Artikel 1. De brandpreventie omvat al de veiligheidsmaatregelen die tot doel hebben, enerzijds, het ontstaan van een brand te voorkomen, elk begin van brand op te sporen en de uitbreiding ervan te verhinderen, anderzijds, de hulpdiensten te alarmeren en zowel de redding van de personen als de bescherming van de goederen in geval van brand te vergemakkelijken.
De preventie van ontploffingen omvat de gezamenlijke veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van omstandigheden die ontploffingen kunnen veroorzaken en ter beperking daarvan indien ze toch zouden ontstaan.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
30 JULI 1979. - Wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1989 en tekstbijwerking tot 25-09-2018)
Titre
30 JUILLET 1979. - Loi relative à la prévention des incendies et des explosions ainsi qu'à l'assurance obligatoire de la responsabilité civile dans ces mêmes circonstances. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-1989 et mise à jour au 25-09-2018)
Documentinformatie
Numac: 1979073002
Datum: 1979-07-30
Info du document
Numac: 1979073002
Date: 1979-07-30
Inhoud
Tekst (17)
Texte (17)
HOOFDSTUK I. - Preventie van branden en ontploffingen.
CHAPITRE Ier. _ De la prévention des incendies et des explosions.
Article 1. La prévention des incendies comprend l'ensemble des mesures de sécurité destinées, d'une part, à éviter la naissance d'un incendie, à détecter tout début d'incendie et à empêcher l'extension de celui-ci, d'autre part, à alerter les services de secours et à faciliter tant le sauvetage des personnes que la protection des biens en cas d'incendie.
La prévention des explosions comprend l'ensemble des mesures de sécurité destinées à empêcher que soient réunies les conditions propices à des explosions et à limiter les conséquences de celles-ci si elles devaient quand même se produire.
La prévention des explosions comprend l'ensemble des mesures de sécurité destinées à empêcher que soient réunies les conditions propices à des explosions et à limiter les conséquences de celles-ci si elles devaient quand même se produire.
Art.2. <W 2003-12-22/42, art. 413, 007 ; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. Met het oog op de preventie van brand en ontploffing, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de basispreventienormen die één of meer categorieën van constructies gemeen hebben, ongeacht hun bestemming.
§ 2. Afwijkingen op de basispreventienormen zoals bepaald in § 1 kunnen worden toegestaan indien de desbetreffende constructie door deze afwijkingen een veiligheidsniveau behoudt dan tenminste gelijk is aan deze vereist door deze normen.
Elke aanvraag tot afwijking wordt ingediend door de bouwheer of zijn afgevaardigde.
De Koning bepaalt de procedure en de voorwaarden volgens welke de afwijkingen worden toegestaan.
Afwijkingen kunnen enkel worden toegestaan op basis van een advies van een commissie voor afwijking.
§ 3. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de commissie voor afwijking bedoeld in § 2, vierde lid.
De commissie voor afwijking bestaat onder andere uit [1 ...]1 deskundigen en hun respectieve plaatsvervangers [1 van de FOD Binnenlandse Zaken of van een hulpverleningszone]1. Zij worden aangewezen op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid in zake brandvoorkoming
§ 2. Afwijkingen op de basispreventienormen zoals bepaald in § 1 kunnen worden toegestaan indien de desbetreffende constructie door deze afwijkingen een veiligheidsniveau behoudt dan tenminste gelijk is aan deze vereist door deze normen.
Elke aanvraag tot afwijking wordt ingediend door de bouwheer of zijn afgevaardigde.
De Koning bepaalt de procedure en de voorwaarden volgens welke de afwijkingen worden toegestaan.
Afwijkingen kunnen enkel worden toegestaan op basis van een advies van een commissie voor afwijking.
§ 3. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de commissie voor afwijking bedoeld in § 2, vierde lid.
De commissie voor afwijking bestaat onder andere uit [1 ...]1 deskundigen en hun respectieve plaatsvervangers [1 van de FOD Binnenlandse Zaken of van een hulpverleningszone]1. Zij worden aangewezen op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid in zake brandvoorkoming
Art.2. <L 2003-12-22/42, art. 413, 007 ; En vigueur : 10-01-2004> § 1er. Dans un but de prévention des incendies et des explosions, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les normes de prévention de base communes à une ou plusieurs catégories de constructions, indépendamment de leur destination.
§ 2. Des dérogations aux normes de prévention de base visées au § 1er peuvent être accordées, pour autant que la construction concernée par ces dérogations conserve un niveau de sécurité au moins équivalent à celui qui est requis par ces normes.
Toute demande de dérogation est introduite par le maître de l'ouvrage ou son délégué.
Le Roi détermine la procédure et les conditions suivant lesquelles les dérogations sont accordées.
Les dérogations ne peuvent être accordées que sur la base de l'avis d'une commission de dérogation.
§ 3. Le Roi fixe la composition et le fonctionnement de la commission de dérogation visée au § 2, alinéa 4.
La commission de dérogation est composée notamment [1 ...]1 d'experts, et de leurs suppléants respectifs [1 du SPF Intérieur ou d'une zone de secours]1. Ils sont désignés en raison de leurs compétences scientifiques ou techniques particulières en matière de prévention des incendies.
§ 2. Des dérogations aux normes de prévention de base visées au § 1er peuvent être accordées, pour autant que la construction concernée par ces dérogations conserve un niveau de sécurité au moins équivalent à celui qui est requis par ces normes.
Toute demande de dérogation est introduite par le maître de l'ouvrage ou son délégué.
Le Roi détermine la procédure et les conditions suivant lesquelles les dérogations sont accordées.
Les dérogations ne peuvent être accordées que sur la base de l'avis d'une commission de dérogation.
§ 3. Le Roi fixe la composition et le fonctionnement de la commission de dérogation visée au § 2, alinéa 4.
La commission de dérogation est composée notamment [1 ...]1 d'experts, et de leurs suppléants respectifs [1 du SPF Intérieur ou d'une zone de secours]1. Ils sont désignés en raison de leurs compétences scientifiques ou techniques particulières en matière de prévention des incendies.
Wijzigingen
Art.3. <W 1990-05-22/34, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-10-1990> De Koning stelt, op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en van de bevoegde Minister, de specifieke preventienormen vast die betrekking hebben op de constructies waarvan het gebruik samenhangt met aangelegenheden waarvoor de nationale overheid bevoegd is.
Art.3. <L 1990-05-22/34, art. 2, 003; En vigueur : 01-10-1990> Le Roi arrête, sur la proposition du Ministre de l'Intérieur et du Ministre compétent, les normes de prévention spécifiques qui se rapportent aux constructions dont l'utilisation est liée aux matières pour lesquelles les autorités nationales sont compétentes.
Art.4. De gemeenteraad kan verordeningen inzake preventie van branden en ontploffingen uitvaardigen. [1 ...]1 [1 ...]1
Art.4. Le conseil communal peut édicter des règlements relatifs à la prévention des incendies et des explosions. [1 ...]1 [1 ...]1
Wijzigingen
Art.5. Op verslag van [1 de hulpverleningszone waartoe zijn gemeente behoort,]1 ziet de burgemeester toe op de uitvoering van de krachtens deze wet voorgeschreven veiligheidsmaatregelen.
Bij het volbrengen van zijn taak is [1 de hulpverleningszone]1t onderworpen aan de inspectie die door de Koning wordt georganiseerd [1 overeenkomstig de artikelen 168 tot 174 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid]1.
De burgemeester alsmede het personeel van [1 de hulpverleningszone]1 en het personeel belast met de inspectie [2 kunnen controles aangaande de brandveiligheid van constructies uitvoeren en hebben hiertoe de toegang tot de constructies of onderdelen van constructies die voor het publiek toegankelijk zijn alsook de verlaten, niet onderhouden constructies. Zij hebben slechts toegang tot constructies die niet voor het publiek toegankelijk zijn of tot de onderdelen ervan wanneer zij ofwel concrete aanwijzingen hebben dat de openbare veiligheid ernstig in het gedrang komt ofwel toestemming hebben verkregen van de persoon die gemachtigd is om toegang te verlenen ofwel van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats en wiens bescherming van het privéleven of eerbied voor de woning in het gedrang dreigen te komen]2.
Bij het volbrengen van zijn taak is [1 de hulpverleningszone]1t onderworpen aan de inspectie die door de Koning wordt georganiseerd [1 overeenkomstig de artikelen 168 tot 174 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid]1.
De burgemeester alsmede het personeel van [1 de hulpverleningszone]1 en het personeel belast met de inspectie [2 kunnen controles aangaande de brandveiligheid van constructies uitvoeren en hebben hiertoe de toegang tot de constructies of onderdelen van constructies die voor het publiek toegankelijk zijn alsook de verlaten, niet onderhouden constructies. Zij hebben slechts toegang tot constructies die niet voor het publiek toegankelijk zijn of tot de onderdelen ervan wanneer zij ofwel concrete aanwijzingen hebben dat de openbare veiligheid ernstig in het gedrang komt ofwel toestemming hebben verkregen van de persoon die gemachtigd is om toegang te verlenen ofwel van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats en wiens bescherming van het privéleven of eerbied voor de woning in het gedrang dreigen te komen]2.
Art.5. Le bourgmestre, sur rapport [1 de la zone de secours à laquelle appartient sa commune]1, contrôle l'exécution des mesures de sécurité prescrites en vertu de la présente loi.
[1 La zone]1 est, dans l'accomplissement de sa tâche, soumis à l'inspection organisée par le Roi, [1 conformément aux articles 168 à 174 de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile.]1
Le bourgmestre ainsi que le personnel [1 de la zone de secours]1 et le personnel chargé de l'inspection [2 peuvent effectuer des contrôles relatifs à la sécurité incendie de constructions et ont à cet effet libre accès aux constructions ou parties de constructions accessibles au public ainsi qu'aux constructions abandonnées, non entretenues. Ils n'ont accès aux constructions ou parties de constructions non accessibles au public que s'ils disposent d'indications concrètes montrant que la sécurité publique est sérieusement menacée ou s'ils ont obtenu l'autorisation de la personne mandatée pour autoriser l'accès ou de la personne ayant réellement la jouissance des lieux et dont la protection de la vie privée ou le respect du domicile risquent d'être menacés]2.
[1 La zone]1 est, dans l'accomplissement de sa tâche, soumis à l'inspection organisée par le Roi, [1 conformément aux articles 168 à 174 de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile.]1
Le bourgmestre ainsi que le personnel [1 de la zone de secours]1 et le personnel chargé de l'inspection [2 peuvent effectuer des contrôles relatifs à la sécurité incendie de constructions et ont à cet effet libre accès aux constructions ou parties de constructions accessibles au public ainsi qu'aux constructions abandonnées, non entretenues. Ils n'ont accès aux constructions ou parties de constructions non accessibles au public que s'ils disposent d'indications concrètes montrant que la sécurité publique est sérieusement menacée ou s'ils ont obtenu l'autorisation de la personne mandatée pour autoriser l'accès ou de la personne ayant réellement la jouissance des lieux et dont la protection de la vie privée ou le respect du domicile risquent d'être menacés]2.
Art.6. § 1. Er wordt een Hoge Raad voor beveiliging tegen brand en ontploffing ingesteld, waarvan de samenstelling en de werkwijze door de Koning worden bepaald.
Deze Raad bestaat uit vertegenwoordigers van de openbare en van de particuliere belangen. Hij heeft tot taak :
a) alle maatregelen inzake beveiliging tegen brand en ontploffing voor te stellen;
b) advies te geven over ieder ontwerp-besluit betreffende de preventie van branden en ontploffingen.
§ 2. [1 ...]1.
Deze Raad bestaat uit vertegenwoordigers van de openbare en van de particuliere belangen. Hij heeft tot taak :
a) alle maatregelen inzake beveiliging tegen brand en ontploffing voor te stellen;
b) advies te geven over ieder ontwerp-besluit betreffende de preventie van branden en ontploffingen.
§ 2. [1 ...]1.
Art.6. § 1er. Il est institué un Conseil supérieur de la sécurité entre l'incendie et l'explosion dont le Roi fixe la composition et fonctionnement.
Ce Conseil comprend des représentants des intérêts publics privés. Il a pour mission :
a) de suggérer toutes mesures relatives à la sécurité contre l'incendie et l'explosion;
b) de donner un avis sur tout projet d'arrêté relatif à la prétention des incendies et des explosions.
§ 2. [1 ...]1.
Ce Conseil comprend des représentants des intérêts publics privés. Il a pour mission :
a) de suggérer toutes mesures relatives à la sécurité contre l'incendie et l'explosion;
b) de donner un avis sur tout projet d'arrêté relatif à la prétention des incendies et des explosions.
§ 2. [1 ...]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. _ Verplichte burgerrechtelijke aansprakelijkheidsverzekering inzake brand en ontploffing.
CHAPITRE II. _ De l'assurance obligatoire de la responsabilité civile en cas d'incendie ou d'explosion.
Art.7. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk kunnen toepasselijk worden verklaard op alle inrichtingen die gewoonlijk voor het publiek toegankelijk zijn, ook al wordt het publiek er slechts onder bepaalde voorwaarden toegelaten.
§ 2. Bij in Ministerraad overlegde besluiten bepaalt de Koning de categorieën van inrichtingen waarop Hij de bepalingen van dit hoofdstuk toepasselijk maakt en wijst Hij de natuurlijke of rechtspersonen aan die de krachtens deze bepalingen opgelegde verplichtingen moeten nakomen.
§ 2. Bij in Ministerraad overlegde besluiten bepaalt de Koning de categorieën van inrichtingen waarop Hij de bepalingen van dit hoofdstuk toepasselijk maakt en wijst Hij de natuurlijke of rechtspersonen aan die de krachtens deze bepalingen opgelegde verplichtingen moeten nakomen.
Art.7. § 1er. Les dispositions du présent chapitre peuvent être rendues applicables à tous les établissements qui sont habituellement accessibles au public, même lorsque le public n'y est admis que sous certaines conditions.
§ 2. Par arrêtés délibérés en Conseil des ministres, le Roi détermine les catégories d'établissements auxquelles Il rend applicables les dispositions du présent chapitre et désigne les personnes physiques ou morales auxquelles incombent les obligations imposées en vertu de ces dispositions.
§ 2. Par arrêtés délibérés en Conseil des ministres, le Roi détermine les catégories d'établissements auxquelles Il rend applicables les dispositions du présent chapitre et désigne les personnes physiques ou morales auxquelles incombent les obligations imposées en vertu de ces dispositions.
Art.8. De in artikel 7, § 2, bedoelde natuurlijke of rechtspersonen zijn objectief aansprakelijk zowel voor de lichamelijke als voor de materiële schade, aan derden veroorzaakt door een brand of een ontploffing, onverminderd het gewone verhaal op de voor het schadegeval aansprakelijke personen.
De Koning bepaalt het maximaal bedrag van die objectieve aansprakelijkheid.
Geen inrichting mag voor het publiek worden opengesteld indien de objectieve aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kan geven, niet gedekt is door een verzekering welke de in het eerste lid vermelde personen hebben afgesloten bij een verzekeringsonderneming die erkend is of van erkenning ontslagen is krachtens de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.
Voor de inrichtingen die voor het publiek toegankelijk zijn op de dag waarop deze wet in werking treedt, bepaalt de Koning binnen welke termijn de verzekering moet zijn afgesloten.
In afwijking van het derde lid, zijn de door de Koning aangewezen publiekrechtelijke rechtspersonen ontslagen van de verplichting een verzekeringscontract af te sluiten.
De verzekeraar die de benadeelde personen heeft vergoed, treedt in de rechten zowel van deze personen als van de verzekeringnemers tegen de voor het schadegeval aansprakelijke derden tot beloop van de door hem betaalde sommen.
(Kunnen niet genieten van de uitkeringen bepaald in deze wet:
a) in de mate van zijn fout, de brandstichter of de dader van de ontploffing;
b) de verzekeraar die de benadeelde persoon vergoed heeft in het kader van een verzekering met vergoedend karakter en die zijn subrogatierecht uitoefent bedoeld in artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;
c) iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, andere dan de benadeelde persoon of zijn rechthebbenden, evenals iedere instelling die of ieder organisme dat beschikt over een wettelijk of conventioneel subrogatierecht of over een eigen recht tegen de persoon die aansprakelijk is voor het ongeval. Het subrogatierecht toegekend aan de verzekeringsinstelling krachtens artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ( , het subrogatierecht toegekend aan de rechtspersonen en instellingen bedoeld bij artikel 14 § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector)en het eigen recht van de verzekeraar van arbeidsongevallen krachtens artikel 47 van de wet van 10 april 1971 op arbeidsongevallen kunnen echter uitgeoefend worden na volledige vergoeding van de benadeelde persoon of zijn rechthebbenden door de verzekeraar van de objectieve aansprakelijkheid.) <W 1996-04-29/32, art. 151, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1994> <W 1998-02-22/43, art. 193, 005; Inwerkingtreding : 31-12-1994>
De Koning bepaalt, op de voordracht van de Minister van Economische Zaken, het voorwerp en de draagwijdte van deze verzekering alsmede de desbetreffende controlemaatregelen, na advies van de bij de wet van 9 juli 1975 ingestelde Controledienst voor de Verzekeringen en de Commissie voor Verzekeringen.
De Koning bepaalt het maximaal bedrag van die objectieve aansprakelijkheid.
Geen inrichting mag voor het publiek worden opengesteld indien de objectieve aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kan geven, niet gedekt is door een verzekering welke de in het eerste lid vermelde personen hebben afgesloten bij een verzekeringsonderneming die erkend is of van erkenning ontslagen is krachtens de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.
Voor de inrichtingen die voor het publiek toegankelijk zijn op de dag waarop deze wet in werking treedt, bepaalt de Koning binnen welke termijn de verzekering moet zijn afgesloten.
In afwijking van het derde lid, zijn de door de Koning aangewezen publiekrechtelijke rechtspersonen ontslagen van de verplichting een verzekeringscontract af te sluiten.
De verzekeraar die de benadeelde personen heeft vergoed, treedt in de rechten zowel van deze personen als van de verzekeringnemers tegen de voor het schadegeval aansprakelijke derden tot beloop van de door hem betaalde sommen.
(Kunnen niet genieten van de uitkeringen bepaald in deze wet:
a) in de mate van zijn fout, de brandstichter of de dader van de ontploffing;
b) de verzekeraar die de benadeelde persoon vergoed heeft in het kader van een verzekering met vergoedend karakter en die zijn subrogatierecht uitoefent bedoeld in artikel 41 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;
c) iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, andere dan de benadeelde persoon of zijn rechthebbenden, evenals iedere instelling die of ieder organisme dat beschikt over een wettelijk of conventioneel subrogatierecht of over een eigen recht tegen de persoon die aansprakelijk is voor het ongeval. Het subrogatierecht toegekend aan de verzekeringsinstelling krachtens artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ( , het subrogatierecht toegekend aan de rechtspersonen en instellingen bedoeld bij artikel 14 § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector)en het eigen recht van de verzekeraar van arbeidsongevallen krachtens artikel 47 van de wet van 10 april 1971 op arbeidsongevallen kunnen echter uitgeoefend worden na volledige vergoeding van de benadeelde persoon of zijn rechthebbenden door de verzekeraar van de objectieve aansprakelijkheid.) <W 1996-04-29/32, art. 151, 004; Inwerkingtreding : 31-12-1994> <W 1998-02-22/43, art. 193, 005; Inwerkingtreding : 31-12-1994>
De Koning bepaalt, op de voordracht van de Minister van Economische Zaken, het voorwerp en de draagwijdte van deze verzekering alsmede de desbetreffende controlemaatregelen, na advies van de bij de wet van 9 juli 1975 ingestelde Controledienst voor de Verzekeringen en de Commissie voor Verzekeringen.
Art.8. Les personnes physiques ou morales visées à l'article 7, § 2, sont objectivement responsables tant des dommages corporels que des dégâts matériels causés aux tiers par un incendie ou une explosion, sans préjudice de tout recours de droit commun contre les responsables du sinistre.
Le Roi fixe le montant maximal de cette responsabilité objective.
Aucun établissement ne peut être rendu accessible au public si la responsabilité objective à laquelle il peut donner lieu n'est pas couverte par une assurance souscrite par les personnes mentionnées dans l'alinéa 1er auprès d'une entreprise d'assurances agréée ou dispensée de l'agrément en application de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances.
Pour les établissements accessibles au public à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, le Roi fixe le délai dans lequel l'assurance doit être souscrite.
Par dérogation à l'alinéa 3, les personnes morales de droit public désignées par le Roi sont dispensées de l'obligation de souscrire un contrat d'assurance.
L'assureur qui a indemnisé les personnes lésées est subrogé tant dans les droits desdites personnes que dans ceux des preneurs d'assurance contre les tiers responsables du sinistre, à concurrence des sommes payées par lui.
(Ne peut bénéficier des indemnités prévues par la présente loi :
a) dans la mesure de sa faute, l'auteur de l'incendie ou de l'explosion;
b) l'assureur qui a indemnisé la personne lésée dans le cadre d'une assurance à caractère indemnitaire et qui exerce son droit de subrogation visé à l'article 41 de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre;
c) toute personne physique ou morale, autre que la personne lésée ou ses ayants droit, ainsi que toute institution ou tout organisme disposant d'un droit de subrogation légale ou conventionnelle ou d'un droit propre contre la personne responsable du sinistre. Toutefois, le droit de subrogation attribué à l'organisme assureur en vertu de l'article 136, § 2, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités (, le droit de subrogation accordé aux personnes morales et aux institutions visées à l'article 14, § 3, de la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public) et le droit propre de l'assureur des accidents du travail en vertu de l'article 47 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail peuvent être exercés après indemnisation complète de la personne lésée ou de ses ayants droit par l'assureur de la responsabilité objective.) <L 1996-04-29/32, art. 151, 004; En vigueur : 31-12-1994> <L 1998-02-22/43, art. 193, 004; En vigueur : 31-12-1994>
Le Roi, sur la proposition du Ministre des Affaires économiques, fixe l'objet et l'étendue de ladite assurance ainsi que les moyens de contrôle qui s'y rapportent, après avis de l'Office de Contrôle des Assurances et de la Commission des Assurances institués par la loi du 9 juillet 1975.
Le Roi fixe le montant maximal de cette responsabilité objective.
Aucun établissement ne peut être rendu accessible au public si la responsabilité objective à laquelle il peut donner lieu n'est pas couverte par une assurance souscrite par les personnes mentionnées dans l'alinéa 1er auprès d'une entreprise d'assurances agréée ou dispensée de l'agrément en application de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances.
Pour les établissements accessibles au public à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, le Roi fixe le délai dans lequel l'assurance doit être souscrite.
Par dérogation à l'alinéa 3, les personnes morales de droit public désignées par le Roi sont dispensées de l'obligation de souscrire un contrat d'assurance.
L'assureur qui a indemnisé les personnes lésées est subrogé tant dans les droits desdites personnes que dans ceux des preneurs d'assurance contre les tiers responsables du sinistre, à concurrence des sommes payées par lui.
(Ne peut bénéficier des indemnités prévues par la présente loi :
a) dans la mesure de sa faute, l'auteur de l'incendie ou de l'explosion;
b) l'assureur qui a indemnisé la personne lésée dans le cadre d'une assurance à caractère indemnitaire et qui exerce son droit de subrogation visé à l'article 41 de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre;
c) toute personne physique ou morale, autre que la personne lésée ou ses ayants droit, ainsi que toute institution ou tout organisme disposant d'un droit de subrogation légale ou conventionnelle ou d'un droit propre contre la personne responsable du sinistre. Toutefois, le droit de subrogation attribué à l'organisme assureur en vertu de l'article 136, § 2, de la loi coordonnée du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités (, le droit de subrogation accordé aux personnes morales et aux institutions visées à l'article 14, § 3, de la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public) et le droit propre de l'assureur des accidents du travail en vertu de l'article 47 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail peuvent être exercés après indemnisation complète de la personne lésée ou de ses ayants droit par l'assureur de la responsabilité objective.) <L 1996-04-29/32, art. 151, 004; En vigueur : 31-12-1994> <L 1998-02-22/43, art. 193, 004; En vigueur : 31-12-1994>
Le Roi, sur la proposition du Ministre des Affaires économiques, fixe l'objet et l'étendue de ladite assurance ainsi que les moyens de contrôle qui s'y rapportent, après avis de l'Office de Contrôle des Assurances et de la Commission des Assurances institués par la loi du 9 juillet 1975.
Art. 8bis. <INGEVOEGD bij W 1989-12-22/31, art. 306, 002; Inwerkingtreding : 09-01-1990> § 1. De verzekeringsnemer moet van ieder schadegeval vanaf het ogenblik waarop hij er kennis van krijgt, zo vlug mogelijk mededeling doen aan de verzekeringsonderneming en aan deze laatste alle door de verzekeringsovereenkomst voorgeschreven inlichtingen en bescheiden verschaffen. (NOTA van Justel : de W 2007-04-25/38, art. 217, beschikt dat het eerste lid van § 1 wordt vervangen als volgt : " Onverminderd artikel 2277ter van het Burgerlijk Wetboek, verjaart iedere rechtsvordering van de benadeelde die gebaseerd is op artikel 8, zevende lid, door verloop van drie jaar te rekenen vanaf de datum van het schadegeval. " Het is misschien het eerste lid van § 5 dat zo dient vervangen te worden. <W 2007-04-25/38, art. 217, 008; Inwerkingtreding : 18-05-2007>)
§ 2. Indien de verzekeringsnemer, om welke reden ook, ophoudt de in artikel 8, eerste lid, bedoelde aansprakelijkheid te dragen, moet hij daarvan binnen acht dagen mededeling doen aan de verzekeringsonderneming.
§ 3. Voor de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk kan de verzekeringsonderneming door de benadeelde in België worden gedagvaard, hetzij voor de rechter van de plaats van het feit waar het schadegeval is gebeurd, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de benadeelde, hetzij voor de rechter van de zetel van de verzekeringsonderneming.
§ 4. Een vonnis of arrest gewezen in een geschil ter zake van een door een brand of ontploffing veroorzaakte schade, bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan aan de verzekeringsonderneming of aan de benadeelde partij slechts worden tegengeworpen, indien ze in het geding partij zijn geweest dan wel daarin zijn geroepen.
Niettemin kan het vonnis of arrest, dat in een geschil tussen de benadeelde en de verzekeringsnemer is gewezen, worden tegengeworpen aan de verzekeringsonderneming, indien is gebleken dat deze laatste in feite de leiding van het geding op zich heeft genomen.
De verzekeringsonderneming kan de verzekeringsnemer in het geding roepen, dat door de benadeelde tegen hem wordt ingesteld.
Wanneer de burgerlijke vordering tot herstelling van een door een brand of ontploffing veroorzaakte schade, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, tegen de verzekeringsnemer wordt ingesteld voor het strafgerecht, kan de verzekeringsonderneming door de benadeelde partij of door de verzekeringsnemer in de zaak worden betrokken en kan zij ook vrijwillig tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht zijn gebracht, maar het strafgerecht kan geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeringsonderneming kan doen gelden tegenover de verzekeringsnemer.
Bovendien kan de verzekeringsnemer in de zaak worden betrokken door de verzekeringsonderneming die vrijwillig tussenkomt.
§ 5. Iedere rechtsvordering van de benadeelde die gebaseerd is op artikel 8, zevende lid, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen vanaf de datum van het schadegeval. (NOTA van Justel : de W 2007-04-25/38, art. 217, beschikt dat het eerste lid van § 1 wordt vervangen als volgt : " Onverminderd artikel 2277ter van het Burgerlijk Wetboek, verjaart iedere rechtsvordering van de benadeelde die gebaseerd is op artikel 8, zevende lid, door verloop van drie jaar te rekenen vanaf de datum van het schadegeval. " Het is misschien het eerste lid van de onderhavige § 5 dat zo dient vervangen te worden. <W 2007-04-25/38, art. 217, 008; Inwerkingtreding : 18-05-2007>)
Handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde tegen de verzekeringsonderneming stuiten, stuiten ook de verjaring van de rechtsvordering van die benadeelde tegen de verzekeringsnemer.
Handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde tegen de verzekeringsnemer stuiten, stuiten ook de verjaring van de rechtsvordering van die benadeelde tegen de verzekeringsonderneming.
De verjaring wordt ten opzichte van een verzekeringsonderneming gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeringsonderneming en de benadeelde. Een nieuwe termijn van drie jaar begint te lopen te rekenen vanaf het ogenblik waarop één der partijen aan de andere partij bij deurwaardersexploot heeft kennis gegeven dat zij de onderhandelingen afbreekt; indien de kennisgeving bij aangetekende brief geschiedt, begint de nieuwe termijn te lopen op de dag volgend op die waarop de brief ter post is afgegeven.
§ 6. Geen uit de wet of uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende nietigheid, exceptie of verval kan door een verzekeringsonderneming aan een benadeelde worden tegengeworpen.
Een verzekeringsonderneming kan zich een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringsnemer voor zover de verzekeringsonderneming volgens de wet of volgens de verzekeringsovereenkomst gerechtigd was de uitkering te weigeren of te verminderen.
§ 7. De verzekeringsonderneming kan aan een benadeelde de beëindiging, de nietigverklaring, de ontbinding, de opzegging, de schorsing van de overeenkomst of van de dekking, uit welke oorzaak ook, slechts tegenwerpen ten aanzien van schadegevallen, die plaatsvinden na verloop van een termijn van dertig dagen na de kennisgeving door de verzekeringsonderneming van een dezer feiten. De kennisgeving moet geschieden bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs gericht aan de burgemeester van de gemeente waar de voor het publiek toegankelijke instelling gevestigd is, die bevoegd is voor het ontvangen van de kennisgevingen betreffende de verzekering die in dit hoofdstuk geregeld wordt.
De termijn begint te lopen op de dag volgende op die, waarop de aangetekende brief ter post bezorgd is.
De kennisgeving kan niet vroeger geschieden dan :
1° op de dag waarop de overeenkomst een einde heeft genomen ten aanzien van de verzekerde indien het een schorsing betreft;
2° op de dag van de kennisgeving door één van beide partijen aan de andere van de ontbinding, de opzegging of de nietigverklaring van de overeenkomst;
3° op de dag van de beëindiging van de overeenkomst in alle gevallen die niet onder 2° zijn voorzien.
§ 8. De verzekeringsonderneming die de overeenkomst bedoeld in artikel 8, derde lid, afsluit, is ertoe gehouden aan de verzekeringsnemer een bewijsstuk af te geven waarvan de vorm en de inhoud door de Koning worden bepaald.
§ 9. De verzekeringsonderneming die een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 8, derde lid, afsluit, is ertoe gehouden hiervan kennis te geven aan de burgemeester van de gemeente waar de voor het publiek toegankelijke inrichting gevestigd is.
De verzekeringsonderneming schrijft de kennisgevingen en aangiften met betrekking tot deze verzekering in een repertorium, waarvan de inrichting en werkwijze door de Koning worden geregeld.
§ 10. De koninklijke besluiten in uitvoering van de paragrafen 8 en 9 worden genomen na advies van de bij de wet van 9 juli 1975 ingestelde Controledienst voor de Verzekeringen en de Commissie voor de Verzekeringen.
§ 2. Indien de verzekeringsnemer, om welke reden ook, ophoudt de in artikel 8, eerste lid, bedoelde aansprakelijkheid te dragen, moet hij daarvan binnen acht dagen mededeling doen aan de verzekeringsonderneming.
§ 3. Voor de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk kan de verzekeringsonderneming door de benadeelde in België worden gedagvaard, hetzij voor de rechter van de plaats van het feit waar het schadegeval is gebeurd, hetzij voor de rechter van de woonplaats van de benadeelde, hetzij voor de rechter van de zetel van de verzekeringsonderneming.
§ 4. Een vonnis of arrest gewezen in een geschil ter zake van een door een brand of ontploffing veroorzaakte schade, bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan aan de verzekeringsonderneming of aan de benadeelde partij slechts worden tegengeworpen, indien ze in het geding partij zijn geweest dan wel daarin zijn geroepen.
Niettemin kan het vonnis of arrest, dat in een geschil tussen de benadeelde en de verzekeringsnemer is gewezen, worden tegengeworpen aan de verzekeringsonderneming, indien is gebleken dat deze laatste in feite de leiding van het geding op zich heeft genomen.
De verzekeringsonderneming kan de verzekeringsnemer in het geding roepen, dat door de benadeelde tegen hem wordt ingesteld.
Wanneer de burgerlijke vordering tot herstelling van een door een brand of ontploffing veroorzaakte schade, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, tegen de verzekeringsnemer wordt ingesteld voor het strafgerecht, kan de verzekeringsonderneming door de benadeelde partij of door de verzekeringsnemer in de zaak worden betrokken en kan zij ook vrijwillig tussenkomen, onder dezelfde voorwaarden als zou de vordering voor het burgerlijk gerecht zijn gebracht, maar het strafgerecht kan geen uitspraak doen over de rechten die de verzekeringsonderneming kan doen gelden tegenover de verzekeringsnemer.
Bovendien kan de verzekeringsnemer in de zaak worden betrokken door de verzekeringsonderneming die vrijwillig tussenkomt.
§ 5. Iedere rechtsvordering van de benadeelde die gebaseerd is op artikel 8, zevende lid, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen vanaf de datum van het schadegeval. (NOTA van Justel : de W 2007-04-25/38, art. 217, beschikt dat het eerste lid van § 1 wordt vervangen als volgt : " Onverminderd artikel 2277ter van het Burgerlijk Wetboek, verjaart iedere rechtsvordering van de benadeelde die gebaseerd is op artikel 8, zevende lid, door verloop van drie jaar te rekenen vanaf de datum van het schadegeval. " Het is misschien het eerste lid van de onderhavige § 5 dat zo dient vervangen te worden. <W 2007-04-25/38, art. 217, 008; Inwerkingtreding : 18-05-2007>)
Handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde tegen de verzekeringsonderneming stuiten, stuiten ook de verjaring van de rechtsvordering van die benadeelde tegen de verzekeringsnemer.
Handelingen die de verjaring van de rechtsvordering van een benadeelde tegen de verzekeringsnemer stuiten, stuiten ook de verjaring van de rechtsvordering van die benadeelde tegen de verzekeringsonderneming.
De verjaring wordt ten opzichte van een verzekeringsonderneming gestuit door iedere onderhandeling tussen de verzekeringsonderneming en de benadeelde. Een nieuwe termijn van drie jaar begint te lopen te rekenen vanaf het ogenblik waarop één der partijen aan de andere partij bij deurwaardersexploot heeft kennis gegeven dat zij de onderhandelingen afbreekt; indien de kennisgeving bij aangetekende brief geschiedt, begint de nieuwe termijn te lopen op de dag volgend op die waarop de brief ter post is afgegeven.
§ 6. Geen uit de wet of uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeiende nietigheid, exceptie of verval kan door een verzekeringsonderneming aan een benadeelde worden tegengeworpen.
Een verzekeringsonderneming kan zich een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringsnemer voor zover de verzekeringsonderneming volgens de wet of volgens de verzekeringsovereenkomst gerechtigd was de uitkering te weigeren of te verminderen.
§ 7. De verzekeringsonderneming kan aan een benadeelde de beëindiging, de nietigverklaring, de ontbinding, de opzegging, de schorsing van de overeenkomst of van de dekking, uit welke oorzaak ook, slechts tegenwerpen ten aanzien van schadegevallen, die plaatsvinden na verloop van een termijn van dertig dagen na de kennisgeving door de verzekeringsonderneming van een dezer feiten. De kennisgeving moet geschieden bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs gericht aan de burgemeester van de gemeente waar de voor het publiek toegankelijke instelling gevestigd is, die bevoegd is voor het ontvangen van de kennisgevingen betreffende de verzekering die in dit hoofdstuk geregeld wordt.
De termijn begint te lopen op de dag volgende op die, waarop de aangetekende brief ter post bezorgd is.
De kennisgeving kan niet vroeger geschieden dan :
1° op de dag waarop de overeenkomst een einde heeft genomen ten aanzien van de verzekerde indien het een schorsing betreft;
2° op de dag van de kennisgeving door één van beide partijen aan de andere van de ontbinding, de opzegging of de nietigverklaring van de overeenkomst;
3° op de dag van de beëindiging van de overeenkomst in alle gevallen die niet onder 2° zijn voorzien.
§ 8. De verzekeringsonderneming die de overeenkomst bedoeld in artikel 8, derde lid, afsluit, is ertoe gehouden aan de verzekeringsnemer een bewijsstuk af te geven waarvan de vorm en de inhoud door de Koning worden bepaald.
§ 9. De verzekeringsonderneming die een verzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 8, derde lid, afsluit, is ertoe gehouden hiervan kennis te geven aan de burgemeester van de gemeente waar de voor het publiek toegankelijke inrichting gevestigd is.
De verzekeringsonderneming schrijft de kennisgevingen en aangiften met betrekking tot deze verzekering in een repertorium, waarvan de inrichting en werkwijze door de Koning worden geregeld.
§ 10. De koninklijke besluiten in uitvoering van de paragrafen 8 en 9 worden genomen na advies van de bij de wet van 9 juli 1975 ingestelde Controledienst voor de Verzekeringen en de Commissie voor de Verzekeringen.
Art. 8bis. § 1er. Le preneur d'assurance doit déclarer à l'entreprise d'assurances aussi vite que possible tout sinistre dont il a connaissance et lui fournir tous les renseignements et documents prescrits par le contrat d'assurance. (NOTE de Justel : la L 2007-04-25/38, art. 217, dispose que l'alinéa 1er du § 1er est remplacé par l'alinéa suivant : " Sans préjudice de l'article 2277ter du Code civil, toute action de la personne lésée, fondée sur l'article 8, alinéa 7, se prescrit par trois ans à compter de la date du dommage. " C'est peut-être l'alinéa 1er du § 5 qui doit être ainsi remplacé. <L 2007-04-25/38, art. 217, 008; En vigueur : 18-05-2007>)
§ 2. Si, pour quelque cause que ce soit, le preneur d'assurance cesse d'assumer la responsabilité, visée à l'article 8, alinéa premier, il est tenu d'aviser l'entreprise d'assurance dans les huit jours.
§ 3. Pour l'application des dispositions du présent chapitre, la personne lésée peut assigner l'entreprise d'assurances en Belgique, soit devant le juge du lieu où s'est produit le fait générateur du dommage, soit devant le juge de son propre domicile, soit devant le juge du siège de l'entreprise d'assurances.
§ 4. Le jugement ou l'arrêt rendu sur une contestation née d'un préjudice causé par un incendie ou une explosion, visés à l'article 8, alinéa premier, n'est opposable à l'entreprise d'assurances ou à la personne lésée, que s'ils ont été présents ou appelés à l'instance.
Toutefois, le jugement ou l'arrêt rendu dans une instance entre la personne lésée et le preneur d'assurance est opposable à l'entreprise d'assurances s'il est établi qu'elle a, en fait, assumé la direction du litige.
L'entreprise d'assurances peut mettre le preneur d'assurance en cause dans le litige qui lui est intenté par la personne lésée.
Lorsque l'action civile en réparation du dommage causé par un incendie ou une explosion, visés à l'article 8, alinéa premier, est intentée contre le preneur d'assurance devant la juridiction répressive, l'entreprise d'assurances peut être mise en cause par la partie lésée ou par le preneur d'assurance et peut intervenir volontairement dans les mêmes conditions que si l'action était portée devant la juridiction civile, sans cependant que la juridiction répressive puisse statuer sur les droits que l'entreprise d'assurances peut faire valoir contre le preneur d'assurance.
En outre, le preneur d'assurance peut être mis en cause par l'entreprise d'assurances qui intervient volontairement.
§ 5. Toute action de la personne lésée fondée sur l'article 8, alinéa 7, se prescrit après trois ans, à compter du fait générateur du dommage. (NOTE de Justel : la L 2007-04-25/38, art. 217, dispose que l'alinéa 1er du § 1er est remplacé par l'alinéa suivant : " Sans préjudice de l'article 2277ter du Code civil, toute action de la personne lésée, fondée sur l'article 8, alinéa 7, se prescrit par trois ans à compter de la date du dommage. " C'est peut-être le présent alinéa 1er du § 5 qui doit être ainsi remplacé. <L 2007-04-25/38, art. 217, 008; En vigueur : 18-05-2007>)
Les actes qui interrompent la prescription de l'action de la personne lésée contre l'entreprise d'assurances, interrompent également la prescription de son action contre le preneur d'assurance.
Les actes qui interrompent la prescription de l'action de la personne lésée contre le preneur d'assurance, interrompent également la prescription de son action contre l'entreprise d'assurances.
La prescription est interrompue à l'égard de l'entreprise d'assurances par tout pourparler entre l'entreprise d'assurances et la personne lésée. Un nouveau délai de trois ans prend cours au moment où l'une des parties aura notifié à l'autre par exploit d'huissier, qu'elle rompt les pourparlers; si la notification est faite par lettre recommandée, le nouveau délai prendra cours le lendemain du dépôt de celle-ci à la poste.
§ 6. Aucune nullité, exception ou déchéance dérivant de la loi ou du contrat d'assurance ne peut être opposée par l'entreprise d'assurances à la personne lésée.
Une entreprise d'assurances peut se réserver un droit de recours contre le preneur d'assurance dans la mesure où elle aurait été autorisée à refuser ou à réduire les prestations d'après la loi ou le contrat d'assurance.
§ 7. L'expiration, l'annulation, la résiliation, la dénonciation, la suspension du contrat ou de la garantie, quelle que soit leur cause, ne peuvent être opposées par l'entreprise d'assurances à la personne lésée, que pour les sinistres survenus après l'expiration d'un délai de trente jours suivant la notification par l'entreprise d'assurances d'un des faits susdits. Cette notification doit être faite par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception au bourgmestre de la commune où se trouve l'établissement accessible au public qui est compétent pour recevoir les notifications relatives à l'assurance faisant l'objet du présent chapitre.
Le délai prend cours le lendemain du dépôt de la lettre recommandée à la poste.
La notification ne peut se faire au plus tôt :
1° que le jour où le contrat aura pris fin à l'égard de l'assuré s'il s'agit de la suspension;
2° que le jour de la notification par l'une des parties à l'autre de la résiliation, de la dénonciation ou de l'annulation du contrat;
3° que le jour de l'expiration du contrat dans tous les cas qui ne sont pas visés au 2°.
§ 8. L'entreprise d'assurances, qui conclut le contrat visé à l'article 8, alinéa 3, est tenue de délivrer au preneur d'assurance un document probant dont la forme et le contenu sont délivrés par le Roi.
§ 9. L'entreprise d'assurances qui conclut un contrat d'assurance visé à l'article 8, alinéa 3, est tenue de le notifier au bourgmestre de la commune où se trouve l'établissement accessible au public.
L'entreprise d'assurances inscrit les notifications et les déclarations relatives à la présente assurance dans un répertoire dont le Roi détermine l'organisation et le fonctionnement.
§ 10. Les arrêtés royaux en exécution des paragraphes 8 et 9 sont pris après avis de l'Office de Contrôle des Assurances et de la Commission des Assurances institués par la loi du 9 juillet 1975.
§ 2. Si, pour quelque cause que ce soit, le preneur d'assurance cesse d'assumer la responsabilité, visée à l'article 8, alinéa premier, il est tenu d'aviser l'entreprise d'assurance dans les huit jours.
§ 3. Pour l'application des dispositions du présent chapitre, la personne lésée peut assigner l'entreprise d'assurances en Belgique, soit devant le juge du lieu où s'est produit le fait générateur du dommage, soit devant le juge de son propre domicile, soit devant le juge du siège de l'entreprise d'assurances.
§ 4. Le jugement ou l'arrêt rendu sur une contestation née d'un préjudice causé par un incendie ou une explosion, visés à l'article 8, alinéa premier, n'est opposable à l'entreprise d'assurances ou à la personne lésée, que s'ils ont été présents ou appelés à l'instance.
Toutefois, le jugement ou l'arrêt rendu dans une instance entre la personne lésée et le preneur d'assurance est opposable à l'entreprise d'assurances s'il est établi qu'elle a, en fait, assumé la direction du litige.
L'entreprise d'assurances peut mettre le preneur d'assurance en cause dans le litige qui lui est intenté par la personne lésée.
Lorsque l'action civile en réparation du dommage causé par un incendie ou une explosion, visés à l'article 8, alinéa premier, est intentée contre le preneur d'assurance devant la juridiction répressive, l'entreprise d'assurances peut être mise en cause par la partie lésée ou par le preneur d'assurance et peut intervenir volontairement dans les mêmes conditions que si l'action était portée devant la juridiction civile, sans cependant que la juridiction répressive puisse statuer sur les droits que l'entreprise d'assurances peut faire valoir contre le preneur d'assurance.
En outre, le preneur d'assurance peut être mis en cause par l'entreprise d'assurances qui intervient volontairement.
§ 5. Toute action de la personne lésée fondée sur l'article 8, alinéa 7, se prescrit après trois ans, à compter du fait générateur du dommage. (NOTE de Justel : la L 2007-04-25/38, art. 217, dispose que l'alinéa 1er du § 1er est remplacé par l'alinéa suivant : " Sans préjudice de l'article 2277ter du Code civil, toute action de la personne lésée, fondée sur l'article 8, alinéa 7, se prescrit par trois ans à compter de la date du dommage. " C'est peut-être le présent alinéa 1er du § 5 qui doit être ainsi remplacé. <L 2007-04-25/38, art. 217, 008; En vigueur : 18-05-2007>)
Les actes qui interrompent la prescription de l'action de la personne lésée contre l'entreprise d'assurances, interrompent également la prescription de son action contre le preneur d'assurance.
Les actes qui interrompent la prescription de l'action de la personne lésée contre le preneur d'assurance, interrompent également la prescription de son action contre l'entreprise d'assurances.
La prescription est interrompue à l'égard de l'entreprise d'assurances par tout pourparler entre l'entreprise d'assurances et la personne lésée. Un nouveau délai de trois ans prend cours au moment où l'une des parties aura notifié à l'autre par exploit d'huissier, qu'elle rompt les pourparlers; si la notification est faite par lettre recommandée, le nouveau délai prendra cours le lendemain du dépôt de celle-ci à la poste.
§ 6. Aucune nullité, exception ou déchéance dérivant de la loi ou du contrat d'assurance ne peut être opposée par l'entreprise d'assurances à la personne lésée.
Une entreprise d'assurances peut se réserver un droit de recours contre le preneur d'assurance dans la mesure où elle aurait été autorisée à refuser ou à réduire les prestations d'après la loi ou le contrat d'assurance.
§ 7. L'expiration, l'annulation, la résiliation, la dénonciation, la suspension du contrat ou de la garantie, quelle que soit leur cause, ne peuvent être opposées par l'entreprise d'assurances à la personne lésée, que pour les sinistres survenus après l'expiration d'un délai de trente jours suivant la notification par l'entreprise d'assurances d'un des faits susdits. Cette notification doit être faite par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception au bourgmestre de la commune où se trouve l'établissement accessible au public qui est compétent pour recevoir les notifications relatives à l'assurance faisant l'objet du présent chapitre.
Le délai prend cours le lendemain du dépôt de la lettre recommandée à la poste.
La notification ne peut se faire au plus tôt :
1° que le jour où le contrat aura pris fin à l'égard de l'assuré s'il s'agit de la suspension;
2° que le jour de la notification par l'une des parties à l'autre de la résiliation, de la dénonciation ou de l'annulation du contrat;
3° que le jour de l'expiration du contrat dans tous les cas qui ne sont pas visés au 2°.
§ 8. L'entreprise d'assurances, qui conclut le contrat visé à l'article 8, alinéa 3, est tenue de délivrer au preneur d'assurance un document probant dont la forme et le contenu sont délivrés par le Roi.
§ 9. L'entreprise d'assurances qui conclut un contrat d'assurance visé à l'article 8, alinéa 3, est tenue de le notifier au bourgmestre de la commune où se trouve l'établissement accessible au public.
L'entreprise d'assurances inscrit les notifications et les déclarations relatives à la présente assurance dans un répertoire dont le Roi détermine l'organisation et le fonctionnement.
§ 10. Les arrêtés royaux en exécution des paragraphes 8 et 9 sont pris après avis de l'Office de Contrôle des Assurances et de la Commission des Assurances institués par la loi du 9 juillet 1975.
Art.9. De ondernemingen die de in artikel 8 bedoelde burgerrechtelijke aansprakelijkheid verzekeren, vestigen ten laste van de verzekeringnemers jaarlijks een heffing die niet meer mag belopen dan 10 pct. van het jaarbedrag van de premie met betrekking tot de in voornoemd artikel opgelegde verzekering. De opbrengst van deze heffing is bestemd tot stijving van het Fonds voor beveiliging tegen brand en ontploffing bedoeld in artikel 6, § 2.
De Koning bepaalt, op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en van de Minister van Economische Zaken, het percentage van genoemde heffing, inning en overdracht aan het Fonds. De Controledienst van de verzekeringen is gelast toe te zien op de uitvoering, van deze bepalingen.
De Koning bepaalt, op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en van de Minister van Economische Zaken, het percentage van genoemde heffing, inning en overdracht aan het Fonds. De Controledienst van de verzekeringen is gelast toe te zien op de uitvoering, van deze bepalingen.
Art.9. Les entreprises qui assurent la responsabilité civile visée à l'article 8 appliquent annuellement, à charge des preneurs d'assurance, un supplément qui ne peut être supérieur à 10 p.c. du montant annuel de la prime relative à l'assurance imposée par ledit article. Le produit de ce supplément est destiné à alimenter le Fonds de la sécurité contre l'incendie et l'explosion prévu à l'article 6, § 2.
Le Roi, sur la proposition du Ministre de l'Intérieur et du Ministre des Affaires économiques, fixe le taux dudit supplément ainsi que ses modalités de calcul, de perception et de transfert au Fonds. L'Office de Contrôle des Assurances est chargé de veiller à l'exécution de ces dispositions.
Le Roi, sur la proposition du Ministre de l'Intérieur et du Ministre des Affaires économiques, fixe le taux dudit supplément ainsi que ses modalités de calcul, de perception et de transfert au Fonds. L'Office de Contrôle des Assurances est chargé de veiller à l'exécution de ces dispositions.
HOOFDSTUK III. _ Sancties en controle.
CHAPITRE III. _ Sanctions et contrôle.
Art.10. § 1. Overtreding van de bepalingen van deze wet en van de ter uitvoering ervan genomen koninklijke besluiten worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van zesentwintig frank tot duizend frank, of met één van die straffen alleen.
In geval van herhaling binnen het jaar kan de straf tot het dubbele van het maximum worden verhoogd.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk V en artikel 85 niet uitgezonderd zijn van toepassing op de in de artikel bedoelde overtredingen.
§ 2. In geval van veroordeling kan de rechter de sluiting van de inrichting voor een duur van één maand tot één jaar bevelen. De sluiting kan in voorkomend geval worden uitgevoerd ten laste van de derde die de inrichting mocht hebben overgenomen sedert de vaststelling van de overtreding welke tot de sluiting aanleiding geeft.
In dat geval wordt de derde echter in het geding geroepen en kan het vonnis niet tegen hem ingeroepen worden indien hij kan bewijzen dat hij te goeder trouw was en onkundig van de sluiting waarmee de inrichting was bedreigd. Hij moet eveneens bewijzen dat hij de krachtens artikel 3, § 1, vereiste aanpassingen of verbouwingen heeft uitgevoerd.
De sluiting van de inrichting gaat in achtenveertig uren na de betekening van de beslissing tot veroordeling.
In geval van herhaling binnen het jaar kan de straf tot het dubbele van het maximum worden verhoogd.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk V en artikel 85 niet uitgezonderd zijn van toepassing op de in de artikel bedoelde overtredingen.
§ 2. In geval van veroordeling kan de rechter de sluiting van de inrichting voor een duur van één maand tot één jaar bevelen. De sluiting kan in voorkomend geval worden uitgevoerd ten laste van de derde die de inrichting mocht hebben overgenomen sedert de vaststelling van de overtreding welke tot de sluiting aanleiding geeft.
In dat geval wordt de derde echter in het geding geroepen en kan het vonnis niet tegen hem ingeroepen worden indien hij kan bewijzen dat hij te goeder trouw was en onkundig van de sluiting waarmee de inrichting was bedreigd. Hij moet eveneens bewijzen dat hij de krachtens artikel 3, § 1, vereiste aanpassingen of verbouwingen heeft uitgevoerd.
De sluiting van de inrichting gaat in achtenveertig uren na de betekening van de beslissing tot veroordeling.
Art.10. § 1er. Les infractions aux dispositions de la présente loi et aux arrêtés royaux pris pour son exécution sont punies d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de vingt-six francs à mille francs, ou d'une de ces peines seulement.
En cas de récidive dans l'année, la peine peut être portée au double du maximum.
Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues au présent article.
§ 2. En cas de condamnation, le juge peut ordonner la fermeture de l'établissement pour une durée d'un mois à un an. Cette fermeture peut être exécutée, le cas échéant, à charge du tiers qui aurait repris l'établissement depuis la constatation de l'infraction qui donne lieu à la fermeture.
Toutefois, dans ce cas, le tiers sera appelé au procès et le jugement ne lui sera pas opposable s'il peut prouver sa bonne foi et l'ignorance de la menace de fermeture qui pesait sur l'établissement. Il devra aussi prouver qu'il a exécuté les aménagements ou les transformations requis en vertu de l'article 3, § 1er.
La fermeture de l'établissement produit ses effets quarante-huit heures après la signification de la décision de condamnation.
En cas de récidive dans l'année, la peine peut être portée au double du maximum.
Les dispositions du Livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont applicables aux infractions prévues au présent article.
§ 2. En cas de condamnation, le juge peut ordonner la fermeture de l'établissement pour une durée d'un mois à un an. Cette fermeture peut être exécutée, le cas échéant, à charge du tiers qui aurait repris l'établissement depuis la constatation de l'infraction qui donne lieu à la fermeture.
Toutefois, dans ce cas, le tiers sera appelé au procès et le jugement ne lui sera pas opposable s'il peut prouver sa bonne foi et l'ignorance de la menace de fermeture qui pesait sur l'établissement. Il devra aussi prouver qu'il a exécuté les aménagements ou les transformations requis en vertu de l'article 3, § 1er.
La fermeture de l'établissement produit ses effets quarante-huit heures après la signification de la décision de condamnation.
Art.11. De burgemeester kan de voorlopige sluiting bevelen van de inrichting die niet voldoet aan de krachtens deze wet voorgeschreven veiligheidsmaatregelen [1 of wegens het niet afsluiten van de verzekering bedoeld in hoofdstuk II]1.
De heropening van de inrichting wordt slechts toegestaan als de vereiste aanpassingen of verbouwingen uitgevoerd zijn [1 en de verplichting inzake de verzekering bepaald in hoofdstuk II in orde gebracht werden]1.
De heropening van de inrichting wordt slechts toegestaan als de vereiste aanpassingen of verbouwingen uitgevoerd zijn [1 en de verplichting inzake de verzekering bepaald in hoofdstuk II in orde gebracht werden]1.
Art.11. Le bourgmestre peut ordonner la fermeture provisoire de l'établissement qui ne répond pas aux mesures de sécurité prescrites en vertu de la présente loi [1 ou en raison de l'absence de conclusion de l'assurance visée au chapitre II]1.
La réouverture de l'établissement ne sera autorisée que si les aménagements ou les transformations requis ont été exécutés [1 et que les obligations en matière d'assurance prévues au chapitre II ont été accomplies]1.
La réouverture de l'établissement ne sera autorisée que si les aménagements ou les transformations requis ont été exécutés [1 et que les obligations en matière d'assurance prévues au chapitre II ont été accomplies]1.
Wijzigingen
Art.12. Onverminderd de op de officieren van gerechtelijke politie rustende plichten, is de burgemeester gemachtigd de inbreuken op de bepalingen van deze wet op te sporen en bij wege van processen-verbaal die bewijskrachtig zijn behoudens tegenbewijs, vast te stellen.
Een afschrift van het proces-verbaal wordt binnen drie dagen na de vaststelling van de overtreding aan de overtreder overhandigd.
Een afschrift van het proces-verbaal wordt binnen drie dagen na de vaststelling van de overtreding aan de overtreder overhandigd.
Art.12. Sans préjudice des devoirs incombant aux officiers de police judiciaire, le bourgmestre est habilité à rechercher et à constater, par des procès-verbaux faisant foi jusqu'à preuve du contraire, les infractions aux dispositions de la présente loi.
Une copie du procès-verbal sera remise au contrevenant dans les trois jours de la constatation de l'infraction.
Une copie du procès-verbal sera remise au contrevenant dans les trois jours de la constatation de l'infraction.