Artikel 1. § 1. Niemand mag de werkzaamheid van vervoermakelaar die omschreven is in artikel 1, 2° van de wet van 26 juni 1967 betreffende het statuut van de tussenpersonen op het gebied van het goederenvervoer, uitoefenen tenzij hij houder is van een vergunning die overeenkomstig de bepalingen van dit besluit is afgegeven door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde.
§ 2. Wanneer de werkzaamheid van vervoermakelaar wordt uitgeoefend in verschillende zetels van een onderneming, die van een zelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon afhangen, moet voor iedere exploitatiezetel een vergunning worden aangevraagd. In zijn aanvraag geeft de aanvrager op eigen verantwoordelijkheid de lijst van zijn exploitatiezetels op.
§ 3. De vergunning is persoonlijk en kan niet worden overgedragen. Zij wordt afgeleverd op naam van de onderneming die een natuurlijke of rechtspersoon kan zijn.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 JANUARI 1978. - Koninklijk besluit tot instelling van de vergunning van vervoermakelaar. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-01-1987 en tekstbijwerking tot 12-01-2009).
Titre
12 JANVIER 1978. - Arrêté royal créant la licence de courtier de transport. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-01-1987 et mise à jour au 12-01-2009).
Documentinformatie
Numac: 1978011206
Datum: 1978-01-12
Info du document
Numac: 1978011206
Date: 1978-01-12
Inhoud
HOOFDSTUK 1. _ Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK 2. _ Voorwaarden voor de toekenning v...
HOOFDSTUK 3. _ Procedure voor het verlenen van ...
HOOFDSTUK 4. _ Procedure voor intrekking en sch...
HOOFDSTUK 5. _ Beroep.
HOOFDSTUK 6. _ Verplichtingen van de vergunning...
HOOFDSTUK 7. _ Retributies.
HOOFDSTUK 8. _ Vrijstellingsmaatregelen.
HOOFDSTUK 9. _ Bescherming van de titel of bena...
HOOFDSTUK 10. _ Overgangs- en slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE 1. _ Dispositions générales.
CHAPITRE 2. _ Des conditions d'octroi de la lic...
CHAPITRE 3. _ De la procédure d'octroi des lice...
CHAPITRE 4. _ De la procédure de retrait et de ...
CHAPITRE 5. _ Des recours.
CHAPITRE 6. _ Des obligations des titulaires de...
CHAPITRE 7. _ Des redevances.
CHAPITRE 8. _ Des mesures de dispenses.
CHAPITRE 9. _ De la protection du titre ou appe...
CHAPITRE 10. _ Dispositions transitoires et fin...
Tekst (32)
Texte (32)
HOOFDSTUK 1. _ Algemene bepalingen.
CHAPITRE 1. _ Dispositions générales.
Article 1. § 1er. Nul ne peut exercer les activités de courtier de transport, décrites à l'article 1er, 2°, de la loi du 26 juin 1967, relative au statut des auxiliaires de transport de marchandises, s'il n'est titulaire d'une licence délivrée conformément aux dispositions du présent arrêté, par le Ministre des Communications ou son délégué.
§ 2. Lorsque les activités de courtier de transport sont exercées dans des sièges différents d'une entreprise dépendant d'une même personne physique ou morale, il doit être demandé une licence par siège d'exploitation. Le demandeur établit dans sa demande, sous sa propre responsabilité, la liste de ses sièges d'exploitation.
§ 3. La licence est personnelle et incessible. Elle est délivrée au nom de l'entreprise qui peut être une personne physique ou morale.
§ 2. Lorsque les activités de courtier de transport sont exercées dans des sièges différents d'une entreprise dépendant d'une même personne physique ou morale, il doit être demandé une licence par siège d'exploitation. Le demandeur établit dans sa demande, sous sa propre responsabilité, la liste de ses sièges d'exploitation.
§ 3. La licence est personnelle et incessible. Elle est délivrée au nom de l'entreprise qui peut être une personne physique ou morale.
HOOFDSTUK 2. _ Voorwaarden voor de toekenning van de vergunning.
CHAPITRE 2. _ Des conditions d'octroi de la licence.
Art.2. De vergunning moet door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde worden geweigerd, indien de aanvrager of een persoon belast met het dagelijks beheer van de onderneming één van de in artikel 5, 1°, a, van de wet van 26 juni 1967 genoemde veroordelingen heeft opgelopen.
Art.2. La licence doit être refusée par le Ministre des Communications ou son délégué lorsque le requérant ou une personne chargée de la gestion journalière de l'entreprise a encouru une des condamnations mentionnées dans l'article 5, 1°, a, de la loi du 26 juin 1967.
Art.3. § 1. De vergunningaanvrager moet voor iedere persoon die zal instaan voor het dagelijks beheer van de onderneming of ondernemingstak die de werkzaamheid van vervoermakelaar wil uitoefenen, het bewijs leveren dat hij op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend, in de laatste zes jaar ononderbroken gedurende ten minste vijf jaar op zodanige wijze heeft deelgenomen aan een werkzaamheid welke omschreven is als die van vervoermakelaar, dat hij de nodige vakbekwaamheid heeft verkregen. Dat die voorwaarden vervuld zijn, wordt op verzoek van de aanvrager vastgesteld in een getuigschrift van vakbekwaamheid.
(Een getuigschrift van vakbekwaamheid wordt eveneens afgeleverd indien uit de verklaringen afgegeven door een bevoegde instantie of organisatie van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap blijkt dat aan de in dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan.) <KB 1990-11-16/36, art. 1, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1990>
(§ 2. De in § 1 bepaalde periode van vijf jaar wordt verminderd tot :
1. drie jaar voor de personen waarvoor het bewijs wordt geleverd dat ze voor het betrokken beroep een voorafgaande opleiding van ten minste twee jaar hebben gevolgd, die door een van overheidswege erkend getuigschrift wordt gestaafd of door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt erkend;
2. twee jaar voor de personen waarvoor het bewijs wordt geleverd dat ze :
- ofwel voor het betrokken beroep een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar hebben gevolgd, die door een van overheidswege erkend getuigschrift wordt gestaafd of door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt erkend;
- ofwel houder zijn van een universitair of daarmee gelijkgesteld diploma, erkend in België of door de betrokken (Lid-Staat) van de Europese Economische Gemeenschap;
3. zes maanden voor hen die vooraf geslaagd zijn voor een beroepsexamen van vervoermakelaar.
In dat geval zullen de praktische modaliteiten betreffende de examenstof, de voorbereiding en de inrichting van de examens alsmede de samenstelling van de examencommissies worden bepaald door de Minister van Verkeerswezen.) <KB 1990-11-16/36, art. 1, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1990>
§ 3. De getuigschriften van vakbekwaamheid worden afgeleverd door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde.
(Een getuigschrift van vakbekwaamheid wordt eveneens afgeleverd indien uit de verklaringen afgegeven door een bevoegde instantie of organisatie van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap blijkt dat aan de in dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan.) <KB 1990-11-16/36, art. 1, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1990>
(§ 2. De in § 1 bepaalde periode van vijf jaar wordt verminderd tot :
1. drie jaar voor de personen waarvoor het bewijs wordt geleverd dat ze voor het betrokken beroep een voorafgaande opleiding van ten minste twee jaar hebben gevolgd, die door een van overheidswege erkend getuigschrift wordt gestaafd of door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt erkend;
2. twee jaar voor de personen waarvoor het bewijs wordt geleverd dat ze :
- ofwel voor het betrokken beroep een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar hebben gevolgd, die door een van overheidswege erkend getuigschrift wordt gestaafd of door een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie als volwaardig wordt erkend;
- ofwel houder zijn van een universitair of daarmee gelijkgesteld diploma, erkend in België of door de betrokken (Lid-Staat) van de Europese Economische Gemeenschap;
3. zes maanden voor hen die vooraf geslaagd zijn voor een beroepsexamen van vervoermakelaar.
In dat geval zullen de praktische modaliteiten betreffende de examenstof, de voorbereiding en de inrichting van de examens alsmede de samenstelling van de examencommissies worden bepaald door de Minister van Verkeerswezen.) <KB 1990-11-16/36, art. 1, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1990>
§ 3. De getuigschriften van vakbekwaamheid worden afgeleverd door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde.
Art.3. § 1er. Le demandeur de la licence doit, pour chaque personne qui assurera la gestion journalière de l'entreprise ou de la branche d'entreprise qui désire exercer l'activité de courtier de transport, faire la preuve qu'au moment de l'introduction de la demande, elle a participé au cours des six années précédentes à des activités définies comme étant celles de courtier de transport, d'une façon ininterrompue pendant cinq ans au moins, et d'une manière telle qu'elle a acquis la compétence professionnelle nécessaire. La réalisation de ces conditions est attestée, à la demande du requérant, par un certificat de compétence professionnelle.
(Un certificat de compétence professionnelle est également délivré s'il résulte des attestations délivrées par une autorité ou organisme compétent d'un Etat membre de la Communauté Economique Européenne qu'il est satisfait aux conditions fixées par le présent article.) <AR 1990-11-16/36, art. 1, 1°, 002; En vigueur : 1990-12-01>
(§ 2. Le délai de cinq ans visé au § 1er est réduit à :
1. trois ans pour les personnes pour lesquelles la preuve est fournie qu'elles ont pour la profession concernée suivi une formation préalable d'au moins deux ans, sanctionnée par un certificat reconnu par l'autorité ou jugée valable par un organisme professionnel compétent;
2. deux ans pour les personnes pour lesquelles la preuve est fournie :
- soit qu'elles ont pour la profession concernée suivi une formation préalable d'au moins trois ans, sanctionnée par un certificat reconnu par l'autorité ou jugée valable par un organisme professionnel compétent;
- soit qu'elles sont titulaires d'un diplôme universitaire ou d'un diplôme y assimilé, reconnu en Belgique ou par l'Etat membre de la Communauté Economique Européenne concerné;
3. six mois en faveur de ceux qui ont réussi préalablement l'examen professionnel de courtier de transport.
Dans ce cas, les modalités pratiques concernant les matières, la préparation et l'organisation des examens ainsi que la composition des commissions d'examen, seront déterminées par le Ministre des Communications.) <AR 1990-11-16/36, art. 1, 2°, 002; En vigueur : 01-12-1990>
§ 3. Les certificats de compétence professionnelle sont délivrés par le Ministre des Communications ou son délégué.
(Un certificat de compétence professionnelle est également délivré s'il résulte des attestations délivrées par une autorité ou organisme compétent d'un Etat membre de la Communauté Economique Européenne qu'il est satisfait aux conditions fixées par le présent article.) <AR 1990-11-16/36, art. 1, 1°, 002; En vigueur : 1990-12-01>
(§ 2. Le délai de cinq ans visé au § 1er est réduit à :
1. trois ans pour les personnes pour lesquelles la preuve est fournie qu'elles ont pour la profession concernée suivi une formation préalable d'au moins deux ans, sanctionnée par un certificat reconnu par l'autorité ou jugée valable par un organisme professionnel compétent;
2. deux ans pour les personnes pour lesquelles la preuve est fournie :
- soit qu'elles ont pour la profession concernée suivi une formation préalable d'au moins trois ans, sanctionnée par un certificat reconnu par l'autorité ou jugée valable par un organisme professionnel compétent;
- soit qu'elles sont titulaires d'un diplôme universitaire ou d'un diplôme y assimilé, reconnu en Belgique ou par l'Etat membre de la Communauté Economique Européenne concerné;
3. six mois en faveur de ceux qui ont réussi préalablement l'examen professionnel de courtier de transport.
Dans ce cas, les modalités pratiques concernant les matières, la préparation et l'organisation des examens ainsi que la composition des commissions d'examen, seront déterminées par le Ministre des Communications.) <AR 1990-11-16/36, art. 1, 2°, 002; En vigueur : 01-12-1990>
§ 3. Les certificats de compétence professionnelle sont délivrés par le Ministre des Communications ou son délégué.
Art.4. De werkzaamheid waarvoor de vergunning wordt afgegeven dient te worden uitgeoefend in lokalen die uitsluitend daartoe of tot ermee samenhangende werkzaamheden op het gebied van het goederen- of personenvervoer bestemd zijn.
De lokalen moeten gemakkelijk te bereiken zijn en mogen niet in verbinding staan met lokalen waar een winstgevende werkzaamheid wordt uitgeoefend die niets uit te staan heeft met die van tussenpersoon op het gebied van het vervoer of met die van vervoerder.
De lokalen moeten gemakkelijk te bereiken zijn en mogen niet in verbinding staan met lokalen waar een winstgevende werkzaamheid wordt uitgeoefend die niets uit te staan heeft met die van tussenpersoon op het gebied van het vervoer of met die van vervoerder.
Art.4. L'activité pour laquelle la licence est délivrée doit être exercée dans des locaux affectés exclusivement à cette fin ou à des activités connexes dans le domaine du transport de marchandises ou de personnes.
Les locaux doivent être d'accès facile et sans communication avec des locaux où sont exercées des activités lucratives étrangères aux activités d'auxiliaire de transport ou de transporteur.
Les locaux doivent être d'accès facile et sans communication avec des locaux où sont exercées des activités lucratives étrangères aux activités d'auxiliaire de transport ou de transporteur.
Art.5. <KB 1990-11-16/36, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-03-1991> § 1. Voor iedere vergunning van vervoermakelaar moet ten bewijze van de financiële draagkracht een borgtocht van 500 000 frank worden gesteld.
De gezamenlijke borgtochten die eventueel van eenzelfde rechtspersoon of natuurlijke persoon worden geëist, mogen 5 miljoen frank niet overschrijden.
§ 2. De borgtocht kan bestaan, hetzij in een hoofdelijke borg van een bank, een private spaarkas, een verzekeringsmaatschappij of een openbare kredietinstelling, hetzij in het deponeren bij de Deposito- en Consignatiekas van geld of waarden die door de Minister van Financiën aangenomen zijn voor het stellen van borgtochten van alle categorieën bij de Deposito- en Consignatiekas.
Als bewijs van borgstelling worden eveneens aanvaard, de getuigschriften van borgtocht die afgeleverd zijn door een bank of een andere erkende financiële instelling van een andere lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap en die de verbintenissen waarborgen die voorgeschreven zijn door dit artikel.
De Minister van Verkeerswezen bepaalt het model dat moet dienen tot bewijs van hoofdelijke borgstelling.
§ 3. De vergunninghouder is verplicht de borgtocht waarop enige afneming is verricht, binnen dertig dagen te herstellen of aan te vullen zonder dat hij daar om verzocht hoeft te worden.
§ 4. De vergunninghouder die bij de Deposito- en Consignatiekas waarden heeft gedeponeerd die tegen de officiële koers zijn aangenomen, is verplicht om onverwijld en zonder dat hij daar om moet worden verzocht, een aanvullende waarborg te verstrekken indien de borgtocht ten gevolge van koersdalingen meer dan vijf percent van zijn werkelijke waarde heeft verloren.
§ 5. De borgtocht dient uitsluitend tot waarborg van de schuldvorderingen voortspruitend uit de uitoefening van de door de vergunning gedekte werkzaamheden.
De borgtocht kan alleen door de houders van schuldvorderingen bedoeld in het eerste lid worden aangesproken na overlegging, bij ter post aangetekende brief, van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel van een ten laste van de vergunninghouder in België uitvoerbare rechterlijke beslissing.
§ 6. De Deposito- en Consignatiekas of de hoofdelijke borg geven van iedere afneming op de borgtocht bij ter post aangetekende brief kennis aan de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde.
§ 7. Indien de borgtocht in de vorm van een deposito bij de Deposito- en Consignatiekas is gesteld, wordt het gedeponeerde geld of worden de gedeponeerde waarden op zijn vroegst teruggegeven zes maanden na de datum waarop de vervoermakelaar opgehouden heeft houder te zijn van een vergunning.
De termijn van zes maanden wordt geschorst wanneer een schuldeiser een rechtsvordering instelt en de Deposito- en Consignatiekas daarvan kennis geeft bij ter post aangetekende brief. Hij begint eerst opnieuw te lopen de dag dat in de zaak tussen de vervoermakelaar en zijn schuldeiser de rechterlijke eindbeslissing in kracht van gewijsde gaat.
§ 8. De hoofdelijke borg is bevrijd :
1° in geval van intrekking van de vergunning : op de dag dat de vervoermakelaar ophoudt houder te zijn van die vergunning;
2° in geval hij zich wil ontdoen van zijn verplichtingen : bij het verstrijken van een termijn van drie maanden, ingaand op de dag waarop de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde de ter post aangetekende brief houdende kennisgeving van die beslissing heeft ontvangen. De Minister of zijn gemachtigde brengt de vervoermakelaar hiervan onmiddellijk op de hoogte. Deze dient vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden een nieuwe borgtocht te stellen.
Nochtans kan in beide gevallen tot uiterlijk zes maanden na de datum van de bevrijding van de borg nog beroep worden gedaan op de borgtocht, voor zover de schuldvordering vóór deze datum is ontstaan.
Ten aanzien van de schuldeisers die een rechtsvordering tegen de vervoermakelaar hebben ingesteld en die daarvan de hoofdelijke borg, bij ter post aangetekende brief, in kennis hebben gesteld binnen de termijn bedoeld in het tweede lid, wordt de termijn van zes maanden opgeschort tot de dag waarop de rechterlijke eindbeslissing in kracht van gewijsde gaat.
§ 9. Ingeval een nieuwe borgtocht wordt gesteld en aanvaard, wordt de oude borgtocht van rechtswege bevrijd en teruggestuurd naar de instelling die ze afleverde.
De gezamenlijke borgtochten die eventueel van eenzelfde rechtspersoon of natuurlijke persoon worden geëist, mogen 5 miljoen frank niet overschrijden.
§ 2. De borgtocht kan bestaan, hetzij in een hoofdelijke borg van een bank, een private spaarkas, een verzekeringsmaatschappij of een openbare kredietinstelling, hetzij in het deponeren bij de Deposito- en Consignatiekas van geld of waarden die door de Minister van Financiën aangenomen zijn voor het stellen van borgtochten van alle categorieën bij de Deposito- en Consignatiekas.
Als bewijs van borgstelling worden eveneens aanvaard, de getuigschriften van borgtocht die afgeleverd zijn door een bank of een andere erkende financiële instelling van een andere lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap en die de verbintenissen waarborgen die voorgeschreven zijn door dit artikel.
De Minister van Verkeerswezen bepaalt het model dat moet dienen tot bewijs van hoofdelijke borgstelling.
§ 3. De vergunninghouder is verplicht de borgtocht waarop enige afneming is verricht, binnen dertig dagen te herstellen of aan te vullen zonder dat hij daar om verzocht hoeft te worden.
§ 4. De vergunninghouder die bij de Deposito- en Consignatiekas waarden heeft gedeponeerd die tegen de officiële koers zijn aangenomen, is verplicht om onverwijld en zonder dat hij daar om moet worden verzocht, een aanvullende waarborg te verstrekken indien de borgtocht ten gevolge van koersdalingen meer dan vijf percent van zijn werkelijke waarde heeft verloren.
§ 5. De borgtocht dient uitsluitend tot waarborg van de schuldvorderingen voortspruitend uit de uitoefening van de door de vergunning gedekte werkzaamheden.
De borgtocht kan alleen door de houders van schuldvorderingen bedoeld in het eerste lid worden aangesproken na overlegging, bij ter post aangetekende brief, van de uitdrukkelijke instemming van de vergunninghouder met betrekking tot het bestaan en de opeisbaarheid van de aangebrachte schuldvordering, ofwel van een ten laste van de vergunninghouder in België uitvoerbare rechterlijke beslissing.
§ 6. De Deposito- en Consignatiekas of de hoofdelijke borg geven van iedere afneming op de borgtocht bij ter post aangetekende brief kennis aan de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde.
§ 7. Indien de borgtocht in de vorm van een deposito bij de Deposito- en Consignatiekas is gesteld, wordt het gedeponeerde geld of worden de gedeponeerde waarden op zijn vroegst teruggegeven zes maanden na de datum waarop de vervoermakelaar opgehouden heeft houder te zijn van een vergunning.
De termijn van zes maanden wordt geschorst wanneer een schuldeiser een rechtsvordering instelt en de Deposito- en Consignatiekas daarvan kennis geeft bij ter post aangetekende brief. Hij begint eerst opnieuw te lopen de dag dat in de zaak tussen de vervoermakelaar en zijn schuldeiser de rechterlijke eindbeslissing in kracht van gewijsde gaat.
§ 8. De hoofdelijke borg is bevrijd :
1° in geval van intrekking van de vergunning : op de dag dat de vervoermakelaar ophoudt houder te zijn van die vergunning;
2° in geval hij zich wil ontdoen van zijn verplichtingen : bij het verstrijken van een termijn van drie maanden, ingaand op de dag waarop de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde de ter post aangetekende brief houdende kennisgeving van die beslissing heeft ontvangen. De Minister of zijn gemachtigde brengt de vervoermakelaar hiervan onmiddellijk op de hoogte. Deze dient vóór het verstrijken van de termijn van drie maanden een nieuwe borgtocht te stellen.
Nochtans kan in beide gevallen tot uiterlijk zes maanden na de datum van de bevrijding van de borg nog beroep worden gedaan op de borgtocht, voor zover de schuldvordering vóór deze datum is ontstaan.
Ten aanzien van de schuldeisers die een rechtsvordering tegen de vervoermakelaar hebben ingesteld en die daarvan de hoofdelijke borg, bij ter post aangetekende brief, in kennis hebben gesteld binnen de termijn bedoeld in het tweede lid, wordt de termijn van zes maanden opgeschort tot de dag waarop de rechterlijke eindbeslissing in kracht van gewijsde gaat.
§ 9. Ingeval een nieuwe borgtocht wordt gesteld en aanvaard, wordt de oude borgtocht van rechtswege bevrijd en teruggestuurd naar de instelling die ze afleverde.
Art.5. <AR 1990-11-16/36, art. 2, 002; En vigueur : 01-03-1991> § 1. Pour chaque licence de courtier de transport, il doit être constitué un cautionnement de 500 000 francs justifiant la capacité financière.
Toutefois, l'ensemble des cautionnements éventuellement exigés d'une même personne physique ou morale ne peut dépasser 5 millions de francs.
§ 2. Le cautionnement peut consister, soit en une caution solidaire d'une banque, d'une caisse d'épargne privée, d'une compagnie d'assurance ou d'une institution publique de crédit, soit en un dépôt à la Caisse de Dépôts et Consignations, de numéraire ou de valeurs admises par le Ministre des Finances pour la constitution de cautionnements de toutes catégories à déposer à la Caisse des Dépôts et Consignations.
Sont également acceptées comme preuve de cautionnement, les attestations de cautionnement délivrées par une banque ou une autre institution financière reconnue d'un autre Etat membre de la Communauté Economique Européenne et qui garantissent les engagements prescrits par le présent article.
Le Ministre des Communications détermine le modèle devant servir comme preuve de cautionnement solidaire.
§ 3. Sans devoir y être invité, le titulaire de la licence est tenu de reconstituer ou de compléter le cautionnement dans les trente jours de tout prélèvement opéré sur celui-ci.
§ 4. Le titulaire de la licence qui a déposé à la Caisse des Dépôts et Consignations des valeurs admises au taux de la cote officielle, est tenu de fournir sans délai et sans devoir y être invité, une garantie complémentaire si la valeur effective du cautionnement vient à diminuer de plus de cinq pour cent par suite de la baisse des cours.
§ 5. Le cautionnement est affecté exclusivement à la garantie des créances résultant de l'exercice des activités couvertes par la licence.
Seuls les titulaires des créances visées à l'alinéa 1er peuvent faire appel au cautionnement, sur production, par lettre recommandée à la poste, soit de l'accord exprès du titulaire de la licence relatif à l'existence et à l'exigibilité de la créance invoquée, soit d'une décision judiciaire exécutoire en Belgique à charge du titulaire de la licence.
§ 6. La Caisse des Dépôts et Consignations ou la caution solidaire informe, par lettre recommandée à la poste, le Ministre des Communications ou son délégué de tout prélèvement opéré sur le cautionnement.
§ 7. Si le cautionnement est constitué sous forme de dépôt à la Caisse des Dépôts et Consignations, les espèces ou les valeurs déposées sont restituées au plus tôt six mois après la date à laquelle le courtier de transport a cessé d'être titulaire d'une licence.
Le délai de six mois est suspendu dans le cas où un créancier intente une action en justice et en fait notification à la Caisse des Dépôts et Consignations, par lettre recommandée à la poste. Il ne recommence à courir qu'au jour où la décision judiciaire définitive dans l'affaire opposant le courtier de transport et son créancier, passe en force de chose jugée.
§ 8. La caution solidaire est libérée :
1° en cas de retrait de la licence : le jour où le courtier de transport cesse d'être titulaire de cette licence;
2° dans le cas où elle veut se dégager de ses obligations : à l'expiration d'un délai de trois mois prenant cours à la date à laquelle le Ministre des Communications ou son délégué a reçu la lettre recommandée à la poste, lui notifiant cette décision. Le Ministre ou son délégué en informe immédiatement le courtier de transport. Celui-ci doit, avant l'expiration du délai de trois mois, constituer un nouveau cautionnement.
Néanmoins, dans les deux cas, il peut encore être fait appel au cautionnement endéans les six mois qui suivent la date de la libération du cautionnement, pour autant que la créance soit née avant cette date.
A l'égard des créanciers qui ont intenté une action en justice contre le courtier de transport et qui l'ont notifié à la caution solidaire, par lettre recommandée à la poste, dans le délai visé à l'alinéa 2, le délai de six mois est suspendu jusqu'au jour où la décision judiciaire définitive passe en force de chose jugée.
§ 9. Lorsqu'un nouveau cautionnement est constitué et accepté, l'ancien acte de cautionnement est libéré de plein droit et renvoyé à l'institution qui l'a émis.
Toutefois, l'ensemble des cautionnements éventuellement exigés d'une même personne physique ou morale ne peut dépasser 5 millions de francs.
§ 2. Le cautionnement peut consister, soit en une caution solidaire d'une banque, d'une caisse d'épargne privée, d'une compagnie d'assurance ou d'une institution publique de crédit, soit en un dépôt à la Caisse de Dépôts et Consignations, de numéraire ou de valeurs admises par le Ministre des Finances pour la constitution de cautionnements de toutes catégories à déposer à la Caisse des Dépôts et Consignations.
Sont également acceptées comme preuve de cautionnement, les attestations de cautionnement délivrées par une banque ou une autre institution financière reconnue d'un autre Etat membre de la Communauté Economique Européenne et qui garantissent les engagements prescrits par le présent article.
Le Ministre des Communications détermine le modèle devant servir comme preuve de cautionnement solidaire.
§ 3. Sans devoir y être invité, le titulaire de la licence est tenu de reconstituer ou de compléter le cautionnement dans les trente jours de tout prélèvement opéré sur celui-ci.
§ 4. Le titulaire de la licence qui a déposé à la Caisse des Dépôts et Consignations des valeurs admises au taux de la cote officielle, est tenu de fournir sans délai et sans devoir y être invité, une garantie complémentaire si la valeur effective du cautionnement vient à diminuer de plus de cinq pour cent par suite de la baisse des cours.
§ 5. Le cautionnement est affecté exclusivement à la garantie des créances résultant de l'exercice des activités couvertes par la licence.
Seuls les titulaires des créances visées à l'alinéa 1er peuvent faire appel au cautionnement, sur production, par lettre recommandée à la poste, soit de l'accord exprès du titulaire de la licence relatif à l'existence et à l'exigibilité de la créance invoquée, soit d'une décision judiciaire exécutoire en Belgique à charge du titulaire de la licence.
§ 6. La Caisse des Dépôts et Consignations ou la caution solidaire informe, par lettre recommandée à la poste, le Ministre des Communications ou son délégué de tout prélèvement opéré sur le cautionnement.
§ 7. Si le cautionnement est constitué sous forme de dépôt à la Caisse des Dépôts et Consignations, les espèces ou les valeurs déposées sont restituées au plus tôt six mois après la date à laquelle le courtier de transport a cessé d'être titulaire d'une licence.
Le délai de six mois est suspendu dans le cas où un créancier intente une action en justice et en fait notification à la Caisse des Dépôts et Consignations, par lettre recommandée à la poste. Il ne recommence à courir qu'au jour où la décision judiciaire définitive dans l'affaire opposant le courtier de transport et son créancier, passe en force de chose jugée.
§ 8. La caution solidaire est libérée :
1° en cas de retrait de la licence : le jour où le courtier de transport cesse d'être titulaire de cette licence;
2° dans le cas où elle veut se dégager de ses obligations : à l'expiration d'un délai de trois mois prenant cours à la date à laquelle le Ministre des Communications ou son délégué a reçu la lettre recommandée à la poste, lui notifiant cette décision. Le Ministre ou son délégué en informe immédiatement le courtier de transport. Celui-ci doit, avant l'expiration du délai de trois mois, constituer un nouveau cautionnement.
Néanmoins, dans les deux cas, il peut encore être fait appel au cautionnement endéans les six mois qui suivent la date de la libération du cautionnement, pour autant que la créance soit née avant cette date.
A l'égard des créanciers qui ont intenté une action en justice contre le courtier de transport et qui l'ont notifié à la caution solidaire, par lettre recommandée à la poste, dans le délai visé à l'alinéa 2, le délai de six mois est suspendu jusqu'au jour où la décision judiciaire définitive passe en force de chose jugée.
§ 9. Lorsqu'un nouveau cautionnement est constitué et accepté, l'ancien acte de cautionnement est libéré de plein droit et renvoyé à l'institution qui l'a émis.
HOOFDSTUK 3. _ Procedure voor het verlenen van de vergunningen.
CHAPITRE 3. _ De la procédure d'octroi des licences.
Art.6. § 1. De vergunningsaanvraag wordt bij een ter post aangetekende brief aan de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde gezonden. Daarbij moet gebruik worden gemaakt van de door de Minister van Verkeerswezen verstrekte formulieren.
§ 2. Bij de aanvraag moeten de volgende stukken worden gevoegd :
(1° een voor een openbaar bestuur bestemd getuigschrift van goed zedelijk gedrag dat sedert minder dan drie maanden afgegeven is, op naam van de in artikel 2 bedoelde persoon of personen.
Voor de aanvragers die in een andere lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap wonen of er gevestigd zijn, en tenzij de Belgische overheid op de hoogte is van nauwkeurig omschreven feiten, worden eveneens aanvaard als gelijkwaardig met de Belgische getuigschriften van goed zedelijk gedrag :
a) een uittreksel uit het strafregister of, bij ontbreken daarvan, een door een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst afgegeven gelijkwaardig document, waaruit blijkt dat aan de eisen van betrouwbaarheid en van afwezigheid van faillissement is voldaan;
b) indien het sub a bedoelde document niet bewijst dat aan de bepalingen van artikel 2 is voldaan, een door een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst afgegeven verklaring, waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan;
c) indien het sub a bedoelde document of de sub b bedoelde verklaring niet wordt afgegeven door het land van oorsprong of herkomst, een verklaring onder ede - of, in de (Lid-Staten) waar niet in een eed is voorzien, een plechtige verklaring - welke door de betrokkene wordt afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie of, in voorkomend geval, van een notaris van het land van oorsprong of herkomst, welke een attest afgeven dat deze eed of deze plechtige verklaring bewijskracht geeft. De verklaring betreffende het feit dat er geen faillissement heeft plaatsgehad, mag ook worden afgelegd ten overstaan van een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie van dat land.
De overeenkomstig sub a, b en c afgegeven documenten mogen bij overlegging niet ouder zijn dan drie maanden;) <KB 1990-11-16/36, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1990>2° de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad, bevattende de akten betreffende de vennootschap waarvan de bekendmaking door de wet is voorgeschreven;
3° het getuigschrift of de getuigschriften van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 3;
4° een gedetailleerd plan van de lokalen van de onderneming of van de ondernemingstak alsmede van de lokalen die ermede in verbinding staan en een beschrijving van de werkzaamheden die er worden uitgeoefend;
5° een voor eensluidend verklaard afschrift van de inschrijving in het handelsregister door de griffie van de rechtbank van koophandel in wier ambtsgebied de inschrijving is gevestigd;
6° de verbintenis tot de in artikel 5 voorgeschreven borgstelling. Die verbintenis moet behoorlijk ondertekend zijn, hetzij door de aanvrager, hetzij door de personen die gerechtigd zijn de rechtspersoon te verbinden.
§ 3. Iedere wijziging in enigerlei onderdeel van de aanvraag of van het document dat ze vergezelt, moet bij een ter post aangetekende brief binnen een termijn van tien dagen ter kennis gebracht worden van de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde.
§ 2. Bij de aanvraag moeten de volgende stukken worden gevoegd :
(1° een voor een openbaar bestuur bestemd getuigschrift van goed zedelijk gedrag dat sedert minder dan drie maanden afgegeven is, op naam van de in artikel 2 bedoelde persoon of personen.
Voor de aanvragers die in een andere lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap wonen of er gevestigd zijn, en tenzij de Belgische overheid op de hoogte is van nauwkeurig omschreven feiten, worden eveneens aanvaard als gelijkwaardig met de Belgische getuigschriften van goed zedelijk gedrag :
a) een uittreksel uit het strafregister of, bij ontbreken daarvan, een door een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst afgegeven gelijkwaardig document, waaruit blijkt dat aan de eisen van betrouwbaarheid en van afwezigheid van faillissement is voldaan;
b) indien het sub a bedoelde document niet bewijst dat aan de bepalingen van artikel 2 is voldaan, een door een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst afgegeven verklaring, waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan;
c) indien het sub a bedoelde document of de sub b bedoelde verklaring niet wordt afgegeven door het land van oorsprong of herkomst, een verklaring onder ede - of, in de (Lid-Staten) waar niet in een eed is voorzien, een plechtige verklaring - welke door de betrokkene wordt afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of overheidsinstantie of, in voorkomend geval, van een notaris van het land van oorsprong of herkomst, welke een attest afgeven dat deze eed of deze plechtige verklaring bewijskracht geeft. De verklaring betreffende het feit dat er geen faillissement heeft plaatsgehad, mag ook worden afgelegd ten overstaan van een bevoegde beroeps- of bedrijfsorganisatie van dat land.
De overeenkomstig sub a, b en c afgegeven documenten mogen bij overlegging niet ouder zijn dan drie maanden;) <KB 1990-11-16/36, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 01-12-1990>2° de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad, bevattende de akten betreffende de vennootschap waarvan de bekendmaking door de wet is voorgeschreven;
3° het getuigschrift of de getuigschriften van vakbekwaamheid, vermeld in artikel 3;
4° een gedetailleerd plan van de lokalen van de onderneming of van de ondernemingstak alsmede van de lokalen die ermede in verbinding staan en een beschrijving van de werkzaamheden die er worden uitgeoefend;
5° een voor eensluidend verklaard afschrift van de inschrijving in het handelsregister door de griffie van de rechtbank van koophandel in wier ambtsgebied de inschrijving is gevestigd;
6° de verbintenis tot de in artikel 5 voorgeschreven borgstelling. Die verbintenis moet behoorlijk ondertekend zijn, hetzij door de aanvrager, hetzij door de personen die gerechtigd zijn de rechtspersoon te verbinden.
§ 3. Iedere wijziging in enigerlei onderdeel van de aanvraag of van het document dat ze vergezelt, moet bij een ter post aangetekende brief binnen een termijn van tien dagen ter kennis gebracht worden van de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde.
Art.6. § 1er. La demande de licence est adressée au Ministre des Communications ou à son délégué par lettre recommandée à la poste. Il doit être fait usage des formulaires fournis par le Ministre des Communications.
§ 2. La demande doit être accompagnée des documents ci-après :
(1° un certificat de bonnes conduite, vie et moeurs, délivré depuis moins de trois mois au nom de la ou des personnes visées à l'article 2 et destiné à une administration publique.
Pour les demandeurs habitant ou établis dans un autre Etat membre de la Communauté Economique Européenne, et sauf si des faits précis sont connus des autorités belges, sont également acceptés comme équivalents aux certificats belges de bonnes conduite, vie et moeurs :
a) un extrait du casier judiciaire ou, à défaut, un document équivalent délivré par une autorité judiciaire ou administrative compétente du pays d'origine ou de provenance, dont il résulte qu'il est satisfait aux exigences d'honorabilité et d'absence de faillite;
b) lorsque le document visé sous a ne prouve pas qu'il est satisfait aux dispositions de l'article 2, une attestation délivrée par une autorité judiciaire ou administrative compétente du pays d'origine ou de provenance, certifiant que ces conditions sont remplies;
c) lorsque le document visé sous a ou l'attestation visée sous b n'est pas délivré par le pays d'origine ou de provenance, une déclaration sous serment - ou, dans les Etats membres où un tel serment n'existe pas, une déclaration solennelle - faite par l'intéressé devant une autorité judiciaire ou administrative ou, le cas échéant, un notaire du pays d'origine ou de provenance, qui délivre une attestation faisant ce serment ou de cette déclaration solennelle. La déclaration d'absence de faillite peut se faire également devant un organisme professionnel qualifié de ce même pays.
Les documents délivrés conformément aux alinéas a, b et c ne doivent pas, lors de leur production, avoir plus de trois mois de date;) <AR 1990-11-16/36, art. 3, 002; En vigueur : 01-12-1990>
2° les annexes au Moniteur belge publiant les actes relatifs à la société et dont la loi prescrit la publicité;
3° le ou les certificats de compétence professionnelle mentionnés à l'article 3;
4° un plan détaillé des locaux de l'entreprise ou de la branche de l'entreprise, ainsi que des locaux avec lesquels ils sont en communication et une description des activités qui y sont exercées;
5° une copie de l'immatriculation au registre de commerce certifiée conforme par le greffe du tribunal de commerce dans le ressort duquel l'immatriculation a été faite;
6° l'engagement de constituer le cautionnement prévu par l'article 5. Cet engagement doit être dûment signé soit par le demandeur, soit par les personnes habilitées à engager la personne morale.
§ 3. Tout changement qui affecte l'un quelconque des éléments de la demande ou du document qui l'accompagne doit être notifié au Ministre des Communications ou à son délégué par lettre recommandée à la poste, dans un délai de dix jours.
§ 2. La demande doit être accompagnée des documents ci-après :
(1° un certificat de bonnes conduite, vie et moeurs, délivré depuis moins de trois mois au nom de la ou des personnes visées à l'article 2 et destiné à une administration publique.
Pour les demandeurs habitant ou établis dans un autre Etat membre de la Communauté Economique Européenne, et sauf si des faits précis sont connus des autorités belges, sont également acceptés comme équivalents aux certificats belges de bonnes conduite, vie et moeurs :
a) un extrait du casier judiciaire ou, à défaut, un document équivalent délivré par une autorité judiciaire ou administrative compétente du pays d'origine ou de provenance, dont il résulte qu'il est satisfait aux exigences d'honorabilité et d'absence de faillite;
b) lorsque le document visé sous a ne prouve pas qu'il est satisfait aux dispositions de l'article 2, une attestation délivrée par une autorité judiciaire ou administrative compétente du pays d'origine ou de provenance, certifiant que ces conditions sont remplies;
c) lorsque le document visé sous a ou l'attestation visée sous b n'est pas délivré par le pays d'origine ou de provenance, une déclaration sous serment - ou, dans les Etats membres où un tel serment n'existe pas, une déclaration solennelle - faite par l'intéressé devant une autorité judiciaire ou administrative ou, le cas échéant, un notaire du pays d'origine ou de provenance, qui délivre une attestation faisant ce serment ou de cette déclaration solennelle. La déclaration d'absence de faillite peut se faire également devant un organisme professionnel qualifié de ce même pays.
Les documents délivrés conformément aux alinéas a, b et c ne doivent pas, lors de leur production, avoir plus de trois mois de date;) <AR 1990-11-16/36, art. 3, 002; En vigueur : 01-12-1990>
2° les annexes au Moniteur belge publiant les actes relatifs à la société et dont la loi prescrit la publicité;
3° le ou les certificats de compétence professionnelle mentionnés à l'article 3;
4° un plan détaillé des locaux de l'entreprise ou de la branche de l'entreprise, ainsi que des locaux avec lesquels ils sont en communication et une description des activités qui y sont exercées;
5° une copie de l'immatriculation au registre de commerce certifiée conforme par le greffe du tribunal de commerce dans le ressort duquel l'immatriculation a été faite;
6° l'engagement de constituer le cautionnement prévu par l'article 5. Cet engagement doit être dûment signé soit par le demandeur, soit par les personnes habilitées à engager la personne morale.
§ 3. Tout changement qui affecte l'un quelconque des éléments de la demande ou du document qui l'accompagne doit être notifié au Ministre des Communications ou à son délégué par lettre recommandée à la poste, dans un délai de dix jours.
Art.7. De Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde beslist over de vergunningaanvraag na het gemotiveerd advies te hebben ingewonnen van het vast bureau van het Raadgevend Comité van vervoermakelaars. Deze beslissing wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de aanvrager gebracht.
Art.7. Le Ministre des Communications ou son délégué statue sur la demande de licence après avoir pris l'avis motivé du bureau permanent du Comité consultatif des courtiers de transport. Cette décision est notifiée au demandeur par lettre recommandée à la poste.
Art.8. De vergunning wordt verleend nadat de in artikel 5, § 1, bepaalde borgtocht is gesteld.
Art.8. La licence est octroyée après la constitution du cautionnement prévu à l'article 5, § 1.
Art.9. § 1. De vergunning, die de titel "vergunning van vervoermakelaar" draagt, gedagtekend en getekend door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde, vermeldt :
_ de naam van de onderneming;
_ de plaats van de maatschappelijke zetel van de onderneming en eventueel die van de betrokken exploitatiezetel;
_ naam en voornaam van de persoon of personen die voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 2 en 3.
§ 2. De inschrijving van het nummer van de vergunning is verplicht op elk aan derden gericht document dat betrekking heeft op de werkzaamheden bepaald in de vergunning.
_ de naam van de onderneming;
_ de plaats van de maatschappelijke zetel van de onderneming en eventueel die van de betrokken exploitatiezetel;
_ naam en voornaam van de persoon of personen die voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 2 en 3.
§ 2. De inschrijving van het nummer van de vergunning is verplicht op elk aan derden gericht document dat betrekking heeft op de werkzaamheden bepaald in de vergunning.
Art.9. § 1er. La licence qui porte le titre de "licence de courtier de transport", datée et signée par le Ministre des Communications ou son délégué, mentionne :
_ le nom de l'entreprise;
_ le lieu du siège social de l'entreprise et éventuellement celui du siège d'exploitation concerné;
_ le nom et le prénom de la ou des personnes qui répondent aux conditions des articles 2 et 3.
§ 2. L'inscription du numéro de la licence est obligatoire sur chaque document ayant trait aux activités prévues par la licence et adressée à des tiers.
_ le nom de l'entreprise;
_ le lieu du siège social de l'entreprise et éventuellement celui du siège d'exploitation concerné;
_ le nom et le prénom de la ou des personnes qui répondent aux conditions des articles 2 et 3.
§ 2. L'inscription du numéro de la licence est obligatoire sur chaque document ayant trait aux activités prévues par la licence et adressée à des tiers.
Art.10. In geval van definitieve staking van de werkzaamheden moet de vergunning, binnen de tien werkdagen, aan de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde worden teruggezonden.
Art.10. En cas de cessation définitive des activités, la licence doit être renvoyée, dans les dix jours ouvrables, au Ministre des Communications ou son délégué.
HOOFDSTUK 4. _ Procedure voor intrekking en schorsing van de vergunningen.
CHAPITRE 4. _ De la procédure de retrait et de suspension des licences.
Art.11. § 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 6 en 11 van de wet van 26 juni 1967 betreffende het statuut van de tussenpersonen op het gebied van het goederenvervoer, kan de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde de vergunning schorsen of intrekken bij een met redenen omklede beslissing waarvan bij een ter post aangetekende brief kennis wordt gegeven en na een met redenen omkleed advies van het vast bureau van het Raadgevend Comité van vervoermakelaars.
De duur van de schorsing wordt door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde vastgesteld met inachtneming van de ernst van de overtreding op met redenen omkleed advies van het vast bureau van het Raadgevend Comité van vervoermakelaars.
§ 2. In geval van zware overtreding kunnen alle vergunningen die op grond van dit besluit aan een zelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn verleend, geschorst of ingetrokken worden.
§ 3. Wanneer de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde zich voorneemt de vergunning te schorsen of in te trekken, geeft hij de betrokkene, bij een ter post aangetekende brief, kennis van de reden van de voorgenomen maatregel. Terzelfder tijd maakt hij de zaak aanhangig bij het vast bureau van het Raadgevend Comité van vervoermakelaars.
§ 4. Het Vast Bureau van het Raadgevend Comité van vervoermakelaars brengt zijn met redenen omkleed advies uit binnen een termijn van twee maanden na de betrokkene, bij een ter post aangetekende brief, ten minste vijf werkdagen vóór de voor het onderzoek van de zaak vastgestelde datum te hebben uitgenodigd te verschijnen, hetzij in persoon, hetzij bij gemachtigde, houder van de stukken.
De betrokkene mag op de zitting waarvoor hij werd opgeroepen bijgestaan worden door een persoon naar zijn keuze en een schriftelijke memorie neerleggen.
§ 5. De betrokkene wordt binnen de vijftien werkdagen bij een ter post aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing.
De duur van de schorsing wordt door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde vastgesteld met inachtneming van de ernst van de overtreding op met redenen omkleed advies van het vast bureau van het Raadgevend Comité van vervoermakelaars.
§ 2. In geval van zware overtreding kunnen alle vergunningen die op grond van dit besluit aan een zelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn verleend, geschorst of ingetrokken worden.
§ 3. Wanneer de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde zich voorneemt de vergunning te schorsen of in te trekken, geeft hij de betrokkene, bij een ter post aangetekende brief, kennis van de reden van de voorgenomen maatregel. Terzelfder tijd maakt hij de zaak aanhangig bij het vast bureau van het Raadgevend Comité van vervoermakelaars.
§ 4. Het Vast Bureau van het Raadgevend Comité van vervoermakelaars brengt zijn met redenen omkleed advies uit binnen een termijn van twee maanden na de betrokkene, bij een ter post aangetekende brief, ten minste vijf werkdagen vóór de voor het onderzoek van de zaak vastgestelde datum te hebben uitgenodigd te verschijnen, hetzij in persoon, hetzij bij gemachtigde, houder van de stukken.
De betrokkene mag op de zitting waarvoor hij werd opgeroepen bijgestaan worden door een persoon naar zijn keuze en een schriftelijke memorie neerleggen.
§ 5. De betrokkene wordt binnen de vijftien werkdagen bij een ter post aangetekende brief in kennis gesteld van de beslissing.
Art.11. § 1er. Dans les cas prévus aux articles 6 et 11 de la loi du 26 juin 1967, relative au statut des auxiliaires de transport de marchandises, la licence peut être suspendue ou retirée par le Ministre des Communications ou son délégué, par décision motivée, notifiée par lettre recommandée à la poste et après avis motivé du bureau permanent du Comité consultatif des courtiers de transport.
La durée de la suspension est fixée par le Ministre des Communications ou son délégué, compte tenu de la gravité de l'infraction et sur avis motivé du bureau permanent du Comité consultatif des courtiers de transport.
§ 2. En cas d'infraction grave, toutes les licences délivrées à une même personne physique ou morale, en exécution du présent arrêté, peuvent être suspendues ou retirées.
§ 3. Lorsque le Ministre des Communications ou son délégué se propose de suspendre ou de retirer la licence, il avise l'intéressé, par lettre recommandée à la poste, du motif de la mesure envisagée et saisit en même temps, le bureau permanent du Comité consultatif des Courtiers de transport.
§ 4. Le bureau permanent du Comité consultatif des courtiers de transport émet son avis motivé dans un délai de deux mois après avoir invité l'intéressé, par lettre recommandée à la poste, cinq jours ouvrables au moins avant la date fixée pour l'examen de l'affaire à comparaître en personne ou par mandataire porteur des pièces.
L'intéressé peut se faire assister par une personne de son choix à la séance à laquelle il a été convoqué et remettre un mémoire écrit.
§ 5. L'intéressé est avisé par lettre recommandée à la poste de la décision dans les quinze jours ouvrables de son prononcé.
La durée de la suspension est fixée par le Ministre des Communications ou son délégué, compte tenu de la gravité de l'infraction et sur avis motivé du bureau permanent du Comité consultatif des courtiers de transport.
§ 2. En cas d'infraction grave, toutes les licences délivrées à une même personne physique ou morale, en exécution du présent arrêté, peuvent être suspendues ou retirées.
§ 3. Lorsque le Ministre des Communications ou son délégué se propose de suspendre ou de retirer la licence, il avise l'intéressé, par lettre recommandée à la poste, du motif de la mesure envisagée et saisit en même temps, le bureau permanent du Comité consultatif des Courtiers de transport.
§ 4. Le bureau permanent du Comité consultatif des courtiers de transport émet son avis motivé dans un délai de deux mois après avoir invité l'intéressé, par lettre recommandée à la poste, cinq jours ouvrables au moins avant la date fixée pour l'examen de l'affaire à comparaître en personne ou par mandataire porteur des pièces.
L'intéressé peut se faire assister par une personne de son choix à la séance à laquelle il a été convoqué et remettre un mémoire écrit.
§ 5. L'intéressé est avisé par lettre recommandée à la poste de la décision dans les quinze jours ouvrables de son prononcé.
HOOFDSTUK 5. _ Beroep.
CHAPITRE 5. _ Des recours.
Art.12. § 1. In geval van weigering, schorsing of intrekking van de vergunning door de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde, kan de betrokkene binnen de tien werkdagen vanaf de kennisgeving die hem ervan gedaan wordt, een gemotiveerd beroep aantekenen bij de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde.
Deze doet uitspraak bij gemotiveerde beslissing, waarvan bij een ter post aangetekende brief kennis wordt gegeven binnen de negentig dagen na de ontvangst van het beroep en na het advies van het Raadgevend Comité. Het Comité brengt zijn met redenen omkleed advies uit binnen de vijfenveertig dagen na de betrokkene, bij een ter post aangetekende brief, ten minste vijf werkdagen vóór de dag voor het onderzoek van deze zaak vastgestelde datum te hebben uitgenodigd te verschijnen, hetzij in persoon, hetzij bij gemachtigde, houder van de stukken.
De betrokkene mag door een persoon naar zijn keuze bijgestaan worden op de zitting waarvoor hij werd opgeroepen en een schriftelijke memorie neerleggen.
§ 2. Indien, in beroep, de schorsing of de intrekking van de vergunning wordt bevestigd, moet de houder ervan ze terugzenden naar de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde bij een ter post aangetekende brief binnen de tien werkdagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de bevestiging van de beslissing.
§ 3. Het beroep heeft schorsende kracht.
Deze doet uitspraak bij gemotiveerde beslissing, waarvan bij een ter post aangetekende brief kennis wordt gegeven binnen de negentig dagen na de ontvangst van het beroep en na het advies van het Raadgevend Comité. Het Comité brengt zijn met redenen omkleed advies uit binnen de vijfenveertig dagen na de betrokkene, bij een ter post aangetekende brief, ten minste vijf werkdagen vóór de dag voor het onderzoek van deze zaak vastgestelde datum te hebben uitgenodigd te verschijnen, hetzij in persoon, hetzij bij gemachtigde, houder van de stukken.
De betrokkene mag door een persoon naar zijn keuze bijgestaan worden op de zitting waarvoor hij werd opgeroepen en een schriftelijke memorie neerleggen.
§ 2. Indien, in beroep, de schorsing of de intrekking van de vergunning wordt bevestigd, moet de houder ervan ze terugzenden naar de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde bij een ter post aangetekende brief binnen de tien werkdagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de bevestiging van de beslissing.
§ 3. Het beroep heeft schorsende kracht.
Art.12. § 1er. En cas de refus, de suspension ou de retrait de la licence par le Ministre des Communications ou son délégué, l'intéressé peut introduire dans les dix jours ouvrables à compter de la notification qui lui est faite, un recours motivé auprès du Ministre des Communications ou son délégué.
Celui-ci statue par décision motivée, notifiée par lettre recommandée à la poste dans les nonante jours dès la réception du recours, après avoir pris l'avis du Comité consultatif. Le Comité émet son avis motivé dans les quarante-cinq jours après avoir invité l'intéressé, par lettre recommandée à la poste, cinq jours ouvrables au moins avant la date fixée pour l'examen de l'affaire, à comparaître en personne ou par mandataire porteur des pièces.
L'intéressé peut se faire assister par une personne de son choix à la séance à laquelle il a été convoqué et remettre un mémoire écrit.
§ 2. Si, sur recours, la suspension ou le retrait de la licence est confirmé, le titulaire de celle-ci doit la renvoyer au Ministre des Communications ou son délégué, par lettre recommandée à la poste, dans les dix jours ouvrables à compter de la notification qui lui a été faite de la confirmation de la décision.
§ 3. Le recours est suspensif.
Celui-ci statue par décision motivée, notifiée par lettre recommandée à la poste dans les nonante jours dès la réception du recours, après avoir pris l'avis du Comité consultatif. Le Comité émet son avis motivé dans les quarante-cinq jours après avoir invité l'intéressé, par lettre recommandée à la poste, cinq jours ouvrables au moins avant la date fixée pour l'examen de l'affaire, à comparaître en personne ou par mandataire porteur des pièces.
L'intéressé peut se faire assister par une personne de son choix à la séance à laquelle il a été convoqué et remettre un mémoire écrit.
§ 2. Si, sur recours, la suspension ou le retrait de la licence est confirmé, le titulaire de celle-ci doit la renvoyer au Ministre des Communications ou son délégué, par lettre recommandée à la poste, dans les dix jours ouvrables à compter de la notification qui lui a été faite de la confirmation de la décision.
§ 3. Le recours est suspensif.
HOOFDSTUK 6. _ Verplichtingen van de vergunninghouders.
CHAPITRE 6. _ Des obligations des titulaires de la licence.
Art.13. De houders van een vergunning zijn ertoe gehouden de statistische inlichtingen met betrekking tot de werkzaamheden waarvoor een vergunning vereist is, te verstrekken op aanvraag van de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde, nadat deze het advies van het Vast Bureau heeft ingewonnen.
Deze inlichtingen mogen slechts worden gebruikt voor statistische doeleinden.
Deze inlichtingen mogen slechts worden gebruikt voor statistische doeleinden.
Art.13. Les titulaires d'une licence sont tenus de fournir les renseignements statistiques se rapportant aux activités pour les quelles une licence est requise, sur la demande que leur en fait le Ministre des Communications ou son délégué, après avoir pris l'avis du bureau permanent.
Ces renseignements ne peuvent être utilisés que dans un but statistique.
Ces renseignements ne peuvent être utilisés que dans un but statistique.
Art.14. § 1. De personen bedoeld in dit besluit zijn ertoe gehouden de uitvoering in de hand te werken van de onderzoekingen en controles waarvan sprake in artikel 10, 3°, van de wet van 26 juni 1967 betreffende het statuut van de tussenpersonen op het gebied van het goederenvervoer.
§ 2. Die personen moeten gehoor geven aan elke oproeping van de ambtenaren aangesteld door de Minister van Verkeerswezen, om hun boeken en andere beroepsdocumenten in te zien.
Die ambtenaren zijn ertoe gemachtigd ter plaatse afschriften van of uittreksels uit die boeken en documenten te nemen en aanvullende inlichtingen ter zake te vragen.
§ 3. De houders van een vergunning moeten gedurende zes jaar de bewijsstukken met betrekking tot de verschillende verrichtingen bewaren.
Welke ook de organisatiemethoden weze die zij vrijwillig hebben gekozen : dossier, steekkaart, register of andere, zij moet het mogelijk maken onmiddellijk de nodige inlichtingen terug te vinden betreffende de uitgeoefende werkzaamheden door het personeel dat deelgenomen heeft aan het dagelijks beheer der onderneming, alsmede de naam van de opdrachtgever en de vervoerder, de te vervoeren tonnage, de datum van de verrichting, de tussen de opdrachtgever en de vervoerder bedongen prijs, alsook de naam en het adres van de vergunninghouders of van de vreemde correspondenten aan wie een deel van de vergoeding werd afgestaan.
§ 4. Iedere wijziging van een der onderdelen van de vergunning waarvan sprake in artikel 9, § 1, van dit besluit, moet door de vergunninghouders, bij een ter post aangetekende brief, binnen een termijn van tien dagen, ter kennis worden gebracht van de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde.
§ 2. Die personen moeten gehoor geven aan elke oproeping van de ambtenaren aangesteld door de Minister van Verkeerswezen, om hun boeken en andere beroepsdocumenten in te zien.
Die ambtenaren zijn ertoe gemachtigd ter plaatse afschriften van of uittreksels uit die boeken en documenten te nemen en aanvullende inlichtingen ter zake te vragen.
§ 3. De houders van een vergunning moeten gedurende zes jaar de bewijsstukken met betrekking tot de verschillende verrichtingen bewaren.
Welke ook de organisatiemethoden weze die zij vrijwillig hebben gekozen : dossier, steekkaart, register of andere, zij moet het mogelijk maken onmiddellijk de nodige inlichtingen terug te vinden betreffende de uitgeoefende werkzaamheden door het personeel dat deelgenomen heeft aan het dagelijks beheer der onderneming, alsmede de naam van de opdrachtgever en de vervoerder, de te vervoeren tonnage, de datum van de verrichting, de tussen de opdrachtgever en de vervoerder bedongen prijs, alsook de naam en het adres van de vergunninghouders of van de vreemde correspondenten aan wie een deel van de vergoeding werd afgestaan.
§ 4. Iedere wijziging van een der onderdelen van de vergunning waarvan sprake in artikel 9, § 1, van dit besluit, moet door de vergunninghouders, bij een ter post aangetekende brief, binnen een termijn van tien dagen, ter kennis worden gebracht van de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde.
Art.14. § 1er. Les personnes visées par le présent arrêté sont tenues de faciliter l'exécution des enquêtes et contrôles prévus par l'article 10, 3°, de la loi du 26 juin 1967 relative au statut des auxiliaires de transport de marchandises.
§ 2. Ces personnes sont tenues de répondre à toute convocation des agents désignés par le Ministre des Communications, aux fins de vérifier leurs livres et autres documents professionnels.
Ces agents sont autorisés à prendre sur place des copies ou extraits de ces livres et documents et à demander des explications complémentaires à ce sujet.
§ 3. Les titulaires d'une licence doivent garder trace pendant six ans des opérations qu'ils traitent.
Quelle que soit la méthode d'organisation qu'ils ont choisie librement : dossier, fiche, registre ou autre, elle doit permettre de retrouver immédiatement les renseignements nécessaires aux travaux effectués par le personnel participant à la gestion journalière de même que le nom du donneur d'ordre, celui du transporteur, le tonnage à transporter, la date d'exécution, le prix convenu entre le donneur d'ordre et le transporteur, ainsi que le nom et l'adresse des titulaires d'une licence ou des correspondants étrangers auxquels une partie de leur rémunération est cédée.
§ 4. Tout changement qui affecte l'un quelconque des éléments dont il est question à l'article 9, § 1, doit être notifié par les titulaires d'une licence au Ministre des Communications ou à son délégué, par lettre recommandée à la poste, dans un délai de dix jours.
§ 2. Ces personnes sont tenues de répondre à toute convocation des agents désignés par le Ministre des Communications, aux fins de vérifier leurs livres et autres documents professionnels.
Ces agents sont autorisés à prendre sur place des copies ou extraits de ces livres et documents et à demander des explications complémentaires à ce sujet.
§ 3. Les titulaires d'une licence doivent garder trace pendant six ans des opérations qu'ils traitent.
Quelle que soit la méthode d'organisation qu'ils ont choisie librement : dossier, fiche, registre ou autre, elle doit permettre de retrouver immédiatement les renseignements nécessaires aux travaux effectués par le personnel participant à la gestion journalière de même que le nom du donneur d'ordre, celui du transporteur, le tonnage à transporter, la date d'exécution, le prix convenu entre le donneur d'ordre et le transporteur, ainsi que le nom et l'adresse des titulaires d'une licence ou des correspondants étrangers auxquels une partie de leur rémunération est cédée.
§ 4. Tout changement qui affecte l'un quelconque des éléments dont il est question à l'article 9, § 1, doit être notifié par les titulaires d'une licence au Ministre des Communications ou à son délégué, par lettre recommandée à la poste, dans un délai de dix jours.
HOOFDSTUK 7. _ Retributies.
CHAPITRE 7. _ Des redevances.
Art.15. <KB 1992-07-10/30, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 1992-08-01>
§ 1. De retributies ten bate van de Staat, bedoeld in artikel 10, 4°, van de wet van 26 juni 1967 zijn bepaald als volgt :
1° een jaarlijkse retributie van (75,00 EUR) voor de vergunning; <KB 2000-07-20/53, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
2° een retributie van (12,50 EUR) voor de uitreiking van een duplicaat van de vergunning of de vervanging van de titel wegens wijzigingen in één of ander onderdeel ervan. <KB 2000-07-20/53, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. 1° De vereniging zonder winstoogmerk " Belgisch Instituut der Transportorganisatoren (afgekort : " BITO ") wordt erkend overeenkomstig artikel 10, 4°, van de wet van 26 juni 1967.
2° De houder van een vergunning van vervoermakelaar is als deelneming in de kosten van de administratie, controle en toezicht van het BITO een aanvullende jaarlijkse retributie verschuldigd van (125,00 EUR). <KB 2008-12-23/49, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
§ 3. De jaarlijkse retributie en de aanvullende jaarlijkse retributie moeten betaald worden vóór de uitreiking van de vergunning en vervolgens vóór de eerste januari van ieder jaar. Gebeurt dit niet, dan wordt de vergunning geschorst.
De bedragen van deze retributies te betalen voor de uitreiking van de eerste vergunning worden berekend naar rato van het aantal maanden begrepen tussen de datum van de vergunningsverlening en de eerste januari van het daaropvolgende jaar.
§ 4. De in dit artikel bedoelde retributies worden niet terugbetaald in geval van schorsing of van intrekking van de vergunning of van staking van de uitoefening van de werkzaamheden waarop de vergunning slaat.
§ 1. De retributies ten bate van de Staat, bedoeld in artikel 10, 4°, van de wet van 26 juni 1967 zijn bepaald als volgt :
1° een jaarlijkse retributie van (75,00 EUR) voor de vergunning; <KB 2000-07-20/53, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
2° een retributie van (12,50 EUR) voor de uitreiking van een duplicaat van de vergunning of de vervanging van de titel wegens wijzigingen in één of ander onderdeel ervan. <KB 2000-07-20/53, art. 16, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. 1° De vereniging zonder winstoogmerk " Belgisch Instituut der Transportorganisatoren (afgekort : " BITO ") wordt erkend overeenkomstig artikel 10, 4°, van de wet van 26 juni 1967.
2° De houder van een vergunning van vervoermakelaar is als deelneming in de kosten van de administratie, controle en toezicht van het BITO een aanvullende jaarlijkse retributie verschuldigd van (125,00 EUR). <KB 2008-12-23/49, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
§ 3. De jaarlijkse retributie en de aanvullende jaarlijkse retributie moeten betaald worden vóór de uitreiking van de vergunning en vervolgens vóór de eerste januari van ieder jaar. Gebeurt dit niet, dan wordt de vergunning geschorst.
De bedragen van deze retributies te betalen voor de uitreiking van de eerste vergunning worden berekend naar rato van het aantal maanden begrepen tussen de datum van de vergunningsverlening en de eerste januari van het daaropvolgende jaar.
§ 4. De in dit artikel bedoelde retributies worden niet terugbetaald in geval van schorsing of van intrekking van de vergunning of van staking van de uitoefening van de werkzaamheden waarop de vergunning slaat.
Art.15. <AR 1992-07-10/30, art. 2, 003; En vigueur : 1992-08-01>
§ 1. Les redevances au profit de l'Etat, prévues à l'article 10, 4°, de la loi du 26 juin 1967 sont fixées comme suit :
1° une redevance annuelle de (75,00 EUR) pour la licence; <AR 2000-07-20/53, art. 16, 004; En vigueur : 01-01-2002>
2° une redevance de (12,50 EUR) pour la délivrance d'un duplicata de la licence ou le remplacement de la licence en raison de changements survenus dans l'un quelconque des éléments de celle-ci. <AR 2000-07-20/53, art. 16, 004; En vigueur : 01-01-2002>
§ 2. 1° L'association sens but lucratif " Institut belge des Organisateurs de Transport " (en abrégé : " IBOT ") est agréée conformément à l'article 10, 4°, de la loi du 26 juin 1967.
2° Il est dû par le titulaire d'une licence de courtier de transport, au titre de participation dans les frais d'administration, de contrôle et de surveillance de l'IBOT, une redevance annuelle complémentaire de (125,00 EUR). <AR 2008-12-23/49, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-2009>
§ 3. La redevance annuelle et la redevance annuelle complémentaire doivent être acquittées avant la délivrance de la licence et ensuite avant le 1er janvier de chaque année. Le non-paiement de ces redevances implique la suspension de la licence.
Les montants de ces redevances à payer pour la délivrance de la première licence sont calculés au prorata du nombre de mois compris entre la date d'octroi de la licence et le 1er janvier de l'année suivante.
§ 4. Les redevances visées par le présent article ne sont pas sujettes à remboursement en cas de suspension ou de retrait de la licence ou de cessation de l'exercice des activités couvertes par la licence.
§ 1. Les redevances au profit de l'Etat, prévues à l'article 10, 4°, de la loi du 26 juin 1967 sont fixées comme suit :
1° une redevance annuelle de (75,00 EUR) pour la licence; <AR 2000-07-20/53, art. 16, 004; En vigueur : 01-01-2002>
2° une redevance de (12,50 EUR) pour la délivrance d'un duplicata de la licence ou le remplacement de la licence en raison de changements survenus dans l'un quelconque des éléments de celle-ci. <AR 2000-07-20/53, art. 16, 004; En vigueur : 01-01-2002>
§ 2. 1° L'association sens but lucratif " Institut belge des Organisateurs de Transport " (en abrégé : " IBOT ") est agréée conformément à l'article 10, 4°, de la loi du 26 juin 1967.
2° Il est dû par le titulaire d'une licence de courtier de transport, au titre de participation dans les frais d'administration, de contrôle et de surveillance de l'IBOT, une redevance annuelle complémentaire de (125,00 EUR). <AR 2008-12-23/49, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-2009>
§ 3. La redevance annuelle et la redevance annuelle complémentaire doivent être acquittées avant la délivrance de la licence et ensuite avant le 1er janvier de chaque année. Le non-paiement de ces redevances implique la suspension de la licence.
Les montants de ces redevances à payer pour la délivrance de la première licence sont calculés au prorata du nombre de mois compris entre la date d'octroi de la licence et le 1er janvier de l'année suivante.
§ 4. Les redevances visées par le présent article ne sont pas sujettes à remboursement en cas de suspension ou de retrait de la licence ou de cessation de l'exercice des activités couvertes par la licence.
Art. 15bis. <INGEVOEGD bij KB 2008-12-23/49, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2009> Het bedrag van de in artikel 15 vermelde retributies wordt gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen van het Rijk, 112,87 (cijfer van juli 2008 basis 2004 = 100).
Vanaf het jaar 2010 worden ze jaarlijks aangepast in functie van het indexcijfer van de maand juli van het voorafgaande jaar. Het verkregen resultaat wordt tot de hogere euro afgerond.
Vanaf het jaar 2010 worden ze jaarlijks aangepast in functie van het indexcijfer van de maand juli van het voorafgaande jaar. Het verkregen resultaat wordt tot de hogere euro afgerond.
Art. 15bis. Les montants des rétributions visées à l'article 15 sont rattachés à l'indice des prix à la consommation du Royaume : 112,87 (indice de juillet 2008 base 2004 = 100).
A partir de l'année 2010 ils sont adaptés chaque année en fonction de l'indice du mois de juillet de l'année précédente. Le résultat obtenu est arrondi à l'euro supérieur.
A partir de l'année 2010 ils sont adaptés chaque année en fonction de l'indice du mois de juillet de l'année précédente. Le résultat obtenu est arrondi à l'euro supérieur.
HOOFDSTUK 8. _ Vrijstellingsmaatregelen.
CHAPITRE 8. _ Des mesures de dispenses.
Art.16. § 1. In geval van overlijden, van lichamelijke ongeschiktheid of van wettelijke onbekwaamheid van de natuurlijke persoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, kan de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde de voortzetting, althans voorlopig, van de exploitatie van de onderneming van vervoermakelaar toelaten gedurende een maximumtermijn van één jaar die met ten hoogste zes maanden kan worden verlengd in behoorlijk gerechtvaardigde gevallen.
§ 2. Indien de houder van de vergunning overleden is of zijn werkzaamheden heeft gestaakt, kan de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde definitief toestaan dat de exploitatie van de onderneming van vervoermakelaar wordt voortgezet door de echtgeno(o)t(e) en/of de kinderen die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, maar een voldoende praktische ervaring in het dagelijks beheer van de onderneming hebben.
§ 3. De Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde moet binnen de vijftien dagen in kennis gesteld worden van het overlijden, van de ongeschiktheid of onbekwaamheid of van de staking van de werkzaamheid, zoniet wordt de vergunning ingetrokken. De Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde beslist binnen de drie maanden vanaf deze kennisgeving.
§ 4. De machtiging om de exploitatie voort te zetten, blijft onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6 van dit besluit met uitzondering echter van § 2, 3°.
Te dien einde moet de kennisgeving voorzien in § 3 vervolledigd worden door een aanvraag overeenkomstig de voorschriften van artikel 6, met uitzondering van § 2, 3°. Bij deze aanvraag moeten worden gevoegd, in het geval bedoeld in § 1, de ingeroepen rechtvaardiging, en in het geval bedoeld in § 2, de bewijsstukken waaruit blijkt dat de aanvrager of aanvragers een voldoende praktische ervaring in het beheer van de onderneming hebben opgedaan.
§ 5. In het geval bedoeld in § 1, moet een nieuwe vergunningaanvraag worden ingediend tenminste drie maanden vóór het verstrijken van de toegekende termijn.
§ 2. Indien de houder van de vergunning overleden is of zijn werkzaamheden heeft gestaakt, kan de Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde definitief toestaan dat de exploitatie van de onderneming van vervoermakelaar wordt voortgezet door de echtgeno(o)t(e) en/of de kinderen die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3, maar een voldoende praktische ervaring in het dagelijks beheer van de onderneming hebben.
§ 3. De Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde moet binnen de vijftien dagen in kennis gesteld worden van het overlijden, van de ongeschiktheid of onbekwaamheid of van de staking van de werkzaamheid, zoniet wordt de vergunning ingetrokken. De Minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde beslist binnen de drie maanden vanaf deze kennisgeving.
§ 4. De machtiging om de exploitatie voort te zetten, blijft onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 6 van dit besluit met uitzondering echter van § 2, 3°.
Te dien einde moet de kennisgeving voorzien in § 3 vervolledigd worden door een aanvraag overeenkomstig de voorschriften van artikel 6, met uitzondering van § 2, 3°. Bij deze aanvraag moeten worden gevoegd, in het geval bedoeld in § 1, de ingeroepen rechtvaardiging, en in het geval bedoeld in § 2, de bewijsstukken waaruit blijkt dat de aanvrager of aanvragers een voldoende praktische ervaring in het beheer van de onderneming hebben opgedaan.
§ 5. In het geval bedoeld in § 1, moet een nieuwe vergunningaanvraag worden ingediend tenminste drie maanden vóór het verstrijken van de toegekende termijn.
Art.16. § 1er. En cas de décès ou d'incapacité physique ou légale de la personne physique remplissant les conditions de l'article 3, le Ministre des Communications ou son délégué peut permettre la poursuite, à titre provisoire, de l'exploitation de l'entreprise de courtier de transport, pendant une période maximum d'un an, prorogeable de six mois au maximum dans des cas particuliers dûment justifiés.
§ 2. Lorsque le titulaire de la licence est décédé ou a cessé ses activités, le Ministre des Communications ou son délégué peut autoriser à titre définitif la poursuite de l'exploitation de l'entreprise de courtier de transport par le (ou la) conjoint(e) et/ou les enfants qui ne remplissent pas les conditions de l'article 3, mais qui possèdent une expérience pratique suffisante dans la gestion journalière de l'entreprise.
§ 3. Le Ministre des Communications ou son délégué doit être avisé, dans les quinze jours du décès, de l'incapacité ou de la cessation d'activités, faute de quoi la licence est retirée. Le Ministre des Communications ou son délégué statue dans les trois mois à partir de cette notification.
§ 4. L'autorisation de poursuivre l'exploitation demeure subordonnée aux conditions fixées à l'article 6 du présent arrêté, à l'exception toutefois de son § 2, 3°.
A cette fin, la notification prévue au § 3 doit être complétée par une demande, conformément aux prescriptions de l'article 6, à l'exception de son § 2, 3°. A cette demande doivent être ajoutées, dans le cas visé au § 1, la justification invoquée et, dans le cas visé au § 2, les pièces justificatives d'où il résulte que le ou les demandeurs ont acquis une expérience pratique suffisante dans la gestion de l'entreprise.
§ 5. Dans le cas prévu au § 1, une demande de nouvelle licence doit être introduite au moins trois mois avant l'expiration du délai accordé.
§ 2. Lorsque le titulaire de la licence est décédé ou a cessé ses activités, le Ministre des Communications ou son délégué peut autoriser à titre définitif la poursuite de l'exploitation de l'entreprise de courtier de transport par le (ou la) conjoint(e) et/ou les enfants qui ne remplissent pas les conditions de l'article 3, mais qui possèdent une expérience pratique suffisante dans la gestion journalière de l'entreprise.
§ 3. Le Ministre des Communications ou son délégué doit être avisé, dans les quinze jours du décès, de l'incapacité ou de la cessation d'activités, faute de quoi la licence est retirée. Le Ministre des Communications ou son délégué statue dans les trois mois à partir de cette notification.
§ 4. L'autorisation de poursuivre l'exploitation demeure subordonnée aux conditions fixées à l'article 6 du présent arrêté, à l'exception toutefois de son § 2, 3°.
A cette fin, la notification prévue au § 3 doit être complétée par une demande, conformément aux prescriptions de l'article 6, à l'exception de son § 2, 3°. A cette demande doivent être ajoutées, dans le cas visé au § 1, la justification invoquée et, dans le cas visé au § 2, les pièces justificatives d'où il résulte que le ou les demandeurs ont acquis une expérience pratique suffisante dans la gestion de l'entreprise.
§ 5. Dans le cas prévu au § 1, une demande de nouvelle licence doit être introduite au moins trois mois avant l'expiration du délai accordé.
Art.17. De publiekrechtelijke ondernemingen zijn vrijgesteld van de vereisten vastgesteld in de artikelen 4 en 5.
Art.17. Les entreprises de droit public sont dispensées des conditions fixées par les articles 4 et 5.
HOOFDSTUK 9. _ Bescherming van de titel of benaming.
CHAPITRE 9. _ De la protection du titre ou appellation.
Art.18. § 1. Niemand mag, in welke vorm ook, gebruik maken van de titel of benaming van vervoermakelaar indien hij niet in het bezit is van de in artikel 1, § 1, van dit besluit bedoelde vergunning.
§ 2. De natuurlijke of rechtspersonen die het voordeel genieten van de overgangsmaatregelen bepaald in artikel 19, mogen de in § 1 vermelde benaming blijven gebruiken tot kennis wordt gegeven van een eventuele definitieve beslissing tot weigering van de vergunning.
§ 2. De natuurlijke of rechtspersonen die het voordeel genieten van de overgangsmaatregelen bepaald in artikel 19, mogen de in § 1 vermelde benaming blijven gebruiken tot kennis wordt gegeven van een eventuele definitieve beslissing tot weigering van de vergunning.
Art.18. § 1er. Nul ne peut faire usage, sous quelque forme que ce soit, du titre ou appellation de courtier de transport s'il n'est pas en possession de la licence visée à l'article 1er, § 1, du présent arrêté.
§ 2. Les personnes physiques ou morales bénéficiant des mesures transitoires prévues à l'article 19 peuvent continuer à faire usage de l'appellation mentionnée au § 1 jusqu'à la notification d'une éventuelle décision définitive de refus de la licence.
§ 2. Les personnes physiques ou morales bénéficiant des mesures transitoires prévues à l'article 19 peuvent continuer à faire usage de l'appellation mentionnée au § 1 jusqu'à la notification d'une éventuelle décision définitive de refus de la licence.
HOOFDSTUK 10. _ Overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE 10. _ Dispositions transitoires et finales.
Art.19. § 1. Op voorwaarde dat hij een vergunningaanvraag indient overeenkomstig artikel 6, § 1, binnen zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit, mag ieder natuurlijke of rechtspersoon die bewijst de in artikel 1 bedoelde werkzaamheid te hebben uitgeoefend vóór de bekendmaking van dit besluit, deze zelfde werkzaamheid voortzetten tot de eventuele kennisgeving van een definitieve beslissing tot weigering van de vergunning.
§ 2. Artikel 6, §§ 2 en 3, is op die aanvraag van toepassing, met uitzondering van § 2, 3°.
§ 2. Artikel 6, §§ 2 en 3, is op die aanvraag van toepassing, met uitzondering van § 2, 3°.
Art.19. § 1er. A condition qu'elle introduise une demande de licence conformément à l'article 6, § 1, dans les six mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté, toute personne physique ou morale qui prouve avoir exercé les activités visées à l'article 1er avant la publication du présent arrêté, peut continuer à exercer cette même activité jusqu'à la notification éventuelle d'une décision définitive de refus de la licence.
§ 2. L'article 6, §§ 2 et 3, est applicable à cette demande, à cette demande, à l'exception du § 2, 3°.
§ 2. L'article 6, §§ 2 et 3, est applicable à cette demande, à cette demande, à l'exception du § 2, 3°.
Art.20. Dit besluit treedt in werking op een door Ons vast te stellen datum. Voor wat betreft de uitoefening van de werkzaamheid van vervoermakelaar, zowel op het gebied van het nationaal als op het gebied van het internationaal goederenvervoer langs de binnenwateren, treedt dit besluit echter onmiddellijk in werking.
Art.20. Le présent arrêté entre en vigueur à une date à fixer par Nous. Toutefois, en ce qui concerne l'exercice de l'activité de courtier de transport de marchandises, tant national qu'international, par voies fluviales, le présent arrêté entre immédiatement en vigueur.
Art. 21. Onze Minister van Verkeerswezen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 21. Notre Ministre des Communications est chargé de l'exécution du présent arrêté.