à la résolution A.851 (20) de l'OMI.
[1 Sauf disposition contraire, les dispositions de l'alinéa 1er ne s'appliquent pas]1 :
a) aux navires de guerre, aux navires de guerre auxiliaires ou autres navires appartenant à un Etat membre ou exploités par lui et utilisés pour un service public non commercial;
b) aux navires de pêche, aux bateaux traditionnels et aux bateaux de plaisance d'une longueur inférieure à 45 mètres;
c) [1 aux soutes des bâtiments d'une jauge brute inférieure à 1 000 et à l'avitaillement et au matériel d'armement de tous les bâtiments destinés à être utilisés à bord.]1
Art. 7quater. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 12; Inwerkingtreding : 11-10-2005> § 1. [2 Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle andere vaartuigen met een brutotonnenmaat van 300 of meer, die internationale reizen maken en een haven van de Belgische kust aandoen, moeten zijn uitgerust met een automatisch identificatiesysteem (hierna AIS) overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.]2
§ 2. [2 Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle andere vaartuigen met een brutotonnenmaat van 300 of meer, die niet-internationale reizen maken, moeten zijn uitgerust met een AIS overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.]2
§ 3. [2 Passagiersschepen van minder dan 15 meter lang of met een brutotonnenmaat van minder dan 300 die niet-internationale reizen maken, worden vrijgesteld van de toepassing van de in dit artikel vastgestelde voorschriften inzake AIS.
[3 ...]3 ]2

§ 4. Elk vaartuig dat is uitgerust met een automatisch identificatiesysteem houdt dit te allen tijde operationeel tenzij internationale overeenkomsten, regels of normen voorzien in de bescherming van navigatiegegevens.
§ 5. [1 Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van dit artikel niet van toepassing op]1 :
a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
c) [1 [3 ...]3 ]1
Art. 7quater. § 1er. [2 Les navires à passagers, quelle que soit leur taille, et tous les autres bâtiments d'une jauge brute égale ou supérieure à 300, qui effectuent des voyages internationaux et font escale dans un port du littoral Belge, sont équipés d'un système d'identification automatique (ci-après AIS) conforme aux normes techniques et de performance fixées au chapitre V de la convention SOLAS.]2
§ 2. [2 Les navires à passagers, quelle que soit leur taille, et tous les autres bâtiments d'une jauge brute égale ou supérieure à 300, qui effectuent des voyages domestiques, sont équipés d'un AIS conforme aux normes techniques et de performance fixées au chapitre V de la convention SOLAS.]2
§ 3. [2 Les navires à passagers d'une longueur inférieure à 15 mètres ou d'une jauge brute inférieure à 300 effectuant des voyages domestiques, sont exemptés de l'application des exigences en matière d'AIS prévues dans le présent article.
[3 ...]3 ]2

§ 4. Tout bâtiment équipé d'un système d'identification automatique le maintient en fonctionnement à tout moment, sauf lorsque des accords, règles ou normes internationaux prévoient la protection des informations relatives à la navigation.
§ 5. [1 Sauf disposition contraire, les dispositions du présent article ne s'appliquent pas]1 :
a) aux navires de guerre, aux navires de guerre auxiliaires ou autres navires appartenant à un Etat membre ou exploités par lui et utilisés pour un service public non commercial;
b) aux navires de pêche, aux bateaux traditionnels et aux bateaux de plaisance d'une longueur inférieure à 45 mètres;
c) [1 [3 ...]3 ]1
Art. 7quinquies. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 13; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Ieder vaartuig [2 ...]2 dat zich op zee bevindt of zich naar zee begeeft, ongeacht of het tussentijds een haven aanloopt, en dat het gebied binnenvaart van een verplicht scheepsrouteringssysteem dat overeenkomstig voorschrift 10 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag door de IMO is goedgekeurd en dat mede door de Belgische Staat wordt geëxploiteerd, maakt van het systeem gebruik overeenkomstig de relevante richtsnoeren en criteria van de IMO.
[2 ...]2
Art. 7quinquies. Tout bâtiment [2 ...]2 se trouvant en mer ou se dirigeant vers la mer, nonobstant le fait qu'il fasse escale entre-temps, pénétrant dans la zone couverte par un système d'organisation du trafic obligatoire adopté par l'OMI conformément à la règle 10 du chapitre V de la convention SOLAS et exploité également par l'Etat belge, utilise le système conformément aux directives et critères pertinents mis au point par l'OMI.
[2 ...]2
Art. 7sexies. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 14; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Ieder vaartuig [2 ...]2 dat zich op zee bevindt of zich naar zee begeeft, ongeacht of het tussentijds een haven aanloopt, en dat het gebied binnenvaart waar een verkeersbegeleidingssysteem wordt toegepast dat mede door het Vlaamse Gewest wordt geëxploiteerd, neemt deel aan dit verkeersbegeleidingssysteem en voldoet aan de regels ervan, overeenkomstig de richtsnoeren van de IMO.
[1 Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van het eerste lid niet van toepassing op]1 :
a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst zijn bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
c) [1 [2 ...]2 ]1
Art. 7sexies. Tout bâtiment [2 ...]2, se trouvant en mer ou se dirigeant vers la mer, nonobstant le fait qu'il fasse escale entre-temps, et pénétrant dans la zone d'applicabilité d'un service de trafic maritime exploité également par la Région flamande participe à ce service de trafic maritime et se conforme à ses règles, conformément aux directives mises au point par l'OMI.
[1 Sauf disposition contraire, les dispositions de l'alinéa 1er ne s'appliquent pas]1 :
a) aux navires de guerre, aux navires de guerre auxiliaires ou autres navires appartenant à un Etat membre ou exploités par lui et utilisés pour un service public non commercial;
b) aux navires de pêche, aux bateaux traditionnels et aux bateaux de plaisance d'une longueur inférieure à 45 mètres;
c) [1 [2 ...]2 ]1
Art. 7septies. [1 Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle andere vaartuigen met een brutotonnenmaat van 3 000 of meer, die internationale reizen maken en een haven van de Belgische kust aandoen, moeten zijn uitgerust met een reisgegevensrecorder (hierna VDR), overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag. Vrachtschepen die vóór 1 juli 2002 zijn gebouwd, mogen zijn uitgerust met een vereenvoudigde reisgegevensrecorder (hierna S-VDR) overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle andere vaartuigen, met een brutotonnenmaat van 3 000 of meer, die op of na 1 juli 2002 zijn gebouwd en die niet-internationale reizen maken, moeten zijn uitgerust met een VDR overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Vrachtschepen met een brutotonnenmaat van 3 000 of meer die vóór 1 juli 2002 zijn gebouwd en die niet-internationale reizen maken, moeten worden uitgerust met een VDR of een S-VDR overeenkomstig de technische en prestatienormen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Passagiersschepen die uitsluitend worden gebruikt voor reizen in andere zeegebieden dan die van klasse A, zoals bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen die voor binnenlandse reizen worden gebruikt en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 november 1981 betreffende voorschriften voor passagiers-schepen die geen internationale reis maken en die uitsluitend in een beperkt vaargebied langs de kust varen en van het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdende zeevaartinspectie-reglement, worden vrijgesteld van de verplichting om met een VDR te zijn uitgerust.
Vaartuigen, andere dan ro-ro-passagiersschepen, die vóór 1 juli 2002 zijn gebouwd, worden vrijgesteld van de verplichting om met een VDR te worden uitgerust als kan worden aangetoond aan de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is dat de interfacing tussen een VDR en de bestaande uitrusting van het vaartuig onredelijk en onuitvoerbaar is.
Vrachtschepen die vóór 1 juli 2002 zijn gebouwd en die internationale of niet-internationale reizen maken, worden vrijgesteld van de verplichting om met een S-VDR te worden uitgerust als dergelijke schepen permanent buiten dienst worden gesteld binnen twee jaar na de in hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag gespecificeerde tenuitvoerleggings-datum.
Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van dit artikel niet van toepassing op :
a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
c) [2 ...]2 ]1

Art. 7septies. [1 Les navires à passagers, quelle que soit leur taille, et tous les autres bâtiments d'une jauge brute égale ou supérieure à 3 000, qui effectuent des voyages internationaux et font escale dans un port du littoral belge, sont équipés d'un système enregistreur des données du voyage (ci-après VDR) conforme aux normes techniques et de performance fixées au chapitre V de la convention SOLAS. Dans le cas des navires de marchandises construits avant le 1er juillet 2002, le VDR peut être un système enregistreur des données du voyage simplifié (ci-après S-VDR) conforme aux normes techniques et de performance fixées au chapitre V de la convention SOLAS.
Les navires à passagers, quelle que soit leur taille, et tous les autres bâtiments d'une jauge brute égale ou supérieure à 3 000, construits le 1er juillet 2002 ou après et qui effectuent des voyages domestiques, sont équipés d'un VDR conforme aux normes techniques et de performance fixées au chapitre V de la convention SOLAS.
Les navires de charge d'une jauge brute égale ou supérieure à 3 000 construits avant le 1er juillet 2002, qui effectuent des voyages domestiques, sont équipés d'un VDR ou d'un S-VDR conforme aux normes techniques et de performance fixées au chapitre V de la convention SOLAS.
Les navires à passagers effectuant uniquement des voyages dans des zones maritimes autres que celles relevant de la classe A, telle que visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 mars 2002 établissant des règles et normes de sécurité pour les navires à passagers utilisés pour effectuer des voyages nationaux et modifiant l'arrêté royal du 12 novembre 1981 concernant les règles pour navires à passagers n'effectuant pas de voyage international et naviguant exclusivement dans une zone de navigation restreinte le long de la côte et l'arrêté royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime, sont exemptés de l'obligation d'emport d'un VDR.
Les bâtiments, autres que les navires rouliers à passagers, construits avant le 1er juillet 2002, sont exemptés de l'obligation d'emport d'un VDR lorsqu'il peut être démontré à l'agent chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet que l'interfaçage d'un VDR avec l'équipement existant à bord n'est pas justifié ni faisable.
Les navires de charge construits avant le 1er juillet 2002, qui effectuent des voyages internationaux ou domestiques, sont exemptés de l'obligation d'emport d'un S-VDR lorsqu'ils sont définitivement retirés du service dans les deux ans à compter de la date de mise en oeuvre indiquée dans le chapitre V de la convention SOLAS.
Sauf disposition contraire, les dispositions du présent article ne s'appliquent pas :
a) aux navires de guerre, aux navires de guerre auxiliaires ou autres navires appartenant à un Etat membre ou exploités par lui et utilisés pour un service public non commercial;
b) aux navires de pêche, aux bateaux traditionnels et aux bateaux de plaisance d'une longueur inférieure à 45 mètres;
c) [2 ...]2 ]1

Art. 7octies. [1 Elk vissersvaartuig, ongeacht zijn lengte moet in de volgende gevallen zijn uitgerust met een automatisch identificatiesysteem (AIS) (klasse A) dat voldoet aan de door de IMO ntwikkelde prestatienormen:
dienstdoet in de Belgische territoriale wateren of de exclusieve economisch zone van België; of
zijn vangst aan land brengt in een Belgische haven.
Vissersvaartuigen houden dit systeem te allen tijde operationeel. In uitzonderlijke omstandigheden mag het AIS worden uitgeschakeld, wanneer dat volgens de schipper noodzakelijk is voor de veiligheid of de beveiliging van zijn vaartuig.]1

Art. 7octies. [1 Tout navire de pêche, indépendamment de sa longueur, doit être équipé d'un système d'identification automatique (AIS) (de classe A) répondant aux normes de performance établies par l'OMI :
exploité dans les eaux territoriales belges ou la zone économique exclusive de la Belgique ; ou
débarquant ses captures dans un port du littoral belge.
Les navires de pêche équipés de l'AIS maintiennent celui-ci en fonctionnement à tout moment. Dans des circonstances exceptionnelles, l'AIS peut être débranché si le capitaine le juge nécessaire pour la sécurité ou la sûreté de son navire.]1

Art. 7novies. [1 Vaartuigen waarop Voorschrift 19-1 van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag en de door de IMO aangenomen prestatienormen en functionele eisen van toepassing zijn, worden uitgerust met een LRIT-uitrusting die aan dat voorschrift voldoet, indien zij een haven van de Belgische kust aandoen.]1
Art. 7novies. [1 Les bâtiments auxquels la règle SOLAS V/19-1 et les normes de performance et exigences opérationnelles adoptées par l'OMI s'appliquent, sont dotés d'un équipement LRIT conforme à ladite règle, lorsqu'ils font escale dans un port du littoral belge.]1
Art. 8. § 1. Geen enkele bepaling van dit reglement ontslaat de reder, de kapitein of de bemanning van het vaartuig ervan, alle voorzorgen te nemen die volgens het gewone zeemansgebruik of door de bijzondere omstandigheden waarin het vaartuig zich bevindt, geboden zijn.
§ 2. De reder, de kapitein of de bemanning van een vaartuig houden rekening met de gevaren van de scheepvaart en met het gevaar voor aanvaring, en met de bijzondere omstandigheden, inzonderheid met de beperkingen van het gebruik van het vaartuig, waardoor het geboden mocht zijn dit reglement niet na te komen om een onmiddellijk gevaar te keren.
Art. 8. § 1er. Aucune disposition du présent règlement ne dispense l'armateur, le capitaine ou l'équipage du bâtiment de prendre toutes les précautions que commandent l'expérience ordinaire du marin ou les circonstances particulières dans lesquelles se trouve le bâtiment.
§ 2. L'armateur, le capitaine ou l'équipage d'un bâtiment tiennent compte des dangers de navigation et des risques d'abordage ainsi que des circonstances particulières, notamment des limites d'utilisation du bâtiment, qui obligeraient à ne pas observer le présent règlement en vue d'éviter un danger immédiat.
Art. 9. Niemand mag, hetzij vrijwillig hetzij onvrijwillig, de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengen of deze scheepvaart vertragen door nalatigheid of onbekwaamheid of door maneuvers uitgevoerd in staat van dronkenschap of in een soortgelijke staat ten gevolge van het gebruik van verdovende of hallucinatieverwekkende middelen.
Art. 9. Nul ne peut porter atteinte à la sécurité de la navigation ni retarder cette navigation soit volontairement, soit involontairement, par négligence ou incapacité ou par des manoeuvres exécutées en état d'ivresse ou dans un état analogue résultant de l'emploi de drogues ou de produits hallucinogènes.
Sectie 2. - Scheepvaartbewegingen.
Section 2. - Mouvements de navigation.
Art. 10. § 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 2 tot 11 worden de Voorschriften 4 tot 9 en 11 tot 19 aan boord van elk vaartuig nageleefd.
§ 2. Vaartuigen die de in artikel 13, § 2 voor bovenmaatse zeeschepen voorgeschreven lichten of het dagmerk niet voeren, moeten uitwijken voor vaartuigen die deze seinen wel voeren. Bovenmaatse zeeschepen die de in artikel 13, § 2 voorgeschreven seinen voeren moeten zich onderling gedragen naar de Voorschriften en naar de bepalingen van dit reglement.
§ 3. Ieder vaartuig dat in de havens van de Belgische kust een ander vaartuig ontmoet, moet de rechterzijde van de vaargeul of de strook gelegen aan de rechterkant van het midden van de doorvaart houden, voor zover dit materieel mogelijk is zonder zijn veiligheid in gevaar te brengen.
§ 4. In afwijking van Voorschrift 3, g, moet een baggervaartuig dat bezig is met baggeren, zo uitwijken dat het de scheepvaart niet hindert, en zijn kabels en kettingen vieren.
§ 5. In de wateren van de havens van de Belgische kust moeten de vaartuigen tijdig hun vaart verminderen wanneer zij in de nabijheid van kunstwerken, in uitvoering zijnde werken of vaartuigen komen, zodat de door hun doorvaart veroorzaakte golfslag of zuiging geen schade kan berokkenen.
§ 6. Vaartuigen mogen niet op gelijke hoogte blijven varen, tenzij dit zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart kan geschieden.
§ 7. Iedere kapitein of schipper moet de havenseinen welke door de overheden worden voorgeschreven en vertoond, in acht nemen.
§ 8. Vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 20 m moeten zo dicht als veilig en uitvoerbaar is de stuurboordwal of het stuurboordstaketsel aanhouden, en in ieder geval bijtijds en ruim uit de weg van andere vaartuigen blijven.
§ 9. Zeilvaartuigen mogen niet laveren in de toegangsgeulen tot de havens van de Belgische kust of in de wateren van die havens; indien zij uitgerust zijn met middelen tot werktuiglijke voortbeweging, moeten zij deze in die wateren gebruiken.
§ 10. Pleziervaartuigen nemen in de havens van de Belgische kust de kortste weg om hun bestemming te bereiken, zonder de veiligheid van de scheepvaart in gevaar te brengen.
§ 11. Het is verboden in de vaargeulen van de havens en op de reden van die havens op enigerlei wijze te vissen. Vanaf kunstwerken of aanhorigheden van de havens mag echter met kruisnetten of lijnen worden gevist in zover daardoor de scheepvaart niet wordt gehinderd.
Art. 10. § 1er. Sous réserve des dispositions des paragraphes 2 à 11, les Règles 4 à 9 et 11 à 19 sont observées à bord de tout bâtiment.
§ 2. Les bâtiments qui ne portent pas les feux ou la marque de jour prescrits pour les navires de grandes dimensions à l'article 13, § 2, doivent éviter la route des bâtiments qui portent ces signaux. Les navires de grandes dimensions qui portent les signaux prescrits à l'article 13, § 2, doivent se comporter entre eux d'après les règles de la Convention et celles du présent règlement.
§ 3. Chaque bâtiment qui en rencontre un autre dans les ports du littoral belge, doit tenir la droite du chenal ou la partie située à droite du milieu du passage, autant qu'il est matériellement possible sans compromettre sa sécurité.
§ 4. Par dérogation à la Règle 3, g, un dragueur en train d'effectuer des opérations de dragage doit se ranger de manière à ne pas gêner la navigation, et filer ses câbles et ses chaînes.
§ 5. Dans les eaux des ports du littoral belge, les bâtiments doivent diminuer leur vitesse à temps lorsqu'ils s'approchent d'ouvrages d'art, de travaux en cours d'exécution ou de navires, de telle manière que les lames ou la succion produites par leur passage ne puissent provoquer des dégâts.
§ 6. Les bâtiments ne peuvent maintenir par le travers l'un de l'autre des routes parallèles à vitesse égale, à moins que cela ne puisse pas gêner ni mettre en danger la navigation.
§ 7. Tout capitaine ou patron est tenu d'observer les signaux portuaires prescrits et exhibés par les autorités.
§ 8. Les bâtiments d'une longueur hors-tout inférieure à 20 m doivent se tenir aussi près qu'il est matériellement possible, sans compromettre leur sécurité, de la rive ou de l'estacade à tribord, et, en tout cas, s'écarter à temps et à une distance suffisante d'autres bâtiments.
§ 9. Les bâtiments à voile ne peuvent pas louvoyer dans les chenaux d'accès aux ports du littoral belge ni dans les eaux de ces ports et, s'ils sont équipés de moyens de propulsion mécanique, ils doivent utiliser ces moyens dans ces eaux.
§ 10. Les bâtiments de plaisance suivent dans les ports du littoral belge le chemin le plus court pour atteindre leur destination, sans compromettre la sécurité de la navigation.
§ 11. Il est interdit de pêcher de quelque façon, que ce soit dans les chenaux des ports et dans les rades de ces ports. Toutefois la pêche à l'échiquier ou à la ligne à partir d'ouvrages d'art ou de dépendances des ports est permise dans la mesure où elle ne gêne pas la navigation.
Art. 11. § 1. De vaartuigen nemen de lig-, meer- en ankerplaats in die hun door de ambtenaren of bedienden van de overheid wordt toegewezen.
De kapiteins en schippers volgen de richtlijnen op die worden gegeven in verband met de wijze van aanleggen, meren of ankeren.
§ 2. Geen enkel vaartuig mag van lig-, meer- of ankerplaats veranderen zonder de toestemming van de ambtenaren of bedienden van de overheid.
§ 3. Behoudens het bepaalde in § 4 is het verboden te ankeren of gestopt te liggen in een vaargeul. In geen geval mag men het anker werpen of het over de bodem laten krabben op plaatsen waar zich kabels, leidingen, zinkers of sluisdrempels bevinden.
§ 4. Vaartuigen die verplicht zijn in de vaargeul te ankeren of te blijven liggen, hetzij om op het tij te wachten, hetzij omdat zij niet rechtstreeks naar de toegewezen lig-, meer- of ankerplaats kunnen doorvaren, mogen de scheepvaart niet hinderen. Zij moeten zodra mogelijk zee kiezen of zich naar de hun toegewezen plaats begeven.
§ 5. Onder voorbehoud van het bepaalde in paragraaf 1 mag geen vaartuig zich in de nabijheid van een sluis ophouden.
Art. 11. § 1er. Les bâtiments occupent le lieu de stationnement, d'amarrage ou de mouillage qui leur est assigné par les fonctionnaires ou agents de l'autorité.
Les capitaines et patrons se conforment aux directives concernant le mode d'accostage, d'amarrage ou de mouillage.
§ 2. Aucun bâtiment ne peut changer de lieu de stationnement, d'amarrage ou de mouillage, sans l'autorisation des fonctionnaires ou agents de l'autorité.
§ 3. Sous réserve des dispositions prévues au § 4, il est interdit de mouiller l'ancre ou de s'arrêter dans un chenal. En aucun cas on ne peut mouiller l'ancre ou la laisser traîner sur le fond aux endroits où se trouvent des câbles, des conduites, des collecteurs ou des buses d'écluses.
§ 4. Les bâtiments qui se trouvent dans l'obligation de mouiller l'ancre ou de stationner dans le chenal, soit pour attendre la marée, soit parce qu'ils ne peuvent se rendre immédiatement à l'endroit de stationnement, d'amarrage ou de mouillage qui leur a été assigné, ne peuvent gêner la navigation. Aussitôt que possible, ils doivent prendre la mer ou se rendre à l'emplacement qui leur est assigné.
§ 5. Sous réserve des dispositions prévues au paragraphe 1er, aucun bâtiment ne peut stationner aux abords d'une écluse.
Art. 12. § 1. Bij het in- en uitvaren van de sluizen, moeten de vaartuigen zich gedragen naar de bevelen van de ambtenaren of bedienden van de overheid.
§ 2. Worden niet door de sluizen toegelaten de vaartuigen die geen voldoende bemanning aan boord hebben om de bewegingen met de nodige spoed uit te voeren.
§ 3. Bestaat er gevaar voor het bedienen van de sluisdeuren, dan kan de doorvaart verboden worden.
Art. 12. § 1er. Les manoeuvres d'entrée et de sortie aux écluses se font conformément aux ordres des fonctionnaires ou des agents de l'autorité.
§ 2. Ne sont pas admis à passer les écluses, les bâtiments qui n'ont pas à bord un personnel suffisant pour exécuter les manoeuvres avec la promptitude nécessaire.
§ 3. En cas de danger pour la manoeuvre des portes d'écluses, le passage des bâtiments peut être interdit.
Sectie 3. - Lichten, dagmerken en seinen.
Section 3. - Feux, marques et signaux.
A. Vaartuigen.
A. Bâtiments.
Art. 13. § 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de paragrafen 2 tot 6 en in de artikelen 14 tot 16, gedraagt ieder vaartuig zich naar de Voorschriften 20, 22 tot 31 en 33 tot 38 en naar de daarin vermelde bijlagen.
§ 2. Wanneer de loods het heeft aangewezen, voert elk varend bovenmaats zeeschip in de havens van de Belgische kust, op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens behalve de lichten die voor varende werktuiglijk voortbewogen vaartuigen zijn voorgeschreven, drie rondom zichtbare rode lichten loodrecht ten opzichte van elkaar geplaatst en een dagmerk bestaande uit een cilinder, daar waar deze het best kunnen worden gezien.
§ 3. Elk werktuiglijk voortbewogen vaartuig dat in de havens van de Belgische kust op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens één of meer vaartuigen assisteert, voert, behalve de lichten voor varende werktuiglijk voortbewogen vaartuigen voorgeschreven, vooraan een tweede wit toplicht. Indien verscheidene werktuiglijk voortbewogen vaartuigen één of meer vaartuigen assisteren, voert elk assisterend vaartuig vooraan een derde wit toplicht. Deze toplichten staan loodrecht onder elkaar.
§ 4. Werktuiglijk voortbewogen vaartuigen die voorzien zijn van een stuurinrichting aan de voorsteven en daarvan gebruik maken bij het over de achtersteven in- of uitvaren van een haven van de Belgische kust, moeten zolang zij aldus varende zijn, een dagmerk voeren bestaande uit twee zwarte bollen van tenminste 0,60 m middellijn.
De bollen worden op gelijke hoogte en op een onderlinge afstand van ten minste 2 meter gevoerd. Het dagmerk wordt vertoond daar waar het het best kan worden gezien.
Ten opzichte van de Voorschriften en van dit reglement moeten de vaartuigen die dat dagmerk voeren, zich gedragen en door andere vaartuigen worden beschouwd als vooruitvarende schepen en wordt te dien einde hun stuurboord voor bakboord en omgekeerd hun bakboord voor stuurboord gehouden.
§ 5. Watervliegtuigen en andere luchtvaartuigen die gebouwd zijn om om het water te maneuvreren zijn aan de Voorschriften en aan dit reglement onderworpen.
§ 6. Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit reglement voert elk vaartuig dat met een bijzondere politieopdracht belast is, tijdens die opdracht, zowel bij dag als bij nacht, daar waar het het best kan worden gezien, een blauw flikkerlicht dat rondom zichtbaar is. Indien verscheidene vaartuigen het bij deze paragraaf voorgeschreven licht voeren, is de tussen die vaartuigen gelegen zone aan de scheepvaart ontzegd.
Art. 13. § 1er. Sous réserve des dispositions prévues aux paragraphes 2 à 6 et aux articles 14 à 16, tout bâtiment se conforme aux Règles 20, 22 à 31 et 33 à 38 ainsi qu'aux Annexes qui y sont mentionnées.
§ 2. Lorsque le pilote l'a indiqué, tout navire de grandes dimensions faisant route, porte, dans les ports du littoral belge, dans les rades de ces ports et dans les chenaux d'accès aux mêmes ports, en plus de feux prescrits pour les bâtiments à propulsion mécanique faisant route, trois feux rouges superposés, visibles sur tout l'horizon et une marque formée par un cylindre, à l'endroit où ils sont les plus apparents.
§ 3. Tout bâtiment à propulsion mécanique qui assiste un ou plusieurs navires dans les ports du littoral belge, dans les rades de ces ports et dans les chenaux d'accès aux mêmes ports porte, en plus des feux prescrits pour les bâtiments à propulsion mécanique faisant route, un deuxième feu blanc à la partie supérieure du mât de misaine. Si plusieurs bâtiments à propulsion mécanique assistent un ou plusieurs bâtiments, chaque bâtiment assistant porte un troisième feu blanc à la partie supérieure du mât de misaine. Ces feux au mât de misaine sont placés verticalement l'un au-dessus de l'autres.
§ 4. Lorsque des bâtiments à propulsion mécanique, munis à l'étrave d'un gouvernail, font usage de celui-ci pour entrer dans un port du littoral belge ou pour en sortir, en marche arrière, ils doivent aussi longtemps qu'ils manoeuvrent dans ces conditions, le signaler au moyen d'une marque formée par deux ballons noirs d'au moins 0,60 m de diamètre.
Les ballons sont placés à hauteur égale et espacés d'au moins deux mètres. La marque est placée à l'endroit le plus apparent.
Les bâtiments portant cette marque doivent se comporter et être considérés par les autres bâtiments, en ce qui concerne les Règles et le présent règlement, comme faisant route en marche avant et à cet effet leur tribord sera considéré comme étant leur bâbord et vice versa.
§ 5. Les hydravions et les autres appareils volants conçus pour manoeuvrer sur l'eau, sont soumis aux Règles et au présent règlement.
§ 6. Sous réserve des autres dispositions du présent règlement, tout bâtiment chargé d'une mission de police particulière porte au cours de cette mission, tant de jour que de nuit, à l'endroit le plus apparent, un feu bleu clignotant visible sur tout l'horizon. Si plusieurs bâtiments portent le feu prescrit par le présent paragraphe, la zone située entre ces bâtiments est interdite à la navigation.
Art. 14. § 1. Een vaartuig dat bezig is met het leggen, onderhouden of lichten van een navigatiemerk, een onderzeese kabel of pijpleiding, en vaartuigen die bezig zijn met baggeren, opnamewerkzaamheden of werkzaamheden onder water, voeren de lichten en dagmerken voorgeschreven bij Voorschrift 27b, en in voorkomend geval d. De onderlinge afstand tussen de lichten en dagmerken mag ten minste 0,50 m en ten hoogste 1,83 m bedragen.
§ 2. Onder voorbehoud van de andere bepalingen van dit reglement mag een vaartuig dat bezig is met hydrografische verrichtingen, zowel bij dag als bij nacht, daar waar dit het best gezien kan worden, een geel flikkerlicht voeren.
Art. 14. § 1er. Un bâtiment en train de poser ou de relever une bouée, un câble ou une pipe-line sous-marin ou d'en assurer l'entretien, et les navires en train d'effectuer des opérations de dragage, d'hydrographie ou d'océanographie, ou des travaux sous-marins, portent les feux et les marques prescrits par la règle 27, b, et, le cas échéant, d. Les feux et les marques sont espacés de 0,50 m au moins à 1,83 m au plus.
§ 2. Sous réserve des autres dispositions du présent règlement, un bâtiment en train d'effectuer des opérations d'hydrographie peut porter, tant de jour que de nuit, à l'endroit le plus apparent, un feu jaune clignotant.
Art. 15. § 1. Benevens de in dit reglement voorgeschreven lichten en seinen, voeren zeeschepen welke in de havens, op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens, de in bijlage 1 vermelde gevaarlijke stoffen vervoeren, tijdens de vaart en bij het stilleggen, de in die bijlage voorgeschreven lichten en dagmerk.
§ 2. [1 Benevens de in dit reglement voorgeschreven lichten en seinen, voeren binnenvaartuigen, welke in de havens, op de reden van en in de toegangsgeulen tot die havens, tijdens de vaart en bij het stilleggen, de in artikel 3.14. van de bijlage bij het koninklijk besluit van 24 september 2006 houdende vaststelling van het algemeen politiereglement voor de scheepvaart op de binnenwateren van het Koninkrijk voorgeschreven tekens.]1
§ 3. De Minister tot wiens bevoegdheid het bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart behoort is gemachtigd om, overeenkomstig de eisen van een veilige scheepvaart, de bepalingen [1 in bijlage 1]1 in overeenstemming te brengen met de internationale normen of overeenkomsten.
Art. 15. § 1er. En plus des feux et signaux prescrits par le présent règlement, les navires, qui dans les ports, dans les rades des ports et dans les chenaux d'accès aux ports, transportent les substances dangereuses mentionnées dans l'annexe 1, portent, lorsqu'ils font route et lorsqu'ils sont à l'arrêt, les feux et la marque prescrits dans cette annexe.
§ 2. [1 En plus des feux et signaux prescrits par le présent règlement, les bateaux d'intérieur qui, dans les ports, dans les rades des ports et dans les chenaux d'accès aux ports, portent lorsqu'ils font route et lorsqu'ils sont à l'arrêt, la signalisation prescrite dans l'article 3.14. de l'annexe de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 portant fixation du règlement général de police pour la navigation sur les eaux intérieures du Royaume.]1
§ 3. Le Ministre qui a l'administration de la Marine et de la Navigation intérieure dans ses attributions, est autorisé, en fonction des nécessités de la sécurité de la navigation, à modifier les dispositions [1 de l'annexe 1]1 conformément aux normes ou accords internationaux.
Art. 16. § 1. Vaartuigen die aan staketsels, kaaien of andere aanlegplaatsen, of terzijde van andere vaartuigen gemeerd liggen, voeren de lichten voorzien bij de Voorschriften voor geankerde schepen.
§ 2. Vaartuigen die gemeerd of ten anker liggen of aan de grond zitten, en voor welke golfslag of woelingen veroorzaakt door snel voorbijvarende vaartuigen hinderlijk kan zijn, voeren:
a) twee rondom zichtbare heldere lichten, loodrecht onder elkaar, het bovenste rood en het onderste wit;
b) een dagmerk bestaande uit een vlag of bord met twee horizontale banen van gelijke breedte waarvan de bovenste rood en de onderste wit is en bovendien wanneer het vaartuig betrokken is in duikerswerkzaamheden eveneens een dagmerk bestaande uit de A-vlag of bord van het Internationaal Seinboek.
§ 3. De lichten worden getoond overeenkomstig Voorschrift 20.
Art. 16. § 1er. Les bâtiments amarrés le long des estacades, à quai ou à d'autres emplacements de stationnement, ou le long d'autres bâtiments, doivent être pourvus de feux prévus par les Règles pour navires ancrés.
§ 2. Les bâtiments amarrés ou ancrés ou échoués, et qui peuvent être gênés par des lames ou des remous causés par le passage rapide des bâtiments, portent:
a) deux feux brillants visibles sur tout l'horizon, l'un verticalement au-dessus de l'autre, le feu supérieur étant rouge et le feu inférieur blanc;
b) une marque formée par un pavillon ou un panneau à deux bandes horizontales de largeur égale, dont la bande supérieure est rouge et la bande inférieure blanche et de plus, lorsque le bâtiment est impliqué dans des opérations de plongée, une marque formée par le pavillon ou panneau A du Code International des Signaux.
§ 3. Les feux sont montrés conformément à la Règle 20.
B. Vaste kunstwerken.
B. Ouvrages d'art fixes.
Art. 17. Indien het vaste installaties betreft, moeten de in uitvoering zijnde werken aan hun uiterste grenzen en zo nodig daartussen aangeduid worden, daar waar het het best kan worden gezien, door een dagmerk bestaande uit twee rode vlaggen boven elkaar en door twee loodrecht geplaatste rode lichten met daarboven een groen licht, met onderlinge afstand van ten minste 0,50 m en ten hoogste 1 m. Die lichten moeten rondom op een afstand van ten minste 1 zeemijl (1 852 m) zichtbaar zijn.
Steigers, dukdalven en andere kunstwerken die boven het gemiddelde laagwaterpeil uitsteken, kunnen eveneens aangeduid worden door de in dit artikel voorgeschreven lichten. Die lichten worden getoond in de omstandigheden en op de wijze bepaald in het eerste lid.
Art. 17. S'il s'agit d'installations fixes, les travaux en cours d'exécution, doivent être signalés à leurs extrémités et au besoin entre celles-ci, à l'endroit le plus apparent, par une marque de jour composée de deux pavillons rouges superposés et par deux feux rouges disposés verticalement et surmontés d'un feu vert, espacés de 0,50 m au moins à 1 m au plus. Les feux doivent être visibles sur tout l'horizon à une distance d'au moins 1 mille marin (1 852 m).
Les embarcadères, ducs d'albe et autres ouvrages d'art qui dépassent le niveau moyen d'eau basse, peuvent être signalés par les feux prévus par le présent article. Ces feux sont montrés dans les circonstances et de la manière indiquées à l'alinéa 1er.
C. Wrakken en gezonken vaartuigen.
C. Epaves et bâtiments coulés bas.
Art. 18. § 1. De ligging van wrakken en gezonken vaartuigen wordt aangeduid door middel van de lichten en dagmerken, welke in Voorschrift 30 d zijn voorgeschreven voor aan de grond zittende vaartuigen.
§ 2. Wrakken, gezonken vaartuigen en andere obstakels voor de scheepvaart mogen eveneens worden aangeduid door middel van één of meer lichtboeien of tonnen volgens het gecombineerd Kardinaal en Lateraal betonningsstelsel "A" dat in bijlage 5 is bepaald.
§ 3. Voor de toepassing van het in § 2 bedoeld betonningsstelsel wordt als stuurboord- of bakboordzijde van het vaarwater beschouwd de zijde, welke een van zee komend vaartuig aan zijn stuurboord- of bakboordkant heeft, met dien verstande dat wat de kustroute betreft, het gehele gebied wordt geacht als deel uitmakend van de toegangsweg naar de Schelde.
Art. 18. § 1er. L'emplacement d'épaves ou de bâtiments coulés bas, doit être indiqué au moyen des feux et marques prescrits pour les bâtiments échoués par la Règle 30 d.
§ 2. Les épaves, bâtiments coulés bas et autres obstacles pour la navigation, peuvent aussi être indiqués au moyen d'une ou de plusieurs bouées, lumineuses ou non, placées conformément au système de balisage combiné Cardinal et Latéral "A", contenu dans l'annexe 5.
§ 3. Pour l'application du système de balisage visé au § 2, est considéré comme côté tribord ou bâbord de la voie navigable, le côté se trouvant à tribord ou à bâbord d'un navire venant de la mer, étant entendu qu'en ce qui concerne la route de la côte, toute la région doit être considérée comme faisant partie des approches de l'Escaut.
Sectie 4. - Verplichtingen van eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers van vaartuigen.
Section 4. - Obligations incombant aux propriétaires, exploitants, capitaines et patrons de bâtiments.
Art. 19. § 1. Ieder kapitein of schipper of bij dezes ontstentenis, iedere eigenaar of exploitant van een vaartuig is gehouden:
zijn vaartuig behoorlijk vast te maken of te verankeren;
het vaartuig zo bij nacht als bij dag te bewaken of te doen bewaken;
steeds de nodige manschappen aan boord te hebben of onmiddellijk ter beschikking te stellen, om de maneuvers die door de ambtenaren of bedienden van de overheid zouden bevolen worden, onmiddellijk te kunnen uitvoeren;
aan dek van een geankerd vaartuig voldoende bemanning te houden om het zwaaien van het vaartuig bij het kenteren van het tij gade te doen slaan, en om bijtijds de vereiste maneuvers te kunnen uitvoeren, onder meer, om het schip sneller te doen zwaaien of om meer ketting te steken;
tuig- of takelwerk dat buiten boord uitsteekt in te halen, wanneer het zo geplaatst is dat het de veiligheid van de scheepvaart of de goede orde in de aanhorigheden van de haven in gevaar kan brengen;
wanneer het vaartuig gemeerd ligt, het buitenste anker, en wanneer het de sluizen nadert en doorvaart, alle ankers in kluis te trekken;
de aan staketsels en kaaien of ter zijde van andere vaartuigen liggende of gemeerde vaartuigen, buitenboord te voorzien van behoorlijke onzinkbare wrijfhouten of -worsten;
gevolg te geven aan elk verzoek om een tros aan te nemen en vast te maken, en eventueel eigen meertouwen los te gooien om het verhalen van andere vaartuigen te vergemakkelijken;
elke voorzorgmaatregel te treffen opdat het proefdraaien van motor met ingeschakelde schroeven geen schade aan derden zou kunnen veroorzaken.
§ 2. In de havens van de Belgische kust zijn artikel 528, eerste, tweede en vijfde lid, en de artikelen 529 en 531 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming van toepassing.
Art. 19. § 1er. Tout capitaine ou patron, ou à son défaut, tout propriétaire ou exploitant d'un bâtiment, est tenu:
d'amarrer convenablement son bâtiment ou d'en fixer solidement l'ancre;
de surveiller ou de faire surveiller le bâtiment tant de jour que de nuit;
de conserver constamment à bord ou de pouvoir affecter sur-le-champ le nombre d'hommes nécessaires à l'exécution immédiate des manoeuvres qui seraient ordonnées par les fonctionnaires ou agents de l'autorité;
de conserver sur le pont d'un bâtiment mouillé le personnel suffisant pour faire surveiller l'embardée et pour pouvoir exécuter à temps les manoeuvres nécessaires, notamment pour accélérer l'embardée ou pour filer de la chaîne;
de rentrer les agrès ou apparaux se trouvant hors bord lorsque la position de ceux-ci risque de compromettre la sécurité de la navigation ou le bon ordre dans les dépendances du port;
de faire rentrer l'ancre du bord extérieur lorsque le bâtiment est amarré et toutes les ancres aux approches et aux passages des écluses;
de pourvoir les bâtiments amarrés le long des estacades et quais ou le long d'autres bâtiments de défenses convenables et qui ne coulent pas;
de satisfaire à toute demande de recevoir et d'amarrer une haussière et, éventuellement, de larguer les amarres pour faciliter les mouvements des autres bâtiments;
de prendre toutes précautions en vue d'éviter qu'aux essais la mise en marche du moteur avec hélices embranchées n'occasionne aucun dommage à des tiers.
§ 2. Dans les ports du littoral belge, l'article 528, alinéas 1er, 2 et 5 ainsi que les articles 529 et 531 du Règlement général pour la Protection du Travail, sont d'application.
Art. 20. § 1. Het is verboden sluisdeuren en draaibruggen als steunpunten te gebruiken.
§ 2. Ongeacht hun lig- of meerplaats mogen vaartuigen slechts aan de daartoe dienende bolders, palen, meer- en kabelringen worden vastgemeerd. Het is inzonderheid verboden vaartuigen vast te maken aan ladders, palen, oplangers, steunbalken, bovenbalken van borstweringen van staketsels en kaaien, alsook aan gelijk welke bebakeningsinrichting.
§ 3. Het is verboden een vaartuig vast te meren aan een lichtschip of aan een daartoe niet bestemde boei.
Het is eveneens verboden het anker te werpen binnen de zwaaikring van een lichtschip of een boei.
§ 4. Het is verboden het scheepsverkeer in de vaargeul te belemmeren, onder meer door het spannen van meerlijnen. Is het voor het verhalen van een vaartuig nodig een meerlijn over de vaargeul te brengen dan moet deze tijdig losgemaakt of gevierd worden om een ander vaartuig te laten voorbijvaren.
Art. 20. § 1er. Il est interdit de prendre des points d'appui sur les portes d'écluses et sur les ponts tournants.
§ 2. Quel que soit l'endroit de stationnement ou d'amarrage occupé par les bâtiments, ceux-ci ne peuvent s'amarrer qu'aux bittes, bornes, boucles et organeaux destinés à cet usage. Il est notamment interdit de s'amarrer aux échelles, pieux, allonges, ventrières, lisses de garde-corps, d'estacades et de quais ainsi qu'à toute installation de balisage quelconque.
§ 3. Il est interdit d'amarrer un bâtiment à un bateau-phare ou à une bouée qui ne serait pas destinée à cet usage.
De même il est interdit de mouiller l'ancre dans le cercle d'évitage d'un bateau-phare ou d'une bouée.
§ 4. Il est interdit d'entraver la circulation dans le chenal, notamment en y tendant des amarres. Si, pour le déhalage d'un bâtiment, il est nécessaire de porter une amarre en travers du chenal, celle-ci doit être larguée ou filée à temps en vue du passage d'un autre bâtiment.
HOOFDSTUK III. - Bepalingen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren.
CHAPITRE III. - Dispositions relatives aux navires transportant des matières dangereuses ou polluantes.
Art. 21. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. (Vaartuigen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren) en die vertrokken zijn uit een haven buiten de Gemeenschap gelegen met als bestemming een kusthaven, mogen die haven pas binnenvaren op voorwaarde dat de exploitant (uiterlijk bij de afvaart uit de haven van belading of althans zodra de haven van bestemming of ankerplaats bekend is, zo deze niet bij de afvaart bekend zou zijn), de havenkapiteinsdienst van de bestemmingshaven, alle gegevens zoals voorzien in bijlage 5 heeft medegedeeld. <KB 2005-09-17/61, art. 16, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
§ 2. Ten aanzien van de vaststelling of gevaarlijke goederen van klasse I van de I.M.D.G.-Code in massa kunnen exploderen, is het oordeel van het hoofd van de Dienst der Springstoffen van het Ministerie van Economische Zaken bindend.
§ 3. [1 Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van de paragrafen 1 en 2 niet van toepassing op]1 :
a) oorlogsschepen en andere schepen van de overheid die voor nietcommerciële doeleinden worden gebruikt;
b) [1 bunkers op vaartuigen met een brutotonnenmaat van minder dan 1 000 en scheepsvoorraden en uitrusting voor gebruik aan boord van alle vaartuigen;]1
(c) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter.) <KB 2005-09-17/61, art. 16, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
Art. 21. <AR 1996-02-09/38, art. 2, 003; En vigueur : 13-09-1995> § 1er. (Les bâtiments transportant des marchandises dangereuses ou polluantes) et venant d'un port situé hors de la Communauté, à destination d'un port côtier, ne peuvent entrer dans ce port qu'à condition que l'exploitant ait notifié, (au plus tard lorsqu'il quitte le port de chargement, ou dès que le port de destination ou le lieu de mouillage est connu, si cette information n'est pas disponible au moment du départ), à la capitainerie du port de destination, toutes les informations mentionnées à l'annexe 5. <AR 2005-09-17/61, art. 16, 010; En vigueur : 11-10-2005>
§ 2. Pour déterminer si des matières dangereuses de la classe I du Code I.M.D.G. peuvent exploser en masse, l'avis du chef du Service des Explosifs du Ministère des Affaires économiques est déterminant.
§ 3. [1 Sauf disposition contraire, les dispositions des paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas]1 :
a) aux navires de guerre et autres bâtiments officiels utilisés à des fins non commerciales;
b) [1 aux soutes des bâtiments d'une jauge brute inférieure à 1 000 et à l'avitaillement et au matériel d'armement de tous les bâtiments destinés à être utilisés à bord;]1
(c) aux navires de pêche, aux bateaux traditionnels et aux bateaux de plaisance d'une longueur inférieure à 45 mètres.) <AR 2005-09-17/61, art. 16, 010; En vigueur : 11-10-2005>
Art. 22. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. (Vaartuigen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren) vanuit een kusthaven mogen die haven slechts verlaten nadat zij de havenkapiteinsdienst alle gegevens zoals voorzien in bijlage 5 hebben medegedeeld. <KB 2005-09-17/61, art. 17, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
§ 2. [1 Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van paragraaf 1 niet van toepassing op]1 :
a) oorlogsschepen en andere schepen van de overheid die niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
b) [1 bunkers op vaartuigen met een brutotonnenmaat van minder dan 1000 en scheepsvoorraden en uitrusting voor gebruik aan boord van alle vaartuigen;]1
(c) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter.) <KB 2005-09-17/61, art. 17, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
Art. 22. <AR 1996-02-09/38, art. 2, 003; En vigueur : 13-09-1995> § 1er. (Les bâtiments transportant des marchandises dangereuses ou polluantes) et venant d'un port côtier, ne peuvent quitter ce port qu'après avoir notifié préalablement à la capitainerie du port, toutes les informations mentionnées à l'annexe 5. <AR 2005-09-17/61, art. 17, 010; En vigueur : 11-10-2005>
§ 2. [1 Sauf dispositions contraire, les dispositions du paragraphe 1er ne s'appliquent pas]1 :
a) aux navires de guerre et autres bâtiments officiels utilisés à des fins non commerciales;
b) [1 aux soutes des bâtiments d'une jauge brute inférieure à 1000 et à l'avitaillement et au matériel d'armement de tous les bâtiments destinés à être utilisés à bord;]1
(c) aux navires de pêche, aux bateaux traditionnels et aux bateaux de plaisance d'une longueur inférieure à 45 mètres.) <AR 2005-09-17/61, art. 17, 010; En vigueur : 11-10-2005>
Art. 22bis. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 18; Inwerkingtreding : 11-10-2005> § 1. [1 § 1. Vrijstelling van de eisen van de artikelen 21, § 1, en 22 kan worden verleend voor lijndiensten tussen de havens van de Belgische kust of tussen een haven van de Belgische kust en een andere Belgische haven wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de maatschappij die deze lijndiensten exploiteert, houdt een lijst bij van de betrokken vaartuigen en deelt die lijst mee aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest, en werkt deze bij;
b) telkens als de reis wordt uitgevoerd, wordt de in bijlage 5, indien toepasselijk, genoemde informatie ter beschikking gehouden van de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest, indien deze daarom verzoekt. De maatschappij zet een intern systeem op waarmee genoemde inlichtingen 24 uur per dag direct na het verzoek, elektronisch aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest kunnen worden doorgegeven;
c) alle afwijkingen van de verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming of bij het loodsstation van drie uur of meer worden, indien toepasselijk, meegedeeld aan de haven van aankomst of aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest;
d) vrijstellingen worden alleen verleend aan individuele vaartuigen op een specifieke dienst.
De vrijstelling wordt toegekend door de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de dienst alleen als lijndienst beschouwd als het de bedoeling is dat hij ten minste één maand wordt geëxploiteerd.
Vrijstellingen van de in de artikelen 21, § 1, en 22 neergelegde eisen blijven beperkt tot reizen met een geplande duur van maximaal 12 uur. ".
§ 2. Wanneer één internationale lijndienst tussen een haven van de Belgische kust en een of meer lidstaten wordt geëxploiteerd, kan de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is vrijstelling verlenen van de eisen van paragraaf 1 overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 1 indien de betrokken lidstaat of lidstaten daarom verzoeken.
Wanneer een internationale lijndienst tussen een haven van de Belgische kust en één of meer andere lidstaten wordt geëxploiteerd, kan de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is vragen aan de betrokken lidstaat of lidstaten om vrijstelling te verlenen van de eisen van paragraaf 1 overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 1.
Wanneer een internationale lijndienst tussen een haven van de Belgische kust en één of meer andere lidstaten wordt geëxploiteerd, werkt de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaar die daartoe aangesteld is samen met alle betrokken lidstaten met inbegrip van de betrokken kuststaten om een vrijstelling voor de betreffende dienst te verlenen van de eisen van paragraaf 1 overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 1.
§ 3. De met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn, controleren regelmatig of aan de voorwaarden van paragraaf 1 wordt voldaan. Wanneer niet meer wordt voldaan aan ten minste één van deze voorwaarden, trekken de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren die daartoe aangesteld zijn het voorrecht van de vrijstelling voor de betrokken maatschappij onmiddellijk in.]1

Art. 22bis. [1 § 1er. Les services réguliers assurés entre les ports du littoral belge ou entre un port du littoral belge et un autre port belge, peuvent être exemptés des exigences énoncées aux articles 21, § 1er, et 22 pour autant que les conditions suivantes ont été remplies :
a) la compagnie exploitant ces services réguliers établit et tient à jour une liste des bâtiments concernés et la transmet au service compétent de la Région flamande;
b) pour chaque voyage effectué, les informations prévues à l'annexe 5, selon le cas, sont tenues à la disposition du service compétent de la Région flamande à sa demande. La compagnie établit un système interne qui garantit, 24 heures sur 24, la transmission sous forme électronique et sans délai après en avoir reçu la demande, de ces informations au service compétent de la Région flamande;
c) toute différence par rapport à l'heure d'arrivée probable au port de destination ou à la station de pilotage, égale ou supérieure à trois heures, est notifiée au port de destination ou au service compétent de la Région flamande;
d) des exemptions ne sont accordées qu'à des bâtiments déterminés pour ce qui concerne un service spécifique.
L'exemption est accordée par les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet.
Aux fins de l'alinéa 1er, le service n'est réputé être un service régulier que s'il est prévu de l'assurer pendant un mois au minimum.
Les exemptions aux exigences des articles 21, § 1er, et 22 sont limitées à des voyages d'une durée maximale prévue de douze heures.
§ 2. Quand un service régulier international est exploité entre un port du littoral belge et un ou plusieurs autres Etats membres, l'agent chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet peut accorder à ce service une exemption aux exigences du paragraphe 1er conformément aux conditions énoncées au paragraphe 1er sur demande du ou des Etats membres concernés.
Quand un service régulier international est exploité entre un port du littoral belge et un ou plusieurs autres Etats membres, l'agent chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet peut demander à ou aux Etats membres concernés d'accorder à ce service une exemption aux exigences du paragraphe 1er conformément aux conditions énoncées au paragraphe 1er.
Quand un service régulier international est exploité entre un port du littoral belge et un ou plusieurs autres Etats membres, l'agent chargé du contrôle de la navigation désigné à cet effet coopère avec tous les Etats membres concernés, y compris les Etats côtiers concernés, en vue d'octroyer au service en question une exemption aux exigences du paragraphe 1er conformément aux conditions énoncées au paragraphe 1er.
§ 3. Les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet vérifient périodiquement que les conditions énoncées au paragraphe 1er sont remplies. Lorsque l'une au moins de ces conditions n'est plus remplie, les agents chargés du contrôle de la navigation désignés à cet effet retirent immédiatement le bénéfice de l'exemption à la compagnie concernée.]1

Art. 22bis_VLAAMS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 18; Inwerkingtreding : 11-10-2005> § 1. [1 § 1. Vrijstelling van de eisen van de artikelen 21, § 1, en 22 kan worden verleend voor lijndiensten tussen de havens van de Belgische kust of tussen een haven van de Belgische kust en een andere Belgische haven wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
a) de maatschappij die deze lijndiensten exploiteert, houdt een lijst bij van de betrokken vaartuigen en deelt die lijst mee aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest, en werkt deze bij;
b) telkens als de reis wordt uitgevoerd, wordt de in bijlage 5, indien toepasselijk, genoemde informatie ter beschikking gehouden van de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest, indien deze daarom verzoekt. De maatschappij zet een intern systeem op waarmee genoemde inlichtingen 24 uur per dag direct na het verzoek, elektronisch aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest kunnen worden doorgegeven;
c) alle afwijkingen van de verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming of bij het loodsstation van drie uur of meer worden, indien toepasselijk, meegedeeld aan de haven van aankomst of aan de bevoegde dienst van het Vlaamse Gewest;
d) vrijstellingen worden alleen verleend aan individuele vaartuigen op een specifieke dienst.
De vrijstelling wordt toegekend door de [2 voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelsleden]2 die daartoe aangesteld zijn.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de dienst alleen als lijndienst beschouwd als het de bedoeling is dat hij ten minste één maand wordt geëxploiteerd.
Vrijstellingen van de in de artikelen 21, § 1, en 22 neergelegde eisen blijven beperkt tot reizen met een geplande duur van maximaal 12 uur. ".
§ 2. Wanneer één internationale lijndienst tussen een haven van de Belgische kust en een of meer lidstaten wordt geëxploiteerd, kan [2 het voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelslid dat]2 daartoe aangesteld is vrijstelling verlenen van de eisen van paragraaf 1 overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 1 indien de betrokken lidstaat of lidstaten daarom verzoeken.
Wanneer een internationale lijndienst tussen een haven van de Belgische kust en één of meer andere lidstaten wordt geëxploiteerd, kan [2 het voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelslid dat]2 daartoe aangesteld is vragen aan de betrokken lidstaat of lidstaten om vrijstelling te verlenen van de eisen van paragraaf 1 overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 1.
Wanneer een internationale lijndienst tussen een haven van de Belgische kust en één of meer andere lidstaten wordt geëxploiteerd, werkt [2 het voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelslid dat]2 daartoe aangesteld is samen met alle betrokken lidstaten met inbegrip van de betrokken kuststaten om een vrijstelling voor de betreffende dienst te verlenen van de eisen van paragraaf 1 overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 1.
§ 3. De [2 voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelsleden]2 die daartoe aangesteld zijn, controleren regelmatig of aan de voorwaarden van paragraaf 1 wordt voldaan. Wanneer niet meer wordt voldaan aan ten minste één van deze voorwaarden, trekken de [2 voor de binnenvaart met de scheepvaartcontrole belaste personeelsleden]2 die daartoe aangesteld zijn het voorrecht van de vrijstelling voor de betrokken maatschappij onmiddellijk in.]1
Art. 22bis _REGION_FLAMANDE.
[1 § 1er. Les services réguliers assurés entre les ports du littoral belge ou entre un port du littoral belge et un autre port belge, peuvent être exemptés des exigences énoncées aux articles 21, § 1er, et 22 pour autant que les conditions suivantes ont été remplies :
a) la compagnie exploitant ces services réguliers établit et tient à jour une liste des bâtiments concernés et la transmet au service compétent de la Région flamande;
b) pour chaque voyage effectué, les informations prévues à l'annexe 5, selon le cas, sont tenues à la disposition du service compétent de la Région flamande à sa demande. La compagnie établit un système interne qui garantit, 24 heures sur 24, la transmission sous forme électronique et sans délai après en avoir reçu la demande, de ces informations au service compétent de la Région flamande;
c) toute différence par rapport à l'heure d'arrivée probable au port de destination ou à la station de pilotage, égale ou supérieure à trois heures, est notifiée au port de destination ou au service compétent de la Région flamande;
d) des exemptions ne sont accordées qu'à des bâtiments déterminés pour ce qui concerne un service spécifique.
L'exemption est accordée par les [2 membres du personnel chargés du contrôle de la navigation intérieure]2 désignés à cet effet.
Aux fins de l'alinéa 1er, le service n'est réputé être un service régulier que s'il est prévu de l'assurer pendant un mois au minimum.
Les exemptions aux exigences des articles 21, § 1er, et 22 sont limitées à des voyages d'une durée maximale prévue de douze heures.
§ 2. Quand un service régulier international est exploité entre un port du littoral belge et un ou plusieurs autres Etats membres, [2 le membre du personnel chargé du contrôle de la navigation intérieure]2 désigné à cet effet peut accorder à ce service une exemption aux exigences du paragraphe 1er conformément aux conditions énoncées au paragraphe 1er sur demande du ou des Etats membres concernés.
Quand un service régulier international est exploité entre un port du littoral belge et un ou plusieurs autres Etats membres, [2 le membre du personnel chargé du contrôle de la navigation intérieure]2 désigné à cet effet peut demander à ou aux Etats membres concernés d'accorder à ce service une exemption aux exigences du paragraphe 1er conformément aux conditions énoncées au paragraphe 1er.
Quand un service régulier international est exploité entre un port du littoral belge et un ou plusieurs autres Etats membres, [2 le membre du personnel chargé du contrôle de la navigation intérieure]2 désigné à cet effet coopère avec tous les Etats membres concernés, y compris les Etats côtiers concernés, en vue d'octroyer au service en question une exemption aux exigences du paragraphe 1er conformément aux conditions énoncées au paragraphe 1er.
§ 3. Les [2 membres du personnel chargés du contrôle de la navigation intérieure]2 désignés à cet effet vérifient périodiquement que les conditions énoncées au paragraphe 1er sont remplies. Lorsque l'une au moins de ces conditions n'est plus remplie, les [2 membres du personnel chargés du contrôle de la navigation intérieure]2 désignés à cet effet retirent immédiatement le bénéfice de l'exemption à la compagnie concernée.]1
Art. 23. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> Worden met (vaartuigen) die bepaalde gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren gelijkgesteld: (vaartuigen) die met dergelijke stoffen beladen zijn geweest, maar waarvoor hetzij door een erkende deskundige, hetzij door of vanwege de bevoegde overheid nog geen verklaring is afgegeven waarin bevestigd wordt dat het (vaartuig) geen gevaarlijke of verontreinigende stoffen meer bevat. <KB 2005-09-17/61, art. 19, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
Art. 23. <AR 1996-02-09/38, art. 2, 003; En vigueur : 13-09-1995> Sont assimilés aux (bâtiments) chargés de matières dangereuses ou polluantes en vrac ou en colis, les (bâtiments) qui ont été chargés de telles matières mais pour lesquels il n'a pas encore été délivré de déclaration certifiant que le (bâtiment) ne contient plus de matières dangereuses ou polluantes, soit par un expert agréé, soit par l'autorité compétente ou de la part de celle-ci. <AR 2005-09-17/61, art. 19, 010; En vigueur : 11-10-2005>
Art. 24. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. (Vaartuigen die gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoeren) moeten zich minstens 4 uur voor het aanlopen van of het vertrekken uit een kusthaven melden aan Vessel Traffic Service Scheldemonden. <KB 2005-09-17/61, art. 20, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
§ 2. Zij dienen gebruik te maken van de diensten van een loods bevoegd voor het af te leggen traject.
§ 3. De checklist voorzien in bijlage 6 dient bij het aan boord komen van de loods nauwkeurig en waarheidsgetrouw ingevuld te zijn en moet aan hem afgegeven worden.
Art. 24. <AR 1996-02-09/38, art. 2, 003; En vigueur : 13-09-1995> § 1er. (Les bâtiments transportant des marchandises dangereuses ou polluantes) doivent s'annoncer au Vessel Traffic Service Scheldemonden (VTS Embouchures de l'Escaut), au moins 4 heures avant de mouiller ou d'appareiller dans un port côtier. <AR 2005-09-17/61, art. 20, 010; En vigueur : 11-10-2005>
§ 2. Ils doivent utiliser les services d'un pilote compétent pour le trajet à effectuer.
§ 3. La fiche de contrôle visée à l'annexe 6 doit être complétée avec exactitude et soin et être remise au pilote lorsqu'il monte à bord.
Art. 25. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> De melding bedoeld in artikel 24, § 1, dient te omvatten :
de gegevens voorzien in bijlage 5 onder de punten 1 tot en met 5 en 9;
de opgave van broei, brand, schade aan het zeeschip of lading of een vermoeden daarvan;
de mededeling van eventuele tekortkomingen of voorvallen die de normale veilige bestuurbaarheid van het zeeschip kunnen verminderen, een veilige en vlotte doorvaart nadelig kunnen beïnvloeden of een gevaar kunnen meebrengen voor het milieu.
Art. 25. <AR 1996-02-09/38, art. 2, 003; En vigueur : 13-09-1995> La notification prévue à l'article 24, § 1er, doit préciser :
les informations prévues à l'annexe 5 sous les points 1 à 5 inclus et 9;
s'il y a eu échauffement spontané, incendie, endommagement du navire ou de la cargaison, ou présomption d'un tel incident;
s'il y a éventuellement eu des incidents ou manquements susceptibles de réduire la manoeuvrabilité normale et sûre du navire, de compromettre la sécurité et la facilité du passage ou d'entraîner un danger pour l'environnement.
Art. 26. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. De kapitein van een (vaartuig dat gevaarlijke of verontreinigende stoffen vervoert) dient er zorg voor te dragen : <KB 2005-09-17/61, art. 21, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
1. dat het vervoer geschiedt met inachtneming van de I.M.D.G. Code, de I.M.O.Code of Safe Practice for Solid Bulk Cargoes, de I.M.O. Gas Carrier Code en de I.M.O. Bulk Chemical Codes;
2. dat aan boord van het zeevaartuig doeltreffende maatregelen zijn genomen ter voorkoming en bestrijding van brand overeenkomstig het bepaalde hij of krachtens S.O.L.A.S.;
3. dat in overeenstemming met de eisen van goed zeemanschap de nodige maatregelen worden getroffen en er aan boord schriftelijke instructies aanwezig zijn, conform met de door de I.M.O. terzake gegeven aanbevelingen, die aangeven welke maatregelen moeten worden genomen ten aanzien van de gevaarlijke stoffen die worden vervoerd indien zich een ongeval of een voorval voordoet dat gevaar kan opleveren;
4. dat nadere aanwijzingen gegeven door de bevoegde autoriteit in aanvulling op de voorzieningen van dit hootdstuk, worden opgevolgd;
5. dat er steeds marifoonverbinding met de dienst van het loodswezen te Oostende wordt gehandhaafd;
6. dat de voorschritten voor de seinvoering voorzien in bijlage I worden toegepast.
§ 2. De kapitein van een zeetankschip beladen met vloeibaar gemaakte gassen in bulk die onder de I.M.O. Gas Carrier Code vallen, moet bovendien volgende voorschriften in acht nemen :
er dienen voldoende bekwame bemanningsleden beschikbaar te zijn om het vaartuig veilig te kunnen manoeuvreren;
er dient zekerheid te bestaan dat in de tanks geen gevaarlijke overdruk aanwezig is;
er dient onafgebroken marifoon luisterwacht te worden gehouden;
de boordradar moet aanstaan;
de tanks mogen niet schoongemaakt, ontgast en gespoeld worden zonder toestemming van de bevoegde overheid;
het voornemen te ankeren dient te worden gemeld aan de dienst van het loodswezen te Oostende;
de bouw en de uitrusting van het vaartuig moeten beantwoorden aan de I.M.O. Gas Carrier Code en er dienen aan boord geldige bescheiden aanwezig te zijn, ten bewijze daarvan en die zijn afgegeven door of vanwege de vlaggestaat en welke steeds op eerste vordering ter inzage dienen te worden afgegeven aan de bevoegde autoriteiten.
Art. 26. <AR 1996-02-09/38, art. 2, 003; En vigueur : 13-09-1995> § 1er. Le capitaine d'un (bâtiment transportant des marchandises dangereuses ou polluantes) doit veiller à ce que : <AR 2005-09-17/61, art. 21, 010; En vigueur : 11-10-2005>
1. le transport se fasse en conformité avec les dispositions du Code I.M.D.G., du I.M.O. Code of Safe Practice for Solid Bulk Cargoes, du I.M.O. Gas Carrier Code et des I.M.O. Bulk Chemical Codes;
2. des mesures efficaces soient prises à bord du navire en vue de prévenir et de lutter contre l'incendie, conformément aux ou en vertu des dispositions S.O.L.A.S.;
3. conformément à l'expérience ordinaire du marin, les mesures nécessaires soient prises, et qu'il se trouve à bord des instructions écrites qui doivent être conformes aux recommandations de l'O.M.I., indiquant les mesures à prendre à l'égard des matières dangereuses transportées, lorsqu'il se produit un accident ou un incident susceptible de présenter un danger;
4. des instructions complémentaires émanant de l'autorité compétente et venant renforcer les dispositions prévues au présent chapitre, soient suivies;
5. une liaison par mariphonie soit maintenue en permanence avec le service de pilotage à Ostende;
6. les prescriptions relatives à la signalisation prévues à l'annexe I soient appliquées.
§ 2. Le capitaine d'un navire-citerne chargé de gaz liquéfiés en vrac, visés par l'I.M.O. Gas Carrier Code, doit en outre observer les prescriptions suivantes :
des membres d'équipage compétents doivent être disponibles en nombre suffisant pour pouvoir manoeuvrer le navire en toute sécurité;
il faut avoir la certitude qu'il n'y a pas de surpression dangereuse dans les citernes;
il doit y avoir en permanence une veille d'écoute au mariphone;
le radar de bord doit se trouver en marche;
le nettoyage, le dégazage et le rinçage des citernes ne peuvent être effectués sans l'autorisation de l'autorité compétente;
l'intention de mouiller doit être signalée au service de pilotage à Ostende;
la construction et l'équipement du navire doivent être conformes aux dispositions du I.M.O. Gas Carrier Code et à bord doivent se trouver des documents valides attestant cette conformité, délivrés par ou au nom de l'Etat de pavillon. Ces documents doivent être produits à toute requête des autorités compétentes pour qu'elles puissent en prendre connaissance.
Art. 26bis. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 22; Inwerkingtreding : 11-10-2005> § 1. [1 Gevaarlijke of verontreinigende stoffen mogen in een haven van de Belgische kust niet voor vervoer worden aangeboden noch aan boord van een vaartuig worden genomen, ongeacht de grootte van het vaartuig, tenzij aan de kapitein of de exploitant, vooraleer de goederen aan boord worden genomen, een verklaring met de volgende informatie werd overhandigd :
a) de in bijlage 9 genoemde informatie;
b) [2 voor de in bijlage I bij het Marpol Verdrag genoemde stoffen, het veiligheids-informatieblad waarop de fysisch-chemische eigenschappen van de producten zijn vermeld, waar van toepassing, met inbegrip van hun viscositeit, uitgedrukt in cSt bij 50 ° C en hun dichtheid bij 15 ° C, alsook de andere gegevens die conform Resolutie MSC.286(86) van de I.M.O. op het veiligheidsinformatieblad staan;]2
c) de alarmnummers van de verlader of enige andere persoon of organisatie die beschikt over informatie over de fysisch-chemische eigenschappen van de producten en over de bij een calamiteit te nemen maatregelen.
Vaartuigen komende van een haven buiten de Gemeenschap die een haven van de Belgische kust aandoen en gevaarlijke of verontreinigende stoffen aan boord hebben, beschikken over een verklaring van de verlader met de informatie vereist volgens het eerste lid, onder a), b) en c).
De verlader bezorgt deze verklaring aan de kapitein of de exploitant en zorgt ervoor dat de voor vervoer aangeboden vracht werkelijk die is waarover overeenkomstig het eerste lid een verklaring werd afgelegd.]1

§ 2. [1 Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van paragraaf 1 niet van toepassing op]1 :
a) oorlogsschepen, marinehulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of in dienst zijn bij een lid-Staat en die worden gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;
b) vissersschepen, traditionele schepen en pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 45 meter;
c) [1 bunkers op vaartuigen met een brutotonnenmaat van minder dan 1 000 en scheepsvoorraden en uitrusting voor gebruik aan boord van alle vaartuigen.]1
Art. 26bis. § 1er. [1 Les marchandises dangereuses ou polluantes ne peuvent être présentées pour le transport ou chargées à bord d'un bâtiment, quelles que soient ses dimensions, dans un port du littoral belge que si le capitaine ou l'exploitant a reçu avant que les marchandises soient chargées à bord une déclaration comportant les informations suivantes :
a) les informations énumérées à l'annexe 9;
b) [2 pour les substances visées à l'annexe I de la Convention Marpol, la fiche de données de sécurité détaillant les caractéristiques physico-chimiques des produits y compris, le cas échéant, la viscosité exprimée en cSt à 50 ° C et la densité à 15 ° C, ainsi que les autres données qui, conformément à la résolution MSC.286 (86) de l'OMI, figurent sur la fiche de données de sécurité;]2
c) les numéros d'appel d'urgence du chargeur ou de toute autre personne ou organisme en possession des informations sur les caractéristiques physico-chimique des produits et sur les mesures à prendre en cas d'urgence.
Les bâtiments en provenance d'un port extracommunautaire faisant escale dans un port du littoral belge et ayant à bord des marchandises dangereuses ou polluantes ont en leur possession une déclaration, fournie par le chargeur, contenant les informations exigées en vertu de l'alinéa 1er, a), b) et c).
Le chargeur fournit une telle déclaration au capitaine ou à l'exploitant et fait en sorte que le chargement présenté pour le transport corresponde effectivement à celui a été déclaré conformément à l'alinéa 1er.]1

§ 2. [1 Sauf disposition contraire, les dispositions du paragraphe 1er ne s'appliquent pas]1 :
a) aux navires de guerre, aux navires de guerre auxiliaires ou autres navires appartenant à un Etat membre ou exploités par lui et utilisés pour un service public non commercial;
b) aux navires de pêche, aux bateaux traditionnels et aux bateaux de plaisance d'une longueur inférieure à 45 mètres;
c) [1 aux soutes des bâtiments d'une jauge brute inférieure à 1 000 et à l'avitaillement et au matériel d'armement de tous les bâtiments destinés à être utilisés à bord.]1
Art. 27. <KB 1996-02-09/38, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 13-09-1995> § 1. Bij incidenten of omstandigheden op zee die een bedreiging vormen voor de kust of daarmede samenhangende belangen, dient de gezagvoerder van het schip aan de radarcentrale te Zeebrugge onverwijld informatie te verstrekken over de bijzonderheden van het incident alsmede de gegevens voorzien in bijlage 5.
De meldingsplicht ten aanzien van de gegevens voorzien in bijlage 5 wordt als nagekomen beschouwd indien de gezagvoerder mededeelt welke bevoegde instantie binnen de Gemeenschap deze vereiste gegevens bewaart.
§ 2. De in § 1 bedoelde kennisgeving moet geschieden overeenkomstig (I.M.O. resolutie A.851(20)) en vindt ten minste onder alle in die resolutie beschreven omstandigheden plaats. <AR 2001-06-25/32, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 04-08-2001>
§ 3. Loodsen die een schip bij het aanleggen, het afvaren of het manoeuvreren begeleiden lichten de radarcentrale te Zeebrugge onverwijld in, wanneer zij gebreken constateren die de veilige vaart van het schip in gevaar kunnen brengen.
Art. 27. <AR 1996-02-09/38, art. 2, 003; En vigueur : 13-09-1995> § 1er. En cas d'incident ou de circonstances survenus en mer et faisant courir un risque au littoral ou à des interêts connexes, le capitaine du navire concerné doit notifier immédiatement à la centrale radar de Zeebrugge les informations ayant trait aux circonstances de l'incident ainsi que les données prévues dans l'annexe 5.
L'obligation de fournir les données prévues dans l'annexe 5 est considérée comme remplie si le capitaine indique quelle est l'autorité compétente qui, dans la Communauté, détient les informations requises.
§ 2. La notification prévue au § 1er est effectuée conformément à la (résolution A.851(20) de l'OMI) et elle est faite au moins dans toutes les circonstances visées dans cette résolution. <AR 2001-06-25/32, art. 2, 009; En vigueur : 04-08-2001>
§ 3. Les pilotes intervenant pour l'accostage, l'appareillage ou la manoeuvre d'un navire informent sans tarder la centrale radar de Zeebrugge chaque fois qu'ils ont connaissance de défauts susceptibles de nuire à la sécurité de la navigation du navire.
HOOFDSTUK IV. _ Instandhouding van scheepvaartwegen, havens en de stranden van de Belgische kust.
CHAPITRE IV. - Conservation des voies de navigation, des ports et des plages du littoral belge.
Art. 28. § 1. Het is verboden zonder bijzondere machtiging vanwege de ambtenaren of bedienden van de overheid enig werk in de Belgische territoriale zee, in de havens of op de stranden van de Belgische kust uit te voeren of er om het even welke materialen of voorwerpen, daaronder begrepen de op het strand geworpen wrakken, weg te halen.
§ 2. Het is verboden:
onverminderd het bepaalde in de wetgeving op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, in de Belgische territoriale zee, in de havens van de Belgische kust of op de stranden enig voorwerp te werpen, neer te leggen, te laten drijven of weglopen, waardoor de bodem verhoogd, de scheepvaart gehinderd of de vrije afloop van water belemmerd kan worden; enige vaste of vloeibare stof, onder andere, olie of olieafval en chemische of radio-actieve produkten of afvalstoffen, waardoor de wateren kunnen verontreinigd worden, uit te storten. De terzake door de ambtenaren of bedienden van de overheid gegeven bevelen worden zonder verwijl ingevolgd;
zich op de kunstwerken of in de aanhorigheden van de havens, die niet voor het publiek verkeer openstaan, te begeven, tenzij met toestemming van de met de bewaking daarvan belaste ambtenaren of bedienden van de overheid;
behoudens bijzondere machtiging van de ambtenaren of bedienden van de overheid, een vaartuig ten behoeve van herstellingen of om enige andere reden op het droge te zetten. Herstellingen mogen enkel uitgevoerd worden op de plaatsen en in de voorwaarden bepaald in voormelde machtiging;
behoudens bijzondere machtiging van de ambtenaren of bedienden van de overheid, vaartuigen andere dan vissersvaartuigen en pleziervaartuigen op kielbanken, balkroosters en hellingen te plaatsen. De vissersvaartuigen en pleziervaartuigen mogen er geplaatst worden in de voorwaarden te bepalen door deze ambtenaren en bedienden, zonder dat de duur van de plaatsing vijftien dagen te bovengaat;
afbraak- en afvalresten, wrakken, wrakstukken of dergelijke voorwerpen op het openbaar domein te plaatsen of achter te laten, alsook in volledig verwaarloosde toestand verkerende vaartuigen in de havens van de Belgische kust te laten liggen. Indien de veiligheid van de scheepvaart of de vrijwaring van het regime of de instandhouding van het vaarwater dit vereist kunnen de in dit lid bedoelde voorwerpen, na schriftelijke ingebrekestelling van de belanghebbenden, door de overheid en bij gemotiveerde beslissing, ambtshalve vernield worden. Van het te vernielen materiaal wordt een gedagtekende inventaris opgemaakt.
§ 3. De kapiteins of schippers nemen alle nodige voorzorgen geen dijken, havenkunstwerken of werk in uitvoering te beschadigen. Het is onder meer verboden met bootshaken te steken in het paalwerk, het metselwerk, de kantstukken of de stenen glooiingen van de dokken. Voor het meren mag geen gebruik gemaakt worden van kettingen, tenzij deze omkleed zijn met woeling.
§ 4. Ieder kapitein of schipper, die zijn vaartuig voert in wateren die noch door reglementaire bepalingen noch door de betonning voor de scheepvaart aangewezen zijn, doet zulks op eigen risico en gevaar, onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikelen 22 en 28, § 1.
Art. 28. § 1er. Il est interdit, à moins d'une autorisation spéciale des fonctionnaires ou agents de l'autorité, d'exécuter aucun travail dans la mer territoriale belge, dans les ports ou sur les plages du littoral belge ou d'y enlever des matériaux ou objets quelconques, y compris des épaves rejetées sur l'estran.
§ 2. Il est interdit:
sans préjudice des dispositions prévues dans la législation sur la protection des eaux de surface contre la pollution, de jeter, déposer, laisser flotter ou écouler dans la mer territoriale belge, dans les ports du littoral belge ou sur les plages un objet quelconque qui puisse en relever le fond, gêner la navigation ou porter obstacle au libre écoulement des eaux, de déverser une substance ou liquide quelconque et notamment des hydrocarbures ou des résidus d'hydrocarbures, ainsi que des produits ou déchets chimiques ou radioactifs de nature à polluer les eaux. Les ordres en la matière des fonctionnaires ou agents de l'autorité seront suivis sans délai;
de circuler sur les ouvrages d'art ou sur les dépendances des ports, non destinés au passage du public, à moins d'une autorisation des fonctionnaires ou agents de l'autorité préposés à leur garde;
sauf autorisation des fonctionnaires ou agents de l'autorité, de faire échouer un bâtiment pour le réparer ou pour tout autre motif. Les réparations ne peuvent s'exécuter qu'aux endroits et aux conditions stipulés dans ladite autorisation;
sauf autorisation spéciale des fonctionnaires ou agents de l'autorité, de faire stationner des bâtiments autres que des bâtiments de pêche et de plaisance sur des bancs de carénage, des grilles de barrot et sur des rampes. Les bâtiments de pêche et de plaisance y ont accès aux conditions à déterminer par ces fonctionnaires et agents, sans que la durée de stationnement puisse dépasser les quinze jours;
de déposer ou de délaisser sur le domaine public des restes de démolition ou des résidus, des épaves, des débris ou des objets de ce genre, ainsi que de laisser les bâtiments en état de complète négligence dans les ports du littoral belge. Si la sécurité de la navigation ou la sauvegarde du régime ou la conservation de la voie navigable l'exige, les objets visés à cet alinéa peuvent être détruits d'office apres la mise en demeure écrite des intéressés par l'autorité et par une décision motivée. Il est dressé inventaire daté du matériel à détruire.
§ 3. Les capitaines ou patrons prennent toutes les précautions nécessaires pour ne pas endommager les digues, ouvrages des ports ou les travaux en cours d'exécution. Il est notamment interdit de piquer, au moyen de gaffes, dans les pieux de défense, les maçonneries, les bordures ou les perrés de bassins. L'amarrage ne peut pas se faire au moyen de chaînes, à moins que celles-ci soient pourvues de fourrures.
§ 4. Tout capitaine ou patron qui engage son bâtiment dans des eaux qui ne sont pas assignées à la navigation soit par des prescriptions réglementaires soit par le balisage, s'y aventure à ses risques et périls sans préjudice des dispositions prévues aux articles 22 et 28, § 1er.
Art. 29. § 1. De eigenaar, exploitant, kapitein of schipper van een vaartuig dat aan de grond gelopen of gezonken is, moet onmiddellijk na het ongeval:
langs de kortste weg van het feit kennis geven aan de dichtstbijzijnde ambtenaar of bediende van de overheid, die onmiddellijk, voor zover het geen (de met de politie te water belast overheid van de federale politie) of van het loodwezen is, deze laatste diensten hiervan op de hoogte stelt; <KB 1999-05-03/88, art. 18,§1, 006; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
het aan de grond zittend of gezonken vaartuig door middel van de reglementair voorgeschreven lichten en dagmerken aanwijzen.
§ 2. Personen die wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen hebben laten zinken zijn eveneens onderworpen aan het bepaalde van § 1, 1°. Zij moeten tevens het bepaalde van § 1, 2°, naleven, tenzij de ambtenaar of bediende van de overheid bepaald bij artikel 38, § 1, 1°, oordeelt dat het gezonken wrak, wrakstuk, tuig of voorwerp geen gevaar of belemmering voor de scheepvaart kan uitmaken.
§ 3. Ieder persoon is verplicht langs de kortste weg de dichtstbijzijnde ambtenaar of bediende van de overheid in te lichten over de aanwezigheid van wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen voor zover deze niet officieel gekend zijn.
§ 4. De eigenaar, de kapitein of schipper van een vaartuig dat aan de grond gelopen of gezonken is, moet dit, binnen de termijn opgelegd door de ambtenaar of bediende van de overheid, vlot brengen en verwijderen naar een daartoe door deze laatste aangewezen plaats.
Wrakken, wrakstukken, gezonken voorwerpen of tuigen moeten eveneens onder dezelfde voorwaarde door de eigenaar gelicht en aan wal gebracht, en buiten het openbaar domein verwijderd worden.
§ 5. Als niet voldaan is aan de voorschriften van de § 1, 2 en 4, of in spoedgevallen, waarover het Bestuur der Waterwegen oordeelt, of als de eigenaar, de kapitein of de schipper onbekend zijn, kan het Bestuur der Waterwegen ambtshalve en op risico van de eigenaar, de kapitein of de schipper, de in § 1, 2° en in § 4, bepaalde verrichtingen uitvoeren en alle nodige maatregelen treffen voor de veiligheid of de vrijheid van de scheepvaart, de vrijwaring van het regime van het vaarwater of de instandhouding van het vaarwater. Eventueel wordt het vaartuig of dezes overblijfselen, wrak, wrakstukken, gezonken tuig of voorwerp ambtshalve vernield.
Van het geborgen materiaal wordt een gedagtekende inventaris opgemaakt.
§ 6. De eigenaar, de kapitein of schipper is, onverminderd de toepassing van artikel 46 en volgende van Boek II van het Wetboek van Koophandel, aan de Staat de terugbetaling verschuldigd van de voor de uitvoering van de in § 5 bedoelde verrichtingen en maatregelen (vernieling inkluis) gedane kosten.
De eigenaar, de kapitein of schipper moet alle sommen terugbetalen welke de Staat voorgeschoten heeft voor de uitvoering van de in § 5 bedoelde verrichtingen en maatregelen (vernieling inkluis).
Het bedrag van die voorschotten wordt in een staat vastgesteld, welke door de overheid voor waar en echt wordt verklaard.
§ 7. De overheid eist vóór alle uitvoering van de in § 5 bedoelde verrichtingen en maatregelen (vernieling inkluis), dat de eigenaar, kapitein of schipper de tot dekking van de kosten dier uitvoering nodig geachte som in bewaring geeft. Het in bewaring geven van die som kan, zonder kosten voor de overheid, vervangen worden door het stellen van een borg, die zij toereikend oordeelt.
§ 8. Is de in bewaring gegeven som of de borg ontoereikend, dan worden het geredde vaartuig of dezes overblijfselen of de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen genomen als pand voor de gezamenlijke door de Staat voorgeschoten kosten. De overheid beveelt de verkoop tot beloop van het bedrag der voorschotten of van het bedrag ervan dat niet gedekt is door de in bewaring gegeven som of de borg. Wat niet verkocht is geworden, blijft ter beschikking van belanghebbenden.
§ 9. Indien het geredde vaartuig of dezes overblijfselen, of de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen door de eigenaar, de kapitein of schipper niet worden teruggenomen of indien deze laatsten onbekend zijn, doet de overheid ze verkopen na aan de verkoop de in deze paragraaf voorziene publiciteit te hebben gegeven. De opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van de betrokken eigenaar, kapitein of schipper indien deze gekend is, of van degene die van zijn rechten zal doen blijken, alles na aftrek van het bedrag der onder § 8 bedoelde voorschotten. De overheid bemoeit zich niet met het verdelen onder belanghebbenden van de aldus geconsigneerde sommen.
Biedt zich geen enkel koper aan, dan beschikt de Staat over het geredde vaartuig of dezes overblijfselen of over de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen.
De overheid laat vóór de in deze paragraaf bedoelde verkoop, in twee der meest verspreide nieuwsbladen van de plaats en met vijftien dagen tussentijd, van de verrichte redding twee kennisgevingen verschijnen, met opgave van de kenmerken en kentekens van dit materiaal en het verzoek tot elke persoon, die er aanspraak op maakt, zijn vordering in te dienen binnen dertig dagen te rekenen van de datum van verschijning van de laatste kennisgeving. Na het verstrijken van die termijn beschikt de Staat over het geredde vaartuig of dezes overblijfselen, of over de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen.
§ 10. Het geredde vaartuig of dezes overblijfselen, de opgehaalde wrakken, wrakstukken, tuigen of voorwerpen worden onder de bewaking van de toldienst gesteld op de plaats welke deze aanwijst. De verkoop ervan geschiedt onder voorwaarde dat de tolformaliteiten voor de aangifte, het onderzoek en het betalen van de in voorkomend geval verschuldigde rechten en taksen vervuld worden voor alle weghaling of inbezitneming door belanghebbenden.
Art. 29. § 1er. Le propriétaire, l'exploitant, le capitaine ou le patron d'un bâtiment échoué ou coulé bas est tenu immédiatement après l'accident:
d'en donner avis, par la voie la plus rapide, au fonctionnaire ou agent de l'autorité le plus proche, qui, à moins d'être (l'autorité de la police fédérale chargée de la police des eaux) ou du service de pilotage, en informe immédiatement ces derniers services; <AR 1999-05-03/88, art. 18,§1, 006; En vigueur : 01-04-1999>
de signaler le bâtiment échoué ou coulé bas au moyen des feux et marques réglementaires.
§ 2. Les dispositions du § 1er, 1°, s'appliquent également à quiconque fait couler bas des épaves, débris d'épaves, engins ou objets. Ces personnes sont tenues également de respecter les dispositions prévues au § 1er, 2°, à moins que le fonctionnaire ou l'agent de l'autorité vise à l'article 38, § 1er, 1°, juge que l'épave, le débris d'épave, l'engin ou l'objet ainsi coulé bas ne peut présenter aucun danger ou obstacle pour la navigation.
§ 3. Chacun est tenu, par la voie la plus directe, d'aviser le fonctionnaire ou l'agent de l'autorité le plus proche, de la présence d'épaves, débris d'épaves, engins ou objets, pour autant que cette présence ne soit pas officiellement connue.
§ 4. Le propriétaire, capitaine ou patron d'un bâtiment échoué ou coulé bas est tenu, dans le délai prescrit par le fonctionnaire ou l'agent de l'autorité, de le remettre à flot et de l'éloigner vers un endroit que celui-ci aura désigné à cet effet.
Le propriétaire est tenu également de remettre à flot les épaves, débris épaves, objets ou engins coulés bas, de les mener à quai et de les éloigner en dehors du domaine public.
§ 5. S'il n'a pas été satisfait aux prescriptions des §§ 1er, 2 et 4, ou dans les cas d'urgence dont l'Administration des Voies navigables est juge, ou si le propriétaire, le capitaine ou le patron sont inconnus, l'Administration des Voies navigables peut, d'office et aux risques et périls du propriétaire, du capitaine ou du patron, exécuter les opérations prévues au § 1er, 2° et au § 4, et prendre toute mesure nécessaire pour assurer la sécurité ou la liberté de la navigation, la sauvegarde du régime de la voie navigable ou la conservation de celle-ci. Eventuellement il est procédé d'office à la destruction du bâtiment ou de ses débris, de l'épave, des débris d'épaves, de l'engin ou de l'objet immergé.
Il est dressé inventaire daté du matériel récupéré.
§ 6. Sans préjudice de l'application des articles 46 et suivants du Livre II du Code de Commerce, le propriétaire, le capitaine ou le patron sera tenu au remboursement des frais exposés pour l'execution des opérations et mesures visées au § 5 (y compris la destruction).
Le propriétaire, le capitaine ou le patron est tenu de rembourser toutes les sommes avancées par l'Etat pour l'exécution des opérations et mesures visées au § 5 (y compris la destruction).
Le montant de ces avances fait l'objet d'un état certifié exact par l'autorité.
§ 7. L'autorité exige, avant d'entamer l'exécution des opérations et mesures (y compris la destruction) visées au § 5, la consignation, par le propriétaire, le capitaine ou le patron, de la somme jugée nécessaire pour couvrir les frais de cette exécution. La consignation peut être remplacee par un cautionnement jugé suffisant par l'autorité et sans lui occasionner des frais.
§ 8. A défaut de consignation ou de cautionnement suffisant, le bâtiment sauvé ou ses débris, les épaves, débris d'épaves, engins ou objets retirés sont constitués en gage de l'ensemble des frais exposés par l'Etat. L'autorité fait procéder à la vente à concurrence du montant de ses débours ou du montant de ceux-ci non couoverts par la consignation ou le cautionnement. Ce qui n'a pas é»té vendu demeure à la disposition des intéressés.
§ 9. Si le bâtiment sauvé ou ses débris, les épaves, débris d'épaves, engins ou objets retirés ne sont pas repris par le propriétaire, le capitaine ou le patron ou si ces derniers sont inconnus, l'autorité procède à la vente, apres y avoir donné la publicité prévue au présent paragraphe. Le produit de la vente est versé à la Caisse des Dépôts et Consignations, au profit du propriétaire, capitaine, ou patron intéressé, s'il est connu ou de qui justifiera de ses droits, le tout après déduction du montant des débours visés au § 8. L'autorité demeure étrangère à la répartition, entre les intéressés, des sommes ainsi consignées.
Si aucun acheteur ne se présente, l'Etat dispose du bâtiment sauvé ou de ses débris, des épaves, débris d'épaves, engins ou objets.
Avant de procéder à la vente dont question dans le présent paragraphe, l'autorité publie dans deux des journaux les plus répandus de l'endroit deux avis, à quinze jours d'intervalle, du sauvetage opéré, en indiquant les marques et signaux distinctifs de ces matériaux et invitant tout prétendant droit à présenter sa réclamation dans un délai de trente jours, à compter de la date de la publication du dernier avis. Après ce délai, l'Etat dispose du batiment sauvé ou de ses débris, ou des épaves, débris d'épaves, engins ou objets retirés.
§ 10. Le bâtiment sauvé ou ses débris, les épaves, débris d'épaves, engins ou objets retirés seront placés sous la garde de la douane à l'endroit qu'elle désignera. Leur vente aura lieu sous la condition que les formalités douanières pour la déclaration, la vérification et l'acquittement des droits et taxes éventuels dus soient remplies avant tout enlèvement ou prise de possession par les intéressés.
Art. 30. De bepalingen van artikel 22, §§ 4 tot 10, zijn toepasselijk op de lading van het aan de grond zittende of gezonken vaartuig.
Art. 30. Les dispositions prévues à l'article 22, §§ 4 à 10, sont applicables à la cargaison du bâtiment échoué ou coulé bas.
Art. 31. Ieder kapitein of schipper, die gelijk welk vast of drijvend bebakeningsinstrument heeft beschadigd dan wel dit uit welke oorzaak ook heeft verplaatst, is gehouden daarvan onmiddellijk per radio kennis te geven aan het naastbijliggend radio-kuststation.
De kapitein of schipper van een vaartuig dat niet met een radiotoestel is uitgerust, moet het voorval dadelijk bij aankomst in de eerste aanleghaven mondeling of schriftelijk bij de Dienst van het Loodswezen te Oostende aangeven.
Art. 31. Tout capitaine ou patron qui, pour quelque raison que ce soit, détériore et déplace un instrument de balisage fixe ou flottant, est tenu d'en informer immédiatement par radio la station radio côtière la plus proche.
Le capitaine ou le patron d'un bâtiment qui n'est pas équipé d'un appareil radio doit, dès son arrivée dans le premier port d'escale, faire au Service du Pilotage à Ostende la déclaration orale ou écrite de l'incident.
Art. 32. Eenieder is verplicht langs de kortste weg de dichtstbijzijnde overheid kennis te geven van het wegdrijven of verdwijnen van lichtboeien en van de defecte werking van lichtboeien en bakens.
Art. 32. Chacun est tenu d'informer, par la voie la plus directe, l'autorité la plus proche, de la dérive ou de la disparition des bouées lumineuses ainsi que du fonctionnement défectueux des bouées lumineuses et des balises.
Art. 33. Het vervoer van ontplofbare, ontvlambare, radio-actieve en andere gevaarlijke stoffen is onderworpen aan bijzondere bepalingen.
Art. 33. Le transport de matières explosives, inflammables, radio-actives et autres produits dangereux est soumis à des dispositions particulières.
HOOFDSTUK V. _ Overheidsmaatregelen.
CHAPITRE V. - Mesures prises par l'autorité.
Art. 34. § 1. Wanneer een vaartuig onvoldoende gemeerd is of de doorvaart kan hinderen, telkens als in de havens of op de reden van de Belgische kust werken van openbaar nut uitgevoerd of de vrijheid en de veiligheid van de scheepvaart verzekerd dienen te worden, zijn de ambtenaren of bedienden van de overheid gemachtigd aan de eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers, de maatregelen op te leggen welke zij nodig achten zelfs dan wanneer die niet bij de reglementen zijn voorzien.
§ 2. De ambtenaren en bedienden van de overheid zijn gemachtigd de maatregelen op te leggen welke zij nodig achten om de waterafvoer te vergemakkelijken of het vaarwater te vrijwaren.
§ 3. De eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers moeten de krachtens de paragrafen 1 en 2 opgelegde maatregelen onmiddellijk opvolgen. Doen zij dat niet of zijn zij afwezig, dan kunnen de opgelegde maatregelen ambtshalve worden uitgevoerd.
§ 4. De kapiteins, schippers en gebruikers van vaartuigen zijn gehouden tot inachtneming, wat de scheepvaart betreft, van alle door de overheid medegedeelde berichten, inzonderheid de berichten aan zeevarenden of de dringende berichten aan zeevarenden en, wat de veiligheid van de niet aan het koninklijk besluit van 20 juli 1973 houdend zeevaartinspectiereglement onderworpen vaartuigen betreft, van de maatregelen opgelegd door de ambtenaren en bedienden van de overheid.
Art. 34. § 1er. Lorsqu'un bâtiment est insuffisamment amarré ou susceptible de gêner le passage, chaque fois qu'il s'agit d'effectuer des travaux d'utilité publique dans les ports ou dans les rades du littoral belge ou d'assurer la liberté et la sécurité de la navigation, les fonctionnaires ou agents de l'autorité sont autorisés à imposer aux propriétaires, exploitants, capitaines ou patrons les mesures qu'ils jugent nécessaires, alors même qu'elles ne sont pas prévues par les règlements.
§ 2. Les fonctionnaires et agents de l'autorité sont autorisés à imposer toute mesure qu'ils jugent necessaire pour faciliter l'ecoulement des eaux ou pour sauvegarder la voie navigable.
§ 3. Les propriétaires, exploitants, capitaines ou patrons sont tenus de se conformer immédiatement aux mesures imposées par application des paragraphes 1er et 2. S'ils n'obtempèrent pas ou s'ils ne sont pas présents, les mesures imposees peuvent être exécutées d'office.
§ 4. Les capitaines, patrons et usagers des bâtiments sont tenus d'observer, en ce qui concerne la navigation, tous les avis communiqués par l'autorité, notamment les avis aux navigateurs ou les avis urgents aux navigateurs et, en ce qui concerne la sécurité des bâtiments non soumis à l'arrête royal du 20 juillet 1973 portant règlement sur l'inspection maritime, les mesures imposées par les fonctionnaires et agents de l'autorité.
Art. 35. § 1. Wanneer een vaartuig onvoldoende gemeerd is, of derwijze ligt dat het gevaar oplevert voor de kunstwerken van de havens of van de kust, of wanneer het dreigt te zinken, zijn de ambtenaren of bedienden van de overheid gemachtigd aan de eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers de maatregelen die zij nodig achten op te leggen, zelfs dan wanneer die niet bij de reglementen zijn voorzien.
§ 2. De eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers moeten de krachtens paragraaf 1 opgelegde maatregelen onmiddellijk opvolgen. Doen zij dat niet of zijn zij afwezig, dan kunnen de opgelegde maatregelen ambtshalve worden uitgevoerd.
§ 3. De ambtenaren of bedienden van de overheid hebben het recht de meertouwen van de gemeerde vaartuigen los te maken of te kappen wanneer zij die maatregel noodzakelijk achten.
Art. 35. § 1er. Lorsqu'un bâtiment est insuffisamment amarré ou placé de telle façon qu'il présente un danger pour les ouvrages d'art portuaires ou côtiers ou lorsqu'il risque de couler bas, les fonctionnaires ou agents de l'autorité sont autorisés à imposer aux propriétaires, exploitants, capitaines ou patrons les mesures qu'ils jugent nécessaires alors même qu'elles ne sont pas prévues par les règlements.
§ 2. Les propriétaires, exploitants, capitaines ou patrons sont tenus de se conformer immédiatement aux ordres donnés par application du paragraphe 1er. S'ils n'obtempèrent pas ou s'ils ne sont pas présents, les mesures prescrites peuvent être exécutées d'office.
§ 3. Les fonctionnaires ou agents de l'autorité ont le droit de détacher ou de couper les amarres des bâtiments amarrés lorsqu'ils jugent nécessaire d'imposer cette mesure.
Art. 36. De maatregelen opgelegd door de ambtenaren of bedienden van de overheid, overeenkomstig dit reglement, worden uitgevoerd op kosten en risico van de eigenaars, exploitanten, kapiteins of schippers.
Art. 36. Les mesures prescrites par les fonctionnaires ou agents de l'autorité, conformément au présent reglement, sont exécutées aux frais et aux risques et périls des propriétaires, exploitants, capitaines ou patrons.
HOOFDSTUK VI. _ Diverse bepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions diverses.
A. Pleziervaart en strandvisserij.
A. Navigation de plaisance et pêche riveraine.
Art. 37.
Art. 37.
Art. 37bis.
Art. 37bis.
Art. 38.
Art. 38.
Art. 38 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1 [2 Wedstrijden of sport- en ontspanningsactiviteiten in groepsverband worden aangevraagd overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 juni 2016 betreffende de watersporten.]2
§ 2. Behoudens het bepaalde in § 3 zijn de in § 1 bedoelde wedstrijden of activiteiten alsook het beoefenen van [1 waterski, [2 ...]2]1 in de havens van de Belgische kust verboden.
§ 3. In de havens van de Belgische kust mogen zeilkursussen slechts worden gegeven in de voorwaarden bepaald in § 1. Indien volgens het soeverein oordeel van de bevoegde overheid de veiligheid van de scheepvaart het toelaat mogen die voorwaarden afwijkingen inhouden ter zake van het bepaalde in artikel 10, § 3, 8 en 9.
Art. 38 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. [2 Les compétitions et activités sportives et de loisir en groupe sont demandées conformément à l'article 7 de l'arrêté royal du 22 juin 2016 relatif aux sports nautiques.]2.
§ 2. Sont, sous réserve des dispositions du paragraphe 3, interdites dans les ports du littoral belge, les compétitions ou activités visées au paragraphe 1er ainsi que [1 la pratique du ski nautique, [2 ...]2]1.
§ 3. Dans les ports du littoral belge, des cours de navigation à voile ne peuvent être donnés qu'aux conditions fixées au paragraphe 1er. Ces conditions peuvent contenir des dérogations aux dispositions de l'article 10, paragraphe 3, 8 et 9, si celles-ci sont compatibles avec la sécurité de la navigation dont l'autorité compétente a l'entière appréciation.
Art. 38_WAALS_GEWEST. § 1 [2 Wedstrijden of sport- en ontspanningsactiviteiten in groepsverband worden aangevraagd overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 juni 2016 betreffende de watersporten.]2
§ 2. Behoudens het bepaalde in § 3 zijn de in § 1 bedoelde wedstrijden of activiteiten alsook het beoefenen van [1 waterski, [2 ...]2]1 in de havens van de Belgische kust verboden.
§ 3. In de havens van de Belgische kust mogen zeilkursussen slechts worden gegeven in de voorwaarden bepaald in § 1. Indien volgens het soeverein oordeel van de bevoegde overheid de veiligheid van de scheepvaart het toelaat mogen die voorwaarden afwijkingen inhouden ter zake van het bepaalde in artikel 10, § 3, 8 en 9.
Art. 38 _REGION_WALLONNE.
§ 1er. [2 Les compétitions et activités sportives et de loisir en groupe sont demandées conformément à l'article 7 de l'arrêté royal du 22 juin 2016 relatif aux sports nautiques.]2.
§ 2. Sont, sous réserve des dispositions du paragraphe 3, interdites dans les ports du littoral belge, les compétitions ou activités visées au paragraphe 1er ainsi que [1 la pratique du ski nautique, [2 ...]2]1.
§ 3. Dans les ports du littoral belge, des cours de navigation à voile ne peuvent être donnés qu'aux conditions fixées au paragraphe 1er. Ces conditions peuvent contenir des dérogations aux dispositions de l'article 10, paragraphe 3, 8 et 9, si celles-ci sont compatibles avec la sécurité de la navigation dont l'autorité compétente a l'entière appréciation.
Art. 38_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1 [2 Wedstrijden of sport- en ontspanningsactiviteiten in groepsverband worden aangevraagd overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 juni 2016 betreffende de watersporten.]2
§ 2. Behoudens het bepaalde in § 3 zijn de in § 1 bedoelde wedstrijden of activiteiten alsook het beoefenen van [1 waterski, [2 ...]2]1 in de havens van de Belgische kust verboden.
§ 3. In de havens van de Belgische kust mogen zeilkursussen slechts worden gegeven in de voorwaarden bepaald in § 1. Indien volgens het soeverein oordeel van de bevoegde overheid de veiligheid van de scheepvaart het toelaat mogen die voorwaarden afwijkingen inhouden ter zake van het bepaalde in artikel 10, § 3, 8 en 9.
Art. 38 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. [2 Les compétitions et activités sportives et de loisir en groupe sont demandées conformément à l'article 7 de l'arrêté royal du 22 juin 2016 relatif aux sports nautiques.]2.
§ 2. Sont, sous réserve des dispositions du paragraphe 3, interdites dans les ports du littoral belge, les compétitions ou activités visées au paragraphe 1er ainsi que [1 la pratique du ski nautique, [2 ...]2]1.
§ 3. Dans les ports du littoral belge, des cours de navigation à voile ne peuvent être donnés qu'aux conditions fixées au paragraphe 1er. Ces conditions peuvent contenir des dérogations aux dispositions de l'article 10, paragraphe 3, 8 et 9, si celles-ci sont compatibles avec la sécurité de la navigation dont l'autorité compétente a l'entière appréciation.
Art. 38_VLAAMS_GEWEST. § 1 [2 Wedstrijden of sport- en ontspanningsactiviteiten in groepsverband worden aangevraagd overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 juni 2016 betreffende de watersporten.]2
§ 2. Behoudens het bepaalde in § 3 zijn de in § 1 bedoelde wedstrijden of activiteiten alsook het beoefenen van [1 waterski, [2 ...]2]1 in de havens van de Belgische kust verboden.
§ 3. In de havens van de Belgische kust mogen zeilkursussen slechts worden gegeven in de voorwaarden bepaald in § 1. Indien volgens het soeverein oordeel van de bevoegde overheid de veiligheid van de scheepvaart het toelaat mogen die voorwaarden afwijkingen inhouden ter zake van het bepaalde in artikel 10, § 3, 8 en 9.
Art. 38 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. [2 Les compétitions et activités sportives et de loisir en groupe sont demandées conformément à l'article 7 de l'arrêté royal du 22 juin 2016 relatif aux sports nautiques.]2.
§ 2. Sont, sous réserve des dispositions du paragraphe 3, interdites dans les ports du littoral belge, les compétitions ou activités visées au paragraphe 1er ainsi que [1 la pratique du ski nautique, [2 ...]2]1.
§ 3. Dans les ports du littoral belge, des cours de navigation à voile ne peuvent être donnés qu'aux conditions fixées au paragraphe 1er. Ces conditions peuvent contenir des dérogations aux dispositions de l'article 10, paragraphe 3, 8 et 9, si celles-ci sont compatibles avec la sécurité de la navigation dont l'autorité compétente a l'entière appréciation.
Art. 39. [1 Ї 1. Langs de stranden van de Belgische kust mag geen vaartuig zee kiezen tenzij vanaf de plaatsen die door de Scheepvaartcontrole of door de bevoegde diensten van het Gewest worden aangeduid en binnen de grenzen die door hen zijn vastgelegd geworden.
Ї 2. Behalve op de krachtens de eerste paragraaf aangeduide plaatsen mag geen vaartuig, behoudens bij overmacht, het strand (of permanente havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) naderen op een afstand van minder dan 200 meter.
Ї 3. De in de ЇЇ 1 en 2 bedoelde afstanden worden gerekend vanaf de laagwaterlijn (of vanaf de permante havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) zoals deze op de op grote schaal uitgevoerde officiыle Belgische zeekaarten (zijn aangegeven).]1

Art. 39. [1 § 1er. Le long des plages du littoral belge, un bâtiment ne peut prendre la mer qu'à partir des endroits désignés par le Contrôle de la navigation ou par les services compétents de la Région et dans les limites déterminées par eux.
§ 2. Le cas de force majeure excepté, il est interdit à tout bâtiment de s'approcher de la plage (ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant la laisse de basse mer) à une distance de moins de 200 mètres sauf aux endroits désignés en vertu du premier paragraphe.
§ 3. Les distances visées aux §§ 1er et 2 sont calculées à partir de la laisse de basse mer (ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant la laisse de basse mer), (telles que renseignées) sur les cartes marines officielles belges à grande échelle. ]1

Art. 39 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Langs de stranden van de Belgische kust mag geen vaartuig zee kiezen tenzij vanaf de plaatsen die door de ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen worden aangeduid en binnen de grenzen die door hen zijn vastgelegd geworden. ([1 [2 ...]2).) <KB 1999-05-04/58, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-05-1999>
§ 2. Behalve op de krachtens de eerste paragraaf aangeduide plaatsen mag geen vaartuig, behoudens bij overmacht, het strand (of permanente havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) naderen op een afstand van minder dan 200 m. <KB 2007-06-08/34, art. 1, 1°, 011; Inwerkingtreding : 26-08-2007>
(§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde afstanden worden gerekend vanaf de laagwaterlijn (of vanaf de permante havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) zoals deze op de op grote schaal uitgevoerde officiële Belgische zeekaarten (zijn aangegeven).) <KB 1999-05-04/58, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-05-1999> <KB 2007-06-08/34, art. 1, 2 en 3°, 011; Inwerkingtreding : 26-08-2007>
Art. 39 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Le long des plages de la côte belge, aucun bâtiment ne peut prendre la mer qu'à partir des endroits désignés par les fonctionnaires de l'Administration des Voies navigables et dans les limites déterminées par eux. ([2 ...]2).) <AR 1999-05-04/58, art. 2, 005; En vigueur : 22-05-1999>
§ 2. Le cas de force majeure excepté, il est interdit à tout bâtiment de s'approcher de la plage (ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant la laisse de basse mer) à une distance de moins de 200 m sauf aux endroits indiqués en vertu du paragraphe premier. <AR 2007-06-08/34, art. 1, 1°, 011; En vigueur : 26-08-2007>
(§ 3. Les distances visées aux §§ 1er et 2 sont calculées à partir de la laisse de basse mer (ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant la laisse de basse mer), (telles que renseignées) sur les cartes marines officielles belges à grande échelle.) <AR 1999-05-04/58, art. 2, 005; En vigueur : 22-05-1999> <AR 2007-06-08/34, art. 1, 2° et 3°, 011; En vigueur : 26-08-2007>
Art. 39_WAALS_GEWEST. § 1. Langs de stranden van de Belgische kust mag geen vaartuig zee kiezen tenzij vanaf de plaatsen die door de ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen worden aangeduid en binnen de grenzen die door hen zijn vastgelegd geworden. ([1 [2 ...]2).) <KB 1999-05-04/58, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-05-1999>
§ 2. Behalve op de krachtens de eerste paragraaf aangeduide plaatsen mag geen vaartuig, behoudens bij overmacht, het strand (of permanente havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) naderen op een afstand van minder dan 200 m. <KB 2007-06-08/34, art. 1, 1°, 011; Inwerkingtreding : 26-08-2007>
(§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde afstanden worden gerekend vanaf de laagwaterlijn (of vanaf de permante havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) zoals deze op de op grote schaal uitgevoerde officiële Belgische zeekaarten (zijn aangegeven).) <KB 1999-05-04/58, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-05-1999> <KB 2007-06-08/34, art. 1, 2 en 3°, 011; Inwerkingtreding : 26-08-2007>
Art. 39 _REGION_WALLONNE.
§ 1er. Le long des plages de la côte belge, aucun bâtiment ne peut prendre la mer qu'à partir des endroits désignés par les fonctionnaires de l'Administration des Voies navigables et dans les limites déterminées par eux. ([2 ...]2).) <AR 1999-05-04/58, art. 2, 005; En vigueur : 22-05-1999>
§ 2. Le cas de force majeure excepté, il est interdit à tout bâtiment de s'approcher de la plage (ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant la laisse de basse mer) à une distance de moins de 200 m sauf aux endroits indiqués en vertu du paragraphe premier. <AR 2007-06-08/34, art. 1, 1°, 011; En vigueur : 26-08-2007>
(§ 3. Les distances visées aux §§ 1er et 2 sont calculées à partir de la laisse de basse mer (ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant la laisse de basse mer), (telles que renseignées) sur les cartes marines officielles belges à grande échelle.) <AR 1999-05-04/58, art. 2, 005; En vigueur : 22-05-1999> <AR 2007-06-08/34, art. 1, 2° et 3°, 011; En vigueur : 26-08-2007>
Art. 39_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. Langs de stranden van de Belgische kust mag geen vaartuig zee kiezen tenzij vanaf de plaatsen die door de ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen worden aangeduid en binnen de grenzen die door hen zijn vastgelegd geworden. ([1 [2 ...]2).) <KB 1999-05-04/58, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-05-1999>
§ 2. Behalve op de krachtens de eerste paragraaf aangeduide plaatsen mag geen vaartuig, behoudens bij overmacht, het strand (of permanente havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) naderen op een afstand van minder dan 200 m. <KB 2007-06-08/34, art. 1, 1°, 011; Inwerkingtreding : 26-08-2007>
(§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde afstanden worden gerekend vanaf de laagwaterlijn (of vanaf de permante havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) zoals deze op de op grote schaal uitgevoerde officiële Belgische zeekaarten (zijn aangegeven).) <KB 1999-05-04/58, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-05-1999> <KB 2007-06-08/34, art. 1, 2 en 3°, 011; Inwerkingtreding : 26-08-2007>
Art. 39 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. Le long des plages de la côte belge, aucun bâtiment ne peut prendre la mer qu'à partir des endroits désignés par les fonctionnaires de l'Administration des Voies navigables et dans les limites déterminées par eux. ([2 ...]2).) <AR 1999-05-04/58, art. 2, 005; En vigueur : 22-05-1999>
§ 2. Le cas de force majeure excepté, il est interdit à tout bâtiment de s'approcher de la plage (ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant la laisse de basse mer) à une distance de moins de 200 m sauf aux endroits indiqués en vertu du paragraphe premier. <AR 2007-06-08/34, art. 1, 1°, 011; En vigueur : 26-08-2007>
(§ 3. Les distances visées aux §§ 1er et 2 sont calculées à partir de la laisse de basse mer (ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant la laisse de basse mer), (telles que renseignées) sur les cartes marines officielles belges à grande échelle.) <AR 1999-05-04/58, art. 2, 005; En vigueur : 22-05-1999> <AR 2007-06-08/34, art. 1, 2° et 3°, 011; En vigueur : 26-08-2007>
Art. 39_VLAAMS_GEWEST. § 1. Langs de stranden van de Belgische kust mag geen vaartuig zee kiezen tenzij vanaf de plaatsen die door de ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen worden aangeduid en binnen de grenzen die door hen zijn vastgelegd geworden. ([1 [2 ...]2).) <KB 1999-05-04/58, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-05-1999>
§ 2. Behalve op de krachtens de eerste paragraaf aangeduide plaatsen mag geen vaartuig, behoudens bij overmacht, het strand (of permanente havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) naderen op een afstand van minder dan 200 m. <KB 2007-06-08/34, art. 1, 1°, 011; Inwerkingtreding : 26-08-2007>
(§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde afstanden worden gerekend vanaf de laagwaterlijn (of vanaf de permante havenwerken welke buiten de laagwaterlijn uitsteken) zoals deze op de op grote schaal uitgevoerde officiële Belgische zeekaarten (zijn aangegeven).) <KB 1999-05-04/58, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-05-1999> <KB 2007-06-08/34, art. 1, 2 en 3°, 011; Inwerkingtreding : 26-08-2007>
Art. 39 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. Le long des plages de la côte belge, aucun bâtiment ne peut prendre la mer qu'à partir des endroits désignés par les fonctionnaires de l'Administration des Voies navigables et dans les limites déterminées par eux. ([2 ...]2).) <AR 1999-05-04/58, art. 2, 005; En vigueur : 22-05-1999>
§ 2. Le cas de force majeure excepté, il est interdit à tout bâtiment de s'approcher de la plage (ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant la laisse de basse mer) à une distance de moins de 200 m sauf aux endroits indiqués en vertu du paragraphe premier. <AR 2007-06-08/34, art. 1, 1°, 011; En vigueur : 26-08-2007>
(§ 3. Les distances visées aux §§ 1er et 2 sont calculées à partir de la laisse de basse mer (ou des extrémités des installations portuaires permanentes dépassant la laisse de basse mer), (telles que renseignées) sur les cartes marines officielles belges à grande échelle.) <AR 1999-05-04/58, art. 2, 005; En vigueur : 22-05-1999> <AR 2007-06-08/34, art. 1, 2° et 3°, 011; En vigueur : 26-08-2007>
Art. 40. § 1. Het uitzetten vanaf het strand van netten of lijnen met haken mag slechts geschieden:
buiten de krachtens artikel 32, § 1, aangeduide plaatsen en de zones die door de gemeenteoverheid als badzones worden aangeduid; en
in een zone waarvan de zeewaartse grens niet verder reikt dan op een afstand van 150 m te rekenen vanaf de laagwaterlijn waarvan sprake in artikel 32, § 3.
Die netten of lijnen worden op afdoende wijze door middel van een of meerdere goed zichtbare gele merken gesignaleerd.
§ 2. [1 ...]1
Art. 40. § 1er. La mise à l'eau, à partir de la plage, de filets ou de lignes à hamecons ne peut être effectuée:
qu'en dehors des endroits désignés conformément à l'article 32, § 1er, et des zones désignées comme zones de baignade par l'autorité communale; et
dans une zone dont la limite en mer ne dépasse pas la distance de 150 m à compter de la laisse de basse mer dont question à l'article 32, § 3.
Ces filets et lignes sont signalés d'une façon adéquate au moyen d'une ou plusieurs marques jaunes bien visibles.
§ 2. [1 ...]1
B. Andere activiteiten.
B. Autres activités.
Art. 41. Het is verboden op vogels en op waterwild te schieten hetzij vanaf een vaartuig dat zich in de Belgische territoriale zee of in de havens van de Belgische kust bevindt hetzij van op kunstwerken of in de aanhorigheden van deze havens of van op de stranden van de Belgische kust.
Art. 41. Il est interdit de chasser les oiseaux et le gibier d'eau soit à partir d'un bâtiment se trouvant dans la mer territoriale belge ou dans les ports du littoral belge soit sur les ouvrages d'art ou dans les dépendances de ces ports ou à partir des plages du littoral belge.
Art. 42. Het is verboden in de territoriale zee of in de havens van de Belgische kust vaartuigen te gebruiken voor enige vorm van geluidsreclame.
Art. 42. Il est interdit d'utiliser des bâtiments dans la mer territoriale ou dans les ports du littoral belge, pour une forme quelconque de publicité sonore.
Art. 43. Het is verboden in de havens van de Belgische kust te zwemmen of te baden.
Art. 43. Il est interdit de nager ou de se baigner dans les eaux des ports du littoral belge.
HOOFDSTUK VII. _ Eindbepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
Art. 44. Elk vaartuig waarop dit besluit van toepassing is, moet een exemplaar van dit reglement en een bijgewerkte officiële kaart van de belgische territoriale zee aan boord hebben. Deze bepaling is niet van toepassing op vaartuigen bestemd voor strandvermaak alsook op zeilplanken.
Art. 44. Un exemplaire du présent règlement ainsi qu'une carte officielle à jour de la mer territoriale belge doivent se trouver à bord de tout bâtiment auquel s'applique le présent arreté. Cette disposition n'est pas applicable aux bâtiments affectés aux amusements de plage ni aux planches à voile.
Art. 45. § 1. Moeten, onder voorbehoud van het bepaalde in § 2 tot 6, toezien dat dit reglement wordt uitgevoerd:
De ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen;
(2° a) de ambtenaren belast met de scheepvaartcontrole;
b) de met de politie te water belaste overheid van de federale politie;
c) de ambtenaren van het loodswezen;) <KB 1999-05-03/88, art. 18,§2, 006; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
De ambtenaren van het Bestuur van Douanen en Accijnzen;
De havenkapiteins, de adjunct-havenkapiteins, de havenluitenanten, de sasmeesters en kaaimeesters binnen de grenzen van hun ambtsgebied, met dien verstande dat de havenkapitein van Oostende en dezes ondergeschikten eveneens mogen toezien op de uitvoering van dit reglement:
a) in de toegansgeul tot het nieuwe vissersdok van de meest westelijke punt van de noordelijke kaaimuur tot de westelijke punt van de zuidelijke kaaimuur;
b) in de toegansgeul tot de nieuwe handelsdokken;
c) in het tijdok en het Montgomerydok.
De door de stad Brugge aangestelde havenmeester binnen de grenzen van de vissershaven van Zeebrugge, die voor de uitvoering van dit reglement, aanzien wordt als omvattende het dok der vissersvaartuigen tot aan de buitengrens zijner toegangsgeul;
De leden van de rijkswacht;
De ambtenaren en bedienden van de gemeentepolitie in de gemeenten op wier grondgebied zich een haven bevindt of die langs de kust gelegen zijn.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in de volgende paragrafen moeten alleen de hierna aangewezen ambtenaren toezien op de toepassing van de achter hun aanwijzing vermelde bepalingen:
de ambtenaren van het bestuur der waterwegen: artikel 21, § 1 en 2, 3° en 4°, artikel 22, § 4 tot 10, artikel 23 en artikel 27 § 2;
de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart bedoeld in § 1, 2°: artikel 9, artikel 10 met uitzondering van paragaaf 3, artikel 13, artikel 15, artikel 16, artikel 19 § 1, 7°, artikel 20 § 4, artikel 25, artikel 27 § 1 en artikel 28 § 1 en 3;
de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart bedoeld in § 1, 2°, a (zeevaartpolitie): artikel 27 § 3, laatste volzin, artikel 28 § 2, laatste volzin, en artikel 35;
de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart bedoeld in § 1, 2°, b (loodswezen): artikel 5 § 1, artikel 11, artikel 30 en artikel 31, het voorlaatste artikel voor zover het vertrek plaats heeft vanuit de havens van de Belgische kust.
§ 3. Onder voorbehoud van het bepaalde in paragraaf 4 moeten de hierna aangewezen ambtenaren toezien op de toepassing van de achter hun aanwijzing vermelde bepalingen: de ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen alsook de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart onderscheidenlijk aangewezen in paragraaf 1, 1° en 2°: artikel 10 § 4, artikel 14, artikel 17 en artikel 18.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, 4°, zien de aldaar vermelde ambtenaren niet toe op de uitvoering van het bepaalde in artikel 5, § 1, in artikel 15, in artikel 21, § 1 en 2, 3° en 4°, in artikel 22, §§ 4 tot 10, in artikel 23, in artikel 27, § 2, in artikel 30 en in artikel 32.
Wat de haven van Zeebrugge betreft, geldt de hiervoren vermelde afwijking niet voor de toepassing van artikel 5, § 1, van artikel 15 en van artikel 27, § 2.
Wat de haven van Oostende betreft, zien de bedoelde ambtenaren toe op de uitvoering van dit reglement in de strook van het Montgomerydok gelegen tussen de zuidelijke steiger aan de westkant van het dok en de Mercatorsluis, doch uitsluitend om het verkeer naar of vanuit die sluis te regelen.
§ 5. De in § 1, 5°, bedoelde havenmeester ziet toe dat dit reglement, met uitzondering van de artikelen en paragrafen welke in § 4, eerste lid, vermeld zijn, wordt uitgevoerd.
§ 6. In de havenzone omschreven in artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 januari 1980 zijn alleen de ambtenaren van de Regie voor Maritiem Transport of hun afgevaardigden bevoegd om de lig-, meer- of ankerplaatsen toe te wijzen of deze te veranderen.
Niettemin zijn in de gevallen waar de algemene veiligheid dit vereist de ambtenaren bedoeld in paragraaf 2, 4°, bij voorrang bevoegd om deze plaatsen toe te wijzen of te veranderen.
§ 7. De gemeentebesturen en alle met openbaar gezag beklede personen moeten, indien zij daartoe verzocht worden, aan de in voorgaande paragrafen vernoemde personen hun hulp verlenen voor de toepassing van dit reglement.
Art. 45. § 1er. Sont chargés de veiller à l'exécution du présent règlement, sous réserve des dispositions prevues aux § 2 à 6:
Les agents de l'Administration des Voies navigables;
(2° a) les agents chargés du controle de la navigation;
b) l'autorité de la police fédérale chargée de la police des eaux;
c) les agents du service de pilotage.) <AR 1999-05-03/88, art. 18,§2, 006; En vigueur : 01-04-1999>
Les agents de l'Administration des Douanes et Accises;
Les capitaines de port, les capitaines de port adjoints, les lieutenants de port, les éclusiers et maîtres de quai dans les limites de leur ressort administratif, étant entendu que le capitaine du port d'Ostende et ses subordonnés peuvent également assurer l'application de ce règlement:
a) dans le goulet du nouveau bassin de pêche de l'extrémité ouest du quai nord jusqu'à la pointe ouest du quai sud;
b) dans le goulet des nouveaux bassins de commerce;
c) dans le bassin à marée et le bassin Montgomery.
Le capitaine de port commissionné par la ville de Bruges, dans les limites du port de pêche de Zeebrugge, lequel, en ce qui concerne l'exécution du présent règlement, est considéré comme comprenant le bassin des bateaux de pêche jusqu'à la limite exterieure de son chenal d'accès;
Les membres de la gendarmerie;
Les fonctionnaires et agents de la police communale dans les communes sur le territoire desquelles se trouve un port ou qui sont situées le long de la côte.
§ 2. Sous réserve des dispositions des paragraphes suivants, seuls les agents désignés ci-après sont chargés de veiller à l'application des dispositions visées à la suite de leur désignation:
les agents de l'Administration des Voies navigables: article 21, §§ 1er et 2, 3° et 4°, article 22, §§ 4 à 10, article 23 et article 27, § 2;
les agents de l'Administration de la Marine et de la Navigation intérieure visés au paragraphe 1er, 2°: article 9, article 10 à l'exception du paragraphe 3, article 13, article 15, article 16, article 19 § 1er, 7°, article 20 § 4, article 25, article 27 § 1er et article 28 §§ 1er et 3;
les agents de l'Administration de la Marine et de la Navigation intérieure visés au paragraphe 1er, 2°, a (police maritime): article 27 § 3, dernière phrase, article 28 § 2, dernière phrase, et article 35;
les agents de l'Administration de la Marine et de la Navigation intérieure visés au paragraphe 1er, 2°, b (pilotage): article 5 § 1er, article 11, article 30 et article 31, l'avant dernier article pour autant que le départ se fasse depuis les ports du littoral belge.
§ 3. Sous réserve des dispositions du paragraphe 4, les agents désignés ci-après sont chargés de veiller à l'application des dispositions visées à la suite de leur désignation: les agents de l'Administration des Voies navigables ainsi que les agents de l'Administration de la Marine et de la Navigation intérieure, désignés respectivement au § 1er, 1° et 2°: article 10 § 4, article 14, article 17 et article 18.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, 4°, les agents qui y sont mentionnés ne sont pas chargés de veiller à l'exécution des dispositions contenues à l'article 5 § 1er, à l'article 15, à l'article 21, §§ 1er et 2, 3° et 4°, à l'article 22, §§ 4 à 10, à l'article 23, à l'article 27, § 2, à l'article 30 et à l'article 32.
En ce qui concerne le port de Zeebrugge, la dérogation mentionnée ci-dessus ne vaut pas pour l'application de l'article 5 § 1er, de l'article 15 et de l'article 27, § 2.
En ce qui concerne le port d'Ostende, les agents susvisés veillent à l'exécution de ce règlement dans la partie du bassin Montgomery située entre l'embarcadère sud à l'ouest du bassin et l'écluse Mercator, mais uniquement pour y régler le trafic vers ou venant de cette écluse.
§ 5. Le capitaine du port vise au § 1er, 5°, est chargé de veiller à l'exécution du présent règlement, à l'exception des articles et paragraphes mentionnés au § 4, premier alinéa.
§ 6. Les fonctionnaires de la Régie des Transports maritimes ou leurs mandataires sont, dans la zone portuaire déterminée dans l'article 1er de l'arrête royal du 7 janvier 1980, seuls compétents pour assigner ou changer les emplacements de stationnement, d'amarrage ou de mouillage.
Néanmoins les fonctionnaires mentionnés au paragraphe 2, 4°, sont, dans les cas où la sécurité en général l'exige, par priorité compétents pour désigner ou changer ces emplacements.
§ 7. Les administrations communales et toutes personnes revêtues de l'autorité publique doivent, si elles en sont requises, prêter main forte aux personnes visées dans les paragraphes précédents, pour veiller à l'application du présent règlement.
Art. 45_VLAAMS_GEWEST. § 1. Moeten, onder voorbehoud van het bepaalde in § 2 tot 6, toezien dat dit reglement wordt uitgevoerd:
De [1 bevoegde personeelsleden van de waterwegbeheerders]1;
(2° a) de [1 bevoegde personeelsleden van de Vlaamse overheid en de]1 ambtenaren belast met de scheepvaartcontrole;
b) de met de politie te water belaste overheid van de federale politie;
c) de ambtenaren van het loodswezen;) <KB 1999-05-03/88, art. 18,§2, 006; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
De ambtenaren van het Bestuur van Douanen en Accijnzen;
De havenkapiteins, de adjunct-havenkapiteins, de havenluitenanten, de sasmeesters en kaaimeesters binnen de grenzen van hun ambtsgebied, met dien verstande dat de havenkapitein van Oostende en dezes ondergeschikten eveneens mogen toezien op de uitvoering van dit reglement:
a) in de toegansgeul tot het nieuwe vissersdok van de meest westelijke punt van de noordelijke kaaimuur tot de westelijke punt van de zuidelijke kaaimuur;
b) in de toegansgeul tot de nieuwe handelsdokken;
c) in het tijdok en het Montgomerydok.
De door de stad Brugge aangestelde havenmeester binnen de grenzen van de vissershaven van Zeebrugge, die voor de uitvoering van dit reglement, aanzien wordt als omvattende het dok der vissersvaartuigen tot aan de buitengrens zijner toegangsgeul;
De leden van de rijkswacht;
De ambtenaren en bedienden van de gemeentepolitie in de gemeenten op wier grondgebied zich een haven bevindt of die langs de kust gelegen zijn.
§ 2. Onverminderd het bepaalde in de volgende paragrafen moeten alleen de hierna aangewezen ambtenaren [1 en personeelsleden]1 toezien op de toepassing van de achter hun aanwijzing vermelde bepalingen:
[1 de bevoegde personeelsleden van de waterwegbeheerders : artikel 28, § 1 en § 2, 3° en 4°, artikel 29, § 4 tot en met § 10, artikel 30 en artikel 34, § 2;]1
de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart [1 en de personeelsleden van de Vlaamse overheid]1 bedoeld in § 1, 2°: artikel 9, artikel 10 met uitzondering van paragaaf 3, artikel 13, artikel 15, artikel 16, artikel 19 § 1, 7°, artikel 20 § 4, [1 artikel 32, artikel 34, § 1, en artikel 35, § 1 en § 3]1;
de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart [1 en de personeelsleden van de Vlaamse overheid]1 bedoeld in § 1, 2°, a (zeevaartpolitie): [1 artikel 34, § 3, laatste volzin, artikel 35, § 2, laatste volzin, en artikel 42]1;
de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart [1 en de personeelsleden van de Vlaamse overheid]1 bedoeld in § 1, 2°, b (loodswezen): artikel 5 § 1, artikel 11, [1 artikel 37 voor zover het vertrek plaatsvindt vanuit de havens van de Belgische kust, en artikel 38]1.
§ 3. Onder voorbehoud van het bepaalde in paragraaf 4 moeten de hierna aangewezen ambtenaren toezien op de toepassing van de achter hun aanwijzing vermelde bepalingen: de ambtenaren van het Bestuur der Waterwegen alsook de ambtenaren van het Bestuur van het Zeewezen en van de Binnenvaart [1 en de personeelsleden van de Vlaamse overheid]1 onderscheidenlijk aangewezen in paragraaf 1, 1° en 2°: artikel 10 § 4, artikel 14, artikel 17 en artikel 18.
§ 4. In afwijking van paragraaf 1, 4°, zien de aldaar vermelde ambtenaren niet toe op de uitvoering van het bepaalde in artikel 5, § 1, in artikel 15, in artikel 21, § 1 en 2, 3° en 4°, in artikel 22, §§ 4 tot 10, in artikel 23, in artikel 27, § 2, in artikel 30 en in artikel 32.
Wat de haven van Zeebrugge betreft, geldt de hiervoren vermelde afwijking niet voor de toepassing van artikel 5, § 1, van artikel 15 en van artikel 27, § 2.
Wat de haven van Oostende betreft, zien de bedoelde ambtenaren toe op de uitvoering van dit reglement in de strook van het Montgomerydok gelegen tussen de zuidelijke steiger aan de westkant van het dok en de Mercatorsluis, doch uitsluitend om het verkeer naar of vanuit die sluis te regelen.
§ 5. De in § 1, 5°, bedoelde havenmeester ziet toe dat dit reglement, met uitzondering van de artikelen en paragrafen welke in § 4, eerste lid, vermeld zijn, wordt uitgevoerd.
§ 6. In de havenzone omschreven in artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 januari 1980 zijn alleen de ambtenaren van de Regie voor Maritiem Transport of hun afgevaardigden bevoegd om de lig-, meer- of ankerplaatsen toe te wijzen of deze te veranderen.
Niettemin zijn in de gevallen waar de algemene veiligheid dit vereist de ambtenaren bedoeld in paragraaf 2, 4°, bij voorrang bevoegd om deze plaatsen toe te wijzen of te veranderen.
§ 7. De gemeentebesturen en alle met openbaar gezag beklede personen moeten, indien zij daartoe verzocht worden, aan de in voorgaande paragrafen vernoemde personen hun hulp verlenen voor de toepassing van dit reglement.
Art. 45 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. Sont chargés de veiller à l'exécution du présent règlement, sous réserve des dispositions prevues aux § 2 à 6:
Les [1 membres du personnel habilités des gestionnaires des voies navigables]1;
(2° a) les [1 membres du personnel habilités de l'Autorité flamande et les]1 agents chargés du controle de la navigation;
b) l'autorité de la police fédérale chargée de la police des eaux;
c) les agents du service de pilotage.) <AR 1999-05-03/88, art. 18,§2, 006; En vigueur : 01-04-1999>
Les agents de l'Administration des Douanes et Accises;
Les capitaines de port, les capitaines de port adjoints, les lieutenants de port, les éclusiers et maîtres de quai dans les limites de leur ressort administratif, étant entendu que le capitaine du port d'Ostende et ses subordonnés peuvent également assurer l'application de ce règlement:
a) dans le goulet du nouveau bassin de pêche de l'extrémité ouest du quai nord jusqu'à la pointe ouest du quai sud;
b) dans le goulet des nouveaux bassins de commerce;
c) dans le bassin à marée et le bassin Montgomery.
Le capitaine de port commissionné par la ville de Bruges, dans les limites du port de pêche de Zeebrugge, lequel, en ce qui concerne l'exécution du présent règlement, est considéré comme comprenant le bassin des bateaux de pêche jusqu'à la limite exterieure de son chenal d'accès;
Les membres de la gendarmerie;
Les fonctionnaires et agents de la police communale dans les communes sur le territoire desquelles se trouve un port ou qui sont situées le long de la côte.
§ 2. Sous réserve des dispositions des paragraphes suivants, seuls les agents [1 et membres du personnel]1 désignés ci-après sont chargés de veiller à l'application des dispositions visées à la suite de leur désignation:
[1 les membres du personnel habilités des gestionnaires des voies navigables : l'article 28, §§ 1er et 2, 3° et 4°, l'article 29, §§ 4 à 10, l'article 30 et l'article 34, § 2;]1
les agents de l'Administration de la Marine et de la Navigation [1 et les membres du personnel de l'Autorité flamande]1 intérieure visés au paragraphe 1er, 2°: article 9, article 10 à l'exception du paragraphe 3, article 13, article 15, article 16, article 19 § 1er, 7°, article 20 § 4, [1 l'article 32, l'article 34, § 1er, et l'article 35, §§ 1er et 3]1;
les agents de l'Administration de la Marine et de la Navigation intérieure [1 et les membres du personnel de l'Autorité flamande]1 visés au paragraphe 1er, 2°, a (police maritime): [1 l'article 34, § 3, dernière phrase, l'article 35, § 2, dernière phrase, et l'article 42]1;
les agents de l'Administration de la Marine et de la Navigation [1 et les membres du personnel de l'Autorité flamande]1 intérieure visés au paragraphe 1er, 2°, b (pilotage): article 5 § 1er, article 11, [1 l'article 37 pour autant que le départ se fasse depuis les ports du littoral belge, et l'article 38]1.
§ 3. Sous réserve des dispositions du paragraphe 4, les agents désignés ci-après sont chargés de veiller à l'application des dispositions visées à la suite de leur désignation: les agents de l'Administration des Voies navigables ainsi que les agents de l'Administration de la Marine et de la Navigation intérieure [1 et les membres du personnel de l'Autorité flamande]1, désignés respectivement au § 1er, 1° et 2°: article 10 § 4, article 14, article 17 et article 18.
§ 4. Par dérogation au paragraphe 1er, 4°, les agents qui y sont mentionnés ne sont pas chargés de veiller à l'exécution des dispositions contenues à l'article 5 § 1er, à l'article 15, à l'article 21, §§ 1er et 2, 3° et 4°, à l'article 22, §§ 4 à 10, à l'article 23, à l'article 27, § 2, à l'article 30 et à l'article 32.
En ce qui concerne le port de Zeebrugge, la dérogation mentionnée ci-dessus ne vaut pas pour l'application de l'article 5 § 1er, de l'article 15 et de l'article 27, § 2.
En ce qui concerne le port d'Ostende, les agents susvisés veillent à l'exécution de ce règlement dans la partie du bassin Montgomery située entre l'embarcadère sud à l'ouest du bassin et l'écluse Mercator, mais uniquement pour y régler le trafic vers ou venant de cette écluse.
§ 5. Le capitaine du port vise au § 1er, 5°, est chargé de veiller à l'exécution du présent règlement, à l'exception des articles et paragraphes mentionnés au § 4, premier alinéa.
§ 6. Les fonctionnaires de la Régie des Transports maritimes ou leurs mandataires sont, dans la zone portuaire déterminée dans l'article 1er de l'arrête royal du 7 janvier 1980, seuls compétents pour assigner ou changer les emplacements de stationnement, d'amarrage ou de mouillage.
Néanmoins les fonctionnaires mentionnés au paragraphe 2, 4°, sont, dans les cas où la sécurité en général l'exige, par priorité compétents pour désigner ou changer ces emplacements.
§ 7. Les administrations communales et toutes personnes revêtues de l'autorité publique doivent, si elles en sont requises, prêter main forte aux personnes visées dans les paragraphes précédents, pour veiller à l'application du présent règlement.
Art. 46. § 1.
§ 2.
Art. 46. § 1er.
§ 2.
Art. 47. Opgeheven worden:
het koninklijk besluit van 31 mei 1968 houdende politie- en scheepvaartreglement voor de Belgische territoriale zee, de havens en de stranden van de Belgische kust, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juni 1977;
artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 juni 1977 ter uitvoering van de wet van 24 november 1975 houdende goedkeuring en uitvoering van het Verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee 1972 bijgevoegd Reglement en zijn Bijlagen.
Art. 47. Sont abrogés:
l'arrêté royal du 31 mai 1968 portant règlement de police et de navigation pour la mer territoriale belge, les ports et les plages du littoral belge, modifié par l'arrêté royal du 20 juin 1977;
l'article 7 de l'arrêté royal du 20 juin 1977 exécutant la loi du 24 novembre 1975 portant approbation et exécution de la Convention sur le règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer, Règlement y annexé et ses Annexes.
Art. 48. Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 1981.
Art. 48. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er octobre 1981.
Art. 48bis. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 23; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Voor binnenschepen die in de Belgische territoriale zee varen treden de artikelen 7quater en 7septies in werking op 1 juli 2007.
Art. 48bis. Pour les bateaux d'intérieur naviguant dans le mer territoriale belge les articles 7quater et 7septies entrent en vigueur le 1er juillet 2007.
Art. 49. Onze Minister van Verkeerswezen en Onze Minister van Openbare Werken en Institutionele Hervormingen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 49. Notre Ministre des Communications et Notre Ministre des Travaux publics et des Réformes institutionnelles sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Art. N1. Bijlage 1 (art. 15, § 1)
1. Zeeschepen welke de volgende gevaarlijke goederen vervoeren:
a) meer dan 100 kg (bruto-gezamelijk) stoffen van de IMCO klasse 1, gevarengroep 1.1 en 1.5.;
b) meer dan 1 000 kg (bruto-gezamelijk) stoffen van de IMCO klasse 1, gevarengroep 1., 1.3. en 1.4. van stoffen van klasse 5.2.;
c) meer dan 1 000 kg (bruto-gezamenlijk) blauwzuur, boortrichloride, boortrifluoride, broomwaterstof, chloor, chloorcyamide, chloortrifluoride, diboraan, dicyaan, dimethylamine, ethylamine, ethyleenoxyde, fosgeen, fluor, fluorwaterstof, methylacetyleen/propadieen mengsels, monomethylamine, nitrosylchloride, oliegas, silicium titrafluoride, stikstofmonoxyde, stikstofmonoxyde-stikstoftrioxyde mengsels, stikstoftrioxyde, trimethylamine, watergas, zoutzuurgas, zwaveldioxyde, zwavelwaterstof,
moeten zowel tijdens de vaart als bij stilliggen de navolgende dagtekens en lichten voeren:
(i) des daags: de seinvlag B van het Internationale Seinboek met afmetingen van ten minste 130 X 170 cm;
(ii) des nachts: twee rondschijnende helder rode lichten op gelijke hoogte, op een onderlinge afstand van 1 m;
de lichten moeten ononderbroken licht van gelijke sterkte geven.
2. De dagtekens en lichten moeten worden gevoerd op een plaats waar zij het beste gezien kunnen worden en op een hoogte van ten minste 6 m boven het dek.
3. Indien het zicht minder dan 2 000 m bedraagt moeten de voor des nachts voorgeschreven lichten ook des daags worden gevoerd.
4. Het bepaalde is eveneens van toepassing op zeeschepen die in deze bijlage begrepen stoffen in bulk hebben vervoerd, zolang zij niet ontdaan zijn van resten, daaronder begrepen gassen en dampen, die gevaar kunnen opleveren.
Art. N1. Annexe 1 (art. 15, § 1er).
1. Les navires de mer qui transportent les matières dangereuses suivantes:
a) plus de 100 kg (total brut) de matières de la classe 1 de l'OMCI, matières dangereuses 1.1. et 1.5.;
b) plus de 1 000 kg (total brut) de matières de la classe 1 de l'OMCI, matières dangereuses 1., 1.3. et 1.4. de matières de la classe 5.2.;
c) plus de 1 000 kg (total brut) acide cyanhydrique, trichlorure de bore, trifluorure de bore, acide bromhydrique, chlore, chlorure de cyanogène, trifluorure de chlore, diborane, dicyanogene, diméthylamine, éthylamine, oxyde d'éthylène, phosgène, fluor, acide fluorhydrique, méthylacétylène/propadiene (mélanges de), monométhylamine, chlorure de nitrosyle, gaz d'huile, tetrafluorure de silicium, monoxyde d'azote, monoxyde d'azote/trioxyde d'azote (mélanges de), triméthylamine trioxyde d'azote, gaz à l'eau gaz d'acide chlorhydrique, bioxyde de soufre, acide sulfhydrique,
doivent, aussi bien pendant la navigation qu'à l'arrêt, porter les feux et marques de jour suivants:
(i) de jour: le pavillon B du Code international des Signaux mesurant au moins 130 X 170 cm;
(ii) de nuit: deux feux rouges visibles sur tout l'horizon, a hauteur égale et espacés de 1 m;
les feux doivent projeter une lumière ininterrompue d'une intensité égale.
2. Les feux et marques doivent être placés à l'endroit le plus apparent et à une hauteur d'au moins 6 m au-dessus du pont.
3. Lorsque la visibilité est de moins de 2 000 m, les feux prévus pour la nuit doivent également être portés de jour.
4. Les dispositions sont également d'application aux navires de mer qui ont transporté en vrac des matières reprises dans la présente annexe, aussi longtemps qu'ils ne sont pas débarrassés de restes, c'est-à-dire les gaz et les vapeurs, qui peuvent provoquer un danger.
Art. N2.
Art. N2.
Art. N3.
Art. N3.
Art. N4.
Art. N4.
Art. N5. <KB 1998-12-09/39, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1998> Gegevens betreffende de (vaartuigen) die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren. <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
1. (Naam en roepnaam van het vaartuig en eventueel IMO-identificatienummer of MMSI-nummer.) <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
2. Nationaliteit van het (vaartuig). <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
3. Lengte en diepgang van het (vaartuig). <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
4. Haven van bestemming.
5. (Voor een vaartuig dat een haven van de Belgische kust verlaat : verwachte tijd van afvaart uit de haven van vertrek of het loodsstation, zoals verlangd door de bevoegde instantie, en verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming.) <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
6. (Voor een vaartuig dat vanuit een buiten de Europese Gemeenschap gelegen haven komt en naar een haven van de Belgische kust vaart : verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming of bij het loodsstation, zoals verlangd door de bevoegde instantie.) <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
7. Geplande vaarroute.
8. De correcte technische benamingen van de gevaarlijke of verontreinigende goederen, de identificatienummers van de Verenigde Naties (UN), indien van toepassing, de IMO-gevarenklasse overeenkomstig de IMDG-, IBC- en IGC-codes en, in voorkomend geval, (de klasse van het vaartuig volgens de INF-code, de hoeveelheden van die stoffen en hun plaats aan boord en, indien zij worden vervoerd in voor vrachtvervoer bestemde transporteenheden, behalve tanks), de identificatiemerktekens daarvan. <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
9. Bevestiging dat zich aan boord een lijst of een manifest of een passend ladingsplan bevindt met een precieze opgave van de vervoerde gevaarlijke en verontreinigende goederen en hun plaats in het (vaartuig). <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
10. (Totaal aantal opvarenden.) <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
(11. Adres waar uitgebreide informatie over de lading kan worden verkregen.) <KB 2005-09-17/61, art. 24, 010; Inwerkingtreding : 11-10-2005>
Art. N5. <AR 1998-12-09/39, art. 3, 004; En vigueur : 31-12-1998> Annexe 5. Informations concernant les (bâtiments) transportant des marchandises dangereuses ou polluantes. <AR 2005-09-17/61, art. 24, 010; En vigueur : 11-10-2005>
1. (Nom et code d'appel du bâtiment et, le cas échéant, numero d'identification OMI ou numéro MMSI.) <AR 2005-09-17/61, art. 24, 010; En vigueur : 11-10-2005>
2. Nationalité du (bâtiment). <AR 2005-09-17/61, art. 24, 010; En vigueur : 11-10-2005>
3. Longueur et tirant d'eau du (bâtiment). <AR 2005-09-17/61, art. 24, 010; En vigueur : 11-10-2005>
4. Port de destination.
5. (Pour un bâtiment quittant un port du littoral belge : heure probable d'appareillage du port de départ ou de la station de pilotage, comme requis par l'autorité compétente, et heure probable d'arrivée au port de destination.) <AR 2005-09-17/61, art. 24, 010; En vigueur : 11-10-2005>
6. (Pour un bâtiment venant d'un port situe en dehors de la Communauté européenne et faisant route vers un port du littoral belge : heure probable d'arrivée au port de destination ou à la station de pilotage, comme requis par l'autorité competente.) <AR 2005-09-17/61, art. 24, 010; En vigueur : 11-10-2005>
7. Itinéraire envisagé.
8. Désignation technique exacte des marchandises dangereuses ou polluantes, numéros (ONU) attribués, le cas échéant, par les Nations Unies, classes de risque OMI determinées conformément au code IMDG et aux recueils IBC et IGC et, le cas écheant, (catégorie du bâtiment au sens du recueil INF, quantités de ces marchandises et emplacement à bord et, si elles sont transportées dans des unités de transport de cargaison autres que des citernes), les marques d'identification de celles-ci/de ceux-ci. <AR 2005-09-17/61, art. 24, 010; En vigueur : 11-10-2005>
9. Confirmation de la présence à bord d'une liste, d'un manifeste ou d'un plan de chargement approprié précisant en détail les marchandises dangereuses ou polluantes chargées à bord du (bâtiment) et leur emplacement. <AR 2005-09-17/61, art. 24, 010; En vigueur : 11-10-2005>
10. (Nombre total de personnes à bord.) <AR 2005-09-17/61, art. 24, 010; En vigueur : 11-10-2005>
(11. Adresse à laquelle des renseignements détaillés sur la cargaison peuvent être obtenus.) <AR 2005-09-17/61, art. 24, 010; En vigueur : 11-10-2005>
Art. N6. <KB 1998-12-09/39, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1998> Checklist voor schepen.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. 25-12-1998, p. 41220 - 41222).
Art. N6. <AR 1998-12-09/39, art. 4, 004; En vigueur : 31-12-1998> Fiche de contrôle pour les navires.
(Formulaire non repris pour des raisons techniques. Voir M.B. 25-12-1998, p. 41223 - 41225).
Art. N7. Bijlage 7 : IALA Betonningssysteem (zone "A")
<KB 1987-06-04/35, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 1987-07-28>
Art. N7. Annexe 7 : Système de balisage A.I.S.M. (région "A")
<AR 1987-06-04/35, art. 1, 002; En vigueur : 1987-07-28 >
Art. N8. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 25; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Bijlage 8. Gegevens die de reder, beheerder, agent of kapitein van een vaartuig op weg naar een haven van de Belgische kust meedeelt :
1. Identificatie van het vaartuig (naam, roepnaam, IMO-identificatienummer of MMSI-nummer);
2. Haven van bestemming;
3. Verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming of bij het loodsstation zoals verlangd door de bevoegde instantie en verwachte tijd van afvaart uit die haven;
4. Totaal aantal opvarenden.
Art. N8. Annexe 8. Informations à notifier par l'armateur, le gérant, l'agent ou le capitaine d'un bâtiment se dirigeant vers un port du littoral belge :
1. Identification du bâtiment (nom, code d'appel, numéro d'identification OMI ou numéro MMSI);
2. Port de destination;
3. Heure probable d'arrivée au port de destination ou à la station de pilotage, comme requis par l'autorité compétente, et heure probable d'appareillage de ce port;
4. Nombre total de personnes à bord.
Art. N9. <INGEVOEGD bij KB 2005-09-17/61, art. 26; Inwerkingtreding : 11-10-2005> Bijlage 9.
De verlader moet de volgende informatie over de lading verstrekken :
a) de correcte technische benaming van de gevaarlijke of verontreinigende stoffen, de identificatienummers van de Verenigde Naties (UN), indien van toepassing; de IMO-risicoklassen overeenkomstig de I.M.D.G.-Code, de I.M.O. Bulk Chemical Code en de I.M.O. Gas Carrier Code en, in voorkomend geval, de klasse van het vaartuig die voor INF-ladingen als bedoeld in voorschrift VII/14.2 vereist is, de hoeveelheden van dergelijke stoffen en, wanneer zij worden vervoerd in voor vrachtvervoer bestemde laadeenheden, behalve tanks, de identificatienummers daarvan;
b) het adres waar uitgebreide informatie over de lading kan worden verkregen.
Art. N9. Annexe 9.
Le chargeur doit notifier les informations suivantes sur la cargaison :
a) la désignation technique exacte des marchandises dangereuses ou polluantes, numéros (ONU) attribués, le cas échéant, par les Nations unies, classes de risque OMI déterminées conformément au Code I.M.D.G., au I.M.O. Bulk Chemical Code et au I.M.O. Gas Carrier Code et, le cas échéant, catégorie du bâtiment requise pour les cargaisons au sens du recueil INF telles que définies dans la règle VII/14.2, quantités de ces marchandises et, si elles sont transportées dans des unités de transport de cargaison autres que des citernes, numéros d'identification de celles-ci;
b) l'adresse à laquelle des renseignements détaillés sur la cargaison peuvent être obtenus.