Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 JULI 1976. - Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Vorm geldig in het Waals Gewest. (NOTA : voor de aan 02-01-2006 voorafgaande versies, zie de archieven van de federale vorm W1976-07-08/01) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-07-2006 en tekstbijwerking tot 25-11-2025)
Titre
8 JUILLET 1976. - Loi organique des centres publics d'[action sociale]. - Forme valable en Région wallonne. <L2002-01-07/45, art. 2; En vigueur : 01-02-2004> (NOTE : Pour les versions de ce texte antérieures au 02-01-2006, voir les archives de L1976-07-08/01) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-07-2006 et mise à jour au 25-11-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - De raad voor maatschappelijk we... Eerste Afdeling. - Samenstelling en vorming van... Afdeling 2. - Werking van de raad voor maatscha... HOOFDSTUK III. - Het personeel van het openbaar... HOOFDSTUK IV. - Taken van het openbaar centrum ... Eerste Afdeling. - Algemene taken en uitvoering. Afdeling 2. - Voogdij over de kinderen. Afdeling III. - Voorschotten op een invordering... Afdeling 4. - Specifieke hulp voor het betalen ... HOOFDSTUK V. - Beroep. HOOFDSTUK VI. - Beheer van het openbaar centrum... Afdeling 1. Beheer van de goederen. Afdeling 2. - Budgettair en financieel beheer. Afdeling 3. - Afzonderlijk beheer van diensten ... Afdeling 4. [1 - Verscheidene bepalingen inzake... HOOFDSTUK VII. - Terugbetaling door partikulier... HOOFDSTUK VIII. - Financiering. HOOFDSTUK IX. - Het administratief toezicht. Eerste afdeling. - Algemene bepalingen. Afdeling 2. [1 Algemeen vernietigingstoezicht o... Afdeling 2bis. [1 Bijzonder goedkeuringstoezich... Afdeling 2ter. [1 Toezicht op de akten van de v... Afdeling 3. - Afzending van een bijzondere com... HOOFDSTUK X. - Betwiste zaken en rechtsgedingen. HOOFDSTUK XI. - Hoge raad voor maatschappelijk ... HOOFDSTUK XII. - Verenigingen. HOOFDSTUK XIIbis. [1 - Toekenning van bepaalde ... Afdeling 1. [1 - Toepassingsveld]1 Afdeling 2. [1 - Toekenning van de toelagen]1 Afdeling 3. [1 - Gebruik van de toelagen en con... Afdeling 4. [1 - Terugbetaling van de toelagen]1 HOOFDSTUK XIIter [1 Gevolgen van een vrijwillig... Afdeling 1. [1 Begripsomschrijvingen]1 Afdeling 2. [1 Algemene bepalingen]1 Afdeling 3. [1 Installatie van de raad voor maa... Afdeling 4. [1 Personeel van het OCMW]1 onderafdeling 1 [1 Principiële beslissing met b... Onderafdeling 2 [1 Directeur-generaal en financ... Onderafdeling 3. [1 Uitoefening van de functie ... Onderafdeling 4. [1 Andere personeelsleden van ... Onderafdeling 5. [1 Nieuw organogram en nieuw s... Afdeling 5. [1 Bepalingen betreffende financiën]1 Afdeling 6. [1 Overgangsbepalingen. ]1 HOOFDSTUK XIII. - Overgangs-, wijzigings- en op... HOOFDSTUK XIV. [1 - Meldingskanalen en bescherm... Afdeling 1. [1 Doel, begripsomschrijving en toe... Afdeling 2. [1 Interne meldingskanalen en -proc... Afdeling 3. [1 Externe meldingskanalen en -proc... Afdeling 4. [1 Gemeenschappelijke bepalingen vo... Afdeling 5. [1 Bescherming van de melder]1 Afdeling 6. [1 Bescherming van betrokkenen]1 Afdeling 7. [1 Sancties]1 Afdeling 8. [1 Geen afstand van rechten en reme... Afdeling 9. [1 Diverse bepalingen]1
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Des dispositions générales. CHAPITRE II. - Du conseil de l'aide sociale. Section 1ère. - La composition et la formation ... Section 2. - Du fonctionnement du conseil de l'... CHAPITRE III. - Du personnel du (centre public ... CHAPITRE IV. - Des missions du (centre public d... Section 1ère. - Missions générales et exécution. Section 2. - De la tutelle des enfants. Section III. - (Des avances sur pensions alimen... Section 4. - Aide spécifique au paiement de pen... CHAPITRE V. - Du recours. CHAPITRE VI. - De l'administration du (centre p... Section 1. De la gestion des biens. Section 2. - De la gestion budgétaire et financ... Section 3. - De la gestion distincte des servic... Section 4. [1 - Dispositions diverses en matièr... CHAPITRE VII. - Du remboursement, par les parti... CHAPITRE VIII. - Du financement. CHAPITRE IX. - De la tutelle administrative. Section première. - Dispositions générales. Section 2. [1 De la tutelle générale d'annulati... Section 2bis. [1 De la tutelle spéciale d'appro... Section 2ter. [1 De la tutelle sur les actes de... Section 3. - De l'envoi d'un commissaire spécial. CHAPITRE X. - Du contentieux et des actions jud... CHAPITRE XI. - Du conseil supérieur de l'aide s... CHAPITRE XII. - Des associations. CHAPITRE XIIbis. [1 - De l'octroi et du contrôl... Section 1re. [1 - Champ d'application]1 Section 2. [1 - Octroi des subventions]1 Section 3. [1 - Utilisation et contrôle de l'ut... Section 4. [1 - Restitution des subventions]1 CHAPITRE XIITER [1 Des conséquences d'une fusio... Section 1. [1 Définitions ]1 Section 2. [1 Dispositions générales]1 Section 3. [1 nstallation du conseil d'action s... Section 4. [1 Personnel du CPAS ]1 Sous-section 1. [1 Décision de principe relativ... Sous-section 2. [1 Directeur général et directe... Sous-section 3. [1 Exercice de la fonction de d... Sous-section 4. [1 Autres membres du personnel ... sous-section 5 [1 Nouvel organigramme et nouvea... Section 5. [1 Dispositions relatives aux financ... section 6. [1 Dispositions transitoires ]1 CHAPITRE XIII. - Des dispositions transitoires,... CHAPITRE XIV. [1 - Des canaux de signalement et... Section 1re. [1 - Objet, définitions et champs ... Section 2. [1 Canaux et procédures de signaleme... Section 3. [1 Canaux et procédures de signaleme... Section 4. [1 Dispositions communes aux signale... Section 5. [1 Protection de l'auteur de signale... Section 6. [1 Protection des personnes concerné... Section 7. [1 Sanctions]1 Section 8. [1 Absence de renonciation aux droit... Section 9. [1 Dispositions diverses]1
Tekst (384)
Texte (384)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Des dispositions générales.
Artikel 1. Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
  Er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht die, onder de door deze wet bepaalde voorwaarden,tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren.
Article 1. Toute personne a droit à l'aide sociale. Celle-ci a pour but de permettre à chacun de mener une vie conforme à la dignité humaine.
  Il est créé des (centres publics d'action sociale) qui, dans les conditions déterminées par la présente loi, ont pour mission d'assurer cette aide. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art.2. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn zijn openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid. Zij vervangen de commissies van openbare onderstand waarvan zij alle goederen, rechten, lasten en verplichtingen overnemen.
  Iedere gemeente van het Rijk wordt bediend door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
Art.2. Les (centres publics d'action sociale) sont des établissements publics dotés de la personnalité juridique. Ils remplacent les commissions d'assistance publique et succèdent à tous leurs biens, droits, charges et obligations. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Chaque commune du Royaume est desservie par un (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
HOOFDSTUK II. - De raad voor maatschappelijk welzijn.
CHAPITRE II. - Du conseil de l'aide sociale.
Eerste Afdeling. - Samenstelling en vorming van de raad voor maatschappelijk welzijn.
Section 1ère. - La composition et la formation du conseil de l'aide sociale.
Art.6.
   § 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bestuurd door een raad voor maatschappelijk welzijn bestaande uit :
  - negen leden voor een bevolking die de vijftienduizend inwoners niet overschrijdt;
  - elf leden voor een bevolking van vijftienduizend en één tot vijftigduizend inwoners;
  - dertien leden voor een bevolking van vijftigduizend en één tot honderdvijftig duizend inwoners;
  - vijftien leden voor een bevolking van meer dan honderdvijftig duizend inwoners.
  § 2. Voor de bepaling van het aantal leden wordt het bevolkingscijfer in aanmerking genomen dat als basis gediend heeft voor het bepalen van de samenstelling van de gemeenteraad die de raad voor maatschappelijk welzijn zal kiezen.
Art.6.
   § 1er. Le centre public d'action sociale est administré par un conseil de l'action sociale composé de :
  - neuf membres pour une population ne dépassant pas quinze mille habitants;
  - onze membres pour une population de quinze mille un à cinquante mille habitants;
  - treize membres pour une population de cinquante mille un à cent cinquante mille habitants;
  - quinze membres pour une population de plus de cent cinquante mille habitants.
  § 2. Pour la détermination du nombre des membres, est pris en considération le chiffre de population en fonction duquel a été déterminée la composition du conseil communal qui élira le conseil de l'action sociale.
Art.7. Om tot lid van een raad voor maatschappelijk welzijn verkozen te kunnen worden en om het te kunnen blijven, moet men :
  1° gemeenteraadskiezer zijn;
  2° ten minste achttien zijn [2 uiterlijk op de dag van de verkiezing ervan]2;
  3° [1 ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van de gemeente.]1
  Niet verkiesbaar zijn :
  1° zij die door veroordeling ontzet zijn van het recht om gekozen te worden;
  2° zij die met toepassing van artikel 6 van het Kieswetboek uitgesloten zijn van het kiesrecht;
  3° zij die overeenkomstig artikel 7 van hetzelfde Wetboek in de uitoefening van het kiesrecht geschorst zijn;
  4° zij die, onverminderd de toepassing van de bepalingen in 1° en 3°, veroordeeld zijn, zelfs met uitstel, wegens één van de in de artikelen 240, 241, 243 en 245 tot 248 van het Strafwetboek omschreven misdrijven, gepleegd in de uitoefening van een gemeenteambt; waarbij deze onverkiesbaarheid twaalf jaar na de veroordeling eindigt;
  5° de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie die ontheven of geschorst zijn van het verkiesbaarheidsrecht in hun Staat van herkomst. In geval van twijfel over de verkiesbaarheid van de kandidaat kan de bestendige deputatie eisen dat hij een attest van de bevoegde overheden van zijn Staat van herkomst indient waarin verklaard wordt dat hij, op de datum van de verkiezing, niet ontheven of geschorst is van het verkiesbaarheidsrecht in deze Staat, of dat deze overheden daarvan niets bekend is;
  6° zij die veroordeeld werden wegens overtredingen bedoeld in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden of op basis van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, waarbij deze onverkiesbaarheid achttien jaar na de veroordeling eindigt;
  7° zij die, onverminderd de toepassing van de bepalingen in 1° en 2°, bestuurder waren van een vereniging op de datum van de feiten naar aanleiding waarvan zij veroordeeld zijn wegens één van de overtredingen bepaald bij de wet van 30 juli 1981 en de wet van 23 maart 1995, waarbij deze onverkiesbaarheid achttien jaar na de veroordeling eindigt.
  Het vorige lid is niet van toepassing op de bestuurders die het bewijs leveren dat zij niet op de hoogte waren van de feiten waarop de veroordeling gegrond was of dat ze binnen dito rechtspersoon uit hun ambt zijn getreden zodra ze daarvan kennis genomen hebben;
  8° zij die uit hun mandaat ontzet zijn overeenkomstig artikel 38, § 2 of § 4, van deze wet of overeenkomstig de artikelen L1122-7, § 2, L1123-17, § 1, L2212-7, § 2, of L2212-45, § 3, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, waarbij deze onverkiesbaarheid eindigt zes jaar na de kennisgeving van de beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde waarbij de afzetting wordt vastgesteld.
  De verkiesbaarheidsvoorwaarden moeten uiterlijk op de verkiezingsdag vervuld zijn.
  
Art.7. Pour pouvoir être élu et rester membre d'un conseil de l'action sociale, il faut :
  1° avoir la qualité d'électeur au conseil communal;
  2° être âgé de dix-huit ans au moins [2 au plus tard le jour de son élection]2;
  3° [1 être inscrit au registre de population de la commune.]1
  Ne sont pas éligibles :
  1° ceux qui sont privés du droit d'éligibilité par condamnation;
  2° ceux qui sont exclus de l'électorat par application de l'article 6 du Code électoral;
  3° ceux qui sont frappés de la suspension des droits électoraux par application de l'article 7 du même Code;
  4° ceux qui, sans préjudice de l'application des dispositions prévues aux points 1° à 3°, ont été condamnés, même avec sursis, du chef de l'une des infractions prévues aux articles 240, 241, 243 et 245 à 248 du Code pénal, commises dans l'exercice de fonctions communales, cette inéligibilité cessant douze ans après la condamnation;
  5° les ressortissants non belges de l'Union européenne qui sont déchus ou suspendus du droit d'éligibilité dans leur Etat d'origine. En cas de doute sur l'éligibilité du candidat, la députation permanente peut exiger que ce candidat produise une attestation émanant des autorités compétentes de son Etat d'origine et certifiant qu'il n'est pas déchu ni suspendu, à la date de l'élection, du droit d'éligibilité dans cet Etat, ou que ces autorités n'ont pas connaissance d'une telle déchéance ou suspension;
  6° ceux qui ont été condamnés pour des infractions visées par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie ou sur la base de la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste allemand pendant la Seconde Guerre mondiale, cette inéligibilité cessant dix-huit ans après la condamnation;
  7° ceux qui, sans préjudice de l'application des dispositions prévues aux points 1° et 2°, étaient administrateurs d'une association au moment des faits à la suite desquels elle a été condamnée pour l'une des infractions prévues par la loi du 30 juillet 1981 ou la loi du 23 mars 1995, cette inéligibilité cessant dix-huit ans après la condamnation.
  Il n'est pas fait application de l'alinéa précédent aux administrateurs qui apportent la preuve qu'ils ne connaissaient pas les faits qui ont fondé la condamnation en cause ou que, lorsqu'ils en ont eu connaissance, ils ont aussitôt démissionné de leur fonction au sein de ladite personne morale;
  8° ceux qui ont été déchus de leur mandat en application de l'article 38, § 2 ou § 4, de la présente loi ou des articles L1122-7, § 2, L1123-17, § 1er, L2212-7, § 2, ou L2212-45, § 3, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, cette inéligibilité cessant six ans après la notification de la décision du Gouvernement ou de son délégué constatant la déchéance.
  Les conditions d'éligibilité doivent être réunies au plus tard le jour de l'élection.
  
Art.8. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn mogen geen bloed- of aanverwanten zijn tot en met de tweede graad, noch door de echt verbonden zijn of wettelijk samenwonen.
  Aanverwantschap die na de verkiezing tot stand komt onder de leden van de raad, stelt geen einde aan hun mandaat.
  De kandidaat die tot het minst vertegenwoordigde geslacht behoort, met uitzondering van de personen die het voorwerp zijn van dit motief van onverenigbaarheid, krijgt de voorkeur.
  [1 Als de onverenigbaarheid twee kandidaten van hetzelfde geslacht betreft, dan is de oudste gekozen.]1
  
Art.8. Les membres du conseil de l'action sociale ne peuvent être parents ou alliés jusqu'au deuxième degré, ni être unis par les liens du mariage ou cohabitants légaux.
  L'alliance entre les membres du conseil survenue postérieurement à l'élection ne met pas fin à leur mandat.
  Le candidat appartenant au sexe le moins représenté au sein du conseil, à l'exception des personnes concernées par le présent motif d'incompatibilité, est préféré.
  [1 Si l'incompatibilité concerne deux candidats du même sexe, le plus âgé est préféré.]1
  
Art.9. Van de raden voor maatschappelijk welzijn mogen niet deel uitmaken :
  1° de provinciegouverneurs, de gouverneur en vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en de adjunct-gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant;
  2° de leden van het provinciecollege en de leden van het college ingesteld bij artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 2 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen;
  3° de [4 provinciale]4 [2 directeurs-generaal]2;
  4° de arrondissementscommissarissen;
  5° de burgemeesters en de schepenen, alsmede de leden van de colleges van de agglomeraties en federaties van gemeenten;
  6° (...)
  7° elke persoon die personeelslid is of een toelage of een wedde ontvangt van de gemeente, met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden en van het onderwijspersoneel;
  8° elke persoon die personeelslid van het centrum is, met inbegrip van de personen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, die hun activiteiten uitoefenen in één van de instellingen of diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten gevolge van een beslissing van één van de organen van het centrum;
  9° de beambten van het bosbeheer, wanneer hun bevoegdheid zich uitstrekt tot beboste eigendommen die aan het bosbeheer onderworpen zijn en die toebehoren aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarin zij hun ambt wensen uit te oefenen;
  10° elke persoon die in een lokale basisoverheid van een andere lidstaat van de Europese Unie een ambt of mandaat uitoefent dat gelijkwaardig is aan dat van adviseur voor maatschappelijk welzijn. De Regering maakt een niet beperkende lijst op van de ambten of mandaten die als gelijkwaardig beschouwd worden;
  11° de staatsraden bij de Raad van State;
  12° de leden van de hoven, rechtbanken, parketten en de griffiers.
  [1 13° [3 Bloed- of aanverwanten tot in de tweede graad en de personen die gehuwd zijn of wettelijk samenwonen met de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]3]1
  
Art.9. Ne peuvent faire partie des conseils de l'action sociale :
  1° les gouverneurs de province, le gouverneur et le vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale et le gouverneur adjoint de la province du Brabant flamand;
  2° les membres du collège provincial et les membres du collège institué par l'article 83quinquies, § 2, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises;
  3° les [2 directeurs généraux]2 [4 provinciaux]4;
  4° les commissaires d'arrondissement;
  5° les bourgmestres et les échevins, ainsi que les membres des collèges des agglomérations et des fédérations de communes;
  6° (...);
  7° toute personne qui est membre du personnel communal, ou qui reçoit un subside ou un traitement de la commune, à l'exception des pompiers volontaires et du personnel enseignant;
  8° toute personne qui est membre du personnel du centre, en ce compris les personnes visées par l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, des professions paramédicales et aux commissions médicales, qui exercent leurs activités dans l'un des établissements ou services du centre public d'action sociale à la suite d'une décision de l'un des organes du centre;
  9° les employés de l'administration forestière, lorsque leur compétence s'étend à des propriétés boisées soumises au régime forestier appartenant au centre public d'action sociale dans lequel ils désirent exercer leurs fonctions;
  10° toute personne qui exerce une fonction ou un mandat équivalant à celui de conseiller de l'action sociale dans une collectivité locale de base d'un autre Etat membre de l'Union européenne. Le Gouvernement dresse une liste non exhaustive des fonctions ou mandats considérés comme équivalents;
  11° les conseillers du Conseil d'Etat;
  12° les membres des cours, tribunaux, parquets et les greffiers.
  [3 Les parents ou alliés jusqu'au deuxième degré et les personnes unies par les liens du mariage ou de la cohabitation légale avec le directeur général, le directeur général adjoint ou le directeur financier du centre public d'action sociale.]3
  
Art. 9bis. [1 Van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogen niet voorzitter worden :
   1° de titularissen van een lokale leidinggevende functie en de titularissen van een directiefunctie in een intercommunale, een vereniging van overheden bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, een gemeente- of provinciebedrijf, een gemeentelijke of een provinciale vzw, een projectvereniging, een huisvestingsmaatschappij, een vennootschap met een significante lokale overheidsparticipatie. Onder titularis van een directiefunctie dienen de personen te worden verstaan, die een staffunctie vervullen met als kenmerk de uitoefening van een deel van het gezag, een verantwoordelijkheidsgraad en een bezoldigingsregeling die uiting geeft aan de plaats die ze in het organogram bekleden;
   2° de beheerders zoals omschreven in artikel 2 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder en in artikel 2 van het decreet van 12 februari 2004 betreffende het statuut van de overheidsbestuurder voor de aangelegenheden geregeld krachtens artikel 138 van de Grondwet;
   3° de titularissen van een leidinggevende functie en een directiefunctie in een stichting van openbaar nut voor zover de totale participatie van de gemeenten, OCMW's, intercommunales of provincies, alleen of in vereniging met de Waalse gewestelijke overheid, met inbegrip van haar openbare bestuurseenheden, rechtstreeks of onrechtstreeks een percentage van meer dan 50 percent aan gewestelijke, gemeentelijke, provinciale, intercommunale of OCMW-subsidies bereikt in het totaal van hun opbrengsten.]1

  
Art. 9bis. [1 Ne peuvent pas être président du centre public d'action sociale :
   1° les titulaires d'une fonction dirigeante locale et les titulaires d'une fonction de direction au sein d'une intercommunale, d'une association de pouvoirs publics visée à l'article 118 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale, d'une régie communale ou provinciale, d'une ASBL communale ou provinciale, d'une association de projet, d'une société de logement, d'une société à participation publique locale significative. Par titulaire d'une fonction de direction, il faut entendre les personnes qui occupent une fonction d'encadrement, caractérisée par l'exercice d'une parcelle d'autorité, un degré de responsabilité et un régime pécuniaire traduisant la place occupée au sein de l'organigramme;
   2° les gestionnaires tels que définis à l'article 2 du décret du 12 février 2004 relatif au statut de l'administrateur public et à l'article 2 du décret du 12 février 2004 relatif au statut de l'administrateur public pour les matières réglées en vertu de l'article 138 de la Constitution;
   3° les titulaires d'une fonction dirigeante et d'une fonction de direction au sein d'une fondation d'utilité publique pour autant que la participation totale des communes, C.P.A.S., intercommunales ou provinces, seules ou en association avec l'entité régionale wallonne y compris ses unités d'administration publique, directement ou indirectement, atteigne un taux de plus de 50 pourcent de subventions régionales, communales, provinciales, d'intercommunales ou de C.P.A.S. sur le total de leurs produits.]1

  
Art. 9ter. [1 Een raadslid voor maatschappelijk welzijn mag niet meer dan drie bezoldigde mandaten van bestuurder bezitten in een intercommunale [2 of in een maatschappij met een significante lokale overheidsparticipatie zoals bedoeld in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en Decentralisatie]2.
   In de zin van dit artikel wordt verstaan onder bezoldigd mandaat, het mandaat waarvoor de houder ervan werkelijk een bezoldiging krijgt [3 zoals bepaald in artikel L5111-1, eerste lid, 11° en 12°, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en Decentralisatie]3.
   Het aantal mandaten wordt berekend door optelling van de bezoldigde mandaten die binnen de intercommunales [2 of de maatschappijen met een significante lokale overheidsparticipatie]2 bezeten worden, vermeerderd, in voorkomend geval, met de bezoldigde mandaten waarover de verkozene in die instellingen zou beschikken in zijn hoedanigheid van gemeente- of provincieraadslid.]1

  
Art. 9ter. [1 Un conseiller de l'action sociale ne peut détenir plus de trois mandats d'administrateur rémunérés dans une intercommunale [2 ou dans une société à participation publique locale significative telle que définie à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation]2.
   Au sens du présent article, l'on entend par mandat rémunéré, le mandat pour lequel son titulaire perçoit effectivement une rémunération [3 telle que définie à l'article L5111-1, alinéa 1er, 11° et 12°, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation]3.
   Le nombre de mandats se calcule en additionnant les mandats rémunérés détenus au sein des intercommunales [2 ou des sociétés à participation publique locale significative]2 majorés, le cas échéant, des mandats rémunérés dont l'élu disposerait dans ces organismes en sa qualité de conseiller communal ou provincial.]1

  
Art.10. [1 § 1. De zetels binnen de raad voor maatschappelijk welzijn worden onder de politieke fracties verdeeld naar verhouding van het aantal zetels waarover elke politieke fractie binnen de gemeenteraad beschikt.
   De zetels binnen de raad voor maatschappelijk welzijn worden verdeeld door het aantal in te vullen zetels te verdelen door het aantal gemeenteraadsleden, vermenigvuldigd met het aantal zetels waarover elke fractie binnen de gemeenteraad beschikt.
   Het aantal eenheden geeft het aantal rechtstreeks verworven zetels aan.
   De niet-toegekende zetel(s) wordt (worden) toegewezen in de volgorde van belangrijkheid van de decimalen.
   Bij staking van stemmen tussen twee of meer politieke fracties die aan het meerderheidspact deelnemen, wordt de zetel toegewezen aan de politieke fractie met het hoogste kiescijfer.
   Bij staking van stemmen tussen twee of meer politieke fracties die niet aan het meerderheidspact deelnemen, wordt de zetel toegewezen aan de politieke fractie met het hoogste kiescijfer.
  [2 In geval van gelijkheid tussen een politieke fractie die aan het meerderheidspact deelneemt en een politieke fractie die niet aan het meerderheidspact deelneemt, wordt de zetel toegewezen aan de politieke fractie met het hoogste kiescijfer.]2
   Elke politieke fractie, in de zin van artikel L1123-1, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie legt een kandidatenlijst over.
   Het aantal kandidaten op de lijst stemt overeen met het aantal dat aan de politieke fractie toekomt overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
   Een lijst is ontvankelijk voor zover ze door de meerderheid van de gemeenteraadsleden van eenzelfde politieke fractie getekend en door de voorgedragen kandidaten medeondertekend wordt. Als ze minstens drie personen telt, mag het aantal kandidaten van elk geslacht niet hoger zijn dan twee derde van het aantal toegewezen zetels, enerzijds, en dan één derde van de gemeenteraadsleden, anderzijds.
   Als ze slechts twee personen telt, mag het niet hoger zijn dan de helft.
   § 2. Als de meerderheid van de zetels binnen de raad voor maatschappelijk welzijn na de overeenkomstig § 1 verrichte verdeling niet toegewezen wordt aan de politieke fracties die aan het meerderheidspact deelnemen, worden aan die fracties 5, 6, 7 of 8 zetels toegewezen als de raad voor maatschappelijk welzijn uit respectievelijk 9, 11, 13 of 15 leden samengesteld is.
   De 4, 5, 6 of 7 overblijvende zetels worden toegewezen aan de politieke fracties die niet aan het meerderheidspact deelnemen.
   De in het eerste lid bedoelde zetels worden binnen de raad voor maatschappelijk welzijn verdeeld door het aantal zetels dat toekomt aan de politieke fracties die aan het meerderheidspact deelnemen te verdelen door het aantal gemeenteraadsleden, vermenigvuldigd met het aantal zetels waarover elke fractie binnen de gemeenteraad beschikt.
   Bij staking van stemmen tussen twee of meer politieke fracties die aan het meerderheidspact deelnemen, wordt de zetel toegewezen aan de politieke fractie met het hoogste kiescijfer.
   De in het tweede lid bedoelde zetels worden binnen de raad voor maatschappelijk welzijn verdeeld door het aantal zetels dat toekomt aan de politieke fracties die niet aan het meerderheidspact deelnemen te verdelen door het aantal gemeenteraadsleden, vermenigvuldigd met het aantal zetels waarover elke fractie binnen de gemeenteraad beschikt.
   Bij staking van stemmen tussen twee of meer politieke fracties die niet aan het meerderheidspact deelnemen, wordt de zetel toegewezen aan de politieke fractie met het hoogste kiescijfer.
   Elke politieke fractie, in de zin van artikel L1123-1, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie legt een kandidatenlijst over.
   Het aantal kandidaten op de lijst stemt overeen met het aantal dat aan de politieke fractie toekomt overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
   Een lijst is ontvankelijk voor zover ze door de meerderheid van de gemeenteraadsleden van dezelfde politieke fractie getekend en door de voorgedragen kandidaten medeondertekend wordt. Als ze minstens drie personen telt, mag het aantal kandidaten van elk geslacht niet hoger zijn dan twee derde van het aantal toegewezen zetels, enerzijds, en dan één derde van de gemeenteraadsleden, anderzijds.
   Als ze slechts twee personen telt, mag het niet hoger zijn dan de helft.
   § 3. De stemming van een motie van wantrouwen t.o.v. het gezamenlijke college of de aanneming van het nieuwe meerderheidspact bedoeld in artikel L1123-1, § 5, van het Wetboek heeft van rechtswege het aftreden van de leden van de raad voor maatschappelijk, het vast bureau en de bijzondere comités tot gevolg. Die leden blijven hun mandaat uitoefenen tot hun plaatsvervangers beëdigd zijn.
   De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden verdeeld overeenkomstig § 1. Als de meerderheid van de zetels binnen de raad voor maatschappelijk welzijn na de overeenkomstig § 1 verrichte verdeling niet toegewezen wordt aan de politieke fracties die aan het meerderheidspact deelnemen, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn overeenkomstig § 2 verdeeld.
   De leden van het vast bureau en van de bijzondere comités die geen voorzitter zijn, worden aangewezen overeenkomstig artikel 27, § 6, eerste tot vijfde lid, van de wet.]1

  
Art.10. [1 § 1er. Les sièges au conseil de l'action sociale sont répartis par groupes politiques proportionnellement au nombre de sièges dont chaque groupe politique bénéficie au sein du conseil communal.
   La répartition des sièges au conseil de l'action sociale s'opère en divisant le nombre de sièges à pourvoir par le nombre de membres du conseil communal, multiplié par le nombre de sièges détenus par chaque groupe au sein du conseil communal.
   Le nombre d'unités indique le nombre de sièges immédiatement acquis.
   Le ou les siège(s) non attribué(s) est (sont) dévolu(s) dans l'ordre d'importance des décimales.
   En cas d'égalité entre deux ou plusieurs groupes politiques participant au pacte de majorité, le siège est attribué au groupe politique ayant obtenu le chiffre électoral le plus élevé.
   En cas d'égalité entre deux ou plusieurs groupes politiques ne participant pas au pacte de majorité, le siège est attribué au groupe politique ayant obtenu le chiffre électoral le plus élevé.
  [2 En cas d'égalité entre un groupe politique participant au pacte de majorité et un groupe politique ne participant pas au pacte de majorité, le siège est attribué au groupe politique ayant obtenu le chiffre électoral le plus élevé.]2
   Chaque groupe politique, au sens de l'article L1123-1, § 1er, alinéa 1er, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, présente une liste de candidats.
   Une liste comprendra autant de candidats qu'il en revient au groupe politique en application des alinéas 1er et 2.
   Une liste n'est recevable que pour autant qu'elle soit signée par la majorité des conseillers communaux d'un même groupe politique et qu'elle soit contresignée par les candidats présentés. Lorsqu'elle comporte au moins trois personnes, le nombre de candidats de chaque sexe ne peut dépasser, d'une part, deux tiers du nombre de sièges attribués et, d'autre part, un tiers de conseillers communaux.
   Lorsqu'elle ne comporte que deux personnes, il ne peut dépasser la moitié.
   § 2. Si la répartition opérée conformément au § 1er ne confère pas aux groupes politiques participant au pacte de majorité la majorité des sièges au conseil de l'action sociale, il est attribué à ces dernières 5, 6, 7 ou 8 sièges si le conseil de l'action sociale est composé respectivement de 9, 11, 13 ou 15 membres.
   Les 4, 5, 6 ou 7 sièges restant sont attribués aux groupes politiques qui ne participent pas au pacte de majorité.
   La répartition des sièges visés à l'alinéa 1er au conseil de l'action sociale s'opère en divisant le nombre de sièges revenant aux groupes participant au pacte de majorité par le nombre de membres du conseil communal, multiplié par le nombre de sièges détenus par chaque groupe au sein du conseil communal.
   En cas d'égalité entre deux ou plusieurs groupes politiques participant au pacte de majorité, le siège est attribué au groupe politique ayant obtenu le chiffre électoral le plus élevé.
   La répartition des sièges visés à l'alinéa 2 au conseil de l'action sociale s'opère en divisant le nombre de sièges revenant aux groupes ne participant pas au pacte de majorité par le nombre de membres du conseil communal, multiplié par le nombre de sièges détenus par chaque groupe au sein du conseil communal.
   En cas d'égalité entre deux ou plusieurs groupes politiques ne participant pas au pacte de majorité, le siège est attribué au groupe politique ayant obtenu le chiffre électoral le plus élevé.
   Chaque groupe politique, au sens de l'article L1123-1, § 1er, alinéa 1er, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, présente une liste de candidats.
   Une liste comprendra autant de candidats qu'il en revient au groupe politique en application des alinéas 1er et 2.
   Une liste n'est recevable que pour autant qu'elle soit signée par la majorité des conseillers communaux d'un même groupe politique et qu'elle soit contresignée par les candidats présentés. Lorsqu'elle comporte au moins trois personnes, le nombre de candidats de chaque sexe ne peut dépasser, d'une part, deux tiers du nombre de sièges attribués et, d'autre part, pas plus d'un tiers de conseillers communaux.
   Lorsqu'elle ne comporte que deux personnes, elle ne peut dépasser la moitié.
   § 3. Le vote d'une motion de méfiance concernant l'ensemble du collège ou l'adoption du nouveau pacte de majorité visé à l'article L1123-1, § 5, du Code emporte de plein droit la démission des membres du conseil de l'action sociale, du Bureau permanent et des Comités spéciaux. Ceux-ci restent en fonction jusqu'à la prestation de serment de leur remplaçant.
   La répartition des membres du conseil de l'action sociale se fait conformément au § 1er. Si la répartition opérée conformément audit § 1er ne confère pas aux groupes politiques participant au pacte de majorité la majorité des sièges au conseil de l'action sociale, la répartition des membres du conseil de l'action sociale se fait conformément au § 2.
   La désignation des membres du Bureau permanent et des Comités spéciaux, autres que le président, se fait conformément à l'article 27, § 6, alinéas 1er à 5 de la loi.]1

  
Art.11. [1 § 1. [3 De burgemeester, bijgestaan door de directeur-generaal van de gemeente, ontvangt de lijsten op de derde maandag van november na de gemeenteraadsverkiezingen.
   Ze onderzoeken, samen met de indiener(s), de ontvankelijkheid van de lijsten.
   Dat onderzoek heeft betrekking op :
   1° de naleving van de voorwaarden van artikel 7;
   2° de naleving van de vereisten van artikel 10.
   De lijst die aan al die voorwaarden van de artikelen 7 en 10 voldoet, wordt ontvankelijk verklaard.
   De lijst die niet aan al die voorwaarden van de artikelen 7 en 10 voldoet, wordt onontvankelijk verklaard.
   Er wordt onmiddellijk proces-verbaal van de redenen van de onontvankelijkheid opgemaakt. Het wordt medeondertekend door de indiener(s) van bedoelde lijst, die er een afschrift van ontvangt (ontvangen).
   De indiener(s) wordt (worden) ook door de burgemeester, bijgestaan door de directeur-generaal van de gemeente, op de hoogte gebracht van de geïdentificeerde onverenigbaarheden.]3

  § 2. De indiener(s) van een ontvankelijk verklaarde lijst heeft (hebben) de mogelijkheid om een naar gelang van de redenen van onontvankelijkheid bijgestuurde lijst over te leggen op de vierde maandag van november na de gemeenteverkiezingen.
   Na uitvoering van hetzelfde onderzoek als dat omschreven in de vorige paragraaf, wordt de lijst die aan alle voorwaarden voldoet ontvankelijk verklaard.
   § 3. Als één of meer lijsten nog onontvankelijk zijn bij het sluiten van het onderzoek, worden de vacante zetels over de overige politieke fracties verdeeld overeenkomstig artikel 10. De voorzitter van de gemeenteraad geeft de indieners van de ontvankelijk verklaarde lijsten kennis van het aantal bijkomende kandidaten dat elke betrokken politieke fractie zal moeten voordragen bij de aanwijzing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn.
   § 4. In geval van aanneming van een motie van wantrouwen t.o.v. het gemeentecollege of van aanneming van een nieuw meerderheidspact, zijn de bepalingen van de vorige paragrafen van toepassing op de nieuwe verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. De dagen bedoeld in de §§ 1 en 2 van dit artikel worden vervangen door de eerste en de tweede maandag na de vergadering van de gemeenteraad waarop de motie van wantrouwen is aangenomen.]1

  
Art.11. [1 § 1er. [3 Le bourgmestre, assisté du directeur général de la commune, reçoit les listes le troisième lundi de novembre qui suit les élections communales.
   Ils procèdent à l'examen, avec le ou les déposants, de la recevabilité des listes.
   Cet examen porte sur :
   1° le respect des conditions de l'article 7;
   2° le respect des exigences de l'article 10.
   La liste qui remplit toutes les conditions des articles 7 et 10 est déclarée recevable.
   La liste qui ne remplit pas toutes les conditions des articles 7 et 10 est déclarée irrecevable.
   Un procès-verbal des motifs de l'irrecevabilité est rédigé sur-le-champ. Il est contresigné par le ou les déposants de la liste en cause, qui en reçoit ou reçoivent une copie.
   Le ou les déposants sont également informés par le bourgmestre, assisté du directeur général de la commune, des incompatibilités identifiées.]3

   § 2. Le quatrième lundi de novembre qui suit les élections communales, le ou les déposants d'une liste déclarée irrecevable a ou ont la possibilité de déposer une liste remaniée en fonction des motifs d'irrecevabilité.
   Après le même examen que celui défini au paragraphe précédent, la liste qui remplit toutes les conditions est déclarée recevable.
   § 3. S'il reste à la clôture une ou plusieurs listes irrecevables, les sièges vacants sont répartis entre les autres groupes politiques conformément à l'article 10. Le président du conseil communal communique aux déposants des listes déclarées recevables le nombre de candidats complémentaires que chaque groupe politique concerné devra proposer en plus lors de la désignation des membres du conseil de l'action sociale.
   § 4. En cas d'adoption d'une motion de méfiance à l'égard du collège communal ou de l'adoption d'un nouveau pacte de majorité, les dispositions des §§ précédents s'appliquent à la nouvelle élection des membres du conseil de l'action sociale. Les jours visés aux §§ 1er et 2 du présent article sont remplacés par le premier et le deuxième lundi qui suivent la réunion du conseil communal au cours de laquelle la motion de méfiance a été adoptée.]1

  
Art.12. [1 § 1. Nu een meerderheidspact in de handen van de [2 directeur-generaal]2 werd neergelegd op de 2e maandag van de maand november na de verkiezingen, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn in openbare zitting aangewezen tijdens de installatievergadering van de gemeenteraad van de gemeente die de gebiedsomschrijving van het centrum vormt. Als het meerderheidspact niet binnen bovenbedoelde termijn ingediend wordt, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn in openbare zitting van de gemeenteraad van de gemeente die de gebiedsomschrijving van het centrum vormt aangewezen binnen 30 dagen na de vergadering van de gemeenteraad waarop het meerderheidspact is aangenomen. Voor de indiening van de kandidatenlijsten worden de dagen bedoeld in de §§ 1 en 2 van artikel 11 vervangen door de eerste en de tweede maandag na de vergadering van de gemeenteraad waarop het meerderheidspact is aangenomen.
   § 2. In geval van toepassing van artikel 10, § 3, van deze wet worden de nieuwe leden aangewezen overeenkomstig de procedure die in § 1 vastligt.]1

  [2 § 3. De door de politieke fracties voorgedragen kandidaten overeenkomstig de artikelen 10 en 14 worden van rechtswege door de gemeenteraad gekozen. De voorzitter van de gemeenteraad kondigt onmiddellijk de verkiezingsuitslag af.]2
  
Art.12. [1 § 1er. Dès lors qu'un pacte de majorité a été déposé entre les mains du [2 directeur général]2 le 2e lundi du mois de novembre qui suit les élections, la désignation des membres du conseil de l'action sociale a lieu en séance publique lors de la séance d'installation du conseil communal de la commune qui constitue le ressort du centre. A défaut de dépôt du pacte de majorité dans le délai susvisé, la désignation des membres du conseil de l'action sociale a lieu en séance publique du conseil communal de la commune qui constitue le ressort du centre dans les 30 jours qui suivent la réunion du conseil communal au cours de laquelle le pacte de majorité a été adopté. Pour le dépôt des listes de candidats, les jours visés aux §§ 1er et 2 de l'article 11 sont remplacés par le premier et le deuxième lundi qui suivent la réunion du conseil communal au cours de laquelle le pacte de majorité a été adopté.
   § 2. En cas d'application de l'article 10, § 3, de la présente loi, les nouveaux membres sont désignés conformément à la procédure fixée par le § 1er.]1

  [2 § 3. Les candidats présentés par les groupes politiques conformément aux articles 10 et 14 sont élus de plein droit par le conseil communal. Le président du conseil communal proclame immédiatement le résultat de l'élection.]2
  
Art.14. [1 Wanneer een ander lid dan de voorzitter vóór het verstrijken van zijn mandaat ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk welzijn [2 ...]2 of door zijn politieke fractie wordt uitgesloten, draagt de politieke fractie die hem voorgedragen heeft een kandidaat voor van hetzelfde geslacht van het vervangen lid of een kandidaat van het minst vertegenwoordigd geslacht binnen de raad.
   De vervanger kan gemeenteraadslid zijn als minder dan een derde van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn gemeenteraadsleden zijn.
   De akte van uitsluiting is geldig indien hij door de meerderheid van de leden van zijn fractie wordt ondertekend en indien hij een vervanger voordraagt. Genoemde akte wordt bij de eerstvolgende vergadering aan de leden van de gemeenteraad medegedeeld. De uitsluiting treedt in werking op de datum van de eedaflegging van de vervanger.]1

  
Art.14. [1 Lorsqu'un membre, autre que le président, cesse de faire partie du conseil de l'action sociale avant l'expiration de son mandat, [2 ...]2 ou est exclu par son groupe politique, le groupe politique qui l'a présenté propose un candidat du même sexe que le membre remplacé ou un candidat du sexe le moins représenté au sein du conseil.
   Le remplaçant peut être conseiller communal si moins d'un tiers des membres du conseil de l'action sociale sont conseillers communaux.
   L'acte d'exclusion est valable s`il est signé par la majorité des membres de son groupe et qu'il propose un remplaçant. Il est porté à la connaissance des membres du conseil communal lors de la séance la plus proche. L'exclusion prend effet à la date de prestation de serment du remplaçant.]1

  
Art.15. § 1. [1 De gemeenteraad, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, alsook de leden van wie de verkiezing nietig is verklaard en belanghebbende derden kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing een beroep bij de Raad van State instellen.
   Binnen acht dagen na ontvangst van ieder beroep dat bij de Raad van State wordt ingesteld, deelt de hoofdgriffier van dit rechtscollege zulks mede aan de Regering, alsmede aan het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad. Hij geeft hen kennis van het arrest van de Raad van State.
   Wanneer een nietigverklaring definitief geworden is, wordt er tot een nieuwe verkiezing overgegaan.]1

  § 2. [3 Het mandaat van de leden van de Raad voor maatschappelijk welzijn begint te lopen op de dag van hun eedaflegging.
   De installatievergadering vindt plaats [5 de zevende dag volgend op]5 de installatievergadering van de gemeenteraad na afloop van de verkiezing van rechtswege bedoeld in artikel 12]3
.
  § 3. [2 Het lid dat ontslag neemt, blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is beëdigd.
   Het ter plaatsvervanging verkozen lid voleindigt het mandaat van het lid dat hij opvolgt.]2

  § 4. [2 Bij de geboorte of de adoptie van een kind kan het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn verlof nemen.
   Het geeft het vast bureau schriftelijk kennis van zijn verlof, met melding van de begin- en einddatum ervan.
   Het verlof duurt maximum 20 weken.
   Het eindigt uiterlijk 20 weken na de geboorte of de adoptie.]2

  [4 Ter gelegenheid van het verlof bedoeld in deze paragraaf wordt er voor de duur ervan in de vervanging voorzien, overeenkomstig artikel 14, als de politieke fractie die de rechthebbende op genoemd verlof voorgedragen heeft, daarom verzoekt. Het lid dat verlof aanvraagt blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn plaatsvervanger beëdigd is.]4
  [2 § 5. In het kader van een ziekte die een afwezigheid veroorzaakt, en die door een medisch attest van arbeidsongeschiktheid van minstens drie maanden wordt gestaafd, kan het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn verlof nemen tijdens de hele duur die door het attest gedekt is. Hij deelt zijn verlof schriftelijk aan het vast bureau mede, vergezeld van het medisch attest.
   Het raadslid voor maatschappelijk welzijn, waaronder een familielid tot in de tweede graad en op bewijs van een medisch attest :
   - lijdt aan een ziekte die een afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid van minstens drie maanden veroorzaakt;
   - behoeft bijstands- of zorgverlening;
   - behoeft palliatieve verzorging,
   kan verlof nemen tijdens de hele duur die door het attest gedekt is. Hij deelt zijn verlof schriftelijk aan het vast bureau mede, vergezeld van het medisch attest.
   Bij een verblijf in het buitenland, van minstens drie maanden en hoogstens één jaar, in een beroepskader met het bewijs van de werkgever of bij een verklaring op erewoord in het kader van een vrij beroep of een beroep als zelfstandige, kan het raadslid voor maatschappelijk welzijn verlof nemen. Hij deelt zijn verlof schriftelijk aan het vast bureau mede, vergezeld van de bewijsstukken. Per mandaat kan het verlof één jaar niet overschrijden.
   Bij een verblijf in het buitenland, van minstens drie maanden en hoogstens één jaar, in een academisch kader met het bewijs van zijn onderwijsinstelling, kan het raadslid voor maatschappelijk welzijn verlof nemen. Hij deelt zijn verlof schriftelijk aan het vast bureau mede, vergezeld van de bewijsstukken. Per mandaat kan het verlof één jaar niet overschrijden.
   Ter gelegenheid van het verlof bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, wordt er voor de duur ervan in de vervanging voorzien, overeenkomstig artikel 14, als de politieke fractie die de rechthebbende op genoemd verlof voorgedragen heeft, daarom verzoekt. Het lid dat het verlof aanvraagt, blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger is beëdigd.]2

  [2 § 6. Wanneer, op de dag van de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn, het ontslag, dat bij aangetekende brief is aangeboden door een verkozene waarvoor de in artikel 9, 8°, bedoelde onverenigbaarheid geldt, nog niet werd [5 geakteerd]5, wordt de verkozene vervangen tot de dag waarop [5 er akte genomen wordt van het ontslag]5.]2
(NOTA : de wijzigingen aangebracht bij DWG 2012-04-26/31, art. 13, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012, zijn niet kunnen uitgevoerd worden)
  
Art.15. § 1er. [1 Dans les quinze jours qui suivent la notification de la décision, un recours devant le Conseil d'Etat est ouvert au conseil communal, au centre public d'action sociale, ainsi qu'aux membres dont l'élection a été annulée et aux tiers intéressés.
   Dans les huit jours de la réception de tout recours formé auprès du Conseil d'Etat, le greffier en chef de cette juridiction en informe le Gouvernement, ainsi que le centre public d'action sociale et le conseil communal. Il leur communique l'arrêt rendu par le Conseil d'Etat.
   Lorsqu'une annulation est devenue définitive, il est procédé à une nouvelle élection.]1

  § 2. [3 Le mandat des membres du conseil de l'action sociale prend cours le jour de leur prestation de serment.
   La séance d'installation a lieu [5 le septième jour qui suit]5 celui de la séance d'installation du conseil communal au terme de leur élection de plein droit prévue à l'article 12]3
.
  § 3. [2 Le membre démissionnaire reste en fonction jusqu'à la prestation de serment de son remplaçant.
   Le membre élu en remplacement achève le mandat du membre auquel il succède.]2

  § 4. [2 A l'occasion de la naissance ou de l'adoption d'un enfant, le conseiller de l'action sociale peut prendre congé.
   Il notifie son congé au bureau permanent par écrit en indiquant la date de début et de fin.
   La durée du congé est de maximum 20 semaines.
   Il prend fin au plus tard 20 semaines après la naissance ou l'adoption.]2

  [4 A l'occasion du congé visé au présent paragraphe, il est procédé au remplacement pour la durée du congé, conformément à l'article 14, si le groupe politique qui avait présenté le bénéficiaire dudit congé le demande. Le membre qui requiert un congé reste en fonction jusqu'à la prestation de serment de son remplaçant.]4
  [2 § 5. Dans le cadre d'une maladie nécessitant une absence, attestée par un certificat médical d'incapacité de trois mois minimum, le conseiller de l'action sociale peut prendre congé pendant toute la durée couverte par ce certificat médical. Il notifie son congé, accompagné du certificat médical, au bureau permanent par écrit.
   Le conseiller de l'action sociale, dont un membre de sa famille jusqu'au deuxième degré inclus, sur attestation d'un certificat médical :
   - souffre d'une maladie nécessitant une absence d'incapacité de trois mois minimum;
   - nécessite l'assistance ou l'octroi de soins;
   - nécessite des soins palliatifs,
   peut prendre congé pendant toute la durée couverte par ce certificat médical. Il notifie son congé, accompagné du certificat médical, au bureau permanent par écrit.
   A l'occasion d'un séjour à l'étranger, de trois mois minimum et d'un an maximum, dans un cadre professionnel et attesté par son employeur ou par une déclaration sur l'honneur dans le cadre d'une profession libérale ou d'indépendant, le conseiller de l'action sociale peut prendre congé. Il notifie son congé, accompagné des pièces justificatives, au bureau permanent par écrit. Le congé ne peut excéder un an par mandature.
   A l'occasion d'un séjour à l'étranger, de trois mois minimum et d'un an maximum, dans un cadre académique et attesté par son établissement d'enseignement, le conseiller de l'action sociale peut prendre congé. Il notifie son congé, accompagné des pièces justificatives, au bureau permanent par écrit. Le congé ne peut excéder un an par mandature.
   A l'occasion du congé visé aux alinéas 1 à 4, il est procédé au remplacement pour la durée du congé, conformément à l'article 14, si le groupe politique qui avait présenté le bénéficiaire dudit congé le demande. Le membre qui requière un congé reste en fonction jusqu'à la prestation de serment de son remplaçant.]2

  [2 § 6. Lorsque, à la date de l'installation du conseil de l'action sociale, la démission, offerte par lettre recommandée, d'un élu frappé par une incompatibilité visée à l'article 9, 8°, n'a pas encore été [5 actée]5, l'élu est remplacé jusqu'à [5 la prise d'acte]5.]2
(NOTE : Les modifications apportées par DRW 2012-04-26/31, art. 8, 015; En vigueur : 03-12-2012, n'ont pas pu être effectuées)
  
Art.16. Het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat wegens een handicap zijn mandaat niet alleen kan uitoefenen, kan zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon die het kiest uit de kiezers van de gemeente die voldoen aan de verkiesbaarheidsvereisten voor het mandaat van lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, en die niet deel uitmaken van het personeel van de gemeente of van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van betrokken gemeente.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de criteria ter bepaling van de hoedanigheid van gehandicapt gemeenteraadslid.
  Bij het verstrekken van die bijstand beschikt de vertrouwenspersoon over dezelfde middelen en is hij onderworpen aan dezelfde verplichtingen als het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij heeft evenwel geen recht op aanwezigheidsgeld
Art.16. Le membre du conseil de l'action sociale qui, en raison d'un handicap, ne peut exercer seul son mandat peut, pour l'accomplissement de ce mandat, se faire assister par une personne de confiance choisie parmi les électeurs de la commune qui satisfait aux conditions d'éligibilité pour le mandat de membre du conseil de l'action sociale, et qui n'est pas membre du personnel communal ni du personnel du centre public de l'action sociale de la commune concernée.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, les critères déterminant la qualité de conseiller handicapé au niveau communal sont pris en compte.
  Lorsqu'elle fournit cette assistance, la personne de confiance dispose des mêmes moyens et est soumise aux mêmes obligations que le membre du conseil de l'action sociale. Elle n'a toutefois pas droit à des jetons de présence.
Art.17. § 1. Alvorens in functie te treden, worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en de vertrouwenspersonen bedoeld in artikel 16 tot de eedaflegging opgeroepen door de burgemeester of de afgevaardigde schepen. Zij leggen in zijn handen de volgende eed af : "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen".
  In geval van volledige vernieuwing van de raad heeft de eedaflegging plaats tijdens de installatievergadering. Elke andere eedaflegging geschiedt enkel ten overstaan van de burgemeester en in afwezigheid van de [1 algemeen directeur van de gemeente]1. Hiervan wordt een door de burgemeester en de secretaris ondertekend proces-verbaal opgemaakt dat aan de voorzitter van de raad voor sociale actie wordt gestuurd.
  § 2. Indien de burgemeester of afgevaardigde schepen nalaat de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn tot de eedaflegging op te roepen, worden de leden door de gouverneur opgeroepen en leggen ze de eed af in zijn handen of in de handen van een door hem aangeduide commissaris.
  De gouverneur neemt deze maatregelen binnen dertig dagen nadat hij kennis heeft gekregen van het verzuim.
  De kosten van deze procedure komen ten laste van de burgemeester of de afgevaardigde schepen die verzuimd heeft uitvoering te geven aan dit artikel.
  
Art.17. § 1er. Avant d'entrer en fonction, les membres du conseil de l'action sociale et les personnes de confiance visées à l'article 16 sont, aux fins de prêter serment, convoqués par le bourgmestre ou l'échevin délégué pour ce faire. Ils prêtent, en ses mains, le serment suivant : "Je jure de m'acquitter fidèlement des devoirs de ma charge.".
  La prestation de serment a lieu, en cas de renouvellement total du conseil, pendant la séance d'installation. Toute autre prestation de serment se fait entre les mains du seul bourgmestre et en présence du [1 directeur général de la commune]1. Il en est dressé un procès-verbal, signé par le bourgmestre et par le secrétaire, et transmis au président du conseil de l'action sociale.
  § 2. Si le bourgmestre ou l'échevin délégué néglige de convoquer les membres du conseil de l'action sociale aux fins de leur faire prêter serment, le gouverneur convoque lui-même les membres, et ceux-ci prêtent le serment entre ses mains ou entre les mains d'un commissaire désigné par lui.
  Le gouverneur prendra cette mesure dans les trente jours qui suivront le jour auquel il aura eu connaissance de la négligence.
  Les frais de cette procédure seront à la charge du bourgmestre ou de l'échevin délégué qui aura négligé d'exécuter le présent article.
  
Art. 17bis. In afwijking van de artikelen 11 tot en met 17 worden de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers.  De verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft plaats dezelfde dag als de gemeenteraadsverkiezingen.  De Koning stelt de nadere regels vast voor die verkiezing, naar analogie van de procedure bedoeld in de gemeentekieswet voor de verkiezing van de gemeenteraadsleden.  Art. 18.[1 § 1. Een lid dat niet meer voldoet aan de één of andere verkiesbaarheidsvoorwaarde mag zijn ambt niet langer uitoefenen. [2 In dit geval, is artikel 15, § 3, niet van toepassing.]2   Het college geeft de [3 gemeente]3 raad [3 , de raad voor maatschappelijk welzijn]3 en betrokkene daar kennis van. Betrokkene kan binnen een termijn van vijftien dagen zijn verweermiddelen aan het college meedelen. De [3 gemeente]3 raad neemt akte van het verlies van de één of andere verkiesbaarheidsvoorwaarde en stelt het ontslag van rechtswege vast. Hij gaat over tot de vervanging van het betrokken lid.   Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten van de Raad van State, wordt tegen die beslissing ingesteld. Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.   Indien betrokkene zijn ambt blijft uitoefenen alhoewel hij zelfs zonder enige kennisgeving kennis heeft van de oorzaak van zijn afzetting, is hij strafbaar met de straffen bepaald bij artikel 262 van het Strafwetboek.   § 2. Een lid dat in één van de toestanden van onverenigbaarheid komt te verkeren, mag zijn ambt niet meer uitoefenen.   Het college geeft de [3 gemeente]3 raad [3 , de raad voor maatschappelijk welzijn]3 en betrokkene daar kennis van. Betrokkene kan binnen een termijn van vijftien dagen zijn verweermiddelen aan het college meedelen. De [3 gemeente]3 raad neemt akte van de feiten die onverenigbaarheid als gevolg kunnen hebben en stelt het ontslag van rechtswege vast. Hij gaat over tot de vervanging van het betrokken lid.   Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten van de Raad van State, wordt tegen die beslissing ingesteld. Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.   Indien betrokkene zijn ambt blijft uitoefenen alhoewel hij zelfs zonder enige kennisgeving kennis heeft van de oorzaak van zijn afzetting, is hij strafbaar met de straffen bepaald bij artikel 262 van het Strafwetboek.]1  [2 § 3. De verkozene die, de dag van diens installatie, de verkiesbaarheidsvoorwaarden niet vervult of in één van de toestanden van onverenigbaarheid komt te verkeren, kan niet beëdigd worden.   Het college geeft de [3 gemeente]3 raad [3 , de raad voor maatschappelijk welzijn]3 en betrokkene daar kennis van. Betrokkene kan binnen een termijn van vijftien dagen zijn verweermiddelen aan het college meedelen. De [3 gemeente]3 raad neemt akte van het verlies van de één of andere verkiesbaarheidsvoorwaarde en stelt de onmogelijkheid vast de eed af te leggen.   Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten van de Raad van State, wordt tegen die beslissing ingesteld. Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.]2  

Wijzigingen

[2]  <DWG 2012-04-26/31, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012>   <DWG 2018-03-29/49, art. 10, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   <DWG 2024-03-28/63, art. 7, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 19.<DWG 2005-12-08/43, art. 2; Inwerkingtreding : 08-10-2006> Het ontslag uit het ambt van raadslid wordt schriftelijk meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad, die [2 er akte van neemtop de eerste vergadering volgend op de mededeling.  [2 Het ontslag heeft uitwerking met ingang van de datum waarop de gemeenteraad er akte van neemt. Als de gemeenteraad akte van het ontslag neemt, kan het niet meer worden ingetrokken.  ----------  <DWG 2018-03-29/49, art. 11, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   <DWG 2024-03-28/63, art. 8, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 20. <DWG 2005-12-08/43, art. 2; Inwerkingtreding : 08-10-2006> In geval van zware nalatigheid of kennelijk wangedrag kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn door de Regering of haar afgevaardigde geschorst of afgezet worden op voorstel van de raad voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad, de gouverneur, het provinciecollege of zelfs van ambtswege. De schorsing mag niet langer dan drie maanden duren.  Betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, op zijn verzoek, gehoord, bijgestaan door de raadsman van zijn keuze; het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt om advies verzocht.  De beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde wordt ter kennis gebracht van betrokkene en meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad, de gouverneur en het provinciecollege. Betrokkene, de raad voor maatschappelijk welzijn en de gemeenteraad beschikken over het recht om beroep in te stellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de mededeling of na afloop van de termijn waarbinnen de Regering of haar afgevaardigde moet beslissen.  In de gevallen waarin zij zich over een voorstel tot schorsing of herroeping moet uitspreken, beslist de Regering of haar afgevaardigde binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop het voorstel haar is meegedeeld. Zij kan deze termijn met drie maanden verlengen; de beslissing tot verlenging heeft slechts gevolg als ze vóór het verstrijken van de aanvankelijke termijn van drie maanden meegedeeld wordt aan de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn, de gouverneur en het provinciecollege. Als een beslissing niet meegedeeld wordt binnen de voorgeschreven termijn, eventueel verlengd, wordt het stilzwijgen van de Regering of van haar afgevaardigde beschouwd als een beslissing tot verwerping van het voorstel.  De beslissing tot verlenging wordt binnen acht dagen aan betrokkene meegedeeld.  Art. 21. <DWG 2005-12-08/43, art. 2; Inwerkingtreding : 08-10-2006> De Raad van State beschikt over een termijn van zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift om volgens de door de Koning bepaalde rechtspleging uitspraak te doen over de beroepen ingediend met toepassing van artikel 15.  Art. 22.<DWG 2005-12-08/43, art. 2; Inwerkingtreding : 08-10-2006> § 1. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn is het lid van deze raad wiens identiteit vermeld staat in het meerderheidspact bedoeld in de artikelen L1123-1 en volgende van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.  § 2. Vóór de aanneming van het meerderheidspact door de gemeenteraad, wordt de raad voor maatschappelijk welzijn voorgezeten door de voorzitter verkozen onder de vorige gemeentelijke legislatuur indien hij nog lid van de raad is en, bij gebreke daarvan, door het raadslid met de grootste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn onder de politieke fracties die voldoen aan de democratische beginselen opgenomen o.a. in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of van elke andere vorm van genocide, alsook aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.  § 3. Bij verhindering [1 of afwezigheidvan de voorzitter wordt zijn ambt waargenomen door het raadslid dat door hem schriftelijk wordt aangewezen [4 en bij gelijkheid, door het oudste raadslid. [5 De voorzitter die optreedt tijdens de verhindering of afwezigheid oefent alle prerogatieven van de voorzitter uit, met inbegrip van die om zitting te nemen in het gemeentecollege.  Bij gebrek aan zulke aanwijzing, wijst de raad onder zijn leden een plaatsvervanger aan en wordt, zo nodig, in afwachting van die aanwijzing, het ambt van voorzitter waargenomen door het lid met de hoogste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn.  [1 [3 ...  [3 ...  [2 § 3bis. Het is de verhinderde voorzitter van de Raad verboden:   1° [5 het gemeentecollege, het vast bureau of de bijzondere comités bij te wonen, in welke hoedanigheid ook;   2° de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn voor te zitten;   3° een officieel document te ondertekenen, uitgaande van de gemeente of het OCMW;   4° het tijdschrift van de gemeente of het OCMW te ondertekenen, of uitnodigingsbrieven;   5° de sjerp te dragen, behoudens voor huwelijksceremonieën en manifestaties in aanwezigheid van vertegenwoordigers van het diplomatieke corps;   6° de officiële communicatie van de gemeente of het OCMW te verzorgen;   7° permanent over een lokaal bij de gemeente of het OCMW te bschikken;   8° over een kabinet te beschikken bij de gemeente of het OCMW.   De verhinderde voorzitter van de raad is ertoe gemachtigd om in zijn privé-correspondentie gebruik te maken van briefpapier waarop zijn titel vermeld staat, zonder gebruik te mogen maken van de huisstijl of van het wapenschild van de gemeente of het OCMW.  § 4. De functies van de voorzitter eindigen wanneer hij ontslag neemt uit zijn ambt, wanneer zijn mandaat van raadslid verstrijkt of wanneer de gemeenteraad jegens hem een constructieve motie van wantrouwen stemt.  Het ontslag uit het ambt van voorzitter wordt schriftelijk meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad, die [5 er akte van neemtop de eerste vergadering volgend op de mededeling.  [5 Het ontslag heeft uitwerking op de datum waarop de gemeenteraad er akte van neemt. Als de gemeenteraad akte van het ontslag neemt, kan het niet meer worden ingetrokken.  § 5. In geval van overlijden van de voorzitter of wanneer aan zijn mandaat een einde komt om een andere reden dan de volledige vernieuwing van de raad en onverminderd de stemming van een motie van wantrouwen t.o.v. het gemeentecollege [5 en op voorwaarde dat de identiteit van de ontslagen voorzitter niet in dezelfde functie vermeld staat in het nieuwe meerderheidspact, wordt hij tot de raad een nieuwe voorzitter heeft verkozen door het lid met de hoogste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn [4 en bij gelijkheid, door het oudste raadslidvervangen onder de politieke fracties die voldoen aan de democratische beginselen opgenomen o.a. in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of van elke andere vorm van genocide, alsook aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.  De Regering bepaalt de ambtskledij of het onderscheidingsteken van de voorzitter.  ----------  <DWG 2012-04-26/31, art. 10, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012>   <DWG 2017-10-12/05, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 23-10-2017>   <DWG 2018-03-29/28, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 30-04-2018>   <DWG 2018-03-29/49, art. 12, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   <DWG 2024-03-28/63, art. 9, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 23. (impliciet opgeheven) <DWG 2005-12-08/43, art. 2; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  Afdeling 2. - Werking van de raad voor maatschappelijk welzijn.  Art. 24. De raad voor maatschappelijk welzijn regelt alles wat tot de bevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort, tenzij de wet het anders bepaalt.  Art. 25. (opgeheven) <DWG 2005-12-08/43, art. 3; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  Art. 25bis. <Ingevoegd bij W 1988-08-09/30, art. 15; Inwerkingtreding : 1989-01-01> De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, wordt door de bevoegde gemeenschapsoverheid op voorstel van de raad benoemd uit de leden van de raad.  Hij legt de in artikel 20 voorgeschreven eed af in handen van de provinciegouverneur. Wanneer bij de installatie van de raad na een algehele vernieuwing geen voorzitter is benoemd, wijst de raad een raadslid aan om, in afwachting van die benoeming, het ambt van voorzitter waar te nemen.  Art. 25ter. <Ingevoegd bij W 1988-08-09/30, art. 16; Inwerkingtreding : 1989-01-01> § 1. In de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8, 3° tot 10°, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, moet de voorzitter, elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en eenieder die het ambt van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn waarneemt, voor het uitoefenen van zijn ambt, van de taal van het taalgebied waarin de gemeente gelegen is, de kennis hebben die nodig is om het bedoeld mandaat uit te oefenen.  § 2. Door het feit van hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de in § 1 bedoelde mandatarissen de in die paragraaf bedoelde taalkennis bezitten.  Dat vermoeden is onweerlegbaar ten aanzien van elke voor het uitgeoefende mandaat rechtstreeks door de bevolking verkozen mandataris en ten aanzien van de voorzitter die tussen 1 januari 1983 en 1 januari 1989 gedurende minstens drie jaar ononderbroken een mandaat van voorzitter heeft uitgeoefend.  Ten aanzien van andere mandatarissen kan dat vermoeden worden weerlegd op verzoek van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Daartoe moet de verzoeker het bewijs leveren van ernstige aanwijzingen die dat vermoeden kunnen weerleggen en afgeleid uit een rechterlijke beslissing, de bekentenis van de mandataris of de uitoefening van zijn ambt als individuele bestuursoverheid.  § 3. Het in paragraaf 2 bedoelde verzoek wordt bij verzoekschrift ingediend bij de afdeling administratie van de Raad van State binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag van de eedaflegging als voorzitter of als niet-rechtstreeks gekozen raadslid of van het voor het eerst waarnemen van de functie van voorzitter, overeenkomstig artikel 25 of artikel 25bis, tweede lid.  § 4. De Raad van State doet uitspraak, met voorrang boven alle andere zaken.  Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit regelt de rechtspleging voor de Raad van State.  § 5. Indien de Raad van State ten aanzien van een voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt de benoeming vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw tot voorzitter worden benoemd, noch het ambt ervan waarnemen met toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.  Indien de Raad van State ten aanzien van degene die het ambt van voorzitter waarneemt met toepassing van artikel 25 of van artikel 25bis, beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt deze laatste geacht het ambt van voorzitter nooit te hebben uitgeoefend. In dat geval wordt het ambt van voorzitter vanaf de dag van de kennisgeving van het arrest waargenomen door een ander lid van de raad met toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.  Indien de Raad van State ten aanzien van een niet-rechtstreeks gekozen lid van een raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt zijn verkiezing vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw tot raadslid worden verkozen.  § 6. De miskenning van de bepalingen van § 5 door diegenen ten aanzien van wie het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid in de zin van artikel 22.  Art. 26.<W 1992-08-05/46, art. 15; Inwerkingtreding : 18-10-1992> § 1. De burgemeester kan met raadgevende stem de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn bijwonen. (...) <DWG 2005-12-08/43, art. 4; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  Wanneer de burgemeester de vergaderingen bijwoont, kan hij deze voorzitten indien hij dat wenst.  § 2. Ten minste om de drie maanden heeft overleg plaats tussen een delegatie van de raad voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van de gemeenteraad. Deze delegaties vormen samen het overlegcomité. Zij omvatten in elk geval de burgemeester of de schepen die de burgemeester aanwijst en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.  (Als het overleg een ziekenhuisaangelegenheid betreft, worden een afvaardiging van het beheerscomité en de directeur van het ziekenhuis verzocht het overleg met raadgevende stem bij te wonen.) <DWG 1998-04-02/40, art. 4; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  De (Regering) kan de voorwaarden en nadere regelen van dat overleg vaststellen. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  Behoudens andersluidende bepalingen vastgesteld door de (Regering), gelden voor dat overleg de regelen welke worden vastgesteld in een huishoudelijk reglement, aangenomen door de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  De [1 directeur-generaal van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en algemeen directeur van de gemeentenemen het secretariaat waar van het overlegcomité.  [2 De financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn neemt aan het overlegcomité deel wanneer de aangelegenheden bedoeld in artikel 26bis, § 1, 1° en 7°, voorkomen.  [3 Bij gebreke aan overleg, op afdoende wijze vastgesteld, te wijten aan de gemeentelijke overheden, beslist het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onverminderd de toepassing van het administratief toezicht.  ----------  <DWG 2013-04-18/20, art. 17, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   <DWG 2018-07-19/40, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 16-09-2018>   <DWG 2024-03-28/63, art. 10, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 26bis.<W 1992-08-05/46, art. 16; Inwerkingtreding : 18-10-1992> § 1. Over de volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité :  1° de begroting [3 en de rekeningvan het centrum alsook die van de ziekenhuizen welke van het centrum afhangen;  2° het vaststellen of wijzigen van de personeelsformatie;  3° het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging een financiële weerslag kan hebben of erdoor van het statuut van het gemeentelijk personeel wordt afgeweken;  (4° de indienstneming van bijkomend personeel [4 ...;) <DWG 1998-04-02/40, art. 5; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  5° het oprichten van nieuwe diensten of instellingen en de uitbreiding van de bestaande (behalve als het gaat om het ziekenhuis waarvan de overeenkomstig artikel [1 112ter goedgekeurde rekeningen en de begrotingsvooruitzichten niet op een tekort wijzen.) <DWG 1998-04-02/40, art. 5; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  6° het oprichten van verenigingen overeenkomstig de artikelen 118 en volgende;  7° de begrotingswijzigingen, zodra deze van aard zijn dat ze de tegemoetkoming van de gemeente zullen verhogen (...) evenals de beslissingen met betrekking tot de ziekenhuizen waardoor hun tekort toeneemt. <DWG 1998-04-02/40, art. 5; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  [2 8° het overkoepelend strategisch programma bedoeld in artikel 27ter.  § 2. Over de volgende aangelegenheden kunnen de gemeentelijke overheden slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité :  1° het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, voor zover de desbetreffende beslissingen een weerslag kunnen hebben op de begroting en het beheer van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;  2° het oprichten van nieuwe diensten of instellingen met een sociale doelstelling en de uitbreiding van de bestaande.  [2 3° het overkoepelend strategisch programma bedoeld in artikel LL1123-27 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.  § 3. De lijst van aangelegenheden, bedoeld in de §§ 1 en 2, kan worden aangevuld in het huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 26, § 2.  § 4. Het voostel dat aan het overlegcomité werd voorgelegd en de notulen van de overlegvergadering worden bij de beslissing gevoegd wanneer deze aan de toezichthoudende overheid wordt toegestuurd.  § 5. [3 De raad voor maatschappelijk welzijn sluit met de gemeenteraad overeenkomsten nodig voor de totstandkoming van de samenwerkingsverbanden.   Een samenwerkingsverband tussen de gemeente en het centrum is de gemeenschappelijke en gedeelde wil tot het samen beheren of uitvoeren van een dienst, een actie, een project of een opdracht of nog tot het toevertrouwen, aan één van de plaatselijke instellingen, van de uitvoering of het beheer van een dienst, een actie, een project of een opdracht met het oog op het bereiken van schaalvoordelen, grotere organisatie-efficiëntie en een efficiënte openbare dienstverlening voor de naleving van de opdrachten en de zelfstandigheid van beiden.  [3 § 6. De directeur-generaal van de gemeente en de directeur-generaal van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vallend onder haar grondgebied, stellen samen jaarlijks een ontwerp-verslag op over het geheel van de bestaande en de te ontwikkelen samenwerkingsverbanden tussen de gemeente en het centrum voor maatschappelijk welzijn. Wanneer het OCMW en de gemeente in een gemeenschappelijke adjunct-directeur-generaal voorzien hebben, belast met het beheer van de samenwerkingsverbanden, neemt laatstgenoemde deel aan het opstellen van het ontwerp-verslag. Dat ontwerp-verslag heeft eveneens betrekking op de kostenbesparingen en de afschaffingen van de dubbele betrekkingen of de overlappingen van activiteiten van het centrum voor maatschappelijk welzijn en de gemeente.   Het ontwerp-verslag bedoeld in lid 1 wordt ter advies voorgelegd aan de directiecomités van de gemeente en het centrum, in gemeenschappelijke vergadering, bedoeld in artikel 42, § 3, lid 5, vervolgens voorgelegd aan het overlegcomité dat over een mogelijkheid tot wijziging beschikt.   Het ontwerp-verslag bedoeld in lid 1 wordt vervolgens overgelegd en besproken op een jaarlijkse gemeenschappelijke en openbare vergadering van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn, waar wijzigingen doorgevoerd kunnen worden. Het verslag wordt vervolgens door elke van beide raden aangenomen. Op dezelfde vergadering wordt eveneens een projectie van het plaatselijk sociaal beleid voorgesteld. Die jaarlijkse vergadering wordt voor het aannemen van de begrotingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en van de gemeente, door hun respectievelijke raden, gehouden.   Dat verslag wordt bij de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gevoegd.   De Waalse Regering stelt het stramien vast voor het jaarlijkse verslag over de samenwerkingsverbanden. Daarin zijn minstens volgende gegevens vervat :   1° een boordtabel van de lopende en uitgevoerde samenwerkingsverbanden;   2° een tabel met de jaarlijkse programmatie van de overwogen samenwerkingsverbanden en een rooster dat het niveau van samenvoeging van de ondersteunende diensten beoordeelt. Die rooster wordt een samenwerkingsmatrix genoemd;   3° een lijst met de samengevoegde overheidsopdrachten en de afzonderlijke overheidsopdrachten die het voorwerp kunnen uitmaken van samengevoegde overheidsopdrachten.  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2018-07-19/29, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 07-09-2018>   <DWG 2018-07-19/40, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 16-09-2018>   <DWG 2024-03-14/16, art. 2, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   Art. 26ter.  <Opgeheven bij DWG 2024-03-28/63, art. 12, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 26quater. [1 § 1. In het kader van de samenwerkingsverbanden bedoeld in lid 26bis, § 5, sluit het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn overeenkomsten met de gemeente om onontbeerlijke ondersteunende prestaties voor de uitvoering van haar opdrachten geheel of gedeeltelijk te delegeren of gemeenschappelijk uit te voeren. De gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen hun ondersteunende diensten samenvoegen of verenigen. De samenvoeging of de vereniging van de ondersteunende diensten wordt ingeschreven in het overkoepelend strategisch programma bedoeld in artikel 27ter.   De overeenkomst bevat minstens volgende gegevens :   - voorwerp van de overeenkomst en organisatiewijze (delegatiemodus of samenwerkingsmodus);   - duur van de overeenkomst en nadere verlengingsregels;   - personeel toegewezen aan het samenwerkingsverband, en de administratieve overheid waaronder bedoeld personeel valt in geval van samenwerkingsmodus;   - de hiërarchisch verantwoordelijke die, in geval van een samenwerkingsmodus, personeelslid van beide administraties dient te zijn of via terbeschikkingstelling toegewezen dient te worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 144bis van de Nieuwe Gemeentewet of overeenkomstig artikel 32 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;   - financieringswijze, in voorkomend geval, evenals begrotingsfunctie (functionele code) waarop de uitgaven- en ontvangstenkredieten ingeschreven zijn;   - eventuele materiële middelen, aangewend voor het samenwerkingsverband;   - de nadere opvolgings- en beoordelingsregels van de overeenkomst.   § 2. De ondersteunende diensten verzamelen alle interne prestaties die onrechtstreeks bijdragen tot de hoofdzakelijke opdracht van de overheidsadministratie en die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten en doelstellingen. Hoofdzakelijk bestaan zij uit de diensten aankopen, menselijke middelen, onderhoud en informatica. De ondersteunende prestaties worden ofwel kosteloos ofwel als niet-geïnstitutionaliseerde horizontale overeenkomst overeenkomstig artikel 31 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten uitgevoerd.   § 3. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit met een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn overeenkomsten om onontbeerlijke ondersteunende prestaties voor de uitvoering van haar opdrachten geheel of gedeeltelijk te delegeren of gemeenschappelijk uit te voeren. De centra kunnen hun ondersteunende diensten bedoeld in paragraaf 2 samenvoegen of verenigen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-07-19/40, art. 4, 030; Inwerkingtreding : 16-09-2018>      Art. 27.§ 1. De raad voor maatschappelijk welzijn (richt in zijn midden een vast bureau op) dat belast is met het afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan hij bovendien andere wel omschreven bevoegdheden kan overdragen. <W 1992-08-05/46, art. 18; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  Onverminderd de toepassing van artikel 94; kan de raad in zijn midden eveneens bijzondere comités oprichten waaraan hij wel omschreven bevoegdheden kan overdragen. Er kunnen evenwel geen bijzondere comités worden opgericht zolang geen bijzonder comité voor de sociale dienst werd aangesteld. (Bovendien kan de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat plaatsvervangers worden aangewezen die de effectieve leden van de bijzondere comités mogen vervangen [4 .... De plaatsvervangers dienen op dezelfde akte van voordracht voor te komen als de betrokken effectieve leden.) <W 1993-01-12/34, art. 2; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  (Overdracht van bevoegdheden aan het vast bureau of aan de bijzondere comités is niet toegelaten voor de beslissingen die de wet uitdrukkelijk aan de raad voorbehoudt, voor beslissingen die aan de [4 ...goedkeuring van een toezichthoudende overheid onderworpen zijn en ook voor de beslissingen omtrent :  1° [4 de vervreemding, de verwerving, de verdeling en de ruil van onroerende goederen of onroerende rechten, behalve in de bedoelde in artikel 75 gevallen;  2° de leningen, de dadingen, [4 ...en de vaste beleggingen van kapitalen;  3° het aanvaarden van schenkingen en legaten aan het centrum [4 , behalve in de gevallen bedoeld in artikel 80;  4° (de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten behalve de gevallen bedoeld in artikel 84 [3 , 84bis en 84ter.) <DWG 2002-05-30/37, art. 2; Inwerkingtreding : 22-06-2002>  (vierde lid opgeheven) ) <W 1992-08-05/46, art. 18; Inwerkingtreding : 18-10-1992> <DWG 2002-05-30/37, art. 2; Inwerkingtreding : 22-06-2002>)  § 2. Het vast bureau blijft in funktie tot de installatie van de nieuwe raad. De bijzondere comités kunnen worden aangesteld voor een bepaalde of voor een onbepaalde duur, doch hun bestaansduur kan nooit verder reiken dan de installatie van de nieuwe raad.  De overdrachten van bevoegdheden kunnen echter ten allen tijde herroepen worden.  § 3. [4 ...  Het vast bureau telt, met inbegrip van zijn voorzitter, :  - drie leden voor een raad van negen leden;  - vier leden voor een raad van elf of dertien leden;  - vijf leden voor een raad van vijftien leden;  Voor elk bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag evenwel, met inbegrip van de voorzitter, niet minder tellen dan :  - drie leden voor een raad van negen leden;  - vier leden voor een raad van elf of dertien leden;  - vijf leden voor een raad van vijftien leden.  § 4. De voorzitter van de raad is van rechtswege en met beraadslagende stem voorzitter van het vast bureau en van de bijzondere comités. Het vast bureau en de bijzondere comités kunnen evenwel, in aanwezigheid van de voorzitter, binnen hun midden een ondervoorzitter aanwijzen die het voorzitterschap van de zittingen zal waarnemen in de plaats van het raadslid dat de zittingen moet voorzitten krachtens artikel 22, § 3.  § 5. De leden van het vast bureau en van de bijzondere comités mogen geen bloed- of aanverwant zijn tot en met de derde graad.  § 6. (Het vast bureau en de bijzondere comités tellen leden van beide geslachten.  De leden van het vast bureau en de leden van elk bijzonder comité worden, met uitzondering van de voorzitter, bij geheime stemming en in één enkele stemronde aangewezen, waarbij elk raadslid over één stem beschikt. Bij staking van stemmen wordt de oudste kandidaat verkozen.  Indien, na de stemming, het gemengd karakter binnen het vast bureau en een bijzonder comité niet gewaarborgd is, wordt de uitslag ongeldig verklaard.  Er wordt voor het geheel van de zetels, behalve die van de voorzitter, een nieuwe geheime stemming in één enkele stemronde gehouden tot de aanwezigheid van beide geslachten binnen het vast bureau en de bijzondere comités gewaarborgd is.  Behoudens in geval van ontslag of verlies van het mandaat van raadslid, worden de leden van het vast bureau en de leden van de bijzondere comités aangewezen voor de bestaansduur van het bureau of het comité waarvan zij lid zijn.  [1 Wanneer het mandaat van een ander lid van het vast bureau of van een bijzonder comité dan de voorzitter eindigt, wordt in zijn vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid dat op dezelfde lijst is verkozen.  Er wordt van het zesde lid afgeweken wanneer geen ander lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is verkozen op dezelfde lijst als die van het te vervangen lid van het vast bureau of bijzonder comité of wanneer laatstgenoemd lid bij staking van stemmen zijn verkiezing binnen het vast bureau of het bijzonder comité slechts aan zijn leeftijd te danken heeft. In beide gevallen kan elk raadslid verkozen worden.  Er wordt eveneens van het [1 zesde lidafgeweken wanneer, na toepassing ervan, het vast bureau of een bijzonder comité uitsluitend leden van hetzelfde geslacht zou tellen. In dit geval kan elk raadslid verkozen worden dat tot het andere geslacht behoort.)) <DWG 2005-12-08/43, art. 6; Inwerkingtreding : 08-10-2006> <DWG 2006-07-19/42, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 21-08-2006>  [2 § 7. Bij de geboorte of de adoptie van een kind, kan het lid van het vast bureau verlof nemen. Het geeft het vast bureau schriftelijk kennis van zijn verlof, met melding van de begin- en einddatum ervan. Het verlof duurt maximum 20 weken. Het eindigt uiterlijk 20 weken na de geboorte of de adoptie van het kind.   In het kader van een ziekte die een afwezigheid veroorzaakt, die door een medisch attest van arbeidsongeschiktheid van minstens drie maanden wordt gestaafd, kan het lid van het vast bureau verlof nemen tijdens de hele duur die door het medisch attest gedekt is. Het geeft het vast bureau schriftelijk kennis van zijn verlof, met melding van de begin- en einddatum ervan.   De verlofaanvraag als lid van het vast bureau bedoeld in bovenstaande paragrafen wordt ingediend als de betrokkene tijdens die periode raadslid voor maatschappelijk welzijn wil blijven.   Als verhinderd wordt beschouwd het lid van het vast bureau, voorzitter inbegrepen, die overeenkomstig deze paragraaf verlof neemt.  [4 Ter gelegenheid van het verlof bedoeld in het eerste lid tot en met vierde lid wordt er voor de duur ervan in de vervanging voorzien, als de politieke fractie die de rechthebbende op verlof voorgedragen heeft, daarom verzoekt. Er wordt in de vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid dat op dezelfde lijst van de rechthebbende is verkozen. Het lid dat verlof aanvraagt blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn plaatsvervanger aangewezen is.   Bij wijze van uitzondering op het vijfde lid, kan, wanneer geen ander lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is verkozen op dezelfde lijst als die van het tijdelijk te vervangen lid van het vast bureau, elk raadslid behorend tot ofwel een politieke fractie die aan het meerderheidspact deelneemt, ofwel tot een politieke fractie die niet aan het meerderheidspact deelneemt, volgens de deelname van het te vervangen lid, voor de duur van het verlof verkozen worden.   Bij wijze van uitzondering op het vijfde lid, kan, wanneer, na toepassing ervan, het vast bureau uitsluitend leden van hetzelfde geslacht telt, elk raadslid van het andere geslacht behorend tot ofwel een politieke fractie die aan het meerderheidspact deelneemt, ofwel tot een politieke fractie die niet aan het meerderheidspact deelneemt, volgens de deelname van het te vervangen lid, voor de duur van het verlof verkozen worden.  ----------  <DWG 2012-04-26/31, art. 11, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012>   <DWG 2018-03-29/28, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 30-04-2018>   <DWG 2022-10-06/17, art. 2, 040; Inwerkingtreding : 01-02-2023>   <DWG 2024-03-28/63, art. 13, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 27bis. <Ingevoegd bij W 1988-08-09/30, art. 17; ED § 1. : 1988-08-13; ED § 2. : 1989-01-01> § 1. In de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren is de oprichting van een vast bureau verplicht.  De leden van het vast bureau worden rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers op de wijze bepaald bij artikel 2bis van de gemeentewet.  (In het aantal leden van het vast bureau, zoals het is vastgesteld in artikel 27, § 3, wordt de voorzitter alleen dan meegerekend als hij rechtstreeks is verkozen als lid van het vast bureau.) <W 1989-06-16/30, art. 8; Inwerkingtreding : 17-06-1989>  § 2. Het vast bureau van bovenvermelde openbare centra voor maatschappelijk welzijn beslist bij consensus. Bij gebrek aan consensus wordt de zaak door de voorzitter voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn.  Art. 27ter.[1 § 1. Binnen twee maanden na zijn installatie neemt de raad voor maatschappelijk welzijn een een sociale beleidsverklaring voor de duur van zijn mandaat af, dat minstens de belangrijkste beleidsplannen alsmede een begrotingsonderdeel met de grote lijnen terzake bevat.  [2 De sociale beleidsverklaring is geldig voor de gehele duur van het mandaat, behalve in het geval van aanneming van een nieuw meerderheidspact en van volledige vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn.   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn neemt een overkoepelend strategisch programma aan binnen de [2 negenmaanden volgend op zijn installatie of na de hernieuwing van de raad overeenkomstig artikel 10, § 3.   Het overkoepelend strategisch programma is een meerjarig beleidsinstrument dat de strategie bevat die de raad voor maatschappelijk welzijn ontwikkeld om de strategische doelstellingen die hij heeft vastgelegd, te bereiken. Deze strategie resulteert in de keuze van operationele doelstellingen, projecten en acties die meer bepaald zijn omschreven rekening houdend met de ter beschikking zijnde menselijke en financiële middelen. [2 Wanneer het centrum voor maatschappelijk welzijn besluit om samenwerkingsverbanden tot stand te brengen, zoals bepaald in artikel 26 bis, neemt zij deze op in de strategische of operationele doelstellingen van het overkoepelend strategisch programma.   Het overkoepelend strategisch programma is gegrond op een samenwerking tussen de raad voor maatschappelijk welzijn en de administratie.   De raad voor maatschappelijk welzijn kan de strategische programmering overdragen aan het vast bureau. Bij een overdracht neemt de raad voor maatschappelijk welzijn akte van het overkoepelend strategisch programma.   Het overkoepelend strategisch programma wordt door de raad voor maatschappelijk welzijn minstens halfweg de legislatuur en na afloop ervan onderworpen aan een evaluatie. [2 Deze evaluatie omvat een beoordeling van het geheel van de bestaande samenwerkingsverbanden tussen de gemeente en het centrum zoals bedoeld in het tweede lid.Bij een overdracht voert het vast bureau deze evaluaties uit en de raad voor maatschappelijk welzijn neemt er akte van.   Het directiecomité stelt een uitvoeringsrapport samen, waarvan de raad voor maatschappelijk welzijn akte neemt en zelf in de loop van het eerste halfjaar van het jaar van de algehele hernieuwing van de gemeenteraden de laatste evaluatie van de legislatuur uitvoert. Bij een overdracht nemen de raad voor maatschappelijk welzijn en het vast bureau akte van dat uitvoeringsrapport.   Het uitvoeringsrapport en de laatste evaluatie van de legislatuur worden overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn voortvloeiend uit de volgende verkiezingen.   In de loop van de legislatuur is een actualisering van het overkoepelend strategisch programma mogelijk.   Het wordt op de wijze, bepaald door de raad voor maatschappelijk welzijn, bekendgemaakt. Het wordt op de website van de raad voor maatschappelijk welzijn of, bij gebreke, van de gemeente gepubliceerd.  [2 ...   § 3. De beraadslaging van de raad voor maatschappelijk welzijn die akte neemt van het overkoepelend strategisch programma of het aanneemt, aan de Regering medegedeeld.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-07-19/29, art. 3, 029; Inwerkingtreding : 07-09-2018>   <DWG 2024-03-28/63, art. 14, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 28.(§ 1.) De voorzitter van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn leidt de aktiviteiten van dit centrum [3 met inachtneming van de prerogatieven van de directeur-generaal. <W 1992-08-05/46, art. 19; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  Hij zorgt voor het voorafgaand onderzoek van de zaken die aan de raad, aan het vast bureau en aan de bijzondere comités worden voorgelegd.  Hij roept deze vergaderingen bijeen en stelt de agenda hiervan vast.  Hij is belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad, van het vast bureau en van de bijzondere comités. De in het vast bureau en de bijzondere comités genomen beslissingen worden ter kennis van de raad voor maatschappelijk welzijn gebracht. (De notulen van de vergaderingen van het overlegcomité dienen ter kennis te worden gebracht van de raad voor maatschappelijk welzijn.) Hij vertegenwoordigt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen. <W 1992-08-05/46, art. 19; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  (Wanneer een dakloze persoon een beroep doet op de maatschappelijke dienstverlening van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt, moet de voorzitter hem de vereiste dringende hulpverlening toekennen, binnen de grenzen vastgesteld door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, mits zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging aan de raad voor te leggen (of aan het orgaan waaraan de raad deze bevoegdheid heeft overgedragen).) <W 1993-01-12/34, art. 3; Inwerkingtreding : 01-03-1993> <DWG 1998-04-02/40, art. 6 ; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  (§ 2. De beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het vast bureau en van de bijzondere comités, de bekendmakingen, de akten en de briefwisseling van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden ondertekend door de voorzitter en door de secretaris.  [3 De in het eerste lid bedoelde handtekening en medeondertekening geschieden door middel van een handgeschreven handtekening of een elektronische handtekening.   De in het tweede lid bedoelde elektronische handtekening geschiedt door middel van een elektronische handtekening, een geavanceerde elektronische handtekening of een gekwalificeerde elektronische handtekening, bedoeld in respectievelijk de artikelen 3.10, 3.11 en 3.12 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.   De Regering kan nadere bepalingen vaststellen betreffende de elektronische procedure.  De voorzitter kan de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk opdragen aan een of meerdere leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij kan deze opdracht te allen tijde herroepen. Het lid of de leden aan wie de opdracht is gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening, naam en functie, melding maken van die opdracht.  De raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau kan de van [2 directeur-generaal van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn machtigen de medeondertekening van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van het centrum. Deze opdracht geschiedt schriftelijk en is te allen tijde herroepbaar; de raad voor maatschappelijk welzijn wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering. De ambtenaar of de ambtenaren aan wie de opdracht is gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening naam en functie, melding maken van die opdracht.) <W 1992-08-05/46, art. 19; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  [3 De voorzitter kan de ondertekening van de authentieke akten opdragen aan een medewerker van een notariskantoor.   De raad voor maatschappelijk welzijn kan de directeur-generaal en de financieel directeur machtigen om de medeondertekening of ondertekening van de authentieke akten op te dragen aan een medewerker van een notariskantoor.   De in het zevende lid en het achtste lid bedoelde overdrachten van handtekening geschieden bij authentieke volmacht en zijn beperkt tot de in de volmacht vermelde handelingen waarvoor de authentieke akte per videoconferentie voor een notaris wordt ontvangen.   In afwijking van het eerste lid worden de handelingen en briefwisseling van de raad voor maatschappelijk welzijn die onder de specifieke wettelijke bevoegdheden van de financieel directeur vallen, door hem ondertekend.   De in het tiende lid bedoelde handtekening geschiedt door middel van een handgeschreven handtekening of een elektronische handtekening.   De elektronische handtekening, bedoeld in het elfde lid, geschiedt door middel van een elektronische handtekening, een geavanceerde elektronische handtekening of een gekwalificeerde elektronische handtekening, bedoeld in respectievelijk de artikelen 3.10, 3.11 en 3.12 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.   Het vast bureau kan de financieel directeur van de raad voor maatschappelijk welzijn machtigen om de ondertekening van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van het centrum. Deze opdracht geschiedt schriftelijk. De raad voor maatschappelijk welzijn wordt daarvan tijdens zijn eerstvolgende vergadering op de hoogte gebracht. De ambtenaar of de ambtenaren aan wie de opdracht is gegeven op alle stukken die ze ondertekenen, maken boven hun handtekening, naam en functie, melding van die opdracht.  (§ 3.) De voorzitter kan in dringende gevallen en binnen de perken bepaald door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, zelf tot hulpverlening beslissen, mits zijn beslissing aan de raad (of aan het orgaan waaraan de raad deze bevoegdheid heeft overgedragen) te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging. <W 1992-08-05/46, art. 19; Inwerkingtreding : 18-10-1992> <DWG 1998-04-02/40, art. 6; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  § 4. [1 ...  ----------  <DWG 2012-04-26/31, art. 12, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012>   <DWG 2013-04-18/20, art. 18, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   <DWG 2024-03-28/63, art. 15, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 29.De raad voor maatschappelijk welzijn vergadert ten minste [1 tien keer in de maand([1 tien keer in het jaar, NOTA van Justel), na bijeenroeping door de voorzitter, op de dagen en uren vastgesteld door het huishoudelijk reglement.  Bovendien roept de voorzitter de raad bijeen telkens hij dit noodzakelijk acht.  De voorzitter is ertoe gehouden de raad voor maatschappelijk welzijn bijeen te roepen, hetzij op aanvraag van de burgemeester (...), hetzij op aanvraag van een derde van de zitting hebbende leden, op dag en uur en met de agendapunten door hen bepaald. (De aanvraag dient bij de voorzitter toe te komen ten minste twee vrije dagen voordat de termijn van ten minste vijf vrije dagen, bepaald in artikel 30, begint te lopen.) <W 1992-08-05/46, art. 20; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  De vergaderingen van de raad hebben plaats in de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, tenzij de raad voor een bepaalde vergadering anders beslist.  ----------  <DWG 2024-03-28/63, art. 16, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>     Art. 30.[4 De bijeenroeping geschiedt per e-mail minstens vijf dagen vóór de dag van de vergadering en vermeldt de agenda. Enerzijds kan deze termijn echter worden ingekort in spoedeisende gevallen en anderzijds wordt hij voor de toepassing van artikel 32, tweede lid, teruggebracht tot twee dagen. De stukken betreffende de agendapunten, behalve de maatschappelijke dossiers of individuele gegevens in verband met sociale actie, kunnen langs de elektronische weg overgemaakt worden.  [1 De agendapunten worden duidelijk vermeld en gaan vergezeld van een verklarende synthesenota.  [4 De oproeping en de stukken betreffende de agendapunten, behalve de maatschappelijke dossiers of individuele gegevens in verband met sociale actie, kunnen schriftelijk en aan huis overgemaakt worden als de mandataris daar schriftelijk om verzoekt of als de elektronische verzending technisch onmogelijk is.   Het vast bureau stelt een persoonlijk elektronisch adres ter beschikking van elk lid van de raad voor sociale actie.   De modaliteiten voor de toepassing van dit artikel liggen vast in het huishoudelijk reglement.  Buiten de agendapunten mag geen enkel onderwerp behandeld worden behalve bij dringende noodzakelijkheid. Tot de dringende noodzakelijkheid moet worden besloten door ten minste twee derden van de aanwezige leden. De namen van die leden worden in de notulen vermeld.) W 1992-08-05/46, art. 21; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  (Elk voorstel dat uitgaat van een lid van de raad en dat ten minste twaalf dagen vóór de vergadering van de raad aan de voorzitter wordt overgemaakt, moet op de agenda van die vergadering voorkomen en vergezeld gaan van een [1 verklarende synthesenotaof van elk document ter informatie van de raad voor maatschappelijk welzijn.) <DWG 1998-04-02/40, art. 6bis; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  De volledige dossiers worden ter beschikking van de leden van de raad gesteld ten zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gedurende de in het eerste lid bepaalde termijn, met uitzondering van de zaterdagen, de zondagen en de wettelijke feestdagen.  [1 De [2 directeur-generaalvan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de door hem aangewezen ambtenaar, alsook de [3 financieel directeurof de door hem aangewezen ambtenaar, stellen zich ter beschikking van de leden van de raad om hen de technische uitleg te geven die nodig is voor een goed begrip van de dossiers; ze staan ter beschikking gedurende minstens twee periodes voor de zitting van de raad voor sociale actie, één periode tijdens de normale kantooruren en de andere buiten die uren. De modaliteiten voor de toepassing van deze paragraaf liggen vast in het huishoudelijk reglement.  ----------  <DWG 2013-01-31/14, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   <DWG 2018-03-29/49, art. 13, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   <DWG 2019-05-02/80, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 30-09-2019>   <DWG 2024-03-28/63, art. 17, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 30bis. [1 § 1. Er wordt verstaan onder:   1° vergadering op afstand: de vergadering die wordt gehouden met behulp van videoconferentietechnologie, d.w.z. een conferentie die, naast de rechtstreekse transmissie van spraak en grafisch materiaal, ook de transmissie van bewegende beelden van deelnemers op afstand mogelijk maakt;   2° de uitzonderlijke situatie: de situatie waarin de gemeentelijke, provinciale of federale fase respectievelijk afgekondigd wordt door de bevoegde overheid, overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 mei 2019 betreffende de noodplanning en het beheer van noodsituaties op het gemeentelijk en provinciaal niveau en betreffende de rol van de burgemeesters en de provinciegouverneurs in geval van crisisgebeurtenissen en -situaties die een coördinatie of een beheer op nationaal niveau vereisen;   3° de gewone situatie: de situatie die alle andere gevallen omvat.   § 2. De artikelen 30ter en 30quater moeten worden toegepast met strikte inachtneming van de democratische beginselen die in deze wet zijn neergelegd, met name die welke betrekking hebben op:   - de eerbiediging van het beroepsgeheim;   - de eerbiediging van het niet-openbare karakter van de debatten;   - het verzoek van de leden om het woord te nemen;   - de beraadslaging;   - de mogelijkheid om van gedachten te wisselen door middel van verzoeken om het woord te nemen of vragen en antwoorden;   - het uitbrengen van stemmen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2021-07-15/15, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 01-10-2021>      Art. 30ter. [1 § 1. De vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn, de bijzondere comités en de algemene vergadering van de in Hoofdstuk XII bedoelde verenigingen worden, zowel in gewone als in uitzonderlijke situatie, fysiek gehouden.   In afwijking van het eerste lid kunnen in uitzonderlijke situaties vergaderingen op afstand worden gehouden. In het huishoudelijk reglement worden de voorwaarden en modaliteiten vastgesteld. In de notulen wordt vermeld of de vergadering op afstand is gehouden en deze informatie wordt opgenomen in het jaarlijkse bezoldigingsverslag als bedoeld in artikel L6421-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.   In het in lid 2 bedoelde geval kan niet worden beraadslaagd en gestemd over punten die betrekking hebben op de tuchtrechtelijke situatie van een of meerdere personeelsleden en de dossiers waarvoor het horen van externe personen in het kader van een geschil vereist is, tenzij de autoriteit een uiterste termijn in acht moet nemen.   § 2. Wat de algemene vergaderingen van de in Hoofdstuk XII bedoelde verenigingen betreft, is, indien op afstand wordt vergaderd, een beraadslaging van de raad voor maatschappelijk welzijn over elk punt van de agenda verplicht. Indien de raad voor maatschappelijk welzijn zich niet fysiek wenst te laten vertegenwoordigen, deelt hij zijn beraadslagingen onverwijld mee aan de structuur, die er rekening mee houdt wat betreft het uitbrengen van de stemmen, maar ook wat betreft de berekening van de verschillende aanwezigheids- en stemquorums.   § 3. De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2021-07-15/15, art. 3, 036; Inwerkingtreding : 01-10-2021>      Art. 30quater. [1 § 1. De vergaderingen van het vast bureau, van het auditcomité en van de raad van bestuur van de in Hoofdstuk XII bedoelde verenigingen worden, zowel in gewone als in uitzonderlijke situatie, fysiek gehouden.   In afwijking van lid 1 kunnen de vergaderingen van het vast bureau en van het auditcomité van de in Hoofdstuk XII bedoelde verenigingen in gewone situatie, in ten hoogste 20 procent van de gevallen, op afstand worden gehouden. In het huishoudelijk reglement worden de voorwaarden en modaliteiten vastgesteld. In de notulen wordt vermeld of de vergadering op afstand is gehouden en deze informatie wordt opgenomen in het jaarlijkse bezoldigingsverslag als bedoeld in artikel L6421-1.   In afwijking van het eerste lid kunnen in uitzonderlijke situaties vergaderingen op afstand worden gehouden. In het huishoudelijk reglement worden de voorwaarden en modaliteiten vastgesteld. In de notulen wordt vermeld of de vergadering op afstand is gehouden en deze informatie wordt opgenomen in het jaarlijkse bezoldigingsverslag als bedoeld in artikel L6421-1.   In de in de leden 2 en 3 bedoelde gevallen kan niet worden beraadslaagd en gestemd over punten die verband houden met de tuchtrechtelijke situatie van een of meerdere personeelsleden, dossiers waarvoor externe personen in het kader van een geschil moeten worden gehoord, het strategisch plan, beslissingen betreffende de financiële strategie, algemene bepalingen inzake personeelszaken, of het nu gaat om toegangsvoorwaarden voor betrekkingen of bezoldigingsvoorwaarden, bijzondere regels die van toepassing zijn op de plaatselijke bestuursfunctie, en de begrotingen en rekeningen.   In afwijking van het vierde lid kan in het in lid 3 bedoelde geval worden beraadslaagd of gestemd over punten die betrekking hebben op de tuchtrechtelijke situatie van een of meerdere personeelsleden en de dossiers waarvoor het horen van externe personen in het kader van een geschil vereist is, indien de autoriteit een uiterste termijn in acht moet nemen.   § 2. Dit artikel is eveneens van toepassing op de overlegvergaderingen bedoeld in artikel 26, § 2, van deze wet en in artikel L1122-11 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.   § 3. De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2021-07-15/15, art. 4, 036; Inwerkingtreding : 01-10-2021>      Art. 31. De vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn worden gehouden met gesloten deuren.  Art. 31bis. <Ingevoegd bij DWG 1998-04-02/40, art. 6ter; Inwerkingtreding : 1998-05-08> De wet van 11 april 1994 en het decreet van de Waalse Gewestraad van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur zijn van toepassing op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn al naar gelang de daden van beheer respectievelijk tot de bevoegdheid van de Federale Staat of van het Waalse Gewest behoren.  Art. 32. De raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau en de bijzondere comités mogen alleen beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van hun zitting hebbende leden aanwezig is.  Zij kunnen echter, indien zij tweemaal bijeengeroepen werden zonder dat het vereiste aantal leden opgekomen is, na een nieuwe en laatste bijeenroeping, geldig beraadslagen en beslissen, welk ook het aantal der aanwezige leden zij, over de onderwerpen die voor de derde maal op de agenda staan.  De tweede en derde bijeenroeping moeten geschieden overeenkomstig de voorschriften van artikel 30 en er moet vermeld worden dat de bijeenroeping voor de tweede of de derde maal geschiedt. Bovendien moet de derde bijeenroeping de tekst van de eerste twee leden van het onderhavig artikel woordelijk herhalen.  Art. 33.<W 1992-08-05/46, art. 22; Inwerkingtreding : 18-10-1992> § 1. De beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.  De leden van de raad stemmen mondeling. De voorzitter van de raad, of [1 het raadslid dat hem vervangt krachtens artikel 22, § 3,stemt het laatst en bij staking van stemmen is zijn stem beslissend.  (§ 1bis. De raad voor maatschappelijk welzijn stemt het geheel van de begroting en het geheel van de jaarrekeningen.  Elk lid kan echter de afzonderlijke stemming van één of meer door hem aangewezen artikelen of groepen van artikelen eisen als het om de begroting gaat, of van één of meer door hem aangewezen artikelen of posten als het om de jaarrekeningen gaat.  In dit geval kan de algemene stemming slechts plaatsvinden na de stemming van de aldus aangewezen artikelen, groepen van artikelen of posten; ze heeft betrekking op de artikelen of posten waarvan geen enkel lid de afzonderlijke stemming heeft gevraagd, en op de artikelen die reeds bij afzonderlijke stemming zijn goedgekeurd.) <DWG 1998-04-02/40, art. 6quater; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  § 2. De leden stemmen echter geheim als het om personen gaat, behoudens in geval van individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening.  Is er bij geheime stemming staking van stemmen, dan is het voorstel verworpen.  § 3. Voor elke benoeming tot ambten en elke contractuele indienstneming, wordt tot een afzonderlijke stemming overgegaan.  In deze gevallen [2 ...indien de volstrekte meerderheid niet werd verkregen bij de eerste stembeurt, heeft herstemming plaats voor de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben bekomen; in voorkokend geval wordt de deelneming aan die herstemming bepaald met voorrang van de oudste in jaren. In geval van staking van stemmen bij de tweede stembeurt krijgt de oudste kandidaat de voorkeur.  [2 § 3bis. Bij elke verkiezing of voordracht van kandidaten tot mandaten of politieke ambten, waar er evenveel kandidaten zijn als er mandaten of ambten zijn, neemt de raad voor maatschappelijk welzijn akte van de verkiezing of de voordracht van deze kandidaten. De leden van de raad stemmen echter mondeling of op gelijkwaardige wijze over een dergelijke verkiezing of voordracht wanneer een derde van de aanwezige leden daarom verzoekt.   " § 3ter. Bij elke verkiezing of voordracht van kandidaten tot mandaten of politieke ambten, wanneer er meer kandidaten zijn dan mandaten of ambten, stemmen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn mondeling of op gelijkwaardige wijze over een dergelijke verkiezing of voordracht. Voor elk mandaat of ambt, wordt tot een afzonderlijke stemming overgegaan.   Indien bij de benoeming of de voordracht van kandidaten de vereiste meerderheid niet wordt verkregen bij de eerste stemming, heeft herstemming plaats over de kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald.   Te dien einde maakt de voorzitter een lijst op met tweemaal zoveel namen als er benoemingen of voordrachten moeten geschieden.   De stemmen kunnen alleen uitgebracht worden op de kandidaten die op deze lijst voorkomen.   De benoeming geschiedt bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen heeft de oudste kandidaat de voorkeur.   § 3 quater. In de gevallen bedoeld in de paragrafen 3 bis en 3 ter, stemmen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, op elk verzoek van een raadslid, bij geheime stemming.  § 4. Er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen en de blanco of nietige stembiljetten.  ----------  <DWG 2012-04-26/31, art. 14, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012>   <DWG 2024-03-28/63, art. 18, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 33bis. <Ingevoegd bij W 1992-08-05/46, art. 23; Inwerkingtreding : 18-10-1992> Voor de zitting, vanaf de ontvangst van de agenda van de raad, of tijdens de zitting, voorafgaandelijk aan de bespreking of aan de stemming, kan de burgemeester de bespreking of de stemming omtrent elk punt van de agenda verdagen, behalve wanneer het betrekking heeft op de individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening. De redenen van de beslissing van de burgemeester worden vermeld in de notulen van de vergadering.  In dat geval wordt het overlegcomité bijeengeroepen binnen een termijn van vijftien dagen, met op de agenda het punt dat werd verdaagd.  De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts éénmaal uitoefenen voor hetzelfde punt.  De Koning kan de toepassingsmodaliteiten van de bepalingen van dit artikel nader bepalen.  Art. 34. De notulen van de vorige vergadering worden hetzij aan de leden medegedeeld samen met de bijeenroeping tot de vergadering, hetzij ter hunner beschikking gesteld volgens de regelen bepaald bij het laatste lid van artikel 30. Na goedkeuring worden zij door de voorzitter en de secretaris ondertekend.  Telkens als de raad het gewenst acht, worden de notulen, geheel of gedeeltelijk, staande de vergadering opgemaakt en door de aanwezige leden ondertekend.  Art. 34bis.<Ingevoegd bij DWG 2005-12-08/43, art. 7; Inwerkingtreding : 08-10-2006> [2 ...[2 ...de raad voor maatschappelijk welzijn [2 kangemeenschappelijke zittingen met de gemeenteraad houden.  [1 In afwijking van artikel 31 zijn die vergaderingen openbaar.  ----------  <DWG 2012-04-26/31, art. 19, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012>   <DWG 2024-03-28/63, art. 19, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 35. De vergaderingen van het vast bureau en, behoudens een met redenen omklede andersluidende beslissing van het betrokken comité, die van de bijzondere comités, worden gehouden op de plaats aangeduid in het huishoudelijk reglement.  De bepalingen van de artikelen 30 tot en met 34 zijn van toepassing op de vergaderingen van het vast bureau en van de bijzondere comités.  Art. 36. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn hebben het recht om ter plaatse kennis te nemen van alle akten, stukken en dossiers betreffende het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.  (Wat de akten, stukken en dossiers van het ziekenhuis betreft, beschikken de leden van het beheerscomité die raadgevende stem hebben, over hetzelfde recht.) <DWG 1998-04-02/40, art. 7; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  De leden van de raad (, en van het beheerscomité van het ziekenhuis) alsmede alle andere personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de raad, het vast bureau (, de bijzondere comités en het beheerscomité van het ziekenhuis) bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht. <DWG 1998-04-02/40, art. 7; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  (Met uitzondering van de akten en stukken betreffende de door het centrum verleende individuele hulp of de invordering van deze hulp, en van de akten en stukken betreffende de dossiers die het centrum nog niet heeft goedgekeurd, kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, onder de voorwaarden bepaald bij het door de raad opgemaakte huishoudelijk reglement, een afschrift verkrijgen van de akten en stukken betreffende de administratie van het O.C.M.W.  De vergoeding die eventueel wordt geëist voor het afschrift, mag in geen geval de kostprijs overschrijden.) <DWG 1998-04-02/40, art. 7; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  Art. 37.Het is de leden van de raad en de personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de raad mogen bijwonen, verboden :  1. Tegenwoordig te zijn bij de beraadslaging of besluit over zaken waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde, rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen tot ambten en tuchtmaatregelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad.  2. Rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige overeenkomst, enige aanbesteding, levering, verkoop of aankoop voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Dit verbod [1 is eveneens van toepassing op de vennootschappenwaarin het lid van de raad, de burgemeester of zijn afgevaardigde vennoot, zaakvoerder, beheerder of lasthebber is.  3. Als advokaat, notaris, zaakwaarnemer of deskundige, belangen te behartigen die strijdig zijn met die van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of, anders dan kosteloos, in dezelfde hoedanigheid de belangen van het centrum te verdedigen.  (4. Als raadsman van een personeelslid in tuchtzaken tussen te komen;  5. Als afgevaardigde of technicus van een vakorganisatie in een onderhandelings- of overlegcomité van de gemeente of het Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn tussen te komen.) <DWG 1995-04-06/72, art. 2, Inwerkingtreding : 04-06-1995>  Deze bepalingen gelden eveneens voor de leden van de bijzondere beheersorganen die met toepassing van artikel 94 zouden worden opgericht.  ----------  <DWG 2023-04-06/05, art. 2, 045; Inwerkingtreding : 21-10-2023>   Art. 38.<W 1992-08-05/46, art. 24; Inwerkingtreding : 18-10-1992> (§ 1.) (De wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de sociale zekerheidsregeling van de voorzitter zijn dezelfde als die van de schepenen van de overeenstemmende gemeente. De Regering kan de toekenningsvoorwaarden en wijze ervan bepalen.) <DWG 1999-04-01/39, art. 2, Inwerkingtreding : 09-05-1999>  (De bepalingen betreffende het stelsel inzake compensatie van inkomensverlies dat voor de schepenen geldt, is mutatis mutandis op de O.C.M.W.-voorzitters toepasselijk [1 waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag toegekend aan de gemeenteraadsleden van de gemeente van de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.) <DWG 2003-02-06/31, art. 5; Inwerkingtreding : 27-02-2003>  Binnen de perken en volgens de voorwaarden en modaliteiten van toekenning door de (Regering) bepaald, (kent) de raad voor maatschappelijk welzijn een presentiegeld (toe) aan zijn leden [2 overeenkomstig artikel L1122-7 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie. <DWG 2003-02-06/31, art. 4; Inwerkingtreding : 27-02-2003> <DWG 1998-04-02/40, art. 34, Inwerkingtreding : 08-05-1998>  De gewezen voorzitters en hun rechtverkrijgenden genieten hetzelfde pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.  De kosten die door de voorzitter en de leden worden gemaakt bij de uitvoering van opdrachten die hen door de raad voor maatschappelijk welzijn in het kader van zij bevoegdheden uitdrukkelijk werden toevertrouwd, worden hun terugbetaald. De (Regering) kan de nadere regels van deze terugbetalingen bepalen. <DWG 1998-04-02/40, art. 34, Inwerkingtreding : 08-05-1998>  § 2. [1 De som van het presentiegeld van het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de presentiegelden, bezoldigingen en voordelen in natura die hij geniet wegens zijn oorspronkelijke mandaten, zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies of ambten van politieke aard zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, is gelijk aan of lager dan anderhalve keer het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer der Volksvertegenwoordigers.   Indien het maximumbedrag vastgesteld in het eerste lid overschreden wordt, wordt het bedrag van het presentiegeld of van de bezoldigingen en voordelen in natura ontvangen door het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn wegens zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies of ambten van politieke aard, dienovereenkomstig verminderd.  § 3. [1 De som van het presentiegeld van het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de presentiegelden, bezoldigingen en voordelen in natura die hij geniet wegens zijn oorspronkelijke mandaten, zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies of ambten van politieke aard zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, is gelijk aan of lager dan anderhalve keer het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer der Volksvertegenwoordigers.   Indien het maximumbedrag vastgesteld in het eerste lid overschreden wordt, wordt het bedrag van het presentiegeld of van de bezoldigingen en voordelen in natura ontvangen door het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn wegens zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies of ambten van politieke aard, dienovereenkomstig verminderd.  § 4. [1 Voor de toepassing van de regels uit deel V van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie die op hen van toepassing is :   1° is het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn houder van een oorspronkelijk mandaat zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie;   2° is de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn houder van een oorspronkelijk uitvoerend mandaat zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie;   3° is de niet-verkozen persoon in de zin van artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie de persoon die niet raadslid is van de raad voor maatschappelijk welzijn en aan wie een mandaat is toevertrouwd in een privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon wegens de beslissing van één van de organen of de vertegenwoordiging van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.  § 5. [1 Voor de toepassing van artikel L5421-2, § 2, lid 3, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie gebeurt de terugbetaling van de teveel gekregen sommen ten opzichte van paragrafen 2 en 3 ten bate van het openbaar centrum voor het maatschappelijk welzijn. Indien het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn eveneens houder is van een oorspronkelijk mandaat in een gemeente of in een provincie, gebeurt de terugbetaling volgens de regels van artikel L5421-2, lid 3, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.  § 6. [1 Voor de toepassing van artikel L5431-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie kan de Regering, indien de betrokken persoon geen aangifte heeft ingediend, willens en wetens een valse aangifte heeft ingediend of nagelaten heeft de onverschuldigd gekregen sommen binnen de haar door de Regering toebedeelde termijn terug te betalen, na afloop van de procedure bepaald in artikel L5431-1, het verval vaststellen :   1° van de oorspronkelijke mandaten, met inbegrip van de uitvoerende oorspronkelijke mandaten, en van de afgeleide mandaten van elk raadslid en van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn;   2° van de mandaten toevertrouwd aan niet-verkozen personen in een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon ten gevolge van een beslissing getroffen door een van de organen, en ten gevolge van de vertegenwoordiging van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.   Tijdens een periode van zes jaar, ingaand daags na de kennisgeving van de beslissing van de Regering waarbij het verval wordt vastgesteld, zal de houder van een oorspronkelijk mandaat of de niet-verkozen persoon niet meer houder kunnen zijn van een mandaat bedoeld in artikel L5111-1, 9°, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.   Als de betrokken persoon, na afloop van de procedure bepaald in paragraaf 3 van artikel L5431-1, geen titularis meer is van een mandaat waarvoor de Regering het verval kan vaststellen zoals voorzien in lid 1 van deze paragraaf, kan de Regering voor een periode van zes jaar na de kennisgeving van haar beslissing het volgende uitspreken :   1° een onverkiesbaarheid bij de raad voor maatschappelijk welzijn voor de betrokken persoon die titularis van een oorspronkelijke mandaat was alsook een verbod, titularis van een mandaat bedoeld in artikel L5111-1, 9°, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie te zijn;   2° een verbod, titularis te zijn van een mandaat bedoeld in artikel L5111-1, 9°, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie voor de niet-verkozen persoon.  ----------  <DWG 2018-03-29/49, art. 14, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   <DWG 2024-03-28/63, art. 20, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 39. Wanneer een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter bestendig vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een bezoldiging uitbetaald.  De (Regering) bepaalt de regelen voor de berekening van deze wedde en voor de verdere uitkering van de wedde van de verkozen voorzitter, evenals de invloed van die uitkeringen op de pensioenvorming. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  Art. 40.De huishoudelijke reglementen voor de raad, het vast bureau, de bijzondere comités, alsmede voor de diensten en instellingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden vastgesteld door de raad.  (De raad legt deontologische en ethische regels vast in zijn huishoudelijk reglement. Deze regels bekrachtigen o.a. de weigering tot aanvaarding van een mandaat dat niet ten volle waargenomen zou kunnen worden, de regelmatige deelname aan de zittingen van de raad, van het vast bureau of van een bijzonder comité, de relaties tussen de verkozenen en de plaatselijke administratie, het luisteren naar en de informatieverstrekking aan de burger.) <DWG 2005-12-08/43, art. 10; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  (Het beheerscomité van het ziekenhuis maakt zijn huishoudelijk reglement op en onderwerpt het aan de goedkeuring van de raad voor maatschappelijk welzijn.) <DWG 1998-04-02/40, art. 8; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  [1 ...  [1 ...  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   HOOFDSTUK III. - Het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.  Art. 41.[1 Elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft een directeur-generaal en een financieel directeur.   Het administratief statuut van de directeur-generaal en de financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ligt vast in een reglement dat door de raad voor maatschappelijk welzijn opgemaakt wordt met inachtneming van de algemene bepalingen waarin de Waalse Regering voorziet.   De betrekkingen van directeur-generaal en financieel directeur zijn toegankelijk door werving, bevordering en mobiliteit.   Er wordt in de betrekking voorzien binnen zes maanden na de vacantverklaring.   De definitieve benoeming vindt plaats na afloop van de stage.   [2 Het vast bureau gaat over tot de evaluatie van de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal en de financieel directeur onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten waarin de Regering voorziet.   De evaluatie is gegrond op het planificatierapport.   Het vast bureau werkt een planificatierapport uit, dat de doelstellingen bepaalt welke de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal en de financieel directeur moeten, elk voor wat ze betreft, moeten bereiken in het kader van de opdrachten die zij met name op basis van [3 artikelen 41ter, 45 en 46toevertrouwd krijgen.   De beraadslaging van het vast bureau waarmee het planificatierapport ter informatie medegedeeld wordt aan de raad voor maatschappelijk welzijn [3 ....  [2 Voordat aangevangen wordt met een procedure voor de invulling van de betrekking van directeur-generaal kan de raad voor maatschappelijk welzijn onmiddellijk de adjunct-directeur-generaal voor die betrekking benoemingen voor zover laatstgenoemde alle voorwaarden vervult om in de betrekking van directeur-generaal benoemd te worden.   De evaluatie bedoeld in lid 6 heeft tot gevolg :   1° als ze "uitstekend" is, de mogelijke toekenning van een financiële toelage die gelijk is aan een bijkomende jaarlijkse verhoging;   2° " met voorbehoud ",   a) de instandhouding van de wedde in dezelfde staat tot aan de eerstvolgende evaluatie;   b) de vaststelling van een tussentijdse evaluatie zes maanden na die evaluatie met voorbehoud;   3° " ongunstig ",   a) de instandhouding van de wedde in dezelfde staat tot aan de eerstvolgende evaluatie;   b) de vaststelling van een tussentijdse evaluatie één jaar na die evaluatie met voorbehoud;   Na twee opeenvolgende ongunstige evaluaties, definitief toegewezen, kan de Raad voor maatschappelijk welzijn kennis geven van het voorstel tot ontslag wegens beroepsonbekwaamheid.   Er is in éénzelfde openbaar centrum voor openbaar welzijn of tussen een gemeente en een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn onverenigbaarheid tussen de uitoefening van het ambt van directeur generaal, ongeacht of hij titelvoerend, adjunct of waarnemend is, en de uitoefening van het ambt van titelvoerend of waarnemend financieel directeur.  ----------  <DWG 2009-04-30/18, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2009>   <DWG 2018-07-19/29, art. 4, 029; Inwerkingtreding : 07-09-2018>   <DWG 2024-03-28/63, art. 21, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 41bis.  <Opgeheven bij DWG 2018-07-19/29, art. 5, 029; Inwerkingtreding : 07-09-2018>   Art. 41ter.[1 1. In de openbare centra voor maatschappelijk welzijn waarvan de gemeente meer dan 10 000 inwoners telt, kan de raad voor maatschappelijk welzijn de directeur-generaal laten bijstaan door een ambtenaar aan wie de hoedanigheid van adjunct-directeur-generaal wordt verleend.   De adjunct-directeur-generaal van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente kan benoemd worden tot adjunct-directeur-generaal van die gemeente. Hij kan evenwel niet benoemd worden tot adjunct-directeur-generaal van een andere gemeente, noch tot adjunct-directeur-generaal van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een andere gemeente.   De totale prestaties mogen geenszins het globale volume van alle samengetelde activiteiten op meer dan één voltijdse activiteit brengen.   De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn bepalen onderling de werktijdverdeling van de adjunct-directeur-generaal ten bate van beide instellingen. De weddelast voor, respectievelijk, de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn staat in verhouding tot de voor beide instellingen geleverde arbeid.   § 2. De adjunct-directeur-generaal :   1° staat de directeur-generaal bij in de uitoefening van diens ambt;   2° vervult ambtshalve alle functies van de directeur-generaal indien hij afwezig is.   § 3. De weddeschaal van de adjunct-directeur-generaal wordt bepaald door de raad voor maatschappelijk welzijn.   Die wedde blijft lager dan die van de directeur-generaal van het centrum. Hij mag evenwel niet lager zijn dan 75 % van de weddeschaal van de directeur-generaal.   Wanneer de adjunct-directeur-generaal alle functies van de afwezige directeur-generaal vervult, stemt zijn weddeschaal honderd percent overeen met de weddeschaal van de directeur-generaal.   § 4. De financieel directeur van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van 35.000 inwoners of minder kan tot financieel directeur van die gemeente benoemd worden als het globale volume van de samengetelde activteiten de duur van zijn voltijdse betrekking niet op 1,25 maal deze voltijdse betrekking brengt. Hij kan niet benoemd worden tot financieel directeur van een andere gemeente.   De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn bepalen onderling de werktijdverdeling van de adjunct-directeur-generaal ten bate van beide instellingen, met inachtneming van de maximumgrens van 1,25 maal bedoeld in lid 1. De weddelast voor, respectievelijk, de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn staat in verhouding tot de voor beide instellingen geleverde arbeid.   De financieel directeur van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van 35.000 inwoners of minder kan, als hij niet benoemd wordt tot financieel directeur van die gemeente bij toepassing van lid 1, tot financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een andere gemeente benoemd worden.   In dat geval wordt zijn werktijd onder beide openbare centra voor maatschappelijk welzijn verdeeld naar rato van een halftijdse betrekking binnen elk centrum, volgens modaliteiten die bij overeenkomst bepaald moeten worden door de betrokken raden voor maatschappelijk welzijn.  ----------  <DWG 2018-07-19/29, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 07-09-2018>   Art. 42.[1 § 1.[6 Onder personeelsleden wordt verstaan de leden van het statutaire personeel en de leden van het contractuele personeel.   Het statutair personeelslid beoogt elk personeelslid dat tijdelijk of in vast verband benoemd is door eenzijdige beslissing van de overheid, evenals elk personeelslid dat bij eenzijdige beslissing van de overheid tot de stage toegelaten wordt met het oog op een vaste benoeming.   Het contractueel personeelslid beoogt elk lid van het personeel dat met een arbeidsovereenkomst in dienst is genomen overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.  [1 § 2. Het vast bureau maakt het organigram van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op.   Het organigram is de organisatiestructuur van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Het bevat de hiërarchische betrekkingen en identificeert de functies die deelname aan het directiecomité inhouden.   § 3. Binnen elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt een directiecomité ingesteld. Het is samengesteld uit de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal, de financieel directeur en personeelsleden die de directeur-generaal kiest onder degenen die functies als dienstverantwoordelijke vervullen, zoals bepaald bij het organigram bedoeld in paragraaf 2.   [5 De directeur-generaal van de gemeente wordt verzocht, aan het directiecomité deel te nemen. Hij zetelt er met raadgevende stem. Hij krijgt de oproepingen en de notulen.   Behalve de bevoegdheden toegewezen bij beslissing van het vast bureau, heeft het directiecomité kennis van alle vragen i.v.m. de organisatie en de werking van de diensten.   De voorontwerpen van begroting, begrotingswijzigingen en desbetreffende verklarende nota's zijn het voorwerp van overleg binnen het directiecomité.   De directiecomités van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vergaderen minstens twee keer per jaar samen.  [4 Het directiecomité :   1° neemt deel aan de uitwerking van het overkoepelend strategisch programma en [7 adviseertde raad voor maatschappelijk welzijn, of bij overdracht, het vast bureau;   2° waarborgt de opvolging van het overkoepelend strategisch programma in het kader van de uitvoering ervan.  [6 § 4. Voor alle administratieve beroepen wordt een functiebeschrijving opgesteld voordat de functie wordt ingevuld. Ze wordt door de directeur-generaal goedgekeurd na overleg binnen het directiecomité.   De functiebeschrijving bevat de opdracht, het doel of de doelstelling van de functie, de belangrijkste taken alsook alle beroepsvaardigheden en persoonlijke bekwaamheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen.   § 5. Het vast bureau keurt het vormingsplan goed op voorstel van de directeur-generaal, na overleg met het directiecomité.   Het vormingsplan is een meerjarenprogramma dat jaarlijks wordt bijgewerkt en waarin de vormingsbehoeften worden vastgesteld en geprioriteerd om aan de doelstellingen van de administratie te voldoen.   Het stelt het noodzakelijke budget vast.   Het vast bureau licht de representatieve vakverenigingen onmiddellijk in over het aangenomen vormingsplan.  ----------  <DWG 2013-04-18/20, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   <DWG 2013-04-18/20, art. 18, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   <DWG 2014-01-23/08, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2018-07-19/29, art. 7, 029; Inwerkingtreding : 07-09-2018>   <DWG 2018-07-19/40, art. 5, 030; Inwerkingtreding : 16-09-2018>   <DWG 2024-03-14/16, art. 3, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   <DWG 2024-03-28/63, art. 6, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 42/1.[1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de personeelsformatie.   De personeelsformatie omvat alle betrekkingen die nodig zijn voor de goede werking van de diensten van de administratie, ongeacht of ze al dan niet binnen de administratie worden vervuld, zowel statutair als contractueel.   Elk van deze betrekkingen wordt uitgedrukt in voltijdsequivalent, met de daaraan verbonden graad of functie en weddeschaal.   De personeelsformatie omvat minstens één maatschappelijk werker.   Elke wijziging van de personeelsformatie omvat een budgettaire evaluatie van de impact ervan.   § 2. Contractuele betrekkingen die worden vervuld om een specifieke opdracht van beperkte duur uit te voeren, worden niet in de personeelsformatie opgenomen.   § 3. Wanneer in te vullen contractuele betrekkingen betrekking hebben op een onvoorziene of nieuwe opdracht die door een hogere overheid is toevertrouwd, kan de wijziging van de personeelsformatie gebeuren nadat de werknemer is in dienst genomen, mits bekrachtiging.   § 4. De Regering bepaalt eveneens het aantal gehandicapte personen die de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in dienst moeten nemen naar gelang van de aard en de omvang van de diensten.  ----------  <DWG 2024-03-14/16, art. 4, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   Art. 42/2. [1 § 1. De personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten hetzelfde algemeen statuut als de personeelsleden van de gemeente waar de zetel van het centrum gevestigd is.   Onder algemeen statuut van het personeel wordt verstaan alle algemene regels genomen in het kader van de lokale autonomie en die de administratieve en geldelijke juridische toestand van alle personeelsleden van de administratie regelen, ongeacht hun graad.   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de afwijkingen van het in paragraaf 1 bedoelde statuut vast, voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het centrum dit nodig maakt, en bepaalt het algemeen personeelsstatuut inzake de onbestaande betrekkingen op gemeentelijk vlak evenals op dat van het ziekenhuispersoneel.   Het algemeen statuut van het afwijkend personeel omvat minstens de 12 elementen bedoeld in artikel L1212-2, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.   De bezoldigingselementen waarvan wordt afgeweken, worden met name vastgesteld op grond van het belang van de toegewezen functies, de mate van verantwoordelijkheid en de vereiste algemene en beroepsbekwaamheid, alsmede de plaats die de personeelsleden innemen in de hiërarchie van de administratie van het openbare centrum voor sociale actie.   § 3. De bepalingen van de nieuwe gemeentewet met betrekking tot pensioenen voor de leden van het gemeentelijk statutair personeel zijn van toepassing op de leden van het statutair personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.   § 4. De Regering stelt de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers vast, er rekening mede houdend dat zij een aan de te vervullen opdrachten aangepaste maatschappelijke vorming moeten waarborgen.   § 5. Op een zichtbare en toegankelijke plaats wordt een mededeling opgehangen met de plaats waar het algemeen personeelsstatuut kan worden geraadpleegd. Elk personeelslid moet het algemeen personeelsstatuut en alle wijzigingen daarop te allen tijde en zonder tussenkomst van derden op een gemakkelijk toegankelijke plaats kunnen raadplegen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 5, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 42/3. [1 § 1. Al statutaire personeelsleden wordt aangeworven en benoemd door de raad voor maatschappelijk welzijn volgens een procedure die voldoet aan het algemeen personeelsstatuut.   Deze bevoegdheid kan, onder voorbehoud van andersluidende bepalingen, worden gedelegeerd aan het vast bureau of aan de bijzondere comités.   § 2. Alle contractuele personeelsleden worden aangeworven door de raad voor maatschappelijk welzijn na afloop van een procedure die voldoet aan het algemeen personeelsstatuut. Deze bevoegdheid kan worden gedelegeerd aan het vast bureau of aan de bijzondere comités.   De raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd om de arbeidsovereenkomst van een contractueel personeelslid te beëindigen. Deze bevoegdheid kan worden gedelegeerd aan het vast bureau of aan de bijzondere comités. De delegatie-akte vermeldt uitdrukkelijk het soort akte dat kan worden ondernomen, namelijk de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met of zonder opzegtermijn, met of zonder vergoeding, om ernstige redenen, of beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling overleg met het personeelslid.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 6, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 42/4. [1 § 1. Het personeel wordt aangeworven op basis van statutaire of contractuele regelingen in overeenstemming met de bepalingen van het algemeen personeelsstatuut.   De aanwerving verwijst naar de verrichtingen die tot doel hebben een betrekking te vervullen en die resulteren in de indiensttreding van een nieuw personeelslid.   § 2. De aanwerving vindt plaats op basis van een openbare oproep tot het indienen van kandidaturen, waarin in ieder geval een functieomschrijving, de juridische aard van de betrekking, de toegangsvoorwaarden en de weddeschaal van het algemeen personeelsstatuut zijn opgenomen.   De nadere bekendmakingsregels van de oproep voor kandidaten zijn vastgelegd in het algemeen personeelsstatuut.   § 3. Van de bekendmakingsmaatregel voor de oproep tot het indienen van kandidaturen kan worden afgeweken in geval van contractuele aanwerving om dringende redenen, in geval van aanwervingen op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van minder dan een jaar, of in geval van aanwervingen die nodig zijn om aan een wettelijke verplichting te voldoen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 7, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 42/5. [1 Voor elke aanwerving wordt een selectiecommissie ingesteld.   In het algemeen personeelsstatuut is de hoedanigheid van de leden van de selectiecommissie vastgelegd.   Het vast bureau bepaalt de namen van de gewone en plaatsvervangende leden van de selectiecommissie op de voordracht van de directeur-generaal.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 8, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 42/6. [1 Het aantal en de aard van de wervingstoetsen zijn vastgelegd in het algemeen personeelsstatuut.   Indien daarom wordt verzocht, krijgt de vertegenwoordiger van de fractie die al dan niet tot het meerderheidspact behoort, automatisch de hoedanigheid van waarnemer.   De waarnemers nemen niet deel aan de beraadslagingen van de selectiecommissie.   Het algemeen personeelsstatuut kan een kandidaat voor aanwerving vrijstellen van een deel van de proeven, op voorwaarde dat laatstgenoemde aantoont dat hij/zij voor een gelijkwaardige functie geslaagd is voor hetzelfde type proef in een andere gemeente, provincie, autonome bedrijf, intercommunale, politiezone, hulpverleningszone, openbaar centrum voor sociale actie of vereniging vallend onder hoofdstuk XII.   Het algemeen personeelsstatuut stelt een maximumtermijn vast waarbinnen de proeven initieel in de andere lokale autoriteit met vrucht moeten zijn afgelegd.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 9, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 42/7. [1 De autoriteit die bevoegd is om aan te werven zal de kwalificaties en vaardigheden van de kandidaten onderling vergelijken.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 10, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 42/8.[1 § 1.[2 Wanneer een door bevordering toegankelijk ambt door de bevoegde overheid vacant wordt verklaard, wordt een oproep tot het indienen van kandidaturen gedaan onder het statutaire en contractuele personeel van haar administratie.   § 2. De artikelen 42/5 tot 42/7 zijn van toepassing op de bevorderingsprocedures.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 11, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   <DWG 2025-11-13/07, art. 1, 049; Inwerkingtreding : 05-12-2025>   Art. 42/9. [1 De raad voor maatschappelijk welzijn kan met de gemeente een mobiliteitsregeling voor de personeelsleden organiseren. De mobiliteitsregeling is vastgelegd in het algemeen personeelsstatuut.   De mobiliteitsprocedure kan al dan niet voorafgaan aan een aanwervingsprocedure en wordt georganiseerd voor betrekking met een gelijkwaardige graad. De mobiliteit wijzigt geenszins de juridische aard van de initiële arbeidsrelatie.   De artikelen 42/5 en 42/7 zijn van toepassing.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 12, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 42/10. [1 § 1. Beoordeling is een instrument voor personeelsbeheer dat, als onderdeel van een dialoog tussen de autoriteit en het personeelslid, een beoordeling mogelijk maakt van het geleverde werk en de professionele ontwikkeling van de werknemer in zijn of haar functie.   § 2. Elk personeelslid wordt beoordeeld volgens de regels van het algemeen personeelsstatuut. Hierin zijn de criteria vastgelegd waarnaar verwezen wordt om elk personeelslid te beoordelen op het behalen van de voor hem/haar vastgestelde doelstellingen, de te volgen procedure en de na te streven termijnen, evenals de beoordelingsreferenties en de gevolgen daarvan voor de administratieve en geldelijke situatie van het personeelslid.   Elk personeelslid wordt beoordeeld door zijn hiërarchische meerdere(n).   § 3. Wanneer de evaluatie niet binnen de vier maanden na de vervaldatum is uitgevoerd vastgesteld in het algemeen personeelsstatuut, wordt zij geacht gunstig te zijn en heeft zij terugwerkende kracht tot de vervaldatum.   Het algemeen personeelsstatuut kan bijzondere nadere regels vastleggen wanneer het personeelslid afwezig is tijdens de gehele evaluatieperiode of een deel ervan en/of tijdens de vier maanden die volgen op de vervaldatum van de evaluatie.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 13, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 42/11. [1 § 1. Leden van het statutaire personeel kunnen ter beschikking worden gesteld van een gebruiker om de belangen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te verdedigen.   Onder gebruiker worden verstaan, de gemeenten, de provincies, de intercommunales, de openbare centra voor sociale actie, verenigingen die vallen onder hoofdstuk XII, de hulpverleningsgebieden, de politiezones, autonome bedrijven, de instellingen voor de erediensten, de huisvestingsmaatschappijen, de verenigingen zonder winstoogmerk. De Regering kan andere gebruikers aanwijzen in geval van dringende en dwingende omstandigheden.   § 2. De terbeschikkingstelling van de statutaire personeelsleden is tijdelijk.   Zij wordt georganiseerd in een schriftelijke overeenkomst tussen he openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de gebruiker, waarin de voorwaarden en de duur van de terbeschikkingstelling, de aard van de opdracht en de elementen van de vergoeding nader worden bepaald.   De overeenkomst wordt goedgekeurd door de raad voor maatschappelijk welzijn en ondertekend door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de gebruiker voor aanvang van de terbeschikkingstelling. De ondertekende overeenkomst wordt voor aanvang van de terbeschikkingstelling aan het betrokken personeelslid meegedeeld, hetzij persoonlijk, hetzij, tegen ontvangstbevestiging, per aangetekende post of e-mail.   De raad voor maatschappelijk welzijn kan de goedkeuring van de overeenkomst overdragen aan het vast bureau of aan de bijzondere comités. In dit geval wordt de raad voor maatschappelijk welzijn op de hoogte gebracht van elke beslissing.   § 3. Het personeelslid behoudt gedurende de hele duur van de terbeschikkingstelling zijn hoedanigheid van statutair personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en blijft onderworpen aan het algemeen personeelsreglement van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.   Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld bij een gebruiker bevindt zich in actieve dienst tijdens de duur van de terbeschikkingstelling. Hij heeft recht op zijn bezoldiging en behoudt het recht deel te nemen aan de procedures voor bevordering in een hogere weddeschaal, graad of loopbaan als voorzien in het algemeen personeelsstatuut.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 14, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 42/12. [1 De statutaire personeelsleden worden in ruste gesteld op de leeftijd die wordt bepaald bij de toepasselijke bepalingen inzake wettelijk pensioen.   Het in activiteit blijven na de wettelijke pensioenleeftijd kan op aanvraag van het betrokken personeelslid worden toegestaan door de raad voor maatschappelijk welzijn. De periode van het in activiteit blijven wordt vastgelegd voor een maximale duur van één jaar. Bedoelde periode kan volgens dezelfde modaliteiten verlengd worden voor een eenmalige nieuwe periode van maximum één jaar.   De toestemming geven om zijn ambt langer uit te oefenen kan worden overgedragen aan het vast bureau of aan de bijzondere comités. In dit geval wordt de raad voor maatschappelijk welzijn op de hoogte gebracht van elke beslissing.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 15, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 43.[1 § 1. [2 ...   § 2. In de openbare centra voor maatschappelijk welzijn waar het ambt van financieel directeur geen voltijdse activiteit vergt, wordt dat ambt aan een gewestelijke ontvanger of aan een deeltijdse financieel directeur toegewezen, onverminderd de toepassing van artikel L 1124-21, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie en van artikel 41ter, § 4.   In afwijking van lid 1 kan een gewestelijke ontvanger, voor een periode van vier maanden, eenmaal verlengbaar, worden benoemd tot financieel directeur van elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat daarom verzoekt, in geval van een vacature of afwezigheid van de titularis van meer dan dertig dagen.   De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder en de wijze waarop dat ambt wordt toegewezen krachtens de leden 1 en 2.   § 3. Behoudens andersluidende bepalingen in deze wet, zijn de bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, of die op grond daarvan zijn aangenomen, betreffende gewestelijke ontvangers die hun ambt binnen een gemeente uitoefenen, van toepassing op de gewestelijke ontvanger die zijn ambt uitoefent in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.   § 4. Wanneer het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beslist om het ambt van financieel directeur niet langer toe te vertrouwen aan een gewestelijke ontvanger, deelt het zijn beslissing om het ambt van financieel directeur te creëren mee aan de gouverneur.   Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mag de in lid 1 bedoelde vacature niet publiceren voordat de gouverneur het centrum in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de opdracht van elke gewestelijke ontvanger in het centrum te beëindigen.   Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat het ambt van financieel directeur opricht, kan echter onmiddellijk een gewestelijke ontvanger voor dit ambt aanwijzen. Deze beraadslaging heeft echter rechtstreekse uitwerking, onverminderd de bevoegdheden van de toezichthoudende overheid.   De gewestelijke ontvangers worden geacht te voldoen aan alle benoemingsvoorwaarden voor de betrekking van financieel directeur.   § 5. Voor zover het centrum artikel L1124-21, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie toepast, wordt de financieel directeur van het centrum benoemd door de raad voor maatschappelijk welzijn. In dat geval oefent hij de functie van financieel directeur van het centrum uit in de lokalen ervan en volgens een uurrooster in gemeenschappelijk overleg bepaald door het centrum en de gemeente.  ----------  <DWG 2019-05-02/80, art. 3, 034; Inwerkingtreding : 30-09-2019>   <DWG 2024-03-14/16, art. 16, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   Art. 44.<W 1993-01-12/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-03-1993> Alvorens in dienst te treden, leggen de secretaris, de ontvanger en de maatschappelijk werkers in handen van de voorzitter [1 de in artikel 17, § 1, eerste lid, bedoeldeeed af. Van de eedaflegging wordt proces-verbaal opgemaakt.  Na een door de raad voor maatschappelijk welzijn vast te stellen proefperiode leggen de maatschappelijk werkers verbonden door een arbeidsovereenkomst eveneens de in het vorige lid bedoelde eed af.  ----------  <DWG 2012-04-26/31, art. 16, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012>   Art. 45.§ 1. [1 De directeur-generaal woont de zittingen van de raad voor maatschappelijk welzijn en van het vast bureau zonder stemrecht bij. Hij notuleert ze en zorgt voor het overschrijven ervan. De overgeschreven notulen worden door de voorzitter en de directeur-generaal ondertekend binnen de maand na hun aanneming door de raad voor maatschappelijk welzijn.   Hij mag de zittingen van de bijzondere comités bijwonen.   De directeur-generaal brengt juridische en administratieve adviezen uit aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan het vast bureau. De directeur-generaal wijst op de toepasselijke rechtsregels, maakt gewag van de feitelijke elementen waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de aanmerkingen waarin de wet voorziet in de beslissingen opgenomen worden.   Die adviezen en raadgevingen worden, naar gelang van het geval, bij de beslissing van het vast bureau of van de raad voor maatschappelijk welzijn gevoegd en aan de financieel directeur overgemaakt. ".   [2 Onder de controle van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn behandelt de directeur-generaal de zaken, leidt de administratie en is overste van het personeel en van de adjunct-directeur-generaal wanneer laatstgenoemde optreedt als adjunct-directeur-generaal van de directeur-generaal van het OCMW. In dat kader maakt hij het ontwerp van de evaluatie van elk personeelslid op alvorens het aan de betrokkene en aan het vast bureau te richten.   Hij voert en evalueert het beleid inzake het beheer van de menselijke hulpkrachten.   Hij zit toe op het archief.  [2 De directeur-generaal is eveneens belast met de uitvoering van het overkoepelend strategisch programma.   § 2. De voorzitter en de directeur-generaal ondertekenen de geordonnanceerde mandaten en de staten van invordering.  [3 De mandaten en de bijlagen ervan kunnen elektronisch opgesteld en ondertekend worden.   De directeur-generaal kan elk ogenblik kennis nemen van de geboekte elementen. De financieel directeur bezorgt de directeur-generaal een afschrift van elk document dat hij overmaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn, aan het vast bureau of aan een bijzonder comité.   § 3. De directeur-generaal kan op basis van een gemotiveerd rapport van de hiërarchische meerdere tuchtmaatregelen (een waarschuwing of een berisping) opleggen aan de leden van bovenbedoeld personeel. [2 De afwezigheid of het niet-bestaan van een hiërarchische overste verhindert de directeur-generaal niet, zijn bevoegdheid uit te oefenen. Hetzelfde geldt bij bij gebreke van rapport van de hiërarchische overste.   De directeur-generaal deelt zijn beslissing mee aan het vast bureau, dat over een termijn van 15 dagen beschikt om het aan zich te trekken. Na afloop van die termijn wordt de beslissing van de directeur-generaal aan het personeelslid meegedeeld overeenkomstig artikel L1215-18 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.   Het vast bureau deelt de beslissing zo spoedig mogelijk bij aangetekend schrijven aan het personeelslid mee.   Het eerste lid is niet van toepassing op de adjunct-directeur-generaal en de financieel directeur.  [1 § 4. Bij afwezigheid van de directeur-generaal of van vacature wijst het vast bureau een waarnemend directeur-generaal aan voor een hernieuwbare termijn van maximum drie jaar.    Voor een doorlopende periode van hoogstens dertig dagen kan het vast bureau de directeur-generaal belasten met de aanwijzing van de ambtenaar die hem moet vervangen. [2 Als de directeur-generaal niemand aanwijst bij een tijdelijke afwezigheid van minder dan zeven dagen kan het vast bureau een waarnemend directeur-generaal aanwijzen. Als die periode van zeven dagen afgelopen is, wijst het vast bureau er één aan.  [2 De waarnemend directeur-generaal geniet de weddeschaal van de titularis. Als hij gekozen wordt uit de personeelsleden van het centrum, krijgt hij een toelage gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging die hij zou krijgen als hij titularis zou zijn van de graad van directeur-generaal en de bezoldiging die hij in zijn daadwerkelijke graad krijgt.   De directeur-generaal of zijn afgevaardigde, van hoger niveau dan dat van het geworven of in dienst genomen personeelslid, neemt met stemrecht deel aan het examenjury samengesteld bij de werving of de indienstneming van de personeelsleden.   Het voorzitterschap van het directiecomité zoals bedoeld in artikel 42, § 3, wordt door de directeur-generaal waargenomen.   De directeur-generaal wordt belast met de invoering en de monitoring van het systeem voor interne controle op de werking van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.   Het interne controlesysteem is een geheel van maatregelen en procedures bedacht om redelijke zekerheid te waarborgen wat betreft :   1° het halen van de doelstellingen;   2° de naleving van de geldende wetgeving en van de procedures;   3° de beschikbaarheid van betrouwbare informatie over de financiën en het beheer.   Het algemene kader van het interne controlesysteem wordt ter goedkeuring aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorgelegd.   Na overleg met het directiecomité bedoeld in artikel 42, § 3, wordt de directeur-generaal belast met het opmaken van het ontwerp van :   1° het organigram;   2° de personeelsformatie;   3° de statuten van het personeel.  ----------  <DWG 2013-04-18/20, art. 8, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   <DWG 2018-07-19/29, art. 9, 029; Inwerkingtreding : 07-09-2018>   <DWG 2018-07-17/03, art. 11, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>   Art. 46.[1 § 1. Onder het gezag van het vast bureau staat de financieel directeur in voor de boekhouding van het centrum en voor het opmaken van de jaarrekeningen. Hij vervult de functie van financieel en budgettair adviseur van het centrum.   § 2. De financieel directeur vervult de volgende taken :   1° de ontvangsten van het centrum verrichten.   Met het oog op de invordering van zekere en opeisbare schuldvorderingen kan de financieel directeur een door de raad voor maatschappelijk welzijn getekend en voor uitvoerbaar verklaard dwangbevel toesturen. Een dergelijk dwangbevel wordt bij deurwaardersexploot betekend. Dat exploot onderbreekt de verjaring. Een dwangbevel mag door de raad voor maatschappelijk welzijn slechts getekend en voor uitvoerbaar verklaard worden als de schuld opeisbaar, vlottend en zeker is. Bovendien moet de schuldenaar vooraf bij aangetekend schrijven in gebreke gesteld worden. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan administratieve kosten voor dat aangetekend schrijven aanrekenen. Die kosten zijn voor rekening van de schuldenaar en kunnen bij dwangbevel ingevorderd worden. De schulden van publiekrechtelijke personen kunnen nooit bij dwangbevel ingevorderd worden. Tegen dat exploot kan bij verzoekschrift of door dagvaarding beroep ingesteld worden binnen de maand van de betekening;   2° op basis van mandaten de betaalbaar gestelde uitgaven vereffenen ten belope van :   a) het bijzondere bedrag van elk begrotingsartikel;   b) de voorlopige kredieten;   c) de kredieten overgedragen krachtens artikel 91, § 1, derde lid, en § 2;   d) een krediet toegekend overeenkomstig artikel 88, § 2;   3° alle handelingen tot stuiting van verjaring en verval verrichten;   4° tot alle beslagleggingen doen overgaan, de inschrijving, de herinschrijving of de hernieuwing van elke titel die daarvoor vatbaar is ten kantore der hypotheken vorderen;   5° de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn kennis geven van het vervallen van de huurovereenkomsten, van de achterstallen en van elk feit dat de rechten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn schaadt;   6° binnen tien werkdagen na ontvangst van het dossier dat het ontwerp en de eventuele verklarende bijlagen inhoudt in alle onafhankelijkheid een voorafgaand en gemotiveerd schriftelijk advies uitbrengen over elk ontwerp van beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het vast bureau, van de voorzitter of van het orgaan waaraan de raad volmacht met een financiële of budgettaire weerslag [2 van meer dan[4 30.000 euro verleend heeft, met uitzondering van de ontwerpbegroting of begrotingswijzigingen,van de beslissingen betreffende sociale hulpverlening of bedoeld in artikel 56;  [4 6°bis binnen tien werkdagen na ontvangst van het dossier dat het ontwerp en de eventuele verklarende bijlagen inhoudt in alle onafhankelijkheid een voorafgaand en gemotiveerd schriftelijk advies uitbrengen over elk ontwerp van beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn, of in voorkomend geval van het vast bureau, met betrekking tot de aanvaarding van schenkingen of legaten aan het OCMW;   7° binnen tien werkdagen na ontvangst van het dossier dat het ontwerp en de eventuele verklarende bijlagen inhoudt in alle onafhankelijkheid en op eigen initiatief een voorafgaand en gemotiveerd schriftelijk advies uitbrengen over elk ontwerp van beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn [2 of van het vast bureaumet een financiële of budgettaire weerslag [2 gelijk aan of kleiner dan [4 30.000euro, excl. B.T.W..   [2 De termijn van tien dagen bedoeld onder [4 6° tot en met 7°kan bij beslissing van de auteur van de akte verlengd worden voor dezelfde duur. [2 In geval van behoorlijk gemotiveerde dringende noodzakelijkheid kan de basistermijn van tien werkdagen bedoeld onder 6° en 7° tot vijf werkdagen ingekort worden..   [4 Indien binnen de vereiste termijn geen advies is uitgebracht, kan de procedure niettemin worden voortgezet.Dat advies maakt noodzakelijk deel uit van het dossier dat aan toezicht onderworpen wordt.   8° in het kader van het interne controlesysteem wordt hij belast met :   1° het efficiënt en zuinig gebruik van de hulpbronnen;   2° de bescherming van de activa   3° het verstrekken van betrouwbare financiële informatie aan de directeur-generaal.  [2 9° de financiële opvolging van het overkoepelend strategisch programma.  [4 Elke beslissing met een financiële weerslag wordt overgemaakt aan de financieel directeur.   Met het oog op de uitvoering van de opdrachten, vermeld in punten 6° tot en met 7°, zorgt het vast bureau ervoor dat de financieel directeur volledige toegang heeft tot alle elementen van de dossiers die aan het vast bureau en de raad voor maatschappelijk welzijn worden voorgelegd.   De Regering is bevoegd om de bedragen bedoeld in 6° tot en met 7° te wijzigen indien de omstandigheden dit rechtvaardigen.   § 3. Op verzoek van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het vast bureau, van de voorzitter, van het orgaan waaraan de raad of de directeur-generaal eventueel volmacht verleend heeft, brengt de financieel directeur in alle onafhankelijkheid een gemotiveerd schriftelijk advies uit over elke aangelegenheid met een financiële weerslag. Zo niet wordt het advies genegeerd.   Hij kan op eigen initiatief aan het vast bureau, aan de voorzitter of aan het orgaan waaraan de raad eventueel volmacht verleend heeft zijn schriftelijk en gemotiveerd advies of zijn voorstellen uitbrengen over elke financiële aangelegenheid die het centrum aangaat.   § 4. De financieel directeur kan i.v.m. zijn adviezen en voorstellen gehoord worden door de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau, de voorzitter of het orgaan waaraan de raad eventueel volmacht verleend heeft.   § 5. De financieel directeur brengt minstens één keer per jaar in alle onafhankelijkheid verslag uit aan de raad voor maatschappelijk welzijn over de uitvoering van zijn adviesverleningsopdracht. Het verslag bevat o.a. ook een geüpdated retrospectief en prospectief overzicht van de schatkist, een raming van de vroegere en toekomstige evolutie van de begrotingen, een synthese van de verschillende adviezen die op verzoek of op eigen initiatief werden uitgebracht. In dat verslag kan hij alle voorstellen doen die hij nuttig acht.   Hij richt tegelijkertijd een afschrift van zijn verslag aan het vast bureau en aan de directeur-generaal.   § 6. In geval van gerechtvaardigde afwezigheid kan de financieel directeur binnen drie dagen op eigen verantwoordelijkheid voor een periode van hoogstens dertig dagen een [2 waarnemend financieel directeuraanwijzen die erkend is door de raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau. Die maatregel kan tweemaal herhaald worden voor dezelfde afwezigheid.   [2 In alle andere gevallen wijst het vast bureau een waarnemend financieel directeur aan.   Hij is daartoe verplicht indien de afwezigheid langer duurt dan drie maanden.   [2 De bepalingen betreffende de eedaflegging zijn van toepassing op hem tenzij de waarnemend financieel directeur voor een duur van minder dan dertig dagen wordt aangewezen.   De waarnemend financieel directeur oefent alle bevoegdheden uit die de financieel directeur toekomen. [2 Als hij gekozen wordt uit de personeelsleden van het centrum, krijgt hij een toelage gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging die hij zou krijgen als hij titularis zou zijn van de graad van directeur-generaal en de bezoldiging die hij in zijn daadwerkelijke graad krijgt   Bij zijn ambtsaanvaarding en -neerlegging wordt een eindrekening opgemaakt en worden de kas en de boeken overgedragen, onder toezicht van de voorzitter.  [3 § 6bis. Bij afwezigheid van de gewestelijke ontvanger wijst de gouverneur of de afgevaardigde arrondissementscommissaris zo nodig een dienstdoende gewestelijke ontvanger aan. Deze aanwijzing geschiedt op vrijwillige basis. Indien geen enkele gewestelijke ontvanger zich vrijwillig heeft aangemeld, kan de gouverneur of de afgevaardigde arrondissementscommissaris ambtshalve een gewestelijke ontvanger aanwijzen, met inachtneming van de door de regering gestelde voorwaarden.   Bij zijn ambtsaanvaarding en -neerlegging wordt voor elk van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die onder het ambtsgebied van de afwezige gewestelijke ontvanger vallen, een eindrekening opgemaakt en worden de kas en de boeken overgedragen, onder toezicht van de gouverneur of de afgevaardigde arrondissementscommissaris van de provincie waarin elk van de betrokken centra is gevestigd.   § 7. De financieel directeur is niet aansprakelijk voor de ontvangsten die de raad voor maatschappelijk welzijn doet invorderen door bijzondere agenten; deze agenten zijn aansprakelijk voor de ontvangsten waarvan de invordering hen wordt toevertrouwd; wat de invordering van die ontvangsten betreft, zijn ze aan dezelfde verplichtingen onderworpen als de financieel directeur.   Wat betreft de eedaflegging, de vervanging, het opmaken van de eindrekening [2 ..., zijn de bijzondere agenten aan dezelfde regels onderworpen als de financieel directeurs.   Ze mogen geen enkele uitgave boeken op de rekeningen die ze beheren.   De geïnde ontvangsten worden minstens om de veertien dagen aan de financieel directeur overgemaakt, waarbij de laatste storting van het boekjaar op de laatste werkdag van de maand december moet plaatsvinden.   Bij elke storting bezorgt de bijzondere agent de financieel directeur een gedetailleerde lijst van de budgettaire aanrekeningen, de gestorte bedragen en de desbetreffende schuldenaars.   De rekeningen van de bijzondere agent worden, samen met de bewijsstukken, voor verificatie en visering aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorgelegd.   Ze worden vervolgens met alle bewijsstukken aan de financieel directeur overgemaakt om bij de begrotingsrekening te worden gevoegd.   Artikel 93 is, mutatis mutandis, toepasselijk op de bijzondere agent.   De raad voor maatschappelijk welzijn kan sommige agenten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, als bijkomende functie, belasten met de vastlegging en de betaling van kleine uitgaven en met de invordering van ontvangsten in contant geld, zodra het recht op de ontvangst vaststaat.   Kleine uitgaven worden gedaan op basis van een voorschot dat aangelegd en gebruikt wordt volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt.   De agenten bedoeld in het negende lid zijn niet gehouden tot de verplichtingen die opgelegd worden aan de bijzondere agenten bedoeld in het eerste lid.   Ze storten de geïnde bedragen minstens om de veertien dagen integraal aan de financieel directeur, overeenkomstig zijn richtlijnen en met een per begrotingsartikel uitvoerige invorderingsstaat als bewijsstuk.   § 8. Er wordt een eindrekening opgemaakt wanneer de financieel directeur of de in paragraaf 7 bedoelde bijzondere agent zijn ambt definitief neerlegt of wanneer de waarnemend financieel directeur bedoeld in paragraaf 6 zijn ambt neerlegt.   De eindrekening wordt, desgevallend samen met de bemerkingen van de titularis of van zijn rechthebbenden indien hij overleden is, voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn die ze vaststelt, en de boekhouder kwijtscheldt of een debet bepaalt.   De beslissing waarbij de eindrekening wordt afgesloten, wordt door toedoen van de raad voor maatschappelijk welzijn bij aangetekend schrijven aan de rekenplichtige betekend of, bij diens overlijden, aan zijn rechthebbenden. Ze gaat eventueel vergezeld van een verzoek om het debet te vereffenen.   § 9. Artikel 93, § 4, is toepasselijk wanneer de rekenplichtige erom verzocht wordt een nog verschuldigde som te betalen.   § 10. Alle bepalingen van dit artikel zijn, mutatis mutandis en behalve andersluidend voorschrift, toepasselijk op de gewestelijke ontvanger.  ----------  <DWG 2013-04-18/20, art. 9, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   <DWG 2018-07-19/29, art. 10, 029; Inwerkingtreding : 07-09-2018>   <DWG 2019-05-02/80, art. 4, 034; Inwerkingtreding : 30-09-2019>   <DWG 2024-03-28/63, art. 23, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 47.§ 1. De maatschappelijk werker heeft als opdracht, met het oog op de verwezenlijking van de bij artikel 1 bepaalde doelstellingen, en ter uitvoering van de taken hem opgedragen door de secretaris, namens de raad, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst, de personen en gezinnen te helpen bij het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden. Hiertoe doet hij, onder meer, de onderzoeken ter voorbereiding van de te nemen beslissingen, verstrekt documentatie en raadgevingen en verzekert de maatschappelijke begeleiding van de betrokkenen.  (De maatschappelijk werker die belast is met het dossier van een hulpverzoeker, kan niet verplicht worden het O.C.M.W. te vertegenwoordigen in de rechtsvorderingen die de verzoeker krachtens artikel 71 van deze wet bij de Arbeidsrechtbank instelt.) <DWG 1998-04-02/40, art. 11bis; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  § 2. De verantwoordelijke van de sociale dienst licht de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau, het bijzonder comité voor de sociale dienst of de [1 directeur-generaalin over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn taak vaststelt en hij stelt de maatregelen voor om daaraan tegemoet te komen.  Hij neemt deel aan de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij kan bovendien uitgenodigd worden deel te nemen aan de besprekingen van de raad of van het vast bureau telkens als over de problemen gehandeld wordt die de sociale dienst aanbelangen.  § 3. Wanneer de met het dossier belaste maatschappelijk werker er wegens bijzondere en uitzonderlijke redenen van vertrouwelijke aard om heeft verzocht, neemt de raad, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst niet eerder een beslissing over een individueel geval van dienstverlening dan na de betrokken maatschappelijk werker gehoord te hebben.  ----------  <DWG 2018-03-29/49, art. 16, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   Art. 48. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de regelen volgens dewelke de beoefenaars van de geneeskunst toegelaten worden tot de uitoefening van hun beroep in de instellingen en diensten van het centrum.  Ingeval die beoefenaars van de geneeskunst niet benoemd worden noch bezoldigd volgens statutaire bepalingen, dan worden hun betrekkingen met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat de inrichting of de dienst beheert, geregeld op basis van een schriftelijke overeenkomst.  Art. 49.§ 1. (De personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogen, hetzij zelf, hetzij door middel van een tussenpersoon, geen enkele bezigheid verrichten die kan schaden aan het vervullen van hun ambtsplichten of met de waardigheid van het ambt in strijd is.) <W 1988-12-29/31, art. 6, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1989>  § 2. (Bovendien mogen de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen enkele zelfs onbezoldigde opdracht of dienst in particuliere zaken met winstoogmerk volbrengen.) <W 1988-12-29/31, art. 6, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1989>  Deze bepaling vindt echter geen toepassing op voogdij en op curatele over onbekwamen, evenmin als op de opdrachten die in naam van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in private ondernemingen of verenigingen worden uitgevoerd.  § 3. Van de vorige paragraaf kan, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, door de raad voor maatschappelijk welzijn afgeweken worden, meer bepaald waar het om het beheer van familiebelangen gaat (of wanneer het ambt niet voltijds uitgeoefend wordt in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Deze afwijkingen kunnen in geval van misbruik worden ingetrokken.) <W 1988-12-29/31, art. 6, 3°; Inwerkingtreding : 01-01-1989>  § 4. (De hoedanigheid van personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met inbegrip van de personen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, die ingevolge een beslissing van één der organen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hun werkzaamheden uitoefenen in één der inrichtingen of diensten van het centrum is onverenigbaar met :  1° het mandaat van burgemeester of gemeenteraadslid in de gemeente waarvoor het centrum bevoegd is;  2° het lidmaatschap van het beheerscomité als afgevaardigde van een gemeente, die overeenkomstig artikel 109 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987, bijdraagt in de tekorten van het ziekenhuis van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.) <W 1988-12-29/31, art. 6, 4°; Inwerkingtreding : 01-01-1989>  [1 § 5. De directeur-generaal, de adjunct-directeur generaal en de financieel directeur mogen geen beroepsactiviteiten cumuleren. Onder beroepsactiviteit wordt verstaan elke bezigheid waarvan de opbrengst een beroepsinkomen is zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met uitzondering van het presentiegeld ontvangen bij het uitoefenen van een mandaat en van de inkomens uit de mandaten bedoeld in artikel L5111-1.   De raad voor maatschappelijk welzijn kan op voorafgaand schriftelijk verzoek van de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de financieel directeur cumulatie toestaan voor een hernieuwbare termijn van drie jaar, onder de volgende voorwaarden :   1° de cumulatie brengt de vervulling van de opdrachten i.v.m. de functie niet in gevaar;   2° de cumulatie is niet tegenstrijdig met de waardigheid van die functie;   3° de cumulatie brengt de onafhankelijkheid van de directeur-generaal van de diensten, van de adjunct-directeur-generaal of de financieel directeur niet in gevaar en veroorzaakt geen verwarring met zijn hoedanigheid van directeur-generaal, adjunct-directeur-generaal of financieel directeur.   De toestemming is herroepbaar indien niet meer wordt voldaan aan één van de toekenninsgvoorwaarden. De beslissingen tot toestemming, weigering en herroeping zijn met redenen omkleed.   In afwijking van paragraaf 5, eerste lid, wordt de cumulatie van beroepsactiviteiten die inherent zijn aan of betrekking hebben op de uitoefening van de functie van rechtswege uitgeoefend. Inherent aan de uitoefening van de functie is elke taak :   - inherent krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling;   - inherent aan de functie uitgeoefend door de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de financieel directeur;   - waarvoor de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de financieel directeur ambtshalve aangewezen wordt door de raad voor maatschappelijk welzijn.  ----------  <DWG 2013-04-18/20, art. 10, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   Art. 50. De bepalingen van (artikel 36, derde lid), en van het artikel 37 (eerste, tweede en derde lid) zijn mede van toepassing op de personeelsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. <DWG 1998-04-02/40, art. 12; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  Art. 51.<W 1992-08-05/46, art. 30; Inwerkingtreding : 18-10-1992> Aan de personeelsleden van het OCMW, met uitzondering van het personeel dat in dienst is genomen bij arbeidsovereenkomst, kunnen de tuchtstraffen worden opgelegd bepaald [1 in artikel 1215-3 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.  Die straffen kunnen worden opgelegd wegens de tekortkomingen en handelingen [1 vermeld in artikel L1215-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, alsmede wegens overtreding van het verbod bedoeld in de artikelen 49, §§ 1 tot 4, en 50 van deze wet.  ----------  <DWG 2012-04-26/31, art. 18, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012>   Art. 52.[1 De artikelen L1215-1 tot L1215-27 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie zijn toepasselijk op de personeelsleden bedoeld in artikel 51, onder voorbehoud dat de woorden " gemeente, gemeenteraad, gemeentecollege, burgemeester en directeur-generaal ", die in dat Wetboek voorkomen, vervangen worden door de woorden " openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, raad voor maatschappelijk welzijn, vast bureau, voorzitter en directeur-generaal van het centrum.  ----------  <DWG 2013-04-18/20, art. 11, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   Art. 53.[1 Elke beslissing tot afzetting of ontslag van ambtswege, wordt samen met de verantwoordingsstukken ervan en met het bewijs van de kennisgeving van de beslissing aan belanghebbende, door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan de Regering overgemaakt. Wordt het dossier niet in zijn volledigheid overgemaakt, dan kan de beslissing niet worden uitgevoerd.   Het betrokken personeelslid beschikt over dertig dagen, te rekenen van de hem gedane kennisgeving van voornoemde beslissing, om een beroep tot nietigverklaring bij de gouverneur in te dienen.   Is er geen beroep na afloop van deze termijn, dan beschikt de gouverneur over dertig dagen om over de nietigverklaring te beslissen.   Als het personeelslid een beroep indient, wordt dit beroep door het Operationeel Directoraat-generaal Binnenlandse Aangelegenheden en Sociale Actie van de Waalse Overheidsdienst aan het gezag van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn overgemaakt. Laatstgenoemde beschikt over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van het beroep om haar opmerkingen aan de gouverneur over te maken. Zodra deze bemerkingen in ontvangst zijn genomen, beslist de gouverneur met inachtneming van de termijnen bepaald in artikel 111, § 2. Zijn er geen bemerkingen, dan gaat de termijn die de Regering is opgelegd om zich uit te spreken in na afloop van voornoemde termijn van vijftien dagen.  ----------  <DWG 2018-10-04/02, art. 2, 032; Inwerkingtreding : 20-10-2018>   Art. 54.[1 § 1. [2 ...   § 2. [2 De raad voor maatschappelijk welzijnkan, als negatief gevolg van de evaluatie, voorzien in het ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid van de personeelsleden van het Centrum, met uitzondering van het personeel dat krachtens een arbeidscontract in dienst genomen is.   De Raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt op algemene wijze de modaliteiten voor de berekening en de betaling van de vertrekvergoeding die aan het personeelslid gestort wordt. De vergoeding is evenredig aan de anciënniteit van het personeelslid binnen het Centrum en mag in geen geval minder bedragen dan :   - drie maanden loon voor de personeelsleden met minder dan tien jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van hetzelfde ambtsgebied;   - zes maanden loon voor de personeelsleden met tien tot twintig jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van hetzelfde ambtsgebied;   - negen maanden loon voor de personeelsleden met meer dan twintig jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van hetzelfde ambtsgebied.  ----------  <DWG 2009-04-30/42, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 06-06-2009>   <DWG 2024-03-14/16, art. 17, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   Art. 54bis.[1 § 1. De beslissing waarbij een personeelslid ambtshalve ontslagen wordt wegens beroepsonbekwaamheid, wordt, na verhoor, door de Raad uitgesproken.   Ze wordt onverwijld aan betrokkene meegedeeld, hetzij bij ter post aangetekend schrijven, hetzij door afgifte tegen bericht van ontvangst. Bij gebrek aan kennisgeving binnen tien werkdagen wordt ze geacht ingetrokken te zijn.   In de kennisgeving wordt gewag gemaakt van de beroepen waarin de wet of het decreet voorziet en van de termijn waarbinnen ze ingesteld kunnen worden.   § 2. Het personeelslid beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de eerste werkdag die volgt op de kennisgeving van de beslissing waarbij het ambtshalve ontslagen wordt, om de zaak bij aangetekend schrijven aanhangig te maken bij de Kamer van beroep bedoeld in artikel 54ter. De aanhangigmaking van de kamer van beroep schort de beslissing van de Raad voor maatschappelijk welzijn op tot de beslissing van de Regering of tot het verstrijken van de termijn waarover de Regering beschikt om te beslissen.   De kamer van beroep geeft de Regering een gemotiveerd advies over de beraadslaging van de raad voor maatschappelijk welzijn houdende beslissing tot ambsthalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid. Dat advies is "gunstig" of "ongunstig". Het wordt gegeven en samen met het volledige dossier meegedeeld binnen een termijn van zestig dagen, [2 te rekenen van de datum van ontvangst van de beslissing en van het geheel van de stukken betreffende de zaak door de voorzitter of, in voorkomend geval, door de ondervoorzitter.   § 3. Bij gebrek aan aanhangigmaking bij de kamer van beroep binnen de toegestane termijn, richt de Raad voor maatschappelijk welzijn zijn beraadslaging, samen met het volledige dossier, aan de Regering. In afwijking van de artikelen 109, 110 en 112, kan de Regering de beslissing tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid vernietigen wanneer ze de wet schendt of het algemeen belang schaadt. Bij gebrek aan beslissing binnen een termijn van veertig dagen, eventueel verlengd met twintig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de beraadslaging van de Raad voor maatschappelijk welzijn, kan de akte niet meer vernietigd worden.   De beslissing tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid wordt opgeschort totdat de termijn van dertig dagen bedoeld in § 1, eerste lid, verstreken is.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2009-04-30/42, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 06-06-2009>   <DWG 2018-07-19/29, art. 11, 029; Inwerkingtreding : 07-09-2018>   Art. 54ter.[1 § 1. Er wordt een gewestelijke kamer van beroep ingesteld die bevoegd is om kennis te nemen van de beroepen tegen beslissingen inzake ambtshalve ontslag en ontslag wegens beroepsongeschiktheid en van de beroepen ingediend door de directeurs-generaal, de adjunct-directeurs-generaal en de financieel directeurs tegen beslissingen die jegens hen genomen worden in het kader van hun evaluatie.   De artikelen L1218-1 tot L1218-13 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie zijn van toepassing.   § 2. In geval van ontslag van de directeur-generaal, adjunct-directeur-generaal of financieel directeur wegens beroepsongeschiktheid, [2 ...verleent de raad voor maatschappelijk welzijn hen een vergoeding gelijk aan minimum drie maanden wedde per aangevatte schijf werk van vijf jaar.  ----------  <DWG 2013-04-18/20, art. 12, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   <DWG 2018-07-19/29, art. 12, 029; Inwerkingtreding : 07-09-2018>   Art. 54quater. [1 § 1. In afwijking van de artikelen 109, 110 en 112, kan de Regering, op basis van het advies bedoeld in artikel 54bis, § 2, tweede lid, of in het geval bedoeld in artikel 54ter, § 3, tweede lid, wanneer de kamer van beroep geen advies uitbrengt binnen de voorgeschreven termijn, de beslissing tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid vernietigen wanneer ze de wet schendt of het algemeen belang schaadt.   § 2. De Regering neemt haar beslissing en deelt ze aan de Raad voor maatschappelijk welzijn en aan het personeelslid mee binnen dertig dagen na ontvangst van het advies en van het volledige dossier of, bij gebrek aan beraadslaging van de Raad voor maatschappelijk welzijn, samen met het volledige dossier. Zij kan die termijn één keer verlengen met een maximumduur van vijftien dagen.   Na afloop van die termijn kan de Regering de beslissing tot ambtshalve ontslag niet meer vernietigen. Bij gebrek aan vernietiging door de Regering binnen de termijn bedoeld in § 2, heeft de beslissing tot ambtshalve ontslag volkomen gevolg.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2009-04-30/42, art. 4, 012; Inwerkingtreding : 06-06-2009>   Art. 55.  <Opgeheven bij DWG 2024-03-14/16, art. 18, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   Art. 55bis.  <Opgeheven bij DWG 2024-03-14/16, art. 19, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   Art. 56.  <Opgeheven bij DWG 2024-03-14/16, art. 20, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   HOOFDSTUK IV. - Taken van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.  Eerste Afdeling. - Algemene taken en uitvoering.  Art. 57.<W 1992-12-30/40, art. 151; Inwerkingtreding : 19-01-1993> § 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.  Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. (Het bevordert de maatschappelijke participatie van de gebruikers.) <W 2007-04-25/38, art. 215, 008; Inwerkingtreding : 18-05-2007>  Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.  (§ 2. (In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot :  1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft;  2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft.  (In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning. De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt gewaarborgd.) <W 2005-12-27/31, art. 22; Inwerkingtreding : 09-01-2006>  De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.  [1 Het recht op maatschappelijke dienstverlening voor een verzoeker om internationale bescherming, die werkelijk steuntrekkende was, eindigt met de kennisgeving van een definitieve negatieve beslissing in het kader van de procedure betreffende het verzoek om internationale bescherming, in de zin van artikel 1, § 1, 19°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Hij geniet verder maatschappelijke dienstverlening gedurende een periode van dertig dagen vanaf de kennisgeving van de definitieve negatieve beslissing. Het instellen van een cassatieberoep bij de Raad van State geeft geen recht op maatschappelijke dienstverlening. Wanneer het cassatieberoep door de Raad van State wordt onderzocht, is het recht op maatschappelijke dienstverlening slechts gewaarborgd indien het cassatieberoep ontvankelijk wordt verklaard overeenkomstig artikel 20, § 2, van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State.  De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling [1 die niet onder het toepassingsgebied van het vierde lid valt endie werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.  Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft; deze termijn mag in geen geval (de termijn welke vastgelegd is door artikel 7, 4°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen) overschrijden. <W 2007-01-12/52, art. 68, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>  De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van de intentieverklaring.) <W 1996-07-15/33, art. 65; Inwerkingtreding : 10-01-1997>  (Indien het gaat om een vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van (artikel 433quaterdecies van het Strafwetboek), kan de in het vierde en vijfde lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter.) <W 2002-08-02/45, art. 184; Inwerkingtreding : 29-08-2002> <W 2005-08-10/61, art. 42; Inwerkingtreding : 12-09-2005>  <Bij zijn arrest nr 43/98 van 22 april 1998 (B.St. 29-04-1998, p. 13348) heeft het Arbitragehof de term "uitvoerbaar" in het derde en het vierde lid vernietigd; Opheffing : 10-01-1997>  § 3. Het centrum oefent de voogdij uit over of verzekert althans de bewaring, het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen die door de wet, de ouders of overheidsorganen aan het centrum zijn toevertrouwd.  § 4. Het centrum voert de taken uit die hem door de wet, de Koning of de gemeenteoverheid zijn toevertrouwd.  ----------  <W 2024-03-14/30, art. 6, 044; Inwerkingtreding : 27-06-2024>   Art. 57bis. <W 2004-08-23/41, art. 2; Inwerkingtreding : 10-07-2004> Onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, kennen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een installatiepremie toe aan de persoon die de hoedanigheid van dakloze verliest door een woning te betrekken die hem tot hoofdverblijfplaats dient.  Art. 57ter.<Ingevoegd bij W 1992-12-30/40, art. 152, Inwerkingtreding : 19-01-1993> (De maatschappelijke dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien een vreemdeling die gehouden is zich in te schrijven in een welbepaalde plaats overeenkomstig artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, materiële hulp ontvangt van een opvangstructuur die belast is met het verlenen van de noodzakelijke dienstverlening om een menswaardig leven te kunnen leiden.  In afwijking van artikel 57, § 1 kan een asielzoeker aan wie in toepassing van artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen als verplichte plaats van inschrijving een opvangstructuur is aangewezen die beheerd wordt door het Agentschap of één van zijn partners, slechts in deze opvangstructuur gebruik maken van de maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen.) <W 2007-01-12/52, art. 69, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>  (lid 3 opgeheven) <W 2007-01-12/52, art. 71, 007; Inwerkingtreding : 07-05-2007>  [1 De maatschappelijke dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien ten aanzien van een vreemdeling een beslissing is genomen overeenkomstig artikel 4 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen.  ----------  <W 2012-01-19/13, art. 11, 014; Inwerkingtreding : 27-02-2012>   Art. 57ter/1.[1 Om te zorgen voor een evenwichtige spreiding van de opvangplaatsen over de gemeenten, is het O.C.M.W. verplicht lokale opvanginitiatieven op te richten als bedoeld in artikel 64 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria voor die spreiding, rekening houdend met de specifieke situatie van elke gemeente. Dat spreidingsplan treedt in werking vanaf een door de Koning bepaalde datum, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Indien het O.C.M.W. geen lokale opvanginitiatieven opricht, kan het een financiële sanctie opgelegd krijgen, waarvan de nadere regels en de bestemming door de Koning worden bepaald bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.  ----------  <Hersteld bij W 2013-05-08/18, art. 25, 018; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   Art. 57ter/2. <Ingevoegd bij W 2002-08-02/45, art. 185; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Indien een vreemdeling, die krachtens artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, beschikt over een verplichte plaats van inschrijving, wordt aangetroffen in een woning bedoeld in (artikel 433quaterdecies van het Strafwetboek), dan is het bevoegde OCMW van de verplichte plaats van inschrijving ertoe gehouden binnen dertig dagen na de uitdrijving uit de bedoelde woning, een huisvesting ter beschikking te stellen van de vreemdeling op het grondgebied van zijn gemeente. <W 2005-08-10/61, art. 42; Inwerkingtreding : 12-09-2005>  Voor de periode die begint op de dag van de uitdrijving en die een einde neemt op de dag dat het bevoegde centrum een huisvesting ter beschikking stelt, wordt de vreemdeling op kosten van het centrum geherhuisvest en verstrekt het centrum aan de vreemdeling de maatschappelijke dienstverlening.  Art. 57quater. <W 2002-08-02/45, art. 186; Inwerkingtreding : 01-10-2002> § 1. (Voor de persoon van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van zijn nationaliteit geen aanspraak kan maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd is op een financiële maatschappelijke hulp, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn financieel tussenkomen in de kosten die verbonden zijn aan de inschakeling van deze persoon in het beroepsleven.) <W 2003-12-22/42, art. 484; Inwerkingtreding : 10-01-2004>  § 2. De Koning bepaalt voor welke vormen van inschakeling het centrum financieel tussenkomt alsmede het bedrag, de toekenningsvoorwaarden en de modaliteiten van deze financiële tegemoetkoming. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor de toegang tot de verschillende inschakelings- en tewerkstellingsprogramma's.  § 3. In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, kan de financiële steun vanwege het centrum in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhouding toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde, bepaald in artikel 23, tweede lid. Een financiële steun die aldus in mindering wordt gebracht op het loon van de werknemer, wordt niettemin voor de toepassing van de sociale en fiscale wetgeving als loon beschouwd.  § 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers die genieten van een financiële steun in hun loon vanwege het centrum :  1° in afwijkingen voorzien op de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij in dienst genomen wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;  2° in een tijdelijke, gehele of gedeeltelijke vrijstelling voorzien van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3 en 3bis , van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, §§ 3 en 3bis , van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.  Art. 57quinquies. [1 In afwijking van de bepalingen van deze wet is de maatschappelijke dienstverlening door het centrum niet verschuldigd aan onderdanen van lidstaten van de Europese Unie en hun familieleden gedurende de eerste drie maanden van het verblijf of, in voorkomend geval de langere periode zoals bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen.  ----------  <Ingevoegd bij W 2012-01-19/13, art. 12, 014; Inwerkingtreding : 27-02-2012>   Art. 57sexies.[1 In afwijking van de bepalingen van deze wet is de maatschappelijke dienstverlening door het centrum niet verschuldigd aan de vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf op basis van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omwille van een arbeidskaart B of een beroepskaart.    (NOTA : bij arrest nr 131/2015 van 01-10-2015 (B.St. 22-10-2015, p. 65185), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)  (NOTA : bij arrest nr.61/2017 van 18-05-2017 (B.St. 13-07-2017, p. 72404), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)  ----------  <Ingevoegd bij W 2013-06-28/04, art. 20, 017; Inwerkingtreding : 11-07-2013.>   Art. 58.<Hersteld bij W 2003-12-22/42, art. 486; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. [1 Een aanvraag betreffende maatschappelijke dienstverlening, waarover het centrum een beslissing moet nemen, kan mondeling, schriftelijk, elektronisch via het elektronisch formulier dat door de minister bevoegd voor maatschappelijke integratie ter beschikking wordt gesteld of ambtshalve door het centrum worden ingediend.   De steunaanvraag wordt de dag van haar ontvangst chronologisch ingeschreven in het daartoe door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gehouden register.   Wanneer de aanvraag schriftelijk wordt gedaan, ondertekent de belanghebbende of de persoon die hij schriftelijk heeft aangewezen.   Wanneer de aanvraag mondeling wordt gedaan, ondertekent de belanghebbende of de schriftelijk aangewezen persoon in het daartoe voorziene vak van het register bedoeld in het tweede lid.   Wanneer de aanvraag elektronisch wordt gedaan, geldt de registratie ervan als ondertekening.   Wanneer de elektronische aanvraag op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag wordt ingediend, is de datum van ontvangst van de aanvraag de eerstvolgende werkdag.   De Koning kan de modaliteiten van de toepassing van het elektronisch formulier bedoeld in het eerste lid bepalen.  § 2. Het centrum zendt of overhandigt dezelfde dag aan de aanvrager een ontvangstbewijs. [2 Wanneer de aanvraag via het elektronisch formulier bedoeld in § 1 wordt gedaan, ontvangt de aanvrager dezelfde dag een ontvangstbewijs.  § 3. Wanneer een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een steunaanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht [3 of wanneer het een steun beëindigt wegens territoriale onbevoegdheid, zendt het deze aanvraag over binnen de vijf kalenderdagen aan het volgens hem bevoegd openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Binnen dezelfde termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld van deze overzending.  Op straffe van nietigheid gebeurt de overzending van de aanvraag aan het bevoegd geachte openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, evenals de kennisgeving van de overzending aan de aanvrager, [3 door een geschriftmet vermelding van de redenen van onbevoegdheid.  De aanvraag zal evenwel worden gevalideerd op de datum van ontvangst bij het eerste openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, zoals bepaald in § 1 [3 , of op de datum van de overzending van de aanvraag wanneer het OCMW een steun beëindigt wegens territoriale onbevoegdheid.  Het openbaar centrum voor [3 maatschappelijk welzijndat deze verplichting niet naleeft [3 of dat de steun beëindigt wegens territoriale onbevoegdheid, moet overeenkomstig de door deze wet gestelde voorwaarden maatschappelijke dienstverlening verlenen zolang het de aanvraag niet heeft overgezonden en de redenen die aan de onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft medegedeeld.  De beslissing van onbevoegdheid kan worden genomen door de Voorzitter mits zijn beslissing aan de raad of het bevoegd orgaan te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging.  ----------  <W 2024-02-29/13, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 21-04-2024>   <W 2024-02-29/13, art. 3, 043; Inwerkingtreding : 21-04-2024>   <W 2024-02-29/13, art. 4, 043; Inwerkingtreding : 21-04-2024>   Art. 59. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vervult zijn opdracht volgens de meest aangepaste methoden van het maatschappelijk werk en met eerbiediging van de ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging van de betrokkenen.  Art. 60.§ 1. De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien.  De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.  (Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend.) <W 1993-01-12/34, art. 6; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  (Het centrum dat een asielzoeker steunt die niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die het centrum bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten voldoen.) <W 1996-07-15/33, art. 67; Inwerkingtreding : 10-01-1997>  § 2. Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken.  § 3. Het verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm.  (De financiële hulpverlening kan bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in (de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie). <W 2002-05-26/47, art. 58; Inwerkingtreding : 01-10-2002>  Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.  In geval van herhaling binnen een termijn van ten hoogste een jaar kan het recht op financiële hulp voor een periode van ten hoogste drie maanden worden geschorst.) <W 1993-01-12/34, art. 6; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  § 4. Het verzekert, met eerbiediging van de vrije keus van de betrokkene, de psycho-sociale, morele of opvoedende begeleiding die de geholpen persoon nodig heeft om geleidelijk zelf zijn moeilijkheden te boven te komen.  Het houdt rekening met de reeds verstrekte begeleiding en met de mogelijkheid tot voortzetting ervan door het andere centrum of dienst waarin de betrokkene zijn vertrouwen reeds heeft uitgedrukt.  § 5. (Indien de persoon aan wie hulp wordt geboden niet verzekerd is tegen ziekte en invaliditeit, maakt het de betrokkene lid van een verzekeringsinstelling naar zijn keuze, en bij gebrek aan een dergelijke keuze, van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In de mate van het mogelijke wordt er een persoonlijke bijdrage geëist van de betrokkene.) <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  § 6. (Waar de noodzakelijkheid zich voordoet, richt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend in het kader van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met sociaal, curatief of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze.  De noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden van een inrichting of van een dienst moet blijken uit een dossier dat een onderzoek bevat naar de behoeften van de gemeente en/of de streek en naar de gelijkaardige inrichtingen of diensten die reeds in functie zijn, een beschrijving van de wijze van functioneren, een nauwkeurige raming van de kostprijs en van de uitgaven die moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk, inlichtingen die een vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten mogelijk maken.  De oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van een dossier waaruit blijkt dat de door de organieke wetgeving of reglementering voor het toekennen van deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden.  Onverminderd de machtigingen te verkrijgen vanwege andere overheidsorganen, wordt het besluit om een inrichting of een dienst op te richten of uit te breiden voor goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad (...), zodra het besluit van die aard is dat het een tegemoetkoming uit de gemeentebegroting zal meebrengen of deze zal verhogen.) <KBN244 1983-12 31/57, art. 3, 002> <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  § 7. (Wanneer een persoon het bewijs moet leveren, van een periode van tewerkstelling om het volledige voordeel van bepaalde sociale uitkeringen te verkrijgen of teneinde de werkervaring van de betrokkene te bevorderen, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alle maatregelen om hem een (...) betrekking te bezorgen, in voorkomend geval verschaft het deze vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te treden. <L 2002-08-02/45, art. 187; Inwerkingtreding : 01-10-2002>  (De periode van de tewerkstelling bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen.) <W 2002-08-02/45, art. 187; Inwerkingtreding : 01-10-2002>  In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met toepassing van deze paragraaf, door deze centra ter beschikking worden gesteld van gemeenten, verenigingen zonder winstoogmerk of intercommunales met een sociaal, cultureel of ecologisch doel, [2 coöperatieve vennootschappen erkend als sociale ondernemingen overeenkomstig artikel 8:5, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een vereniging waarvan sprake in hoofdstuk XII van deze wet, een openbaar ziekenhuis dat van rechtswege aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de initiatieven die door de minister bevoegd voor sociale economie zijn erkend of de partners die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst hebben gesloten op basis van onderhavige organieke wet.) <W 1999-12-24/36, art. 120; Inwerkingtreding : 10-01-2000>  (Indien de in het vorig lid bedoelde partner een privé-onderneming is, bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke de terbeschikkingstelling moet worden geregeld met deze onderneming met het oog op het behoud van het recht van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de toelage verbonden aan de inschakeling van de persoon tewerkgesteld met toepassing van de artikelen 36 en 37 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.) <W 2002-08-02/45, art. 187; Inwerkingtreding : 01-10-2002>  (§ 8. De raad voor maatschappelijk welzijn organiseert, bij huishoudelijk reglement, het in bewaring geven, de bewaring en de teruggave van waarden hetzij op vrijwillige of noodzakelijke basis, die hem ingevolge de artikelen 1915 tot 1954quater van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden toevertrouwd door personen opgenomen in een van zijn instellingen.  De [1 financieel directeur of gewestelijke ontvangeris met de inbewaarneming belast of duidt in overleg met de [1 directeur generaaleventueel de personen aan die, onder zijn verantwoordelijkheid, gelast zijn deze deposito's te ontvangen, te bewaren en terug te geven.) <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  ----------  <DWG 2018-03-29/49, art. 17, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   <DWG 2023-04-06/05, art. 3, 045; Inwerkingtreding : 21-10-2023>   Art. 60_WAALS_GEWEST.    § 1. De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien.  De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.  (Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend.) <W 1993-01-12/34, art. 6; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  (Het centrum dat een asielzoeker steunt die niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die het centrum bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten voldoen.) <W 1996-07-15/33, art. 67; Inwerkingtreding : 10-01-1997>  § 2. Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken.  § 3. Het verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm.  (De financiële hulpverlening kan bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in (de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie). <W 2002-05-26/47, art. 58; Inwerkingtreding : 01-10-2002>  Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.  In geval van herhaling binnen een termijn van ten hoogste een jaar kan het recht op financiële hulp voor een periode van ten hoogste drie maanden worden geschorst.) <W 1993-01-12/34, art. 6; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  § 4. Het verzekert, met eerbiediging van de vrije keus van de betrokkene, de psycho-sociale, morele of opvoedende begeleiding die de geholpen persoon nodig heeft om geleidelijk zelf zijn moeilijkheden te boven te komen.  Het houdt rekening met de reeds verstrekte begeleiding en met de mogelijkheid tot voortzetting ervan door het andere centrum of dienst waarin de betrokkene zijn vertrouwen reeds heeft uitgedrukt.  § 5. (Indien de persoon aan wie hulp wordt geboden niet verzekerd is tegen ziekte en invaliditeit, maakt het de betrokkene lid van een verzekeringsinstelling naar zijn keuze, en bij gebrek aan een dergelijke keuze, van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In de mate van het mogelijke wordt er een persoonlijke bijdrage geëist van de betrokkene.) <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  § 6. (Waar de noodzakelijkheid zich voordoet, richt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend in het kader van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met sociaal, curatief of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze.  De noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden van een inrichting of van een dienst moet blijken uit een dossier dat een onderzoek bevat naar de behoeften van de gemeente en/of de streek en naar de gelijkaardige inrichtingen of diensten die reeds in functie zijn, een beschrijving van de wijze van functioneren, een nauwkeurige raming van de kostprijs en van de uitgaven die moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk, inlichtingen die een vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten mogelijk maken.  De oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van een dossier waaruit blijkt dat de door de organieke wetgeving of reglementering voor het toekennen van deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden.  Onverminderd de machtigingen te verkrijgen vanwege andere overheidsorganen, wordt het besluit om een inrichting of een dienst op te richten of uit te breiden voor goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad (...), zodra het besluit van die aard is dat het een tegemoetkoming uit de gemeentebegroting zal meebrengen of deze zal verhogen.) <KBN244 1983-12 31/57, art. 3, 002> <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  § 7. [3 Als een persoon die recht heeft op financiële sociale hulp in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie of de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, moet bewijzen dat hij bereid is om te werken, neemt het centrum alle maatregelen voor zijn socio-professionele inschakeling.   In voorkomend geval biedt het centrum deze vorm van maatschappelijke hulp door op te treden als werkgever voor de periode in kwestie.   De periode van de tewerkstelling bedoeld in lid 1, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen.   In afwijking van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kan het centrum werknemers die op basis van een arbeidsovereenkomst ter beschikking zijn gesteld door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, in toepassing van deze paragraaf ter beschikking stellen van elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, "externe gebruikers" genoemd.   Voor de toepassing van lid 3, wanneer de inschakelingsbaan wordt uitgevoerd binnen een dienst van het centrum, wordt deze laatste een "interne gebruiker" genoemd.   Voordat de werknemer ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in lid 3, stellen het centrum, de gebruiker en de werknemer een overeenkomst op waarin het volgende wordt gespecificeerd :   1° de aard van de opdracht die aan de werknemer is toegewezen;   2° de voorwaarden waaronder hij ter beschikking zal worden gesteld; 3° de periode gedurende dewelke hij ter beschikking zal worden gesteld.   De gebruiker, intern of extern, is verantwoordelijk voor de toepassing van de welzijnscode op het werk gedurende de periode van terbeschikkingstelling.  (§ 8. De raad voor maatschappelijk welzijn organiseert, bij huishoudelijk reglement, het in bewaring geven, de bewaring en de teruggave van waarden hetzij op vrijwillige of noodzakelijke basis, die hem ingevolge de artikelen 1915 tot 1954quater van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden toevertrouwd door personen opgenomen in een van zijn instellingen.  De [1 financieel directeur of gewestelijke ontvangeris met de inbewaarneming belast of duidt in overleg met de [1 directeur generaaleventueel de personen aan die, onder zijn verantwoordelijkheid, gelast zijn deze deposito's te ontvangen, te bewaren en terug te geven.) <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  ----------  <DWG 2018-03-29/49, art. 17, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   <DWG 2023-04-06/05, art. 3, 045; Inwerkingtreding : 21-10-2023>   <DWG 2024-04-29/21, art. 17, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2025>      Art. 60bis. <ingevoegd bij W 1992-08-05/46, art. 36; Inwerkingtreding : 18-10-1992> Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn neemt alle initiatieven met het oog op de bekendmaking van de verschillende door het centrum verstrekte vormen van dienstverlening, en rapporteert hierover jaarlijks in de beleidsnota.  Art. 60ter. [1 Het centrum is verplicht de aanvrager te horen, indien laatstgenoemde dat vraagt, voordat het een beslissing neemt over:   - de dienstverlening bedoeld in artikel 57;   - de terugvordering bedoeld in artikelen 98, § 1 en 99.   Het centrum moet de belanghebbende in kennis stellen van dit recht, overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning.   De belanghebbende wordt gehoord door hetzij de raad, hetzij het bevoegde orgaan met beslissingsbevoegdheid in het concrete geval.   De belanghebbende die wordt gehoord kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar zijn keuze.  ----------  <Ingevoegd bij W 2024-02-29/13, art. 5, 043; Inwerkingtreding : 21-04-2024>      Art. 61. Het centrum kan een beroep doen op de medewerking van personen, van inrichtingen of diensten, die, opgericht hetzij door openbare besturen, hetzij op privé-initiatief, in staat zijn de middelen aan te wenden tot verwezenlijking van de verschillende oplossingen die zich opdringen, met eerbiediging van de vrije keuze van de betrokkene.  Het centrum kan de eventuele kosten van deze samenwerking dragen wanneer deze niet in uitvoering van een andere wet, een reglement, een overeenkomst of een rechterlijke beslissing worden gedekt.  (Met hetzelfde doel kan het centrum overeenkomsten sluiten, hetzij met een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een ander openbaar bestuur of instelling van openbaar nut, hetzij met een privé-persoon of een privé-instelling. In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met toepassing van dit lid, door deze centra ter beschikking worden gesteld aan de partners die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst hebben gesloten op basis van onderhavige organieke wet.) <W 1999-12-24/36, art. 121; Inwerkingtreding : 10-01-2000>  Art. 62. <W 1993-01-12/34, art. 7; Inwerkingtreding : 01-03-1993> Het centrum kan de instellingen en diensten die binnen het ambtsgebied van het centrum een sociale activiteit of specifieke activiteiten uitoefenen, voorstellen om gezamenlijk een of meer comités in te stellen waarin het centrum en die instellingen en diensten hun werkzaamheden kunnen coördineren en overleg plegen over de individuele of collectieve behoeften en de middelen om daarin te voorzien.  Art. 62bis.<W 1992-08-05/46, art. 38; Inwerkingtreding : 18-10-1992> De beslissing inzake individuele hulpverlening genomen door de raad voor maatschappelijk welzijn of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen, wordt aan de persoon die de hulp heeft aangevraagd schriftelijk en aangetekend [1 of elektronisch aangetekend via de eBox, zoals bedoeld in de wet van 27 februari 2019 inzake de elektronische uitwisseling van berichten via de eBoxof tegen ontvangstbewijs meegedeeld [1 binnen de acht dagen te rekenen vanaf de datum van de beslissing, op de wijze die door de Koning kan worden bepaald. [1 De datum van de poststempel, van de elektronische zending of van het ontvangstbewijs is doorslaggevend  De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid tot het instellen van beroep, de beroepstermijn, de vorm van het verzoekschrift, het adres van de bevoegde beroepsinstantie en de dienst of persoon, die binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan gecontacteerd worden voor het geven van toelichting.  ----------  <W 2024-02-29/13, art. 6, 043; Inwerkingtreding : 21-04-2024>   Art. 62ter. [1 De controle en het toezicht op de naleving van de artikelen 57quatter, §§ 1 tot en met 3, en § 4, 2°, 60, § 7, en 61, alsook van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende het tewerkstellingsbeleid door de personeelsleden van het Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid die daartoe zijn aangewezen door de Regering.   Wat betreft artikel 57quater, paragrafen 1 tot en met 3, en paragraaf 4, 2°, worden het toezicht en de controle uitgeoefend onverminderd de inspectie- en controlebevoegdheden van de federale instellingen die voor de sociale zekerheidsbijdragen of voor de financiële maatschappelijke hulpverlening bevoegd zijn en de enige administratieve en technische operatoren terzake zijn.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2016-04-28/08, art. 15, 022; Inwerkingtreding : 21-05-2016>      Art. 62ter_WAALS_GEWEST.    [1 De controle en het toezicht op de naleving van de artikelen 57quatter, §§ 1 tot en met 3, en § 4, 2°, 60, § 7, en 61, alsook van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen worden uitgeoefend overeenkomstig [2 aan artikel 13 van het decreet van 29 april 2024 betreffende de toekenning van subsidies aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in het kader van de tewerkstelling van gerechtigden op maatschappelijke integratie of van daarmee gelijkgestelde maatschappelijke hulpdoor de personeelsleden van het Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid die daartoe zijn aangewezen door de Regering.   Wat betreft artikel 57quater, paragrafen 1 tot en met 3, en paragraaf 4, 2°, worden het toezicht en de controle uitgeoefend onverminderd de inspectie- en controlebevoegdheden van de federale instellingen die voor de sociale zekerheidsbijdragen of voor de financiële maatschappelijke hulpverlening bevoegd zijn en de enige administratieve en technische operatoren terzake zijn.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2016-04-28/08, art. 15, 022; Inwerkingtreding : 21-05-2016>   <DWG 2024-04-29/21, art. 18, 048; Inwerkingtreding : 01-01-2025>      Afdeling 2. - Voogdij over de kinderen.  Art. 63. Iedere minderjarige over wie niemand het ouderlijk gezag, de voogdij of de materiële bewaring heeft, wordt toevertrouwd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt.  Art. 64. De jeugdrechtbank of het comité voor de jeugdbescherming kunnen aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de kinderen toevertrouwen over wie het centrum reeds de materiële bewaring heeft en van wie de ouders geheel of gedeeltelijk uit het ouderlijk gezag zijn ontzet.  Art. 65. <W 2001-04-29/39, art. 82; Inwerkingtreding : 01-08-2001> In de gevallen bedoeld in de twee voorgaande artikelen wijst de raad voor maatschappelijk welzijn onder haar leden een persoon aan die de taak van voogd zal vervullen alsook een persoon die de taak van toeziend voogd zal vervullen.  Art. 66.Indien die kinderen goederen bezitten, oefent de ontvanger ten aanzien van die goederen dezelfde functies uit als ten aanzien van de goederen van het centrum. Als waarborg voor de voogdij geldt de zekerheid gesteld door de [1 financieel directeur of gewestelijke ontvanger.  ----------  <DWG 2018-03-29/49, art. 18, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   Art. 67. De kapitalen die aan die kinderen toebehoren of ten deel vallen, worden belegd bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas of gebruikt voor de aankoop van obligaties of kasbons uitgegeven door de openbare besturen en instellingen opgesomd in artikel 78, § 1, tweede lid.  Art. 68. De voogdij van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn neemt een einde :  1° zodra is voorzien in een voogdij met toepassing van de regels van het Burgerlijk Wetboek;  2° in geval van adoptie, pleegvoogdij, erkenning, (...) of herstel van de ouders die uit het ouderlijk gezag waren ontzet, in de rechten die hun waren ontnomen. <W 2001-04-29/39, art. 83; Inwerkingtreding : 01-08-2001>  Afdeling III. - Voorschotten op een invordering van onderhoudsgelden. <Ingevoegd bij W 1989-05-08/31, art. 1, 012>  Art. 68bis. (Opgeheven) <W 2003-02-21/44, art. 30; Inwerkingtreding : 01-10-2005>  Art. 68ter. (Opgeheven) <W 2003-02-21/44, art. 30; Inwerkingtreding : 01-10-2005>  Art. 68quater. (Opgeheven) <W 2003-02-21/44, art. 30; Inwerkingtreding : 01-10-2005>  Afdeling 4. - Specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen. <W 2006-12-27/32, art. 82; Inwerkingtreding : 07-01-2007>  Art. 68quinquies. <W 2006-12-27/32, art. 82, 005; Inwerkingtreding : 07-01-2007> § 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is belast met het toekennen van een specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen.  § 2. Het recht op hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen wordt verleend wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn :  1° de onderhoudsplichtige heeft recht op het leefloon of op een gelijkwaardige financiële maatschappelijke hulp;  2° de onderhoudsplichtige is een persoon die :  a) ofwel onderhoudsgeld voor zijn kinderen verschuldigd is, vastgelegd hetzij in een uitvoerbare gerechtelijke beslissing, hetzij in een overeenkomst bedoeld bij artikel 1288, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij in een uitvoerbare schikking bedoeld in artikelen 731 tot 734 van het Gerechtelijk Wetboek;  b) ofwel onderhoudsgeld verschuldigd is op basis van artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek;  c) ofwel een bijdrage voor een geplaatst kind verschuldigd is op grond van een beslissing genomen door de Jeugdrechtbank of door de bevoegde administratieve overheid;  3° de onderhoudsplichtige levert het bewijs van de betaling van dit onderhoudsgeld of van deze bijdrage.  § 3. De specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden of van bijdragen voor geplaatste kinderen bedraagt 50 pct. van het bedrag van de betaalde onderhoudsgelden of bijdragen, met een maximum van 1 100 EUR per jaar.  § 4. De Koning bepaalt de regels voor de indiening van de aanvraag bij het bevoegd centrum, voor de kennisgeving van de beslissing en voor de uitkering van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen. Hij bepaalt de te volgen procedure in geval van onbevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarbij de aanvraag wordt ingediend.  § 5. De Staat kent het bevoegd centrum een toelage toe, gelijk aan 100 pct. van het bedrag van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen. Voorschotten in mindering van het bedrag dat door de Staat ten laste wordt genomen, kunnen toegekend worden onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald door de Koning.  HOOFDSTUK V. - Beroep.  Art. 69. (opgeheven) <W 1993-01-12/34, art. 8; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  Art. 70. (opgeheven) <W 1993-01-12/34, art. 8; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  Art. 71. Eenieder kan (bij de arbeidsrechtbank) in beroep gaan tegen een beslissing inzake individuele dienstverlening te zijnen opzichte genomen door de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen. <W 1993-01-12/34, art. 9; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  Hetzelfde geldt wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te nemen. (Deze termijn van één maand loopt, in het geval bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, vanaf de dag van de overzending.) <W 2003-12-22/42, art. 487; Inwerkingtreding : 10-01-2004>  (Het beroep moet (, op straffe van verval,) worden ingesteld binnen de drie maanden na hetzij de kennisgeving van de beslissing, hetzij de datum van het ontvangstbewijs, (...).) <W 2006-07-20/39, art. 191, 084; Inwerkingtreding : 07-08-2006> <W 2008-12-22/33, art. 4, 1° en 2°, 090; Inwerkingtreding : 08-01-2009>  (Bij ontstentenis van een beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn binnen de in het tweede lid bepaalde termijn, moet het beroep, op straffe van verval, worden ingediend binnen de drie maanden na de vaststelling van deze ontstentenis van een beslissing.) <W 2008-12-22/33, art. 4, 3°, 090; Inwerkingtreding : 08-01-2009>  Het beroep werkt niet schorsend.  (Wanneer het beroep aanhangig is gemaakt door een dakloze persoon, wijst de arbeidsrechtbank, zo nodig, het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan, na dit centrum in de zaak te hebben geroepen en onder voorbehoud van de uiteindelijke tenlasteneming van de verstrekte dienstverlening door een ander centrum of door de Staat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1993-01-12/34, art. 09; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  Art. 72. (Opgeheven) <W 1993-01-12/34, art. 8; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  Art. 73. (Opgeheven) <W 1993-01-12/34, art. 8; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  Art. 74. (Opgeheven) <W 1993-01-12/34, art. 8; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  HOOFDSTUK VI. - Beheer van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.  Afdeling 1. Beheer van de goederen.  Art. 75.[1 § 1. Tenzij er specifieke wettelijke bepalingen zijn, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn de voorwaarden en de nadere regels vast van de gunningsprocedure voor contracten met betrekking tot vastgoedverrichtingen en neemt de contractuele voorwaarden aan die op de verrichting van toepassing zijn.   § 2. Tenzij er specifieke wettelijke bepalingen zijn, leidt het vast bureau de procedure in, gunt het het contract voor de vastgoedverrichting en houdt het toezicht op de uitvoering ervan.   In gevallen waarin onderhandelen met kandidaten is toegestaan, keurt het vast bureau de uitkomst van de onderhandelingen goed binnen de grenzen die zijn vastgelegd in de documenten en, indien van toepassing, de reglementen die op betrokken vastgoedverrichting van toepassing zijn.   Het vast bureau kan tijdens de looptijd van het contract niet-substantiële wijzigingen aanbrengen.   § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden overdragen aan het vast bureau.   In overeenstemming met artikel 75ter is de overdracht beperkt tot vastgoedverrichtingen met een geschatte waarde van minder dan:   1° 30.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 60.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 120.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftig duizend inwoners.   De waarde van de vastgoedverrichting komt overeen met de geschatte marktwaarde van het vastgoed of het geraamde bedrag van de verrichting, vermenigvuldigd, indien van toepassing, met de looptijd van het contract. Wanneer het contract of de looptijd ervan kan worden verlengd en de totale looptijd van het contract, met inbegrip van de verlengingsregels, meer dan tien jaar kan bedragen, komt de waarde van de verrichting overeen met de geraamde jaarlijkse waarde van het contract, vermenigvuldigd met tien, zonder dat dit bedrag lager mag zijn dan het geraamde bedrag voor de aanvankelijke minimumlooptijd van het contract.   § 4. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.   § 5. De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit bekend zijn. Onverminderd het recht om de verleende overdrachten te wijzigen, hebben schommelingen in het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht als deze eenmaal is vastgesteld.   § 6. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in paragraaf 3 aanpassen.  ----------  <DWG 2024-03-28/63, art. 24, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 75bis. [1 § 1. OCMW's handelen transparant bij het gunnen van contracten voor vastgoedverrichtingen.   Daartoe voeren OCMW's, tenzij er adequate redenen of een specifieke wettelijke bepaling zijn, publiciteitsmaatregelen uit die geschikt zijn voor het geval in kwestie.   Een OCMW dat met een of meer overheidsinstanties een overeenkomst sluit met betrekking tot een vastgoedverrichting, hoeft niet systematisch een mededinginsprocedure uit te schrijven voor zover het geplande project een doel van algemeen belang nastreeft en, behoudens naar behoren gemotiveerde uitzonderingen of specifieke wettelijke bepalingen, wordt gegund tegen de overeenkomstig artikel 75ter geraamde prijs.   § 2. Het woord "vastgoedverrichtingen" opgenomen in paragraaf 1 en in artikel 75ter beoogt de volgende verrichtingen: de verkoop, ruil, erfpacht, opstal, verhuur, jachtrecht, visrecht, staatsconcessie of precaire bewoning van onroerend goed dat aan het OCMW toebehoort.   De aankoopcomités van onroerende goederen, die door OCMW's worden belast met vastgoedverrichtingen, hoeven aan derden niet te bewijzen dat ze een bijzonder mandaat hebben om op te treden als vertegenwoordigers van het plaatselijk bestuur.   Binnen deze comités vertegenwoordigen de ambtenaren die bevoegd zijn om de overeenkomsten te authentificeren, de lokale overheden van rechtswege voor de opdrachten waarvoor zij verantwoordelijk zijn, wanneer zij de akten ondertekenen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-28/63, art. 25, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>      Art. 75ter. [1 Voor elke vastgoedverrichting beschikt het OCMW over een recente schatting van de waarde van het onroerend goed of het toegekende recht erop, tenzij er een passende rechtvaardiging of een specifieke wettelijke bepaling is.   Deze schatting wordt, behalve in naar behoren gemotiveerde uitzonderingsgevallen, gevraagd aan een onafhankelijk expert, een commissaris van een aankoopcomité, een notaris, een landmeter ingeschreven in het tableau bijgehouden door de Federale Raad van landmeters-experten, een vastgoeddeskundige ingeschreven in het tableau bedoeld in artikel 3 van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar of een architect ingeschreven in de Orde van Architecten.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-28/63, art. 26, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>      Art. 76.[1 § 1. Tenzij er specifieke wettelijke bepalingen zijn, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn de voorwaarden vast van de gunningsprocedure voor contracten betreffende de verkoop of terbeschikkingstelling van roerende lichamelijke goederen die toebehoren aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en neemt de contractuele voorwaarden aan die op de verrichting van toepassing zijn.   § 2. Tenzij er specifieke wettelijke bepalingen zijn, leidt het vast bureau de procedure in, gunt het het contract voor de verkoop of terbeschikkingstelling van roerende lichamelijke goederen en controleert het de uitvoering ervan.   In gevallen waarin onderhandelen met kandidaten is toegestaan, keurt het vast bureau het resultaat van de onderhandelingen goed binnen de grenzen die zijn vastgelegd in de documenten en, indien van toepassing, de reglementen die op de verrichting van toepassing zijn.   Het vast bureau kan tijdens de looptijd van het contract niet-substantiële wijzigingen aanbrengen.   § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden overdragen aan het vast bureau.   In overeenstemming met artikel 76ter is de overdracht beperkt tot verrichtingen met een geschatte waarde van minder dan:   1° 30.000 euro in het openbaarcentrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 60.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 120.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftig duizend inwoners.   De waarde van de verrichting komt overeen met de geschatte marktwaarde van het goed of het geschatte bedrag van de verrichting vermenigvuldigd, indien van toepassing, met de looptijd van het contract. Wanneer de opdracht kan worden verlengd en de totale looptijd van de opdracht, met inbegrip van de verlengingen of vernieuwingen, meer dan tien jaar kan bedragen, komt de waarde van de verrichting overeen met de geraamde jaarlijkse waarde van de opdracht vermenigvuldigd met tien, zonder dat dit bedrag lager mag zijn dan het geraamde bedrag voor de aanvankelijke minimumlooptijd van de opdracht.   § 4. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.   § 5. De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit bekend zijn. Onverminderd het recht om de verleende overdrachten te wijzigen, hebben schommelingen in het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht als deze eenmaal is vastgesteld.   § 6. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, het bedrag bedoeld in paragraaf 3 aanpassen.  ----------  <DWG 2024-03-28/63, art. 27, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 76bis. [1 § 1. OCMW's handelen transparant bij het gunnen van contracten voor roerende verrichtingen.   Daartoe voeren OCMW's, tenzij er adequate redenen of een specifieke wettelijke bepaling zijn, publiciteitsmaatregelen uit die geschikt zijn voor het geval in kwestie.   § 2. De bewoordingen "roerende verrichtingen" opgenomen in paragraaf 1 en artikel 76ter beogen de verrichtingen met betrekking tot de verkoop of terbeschikkingstelling van roerende lichamelijke goederen die aan het OCMW toebehoren.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-28/63, art. 28, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>      Art. 76ter. [1 Voor elke roerende verrichting beschikken de OCMW's over een recente schatting van de waarde van het lichamelijk roerend goed of het toegekende recht erop, tenzij er een passende rechtvaardiging of een specifieke wettelijke bepaling is.   Behalve in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden, wordt deze schatting gevraagd aan een onafhankelijk deskundige.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-28/63, art. 29, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>      Art. 77. (opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 39; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  Art. 78.§ 1. (opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 40; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  § 2. De (Regering) kan, [1 ..., de openbare centra voor maatschappelijk welzijn machtigen om over te gaan tot onteigeningen te algemenen nutte. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998> <DWG 2005-12-08/43, art. 15; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  (Benevens de ambtenaren van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor rekening van de Staat, is de gouverneur van de provincie, waar de zetel van het centrum gevestigd is, evenals de burgermeester van de gemeente die door het centrum wordt bediend, bevoegd tot het verlijden van de desbetreffende akte.) <W 1992-08-05/46, art. 40; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 6, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 79.(§ 1.) <W 1992-08-05/46, art. 41; Inwerkingtreding : 18-10-1992> De raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd om het kapitaal van het centrum aan te wenden voor de bouw of de aankoop van woningen voor bejaarden, mindervaliden of andere personen die niet zelf in hun huisvesting kunnen voorzien, voor de aankoop van bossen en gronden, voor participaties en bouwmaatschappijen tot nut van het algemeen. <DWG 1998-04-02/40, art. 16; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  De raad kan het kapitaal van het centrum ook aanwenden met het oog op deelneming in maatschappijen die sociale doeleinden nastreven die verband houden met de taken van het centrum voor maatschappelijk welzijn of die de werking van het centrum ten goede komen, voor zover deze maatschappijen de bepalingen van de artikelen 118 tot en met 135 van de wet eerbiedigen of de vorm aannemen van een intercommunale vereniging.  (§ 2. Om te voldoen aan specifieke behoeften waarin zijn diensten niet voorzien en in het kader van een verwante activiteit die geen belangrijk deel van zijn handeling uitmaakt, kan het O.C.M.W., overeenkomstig [3 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, ook beslissen lid te worden van een andere vereniging zonder winstoogmerk dan een intercommunale vereniging die opgericht is met andere overheden en/of met andere natuurlijke of rechtspersonen dan die met een winstoogmerk, met inachtneming van de volgende voorwaarden :  1° [1 ...  2° de onroerende goederen, namelijk de terreinen en gebouwen die het centrum toebehoren, mogen niet om niet worden afgestaan;  3° de wettelijke opdrachten die aan het O.C.M.W. voorbehouden zijn, mogen niet door de v.z.w. vervuld worden;  4° het O.C.M.W. moet binnen de organen van de vereniging vertegenwoordigd worden door leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, de directeur-generaal of bevoegde personeelsleden van het centrum. [3 De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden verkozen overeenkomstig artikel 33, § § 3bis tot en met 3quater en 4;  5° als het centrum bijdragen verleent, is het O.C.M.W. ertoe gemachtigd de bewijsstukken te controleren en ter plaatse na te gaan of die bijdragen gebruikt worden om de door het centrum opgedragen taken te vervullen;  6° het jaarverslag, de begroting en de rekeningen van de vereniging worden jaarlijks overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn.  Van elk document moet een exemplaar worden bezorgd aan de financieel directeur van het O.C.M.W. die een eensluidend afschrift van de bewijsstukken kan eisen om na te gaan of de vereniging haar financiële verplichtingen ten aanzien van het centrum nakomt.  Het O.C.M.W. kan ook deelnemen in [2 een coöperatieve vennootschap erkend als sociale onderneming overeenkomstig artikel 8:5, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.  In dit geval zijn de in deze paragraaf vastgelegde voorwaarden van deelneming in een v.z.w. mutatis mutandis van toepassing.  § 3. Voor ziekenhuisactiviteiten kan het O.C.M.W., op de voordracht van het beheerscomité van het ziekenhuis, beslissen lid te worden van een vereniging zonder winstoogmerk met als doel :  a. hetzij een opdracht i.v.m. coördinatie, preventie, onderzoek of steun voor het beheer;  b. hetzij de oprichting, de aankoop of het beheer van een zware apparatuur of van zware medisch-technische diensten in het kader van een vereniging in de zin van artikel 69, 3°, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, met het oog op de oprichting van een groepering of een samenwerkingsvereniging;  c. hetzij de rationalisatie van het aanbod van uitrustingen en dienstenverleningen van openbare of privéziekenhuizen, in het kader van een groepering in de zin van artikel 69, 3°, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.  Naast de in § 2, 2°, 3° en 5°, bedoelde deelnemingsvoorwaarden zijn de volgende voorwaarden van toepassing :  1° [1 ...  2° het O.C.M.W. moet binnen de verschillende organen van de vereniging vertegenwoordigd worden door leden van het beheerscomité van het ziekenhuis en door personen die binnen het ziekenhuis een leidende taak vervullen. De stemgerechtigde leden van het beheerscomité van het ziekenhuis die zitting houden binnen de organen van de v.z.w., worden door de raad voor maatschappelijk welzijn na één enkele stemming aangewezen;  3° het jaarverslag, de begrotingen en de rekeningen van de vereniging moeten worden overgemaakt aan het beheerscomité en aan de penningmeester van het ziekenhuis die een eensluidend afschrift van de bewijsstukken kan eisen om na te gaan of de vereniging haar financiële verplichtingen ten aanzien van het ziekenhuis nakomt.) <DWG 1998-04-02/40, art. 16; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 7, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2023-04-06/05, art. 4, 045; Inwerkingtreding : 21-10-2023>   <DWG 2024-03-28/63, art. 30, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 80.[1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn aanvaardt schenkingen te verlijden bij authentieke akte en legaten ten gunste van het OCMW.   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden overdragen aan het vast bureau.   Het overdracht is ten hoogste beperkt tot schenkingen en legaten zonder lasten of voorwaarde en voor een, indien van toepassing, geraamde waarde, van minder dan:   1° 30.000 euro in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 60.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 120.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van ten minste vijftig duizend inwoners.   § 3. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.   § 4. De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit gekend zijn. Onverminderd het recht om de verleende overdrachten te wijzigen, hebben schommelingen in het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht als deze eenmaal is aangenomen.   § 5. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in paragraaf 2 aanpassen.   § 6. Notarissen en andere ministeriële ambtenaren alsmede ontvangers van de successierechten geven kennis aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de beschikkingen die te hunnen voordele zijn opgemaakt en waarvan zij wegens hun ambt kennis hebben.  ----------  <DWG 2024-03-28/63, art. 31, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 80bis. [1 De voorzitter van het OCMW aanvaardt schenkingen van roerende lichamelijke goederen zonder lasten of voorwaarden.   De voorzitter van het OCMW kan zijn bevoegdheid bedoeld in het eerste lid overdragen aan een ambtenaar, met uitzondering van de financieel directeur.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-28/63, art. 32, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>      Art. 81.  <Opgeheven bij DWG 2024-03-28/63, art. 33, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 82. (opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 44; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  Art. 83. (opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 44; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  Art. 84.[1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn kiest de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten, stelt de voorwaarden vast, leidt de procedure in, gunt ze, controleert de uitvoering ervan, gunt overheidsopdrachten op basis van de gesloten raamovereenkomsten en kan tijdens de uitvoering eventuele wijzigingen in de overheidsopdrachten aanbrengen. In de gevallen waarin onderhandelingen met inschrijvers zijn toegestaan, keurt de raad voor maatschappelijk welzijn het resultaat van de onderhandelingen goed binnen de grenzen van de reglementen en documenten die op de betrokken overheidsopdracht van toepassing zijn.   In gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, kan het vast bureau op eigen initiatief de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen. Zijn besluit wordt meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn [2 ...op zijn eerstvolgende vergadering [2 ....   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden uit hoofde van paragraaf 1, eerste alinea, overdragen aan het vast bureau of aan bijzondere comités.   Voor uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de delegatie ten hoogste beperkt tot overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :   1° 30.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 60.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 120.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.   § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, overdragen aan de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of een andere ambtenaar, onder uitsluiting van de financieel directeur, voor uitgaven die onder de gewone begroting vallen en aan de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor uitgaven die onder de buitengewone begroting vallen.   Voor uitgaven in het kader van de gewone begroting is de delegatie ten hoogste beperkt tot overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :   1° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 10.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 15.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.   Voor uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de delegatie ten hoogste beperkt tot overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :   1° 2.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 7.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftig duizend inwoners en meer.  [2 § 3bis. De raad voor maatschappelijk welzijn kan aan de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal zijn bevoegdheden overdragen om, met het oog op de betaling, de werken, leveringen en diensten te controleren die voor betaling worden aanvaard en, in voorkomend geval, tot facturering uit te nodigen en het bedrag vast te stellen dat de raad verschuldigd acht.   In geval van overdracht worden de beslissingen van de algemeen directeur of adjunct-directeur op de eerstvolgende vergadering aan de raad voor maatschappelijk welzijn meegedeeld.   § 4. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.   De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit bekend zijn. Onverminderd de mogelijkheid om de verleende overdrachten te wijzigen, heeft de schommeling van het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht wanneer deze eenmaal is aangenomen.   § 5. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 aanpassen.   § 6. Voor de toepassing van deze afdeling omvat de term "overheidsopdracht" ook raamovereenkomsten.  ----------  <DWG 2022-10-06/17, art. 3, 040; Inwerkingtreding : 01-02-2023>   <DWG 2024-03-28/63, art. 34, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 84bis.[1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn beslist, een samengevoegde overheidsopdracht te gebruiken, wijst, in voorkomend geval, de aanbestedende overheid aan die in opdracht van de andere aanbestedende overheden zal handelen en neemt, in voorkomend geval, de overeenkomst aan die de samengevoegde overheidsopdracht regelt.   In gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, kan het vast bureau, op eigen initiatief, de in lid 1 bedoelde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen. Zijn beslissing wordt medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, [2 ...tijdens zijn volgende zitting [2 ....   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden uit hoofde van paragraaf 1, eerste alinea, overdragen aan het vast bureau of aan bijzondere comités.   Voor uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de overdracht ten hoogste beperkt tot samengevoegde overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :   1° 30.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 60.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 120.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.   § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, overdragen aan de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of een andere ambtenaar, onder uitsluiting van de financieel directeur, voor uitgaven die onder de gewone begroting vallen en aan de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor uitgaven die onder de buitengewone begroting vallen.   Voor uitgaven in het kader van de gewone begroting is de overdracht ten hoogste beperkt tot samengevoegde overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :   1° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 10.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 15.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.   Voor uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de overdracht ten hoogste beperkt tot samengevoegde overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :   1° 2.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 7.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftig duizend inwoners en meer.   § 4. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.   De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit bekend zijn. Onverminderd de mogelijkheid om de verleende overdrachten te wijzigen, heeft de schommeling van het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht wanneer deze eenmaal is aangenomen.   § 5. In voorkomend geval neemt de raad voor maatschappelijk welzijn van de aanbestedende overheid akte van de gunning van de overheidsopdracht door de aangewezen aanbestedende overheid.   Bij overdracht van bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn aan het vast bureau, aan de bijzondere comités, aan de directeur-generaal, aan de adjunct-directeur-generaal of aan een andere ambtenaar, overeenkomstig de paragrafen 2 en 3, worden de bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn bedoeld in lid 1 respectievelijk uitgeoefend door het vast bureau, het bijzondere comité, de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de gemachtigd ambtenaar.   § 6. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 aanpassen.  ----------  <DWG 2022-10-06/17, art. 4, 040; Inwerkingtreding : 01-02-2023>   <DWG 2024-03-28/63, art. 34, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 84ter.[1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn treedt toe tot een aankoopcentrale, geeft zo nodig blijk van belangstelling, wijzigt de voorwaarden van het lidmaatschap en zegt het lidmaatschap op.   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de behoeften in termen van werken, leveringen of diensten en beslist, een beroep te doen op de aankoopcentrale waarbij hij aangesloten is om aan die behoeften te voldoen.   § 3. In gevallen van dringende noodzakelijkheid die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, kan het vast bureau, op eigen initiatief, de in de paragrafen 1, 2 en 7 bedoelde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen. Zijn beslissing wordt medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, [2 ...op diens eerstvolgende zitting.   § 4. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden uit hoofde van de paragrafen 1 en 2, overdragen aan het vast bureau of aan bijzondere comités.   Wat betreft de bevoegdheden bedoeld in paragraaf 2, voor de uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de overdracht ten hoogste beperkt tot behoeften met een geraamde waarde van minder dan :   1° 30.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 60.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 120.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.   § 5. De raad voor maatschappelijk welzijn kan de in paragraaf 1 bedoelde blijk van belangstelling delegeren aan de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of een andere ambtenaar, met uitsluiting van de financieel directeur.   De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 2, overdragen aan de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of een andere ambtenaar, onder uitsluiting van de financieel directeur, voor uitgaven die onder de gewone begroting vallen en aan de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor uitgaven die onder de buitengewone begroting vallen.   Voor uitgaven in het kader van de gewone begroting is de overdracht bedoeld in het tweede lid ten hoogste beperkt tot behoeften met een geraamde waarde van minder dan :   1° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 10.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 15.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.   Voor uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de overdracht ten hoogste beperkt tot behoeften met een geraamde waarde van minder dan :   1° 2.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van minder dan vijftien duizend inwoners;   2° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;   3° 7.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftig duizend inwoners en meer.   § 6. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.   De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit bekend zijn. Onverminderd de mogelijkheid om de verleende overdrachten te wijzigen, heeft de schommeling van het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht wanneer deze eenmaal is aangenomen.   § 7. De raad voor maatschappelijk welzijn plaatst de bestelling en zorgt voor de opvolging van de uitvoering ervan.   Bij overdracht van bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn aan het vast bureau, aan de bijzondere comités, aan de directeur-generaal, aan de adjunct-directeur-generaal of aan een andere ambtenaar, overeenkomstig de paragrafen 4 en 5, worden de bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn bedoeld in lid 1 respectievelijk uitgeoefend door het vast bureau, het bijzondere comité, de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de gemachtigd ambtenaar.   § 8. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in de paragrafen 4 en 5 aanpassen.  ----------  <DWG 2022-10-06/17, art. 4, 040; Inwerkingtreding : 01-02-2023>   <DWG 2024-03-28/63, art. 36, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 84quater.[1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn beslist over het beginsel van de concessie van diensten of werken, stelt de voorwaarden en de nadere regels vast van de gunningsprocedure, neemt de clausules ter regeling van de concessie aan, leidt de procedure in, gunt de concessie, zorgt voor de opvolging van de uitvoering ervan en kan in de loop van de uitvoering iedere wijziging doorvoeren. [2 In de gevallen waarin onderhandelingen met inschrijvers zijn toegestaan, keurt de raad voor maatschappelijk welzijn het resultaat van de onderhandelingen goed binnen de grenzen van de reglementering en documenten die op de betrokken concessie van toepassing zijn.   In gevallen van dringende noodzakelijkheid die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, kan het vast bureau, op eigen initiatief, de in lid één bedoelde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen. Zijn beslissing wordt medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, [3 ...op diens eerstvolgende zitting.   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 1, lid 1, overdragen aan het vast bureau voor concessies van diensten of werken met een waarde lager dan 250.000 euro, BTW niet meegerekend.   De waarde van de concessie komt overeen met het geraamde bedrag van het omzetcijfer dat de concessiehouder moet bereiken, vermenigvuldigd met het aantal jaren van de concessie.   Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.   § 3. [2 ...   § 4. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, het bedrag bedoeld in paragraaf 2 aanpassen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-10-04/02, art. 6, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2019>   <DWG 2022-10-06/17, art. 6, 040; Inwerkingtreding : 01-02-2023>   <DWG 2024-03-28/63, art. 37, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 85. (opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 46; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  Afdeling 2. - Budgettair en financieel beheer.  Art. 86. <DWG 1998-04-02/40, art. 18; Inwerkingtreding : 01-01-1998> Het boekjaar van het O.C.M.W. stemt overeen met het kalenderjaar. Het heeft alleen betrekking op de door het centrum verkregen rechten en de tijdens die periode ten opzichte van zijn schuldeisers aangegane verplichtingen, ongeacht het boekjaar waarin ze worden aangegaan.  (Onverminderd de bevoegdheden die hij aan het vast bureau en aan de bijzondere comités kan verlenen en onverminderd artikel 87bis , is de raad voor maatschappelijk welzijn belast met de bepaling van de rechten op ontvangsten, de betaalbaarstelling van de uitgaven van het O.C.M.W. en met het toezicht op de boekhouding. Deze laatste bevoegdheid mag echter niet opgedragen worden.) <DWG 2002-05-30/37, art. 5; Inwerkingtreding : 22-06-2002>  Art. 87. <DWG 1998-04-02/40, art. 19; Inwerkingtreding : 1998-05-08> Het algemeen reglement van de gemeenteboekhouding is van toepassing op de O.C.M.W.'s, met uitzondering van de ziekenhuizen die ervan afhangen en onder voorbehoud van de door de Regering vastgestelde afwijkende regels.  (twee leden opgeheven) <DWG 2002-05-30/37, art. 6; Inwerkingtreding : 22-06-2002>  Art. 87bis. <DWG 2002-05-30/37, art. 7; Inwerkingtreding : 22-06-2002> Telkens als de betaling van de sociale hulp of van het bestaansminimum zich opdringt, stelt het orgaan van het centrum dat de sociale hulp of het bestaansminimum heeft besloten toe te kennen, de lijst van de uitgaven tijdens de zitting op, die, zodra ze door de aanwezige leden ondertekend is, als ordonnancering geldt en in de notulen wordt vermeld. De verzending van deze lijst, die door de voorzitter en de secretaris ondertekend is, geldt als machtiging tot betaling.  Art. 88.§ 1. [3 [4 Het vast bureau vergadert jaarlijks in de loop van uiterlijk de maand september om de voorlopige initiële begroting van het volgend dienstjaar vast te leggen.   De Raad voor maatschappelijk welzijn vergadert jaarlijks in de loop van uiterlijk de maand oktober om de definitieve initiële begroting van het volgend dienstjaar vast te leggen. Op voorstel van het beheerscomité van het ziekenhuis legt de Raad voor maatschappelijk welzijn eveneens de begroting van elke ziekenhuis dat van het centrum afhangt, vast.   Bij deze begrotingen wordt een algemene beleidsnota gevoegd, alsook een verslag dat het in artikel 26bis, § 5, bedoelde verslag opneemt, een verslag over het ziekenhuisbeleid en de doelstellingen en samenwerkingsmogelijkheden in ziekenhuisverband..  De raad voor maatschappelijk welzijn moet zich uitspreken binnen veertig dagen na de betekening van het voorstel van het beheerscomité; bij gebreke daarvan wordt de raad geacht het voorstel te hebben goedgekeurd.  De raad moet op deze begrotingen jaarlijks alle verplichte uitgaven boeken die krachtens wets- of verordeningsbepalingen ten laste komen van het O.C.M.W., meer bepaald de wedden en uitkeringen van de voorzitter, de secretaris, de ontvanger en de personeelsleden [4 evenals hun reiskostenvergoedingen, de uitgaven voor sociale hulp, [4 ..., de vaststaande en opeisbare schulden van het centrum en de schulden die uit uitvoerbare rechterlijke veroordelingen voortvloeien, de bureaukosten, het onderhoud van de gebouwen, de huurgelden van de door het centrum gebruikte gebouwen en de kosten die aan de boekhouding van het centrum gebonden zijn.  De raad moet op deze begrotingen jaarlijks alle nader bepaalde ontvangsten van het O.C.M.W. boeken, evenals de krachtens een wets- of verordeningsbepaling toegekende ontvangsten en de overschotten van de vorige boekjaren.) <DWG 1998-04-02/40, art. 21; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  [2 ...  [2 ...  [2 ...  [2 ...  [2 ...  [2 ...  § 2. Indien na goedkeuring van de begroting kredieten moeten worden uitgetrokken of vermeerderd om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, gaat de raad voor maatschappelijk welzijn over tot wijziging van de begroting. Die wijziging is onderworpen aan de (goedkeuringen) bepaald [2 in artikel 112bis. <W 1992-08-05/46, art. 48; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  (Ingeval de minste vertraging onbetwistbare schade zou berokkenen, kan de raad voor maatschappelijk welzijn met de toestemming van het (gemeentelijk college) van burgemeester en schepenen, in de uitgave voorzien, onder verplichting de begroting te wijzigen door er zo spoedig mogelijk de nodige kredieten op te boeken. <DWG 2005-12-08/43, art. 15; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  Wat betreft [1 de betaling van het leefloonof het verlenen van individuele sociale hulp onder de vorm van een financiële tegemoetkoming, en ingeval de minste vertraging onbetwistbare schade zou berokkenen aan een persoon die om sociale hulp of om het bestaansminimum verzoekt, maakt het bevoegde orgaan dat besloten heeft de hulp te verlenen, gebruik van de mogelijkheid bedoeld in het vorige lid, zonder de toestemming van het (gemeentelijk college) te moeten vragen. <DWG 2005-12-08/43, art. 15; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  In de gevallen bedoeld in het tweede en het derde lid zal de [4 financieel directeurde betaling verrichten vóór de goedkeuring van de begrotingswijziging.) <DWG 1998-04-02/40, art. 21; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  § 3. (De begrotingsontwerpen alsook de algemene beleidsnota en de in § 1, eerste lid, bedoelde verslagen) of het ontwerp van begrotingswijziging en de daarbijhorende verklarende en stavende nota, opgemaakt door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden aan ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn [5 langs elektronische weg overgemaakttenminste zeven vrije dagen vóór de dag van de vergadering waarop deze zullen worden besproken.) <DWG 1998-04-02/40, art. 21; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  § 4. [2 ...  ----------  <DWG 2012-04-26/31, art. 20, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012>   <DWG 2014-01-23/08, art. 8, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2016-12-21/03, art. 13, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>   <DWG 2018-07-17/03, art. 12, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>   <DWG 2024-03-28/63, art. 38, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 88bis. [1 De OCMW's maken hun voorlopige initiële begroting, hun definitieve initiële begroting, en iedere begrotingswijziging aan de Regering over, volgens de nadere regels volgens laatstgenoemde vastgelegd.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 13, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>      Art. 88ter.[1 Bij elke begroting en bij begrotingswijzigingen worden er door de OCMW's meerjarige begrotingsvooruitzichten aan de Regering overgemaakt, volgens de nadere regels door laatstgenoemde vastgelegd.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 14, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>      Art. 89.[2 [3 Het vast bureau vergadert jaarlijks uiterlijk in de loop van de maand februari om de voorlopige begrotingsrekening van het voorafgaande jaar vast te leggen, waarin een overzicht is opgenomen van de toestand van de vastgestelde nettorechten, de verbintenissen en de op 31 december van het voorafgaande dienstjaar geboekte verrekeningen.   [3 De Raad voor maatschappelijk welzijn vergadert jaarlijks in de loop van uiterlijk de maand mei om de rekeningen van het vorig dienstjaar vast te leggen.   De jaarlijkse rekeningen omvatten de begrotingsrekening, de resultaatrekeningen en de balans alsmede de lijst van de aannemers van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten waarvoor de provincieraad de gunningswijze heeft gekozen en de voorwaarden heeft bepaald. Hij legt jaarlijks ook de jaarrekeningen van het voorafgaande jaar vast voor elk van de ziekenhuizen onder zijn beheer tijdens een zitting die vóór 1 juni plaatsvindt. Tijdens de vergadering waarop de raad voor maatschappelijk welzijn deze jaarrekeningen vastlegt, brengt de voorzitter verslag uit over de toestand van het centrum en over het tijdens het voorafgaande boekjaar gevoerde beheer inzake de uitvoering van de budgettaire vooruitzichten, alsook wat betreft de ontvangsten en het gebruik van de toelagen toegekend door de Staat in het kader van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het jaarverslag wordt vooraf samen met de rekening doch met uitsluiting van de verantwoordingsstukken, tenminste zeven dagen vóór de vergadering aan elk raadslid meegedeeld.  [1 ...  [1 ...  [1 ...  [1 ...  (Bij niet-goedkeuring door de gemeenteraad worden de rekeningen samen met de beslissing van de gemeenteraad door de zorg van het centrum, vóór 1 augustus van het voormelde jaar, ter goedkeuring overgelegd aan (het provinciecollege), die de rekeningen definitief vaststelt.) <W 1992-08-05/46, art. 49; Inwerkingtreding : 18-10-1992> <DWG 2005-12-08/43, art. 15; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  Het nazicht van de bewijsstukken door de afgevaardigden van de toezichthoudende overheden gebeurt ter plaatse.  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 9, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2016-12-21/03, art. 14, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>   <DWG 2018-07-17/03, art. 15, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>   Art. 89bis.[1 [2 Tegelijk met het overzenden ervan aan de toezichthoudende overheid, deelt het vast Bureau de volgende documenten aan de representatieve vakorganisaties mee :   1) de begroting en begrotingswijzigingen die door de Raad voor sociale actie worden aangenomen;   2) de door de Raad voor sociale actie aangenomen rekening.   Informatie met betrekking tot de structuur van de tewerkstelling, de evolutie ervan en de vooruitzichten inzake tewerkstelling, het personeel dat gedurende het geheel of een deel van het referentiejaar wordt tewerkgesteld zijn gevoegd bij de begroting en de door de Raad voor sociale actie aangenomen rekening [3 alsook het aantal voorziene benoemingen op het lopende begrotingsjaar.   De documenten bedoeld in het eerste lid kunnen langs elektronische weg worden meegedeeld. [4 Ze worden door de toezichthoudende overheid zodra ze zijn goedgekeurd gepubliceerd op de website van het openbare centrum voor maatschappelijk welzijn of, bij gebrek daaraan, van de gemeente, en worden neergelegd op de zetel van het centrum, waar iedereen ter plaatse er altijd kennis van kan nemen. De bekendmakingstermijn mag niet korter zijn dan zes jaar.   Op hun aanvraag, ingediend binnen vijf dagen na de mededeling van de documenten bedoeld in het eerste lid, worden de representatieve vakorganisaties door de voorzitter van de O.C.M.W. onverwijld uitgenodigd op een specifieke informatiesessie waarop bedoelde documenten worden voorgelegd en uitgelegd.   [2 ...  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2014-03-27/21, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 01-05-2014>   <DWG 2018-07-17/03, art. 16, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>   <DWG 2024-03-14/16, art. 21, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   <DWG 2024-03-28/63, art. 39, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 89ter. [1 De OCMW's maken hun voorlopige begrotingsrekening en hun jaarrekeningen aan de Regering over, volgens de nadere regels door laatstgenoemde vastgelegd.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 17, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>      Art. 89quater. [1 De Regering zamelt in het kader van haar opdrachten ieder statistisch gegeven bij de OCMW's in.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-07-17/03, art. 18, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>      Art. 90.  <Opgeheven bij DWG 2014-01-23/08, art. 10, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 91.[1 De vastleggingen, verrekeningen of betaalbaarstellingen van een uitgave zijn slechts toegelaten voor een op de begroting voorkomende post, een voorlopig krediet toegekend onder de voorwaarden en binnen de door de Regering vastgestelde perken, een krachtens het derde lid en § 2 overgedragen krediet of een overeenkomstig artikel 88, § 2, toegekend krediet.  (Geen artikel van de uitgaven der begroting mag worden overschreden, met uitzondering van de ambtshalve opgenomen uitgaven.  Geen enkele overschrijving mag geschieden dan na een behoorlijk goedgekeurde wijziging van de begroting. In de loop van het ganse begrotingsjaar mag de raad voor maatschappelijk welzijn evenwel interne aanpassingen van de kredieten uitvoeren binnen eenzelfde begrotingsenveloppe zonder het oorspronkelijke totale bedrag van de enveloppe te overschrijden. De lijst van de krachtens deze paragraaf overgeschreven kredieten wordt in bijlage aan de rekening toegevoegd.  Een begrotingsenveloppe omvat de kredieten ingeschreven op de verschillende artikelen die dezelfde economische aard hebben in eenzelfde functionele code; de economische aard wordt vastgesteld aan de hand van de eerste twee cijfers van de economische code.) <W 1992-08-05/46, art. 51; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  (§ 2. Wanneer bij het afsluiten van een boekjaar sommige posten bezwaard zijn met verbintenissen die regelmatig en werkelijk werden aangegaan ten gunste van de schuldeisers van het centrum, wordt het kredietgedeelte dat nodig is om de uitgave af te betalen, naar het volgende boekjaar overgedragen bij beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn, die bij de rekening van het afgesloten boekjaar gevoegd wordt.  De aldus overgedragen kredieten kunnen gebruikt worden zonder een nieuwe beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de toezichthoudende overheden.) <DWG 1998-04-02/40, art. 22; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  (§ 3. [1 In geval van ongunstig advies van de financieel directeur, zoals voorzien in artikel 46 of in de gevallen bepaald in artikel 64 van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, aangepast aan de OCMW's, kan de Raad voor maatschappelijk welzijn of, in geval van delegatie toegekend krachtens deze wet, het orgaan of de persoon die houder is van de delegatie, onder zijn verantwoordelijkheid, beslissen dat de uitgave toegerekend en ten uitvoer gelegd wordt. De gemotiveerde beraadslaging van de Raad voor maatschappelijk welzijn of het orgaan of de persoon die houder is van de delegatie wordt bij het betalingsmandaat gevoegd.   Indien het een beraadslaging betreft van het orgaan of de persoon die houder is van de delegatie, wordt de raad daar onmiddellijk over ingelicht en het orgaan of de persoon die houder is van de delegatie kan eveneens beslissen zijn beslissingen voor te leggen aan de bekrachtiging door de Raad voor maatschappelijk welzijn op diens eerstvolgende zitting.) <DWG 1998-04-02/40, art. 22; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  [1 § 4. De leden van de Raad voor maatschappelijk welzijn, het orgaan of de persoon waaraan delegatie is verleend, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de uitgaven die ze in strijd met § 1 vastleggen of betaalbaar stellen.  ----------  <DWG 2018-07-17/03, art. 19, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>   Art. 92.[1 Artikel 92. In geval van weigering of vertraging bij het betaalbaar stellen van het bedrag van de uitgaven die de wet of een uitvoerbaar verklaarde rechtsbeslissing ten laste van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn legt, geeft de gouverneur, na de raad voor maatschappelijk welzijn te hebben gehoord, het bevel tot betaling en geldt het desbetreffende bedrag als ambtshalve opneming van het krediet op de begroting van het lopende boekjaar. Zijn beslissing geldt als mandaat; de financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de schatbewaarder van het ziekenhuis betaalt het bedrag.  ----------  <DWG 2013-04-18/20, art. 13, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   Art. 93.[1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn, of de door de raad aangewezen leden, controleert de kas van de financieel directeur minstens één keer per kwartaal en stelt er proces-verbaal van op, waarin zijn opmerkingen en die van de financieel directeur opgenomen worden; het proces-verbaal wordt ondertekend door de financieel directeur en de leden van raad voor maatschappelijk welzijn die de controle hebben gevoerd.   Het proces-verbaal, opgemaakt naar het door de Regering bepaalde model, wordt meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeentecollege.   Als de financieel directeur instaat voor verschillende openbare kasgelden, worden die tegelijkertijd gecontroleerd.   § 2. De financieel directeur geeft de raad voor maatschappelijk welzijn onmiddellijk kennis van elk tekort te wijten aan diefstal of verlies.   Overeenkomstig paragraaf 1 wordt onmiddellijk een kasinspectie uitgevoerd om het bedrag van het tekort vast te stellen.   Het proces-verbaal van de kasinspectie wordt aangevuld met een feitenrelaas en een verslag over de bewarende maatregelen die de financieel directeur heeft genomen.   § 3. Als de kasinspectie wijst op een tekort wegens diefstal [2 waarvan de financieel directeur niet aan de oorsprong isof verlies, verzoekt de raad voor maatschappelijk welzijn de financieel directeur bij aangetekend schrijven erom een gelijkwaardige som in de kassa van het centrum te storten. Dat verzoek wordt voorafgegaan door een beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn waarbij bepaald wordt of en in welke mate de financieel directeur aansprakelijk gesteld moet worden voor de diefstal of het verlies en waarbij het te betalen bedrag van het tekort wordt vastgesteld; een afschrift van deze beslissing wordt bij het verzoek om betaling gevoegd.   § 4. Binnen zestig dagen na de kennisgeving van dat verzoek kan de financieel directeur een beroep bij de Regering indienen. Dat beroep schorst de tenuitvoerlegging.   De Regering spreekt zich [2 ...uit over de aansprakelijkheid van de financieel directeur en bepaalt het bedrag van het tekort dat bijgevolg voor zijn rekening is.   De beslissing van de Regering wordt uitgevoerd na afloop van de termijn bedoeld in artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; na afloop van de termijn of bij gebrek aan beroep wordt de beslissing uitgevoerd op het persoonlijke vermogen van de financieel directeur indien hij de beslissing niet vrijwillig ten uitvoer legt. Wanneer de financieel directeur geen beroep indient bij het de Regering en het verzoek om betaling niet inwilligt na het verstrijken van de toegestane termijn, wordt eveneens gehandeld door middel van een dwangbevel.   § 5. Alle bepalingen van dit artikel zijn, mutatis mutandis en behalve andersluidend voorschrift, toepasselijk op de gewestelijke ontvanger.  ----------  <DWG 2013-04-18/20, art. 14, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   <DWG 2018-07-17/03, art. 20, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>   Afdeling 3. - Afzonderlijk beheer van diensten en inrichtingen.  Art. 94.<KB244 1983-12-31/57, art. 6, 002> § 1. De (Regering) kan voor sommige diensten en inrichtingen afhangende van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalde regelen treffen in verband met een afzonderlijk beheer, het houden van inventarissen en de boekhouding. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  (§ 2. Het ziekenhuis dat van een O.C.M.W. afhangt, wordt beheerd door een beheerscomité dat van rechtswege voorgezeten wordt door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of door het raadslid dat hem vervangt.  Het beheerscomité bestaat uit de voorzitter en uit vijf leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Het wijst onder zijn leden een vice-voorzitter aan wiens bevoegdheden in het huishoudelijk reglement vastgelegd zijn. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.  De secretaris van het centrum, de directeur van het ziekenhuis, de hoofdgeneesheer, het hoofd van de verpleegafdeling, de penningmeester en de rekenplichtige hebben zitting met raadgevende stem binnen het beheerscomité.  De burgemeester of het door hem aangewezen lid van het college en een persoon die door het (gemeentelijk college) aangewezen wordt op grond van zijn bevoegdheden inzake ziekenhuisbeheer, wonen de zittingen van het beheerscomité bij met raadgevende stem. <DWG 2005-12-08/43, art. 15; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  Het beheerscomité kan andere al dan niet in het ziekenhuis tewerkgestelde personen oproepen voor vergaderingen om gehoord te worden als deskundigen inzake bepaalde aangelegenheden. Zij moeten de zaal verlaten vóór iedere stemming of vooraleer het comité een beslissing neemt.  Voor de verkiezing van de leden van het vast bureau worden de leden van het beheerscomité door de raad aangewezen overeenkomstig de regels van artikel 27, § 3, vierde, vijfde, zesde en zevende lid.  De opdracht tot ondertekening van de voorzitter wordt mutatis mutandis geregeld bij artikel 28, § 2, tweede lid, van de wet.) <DWG 1998-04-02/40, art. 25; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  (§ 3. Het beheerscomité van het ziekenhuis regelt alles wat het ziekenhuis betreft, behalve de volgende aangelegenheden die door de raad voor maatschappelijk welzijn geregeld worden :  - de begroting en begrotingswijzigingen;  - de rekeningen;  - het uitwerken van een beheersplan voor het ziekenhuis;  - de personeelsformatie, het administratief en geldelijk statuut van het ziekenhuispersoneel;  - het arbeidsreglement dat van toepassing is op het contractuele personeel van het ziekenhuis;  - de vaste benoeming, de bevordering, de tuchtstraffen en het in disponibiliteit stellen van het ziekenhuispersoneel;  - het algemeen reglement tot regeling van de juridische betrekkingen tussen het ziekenhuis en de geneesheren;  - de werving bij arbeidsovereenkomst of het ontslag van de personeelsleden die met raadgevende stem zitting hebben binnen het beheerscomité;  - de toetreding tot een vereniging, zoals bepaald in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 augustus 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, of tot een intercommunale;  - de oprichting van nieuwe diensten en de uitbreiding van bestaande structuren in het kader van het ziekenhuis;  - de vervreemding en de aankoop van onroerende goederen;  - het instellen van een beroep bij de Raad van State en de rechtbanken;  - de onteigeningen;  - de giften en legaten;  - de oprichting van en de toetreding tot een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig artikel 79, § 3;  - de rechtstreekse of onrechtstreekse overdracht van ziekenhuisactiviteiten en de aankoop of overdracht van ziekenhuisbedden;  - [1 de aanwijzing van een bijzondere financieel directeur voor het ziekenhuis.;  - [1 ....  Onder voorbehoud van artikel 88, § 1, kan de raad voor maatschappelijk welzijn de in het eerste lid bedoelde beslissingen slechts nemen na advies van het beheerscomité van het ziekenhuis.  Indien het beheerscomité geen advies heeft uitgebracht binnen twee maanden na de dag waarop het dossier heeft ontvangen, kan de procedure zonder zijn advies worden voortgezet.  De raad voor maatschappelijk welzijn moet zich uitspreken binnen één maand na de betekening van het advies van het beheerscomité. Bij gebreke hiervan kan het beheerscomité van het ziekenhuis de plaats innemen van de raad voor maatschappelijk welzijn om de beslissing te nemen waarover het een advies heeft uitgebracht.) <DWG 1998-04-02/40, art. 25; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  (§ 4. De directeur van het ziekenhuis behandelt de zaken, leidt de bestuurstaken, neemt het dagelijks beheer van het ziekenhuis waar en bewaart de archieven ervan onder het toezicht van het beheerscomité. De directeur is het hoofd van het ziekenhuispersoneel, onverminderd het feit dat de secretaris bevoegd blijft om de dossiers te behandelen die onder de bevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn vallen.  De directeur moet de notulen van de vergaderingen van het beheerscomité van het ziekenhuis opmaken. Hij is verantwoordelijk voor de opneming van deze notulen en van de beraadslagingen van het beheerscomité in de daarvoor bestemde registers.  De notulen en beraadslagingen worden door de voorzitter en de directeur ondertekend.  De directeur is verantwoordelijk voor zijn handelingen ten overstaan van het beheerscomité.  Ten gevolge van de beslissing tot betaalbaarstelling of invordering door het bevoegde orgaan laat de directeur de bevelschriften tot betaling alsmede de invorderingsstaten opmaken. Zij worden door de voorzitter en de directeur ondertekend. De directeur maakt de voorontwerpen van de begroting van het ziekenhuis op.  De directeur moet zich richten naar de voorschriften die hem door de voorzitter en de raad voor maatschappelijk welzijn of het beheerscomité worden opgelegd naar gelang van hun respectievelijke bevoegdheden.  De directeur handelt in nauwe samenwerking met de verantwoordelijken voor de verschillende aspecten van de ziekenhuisactiviteiten, alsmede met de verantwoordelijken voor de activiteiten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.  Het beheerscomité kan welbepaalde bevoegdheden opdragen aan de directeur en aan de personen die het belast heeft met het algemeen en dagelijks bestuur van het ziekenhuis. Deze overdracht van bevoegdheden kan echter ieder ogenblik geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.  De directeur van het ziekenhuis kan zijn ondertekening opdragen met de goedkeuring van het beheerscomité.  Voor de handelingen van de overheid waaraan het beheerscomité machtiging heeft verleend, is de beslissing rechtstreeks onderworpen aan de beoordeling van dezelfde toezichthoudende overheden, zoals dat het geval zou zijn geweest indien het beheerscomité zelf een beslissing daarover had genomen.) <DWG 1998-04-02/40, art. 25; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  § 4bis. (...) <DWG 1998-04-02/40, art. 25; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  § 5. [2 Behoudens aanwijzing van een bijzondere financieel directeur door de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt de functie van schatbewaarder van het ziekenhuis uitgoefend door de financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.   De ontvangsten en uitgaven van het ziekenhuis worden verricht door de schatbewaarder, die de rekeningen moet verantwoorden bij het beheerscomité van het ziekenhuis.   Wat de activiteiten in het ziekenhuis betreft, staat de schatbewaarder onder het gezag van het beheerscomité, met inachtneming van de wetsbepalingen betreffende zijn aansprakelijkheid.   De bepalingen die op de financieel directeur toepasselijk zijn wat betreft zijn vervanging in geval van afwezigheid, de eindebeheersrekening en het kastekort alsook de artikelen 92 en 115 zijn toepasselijk op de schatbewaarder.   De boeken van het ziekenhuis worden gehouden door een speciaal daartoe aangewezen boekhouder. Hij houdt zich aan de richtlijnen van de directeur.  (§ 6. Een afschrift van iedere beslissing van het beheerscomité, van de directeur van het ziekenhuis of de gemachtigde diensthoofden wordt binnen vijftien dagen na goedkeuring ervan aan de raad voor maatschappelijk welzijn overgemaakt.) <DWG 1998-04-02/40, art. 25; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  § 7. De (Regering) kan voor het beheer van de ziekenhuizen die afhangen van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet een gelijkaardige regeling uitwerken als voor de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  (§ 8. Het in paragraaf 2 bedoelde beheerscomité beheert eveneens, overeenkomstig de paragrafen 3 tot en met 6, het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt omgeschakeld tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging. In dit geval worden de boekhouding, de thesaurie, de begroting en de rekeningen, alsook het personeelskader van deze verblijfsdienst, gescheiden gehouden van die van het ziekenhuis.) <KBN430 1986-08-05/31, art. 4, 2°, 006>  (§ 9. Het beheer van het ziekenhuis dat van een O.C.M.W. afhangt, kan het voorwerp uitmaken van een beheersovereenkomst die door het centrum en de gemeente gesloten wordt na overleg met het beheerscomité en na advies van de medische raad en van het vakbondsoverlegcomité.  De beheersovereenkomst wordt gesloten voor de duur van de uitoefening van de mandaten van de adviseurs voor maatschappelijk welzijn ten gevolge van de volledige hernieuwing van de raad. Ze kan gewijzigd worden volgens dezelfde procedure als die voor haar goedkeuring.  De beheersovereenkomst bepaalt :  a. de van het ziekenhuis verwachte opdrachten en de taken die het vervult in het kader van zijn openbare opdrachten zonder te mogen afwijken van de opdrachten die het moet vervullen krachtens de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;  b. de voorschriften voor de uitoefening van een betaalbare geneeskunde van hoog niveau, met inbegrip van de perken van eventuele tarifering van de verleende diensten, ten behoeve van iedereen, ongeacht het inkomstenniveau, de verzekeringsmogelijkheden, de herkomst en filosofische opvattingen;  c. de wijze waarop de patiënten in kennis gesteld worden van de toegepaste prijzen en de waarborg voor de inachtneming ervan;  d. de budgettaire doelstellingen;  e. de organisatie van de diensten die samenwerken met de andere diensten van het O.C.M.W. en/of van de gemeente;  f. de te halen doelstellingen inzake het financiële evenwicht en de aanvullende voorschriften om het O.C.M.W. en de gemeente op de hoogte te houden van de begroting en de rekeningen van het ziekenhuis;  g. de voorschriften om het in acht te nemen.) <DWG 1998-04-02/40, art. 25; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  (§ 10. De begroting van het ziekenhuis moet sluitend zijn. Bij gebreke hiervan moet het ziekenhuis uiterlijk binnen zes maanden na de goedkeuring van zijn begroting door de gemeenteoverheid aan een beheersplan onderworpen worden.  Het beheersplan wordt na advies van het beheerscomité door de raad voor maatschappelijk welzijn opgemaakt en door de gemeenteraad goedgekeurd. Het voorziet in de maatregelen die het ziekenhuis moet treffen om het financiële evenwicht te bereiken of te handhaven, met inbegrip van de maatregelen voor de controle en het toezicht op de goede uitvoering ervan.  Binnen de door de Regering bepaalde perken kan de gemeenteraad de raad voor maatschappelijk welzijn bij een met redenen omklede beslissing vrijstellen van het opmaken van een dergelijk plan.  Indien de gemeente verzoekt om de tussenkomst van het "Centre régional d'aide aux communes" (Gewestelijk Hulpcentrum voor Gemeenten), wordt het beheersplan opgemaakt onder de door de Regering bepaalde voorwaarden. Het wordt door de gemeenteraad en de Regering goedgekeurd. Iedere wijziging in het beheersplan wordt aan dezelfde procedure onderworpen.  Als het vereiste beheersplan niet wordt vastgelegd, goedgekeurd of uitgevoerd binnen de door de Regering bepaalde termijn, kan deze er één opleggen. In dit geval mogen de raad voor maatschappelijk welzijn en het beheerscomité van het ziekenhuis bijgestaan worden door een ziekenhuisdeskundige die door de Regering wordt aangewezen op grond van de door haar bepaalde voorwaarden en kwalificaties.) <DWG 1998-04-02/40, art. 25; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  ----------  <DWG 2013-04-18/20, art. 15, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   <DWG 2013-04-18/20, art. 16, 019; Inwerkingtreding : 01-09-2013>   Art. 95. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen beslissen hun niet-bebouwde onroerende goederen hetzij aan een afzonderlijk eigen beheer te ontwerpen hetzij het beheer ervan toe te vertrouwen aan het bedrijf dat de gronden beheert van de gemeente, zetel van het centrum.  Art. 96. <W 1992-08-05/46, art. 52; Inwerkingtreding : 18-10-1992> Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan een bijzondere ontvanger benoemen voor diensten en inrichtingen met afzonderlijk beheer. De bepalingen van artikel 46 (en in voorkomend geval 94, § 5,) zijn op hem van toepassing. <DWG 1998-04-02/40, art. 26; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  Afdeling 4. [1 - Verscheidene bepalingen inzake bestuur en transparantie  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 19, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>      Art. 96/1. [1 § 1. De niet-nakoming van een in deze wet bedoelde onverenigbaarheid, verbod of verhindering door de titularis van een mandaat van raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn of van voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan het verval van al zijn oorspronkelijke mandaten tot gevolg hebben.   § 2. Na afloop van de procedure bepaald in paragraaf 3 kan de Regering het verval vaststellen indien de betrokken persoon na ingebrekestelling de onverenigbaarheid, het verbod of de verhindering bedoeld in paragraaf 1 niet nakomt.   § 3. De Regering deelt aan betrokkene per aangetekend schrijven een kennisgeving mee van de feiten die het verval kunnen inhouden.   Ten vroegste twintig dagen na het overmaken van de kennisgeving en na de betrokken persoon, eventueel bijgestaan door een raadsman van haar keuze, te hebben gehoord als zij daarom heeft verzocht binnen een termijn van acht dagen te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving, kan de Regering in een gemotiveerde beslissing het verval vaststellen.   De beslissing van de Regering wordt binnen een termijn van hoogstens één maand na afloop van de procedure bepaald in leden 1 en 2 genomen.   Van die beslissing wordt door toedoen van de Regering kennis gegeven aan de betrokken persoon en aan het orgaan waarin zij haar oorspronkelijke en afgeleide mandaten uitoefent.   Er kan op grond van artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een beroep tegen die beslissing worden ingediend. Het moet ingesteld worden binnen de vijftien dagen na de kennisgeving ervan.   Als de betrokkene, na de kennisgeving bedoeld in paragraaf 3, lid 3, te hebben ontvangen, zijn bediening blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met de straffen bepaald in artikel 262 van het Strafwetboek.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 20, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>      Art. 96/2. [1 § 1. De Regering stelt een register op van de lokale en bovenlokale instellingen waarin gezamenlijk de gemeenten, de provincies, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de intercommunales, de autonome gemeente- of provinciebedrijven, de projectverenigingen, de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de openbare huisvestingsmaatschappijen, elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan één of meerdere voornoemde overheden lid zijn, van de openbare mandaten en de daarvoor aangewezen mandatarissen en de titularissen van de lokale leidinggevende functie.   Dit register wordt opgemaakt op basis van de gegevens aan de Regering of diens afgevaardigde overgemaakt door een institutionele informatieverstrekker onder diens verantwoordelijkheid.   De Regering bepaalt de te verstrekken gegevens, de modaliteiten voor de overmaking en de bekendmaking van de ingezamelde gegevens.   § 2. De institutionele informatieverstrekkers zijn de volgende personen :   1° voor de OCMW's en de vzw's waaraan zij deelnemen, de directeur-generaal van het OCMW of diens afgevaardigde;   2° voor de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet, de titularis van de lokale leidinggevende functie of diens afgevaardigde of, bij gebreke daarvan, de voorzitter van het voornaamste beheersorgaan.   § 3. De institutionele informatieverstrekker bedoeld in paragraaf 2, 1°, van dit artikel maakt onder diens verantwoordelijkheid uiterlijk binnen vijftien dagen na de installatie van de van de raadsleden van raad voor maatschappelijk welzijn na de verkiezingen, volgende gegevens over : de lijst van diens interne instellingen evenals de identiteit van de mandatarissen, met inbegrip van hun rijksregisternummer, en de identificatie van de politieke fractie die ze vertegenwoordigen.   § 4. De institutionele informatieverstrekker bedoeld in paragraaf 2, 1°, van dit artikel maakt onder diens verantwoordelijkheid uiterlijk op 1 december van het jaar na de installatie van de raadsleden van de raad voor maatschappelijk welzijn na de verkiezingen, volgende gegevens over :   1° de lijst van de instellingen bedoeld in paragraaf 1 waarbij het OCMW aangesloten is;   2° de identiteit van de aangewezen mandatarissen of niet-verkozenen, met inbegrip van hun rijksregisternummer.   3° de identiteit van de titularis van de lokale leidinggevende functie, met inbegrip van diens rijksregisternummer.   Deze informatie bevat de gegevens betreffende het begrotingsjaar van het voorafgaand jaar.   § 5. De institutionele informatieverstrekker bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2°, maakt onder diens verantwoordelijkheid bij elke wijziging volgende gegevens continu en onverwijld over :   1° de lijst van de aangesloten OCMW's en andere aangesloten leden, de lijst van diens beslissings- of overlegorganen alsook hun bevoegdheden;   2° de naam van de leden van deze organen en of ze een OCMW of een andere openbare instelling vertegenwoordigen;   de lijst van diens interne instellingen evenals de identiteit van de mandatarissen, met inbegrip van hun rijksregisternummer, en de identificatie van de politieke fractie die ze vertegenwoordigen;   4° de lijst van de instellingen bedoeld in paragraaf 1 waarbij het OCMW aangesloten is;   5° de identiteit van de aangewezen mandatarissen of niet-verkozenen, met inbegrip van hun rijksregisternummer.   6° de identiteit van de titularis van de lokale leidinggevende functie, met inbegrip van diens rijksregisternummer;   7° in voorkomend geval, de lijst van de stichtingen van openbaar nut die de instelling bedoeld in § 1 subsidieert en de omvang van de toegekende subsidies, evenals de identiteit van de lokale leidinggevende ambtenaar met inbegrip van diens rijksregisternummer.   § 6. De institutionele informatieverstrekker bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2°, van dit artikel maakt een lijst op van de verkozen en niet-verkozen personen die zijn instelling op gelijk welke wijze vertegenwoordigen, evenals van de titularissen van de lokale leidinggevende functie, en die aan het vijfde deel van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie onderworpen zijn, en licht hen uiterlijk op 30 april van elk jaar in over hun verplichtingen. De Regering of het controleorgaan kan zonder enige voorwaarde de bewijzen van de naleving van deze bepaling aanvragen.   § 7. Indien de bepalingen van paragrafen 2 en 3 van dit artikel niet nageleefd worden, richt de Regering een schrijven aan de institutionele informatieverstrekker waarin hij op zijn plichten gewezen wordt, met inbegrip van een bevel tot overmaking van de vereiste gegevens binnen dertig dagen na de kennisgeving van het schrijven.   § 8. Indien er geen antwoord binnen de termijn is, of indien de verplichting tot overmaking bedoeld in paragraaf 5 niet nageleefd wordt, kan de institutionele informatieverstrekker met een geldboete van honderd tot duizend euro gestraft worden.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 21, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>      Art. 96/3. [1 § 1. Jaarlijks maken het voornaamste beheersorgaan van de vereniging van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet of elke andere bovenlokale instelling of, bij ontstentenis, de raad voor maatschappelijk welzijn een schriftelijk bezoldigingsverslag op met een individueel en nominatief overzicht van het presentiegeld, de bezoldigingen evenals voordelen in natura die in de loop van het voorafgaand boekjaar door de mandatarissen, de niet-verkozen personen en de titularissen van de lokale leidinggevende functie verkregen zijn. Voor mandataris, niet-verkozen persoon, presentiegeld, bezoldiging, voordelen in natura, titularis van de lokale leidinggevende functie wordt verwezen naar de begripsomschrijvingen van artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.   Dit verslag bevat de volgende individuele en nominatieve gegevens :   1° het presentiegeld, eventuele bezoldigingen en elk ander al dan niet geldelijk voordeel rechtstreeks of onrechtstreeks toegekend aan de leden van de bestuursorganen, naar gelang van hun hoedanigheid van bestuurder titularis van een oorspronkelijke mandaat of niet-verkozen, voorzitter of ondervoorzitter, of lid van een beperkt bestuursorgaan, evenals de verantwoording van het bedrag van elke bezoldiging anders dan het presentiegeld in functie van de feitelijke rol van de voorzitter of ondervoorzitter;   2° de bezoldigingen en elk ander mogelijk voordeel, al dan niet geldelijk, rechtstreeks of onrechtstreeks toegekend aan de titularissen van directiefuncties;   3° de lijst van de mandaten vervuld in alle entiteiten waarin de instelling rechtstreekse of onrechtstreekse participaties heeft, evenals de jaarlijkse bezoldiging ontvangen voor al die mandaten;   4° voor de titularis van de lokale leidinggevende functie zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, de lijst van de mandaten vervuld in alle entiteiten waarin de intercommunale rechtstreekse of onrechtstreekse participaties heeft, evenals de jaarlijkse bezoldiging ontvangen voor al die mandaten;   5° de aanwezigheidslijst op de vergaderingen van de verschillende instanties van de instelling en de vermelding van de eventuele verantwoorde afwezigheden.   Dit verslag wordt door het voornaamste bestuursorgaan aangenomen en wordt op de agenda van de algemene vergadering van het eerste semester van elk jaar opgenomen en wordt beraadslaagd. Bij gebreke daarvan mag er geen algemene vergadering gehouden worden. Dit verslag wordt bij het jaarlijks beheersverslag, opgemaakt door de bestuurders, gevoegd.   Dit verslag wordt opgemaakt overeenkomstig het door de Regering vastgestelde model.   § 2. Voor de OCMW's en de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet maakt de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of de voorzitter van de raad van bestuur of van het voornaamste beheersorgaan een afschrift van dat verslag jaarlijks uiterlijk op 1 juli over :   1° aan de Waalse Regering;   2° aan de aangesloten gemeenten en, in voorkomend geval, provincies en OCMW's.   Betreffende 1° deelt de Waalse Regering een samenvatting van de door het Waals Parlement ontvangen verslagen mee en maakt het geheel of een deel van de ontvangen gegevens bekend.   De Waalse Regering bepaalt de modaliteiten van deze bekendmaking.   § 3. Voor iedere andere bovenlokale instelling maakt de titularis van de lokale leidinggevende functie of, bij gebreke daarvan, de voorzitter van het voornaamste bestuursorgaan een afschrift van dat verslag uiterlijk op 1 juli van ieder jaar aan de aangesloten gemeenten en, in voorkomend geval, aan de provincies en OCMW's over.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 22, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>      Art. 96/4.[1 § 1. Dit artikel is van toepassing op de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet of elke andere bovenlokale instelling.   § 2. Het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat door OCMW aangewezen wordt om hem binnen de raad van bestuur, of bij gebreke daarvan, binnen het voornaamste bestuursorgaan, te vertegenwoordigen, [3 kan jaarlijks een schriftelijk verslag opstellenbetreffende de activiteiten van de structuur en de uitoefening van diens mandaat evenals de manier waarop het diens bevoegdheden kon ontwikkelen en bijwerken.   Als het OCMW over verschillende vertegenwoordigers in dezelfde instelling beschikt, kunnen die een gemeenschappelijk verslag opstellen.   Het verslag of de verslagen bedoeld in lid 1 of lid 2 worden aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorgelegd. Die worden door hun auteur voorgelegd en tijdens een openbare zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn besproken.   Het bovenvermeld raadslid kan een schriftelijk verslag aan de raad overmaken telkens als hij het nuttig acht [3 en brengt verslag uit over elke beslissing of handeling van de structuur die niet waarborgt dat het algemeen belang of het belang van het OCMW, de wettigheid en de doelstellingen van de structuur worden geëerbiedigd. Het raadslid, of een van de raadsleden als er binnen de structuur meerdere raadsleden zijn benoemd, dient zijn verslag zo spoedig mogelijk in bij de gemeenteraad, samen met eventuele opmerkingen.   De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de modaliteiten voor de toepassing van deze paragraaf in zijn huishoudelijk reglement.   Voor de graden die geen kandidaat voorgedragen hebben of waarvan de voorgedragen kandidaat niet benoemd is, [3 kande voorzitter van het voornaamste bestuursorgaan een verslag in dezelfde omstandigheden [3 opstellen. Het wordt door bovenvermelde voorzitter of diens afgevaardigde voorgelegd en tijdens een openbare zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn besproken.   § 3. De budgetten, rekeningen en beraadslagingen van de bestuurs- en controleorganen kunnen door raadsleden van de raad voor maatschappelijk welzijn die er lid van zijn op de zetel van de instelling bedoeld in paragraaf 1 geraadpleegd worden, onverminderd de decretale bepalingen inzake openbaarheid van bestuur.   Het raadslid dat de documenten bedoeld in lid 1 raadpleegt mag enkel de gegevens gebruiken waarvan hij kennis genomen heeft via de documenten die hij kon raadplegen in het kader van de uitoefening van zijn mandaat als raadslid en in het kader van zijn betrekkingen met de toezichtsoverheid. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de mogelijkheid tot rechtsvervolgingen tegenover de raadsleden wegens schending van het beroepsgeheim overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.   De raadsleden verkozen op lijsten van politieke formaties die de beginselen van de democratie niet in acht nemen, die met name verwoord zijn door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door de aanvullende protocollen bij dit verdrag die van kracht in België zijn, door de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en door de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, kunnen geen aanspraak maken op het voordeel van het inzagerecht en recht op mededeling bedoeld in leden 1 tot 3.   Elk raadslid dat deze rechten heeft uitgeoefend kan een schriftelijk verslag uitbrengen aan de gemeenteraad.   De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de modaliteiten voor de toepassing van deze paragraaf in zijn huishoudelijk reglement.   § 4. De vergaderingen van de raad van bestuur of, bij gebreke daarvan, van het voornaamste bestuursorgaan, zijn niet openbaar.   § 5. Behalve indien het gaat om personen, agendapunten die de persoonlijke levensfeer niet in acht zouden nemen, thema's van strategische aard die met name het zakengeheim inhouden evenals economische beslissingen die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor de concurrentie van de instelling in het uitvoeren [2 van haar doel, kunnen de uitvoerige processen-verbaal en agenda's, aangevuld met het verslag over de stemming van de leden en met alle documenten waarop de processen-verbaal en agenda's betrekking hebben, ten zetel van de instelling, geraadpleegd worden door de raadsleden van de raad voor maatschappelijk welzijn van de aangesloten OCMW's, onverminderd de decretale bepalingen inzake openbaarheid van bestuur.   Het raadslid dat de documenten bedoeld in lid 2 raadpleegt mag enkel de gegevens gebruiken waarvan hij kennis genomen heeft via de documenten die hij kon raadplegen in het kader van de uitoefening van zijn mandaat als raadslid en in het kader van zijn betrekkingen met de toezichtsoverheid.   Deze bepaling doet geen afbreuk aan de mogelijkheid tot rechtsvervolgingen tegenover de raadsleden wegens schending van het beroepsgeheim overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.   De raadsleden verkozen op lijsten van politieke formaties die de beginselen van de democratie niet in acht nemen, die met name verwoord zijn door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door de aanvullende protocollen bij dit verdrag die van kracht in België zijn, door de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en door de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, kunnen geen aanspraak maken op het voordeel van het inzagerecht en recht op mededeling bedoeld in leden 1 tot 3.   Elk raadslid dat deze rechten heeft uitgeoefend kan een schriftelijk verslag uitbrengen aan de gemeenteraad.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 23, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   <DWG 2023-04-06/05, art. 5, 045; Inwerkingtreding : 21-10-2023>   <DWG 2024-03-28/63, art. 40, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 96/5. [1 Elke vereniging van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet of iedere andere bovenlokale instelling maakt op haar eigen website of op de website van de gemeente waarin haar maatschappelijke zetel gevestigd is, volgende informatie bekend :   1° een overzicht van de bestaansreden en de opdrachten van de instelling;   2° de lijst van de aangesloten OCMW's en andere aangesloten leden, de lijst van haar beslissings- of overlegorganen alsook hun bevoegdheden;   3° de naam van de leden van deze organen en of ze een OCMW of een andere openbare instelling vertegenwoordigen;   4° het organogram van de instelling en de identiteit van de titularis van de lokale leidinggevende functie of, bij ontstentenis, van de Directeur-generaal van de raad voor maatschappelijk welzijn;   5° de participaties gehouden in andere structuren of instellingen;   6° het percentage deelname op jaarbasis aan de vergaderingen van de bestuursorganen, rekening houdend met de gewettigde afwezigheden;   7° de barema's die van toepassing zijn op de bezoldigingen, de leidinggevende functies en de mandatarissen.   Elk OCMW maakt op zijn eigen website of op de website van de gemeente waarin zijn maatschappelijke zetel gevestigd is, volgende informatie bekend :   1° de lijst van diens interne instellingen evenals de identiteit van de mandatarissen en de identificatie van de politieke fractie die ze vertegenwoordigen;   2° de lijst van de instellingen bedoeld in paragraaf 1 waarbij het OCMW aangesloten is;   3° de identiteit van de aangewezen mandatarissen of niet-verkozenen;   4° de link naar de website van de betrokken instelling.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 24, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>      Art. 96/6. [1 § 1. De contractuele of statutaire personeelsleden van de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet of andere bovenlokale instellingen mogen geen presentiegeld, bezoldiging of andere voordelen ontvangen wegens hun deelname aan de vergaderingen van organen van de instelling.   Presentiegeld, bezoldigingen of andere voordelen die ze moeten ontvangen wegens hun deelname aan de vergaderingen van organen binnen entiteiten waarin ze als gevolg van een uitdrukkelijke aanstelling of van de vertegenwoordiging van hun instelling zetelen, dienen rechtstreeks te worden gestort aan de instelling die hen aangewezen heeft of die ze vertegenwoordigen.   § 2. De lokale leidinggevende functie, zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, mag noch via een managementvennootschap of een tussenvennootschap noch als zelfstandige uitgeoefend worden.   § 3. De titularis van de lokale leidinggevende functie die een bedrag zou ontvangen voor het verlenen van een dienst toevertrouwd aan de vereniging waar hij tewerkgesteld is, stort die vergoeding of bezoldiging aan diezelfde vereniging terug.   § 4. Indien de titularis van de lokale leidinggevende functie zijn functies in het kader van een arbeidsovereenkomst uitoefent, kan een concurrentiebeding worden ingevoegd vóór het einde van de contractuele relaties of op het ogenblik van de verbreking met inachtneming van de voorwaarden bepaald bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met name met het oog op de activiteit van de betrokken instelling.   Een overeenkomst van concurrentiebeding kan worden afgesloten na afloop van de contractuele relaties met het oog op de activiteit van de betrokken instelling.   Het concurrentiebeding is hoe dan ook voor een periode van maximaal zes maanden voorzien. De vergoeding ontvangen in dat opzicht is niet hoger dan de basisbezoldiging voor de helft van de voorziene periode van concurrentiebeding.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 25, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>      Art. 96/7.[1 Het bestuursorgaan van elke instelling waarin een titularis van een afgeleid mandaat in de zin van artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie zetelt, kan die afzetten of diens afzetting aan het bevoegd orgaan overeenkomstig een decreet of de statuten voorstellen, nadat die gehoord te hebben, indien hij :   1° opzettelijk een handeling heeft begaan die onverenigbaar is met de opdracht [2 of het doel van de instelling;   2° in de uitoefening van zijn mandaat een fout of een ernstige nalatigheid heeft begaan;   3° in de loop van eenzelfde jaar zonder verantwoording afwezig is gebleven op drie gewone en regelmatig bijeengeroepen vergaderingen van het bestuursorgaan van de instelling;   4° een persoon is die lid is van of sympathiseert met elke instelling, partij, vereniging of rechtspersoon ongeacht welke ze zijn, die de democratische beginselen van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, van de aanvullende protocollen bij dat Verdrag die in België gelden, de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, en de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, niet naleeft.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 26, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   <DWG 2023-04-06/05, art. 6, 045; Inwerkingtreding : 21-10-2023>   Art. 96/8. [1 De terbeschikkingstelling door een instelling van steun, instrumenten en materie die nodig zijn voor de uitoefening van het werk eigen aan de uitoefening van het mandaat van een mandataris, en die enkel voor professionele doeleinden gebruikt zouden worden, is voor de betrokken mandataris geen voordeel in natura noch een gemaakte kost die tot een terugbetaling zouden kunnen leiden.   In de zin van dit artikel omvat het begrip instelling de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de projectverenigingen en de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.   § 2. De terugbetaling van kosten op een forfaitaire basis is verboden. Enkel de kosten werkelijk gemaakt door een mandataris in de uitoefening van zijn mandaat voor de instelling worden toegelaten.   De Regering bepaalt de lijst van de gemaakte kosten die terugbetaald kunnen worden evenals de modaliteiten voor het toekennen van een terugbetaling.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 27, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>      HOOFDSTUK VII. - Terugbetaling door partikulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening.  Art. 97. (Voor de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk VII dient onder "kosten van de maatschappelijke dienstverlening" te worden verstaan :  1. de betalingen in speciën;  2. de kosten van de in natura verleende hulp;  3. de kosten van hospitalisatie;  4. de kosten van huisvesting met inbegrip van die welke gemaakt zijn in de inrichtingen van het centrum;  5. de kosten berekend volgens vooraf vastgestelde algemene tarieven.) <KBN244 1983-12-31/57, art. 7,002>  Zijn uitgesloten de administratie- en onderzoekskosten, alsmede de kosten van de prestaties van het centrum bedoeld door artikel 60, § 1, 2 en 4.  (Het voorgaande lid heeft geen toepassing op de door een OCMW, bij toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, gemaakte kosten inzake schuldbemiddeling.) <W 1998-07-05/57, art. 18; Inwerkingtreding : 01-01-1999>  Art. 98.<KBN244 1983-12-31/57, art. 8, 002>  § 1. Onverminderd de toepassing van andere wettelijke en reglementaire bepalingen, bepaalt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, rekening houdend met de inkomsten van de betrokkene, de bijdrage van de begunstigde in de kosten van de maatschappelijke dienstverlening.  (Deze laatste heeft in ieder geval het recht op een zakgeld, waarvan het bedrag door het centrum wordt vastgesteld.) <W 1992-08-05/46, art. 53; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  [1 Wanneer de maatschappelijke dienstverlening wordt verstrekt in de vorm van betaling van de kosten van het verblijf in een rusthuis en de begunstigde bijdraagt in deze kosten overeenkomstig het eerste lid, bedraagt het zakgeld ten minste 900 euro per jaar, uitbetaald in maandelijkse schijven. Die betaling kan echter ook in wekelijkse schijven gebeuren ingevolge een beslissing van het OCMW op basis van een beoordeling in concreto dan wel indien de begunstigde of, in voorkomend geval diens voorlopige bewindvoerder, daar schriftelijk om verzoekt. Dit bedrag kan bij koninklijk besluit worden opgetrokken en wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.  ((NOTA van Justel : onderstaande alinea komt niet voor in de coördinatie verschaft door het Waalse Gewest, Internetsite Wallex.) De Koning bepaalt welke kosten in geen geval op dit zakgeld mogen worden aangerekend. Hij bepaalt eveneens het statuut van het zakgeld, in het bijzonder bij niet aanwending in geval van overlijden.) <W 2003-05-03/40, art. 2; Inwerkingtreding : 26-05-2003>  In geval van vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte vanwege de begunstigde, vordert het centrum het geheel van die kosten terug, ongeacht de financiële toestand van de betrokkene.  § 2. De kosten van de maatschappelijke dienstverlening worden eveneens krachtens een eigen recht door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verhaald :  - op degenen die aansprakelijk zijn voor de verwonding of ziekte die het verstrekken van de hulpverlening noodzakelijk heeft gemaakt; wanneer de verwonding of ziekte het gevolg is van een misdrijf, kan de vordering tezelfdertijd en voor dezelfde rechters als de publieke vordering worden ingesteld;  - op de onderhoudsplichten van de begunstigde tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn voor de verstrekte hulp.  (§ 3. In afwijking van § 2 kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn algemeen afzien van het verhalen van de maatschappelijke dienstverlening verleend aan personen die ten laste zijn genomen in instellingen, waar bejaarden worden gehuisvest, op de onderhoudsplichtigen, met de goedkeuring van de gemeentelijke overheid.) <W 2004-07-09/30, art. 101; Inwerkingtreding : 25-07-2004>  (Ingeval van toepassing van het eerste lid, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uitzonderlijk toch de maatschappelijke dienstverlening op de onderhoudsplichtigen verhalen, wanneer het patrimonium van de persoon die deze hulp geniet opzettelijk in aanzienlijke mate is verminderd tijdens de vijf laatste jaren vóór de aanvang van de maatschappelijke hulp (of tijdens de maatschappelijke hulp).) <W 2005-12-23/31, art. 78; Inwerkingtreding : 09-01-2006> <W 2006-10-26/48, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 09-04-2007>  ----------  <W 2021-11-26/06, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 20-12-2021>   Art. 99. § 1. (Wanneer een persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem hulp werd verleend door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vordert dit laatste de kosten van de hulpverlening van hem terug tot beloop van het bedrag van de bovenbedoelde inkomsten, rekening houdende met de vrijgestelde minima.) <KBN244 1983-12-31/57, art. 9, 002>  § 2. Met afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, treedt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat een voorschot toekent op een pensioen of op enige andere sociale uitkering, van rechtswege en tot het bedrag van dat voorschot, in de rechten op de achterstallen die de gerechtigde kan doen gelden.  Art. 100. <KBN244 1983-12-31/57, art. 10, 002> (§ 1.) Elke materiële individuele dienstverlening ten voordele van een begunstigde die roerende of onroerende goederen nalaat, geeft aanleiding tot een vordering tot verhaal op zijn erfgenamen of legatarissen, van de daaraan verbonden kosten door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gemaakt gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, of een gedeelte ervan, maar slechts ten belope van het actief van de nalatenschap. <W 1992-08-05/46, art. 54; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  (§ 2. De roerende goederen, zoals onder meer contant geld, juwelen en andere voorwerpen, meegebracht door de zieken en door de kostgangers overleden in de instellingen van het centrum en die er geheel of gedeeltelijk ten laste van het centrum verzorgd of gehuisvest waren, worden door het centrum bewaard gedurende drie jaar te rekenen vanaf het overlijden.  § 3. De erfgenamen en legatarissen van de zieken en kostgangers waarvan de verzorgings- en onderhoudskosten werden vereffend kunnen hun rechten laten gelden op alle zaken bedoeld in § 2.  § 4. Bij gebreke van erfgerechtigden, of indien de zaken bedoeld in § 2, meegebracht naar het centrum, niet werden teruggevraagd binnen de termijn van drie jaar na het overlijden, behoren deze goederen van rechtswege het centrum toe.  Dezelfde roerende goederen nagelaten door een overleden persoon, voor wiens rekening het centrum opdracht heeft gekregen van de vrederechter om de gehuurde plaatsen te ontruimen die deze bewoonde voor zijn overlijden, behoren, nadat voornoemde termijn verstreken is, het centrum toe.) <W 1992-08-05/46, art. 54; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  Art. 100bis. <KBN244 1983-12-31/57, art. 11, 002>  § 1. De Koning kan regels en voorwaarden vaststellen betreffende :  a) de berekening van de kosten van de maatschappelijke dienstverlenging bedoeld onder 2°, 4° en 5°, van artikel 97;  b) het bepalen van de bijdrage van de begunstigde zoals bedoeld in artikel 98, § 1;  c) (het verhaal op de begunstigde, de onderhoudsplichtigen of op zijn debiteurs zoals bepaald in artikel 98, §§ 2 en 4, en artikel 99, § 1.) <W 2005-12-23/31, art. 79; Inwerkingtreding : 09-01-2006>  § 2. (Onverminderd artikel 98, § 3, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts afzien van het bepalen van de bijdrage van de begunstigde, van de terugvordering of het verhaal bedoeld in de artikelen 98, §§ 1 en 2, 99 en 100, bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing worden vermeld.) <W 2004-07-09/30, art. 102; Inwerkingtreding : 25-07-2004>  Het openbaar centrum moet niet optreden wanneer de kosten of inspanningen hieraan verbonden niet opwegen tegen het verwachte resultaat.  Art. 101.De terugbetaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening kan gewaarborgd worden door een wettelijke hypotheek op al de voor hypotheek vatbare goederen die aan de begunstigde van de dienstverlening toebehoren of van zijn nalatenschap afhangen.  Deze hypotheek heeft slechts gevolg vanaf de dag van haar inschrijving.  Ten opzichte van de erfgenamen of legatarissen van de begunstigde, die tot betaling van de schuldvordering gehouden zijn, kan deze hypotheek ten alle tijde geldig ingeschreven worden. Onverminderd de bepalingen van artikel 112 van de hypothecaire wet van 16 december 1851, wordt de inschrijving, wanneer ze binnen drie maanden na het overlijden gevorderd wordt, onder de naam van de overledene genomen, zonder dat de erfgenamen of legatarissen nader moeten bepaald worden in de borderellen die aan de hypotheekbewaarder dienen te worden overgelegd. In dit geval wordt de overledene door zijn naam, voornamen en door de data en plaatsen van zijn geboorte en overlijden aangeduid.  (Behalve wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat geen inschrijving van de wettelijke hypotheek dient te geschieden, wordt die inschrijving door de [1 financieel directeur of gewestelijke ontvangervan het centrum gevorderd voor het door hem te bepalen bedrag; de onroerende goederen waarop de inschrijving wordt gevorderd, worden in de borderellen individueel aangewezen door de vermelding van hun aard, het arrondissement, de gemeente en de plaats waar ze gelegen zijn, alsmede van hun kadastrale aanduiding.  De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd en de rang wordt afgestaan krachtens de toestemming van de hierboven bedoelde [1 financieel directeur of gewestelijke ontvanger. De vordering, te dien einde opgesteld door deze laatste en neergelegd op het kantoor van de hypotheekbewaarder, vormt de authentieke akte bedoeld door de artikelen 92 en 93 van de hypotheekwet van 16 december 1851.  De kosten betreffende de inschrijving, de doorhaling, de vermindering en de rangafstand komen ten laste van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.) <W 1992-08-05/46, art. 55; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  ----------  <DWG 2018-03-29/49, art. 28, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   Art. 102. De vordering tot terugbetaling bedoeld in de artikelen 98 en 99 verjaart overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.  De vordering bedoeld in artikel 98, § 2, laatste lid, verjaart overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van 17 april 1878 houdende voorafgaandelijke titel van het Wetboek van Strafvordering.  (De vordering bedoeld door artikel 100, § 1, verjaart drie jaar na het overlijden van de betrokkene.) <W 1992-08-05/46, art. 56; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  (Deze verjaringen kunnen gestuit worden door een aanmaning gedaan hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs.) <W 1992-08-05/46, art. 56; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  Art. 103. De inkomsten van de goederen en van de kapitalen die toebehoren aan de kinderen, die toevertrouwd zijn aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of onder zijn voogdij staan, kunnen tot het vertrek van die kinderen ten bate van dit centrum geïnd worden tot beloop van de gemaakte kosten.  Art. 104.§ 1. Indien het kind dat aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is toevertrouwd of onder zijn voogdij staat, overlijdt en geen enkele erfgenaam zich aanmeldt, behoren zijn goederen toe aan dit centrum dat daarvan in bezit kan gesteld worden op verzoek van de [1 financieel directeur of gewestelijke ontvangeren op de conclusies van het openbaar ministerie.  Erfgenamen die zich later zouden aanmelden, kunnen slechts de opbrengsten vanaf de dag van hun aanvraag terugvorderen. Deze moet, op straffe van verjaring, ingediend worden binnen (drie) jaar na het overlijden van het kind. <W 1992-08-05/46, art. 57; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  § 2. De erfgenamen die de nalatenschap zouden verkrijgen, moeten het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vergoeden, ten belope van het actief van die nalatenschap, voor de uitgaven waartoe het overleden kind aanleiding heeft gegeven gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, onder voorbehoud van aftrekking van de door het centrum gedurende diezelfde periode ontvangen inkomsten.  De vordering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verjaart (drie) jaar na de datum van het overlijden van het kind. <W 1992-08-05/46, art. 57; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  ----------  <DWG 2018-03-29/49, art. 29, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   HOOFDSTUK VIII. - Financiering.  Art. 105. Na verdeling van het Gemeentefonds onder de gewesten, wordt een deel van het aan elk gewest toegekend fonds, onder de benaming " Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn " omgeslagen over de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het gewest.  (Elke Gewestexecutieve stelt, voor haar Gewest, het percentage vast dat aan het Bijzonder Fonds wordt toegekend. De objectieve normen voor de verdeling ervan worden vastgesteld door :  1° de Executieve van de Vlaamse Gemeenschap voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest;  2° de Executieve van de Franse Gemeenschap, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Waalse Gewest. Wanneer deze gelegen zijn in één van de gemeenten van het Duitse taalgebied, zoals omschreven in artikel 5 van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, worden de objectieve normen voor de verdeling vastgesteld door de Raad van de Duitse cultuurgemeenschap;  3° de bevoegde overheid voor het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in dat gebied gevestigd.) <W 09-08-1980, art. 47>  Art. 106. § 1. Wanneer het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente (...). <W 1992-08-05/46, art. 58; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  § 2. Het verschil bedoeld in voorgaande paragraaf wordt geraamd in de begroting van het centrum.  Een dotatie voor het centrum gelijk aan het bedrag van bovenbedoeld verschil wordt in de uitgaven van de gemeentebegroting ingeschreven.  (lid opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 58; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  De dotatie wordt aan het centrum in maandelijkse schijven uitbetaald.  § 3. (opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 58; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  Art. 107. <DWG 2002-05-30/37, art. 8; Inwerkingtreding : 22-06-2002> In afwijking van de bepalingen van artikel 46, § 1, mogen rechtstreeks gestort worden op de rekeningen die uitsluitend namens het rechthebbende O.C.M.W. geopend zijn bij financiële instellingen die volgens het geval voldoen aan de voorschriften van de artikelen 7, 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen :  1° het bedrag van zijn aandeel in de krachtens de wet of het decreet ingestelde fondsen, ten behoeve van de O.C.M.W.'s;  2° de toelagen, de bijdragen in de uitgaven van het centrum en in het algemeen alle sommen die de Europese Gemeenschap, de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies en de gemeenten om niet verleend aan de centra.  De in het eerste lid bedoelde financiële instelling wordt ertoe gemachtigd het bedrag van de door het centrum jegens haar aangegane schulden ambtshalve in mindering te brengen van het tegoed van de rekeningen die uitsluitend namens het centrum zijn geopend.  HOOFDSTUK IX. - Het administratief toezicht.  Eerste afdeling. <Opschrift van afdeling ingevoegd bij DWG 1998-04-02/40, art. 28; Inwerkingtreding : 08-05-1998> - Algemene bepalingen.  Art. 108. (De Regering) beschikt over een inspectiedienst, die belast is met het toezicht op en de controle van de werking van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de verschillende diensten en inrichtingen die ervan afhangen. <DWG 2005-12-08/43, art. 16; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  Te dien einde hebben de inspecteurs onder meer het recht deze diensten en inrichtingen te bezoeken en, in het algemeen, alle inlichtingen in te winnen die zij nodig hebben om hun taak te vervullen.  Zij verstrekken de centra advies inzake alle vraagstukken die betrekking hebben op het uitvoeren van hun opdracht.  Art. 109.Het (gemeentelijk college) heeft eveneens de opdracht, toezicht en controle uit te oefenen op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. <DWG 2005-12-08/43, art. 15; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  Dit toezicht brengt het recht mede, voor het lid door dit college afgevaardigd, alle inrichtingen te bezoeken, kennis te nemen, ter plaatse zelf, van alle stukken en bescheiden (met uitzondering van de dossiers van individuele hulpverlening en verhaal) en erover te waken dat de centra de wet naleven en niet afwijken van de wilsbeschikking van de schenkers en erflaters betreffende de wettelijk gevestigde lasten. <W 1992-08-05/46, art. 59; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  (Het lid door het college afgevaardigd (, die geen [1 voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijnmag zijn) is tot geheimhouding verplicht.) <W 1992-08-05/46, art. 59; Inwerkingtreding : 18-10-1992> <DWG 2005-12-08/43, art. 14; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  ----------  <DWG 2012-04-26/31, art. 21, 015; Inwerkingtreding : 25-05-2012>   Art. 110.[1 Elk beroep wordt met redenen omkleed en binnen de voorgeschreven termijn ingediend. De dag van ontvangst van het besluit wordt niet meegerekend in de termijn   Elk besluit van de toezichthoudende overheid wordt uitdrukkelijk met redenen omkleed en aan de betrokken autoriteit en, desgevallend, aan de belanghebbenden betekend.   Elke kennisgeving wordt op straffe van nietigheid uiterlijk op de vervaldag van de termijn verstuurd. De Regering kan de kennisgeving langs de elektronische weg organiseren overeenkomstig de modaliteiten die zij bepaalt.  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 11, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 110bis.[1 § 1. De termijn gaat in de dag waarop de toezichthoudende overheid de akte samen met de bewijsstukken in ontvangst neemt.   De dag van ontvangst wordt niet meegerekend in de termijn.   De Regering kan toestaan dat de akte en de desbetreffende bewijsstukken langs de elektronische weg aan de toezichthoudende overheid overgedragen worden overeenkomstig de modaliteiten die zij bepaalt.   § 2. De vervaldag wordt meegerekend in de termijn. Als die dag evenwel een zaterdag, zondag of feestdag is, wordt hij naar de eerstkomende werkdag verschoven.   Onder feestdag in de zin van dit decreet wordt verstaan : 1 januari, Paasmaandag, 1 mei, Hemelvaart, Pinkstermaandag, 21 juli, 15 augustus, 27 september, 1, 2, 11 en 15 november, 25 en 26 december alsook de dagen bepaald bij decreet of besluit van de Regering.   [2 ....  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 12, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2018-10-04/02, art. 7, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2019>   Afdeling 2. [1 Algemeen vernietigingstoezicht op de akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 13, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 111.[1 § 1. De akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die betrekking hebben op de volgende voorwerpen worden samen met de desbetreffende bewijsstukken binnen vijftien dagen na de aanneming ervan aan de provinciegouverneur gericht en mogen niet uitgevoerd worden voordat ze zijn overgedragen :   1° het huishoudelijk reglement van de " Conseil wallon de l'action sociale " (Waalse raad voor sociale actie), alsmede de wijzigingen die erin worden aangebracht;   2° de toekenning van een bezoldiging, presentiegeld of om het even welk voordeel aan de leden van de raad voor sociale actie, het vast bureau en de bijzondere comités;   3° [2 ...   4° [3 voor wat betreft de akten voor overheidsopdrachten:   a. de toekenning van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten met een bedrag, BTW niet meegerekend, hoger dan de bedragen vermeld in onderstaande tabel:   [4    Open procedure Beperkte procedure Mededingingsprocedure met onderhandeling en onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Rechtstreekse onderhandelde procedure met bekendmaking en rechtstreekse onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Onderhandelde procedure zonder bekendmaking en onderhandelde procedure zonder voorafgaandelijke oproep tot mededinging Werken 300.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 150.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND Leveringen en diensten 250.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 40.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND  b. [4 de positieve wijziging van de voorwaarden van deze overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, gecompenseerd door eventuele gelijktijdig goedgekeurde negatieve wijzigingen, waardoor het oorspronkelijke bedrag van de opdracht met ten minste 10% wordt verhoogd;   c. [4 de positieve wijziging van de voorwaarden van deze opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, gecompenseerd door de negatieve wijzigingen die tegelijkertijd bij dezelfde akte zijn goedgekeurd, en waarvan het bedrag, samen met de bedragen van de opeenvolgende positieve wijzigingen, het oorspronkelijke bedrag van de opdracht met ten minste 10% verhoogt;   d. [4 ...   e. de toewijzing, aan een economische deelnemer van een overheidsopdracht voor een lening die al dan niet verband houdt met de uitgifte, de aankoop, de verkoop en de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten waarvan het bedrag van de totale bezoldiging van de dienstverlener de [4 250.000 euro, btw niet meegerekendoverschrijdt;   f. de toewijzing van een opdracht tot dienstverlening [4 voor een bedrag van meer dan 75.000 euro, btw niet meegerekenddoor de aanbestedende overheid aan een andere aanbestedende overheid of aan een vereniging van aanbestedende overheden, op grond van een exclusief recht waarvan laatstgenoemden genieten krachtens bekendgemaakte wetgevende, reglementaire of administratieve bepalingen;   g. de gunning van een overheidsopdracht [4 voor een bedrag van meer dan 75.000 euro, btw niet meegerekend, gegund met een rechtspersoon vallend onder het privaat recht of het publiek recht in het kader van een in-house-toezicht in de zin van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten;   h. [4 ...  [4 Voor de toepassing van deze bepaling omvat de term "overheidsopdracht" ook raamovereenkomsten;  [3 5° [4 voor wat betreft de akten voor concessies:   a. de gunning van een concessie voor diensten of werken waarvan de geraamde waarde op het tijdstip van de gunning overeenkomstig de regelgeving inzake concessiecontracten meer dan 250.000 euro exclusief btw bedraagt;   b. de positieve wijziging van de voorwaarden van deze concessies voor diensten en werken, gecompenseerd door eventuele gelijktijdig goedgekeurde negatieve wijzigingen, die de waarde van de concessie met ten minste tien procent verhoogt, zoals geraamd bij de gunning overeenkomstig de regelgeving inzake concessiecontracten;   c. de positieve wijziging, gecompenseerd door gelijktijdig bij dezelfde akte goedgekeurde negatieve wijzigingen in de voorwaarden van deze concessies voor diensten en werken, waarvan het bedrag, samen met de bedragen van de opeenvolgende positieve wijzigingen, de waarde van de concessie met ten minste tien procent verhoogt, zoals geraamd bij de gunning overeenkomstig de regelgeving inzake concessiecontracten.   § 2. De provinciegouverneur kan de akte waarmee een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de wet schendt of het algemeen belang schaadt geheel of gedeeltelijk nietig verklaren binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de datum van ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.   De provinciegouverneur kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het eerste lid.   De akte is niet meer vatbaar voor nietigverklaring als de provinciegouverneur zijn besluit niet heeft betekend binnen die termijn.  [4 § 3. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in paragraaf 1, 4° en 5° aanpassen.  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 14, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2018-10-04/02, art. 8a, 032; Inwerkingtreding : 20-10-2018>   <DWG 2018-10-04/02, art. 8b,c, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2019>   <DWG 2022-10-06/17, art. 7, 040; Inwerkingtreding : 01-02-2023>   Art. 112.[1 § 1. De lijst van de besluiten genomen door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitsluiting van de besluiten tot individuele hulpverlening en tot terugvordering, wordt aan het gemeentecollege gericht binnen tien dagen na de zitting gedurende welke de besluiten worden aangenomen.   Het gemeentecollege kan verzoeken om één of meer besluiten die op de lijst opgenomen zijn. Dat verzoek wordt ingediend binnen tien dagen na ontvangst van de lijst. De dag van ontvangst van de lijst wordt niet meegerekend in de termijn. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn stuurt het besluit of de besluiten waarom verzocht werd aan het gemeentecollege binnen tien dagen na het verzoek. De dag van ontvangst van het verzoek wordt niet meegerekend in de termijn.   Het gemeentecollege kan bij de provinciegouverneur een beroep indienen tegen het besluit of de besluiten waarom het verzocht heeft. Dat beroep wordt ingediend binnen tien dagen na ontvangst van het besluit van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De dag van ontvangst van het besluit wordt niet meegerekend in de termijn.   Na aanhangigmaking van het beroep eist de provinciegouverneur de akte en de desbetreffende bewijsstukken van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.   § 2. Onverminderd het evocatierecht van de provinciegouverneur, kan een raadslid van sociale actie of elke belanghebbende persoon bij de provinciegouverneur een beroep tegen een besluit van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn indienen binnen een termijn van dertig dagen, met ingang op de datum van aanneming van het besluit.   Na aanhangigmaking van het beroep eist de provinciegouverneur de akte en de desbetreffende bewijsstukken van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.   § 3. De provinciegouverneur kan de overdracht van elke beraadslaging en van de desbetreffende bewijsstukken eisen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met het oog op de uitoefening van het algemeen vernietigingstoezicht waaraan alle andere akten dan die bedoeld in de artikelen 112bis tot 112quinquies onderworpen worden.   § 4. Overeenkomstig de paragrafen 1 tot 3 kan de provinciegouverneur de akte waarmee een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de wet schendt of het algemeen belang schaadt geheel of gedeeltelijk nietig verklaren binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de datum van ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.   De provinciegouverneur kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het eerste lid.   De akte is niet meer vatbaar voor nietigverklaring als de provinciegouverneur zijn besluit niet heeft betekend binnen die termijn.  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Afdeling 2bis. [1 Bijzonder goedkeuringstoezicht op de akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2014-01-23/08, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 112bis.[1 § 1. De akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreffende de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bedoeld in artikel 88, § 1, worden voor 15 [2 novembervan het jaar dat aan het boekjaar voorafgaat ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorgelegd.   Die begroting wordt door de voorzitter besproken tijdens de zittingen van de gemeenteraad op de agenda waarvan zijn goedkeuring opgenomen is.   De gemeenteraad neemt zijn besluit binnen veertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.   De gemeenteraad kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het derde lid.   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn is de akte uitvoerbaar.   De gemeenteraad kan op de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ontvangstenramingen en uitgavenposten brengen, verminderen, vermeerderen of schrappen en materiële vergissingen rechtzetten.   De goedkeuring kan slechts wegens schending van de wet of benadeling van het algemeen belang geweigerd worden.   § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarvan de begroting vanwege de gemeenteraad het voorwerp heeft uitgemaakt van een besluit tot weigering van goedkeuring, een besluit tot gedeeltelijke goedkeuring of een besluit tot herziening, kan binnen tien dagen na ontvangst van het besluit van de gemeenteraad een beroep indienen bij de provinciegouverneur. Een afschrift van het beroep wordt uiterlijk de laatste dag van de beroepstermijn aan de gemeenteraad gericht.   De provinciegouverneur kan het besluit van de gemeenteraad al dan niet goedkeuren binnen dertig dagen na ontvangst van het beroep, al naar gelang van het geval.   De gemeenteraad kan op de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ontvangstenramingen en uitgavenposten brengen, verminderen, vermeerderen of schrappen en materiële vergissingen rechtzetten.   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn, wordt het aangevochten besluit geacht verworpen te zijn.   § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn toepasselijk op elke begrotingswijziging bedoeld in artikel 88, § 2.   § 4. Als de raad voor maatschappelijk welzijn de begrotingen niet vastlegt of niet voorziet in een begrotingswijziging die nodig blijkt te zijn hetzij om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, hetzij om een erkende en opeisbare schuld van het centrum te betalen, wordt artikel 113 toegepast.   Als de raad voor sociale actie nalaat de begrotingen van het centrum vast te leggen binnen de termijn bepaald bij de wet, kan het gemeentecollege het centrum in gebreke stellen. Als de raad voor sociale actie nalaat de begrotingen van het centrum vast te leggen binnen twee maanden na de ingebrekestelling, kan het gemeentecollege in de plaats treden van de raad voor sociale actie en de begrotingen van het centrum in zijn plaats vastleggen. Die begrotingen worden door de gemeenteraad aan de raad voor sociale actie meegedeeld..   Tegen het besluit van de gemeenteraad kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een beroep indienen bij de provinciegouverneur, die over dezelfde bevoegdheid beschikt als die bedoeld in paragraaf 2.  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 17, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2016-12-21/03, art. 15, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2017>   Art. 112ter. [1 § 1. De akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreffende de rekening bedoeld in artikel 89, eerste lid, worden voor 1 juni na afsluiting van het boekjaar ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorgelegd. Het jaarverslag wordt ter bespreking van de rekeningen aan de gemeenteraad meegedeeld.   Die rekening wordt door de voorzitter besproken tijdens de zittingen van de gemeenteraad op de agenda waarvan zijn goedkeuring opgenomen is.   De gemeenteraad neemt zijn besluit binnen veertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.   De gemeenteraad kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het derde lid.   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn is de akte uitvoerbaar.   De goedkeuring kan enkel wegens schending van de wet geweigerd worden.   § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarvan de rekening het voorwerp heeft uitgemaakt van een besluit tot weigering van goedkeuring of een besluit tot gedeeltelijke goedkeuring vanwege de gemeenteraad, kan binnen tien dagen na ontvangst van het besluit van de gemeenteraad een beroep indienen bij de provinciegouverneur. Een afschrift van het beroep wordt uiterlijk de laatste dag van de beroepstermijn aan de gemeenteraad gericht.   De provinciegouverneur kan het besluit van de gemeenteraad al dan niet goedkeuren binnen dertig dagen na ontvangst van het beroep, al naar gelang van het geval.   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn, wordt het aangevochten besluit geacht bekrachtigd te zijn.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2014-01-23/08, art. 18, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 112quater. [1 § 1. De akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreffende de vastlegging van de personeelsformatie alsook het statuut bedoeld in artikel 42, § 1, negende lid, worden onderworpen aan het bijzondere goedkeuringstoezicht van de gemeenteraad. Ze worden samen met de desbetreffende bewijsstukken aan de gemeenteraad overgemaakt binnen vijftien dagen na de aanneming ervan.   De gemeenteraad neemt zijn besluit binnen veertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.   De gemeenteraad kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het tweede lid.   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn is de akte uitvoerbaar.   De goedkeuring kan slechts wegens schending van de wet of benadeling van het algemeen belang geweigerd worden.   § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarvan de akte i.v.m. de vastlegging van de personeelsformatie of het in artikel 42, negende lid, bedoelde statuut het voorwerp heeft uitgemaakt van een besluit tot weigering van goedkeuring of een besluit tot gedeeltelijke goedkeuring vanwege de gemeenteraad, kan binnen tien dagen na ontvangst van het besluit van de gemeenteraad een beroep indienen bij de provinciegouverneur. Een afschrift van het beroep wordt uiterlijk de laatste dag van de beroepstermijn aan de gemeenteraad gericht.   De provinciegouverneur kan het besluit van de gemeenteraad al dan niet goedkeuren binnen dertig dagen na ontvangst van het beroep, al naar gelang van het geval.   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn, wordt het aangevochten besluit geacht bekrachtigd te zijn.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2014-01-23/08, art. 19, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 112quinquies. [1 § 1. De akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van en participatie in de intercommunales, de projectverenigingen, de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII alsook in andere publiek- of privaatrechtelijke verenigingen of vennootschappen dan een intercommunale of projectvereniging, waarvoor de gemeentelijke financiën nodig kunnen zijn, worden onderworpen aan het bijzonder goedkeuringstoezicht van de gemeenteraad. Ze worden samen met de desbetreffende bewijsstukken aan de gemeenteraad overgemaakt binnen vijftien dagen na de aanneming ervan.   De gemeenteraad neemt zijn besluit binnen veertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.   De gemeenteraad kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het tweede lid.   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn is de akte uitvoerbaar.   De goedkeuring kan slechts wegens schending van de wet of benadeling van het algemeen belang geweigerd worden.   § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarvan de akten tot oprichting van en participatie in de intercommunales, de projectverenigingen, de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII alsook in andere publiek- of privaatrechtelijke verenigingen of vennootschappen dan een intercommunale of projectvereniging, waarvoor de gemeentelijke financiën nodig kunnen zijn, het voorwerp hebben uitgemaakt van een besluit tot weigering van goedkeuring of een besluit tot gedeeltelijke goedkeuring vanwege de gemeenteraad, kan binnen tien dagen na ontvangst van het besluit van de gemeenteraad een beroep indienen bij de provinciegouverneur. Een afschrift van het beroep wordt uiterlijk de laatste dag van de beroepstermijn aan de gemeenteraad gericht.   De provinciegouverneur kan het besluit van de gemeenteraad al dan niet goedkeuren binnen dertig dagen na ontvangst van het beroep, al naar gelang van het geval.   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn, wordt het aangevochten besluit geacht bekrachtigd te zijn.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2014-01-23/08, art. 20, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Afdeling 2ter. [1 Toezicht op de akten van de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2014-01-23/08, art. 21, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 112sexies.[1 § 1. De akten van de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet die betrekking hebben op de volgende voorwerpen worden samen met de desbetreffende bewijsstukken binnen vijftien dagen na de aanneming ervan aan de Regering gericht en mogen niet uitgevoerd worden voordat ze aldus zijn overgedragen :   1° [2 de aanvankelijke samenstellingvan de raad van bestuur en van de beperkte organen ervan;   2° de toekenning van een bezoldiging, presentiegeld of om het even welk voordeel aan de leden van de beheersorganen;   3° het huishoudelijk reglement van de beheersorganen;   4° [3 voor wat betreft de akten voor overheidsopdrachten:   a. de toekenning van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten met een bedrag, BTW niet meegerekend, hoger dan de bedragen vermeld in onderstaande tabel:   [4    Open procedure Beperkte procedure Mededingingsprocedure met onderhandeling en onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Rechtstreekse onderhandelde procedure met bekendmaking en rechtstreekse onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Onderhandelde procedure zonder bekendmaking en onderhandelde procedure zonder voorafgaandelijke oproep tot mededinging Werken 300.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 150.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND Leveringen en diensten 250.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 40.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND  b. [4 de positieve wijziging van de voorwaarden van deze overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, gecompenseerd door eventuele gelijktijdig goedgekeurde negatieve wijzigingen, waardoor het oorspronkelijke bedrag van de opdracht met ten minste 10% wordt verhoogd;   c. [4 de positieve wijziging van de voorwaarden van deze opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, gecompenseerd door de negatieve wijzigingen die tegelijkertijd bij dezelfde akte zijn goedgekeurd, en waarvan het bedrag, samen met de bedragen van de opeenvolgende positieve wijzigingen, het oorspronkelijke bedrag van de opdracht met ten minste 10% verhoogt;   d. [4 ...   e. de toewijzing, aan een economische deelnemer van een overheidsopdracht voor een lening die al dan niet verband houdt met de uitgifte, de aankoop, de verkoop en de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten waarvan het bedrag van de totale bezoldiging van de dienstverlener de [4 250.000 euro, btw niet meegerekendoverschrijdt;   f. de toewijzing van een opdracht tot dienstverlening [4 voor een bedrag van meer dan 75.000 euro, btw niet meegerekenddoor de aanbestedende overheid aan een andere aanbestedende overheid of aan een vereniging van aanbestedende overheden, op grond van een exclusief recht waarvan laatstgenoemden genieten krachtens bekendgemaakte wetgevende, reglementaire of administratieve bepalingen;   g. de gunning van een overheidsopdracht [4 voor een bedrag van meer dan 75.000 euro, btw niet meegerekend, gegund met een rechtspersoon vallend onder het privaat recht of het publiek recht in het kader van een in-house-toezicht in de zin van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten;   h. [4 ...  [4 Voor de toepassing van deze bepaling omvat de term "overheidsopdracht" ook raamovereenkomsten;  [3 5° [4 voor wat betreft de akten voor concessies:   a. l'attribution d'une concession de services ou de travaux dont la valeur estimée lors de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession excède 250 000 euros H.T.V.A.;   b. de positieve wijziging van de voorwaarden van deze concessies voor diensten en werken, gecompenseerd door eventuele gelijktijdig goedgekeurde negatieve wijzigingen, die de waarde van de concessie met ten minste tien procent verhoogt, zoals geraamd bij de gunning overeenkomstig de regelgeving inzake concessiecontracten;   c. de positieve wijziging, gecompenseerd door gelijktijdig bij dezelfde akte goedgekeurde negatieve wijzigingen in de voorwaarden van deze concessies voor diensten en werken, waarvan het bedrag, samen met de bedragen van de opeenvolgende positieve wijzigingen, de waarde van de concessie met ten minste tien procent verhoogt, zoals geraamd bij de gunning overeenkomstig de regelgeving inzake concessiecontracten.   § 2. De Regering kan de akte waarmee een in hoofdstuk XII van deze wet bedoelde vereniging de wet schendt of het algemeen belang schaadt geheel of gedeeltelijk nietig verklaren binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.   De Regering kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het eerste lid.   De akte is niet meer vatbaar voor nietigverklaring als de Regering zijn besluit niet heeft betekend binnen die termijn.   § 3. De akten waarvan geen sprake is in paragraaf 1 worden na beroep onderworpen aan het vernietigingstoezicht van de Regering. De nietigverklaring kan slechts wegens schending van de wet of benadeling van het algemeen belang plaatsvinden.   De Regering [2 of het Operationeel Directoraat-generaal Binnenlandse Aangelegenheden en Sociale Actie van de Waalse Overheidsdienstkan de overdracht van elke door haar bepaalde beraadslaging en van de desbetreffende bewijsstukken eisen van de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet.   De Regering kan de akte waarmee een in hoofdstuk XII van deze wet bedoelde vereniging de wet schendt of het algemeen belang schaadt geheel of gedeeltelijk nietig verklaren binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.   De Regering kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het derde lid.   De akte is niet meer vatbaar voor nietigverklaring als de Regering zijn besluit niet heeft betekend binnen die termijn.  [4 § 4. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in paragraaf 1, 4° en 5° aanpassen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2014-01-23/08, art. 22, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2018-10-04/02, art. 9a, d, 032; Inwerkingtreding : 20-10-2018>   <DWG 2018-10-04/02, art. 9b,c, 032; Inwerkingtreding : 01-01-2019>   <DWG 2022-10-06/17, art. 8, 040; Inwerkingtreding : 01-02-2023>   Art. 112septies.[1 § 1. De akten van de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet die betrekking hebben op de volgende voorwerpen worden ter goegkeuring aan de Regering voorgelegd binnen vijftien dagen na de aanneming ervan :   1° de aanneming of de wijziging van de statuten van de vereniging;   2° de algemene bepalingen inzake het personeel;   3° de jaarrekeningen;   4° de herschikking van leningen waarop werd ingeschreven;   5° [2 ....   § 2. De Regering neemt haar besluit binnen veertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.   De Regering kan de termijn die hem toegestaan wordt om haar bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het eerste lid.   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn is de akte uitvoerbaar.   De goedkeuring kan geweigerd worden wegens schending van de wet of benadeling van het algemeen belang.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2014-01-23/08, art. 23, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2018-10-04/02, art. 10, 032; Inwerkingtreding : 20-10-2018>   Art. 112octies.[1 § 1. In de verenigingen bedoeld in Hoofdstuk XII van deze wet kan de Regering een afgevaardigde voor het toezicht aanwijzen.   De Regering legt de regels vast voor de aanwijzing en het administratieve en bezoldigingsstatuut van de afgevaardigde. Onder de bepalingen van het administratieve statuut worden bepalingen opgenomen, inzake de onverenigbaarheden en de belangenconflicten.   Onverminderd de mogelijkheid om elk ogenblik de opdrachten van de afgevaardigde voor het toezicht te beëindigen, kan de Regering na de afgevaardigde voor het toezicht te hebben gehoord, hem afzetten indien blijkt dat hij :   1° bewust een handeling gepleegd heeft die onverenigbaar is met de opdracht [2 of het doel van de instelling;   2° een fout of een ernstige nalatigheid begaan heeft in de uitoefening van zijn opdrachten;   3° in de loop van eenzelfde jaar zonder verantwoording afwezig is gebleven op drie gewone en regelmatig bijeengeroepen vergaderingen waarvoor zijn aanwezigheid is vereist;   4° de voorwaarden bepaald door de Regering niet meer vervult.   Bij zijn verhoor kan de afgevaardigde voor het toezicht bijgestaan worden door de persoon van zijn keuze.   § 2. De afgevaardigde voor het toezicht heeft als opdracht de controle ter plaatse, naar aanleiding van de vergaderingen van de bestuursorganen van de vereniging bedoeld in paragraaf 1, van de akten van bedoelde verenigingen.   Op deze titel kan hij vragen, gehoord te worden tijdens de vergaderingen die hij bijwoont.   De afgevaardigde voor het toezicht wordt uitgenodigd op alle vergaderingen van de beheersorganen volgens de procedure die van toepassing is op de oproeping van de leden van die organen.   Hij kan eisen dat elk besluit dat hij vernoemt, samen met de bewijsstukken wordt overgemaakt.   De afgevaardigde voor het toezicht kan op elke beslissing van de vereniging bedoeld in paragraaf 1 een onderzoek vragen van de toezichthoudende overheid. De toezichthoudende overheid beslist volgens de regels vastgesteld in de artikelen 112sexies en 112septies van deze wet.   De afgevaardigde voor het toezicht brengt minstens één keer per jaar verslag uit bij de toezichthoudende overheid.   § 3. Onverminderd hetgeen voorafgaat, mag de afgevaardigde voor het toezicht inlichtingen waarvan hij in het kader van zijn opdrachten kennis heeft genomen, niet gebruiken, noch verspreiden indien het gebruik of de verspreiding van die inlichtingen van dien aard is dat ze nadelig is voor de belangen van de instelling.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-10-04/02, art. 11, 032; Inwerkingtreding : 20-10-2018>   <DWG 2023-04-06/05, art. 7, 045; Inwerkingtreding : 21-10-2023>   Afdeling 3. <Opschrift ingevoegd bij DWG 1998-04-02/40, art. 28; Inwerkingtreding : 1998-05-08> - Afzending van een bijzondere commissaris.  Art. 113.[1 De gouverneur mag, bij besluit, een bijzondere commissaris aanwijzen wanneer een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet, het algemeen belang schaadt, in gebreke blijft om de gevraagde inlichtingen of gegevens te verstrekken of uitvoering te verlenen aan de maatregelen opgelegd bij wet, decreet, besluit, verordening of statuut of bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing. De bijzondere commissaris is gemachtigd om alle maatregelen te treffen in de plaats van de in gebreke gebleven overheid, binnen de perken van het mandaat dat hem bij het aanwijzingsbesluit is toegekend.   Voordat een bijzondere commissaris ter plaatse wordt gestuurd, moet de gouverneur :   - bij aangetekende brief een met redenen omklede waarschuwing aan de bedoelde overheid richten, waarin uiteengezet wordt wat van haar verlangd wordt of welke maatregelen ze verzuimt te treffen;   - die overheid in dezelfde waarschuwing een bepaalde en redelijke termijn opleggen om de aan haar gerichte aanvraag te beantwoorden, haar houding te verantwoorden, haar standpunt te bevestigen of de voorgeschreven maatregelen te treffen.   Kosten, ereloon of lonen die onlosmakelijk verbonden zijn met het voltooien van zijn opdracht worden afgewenteld op de personen die in gebreke zijn gebleven in de uitvoering van ambt of mandaat. De vordering van deze kosten wordt als voor inkomstenbelastingen, na uitvoerbaarverklaring door de toezichthoudende overheid, vervolgd door de ontvanger der directe belastingen.  (Als een in het vorige lid bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.) <W 1988-08-09/30, art. 18; Inwerkingtreding : 1989-01-01>  De invordering van de bovenbedoelde kosten geschiedt, zoals inzake directe belastingen, door de Rijksontvanger nadat de provinciegouverneur het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.  In alle gevallen staat beroep open bij de (Regering). <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  ----------  <DWG 2018-03-29/49, art. 30, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   HOOFDSTUK X. - Betwiste zaken en rechtsgedingen.  Art. 114.  <Opgeheven bij DWG 2014-01-23/08, art. 24, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 115. § 1. (opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 63; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  § 2. In afwijking van artikel 28, vierde lid, worden de rechtsgedingen als eiser inzake de verrichtingen waarvan sprake in artikel 46, § 1, alsmede die inzake het beheer van de goederen en de terugvordering van de kosten voor verleende hulp, overeenkomstig de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn, in naam van het centrum gevoerd op vervolging en benaarstiging van de ontvanger of, in voorkomend geval, van de bijzondere ontvanger bedoeld door artikel 96.  In geval van verhindering of afwezigheid van een van die ambtenaren, worden de in het vorige lid bedoelde handelingen verricht door de ambtenaar die de voornoemde ontvanger onder zijn aansprakelijkheid heeft aangeduid of door de waarnemende ontvanger; bij gebreke hiervan wordt daartoe een ambtenaar afgevaardigd door de raad voor maatschappelijk welzijn.  Art. 115bis. <Ingevoegd DRW 2003-02-06/31, art. 7; Inwerkingtreding : 27-02-2003> § 1. Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn is burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de boetes opgelegd aan zijn voorzitter of aan diens plaatsvervanger, aan het lid of de leden van het vast bureau en de bijzondere comités of aan elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt, als gevolg van een overtreding begaan bij de gewone uitoefening van hun functies, behalve in geval van herhaling.  De vordering tot beroep van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn jegens zijn voorzitter of diens plaatsvervanger, jegens het lid of de leden van het vast bureau en de bijzondere comités of elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt, wordt in geval van veroordeling beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of gewoonlijk voorkomende lichte schuld.  § 2. Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn is verplicht een verzekering aan te gaan ter dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid, gerechtsbijstand inbegrepen, die persoonlijk rust op zijn voorzitter, op de leden van het vast bureau of van de bijzondere comités of op elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt.  Art. 115ter. <Ingevoegd DRW 2003-02-06/31, art. 8; Inwerkingtreding : 27-02-2003> De voorzitter van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of diens plaatsvervanger, het lid of de leden van het vast bureau of van de bijzondere comités of elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt, die het voorwerp zijn van een vordering tot schadeloosstelling voor de burgerlijke rechtbank of van een strafvervolging wegens een overtreding begaan bij de gewone uitoefening van hun functies, mogen elke overheid die hen krachtens artikel 57, § 4, van deze wet een opdracht toevertrouwt, in het geding betrekken.  Art. 115quater.[1 Het vast bureau treedt als verweerder op bij elke rechtsvordering tegen het OCMW. Het stelt de vorderingen in kort geding en de bezitsvorderingen in; het verricht alle handelingen tot bewaring van recht of tot stuiting van verjaring en van verval.   Alle andere rechtsvorderingen waarbij het OCMW als eiser optreedt, mogen door het vast bureau slechts worden ingesteld na machtiging van de raad voor maatschappelijk welzijn.   Onverminderd artikel 728, § 3, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ofwel één van zijn leden ofwel een personeelslid ofwel een advocaat aanwijzen om in naam van het OCMW voor de rechtbank te oordelen.  ----------  <DWG 2024-03-28/63, art. 41, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   HOOFDSTUK XI. - Hoge raad voor maatschappelijk welzijn en studiedienst.  Art. 116. <W 1987-06-22/34, art. 1; Inwerkingtreding : 22-07-1987> Bij de Minister tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort wordt een hoge raad voor maatschappelijk welzijn ingesteld belast met het geven van advies aan de Minister over alle hem aanbelangende aangelegenheden in verband met het beleid inzake maatschappelijk welzijn.  De inrichting en de bevoegdheden van die raad worden door de (Regering) geregeld. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  Art. 117. In het Ministerie tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort is er een studiedienst, die onder meer belast is met het systematisch volgen van de bedrijvigheid der openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ten einde daaruit de objectieve criteria af te leiden met het oog op de toepassing van deze wet.  Deze dienst is er eveneens mede belast de evolutie van de sociale noden te bestuderen, een repertorium op te maken van de instellingen en werken van maatschappelijke dienstverlening en hierover een documentatie bij te houden ten dienste van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van eenieder die erom verzoekt.  HOOFDSTUK XII. - Verenigingen.  Art. 118. Een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan, om een van de opdrachten uit te voeren die door deze wet aan de centra zijn toevertrouwd, een vereniging tot stand brengen met een of meer andere openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met andere openbare besturen en of met rechtspersonen andere dan die welke winstoogmerken hebben.  Art. 119.  <Opgeheven bij DWG 2014-01-23/08, art. 25, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 120. De statuten van de vereniging (vermelden) : <W 1992-08-05/46, art. 65; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  (1° de benaming, de zetel, de duur en, in voorkomend geval, de rechtsvorm van de vereniging;) <DWG 1998-04-02/40, art. 30; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  2. het doel of de doeleinden waarvoor zij is opgericht;  3. de nauwkeurige aanduiding van de deelgenoten, van hun inbrengsten, verbintenissen en bijdragen;  4. de voorwaarden tot het toetreden en het uittreden van de deelgenoten;  5. de bevoegdheid van de algemene vergadering en de wijze waarop deze wordt bijeengeroepen alsmede de wijze waarop haar besluiten ter kennis van de leden en van derden worden gebracht;  6. de betrekkingen van de vereniging met haar leden inzake de mededeling van de documenten die aan de algemene vergadering worden voorgelegd;  7. de bevoegdheden van de raad van beheer; de wijze van benoeming en van afzetting van zijn leden, alsmede de aansprakelijkheid van de beheerders;  8. de financiële en boekhoudkundige regels, voor zover zij niet door de wet zijn bepaald;  9. de na te komen regelen tot het wijzigen van de statuten;  10. de bestemming van het vermogen van de vereniging ingeval ze zou ontbonden worden.  De statuten worden in een authentieke akte vastgesteld.  Art. 121.[1 § 1.De vereniging bezit rechtspersoonlijkheid. Zij kan onder meer, onder dezelfde voorwaarden als de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, subsidies van de openbare besturen en schenkingen en legaten ontvangen alsmede leningen aangaan.  (De vereniging kan de rechtsvorm van een v.z.w. aannemen.) <DWG 1998-04-02/40, art. 31; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  [1 § 2. De bepalingen van de artikelen 75bis, 75ter, 76bis en 76ter zijn van toepassing op de onroerende en roerende goederenverrichtingen van de vereniging opgericht krachtens de artikelen 118 en volgende onder het voorbehoud dat het woord OCMW wordt gelezen als vereniging opgericht krachtens de artikelen 118 en volgende van deze wet.  ----------  <DWG 2024-03-28/63, art. 42, 047; Inwerkingtreding : 01-10-2024>   Art. 121bis. <Ingevoegd bij W 1992-08-05/46, art. 66; Inwerkingtreding : 18-10-1992> Al de akten, facturen, aankondigingen, publicaties en andere stukken uitgaande van de vereniging vermelden de benaming van de vereniging met, onmiddellijk daarvoor of daarna de leesbaar en voluit geschreven woorden : " Vereniging onderworpen aan de wet van 8 juli 1976 ".  Art. 122.De bepalingen van de artikelen [1 112septies, 120, en 134 zijn van toepassing op de wijzigingen van de statuten.  Elke wijziging die voor de deelgenoten een verzwaring van hun verplichtingen of een vermindering van hun rechten in de vereniging meebrengt, moet vooraf hun instemming bekomen.  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 26, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 123. In geval van wijziging van de doeleinden waarvoor de vereniging werd opgericht, kan elke deelgenoot zich uit de vereniging terugtrekken door zijn ontslag in te dienen bij de raad van beheer.  Hij zal de tegenwaarde ontvangen van zijn eventuele inbreng in de vereniging, geraamd volgens de boekhoudkundige waarde op het ogenblik van het ontslag. Hij kan evenwel de teruggave niet eisen van de betaalde bijdragen.  Art. 124.[1 De openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden in de organen van de vereniging vertegenwoordigd door leden van hun raad voor maatschappelijk welzijn. Deze leden worden door de raad aangeduid volgens de regels bepaald bij artikel 27, § 6, lid 2, van deze wet voor de verkiezing van de leden van het vast bureau.   De bestuurders die de openbare centra voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigen, moeten van beide geslachten zijn. Hun aantal mag één vijfde van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn niet overschrijden. Gesteld dat aan de bepaling bedoeld in artikel 125, lid 1, niet kan worden voldaan, kan het aantal bestuurders die de openbare centra voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigen op twee vijfde van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn gebracht worden.   De bestuurders die de verenigde centra vertegenwoordigen worden naar evenredigheid met het geheel van de raden voor maatschappelijk welzijn van de overeenkomstig de artikelen 167 en 168 van het Kieswetboek verenigde centra aangewezen.   Bij het berekenen van die evenredigheid wordt rekening gehouden met de eventuele statutaire criteria en de facultatieve individuele verklaringen van apparentering of hergroepering. Zij worden bekendgemaakt op de website van de gemeente.   De verklaringen van apparentering of hergroepering kunnen slechts één keer worden verricht, naar één enkele lijst en voor de gezamenlijke afgeleide mandaten van het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn.   Het Centrum deelt de vereniging, uiterlijk op 1 maart van het jaar volgend op het jaar van de gemeenteraads- of provincieraadsverkiezingen, de naam van de raadsleden van de raad voor maatschappelijk welzijn, hun politieke fractie en, in voorkomend geval, de apparenteringen of de hergroeperingen mee zoals zij blijken uit de individuele verklaringen, waarvan ter zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn akte is genomen.   Er wordt daarentegen bij de berekening van die evenredigheid geen rekening gehouden met de lijst(en) van de raadsleden, ingediend door een politiek fractie in de gemeenteraad die de democratische beginselen niet naleeft die met name vermeld zijn in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in de additionele protocollen bij dat Verdrag van kracht in België, bij de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden of in de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd en van degenen die bestuurder van een vereniging waren op het ogenblik van de feiten ingevolge waarvan ze veroordeeld werd voor één van de overtredingen bepaald bij de wet van 30 juli 1981 of bij de wet van 23 maart 1995.   Daarnaast heeft iedere lijst van raadgevers, ingediend door een democratische politieke fractie van de gemeenteraad die minstens beschikt over minstens één verkozene in één van de verenigde centra en over minstens één verkozene in het Waals Parlement en die niet vertegenwoordigd is overeenkomstig het systeem van de proportionele vertegenwoordiging bedoeld in het tweede lid, recht op een zetel als waarnemer met raadgevende stem, zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.   Iedere democratische politieke fractie, vertegenwoordigd in het Waals Parlement en in één van de gemeenten waarvan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn lid is van de vereniging die niet over een zetel beschikt in de raad van bestuur, recht op een zetel als waarnemer met raadgevende stem, zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie. Onder "democratische politieke fractie" dienen te worden verstaan, de politieke formaties die de democratische beginselen naleven die met name vermeld zijn in het Europees Verdrag van tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in de additionele protocollen bij dat Verdrag van kracht in België, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en in de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, evenals de rechten en de vrijheden gewaarborgd door de Grondwet.   De raad van bestuur kan één of meerdere personeelsafgevaardigden omvatten, die met raadgevende stem zetelen.   De leden 1 tot 7 van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op de vertegenwoordigers van de gemeenten.  [2 De vergadering van de organen van de vereniging wordt georganiseerd :   1° overeenkomstig de artikelen 30bis en 30ter voor wat betreft de algemene vergadering;   2° overeenkomstig de artikelen 30bis en 30quater voor wat betreft de beheersorganen.  ----------  <DWG 2018-07-17/03, art. 22, 031; Inwerkingtreding : 15-10-2018>   <DWG 2021-07-15/15, art. 5, 036; Inwerkingtreding : 01-10-2021>   Art. 125.Ongeacht de verhouding van de inbreng van de verschillende deelgenoten, beschikken de openbare rechtspersonen steeds over de meerderheid van de stemmen in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de vereniging. [1 De raad van bestuur van de vereniging bestaat uit minstens vijf bestuurders.  (Wanneer een vereniging wordt opgericht met het oog op het exploiteren van een ziekenhuis of van een gedeelte van een ziekenhuis, beschikken de openbare rechtspersonen over ten minste de helft van de stemmen in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de vereniging.  Indien de andere deelgenoten dan de openbare rechtspersonen over de helft van de stemmen beschikken in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de vereniging, dan kan maximum 50 procent van het vastgestelde tekort in de beheersrekeningen van het ziekenhuis worden gedekt overeenkomstig de regelen voorzien in artikel 13, § 2bis, van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen.) <KBN430 1986-08-05/31, art. 6, 006>  ----------  <DWG 2018-03-29/49, art. 32, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   Art. 125/1.[1 § 1. Wanneer een vereniging wordt gevormd met het oog op de uitbating van een ziekenhuis of een deel van een ziekenhuis, dan wel van een rusthuis, richt eerstgenoemde een auditcomité op in haar raad van bestuur.   § 2. Het auditcomité is samengesteld uit leden van de raad van bestuur die geen lid zijn van het uitvoerend bureau. Het maximumaantal leden van het auditcomité kan niet hoger zijn dan vijfentwintig percent van het aantal leden van de raad van bestuur.   De voorzitter van het auditcomité wordt aangewezen door de leden van het comité.   Minstens één lid van het auditcomité beschikt over een praktische ervaring en/of technische kennis in het activiteitsdomein van de vereniging.   De titularis van de lokale leidinggevende functie in de vereniging wordt systematisch opgeroepen voor de vergaderingen met raadgevende stem.   § 3. De raad van bestuur bepaalt de opdrachten van het auditcomité, die minstens volgende opdrachten omvatten :   1° de mededeling aan de raad van bestuur van informatie over de resultaten van de wettelijke controle van de jaarrekeningen en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde rekeningen en van duiding over de wijze waarop de wettelijke controle van de jaarrekeningen en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde rekeningen bijgedragen hebben tot de integriteit van de financiële informatie en over de rol van het auditcomité in dat proces;   2° de opvolging van het proces voor de uitwerking van de financiële informatie en overlegging van aanbevelingen of voorstellen om er de integriteit van te vrijwaren;   3° de opvolging van de doeltreffendheid van de systemen voor interne controle en beheersing van de risico's van de intercommunale of de instellingen, evenals de opvolging van de interne audit en de doeltreffendheid ervan;   4° de opvolging van de wettelijke controle van de jaarrekeningen en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde jaarrekeningen, met inbegrip van de vragen en aanbevelingen geformuleerd door de bedrijfsrevisor belast met de wettelijke controle van de geconsolideerde rekeningen;   5° het onderzoek en de opvolging van de onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisor belast met de wettelijke controle van de geconsolideerde rekeningen, in het bijzonder wat betreft de gegrondheid van de levering van aanvullende diensten aan de maatschappij.   Het auditcomité brengt regelmatig verslag uit bij de raad van bestuur over de uitoefening van diens opdrachten, minstens bij het opstellen door laatstgenoemde van de jaarrekeningen en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde rekeningen  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 33, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>      Art. 125/2. [1 De raad van bestuur kan onder zijn verantwoordelijkheid het dagelijks bestuur van de intercommunale afvaardigen aan de titularis van de lokale leidinggevende functie.   De beraadslaging en het besluit in verband met de delegatie van het dagelijks bestuur geeft de gedelegeerde beheershandelingen nauwkeurig op, evenals de duur van deze delegatie, die maximaal drie jaar, verlengbaar, mag duren. Daarover wordt bij gewone meerderheid gestemd, met bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Na elke algehele hernieuwing van de raad van bestuur wordt ze beëindigd.   Het huishoudelijk reglement kan in bijzondere meerderheden voorzien  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2018-03-29/49, art. 34, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>      Art. 126.(§ 1. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk en van artikel 94, § 7, worden de verenigingen overeenkomstig hun statutaire regels beheerd.  § 2. [1 ...  § 3. [1 ...  § 4. Het door een vereniging beheerde ziekenhuis moet in financieel evenwicht zijn. Bij gebreke hiervan moet het onderworpen worden aan een goed te keuren beheersplan, behoudens met redenen omklede beslissing van het bevoegde orgaan van de vereniging. Dit plan bevat de maatregelen die het ziekenhuis moet treffen om haar financiële evenwicht te bereiken of te handhaven.  Indien de tussenkomst van het "Centre régionale d'aide aux communes" wordt ingeroepen door de verenigde gemeente(n) of de gemeenten waarvan de O.C.M.W.'s verenigd zijn, wordt dit plan opgemaakt volgens de door de Regering vastgestelde voorschriften. Het wordt goedgekeurd door de verenigde gemeenten en O.C.M.W.'s, de gemeenten waarvan het O.C.M.W. verenigd is, en de Regering. Elke wijziging in het beheersplan wordt aan dezelfde procedure onderworpen.  Als het vereiste beheersplan niet wordt vastgelegd, goedgekeurd of uitgevoerd binnen de door de Regering bepaalde termijn, kan deze er één opleggen. In dit geval mogen de raad voor maatschappelijk welzijn en het beheerscomité van het ziekenhuis bijgestaan worden door een ziekenhuisdeskundige die door de Regering wordt aangewezen op grond van de door haar bepaalde voorwaarden en kwalificaties.  § 5. Na twee opeenvolgende uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, kan de Regering één of meer commissarissen gelasten zich, op de kosten van de leden van de raad van bestuur of van de personeelsleden van de vereniging die verzuimd hebben gevolg te geven aan de waarschuwingen, ter plaatse te begeven om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de bij de wetgeving en de algemene verordeningen voorgeschreven maatregelen ten uitvoer te brengen.  § 6. Artikel 110bis is van toepassing op de [1 in § 4bedoelde toezichtsmaatregelen.) <DWG 1998-04-02/40, art. 32; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  (§ 7.) Het ambt van provinciegouverneur is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van een raad van beheer van die vereniging. <DWG 1998-04-02/40, art. 32; Inwerkingtreding : 1998-05-08>  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 27, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 127. § 1. De beslissingen van de bovenbedoelde verenigingen zijn vatbaar voor beroep om dezelfde beweegredenen, onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde procedure als bepaald bij hoofdstuk V van deze wet.  § 2. De bepalingen van hoofdstuk VII betreffende de terugbetaling door particulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening zijn van toepassing op de door dit hoofdstuk bedoelde verenigingen.  Art. 128.§ 1. [3 ...  § 2. Personeelsleden van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat deelgenoot is van een in dit hoofdstuk bedoelde vereniging kunnen door deze worden overgenomen.  Ongeacht de regelen toepasselijk bij bevorderingen worden deze leden met hun graad of met een gelijkaardige graad en in hun hoedanigheid overgeplaatst; zij behouden de bezoldiging en de geldelijke anciënniteit die zij hadden of zouden bekomen hebben indien zij in hun dienst van herkomst het ambt dat zij bij hun overplaatsing bekleedden, verder hadden uitgeoefend.  De (Regering) bepaalt de algemene regelen tot vaststelling van de administratieve anciënniteit van deze personeelsleden. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden waaronder deze personeelsleden terug in hun centrum van herkomst kunnen worden opgenomen. De wetten of besluiten die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn niet van toepassing op de overplaatsingen die op grond van deze paragraaf geschieden. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  [1 ...  § 3. Bij de overname van personeel dat in dienst is van een deelgenoot van de privé-sector kan bedongen worden dat dit personeel in dezelfde toestand behouden blijft wat betreft bezoldiging, anciënniteit, sociale zekerheid en verworven rechten.  De voorwaarden en modaliteiten van een eventuele regularisatie in vast verband worden door de (Regering) bepaald. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  (§ 4. [3 ...  § 5. [3 ...  [2 § 6. [3 ...  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 28, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   <DWG 2018-03-29/49, art. 35, 028; Inwerkingtreding : 24-05-2018>   <DWG 2024-03-14/16, art. 22, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   Art. 128/1.[1 Het personeel van de vereniging is onderworpen aan een statutair of contractueel stelsel.   Het statutair personeelslid beoogt elk personeelslid dat tijdelijk of in vast verband benoemd is door eenzijdige beslissing van de overheid, evenals elk personeelslid dat bij eenzijdige beslissing van de overheid tot de stage toegelaten wordt met het oog op een vaste benoeming.   Het contractueel personeelslid beoogt elk lid van het personeel dat met een arbeidsovereenkomst in dienst is genomen overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.  ----------  <DWG 2024-03-14/16, art. 23, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   Art. 128/2. [1 De raad van bestuur neemt het organogram van de administratie aan.   Het organogram is de organisatiestructuur van de diensten van de vereniging. Het bevat de hiërarchische betrekkingen en identificeert de functies die deelname aan het directiecomité inhouden.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 24, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/3. [1 Het directiecomité bestaat uit de personeelsleden die door lokale leidende functie worden gekozen uit degenen die functies uitoefenen die verband houden met de hoedanigheid van dienstverantwoordelijke in het organigram.   Het directiecomité wordt voorgezeten door de lokale leidende functie.   Los van de bevoegdheden die worden toegekend door een beslissing van de raad van bestuur, is het Directiecomité bevoegd voor aangelegenheden met betrekking tot de organisatie en werking van de diensten, de voorontwerpen van begroting, de begrotingswijzigingen en de toelichtingen daarbij, de ontwerpen van personeelsformatie, organigrammen en algemeen personeelsstatuut.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 25, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/4. [1 Voor alle administratieve beroepen wordt een functiebeschrijving opgesteld voordat de functie wordt ingevuld. Ze wordt door de lokale leidende functie goedgekeurd na overleg binnen het directiecomité.   De functiebeschrijving bevat de opdracht, het doel of de doelstelling van de functie, de belangrijkste taken alsook alle beroepsvaardigheden en persoonlijke bekwaamheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 26, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/5. [1 De raad van bestuur keurt het vormingsplan goed op voorstel van de lokale leidende functie, na overleg in het directiecomité.   Het vormingsplan is een meerjarenprogramma dat jaarlijks wordt bijgewerkt en waarin de vormingsbehoeften worden vastgesteld en geprioriteerd om aan de doelstellingen van de administratie te voldoen.   Het stelt het noodzakelijke budget vast.   De raad van bestuur stelt de representatieve vakorganisaties onmiddellijk op de hoogte van het aangenomen vormingsplan.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 27, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/6. [1 § 1. De raad van bestuur stelt het algemeen personeelsstatuut vast.   Onder algemeen statuut van het personeel wordt verstaan alle algemene regels genomen in het kader van de lokale autonomie en die de administratieve en geldelijke juridische toestand van alle personeelsleden van de administratie regelen, ongeacht hun graad.   § 2. Het algemene statuut van het personeel omvat ten minste:   1° de voorwaarden waaraan men moet voldoen om als statutair personeelslid of als contractueel personeelslid te worden aangeworven, alsook de procedures en proeven die hierop betrekking hebben;   2° de bepaling, indeling, rangschikking en gelijkwaardigheid van de graden, ambten of functies;   3° de rechten en plichten van de personeelsleden, de onverenigbaarheden en verbodsbepalingen, evenals de regeling en de procedures inzake cumulaties met andere functies of betrekkingen;   4° de regels en procedures inzake tuchtregeling;   5° de ordemaatregelen;   6° de regels en procedures inzake evaluatie;   7° de regels en procedures inzake overplaatsing, mobiliteit, opdracht of enige andere vorm van wedertoewijzing naar andere diensten;   8° de regels en procedures inzake bevordering, inzake elke verhoging of voortschrijding van de loopbaan evenals die met betrekking tot de uitoefening van hogere functies;   9° de administratieve standen, de omstandigheden waardoor ze worden bepaald en hun gevolgen op de toestand van de personeelsleden met inbegrip van de regeling inzake verlof of ter beschikkingstelling;   10° de redenen voor beëindiging van het statutair dienstverband;   11° de verloningsgegevens;   12° de toekenningsvoorwaarden, begunstigden en vergoedingen met betrekking tot het telewerken, indien georganiseerd   Onder de proef bedoeld in 1° wordt verstaan een schriftelijk, mondeling of praktisch examen of een kandidatuur die aan het statuut voldoet, op basis waarvan de selectiecommissie de kandidaten voor de betrekking beoordeelt en hun titels en vaardigheden vergelijkt in de zin van artikel 128/11.   De elementen bedoeld in 11° zijn de weddeschalen en hun ontwikkeling in trappen, evenals de toekenningsvoorwaarden en de begunstigden van de vergoedingen, toelagen, en voordelen van alle aard, met inbegrip van aanvullende pensioenen.   § 3. De bezoldigingsregeling worden inzonderheid vastgesteld volgens de omvang van de bevoegdheden, de verantwoordelijkheidsgraad en de vereiste algemene en beroepsbekwaamheid, rekening houdend meer bepaald met de plaats die de personeelsleden bekleden in de hiërarchie van het bestuur van de vereniging.   De regels die toepasselijk zijn voor de vergoeding van de lokale leidinggevende functie van de vereniging zijn die, welke bepaald zijn in bijlage 4 bij het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.   § 4. Op een zichtbare en toegankelijke plaats wordt een mededeling opgehangen met de plaats waar het algemeen personeelsstatuut kan worden geraadpleegd. Elk personeelslid moet het algemeen personeelsstatuut en alle wijzigingen daarop te allen tijde en zonder tussenkomst van derden op een gemakkelijk toegankelijke plaats kunnen raadplegen.   § 5. De raad van bestuur is bevoegd inzake personeel, maar kan de uitvoering van de beslissingen die hij genomen heeft in het kader van de algemene bepalingen in personeelszaken delegeren.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 28, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/7. [1 § 1. Al statutaire personeelsleden wordt aangeworven en benoemd door de raad van bestuur na afloop van een procedure die voldoet aan het algemeen personeelsstatuut.   Deze bevoegdheid kan worden overgedragen, behalve wat de lokale leidende functie betreft.   § 2. Alle contractuele personeelsleden worden aangeworven door de raad van bestuur na afloop van een procedure die voldoet aan het algemeen personeelsstatuut. Deze bevoegdheid kan worden overgedragen, behalve wat de lokale leidende functie betreft.   De raad van bestuur is bevoegd om de arbeidsovereenkomst van een contractueel personeelslid te beëindigen. Deze bevoegdheid kan worden overgedragen, behalve wat de lokale leidende functie betreft.   De delegatie-akte vermeldt uitdrukkelijk het soort akte dat overgedragen kan worden, namelijk de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met of zonder opzegtermijn, met of zonder vergoeding, om ernstige redenen, of beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling overleg met het personeelslid.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 29, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/8. [1 § 1. Het personeel wordt aangeworven op basis van statutaire of contractuele regelingen in overeenstemming met de bepalingen van het algemeen personeelsstatuut.   De aanwerving verwijst naar de verrichtingen die tot doel hebben een betrekking te vervullen en die resulteren in de indiensttreding van een nieuw personeelslid.   § 2. De aanwerving vindt plaats op basis van een openbare oproep tot het indienen van kandidaturen, waarin in ieder geval een functieomschrijving, de juridische aard van de betrekking, de toegangsvoorwaarden en de weddeschaal van het algemeen personeelsstatuut zijn opgenomen.   De nadere bekendmakingsregels van de oproep voor kandidaten zijn vastgelegd in het algemeen personeelsstatuut.   § 3. Van de bekendmakingsmaatregel voor de oproep tot het indienen van kandidaturen kan worden afgeweken in geval van dringende redenen, in geval van aanwervingen op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van minder dan een jaar, of in geval van aanwervingen die nodig zijn om aan een wettelijke verplichting te voldoen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 30, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/9. [1 Voor elke aanwerving wordt een selectiecommissie ingesteld.   In het algemeen personeelsstatuut is de hoedanigheid van de leden van de selectiecommissie vastgelegd.   De lokale leidende functie bepaalt de namen van de gewone en plaatsvervangende leden van de selectiecommissie.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 31, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/10. [1 Het aantal en de aard van de wervingstoetsen zijn vastgelegd in het algemeen personeelsstatuut.   De waarnemers nemen niet deel aan de beraadslagingen van de selectiecommissie.   Het algemeen personeelsstatuut kan een kandidaat voor aanwerving vrijstellen van een deel van de proeven, op voorwaarde dat laatstgenoemde aantoont dat hij/zij voor een gelijkwaardige functie geslaagd is voor hetzelfde type proef in een andere gemeente, provincie, autonome bedrijf, intercommunale, politiezone, hulpverleningszone, openbaar centrum voor sociale actie of vereniging vallend onder hoofdstuk XII.   Het algemeen personeelsstatuut stelt een maximumtermijn vast waarbinnen de proeven initieel in de andere lokale autoriteit met vrucht moeten zijn afgelegd.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 32, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/11. [1 De autoriteit die bevoegd is om aan te werven zal de kwalificaties en vaardigheden van de kandidaten onderling vergelijken.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 33, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/12. [1 § 1. Wanneer een door bevordering toegankelijk ambt door de raad van bestuur vacant wordt verklaard, wordt een oproep tot het indienen van kandidaturen onder het statutaire en contractuele personeel van zijn administratie gedaan.   § 2. De artikelen 128/9 tot 128/11 zijn van toepassing op de bevorderingsprocedures.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 34, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/13. [1 § 1. Beoordeling is een instrument voor personeelsbeheer dat, als onderdeel van een dialoog tussen de autoriteit en het personeelslid, een beoordeling mogelijk maakt van het geleverde werk en de professionele ontwikkeling van de werknemer in zijn of haar functie.   § 2. Elk personeelslid wordt beoordeeld volgens de regels van het algemeen personeelsstatuut. Hierin zijn de criteria vastgelegd waarnaar verwezen wordt om elk personeelslid te beoordelen op het behalen van de voor hem/haar vastgestelde doelstellingen, de te volgen procedure en de na te streven termijnen, evenals de beoordelingsreferenties en de gevolgen daarvan voor de administratieve en geldelijke situatie van het personeelslid.   Elk personeelslid wordt beoordeeld door zijn hiërarchische meerdere(n).   § 3. Wanneer de evaluatie niet binnen de vier maanden na de vervaldatum is uitgevoerd vastgesteld in het algemeen personeelsstatuut, wordt zij geacht gunstig te zijn en heeft zij terugwerkende kracht tot de vervaldatum.   Het algemeen personeelsstatuut kan bijzondere nadere regels vastleggen wanneer het personeelslid afwezig is tijdens de gehele evaluatieperiode of een deel ervan en/of tijdens de vier maanden die volgen op de vervaldatum van de evaluatie.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 35, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/14. [1 De statutaire personeelsleden kunnen ambtshalve worden ontzet wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt, onder de voorwaarden en volgens de procedures vastgesteld in de artikelen 54 tot en met 54quater.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 36, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/15. [1 § 1. De statutaire personeelsleden kunnen ter beschikking worden gesteld van een gebruiker om de belangen van de vereniging te verdedigen.   Onder gebruiker worden verstaan, de gemeenten, de provincies, de intercommunales, de openbare centra voor sociale actie, verenigingen die vallen onder hoofdstuk XII, de hulpverleningsgebieden, de politiezones, autonome bedrijven, de instellingen voor de erediensten, de huisvestingsmaatschappijen, de verenigingen zonder winstoogmerk. De Regering kan andere gebruikers aanwijzen in geval van dringende en dwingende omstandigheden.   § 2. De terbeschikkingstelling van de statutaire personeelsleden is tijdelijk.   Zij wordt georganiseerd in een schriftelijke overeenkomst tussen de vereniging en de gebruiker, waarin de voorwaarden en de duur van de terbeschikkingstelling, de aard van de opdracht en de elementen van de vergoeding nader worden bepaald.   De overeenkomst wordt goedgekeurd door de raad van bestuur en ondertekend door vereniging en de gebruiker voor aanvang van de terbeschikkingstelling. De ondertekende overeenkomst wordt voor aanvang van de terbeschikkingstelling aan het betrokken personeelslid meegedeeld, hetzij persoonlijk, hetzij, tegen ontvangstbevestiging, per aangetekende post of e-mail.   De toestemming van de overeenkomst kan worden gedelegeerd door de raad van bestuur, mits de raad van bestuur op de hoogte wordt gesteld.   § 3. Het personeelslid behoudt gedurende de hele duur van de terbeschikkingstelling zijn hoedanigheid van statutair personeelslid van de vereniging en blijft onderworpen aan het algemeen personeelsstatuut van de vereniging.   Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld bij een gebruiker bevindt zich in actieve dienst tijdens de duur van de terbeschikkingstelling. Hij heeft recht op zijn bezoldiging en behoudt het recht deel te nemen aan de procedures voor bevordering in een hogere weddeschaal, graad of loopbaan als voorzien in het algemeen personeelsstatuut.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 37, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 128/16. [1 § 1. De statutaire personeelsleden worden in ruste gesteld op de leeftijd die wordt bepaald bij de toepasselijke bepalingen inzake wettelijk pensioen.   § 2. Het in activiteit blijven na de wettelijke pensioenleeftijd kan op aanvraag van het betrokken personeelslid worden toegestaan door de raad van bestuur. De periode van het in activiteit blijven wordt vastgelegd voor een maximale duur van één jaar. Bedoelde periode kan volgens dezelfde modaliteiten verlengd worden voor een eenmalige nieuwe periode van maximum één jaar.   De toestemming geven om zijn ambt langer uit te oefenen kan worden gedelegeerd door de raad van bestuur, mits de raad van bestuur op de hoogte wordt gesteld.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2024-03-14/16, art. 38, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>      Art. 129.Voor het beheer van de vereniging en van haar inrichtingen en diensten worden de regelen toegepast van het dubbel boekhouden.  Het financieel dienstjaar stemt overeen met het kalenderjaar.  De rekening van de vereniging omvat de balans, de exploitatierekening en de winst- en verliesrekening, afgesloten op 31 december van elk jaar.  De andere regelen eigen aan het financieel beheer van de verenigingen worden door de (Regering) bepaald. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  [1 Binnen vijf dagen van het aannemen ervan, wordt de rekening van de vereniging meegedeeld aan de representatieve vakbondsorganisaties. Informatie met betrekking tot de structuur van de tewerkstelling, de evolutie ervan en de vooruitzichten inzake tewerkstelling, het personeel dat gedurende het geheel of een deel van het referentiejaar wordt tewerkgesteld [2 , alsook het aantal benoemingen gepland voor het lopende begrotingsjaar,gaan gepaard met de rekening.   De documenten bedoeld in het vijfde lid kunnen via email worden meegedeeld.   Op hun aanvraag worden de representatieve vakorganisaties door de raad van bestuur onverwijld uitgenodigd op een specifieke informatiesessie waarop bedoelde documenten worden voorgelegd en uitgelegd. De aanvraag wordt ingediend binnen vijf dagen na de mededeling van de documenten en informatie bedoeld in het vijfde lid.   De informatiesessie vindt plaats vóór de overmaking van de rekening aan de toezichthoudende overheid en vóór elke buitenpubliciteit.  ----------  <DWG 2016-11-10/07, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 04-12-2016>   <DWG 2024-03-14/16, art. 39, 046; Inwerkingtreding : 01-06-2024>   Art. 130. De vereniging is aansprakelijk voor de fouten die kunnen toegeschreven worden hetzij aan haar aangestelden, hetzij aan de organen, waardoor haar wil wordt uitgevoerd.  Door de beheerders wordt geen persoonlijke verplichting aangegaan betreffende de verbintenissen van de vereniging. Hun aansprakelijkheid is beperkt tot de vervulling van de hun gegeven opdracht en tot de in hun beheer bedreven fouten.  Art. 131.De duur van de vereniging mag niet meer bedragen dan dertig jaar.  De vereniging is van rechtswege ontbonden bij het verstrijken van de door de statuten vastgestelde duur indien de verlenging niet vooraf beslist [1 ....  [1 ...  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 29, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 132.Tot de vrijwillige ontbinding van de vereniging vóór het verstrijken van de termijn door de statuten bepaald, kan alleen worden beslist met de instemming van al de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die er lid van zijn.  [1 ...  ----------  <DWG 2014-01-23/08, art. 30, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2014>   Art. 133.[1 § 1.De (Regering) kan de ontbinding uitspreken van elke vereniging [2 die haar opdracht te buiten gaatof niet verwezenlijkt. (Zij) kan dit ook doen zo deze haar wettelijke en statutaire verplichtingen niet naleeft. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  De (Regering) kan tevens de ontbinding uitspreken van elke vereniging, welke zich op 31 december 1978 niet heeft aangepast aan de nieuwe wettelijke, reglementaire en statutaire beschikkingen, welke door de huidige wet of door de (Regering) werden opgelegd. <DWG 1998-04-02/40, art. 34; Inwerkingtreding : 08-05-1998>  [1 § 2. De Regering kan de dienst die zij aanwijst, ermee belasten, binnen de verenigingen bedoeld in Hoofdstuk XII van deze wet, controles inzake de wettelijkheid en de regelmatigheid van specifieke verrichtingen of onderzoekingen naar het interne goed bestuur van de instelling uit te voeren.   De dienst bedoeld in lid 1 kan :   1° te allen tijde alle stukken en inlichtingen, ongeaard de aard ervan, van de overheden, bedoeld in Hoofdstuk XII die ze nuttig acht voor het voltooien van de opdrachten omschreven in lid 1 laten overmaken;   2° een controle ter plaatse organiseren in de diensten en instellingen bedoeld in Hoofdstuk XII en overeenkomstig lid 1.   De dienst bedoeld in lid 1 :   1° stelt een verslag aan de Regering op, formuleert bemerkingen en, in voorkomend geval, aanbevelingen;   2° legt zijn verslag aan de diensten en instellingen bedoeld in Hoofdstuk XII voor, die over een termijn van dertig dagen beschikken om hun bemerkingen en voorstellen inzake de uitvoering van de aanbevelingen te formuleren.  ----------  <DWG 2018-10-04/02, art. 12, 032; Inwerkingtreding : 20-10-2018>   <DWG 2023-04-06/05, art. 8, 045; Inwerkingtreding : 21-10-2023>   Art. 134. (De definitief geworden goedkeuringsbesluiten) betreffende de in dit hoofdstuk bedoelde verenigingen, alsmede de beslissing waarbij akte genomen wordt van het ontslag bedoeld door artikel 123, worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. <W 1992-08-05/46, art. 67; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  De statuten en de eventuele wijzigingen hiervan worden (...) in extenso bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad op kosten van de vereniging. <W 1992-08-05/46, art. 67; Inwerkingtreding : 18-10-1992>  Art. 135. Bij ontbinding van de vereniging kan elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn door (de Regering), gemachtigd worden om de goederen die op zijn grondgebied zijn gelegen terug te kopen volgens de bepalingen voorzien in de statuten of bij gebreke hiervan volgens schatting van deskundigen. <DWG 2005-12-08/43, art. 16; Inwerkingtreding : 08-10-2006>  Bij gebreke aan aanbieding van terugneming of aan machtiging worden die goederen openbaar verkocht, tenzij een andere deelgenoot van de vereniging beslist ze tegen de prijzen der schatting aan te kopen.  HOOFDSTUK XIIbis. [1 - Toekenning van bepaalde toelagen en controle op de toekenning en op het gebruik ervan  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 3, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Afdeling 1. [1 - Toepassingsveld  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Art. 135bis.[1 § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elke in artikel 135ter bedoelde toelage die toegekend wordt door :   1° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn [2 in het kader van hun doel, onverminderd artikel 61;   2° de verenigingen bedoeld in artikel 118.   § 2. De begunstigde van een toelage is een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid.   § 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op toelagen van minder dan 2.500 euro toegekend door de verleners bedoeld in § 1, tenzij ze het recht hebben om een deel of het geheel van de bij deze titel bepaalde verplichtingen aan de begunstigden op te leggen, onverminderd de verplichtingen bedoeld in de artikelen 135septies en 135novies, § 1, 1°, die in elk geval opgelegd worden.   Wat betreft de toelagen die tussen 2.500 euro en 25.000 euro bedragen, kan de verlener de begunstigde vrijstellen van een deel of het geheel van de verplichtingen waarin deze titel voorziet, zonder dat hij evenwel vrijgesteld kan worden van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 135septies en 135novies, § 1, 1°.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   <DWG 2023-04-06/05, art. 9, 045; Inwerkingtreding : 21-10-2023>   Art. 135ter. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder toelage verstaan elke bijdrage, elk voordeel of elke steun, ongeacht de vorm of de benaming ervan, toegekend voor doeleinden van algemeen belang, met uitsluiting van :   1° de toelagen onderworpen aan de bepalingen van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat of aan de bepalingen van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof;   2° de steun die voortvloeit uit een verplichting opgelegd bij of krachtens een wet of een decreet;   3° de bijdragen gestort door de verleners aan de instellingen waarvan ze lid zijn, in ruil voor de specifieke diensten verstrekt door die instellingen ten gunste van de verleners;   4° de prijzen toegekend uit erkentelijkheid of beloning voor de verdiensten van hun begunstigde;   5° de toelagen toegekend door het O.C.M.W. aan de gemeente die het bedient.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Afdeling 2. [1 - Toekenning van de toelagen  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Art. 135quater. [1 § 1. De verlener kan de volgende stukken eisen van een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die om de toekenning van een toelage verzoekt :   1° de begroting van het boekjaar waarop de toelage betrekking heeft;   2° de begroting van de gebeurtenis of de bijzondere investering die door de toelage gefinancierd moet worden;   3° de meest recente jaarrekeningen.   § 2. De begunstigde die verzoekt om een toelage ter dekking van reeds vastgelegde uitgaven voegt de rechtvaardigingen van die uitgaven bij zijn aanvraag.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Art. 135quinquies. [1 § 1. De verlener formaliseert de toekenning van de toelage in een beraadslaging.   § 2. Tenzij een reglement van de verlener of een ter uitvoering van de beraadslaging genomen overeenkomst daarin voorziet, vermeldt de beraadslaging :   1° de aard van de toelage;   2° het toepassingveld ervan;   3° de identiteit of de benaming van de begunstigde;   4° de doeleinden waarvoor de toelage toegekend wordt;   5° desgevallend de bijzondere gebruiksvoorwaarden;   6° de rechtvaardigingen geëist van de begunstigde alsook, in voorkomend geval, de termijnen waarin ze overgelegd moeten worden;   7° de modaliteiten voor de betaling van de toelage.   Als de toelage toegekend wordt ter dekking van uitgaven waarvoor de begunstigde al rechtvaardigingen heeft overgelegd, is er in de beraadslaging geen sprake van de melding bedoeld in het eerste lid, 6°.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Art. 135sexies. [1 De verlener schort de aanneming van de in artikel 135quinquies bedoelde beraadslaging op zolang de begunstigde een vroeger ontvangen toelage moet terugbetalen, krachtens artikel 135novies.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Afdeling 3. [1 - Gebruik van de toelagen en controle op het gebruik ervan  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 11, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Art. 135septies. [1 De begunstigde :   1° gebruikt de toelage voor de doeleinden waarvoor ze is toegekend;   2° bewijst het gebruik ervan d.m.v. de rechtvaardigingen bedoeld in artikel 135quinquies, § 2, eerste lid, 6°;   3° voldoet desgevallend aan de bijzondere gebruiksvoorwaarden bedoeld in artikel 135quinquies, § 2, tweede lid, 1, 5°.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 12, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Art. 135octies. [1 § 1. De verlener controleert het gebruik van de toelage d.m.v. de rechtvaardigingen bedoeld in artikel 135quinquies, § 2, eerste lid, 6°.   Hij heeft ook het recht om het gebruik van de toegekende toelage ter plaatse te laten controleren.   § 2. Na afloop van de controle(s) neemt de verlener een beraadslaging aan waarin aangegeven wordt of de toelage(n) is (zijn) gebruikt voor de doeleinden waarvoor ze is (zijn) toegekend.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 13, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Afdeling 4. [1 - Terugbetaling van de toelagen  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 14, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   Art. 135novies. [1 § 1. Onverminderd de ontbindende bepalingen waaraan de toelage onderworpen is, betaalt de begunstigde de toelage terug in de volgende gevallen :   1° als hij ze niet gebruikt voor de doeleinden waarvoor ze toegekend wordt;   2° als hij niet voldoet aan de bijzondere gebruiksvoorwaarden bedoeld in artikel 135quinquies, § 2, eerste lid, 5°;   3° als hij de rechtvaardigingen bedoeld in artikel 135quinquies, § 2, eerste lid, 6°, niet binnen de voorgeschreven termijnen overlegt;   4° als hij zich verzet tegen de uitoefening van de controle bedoeld in artikel 135octies, § 1, tweede lid.   In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1° en 3°, betaalt de begunstigde evenwel slechts het gedeelte van de toelage terug dat niet gebruikt werd voor de doeleinden waarvoor ze toegekend werd of dat niet gerechtvaardigd werd.   Wat de toelagen in natura betreft, geschiedt de terugbetaling dienovereenkomstig.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2013-01-31/14, art. 15, 016; Inwerkingtreding : 01-06-2013>   HOOFDSTUK XIIter [1 Gevolgen van een vrijwillige samenvoeging van gemeenten ten opzichte van de OCMW's van de samengevoegde gemeenten  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 3, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Afdeling 1. [1 Begripsomschrijvingen  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135decies.[1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder:   1° samenvoegingsdecreet: het decreet op basis waarvan de gemeenten worden afgeschaft en een nieuwe gemeente wordt opgericht waarvan de grenzen worden vastgesteld;   2° de datum van de samenvoeging: de eerste maandag van december na de verkiezingen overeenkomstig artikel L4124-1, § 1;   3° samen te voegen gemeenten: de gemeenten die een princiepsbeslissing tot samenvoeging hebben genomen en die beslissing bij de Regering hebben ingediend;   4° samengevoegde gemeenten: de oorspronkelijke gemeenten, bedoeld in het "decreet samenvoeging";   5° de nieuwe gemeente: de opgerichte gemeente krachtens het "decreet samenvoeging";   6° samen te voegen OCMW's: de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die de samen te voegen gemeenten bedienen;   7° samengevoegde OCMW's: de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die de samengevoegde gemeenten bedienen;   8° nieuw OCMW: het openbare centrum voor maatschappelijk welzijn dat de nieuwe gemeenten bedient.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 5, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Afdeling 2. [1 Algemene bepalingen  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 6, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135undecies [1 De samenvoeging van gemeenten heeft van rechtswege bij elke nieuwe gemeente de oprichting van een nieuw OCMW tot gevolg.   De openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de samengevoegde gemeenten worden opgeheven op de samenvoegingsdatum.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 7, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Art. 135duodecies [1 De Raden voor maatschappelijk welzijn wijzen in onderling een van de directeurs-generaal van het OCMW aan die optreedt als coördinerend directeur-generaal OCMW van de samenvoeging op ambtelijk niveau en die ook de opdrachten uitvoert die hem worden toegewezen krachtens dit hoofdstuk. De directeurs-generaal van de andere betrokken OCMW's staan hem in zijn opdrachten bij. Bij gebrek aan een overeenkomst, wordt de directeur-generaal van het OCMW met het grootste aantal inwoners aangewezen als coördinerend directeur-generaal van de samenvoeging op ambtelijk niveau.   De Raden voor maatschappelijk welzijn wijzen in onderling overleg een van de financieel directeurs of, bij afwezigheid van een financieel directeur, een van de gewestelijke ontvangers die optreedt als coördinerend financieel directeur van de samenvoeging op ambtelijk niveau voor de coördinatie van de financiële aspecten van de samenvoeging en die ook de opdrachten uitvoert die hem worden toegewezen krachtens dit hoofdstuk. De financieel directeurs van de andere betrokken OCMW's staan hem in zijn opdrachten bij. Bij gebrek aan een overeenkomst, wordt de financieel directeur van het OCMW met het grootste aantal inwoners aangewezen als coördinerend financieel directeur van de samenvoeging op ambtelijk niveau voor de coördinatie van de financiële aspecten van de samenvoeging.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 8, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135terdecies 1 § 1. De samenvoeging van gemeenten kan het voorwerp uitmaken van een beslissing van de betrokken gemeenteraden enkel nadat deze vooraf is voorgelegd aan het overlegcomité opgericht in elke samen te voegen gemeente overeenkomstig artikel 26 van deze wet.   § 2. Zodra de gemeenteraden kennis hebben gegeven van hun gezamenlijke intentie om tot een samenvoeging met de Regering over te gaan, worden gezamenlijke vergaderingen van de beheerscomités van de betrokken openbare centra voor maatschappelijk welzijn gehouden.   § 3. Vanaf de indiening van het gemeenschappelijke voorstel tot samenvoeging bedoeld in artikel L1153-1 van het Wetboek van Plaatselijke Democratie en Decentralisatie tot de datum van goedkeuring door het toezicht op de begroting van de nieuwe gemeente of tot de dag waarop de Regering beslist niet op het voorstel tot samenvoeging in te gaan of waarop het Parlement het ontwerp van decreet samenvoeging verwerpt, worden de handelingen van de samen te voegen OCMW's pas na verplicht overleg tussen deze OCMW's aangenomen, met uitzondering van handelingen die:   1° hetzij onder het dagelijks overheidsbeheer vallen;   2° onherstelbare schade aan de gemeenschap zouden kunnen veroorzaken als ze niet worden genomen;   3° het normale sluitstuk vormen van de vóór de kennisgeving ingeleide procedures door de gemeenteraden van hun gezamenlijke intentie om tot een samenvoeging met de Regering over te gaan overeenkomstig artikel L1153-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.   De begroting voor het begrotingsjaar volgend op het jaar van de samenvoeging wordt gezamenlijk aangenomen.   Bij onenigheid tussen de overlegorganen of tussen de organen van sociale actie, wordt het geschil door de Gouverneur beslecht.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 9, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Art. 135quaterdecies [1 Op de datum van de samenvoeging, volgt het nieuwe OCMW de samengevoegde OCMW's op in de rechten en verplichtingen wat betreft roerende en onroerende goederen, overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, overheidsopdrachten voor leveringen en diensten, concessies voor werken en diensten en overeenkomsten die aan de nieuwe OCMW's zijn overgedragen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die uit lopende en toekomstige gerechtelijke en administratieve procedures voortvloeien.   Een inventaris van de roerende en onroerende goederen, overheidsopdrachten, concessies en overeenkomsten van de samengevoegde OCMW's is bij het voorstel tot samenvoeging gevoegd. De Regering stelt het model van inventaris vast.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 10, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Art. 135quindecies [1 De reglementen blijven van toepassing in de samengevoegde OCMW's waarvoor zij zijn uitgevaardigd, tot de dag waarop zij door de bevoegde overheid worden opgeheven, uiterlijk één jaar na de datum van de samenvoeging.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 11, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Afdeling 3. [1 Installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de nieuwe gemeente   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 12, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Art. 135sexdecies [1 § 1. De samenstelling en vorming van de nieuwe raad voor maatschappelijk welzijn wordt geregeld bij afdeling van hoofdstuk II.   § 2. Voor de toepassing van artikel 6, moet rekening worden gehouden met de bevolking van de nieuwe gemeente.   § 3. Voor de toepassing van artikel 7, moet men ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een van de samengevoegde gemeenten.   § 4. Voor de toepassing van artikel 9, 7°, hebben de woorden "elke persoon die personeelslid is of een toelage of een wedde ontvangt van de gemeente, met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden en van het onderwijspersoneel" betrekking op elke persoon die personeelslid is van het gemeentepersoneel van een van de samengevoegde gemeenten, of die een een toelage of een wedde ontvangt van een van de samengevoegde gemeenten.   § 5. De uitvoering van artikel 11 valt onder de bevoegdheid van de burgemeester van de samengevoegde gemeente en van de directeur-generaal-coördinator van de gemeente.   § 6. De zetel van het OCMW waarvan de directeur-generaal als coördinator is aangesteld, is de zetel van het nieuwe OCMW zolang de raad voor maatschappelijk welzijn geen beslissing heeft genomen betreffende de verplaatsing van de zetel van het OCMW.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 13, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Afdeling 4. [1 Personeel van het OCMW  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 14, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      onderafdeling 1 [1 Principiële beslissing met betrekking tot de samenvoeging en gevolgen voor het personeel   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 15, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Art 135septdecies [1 Vanaf de datum van de principiële beslissing van de betrokken gemeenteraden om tot de samenvoeging over te gaan, kunnen de samen te voegen OCMW's samenwerkingsovereenkomsten sluiten om de leden van hun respectieve personeel in te schakelen voor specifieke functies.   Indien de functie van directeur-generaal of van financieel directeur van een van de samen te voegen OCMW's vacant wordt na de datum van de beslissing om tot samenvoeging over te gaan, kan de raad voor maatschappelijk welzijn, om deze functie uit te oefenen:   1° een beroep doen op een directeur-generaal of een financieel directeur van een van de andere OCMW's die een van de samen te voegen gemeenten bedienen of van een van de samen te voegen gemeenten, op basis van een samenwerkingsovereenkomst;   2° een directeur-generaal of een financieel directeur aanstellen die tot de datum van de samenvoeging optreedt.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 16, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Onderafdeling 2 [1 Directeur-generaal en financieel directeur  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 17, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135octodecies. 1 Vanaf de datum van de samenvoeging tot de aanstelling van een nieuwe directeur-generaal van het OCMW, vervult de coördinerend directeur-generaal van het OCMW de functie van directeur-generaal van het nieuwe OCMW.   Als de gemeenteraad van de nieuwe gemeente een voorlopige tegemoetkoming heeft toegekend aan de coördinerend directeur-generaal van de gemeente, kent de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW ook een voorlopige tegemoetkoming toe aan de coördinerend directeur-generaal van het OCMW. Deze tegemoetkoming is gelijk aan het verschil tussen de wedde die zou zijn ontvangen in de functie van directeur-generaal van het nieuwe OCMW en de wedde van de coördinerend directeur-generaal in zijn of haar oorspronkelijk OCMW.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 18, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135novodecies.[1 § 1. Binnen zes maanden na de datum van de samenvoeging, wijst de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW een directeur-generaal aan onder:   1° de directeurs-generaal van de samengevoegde OCMW's die zich kandidaat stellen na een oproep tot kandidaten;   2° bij gebrek aan een kandidaat overeenkomstig 1°, de directeurs-generaal van de samengevoegde gemeenten die zich kandidaat stellen na een oproep tot kandidaten.   De Regering bepaalt de voorwaarden en modaliteiten voor de toegang tot de functie van directeur-generaal van het nieuwe OCMW.   De in lid 1 bedoelde directeur-generaal is vanaf de datum van zijn aanstelling onderworpen aan alle administratieve en geldelijke bepalingen van deze wet. Hij behoudt zijn geldelijke anciënniteit.   § 2. Indien een of meerdere van de samengevoegde OCMW's een adjunct-directeur-generaal hadden, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW bij voorrang een adjunct-directeur-generaal onder hen aan, na een oproep tot kandidaten   Dezelfde procedure wordt georganiseerd in het geval van gezamenlijke adjunct-directeurs-generaal voor de samengevoegde gemeente en OCMW.   Vanaf de datum van zijn aanstelling is de in lid 1 bedoelde adjunct-directeur-generaal of de in lid 2 bedoelde gezamenlijke adjunct-directeur-generaal onderworpen aan alle administratieve en geldelijke bepalingen van deze wet. Hij behoudt zijn geldelijke anciënniteit .  ----------  <DWG 2022-07-14/33, art. 2, 039; Inwerkingtreding : 03-10-2022>   Art. 135vicies.[1 Indien er na de in artikel 135novodecies bedoelde oproep tot kandidaten geen kandidaat zich heeft gemeld voor de functie van directeur-generaal van het OCMW of indien geen enkele kandidaat aan de gestelde voorwaarden voldoet, wordt de directeur-generaal aangesteld overeenkomstig artikelen 41 en volgende.  ----------  <DWG 2022-07-14/33, art. 3, 039; Inwerkingtreding : 03-10-2022>   Art. 135unvicies..[1 Vanaf de datum van de samenvoeging tot de aanwijzing van een nieuwe financieel directeur, vervult de coördinerend financieel directeur de functie van financieel directeur van het nieuwe OCMW.   Als de gemeenteraad van de nieuwe gemeente een voorlopige tegemoetkoming heeft toegekend aan de coördinerend directeur-generaal van de gemeente, kent de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW ook een voorlopige tegemoetkoming toe aan de coördinerend directeur-generaal van het OCMW. Deze tegemoetkoming is gelijk aan het verschil tussen de wedde die zou zijn ontvangen in de functie van financieel directeur van het nieuwe OCMW en de wedde van de coördinerend financieel directeur in zijn of haar oorspronkelijk OCMW.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 21, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135duovicies..[1 § 1. Binnen zes maanden na de datum van de samenvoeging, wijst de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW een financieel directeur aan onder :   1° de financieel directeurs van de samengevoegde OCMW's die zich kandidaat stellen na een oproep tot kandidaten;   2° bij gebrek aan een kandidaat overeenkomstig 1°, de financieel directeurs van de samengevoegde gemeenten die zich kandidaat stellen na een oproep tot kandidaten.   De Regering bepaalt de voorwaarden en modaliteiten voor de toegang tot de functie van financieel directeur van het OCMW.   De in lid 1 bedoelde financieel directeur is vanaf de datum van zijn aanstelling onderworpen aan alle administratieve en geldelijke bepalingen van deze wet. Hij behoudt zijn geldelijke anciënniteit.   § 2. Indien de samengevoegde OCMW's ten minste één gewestelijke ontvanger hadden, beslist de raad van het OCMW over het al dan niet handhaven van de gewestelijke ontvangst.   Indien hij de gewestelijke ontvangst handhaaft, wordt het verzoek om toewijzing van deze ontvangst aan de provinciegouverneur gericht.   Indien de raad van het nieuwe OCWM het ambt van financieel directeur creëert, stelt hij de financieel directeur overeenkomstig de in paragraaf 1 bedoelde modaliteiten aan .  ----------  <DWG 2022-07-14/20, art. 4, 038; Inwerkingtreding : 01-09-2022>   Art. 135tervicies..[1 Indien er na de in artikel 135duovicies bedoelde oproep tot kandidaten geen kandidaat zich heeft gemeld voor de functie van financieel directeur van het OCMW of indien geen enkele kandidaat aan de gestelde voorwaarden voldoet, wordt de financieel directeur aangesteld overeenkomstig artikelen 41 en volgende.  ----------  <DWG 2022-07-14/33, art. 5, 039; Inwerkingtreding : 03-10-2022>   Onderafdeling 3. [1 Uitoefening van de functie van financieel directeur van het OCMW door de financieel directeur van de gemeente   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 24, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>       Art. 135quatervicies. [1 In afwijking van artikel 135duovicies en in toepassing van artikel 41ter van dit wet, kan de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW besluiten dat de financieel directeur van de nieuwe gemeente tegelijkertijd de functie van financieel directeur van de nieuwe OCMW uitoefent.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 25, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Onderafdeling 4. [1 Andere personeelsleden van de OCMW  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 26, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135quinvicies. [1 Op de datum van de samenvoeging, worden alle personeelsleden van de samengevoegde OCMW's personeelsleden van het nieuwe OCMW, ongeacht de aard van hun dienstverband.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 27, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135sexvicies. [1 Na de overdracht aan het nieuwe OCMW, behouden de personeelsleden de aard van hun dienstverband, hun graad, hun administratieve en geldelijke anciënniteit, hun prestatieregeling en hun weddeschaal.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 28, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135septvicies.[1 De personeelsleden blijven onderworpen aan het statuut dat op hen van toepassing was in hun oorspronkelijk OCMW tot de inwerkingtreding van het statuut van het nieuwe OCMW bedoeld in artikel 135octovicies.   De raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW stelt een voorlopig statuut vast dat van toepassing is op de personeelsleden die in het nieuwe OCMW moeten worden aangewezen vanaf de datum van de samenvoeging en dat geldig is tot de inwerkingtreding van het statuut van het nieuwe OCMW bedoeld in artikel 135octovicies.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 29, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Onderafdeling 5. [1 Nieuw organogram en nieuw statuut  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 30, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135octovicies. [1 Binnen een jaar na de datum van de samenvoeging, stelt het Vast Bureau van het nieuwe OCMW het organogram vast overeenkomstig artikel 42, § 2, van deze wet en stelt de raad van het nieuwe OCMW een nieuw statuut vast voor het geheel van zijn personeelsleden.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 31, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Afdeling 5. [1 Bepalingen betreffende financiën  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 32, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135novovicies.[1 In afwijking van artikel 88 van de Wet, stelt de Raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW vóór 31 december van het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen de begroting vast voor het begrotingsjaar volgend op de datum van de samenvoeging.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 33, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>   Art. 135tricies. [1 De financieel directeurs en de gewestelijke ontvangers van de samengevoegde OCMW's stellen, elk voor wat hen betreft, de jaarrekeningen van de samengevoegde OCMW's vast voor de boekjaren tot en met 31 december van het jaar van de samenvoeging.   De raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW spreekt zich uit over de vaststelling van deze jaarrekening.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 34, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Art. 135untricies. [1 ijdens het boekjaar volgend op de datum van de samenvoeging, wordt de dotatie aan het bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn toegekend aan het nieuwe OCMW verkregen door de toegekende dotaties aan de samengevoegde OCMW's op te tellen op basis van de jaarlijks bijgewerkte statistieken betreffende hun grondgebied of, bij gebreke daarvan, die worden gebruikt voor het verdelingsjaar van het jaar van de datum van de samenvoeging.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 35, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      Afdeling 6. [1 Overgangsbepalingen.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 36, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>       Art. 135duotricies. [1 Een directeur-generaal die een samengevoegd OCMW verlaat, die niet wordt aangewezen als directeur-generaal van het nieuwe OCMW en die ook niet wordt aangewezen als directeur-generaal van de nieuwe gemeente, wordt aangesteld in een passende functie van niveau A in het nieuwe OCMW, met behoud met zijn geldelijke anciënniteit.   De uittredende directeur-generaal bedoeld in het eerste lid wordt ingeschaald in de salarisschaal die verbonden is aan de passende functie. Hij behoudt de salarisschaal die hij genoot als directeur-generaal in zijn oorspronkelijk OCMW, zolang de wedde op basis daarvan gunstiger is dan de wedde die hij zou genieten na de inschaling.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 37, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>       Art. 135tertricies [1 Een financieel directeur die een samengevoegd OCMW verlaat, die niet wordt aangewezen als financieel directeur van het nieuwe OCMW en die ook niet wordt aangewezen als financieel directeur van de nieuwe gemeente, wordt aangesteld in een passende functie van niveau A in het nieuwe OCMW, met behoud met zijn geldelijke anciënniteit.   De uittredende financieel directeur bedoeld in het eerste lid wordt ingeschaald in de salarisschaal die verbonden is aan de passende functie. Hij behoudt de weddeschaal die hij genoot als financieel directeur in zijn oorspronkelijk OCMW, zolang de wedde op basis daarvan gunstiger is dan de wedde die hij zou genieten na de inschaling   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 38, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>       Art. 135quatertricies [1 De raad voor maatschappelijk welzijn stelt indien nodig overgangsbepalingen vast om ervoor te zorgen dat de personeelsleden een specifieke regeling op persoonlijke titel behouden, zolang deze gunstiger is dan de overeenkomstige regeling van het nieuwe statuut.   ----------  <Ingevoegd bij DWG 2019-05-02/78, art. 39, 033; Inwerkingtreding : 27-09-2019>      HOOFDSTUK XIII. - Overgangs-, wijzigings- en opheffingsbepalingen.  Art. 136. De overgang van het patrimonium van de commissies van openbare onderstand naar de openbare centra voor maatschappelijk welzijn mag geen afbreuk doen aan de verworven rechten en de wettelijk gevestigde bestemmingen van goederen, noch aan de rechten die vóór de bekendmaking van deze wet inzake stichtingen voorbehouden waren op grond van de artikelen 84 tot 87 van de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de openbare onderstand.  Art. 137. De provinciale onderstandsfondsen bedoeld door de artikelen 89 tot 91 van de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de openbare onderstand worden ontbonden.  Hun gebeurlijk tegoed wordt door de zorgen van de bestendige deputatie vereffend in de vorm van tegemoetkomingen ten gunste van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die in de betrokken provincie gelegen zijn en waarvan de inkomsten ontoereikend zijn.  Art. 138. De identificatiediensten ingesteld met toepassing van artikel 98 van de wet van 10 maart 1925 worden opgeheven. Hun activa en passiva, evenals hun personeel worden overgenomen door het Ministerie dat het maatschappelijk welzijn onder zijn bevoegdheid heeft. De Koning regelt de modaliteiten van deze overname.  Art. 139. De regelen betreffende de overgave van de goederen en van het archief van de commissies van openbare onderstand aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsmede die betreffende het opmaken van de eindrekeningen van de ontvangers van de commissies van openbare onderstand, worden bepaald bij koninklijk besluit.  Art. 140. Voor de eerste verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn is de voorrang waarvan sprake in artikel 15, 1° en 2°, eveneens van toepassing voor de kandidaten die op de dag van de verkiezing een mandaat in een commissie van openbare onderstand bekleden of dit mandaat vroeger hebben uitgeoefend.  Art. 141. § 1. In de nieuwe gemeenten tot stand gekomen ingevolge samenvoeging of aanhechting krachtens de wet van 30 december 1975 zijn de bepalingen die getroffen werden ten opzichte van de commissies van openbare onderstand van de samengevoegde gemeenten en de bij een aanhechting betrokken gemeenten, alsmede ten opzichte van hun personeelsleden, van toepassing op de centra voor maatschappelijk welzijn die deze commissies vervangen.  In de andere gemeenten wordt het personeel van de commissie van openbare onderstand zonder nieuwe benoeming of andere formaliteit overgenomen door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat die commissie vervangt. Elk personeelslid behoudt zijn graad, anciënniteit, administratief en geldelijk statuut en geniet alle voordelen die het had kunnen verkrijgen.  § 2. Voor de personeelsleden alsmede de gewestelijke ontvangers die ingevolge de toepassing van deze wet in hun ambt niet kunnen gehandhaafd blijven, bepaalt de Koning de regelen welke van toepassing zijn om hun rechten te vrijwaren.  Daartoe kan Hij :  a) afwijken :  1. van de wetten die prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen;  2. van artikel 42 van onderhavige wet, wat de personeelsformatie alsmede de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden betreft;  3. van artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, wat de leeftijd voor het rustpensioen betreft;  4. van de wet van 25 april 1933 op het pensioen van het gemeentepersoneel;  b) de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toestaan te beslissen dat sommige personeelsleden de eretitel van hun vroeger ambt mogen dragen.  Art. 142. § 1. De Koning bepaalt de regelen welke in acht moeten worden genomen ter vrijwaring van de rechten van de personen die, met toepassing van artikel 24 van de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de openbare onderstand, een pensioen genoten of er aanspraak op kunnen maken op het ogenblik van de inwerkingtreding van onderhavige wet.  § 2. De anciënniteit verworven door de gewezen voorzitters van de commissies van openbare onderstand wordt in aanmerking genomen bij de vaststelling van hun rechten op pensioen indien zij als voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn worden aangeduid.  Art. 143. Zijn niet van toepassing op het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de artikelen 1 tot 6 en 8 tot 15 van de wet van 21 december 1927 betreffende de beroepsklerken, technische bedienden, politieagenten en in 't algemeen al de aangestelden der gemeenten en der daarvan afhangende besturen, gewijzigd bij de wetten van 18 december 1930 en 10 juni 1937 en bij de besluitwet van 10 januari 1947.  Art. 144. Artikel 16, 4°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, wordt vervangen door de volgende bepaling : "..."  Art. 145. In het koninklijk besluit nr. 64 van 30 november 1939 houdende het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, bekrachtigd bij de wet van 16 juni 1947, worden de volgende wijzigingen aangebracht :  1° In artikel 132°, in het Wetboek ingevoegd bij de wet van 14 augustus 1947, wordt het 2° van het tweede lid vervangen door de volgende tekst : "..."  2° Artikel 161, 4°, wordt vervangen door de volgende tekst : "..."  Art. 146. In het koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936 houdende het Wetboek der successierechten, bekrachtigd bij de wet van 4 mei 1936, wordt in artikel 52°, in het Wetboek ingevoegd bij de wet van 14 augustus 1947, het 2° van het tweede lid vervangen door de volgende tekst : "..."  Art. 147. In het besluit van de Regent van 26 juni 1947, houdende het Wetboek der zegelrechten, bekrachtigd bij de wet van 14 juli 1951, wordt artikel 59, 12°, vervangen door de volgende tekst : "..."  Art. 148. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten :  1° de tekst van de wetten die door deze wet stilzwijgend gewijzigd worden in overeenstemming brengen met deze wet;  2° de tekst van de wetten in overeenstemming brengen met de terminologie van deze wet;  3° de codificatie vaststellen van de bepalingen van deze wet en van de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de commissies van openbare onderstand, gewijzigd door de wet van 9 juli 1971.  Te dien einde kan Hij :  1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de inkleding van de te codificeren bepalingen wijzigen;  2° de verwijzingen die in de te codificeren bepalingen mochten voorkomen wijzigen, ten einde ze, onder meer, in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;  3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die vervat zijn in de te coördineren bepalingen, een andere dan de oorspronkelijke redactie aanwenden met het oog op de overeenstemming der bepalingen en de eenheid in de terminologie.  (derde lid; wijzigingsbepaling van de W 1965-04-02/01) <W 1993-01-12/34, art. 11; Inwerkingtreding : 01-03-1993>  Art. 149. Van de dag waarop de bepalingen van deze wet en of de besluiten in uitvoering ervan genomen, in werking treden, zullen de wetten en besluiten, die vroeger van kracht waren, niet meer bindend zijn in zake die door deze wet en haar uitvoeringsbesluiten zijn geregeld.  Art. 150. De beslissingen door de commissies van openbare onderstand getroffen vóór de inwerkingtreding van deze wet blijven inzake de door de toezichthoudende overheid te verlenen adviezen, machtigingen en goedkeuringen, alsook inzake de tegen die beslissingen openstaande beroepen, onderworpen aan de vóór de inwerkingtreding van deze wet ter zake geldende wetsbepalingen.  Art. 151. De artikelen 5 tot 23 treden in werking op 1 januari 1977.  De overige bepalingen van deze wet hebben uitwerking op de dag van de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn volgend op de gemeenteraadsverkiezingen van 10 oktober 1976.  HOOFDSTUK XIV. [1 - Meldingskanalen en bescherming van personen die een inbreuk melden.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 3, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>        Afdeling 1. [1 Doel, begripsomschrijving en toepassingsgebied  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 4, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>        Art. 152. [1 Bij dit hoofdstuk wordt richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, omgezet voor wat betreft de diensten en organen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verenigingen die onder het toepassingsgebied vallen van hoofdstuk XII.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 5, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 153. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :   1° inbreuken :   a) handelingen of nalatigheden van een personeelslid van een dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bij de uitoefening van zijn functie, of van het orgaan, die :   1) onrechtmatig zijn en betrekking hebben op de Uniehandelingen en beleidsterreinen die binnen het in richtlijn 2019/1937 bedoelde materiële toepassingsgebied vallen, of   2) het doel of de toepassing ondermijnen van de regels in de beleidsterreinen die binnen het in richtlijn (EU) 2019/1937 bedoelde materiële toepassingsgebied vallen of;   3) in strijd zijn met Europese, wettelijke, decretale en regelgevende bepalingen die van toepassing zijn onder de nationale wetgeving of;   4) een onaanvaardbaar risico inhouden voor het leven, de gezondheid of de veiligheid van de mens of voor het milieu, zoals bij decreet bepaald;   b) opdragen of adviseren aan een personeelslid om een inbreuk als bedoeld onder a) te begaan   c) geen betrekking hebben op handelingen of nalatigheden die uitsluitend de individuele rechten van een personeelslid raken en waarvoor andere meldingskanalen of -procedures bestaan, zoals morele of seksuele intimidatie op het werk beschermd door de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk of discriminatie in de zin van het decreet van 6 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;   d) geen betrekking hebben op zuiver interpersoonlijke conflicten;   2° informatie over inbreuken: informatie, waaronder redelijke vermoedens, over feitelijke of mogelijke inbreuken, die hebben plaatsgevonden of zeer waarschijnlijk zullen plaatsvinden binnen de openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of het orgaan waar de melder werkt of heeft gewerkt, alsmede over pogingen tot verhulling van dergelijke inbreuken;   3° personeelslid: een statutair personeelslid of een werknemer met een arbeidsovereenkomst, met inbegrip van personen die uit hoofde van hun statuut of beroep belast zijn met de toevertrouwde geheimen, met inbegrip van vakbondsafgevaardigden;   4° dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn : de administratie van het OCMW, de diensten die afhankelijk zijn van het OCMW of het secretariaat van de voorzitter van het OCMW;   5° orgaan : de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau en de leden van deze organen;   6° melding of melden: het mondeling of schriftelijk verstrekken van informatie over inbreuken;   7° interne melding: de mondelinge of schriftelijke mededeling van informatie over inbreuken aan de integriteitsreferent;   8° integriteitsreferent: het personeelslid van de gemeentebestuur dat is aangesteld om interne meldingen te ontvangen, te onderzoeken en op te volgen overeenkomstig afdeling 2;   9° externe melding: de mondelinge of schriftelijke mededeling van informatie over inbreuken aan de bevoegde autoriteit inzake integriteit;   10° bevoegde autoriteit inzake integriteit: de dienst die door de Regering is aangeduid om externe waarschuwingen te ontvangen, te onderzoeken en op te volgen overeenkomstig afdeling 3;   11° openbaarmaking of openbaar maken: het publiek toegankelijk maken van informatie over inbreuken;   12° melder: een natuurlijke persoon die in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten verkregen informatie over inbreuken meldt of openbaar maakt;   13° facilitator: een natuurlijke persoon die een melder bijstaat in het meldingsproces in een werkgerelateerde context en wiens bijstand vertrouwelijk moet zijn;   14° werkgerelateerde context: huidige of vroegere arbeidsactiviteiten binnen de diensten bedoeld in de punten 4° en 5° waardoor, ongeacht de aard van die activiteiten, personen informatie kunnen verkrijgen over inbreuken en waarbij die personen te maken kunnen krijgen met represailles indien zij dergelijke informatie zouden melden;   15° betrokkene: een natuurlijke of rechtspersoon die in de melding of bij de openbaarmaking wordt genoemd als persoon aan wie de inbreuk wordt toegeschreven of met wie die persoon in verband wordt gebracht;   16° represaille: een directe of indirecte handeling of nalatigheid die in een werkgerelateerde context plaatsvindt naar aanleiding van een interne of externe melding of openbaarmaking, en die tot ongerechtvaardigde benadeling van de melder leidt of kan leiden;   17° opvolging: optreden van de integriteitsreferent of een de bevoegde autoriteit inzake integriteit om de juistheid van de in de melding gedane beweringen na te gaan en de gemelde inbreuk zo nodig aan te pakken, onder meer via maatregelen zoals een intern vooronderzoek, een onderzoek, vervolging, een terugvordering van middelen of het beëindigen van de procedure;   18° feedback: het aan de melder verstrekken van informatie over de als opvolging geplande of genomen maatregelen en over de redenen voor die opvolging.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 6, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 154. [1 § 1. Dit hoofdstuk bevat gemeenschappelijke minimumnormen voor de bescherming van melders van de volgende inbreuken:   1° inbreuken die vallen binnen het toepassingsgebied van de handelingen van de Europese Unie opgesomd in de bijlage bij richtlijn (EU) 2019/1937 en die betrekking hebben op de volgende gebieden:   a) overheidsopdrachten;   b) financiële diensten, producten en markten, voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering;   c) productveiligheid en productconformiteit;   d) veiligheid van het vervoer;   e) bescherming van het milieu;   f) stralingsbescherming en nucleaire veiligheid;   g) veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid en dierenwelzijn   h) volksgezondheid;   i) consumentenbescherming;   j) bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, en beveiliging van netwerk- en informatiesystemen;   2° inbreuken waardoor de financiële belangen van de Unie als bedoeld in artikel 325 VWEU en nader toegelicht in relevante Uniemaatregelen worden geschaad;   3° inbreuken in verband met de interne markt, als bedoeld in artikel 26, lid 2, VWEU, met inbegrip van inbreuken op de Unieregels inzake mededinging en staatssteun;   4° inbreuken bedoeld in artikel L1219-2, 1°.   § 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het gebied van de nationale veiligheid, behalve wat betreft meldingen van inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten op defensie- en veiligheidsgebied, voor zover deze regels vallen onder Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG.   § 3. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan :   1° de bepalingen met betrekking tot de melding van inbreuken die zijn voorzien in andere wettelijke of reglementaire bepalingen en in rechtstreeks toepasselijke Europese bepalingen, met inbegrip van de bepalingen ter uitvoering daarvan;   2° de bepalingen van Unie- of nationaal recht met betrekking tot een van de volgende elementen:   a) de bescherming van gerubriceerde gegevens;   b) de bescherming van het beroepsgeheim van advocaten en van het medisch beroepsgeheim;   c) de geheimhouding van rechterlijke beraadslagingen;   d) strafprocesrecht.   § 4. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de regels betreffende de uitoefening door de personeelsleden van hun recht om hun vakbondsorganisatie te raadplegen en betreffende hun recht op bescherming tegen ongerechtvaardigde benadeling als gevolg van deze raadpleging.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 7, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 155. [1 § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een melder die voor een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn werkt en die informatie over inbreuken heeft verkregen in een professionele context, d.w.z. :   1° het personeelslid dat in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten verkregen informatie over inbreuken meldt of openbaar maakt;   2° elke natuurlijke persoon, met inbegrip van ten minste de hieronder bedoelde personen, die informatie over inbreuken meldt die hij in een professionele context heeft verkregen bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of orgaan :   a) de stagiair, d.w.z. de persoon die, zonder een personeelslid te zijn, een bezoldigde of onbezoldigde stage uitvoert;   b) de vrijwilliger, d.w.z. de persoon die, zonder personeelslid te zijn, onbezoldigde activiteiten uitvoert in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.   § 2 Dit hoofdstuk is ook van toepassing op een melder, indien hij informatie over inbreuken die is verkregen in een beëindigde werkrelatie melden of openbaar maken.   § 3 De in afdeling 5 vervatte maatregelen ter bescherming van melders zijn, in voorkomend geval, tevens van toepassing op:   1° facilitatoren;   2° derden die verbonden zijn met de melder en die het risico lopen op represailles in een professionele context, zoals collega's of familieleden van de melder.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 8, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Afdeling 2. [1 Interne meldingskanalen en -procedures  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 9, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>      Art. 156. [1 § 1. Elke administratie van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met tienduizend of meer inwoners heeft ten minste één integriteitsreferent.   § 2. Elk personeelslid van niveau A of, bij gebrek daaraan, niveau B kan na een interne oproep worden aangesteld als integriteitsreferent in overeenstemming met de gemeentelijke statuten en reglementen.   Als er zich na de interne oproep geen kandidaat meldt, is de integriteitsreferent de adjunct-directeur-generaal of, als die er niet is, de directeur-generaal.   § 3. De functiebeschrijving van de integriteitsreferent is overeengekomen met de representatieve vakbonden.   § 4. Dezelfde integriteitsreferent van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan worden gedeeld met een of meer openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verenigingen die vallen onder hoofdstuk XII of lokale overheden zoals bedoeld in artikel L1219-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.   § 5 Het bestaan, de identiteit, de beschikbaarheid, de toegankelijkheid en de opdracht van de integriteitsreferent, evenals de vertrouwelijkheidsregels, worden ter kennis gebracht van de personeelsleden en hun vertegenwoordigers, alsook van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau, en de diensten die vallen onder het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.   § 6. Duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie over interne en externe meldingskanalen en procedures wordt beschikbaar gesteld aan alle personen die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 10, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 157. [1 § 1. De integriteitsreferent heeft als opdracht :   1° luisteren, informeren en adviseren van mensen die overwegen te melden, van mensen die gemeld hebben of van mensen die het melden vergemakkelijkt hebben;   2° het ontvangen, onderzoeken van alle meldingen en, indien nodig, het behandelen;   3° opvolging informatie overeenkomstig deze afdeling;   4° de communicatie met de melder onderhouden en, indien nodig, nadere informatie opvragen en feedback geven;   5° informatie verstrekken over het bestaan van en de voorwaarden voor externe melding.   § 2 Als er meerdere integriteitsreferenten zijn, is het mogelijk om aan te geven dat degene die bevoegd is om de meldingen op te volgen niet degene is die de meldingen ontvangt, die de communicatie met de melder onderhoudt en, indien nodig, om nadere informatie vraagt en feedback geeft.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 11, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 158. [1 De integriteitsreferent voert zijn opdrachten onafhankelijk en onpartijdig uit.   Hiervoor biedt de raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau als de bevoegdheid aan hem is gedelegeerd, de nodige garanties:   1° door hem te beschermen tegen ongepaste beïnvloeding of druk, van welke aard ook, rechtstreeks of onrechtstreeks, en in het bijzonder tegen druk om informatie te verkrijgen die verband houdt of kan houden met de uitoefening van zijn functie;   2° door hem de nodige middelen ter beschikking te stellen om zijn taken in alle vertrouwelijkheid te kunnen uitvoeren;   3° door hem toe te laten alle contacten te onderhouden die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten;   4° door hem in staat te stellen de vaardigheden en kennis te verwerven of te verbeteren die nodig zijn voor de uitvoering van zijn functie, door middel van opleiding.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 12, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 159. [1 De integriteitsreferent is niet onderworpen aan represailles die geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op acties die hij tijdens de uitoefening van zijn functie heeft ondernomen, met inbegrip van bedreigingen of pogingen tot represailles.   De in lid 1 bedoelde represailles zijn met name voor zover zij geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op handelingen die zijn verricht in het kader van de functie van integriteitreferent :   1° ontslag;   2° disciplinaire maatregelen;   3° elke negatieve beoordeling als onderdeel van een procedure die hem in staat stelt vooruitgang te boeken in zijn loopbaan;   4° overdracht van taken of verandering van locatie van de arbeidsplaats;   5° weigering of onthouden van opleidingen   6° een negatieve beoordeling of een negatieve evaluatie van de feiten met betrekking tot de melding;   7° dwang, intimidatie, pesterijen of uitsluiting;   8° elke vorm van discriminatie, nadelige of oneerlijke behandeling.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 13, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 160. [1 § 1. Elk personeelslid dat in een professionele context informatie verkrijgt over een inbreuk die is begaan of wordt begaan, kan dit onmiddellijk melden aan zijn hiërarchische meerdere. Als hij het gepaster vinden, kan hij de integriteitsreferent rechtstreeks op de hoogte brengen.   Een voormalig personeelslid, d.w.z. een persoon die niet langer in dienst is, een stagiair, d.w.z. een persoon die, zonder personeelslid te zijn, een betaalde of onbetaalde stage loopt, of een vrijwilliger, d.w.z. een persoon die, zonder personeelslid te zijn, onbetaalde activiteiten uitvoert in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, die in een professionele context informatie verkrijgt over een inbreuk die gepleegd is of gepleegd wordt, kan dit melden aan de directeur-generaal wanneer hij niet de integriteitsreferent is. Als hij het gepaster vinden, kan hij de integriteitsreferent rechtstreeks op de hoogte brengen.   § 2. De hiërarchische meerdere of de directeur-generaal, indien hij niet de integriteitsreferent is, die een melding ontvangt, stuurt het dossier onmiddellijk ongewijzigd door naar de integriteitsreferent.   In het in lid 1 bedoelde geval eerbiedigt de hiërarchische meerdere of de directeur-generaal de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder en van elke persoon die in de melding wordt genoemd of ermee in verband wordt gebracht.   § 3. Er wordt geen rekening gehouden met anonieme meldingen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 14, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 161. [1 De melding aan de integriteitsreferent wordt schriftelijk en/of mondeling ingediend.   Mondelinge melding is mogelijk via de telefoon of via andere spraakberichtsystemen, en op verzoek van de melder door middel van een fysieke ontmoeting binnen een redelijke termijn.   Als de melding mondeling gebeurt, wordt er een verslag opgesteld door de integriteitsreferent. De melder krijgt ook de kans om het verslag van het gesprek te controleren en te corrigeren. Het verslag wordt door de melder ondertekend.   Een bevestiging van ontvangst van de melding wordt aan de melder gestuurd, uiterlijk binnen zeven dagen na ontvangst van de melding.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 15, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 162. [1 § 1. De integriteitsreferent gaat na of de melding ontvankelijk is onder de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden en of de melder te goeder trouw handelt.   De melder wordt op de hoogte gesteld van de ontvankelijkheid van zijn melding.   De melding is onontvankelijk:   1° als de integriteitsreferent onbevoegd is;   2° als de identiteit van de melder onbekend is, aangezien anonieme meldingen van een vermoedelijke inbreuk niet in aanmerking worden genomen;   3° als de melder te kwader trouw handelt;   4° in het geval van herhaalde meldingen die geen significante nieuwe informatie bevatten met betrekking tot een eerdere, afgesloten melding.   Een persoon die te goeder trouw handelt, is iemand die redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de informatie die over inbreuken werd gerapporteerd, waar was op het moment dat de melding werd gedaan en dat deze informatie binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt.   § 2. Als de integriteitsreferent over voldoende aanwijzingen beschikt om te concluderen dat hij kennis heeft gekregen van een misdaad of misdrijf, past hij onverwijld de procedure van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering toe.   § 3. Indien een melding niet ontvankelijk is of artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, stelt de integriteitsreferent de melder en de directeur-generaal daarvan schriftelijk in kennis.   Als blijkt dat de directeur-generaal direct of indirect betrokken is, informeert de integriteitsreferent schriftelijk de raad of, indien dit is gedelegeerd, het vast bureau. In het laatste geval is de directeur-generaal niet aanwezig bij de vergadering van de raad of het vast bureau waarop deze informatie wordt besproken.   Als blijkt dat de directeur-generaal, die direct of indirect betrokken is, de rol van integriteitsreferent op zich heeft genomen, neemt de melder rechtstreeks contact op met de raad of, indien dit is gedelegeerd, het vast bureau en, indien nodig, met de bevoegde autoriteit inzake integriteit.   Indien het voorwerp van de vastgestelde of de vermoede inbreuk of de status van de betrokken persoon een gebrek aan vertrouwelijkheid of waarborging van onafhankelijkheid bij de behandeling van de melding met zich meebrengt, zendt de integriteitsreferent het dossier door naar de bevoegde autoriteit inzake integriteit.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 16, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 163. [1 § 1. Als de melding ontvankelijk is, voert de integriteitsreferent een onderzoek uit.   Opneming en onderzoek van een melding schort de verjaringstermijn of een lopende administratieve of gerechtelijke procedure met betrekking tot dezelfde feiten niet op, noch onderbreekt deze.   In het geval van een gerechtelijk onderzoek naar de ingediende melding, schort de integriteitsreferent zijn onderzoek op.   § 2. De integriteitsreferent past de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toe en eerbiedigt de rechten van de verdediging.   § 3. De integriteitsreferent stelt de bij de melding betrokken persoon in de gelegenheid zijn of haar argumenten naar voren te brengen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten, indien hij over voldoende informatie beschikt om te kunnen concluderen dat er sprake is van een inbreuk, nadat hij of zij de documenten en informatie heeft ontvangen die hij noodzakelijk acht. In dit stadium waarborgt zij de anonimiteit van deze persoon.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 17, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 164. [1 § 1. De integriteitsreferent kan ter plaatse opmerkingen maken, documenten en informatie opvragen die hij nodig acht en belangstellenden horen.   Hij kan verplichte termijnen opleggen voor antwoorden aan betrokkenen aan wie hij vragen stelt.   § 2. Artikel 458 van het strafwetboek is van toepassing op de integriteitsreferent.   Het geheime of vertrouwelijke karakter van de opgevraagde documenten kan de verzoeker niet worden tegengeworpen, behalve in zaken van beroepsgeheim van advocaten, medisch geheim en geheimhouding van gerechtelijke beraadslagingen, alsmede in zaken van geheimhouding die verband houden met de landsverdediging, de staatsveiligheid of het buitenlands beleid.   Elk personeelslid dat wordt geraadpleegd in het kader van het onderzoek van de integriteitsreferent is vrijgesteld van elke geheimhoudingsplicht.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 18, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 165. [1 § 1. Aan het einde van het onderzoek stuurt de integriteitsreferent de directeur-generaal, of de raad, of, indien dit is gedelegeerd, het vast bureau, in het geval bedoeld in artikel 162, § 3, tweede lid, een gedetailleerd verslag, eventueel vergezeld van aanbevelingen aan de betrokkene.   Tenzij zijn opdracht is opgeschort, overeenkomstig artikel L1219-12, § 1, lid 3, stelt de integriteitsreferent de melder binnen drie maanden na de ontvangstbevestiging van de interne melding, of bij ontbreken van een ontvangstbevestiging aan de melder, binnen drie maanden na het verstrijken van de termijn van zeven dagen volgend op de melding, in kennis van het gevolg dat aan zijn interne melding is gegeven.   In een met redenen omkleed besluit kan de integriteitsreferent de in lid 2 bedoelde termijn met drie maanden verlengen. De melder wordt van deze beslissing op de hoogte gesteld.   § 2. Dit verslag bevat de beslissing van de integriteitsreferent :   1° om de afwezigheid of het bestaan van een inbreuk vast te stellen;   2° aan de directeur-generaal, of aan de raad of het vast bureau in het geval bedoeld in artikel 162, § 3, tweede lid, elke aanbeveling en, in voorkomend geval, elk voorstel te richten om de vastgestelde inbreuk te verhelpen;   3° aan de bevoegde lokale overheid voor te stellen om een tucht- of ontslagprocedure in te leiden tegen het personeelslid dat een inbreuk heeft gepleegd.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 19, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Afdeling 3. [1 Externe meldingskanalen en -procedures  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 20, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>      Art. 166. [1 § 1. Het externe meldingskanaal voor vastgestelde of vermoede inbreuken binnen de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of orgaan wordt opgezet met de bevoegde autoriteit inzake integriteit.   § 2. De bevoegde overheid integriteit beschikt over de nodige middelen om haar opdracht uit te voeren.   § 3. De personeelsleden die door de bevoegde autoriteit inzake integriteit zijn aangewezen om meldingen in ontvangst te nemen en te verwerken, zijn met name verantwoordelijk voor :   1° het verstrekken van informatie over de meldingsprocedures aan elke geïnteresseerde persoon;   2° het ontvangen en opvolgen van meldingen overeenkomstig deze afdeling;   3° contact onderhouden met de melder om feedback te geven en indien nodig nadere informatie op te vragen.   De in lid 1 bedoelde personeelsleden krijgen een specifieke opleiding voor de verwerking van meldingen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 21, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 167. [1 De bevoegde autoriteit inzake integriteit voert haar opdracht onafhankelijk en autonoom uit.   Het wordt op zodanige wijze georganiseerd dat de volledigheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de informatie gewaarborgd zijn en dat onbevoegd personeel van de bevoegde autoriteit geen toegang heeft tot deze informatie.   Het maakt het mogelijk om informatie op lange termijn op te slaan in overeenstemming met artikel 182 om verder onderzoek mogelijk te maken.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 22, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 168. [1 De bevoegde autoriteit inzake integriteit publiceert in een afzonderlijk, gemakkelijk herkenbaar en toegankelijk gedeelte van haar website ten minste de volgende informatie:   1° de voorwaarden om bescherming te genieten krachtens dit hoofdstuk;   2° de nodige contactgegevens voor externe meldingskanalen, in het bijzonder e-mail- en postadressen, en de telefoonnummers van deze kanalen, waarbij wordt aangegeven of telefoongesprekken al dan niet worden opgenomen;   3° de procedures die van toepassing zijn op de melding van inbreuken, met inbegrip van de wijze waarop de bevoegde autoriteit inzake integriteit de melder kan verzoeken de gemelde informatie te verduidelijken of aanvullende informatie te verstrekken, de termijn voor het geven van feedback, alsook het soort feedback en de inhoud ervan;   4° de vertrouwelijkheidsregeling die van toepassing is op waarschuwingen, en in het bijzonder informatie over de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, de artikelen 5 en 13 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 13 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel 15 van Verordening (EU) 2018/1725, voor zover van toepassing;   5° de aard van de opvolging die aan meldingen moet worden gegeven;   6° de rechtsmiddelen en procedures met betrekking tot de bescherming tegen represailles en de mogelijkheid voor personen die overwegen een melding te doen om vertrouwelijk advies te krijgen;   7° een mededeling waarin duidelijk wordt uitgelegd onder welke voorwaarden de aansprakelijkheid van personen die een melding doen aan de bevoegde autoriteit inzake integriteit niet in het geding is wegens een inbreuk op de vertrouwelijkheid overeenkomstig artikel L1219-29, maar ook in welke gevallen deze aansprakelijkheid in het geding kan komen indien de melding niet in overeenstemming met de geldende voorschriften is gedaan.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 23, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 169. [1 § 1. Vastgestelde of vermoede inbreuken binnen de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of orgaan worden ingediend bij de bevoegde autoriteit inzake integriteit door:   1° de integriteitsreferent;   2° de melder bedoeld in artikel L1219-4 in de volgende gevallen :   a) er is binnen de voorgeschreven termijn geen passende actie ondernomen naar aanleiding van de interne melding;   b) hij, vanwege het voorwerp van de vastgestelde of vermoede inbreuk of vanwege de hoedanigheid van de betrokkene, kan vrezen dat de vertrouwelijkheid of de garantie van onafhankelijkheid bij de behandeling van de interne melding in het gedrang komt;   c) bij afwezigheid van een integriteitsreferent.   § 2. Er wordt geen rekening gehouden met anonieme meldingen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 24, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 170. [1 § 1. De melder maakt een schriftelijke of mondelinge melding.   Mondelinge melding is mogelijk via de telefoon of via andere spraakberichtsystemen, en op verzoek van de melder door middel van een fysieke ontmoeting binnen een redelijke termijn.   Als de melding mondeling gebeurt, wordt er een verslag opgesteld door de bevoegde autoriteit inzake integriteit. De melder krijgt ook de kans om het verslag van het gesprek te controleren en te corrigeren. Het verslag wordt door de melder ondertekend.   § 2. Uiterlijk zeven dagen na ontvangst van de melding wordt de melder ervan een ontvangstbevestiging toegezonden, tenzij de melder uitdrukkelijk om een andere ontvangstbevestiging verzoekt of de bevoegde autoriteit gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de ontvangstbevestiging de bescherming van de identiteit van de melder in gevaar zou brengen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 25, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 171. [1 Wanneer een melding via andere kanalen dan externe meldingskanalen of door andere personeelsleden dan met de verwerking van meldingen belaste personen wordt ontvangen, onthouden de ontvangende personeelsleden zich van elke onthulling van informatie op grond waarvan de melder of de betrokken persoon kan worden geïdentificeerd, en geven zij de melding onmiddellijk ongewijzigd door aan de met de verwerking van meldingen belaste personeelsleden.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 26, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 172. [1 § 1. De bevoegde autoriteit inzake integriteit gaat na of de melding ontvankelijk is onder de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden en of de melder te goeder trouw handelt. De melder wordt op de hoogte gesteld van de ontvankelijkheid van zijn melding.   De melding is onontvankelijk:   1° als de bevoegde autoriteit inzake integriteit onbevoegd is;   2° als de identiteit van de melder onbekend is, aangezien anonieme meldingen van een vermoedelijke inbreuk niet in aanmerking worden genomen;   3° als de melder te kwader trouw handelt;   4° in het geval van herhaalde meldingen die geen significante nieuwe informatie bevatten met betrekking tot een eerdere, afgesloten melding.   Een persoon die te goeder trouw handelt, is iemand die redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de informatie die over inbreuken werd gerapporteerd, waar was op het moment dat de melding werd gedaan en dat deze informatie binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt.   § 2. Als de bevoegde autoriteit inzake integriteit over voldoende aanwijzingen beschikt om te concluderen dat zij kennis heeft gekregen van een misdaad of misdrijf, past zij onverwijld de procedure van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering toe.   § 3. Indien een melding niet ontvankelijk is of artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, stelt de bevoegde autoriteit inzake integriteit de melder en de directeur-generaal daarvan schriftelijk in kennis.   Als blijkt dat de directeur-generaal direct of indirect betrokken is, informeert de bevoegde autoriteit inzake integriteit schriftelijk het vast bureau. In het laatste geval is de directeur-generaal niet aanwezig bij de vergadering van het vast bureau waarop deze informatie wordt besproken.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 27, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 173. [1 § 1. De bevoegde autoriteit inzake integriteit kan, na grondige overweging, beslissen dat een gerapporteerde inbreuk duidelijk onbeduidend is en geen verdere opvolging vereist in het kader van deze afdeling, behalve de afsluiting van de procedure.   Dit heeft geen invloed op andere verplichtingen of andere toepasselijke procedures die gericht zijn op het verhelpen van de gemelde inbreuk, noch op de bescherming die dit hoofdstuk biedt met betrekking tot interne of externe meldingen. In dergelijke gevallen stelt de bevoegde autoriteit inzake integriteit de melder in kennis van haar beslissing en de redenen voor dat beslissing.   § 2. De bevoegde autoriteit inzake integriteit kan beslissen procedures af te sluiten met betrekking tot herhaalde meldingen die geen significante nieuwe informatie bevatten over inbreuken met betrekking tot een eerdere meldingen naar aanleiding waarvan de betrokken procedures zijn afgesloten, tenzij nieuwe juridische of feitelijke elementen een ander gevolg rechtvaardigen. In dergelijke gevallen stelt de bevoegde autoriteit inzake integriteit de melder in kennis van haar beslissing en de redenen voor deze beslissing.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 28, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 174. [1 § 1. Als de melding ontvankelijk is, of met uitzondering van de gevallen waarnaar wordt verwezen in artikel L1219-21, voert de bevoegde autoriteit inzake integriteit een onderzoek uit.   Opneming en onderzoek van een melding schort de verjaringstermijn of een lopende administratieve of gerechtelijke procedure met betrekking tot dezelfde feiten niet op, noch onderbreekt deze.   In het geval van een gerechtelijk onderzoek naar de ingediende melding, schort de bevoegde autoriteit inzake integriteit haar onderzoek op.   § 2. De bevoegde autoriteit inzake integriteit past de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toe en eerbiedigt de rechten van de verdediging.   § 3. De bevoegde autoriteit inzake integriteit stelt de bij de melding betrokken persoon in de gelegenheid zijn of haar argumenten naar voren te brengen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten, indien zij over voldoende informatie beschikt om te kunnen concluderen dat er sprake is van een inbreuk, nadat hij of zij de documenten en informatie heeft ontvangen die hij noodzakelijk acht. In dit stadium waarborgt zij de anonimiteit van deze persoon.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 29, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 175. [1 § 1. De bevoegde autoriteit inzake integriteit kan ter plaatse opmerkingen maken, documenten en informatie opvragen die zij nodig acht en belangstellenden horen.   Zij kan verplichte termijnen opleggen voor antwoorden aan betrokkenen aan wie zij vragen stelt.   § 2. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op personeelsleden die belast zijn met de uitvoering van de opdracht van de bevoegde autoriteit inzake integriteit.   Het geheime of vertrouwelijke karakter van de opgevraagde documenten kan de verzoeker niet worden tegengeworpen, behalve in zaken van beroepsgeheim van advocaten, medisch geheim en geheimhouding van gerechtelijke beraadslagingen, alsmede in zaken van geheimhouding die verband houden met de landsverdediging, de staatsveiligheid of het buitenlands beleid.   Elk personeelslid dat wordt geraadpleegd in het kader van het onderzoek van de bevoegde autoriteit inzake integriteit is vrijgesteld van elke geheimhoudingsplicht.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 30, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 176. [1 § 1. Na onderzoek van de melding stelt de bevoegde autoriteit inzake integriteit een gedetailleerd verslag op dat, indien nodig, vergezeld gaat van aanbevelingen aan de betrokkene.   De bevoegde autoriteit inzake integriteit stelt de melder binnen drie maanden na de ontvangstbevestiging van de externe melding, of bij ontbreken van een ontvangstbevestiging aan de melder, binnen drie maanden na het verstrijken van de termijn van zeven dagen volgend op de melding, in kennis van het gevolg dat aan zijn externe melding is gegeven.   § 2. Dit verslag bevat het besluit van de bevoegde autoriteit inzake integriteit :   1° om de afwezigheid of het bestaan van een inbreuk vast te stellen;   2° om aan de lokale overheid binnen dewelke de inbreuk werd vastgesteld elke aanbeveling en, in voorkomend geval, elk voorstel te richten om de vastgestelde inbreuk te verhelpen of om de werking van haar dienst of orgaan te verbeteren;   3° om aanbevelingen te doen aan de in 2° bedoelde lokale overheid, indien zij vaststelt dat de toepassing van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot onbillijkheden leidt, teneinde met inachtneming van haar bevoegdheden een billijke oplossing te vinden voor de situatie van de melder;   4° om aan de bevoegde lokale overheid voor te stellen om een tucht- of ontslagprocedure in te leiden tegen het personeelslid dat een inbreuk heeft gepleegd.".   § 3. Bij een met redenen omkleed beslissing kan de bevoegde autoriteit inzake integriteit de in paragraaf 1 bedoelde termijn met ten hoogste zes maanden verlengen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 31, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 177. [1 De bevoegde autoriteit inzake integriteit kan de gegrondheid van een rechterlijke beslissing niet in twijfel trekken, maar kan wel aanbevelingen doen aan de betrokken lokale overheid.   In geval van niet-naleving van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing kan zij de betrokken lokale overheid gelasten zich binnen een door haar vast te stellen termijn naar de beslissing te voegen. Als het gerechtelijk bevel niet wordt nageleefd, wordt er een speciaal verslag opgesteld over de niet-naleving van het gerechtelijk bevel.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 32, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 178. [1 De bevoegde autoriteit inzake integriteit wordt op de hoogte gesteld van de ondernomen actie.   Indien de bij de melding betrokken lokale overheid van oordeel is dat zij een aanbeveling van de bevoegde autoriteit inzake integriteit niet in aanmerking moet nemen, zendt zij binnen drie maanden een met redenen omkleed antwoord aan de bevoegde autoriteit inzake integriteit.   De lokale overheid informeert de melder periodiek over de maatregelen die naar aanleiding van de melding zijn genomen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 33, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 179. [1 De bevoegde autoriteit inzake integriteit toetst haar procedures voor het ontvangen en opvolgen van meldingen regelmatig en ten minste om de drie jaar. Bij de herziening van deze procedures houdt zij rekening met haar eigen ervaringen en die van andere bevoegde autoriteiten en past zij haar procedures dienovereenkomstig aan.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 34, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Afdeling 4. [1 Gemeenschappelijke bepalingen voor interne en externe melding  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 35, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>      Art. 180. [1 § 1. De integriteitsreferent en de bevoegde autoriteit inzake integriteit respecteren de geheimhouding van de identiteit van de partijen die bij het onderzoek betrokken zijn.   Deze geheimhoudingsplicht geldt ook voor alle andere informatie waaruit de identiteit van de melder direct of indirect kan worden afgeleid.   § 2 In afwijking van paragraaf 1 kunnen de identiteit van de melder en van eenieder die de melder bijstaat of bij het onderzoek betrokken is, en alle overige informatie waaruit die identiteit direct of indirect kan worden afgeleid, worden bekendgemaakt indien de bovengenoemde personen daarvoor uitdrukkelijk toestemming geven of indien zulks noodzakelijk en evenredig blijkt in het kader van onderzoeken die door de met het onderzoek naar strafbare feiten belaste autoriteiten worden gevoerd of in het kader van gerechtelijke procedures, teneinde de rechten van de verdediging van de betrokken personen te vrijwaren.   § 3. Voor bekendmakingen op grond van de in paragraaf 2 bedoelde afwijking gelden passende waarborgen volgens de toepasselijke Unie- en Belgische voorschriften. In het bijzonder wordt de melder vooraf in kennis gesteld van de bekendmaking van zijn of haar identiteit, tenzij deze informatie het onderzoek of de gerechtelijke procedure in gevaar kan brengen. Wanneer de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit de melders informeert dat hun identiteit bekend zal worden gemaakt, moeten zij hen een schriftelijke uitleg sturen van de redenen voor het bekendmaken van de betreffende vertrouwelijke gegevens.   § 4. De integriteitsreferent en de bevoegde autoriteit inzake integriteit die informatie ontvangen over inbreuken op bedrijfsgeheimen, mogen deze informatie niet gebruiken of bekendmaken voor andere doeleinden dan hetgeen noodzakelijk is voor een gedegen opvolging.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 36, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 181. [1 § 1. De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit verwerkt persoonsgegevens voor de uitvoering van de opdrachten waarmee hij uit hoofde van dit hoofdstuk is belast, met name bij de ontvangstbevestiging van de melding, de kennisname van de melding en het onderzoek van de melding.   De administratie van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waar de integriteitsreferent zijn functie uitvoert of de bevoegde autoriteit inzake integriteit is de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens.   De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit verwerkt de volgende persoonsgegevens:   1° de identiteit, d.w.z. de namen, voornamen, contactgegevens en dienst van toewijzing van elke melder;   2° de identiteit van elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een melding van een inbreuk en zijn contactgegevens en dienst van toewijzing;   3° de identiteit van elke persoon die mogelijk heeft bijgedragen tot, getuige is geweest van of het slachtoffer is geweest van een inbreuk, of die informatie kan verstrekken in het kader van het onderzoek dat wordt uitgevoerd door de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit, alsook hun contactgegevens en hun dienst van toewijzing.   De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit kan de bovenstaande contactgegevens opvragen bij de personeelsdienst.   § 2. De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit zendt deze gegevens alleen :   a) indien de betrokken persoon uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de bekendmaking;   b) als artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast;   c) indien dit noodzakelijk en evenredig lijkt in het kader van onderzoeken die worden uitgevoerd door de autoriteiten die bevoegd zijn voor het onderzoeken van strafbare feiten of in het kader van gerechtelijke procedures om het recht op verdediging van verdachten te waarborgen.   § 3 Alle op grond van dit hoofdstuk verzamelde persoonsgegevens worden binnen vijf jaar na het einde van het onderzoek vernietigd, behalve in geval van strafrechtelijke vervolging of rechtsvervolging, in welk geval de gegevens tot tien jaar na het einde van de vervolging of rechtsvervolging worden bewaard.   § 4. Wanneer de melding per computer of telefonisch wordt gegeven, waarborgt de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit dat deze op een veilige manier wordt verwerkt met betrekking tot de geheimhouding van de identiteit van de persoon die de melding geeft, de betrokken persoon en alle andere bij de melding betrokken personen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 37, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 182. [1 § 1. .De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit archiveert alle ontvangen meldingen met inachtneming van de geheimhoudingsvereisten van artikel 180.   § 2. Wanneer voor het melden, met instemming van de melder, een telefoonlijn met gespreksopname of een ander spraakberichtsysteem met gespreksopname wordt gebruikt, hebben de integriteitsreferent en de bevoegde autoriteit inzake integriteit het recht om de mondelinge melding te registreren op een van de volgende wijzen:   a) door het maken van een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm, of;   b) door een volledige en nauwkeurige schriftelijke weergave van het gesprek, opgesteld door de voor het behandelen van de melding verantwoordelijke personeelsleden   De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake autoriteit bieden de melder de mogelijkheid de schriftelijke weergave van het telefoongesprek te controleren en te corrigeren. De weergave van het telefoongesprek is ondertekend door de melder.   § 3. Indien voor de melding een telefoonlijn zonder gespreksopname of een ander spraakberichtsysteem zonder gespreksopname wordt gebruikt, heeft de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteiten inzake integriteit het recht om de mondelinge melding te registreren in de vorm van een nauwkeurig verslag van het gesprek, opgesteld door het voor het behandelen van de melding verantwoordelijke personeelslid. De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit integriteit bieden de melder de mogelijkheid het verslag van het gesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.   § 4. Wanneer de melding volgt op een onderhoud tussen de melder en de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit, wordt van het onderhoud een volledig en nauwkeurig verslag bijgehouden in een duurzame en opvraagbare vorm.   De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit heeft het recht om het onderhoud te registreren op een van de volgende wijzen:   a) door het maken van een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm, of;   b) door een nauwkeurig verslag van het onderhoud, opgesteld door de voor het behandelen van de melding verantwoordelijke personeelsleden.   De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit bieden de melder de mogelijkheid de schriftelijke weergave van het verslag van het onderhoud te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 38, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Afdeling 5. [1 Bescherming van de melder  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 39, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>      Art. 183. [1 Elke vorm van represailles, inclusief dreigingen met en pogingen tot represailles tegen de melder voor het melden van een inbreuk is verboden.   Met name de volgende punten vormen een represaillemaatregel:   1° een beslissing tot ontslag of ambtshalve ontslag nemen;   2° een personeelslid verplaatsen of een verzoek daartoe weigeren;   3° een ordemaatregel nemen;   4° een interne ordemaatregel nemen;   5° een disciplinaire maatregel nemen;   6° een opleidingsopschortende maatregel nemen;   7° het ontnemen van een loonsverhoging aan een personeelslid;   8° een personeelslid kansen op benoeming, bevordering of loopbaanontwikkeling ontnemen;   9° een contractueel personeelslid de omzetting van een tijdelijke arbeidsovereenkomst in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur ontzeggen, wanneer de werknemer terecht mocht verwachten dat hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur zou worden aangeboden;   10° een personeelslid faciliteiten ontzeggen die andere personeelsleden wel genieten;   11° verlof weigeren;   12° een ongunstige evaluatie geven;   13° de stage vervroegd beëindigen;   14° het vrijwilligerswerk vervroegd beëindigen;   15° maatregelen nemen van dwang, intimidatie, pesterijen of uitsluiting;   16° discriminerende maatregelen nemen of nadelige of ongelijke behandeling van een personeelslid.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 40, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 184. [1 De melder geniet de bescherming waarin dit hoofdstuk voorziet, mits :   1° hij redelijke gronden had om aan te nemen dat de op de inbreuken gemelde informatie waar was op het ogenblik dat de melding werd gedaan en dat deze informatie binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk viel en;   2° hij een melding gedaan had, hetzij intern overeenkomstig afdeling 2, hetzij extern overeenkomstig afdeling 3, hetzij openbaar gemaakt overeenkomstig artikel 185.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 41, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 185. [1 § 1. Een persoon die openbaarmakingen doet, geniet de bescherming die door dit hoofdstuk wordt geboden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:   1° de persoon heeft eerst een interne en externe melding uitgebracht, of heeft rechtstreeks een externe melding uitgebracht overeenkomstig de afdelingen 2 en 3, maar aan de melding is geen gevolg gegeven binnen de termijn bedoeld in artikel 165, § 1, tweede lid, of in artikel 176, § 1, tweede lid, en § 3;   2° de vermoedelijke inbreuk die het voorwerp uitmaakt van de openbaarmaking beantwoordt aan de definitie van artikel 153, 1°.   § 2. Dit artikel is niet van toepassing op gevallen waarin een persoon informatie rechtstreeks aan de pers verstrekt op grond van specifieke nationale bepalingen waarbij een systeem van bescherming met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting en informatie is ingesteld.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 42, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 186. [1 § 1. De beschermingsperiode begint :   1° voor de melder op de datum van ontvangst van de melding;   2° voor het personeelslid dat de melder heeft bijgestaan, op de datum waarop hij als zodanig wordt erkend door de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit;   3° voor de integriteitsreferent, op de datum van zijn indiensttreding.   § 2. Het voordeel van de bescherming gaat niet verloren om de enkele reden dat een te goeder trouw opgenomen melding onjuist of ongegrond is gebleken of dat te goeder trouw doorgegeven informatie onjuist of ongegrond is gebleken.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 43, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 187. [1 § 1. Bescherming wordt niet verleend aan een personeelslid dat een inbreuk meldt zonder de procedures in dit hoofdstuk te hebben gevolgd.   § 2. Er wordt geen bescherming verleend aan een personeelslid dat een melder is, wanneer uit het schriftelijk verslag van het onderzoek blijkt :   1° dat hij handelde in de volle wetenschap dat deze aanklacht niet oprecht was;   2° dat hij zelf betrokken is bij de verweten inbreuk.   § 3 Er wordt geen bescherming verleend aan het personeelslid dat betrokken is bij het onderzoek indien uit het schriftelijk verslag van het onderzoek blijkt :   1° dat hij opzettelijk oneerlijke, onjuiste en kennelijk onvolledige informatie heeft verstrekt aan de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit;   2° dat hij zelf betrokken is bij de verweten inbreuk.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 44, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>       Art. 188. [1 De in artikel 155 bedoelde personen komen in voorkomend geval in aanmerking voor ondersteuningsmaatregelen zoals volledige en onafhankelijke voorlichting en advies, die gemakkelijk toegankelijk zijn voor het publiek en kosteloos zijn, over de beschikbare procedures en rechtsmiddelen, over bescherming tegen represailles en over de rechten van de betrokkene.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 45, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>   Afdeling 6. [1 Bescherming van betrokkenen  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 46, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>   Art. 189. [1 § 1. De integriteitsreferent en de bevoegde autoriteit inzake autoriteit zorgen ervoor dat de identiteit van de betrokkenen wordt beschermd zolang onderzoeken naar aanleiding van de melding of openbaarmaking lopen.   § 2. De in de afdeling 4 uiteengezette regels met betrekking tot de bescherming van de identiteit van melders zijn ook van toepassing op de bescherming van de identiteit van de betrokkenen.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 47, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>   Afdeling 7. [1 Sancties  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 48, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>   Art. 190. [1 Het is niet strafbaar voor een persoon die uit hoofde van zijn hoedanigheid of beroep in het bezit is van geheimen, om deze te melden of openbaar te maken overeenkomstig de voorwaarden van dit hoofdstuk. Deze bepaling geldt onverminderd de bescherming van de nationale veiligheid, de bescherming van gerubriceerde informatie in de zin van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, de bescherming van het beroepsgeheim van advocaten en het medisch geheim, het geheim van gerechtelijke beraadslagingen en de regels van de strafrechtelijke procedure.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 49, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>   Afdeling 8. [1 Geen afstand van rechten en remedies  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 50, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>   Art. 191. [1 Er wordt op toegezien dat van de rechten en remedies waarin dit hoofdstuk voorziet, geen ontheffing of beperking mogelijk is bij overeenkomst, door beleid, of door arbeidswijze of arbeidsvoorwaarden, en evenmin door aan geschillen voorafgaande arbitrageovereenkomsten.   Alle contractuele of wettelijke bepalingen die in strijd zijn met dit hoofdstuk of met de bepalingen die zijn aangenomen voor de uitvoering ervan, zijn nietig, evenals alle contractuele clausules die voorzien in een verklaring van afstand van de bescherming die dit hoofdstuk of de bepalingen die zijn aangenomen voor de uitvoering ervan biedt.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 51, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>   Afdeling 9. [1 Diverse bepalingen  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 52, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>   Art. 192.[1 De artikelen 152 tot 191 betreffende meldingskanalen en de bescherming van personen die een inbreuk melden, zijn mutatis mutandis van toepassing op verenigingen die vallen onder hoofdstuk XII van deze wet.   De term "orgaan" gedefinieerd in artikel 153, 5°, moet worden begrepen als de algemene bijeenkomst, de raad van bestuur, beperkte bestuursorganen en hun leden.   § 2. Elk personeelslid van niveau A of, bij gebrek daaraan, niveau B kan na een interne oproep worden aangesteld als integriteitsreferent in overeenstemming met de statuten en reglementen van de vereniging.   Als er geen kandidaat-vrijwilliger is na de interne oproep, is de integriteitsreferent de lokale leidinggevende functie.   De functiebeschrijving van de integriteitsreferent is overeengekomen met de representatieve vakbonden.   Een integriteitsreferent is verplicht als de vereniging ten minste vijftig personeelsleden heeft.   De integriteitsreferent kan worden gedeeld met een of meer openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verenigingen die vallen onder hoofdstuk XII of lokale overheden zoals bedoeld in artikel L1219-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.  ----------  <Ingevoegd bij DWG 2023-05-19/07, art. 53, 042; Inwerkingtreding : 01-12-2023>     
Art. 17bis. Par dérogation aux articles 11 à 17, les membres du conseil de l'aide sociale des communes périphériques visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, et des communes de Comines-Warneton et de Fourons sont élus directement par l'assemblée des électeurs de la commune.  L'élection des membres du conseil de l'aide sociale a lieu le même jour que les élections communales.  Le Roi arrête les modalités relatives à cette élection, par analogie avec la procédure prévue dans la loi électorale pour l'élection des conseillers communaux.  Art. 18.[1 § 1er. Le membre du conseil qui perd l'une ou l'autre des conditions d'éligibilité ne peut plus continuer l'exercice de ses fonctions. [2 Dans ce cas, l'article 15, § 3, n'est pas d'application.]2   Le collège en informe le conseil [3 communal, le conseil de l'action sociale]3 et l'intéressé. Celui-ci peut communiquer, au collège, dans un délai de quinze jours, ses moyens de défense. Le conseil [3 communal]3 prend acte de la perte de l'une ou l'autre des conditions d'éligibilité et constate la déchéance de plein droit. Il procède au remplacement du membre concerné.   Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision. Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.   Si, ayant connaissance de la cause de sa déchéance, même en l'absence de toute notification, l'intéressé continue l'exercice de ses fonctions, il est passible des peines prévues par l'article 262 du Code pénal.   § 2. Le membre du conseil qui vient à se trouver dans l'une des situations d'incompatibilité ne peut plus continuer l'exercice de ses fonctions.   Le collège en informe le conseil [3 communal, le conseil de l'action sociale]3 et l'intéressé. Celui-ci peut communiquer, au collège, dans un délai de quinze jours, ses moyens de défense. Le conseil [3 communal]3 prend acte des faits de nature à entraîner l'incompatibilité et constate la déchéance de plein droit. Il procède au remplacement du membre concerné.   Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision. Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.   Si, ayant connaissance de la cause de sa déchéance, même en l'absence de toute notification, l'intéressé continue l'exercice de ses fonctions, il est passible des peines prévues par l'article 262 du Code pénal.]1  [2 § 3. L'élu qui, au jour de son installation, ne remplit pas les conditions d'éligibilité ou vient à se trouver dans l'une des situations d'incompatibilité, ne peut pas être appelé à prêter serment.   Le collège en informe le conseil [3 communal, le conseil de l'action sociale]3 et l'intéressé. Celui-ci peut communiquer, au collège, dans un délai de quinze jours, ses moyens de défense. Le conseil [3 communal]3 prend acte de la perte de l'une ou l'autre des conditions d'éligibilité et constate l'impossibilité à prêter serment.   Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision. Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.]2  

Wijzigingen

[2]  <DRW 2012-04-26/31, art. 9, 015; En vigueur : 25-05-2012>   <DRW 2018-03-29/49, art. 10, 028; En vigueur : 24-05-2018>   <DRW 2024-03-28/63, art. 7, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 19.<DRW 2005-12-08/43, art. 2; En vigueur : 08-10-2006> La démission des fonctions de conseiller est notifiée par écrit au conseil de l'action sociale et au conseil communal, lequel l' [2 actelors de la première séance suivant cette notification.  [2 La démission prend effet à la date où le conseil communal l'acte. Lorsque la démission est actée par le conseil communal, elle ne peut plus être retirée.  ----------  <DRW 2018-03-29/49, art. 11, 028; En vigueur : 24-05-2018>   <DRW 2024-03-28/63, art. 8, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 20. <DRW 2005-12-08/43, art. 2; En vigueur : 08-10-2006> Les membres du conseil de l'action sociale peuvent, en cas de négligence grave ou d'inconduite notoire, être suspendus ou révoqués par le Gouvernement ou son délégué, sur la proposition du conseil de l'action sociale, du conseil communal, du gouverneur, du collège provincial ou même d'office. La suspension ne pourra excéder trois mois.  Le membre intéressé est préalablement convoqué et, s'il le demande, entendu, assisté du conseil de son choix; l'avis du conseil de l'action sociale est demandé.  La décision du Gouvernement ou de son délégué est notifiée à l'intéressé et communiquée au conseil de l'action sociale, au conseil communal, au gouverneur et au collège provincial. Un recours au Conseil d'Etat est ouvert à l'intéressé, au conseil de l'action sociale et au conseil communal dans les quinze jours de la notification ou à l'expiration du délai imparti au Gouvernement ou à son délégué pour statuer.  Dans les cas où il est saisi d'une proposition de suspension ou de révocation, le Gouvernement ou son délégué statue dans un délai de trois mois à partir du jour où la proposition lui a été notifiée. Il peut proroger ce délai de trois mois; la décision de prorogation ne produit ses effets que si elle est notifiée au conseil communal, au conseil de l'action sociale, au gouverneur et au collège provincial avant l'expiration du délai initial de trois mois. A défaut de notification d'une décision dans le délai prescrit, éventuellement prorogé, le silence du Gouvernement ou de son délégué est réputé constituer une décision de rejet de la proposition.  La décision de prorogation est notifiée à l'intéressé dans les huit jours.  Art. 21. <DRW 2005-12-08/43, art. 2; En vigueur : 08-10-2006> Le Conseil d'Etat dispose d'un délai de six mois après la réception de la requête pour statuer, suivant la procédure déterminée par le Gouvernement, sur les recours introduits en application de l'article 15.  Art. 22.<DRW 2005-12-08/43, art. 2; En vigueur : 08-10-2006> § 1er. Le président du conseil de l'action sociale est le membre de ce conseil dont l'identité est reprise dans le pacte de majorité visé aux articles L1123-1 et suivants du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.  § 2. Avant l'adoption du pacte de majorité par le conseil communal, le conseil de l'action sociale est présidé par le président élu sous la législature communale précédente s'il est toujours membre du conseil et, à défaut, par le conseiller ayant la plus grande ancienneté en tant que conseiller de l'action sociale parmi les formations politiques qui respectent les principes démocratiques énoncés notamment par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la Seconde Guerre mondiale ou toute autre forme de génocide, ainsi que les droits et libertés garantis par la Constitution.  § 3. En cas d'empêchement [1 ou absencedu président, ses fonctions sont assumées par le membre du conseil qu'il désigne par écrit. A défaut d'une telle désignation, le conseil désigne un remplaçant parmi ses membres et, en attendant cette désignation, les fonctions de président sont exercées, s'il y a lieu, par le conseiller ayant la plus grande ancienneté en tant que conseiller de l'action sociale [4 et en cas d'égalité, par le conseiller le plus âgé. [5 Le président qui fait fonction durant l'empêchement ou l'absence exerce l'ensemble des prérogatives du président, en ce compris celle de siéger au collège communal.  Est considéré comme empêché le président qui exerce la fonction de ministre, de secrétaire d'Etat, de membre d'un gouvernement ou de secrétaire d'Etat régional pendant la période d'exercice de cette fonction.  [1 [3 ...  [3 ...  [2 § 3bis. Le président du conseil empêché ne peut pas :   1° [5 assister au collège communal, au bureau permanent ou aux comités spéciaux, à quelque titre que ce soit;   2° présider le conseil communal ou le conseil de l'action sociale;   3° signer un document officiel émanant de la commune ou du CPAS;   4° signer la revue communale ou du CPAS ou des courriers d'invitation;   5° porter l'écharpe, sauf pour les cérémonies de mariage et les manifestations en présence de représentants du corps diplomatique;   6° assurer la communication officielle de la commune ou du CPAS;   7° bénéficier de manière permanente d'un local au sein de la commune ou du CPAS;   8° disposer d'un cabinet au niveau de la commune ou du CPAS.   Le président du conseil empêché est autorisé, dans sa correspondance privée, à utiliser un papier mentionnant son titre sans employer la charte graphique ni le blason communal ou du CPAS.  § 4. Les fonctions du président prennent fin lorsqu'il démissionne de ses fonctions, lorsque son mandat de conseiller prend fin ou lorsque le conseil communal vote une motion de méfiance constructive le concernant.  La démission des fonctions de président est notifiée par écrit au conseil de l'action sociale et au conseil communal, lequel l'[5 actelors de la première séance suivant cette notification.  [5 La démission prend effet à la date où le conseil communal l'acte. Lorsque la démission est actée par le conseil communal, elle ne peut plus être retirée.  § 5. En cas de décès ou de démission du président ou lorsque son mandat prend fin pour un motif autre que le renouvellement complet du conseil, et sans préjudice du vote d'une motion de méfiance à l'égard du collège communal [5 et à la condition que l'identité du président démis ne soit pas reprise dans la même fonction dans le nouveau pacte de majorité, il est remplacé par le conseiller ayant la plus grande ancienneté en tant que conseiller de l'action sociale [4 et en cas d'égalité, par le conseiller le plus âgéparmi les formations politiques qui respectent les principes démocratiques énoncés notamment par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la Seconde Guerre mondiale ou toute autre forme de génocide, ainsi que les droits et libertés garantis par la Constitution jusqu'à ce qu'un nouveau président soit élu par le conseil communal.  § 6. Le Gouvernement détermine l'habit officiel ou le signe distinctif du président.  ----------  <DRW 2012-04-26/31, art. 10, 015; En vigueur : 25-05-2012>   <DRW 2017-10-12/05, art. 2, 026; En vigueur : 23-10-2017>   <DRW 2018-03-29/28, art. 3, 027; En vigueur : 30-04-2018>   <DRW 2018-03-29/49, art. 12, 028; En vigueur : 24-05-2018>   <DRW 2024-03-28/63, art. 9, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 23. (implicitement abrogé) <DRW 2005-12-08/43, art. 2; En vigueur : 08-10-2006>  Section 2. - Du fonctionnement du conseil de l'aide sociale.  Art. 24. Le conseil de l'aide sociale règle tout ce qui est de la compétence du (centre public d'action sociale), à moins que la loi n'en dispose autrement. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 25. (abrogé) <DRW 2005-12-08/43, art. 3; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 25bis. <Inséré par L 1988-08-09/30, art. 15; En vigueur : 1989-01-01> Le président du conseil de l'aide sociale des communes périphériques visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, et des communes de Comines-Warneton et de Fourons est nommé parmi les membres du conseil et sur proposition de celui-ci par l'autorité communautaire compétente.  Il prête le serment visé à l'article 20 entre les mains du gouverneur de province. Lorsqu'au moment de l'installation du conseil après son renouvellement intégral, le président n'est pas encore nommé, le conseil désigne un de ses membres pour exercer la fonction de président en attendant cette nomination.  Art. 25ter. <Inséré par L 1988-08-09/30, art. 16; En vigueur : 1989-01-01> § 1. Tout président ou membre d'un conseil de l'aide sociale et quiconque exerce les fonctions de président d'un conseil de l'aide sociale dans les communes visées aux articles 7 et 8, 3° à 10°, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, doit pour exercer ses fonctions, avoir la connaissance de la langue de la région linguistique dans laquelle la commune est située, qui est nécessaire à l'exercice du mandat visé.  § 2. Par le fait de leur élection ou de leur nomination, les mandataires visés au § 1er sont présumés avoir la connaissance visée audit paragraphe.  Cette présomption est irréfragable à l'égard de tout mandataire élu directement par la population pour le mandat exercé et aussi à l'égard du président qui, entre le 1er janvier 1983 et le 1er janvier 1989, a exercé un mandat de président pendant au moins trois années consécutives.  A l'égard des autres mandataires, cette présomption peut être renversée à la demande d'un membre du conseil de l'aide sociale. Le requérant doit, à cette fin, apporter la preuve d'indices graves permettant de renverser cette présomption et tirée d'un décision juridictionnelle, de l'aveu du mandataire ou de l'exercice de ses fonctions comme autorité administrative individuelle.  § 3. La demande visée au paragraphe 2 est introduite par voie de requête adressée à la section d'administration du Conseil d'Etat dans un délai de six mois à compter du jour de la prestation de serment comme président ou comme membre non élu directement ou du jour du premier exercice des fonctions de président en application des articles 25 ou 25bis, deuxième alinéa.  § 4. Le Conseil d'Etat statue toutes affaires cessantes.  Un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres règle la procédure devant le Conseil d'Etat.  § 5. Si le Conseil d'Etat conclut au renversement de la présomption de connaissance de la langue dans le chef d'un président du conseil de l'aide sociale, il annule la nomination. Jusqu'au renouvellement intégral du conseil, l'intéressé ne peut plus être nommé président, ni en exercer les fonctions en application de l'article 25 ou 25bis, alinéa deux.  Si le Conseil d'Etat conclut au renversement de la présomption de connaissance de la langue dans le chef de celui qui exercer les fonctions de président en application de l'article 25 ou de l'article 25bis, il est censé ne jamais avoir exercé ces fonctions. Dans ce cas, les fonctions de président sont, à partir de la date de la notification de l'arrêt, exercées par un autre membre du conseil en application de l'article 25 ou 25bis, deuxième alinéa.  Si le Conseil d'Etat conclut au renversement de la présomption de connaissance de la langue dans le chef d'un membre du conseil de l'aide sociale non élu directement, son élection est annulée. Jusqu'au renouvellement intégral du conseil, l'intéressé ne peut plus être élu.  § 6. La méconnaissance des dispositions du § 5 par ceux à l'égard desquels la présomption de connaissance de la langue est renversée, est considérée comme une négligence grave au sens de l'article 22.  Art. 26.<L 1992-08-05/46, art. 15; En vigueur : 18-10-1992> § 1er. Le bourgmestre peut assister avec voix consultative aux séances du (conseil de l'action sociale). (...). <DRW 2005-12-08/43, art. 4 et 17; En vigueur : 08-10-2006>  Lorsque le bourgmestre assiste aux séances, il peut les présider s'il le souhaite.  § 2. Une concertation a lieu au moins tous les trois mois entre une délégation du (conseil de l'action sociale) et une délégation du conseil communal. Ces délégations constituent conjointement le comité de concertation. Elles comprennent en tout cas le bourgmestre ou l'échevin désigné par celui-ci et le président du (conseil de l'action sociale). <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  (Lorsque la concertation porte sur une matière relative à l'hôpital, une délégation du comité de gestion et le directeur de l'hôpital sont invités à assister à la concertation avec voix consultative.) <DRW 1998-04-02/40, art. 4; En vigueur : 1998-05-08>   Le (Gouvernement) peut fixer les conditions et les modalités de cette concertation. <DRW 1998-04-02/40, art. 34; En vigueur : 1998-05-08>  Sauf dispositions contraires fixées par le (Gouvernement), la concertation susvisée est soumise aux règles fixées dans un règlement d'ordre intérieur, arrêté par le conseil communal et par le (conseil de l'action sociale). <DRW 1998-04-02/40, art. 34; En vigueur : 1998-05-08> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Les [1 directeurs généraux de la commune et du centre public d'action socialassurent le secrétariat du comité de concertation. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  [2 Le directeur financier du centre public d'action sociale participe au comité de concertation lorsque sont présentées pour avis les matières reprises à l'article 26bis, § 1er, 1° et 7°  [3 A défaut de concertation dûment constaté du fait des autorités communales, le centre public d'action sociale statue, sans préjudice de l'application de la tutelle administrative.  ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 17 et 18, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2018-07-19/40, art. 2, 030; En vigueur : 16-09-2018>   <DRW 2024-03-28/63, art. 10, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 26bis.<L 1992-08-05/46, art. 16; En vigueur : 18-10-1992> § 1er. Les matières suivantes ne peuvent faire l'objet d'une décision du (centre public d'action sociale) qu'après avoir été [5 présentéespréalablement au comité de concertation : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  1° le budget [3 et le comptedu centre et ceux des hôpitaux qui dépendent de ce centre;  2° la fixation ou la modification du cadre du personnel;  3° la fixation ou la modification du statut administratif et pécuniaire du personnel, pour autant qu'elles puissent avoir une incidence financière ou qu'elles dérogent au statut du personnel communal;  (4° l'engagement de personnel complémentaire [4 ...;) <DRW 1998-04-02/40, art. 5; En vigueur : 1998-05-08>  5° la création de nouveaux services ou établissements et l'extension des structures existantes (sauf s'il s'agit de l'hôpital dont les deux derniers comptes approuvés conformément à l'article [1 112terainsi que les prévisions budgétaires ne font pas apparaître un déficit;) <DRW 1998-04-02/40, art. 5; En vigueur : 1998-05-08>  6° la création d'associations conformément aux articles 118 et suivants;  7° les modifications budgétaires dès qu'elles sont de nature à augmenter (...) l'intervention de la commune ainsi que les décisions qui tendent à aggraver le déficit des hôpitaux. <DRW 1998-04-02/40, art. 5; En vigueur : 1998-05-08>  [2 8° le programme stratégique transversal visé à l'article 27ter.  § 2. Les matières suivantes ne peuvent faire l'objet d'une décision des autorités communales qu'après avoir été [5 présentéespréalablement au comité de concertation :  1° la fixation ou la modification du statut administratif et pécuniaire du personnel, pour autant que les décisions concernées puissent avoir une incidence sur le budget et la gestion du (centre public d'action sociale); <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  2° la création de nouveaux services ou établissements à finalité sociale et l'extension des structures existantes.  [2 3° le programme stratégique transversal visé à l'article L1123-27 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.  § 3. La liste des matières, mentionnées aux §§ 1er et 2, peut être complétée dans le règlement d'ordre intérieur, visé à l'article 26, § 2.  § 4. La proposition soumise au comité de concertation et le procès-verbal de la réunion de concertation sont annexés à la délibération transmise à l'autorité de tutelle.  § 5. [3 Le conseil de l'action sociale conclut avec le conseil communal des conventions nécessaires au développement des synergies.   Une synergie entre la commune et le centre est une volonté commune et partagée de gérer ou réaliser un service, une action, un projet ou une mission ensemble ou encore de confier à une des institutions locales la réalisation ou la gestion d'un service, d'une action, d'un projet ou d'une mission en vue d'opérer des économies d'échelles, d'accroître l'efficacité organisationnelle et de viser l'efficience du service public en respect des missions et de l'autonomie de chacun.  [3 § 6. Le directeur général de la commune et le directeur général du centre public d'action sociale ressortissant de son territoire établissent conjointement et annuellement un projet de rapport sur l'ensemble des synergies existantes et à développer entre la commune et le centre public d'action sociale. Lorsque le CPAS et la commune se sont dotés d'un directeur général adjoint commun chargé de la gestion des synergies, celui-ci participe à l'établissement du projet de rapport. Ce projet de rapport est également relatif aux économies d'échelle et aux suppressions des doubles emplois ou chevauchements d'activités du centre public d'action sociale et de la commune.   Le projet de rapport visé à l'alinéa 1er est soumis à l'avis des comités de direction de la commune et du centre réunis conjointement, visés à l'article 42, § 3, alinéa 5, puis présenté au comité de concertation qui dispose d'une faculté de modification.   Le projet de rapport visé à l'alinéa 1er est ensuite présenté, et débattu lors d'une réunion annuelle commune et publique du conseil communal et du conseil de l'action sociale au cours de laquelle des modifications peuvent être apportées. Le rapport est ensuite adopté par chacun des conseils. Une projection de la politique sociale locale est également présentée en cette même séance. Cette réunion annuelle se tient avant l'adoption des budgets du centre public d'action sociale et de la commune par leurs conseils respectifs.   Le rapport est annexé au budget du centre public d'action sociale.   Le Gouvernement wallon fixe le canevas du rapport annuel sur les synergies. Celui-ci comprend au moins les éléments suivants :   1° un tableau de bord des synergies réalisées et en cours;   2° un tableau de programmation annuelle des synergies qui sont projetées et une grille qui évalue le niveau de rassemblement des services de support. Cette grille est appelée matrice de coopération;   3° une liste reprenant les marchés publics conjoints et les marchés publics séparés pouvant faire l'objet de marchés publics conjoints.  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 2, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2018-07-19/29, art. 2, 029; En vigueur : 07-09-2018>   <DRW 2018-07-19/40, art. 3, 030; En vigueur : 16-09-2018>   <DRW 2024-03-14/16, art. 2, 046; En vigueur : 01-06-2024>   <DRW 2024-03-28/63, art. 11, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 26ter.  <Abrogé par DRW 2024-03-28/63, art. 12, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 26quater. [1 § 1er. Dans le cadre des synergies visées à l'article 26bis, § 5, le centre public d'action sociale conclut des conventions avec la commune afin de déléguer en tout ou partie ou de réaliser en commun des prestations de support indispensables à l'exécution de ses missions. La commune et le centre public d'action sociale peuvent rassembler ou unifier leurs services de support. Le rassemblement ou l'unification de services de support est inscrit dans le programme stratégique transversal visé à l'article 27ter.   La convention contient, au minimum, les éléments suivants :   - l'objet de la convention et le mode d'organisation (mode délégatif ou mode coopératif);   - la durée de la convention et les modalités de reconduction;   - le personnel affecté à la synergie ainsi que l'autorité administrative de laquelle il dépend en cas de mode coopératif;   - le responsable hiérarchique qui, en cas de mode coopératif, doit être membre du personnel des deux administrations ou affecté par mise à disposition conformément aux dispositions de l'article 144 bis de la Nouvelle Loi Communale ou en application de l'article 32 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs;   - le mode de financement, le cas échéant, ainsi que la fonction budgétaire (code fonctionnel) à laquelle les crédits de dépenses et de recettes seront inscrits;   - les moyens matériels éventuels consacrés à la synergie;   - les modalités de suivi et d'évaluation de la convention.   § 2. Les services de support regroupent l'ensemble des prestations internes qui contribuent indirectement à la mission première de l'administration publique et qui sont nécessaires à la réalisation des missions et objectifs. Ils sont constitués principalement des services achats, ressources humaines, maintenance et informatique. La réalisation de prestations de support est établie soit à titre gratuit, soit en coopération horizontale non institutionnalisée conformément à l'article 31 de la Loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics.   § 3. Le centre public d'action sociale peut conclure des conventions avec un autre centre public d'action sociale afin de déléguer en tout ou partie ou de réaliser en commun des prestations de support indispensables à l'exécution de ses missions. Les centres peuvent rassembler ou unifier leurs services de support visés au paragraphe 2.  ----------  <Inséré par DRW 2018-07-19/40, art. 4, 030; En vigueur : 16-09-2018>      Art. 27.§ 1er. Le (conseil de l'action sociale) (constitue en son sein) un bureau permanent qui est chargé de l'expédition des affaires d'administration courante et auquel il peut déléguer, en outre, d'autres attributions bien définies. <L 1992-08-05/46, art. 18; En vigueur : 18-10-1992> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Sans préjudice de l'application de l'article 94, le conseil peut aussi constituer en son sein des comités spéciaux auxquels il peut déléguer des attributions bien définies. Toutefois, aucun comité spécial ne peut être constitué aussi longtemps qu'un comité spécial du service social n'est pas créé. (En outre, le (conseil de l'action sociale) peut prévoir, dans son règlement d'ordre intérieur, la désignation au sein des comités spéciaux, de membres suppléants aux membres effectifs [4 .... Les membres suppléants doivent figurer dans le même acte de présentation que les membres effectifs concernés.) <L 1993-01-12/34, art. 2; En vigueur : 01-03-1993> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  (La délégation d'attributions au bureau permanent ou aux comités spéciaux est exclue pour les décisions que la loi réserve expressément au conseil, pour les décisions soumises à [4 ...l'approbation d'une autorité de tutelle ainsi que pour les décisions sur les objets suivants :  1° [4 l'aliénation, l'acquisition, le partage et l'échange de biens immobiliers ou droits immobiliers sauf les cas prévus à l'article 75;  2° les emprunts, les transactions [4 ...et les placements définitifs de capitaux;  3° l'acceptation des donations et legs faits au centre [4 , sauf les cas prévus à l'article 80;  4° (les marchés de travaux, de fournitures et de services sauf les cas prévus à l'article 84, [3 , 84bis et 84ter.) <DRW 2002-05-30/37, art. 2; En vigueur : 22-06-2002>  (alinéa abrogé° ) ) <L 1992-08-05/46, art. 18; En vigueur : 18-10-1992> <DRW 2002-05-30/37, art. 2; En vigueur : 22-06-2002>)  § 2. Le bureau permanent reste en fonction jusqu'à l'installation du nouveau conseil. Les comités spéciaux peuvent être désignés pour une durée déterminée ou indéterminée, mais cette durée ne peut pas se prolonger au-delà de l'installation du nouveau conseil.  Les délégations d'attributions peuvent toutefois être retirées à tout moment.  (§ 3. [4 ...  Le bureau permanent, son président inclus, compte :  - trois membres pour un conseil de neuf membres;  - quatre membres pour un conseil de onze ou treize membres;  - cinq membres pour un conseil de quinze membres.  Pour chaque comité spécial, le nombre de membres est fixé par le conseil. Chaque comité ne peut toutefois, le président inclus, compter moins de :  - trois membres pour un conseil de neuf membres;  - quatre membres pour un conseil de onze ou treize membres;  - cinq membres pour un conseil de quinze membres.  § 4. Le président du conseil est de droit, et avec voix délibérative, président du bureau permanent et des comités spéciaux. Toutefois, le bureau permanent et les comités spéciaux peuvent, le président présent, désigner en leur sein un vice-président chargé de présider les séances en lieu et place du conseiller appelé à présider les séances en vertu de l'article 22, § 3.  § 5. Les membres du bureau permanent et des comités spéciaux ne peuvent être parents ou alliés jusqu'au troisième degré inclusivement.  § 6. (Le bureau permanent et les comités spéciaux comprennent des membres de sexe différent.  Les membres du bureau permanent et les membres de chaque comité spécial, autres que le président, sont désignés au scrutin secret et en un seul tour, chaque conseiller disposant d'une voix. En cas de parité de voix, le candidat le plus âgé est élu.  Si, à l'issue du scrutin, la mixité au sein du bureau permanent et d'un comité spécial n'est pas assurée, le résultat est déclaré nul.  Il est procédé à un nouveau scrutin secret et en un seul tour pour l'ensemble des sièges, hormis celui du président, jusqu'à assurer la présence des deux genres au sein du bureau permanent et des comités spéciaux.  Sauf en cas de démission ou de perte du mandat de conseiller, les membres du bureau permanent et ceux des comités spéciaux sont désignés pour la durée d'existence du bureau ou du comité dont ils font partie.  Lorsque le mandat d'un membre du bureau permanent ou d'un comité spécial [1 autres que le présidentprend fin, il est pourvu à son remplacement par la désignation d'un membre élu sur la même liste que lui.  Il est dérogé à l'alinéa 6 lorsqu' aucun autre membre du conseil de l'action sociale n'a été élu sur la même liste que le membre du bureau permanent ou du comité spécial qu'il convient de remplacer ou lorsque ce dernier ne doit son élection au bureau permanent ou dans un comité spécial qu'en raison de son âge à la suite d'une parité de voix. Dans ces deux cas, tout membre du conseil peut être élu.  Il est également dérogé à l'[1 alinéa 6, lorsqu'à la suite de son application, le bureau permanent ou un comité spécial serait composé exclusivement de membres d'un même sexe. Dans ce cas, tout membre du conseil, appartenant à l'autre sexe, peut être élu.)) <DRW 2005-12-08/43, art. 6; En vigueur : 08-10-2006> <DRW 2006-07-19/42, art. 2, 004; En vigueur : 21-08-2006>  [2 § 7. A l'occasion de la naissance ou de l'adoption d'un enfant, le membre du bureau permanent peut prendre congé. Il notifie son congé au bureau permanent par écrit en indiquant la date de début et de fin. La durée du congé est de maximum 20 semaines. Il prend fin au plus tard 20 semaines après la naissance ou l'adoption de l'enfant.   Dans le cadre d'une maladie nécessitant une absence, attestée par un certificat médical d'incapacité de trois mois minimum, le membre du bureau permanent peut prendre congé pendant toute la durée couverte par ce certificat médical. Il notifie son congé au bureau permanent par écrit en indiquant la date de début et de fin.   La demande de congé en qualité de membre du bureau permanent visée aux paragraphes ci-dessus est introduite si l'intéressé veut rester conseiller de l'action sociale durant cette période.   Est considéré comme empêché le membre du bureau permanent, son président inclus, qui prend un congé en application de ce paragraphe.  [4 A l'occasion du congé visé aux alinéas 1er à 4, il est procédé au remplacement pour la durée du congé si le groupe politique qui avait présenté le bénéficiaire du congé le demande. Il est pourvu au remplacement par la désignation d'un membre élu sur la même liste que le bénéficiaire. Le membre qui requiert un congé reste en fonction jusqu'à la désignation de son remplaçant.   Par exception à l'alinéa 5, lorsqu'aucun autre membre du conseil de l'action sociale n'est élu sur la même liste que le membre du bureau permanent qu'il convient de remplacer temporairement, tout membre du conseil qui appartient soit à un groupe politique participant au pacte de majorité, soit à un groupe politique ne participant pas au pacte de majorité, selon l'appartenance du membre à remplacer, peut être élu pour la durée du congé.   Par exception à l'alinéa 5, si, à la suite de son application, le bureau permanent est composé exclusivement de membres d'un même sexe, tout membre du conseil de l'autre sexe qui appartient soit à un groupe politique participant au pacte de majorité, soit à un groupe politique ne participant pas au pacte de majorité, selon l'appartenance du membre à remplacer, peut être élu pour la durée du congé.  ----------  <DRW 2012-04-26/31, art. 11, 015; En vigueur : 25-05-2012>   <DRW 2018-03-29/28, art. 4, 027; En vigueur : 30-04-2018>   <DRW 2022-10-06/17, art. 2, 040; En vigueur : 01-02-2023>   <DRW 2024-03-28/63, art. 13, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 27bis. <Inséré par L 1988-08-09/30, art. 17; ED § 1. : 1988-08-13; ED § 2. : 1989-01-01> § 1. La création d'un bureau permanent est obligatoire dans les (centres publics d'action sociale) des communes périphériques visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, et des communes de Comines-Warneton et de Fourons. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Les membres du bureau permanent sont élus directement par l'assemblée des électeurs communaux de la manière déterminée à l'article 2bis de la loi communale.  (Le nombre de membres du bureau permanent, fixé par l'article 27, § 3, n'inclut le président que s'il a été élu directement comme membre du bureau permanent.) <L 1989-06-16/30, art. 8; En vigueur : 17-06-1989>  § 2. Le bureau permanent des (centres publics d'action sociale) précités décide par consensus. A défaut de consensus, l'affaire est soumise par le président au conseil de l'aide sociale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 27ter.[1 § 1er. Dans les deux mois après son installation, le conseil de l'action sociale adopte une déclaration de politique sociale couvrant la durée de son mandat et comportant au moins les principaux projets politiques ainsi qu'un volet budgétaire reprenant les grandes orientations en la matière.  [2 La déclaration de politique sociale est valable pour toute la durée de la mandature sauf en cas d'adoption d'un nouveau pacte de majorité et de renouvellement complet du conseil de l'action sociale.   § 2. Le conseil de l'action sociale adopte un programme stratégique transversal dans les [2 neufmois qui suit son installation ou après le renouvellement du conseil conformément à l'article 10, § 3, suite à l'adoption d'une motion de méfiance concernant l'ensemble du collège communal visée à l'article L1123-14, § 1er, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   Le programme stratégique transversal est un outil de gouvernance pluriannuel qui reprend la stratégie développée par le conseil de l'action sociale pour atteindre les objectifs stratégiques qu'il s'est fixés. Cette stratégie se traduit par le choix d'objectifs opérationnels, de projets et d'actions, définis notamment au regard des moyens humains et financiers à disposition. [2 Lorsque le centre public d'action sociale décide de développer des synergies, telles que définies à l'article 26bis, § 5, il les intègre dans les objectifs stratégiques ou opérationnels du programme stratégique transversal.   Le programme stratégique transversal repose sur une collaboration entre le conseil de l'action sociale et l'administration.   Le conseil de l'action sociale peut déléguer la programmation stratégique au bureau permanent. En cas de délégation, le conseil de l'action sociale prend acte du programme stratégique transversal.   Le programme stratégique transversal est soumis à une évaluation par le conseil de l'action sociale au minimum à mi-législature et au terme de celle-ci. [2 Cette évaluation comprend un bilan de l'ensemble des synergies entre la commune et le centre telles que visées à l'alinéa 2.En cas de délégation, le bureau permanent réalise ces évaluations et le conseil de l'action sociale en prend acte.   Le comité de direction constitue un rapport d'exécution dont le conseil de l'action sociale prend acte et se saisit pour réaliser, dans le courant du premier semestre de l'année du renouvellement intégral des conseils communaux, la dernière évaluation de la législature. En cas de délégation, le conseil de l'action sociale et le bureau permanent prennent acte de ce rapport d'exécution.   Le rapport d'exécution et la dernière évaluation de la législature sont transmis au conseil de l'action sociale issu des élections suivantes.   Le programme stratégique transversal peut être actualisé en cours de législature.   Il est publié de la manière prescrite par le conseil de l'action sociale. Il est mis en ligne sur le site internet du centre public d'action sociale ou à défaut, de la commune.  [2 ...   § 3. La délibération du conseil de l'action sociale prenant acte ou adoptant le programme stratégique transversal est communiqué au Gouvernement.  ----------  <Inséré par DRW 2018-07-19/29, art. 3, 029; En vigueur : 07-09-2018>   <DRW 2024-03-28/63, art. 14, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 28.(§ 1er.) Le président du conseil du (centre public d'action sociale) dirige les activités de ce centre [3 dans le respect des prérogatives du directeur général. <L 1992-08-05/46, art. 19; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Il veille à l'instruction préalable des affaires qui sont soumises au conseil, au bureau permanent et aux comités spéciaux.  Il en convoque les réunions et en arrête l'ordre du jour.  Il est chargé de l'exécution des décisions du conseil, du bureau permanent des comités spéciaux. Les décisions prises par le bureau permanent et par les comités spéciaux sont portées à la connaissance du (conseil de l'action sociale). (Le procès-verbal des réunions du comité de concertation doit être porté à la connaissance du (conseil de l'action sociale).) Il représente le (centre public d'action sociale) dans les actes judiciaires et extrajudiciaires. <L 1992-08-05/46, art. 19; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  (Lorsqu'une personne sans abri sollicite l'aide sociale du (centre public d'action sociale) de la commune où il se trouve, le président doit lui accorder l'aide urgente requise, dans les limites fixées par le règlement d'ordre intérieur du (conseil de l'action sociale), à charge pour lui de soumettre sa décision au conseil (ou à l'organe auquel le conseil a délégué cette attribution) à la plus prochaine réunion, en vue de la ratification.) <L 1993-01-12/34, art. 3; En vigueur : 01-03-1993> <DRW 1998-04-02/40, art. 6; En vigueur : 1998-05-08> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  (§ 2. Les délibérations du (conseil de l'action sociale), du bureau permanent et des comités spéciaux, les publications, les actes et la correspondance du (centre public d'action sociale), sont signés par le président et par le secrétaire. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  [3 La signature et la contresignature visées à l'alinéa 1er se font soit par une signature manuscrite, soit par une signature électronique.   La signature électronique visée à l'alinéa 2 se fait soit par une signature électronique, soit par une signature électronique avancée, soit par une signature électronique qualifiée, visée respectivement aux articles 3.10, 3.11 et 3.12 du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.   Le Gouvernement peut apporter des précisions quant à la procédure électronique.  Le président peut déléguer par écrit la signature de certains documents à un ou plusieurs membres du (conseil de l'action sociale). Il peut révoquer cette délégation à tout moment. La mention de la délégation doit précéder la signature, le nom et la qualité du membre ou des membres titulaires de la délégation sur tous les documents qu'ils signent. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Le (conseil de l'action sociale) ou le bureau permanent peut autoriser le [2 directeur général du centre public d'action socialeà déléguer le contreseing de certains documents à un ou plusieurs fonctionnaires du centre. Cette délégation est faite par écrit et peut à tout moment être révoquée; le (conseil de l'action sociale) en est informé à sa plus prochaine séance. La mention de la délégation doit précéder la signature, le nom et la qualité du fonctionnaire ou des fonctionnaires délégués sur tous les documents qu'ils signent.) <L 1992-08-05/46, art. 19; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  [3 Le président peut déléguer la signature des actes authentiques à un collaborateur d'une étude notariale.   Le conseil de l'action sociale peut autoriser le directeur général et le directeur financier à déléguer le contreseing ou la signature des actes authentiques à un collaborateur d'une étude notariale.   Les délégations de signature visées aux alinéas 7 et 8 se font par procuration authentique et sont limitées aux opérations mentionnées dans la procuration dont la réception de l'acte authentique devant notaires intervient par voie de vidéoconférence.   Par dérogation à l'alinéa premier, les actes et la correspondance du centre public d'action sociale qui relèvent des compétences légales propres du directeur financier sont signés par lui.   La signature visée à l'alinéa 10 se fait soit par une signature manuscrite soit par une signature électronique.   La signature électronique visée à l'alinéa 11 se fait par une signature électronique, une signature électronique avancée ou une signature électronique qualifiée, visée respectivement aux articles 3.10, 3.11 et 3.12 du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.   Le bureau permanent peut autoriser le directeur financier du centre public d'action sociale à déléguer la signature de certains documents à un ou plusieurs fonctionnaires du centre. Cette délégation est faite par écrit. Le conseil de l'action sociale en est informé à sa plus prochaine séance. La mention de la délégation précède la signature, le nom et la qualité du fonctionnaire ou des fonctionnaires délégués sur tous les documents qu'ils signent.  (§ 3.) Le président peut, en cas d'urgence et dans les limites fixées par le règlement d'ordre intérieur du (conseil de l'action sociale), décider l'octroi d'une aide, à charge pour lui de soumettre sa décision au conseil (ou à l'organe auquel le conseil a délégué cette attribution) à la plus prochaine réunion, en vue de la ratification. <L 1992-08-05/46, art. 19; En vigueur : 18-10-1992> <DRW 1998-04-02/40, art. 6; En vigueur : 1998-05-08> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  § 4. [1 ...  ----------  <DRW 2012-04-26/31, art. 12, 015; En vigueur : 25-05-2012>   <DRW 2013-04-18/20, art. 18, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2024-03-28/63, art. 15, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 29.Le (conseil de l'action sociale) se réunit au moins [1 dix fois par ansur convocation du président, aux jour et heure fixés par le règlement d'ordre intérieur. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  En outre, le président convoque le conseil chaque fois qu'il le juge nécessaire.  Le président est tenu de convoquer le (conseil de l'action sociale) soit à la demande du bourgmestre (...) soit à la demande d'un tiers des membres en fonction, aux jour et heure et avec l'ordre du jour fixés par eux. (La demande doit parvenir au président deux jours francs au moins avant la prise de cours du délai d'au moins cinq jours francs, prévu à l'article 30.) <L 1992-08-05/46, art. 20; En vigueur : 18-10-1992> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Les réunions du conseil se tiennent au siège du (centre public d'action sociale), à moins que le conseil n'en décide autrement pour une réunion déterminée. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  ----------  <DRW 2024-03-28/63, art. 16, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 30.[4 La convocation se fait par courrier électronique au moins cinq jours avant celui de la réunion, et contient l'ordre du jour. Toutefois, ce délai, d'une part, peut être raccourci en cas d'urgence et, d'autre part, est ramené à deux jours pour l'application de l'article 32, alinéa 2. Les pièces relatives aux points inscrits à l'ordre du jour, hors dossiers sociaux ou informations à caractère individuel sur l'aide sociale peuvent se faire par voie électronique.  [1 Les points de l'ordre du jour sont indiqués avec suffisamment de clarté et accompagnés d'une note de synthèse explicative.  [4 La convocation ainsi que les pièces relatives aux points inscrits à l'ordre du jour, hors dossiers sociaux ou informations à caractère individuel sur l'aide sociale, peuvent être transmises par écrit et à domicile si le mandataire en a fait la demande par écrit ou si la transmission par voie électronique est techniquement impossible.   Le bureau permanent met à la disposition de chaque membre du conseil de l'action sociale une adresse de courrier électronique personnelle.   Le règlement d'ordre intérieur fixe les modalités d'application du présent article.  Aucun objet étranger à l'ordre du jour ne peut être traité, sauf en cas d'urgence. L'urgence ne peut être déclarée que par les deux tiers au moins des membres présents. Les noms de ces membres sont inscrits au procès-verbal.) <L 1992-08-05/46, art. 21; En vigueur : 18-10-1992>  (Toute proposition émanant d'un membre du conseil et remise au président au moins douze jours avant la date de la réunion du conseil doit être inscrite à l'ordre du jour de cette réunion; elle doit être accompagnée d'une note [1 de synthèseexplicative ou de tout document susceptible d'éclairer le (conseil de l'action sociale).) <DRW 1998-04-02/40, art. 6bis; En vigueur : 1998-05-08> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Les dossiers complets sont mis à la disposition des membres du conseil au siège du (centre public d'action sociale) pendant le délai fixé à l'alinéa premier, a l'exception des samedis, des dimanches et des jours fériés légaux. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  [1 Le [2 directeur généraldu centre public d'action sociale ou le fonctionnaire désigné par lui, ainsi que le [3 directeur financierou le fonctionnaire désigné par lui, se tiennent à la disposition des membres du conseil afin de leur donner des explications techniques nécessaires à la compréhension des dossiers, et cela pendant au moins deux périodes précédant la séance du conseil de l'action sociale, dont une période durant les heures normales d'ouverture des bureaux et une période en dehors de ces heures. Le règlement d'ordre intérieur détermine les modalités d'application du présent paragraphe.  ----------  <DRW 2013-01-31/14, art. 2, 016; En vigueur : 01-06-2013>   <DRW 2018-03-29/49, art. 13, 028; En vigueur : 24-05-2018>   <DRW 2019-05-02/80, art. 2, 034; En vigueur : 30-09-2019>   <DRW 2024-03-28/63, art. 17, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 30bis. [1 § 1er. L'on entend par :   1° la réunion à distance : la réunion qui se tient à l'aide de moyens techniques de visioconférence, c'est-à-dire la conférence permettant, en plus de la transmission en direct de la parole et de documents graphiques, la transmission d'images animées des participants éloignés;   2° la situation extraordinaire : la situation dans laquelle la phase communale, provinciale ou fédérale est respectivement déclenchée par l'autorité compétente, conformément à l'arrêté royal du 22 mai 2019 relatif à la planification d'urgence et la gestion de situations d'urgence à l'échelon communal et provincial et au rôle des bourgmestres et des gouverneurs de province en cas d'événements et de situations de crise nécessitant une coordination ou une gestion à l'échelon national;   3° la situation ordinaire : la situation vise tous les autres cas.   § 2. Les articles 30ter et 30quater trouvent à s'appliquer dans le cadre du strict respect des principes démocratiques consacrés par la présente loi, singulièrement ceux relatifs :   - au respect du secret professionnel;   - au respect de la non-publicité des débats;   - à la prise de parole des membres;   - à la délibération;   - à la possibilité d'échanges de vue au travers de prises de parole;   - à l'expression des votes.  ----------  <Inséré par DRW 2021-07-15/15, art. 2, 036; En vigueur : 01-10-2021>      Art. 30ter. [1 § 1er. Les réunions du conseil de l'action sociale, des comités spéciaux et de l'assemblée générale des associations visées au Chapitre XII se tiennent physiquement tant en situation ordinaire qu'extraordinaire.   Par dérogation à l'alinéa 1er, en situation extraordinaire, les réunions peuvent se tenir à distance. Le règlement d'ordre intérieur en fixe les conditions et les modalités. Le procès-verbal mentionne si la réunion s'est tenue à distance et cette donnée est répercutée dans le rapport annuel de rémunération visé à l'article L6421-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   Dans le cas visé à l'alinéa 2, sauf si l'autorité est tenue de respecter un délai de rigueur, les points relatifs à la situation disciplinaire d'un ou plusieurs membres du personnel et les dossiers nécessitant l'audition de personnes extérieures dans le cadre d'un contentieux ne peuvent faire l'objet d'une discussion ou d'un vote.   § 2. En ce qui concerne les assemblées générales des associations visées au Chapitre XII, s'il est recouru à une réunion à distance, une délibération du conseil de l'action sociale sur chaque point à l'ordre du jour est obligatoire. Si le conseil de l'action sociale ne souhaite pas être physiquement représenté, il transmet ses délibérations sans délai à la structure, laquelle en tient compte pour ce qui est de l'expression des votes mais également pour ce qui est du calcul des différents quorums de présence et de vote.   § 3. Le Gouvernement arrête les modalités d'exécutions du présent article.  ----------  <Inséré par DRW 2021-07-15/15, art. 3, 036; En vigueur : 01-10-2021>      Art. 30quater. [1 § 1er. Les réunions du bureau permanent, du comité d'audit et du conseil d'administration des associations visées au Chapitre XII se tiennent physiquement tant en situation ordinaire qu'extraordinaire.   Par dérogation à l'alinéa 1er, en situation ordinaire, dans 20 pour cent des cas maximums, les réunions du bureau permanent et du comité d'audit des associations visées au Chapitre XII peuvent se tenir à distance. Le règlement d'ordre intérieur en fixe les conditions et les modalités. Le procès-verbal mentionne si la réunion s'est tenue à distance et cette donnée est répercutée dans le rapport annuel de rémunération visé à l'article L6421-1.   Par dérogation à l'alinéa 1er, en situation extraordinaire, les réunions peuvent se tenir à distance. Le règlement d'ordre intérieur en fixe les conditions et les modalités. Le procès-verbal mentionne si la réunion s'est tenue à distance et cette donnée est répercutée dans le rapport annuel de rémunération visé à l'article L6421-1.   Dans les cas visés aux alinéas 2 et 3, les points relatifs à la situation disciplinaire d'un ou plusieurs membres du personnel, les dossiers nécessitant l'audition de personnes extérieures dans le cadre d'un contentieux, le plan stratégique, les décisions relatives à la stratégie financière, les dispositions générales en matière de personnel que ce soit les conditions d'accès aux emplois ou les conditions rémunératoires, les règles particulières applicables à la fonction dirigeante locale et les budgets et comptes ne peuvent faire l'objet d'une discussion ou d'un vote.   Par dérogation à l'alinéa 4, dans le cas visé à l'alinéa 3, les points relatifs à la situation disciplinaire d'un ou plusieurs membres du personnel et aux dossiers nécessitant l'audition de personnes extérieures dans le cadre d'un contentieux peuvent faire l'objet d'une discussion ou d'un vote si l'autorité est tenue de respecter un délai de rigueur.   § 2. Le présent article est également applicable aux réunions de concertation visées à l'article 26, § 2, de la présente loi et à l'article L1122-11 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   § 3. Le Gouvernement arrête les modalités d'exécution du présent article.  ----------  <Inséré par DRW 2021-07-15/15, art. 4, 036; En vigueur : 01-10-2021>      Art. 31. Les réunions du (conseil de l'action sociale) se tiennent à huis clos. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 31bis. <Inséré par DRW 1998-04-02/40, art. 6ter; En vigueur : 1998-05-08> La loi du 11 avril 1994 et le décret du Conseil régional wallon du 30 mars 1995 relatifs à la publicité de l'administration sont applicables aux (centres publics d'action sociale) selon que les actes administratifs relèvent respectivement de la compétence de l'Etat fédéral ou de la Région wallonne. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 32. Le (conseil de l'action sociale), le bureau permanent et les comités spéciaux ne peuvent délibérer que si la majorité de leurs membres en fonction est présente. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Toutefois, s'ils ont été convoqués deux fois sans s'être trouvés en nombre, ils délibèrent valablement après une nouvelle et dernière convocation, quel que soit le nombre des membres présents, sur les objets mis pour la troisième fois à l'ordre du jour.  Les deuxième et troisième convocations se font conformément aux règles prescrites par l'article 30 et il est fait mention que c'est pour la deuxième ou pour la troisième fois que la convocation a lieu. En outre, la troisième convocation reproduit textuellement les deux premiers alinéas du présent article.  Art. 33.<L 1992-08-05/46, art. 22; En vigueur : 18-10-1992> § 1er. Les résolutions sont prises à la majorité absolue des voix.  Les membres du conseil votent à haute voix. Le président du conseil, ou [1 le membre du conseil qui le remplace en vertu de l'article 22, § 3, vote le dernier et, en cas de parité des voix, sa voix est prépondérante.  (§ 1erbis. Le (Conseil de l'action sociale) vote sur l'ensemble du budget et sur l'ensemble des comptes annuels. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Chacun de ses membres peut toutefois exiger le vote séparé d'un ou plusieurs articles ou groupes d'articles qu'il désigne, s'il s'agit du budget, ou d'un ou plusieurs articles ou postes qu'il désigne, s'il s'agit des comptes annuels.  Dans ce cas, le vote d'ensemble ne peut intervenir qu'après le vote sur le ou les articles, groupes d'articles ou postes ainsi désignés, et il porte sur les articles ou postes dont aucun des membres n'a demandé le vote séparé, et sur les articles qui ont déjà été adoptés par vote séparé.) <DRW 1998-04-02/40, art. 6quater ; En vigueur : 1998-05-08>  § 2. Toutefois, le vote se fait au scrutin secret lorsqu'il est question de personnes, sauf en matière d'octroi ou de récupération individuels d'aide sociale.  Si, en cas de scrutin secret, il y a parité des voix, la proposition est rejetée.  § 3. Pour chaque nomination à des emplois et pour chaque engagement contractuel, il est procédé à un scrutin distinct.  En ces cas, [2 ...si la majorité absolue n'est pas obtenue au premier tour, il est procédé à un scrutin de ballottage entre les deux candidats qui ont obtenu le plus grand nombre de voix; le cas échéant, la participation au ballottage se détermine au bénéfice de l'âge. En cas de parité de voix au second tour de scrutin, le candidat le plus âgé est préféré.  [2 § 3bis. En cas d'élection ou de présentation de candidats à des mandats ou des fonctions d'ordre politique, lorsqu'il y a autant de candidats que de mandats ou fonctions à pourvoir, le conseil de l'action sociale acte l'élection ou la présentation de ces candidats. Cependant, les membres du conseil de l'action sociale votent à haute voix ou selon un mode de scrutin équivalent sur une telle élection ou présentation à chaque fois qu'un tiers des membres présents le demande.   § 3ter. En cas d'élection ou de présentation de candidats à des mandats ou des fonctions d'ordre politique, à chaque fois qu'il y a plus de candidats que de mandats ou fonctions à pourvoir, les membres du conseil de l'action sociale votent à haute voix ou selon un mode de scrutin équivalent sur une telle élection ou présentation. Pour chaque mandat ou fonction à pourvoir, il est procédé à un scrutin distinct.   Si la majorité requise n'est pas obtenue au premier tour de scrutin, il est procédé à un scrutin de ballottage entre les candidats qui ont obtenu le plus grand nombre de voix.   A cet effet, le président dresse une liste contenant deux fois autant de noms qu'il y a de nominations ou de présentations à faire.   Les suffrages peuvent uniquement être donnés aux candidats portés sur cette liste.   La nomination a lieu à la pluralité des voix. En cas de parité des voix, le plus âgé des candidats est préféré.   § 3quater. Dans les hypothèses visées aux paragraphes 3bis et 3ter, les membres du conseil de l'action sociale votent à bulletin secret à chaque fois qu'un conseiller le demande.  § 4. Les abstentions et les bulletins blancs ou nuls n'entrent pas en ligne de compte.  ----------  <DRW 2012-04-26/31, art. 14, 015; En vigueur : 25-05-2012>   <DRW 2024-03-28/63, art. 18, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 33bis. <Inséré par L 1992-08-05/46, art. 23; En vigueur : 18-10-1992> Avant la séance, dès réception de l'ordre du jour du conseil, ou en séance, préalablement à la discussion ou au vote, le bourgmestre peut reporter la délibération ou le vote de tout point de l'ordre du jour, à l'exception des points relatifs à l'octroi ou à la récupération individuels de l'aide sociale. La motivation de la décision du bourgmestre est mentionnée au procès-verbal de la séance.  Dans ce cas, le comité de concertation est convoqué dans un délai de quinze jours, avec, à l'ordre du jour, le point ayant été reporté.  Le bourgmestre ne peut exercer la compétence mentionnée à l'alinéa 1er qu'une fois pour le même point.  Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application de cet article.  Art. 34. Le procès-verbal de la séance précédente est soit communiqué aux membres en même temps que la convocation pour la séance, soit mis à leur disposition suivant les règles déterminées au dernier alinéa de l'article 30. Après approbation, il est signé par le président et le secrétaire.  Chaque fois que le conseil le juge bon, le procès-verbal est rédigé séance tenante, en tout ou en partie, et signé par les membres présentes.  Art. 34bis.<Inséré par DRW 2005-12-08/43, art. 7; En vigueur : 08-10-2006> [2 ...le conseil de l'action sociale peut tenir des séances communes avec le conseil communal.  [1 Par dérogation à l'article 31, ces réunions sont publiques.  ----------  <DRW 2012-04-26/31, art. 19, 015; En vigueur : 25-05-2012>   <DRW 2024-03-28/63, art. 19, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 35. Les réunions du bureau permanent, et, sauf décision contraire motivée du comité intéressé, celles des comités spéciaux se tiennent au lieu indiqué par le règlement d'ordre intérieur.  Les dispositions des articles 30 à 34 s'appliquent aux réunions du bureau permanent et des comités spéciaux.  Art. 36. Les membres du (conseil de l'action sociale) ont le droit de prendre connaissance, sans déplacement, de tous les actes, pièces et dossiers concernant le (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  (En ce qui concerne les actes, pièces et dossiers de l'hôpital, les membres du comité de gestion ayant voix consultative disposent du même droit.) <DRW 1998-04-02/40, art. 7; En vigueur : 1998-05-08>  Les membres du conseil (et du comité de gestion de l'hôpital), ainsi que toutes les autres personnes qui, en vertu de la loi, assistent aux réunions du conseil, du bureau permanent (, des comités spéciaux et du comité de gestion de l'hôpital), sont tenus au secret. <DRW 1998-04-02/40, art. 7; En vigueur : 1998-05-08>  (A l'exclusion des actes et pièces ayant trait aux aides individuelles accordées par le centre ou à la récupération de ces aides et des actes et pièces concernant les dossiers n'ayant pas encore fait l'objet d'une adoption par le centre, les membres du (conseil de l'action sociale) peuvent obtenir copie des actes et pièces relatifs à l'administration du (centre public d'action sociale) dans les conditions arrêtées par le règlement d'ordre intérieur établi par le conseil. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  La redevance éventuellement réclamée pour la copie ne peut en aucun cas excéder le prix de revient.) <DRW 1998-04-02/40, art. 7; En vigueur : 1998-05-08>  Art. 37.Il est interdit aux membres du conseil et aux personnes qui, en vertu de la loi, peuvent assister aux séances du conseil :  1. D'être présents à la délibération sur les objets auxquels ils ont un intérêt direct, soit personnellement, soit comme chargé d'affaires, ou auxquels leurs parents ou alliés jusqu'au quatrième degré inclusivement ont un intérêt personnel et direct. Cette prohibition ne s'entend pas au-delà des parents ou alliés jusqu'au deuxième degré, lorsqu'il s'agit de nomination aux emplois et de mesures disciplinaires.  2. De prendre part, directement ou indirectement, à aucun marché, adjudication, fourniture, vente ou achat intéressant le (centre public d'action sociale). Cette interdiction [1 s'applique aux sociétésdans lesquelles le membre du conseil, le bourgmestre ou son délégué est associé, gérant, administrateur ou mandataire. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  3. De défendre comme avocat, notaire, homme d'affaires ou expert, des intérêts opposés à ceux du (centre public d'action sociale) ou de défendre en la même qualité, si ce n'est pas gratuitement, les intérêts du centre. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  (4. d'intervenir comme conseil d'un membre du personnel en matière disciplinaire ;  5. d'intervenir comme délégué ou technicien d'une organisation syndicale dans un comité de négociation ou de concertation de la commune ou du (Centre public d'action sociale).) <DRW 1995-04-06/72, art. 2, En vigueur : 04-06-1995> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Ces dispositions s'étendent également aux membres des organes spéciaux de gestion qui viendraient à être créés en application de l'article 94.  ----------  <DRW 2023-04-06/05, art. 2, 045; En vigueur : 21-10-2023>   Art. 38.<L 1992-08-05/46, art. 24; En vigueur : 18-10-1992> (§ 1er.) (Le traitement, le pécule de vacances, la prime de fin d'année et le régime de sécurité sociale du président sont identiques à ceux des échevins de la commune correspondante. Le Gouvernement peut en fixer les conditions et les modalités d'octroi.) <DRW 1999-04-01/39, art. 2; En vigueur : 09-05-1999>  (Les dispositions relatives au régime de compensation pour perte de revenus applicable aux échevins sont applicables, mutatis mutandis, aux présidents de C.P.A.S.) <DRW 2003-02-06/31, art. 5; En vigueur : 27-02-2003>  Dans les limites et selon les conditions et modalités d'octroi déterminées par le (Gouvernement), le (conseil de l'action sociale) (accorde) des jetons de présence à ses membres [1 d'un montant identique à celui alloué aux conseillers communaux de la commune du siège du centre public d'action sociale[2 conformément à l'article L1122-7 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation. <DRW 1998-04-02/40, art. 34; En vigueur : 1998-05-08> <DRW 2003-02-06/31, art. 4; En vigueur : 27-02-2003> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Les anciens présidents et leurs ayants droit bénéficient du même régime de pension que celui qui est applicable aux échevins de la commune siège du centre public.  Les frais exposés par le président et les membres dans l'accomplissement des missions qui leur sont expressément confiées par le (conseil de l'action sociale) dans le cadre de ses attributions, leur sont remboursés. Le (Gouvernement) peut déterminer les modalités de ces remboursements. <DRW 1998-04-02/40, art. 34; En vigueur : 1998-05-08> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  § 2. [1 La somme du jeton de présence du conseiller de l'action sociale et des jetons, rémunérations et avantages en nature dont il bénéficie en raison de ses mandats originaires, de ses mandats dérivés et de ses mandats, fonctions et charges publics d'ordre politique tels que définis à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation est égale ou inférieure à une fois et demi le montant de l'indemnité parlementaire perçue par les membres de la Chambre des représentants.   En cas de dépassement de la limite fixée à l'alinéa 1er, le montant du jeton ou des rémunérations et avantages en nature perçus par le conseiller de l'action sociale en raison de ses mandats dérivés et de ses mandats, fonctions et charges publics d'ordre politique est réduit à due concurrence.  § 3. [1 La somme du jeton de présence du président du conseil de l'action sociale et des jetons, rémunérations et avantages en nature dont il bénéficie en raison de ses mandats originaires, de ses mandats dérivés et de ses mandats, fonctions et charges publics d'ordre politique tels que définis à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation est égale ou inférieure à une fois et demi le montant de l'indemnité parlementaire perçue par les membres de la Chambre des représentants.   En cas de dépassement de la limite fixée à l'alinéa 1er, le montant du jeton ou des rémunérations et avantages en nature perçus par le président du conseil de l'action sociale en raison de ses mandats dérivés, de ses mandats et de ses mandats, fonctions et charges publics d'ordre politique est réduit à due concurrence.  § 4. [1 Pour l'application des règles figurant dans la cinquième partie du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, laquelle leur est applicable :   1° le conseiller de l'action sociale est titulaire d'un mandat originaire tel que défini à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation;   2° le président du conseil de l'action sociale est titulaire d'un mandat originaire exécutif tel que défini à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation;   3° est personne non élue au sens de l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, la personne qui n'est pas conseiller de l'action sociale et à qui un mandat a été confié dans une personne morale de droit privé ou de droit public par la suite de la décision d'un des organes ou en raison de la représentation d'un centre public d'action sociale.  § 5. [1 Pour l'application de l'article L5421-2, § 2, alinéa 3, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, le remboursement des sommes trop perçues au regard des paragraphes 2 et 3 s'effectue au profit du centre public d'action sociale. Lorsque le conseiller de l'action sociale est également titulaire d'un mandat originaire dans une commune ou dans une province, le remboursement se fait selon les règles figurant à l'article L5421-2, alinéa 3, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.  § 6. [1 Pour l'application de l'article L5431-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, lorsque la personne concernée n'a pas déposé de déclaration, a établi sciemment une fausse déclaration ou a omis de rembourser les sommes indûment perçues dans le délai qui lui est imparti le Gouvernement, au terme de la procédure décrite au paragraphe 3 de l'article L5431-1, peut constater la déchéance :   1° des mandats originaires, en ce compris les mandats exécutifs originaires, et des mandats dérivés de tout conseiller de l'action sociale et président du conseil de l'action sociale;   2 ° des mandats confiés à des personnes non élues dans une personne morale de droit privé ou de droit public par la suite de la décision d'un des organes ou en raison de la représentation d'un centre public d'action sociale.   Pendant une période de six ans prenant court le lendemain de la notification de la décision du Gouvernement constatant la déchéance, le titulaire d'un mandat originaire ou la personne non élue ne pourra plus être titulaire d'un mandat visé à l'article L5111-1, 9°, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   Si au terme de la procédure décrite au paragraphe 3 de l'article L5431-1, la personne concernée n'est plus titulaire d'un mandat pour lequel le Gouvernement peut constater la déchéance ainsi que prévu à l'alinéa 1er du présent paragraphe, le Gouvernement peut prononcer, pour une période de six ans après la notification de sa décision :   1° une inéligibilité au conseil de l'action sociale pour la personne concernée qui était titulaire d'un mandat originaire ainsi qu'une interdiction d'être titulaire d'un mandat visé à l'article L5111-1, 9°, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation;   2° une interdiction d'être titulaire d'un mandat visé à l'article L5111-1, 9°, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation pour la personne non élue.  ----------  <DRW 2018-03-29/49, art. 14, 028; En vigueur : 24-05-2018>   <DRW 2024-03-28/63, art. 20, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 39. Dans le cas où un membre du (conseil de l'action sociale) remplace le président pour un terme ininterrompu d'un mois au moins, un traitement lui sera alloue. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Le (Gouvernement) fixe les règles à appliquer en ce qui concerne le calcul de ce traitement, la continuation du paiement du traitement du président élu et l'incidence de ces paiements en matière de pension. <DRW 1998-04-02/40, art. 34; En vigueur : 1998-05-08>  Art. 40.Les règlements d'ordre intérieur du conseil, du bureau permanent, des comités spéciaux, ainsi que des services et établissements du (centre public d'action sociale) sont arrêtés par le conseil. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  (Le conseil arrête, dans son règlement d'ordre intérieur, des règles de déontologie et d'éthique. Ces règles consacrent, notamment, le refus d'accepter un mandat qui ne pourrait être assumé pleinement, la participation régulière aux séances du conseil, du bureau permanent ou d'un comité spécial, les relations entre les élus et l'administration locale, l'écoute et l'information du citoyen.) <DRW 2005-12-08/43, art. 10; En vigueur : 08-10-2006>  (Le comité de gestion de l'hôpital arrête son règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du (conseil de l'action sociale).) <DRW 1998-04-02/40, art. 8; En vigueur : 1998-05-08> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  [1 ...  [1 ...  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 3, 020; En vigueur : 01-03-2014>   CHAPITRE III. - Du personnel du (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 41.[1 Chaque centre public d'action sociale a un directeur général et un directeur financier.   Le statut administratif du directeur général et du directeur financier du centre public d'action sociale est fixé par un règlement établi par le conseil de l'action sociale dans les limites des dispositions générales fixées par le Gouvernement wallon.   Les emplois de directeur général et de directeur financier sont accessibles par recrutement, promotion et mobilité.   Il est pourvu à l'emploi dans les six mois de la vacance.   La nomination définitive a lieu à l'issue du stage.   [2 Aux conditions et modalités arrêtées par le Gouvernement, le bureau permanent procède à l'évaluation du directeur général, du directeur général adjoint et du directeur financier.   L'évaluation s'appuie sur le rapport de planification.   Le bureau permanent élabore un rapport de planification déterminant les objectifs que le directeur général, le directeur général adjoint et le directeur financier doivent, chacun pour ce qui les concerne, atteindre dans le cadre des missions que leur confie notamment [3 les articles 41ter, 45 et 46.   La délibération du bureau permanent adoptant le rapport de planification est communiquée, pour information, au conseil de l'action sociale [3 ....  [2 Avant l'engagement de toute procédure afin de pourvoir l'emploi de directeur général, le conseil de l'action sociale peut nommer immédiatement à cet emploi le directeur général adjoint, pour autant que ce dernier réunisse toutes les conditions de nomination à l'emploi de directeur général.   L'évaluation visée à l'alinéa 6, si elle est :   1° " excellente " permet l'octroi d'une bonification financière équivalente à une annale supplémentaire;   2 " réservée " a pour conséquence :   a) de maintenir le traitement en l'état jusqu'à la prochaine évaluation;   b) d'établir une évaluation intermédiaire six mois après cette évaluation réservée;   3 " défavorable " a pour conséquence :   a) de maintenir le traitement en l'état jusqu'à la prochaine évaluation;   b) d'établir une évaluation intermédiaire un an après cette évaluation défavorable.   Après deux évaluations défavorables successives définitivement établies, le conseil de l'action sociale peut notifier la proposition de licenciement pour inaptitude professionnelle.   Il y a dans un même centre public d'action sociale ou entre une commune et un centre public d'action sociale, incompatibilité entre l'exercice de la fonction de directeur général en titre, adjoint, ou en qualité de faisant fonction et l'exercice de la fonction de directeur financier en titre ou faisant fonction.  ----------  <DRW 2009-04-30/18, art. 2, 013; En vigueur : 01-07-2009>   <DRW 2018-07-19/29, art. 4, 029; En vigueur : 07-09-2018>   <DRW 2024-03-28/63, art. 21, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 41bis.  <Abrogé par DRW 2018-07-19/29, art. 5, 029; En vigueur : 07-09-2018>   Art. 41ter.[1 § 1er. Dans les centres publics d'action sociale dont la commune compte plus de 10.000 habitants, le conseil de l'action sociale peut adjoindre au directeur général un fonctionnaire, auquel il est donné le titre de directeur général adjoint.   Le directeur général adjoint d'un centre public d'action sociale d'une commune peut être nommé directeur général adjoint de cette commune. Il ne peut toutefois pas être nommé directeur général adjoint d'une autre commune, ni directeur général adjoint du centre public d'action sociale d'une autre commune.   Les prestations totales ne pourront en aucun cas porter le volume global de toutes les activités cumulées à plus d'un temps plein.   Le conseil communal et le conseil de l'action sociale déterminent de commun accord, la répartition du temps de travail du directeur général adjoint commun au profit des deux institutions. La charge salariale incombant respectivement à la commune et au centre public d'action sociale est proportionnelle au temps de travail presté au profit de chacune des deux institutions.   § 2. Le directeur général adjoint :   1° aide le directeur général dans l'exercice de ses fonctions;   2° accomplit d'office toutes les fonctions du directeur général si celui-ci est absent.   § 3. Le conseil de l'action sociale fixe l'échelle barémique des traitements du directeur général adjoint.   Ce traitement est inférieur à celui qui est fixé pour le directeur général. Il ne peut toutefois pas être inférieur à 75 % de l'échelle barémique du directeur général.   Lorsque le directeur général adjoint accomplit toutes les fonctions du directeur général absent, son échelle barémique correspond à cent pour cent de l'échelle barémique du directeur général.   § 4. Le directeur financier d'un centre public d'action sociale d'une commune de 35.000 habitants ou moins peut être nommé directeur financier de cette commune si le volume global de toutes les activités cumulées ne porte pas à plus de 1,25 fois la durée de travail de l'emploi à temps plein. Il ne peut pas être nommé directeur financier d'une autre commune.   Le conseil de l'action sociale et le conseil communal déterminent de commun accord la répartition du temps de travail du directeur financier au profit des deux institutions, dans le respect de la limite maximale de 1,25 fois visées à l'alinéa 1er. La charge salariale incombant respectivement au centre public d'action sociale et à la commune, est proportionnelle au temps de travail presté au profit de chacune des deux institutions.   Le directeur financier d'un centre public d'action sociale d'une commune de 35.000 habitants ou moins, s'il n'est pas nommé directeur financier de cette commune par application de l'alinéa 1er, peut être nommé directeur financier du centre public d'action sociale d'une autre commune.   Dans ce cas, son temps de travail est réparti entre les deux centres publics d'action sociale à raison d'un mi-temps au sein de chaque centre, sur base de modalités à déterminer conventionnellement par les conseils de l'action sociale concernés.  ----------  <DRW 2018-07-19/29, art. 6, 029; En vigueur : 07-09-2018>   Art. 42.[1 § 1er.[6 Par membres du personnel, l'on entend les membres du personnel statutaire et les membres du personnel contractuel.   Le membre du personnel statutaire vise tout membre du personnel qui, par décision unilatérale de l'autorité, est nommé à titre temporaire ou à titre définitif, ou est admis en stage en vue d'une nomination à titre définitif.   Le membre du personnel contractuel vise tout membre du personnel engagé sous contrat de travail conformément à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.  [1 § 2. Le bureau permanent établit l'organigramme des services du centre public d'action sociale.   L'organigramme représente la structure d'organisation des services du centre public d'action sociale, indique les rapports hiérarchiques et identifie les fonctions qui impliquent l'appartenance au comité de direction.   § 3. Un comité de direction est instauré au sein de chaque centre public d'action sociale. Il est composé du directeur général, du directeur général adjoint, du directeur financier et des membres du personnel que le directeur général choisit parmi ceux qui remplissent des fonctions reliées à la qualité de responsable de service par l'organigramme visé au paragraphe 2.  [5 Le directeur général de la commune est invité à participer au comité de direction. Il y siège avec voix consultative. Il reçoit les convocations et les procès-verbaux.   Outre les attributions confiées par décision du bureau permanent, le comité de direction connaît de toutes les questions relatives à l'organisation et au fonctionnement des services.   Les avant-projets du budget, modifications budgétaires et notes explicatives y relatives sont concertés en comité de direction.   Les comités de direction de la commune et du centre public d'action sociale tiennent des réunions conjointes au moins deux fois par an.  [4 Le comité de direction :   1° participe à l'élaboration du programme stratégique transversal et [7 conseillele conseil de l'action sociale ou, en cas de délégation, le bureau permanent;   2° assure le suivi du programme stratégique transversal dans le cadre de sa mise en oeuvre.  [6 § 4. Une description de fonction est élaborée, avant de pourvoir à l'emploi, pour tous les métiers de l'administration. Elle est arrêtée par le directeur général après concertation au sein du comité de direction.   La description de fonction contient la mission, la finalité ou l'objectif de la fonction, les tâches principales ainsi que l'ensemble des compétences professionnelles et des aptitudes personnelles requises pour correspondre au métier.   § 5. Le bureau permanent adopte le plan de formation sur proposition du directeur général, après concertation en comité de direction.   Le plan de formation est un programme pluriannuel, actualisé annuellement, qui identifie et priorise les besoins en formation en vue de rencontrer les objectifs de l'administration.   Il identifie le budget nécessaire.   Le bureau permanent communique sans délai aux organisations syndicales représentatives le plan de formation adopté.  ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 6, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2013-04-18/20, art. 18, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2014-01-23/08, art. 4, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2018-07-19/29, art. 7, 029; En vigueur : 07-09-2018>   <DRW 2018-07-19/40, art. 5, 030; En vigueur : 16-09-2018>   <DRW 2024-03-14/16, art. 3, 046; En vigueur : 01-06-2024>   <DRW 2024-03-28/63, art. 22, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 42/1.[1 § 1er. Le conseil de l'action sociale fixe le cadre du personnel.   Le cadre du personnel contient tous les emplois nécessaires au bon fonctionnement des services de l'administration, qu'ils soient pourvus ou non au sein de l'administration, qu'ils soient statutaires ou contractuels.   Chacun de ces emplois est exprimé en équivalent temps plein, avec le grade ou la fonction et l'échelle barémique y attachée.   Le cadre contient au minimum un travailleur social.   Toute modification du cadre inclut une évaluation budgétaire de son impact.   § 2. Les emplois contractuels pourvus dans le but d'accomplir une mission spécifique de durée limitée ne sont pas inclus dans le cadre.   § 3. Lorsque des emplois contractuels à pourvoir concernent une mission imprévisible ou nouvelle confiée par une autorité supérieure, la modification du cadre peut intervenir après l'engagement de l'agent, moyennant ratification.   § 4. Le Gouvernement fixe le nombre de personnes handicapées que les centres publics d'action sociale occupent en tenant compte de la nature et de l'importance des services.  ----------  <DRW 2024-03-14/16, art. 4, 046; En vigueur : 01-06-2024>   Art. 42/2. [1 § 1er. Les membres du personnel du centre public d'action sociale bénéficient du même statut général du personnel que les membres du personnel de la commune où le centre a son siège.   Par statut général du personnel, l'on entend l'ensemble des règles générales prises dans le cadre de l'autonomie locale qui régissent la situation juridique administrative et pécuniaire de tous les membres du personnel de l'administration, quel que soit leur grade.   § 2. Le conseil de l'action sociale arrête les dérogations au statut général du personnel visé au paragraphe 1er dans la mesure où le caractère spécifique de certains services et établissements du centre le commande, et fixe le statut général du personnel des emplois inexistants au niveau communal ainsi que celui du personnel de l'hôpital.   Le statut général du personnel dérogatoire comprend au minimum les 12 éléments visés à l'article L1212-2, § 2, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   Les éléments de rémunérations qui sont dérogatoires sont fixés notamment selon l'importance des attributions, le degré de responsabilité et les aptitudes générales et professionnelles requises, et la place occupée par les membres du personnel dans la hiérarchie de l'administration du centre public d'action sociale.   § 3. Les dispositions de la nouvelle loi communale relatives aux pensions des membres du personnel statutaire communal sont applicables aux membres du personnel statutaire des centres publics d'action sociale.   § 4. Le Gouvernement détermine les conditions de nomination des travailleurs sociaux en tenant compte du fait qu'elles sont garantes d'une formation sociale adaptée aux missions à accomplir.   § 5. Un avis indiquant l'endroit où le statut général du personnel peut être consulté est affiché dans un lieu apparent et accessible. Chaque membre du personnel doit pouvoir prendre connaissance, en permanence et sans intermédiaire du statut général du personnel et de ses modifications dans un endroit facilement accessible.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 5, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 42/3. [1 § 1er. Tous les membres du personnel statutaire sont recrutés et nommés par le conseil de l'action sociale à l'issue d'une procédure conforme au statut général du personnel.   Cette compétence peut être déléguée au bureau permanent ou aux comités spéciaux, sous réserve de dispositions contraires.   § 2. Tous les membres du personnel contractuel sont recrutés par le conseil de l'action sociale à l'issue d'une procédure conforme au statut général du personnel. Cette compétence peut être déléguée au bureau permanent ou aux comités spéciaux.   Le conseil de l'action sociale est compétent pour rompre le contrat de travail d'un membre du personnel contractuel. Il peut déléguer cette compétence au bureau permanent ou aux comités spéciaux. L'acte de délégation indique expressément le type d'acte que peuvent prendre ceux-ci, à savoir la rupture du contrat de travail de façon unilatérale moyennant préavis ou non, avec indemnité ou non, pour motif grave, ou la rupture du contrat de travail de commun accord avec le membre du personnel.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 6, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 42/4. [1 § 1er. Le personnel est recruté sous régime statutaire ou contractuel conformément aux dispositions prévues dans le statut général du personnel.   Le recrutement vise les opérations qui ont pour but de pourvoir à un poste et dont le processus aboutit à l'entrée en service d'un nouveau membre du personnel.   § 2. Le recrutement est effectué sur base d'un appel public à candidatures qui comprend au minimum une description de fonction, la nature juridique de l'emploi, ainsi que les conditions d'accès et le barème prévus par le statut général du personnel.   Les modalités de publicité de l'appel à candidatures sont déterminées par le statut général du personnel.   § 3. Il peut être dérogé à la publicité de l'appel à candidatures pour les recrutements contractuels à effectuer en cas d'urgence impérieuse, pour les recrutements sous contrat de travail à durée déterminée de moins d'un an, ou pour les recrutements rendus nécessaires pour répondre à une obligation légale.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 7, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 42/5. [1 Pour chaque recrutement, une commission de sélection est constituée.   Le statut général du personnel fixe la qualité des membres de la commission de sélection.   Le bureau permanent détermine les noms des membres effectifs et suppléants de la commission de sélection sur proposition du directeur général.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 8, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 42/6. [1 Le statut général du personnel fixe le nombre et la nature des épreuves de recrutement.   Si la demande en est formulée, bénéficie d'office de la qualité d'observateur le représentant du groupe politique appartenant ou n'appartenant pas au Pacte de majorité.   Les observateurs ne prennent pas part aux délibérations de la commission de sélection.   Le statut général du personnel peut dispenser un candidat au recrutement d'une partie des épreuves pour autant que ce dernier démontre qu'il a réussi le même type d'épreuve, pour une fonction équivalente, dans une autre commune, province, régie autonome, intercommunale, zone de police, zone de secours, centre public d'action sociale ou association régie par le chapitre XII.   Le statut général du personnel fixe un délai maximal endéans lequel les épreuves doivent avoir été initialement réussies au sein de l'autre pouvoir local.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 9, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 42/7. [1 L'autorité compétente pour recruter procède à une comparaison des titres et des compétences entre les candidats.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 10, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 42/8.[1 § 1er.[2 Lorsqu'un emploi accessible par promotion est déclaré vacant par l'autorité compétente, un appel à candidatures est lancé au sein du personnel statutaire et contractuel de son administration .   § 2. Les articles 42/5 à 42/7 sont applicables aux procédures de promotion.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 11, 046; En vigueur : 01-06-2024>   <DRW 2025-11-13/07, art. 1, 049; En vigueur : 05-12-2025>   Art. 42/9. [1 Le conseil de l'action sociale peut organiser un régime de mobilité des membres du personnel avec la commune. Le régime de mobilité est organisé dans le statut général du personnel.   La procédure de mobilité peut être préalable ou non à une procédure de recrutement, et est organisé pour des emplois de grades équivalents. La mobilité ne modifie pas la nature juridique de la relation de travail initiale.   Les articles 42/5 et 42/7 sont d'application.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 12, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 42/10. [1 § 1er. L'évaluation est un instrument de gestion des ressources humaines qui, dans le cadre d'un dialogue entre l'autorité et le membre du personnel, permet de dresser un bilan du travail accompli et de son développement professionnel dans la fonction qu'il occupe.   § 2. Chaque membre du personnel est évalué conformément au régime fixé par le statut général du personnel. Celui-ci fixe les critères de référence qui permettent d'évaluer chaque membre du personnel quant à l'atteinte des objectifs qui lui ont été fixés, la procédure à suivre et les délais y relatifs, ainsi que les mentions d'évaluation et leurs effets sur la situation administrative et pécuniaire du membre du personnel.   L'évaluation de chaque membre du personnel est réalisée par le supérieur ou les supérieurs hiérarchiques.   § 3. Lorsque l'évaluation n'a pas été réalisée dans les quatre mois suivant la date de l'échéance fixée par le statut général du personnel, celle-ci est réputée favorable et ses effets rétroagissent à la date de l'échéance.   Le statut général du personnel peut fixer des modalités particulières lorsque le membre du personnel est absent durant tout ou partie de la période d'évaluation et/ou durant les quatre mois qui suivent la date d'échéance de l'évaluation.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 13, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 42/11. [1 § 1er. Les membres du personnel statutaire peuvent être mis à la disposition d'un utilisateur pour la défense des intérêts du centre public d'action sociale.   Par utilisateur, l'on entend les communes, les provinces, les intercommunales, les centres publics d'action sociale, les associations régies par le chapitre XII, les zones de secours, les zones de police, les régies autonomes, les établissements de culte, les sociétés de logement, les ASBL. Le Gouvernement peut désigner d'autres utilisateurs en cas de circonstances urgentes et impérieuses.   § 2. La mise à disposition des membres du personnel statutaire est temporaire.   Elle est organisée dans une convention écrite conclue entre le centre public d'action sociale et l'utilisateur, dans laquelle sont précisées les conditions et la durée de la mise à disposition, la nature de la mission et les éléments de la rémunération.   La convention est approuvée par le conseil de l'action sociale, signée par le centre public d'action sociale et l'utilisateur avant le début de la mise à disposition. La convention signée est communiquée au membre du personnel concerné, avant le début de la mise à disposition, soit en mains propres, soit, contre accusé de réception, par envoi recommandé ou par courrier électronique.   Le conseil de l'action sociale peut déléguer l'approbation de la convention au bureau permanent ou aux comités spéciaux. Dans ce cas, chaque décision fait l'objet d'une information au conseil de l'action sociale.   § 3. Le membre du personnel conserve sa qualité de membre du personnel statutaire du centre public d'action sociale pendant toute la durée de la mise à disposition et demeure soumis au statut général du personnel du centre public d'action sociale.   Le membre du personnel mis à disposition auprès d'un utilisateur est en position d'activité de service pendant la durée de la mise à disposition. Il a droit à sa rémunération et conserve le droit de participer aux procédures d'avancement de rémunération, de grade ou de carrière prévues dans le statut général du personnel.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 14, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 42/12. [1 Les membres du personnel statutaire sont mis à la retraite à l'âge déterminé par les dispositions applicables en matière de pension légale.   Le maintien en activité au-delà de l'âge légal de la pension peut être autorisé, par le conseil de l'action sociale, sur demande du membre du personnel concerné. La période du maintien en activité est fixée pour une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule nouvelle période d'une durée maximale d'une année.   L'autorisation du maintien en activité peut être déléguée au bureau permanent ou aux comités spéciaux. Dans ce cas, chaque décision fait l'objet d'une information au conseil de l'action sociale.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 15, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 43.[1 § 1er. [2 ...   § 2. Dans les centres publics d'action sociale où l'exercice de la fonction de directeur financier ne requiert pas une activité à temps plein, cette fonction est confiée à un receveur régional ou à un directeur financier à temps partiel, sans préjudice de l'application de l'article L1124-21, § 2, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation et de l'article 41ter, § 4.   Par dérogation à l'alinéa 1er, un receveur régional peut être désigné, pour une période de quatre mois renouvelable une seule fois, aux fonctions de directeur financier dans tout centre public d'action sociale qui en ferait la demande, en cas de vacance de l'emploi ou en cas d'absence du titulaire pour une durée excédant trente jours.   Le Gouvernement arrête les conditions et modalités suivant lesquelles cette fonction est confiée en vertu des alinéas 1er et 2.   § 3. Sauf disposition contraire prévue par la présente loi, les dispositions du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, ou adoptées en vertu de celui-ci, concernant les receveurs régionaux exerçant leurs fonctions au sein d'une commune sont applicables au receveur régional exerçant ses fonctions au sein d'un centre public d'action sociale.   § 4. Lorsque le centre public d'action sociale décide de ne plus confier la fonction de directeur financier à un receveur régional, il communique sa décision de créer l'emploi de directeur financier au gouverneur.   Le centre public d'action sociale ne peut pas publier la vacance visée à l'alinéa 1er avant que le gouverneur lui ait notifié sa décision de mettre fin à la mission de tout receveur régional dans le centre.   Le centre public d'action sociale qui crée l'emploi de directeur financier peut toutefois nommer immédiatement à cet emploi un receveur régional. Cette délibération produit directement ses effets, sans préjudice toutefois des pouvoirs de l'autorité de tutelle.   Les receveurs régionaux sont réputés satisfaire à toutes les conditions de nomination à l'emploi de directeur financier.   § 5. Dans la mesure où le centre applique l'article L1124-21, § 2 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, le directeur financier du centre est nommé par le conseil de l'action sociale. Dans ce cas, il exerce la fonction de directeur financier du centre dans les locaux de ce dernier et selon un horaire déterminé de commun accord par le centre et la commune.  ----------  <DRW 2019-05-02/80, art. 3, 034; En vigueur : 30-09-2019>   <DRW 2024-03-14/16, art. 16, 046; En vigueur : 01-06-2024>   Art. 44.<L 1993-01-12/34, art. 4; En vigueur : 01-03-1993> Avant d'entrer en fonction, le secrétaire, le receveur et les travailleurs sociaux prêtent devant le président le serment [1 prévu à l'article 17, § 1er, alinéa 1er. Il est dressé procès-verbal de la prestation de serment.  Après une période d'essai fixée par le (conseil de l'action sociale), les travailleurs sociaux sous contrat de travail prêtent également le serment prévu à l'alinéa précédent. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  ----------  <DRW 2012-04-26/31, art. 16, 015; En vigueur : 25-05-2012>   Art. 45.§ 1er. [1 Le directeur général assiste sans voix délibérative aux séances du conseil de l'action sociale et du bureau permanent. Il en rédige les procès-verbaux et assure la transcription de ceux-ci. Les procès-verbaux transcrits sont signés, dans le mois qui suit leur adoption par le conseil de l'action sociale, par le président et le directeur général.   Il peut assister aux séances des comités spéciaux.   Le directeur général donne des conseils juridiques et administratifs au conseil de l'action sociale et au bureau permanent. Le directeur général rappelle les règles de droit applicables, mentionne les éléments de fait dont il a connaissance et veille à ce que les mentions prescrites par la loi figurent dans les décisions.   Ces avis et conseils sont annexés, selon le cas, à la décision du bureau permanent ou du conseil de l'action sociale et transmis au directeur financier.    [2 Sous le contrôle du président du conseil de l'action sociale, le directeur général instruit les affaires, dirige l'administration et est le chef du personnel et du directeur général adjoint lorsque ce dernier agit en qualité de directeur général adjoint du directeur général du CPAS. Il arrête le projet d'évaluation de chaque membre du personnel et le transmet à l'intéressé et au bureau permanent.   Il met en oeuvre et évalue la politique de gestion des ressources humaines.   Il a la garde des archives.  [2 Le directeur général est également chargé de la mise en oeuvre du programme stratégique transversal.   § 2. Le président et le directeur général signent les mandats ordonnancés et les états de recouvrement.  [3 Les mandats et leurs annexes peuvent être établis et signés par voie électronique.   Le directeur général peut à tout moment prendre connaissance des éléments comptabilisés. Le directeur financier communique au directeur général une copie de tout document qu'il transmet au conseil de l'action sociale, au bureau permanent ou à un comité spécial.   § 3. Le directeur général peut, sur rapport motivé du supérieur hiérarchique, infliger aux membres du personnel susvisé les sanctions disciplinaires de l'avertissement et de la réprimande. [2 L'absence ou l'inexistence d'un supérieur hiérarchique n'empêche pas le directeur général d'exercer sa compétence. Il en est de même en cas d'absence de rapport du supérieur hiérarchique.   Le directeur général notifie sa décision au bureau permanent qui dispose d'un délai de 15 jours pour l'évoquer. Passé ce délai, la décision du directeur général est notifiée à l'agent selon le prescrit de l'article L1215-18 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   Le bureau permanent notifie sans tarder, par recommandé, la décision à l'agent concerné.   L'alinéa 1er ne s'applique pas au directeur général adjoint et au directeur financier.  [1 § 4. Le bureau permanent désigne un directeur général faisant fonction en cas d'absence du directeur général ou de vacance de l'emploi pour une durée maximale de trois mois, renouvelable.   Pour une période ininterrompue n'excédant pas trente jours, le bureau permanent peut déléguer au directeur général la désignation de l'agent appelé à le remplacer. [2 Si le directeur général ne désigne personne, en cas d'absence temporaire de moins de sept jours, le bureau permanent peut désigner un directeur général faisant fonction. Au-delà de cette période de sept jours, le bureau permanent en désigne un.   [2 Le directeur général faisant fonction bénéficie de l'échelle de traitement du titulaire. S'il est choisi parmi les agents du centre, il bénéficie d'une allocation égale à la différence entre la rémunération dont il bénéficierait s'il était titulaire du grade de directeur général et la rémunération dont il bénéficie dans son grade effectif.   Le directeur général ou son délégué, de niveau supérieur à celui de l'agent recruté ou engagé, participe avec voix délibérative au jury d'examen constitué lors du recrutement ou de l'engagement des membres du personnel.   Le directeur général assure la présidence du comité de direction tel que visé à l'article 42, § 3.   Le directeur général est chargé de la mise sur pied et du suivi du système de contrôle interne du fonctionnement des services du centre public d'action sociale.   Le système de contrôle interne est un ensemble de mesures et de procédures conçues pour assurer une sécurité raisonnable en ce qui concerne :   1° la réalisation des objectifs;   2° le respect de la législation en vigueur et des procédures;   3° la disponibilité d'informations fiables sur les finances et la gestion.   Le cadre général du système de contrôle interne est soumis à l'approbation du conseil de l'action sociale.   Après concertation avec le comité de direction tel que visé à l'article 42, § 3, le directeur général est chargé de la rédaction du projet :   1° de l'organigramme;   2° du cadre organique;   3° des statuts du personnel.  ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 8, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2018-07-19/29, art. 9, 029; En vigueur : 07-09-2018>   <DRW 2018-07-17/03, art. 11, 031; En vigueur : 15-10-2018>   Art. 46.[1 § 1er. Sous l'autorité du bureau permanent, le directeur financier tient la comptabilité du centre et l'établissement des comptes annuels. Il remplit la fonction de conseiller financier et budgétaire du centre.   § 2. Le directeur financier est chargé :   1° d'effectuer les recettes du centre.   En vue du recouvrement des créances certaines et exigibles, le directeur financier peut envoyer une contrainte visée et rendue exécutoire par le conseil de l'action sociale. Une telle contrainte est signifiée par exploit d'huissier. Cet exploit interrompt la prescription. Une contrainte ne peut être visée et rendue exécutoire par le conseil de l'action sociale que si la dette est exigible, liquide et certaine. Le débiteur doit en outre être préalablement mis en demeure par courrier recommandé. Le centre public d'action sociale peut imputer des frais administratifs pour ce courrier recommandé. Ces frais sont à charge du débiteur et peuvent être recouvrés par la contrainte. Les dettes des personnes de droit public ne peuvent jamais être recouvrées par contrainte. Un recours contre cet exploit peut être introduit dans le mois de la signification par requête ou par citation;   2° d'acquitter sur mandats les dépenses ordonnancées jusqu'à concurrence, soit :   a) du montant spécial de chaque article du budget;   b) des crédits provisoires;   c) des crédits transférés en vertu de l'article 91, § 1er, alinéa 3, et § 2;   d) d'un crédit alloué conformément à l'article 88, § 2;   3° de faire tous actes interruptifs de la prescription et des déchéances;   4° de faire procéder à toutes saisies, de requérir, au bureau des hypothèques, l'inscription, la réinscription ou le renouvellement de tous les titres qui en sont susceptibles;   5° d'avertir les membres du conseil de l'action sociale de l'échéance des baux, des retards de paiement et de toute atteinte portée aux droits du centre public d'action sociale;   6° de remettre, en toute indépendance, un avis de légalité écrit préalable et motivé, sur tout projet de décision du conseil de l'action sociale, du bureau permanent, du président ou de l'organe qui a reçu éventuellement délégation du conseil ayant une incidence financière ou budgétaire égale ou supérieure à [4 30 000 euros, à l'exception du projet de budget ou de modifications budgétaires,des décisions relatives à l'octroi de l'aide sociale ou visées à l'article 56, dans les dix jours ouvrables de la réception du dossier contenant le projet et ses annexes explicatives éventuelles;  [4 6°bis de remettre, en toute indépendance, un avis de légalité écrit préalable et motivé sur tout projet de décision du conseil de l'action sociale, ou le cas échéant du bureau permanent, portant sur l'acceptation des donations ou legs au CPAS, dans les dix jours ouvrables de la réception du dossier contenant le projet et ses annexes explicatives éventuelles;   7° de remettre, en toute indépendance et d'initiative, un avis de légalité écrit préalable et motivé sur tout projet de décision du conseil de l'action sociale [2 ou du bureaupermanent ayant une incidence financière ou budgétaire [2 égale ou inférieure à [4 30 000euros hors T.V.A. dans lesdix jours ouvrables de la réception du dossier contenant le projet et ses annexes explicatives éventuelles.   [2 Le délai de dix jours visé aux [4 6° à 7°peut être prorogé d'une durée égale à ce délai par décision de l'auteur de l'acte. En cas d'urgence dûment motivée, le délai peut être ramené à cinq jours.   [4 A défaut d'avis dans le délai requis, la procédure peut néanmoins se poursuivre.Cet avis fait partie intégrante du dossier soumis à la tutelle.   8° dans le cadre du système de contrôle interne, il est chargé :   1° de l'utilisation efficace et économique des ressources;   2° de la protection des actifs;   3° de fournir au directeur général, des informations financières fiables.  [2 9° d'effectuer le suivi financier du programme stratégique transversal.  [4 Toute décision qui a une incidence financière est transmise au directeur financier.   Pour l'accomplissement des missions visées aux 6° à 7°, le bureau permanent garantit au directeur financier un accès complet à tous les éléments des dossiers soumis au bureau permanent et au conseil de l'action sociale.   Le Gouvernement est habilité à modifier, lorsque les circonstances le justifient, les montants visés aux 6° à 7°.   § 3. Le directeur financier donne, en toute indépendance, un avis de légalité écrit et motivé sur demande du conseil de l'action sociale, du bureau permanent, du président, de l'organe qui a reçu éventuellement délégation du conseil ou du directeur général, sur toute question ayant une incidence financière. A défaut, il est passé outre l'avis.   Il peut rendre d'initiative, au bureau permanent, au président ou à l'organe qui a reçu éventuellement délégation du conseil, son avis de légalité écrit et motivé ou ses suggestions sur toute question ayant une incidence financière au niveau du centre.   § 4. Le directeur financier peut être entendu par le conseil de l'action sociale, le bureau permanent, le président ou l'organe qui a reçu éventuellement délégation du conseil, sur ses avis ou suggestions.   § 5. Le directeur financier fait rapport en toute indépendance au conseil de l'action sociale au moins une fois par an sur l'exécution de sa mission de remise d'avis. Le rapport contient aussi, et notamment, un état actualisé, rétrospectif et prospectif de la trésorerie, une évaluation de l'évolution passée et future des budgets, une synthèse des différents avis qu'il a rendus à la demande ou d'initiative. Il peut émettre dans ce rapport toutes les suggestions qu'il estime utiles.   Il adresse copie de son rapport simultanément au bureau permanent et au directeur général.   § 6. En cas d'absence justifiée, le directeur financier peut, dans les trois jours, sous sa responsabilité, désigner pour une période de trente jours au plus un [2 directeur financier faisant fonctionagréé par le conseil de l'action sociale ou le bureau permanent. Cette mesure peut être renouvelée à deux reprises pour une même absence.   [2 Dans les autres cas, le bureau permanent désigne un directeur financier faisant fonction.   Il y est tenu lorsque l'absence excède un terme de trois mois.   [2 Les dispositions relatives à la prestation de serment lui sont applicables sauf si le directeur financier faisant fonction est désigné pour une durée de moins de trente jours.   Le directeur financier faisant fonction exerce toutes les attributions dévolues au directeur financier. [2 Le directeur financier faisant fonction bénéficie de l'échelle de traitement du titulaire. S'il est choisi parmi les agents du centre, il bénéficie d'une allocation égale à la différence entre la rémunération dont il bénéficierait s'il était titulaire du grade de directeur financier et la rémunération dont il bénéficie dans son grade effectif.   Lors de son installation et de la cessation de ses fonctions, il est procédé à l'établissement d'un compte de fin de gestion et à la remise de l'encaisse et des pièces comptables, sous la surveillance du président.  [3 § 6bis. En cas d'absence du receveur régional, le gouverneur ou le commissaire d'arrondissement délégué procède, s'il y a lieu, à la désignation d'un receveur régional faisant fonction. Cette désignation est opérée sur base volontaire. Si aucun receveur régional ne s'est porté volontaire, le gouverneur ou le commissaire d'arrondissement délégué peut désigner d'office un receveur régional dans le respect des conditions éventuellement fixées par le Gouvernement.   Lors de son installation et de la cessation de ses fonctions, il est procédé, pour chacun des centres publics d'action sociale du ressort du receveur régional absent, à l'établissement du compte de fin de gestion et à la remise de l'encaisse et des pièces comptables, sous la surveillance du gouverneur ou du commissaire d'arrondissement délégué de la province dans laquelle se situe chacun des centres concernés.   § 7. La responsabilité du directeur financier ne s'étend pas aux recettes que le conseil de l'action sociale juge nécessaire de faire effectuer par des agents spéciaux; ces agents sont responsables des recettes dont le recouvrement leur est confié; ils sont, pour ce qui concerne le recouvrement de ces recettes, soumis aux mêmes obligations que le directeur financier.   Les agents spéciaux sont soumis aux mêmes règles que les directeurs financiers pour ce qui concerne le serment, le remplacement, l'établissement du compte de fin de gestion [2 ....   Ils ne peuvent effectuer aucune opération de dépense sur les comptes qu'ils gèrent.   Les recettes réalisées sont versées au moins tous les quinze jours, au directeur financier, le dernier versement de l'exercice étant effectué le dernier jour ouvrable du mois de décembre.   Lors de chaque versement, l'agent spécial transmet au directeur financier la liste détaillée des imputations budgétaires, des montants versés et des redevables correspondants.   Les comptes de l'agent spécial, accompagnés des pièces justificatives, sont soumis à la vérification et au visa du conseil de l'action sociale.   Ils sont ensuite transmis au directeur financier avec toutes les pièces justificatives pour être annexés au compte budgétaire.   L'article 93 est, mutatis mutandis, applicable à l'agent spécial.   Le conseil de l'action sociale peut charger, au titre de fonction accessoire, certains agents du centre public d'action sociale de l'engagement et du paiement de menues dépenses et de la perception de recettes en espèces, au moment où le droit à la recette est établi.   Les menues dépenses s'effectuent sur base d'une provision dont le Gouvernement détermine les modalités de constitution et d'utilisation.   Les agents visés à l'alinéa 9 ne sont pas astreints aux obligations imposées aux agents spéciaux visés à l'alinéa 1er.   Ils versent au directeur financier au moins tous les quinze jours, le montant intégral de leurs perceptions, selon les directives qu'il leur donne et en les justifiant par un état de recouvrement détaillé par article budgétaire.   § 8. Un compte de fin de gestion est établi lorsque le directeur financier ou l'agent spécial visé au paragraphe 7 cesse définitivement d'exercer ses fonctions, ou lorsque le directeur financier faisant fonction visé au paragraphe 6 cesse ses fonctions.   Le compte de fin de gestion, accompagné s'il y a lieu des observations du titulaire ou de celles de ses ayants droit s'il est décédé, est soumis au conseil de l'action sociale qui l'arrête, et déclare le comptable quitte ou fixe un débet.   La décision par laquelle le compte de fin de gestion est définitivement arrêté, est notifiée par recommandé au comptable, ou en cas de décès à ses ayants droit, par les soins du conseil de l'action sociale, accompagnée, s'il y a lieu, d'une invitation à solder le débet.   § 9. L'article 93, § 4, est applicable lorsque le comptable est invité à solder le débet.   § 10. Toutes les dispositions du présent article sont applicables, mutatis mutandis, et sauf mention contraire, au receveur régional.  ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 9, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2018-07-19/29, art. 10, 029; En vigueur : 07-09-2018>   <DRW 2019-05-02/80, art. 4, 034; En vigueur : 30-09-2019>   <DRW 2024-03-28/63, art. 23, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 47.§ 1er. Le travailleur social a pour mission, en vue de la réalisation des objectifs définis à l'article 1er et en exécution des tâches qui lui sont confiées par le secrétaire au nom du conseil, du bureau permanent ou du comité spécial du service social d'aider les personnes et les familles à surmonter ou à améliorer les situations critiques dans lesquelles elles se trouvent. A cette fin il procède, notamment, aux enquêtes préparatoires aux décisions à prendre, fournit la documentation et les conseils et assure la guidance sociale des intéresses.  (Le travailleur social en charge du dossier d'un demandeur d'aide ne peut être tenu de représenter le (centre public d'action sociale) dans les actions intentées par ledit demandeur auprès du tribunal du travail dans le cadre de l'article 71 de la présente loi.) <DRW 1998-04-02/40, art. 11bis; En vigueur : 08-05-1998> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  § 2. Le responsable du service social informe le (conseil de l'action sociale), le bureau permanent, le comité spécial du service social ou le [1 directeur général, des besoins généraux qu'il constate dans l'accomplissement de sa tâche et propose les mesures propres à y satisfaire. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Il participe aux réunions du comité spécial du service social. En outre, il peut être invité à participer aux discussions du conseil ou du bureau permanent chaque fois qu'il y est traité des problèmes qui intéressent le service social.  § 3. Le conseil, le bureau permanent ou le comité spécial du service social ne statuent sur un cas individuel d'aide qu'après avoir entendu le travailleur social chargé du dossier, si ce dernier, pour des raisons particulières et exceptionnelles de caractère confidentiel, en a fait la demande.  ----------  <DRW 2018-03-29/49, art. 16, 028; En vigueur : 24-05-2018>   Art. 48. Le (conseil de l'action sociale) détermine les règles suivant lesquelles les praticiens de l'art de guérir sont autorisés à exercer leur profession dans les établissements et services du centre. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Dans le cas ou ces praticiens de l'art de guérir ne sont pas nommés ni rémunérés suivant des dispositions statutaires, leurs relations avec le (centre public d'action sociale), qui gère l'établissement ou le service, sont réglées sur base d'un contrat écrit. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 49.§ 1er. (Les membres du personnel du (centre public d'action sociale) ne peuvent exercer, soit eux-mêmes, soit par personne interposée, aucune occupation qui pourrait nuire à l'accomplissement des devoirs de la fonction ou serait contraire à la dignité de celle-ci. <L 1988-12-29/31, art. 6, 1°; En vigueur : 01-01-1989> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  § 2. (En outre, les membres du personnel du (centre public d'action sociale) ne peuvent assumer aucun mandat ou service, même gratuit, dans des affaires privées à but lucratif.) <L 1988-12-29/31, art. 6, 2°; En vigueur : 01-01-1989> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Cette disposition n'est toutefois pas applicable à la tutelle et à la curatelle des incapables, non plus qu'aux missions accomplies au nom du (centre public d'action sociale) dans les entreprises ou associations privées. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  § 3. Des dérogations au paragraphe précédent pourront, sur demande écrite de l'intéressé, être accordées par le (conseil de l'action sociale), notamment lorsqu'il s'agit de la gestion d'intérêts familiaux (ou lorsque la fonction n'est pas exercée à temps plein au sein du (centre public d'action sociale). Ces dérogations peuvent être retirées en cas d'abus.) <L 1988-12-29/31, art. 6, 3°; En vigueur : 01-01-1989> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  § 4. (La qualité de membre du personnel du (centre public d'action sociale), en ce compris les personnes visées par l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, des professions paramédicales et aux commissions médicales, qui exercent leurs activités dans l'un des établissements ou services du (centre public d'action sociale) à la suite d'une décision de l'un des organes du centre, est incompatible avec : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  1° le mandat de bourgmestre ou de conseiller communal dans la commune pour laquelle le centre est compétent;  2° la qualité de membre du comité de gestion comme représentant d'une commune qui participe, conformément à l'article 109 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée par l'arrêté royal du 7 août 1987 à la couverture des déficits de l'hôpital du (centre public d'action sociale).) <L 1988-12-29/31, art. 6, 4°; En vigueur : 01-01-1989> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  [1 § 5. Le directeur général, le directeur général adjoint et le directeur financier ne peuvent cumuler des activités professionnelles. Par activité professionnelle, il faut entendre, toute occupation dont le produit est un revenu professionnel visé à l'article 23 du Code des impôts sur les revenus de 1992, à l'exception des jetons de présence perçus dans l'exercice d'un mandat à l'exception des jetons de présence perçus dans l'exercice d'un mandat et des revenus issus des mandats tels que visés à l'article L5111-1.   Le conseil de l'action sociale peut autoriser le cumul sur demande écrite et préalable du directeur général, du directeur général adjoint ou du directeur financier, pour une durée renouvelable de trois ans, dans les conditions suivantes :   1° le cumul n'est pas de nature à nuire à l'accomplissement des devoirs de la fonction;   2° le cumul n'est pas contraire à la dignité de celle-ci;   3° le cumul n'est pas de nature à compromettre l'indépendance du directeur général des services, du directeur général adjoint ou du directeur financier, ou créer une confusion avec sa qualité de directeur général, de directeur général adjoint ou de directeur financier.   L'autorisation est révocable si l'une des conditions d'octroi n'est plus remplie. Les décisions d'autorisation, de refus et de révocation sont motivées.   Par dérogation à l'alinéa 1er du paragraphe 5, le cumul d'activités professionnelles inhérentes ou ayant trait à l'exercice de la fonction s'exerce de plein droit. Est inhérente à l'exercice de la fonction toute charge inhérente :   - en vertu d'une disposition légale ou réglementaire;   - à la fonction exercée par le directeur général, le directeur général adjoint ou le directeur financier;   - à laquelle le directeur général, le directeur général adjoint ou le directeur financier est désigné d'office par le conseil de l'action sociale.   ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 10, 019; En vigueur : 01-09-2013>   Art. 50. Les dispositions de l' (article 36, troisième alinéa), et de l'article 37 (, alinéa 1er, 2 et 3) sont également applicables aux membres du personnel des (centres publics d'action sociale). <DRW 1998-04-02/40, art. 12; En vigueur : 08-05-1998> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 51.<L 1992-08-05/46, art. 30; En vigueur : 18-10-1992> Aux membres du personnel du CPAS, à l'exception du personnel engagé sous contrat de travail, peuvent être infligées les sanctions disciplinaires prévues [1 à l'article 1215-3 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.  Ces sanctions peuvent être infligées pour les manquements et agissements [1 énoncées à l'article L1215-2 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, ainsi que pour infraction à l'interdiction visée aux articles 49, §§ 1er à 4, et 50 de la présente loi.  ----------  <DRW 2012-04-26/31, art. 18, 015; En vigueur : 25-05-2012>   Art. 52.[1 Les articles L1215-1 à L1215-27 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, sont applicables aux membres du personnel visés à l'article 51, sous cette réserve que les mots " commune, conseil communal, collège communal, bourgmestre et directeur général ", figurant dans le Code de la démocratie locale et de la décentralisation, se lisent respectivement comme " centre public d'action sociale, conseil de l'action sociale, bureau permanent, président et directeur général du centre.  ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 11, 019; En vigueur : 01-09-2013>   Art. 53.[1 Toute décision de révocation ou de démission d'office est transmise, accompagnée de ses pièces justificatives et de la preuve de la notification de la décision à l'intéressé, par le centre public d'action sociale au Gouverneur. A défaut de transmission du dossier complet, la décision ne peut être exécutée.   Le membre du personnel concerné dispose de trente jours à dater de la notification qui lui est faite de la décision précitée pour introduire un recours en annulation auprès du Gouverneur.   A défaut de recours au terme de ce délai de trente jours, le Gouverneur dispose de trente jours pour statuer en annulation.   Si le membre du personnel introduit un recours, la Direction générale opérationnelle Intérieur et Action sociale du Service public de Wallonie transmet celui-ci à l'autorité du centre public d'action sociale. Celle-ci dispose d'un délai de quinze jours à dater de la notification du recours pour formuler ses observations au Gouverneur. Dès réception des observations, le Gouverneur statue dans les délais prévus à l'article 111, § 2. A défaut d'observations, le délai prescrit au Gouverneur pour se prononcer prend cours au terme du délai de quinze jours précité.  ----------  <DRW 2018-10-04/02, art. 2, 032; En vigueur : 20-10-2018>   Art. 54.[1 § 1er. [2 ...   § 2. [2 Le conseil de l'action socialepeut prévoir la démission d'office pour inaptitude professionnelle des membres du personnel du Centre, à l'exception du personnel engagé sous contrat de travail, comme conséquence négative de l'évaluation.   Le Conseil de l'action sociale fixe de manière générale les modalités de calcul et de liquidation de l'indemnité de départ versée à l'agent. L'indemnité doit être proportionnelle à l'ancienneté de l'agent au sein du Centre et ne peut, en aucun cas être inférieure à :   - trois mois de traitement pour les agents de moins de dix ans d'ancienneté de service au sein du Centre ou de la commune d'un même ressort;   - six mois de traitement pour les agents qui ont entre dix et vingt ans d'ancienneté de service au sein du Centre ou de la commune d'un même ressort;   - neuf mois de traitement pour les agents qui ont plus de vingt ans d'ancienneté de service au sein du Centre ou de la commune d'un même ressort.  ----------  <DRW 2009-04-30/42, art. 1, 012; En vigueur : 06-06-2009>   <DRW 2024-03-14/16, art. 17, 046; En vigueur : 01-06-2024>   Art. 54bis.[1 § 1er. La décision de démettre d'office un agent pour inaptitude professionnelle est prononcée, après audition, par le Conseil.   Elle est notifiée sans délai à l'intéressé, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise contre accusé de réception. A défaut de notification dans les dix jours ouvrables, elle est réputée rapportée.   La notification fait mention des recours prévus par la loi ou par le décret et du délai dans lequel ceux-ci peuvent être exercés.   § 2. L'agent dispose d'un délai de trente jours prenant cours le premier jour ouvrable qui suit la notification de la décision de le démettre d'office, pour saisir, par pli recommandé, la chambre de recours visée à l'article 54ter. La saisine de la Chambre de recours est suspensive de la décision du Conseil de l'action sociale jusqu'à la décision du Gouvernement ou jusqu'à l'expiration du délai imparti au Gouvernement pour statuer.   La chambre de recours émet un avis motivé à l'attention du Gouvernement sur la délibération du Conseil de l'action sociale portant décision de démission d'office pour inaptitude professionnelle. Cet avis est "favorable" ou "défavorable". Il est rendu et notifié, accompagné du dossier complet, dans le délai de soixante jours [2 à dater de la réception de la décision ainsi que de l'ensemble des pièces afférentes à l'affaire par le président ou le cas échéant par le vice-président.   § 3. En l'absence de saisine de la chambre de recours dans le délai imparti, le Conseil de l'action sociale adresse sa délibération accompagnée du dossier complet au Gouvernement. Par dérogation aux articles 109, 110 et 112, le Gouvernement peut annuler la décision de démission d'office pour inaptitude professionnelle lorsqu'elle viole la loi ou blesse l'intérêt général. A défaut de décision dans un délai de quarante jours, éventuellement prorogés de vingt jours, à dater de la réception de la délibération du Conseil de l'action sociale, l'acte ne peut plus être annulé.   La décision de démission d'office pour inaptitude professionnelle est suspendue jusqu'à l'expiration du délai de trente jours visé au § 1er, alinéa 1er.  ----------  <Inséré par DRW 2009-04-30/42, art. 2, 012; En vigueur : 06-06-2009>   <DRW 2018-07-19/29, art. 11, 029; En vigueur : 07-09-2018>   Art. 54ter.[1 § 1er. Une chambre de recours régionale compétente pour connaître des recours à l'encontre des décisions de démission d'office et de licenciement pour inaptitude professionnelle et des recours introduits par les directeurs généraux, les directeurs généraux adjoints et les directeurs financiers à l'encontre des décisions prises à leur égard dans le cadre de leur évaluation, est constituée.   Les articles L1218-1 à L1218-13 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation sont d'application.   § 2. En cas de licenciement pour inaptitude professionnelle du directeur général, du directeur général adjoint ou du directeur financier, [2 ...le conseil de l'action sociale leur octroie une indemnité correspondant à minimum trois mois de traitement par tranche de cinq années de travail entamée.  ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 12, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2018-07-19/29, art. 12, 029; En vigueur : 07-09-2018>   Art. 54quater. [1 § 1er. Par dérogation aux articles 109, 110 et 112, sur la base de l'avis visé à l'article 54bis, § 2, alinéa 2, ou dans l'hypothèse visée à l'article 54ter, § 3, alinéa 2, à défaut d'avis émis par la chambre de recours dans le délai qui lui est imparti, le Gouvernement peut annuler la décision de démission d'office pour inaptitude professionnelle lorsqu'elle viole la loi ou blesse l'intérêt général.   § 2. Le Gouvernement prend sa décision et la notifie au Conseil de l'action sociale et à l'agent dans les trente jours de la réception de l'avis et du dossier complet ou, à défaut de la délibération du Conseil de l'action sociale accompagné du dossier complet. Il peut proroger ce délai une seule fois pour une durée maximale de quinze jours.   Passé ce délai, le Gouvernement ne peut plus annuler la décision de démission d'office. A défaut d'annulation par le Gouvernement dans le délai visé au § 2, la décision de démission d'office sort ses pleins et entiers effets.  ----------  <Inséré par DRW 2009-04-30/42, art. 4, 012; En vigueur : 06-06-2009>   Art. 55.  <Abrogé par DRW 2024-03-14/16, art. 18, 046; En vigueur : 01-06-2024>   Art. 55bis.  <Abrogé par DRW 2024-03-14/16, art. 19, 046; En vigueur : 01-06-2024>   Art. 56.  <Abrogé par DRW 2024-03-14/16, art. 20, 046; En vigueur : 01-06-2024>   CHAPITRE IV. - Des missions du (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Section 1ère. - Missions générales et exécution.  Art. 57.<L 1992-12-30/40, art. 151; En vigueur : 19-01-1993> § 1er. Sans préjudice des dispositions de l'article 57ter, le (centre public d'action sociale) a pour mission d'assurer aux personnes et aux familles l'aide due par la collectivité. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Il assure non seulement une aide palliative ou curative, mais encore une aide préventive. (Il encourage la participation sociale des usagers.) <L 2007-04-25/38, art. 215, 008; En vigueur : 18-05-2007>  Cette aide peut être matérielle, sociale, médicale, médico-sociale ou psychologique.  (§ 2. (Par dérogation aux autres dispositions de la présente loi, la mission du (centre public d'action sociale) se limite à : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  1° l'octroi de l'aide médicale urgente, à l'égard d'un étranger qui séjourne illégalement dans le Royaume;  2° constater l'état de besoin suite au fait que les parents n'assument pas ou ne sont pas en mesure d'assumer leur devoir d'entretien, à l'égard d'un étranger de moins de 18 ans qui séjourne, avec ses parents, illégalement dans le Royaume.  (Dans le cas visé sous 2°, l'aide sociale est limitée à l'aide matérielle indispensable pour le développement de l'enfant et est exclusivement octroyée dans un centre fédéral d'accueil conformément aux conditions et modalités fixées par le Roi. La présence dans le centre d'accueil des parents ou personnes qui exercent effectivement l'autorité parentale est garantie.) <L 2005-12-27/31, art. 22; En vigueur : 09-01-2006>  Le Roi peut déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par aide médicale urgente.  [1 Le droit à l'aide sociale prend fin pour un demandeur de protection internationale, qui était en fait bénéficiaire, par la notification d'une décision finale négative dans le cadre de la procédure de demande de protection internationale au sens de l'article 1, § 1er, 19°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. Il continue à bénéficier de l'aide sociale pour une durée de trente jours, à compter de la notification de la décision finale négative. L'introduction d'un recours en cassation au Conseil d'Etat n'engendre pas de droit à une aide sociale. Lors de l'examen du recours en cassation au Conseil d'Etat, le droit à l'aide sociale est garanti uniquement si le recours en cassation est déclaré admissible en application de l'article 20, § 2, des lois coordonnées du 12 janvier 1973 sur le Conseil d'Etat.  L'aide sociale accordée à un étranger [1 qui n'entre pas dans le champ d'application de l'alinéa 4 etqui était en fait bénéficiaire au moment où un ordre de quitter le territoire exécutoire lui a été notifié, est arrêtée, à l'exception de l'aide médicale urgente, le jour où l'étranger quitte effectivement le territoire et, au plus tard, le jour de l'expiration du délai de l'ordre de quitter le territoire.  Il est dérogé aux dispositions de l'alinéa précédent pendant le délai strictement nécessaire pour permettre à l'étranger de quitter le territoire, pour autant qu'il ait signé une déclaration attestant son intention explicite de quitter le plus vite possible le territoire, sans que ce délai ne puisse en aucun cas excéder (celui qui est fixé à l'article 7, 4°, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers). <L 2007-01-12/52, art. 68, 007; En vigueur : 01-06-2007>  La déclaration d'intention précitée ne peut être signée qu'une seule fois. Le centre informe sans retard le Ministre qui a l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences, ainsi que la commune concernée, de la signature de la déclaration d'intention.) <L 1996-07-15/33, art. 65; En vigueur : 10-01-1997>  (S'il s'agit d'un étranger qui est devenu sans abri suite à l'application de l' (article 433quaterdecies du Code pénal), l'aide sociale visé à l'alinéa quatre et cinq peut être fournie dans un centre d'accueil tel que visé à l'article 57ter.) <L 2002-08-02/45, art. 184; En vigueur : 29-08-2002> <L 2005-08-10/61, art. 41; En vigueur : 12-09-2005>  <Par son arrêté n° 43/98 du 22 avril 1998 (M.B. 29-04-1998, p. 13340) la Cour d'Arbitrage a annulé le terme "exécutoire" dans les alinéas 3 et 4; Abrogé : 10-01-1997>  § 3. Le centre exerce la tutelle ou a tout le moins assure la garde, l'entretien et l'éducation des enfants mineurs d'âge lorsqu'ils lui sont confiés par la loi, les parents ou les organismes publics.  § 4. Le centre effectue les tâches qui lui sont confiées par la loi, le Roi ou l'autorité communale.  ----------  <L 2024-03-14/30, art. 6, 044; En vigueur : 27-06-2024>   Art. 57bis. <L 2004-08-23/41, art. 2; En vigueur : 10-07-2004> Dans les conditions fixées par le Roi, les centres publics d'action sociale octroient une prime d'installation a la personne qui perd sa qualité de sans-abri pour occuper un logement qui lui sert de résidence principale.  Art. 57ter.<Inséré par L 1992-12-30/40, art. 152, En vigueur : 19-01-1993> (L'aide sociale n'est pas due par le centre lorsque l'étranger enjoint de s'inscrire en un lieu déterminé en application de l'article 11, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers bénéficie de l'aide matérielle au sein d'une structure d'accueil chargée de lui assurer l'aide nécessaire pour mener une vie conforme à la dignité humaine.  Par dérogation à l'article 57, § 1er, le demandeur d'asile auquel a été désigné comme lieu obligatoire d'inscription en application de l'article 11, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers, une structure d'accueil gérée par l'Agence ou par un partenaire de celle-ci ne peut obtenir l'aide sociale que dans cette structure d'accueil, conformément à la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs et de certaines autres catégories d'étrangers.) <L 2007-01-12/52, art. 69, 007; En vigueur : 01-06-2007>  (alinéa 3 abrogé) <L 2007-01-12/52, art. 71, 007; En vigueur : 07-05-2007>  [1 Le centre n'est pas tenu d'accorder une aide sociale si l'étranger fait l'objet d'une décision prise conformément à l'article 4 de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers.  ----------  <L 2012-01-19/13, art. 11, 014; En vigueur : 27-02-2012>   Art. 57ter/1.[1 En vue d'assurer une répartition harmonieuse des places d'accueil entre les communes, le C.P.A.S. est tenu de créer des initiatives locales d'accueil visées à l'article 64 de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, définit les critères de cette répartition en tenant compte de la situation spécifique de chaque commune. Ce plan de répartition prend effet à partir d'une date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. A défaut de créer des initiatives locales d'accueil, le C.P.A.S. peut se voir appliquer une sanction financière dont les modalités et l'affectation sont fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.  ----------  <Rétabli par L 2013-05-08/18, art. 25, 018; En vigueur : 01-09-2013>   Art. 57ter/2. <inséré par L 2002-08-02/45, art. 185; En vigueur : 29-08-2002> Si un étranger, qui dispose d'un lieu obligatoire d'inscription en vertu de l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, est découvert dans un logement visé à l' (article 433quaterdecies du Code pénal), le CPAS compétent du lieu d'inscription obligatoire est tenu, dans les trente jours à dater de l'expulsion du logement en cause, de mettre à disposition de l'étranger un logement situé sur le territoire de sa commune. <W 2005-08-10/61, art. 42; En vigueur : 12-09-2005>  Pour la période prenant cours le jour de l'expulsion du logement et prenant fin le jour où le centre compétent met à disposition de l'étranger un logement, celui-ci est relogé aux frais du centre et le centre est tenu de fournir l'aide sociale à l'étranger.  Art. 57quater. <L 2002-08-02/45, art. 186; En vigueur : 01-10-2002> § 1er. (La personne de nationalité étrangère, inscrite au registre des étrangers, qui en raison de sa nationalité n'a pas droit à l'intégration sociale et qui a droit à une aide sociale financière, peut prétendre à une intervention financière du (centre public d'action sociale) dans les frais lies à son insertion professionnelle.) <L 2003-12-22/42, art. 484; En vigueur : 10-01-2004> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  § 2. Le Roi détermine les types d'insertion pour lesquels le centre intervient financièrement ainsi que le montant, les conditions d'octroi et les modalités de cette intervention financière. Le Roi peut déterminer les conditions d'accès aux différents programmes d'insertion et d'emploi.  § 3. Par dérogation à l'article 23 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, l'intervention financière du centre peut être imputée sur la rémunération du travailleur. Cette imputation s'effectue directement après les retenues autorisées en vertu de l'article 23, alinéa 1er, 1°, de la même loi et n'intervient pas dans la limite d'un cinquième prévue à l'article 23, alinéa 2. Une intervention financière qui est imputée sur la rémunération du travailleur est néanmoins considérée comme une rémunération en ce qui concerne la législation fiscale et sociale.  § 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans les conditions qu'Il détermine, pour les travailleurs occupés avec le bénéfice d'une intervention financière du centre dans leur rémunération :  1° prévoir des dérogations aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, en ce qui concerne le respect des règles relatives à la rupture du contrat de travail par le travailleur lorsque celui-ci est engagé dans les liens d'un autre contrat de travail ou nommé dans une administration;  2° prévoir une exonération temporaire, totale ou partielle, des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 38, §§ 3 et 3bis , de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés et des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 2, §§ 3 et 3bis , de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés.  Art. 57quinquies. [1 Par dérogation aux dispositions de la présente loi, le centre n'est pas tenu d'accorder une aide sociale aux ressortissants des Etats membres de l'Union européenne et aux membres de leur famille pendant les trois premiers mois du séjour ou, le cas échéant, pendant la période plus longue prévue à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ni tenu, avant l'acquisition du droit de séjour permanent, d'octroyer des aides d'entretien.  ----------  <Inséré par L 2012-01-19/13, art. 12, 014; En vigueur : 27-02-2012>   Art. 57sexies.[1 Par dérogation aux dispositions de la présente loi, l'aide sociale n'est pas due par le centre à l' étranger autorisé au séjour sur la base de l'article 9bis de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, en raison d'un permis de travail B ou d'une carte professionnelle.    (NOTE : par son arrêt n° 131/2015 du 01-10-2015 (M.B. 22-10-2015, p 65182), la Cour constitutionnelle a annulé cet article)  (NOTE : par son arrêt n° 61/2017 du 18-05-2017 (M.B. 13-07-2017, p. 72404), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)  ----------  <Inséré par L 2013-06-28/04, art. 20, 017; En vigueur : 11-07-2013>  Art. 58.<Rétabli par L 2003-12-22/42, art. 486; En vigueur : 10-01-2004> § 1er. [1 Une demande d'aide sociale, soumise à la décision du centre, peut être introduite oralement, par écrit, par voie électronique via le formulaire électronique mis à disposition par le ministre qui a l'intégration sociale dans ses attributions, ou d'office par le centre.   La demande d'aide est inscrite le jour de sa réception, par ordre chronologique, dans le registre tenu à cet effet par le centre public d'action sociale.   Lorsque la demande est écrite, elle est signée par l'intéressé ou par la personne qu'il a désignée par écrit.   Lorsque la demande est orale, l'intéressé ou la personne désignée par écrit signe dans la case ad hoc du registre visé à l'alinéa 2.   Lorsque la demande est électronique, l'enregistrement de celle-ci équivaut à la signature.   Lorsque la demande électronique est introduite un samedi, un dimanche, ou un jour férié légal, la date de réception de la demande est le jour ouvrable qui suit.   Le Roi peut déterminer les modalités d'application du formulaire électronique visé à l'alinéa 1er.  § 2. Le centre adresse ou remet le même jour un accusé de réception au demandeur. [2 Lorsque la demande est introduite via le formulaire électronique visé au § 1er, le demandeur reçoit le même jour un accusé de réception.  § 3. Lorsqu'un (centre public d'action sociale) reçoit une demande d'aide pour laquelle il ne se considère pas compétent [3 ou lorsqu'il met fin à une aide pour incompétence territoriale, il transmet cette demande dans les cinq jours calendrier par écrit au (centre public d'action sociale) qu'il estime être compétent. Dans le même délai, il avertit le demandeur par écrit de cette transmission. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  A peine de nullité, la transmission de la demande au (centre public d'action sociale) considéré comme étant compétent, ainsi que la notification au demandeur de la transmission, se fait au moyen [3 d'un écritmentionnant les raisons de l'incompétence. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Toutefois, la demande sera validée à la date de sa réception au premier (centre public d'action sociale), telle que déterminée au § 1er [3 , ou à la date de la transmission de la demande lorsque le CPAS met fin à une aide pour incompétence territoriale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Le (centre public d'action sociale) qui manque à cette obligation [3 ou qui met fin à l'aide pour incompétence territorialedoit accorder, aux conditions fixées par la présente loi, l'aide sociale, tant qu'il n'a pas transmis la demande ni communiqué les raisons invoquées pour justifier l'incompétence. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  La décision d'incompétence peut être prise par le président à charge pour lui de soumettre sa décision au conseil ou à l'organe compétent à la plus prochaine réunion, en vue de sa ratification.  ----------  <L 2024-02-29/13, art. 2, 043; En vigueur : 21-04-2024>   <L 2024-02-29/13, art. 3, 043; En vigueur : 21-04-2024>   <L 2024-02-29/13, art. 4, 043; En vigueur : 21-04-2024>   Art. 59. Le (centre public d'action sociale) remplit sa mission en suivant les méthodes du travail social les plus adaptées et dans le respect des convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses des intéressés. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 60.§ 1er. L'intervention du centre est, s'il est nécessaire précédée d'une enquête sociale, se terminant par un diagnostic précis sur l'existence et l'étendue du besoin d'aide et proposant les moyens les plus appropriés d'y faire face.  L'intéressé est tenu de fournir tout renseignement utile sur sa situation et d'informer le centre de tout élément nouveau susceptible d'avoir une répercussion sur l'aide qui lui est octroyée.  (Le rapport de l'enquête sociale établi par un travailleur social visé à l'article 44 fait foi jusqu'à preuve contraire pour ce qui concerne les constatations de faits qui y sont consignées contradictoirement.) <L 1993-01-12/34, art. 6; En vigueur : 01-03-1993>  (Le centre qui aide un demandeur d'asile qui ne réside pas effectivement sur le territoire de la commune que le centre dessert, peut demander au (centre public d'action sociale) du lieu de résidence effective du demandeur d'asile concerné d'effectuer l'enquête sociale. Ce dernier centre est tenu de communiquer le rapport de l'enquête sociale au centre demandeur dans le délai fixé par le Roi. Le Roi peut déterminer le tarif en fonction duquel le centre demandeur rémunère les prestations du centre qui a effectué l'enquête sociale. Le Roi peut aussi déterminer les conditions minimales auxquelles doivent répondre l'enquête sociale du (centre public d'action sociale) de la résidence effective, ainsi que le rapport y relatif.) <L 1996-07-15/33, art. 67; En vigueur : 10-01-1997> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  § 2. Le centre fournit tous conseils et renseignements utiles et effectue les démarches de nature à procurer aux intéressés tous les droits et avantages auxquels ils peuvent prétendre dans le cadre de la législation belge ou étrangère.  § 3. Il accorde l'aide matérielle sous la forme la plus appropriée.  (L'aide financière peut être liée par décision du centre aux conditions énoncées (aux articles 3, 5° et 6°, 4, 11 et 13, § 2, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale). <L 2002-05-26/47, art. 58; En vigueur : 01-10-2002>  En cas de non-respect de ces conditions, le droit à l'aide financière peut, sur proposition du travailleur social ayant en charge le dossier, être refusé ou suspendu partiellement ou totalement pour une période d'un mois au maximum.  En cas de récidive dans un délai maximum d'un an, le droit à l'aide financière peut être suspendu pour une période de trois mois au maximum.) <L 1993-01-12/34, art. 6; En vigueur : 01-03-1993>  § 4. Il assure, en respectant le libre choix de l'intéressé, la guidance psychosociale, morale ou éducative nécessaire à la personne aidée pour lui permettre de vaincre elle-même progressivement ses difficultés.  Il tient compte de la guidance déjà effectuée et de la possibilité de faire continuer celle-ci par l'autre centre ou service auquel l'intéresse a déjà fait confiance.  § 5. (Si la personne aidée n'est pas assurée contre la maladie et l'invalidité, il l'affilie à l'organisme assureur choisi par elle, et, à défaut de ce choix, à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité. Il exige dans la mesure du possible une contribution personnelle de l'intéressé.) <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>  § 6. (Le (centre public d'action sociale) crée, là ou cela se révèle nécessaire et, le cas échéant, dans le cadre d'une programmation existante, des établissements ou services à caractère social, curatif ou préventif, les étend et les gère. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  La nécessité de la création ou de l'extension d'un établissement ou d'un service doit résulter d'un dossier qui comporte un examen sur les besoins de la commune et/ou de la région et sur les établissements ou services similaires déjà en fonction, une description du fonctionnement, une évaluation précise du prix de revient et des dépenses à effectuer ainsi que, si possible, des informations permettant une comparaison avec des établissements ou services similaires.  La création ou l'extension d'établissements ou services qui sont susceptibles de bénéficier de subventions au niveau soit des investissements, soit du fonctionnement, ne peut être décidée que sur base d'un dossier faisant apparaître que les conditions prévues par la législation ou la réglementation organique pour l'octroi de ces subventions seront respectées.  Sans préjudice des autorisations à obtenir d'autres autorités publiques, la décision de créer ou d'étendre un établissement ou un service, dès qu'elle est de nature à entraîner une intervention à charge du budget communal ou à majorer celle-ci, est soumise à l'approbation du (conseil communal.) ) <ARN244 1983-12-31/57, art. 3, 002> <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>  § 7. (Lorsqu'une personne doit justifier d'une période de travail pour obtenir le bénéfice complet de certaines allocations sociales ou afin de favoriser l'expérience professionnelle de l'intéressé, le (centre public d'action sociale) prend toutes les dispositions de nature à lui procurer un emploi (...). Le cas échéant, il fournit cette forme d'aide sociale en agissant lui-même comme employeur pour la période visée. <L 2002-08-02/45, art. 187; En vigueur : 01-10-2002> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  (La durée de la mise a l'emploi visée à l'alinéa précédent, ne peut être supérieure à la durée nécessaire à la personne mise au travail en vue d'obtenir le bénéfice complet des allocations sociales.) <L 2002-08-02/45, art. 187; En vigueur : 01-10-2002>  Par dérogation aux dispositions de l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, les travailleurs engagés dans les liens d'un contrat de travail par les (centres publics d'action sociale), en application du présent paragraphe, peuvent être mis par ces centres à la disposition de communes, d'associations sans but lucratif ou d'intercommunales à but social, culturel ou écologique, [2 de sociétés coopératives agréées comme entreprise sociale conformément à l'article 8:5, § 1er, du Code des sociétés et des associations, d'un autre (centre public d'action sociale), d'une association au sens du chapitre XII de la présente loi, d'un hôpital public, affilié de plein droit à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales ou à l'Office national de sécurité sociale, des initiatives agréées par le ministre compétent pour l'économie sociale ou des partenaires qui ont conclu une convention avec le (centre public d'action sociale) sur la base de la présente loi organique.) <L 1999-12-24/36, art. 120; En vigueur : 10-01-2000> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  (Lorsque le partenaire visé à l'alinéa précédent est une entreprise privée, le Roi détermine les conditions et modalités suivant lesquelles la mise à disposition doit être conclue avec ladite entreprise en vue de maintenir le droit du (centre public d'action sociale) à la subvention liée à l'insertion de la personne occupée en application des articles 36 et 37 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.) <L 2002-08-02/45, art. 187; En vigueur : 01-10-2002> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  (§ 8. Le conseil de l'aide sociale organise, par voie de règlement d'ordre intérieur, le dépôt, la garde et la restitution, volontaires ou nécessaires, des valeurs qui peuvent lui être confiées, en vertu des articles 1915 à 1954quater du Code civil, par des personnes admises dans un de ses établissements.  Le [1 directeur financier ou receveur régionalest chargé d'accepter le dépôt ou désigne éventuellement, en accord avec le [1 directeur général, les personnes qui sont chargées, sous sa responsabilité, de recevoir, de garder et de restituer ces dépôts.) <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>  ----------  <DRW 2018-03-29/49, art. 17, 028; En vigueur : 24-05-2018>   <DRW 2023-04-06/05, art. 3, 045; En vigueur : 21-10-2023>   Art. 60_REGION_WALLONNE.    § 1er. L'intervention du centre est, s'il est nécessaire précédée d'une enquête sociale, se terminant par un diagnostic précis sur l'existence et l'étendue du besoin d'aide et proposant les moyens les plus appropriés d'y faire face.  L'intéressé est tenu de fournir tout renseignement utile sur sa situation et d'informer le centre de tout élément nouveau susceptible d'avoir une répercussion sur l'aide qui lui est octroyée.  (Le rapport de l'enquête sociale établi par un travailleur social visé à l'article 44 fait foi jusqu'à preuve contraire pour ce qui concerne les constatations de faits qui y sont consignées contradictoirement.) <L 1993-01-12/34, art. 6; En vigueur : 01-03-1993>  (Le centre qui aide un demandeur d'asile qui ne réside pas effectivement sur le territoire de la commune que le centre dessert, peut demander au (centre public d'action sociale) du lieu de résidence effective du demandeur d'asile concerné d'effectuer l'enquête sociale. Ce dernier centre est tenu de communiquer le rapport de l'enquête sociale au centre demandeur dans le délai fixé par le Roi. Le Roi peut déterminer le tarif en fonction duquel le centre demandeur rémunère les prestations du centre qui a effectué l'enquête sociale. Le Roi peut aussi déterminer les conditions minimales auxquelles doivent répondre l'enquête sociale du (centre public d'action sociale) de la résidence effective, ainsi que le rapport y relatif.) <L 1996-07-15/33, art. 67; En vigueur : 10-01-1997> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  § 2. Le centre fournit tous conseils et renseignements utiles et effectue les démarches de nature à procurer aux intéressés tous les droits et avantages auxquels ils peuvent prétendre dans le cadre de la législation belge ou étrangère.  § 3. Il accorde l'aide matérielle sous la forme la plus appropriée.  (L'aide financière peut être liée par décision du centre aux conditions énoncées (aux articles 3, 5° et 6°, 4, 11 et 13, § 2, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale). <L 2002-05-26/47, art. 58; En vigueur : 01-10-2002>  En cas de non-respect de ces conditions, le droit à l'aide financière peut, sur proposition du travailleur social ayant en charge le dossier, être refusé ou suspendu partiellement ou totalement pour une période d'un mois au maximum.  En cas de récidive dans un délai maximum d'un an, le droit à l'aide financière peut être suspendu pour une période de trois mois au maximum.) <L 1993-01-12/34, art. 6; En vigueur : 01-03-1993>  § 4. Il assure, en respectant le libre choix de l'intéressé, la guidance psychosociale, morale ou éducative nécessaire à la personne aidée pour lui permettre de vaincre elle-même progressivement ses difficultés.  Il tient compte de la guidance déjà effectuée et de la possibilité de faire continuer celle-ci par l'autre centre ou service auquel l'intéresse a déjà fait confiance.  § 5. (Si la personne aidée n'est pas assurée contre la maladie et l'invalidité, il l'affilie à l'organisme assureur choisi par elle, et, à défaut de ce choix, à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité. Il exige dans la mesure du possible une contribution personnelle de l'intéressé.) <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>  § 6. (Le (centre public d'action sociale) crée, là ou cela se révèle nécessaire et, le cas échéant, dans le cadre d'une programmation existante, des établissements ou services à caractère social, curatif ou préventif, les étend et les gère. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  La nécessité de la création ou de l'extension d'un établissement ou d'un service doit résulter d'un dossier qui comporte un examen sur les besoins de la commune et/ou de la région et sur les établissements ou services similaires déjà en fonction, une description du fonctionnement, une évaluation précise du prix de revient et des dépenses à effectuer ainsi que, si possible, des informations permettant une comparaison avec des établissements ou services similaires.  La création ou l'extension d'établissements ou services qui sont susceptibles de bénéficier de subventions au niveau soit des investissements, soit du fonctionnement, ne peut être décidée que sur base d'un dossier faisant apparaître que les conditions prévues par la législation ou la réglementation organique pour l'octroi de ces subventions seront respectées.  Sans préjudice des autorisations à obtenir d'autres autorités publiques, la décision de créer ou d'étendre un établissement ou un service, dès qu'elle est de nature à entraîner une intervention à charge du budget communal ou à majorer celle-ci, est soumise à l'approbation du (conseil communal.) ) <ARN244 1983-12-31/57, art. 3, 002> <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>  § 7. [3 Si un ayant droit à l'aide sociale financière en application de la loi du   26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale ou de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, doit justifier de sa disposition à travailler, le centre prend toutes les dispositions de nature à lui permettre l'insertion socioprofessionnelle. Le cas échéant, le centre fournit cette forme d'aide sociale en agissant lui-même comme employeur pour la période visée.   La durée de la mise à l'emploi visée à l'alinéa 1er, n'est pas supérieure à la durée nécessaire à la personne mise au travail en vue d'obtenir le bénéfice complet des allocations sociales.   Par dérogation à l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, le centre peut mettre les travailleurs engagés dans les liens d'un contrat de travail par un centre public d'action sociale, en application du présent paragraphe, à la disposition de toute personne morale de droit public ou de droit privé, dénommés " utilisateurs externes ".   Pour l'application de l'alinéa 3, lorsque l'emploi d'insertion est exécuté au sein d'un service du centre, ce dernier est dénommé " utilisateur interne ".   Avant le début de la mise à disposition du travailleur visée à l'alinéa 3, le centre, l'utilisateur, et le travailleur établissent une convention qui précise :   1° la nature de la mission dévolue au travailleur;   2° les conditions de la mise à disposition;   3° la durée de la mise à disposition.   L'utilisateur, interne ou externe, est responsable de l'application du code du bien-être au travail pendant la période de mise à disposition.  (§ 8. Le conseil de l'aide sociale organise, par voie de règlement d'ordre intérieur, le dépôt, la garde et la restitution, volontaires ou nécessaires, des valeurs qui peuvent lui être confiées, en vertu des articles 1915 à 1954quater du Code civil, par des personnes admises dans un de ses établissements.  Le [1 directeur financier ou receveur régionalest chargé d'accepter le dépôt ou désigne éventuellement, en accord avec le [1 directeur général, les personnes qui sont chargées, sous sa responsabilité, de recevoir, de garder et de restituer ces dépôts.) <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>  ----------  <DRW 2018-03-29/49, art. 17, 028; En vigueur : 24-05-2018>   <DRW 2023-04-06/05, art. 3, 045; En vigueur : 21-10-2023>   <DRW 2024-04-29/21, art. 17, 048; En vigueur : 01-01-2025>      Art. 60bis. <inséré par L 1992-08-05/46, art. 36; En vigueur : 18-10-1992> Le (centre public d'action sociale) prend toutes les initiatives nécessaires en vue d'informer le public sur les différentes formes d'aide qu'il octroie et en fait rapport annuellement dans la note de gestion. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 60ter. [1 Le centre est tenu d'entendre le demandeur, si celui-ci le demande, avant de prendre une décision relative à:   - l'aide visée à l'article 57;   - la récupération visée aux articles 98, § 1er et 99.   Le centre est tenu d'informer l'intéressé de ce droit, selon les modalités fixées par le Roi.   L'intéressé peut être entendu soit par le conseil, soit par l'organe compétent ayant un pouvoir de décision dans le cas concret.   Lors de son audition, l'intéressé peut se faire assister ou représenter par une personne de son choix.  ----------  <Inséré par L 2024-02-29/13, art. 5, 043; En vigueur : 21-04-2024>      Art. 61. Le centre peut recourir à la collaboration de personnes, d'établissements ou de services qui, créés soit par des pouvoirs publics, soit par l'initiative privée, disposent des moyens nécessaires pour réaliser les diverses solutions qui s'imposent, en respectant le libre choix de l'intéressé.  Le centre peut supporter les frais éventuels de cette collaboration, s'ils ne sont pas couverts en exécution d'une autre loi, d'un règlement, d'un contrat ou d'une décision judiciaire.  (Dans le même but, le centre peut conclure des conventions soit avec un autre (centre public d'action sociale), un autre pouvoir public ou un établissement d'utilité publique, soit avec une personne privée ou un organisme privé. Par dérogation aux dispositions de l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs a la disposition d'utilisateurs, les travailleurs engagés dans les liens d'un contrat de travail par les (centres publics d'action sociale) peuvent, en application du présent alinéa, être mis par les centres à la disposition des partenaires qui ont conclu une convention avec le (centre public d'action sociale) sur la base de la présente loi organique.) <L 1999-12-24/36, art. 121; En vigueur : 10-01-2000> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 62. <L 1993-01-12/34, art. 7; En vigueur : 01-03-1993> Le centre peut proposer aux institutions et services déployant dans le ressort du centre une activité sociale ou des activités spécifiques, de créer avec eux un ou plusieurs comités où le centre et ces institutions et services pourraient coordonner leur action et se concerter sur les besoins individuels ou collectifs et les moyens d'y répondre.  Art. 62bis.<L 1992-08-05/46, art. 38; En vigueur : 18-10-1992> La décision en matière d'aide individuelle, prise par le conseil de l'aide sociale ou l'un des organes auxquels le conseil a délégué des attributions, est communiquée [1 dans les huit jours à compter de la date de décision, par lettre recommandée à la poste [1 ou recommandé électronique via l'eBox tel que prévu par la loi du 27 février 2019 relative à l'échange électronique de messages par le biais de l'eBoxou contre accusé de réception, à la personne qui a demandé l'aide, selon des modalités qui peuvent être déterminées par le Roi. [1 La date du cachet de la poste, de l'envoi électronique ou de l'accusé de réception font foi.  La décision est motivée et signale la possibilité de former un recours, le délai d'introduction, la forme de la requête, l'adresse de l'instance de recours compétente et le nom du service ou de la personne qui, au sein du (centre public d'action sociale), peut être contacté en vue d'obtenir des éclaircissements. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  ----------  <L 2024-02-29/13, art. 6, 043; En vigueur : 21-04-2024>   Art. 62ter. [1 La surveillance et le contrôle des articles 57quater, §§ 1er à 3 inclus, et du paragraphe 4, 2°, 60, § 7, et 61, ainsi que de leurs mesures d'exécution se déroulent conformément aux dispositions du décret du 5 février 1998 relatif à la surveillance et au contrôle des législations relatives à la politique de l'emploi par les membres du personnel de la Direction générale opérationnelle Pouvoirs locaux, Action sociale et Santé désignés à cet effet par le Gouvernement.   En ce qui concerne l'article 57quater, paragraphes 1er à 3 inclus, et du paragraphe 4, 2°, le contrôle ou la surveillance s'exercent sans préjudice des compétences d'inspection et de contrôle des institutions fédérales compétentes pour les cotisations de sécurité sociale ou pour l'aide sociale financière, qui, en la matière, sont les seuls opérateurs administratifs et techniques.  ----------  <Inséré par DRW 2016-04-28/08, art. 15, 022; En vigueur : 21-05-2016>      Art. 62ter_REGION_WALLONNE.    [1 La surveillance et le contrôle des articles 57quater, §§ 1er à 3 inclus, et du paragraphe 4, 2°, 60, § 7, et 61, ainsi que de leurs mesures d'exécution se déroulent conformément [2 à l'article 13 du décret du 29 avril 2024 relatif à l'octroi de subventions aux centres publics d'action sociale dans le cadre de la mise à l'emploi des bénéficiaires du droit à l'intégration sociale ou de l'aide sociale équivalentepar les membres du personnel de la Direction générale opérationnelle Pouvoirs locaux, Action sociale et Santé désignés à cet effet par le Gouvernement.   En ce qui concerne l'article 57quater, paragraphes 1er à 3 inclus, et du paragraphe 4, 2°, le contrôle ou la surveillance s'exercent sans préjudice des compétences d'inspection et de contrôle des institutions fédérales compétentes pour les cotisations de sécurité sociale ou pour l'aide sociale financière, qui, en la matière, sont les seuls opérateurs administratifs et techniques.  ----------  <Inséré par DRW 2016-04-28/08, art. 15, 022; En vigueur : 21-05-2016>   <DRW 2024-04-29/21, art. 18, 048; En vigueur : 01-01-2025>      Section 2. - De la tutelle des enfants.  Art. 63. _ Tout mineur d'âge à l'égard duquel personne n'est investi de l'autorité parentale ou n'exerce la tutelle ou la garde matérielle, est confié au (centre public d'action sociale) de la commune où il se trouve. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 64. Le tribunal de la jeunesse ou le comité de protection de la jeunesse peuvent confier au (centre public d'action sociale) les enfants dont le centre assure déjà la garde matérielle et dont les parents sont déchus en tout ou en partie de l'autorité parentale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 65. <L 2001-04-29/39, art. 82; En vigueur : 01-08-2001> Dans les cas visés aux deux articles précédents, le conseil de l'aide sociale désigne parmi ses membres une personne qui exercera la fonction de tuteur et une personne qui exercera la fonction de subrogé tuteur.  Art. 66.Si ces enfants ont des biens, le receveur remplit pour ces biens les mêmes fonctions que pour les biens du centre. La garantie de la tutelle est constituée par le cautionnement du [1 directeur financier ou receveur régional.  ----------  <DRW 2018-03-29/49, art. 18, 028; En vigueur : 24-05-2018>   Art. 67. Les capitaux qui appartiennent ou échoient à ces enfants sont placés à la Caisse générale d'Epargne et de Retraite ou employés à l'achat d'obligations ou bons de caisse émis par les pouvoirs publics et organismes énumérés au second alinéa du § 1er de l'article 78.  Art. 68. La tutelle exercée par un nombre du conseil de l'aide sociale prend fin:  1° dès qu'une tutelle a été organisée en exécution des règles du Code civil;  2° en cas d'adoption, de tutelle officieuse, de reconnaissance, (...) ou de rétablissement des père et mère déchus de l'autorité parentale dans les droits dont ils ont été privés. <L 2001-04-29/39, art. 83; En vigueur : 01-08-2001>  Section III. - (Des avances sur pensions alimentaires et du recouvrement de ces pensions.) <Introduit par L 1989-05-08/31, art. 1, 012>  Art. 68bis. (Abrogé) <L 2003-02-21/44, art. 30; En vigueur : 01-10-2005>  Art. 68ter. (Abrogé) <L 2003-02-21/44, art. 30; En vigueur : 01-10-2005>  Art. 68quater. (Abrogé) <L 2003-02-21/44, art. 30; En vigueur : 01-10-2005>  Section 4. - Aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants ou de parts contributives pour enfants placés. <L 2006-12-27/32, art. 82; En vigueur : 07-01-2007>  Art. 68quinquies. <L 2006-12-27/32, art. 82, 005; En vigueur : 07-01-2007> § 1er. Le centre public d'action sociale est chargé d'allouer une aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants ou de parts contributives pour enfants placés.  § 2. Le droit à une aide au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants ou de parts contributives pour enfants placés est accordé lorsque sont réunies les conditions suivantes :  1° le débiteur d'aliments est ayant droit au revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière équivalente;  2° le débiteur d'aliments est une personne qui est redevable :  a) soit d'une pension alimentaire à l'égard de ses enfants et fixée soit par une décision judiciaire exécutoire, soit dans une convention visée à l'article 1288, 3°, du Code judiciaire, soit dans un accord exécutoire visé aux articles 731 à 734 du Code judiciaire;  b) soit d'une pension alimentaire sur la base de l'article 336 du Code civil;  c) soit d'une part contributive pour un enfant placé en vertu d'une décision prise par le tribunal de la jeunesse ou par l'autorité administrative compétente;  3° le débiteur d'aliments apporte la preuve du paiement de cette pension alimentaire ou de cette part contributive.  § 3. Le montant du droit à une aide spécifique au paiement de pensions alimentaires ou de parts contributives pour enfants placés s'élève à 50 % du montant des pensions alimentaires payées ou des parts contributives, plafonné à 1 100 EUR par an.  § 4. Le Roi détermine les modalités relatives à l'introduction de la demande auprès du centre compétent, à la notification de la décision et au paiement de l'aide spécifique au paiement des pensions alimentaires en faveur d'enfants ou de parts contributives pour enfants placés. Il détermine la procédure à suivre en cas d'incompétence du centre public d'action sociale qui reçoit la demande.  § 5. L'Etat accorde au centre compétent une subvention égale à 100 % du montant de l'aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants ou de parts contributives pour enfants placés. Des avances à valoir sur le montant dont la charge est supportée par l'Etat peuvent être accordées dans les conditions et selon les modalités fixées par le Roi.  CHAPITRE V. - Du recours.  Art. 69. (abrogé) <L 1993-01-12/34, art. 8; En vigueur : 01-03-1993>  Art. 70. (abrogé) <L 1993-01-12/34, art. 8; En vigueur : 01-03-1993>  Art. 71. (Toute personne peut former un recours auprès du tribunal du travail) contre une décision en matière d'aide individuelle prise à son égard par le conseil du (centre public d'action sociale) ou l'un des organes auxquels le conseil a délégué des attributions. <L 1993-01-12/34, art. 9; En vigueur : 01-03-1993> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Il en est de même lorsqu'un des organes du centre a laissé s'écouler, sans prendre de décision, un délai d'un mois à compter de la réception de la demande. (Ce délai d'un mois prend cours, dans le cas visé à l'article 58, § 3, alinéa 1er, le jour de la transmission.) <L 2003-12-22/42, art. 487; En vigueur : 10-01-2004>  (Le recours doit (à peine de déchéance) être introduit dans les trois mois soit de la notification de la décision, soit de la date de l'accusé de réception, (...).) <L 2006-07-20/39, art. 191, 084; En vigueur : 07-08-2006> <L 2008-12-22/33, art. 4, 1° et 2°, 090; En vigueur : 08-01-2009>  (En cas d'absence de décision du centre public d'action sociale dans le délai prévu à l'alinéa 2, le recours doit, à peine de déchéance, être introduit dans les trois mois de la constatation de cette absence de décision.) <L 2008-12-22/33, art. 4, 3°, 090; En vigueur : 08-01-2009>  Le recours n'est pas suspensif.  (Lorsque ledit recours est introduit par une personne sans abri, le tribunal du travail détermine, au besoin, le (centre public d'action sociale) compétent, après avoir appelé à la cause le centre et sous réserve de la prise en charge ultérieure de cette aide par un autre centre ou par l'Etat conformément aux dispositions de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les (centres publics d'action sociale).) <L 1993-01-12/34, art. 9; En vigueur : 01-03-1993> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 72. (Abrogé) <L 1993-01-12/34, art. 8; En vigueur : 01-03-1993>  Art. 73. (Abrogé) <L 1993-01-12/34, art. 8; En vigueur : 01-03-1993>  Art. 74. (abrogé) <L 1993-01-12/34, art. 8; En vigueur : 01-03-1993>  CHAPITRE VI. - De l'administration du (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Section 1. De la gestion des biens.  Art. 75.[1 § 1er. Sauf disposition légale spécifique, le conseil de l'action sociale fixe les conditions et les modalités de la procédure d'attribution des contrats relatifs à des opérations immobilières et adopte les conditions contractuelles qui régissent l'opération.   § 2. Sauf disposition légale spécifique, le bureau permanent engage la procédure, attribue le contrat relatif à l'opération immobilière et assure le suivi de son exécution.   Dans les cas où la négociation est permise avec les candidats, le bureau permanent approuve le résultat des négociations intervenues dans la limite prévue par les documents et, le cas échéant, la réglementation applicable à l'opération immobilière en cause.   Le bureau permanent peut apporter au contrat toute modification non substantielle en cours d'exécution.   § 3. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er au bureau permanent.   La délégation est limitée, au maximum, aux opérations immobilières d'un montant estimé, conformément à l'article 75ter, inférieur à :   1° 30 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;   2° 60 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 120 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de minimum cinquante mille habitants.   La valeur de l'opération immobilière correspond à la valeur vénale estimée du bien ou au montant estimé de l'opération multiplié, le cas échéant, par la durée du contrat. Lorsque le contrat peut être reconduit ou que la durée du contrat peut être prolongée et que la durée totale du contrat, reconductions ou prolongations comprises, peut être supérieure à dix ans, la valeur de l'opération correspond à l'estimation de la valeur annuelle du contrat multipliée par dix sans que cette somme puisse être inférieure au montant estimé pour la durée minimum initiale du contrat.   § 4. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.   § 5. La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur la base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.   § 6. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés au paragraphe 3.  ----------  <DRW 2024-03-28/63, art. 24, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 75bis. [1 § 1er. Dans le cadre de la passation des contrats relatifs à des opérations immobilières, les C.P.A.S. agissent de manière transparente.   A cet effet, les C.P.A.S. procèdent, sauf motivation adéquate ou disposition légale spécifique, à des mesures de publicité appropriées au cas d'espèce.   Un C.P.A.S. qui conclut avec un ou plusieurs pouvoirs publics un contrat relatif à une opération immobilière n'est pas obligé de recourir systématiquement à une mise en concurrence pour autant que le projet envisagé poursuive un but d'intérêt général et soit attribué, sauf exception dûment motivée ou disposition légale spécifique, au prix estimé conformément à l'article 75ter.   § 2. Les termes opérations immobilières repris au paragraphe 1er et à l'article 75ter visent les opérations suivantes : la vente, l'échange, le droit d'emphytéose, le droit de superficie, le louage, le droit de chasse, le droit de pêche, la concession domaniale ou l'occupation précaire portant sur un bien immeuble appartenant au C.P.A.S.   Les comités d'acquisitions d'immeubles, chargés par les C.P.A.S. des opérations immobilières, ne justifient pas envers les tiers d'un mandat spécial pour agir en tant que représentant du pouvoir local.   Au sein de ces comités, les agents habilités à authentifier les conventions représentent de plein droit, lors de la signature des actes, les pouvoirs locaux pour les missions qui leur sont conférées.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-28/63, art. 25, 047; En vigueur : 01-10-2024>      Art. 75ter. [1 Pour chaque opération immobilière, le C.P.A.S. dispose, sauf motivation adéquate ou disposition légale spécifique, d'une estimation récente de la valeur de l'immeuble ou du droit consenti sur celui-ci.   Cette estimation est sollicitée, sauf exception dûment motivée, auprès d'un expert indépendant, un commissaire d'un comité d'acquisition, un notaire, un géomètre-expert immobilier inscrit au tableau tenu par le conseil fédéral des géomètres-experts, un expert immobilier inscrit au tableau visé à l'article 3 de la loi du 11 février 2013 organisant la profession d'agent immobilier ou un architecte inscrit à l'ordre des architectes.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-28/63, art. 26, 047; En vigueur : 01-10-2024>      Art. 76.[1 § 1er. Sauf disposition légale spécifique, le conseil de l'action sociale fixe les conditions et les modalités de la procédure d'attribution des contrats relatifs à la vente ou à la mise à disposition de biens meubles corporels qui appartiennent au centre public d'action sociale et adopte les conditions contractuelles qui régissent l'opération.   § 2. Sauf disposition légale spécifique, le bureau permanent engage la procédure, attribue le contrat relatif à la vente ou à la mise à disposition de biens meubles corporels et assure le suivi de son exécution.   Dans les cas où la négociation est permise avec les candidats, le bureau permanent approuve le résultat des négociations intervenues dans la limite prévue par les documents et, le cas échéant, la règlementation applicable à l'opération en cause.   Le bureau permanent peut apporter au contrat toute modification non substantielle en cours d'exécution.   § 3. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées aux paragraphes 1er au bureau permanent.   La délégation est limitée, au maximum, aux opérations d'un montant estimé, conformément à l'article 76ter, inférieur à :   1° 30 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;   2° 60 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 120 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de minimum cinquante mille habitants.   La valeur de l'opération correspond à la valeur vénale estimée du bien ou au montant estimé de l'opération multiplié, le cas échéant, par la durée du contrat. Lorsque le contrat peut être reconduit ou que la durée du contrat peut être prolongée et que la durée totale du contrat, reconductions ou prolongations comprises, peut être supérieure à dix ans, la valeur de l'opération correspond à l'estimation de la valeur annuelle du contrat multipliée par dix sans que cette somme puisse être inférieure au montant estimé pour la durée minimum initiale du contrat.   § 4. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.   § 5. La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur la base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.   § 6. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés au paragraphe 3.  ----------  <DRW 2024-03-28/63, art. 27, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 76bis. [1 § 1er. Dans le cadre de la passation des contrats relatifs à des opérations mobilières, les C.P.A.S. agissent de manière transparente.   A cet effet, les C.P.A.S. procèdent, sauf motivation adéquate ou disposition légale spécifique, à des mesures de publicité appropriées au cas d'espèce.   § 2. Les termes opérations mobilières repris au paragraphe 1er et à l'article 76ter visent les opérations relatives à la vente ou à la mise à disposition de biens meubles corporels qui appartiennent au C.P.A.S.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-28/63, art. 28, 047; En vigueur : 01-10-2024>      Art. 76ter. [1 Pour chaque opération mobilière, les C.P.A.S. disposent, sauf motivation adéquate ou disposition spécifique, d'une estimation récente de la valeur du bien meuble corporel ou du droit consenti sur celui-ci.   Cette estimation est sollicitée, sauf exception dûment motivée, auprès d'un expert indépendant.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-28/63, art. 29, 047; En vigueur : 01-10-2024>      Art. 77. (abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 39; En vigueur : 18-10-1992>  Art. 78.§ 1er. (abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 40; En vigueur : 18-10-1992>  § 2. Le (Gouvernement) peut, [1 ..., autoriser les (centres publics d'action sociale) à poursuivre des expropriations pour cause d'utilité publique. <DRW 1998-04-02/40, art. 34, En vigueur : 08-05-1998> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 15 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  (Outre les fonctionnaires des comités d'acquisition d'immeubles pour compte de l'Etat, le gouverneur de la province dans laquelle le centre a son siège, ainsi que le bourgmestre de la commune desservie par le centre, sont compétents pour passer les actes en la matière.) <L 1992-08-05/46, art. 40; En vigueur : 18-10-1992>  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 6, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 79.(§ 1er.) <L 1992-08-05/46, art. 41; En vigueur : 18-10-1992> Le (conseil de l'action sociale) est autorisé à employer les capitaux du centre à la construction ou l'acquisition d'habitations pour personnes âgées, handicapées ou d'autres personnes qui ne peuvent pourvoir elles-mêmes à leur logement, à l'acquisition de forêts et de terrains, à des participations dans des sociétés immobilières de service public. <DRW 1998-04-02/40, art. 16; 08-05-1998> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Le conseil peut également employer les capitaux du centre à des participations dans des sociétés poursuivant des buts sociaux en rapport avec les missions du (centre public d'action sociale) ou favorisant le fonctionnement du centre pour autant que ces sociétés respectent les dispositions des articles 118 à 135 de la loi ou adoptent la forme d'une association intercommunale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  (§ 2. Le (centre public d'action sociale) peut également, en vue de satisfaire des besoins spécifiques, non rencontrés par ses services et dans le cadre d'une activité connexe qui ne constitue pas une partie importante de son action, décider de devenir membre d'une association sans but lucratif, autre qu'une association intercommunale, conformément [4 au Code des sociétés et des associations, constituée avec d'autres pouvoirs publics et/ou des personnes physiques ou morales autres que celles qui ont un but lucratif moyennant le respect des conditions suivantes : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  1° [2 ...  2° les biens immobiliers, à savoir les terrains et immeubles appartenant au centre, ne peuvent faire l'objet d'une cession gratuite de propriété;  3° les missions légales réservées au (centre public d'action sociale) ne peuvent être exercées par l'association sans but lucratif; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  4° le (centre public d'action sociale) doit être représenté au sein des organes de l'association par des membres du (conseil de l'action sociale), par le [1 directeur général du centre public d'action socialeou par des agents qualifiés du centre. [4 Les membres du conseil de l'action sociale sont élus conformément à l'article 33, § § 3bis à 3quater et 4; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  5° le (centre public d'action sociale) dispose, en cas d'intervention financière du centre, du pouvoir de contrôler les pièces justificatives permettant de vérifier sur place l'utilisation des interventions financières du centre pour l'accomplissement des missions confiées par le centre; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  6° le rapport annuel, le budget et les comptes de l'association sont transmis chaque année au (conseil de l'action sociale). <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Le [1 directeur financier du centre public d'action socialedoit également recevoir un exemplaire de chacun de ces documents et peut requérir une copie conforme des pièces justificatives permettant de vérifier le respect des engagements financiers de l'association à l'égard du centre. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Le (centre public d'action sociale) peut également participer à [3 une société coopérative agréée comme entreprise sociale conformément à l'article 8:5, § 1er, du Code des sociétés et des associations. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Dans ce cas, les conditions de la participation à une association sans but lucratif fixées par le présent paragraphe sont, mutatis mutandis, d'application.  § 3. Pour les activités hospitalières, le (centre public d'action sociale) peut, sur proposition du comité de gestion de l'hôpital, décider de devenir membre d'une association sans but lucratif ayant pour objet : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  a. soit une mission de coordination, de prévention, d'étude ou d'aide a la gestion;  b. soit la création, l'acquisition ou la gestion d'un appareillage lourd ou de services médico-techniques lourds dans le cadre d'une association au sens de l'article 69, 3°, de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, en vue d'établir un groupement ou une association de collaboration;  c. soit la rationalisation de l'offre d'équipements et de services hospitaliers d'hôpitaux publics et privés, dans le cadre d'un groupement au sens de l'article 69, 3°, de la loi sur les hôpitaux coordonnée le 7 août 1987.  Outre les conditions de participation visées au § 2, 2°, 3° et 5°, sont d'application les conditions suivantes :  1° [2 ...  2° le (centre public d'action sociale) est représenté auprès des différents organes de l'association par des membres du comité de gestion de l'hôpital et des personnes exerçant une fonction de direction au sein de l'hôpital. Les membres du comité de gestion de l'hôpital avec voix délibérative qui siègent au sein des organes de l'association sans but lucratif sont élus par le conseil de l'aide sociale en un seul tour de scrutin; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  3° le rapport annuel, les budgets et les comptes de l'association doivent être transmis au comité de gestion de l'hôpital et au trésorier de l'hôpital qui peut requérir une copie conforme des pièces justificatives permettant de vérifier le respect des engagements financiers de l'association à l'égard de l'hôpital.) <DRW 1998-04-02/40, art. 17; En vigueur : 1998-05-08>  ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 18, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2014-01-23/08, art. 7, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2023-04-06/05, art. 4, 045; En vigueur : 21-10-2023>   <DRW 2024-03-28/63, art. 30, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 80.[1 § 1er. Le conseil de l'action sociale accepte les donations à passer par acte authentique et les legs au C.P.A.S.   § 2. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er au bureau permanent.   La délégation est limitée, au maximum, aux donations et legs sans charge ou condition et d'un montant, le cas échéant estimé, inférieur à :   1° 30 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;   2° 60 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 120 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de minimum cinquante mille habitants.   § 3. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.   § 4. La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur la base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.   § 5. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés au paragraphe 2.   § 6. Les notaires et autres officiers ministériels, ainsi que les receveurs des droits de succession, donnent un avis aux centres publics d'action sociale sur les dispositions faites en faveur de ceux-ci et dont ils ont connaissance en raison de leurs fonctions.  ----------  <DRW 2024-03-28/63, art. 31, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 80bis. [1 Le président du C.P.A.S. accepte les donations sans charge ou condition qui portent sur des biens meubles corporels.   Le président du C.P.A.S. peut déléguer sa compétence visée à l'alinéa 1er à un fonctionnaire, à l'exclusion du directeur financier.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-28/63, art. 32, 047; En vigueur : 01-10-2024>      Art. 81.  <Abrogé par DRW 2024-03-28/63, art. 33, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 82. (abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 44; En vigueur : 18-10-1992>  Art. 83. (abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 44; En vigueur : 18-10-1992>  Art. 84.[1 § 1er. Le conseil de l'action sociale choisit la procédure de passation des marchés publics, en fixe les conditions, engage la procédure, les attribue, assure le suivi de leur exécution, passe les marchés publics fondés sur les accords-cadres conclus et peut apporter aux marchés publics toute modification en cours d'exécution. Dans les cas où la négociation est permise avec les soumissionnaires, le conseil de l'action sociale approuve le résultat des négociations intervenues dans la limite prévue par la règlementation et les documents applicables au marché public en cause.   En cas d'urgence impérieuse résultant d'événements imprévisibles, le bureau permanent peut d'initiative exercer les compétences du conseil de l'action sociale visées à l'alinéa 1er. Sa décision est communiquée au conseil de l'action sociale [2 ...lors de sa plus prochaine séance.   § 2. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, au bureau permanent ou aux comités spéciaux.   Pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics d'un montant estimé inférieur à :   1° 30 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;   2° 60 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 120 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus.   § 3. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour les dépenses relevant du budget ordinaire au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, à l'exclusion du directeur financier, et pour les dépenses relevant du budget extraordinaire au directeur général et au directeur général adjoint.   Pour les dépenses relevant du budget ordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics d'un montant estimé inférieur à :   1° 5 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;   2° 10 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 15 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus.   Pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics d'un montant estimé inférieur à :   1° 2 500 euros H.T.V.A. dans les communes de moins de quinze mille habitants;   2° 5 000 euros H.T.V.A. dans les communes de quinze mille à quaranteneuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 7 500 euros H.T.V.A. dans les communes de cinquante mille habitants et plus.  [2 § 3bis. Le conseil de l'action sociale peut déléguer au directeur général ou au directeur général adjoint ses compétences de vérification, en vue du paiement, des travaux, des fournitures et des services qui sont acceptés en paiement, le cas échéant d'invitation à facturer, et de fixer le montant qu'il estime dû.   En cas de délégation, les décisions du directeur général ou du directeur général adjoint sont communiquées au conseil de l'action sociale lors de sa plus proche séance.   § 4. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.   La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.   § 5. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés aux paragraphes 2 et 3.   § 6. Pour l'application de la présente section, la notion de marché public englobe également les accords-cadres.  ----------  <DRW 2022-10-06/17, art. 3, 040; En vigueur : 01-02-2023>   <DRW 2024-03-28/63, art. 34, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 84bis.[1 § 1er. Le conseil de l'action sociale décide de recourir à un marché public conjoint, désigne, le cas échéant, l'adjudicateur qui agira pour le compte des autres adjudicateurs et, le cas échéant, adopte la convention régissant le marché public conjoint.   En cas d'urgence impérieuse résultant d'événements imprévisibles, le bureau permanent peut d'initiative exercer les compétences du conseil de l'action sociale visées à l'alinéa 1er. Sa décision est communiquée au conseil de l'action sociale [2 ...lors de sa plus prochaine séance.   § 2. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, au bureau permanent ou aux comités spéciaux.   Pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics conjoints d'un montant estimé inférieur à :   1° 30 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;   2° 60 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 120 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus   § 3. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour les dépenses relevant du budget ordinaire au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, à l'exclusion du directeur financier, et pour les dépenses relevant du budget extraordinaire au directeur général et au directeur général adjoint.   Pour les dépenses relevant du budget ordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics conjoints d'un montant estimé inférieur à :   1° 5 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;   2° 10 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 15 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus.   Pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics conjoints d'un montant estimé inférieur à :   1° 2 500 euros H.T.V.A. dans les communes de moins de quinze mille habitants;   2° 5 000 euros H.T.V.A. dans les communes de quinze mille à quaranteneuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 7 500 euros H.T.V.A. dans les communes de cinquante mille habitants et plus.   § 4. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.   La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.   § 5. Le cas échéant, le conseil de l'action sociale de l'adjudicateur représenté prend acte de l'attribution du marché public par l'adjudicateur désigné.   En cas de délégation de compétences du conseil de l'action sociale au bureau permanent, aux comités spéciaux, au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, conformément aux paragraphes 2 et 3 la compétence du conseil de l'action sociale visée à l'alinéa 1er est exercée respectivement par le bureau permanent, le comité spécial, le directeur général, le directeur général adjoint ou le fonctionnaire délégué.   § 6. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés aux paragraphes 2 et 3.  ----------  <DRW 2022-10-06/17, art. 4, 040; En vigueur : 01-02-2023>   <DRW 2024-03-28/63, art. 35, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 84ter.[1 § 1er. Le conseil de l'action sociale adhère à une centrale d'achat, manifeste le cas échéant son intérêt, modifie les conditions d'adhésion et résilie l'adhésion.   § 2. Le conseil de l'action sociale définit les besoins en termes de travaux, de fournitures ou de services et décide de recourir à la centrale d'achat à laquelle il a adhéré pour y répondre.   § 3. En cas d'urgence impérieuse résultant d'événements imprévisibles, le bureau permanent peut d'initiative exercer les compétences du conseil de l'action sociale visées aux paragraphes 1er, 2 et 7. Sa décision est communiquée au conseil de l'action sociale [2 ...lors de sa plus prochaine séance.   § 4. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées aux paragraphes 1er et 2 au bureau permanent ou aux comités spéciaux.   En ce qui concerne les compétences visées au paragraphe 2, pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux besoins d'un montant estimé inférieur à :   1° 30 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;   2° 60 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 120 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus.   § 5. Le conseil de l'action sociale peut déléguer la manifestation d'intérêt visée au paragraphe 1er au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, à l'exclusion du directeur financier.   Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 2 pour les dépenses relevant du budget ordinaire au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, à l'exclusion du directeur financier, et pour les dépenses relevant du budget extraordinaire au directeur général et au directeur général adjoint.   Pour les délégations relevant du budget ordinaire, la délégation visée à l'alinéa 2 est limitée, au maximum, aux besoins d'un montant estimé inférieur à :   1° 5 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;   2° 10 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 15 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus.   Pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux besoins d'un montant estimé inférieur à :   1° 2 500 euros H.T.V.A. dans les communes de moins de quinze mille habitants;   2° 5 000 euros H.T.V.A. dans les communes de quinze mille à quaranteneuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;   3° 7 500 euros H.T.V.A. dans les communes de cinquante mille habitants et plus.   § 6. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.   La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.   § 7. Le conseil de l'action sociale passe la commande et assure le suivi de son exécution.   En cas de délégation de compétences du conseil de l'action sociale au bureau permanent, aux comités spéciaux, au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, conformément aux paragraphes 4 et 5, les compétences du conseil de l'action sociale visées à l'alinéa 1er sont exercées respectivement par le bureau permanent, le comité spécial, le directeur général, le directeur général adjoint ou le fonctionnaire délégué.   § 8. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés aux paragraphes 4 et 5.  ----------  <DRW 2022-10-06/17, art. 5, 040; En vigueur : 01-02-2023>   <DRW 2024-03-28/63, art. 36, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 84quater.[1 § 1er. Le conseil de l'action sociale décide du principe de la concession de services ou de travaux, fixe les conditions et les modalités de la procédure d'attribution, adopte les clauses régissant la concession, engage la procédure, attribue la concession, assure le suivi de son exécution et peut y apporter toute modification en cours d'exécution. [2 Dans les cas où la négociation est permise avec les soumissionnaires, le conseil de l'action sociale approuve le résultat des négociations intervenues dans la limite prévue par la règlementation et les documents applicables à la concession en cause.   En cas d'urgence impérieuse résultant d'événements imprévisibles, le bureau permanent peut d'initiative exercer les compétences du conseil de l'action sociale visées à l'alinéa 1er. Sa décision est communiquée au conseil de l'action sociale [3 ..., lors de sa prochaine séance.   § 2. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, au bureau permanent pour les concessions de services ou de travaux d'une valeur inférieure à 250.000 euros H.T.V.A.   La valeur de la concession correspond au montant estimé du chiffre d'affaires à percevoir par le concessionnaire multiplié par le nombre d'années de la concession.   Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.   § 3. [2 ...   § 4. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter le montant visé au paragraphe 2.  ----------  <Inséré par DRW 2018-10-04/02, art. 6, 032; En vigueur : 01-01-2019>   <DRW 2022-10-06/17, art. 6, 040; En vigueur : 01-02-2023>   <DRW 2024-03-28/63, art. 37, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 85. (abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 46; En vigueur : 18-10-1992>  Section 2. - De la gestion budgétaire et financière.  Art. 86. <DRW 1998-04-02/40, art. 18 ; En vigueur : 1998-01-01> L'exercice financier du (centre public d'action sociale) correspond à l'année civile. Sont seuls considérés comme appartenant à un exercice les droits acquis au centre et les engagements pris à l'égard de ses créanciers pendant cet exercice, quel que soit l'exercice au cours duquel ils sont soldés. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  (Sans préjudice des délégations qu'il peut accorder au bureau permanent et aux comités spéciaux, et de l'article 87bis , le (conseil de l'action sociale) est chargé d'arrêter les droits à recettes, d'ordonnancer les dépenses du (centre public d'action sociale) et de surveiller la comptabilité. La surveillance de la comptabilité ne peut être déléguée.) <DRW 2002-05-30/37, art. 5; En vigueur : 22-06-2002> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 87. (Le règlement général de la comptabilité communale est applicable aux (centres publics d'action sociale) à l'exception des hôpitaux qui en dépendent et sous réserve des règles dérogatoires arrêtées par le Gouvernement.) <DRW 1998-04-02/40, art. 19; En vigueur : 1998-05-08> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  (Alinéas 2 et 3 abrogés) <DRW 2002-05-30/37, art. 6; En vigueur : 22-06-2002>  Art. 87bis. <Inséré par DRW 2002-05-30/37, art. 7; En vigueur : 22-06-2002> Dans tous les cas où le paiement de l'aide sociale ou du minimum de moyens d'existence s'impose d'urgence, l'organe du centre qui a pris la décision d'octroi de l'aide sociale ou du minimum de moyens d'existence établit, séance tenante, la liste des dépenses, qui, signée par les membres présents, vaut ordonnancement et fera partie du procès-verbal. Expédition de cette liste, signée par le président et le secrétaire, constitue mandat de paiement.  Art. 88.§ 1er. [5 [6 Le Bureau permanent se réunit chaque année durant le mois de septembre au plus tard pour arrêter le budget initial provisoire de l'exercice suivant.   Le Conseil de l'action sociale se réunit chaque année durant le mois d'octobre au plus tard pour arrêter le budget initial définitif de l'exercice suivant. Sur proposition du comité de gestion de l'hôpital, le Conseil de l'action sociale arrête également le budget de chaque hôpital dépendant du centre.   Une note de politique générale ainsi qu'un rapport reprenant le rapport visé à l'article 26bis, § 5, un rapport concernant la politique hospitalière et les objectifs et synergies possibles dans le domaine hospitalier sont annexés à ces budgets.  Le (conseil de l'action sociale) doit statuer dans un délai de quarante jours a compter de la notification de la proposition du comité de gestion, à défaut de quoi le conseil est réputé avoir approuvé ladite proposition. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Le conseil est tenu de porter annuellement à ces budgets toutes les dépenses obligatoires que des dispositions législatives ou réglementaires mettent à la charge du (centre public d'action sociale) et spécialement les traitements et pensions du président, du [2 directeur général, du [3 directeur financieret des membres du personnel, [6 ainsi que leurs indemnités pour frais de parcoursles dépenses d'aide sociale, [6 ..., les dettes du centre liquides et exigibles et celles résultant de condamnations judiciaires exécutoires, les frais de bureau, l'entretien des bâtiments, les loyers des immeubles occupés par le centre et les frais afférents à la comptabilité du centre. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Le conseil est tenu de porter annuellement à ces budgets, en les spécifiant, toutes les recettes quelconques du (centre public d'action sociale) ainsi que celles qu'une disposition législative ou réglementaire attribue et les excédents des exercices antérieurs.) <DRW 1998-04-02/40, art. 21; En vigueur : 08-05-1998> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  [4 ...  [4 ...  [4 ...  [4 ...  [4 ...  [4 ...  § 2. Si, après approbation du budget, des crédits doivent y être portés ou majorés pour faire face à des circonstances imprévues, le (conseil de l'action sociale) procédera à une modification de ce budget. Celle-ci sera soumise aux approbations prévues [4 à l'article 112bis. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  (Dans le cas où le moindre retard occasionnerait un préjudice évident, le conseil de l'aide sociale peut, moyennant l'autorisation du (collège communal), pourvoir a la dépense, à charge de porter sans délai les crédits nécessaires au budget par une modification de celui-ci. <DRW 2005-12-08/43, art. 15; En vigueur : 08-10-2006>  En ce qui concerne [1 le paiement du revenu d'intégrationou d'une aide sociale individuelle accordée sous forme d'aide financière et dans le cas où le moindre retard occasionnerait un préjudice évident à un demandeur d'aide sociale ou du minimum de moyens d'existence, l'organe compétent qui a pris la décision d'accorder l'aide use de la même faculté qu'à l'alinéa précédent, sans devoir solliciter l'autorisation du (collège communal). <DRW 2005-12-08/43, art. 15; En vigueur : 08-10-2006>  Dans les cas visés aux alinéas 2 et 3, le [6 directeur financiereffectuera le paiement sans attendre l'approbation de la modification budgétaire.) <DRW 1998-04-02/40, art. 21; En vigueur : 08-05-1998>  § 3. (Les projets de budget ainsi que la note de politique générale et les rapports vises au § 1er, alinéa 1er, ou le projet de modification budgétaire ainsi que la note explicative et justificative y afférente, établis par le (centre public d'action sociale) [7 sont transmis par voie électroniqueà chaque membre du (conseil de l'action sociale) au moins sept jours francs avant la date de la séance au cours de laquelle ils seront discutés.) <DRW 1998-04-02/40, art. 21; En vigueur : 08-05-1998> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  § 4. [4 ...  ----------  <DRW 2012-04-26/31, art. 20, 015; En vigueur : 25-05-2012>   <DRW 2013-04-18/20, art. 18, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2013-04-18/20, art. 20, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2014-01-23/08, art. 8, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2016-12-21/03, art. 13, 024; En vigueur : 01-01-2017>   <DRW 2018-07-17/03, art. 12, 031; En vigueur : 15-10-2018>   <DRW 2024-03-28/63, art. 38, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 88bis. [1 Les CPAS transmettent leur budget initial provisoire, leur budget initial définitif ainsi que toute modification budgétaire au Gouvernement selon les modalités arrêtées par ce dernier.  ----------  <Inséré par DRW 2018-07-17/03, art. 13, 031; En vigueur : 15-10-2018>      Art. 88ter.[1 Lors de chaque budget et modifications budgétaires, les CPAS élaborent et transmettent des prévisions budgétaires pluriannuelles au Gouvernement selon les modalités qu'il détermine.  ----------  <Inséré par DRW 2018-07-17/03, art. 14, 031; En vigueur : 15-10-2018>      Art. 89.[2 [3 Le Bureau permanent se réunit chaque année durant le mois de février au plus tard pour arrêter le compte budgétaire provisoire de l'exercice précédent qui reprend la situation des droits constatés nets, des engagements et des imputations comptabilisés au 31 décembre de l'exercice précédent.   [3 Le Conseil de l'action sociale se réunit chaque année durant le mois de mai au plus tard pour arrêter les comptes de l'exercice précédent.   Les comptes annuels comprennent le compte budgétaire, le compte de résultats et le bilan ainsi que la liste des adjudicataires des marchés de travaux, de fournitures ou de services pour lesquels le conseil de l'action sociale a choisi le mode de passation et a fixé les conditions. Il arrête également chaque année les comptes de l'exercice précédent de chacun des hôpitaux gérés par celui-ci au cours d'une séance qui a lieu avant le 1er juin. Au cours de la séance pendant laquelle le conseil arrête lesdits comptes, le président rend compte de la situation du centre et de sa gestion au cours de l'exercice écoulé, en ce qui concerne la réalisation des prévisions budgétaires ainsi qu'en ce qui concerne la perception et l'utilisation des subventions octroyées par l'Etat dans le cadre de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'action sociale. Le rapport annuel est transmis à chacun des conseillers, en même temps que les comptes, mais à l'exclusion des pièces justificatives, au moins sept jours avant la séance.  [1 ...  [1 ...  [1 ...  [1 ...  (En cas d'improbation par le conseil communal, les comptes, accompagnés de la délibération du conseil, sont soumis, par les soins du centre, avant le 1er août de l'année susmentionnée, à l'approbation (du collège provincial) qui arrête définitivement les comptes.) <L 1992-08-05/46, art. 49; En vigueur : 18-10-1992> <DRW 2005-12-08/43, art. 15; En vigueur : 08-10-2006>  La vérification des pièces justificatives par les délégués des autorités de tutelle se fait sur place.  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 9, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2016-12-21/03, art. 14, 024; En vigueur : 01-01-2017>   <DRW 2018-07-17/03, art. 15, 031; En vigueur : 15-10-2018>   Art. 89bis.[1 [2 Simultanément à leur envoi à l'autorité de tutelle, le Bureau permanent communique aux organisations syndicales représentatives les documents suivants :   1) le budget et les modifications budgétaires adoptées par le Conseil de l'action sociale;   2) le compte adopté par le Conseil de l'action sociale.   Accompagnent le budget et le compte adoptés par le Conseil de l'action sociale, les informations sur la structure de l'emploi, son évolution et les prévisions d'emploi, le personnel occupé pendant tout ou partie de l'année de référence [3 ainsi que le nombre de nominations prévues sur l'année budgétaire en cours.   Les documents visés à l'alinéa 1er peuvent être communiqués par la voie électronique. [4 Ils sont publiés dès leur approbation par l'autorité de tutelle sur le site internet du centre public d'action sociale ou, à défaut, de la commune et sont déposés au siège du centre, où quiconque peut toujours en prendre connaissance sans déplacement. La durée de la publication ne peut être inférieure à six ans.   A la demande des organisations syndicales représentatives introduite dans les cinq jours de la communication des documents visés à l'alinéa 1er, le président du C.P.AS. invite sans délai ces dernières à une séance d'information spécifique au cours de laquelle lesdits documents sont présentés et expliqués.   [2 ...  ----------  <Inséré par DRW 2014-03-27/21, art. 2, 021; En vigueur : 01-05-2014>   <DRW 2018-07-17/03, art. 16, 031; En vigueur : 15-10-2018>   <DRW 2024-03-14/16, art. 21, 046; En vigueur : 01-06-2024>   <DRW 2024-03-28/63, art. 39, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 89ter. [1 Les CPAS transmettent leur compte budgétaire provisoire et leurs comptes annuels au Gouvernement selon les modalités arrêtées par ce dernier.  ----------  <Inséré par DRW 2018-07-17/03, art. 17, 031; En vigueur : 15-10-2018>      Art. 89quater. [1 Le Gouvernement collecte, dans le cadre de ses missions, toute donnée statistique auprès des CPAS.  ----------  <Inséré par DRW 2018-07-17/03, art. 18, 031; En vigueur : 15-10-2018>      Art. 90.  <Abrogé par DRW 2014-01-23/08, art. 10, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 91.§ 1er. [1 Aucun engagement, imputation ou mise en paiement d'une dépense ne peut avoir lieu qu'en vertu d'une allocation portée au budget, d'un crédit provisoire alloué dans les conditions et limites fixées par le Gouvernement, d'un crédit transféré conformément à l'alinéa 3 et au paragraphe 2 ou d'un crédit alloué conformément à l'article 88, § 2.  (Aucun article des dépenses du budget ne peut être dépassé à l'exception des dépenses prélevées d'office.  Aucun transfert ne peut avoir lieu sans une modification budgétaire dûment approuvée. Toutefois, durant tout l'exercice budgétaire, le (conseil de l'action sociale) peut effectuer des ajustements internes de crédits au sein d'une même enveloppe budgétaire sans que soit dépassé le montant global initial de l'enveloppe. La liste des crédits transférés en vertu du présent paragraphe sera annexée au compte. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Forment une enveloppe budgétaire les allocations portées aux différents articles qui ont la même nature économique dans un même code fonctionnel, la nature économique étant identifiée par les deux premiers chiffres du code économique.) <L 1992-08-05/46, art. 51; En vigueur : 18-10-1992>  (§ 2. Lorsque, à la clôture d'un exercice, certaines allocations sont grevées d'engagements régulièrement et effectivement contractés en faveur des créanciers du centre, la partie d'allocation nécessaire pour solder la dépense est transférée à l'exercice suivant par décision du (conseil de l'action sociale) qui sera annexée au compte de l'exercice clos. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Il peut être disposé des allocations ainsi transférées sans nouvelle intervention du (conseil de l'action sociale) et des autorités de tutelle.) <DRW 1998-04-02/40, art. 22 ; En vigueur : 1998-05-08> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  (§ 3. [1 En cas d'avis défavorable du directeur financier tel que prévu à l'article 46 ou dans les cas prévus à l'article 64 du règlement général de la comptabilité communale adapté aux CPAS, le Conseil de l'action sociale ou, en cas de délégation accordée en vertu de la présente loi, l'organe ou la personne qui a reçu délégation, peut décider, sous sa responsabilité, que la dépense est imputée et exécutée. La délibération motivée du Conseil de l'action sociale ou de l'organe ou de la personne qui a reçu délégation est jointe au mandat de paiement.   Lorsqu'il s'agit d'une délibération de l'organe ou de la personne qui a reçu délégation, information en est donnée immédiatement au conseil et l'organe ou la personne qui a reçu délégation peut également décider de soumettre sa décision à la ratification du Conseil de l'action sociale à sa plus prochaine séance.) <DRW 1998-04-02/40, art. 22 ; En vigueur : 1998-05-08>   [1 § 4. Les membres du Conseil de l'action sociale, l'organe ou la personne auquel celui-ci a donné délégation sont personnellement responsables des dépenses engagées ou ordonnancées par eux contrairement au paragraphe 1er.  ----------  <DRW 2018-07-17/03, art. 19, 031; En vigueur : 15-10-2018>   Art. 92.[1 En cas de refus ou de retard d'ordonnancer le montant des dépenses que la loi ou une décision judiciaire exécutoire met à la charge des centres publics d'action sociale, le gouverneur, après avoir entendu le conseil de l'action sociale, en ordonne le paiement, et le montant y relatif vaut inscription d'office du crédit au budget de l'exercice en cours. Sa décision tient lieu de mandat; le directeur financier du centre public d'action sociale ou le trésorier de l'hôpital en acquitte le montant.  ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 13, 019; En vigueur : 01-09-2013>   Art. 93.[1 § 1. Le conseil de l'action sociale ou ceux de ses membres qu'il désigne à cette fin vérifie l'encaisse du directeur financier au moins une fois par trimestre et établit un procès-verbal de vérification qui mentionne ses observations et celles formulées par le directeur financier; il est signé par le directeur financier et les membres du conseil de l'action sociale qui ont procédé à la vérification.   Le procès-verbal, conforme au modèle arrêté par le Gouvernement, est communiqué au conseil de l'action sociale et au collège communal.   Lorsque le directeur financier a la charge de plusieurs encaisses publiques, celles-ci sont vérifiées simultanément.   § 2. Le directeur financier signale immédiatement au conseil de l'action sociale tout déficit résultant d'un vol ou d'une perte.   Il est aussitôt procédé à la vérification de l'encaisse, conformément au paragraphe 1er, en vue de déterminer le montant du déficit.   Le procès-verbal de la vérification est complété par l'exposé des circonstances et des mesures de conservation prises par le directeur financier.   § 3. Lorsque la vérification de l'encaisse fait apparaître un déficit à la suite d'un vol [2 dont le directeur financier n'est pas à l'origineou d'une perte, le conseil de l'action sociale invite le directeur financier, par recommandé, à verser une somme équivalente dans la caisse du centre. Cette invitation est précédée par une décision du conseil de l'action sociale établissant si et dans quelle mesure le directeur financier doit être tenu pour responsable du vol ou de la perte, et fixant le montant du déficit en résultant qu'il appartient de solder; une expédition de cette décision est annexée à l'invitation qui lui est faite de payer.   § 4. Dans les soixante jours à dater de la notification de cette invitation, le directeur financier peut saisir le Gouvernement d'un recours. Ce recours est suspensif de l'exécution.   Le Gouvernement statue [2 ...sur la responsabilité incombant au directeur financier et fixe le montant du déficit qui doit en conséquence être mis à sa charge.   La décision du Gouvernement est exécutée après l'expiration du délai visé à l'article 4, alinéa 3, de l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section d'administration du Conseil d'Etat; une fois le délai expiré, ou en l'absence de recours, la décision est exécutée sur les biens personnels du directeur financier s'il ne s'est pas exécuté volontairement. Lorsque le directeur financier n'introduit pas de recours auprès du Gouvernement et s'abstient, à l'expiration du délai imparti pour ce faire, de satisfaire à l'invitation de payer qui lui est adressée, il est procédé de la même manière à l'exécution par voie de contrainte.   § 5. Toutes les dispositions du présent article sont applicables, mutatis mutandis, et sauf mention contraire, au receveur régional.  ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 14, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2018-07-17/03, art. 20, 031; En vigueur : 15-10-2018>   Section 3. - De la gestion distincte des services et établissements.  Art. 94.<ARN244 1983-12-31/57, art. 6, 002> § 1er. Le (Gouvernement) peut arrêter pour certains services et établissements dépendant du (centre public d'action sociale), certaines règles en matière de gestion distincte, de tenue des inventaires et de tenue de la comptabilité. <DRW 1998-04-02/40, art. 34, En vigueur : 08-05-1998> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  (§ 2. L'hôpital qui dépend d'un (centre public d'action sociale) est géré par un comité de gestion présidé de plein droit par le président du (conseil de l'action sociale) ou par le membre du conseil qui le remplace. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 17 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  Outre le président, le comité de gestion est composé de cinq membres du (conseil de l'action sociale). Il désigne en son sein un vice-président dont les compétences sont définies par le règlement d'ordre intérieur. En cas de parité de voix, la voix du président est prépondérante. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Le secrétaire du centre, le directeur de l'hôpital, le médecin en chef, le chef du département infirmier, le trésorier et le comptable siègent avec voix consultative au comité de gestion.  Le bourgmestre ou le membre du collège qu'il désigne et une personne désignée en fonction de ses compétences en matière de gestion hospitalière par le (collège communal) participent avec voix consultative aux séances du comité de gestion. <DRW 2005-12-08/43, art. 15; En vigueur : 08-10-2006>  Le comité de gestion peut convoquer à des réunions d'autres personnes, occupées ou non à l'hôpital, afin d'y être entendues en tant qu'experts en certaines matières. Elles quitteront la salle avant chaque vote ou avant que le comité ne prenne une décision.  Les membres du comité de gestion sont désignés par le conseil suivant les règles déterminées par l'article 27, § 3, alinéas 4, 5, 6 et 7, pour l'élection des membres du bureau permanent.  La délégation de signature du président est régie, mutatis mutandis, par l'article 28, § 2, alinéa 2, de la loi.) <DRW 1998-04-02/40, art. 25; En vigueur : 1998-05-08>  (§ 3. Le comité de gestion de l'hôpital règle tout ce qui concerne l'hôpital sauf les matières suivantes qui sont réglées par le (conseil de l'action sociale) : <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  - le budget et les modifications budgétaires;  - les comptes;  - l'élaboration d'un plan de gestion pour l'hôpital;  - le cadre et les statuts administratif et pécuniaire du personnel de l'hôpital;  - le règlement de travail applicable au personnel contractuel de l'hôpital;  - la nomination, à titre définitif, la promotion, les sanctions disciplinaires et la mise en disponibilité des membres du personnel de l'hôpital;  - le règlement général régissant les rapports juridiques entre l'hôpital et les médecins;  - l'engagement sous contrat ou le licenciement des membres du personnel qui siègent avec voix consultative au sein du comité de gestion;  - l'adhésion à une association réglée par le chapitre XII de la loi du 8 juillet 1976 organique des (centres publics d'action sociale) ou à une intercommunale; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  - la création de nouveaux services et l'extension des structures existantes dans le cadre de l'hôpital;  - l'aliénation et l'acquisition de biens immobiliers;  - le recours au Conseil d'Etat et les instances en justice;  - les expropriations;  - les donations et legs;  - la création et l'adhésion à une association sans but lucratif conformément à l'article 79, § 3;  - la cession directe ou indirecte d'activité hospitalière et l'acquisition ou la cession de lits d'hôpitaux;  - [1 la désignation d'un directeur financier spécial pour l'hôpital.  - [1 ....  Sous réserve de l'article 88, § 1er, le (conseil de l'action sociale) ne peut prendre les décisions visées à l'alinéa 1er que moyennant l'avis du comité de gestion de l'hôpital. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Si le comité de gestion n'a pas notifié d'avis dans les deux mois à dater du jour où il a été saisi du dossier, la procédure peut être poursuivie sans son avis.  Le (conseil de l'action sociale) doit statuer dans le mois suivant la notification de l'avis du comité de gestion. A défaut, le comité de gestion de l'hôpital peut se substituer au (conseil de l'action sociale) pour prendre la décision au sujet de laquelle il a donné un avis.) <DRW 1998-04-02/40, art. 25 ; En vigueur : 1998-05-08> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  (§ 4. Sous l'autorité du comité de gestion, le directeur de l'hôpital instruit les affaires, dirige les travaux de l'administration, assure la gestion journalière de l'hôpital et a la garde des archives de l'hôpital. Il est le chef du personnel de l'hôpital sans préjudice des attributions du secrétaire dans l'instruction des dossiers relevant de la compétence du (conseil de l'action sociale). <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Il est chargé de la rédaction des procès-verbaux des réunions du comité de gestion de l'hôpital. Il est responsable de l'insertion des procès-verbaux de ces réunions et des délibérations du comité de gestion dans les registres tenus à cet effet.  Les procès-verbaux et délibérations sont signés par le président et le directeur.  Le directeur est responsable de ses actes devant le comité de gestion.  Suite à la décision d'ordonnancement ou de recouvrement par l'organe compétent, le directeur fait établir les mandats de paiement et les états de recouvrement. Ils sont signés par le président et par le directeur. Le directeur élabore les avant-projets de budget de l'hôpital.  Le directeur est tenu de se conformer aux instructions qui lui sont données par le président et le (conseil de l'action sociale) ou par le comité de gestion en fonction de leurs compétences respectives. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Le directeur collabore étroitement avec les responsables des divers aspects de l'activité hospitalière ainsi qu'avec les responsables des activités du (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Le comité de gestion peut déléguer des attributions bien définies au directeur et aux personnes chargées par lui de la direction générale journalière de l'activité de l'hôpital. Ce transfert de compétences peut toutefois être retiré à tout moment en tout ou en partie.  Le directeur de l'hôpital peut déléguer sa signature moyennant l'approbation du comité de gestion.  En ce qui concerne les actes posés par l'autorité qui a reçu délégation du comité de gestion, la décision est directement soumise à l'appréciation des mêmes autorités de tutelle, comme cela eût été le cas si le comité de gestion avait propos.) <DRW 1998-04-02/40, art. 25; En vigueur : 1998-05-08>  § 4bis. (Abrogé) <DRW 1998-04-02/40, art. 25 ; En vigueur : 1998-05-08>  § 5. [2 Sauf désignation par le conseil de l'action sociale d'un directeur financier spécial, la fonction de trésorier de l'hôpital est exercée par le directeur financier du centre public d'action sociale.   Les recettes et les dépenses de l'hôpital sont effectuées par le trésorier qui doit reddition des comptes au comité de gestion de l'hôpital.   En ce qui concerne les activités à l'hôpital, le trésorier est soumis, dans le respect des dispositions légales relatives à sa responsabilité, à l'autorité du comité de gestion.   Les dispositions applicables au directeur financier en ce qui concerne le remplacement en cas d'absence, le compte de fin de gestion et le déficit de caisse ainsi que les articles 92 et 115 sont applicables au trésorier.   La comptabilité de l'hôpital est tenue par un comptable spécialement désigné à cette fin. Il se conforme aux instructions données par le directeur.  (§ 6. Copie de toute décision du comité de gestion, du directeur de l'hôpital ou des responsables de services ayant reçu délégation est transmise dans les quinze jours de son adoption au (conseil de l'action sociale).) <DRW 1998-04-02/40, art. 25 ; En vigueur : 1998-05-08> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  § 7. Le (Gouvernement) peut, pour la gestion des hôpitaux qui dépendent d'une association intercommunale ou d'une association établie conformément au chapitre XII de la présente loi, élaborer un règlement similaire à celui des hôpitaux qui dépendent d'un (centre public d'action sociale). <DRW 1998-04-02/40, art. 34, En vigueur : 08-05-1998> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  (§ 8. Le comité de gestion visé au paragraphe 2, gère aussi, conformément aux paragraphes 3 à 6, la partie d'un hôpital convertie en service résidentiel pour l'hébergement de personnes nécessitant la dispensation des soins visée à l'article 5, § 1er, de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de soins. Dans ce cas, la comptabilité, la trésorerie, le budget et les comptes, ainsi que le cadre du personnel de ce service résidentiel, sont distincts de ceux de l'hôpital.) <ARN430 1986-08-05/31, art. 4, 2°, 006>  (§ 9. La gestion de l'hôpital dépendant d'un (centre public d'action sociale) peut faire l'objet d'un contrat de gestion conclu par le centre et la commune après concertation avec le comité de gestion et après avis du conseil médical et du comité de concertation syndicale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Le contrat de gestion est conclu pour la durée de l'exercice des mandats des (conseillers de l'action sociale) suite au renouvellement complet de celui-ci. Il peut être amendé selon la même procédure que celle prévue pour son adoption. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Le contrat de gestion règle :  a. les missions attendues de l'hôpital et les tâches que l'hôpital assure en vue de l'exécution de ses missions de service public, et ce, sans qu'il puisse être dérogé aux missions qu'il doit accomplir en application de la loi du 8 juillet 1976 organique des (centres publics d'action sociale); <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  b. les modalités garantissant l'exercice d'une médecine de qualité, au meilleur coût, en ce compris les limites de tarification éventuelle des services offerts, à toute personne indépendamment du niveau de ses revenus, de ses conditions d'assurabilité, de ses origines et de ses convictions philosophiques;  c. les modalités d'information des patients quant aux tarifs pratiqués ainsi que les garanties de leur respect;  d. la fixation des objectifs budgétaires;  e. l'organisation des services communs avec les autres services du (centre public d'action sociale) et/ou de la commune; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  f. les objectifs à réaliser en matière d'équilibre financier et les modalités complémentaires d'information du (centre public d'action sociale) et de la commune, notamment en ce qui concerne le budget et les comptes de l'hôpital; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  g. les modalités mises en oeuvre pour garantir le respect du contrat de gestion.) <DRW 1998-04-02/40, art. 25; En vigueur : 1998-05-08>  (§ 10. Le budget de l'hôpital doit être en équilibre financier. A défaut, un plan de gestion applicable à l'hôpital doit être adopté au plus tard dans les six mois de l'approbation du budget de l'hôpital par les autorités communales.  Ce plan de gestion est arrêté par le (conseil de l'action sociale) après avis du comité de gestion et approuvé par le conseil communal. Il contient les mesures nécessaires incombant à l'hôpital pour atteindre ou maintenir l'équilibre financier, en ce compris les mesures de contrôle et de suivi pour sa bonne exécution. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Toutefois, par décision motivée, et dans les limites fixées par le Gouvernement, le conseil communal peut dispenser le (conseil de l'action sociale) d'établir un tel plan. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Si l'intervention du centre régional d'aide aux communes est sollicitée par la commune, ce plan est établi suivant les modalités fixées par le Gouvernement. Il est approuvé par le conseil communal et le Gouvernement. Toute modification du plan de gestion est soumise à la même procédure.  Lorsque le plan de gestion requis n'est pas arrêté, approuvé ou exécuté dans un délai fixé par le Gouvernement, ce dernier peut en imposer un. Dans ce cas, le (conseil de l'action sociale) et le comité de gestion de l'hôpital peuvent être assistes par un expert hospitalier nommé par le Gouvernement conformément aux modalités et aux qualifications arrêtées par le Gouvernement.) <DRW 1998-04-02/40, art. 25; En vigueur : 1998-05-08> <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  ----------  <DRW 2013-04-18/20, art. 15, 019; En vigueur : 01-09-2013>   <DRW 2013-04-18/20, art. 16, 019; En vigueur : 01-09-2013>   Art. 95. Les (centres publics d'action sociale) peuvent décider, pour leurs biens immeubles, non bâtis, soit de les gérer eux-mêmes d'une manière distincte, soit d'en confier la gestion à la régie qui gère les terrains de la commune siège du centre. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 96. <L 1992-08-05/46, art. 52; En vigueur : 18-10-1992> Le (centre public d'action sociale) peut nommer un receveur spécial pour les services et établissements à gestion distincte. Les dispositions de l'article 46 (et le cas échéant de l'article 94, § 5) lui sont applicables. <DRW 1998-04-02/40, art. 26 ; En vigueur : 1998-05-08> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Section 4. [1 - Dispositions diverses en matière de gouvernance et de transparence  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 19, 028; En vigueur : 24-05-2018>      Art. 96/1. [1 § 1er. La méconnaissance d'une incompatibilité, interdiction ou d'un empêchement prévu par la présente loi par le titulaire d'un mandat de conseiller de l'action sociale ou de président de centre public d'action sociale peut conduire à la déchéance de tous ses mandats originaires.   § 2. Le Gouvernement, au terme de la procédure décrite au paragraphe 3, peut constater la déchéance lorsque la personne concernée, après mise en demeure, ne se conforme pas à l'incompatibilité, l'interdiction ou l'empêchement visé au paragraphe 1er.   § 3. Le Gouvernement communique à l'intéressé par envoi recommandé une notification des faits de nature à entraîner la déchéance.   Vingt jours au plus tôt après la transmission de la notification, et après avoir entendu si elle en a fait la demande dans un délai de huit jours à dater de la réception de la notification la personne concernée éventuellement accompagnée du conseil de son choix, le Gouvernement peut constater la déchéance dans une décision motivée.   La décision du Gouvernement intervient dans un délai d'un mois maximum qui suit le terme de la procédure décrite aux alinéas 1 et 2.   Cette décision est notifiée par les soins du Gouvernement à la personne concernée et à l'organe dans lequel elle exerce ses mandats originaires et dérivés.   Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision. Il doit être introduit dans les quinze jours de sa notification.   Si, ayant connaissance de la cause de sa déchéance suite à la réception de la notification visée à l'alinéa 3 du paragraphe 3, l'intéressé continue l'exercice de ses fonctions, il est passible des peines commuées par l'article 262 du Code pénal.  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 20, 028; En vigueur : 24-05-2018>      Art. 96/2. [1 § 1er. Le Gouvernement établit un registre des institutions locales et supralocales reprenant l'ensemble des communes, provinces, centres publics d'action sociale, intercommunales, régies communales ou provinciales autonomes, associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale, sociétés de logement, toute personne morale ou association de fait associant une ou plusieurs de ces autorités précitées, des mandats publics et des mandataires y désignés et des titulaires de la fonction dirigeante locale.   Ce registre est établi sur la base des données transmises par un informateur institutionnel, sous sa responsabilité, au Gouvernement ou à son délégué.   Le Gouvernement détermine les données à transmettre, les modalités de transmission et de publication des informations collectées.   § 2. Les informateurs institutionnels sont les personnes suivantes :   1° pour les C.P.A.S. et les A.S.B.L. auxquelles ils participent, le directeur général du C.P.A.S. ou son délégué;   2° pour les associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la présente loi, le titulaire de la fonction dirigeante locale ou son délégué ou, à défaut, le président du principal organe de gestion.   § 3. L'informateur institutionnel visé au paragraphe 2, 1°, du présent article transmet, sous sa responsabilité, au plus tard dans les quinze jours de l'installation des conseillers de l'action sociale suivant les élections, les informations suivantes : la liste de ses organes internes ainsi que l'identité des mandataires, en ce compris leur numéro de registre national, et l'identification du groupe politique qu'ils représentent.   § 4. L'informateur institutionnel visé au paragraphe 2, 1°, du présent article transmet, sous sa responsabilité, au plus tard le 1er décembre de l'année suivant celle de l'installation des conseillers de l'action sociale suivant les élections, les informations suivantes :   1° la liste des organismes visés au paragraphe 1er au sein duquel le C.P.A.S. est associé;   2° l'identité des mandataires ou non-élus y désignés, en ce compris leur numéro de registre national;   3° l'identité du titulaire de la fonction dirigeante locale, en ce compris son numéro de registre national.   Ces informations reprennent les données relatives à l'exercice budgétaire de l'année qui précède.   § 5 L'informateur institutionnel visé au paragraphe 2, 1° et 2°, transmet, sous sa responsabilité, les informations suivantes en flux continu et sans délai à l'occasion de toute modification :   1° la liste du ou des C.P.A.S. associées et autres associés, la liste de ses organes décisionnels ou consultatifs ainsi que leurs compétences;   2° le nom des membres de ces organes et s'ils représentent un C.P.A.S. ou un autre organisme public;   3° la liste de ses organes internes ainsi que l'identité des mandataires, en ce compris leur numéro de registre national, et l'identification du groupe politique qu'ils représentent;   4° la liste des organismes visés au paragraphe 1er au sein duquel le C.P.A.S. est associé;   5° l'identité des mandataires ou non-élus y désignés, en ce compris leur numéro de registre national;   6° l'identité du titulaire de la fonction dirigeante locale, en ce compris son numéro de registre national;   7° le cas échéant, la liste des fondations d'utilité publique que l'organisme visé au § 1er subventionne et la hauteur des subventions accordées ainsi que l'identité du fonctionnaire dirigeant local en ce compris son numéro de registre national.   § 6. L'informateur institutionnel visé au paragraphe 2, 1° et 2° du présent article établit une liste des personnes élues, des personnes non-élues représentant son institution de quelque manière que ce soit ainsi que des titulaires de la fonction dirigeante locale qui sont assujettis à la cinquième partie du Code de la démocratie locale et de la décentralisation et les informe de leurs obligations, au plus tard pour le 30 avril de chaque année. Le Gouvernement ou l'organe de contrôle peut, sans aucune condition, solliciter les preuves du respect de la présente disposition.   § 7. En cas de non-respect des dispositions des paragraphes 2 et 3 du présent article, le Gouvernement adresse un courrier à l'informateur institutionnel lui rappelant ses obligations, lequel est assorti d'une injonction de transmission des informations requises dans les trente jours suivants la notification dudit courrier.   § 8. En l'absence de réponse dans le délai, ou en cas de non-respect de l'obligation de transmission visée au paragraphe 5, l'informateur institutionnel est passible d'une amende pouvant aller de cent à mille euros.  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 21, 028; En vigueur : 24-05-2018>      Art. 96/3. [1 § 1er. Annuellement, le principal organe de gestion de l'association de pouvoirs publics visés à l'article 118 de la présente loi ou de tout autre organisme supralocal ou, à défaut, le conseil de l'action sociale, établissent un rapport de rémunération écrit reprenant un relevé individuel et nominatif des jetons, rémunérations ainsi que des avantages en nature perçus dans le courant de l'exercice comptable précédent, par les mandataires, les personnes non élues et les titulaires de la fonction dirigeante locale. Par mandataire, personne non élue, jeton, rémunération, avantages en nature, titulaire de la fonction dirigeante locale, il est fait référence aux définitions reprises à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   Ce rapport contient les informations individuelles et nominatives suivantes :   1° les jetons de présence, éventuelles rémunérations et tout autre éventuel avantage, pécuniaire ou non, directement ou indirectement accordés aux membres des organes de gestion, en fonction de leur qualité d'administrateur titulaire d'un mandat originaire ou non élu, de président ou de vice-président, ou de membre d'un organe restreint de gestion, ainsi que la justification du montant de toute rémunération autre qu'un jeton de présence au regard du rôle effectif du Président et de l'éventuel vice-président;   2° les rémunérations et tout autre éventuel avantage, pécuniaire ou non, directement ou indirectement accordés aux titulaires de fonctions de direction;   3° la liste des mandats détenus dans toutes les entités dans lesquelles l'institution détient des participations directes ou indirectes, ainsi que la rémunération annuelle perçue pour chacun de ces mandats;   4° pour le titulaire de la fonction dirigeante locale telle que définie à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, la liste des mandats détenus dans toutes les entités dans lesquelles l'institution détient des participations directement ou indirectement, ainsi que la rémunération annuelle perçue pour chacun de ces mandats;   5° la liste des présences aux réunions des différentes instances de l'institution et l'indication des éventuelles absences justifiées.   Ce rapport est adopté par le principal organe de gestion ou, à défaut, par le conseil d l'action sociale, et mis à l'ordre du jour de l'assemblée générale du premier semestre de chaque année et fait l'objet d'une délibération. A défaut, l'assemblée générale ne peut pas se tenir. Ce rapport est annexé au rapport annuel de gestion établi par les administrateurs.   Le rapport est établi conformément au modèle fixé par le Gouvernement.   § 2. Pour les C.P.A.S. et les associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la présente loi, le président du conseil de l'action sociale ou le président du conseil d'administration ou du principal organe de gestion transmet copie de ce rapport au plus tard le 1er juillet de chaque année :   1° au Gouvernement wallon;   2° aux communes et, le cas échéant, aux provinces et C.P.A.S. associés.   Concernant le 1°, le Gouvernement communique annuellement une synthèse des rapports reçus au Parlement wallon qui publie tout ou partie des informations reçues.   Le Gouvernement précise les modalités liées à cette publication.   § 3. Pour tout autre organisme supralocal, le titulaire de la fonction dirigeante locale ou son délégué ou, à défaut, le président du principal organe de gestion transmet copie de ce rapport au plus tard le 1er juillet de chaque année aux communes et, le cas échéant, aux provinces et C.P.A.S. associés.  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 22, 028; En vigueur : 24-05-2018>      Art. 96/4.[1 § 1er. Le présent article est applicable aux associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la présente loi ou tout autre organisme supralocal.   § 2. Le conseiller de l'action sociale désigné par un C.P.A.S. pour le représenter au sein du conseil d'administration ou, à défaut, du principal organe de gestion, [3 peut rédigerannuellement un rapport écrit sur les activités de la structure et l'exercice de son mandat ainsi que sur la manière dont il a pu développer et mettre à jour ses compétences.   Lorsque le C.P.A.S. dispose de plusieurs représentants dans le même organisme, ils peuvent rédiger un rapport commun.   Le ou les rapports visés à l'alinéa 1er ou 2 sont soumis au conseil de l'action sociale. Ils sont présentés par leur auteur et débattus en séance du conseil de l'action sociale.   Le conseiller susvisé peut rédiger un rapport écrit au conseil à chaque fois qu'il le juge utile [3 et fait obligatoirement rapport à propos de toute décision ou tout acte de la structure qui ne permet pas d'assurer que l'intérêt général ou l'intérêt du C.P.A.S., la légalité et les objectifs de la structure soient respectés. Le conseiller ou un seul des conseillers lorsque plusieurs conseillers sont désignés au sein de la structure communique, dans les meilleurs délais, son rapport au conseil communal; assorti le cas échéant de ses commentaires.   Le conseil de l'action sociale règle les modalités d'application du présent paragraphe dans son règlement d'ordre intérieur.   Pour les conseils qui n'ont présenté aucun candidat ou dont le candidat présenté n'a pas été nommé, le président du principal organe de gestion [3 peut produireun rapport dans les mêmes conditions. Il est présenté, par ledit président ou son délégué, et débattu en séance du conseil de l'action sociale.   § 3. Les budgets, comptes et délibérations des organes de gestion et de contrôle peuvent être consultés au siège de l'organisme visé au paragraphe 1er par les conseillers de l'action sociale des C.P.A.S. qui en sont membres, sans préjudice des dispositions décrétales en matière de publicité de l'administration.   Le conseiller qui consulte les documents visés à l'alinéa 1er peut uniquement faire usage des informations dont il a pu prendre connaissance en ayant accès aux documents dans le cadre de l'exercice de son mandat de conseiller et dans ses rapports avec l'autorité de tutelle. La présente disposition ne porte pas préjudice à la possibilité de poursuites judiciaires des conseillers du chef de violation du secret professionnel conformément à l'article 458 du Code pénal.   Les conseillers élus sur des listes de partis qui ne respectent pas les principes démocratiques énoncés, notamment, par la Convention de sauvegarde de droits de l'homme et des libertés fondamentales, par les protocoles additionnels à cette convention en vigueur en Belgique, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie et par la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la seconde guerre mondiale sont exclus du bénéfice du droit de consultation et de communication visé aux alinéas 1er à 3.   Tout conseiller qui a exercé ces droits peut faire un rapport écrit au conseil de l'action sociale.   Le conseil de l'action sociale règle les modalités d'application du présent paragraphe dans son règlement d'ordre intérieur.   § 4. Les réunions du conseil d'administration ou, à défaut, du principal organe de gestion, ne sont pas publiques.   § 5. Sauf lorsqu'il s'agit de question de personnes, de points de l'ordre du jour qui contreviendraient au respect de la vie privée, des points à caractère stratégique couvrant notamment avec le secret d'affaires, des positionnements économiques qui pourraient nuire à la compétitivité de l'organisme [2 dans la réalisation de son objet, les procès-verbaux détaillés, complétés par le rapport sur le vote des membres et de tous les documents auxquels les procès-verbaux renvoient, peuvent être consultés au siège de l'organisme par les conseillers de l'action sociale des C.P.A.S. qui en sont membres, sans préjudice des dispositions décrétales en matière de publicité de l'administration.   Le conseiller qui consulte les documents visés à l'alinéa 2 ne peut faire usage des informations dont il a pu prendre connaissance en ayant accès aux documents que dans le cadre de l'exercice de son mandat de conseiller et dans ses rapports avec l'autorité de tutelle.   La présente disposition ne porte pas préjudice à la possibilité de poursuites judiciaires des conseillers du chef de violation du secret professionnel conformément à l'article 458 du Code pénal.   Les conseillers élus sur des listes de partis qui ne respectent pas les principes démocratiques énoncés, notamment, par la Convention de sauvegarde de droits de l'homme et des libertés fondamentales, par les protocoles additionnels à cette convention en vigueur en Belgique, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie et par la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la seconde guerre mondiale sont exclus du bénéfice du droit de consultation et de communication visé aux alinéas 1er à 3.   Tout conseiller qui a exercé ces droits peut faire un rapport écrit au conseil de l'action sociale.  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 23, 028; En vigueur : 24-05-2018>   <DRW 2023-04-06/05, art. 5, 045; En vigueur : 21-10-2023>   <DRW 2024-03-28/63, art. 40, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 96/5. [1 Chaque association de pouvoirs publics visée à l'article 118 de la présente loi ou tout autre organisme supralocal publie sur son site internet ou sur le site de la commune dans laquelle son siège social est établi, les informations suivantes :   1° une présentation synthétique de la raison d'être de l'organisme et de sa mission;   2° la liste du ou des C.P.A.S. associées et autres associés, la liste de ses organes décisionnels ou consultatifs ainsi que leurs compétences;   3° le nom des membres de ces organes et s'ils représentent un C.P.A.S. ou un autre organisme public;   4° l'organigramme de l'organisme et l'identité du titulaire de la fonction dirigeante locale ou, à défaut, du Directeur général du conseil de l'action sociale;   5° les participations détenues dans d'autres structures ou organismes;   6° le pourcentage de participation annuelle en tenant compte des absences justifiées aux réunions des organes de gestion;   7° les barèmes applicables aux rémunérations, des fonctions dirigeantes et des Mandataires.   Chaque C.P.A.S. publie sur son site internet ou sur le site de la commune dans laquelle son siège social est établi :   1° la liste de ses organes internes ainsi que l'identité des mandataires et l'identification du groupe politique qu'ils représentent;   2° la liste des organismes visés au paragraphe 1er au sein duquel le C.P.A.S. est associé;   3° l'identité des mandataires ou non-élus y désignés;   4° le lien vers le site internet de l'organisme concerné.  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 24, 028; En vigueur : 24-05-2018>      Art. 96/6. [1 § 1er. Les membres du personnel, contractuels ou statutaires, des associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la présente loi ou de tout autre organisme supralocal ne peuvent pas percevoir de jetons de présence, de rémunérations ou autres avantages perçus en raison de leur participation aux réunions d'organes de l'organisme.   Les jetons de présence, rémunérations ou autres avantages dus en raison de leur participation aux réunions d'organes dans des entités où ils siègent suite à une désignation expresse ou en raison de la représentation de leur organisme sont directement versés à l'organisme qui les a désigné ou qu'ils représentent.   § 2. La fonction dirigeante locale, telle que définie à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, ne pourra en aucun cas être exercée au travers d'une société de management ou interposée.   § 3. Le titulaire de la fonction dirigeante locale qui percevrait un montant au titre de prestation de service confié à l'association qui l'occupe doit reverser cette indemnité ou rémunération à l'association qui l'occupe.   § 4. Si le titulaire de la fonction dirigeante locale exerce ses fonctions dans le cadre d'un contrat de travail, une clause de non-concurrence peut être insérée avant la fin des relations contractuelles ou au moment de la rupture en respect des conditions fixées par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, notamment eu égard à l'activité de l'organisme concerné.   Une convention de non-concurrence peut être conclue après la fin des relations contractuelles eue égard à l'activité de l'organisme concerné.   Dans tous les cas, la clause de non-concurrence est prévue pour une période de six mois maximum. L'indemnité perçue à ce titre n'est pas supérieure à la rémunération de base pour la moitié de la période de non-concurrence prévue.  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 25, 028; En vigueur : 24-05-2018>      Art. 96/7.[1 L'organe de gestion de tout organisme où siège un titulaire d'un mandat dérivé au sens de l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation peut le révoquer ou proposer sa révocation à l'organe compétent en vertu d'un décret ou des statuts, après l'avoir entendu, si celui-ci :   1° a commis sciemment un acte incompatible avec la mission [2 ou l'objet de l'organisme;   2° a commis une faute ou une négligence grave dans l'exercice de son mandat;   3° a, au cours d'une même année, été absent, sans justification, à plus de trois réunions ordinaires et régulièrement convoquées de l'organe de gestion de l'organisme;   4° est une personne membre ou sympathisante de tout organisme, parti, association ou personne morale quelle qu'elle soit, qui ne respecte pas les principes démocratiques énoncés, notamment, par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par les Protocoles additionnels à cette Convention en vigueur en Belgique, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie, et par la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la Seconde Guerre mondiale ou toute autre forme de génocide.  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 26, 028; En vigueur : 24-05-2018>   <DRW 2023-04-06/05, art. 6, 045; En vigueur : 21-10-2023>   Art. 96/8. [1 La mise à sa disposition, par un organisme, de l'aide, des instruments et des matières nécessaires à l'accomplissement du travail inhérent à l'exercice du mandat d'un mandataire, et qui consisterait en une utilisation strictement professionnelle, ne constitue ni un avantage en nature ni une exposition de frais, pouvant donner lieu à un remboursement, dans le chef du mandataire.   Au sens du présent article, la notion d'organisme recouvre les centres publics d'action sociale, les associations de projet et les associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.   § 2. Le remboursement de frais sur base forfaitaire est interdit. Seuls les frais réellement exposés par un mandataire pour le compte de l'organisme au sein duquel il exerce son mandat sont autorisés.   Le Gouvernement fixe la liste des frais éligibles à remboursement ainsi que les modalités d'octroi d'un remboursement.  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 27, 028; En vigueur : 24-05-2018>      CHAPITRE VII. - Du remboursement, par les particuliers, des frais de l'aide sociale.  Art. 97. (Pour l'application des dispositions du Chapitre VII, il y a lieu d'entendre par "frais de l'aide sociale" :  1. les paiements en espèces;  2. le coût des aides octroyées en nature;  3. les frais d'hospitalisation;  4. les frais d'hébergement, y compris ceux exposes dans les établissements du centre;  5. les frais calculés suivant les tarifs généraux préétablis.) <ARN244 1983-12-31/57, art. 7, 002>  Sont exclus, les frais administratifs et d'enquête, ainsi que le coût des prestations du centre visées a l'article 60, § 1er, 2 et 4.  (L'alinéa précédent ne s'applique pas aux frais exposés par le C.P.A.S. dans le cadre de la médiation de dettes, en application de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis.) <L 1998-07-05/57, art. 18; En vigueur : 01-01-1999>  Art. 98.<ARN244 1983-12-31/57, art. 8, 002>  § 1er. Sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales et réglementaires, le (centre public d'action sociale) fixe, en tenant compte des ressources de l'intéressé, la contribution du bénéficiaire dans les frais de l'aide sociale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  (Ce dernier a en tout état de cause le droit de disposer d'un argent de poche, dont le montant est fixé par le centre.) <L 1992-08-05/46, art. 53; En vigueur : 18-10-1992>  [1 Si l'aide sociale est octroyée sous la forme d'un paiement des frais de séjour dans une maison de repos et que le bénéficiaire contribue à ces frais conformément à l'alinéa 1er, l'argent de poche s'élève à au moins 900 euros par an, payables en tranches mensuelles. Toutefois ce paiement peut s'effectuer par tranches hebdomadaires, soit suite à une décision du CPAS sur la base d'une appréciation in concreto, soit si le bénéficiaire ou, le cas échéant, son administration provisoire, en fait la demande par écrit. Ce montant peut être majoré par voie d'arrêté royal et est indexé conformément à la loi du 1er mars 1997 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public.  (Le Roi détermine les frais qui ne peuvent en aucun cas être imputés sur cet argent de poche. Il détermine également le statut de l'argent de poche, en particulier lorsqu'il n'a pas été utilisé au moment du décès.) <L 2003-05-03/40, art. 2; En vigueur : 26-05-2003>  En cas de déclaration volontairement inexacte ou incomplète de la part du bénéficiaire, le centre récupère la totalité de ces frais, quelle que soit la situation financière de l'intéressé.  § 2. Le (centre public d'action sociale) poursuit également, en vertu d'un droit propre, le remboursement des frais de l'aide sociale : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  - à charge de ceux qui sont responsables de la blessure ou de la maladie qui a rendu nécessaire l'octroi de l'aide; lorsque la blessure ou la maladie sont la suite d'une infraction, l'action peut être exercée en même temps et devant les mêmes juges que l'action publique;  - à charge de ceux qui doivent des aliments au bénéficiaire et ce à concurrence du montant auquel ils sont tenus pour l'aide octroyée.  (§ 3. Par dérogation au § 2, le centre public d'action sociale peut renoncer de manière générale au recouvrement de l'aide sociale octroyée aux personnes prises en charge dans des établissements d'hébergement pour personnes âgées, à charge de ceux qui doivent des aliments, avec l'accord de l'autorité communale.) <L 2004-07-09/30, art. 101; En vigueur : 25-07-2004>  (S'il est fait application de l'alinéa 1er, le centre public d'action sociale peut néanmoins recouvrer exceptionnellement l'aide sociale auprès des débiteurs d'aliments lorsque le patrimoine du bénéficiaire de cette aide a été diminué volontairement de façon notable au cours des cinq dernières années précédant le début de l'aide sociale (ou pendant la période d'octroi de l'aide sociale).) <L 2005-12-23/31, art. 78; En vigueur : 09-01-2006> <L 2006-10-26/48, art. 2, 087; En vigueur : 09-04-2007>  ----------  <L 2021-11-26/06, art. 2, 037; En vigueur : 20-12-2021>   Art. 99. § 1er. (Lorsqu'une personne vient à disposer de ressources en vertu de droits qu'elle possédait pendant la période au cours de laquelle une aide lui a été accordée par le (centre public d'action sociale), celui-ci récupère auprès de cette personne les frais de l'aide jusqu'à concurrence du montant des ressources susvisées, en tenant compte des minima exonérés.) <ARN244 1983-12-31/57, art. 9, 002> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  § 2. Par dérogation à l'article 1410 du Code judiciaire, le (centre public d'action sociale) qui consent une avance sur une pension ou sur une autre allocation sociale, est subrogé de plein droit à concurrence du montant de cette avance, dans les droits aux arriérés auxquels le bénéficiaire peut prétendre. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 100. <ARN244 1983-12-31/57, art. 10, 002> (§ 1.) Toute aide matérielle individuelle en faveur d'un bénéficiaire qui délaisse des biens meubles ou immeubles, donne lieu, contre les héritiers ou légataires, à une action en recouvrement des frais y afférents exposés par le (centre public d'action sociale) durant les cinq dernières années précédant le décès mais jusqu'à concurrence seulement de l'actif de la succession. <L 1992-08-05/46, art. 54; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  (§ 2. Les biens meubles, tels que notamment l'argent comptant, les bijoux et autres objets, apportés par les malades et par les pensionnaires décédés dans les établissements du centre et qui y ont été traités ou hébergés, totalement ou partiellement à la charge de ce dernier, sont conservés par le centre pendant trois ans à dater du décès.  § 3. Les héritiers et légataires des malades et des pensionnaires, dont les frais de traitement et d'entretien ont été acquittés, peuvent exercer leurs droits sur tous les effets visés au § 2.  § 4. En cas de déshérence ou si les effets visés au § 2, apportes au centre n'ont pas été réclamés dans les trois ans du décès, ces biens appartiennent de plein droit au centre.  A l'expiration du délai susvisé, les mêmes biens meubles délaissés par une personne décédée, pour le compte de laquelle le centre a été chargé par le juge de paix de vider les lieux loués qu'elle occupait avant son décès, appartiennent au centre.) <L 1992-08-05/46, art. 54; En vigueur : 18-10-1992>  Art. 100bis. <ARN244 1983-12-31/57, art. 11, 002>  § 1er. Le Roi peut fixer des règles et des conditions concernant :  a) le calcul des frais de l'aide sociale visés aux points 2°, 4° et 5°, de l'article 97;  b) la fixation de la contribution du bénéficiaire telle qu'elle est prévue a l'article 98, § 1er;  c) (la poursuite du remboursement auprès du bénéficiaire, de ceux qui doivent des aliments ou des débiteurs conformément à l'article 98, §§ 2 et 4, et à l'article 99, § 1er.) <L 2005-12-23/31, art. 79; En vigueur : 09-01-2006>  § 2. (Sans préjudice de l'article 98, § 3, le centre public d'action sociale ne peut renoncer à la fixation de la contribution du bénéficiaire, à la récupération ou au recouvrement visés aux articles 98, §§ 1er et 2, 99 et 100, que par une décision individuelle et pour des raisons d'équité qui seront mentionnées dans la décision.) <L 2004-07-09/30, art. 102; En vigueur : 25-07-2004>  Le centre public ne doit pas récupérer si les coûts ou les démarches inhérents à cette récupération dépassent le résultat escompté.  Art. 101.Le remboursement des frais de l'aide sociale peut être garanti par une hypothèque légale sur tous les biens susceptibles d'hypothèque appartenant au bénéficiaire de l'aide ou dépendant de sa succession.  Cette hypothèque ne produit effet qu'à dater de son inscription.  A l'égard des héritiers ou légataires du bénéficiaire, tenus au paiement de la créance, cette hypothèque peut valablement être inscrite en tout temps. Lorsque l'inscription est requise dans les trois mois du décès, elle est prise, sans préjudice aux dispositions de l'article 112 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, sous le nom du défunt, sans que les héritiers ou légataires doivent être déterminés dans les bordereaux à produire au conservateur des hypothèques. En ce cas, le défunt est désigné par ses nom, prénoms, dates et lieux de sa naissance et de son décès.  (Sauf si le conseil de l'aide sociale décide qu'il n'y a pas lieu de procéder à l'inscription de l'hypothèque légale, cette inscription est requise par le [1 directeur financier ou receveur régionaldu centre pour le montant à fixer par lui; les immeubles sur lesquels l'inscription est requise sont désignés individuellement dans les bordereaux, par la mention de leur nature, de l'arrondissement, de la commune et du lieu où ils sont situés, ainsi que de leur indication cadastrale.  L'inscription est radiée ou réduite et le rang cédé, du consentement du [1 directeur financier ou receveur régionalsusvisé. La requête établie à cet effet par ce dernier et déposée au bureau du conservateur des hypothèques constitue l'acte authentique visé aux articles 92 et 93 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.  Les frais relatifs à l'inscription, à la radiation, à la réduction et à la cession de rang sont à la charge du (centre public d'action sociale) intéressé.) <L 1992-08-05/46, art. 55; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  ----------  <DRW 2018-03-29/49, art. 28, 028; En vigueur : 24-05-2018>   Art. 102. L'action en remboursement prévue aux articles 98 et 99 se prescrit conformément à l'article 2277 du Code civil.  L'action prévue à l'article 98, § 2, dernier alinéa, se prescrit conformément aux dispositions du chapitre IV de la loi du 17 avril 1878 contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale.  (L'action prévue à l'article 100, § 1er, se prescrit par trois ans à dater du décès du bénéficiaire.) <L 1992-08-05/46, art. 56; En vigueur : 18-10-1992>  (Ces prescriptions peuvent être interrompues par une sommation faite soit par lettre recommandée à la poste, soit contre accusé de réception.) <L 1992-08-05/46, art. 56; En vigueur : 18-10-1992>  Art. 103. Les revenus des biens et capitaux appartenant aux enfants confies à un (centre public d'action sociale) ou placés sous sa tutelle, peuvent être perçus jusqu'au départ de ces enfants, au profit de ce centre à concurrence des frais exposés. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 104.§ 1er. Si l'enfant confie à un (centre public d'action sociale) ou placé sous sa tutelle, vient à mourir et qu'aucun héritier ne se présente, ses biens appartiennent à ce centre, lequel peut être envoyé en possession à la diligence du [1 directeur financier ou receveur régionalet sur les conclusions du ministère public. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Les héritiers qui se présenteraient ultérieurement ne pourront répéter les fruits que du jour de la demande. Celle-ci devra être introduite, à peine de prescription, dans les (trois) ans du décès de l'enfant. <L 1992-08-05/46, art. 57; En vigueur : 18-10-1992>  § 2. Les héritiers qui recueilleraient la succession seront tenus d'indemniser le (centre public d'action sociale), jusqu'à concurrence de l'actif de cette succession, pour les dépenses occasionnées par l'enfant décédé durant les cinq dernières années précédant le décès, sous réserve de déduction des revenus perçus par le centre durant cette même période. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  L'action du (centre public d'action sociale) se prescrit par (trois) ans à dater du décès de l'enfant. <L 1992-08-05/46, art. 57; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  ----------  <DRW 2018-03-29/49, art. 29, 028; En vigueur : 24-05-2018>   CHAPITRE VIII. - Du financement.  Art. 105. Après répartition du Fonds des Communes entre les régions, une partie du Fonds attribuée à chacune des régions est destinée, sous la dénomination de "Fonds spécial de l'aide sociale", à être répartie entre les (centres publics d'action sociale) de la région. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  (Chaque Exécutif régional fixe, pour sa Région, le pourcentage à attribuer au Fonds spécial. Les critères objectifs de sa répartition sont déterminés par:  1° l'Exécutif de la Communauté flamande pour les (centres publics d'action sociale) de la Région flamande; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  2° l'Exécutif de la Communauté française, pour les (centres publics d'action sociale) de la Région wallonne. Toutefois, pour les (centres publics d'action sociale) situés dans une des communes de la région de langue allemande, telle qu'elle est définie à l'article 5 de l'arrêté royal du 18 juillet 1966 portant coordination des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, les critères objectifs de répartition sont déterminés par le Conseil de la communauté culturelle allemande; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  3° l'autorité compétente pour le territoire de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, pour les (centres publics d'action sociale) situés dans ce territoire.) <L 09-08-1980, art. 47> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 106. § 1er. Lorsque le (centre public d'action sociale) ne dispose pas de ressources suffisantes pour couvrir les dépenses résultant de l'accomplissement de sa mission, la différence est couverte par la commune (...). <L 1992-08-05/46, art. 58; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  § 2. La différence visée par le paragraphe précédent est estimée dans le budget du centre.  Une dotation pour ce centre, égale au montant de la différence susvisée, est inscrite dans les dépenses du budget communal.  (alinéa abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 58; En vigueur : 18-10-1992>  La dotation est payée au centre par tranches mensuelles.  § 3. (abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 58; En vigueur : 18-10-1992>  Art. 107. <DRW 2002-05-30/37, art. 8; En vigueur : 22-06-2002> Par dérogation aux dispositions de l'article 46, § 1er, peuvent être versés directement aux comptes ouverts exclusivement au nom du (centre public d'action sociale) bénéficiaire auprès d'institutions financières qui satisfont, selon le cas, au prescrit des articles 7, 65 et 66 de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit : <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  1° le montant de sa quote-part dans les fonds institues par la loi ou le décret, au profit des (centres publics d'action sociale); <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  2° les subventions, les interventions dans les dépenses du centre et, en général, toutes les sommes attribuées à titre gratuit aux centres par la Communauté européenne, l'Etat, les Communautés, les Régions, les provinces et les communes.  L'institution financière visée à l'alinéa 1er est autorisée a prélever d'office, sur l'avoir des comptes exclusivement ouverts au nom du centre, le montant des dettes que ce centre a contractées envers elle.  CHAPITRE IX. - De la tutelle administrative.  Section première. <Titre de section inséré par DRW 1998-04-02/40, art. 27; En vigueur : 08-05-1998> - Dispositions générales.  Art. 108. Le (Gouvernement) dispose d'un service d'inspection qui est chargé de la surveillance et du contrôle du fonctionnement des (centres publics d'action sociale) et des divers services et établissements qui en relèvent. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 16 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  A cette fin, les inspecteurs ont notamment le droit de visiter ces services et établissements et, en général, d'obtenir tous les renseignements qui leur sont nécessaires pour l'accomplissement de leur tâche.  Ils conseillent les centres dans tous les problèmes relatifs à l'accomplissement de leur mission.  Art. 109.Le (collège communal) est, lui aussi, chargé de la surveillance et du contrôle du (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 15 et 19; En vigueur : 08-10-2006>   Cette surveillance comporte le droit, pour le membre délégué par ce collège, (qui ne peut être [1 le président du conseil de l'action sociale,) de visiter tous les établissements, de prendre connaissance, sans déplacement, de toute pièce et de tout document (à l'exception des dossiers d'aide individuelle et de récupération) et de veiller à ce que les centres observent la loi et ne s'écartent pas de la volonté des donateurs et des testateurs en ce qui concerne les charges légalement établies. <L 1992-08-05/46, art. 59; En vigueur : 18-10-1992> <DRW 2005-12-08/43, art. 14; En vigueur : 08-10-2006>  (Le membre délégué par le collège est tenu au secret.) <L 1992-08-05/46, art. 59; En vigueur : 18-10-1992>  ----------  <DRW 2012-04-26/31, art. 21, 015; En vigueur : 25-05-2012>   Art. 110.[1 Tout recours est motivé et introduit dans le délai prescrit. Le jour de la réception de la décision n'est pas inclus dans le délai.   Toute décision de l'autorité de tutelle est formellement motivée et notifiée à l'autorité concernée et, le cas échéant, aux intéressés.   L'envoi de toute notification se fait à peine de nullité, au plus tard, le jour de l'échéance du délai. Le Gouvernement peut organiser la notification par la voie électronique conformément aux modalités qu'il détermine.  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 11, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 110bis.[1 § 1er. Le point de départ du délai est le jour de la réception par l'autorité de tutelle de l'acte accompagné des pièces justificatives.   Le jour de la réception n'est pas inclus dans le délai.   Le Gouvernement peut autoriser la transmission de l'acte accompagné de ses pièces justificatives à l'autorité de tutelle par la voie électronique conformément aux modalités qu'il détermine.   § 2. Le jour de l'échéance est compté dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié, le jour de l'échéance est reporté au jour ouvrable suivant.   On entend par jour férié au sens du présent décret les jours suivants : le 1er janvier, le lundi de Pâques, le 1er mai, l'Ascension, le lundi de Pentecôte, le 21 juillet, le 15 août, le 27 septembre, les 1er, 2, 11 et 15 novembre, les 25 et 26 décembre ainsi que les jours déterminés par décret ou par arrêté du Gouvernement.   [2 ...  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 12, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2018-10-04/02, art. 7, 032; En vigueur : 01-01-2019>   Section 2. [1 De la tutelle générale d'annulation sur les actes des centres publics d'action sociale  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 13, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 111.[1 § 1er. Les actes des centres publics d'action sociale portant sur les objets suivants sont transmis au gouverneur de province, accompagnés de leurs pièces justificatives, dans les quinze jours de leur adoption, et ne peuvent pas être mis à exécution avant d'avoir été ainsi transmis :   1° le règlement d'ordre intérieur du conseil de l'action sociale, ainsi que ses modifications;   2° l'octroi d'une rémunération, d'un jeton de présence ou d'un avantage de toute nature aux membres du conseil de l'action sociale, du bureau permanent et des comités spéciaux;   3° [2 ...   4° [3 pour ce qui concerne les actes relatifs aux marchés publics :   a. l'attribution des marchés publics de travaux, de fournitures et de services d'un montant H.T.V.A. excédant ceux repris au tableau ci-dessous :   [4    Procédure ouverte Procédure restreinte/ Procédure concurrentielle avec négociation et Procédure négociée avec mise en concurrence préalable/   Procédure négociée directe avec publication préalable et Procédure négociée directe avec mise en concurrence préalable Procédure négociée sans publication préalable et Procédure négociée sans mise en concurrence préalable Travaux 300.000 EUR H.T.V.A. 150.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A. Fournitures et services 250.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A. 40.000 EUR H.T.V.A.  b. [4 la modification positive, compensée par les éventuelles modifications négatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces marchés de travaux, de fournitures et de services qui augmente de minimum dix pour cent le montant initial du marché;   c. [4 la modification positive, compensée par les éventuelles modifications négatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces marchés de travaux, de fournitures et de services dont le montant cumulé aux montants des modifications positives successives augmente de minimum dix pour cent le montant initial du marché;   d. [4 ...   e. l'attribution à un opérateur économique d'un marché public relatif à un prêt qu'il soit ou non lié à l'émission, à l'achat, à la vente et au transfert de titres ou d'autres instruments financiers dont le montant de la rémunération totale du prestataire excède [4 250 000 euros H.T.V.A.;   f. l'attribution d'une mission de services [4 d'un montant excédant 75 000 euros H.T.V.A.par le pouvoir adjudicateur à un autre pouvoir adjudicateur ou à une association de pouvoirs adjudicateurs, sur la base d'un droit exclusif dont ceux-ci bénéficient en vertu de dispositions législatives, réglementaires ou administratives publiées;   g. l'attribution d'un marché public [4 d'un montant excédant 75 000 euros H.T.V.A.passé avec une personne morale régie par le droit privé ou le droit public dans le cadre d'un contrôle in house au sens de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics;   h. [4 ...  [4 Pour l'application de la présente disposition, la notion de marchés publics englobe les accords-cadres;  [3 5° [4 pour ce qui concerne les actes relatifs aux concessions :   a. l'attribution d'une concession de services ou de travaux dont la valeurestimée lors de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession excède 250 000 euros H.T.V.A.;   b. la modification positive, compensée par les éventuelles modificationsnégatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces concessions de services et de travaux qui augmente de minimum dix pour cent la valeur de la concession telle qu'estimée au moment de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession;   c. la modification positive, compensée par les éventuelles modificationsnégatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces concessions de services et de travaux dont le montant cumulé aux montants des modifications positives successives augmente de minimum dix pour cent la valeur de la concession telle qu'estimée au moment de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession.   § 2. Le gouverneur de province peut, dans un délai de trente jours à dater de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives, annuler tout ou partie de l'acte par lequel un centre public d'action sociale viole la loi ou blesse l'intérêt général.   Le gouverneur de province peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir, d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 1er.   L'acte n'est plus susceptible d'annulation si le gouverneur de province n'a pas notifié sa décision dans le délai.  [4 § 3. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés au paragraphe 1er, 4° et 5°.  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 14, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2018-10-04/02, art. 8a, 032; En vigueur : 20-10-2018>   <DRW 2018-10-04/02, art. 8b,c, 032; En vigueur : 01-01-2019>   <DRW 2022-10-06/17, art. 7, 040; En vigueur : 01-02-2023>   Art. 112.[1 § 1er. La liste des décisions prises par le centre public d'action sociale, à l'exclusion des décisions d'octroi d'aide individuelle et de récupération, est transmise au collège communal dans les dix jours suivant la séance au cours de laquelle les décisions sont adoptées.   Le collège communal peut solliciter une ou plusieurs décisions figurant dans la liste. Cette demande doit être introduite dans les dix jours de la réception de la liste. Le jour de la réception de la liste n'est pas inclus dans le délai. Le centre public d'action sociale transmet au collège communal, dans les dix jours de la demande, la ou les décisions qu'il a sollicitées. Le jour de la réception de la demande n'est pas inclus dans le délai.   Le collège communal peut introduire un recours, auprès du gouverneur de province, contre la ou les décisions qu'il a sollicitées. Ce recours doit être introduit dans les dix jours de la réception de la décision du centre public d'action sociale. Le jour de la réception de la décision n'est pas inclus dans le délai.   Saisi d'un recours, le gouverneur de province réclame, au centre public d'action, l'acte accompagné de ses pièces justificatives.   § 2. Sans préjudice du droit d'évocation du gouverneur de province, un conseiller de l'action sociale ou toute personne intéressée peut introduire, auprès du gouverneur de province, un recours à l'encontre d'une décision du centre public d'action sociale, dans un délai de trente jours à dater de l'adoption de la décision.   Saisi d'un recours, le gouverneur de province réclame, au centre public d'action, l'acte accompagné de ses pièces justificatives.   § 3. Le gouverneur de province peut réclamer au centre public d'action sociale, la transmission de toute délibération, accompagnée de ses pièces justificatives, en vue d'exercer la tutelle générale d'annulation à laquelle sont soumis tous les actes autres que ceux visés aux articles 112bis à 112quinquies.   § 4. En application des paragraphes 1er à 3, le gouverneur de province peut, dans un délai de trente jours à dater de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives, annuler tout ou partie de l'acte par lequel un centre public de l'action sociale viole la loi ou blesse l'intérêt général.   Le gouverneur de province peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir, d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 1er.   L'acte n'est plus susceptible d'annulation si le gouverneur de province n'a pas notifié sa décision dans le délai.  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 15, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Section 2bis. [1 De la tutelle spéciale d'approbation sur les actes des centres publics d'action sociale  ----------  <Inséré par DRW 2014-01-23/08, art. 16, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 112bis.[1 § 1er. Les actes des centres publics d'action sociale portant sur le budget du centre public d'action sociale visé à l'article 88, § 1er, sont soumis, avant le 15 [2 novembrede l'année précédant l'exercice, à l'approbation du conseil communal.   Ce budget est commenté par le président du centre lors des séances du conseil communal à l'ordre du jour desquelles est inscrite son approbation.   Le conseil communal prend sa décision dans les quarante jours de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives.   Le conseil communal peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 3.   A défaut de décision dans le délai, l'acte est exécutoire.   Le conseil communal peut inscrire au budget du centre public d'action sociale, des prévisions de recettes et des postes de dépenses; il peut les diminuer, les augmenter ou les supprimer et rectifier des erreurs matérielles.   L'approbation peut être refusée pour violation de la loi ou lésion de l'intérêt général.   § 2. Le centre public d'action sociale dont le budget a fait l'objet d'une décision de refus d'approbation, d'une décision d'approbation partielle ou d'une décision de réformation de la part du conseil communal, peut introduire un recours auprès du gouverneur de province dans les dix jours de la réception de la décision du conseil communal. Une copie du recours est adressée au conseil communal au plus tard le dernier jour du délai de recours.   Le gouverneur de province peut approuver ou ne pas approuver, selon le cas, tout ou partie de la décision du conseil communal dans les trente jours de la réception du recours.   Le gouverneur de province peut inscrire au budget du centre public d'action sociale des prévisions de recettes et des postes de dépenses; il peut les diminuer, les augmenter ou les supprimer et rectifier des erreurs matérielles.   A défaut de décision dans ce délai, la décision querellée est réputée confirmée.   § 3. Les paragraphes 1er et 2 sont applicables à toute modification budgétaire visée à l'article 88, § 2.   § 4. A défaut pour le conseil de l'action sociale d'arrêter les budgets ou de pourvoir à une modification budgétaire qui s'avère nécessaire soit pour faire face à des circonstances imprévues, soit pour payer une dette du centre reconnue et exigible, il est fait application de l'article 113.   Si le conseil de l'action sociale omet d'arrêter les budgets du centre dans le délai prévu par la loi, le collège communal peut mettre le centre en demeure. Si le conseil de l'action sociale omet d'arrêter les budgets dans les deux mois de la mise en demeure, le conseil communal peut se substituer au conseil de l'action sociale et arrêter les budgets du centre en lieu et place du conseil de l'action sociale. Ces budgets sont notifiés par le conseil communal au conseil de l'action sociale.   La décision du conseil communal est susceptible de faire l'objet d'un recours par le centre public d'action sociale auprès du gouverneur de province, qui est doté de la même compétence que celle visée au paragraphe 2.  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 17, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2016-12-21/03, art. 15, 024; En vigueur : 01-01-2017>   Art. 112ter. [1 § 1er. Les actes des centres publics d'action sociale portant sur le compte visé à l'article 89, alinéa 1er, sont soumis avant le 1er juin qui suit la clôture de l'exercice, à l'approbation du conseil communal. Le rapport annuel est communiqué au conseil communal à titre de commentaire des comptes.   Ce compte est commenté par le président du centre lors de la séance du conseil communal à l'ordre du jour de laquelle est inscrite son approbation.   Le conseil communal prend sa décision dans les quarante jours de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives.   Le conseil communal peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 3.   A défaut de décision dans le délai, l'acte est exécutoire.   L'approbation peut être refusée uniquement pour violation de la loi.   § 2. Le centre public d'action sociale dont le compte a fait l'objet d'une décision de refus d'approbation ou d'une décision d'approbation partielle de la part du conseil communal, peut introduire un recours auprès du gouverneur de province dans les dix jours de la réception de la décision du conseil communal. Une copie du recours est adressée au conseil communal au plus tard le dernier jour du délai de recours.   Le gouverneur de province peut approuver ou ne pas approuver, selon le cas, tout ou partie de la décision du conseil communal dans les trente jours de la réception du recours.   A défaut de décision dans ce délai, la décision querellée est réputée confirmée.  ----------  <Inséré par DRW 2014-01-23/08, art. 18, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 112quater. [1 § 1er. Les actes des centres publics d'action sociale portant sur la fixation du cadre du personnel ainsi que sur le statut visé à l'article 42, § 1er, alinéa 9 sont soumis à la tutelle spéciale d'approbation du conseil communal. Ils sont transmis, accompagnés de leurs pièces justificatives, au conseil communal dans les quinze jours de leur adoption.   Le conseil communal prend sa décision dans les quarante jours de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives.   Le conseil communal peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 2.   A défaut de décision dans le délai, l'acte est exécutoire.   L'approbation peut être refusée pour violation de la loi ou lésion de l'intérêt général.   § 2. Le centre public d'action sociale dont l'acte relatif à la fixation du cadre du personnel ou au statut visé à l'alinéa 9 de l'article 42 a fait l'objet d'une décision de refus d'approbation ou d'une décision d'approbation partielle de la part du conseil communal, peut introduire un recours auprès du gouverneur de province dans les dix jours de la réception de la décision du conseil communal. Une copie du recours est adressée au conseil communal au plus tard le dernier jour du délai de recours.   Le gouverneur de province peut approuver ou ne pas approuver, selon le cas, tout ou partie de la décision du conseil communal dans les trente jours de la réception du recours.   A défaut de décision dans ce délai, la décision querellée est réputée confirmée.  ----------  <Inséré par DRW 2014-01-23/08, art. 19, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 112quinquies. [1 § 1er. Les actes des centres publics d'action sociale portant sur la création et la prise de participation dans les intercommunales, les associations de projet, les associations visées au chapitre XII ainsi que dans les associations ou les sociétés de droit public ou de droit privé, autres qu'intercommunale ou association de projet, susceptibles d'engager les finances communales, sont soumis à la tutelle spéciale d'approbation du conseil communal. Ils sont transmis, accompagnés de leurs pièces justificatives, au conseil communal dans les quinze jours de leur adoption.   Le conseil communal prend sa décision dans les quarante jours de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives.   Le conseil communal peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 2.   A défaut de décision dans le délai, l'acte est exécutoire.   L'approbation peut être refusée pour violation de la loi ou lésion de l'intérêt général.   § 2. Le centre public d'action sociale dont l'acte relatif à la création et la prise de participation dans les intercommunales, les associations de projet, les associations visées au chapitre XII ainsi que dans les associations ou les sociétés de droit public ou de droit privé, autres qu'intercommunales ou association de projet, susceptible d'engager les finances communales, a fait l'objet d'une décision de refus d'approbation ou d'une décision d'approbation partielle de la part du conseil communal, peut introduire un recours auprès du gouverneur de province dans les dix jours de la réception de la décision du conseil communal. Une copie du recours est adressée au conseil communal au plus tard le dernier jour du délai de recours.   Le gouverneur de province peut approuver ou ne pas approuver, selon le cas, tout ou partie de la décision du conseil communal dans les trente jours de la réception du recours.   A défaut de décision dans ce délai, la décision querellée est réputée confirmée.  ----------  <Inséré par DRW 2014-01-23/08, art. 20, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Section 2ter. [1 De la tutelle sur les actes des associations visées au chapitre XII  ----------  <Inséré par DRW 2014-01-23/08, art. 21, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 112sexies.[1 § 1er. Les actes des associations visées au chapitre XII de la présente loi portant sur les objets suivants sont transmis au Gouvernement, accompagnés de leurs pièces justificatives, dans les quinze jours de leur adoption, et ne peuvent être mis à exécution avant d'avoir été ainsi transmis :   1° la composition [2 initialedu conseil d'administration et de ses organes restreints;   2° l'octroi d'une rémunération, d'un jeton de présence ou d'un avantage de toute nature aux membres des organes de gestion;   3° le règlement d'ordre intérieur des organes de gestion;   4° [3 pour ce qui concerne les actes relatifs aux marchés publics :   a. l'attribution des marchés publics de travaux, de fournitures et de services d'un montant H.T.V.A. excédant ceux repris dans le tableau ci-dessous :   [4    Procédure ouverte Procédure restreinte/ Procédure concurrentielle avec négociation et Procédure négociée avec mise en concurrence préalable/Procédure négociée directe avec publication préalable et Procédure négociée directe avec mise en concurrence préalable Procédure négociée sans publication préalable et Procédure négociée sans mise en concurrence préalable Travaux 300.000 EUR H.T.V.A. 150.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A. Fournitures et services 250.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A. 40.000 EUR H.T.V.A.  b. [4 la modification positive, compensée par les éventuelles modifications négatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces marchés de travaux, de fournitures et de services qui augmente de minimum dix pour cent le montant initial du marché;   c. [4 la modification positive, compensée par les éventuelles modifications négatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces marchés de travaux, de fournitures et de services dont le montant cumulé aux montants des modifications positives successives augmente de minimum dix pour cent le montant initial du marché;   d. [4 ...   e. l'attribution à un opérateur d'un marché public relatif à un prêt qu'il soit ou non lié à l'émission, à l'achat, à la vente et au transfert de titres ou d'autres instruments financiers dont le montant de la rémunération totale du prestataire excède [4 250 000 euros H.T.V.A.;   f. l'attribution d'une mission de services [4 d'un montant excédant 75 000 euros H.T.V.A.par le pouvoir adjudicateur à un autre pouvoir adjudicateur ou à une association de pouvoirs adjudicateurs, sur la base d'un droit exclusif dont ceux-ci bénéficient en vertu de dispositions législatives, réglementaires ou administratives publiées;   g. l'attribution d'un marché public [4 d'un montant excédant 75 000 euros H.T.V.A.passé avec une personne morale régie par le droit privé ou le droit public dans le cadre d'un contrôle in house au sens de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics;   h. [4 ...  [4 Pour l'application de la présente disposition, la notion de marchés publics englobe les accords-cadres;  [3 5° [4 pour ce qui concerne les actes relatifs aux concessions :   a. l'attribution d'une concession de services ou de travaux dont la valeurestimée lors de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession excède 250 000 euros H.T.V.A.;   b. la modification positive, compensée par les éventuelles modificationsnégatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces concessions de services et de travaux qui augmente de minimum dix pour cent la valeur de la concession telle qu'estimée au moment de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession;   c. la modification positive, compensée par les éventuelles modificationsnégatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces concessions de services et de travaux dont le montant cumulé aux montants des modifications positives successives augmente de minimum dix pour cent la valeur de la concession telle qu'estimée au moment de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession.   § 2. Le Gouvernement peut, dans un délai de trente jours à dater de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives, annuler tout ou partie de l'acte par lequel une association visée au chapitre XII de la présente loi viole la loi ou blesse l'intérêt général.   Le Gouvernement peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir, d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 1er.   L'acte n'est plus susceptible d'annulation si le Gouvernement n'a pas notifié sa décision dans le délai.   § 3. Les actes non visés au paragraphe 1er sont soumis à la tutelle d'annulation du Gouvernement sur recours. L'annulation peut intervenir pour violation de la loi ou lésion de l'intérêt général.   Le Gouvernement [2 ou la Direction générale opérationnelle Intérieur et Action sociale du Service public de Walloniepeut réclamer aux associations visées au chapitre XII de la présente loi, la transmission de toute délibération qu'il désigne, accompagnée de ses pièces justificatives.   Le Gouvernement peut dans un délai de trente jours à dater de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives, annuler tout ou partie de l'acte par lequel une association visée au chapitre XII de la présente loi viole la loi ou blesse l'intérêt général.   Le Gouvernement peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir, d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 3.   L'acte n'est plus susceptible d'annulation si le Gouvernement n'a pas notifié sa décision dans le délai.  [4 § 4. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés au paragraphe 1er, 4° et 5°.  ----------  <Inséré par DRW 2014-01-23/08, art. 22, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2018-10-04/02, art. 9a,d, 032; En vigueur : 20-10-2018>   <DRW 2018-10-04/02, art. 9b,c, 032; En vigueur : 01-01-2019>   <DRW 2022-10-06/17, art. 8, 040; En vigueur : 01-02-2023>   Art. 112septies.[1 § 1er. Les actes des associations visées au chapitre XII de la présente loi, portant sur les objets suivants sont soumis, dans les quinze jours de leur adoption, à l'approbation du Gouvernement :   1° l'adoption ou la modification des statuts de l'association;   2° les dispositions générales en matière de personnel;   3° les comptes annuels;   4° le rééchelonnement d'emprunts souscrits;   5° [2 ....   § 2. Le Gouvernement prend sa décision dans les quarante jours de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives.   Le Gouvernement peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 1er.   A défaut de décision dans le délai, l'acte est exécutoire.   L'approbation peut être refusée pour violation de la loi ou lésion de l'intérêt général.  ----------  <Inséré par DRW 2014-01-23/08, art. 23, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2018-10-04/02, art. 10, 032; En vigueur : 20-10-2018>   Art. 112octies.[1 § 1er. Dans les associations visées au Chapitre XII de la présente loi, le Gouvernement peut désigner un délégué au contrôle.   Le Gouvernement arrête les règles relatives à la désignation et au statut administratif et pécuniaire du délégué. Parmi les dispositions du statut administratif figureront des dispositions en termes d'incompatibilités et de conflit d'intérêts.   Sans préjudice de la possibilité de mettre fin à tout moment aux missions du délégué au contrôle, le Gouvernement peut, après audition du délégué au contrôle, révoquer celui-ci, dans les hypothèses suivantes :   1° s'il a commis sciemment un acte incompatible avec la mission [2 ou l'objet de l'organisme;   2° s'il a commis une faute ou une négligence grave dans l'exercice de ses missions;   3° s'il est, au cours d'une même année, absent, sans justification, à plus de trois réunions régulièrement convoquées et auxquelles sa présence est requise;   4° s'il ne remplit plus les conditions arrêtées par le Gouvernement.   Au cours de son audition, le délégué au contrôle peut être assisté par la personne de son choix.   § 2. Le délégué au contrôle a pour mission le contrôle sur place, à l'occasion des réunions des organes de gestion de l'association visée au paragraphe 1er, des actes desdites associations.   A ce titre, il peut demander à être entendu lors des réunions auxquelles il assiste.   Le délégué au contrôle est invité à toutes les réunions des organes de gestion selon la procédure applicable à la convocation des membres de ces organes.   Il peut réclamer la transmission de toute délibération qu'il désigne, accompagnée de ses pièces justificatives.   Le délégué au contrôle peut solliciter une instruction de la part de l'autorité de tutelle sur toute décision de l'association visée au paragraphe 1er. L'autorité de tutelle statue selon les règles fixées aux articles 112sexies et 112septies de la présente loi.   Le délégué au contrôle fait rapport annuellement à l'autorité de tutelle.   § 3. Sans préjudice de ce qui précède, le délégué au contrôle ne peut utiliser ou divulguer des informations dont il a eu connaissance dans le cadre de ses missions, si l'utilisation ou la divulgation de ces informations est de nature à porter préjudice aux intérêts de l'organisme.  ----------  <Inséré par DRW 2018-10-04/02, art. 11, 032; En vigueur : 20-10-2018>   <DRW 2023-04-06/05, art. 6, 045; En vigueur : 21-10-2023>   Section 3. <Titre de section inséré par DRW 1998-04-02/40, art. 28; En vigueur : 08-05-1998> - De l'envoi d'un commissaire spécial.  Art. 113.[1 Le gouverneur peut, par arrêté, désigner un commissaire spécial lorsqu'un centre public d'action social ou une association visée au chapitre XII de la présente loi, lèse l'intérêt général, reste en défaut de fournir les renseignements et éléments demandés, ou de mettre en exécution les mesures prescrites par les lois, décrets, arrêtés, règlements ou statuts ou par une décision de justice coulée en force de chose jugée. Le commissaire spécial est habilité à prendre toutes les mesures nécessaires en lieu et place de l'autorité défaillante, dans les limites du mandat qui lui a été donné par l'arrêté qui le désigne.   Préalablement à l'envoi d'un commissaire spécial, le gouverneur :   - adresse à l'autorité visée, par pli recommandé, un avertissement motivé expliquant ce qui lui est demandé ou les mesures qu'elle reste en défaut de prendre;   - donne à cette autorité, dans le même avertissement, un délai déterminé et raisonnable pour répondre à la demande à elle adressée, justifier son attitude, confirmer sa position ou prendre les mesures prescrites.   Les frais, honoraires ou traitements inhérents à l'accomplissement de sa mission sont à charge des personnes défaillantes dans l'exercice de leur fonction ou de leur mandat. La rentrée de ces frais est poursuivie comme en matière d'impôts sur les revenus par le receveur des contributions directes sur l'exécutoire de l'autorité de tutelle.  (Lorsqu'une des mesures visées à l'alinéa précédent concerne le (centre public d'action sociale) des communes de Comines-Warneton ou de Fourons, le gouverneur prend sa décision de l'avis conforme du collège des gouverneurs de province, prévu à l'article 131bis de la loi provinciale.) <L 1988-08-09/30, art. 18; En vigueur : 1989-01-01> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  La rentrée de ces frais sera poursuivie, comme en matière de contributions directes, par le receveur de l'Etat, sur l'exécutoire du gouverneur.  Dans tous les cas, le recours est ouvert auprès du (Gouvernement). <DRW 1998-04-02/40, art. 34, En vigueur : 08-05-1998>  ----------  <DRW 2018-03-29/49, art. 30, 028; En vigueur : 24-05-2018>   CHAPITRE X. - Du contentieux et des actions judiciaires.  Art. 114.  <Abrogé par DRW 2014-01-23/08, art. 24, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 115.§ 1. (abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 63; En vigueur : 18-10-1992>  § 2. Par dérogation à l'article 28, alinéa 4, les actions judiciaires en demandant au sujet des opérations dont question à l'article 46, § 1er, ainsi que celles au sujet de la gestion des biens et le recouvrement des frais de l'aide octroyée, sont exercées, conformément à la décision du (conseil de l'action sociale), au nom du centre, poursuites et diligences du receveur ou le cas échéant, du receveur spécial visé à l'article 96. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  En cas d'empêchement ou d'absence d'un de ces fonctionnaires, les actes vises dans l'alinéa précédent sont accomplis par le fonctionnaire que, sous sa responsabilité, le receveur susmentionné a désigné ou par le receveur intérimaire; à défaut, le conseil de l'aide sociale délègue un fonctionnaire à cet effet.  Art. 115bis. <Inséré par DRW 2003-02-06/31, art. 7; En vigueur : 27-02-2003> § 1er. Le (Centre public d'Action sociale) est civilement responsable du paiement des amendes auxquelles sont condamnés le président du (Centre public d'Action sociale) ou son remplaçant, le ou les membres du bureau permanent et des comités spéciaux ou tout autre conseiller investi d'une mission spécifique par le centre, par le bureau permanent ou par un comité spécial, à la suite d'une infraction commise dans l'exercice normal de leurs fonctions, sauf en cas de récidive. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  L'action récursoire du (Centre public d'Action sociale) à l'encontre du président du (Centre public d'Action sociale) ou de son remplaçant, de ou des membres du bureau permanent ou des comités spéciaux ou de tout autre conseiller investi d'une mission spécifique par le centre, par le bureau permanent ou par un comité spécial condamnés est limitée au dol, à la faute lourde ou à la faute légère présentant un caractère habituel. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  § 2. Le (Centre public d'Action sociale) est tenu de contracter une assurance visant à couvrir la responsabilité civile, en ce compris l'assistance en justice, qui incombe personnellement au président du (Centre public d'Action sociale) ou aux membres du bureau permanent ou des comités spéciaux ou à tout autre conseiller investi d'une mission spécifique par le centre, par le bureau permanent ou par un comité spécial. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 115ter. <Inséré par DRW 2003-02-06/31, art. 8; En vigueur : 27-02-2003> Le président du (Centre public d'Action sociale) ou son remplaçant, le ou les membres du bureau permanent ou des comités spéciaux ou tout autre conseiller investi d'une mission spécifique par le centre, par le bureau permanent ou par un comité spécial, qui font l'objet d'une action en dommage et intérêts devant la juridiction civile ou répressive pour une faute commise à l'occasion de l'exercice normal de leurs fonctions, peuvent appeler à la cause toute autorité lui ayant confié une mission en vertu de l'article 57, § 4, de la présente loi. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Art. 115quater.[1 Le bureau permanent répond en justice à toute action intentée au C.P.A.S. Il intente les actions en référé et les actions possessoires; il fait tous actes conservatoires ou interruptifs de la prescription et des déchéances.   Toutes autres actions dans lesquelles le C.P.A.S. intervient comme demanderesse ne peuvent être intentées par le bureau permanent qu'après autorisation du conseil de l'action sociale.   Sans préjudice de l'article 728, § 3, alinéa 4, du Code judiciaire, le bureau permanent du centre public d'action sociale peut désigner soit un de ses membres, soit un membre du personnel, soit un avocat, pour connaître en justice au nom du C.P.A.S.  ----------  <DRW 2024-03-28/63, art. 41, 047; En vigueur : 01-10-2024>   CHAPITRE XI. - Du conseil supérieur de l'aide sociale et du service d'étude  Art. 116. <L 1987-06-22/34, art. 1; En vigueur : 22-07-1987> Il est institué auprès du Ministre qui a l'aide sociale dans ses attributions un conseil supérieur de l'aide sociale chargé de donner des avis au Ministre sur toutes les matières le concernant, relatives à la politique de l'aide sociale.  Le (Gouvernement) règle l'organisation et les attributions de ce conseil. <DRW 1998-04-02/40, art. 34, En vigueur : 08-05-1998>  Art. 117. Le Ministère qui a l'aide sociale dans ses attributions comprend un service d'étude chargé notamment d'observer systématiquement l'activité des (centres publics d'action sociale) en vue de dégager des critères objectifs utilisables pour l'application de la présente loi. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Ce service est également chargé d'étudier l'évolution des besoins sociaux, de répertorier les organismes et oeuvres d'aide sociale et d'en tenir à jour une documentation à la disposition des (centres publics d'action sociale) et de chacun qui en fait la demande. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  CHAPITRE XII. - Des associations.  Art. 118. Un (centre public d'action sociale) peut, pour réaliser une des tâches confiées aux centres par la présente loi, former une association avec un ou plusieurs autres (centres publics d'action sociale), avec d'autres pouvoirs publics et ou avec des personnes morales autres que celles qui ont un but lucratif. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 119.  <Abrogé par DRW 2014-01-23/08, art. 25, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 120. Les statuts de l'association (mentionnent) : <L 1992-08-05/46, art. 65; En vigueur : 18-10-1992>  (1. la dénomination, le siège, la durée et, le cas échéant, la forme juridique de l'association.) <DRW 1998-04-02/40, art. 30; En vigueur : 1998-05-08>  2. l'objet ou les objets en vue desquels elle est formée;  3. la désignation précise des associés, de leurs apports, de leurs engagements et de leurs cotisations;  4. les conditions mises à l'entrée et à la sortie des associes;  5. les attributions et le mode de convocation de l'assemblée générale, ainsi que les conditions dans lesquelles ses résolutions sont portées à la connaissance de ses membres et des tiers;  6. les rapports de l'association avec ses membres au sujet de la communication des documents soumis à l'assemblée générale;  7. les attributions du conseil d'administration; le mode de nomination et de révocation de ses membres, ainsi que les responsabilités des administrateurs;  8. les règles financières et comptables pour autant qu'elles ne sont pas prévues par la loi;  9. les règles à suivre pour modifier les statuts;  10. la destination du patrimoine de l'association dans le cas où celle-ci serait dissoute.  Les statuts sont constatés dans un acte authentique.  Art. 121.[1 § 1er.L'association jouit de la personnalité juridique. Elle peut notamment, dans les mêmes conditions que les (centres publics d'action sociale), recevoir des subsides des pouvoirs publics et des donations et legs ainsi que contracter des emprunts. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  (L'association peut adopter la forme juridique de l'association sans but lucratif.) <DRW 1998-04-02/40, art. 31; En vigueur : 1998-05-08>  [1 § 2. Les dispositions des articles 75bis, 75ter, 76bis et 76ter sont applicables pour les opérations immobilières et mobilières de l'association créée en vertu des articles 118 et suivants sous la réserve que le mot C.P.A.S. se lit comme association créée en vertu des articles 118 et suivants de la présente loi.  ----------  <DRW 2024-03-28/63, art. 42, 047; En vigueur : 01-10-2024>   Art. 121bis. <inséré par L 1992-08-05/46, art. 66; En vigueur : 18-10-1992> Tous les actes, factures, annonces, publications et autres pièces qui émanent de l'association, mentionnent sa dénomination, précédée ou suivie des mots écrits lisiblement et en toutes lettres : " Association régie par la loi du 8 juillet 1976 ".  Art. 122.Les dispositions des articles [1 112septies, 120 et 134 sont d'application pour les modifications des statuts.  Toute modification entraînant pour les associés une aggravation de leurs obligations ou une diminution de leurs droits dans l'association doit, au préalable, recevoir leur agrément.  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 26, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 123. En cas de modification des objets en vue desquels l'association est formée, tout associé peut se retirer de l'association en adressant sa démission au conseil d'administration.  Il recevra la contrepartie, estimée à la valeur comptable au moment de la démission, de l'apport qu'il a éventuellement fait l'association. Il ne peut toutefois pas réclamer le remboursement des cotisations qu'il a versées.  Art. 124.[1 Les Centres publics d'action sociale sont représentés dans les organes de l'association par des membres de leur Conseil de l'action sociale. Ces membres sont désignés par le Conseil suivant les règles déterminées par l'article 27, § 6, alinéa 2, de la présente loi pour l'élection des membres du Bureau permanent.   Les administrateurs représentant les centres publics d'action sociale associés sont de sexe différent. Leur nombre ne peut dépasser un cinquième du nombre de membres du Conseil de l'action sociale. Dans l'hypothèse où la disposition visée à l'article 125 alinéa 1er ne peut être satisfaite, le nombre d'administrateurs représentant les centres publics d'action sociale associés peut être porté à deux cinquièmes du nombre de membres du Conseil de l'action sociale.   Les administrateurs représentant les centres associés sont désignés à la proportionnelle de l'ensemble des Conseils de l'action sociale des centres associés conformément aux articles 167 et 168 du Code électoral.   Pour le calcul de cette proportionnelle, il est tenu compte des éventuels critères statutaires ainsi que des déclarations individuelles facultatives d'apparentement ou de regroupement. Elles sont publiées sur le site internet de la commune.   Les déclarations d'apparentement ou de regroupement ne peuvent être faites qu'une seule fois, vers une seule liste et pour l'ensemble des mandats dérivés du conseiller de l'action sociale.   Le Centre communique à l'association, au plus tard le 1er mars de l'année qui suit celle des élections communales ou provinciales, le nom des conseillers de l'action sociale, leur groupe politique et, le cas échéant, les apparentements ou les regroupements, tels qu'ils ressortent des déclarations individuelles actées en séance du Conseil de l'action sociale.   Par contre, il n'est pas tenu compte pour le calcul de cette proportionnelle de la ou des listes de conseillers déposée(s) par un groupe politique du conseil communal qui ne respecte pas les principes démocratiques énoncés, notamment, par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par les protocoles additionnels à cette convention en vigueur en Belgique, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie et par la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la seconde guerre mondiale et de ceux qui étaient administrateurs d'une association au moment des faits à la suite desquels elle a été condamnée pour l'une des infractions prévues par la loi du 30 juillet 1981 ou la loi du 23 mars 1995.   En outre, toute liste de conseillers déposée par un groupe politique démocratique du conseil communal disposant d'au moins un élu au sein d'un des centres associés et d'au moins un élu au Parlement wallon et non représenté conformément au système de la représentation proportionnelle visée au deuxième alinéa, a droit à un siège d'observateur, avec voix consultative, tel que défini à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   Tout groupe politique démocratique représenté au Parlement wallon et au sein d'une des communes dont le centre public d'action sociale est associé à l'association qui ne dispose pas d'un siège au Conseil d'administration a droit à un siège d'observateur, avec voix consultative, tel que défini à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation. Par " groupe politique démocratique ", il faut entendre formations politiques qui respectent les principes démocratiques énoncés notamment par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par les protocoles additionnels à cette convention en vigueur en Belgique, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie et par la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la Seconde Guerre mondiale ou toute autre forme de génocide, ainsi que les droits et libertés garantis par la Constitution.   Le Conseil d'administration peut comprendre un ou plusieurs délégués du personnel qui siègent avec voix consultative.   Les alinéas 1er à 7 du présent article s'appliquent mutatis mutandis aux représentants des communes.  [2 La réunion des organes de l'association est organisée :   1° conformément aux articles 30bis et 30ter en ce qui concerne l'assemblée générale;   2° conformément aux articles 30bis et 30quater en ce qui concerne les organes de gestion.  ----------  <DRW 2018-07-17/03, art. 22, 031; En vigueur : 15-10-2018>   <DRW 2021-07-15/15, art. 5, 036; En vigueur : 01-10-2021>   Art. 125.Quelle que soit la proportion des apports des divers associés, les personnes de droit public disposent toujours de la majorité des voix dans les différents organes d'administration et de gestion de l'association. [1 Le conseil d'administration de l'association est composé de minimum cinq administrateurs.  (Lorsqu'une association est formée en vue de l'exploitation d'un hôpital ou d'une partie d'un hôpital, les personnes de droit public disposent de la moitié au moins des voix dans les différents organes d'administration et de gestion de l'association.  Si les associés autres que les personnes de droit public disposent de la moitié des voix dans les différents organes d'administration et de gestion de l'association, 50 pourcent au maximum du déficit constaté dans les comptes de gestion de l'hôpital peuvent être couverts, conformément aux dispositions de l'article 13, § 2bis, de la loi du 23 décembre 1963 sur les hôpitaux.) <ARN430 1986-08-05/31, art. 6, 006>  ----------  <DRW 2018-03-29/49, art. 32, 028; En vigueur : 24-05-2018>   Art. 125/1. [1 § 1er. Lorsqu'une association est formée en vue de l'exploitation d'un hôpital ou d'une partie d'un hôpital ainsi que d'une maison de repos, elle constitue un comité d'audit au sein de son conseil d'administration.   § 2. Le comité d'audit est composé de membres du conseil d'administration qui ne sont pas membres du bureau exécutif. Le nombre maximum de membres du comité d'audit ne peut être supérieur à vingt-cinq pourcents du nombre de membres du Conseil d'administration.   Le président du comité d'audit est désigné par les membres du comité.   Au moins un membre du comité d'audit dispose d'une expérience pratique et/ou de connaissances techniques dans le domaine d'activités de l'association.   Le titulaire de la fonction dirigeante au sein de l'association est systématiquement invité aux réunions, avec voix consultative.   § 3. Le conseil d'administration définit les missions du comité d'audit lesquelles comprennent au minimum les missions suivantes :   1° la communication au conseil d'administration d'informations sur les résultats du contrôle légal des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés et d'explications sur la façon dont le contrôle légal des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés ont contribué à l'intégrité de l'information financière et sur le rôle que le comité d'audit a joué dans ce processus;   2° le suivi du processus d'élaboration de l'information financière et présentation de recommandations ou de propositions pour en garantir l'intégrité;   3° le suivi de l'efficacité des systèmes de contrôle interne et de gestion des risques de l'association ainsi que suivi de l'audit interne et de son efficacité;   4° le suivi du contrôle légal des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés, en ce compris le suivi des questions et recommandations formulées par le réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés;   5° l'examen et suivi de l'indépendance du réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés, en particulier pour ce qui concerne le bien-fondé de la fourniture de services complémentaires à la société.   Le comité d'audit fait régulièrement rapport au conseil d'administration sur l'exercice de ses missions, au moins lors de l'établissement par celui-ci des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés.  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 33, 028; En vigueur : 24-05-2018>      Art. 125/2. [1 Le conseil d'administration peut déléguer, sous sa responsabilité, la gestion journalière de l'association au titulaire de la fonction dirigeante locale.   La délibération relative à la délégation de la gestion journalière précise les actes de gestion qui sont délégués et la durée de délégation d'un terme maximal de trois ans, renouvelable. Elle est votée à la majorité simple et publiée au Moniteur belge. Elle prend fin après tout renouvellement intégral de conseil d'administration.   Le règlement d'ordre intérieur peut prévoir des majorités spéciales.  ----------  <Inséré par DRW 2018-03-29/49, art. 34, 028; En vigueur : 24-05-2018>      Art. 126.(§ 1er. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre et de l'article 94, § 7, les associations sont administrées conformément à leurs règles statutaires.  § 2. [1 ...  § 3. [1 ...  § 4. L'hôpital géré par une association doit être en équilibre financier. A défaut, un plan de gestion applicable à l'hôpital doit être adopté, sauf décision motivée de l'organe compétent de l'association. Il contient les mesures nécessaires incombant à l'hôpital pour atteindre ou maintenir l'équilibre financier.  Si l'intervention du centre régional d'aide aux communes est sollicitée par la ou les communes associées ou les communes dont les (centres publics d'action sociale) sont associés, ce plan est établi suivant les modalités fixées par le Gouvernement. Il est approuvé par les communes et les (centres publics d'action sociale) associés, les communes dont le (centre public d'action sociale) est associé et le Gouvernement. Toute modification du plan de gestion est soumise à la même procédure. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  Lorsque le plan de gestion requis n'est pas arrêté, approuvé ou exécuté dans un délai fixé par le Gouvernement, ce dernier peut en imposer un. Dans ce cas, l'association peut être assistée par un expert hospitalier nommé par le Gouvernement conformément aux modalités et aux qualifications arrêtées par le Gouvernement.  § 5. Après deux avertissements consécutifs, constatés par la correspondance, le Gouvernement peut charger un ou plusieurs commissaires de se transporter sur les lieux aux frais personnels des membres du conseil d'administration ou des agents de l'association en retard de satisfaire aux avertissements, à l'effet de recueillir les renseignements ou observations demandés, ou de mettre à exécution les mesures prescrites par les lois et règlements généraux.  § 6. L'article 110bis est applicable aux mesures de tutelle prévues [1 au paragraphe 4.) <DRW 1998-04-02/40, art. 32; En vigueur : 1998-05-08>  (§ 7.) La fonction de gouverneur de province est incompatible avec la qualité de membre d'un conseil d'administration de ces associations. <DRW 1998-04-02/40, art. 32; En vigueur : 1998-05-08>  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 27, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 127. § 1er. Les décisions des associations susvisées sont susceptibles de recours pour les mêmes motifs, dans les mêmes conditions et selon la même procédure que déterminés au chapitre V de la présente loi.  § 2. Les dispositions du chapitre VII relatives au remboursement, par les particuliers, des frais de l'aide sociale sont applicables aux associations visées par le présent chapitre.  Art. 128.§ 1er. [3 ...  § 2. Des membres du personnel d'un (centre public d'action sociale) qui fait partie d'une association visée par le présent chapitre, peuvent être repris par celle-ci. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Nonobstant les règles applicables aux promotions, ces membres y sont transférés dans leur grade ou un grade équivalent et en leur qualité; ils conservent la rétribution et l'ancienneté pécuniaire qu'ils avaient ou auraient obtenues s'ils avaient continué à exercer dans leur service d'origine la fonction dont ils étaient titulaires au moment de leur transfert.  Le (Gouvernement) fixe les règles générales destinées à établir l'ancienneté administrative de ces agents. Il détermine également les conditions dans lesquelles ces mêmes agents peuvent être réintégrés dans leur centre d'origine. Les lois ou arrêtés accordant une priorité pour l'accès aux emplois publics ne sont pas applicables aux transferts qui ont lieu en vertu du présent paragraphe. <DRW 1998-04-02/40, art. 34, En vigueur : 08-05-1998>  [1 ...  § 3. Il peut être convenu à la reprise de personnel en service d'un associé du secteur privé, que ce personnel est maintenu dans la même situation en matière de rémunération, ancienneté, sécurité sociale et droits acquis.  Les conditions et modalités d'une régularisation éventuelle à titre définitif sont déterminées par le (Gouvernement). <DRW 1998-04-02/40, art. 34, En vigueur : 08-05-1998>  (§ 4. [3 ...  § 5. [3 ...  [2 § 6. [3 ...  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 28, 020; En vigueur : 01-03-2014>   <DRW 2018-03-29/49, art. 35, 028; En vigueur : 24-05-2018>   <DRW 2024-03-14/16, art. 22, 046; En vigueur : 01-06-2024>   Art. 128/1.[1 Le personnel de l'association est soumis à un régime statutaire ou contractuel.   Le membre du personnel statutaire vise tout membre du personnel qui, par décision unilatérale de l'autorité, est nommé à titre temporaire ou à titre définitif, ou est admis en stage en vue d'une nomination à titre définitif.   Le membre du personnel contractuel vise tout membre du personnel engagé sous contrat de travail conformément à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.  ----------  <DRW 2024-03-14/16, art. 23, 046; En vigueur : 01-06-2024>   Art. 128/2. [1 Le conseil d'administration adopte l'organigramme de l'administration.   L'organigramme représente la structure d'organisation des services de l'association, indique les rapports hiérarchiques et identifie les fonctions qui impliquent l'appartenance au comité de direction.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 24, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/3. [1 Le comité de direction est composé des membres du personnel que la fonction dirigeante locale choisit parmi ceux qui remplissent des fonctions reliées à la qualité de responsable de service par l'organigramme.   Le comité de direction est présidé par la fonction dirigeante locale.   Indépendamment des attributions confiées par décision du conseil d'administration, le comité de direction est compétent pour les questions relatives à l'organisation et au fonctionnement des services, les avant-projets de budget, les modifications budgétaires et les notes explicatives y relatives, les projets de cadre, d'organigramme et de statut général du personnel.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 25, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/4. [1 Une description de fonction est élaborée, avant de pourvoir à l'emploi, pour tous les métiers de l'administration. Elle est arrêtée par la fonction dirigeante locale après concertation au sein du comité de direction.   La description de fonction contient la mission, la finalité ou l'objectif de la fonction, les tâches principales ainsi que l'ensemble des compétences professionnelles et des aptitudes personnelles requises pour correspondre au métier.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 26, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/5. [1 Le conseil d'administration adopte le plan de formation sur la proposition de la fonction dirigeante locale, après concertation en comité de direction.   Le plan de formation est un programme pluriannuel, actualisé annuellement, qui identifie et priorise les besoins en formation en vue de rencontrer les objectifs de l'administration.   Il identifie le budget nécessaire.   Le conseil d'administration communique sans délai aux organisations syndicales représentatives le plan de formation adopté.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 27, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/6. [1 § 1er. Le conseil d'administration fixe le statut général du personnel.   Par statut général du personnel, l'on entend l'ensemble des règles générales prises dans le cadre de l'autonomie locale qui régissent la situation juridique administrative et pécuniaire de tous les membres du personnel de l'administration, quel que soit leur grade.   § 2. Le statut général du personnel comprend au minimum :   1° les conditions requises pour être recruté comme membre du personnel statutaire ou comme membre du personnel contractuel ainsi que les procédures et épreuves y relatives;   2° la détermination, la répartition, la classification et l'équivalence des grades, emplois ou fonctions;   3° les droits et devoirs des membres du personnel, les incompatibilités et interdictions ainsi que les règles et les procédures relatives aux cumuls avec d'autres fonctions ou emplois;   4° les règles et procédures disciplinaires;   5° les mesures d'ordre;   6° les règles et procédures d'évaluation;   7° les règles et procédures de transfert, de mobilité, de mission ou de toute autre forme de réaffectation vers d'autres services;   8° les règles et procédures de promotion, de tout avancement ou progression de carrière ainsi que celles relatives à l'exercice de fonctions supérieures;   9° les positions administratives, les circonstances qui les déterminent et leurs conséquences sur la situation des membres du personnel, en ce compris le régime des congés et de mises en disponibilité;   10° les causes de cessation de la relation statutaire;   11° les éléments de la rémunération;   12° les conditions d'octroi, les bénéficiaires et indemnités relatives au télétravail lorsqu'il est organisé.   Par épreuve visée au 1°, l'on entend un examen écrit, oral ou pratique ou une candidature répondant au statut, sur base desquels la commission de sélection évalue les candidats à l'emploi et effectue une comparaison des titres et des compétences au sens de l'article 128/11.   Les éléments visés au 11° sont les échelles barémiques et leur développement en échelons, ainsi que les conditions d'octroi et les bénéficiaires des indemnités, des allocations et des avantages de toute nature, en ce compris les pensions complémentaires.   § 3. Les éléments de la rémunération sont fixés notamment selon l'importance des attributions, le degré de responsabilité et les aptitudes générales et professionnelles requises, et la place occupée par les membres du personnel dans la hiérarchie de l'administration de l'association.   Les règles applicables en matière de rémunération de la fonction dirigeante locale de l'association sont prévues à l'annexe 4 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   § 4. Un avis indiquant l'endroit où le statut général du personnel peut être consulté est affiché dans un lieu apparent et accessible. Chaque membre du personnel doit pouvoir prendre connaissance, en permanence et sans intermédiaire, du statut général du personnel et de ses modifications dans un endroit facilement accessible.   § 5. Le conseil d'administration est compétent en matière de personnel mais peut déléguer la mise en oeuvre des décisions qu'il a prises dans le cadre du statut général du personnel.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 28, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/7. [1 § 1er. Tous les membres du personnel statutaire sont recrutés et nommés par le conseil d'administration à l'issue d'une procédure conforme au statut général du personnel.   Cette compétence peut être déléguée sauf en ce qui concerne la fonction dirigeante locale.   § 2. Tous les membres du personnel contractuel sont recrutés par le conseil d'administration à l'issue d'une procédure conforme au statut général du personnel. Cette compétence peut être déléguée sauf en ce qui concerne la fonction dirigeante locale.   Le conseil d'administration est compétent pour rompre le contrat de travail d'un membre du personnel contractuel. Il peut déléguer cette compétence sauf en ce qui concerne la fonction dirigeante locale.   L'acte de délégation indique expressément le type d'acte délégué, à savoir la rupture du contrat de travail de façon unilatérale moyennant préavis ou non, avec indemnité ou non, pour motif grave, ou la rupture du contrat de travail de commun accord avec le membre du personnel.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 29, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/8. [1 § 1er. Le personnel est recruté sous régime statutaire ou contractuel conformément aux dispositions prévues dans le statut général du personnel.   Le recrutement vise les opérations qui ont pour but de pourvoir à un poste et dont le processus aboutit à l'entrée en service d'un nouveau membre du personnel.   § 2. Le recrutement est effectué sur base d'un appel public à candidatures qui comprend au minimum une description de fonction, la nature juridique de l'emploi, ainsi que les conditions d'accès et le barème prévus par le statut général du personnel.   Les modalités de publicité de l'appel à candidatures sont déterminées par le statut général du personnel.   § 3. Il peut être dérogé à la publicité de l'appel à candidatures pour les recrutements à effectuer en cas d'urgence impérieuse, pour les recrutements sous contrat de travail à durée déterminée de moins d'un an, ou pour les recrutements rendus nécessaires pour répondre à une obligation légale.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 30, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/9. [1 Pour chaque recrutement, une commission de sélection est constituée.   Le statut général du personnel fixe la qualité des membres de la commission de sélection.   La fonction dirigeante locale détermine les noms des membres effectifs et suppléants de la commission de sélection.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 31, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/10. [1 Le statut général du personnel fixe le nombre et la nature des épreuves de recrutement.   Les observateurs ne prennent pas part aux délibérations de la commission de sélection.   Le statut général du personnel peut dispenser un candidat au recrutement d'une partie des épreuves pour autant que ce dernier démontre qu'il a réussi le même type d'épreuve, pour une fonction équivalente, dans une autre commune, province, régie autonome, intercommunale, zone de police, zone de secours, centre public d'action sociale ou association régie par le chapitre XII.   Le statut général du personnel fixe un délai maximal endéans lequel les épreuves doivent avoir été initialement réussies au sein de l'autre pouvoir local.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 32, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/11. [1 L'autorité compétente pour recruter procède à une comparaison des titres et des compétences entre les candidats.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 33, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/12. [1 § 1er. Lorsqu'un emploi accessible par promotion est déclaré vacant par le conseil d'administration, un appel à candidatures est lancé au sein du personnel statutaire et contractuel de son administration.   § 2. Les articles 128/9 à 128/11 sont applicables aux procédures de promotion.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 34, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/13. [1 § 1er. L'évaluation est un instrument de gestion des ressources humaines qui, dans le cadre d'un dialogue entre l'autorité et le membre du personnel, permet de dresser un bilan du travail accompli et de son développement professionnel dans la fonction qu'il occupe.   § 2. Chaque membre du personnel est évalué conformément au régime fixé par le statut général du personnel. Celui-ci fixe les critères de référence qui permettent d'évaluer chaque membre du personnel quant à l'atteinte des objectifs qui lui ont été fixés, la procédure à suivre et les délais y relatifs, ainsi que les mentions d'évaluation et leurs effets sur la situation administrative et pécuniaire du membre du personnel.   L'évaluation de chaque membre du personnel est réalisée par le supérieur ou les supérieurs hiérarchiques.   § 3. Lorsque l'évaluation n'a pas été réalisée dans les quatre mois suivant la date de l'échéance fixée par le statut général du personnel, celle-ci est réputée favorable et ses effets rétroagissent à la date de l'échéance.   Le statut général du personnel peut fixer des modalités particulières lorsque le membre du personnel est absent durant tout ou partie de la période d'évaluation et/ou durant les quatre mois qui suivent la date d'échéance de l'évaluation.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 35, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/14. [1 Les membres du personnel statutaire peuvent être démis d'office pour inaptitude professionnelle dans les conditions et procédures des articles 54 à 54quater.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 36, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/15. [1 § 1er. Les membres du personnel statutaire peuvent être mis à la disposition d'un utilisateur pour la défense des intérêts de l'association.   Par utilisateur, l'on entend les communes, les provinces, les intercommunales, les centres publics d'action sociale, les associations régies par le chapitre XII, les zones de secours, les zones de police, les régies, les établissements de culte, les sociétés de logement, les ASBL. Le Gouvernement peut désigner d'autres utilisateurs en cas de circonstances urgentes et impérieuses.   § 2. La mise à disposition des membres du personnel statutaire est temporaire.   Elle est organisée dans une convention écrite conclue entre l'association et l'utilisateur, dans laquelle sont précisées les conditions et la durée de la mise à disposition, la nature de la mission et les éléments de la rémunération.   La convention est approuvée par le conseil d'administration, signée par l'association et l'utilisateur avant le début de la mise à disposition. La convention signée est communiquée au membre du personnel concerné avant le début de la mise à disposition, soit en mains propres, soit, contre accusé de réception, par envoi recommandé ou par courrier électronique.   L'approbation de la convention peut être déléguée par le conseil d'administration moyennant un information à ce dernier.   § 3. Le membre du personnel conserve sa qualité de membre du personnel statutaire de l'association pendant toute la durée de la mise à disposition et demeure soumis au statut général du personnel de l'association.   Le membre du personnel mis à disposition auprès d'un utilisateur est en position d'activité de service pendant la durée de la mise à disposition. Il a droit à sa rémunération et conserve le droit de participer aux procédures d'avancement de rémunération, de grade ou de carrière prévues dans le statut général du personnel.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 37, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 128/16. [1 § 1er. Les membres du personnel statutaire sont mis à la retraite à l'âge déterminé par les dispositions applicables en matière de pension légale.   § 2. Le maintien en activité au-delà de l'âge légal de la pension peut être autorisé, par le conseil d'administration, sur demande du membre du personnel concerné. La période du maintien en activité est fixée pour une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule nouvelle période d'une durée maximale d'une année.   L'autorisation du maintien en activité peut être déléguée par le conseil d'administration moyennant une information à ce dernier.  ----------  <Inséré par DRW 2024-03-14/16, art. 38, 046; En vigueur : 01-06-2024>      Art. 129.Les règles de la comptabilité en partie double sont appliquées pour la gestion de l'association et de ses établissements et services.  L'exercice financier cadre avec l'année civile.  Le compte de l'association comprend le bilan, le compte d'exploitation et le compte de profits et pertes arrêtés le 31 décembre de chaque année.  Les autres règles propres à la gestion financière des associations sont déterminées par le (Gouvernement). <DRW 1998-04-02/40, art. 34, En vigueur : 08-05-1998>  [1 Dans les cinq jours de son adoption, le compte de l'association est communiqué aux organisations syndicales représentatives. Les informations sur la structure de l'emploi, son évolution et les prévisions d'emploi, le personnel occupé pendant tout ou partie de l'année de référence [2 , ainsi que le nombre de nominations prévues sur l'année budgétaire en cours,accompagnent le compte.   Les documents visés à l'alinéa 5 peuvent être communiqués par voie électronique.   A la demande des organisations syndicales représentatives, le conseil d'administration les invite sans délai à une séance d'information spécifique au cours de laquelle lesdits documents sont présentés et expliqués. La demande est introduite dans les cinq jours de la communication des documents et informations visés à l'alinéa 5.   La séance d'information a lieu avant la transmission du compte aux autorités de tutelle et avant toute publicité extérieure.  ----------  <DRW 2016-11-10/07, art. 2, 023; En vigueur : 04-12-2016>   <DRW 2024-03-14/16, art. 39, 046; En vigueur : 01-06-2024>   Art. 130. L'association est responsable des fautes imputables soit à ses préposés, soit aux organes par lesquels s'exerce sa volonté.  Les administrateurs ne contractent aucune obligation personnelle relativement aux engagements de l'association. Leur responsabilité se limite à l'exécution du mandat qu'ils ont reçu et aux fautes commises dans leur gestion.  Art. 131.La durée de l'association ne peut excéder trente ans.  L'association est dissoute de plein droit à l'expiration du terme fixé par les statuts si la prorogation n'en est pas décidée [1 ....  [1 ...  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 29, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 132.La dissolution volontaire de l'association, avant l'expiration du terme fixé par les statuts, ne peut être décidée que du consentement de tous les (centres publics d'action sociale) qui en sont membres. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>  [1 ...  ----------  <DRW 2014-01-23/08, art. 30, 020; En vigueur : 01-03-2014>   Art. 133.[1 § 1.Le (Gouvernement) peut prononcer la dissolution de toute association qui outrepasse [2 les limites de son objetou qui ne le réalise pas. Il peut le faire également si elle ne respecte pas ses obligations légales et statutaires. <DRW 1998-04-02/40, art. 34, En vigueur : 08-05-1998>  Le (Gouvernement) peut également prononcer la dissolution de toute association qui, à la date du 31 décembre 1978, ne se sera pas adaptée aux nouvelles dispositions légales, réglementaires et statutaires imposées par la présente loi ou par le (Gouvernement). <DRW 1998-04-02/40, art. 34, En vigueur : 08-05-1998>  [1 § 2. Le Gouvernement peut charger le service qu'il désigne de procéder, au sein d'une associations visées au Chapitre XII de la présente loi, à des contrôles de légalité et de régularité d'opérations spécifiques ou à des investigations sur la gouvernance interne de l'institution.   Le service visé à l'alinéa 1er peut :   1° se faire communiquer à tout moment tous documents et renseignements, de quelque nature que ce soit, des autorités visées au Chapitre XII et qu'il juge utiles à l'accomplissement des missions décrites à l'alinéa 1er;   2° organiser un contrôle sur place dans les services et organismes visés au Chapitre XII et conformément à l'alinéa 1er.   Le service visé à l'alinéa 1er:   1° établit un rapport au Gouvernement, formule des observations et, le cas échéant, des recommandations;   2° présente son rapport aux services et organismes visés au Chapitre XII qui disposent d'un délai de trente jours pour formuler leurs observations et propositions de mise en oeuvre des recommandations.  ----------  <DRW 2018-10-04/02, art. 12, 032; En vigueur : 20-10-2018>   <DRW 2023-04-06/05, art. 8, 045; En vigueur : 21-10-2023>   Art. 134. (Les arrêtés d'approbation devenus définitifs) relatifs aux associations visées par le présent chapitre, ainsi que la décision prenant acte de la démission visée à l'article 123, sont publiés par extrait au Moniteur belge. <L 1992-08-05/46, art. 67; En vigueur : 18-10-1992>  Les statuts, ainsi que les modifications y apportées, sont (...) publiés in extenso dans les annexes du Moniteur belge aux frais de l'association. <L 1992-08-05/46, art. 67; En vigueur : 18-10-1992>  Art. 135. A la dissolution de l'association, chaque (centre public d'action sociale) peut être autorisé par le (Gouvernement) dans ses attributions à racheter les biens situés sur son territoire selon les dispositions prévues dans les statuts ou, à défaut, à dire d'expert. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 16 et 19; En vigueur : 08-10-2006>  A défaut d'offre de reprise ou d'autorisation, ces biens sont vendus publiquement, à moins qu'un autre associé de l'association ne décide de les acquérir aux prix d'expertise.  CHAPITRE XIIbis. [1 - De l'octroi et du contrôle de l'octroi et de l'utilisation de certaines subventions  ----------  <Inséré par DRW 2013-01-31/14, art. 3, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Section 1re. [1 - Champ d'application  ----------  <Insérée par DRW 2013-01-31/14, art. 4, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Art. 135bis.[1 § 1er. Le présent chapitre s'applique à toute subvention visée à l'article 135ter octroyée par les dispensateurs suivants :   1° les centres publics d'action sociale [2 dans le cadre de leur objetet sans préjudice de l'article 61;   2° les associations visées à l'article 118.   § 2. Le bénéficiaire d'une subvention est soit une personne physique, soit une personne morale, soit une association dépourvue de la personnalité juridique.   § 3. Le présent chapitre ne s'applique pas aux subventions d'une valeur inférieure à 2.500 euros accordées par les dispensateurs visés au § 1er, sauf à eux le droit d'imposer aux bénéficiaires tout ou partie des obligations prévues par le présent titre, sans préjudice des obligations résultant des articles 135septies et 135novies, § 1er, 1°, qui s'imposent en tout cas.   Pour les subventions d'une valeur comprise entre 2.500 euros et 25.000 euros, le dispensateur peut exonérer le bénéficiaire de tout ou partie des obligations prévues par le présent titre, sans que ce dernier puisse cependant être dispensé des obligations résultant des articles 135septies et 135novies, § 1er, 1°.  ----------  <Inséré par DRW 2013-01-31/14, art. 5, 016; En vigueur : 01-06-2013>   <DRW 2023-04-06/05, art. 9, 045; En vigueur : 21-10-2023>   Art. 135ter. [1 Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par subvention toute contribution, avantage ou aide, quelles qu'en soient la forme ou la dénomination, octroyée à des fins d'intérêt public à l'exclusion :   1° des subventions soumises aux dispositions de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral ou aux dispositions de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des Communautés et des Régions, ainsi qu'à l'organisation de la Cour des Comptes;   2° des aides qui découlent d'une obligation imposée par ou en vertu d'une loi ou d'un décret;   3° des cotisations versées par les dispensateurs aux organismes dont ils sont membres, en échange de prestations spécifiques exécutées par ces organismes au profit des dispensateurs;   4° des prix décernés en reconnaissance ou en récompense des mérites de leur bénéficiaire;   5° des subventions octroyées par le C.P.A.S. à la commune qu'il dessert.  ----------  <Inséré par DRW 2013-01-31/14, art. 6, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Section 2. [1 - Octroi des subventions  ----------  <Insérée par DRW 2013-01-31/14, art. 7, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Art. 135quater. [1 § 1er. Le dispensateur peut demander à une personne morale ou à une association dépourvue de la personnalité juridique qui sollicite l'octroi d'une subvention ou à laquelle il souhaite octroyer une subvention les documents suivants :   1° le budget de l'exercice auquel se rattache la subvention;   2° le budget de l'événement ou de l'investissement particulier que la subvention est destinée à financer;   3° ses comptes annuels les plus récents.   § 2. Le bénéficiaire qui demande une subvention destinée à couvrir des dépenses déjà engagées joint, à sa demande, les justifications de ces dépenses.  ----------  <Inséré par DRW 2013-01-31/14, art. 8, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Art. 135quinquies. [1 § 1er. Le dispensateur formalise l'octroi de la subvention dans une délibération.   § 2. Sauf si un règlement du dispensateur ou une convention prise en exécution de la délibération y pourvoit, la délibération précise :   1° la nature de la subvention;   2° son étendue;   3° l'identité ou la dénomination du bénéficiaire;   4° les fins en vue desquelles la subvention est octroyée;   5° les conditions d'utilisation particulières, le cas échéant;   6° les justifications exigées du bénéficiaire ainsi que, s'il y échet, les délais dans lesquels ces justifications doivent être produites;   7° les modalités de liquidation de la subvention.   Lorsque la subvention est octroyée pour couvrir des dépenses pour lesquelles le bénéficiaire a déjà produit des justifications, la délibération ne contient pas la mention visée à l'alinéa 1er, 6°.  ----------  <Inséré par DRW 2013-01-31/14, art. 9, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Art. 135sexies. [1 Le dispensateur sursoit à l'adoption de la délibération visée à l'article 135quinquies aussi longtemps que le bénéficiaire doit restituer une subvention précédemment reçue, en vertu de l'article 135novies.  ----------  <Inséré par DRW 2013-01-31/14, art. 10, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Section 3. [1 - Utilisation et contrôle de l'utilisation des subventions  ----------  <Insérée par DRW 2013-01-31/14, art. 11, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Art. 135septies. [1 Le bénéficiaire :   1° utilise la subvention aux fins pour lesquelles elle a été octroyée;   2° atteste son utilisation au moyen des justifications visées à l'article 135quinquies, § 2, alinéa 1er, 6°;   3° le cas échéant, respecte les conditions d'utilisation particulières visées à l'article 135quinquies, § 2, alinéa 1er, 5°.  ----------  <Inséré par DRW 2013-01-31/14, art. 12, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Art. 135octies. [1 § 1er. Le dispensateur contrôle l'utilisation de la subvention au moyen des justifications visées à l'article 135quinquies, § 2, alinéa 1er, 6°.   Il a également le droit de faire procéder sur place au contrôle de l'utilisation de la subvention octroyée.   § 2. A l'issue du ou des contrôles, le dispensateur adopte une délibération qui précise si la (les) subvention(s) a (ont) été utilisée(s) aux fins en vue desquelles elle(s) a (ont) été octroyée(s).  ----------  <Inséré par DRW 2013-01-31/14, art. 13, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Section 4. [1 - Restitution des subventions  ----------  <Insérée par DRW 2013-01-31/14, art. 14, 016; En vigueur : 01-06-2013>   Art. 135novies. [1 § 1er. Sans préjudice des dispositions résolutoires auxquelles la subvention est soumise, le bénéficiaire restitue celle-ci dans les cas suivants :   1° lorsqu'il n'utilise pas la subvention aux fins en vue desquelles elle a été octroyée;   2° lorsqu'il ne respecte pas les conditions d'octroi particulières visées à l'article 135quinquies, § 2, alinéa 1er, 5°;   3° lorsqu'il ne fournit pas les justifications visées à l'article 135quinquies, § 2, alinéa 1er, 6°, dans les délais requis;   4° lorsqu'il s'oppose à l'exercice du contrôle visé à l'article 135octies, § 1er, alinéa 2.   Toutefois, dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 1° et 3°, le bénéficiaire ne restitue que la partie de la subvention qui n'a pas été utilisée aux fins en vue desquelles elle a été octroyée ou qui n'est pas justifiée.   Pour les subventions en nature, la restitution se fait par équivalent.  ----------  <Inséré par DRW 2013-01-31/14, art. 15, 016; En vigueur : 01-06-2013>   CHAPITRE XIITER [1 Des conséquences d'une fusion volontaire de communes à l'égard des CPAS des communes fusionnées  ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 3, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Section 1. [1 Définitions   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 4, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135decies.[1 Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :   1° le décret de fusion : le décret sur la base duquel des communes sont supprimées et une nouvelle commune est créée dont les frontières sont fixées;   2° la date de fusion : le premier lundi de décembre qui suit les élections conformément à l'article L4124-1, § 1er;   3° les communes à fusionner : les communes qui ont pris une décision de principe relative à une fusion et qui ont notifié cette décision au Gouvernement;   4° les communes fusionnées : les communes originelles, visées dans le décret de fusion;   5° la nouvelle commune : la commune créée en vertu du décret de fusion;   6° les CPAS à fusionner : les centres publics d'action sociale desservant les communes à fusionner;   7° les CPAS fusionnés : les centres publics d'action sociale desservant les communes fusionnées;   8° le nouveau CPAS : le centre public d'action sociale desservant la nouvelle commune.  ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 5, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Section 2. [1 Dispositions générales  ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 6, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135undecies [1 La fusion de communes donne lieu à l'établissement de plein droit d'un nouveau CPAS à la création de la nouvelle commune.   Les CPAS des communes fusionnées sont supprimés à la date de la fusion.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 7, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Art. 135duodecies.[1 Les conseils d'action sociale se concertent pour désigner un des directeurs généraux du CPAS qui agit comme directeur général CPAS-coordinateur de la fusion au niveau administratif et met en oeuvre les tâches qui lui sont attribuées en vertu du présent chapitre. Les directeurs généraux des autres CPAS concernés l'assistent dans ses tâches. A défaut d'entente, le directeur général du CPAS comptant le plus grand nombre d'habitants est désigné directeur général-coordinateur de la fusion au niveau administratif.   Les conseils d'action sociale se concertent pour désigner un des directeurs financiers ou en l'absence de directeur financier, un des receveurs régionaux qui agit comme directeur financier-coordinateur de la fusion au niveau administratif pour la coordination des aspects financiers de la fusion et met en oeuvre les tâches qui lui sont attribuées en vertu du présent chapitre. Les directeurs financiers des autres CPAS concernés l'assistent dans ses tâches. A défaut d'entente, le directeur financier du CPAS comptant le plus grand nombre d'habitants est désigné directeur financier-coordinateur de la fusion au niveau administratif pour la coordination des aspects financiers de la fusion.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 8, 033; En vigueur : 27-09-2019>    Art. 135terdecies.[1 La fusion de communes ne peut faire l'objet d'une décision des conseils communaux concernés qu'après avoir été soumise préalablement au comité de concertation installé dans chaque commune à fusionner conformément à l'article 26 de la présente loi.   § 2. Dès la notification par les conseils communaux de leur intention conjointe de procéder à une fusion au Gouvernement, se tiennent des séances conjointes des comités de direction des centres publics d'action sociale concernés.   § 3. A partir de l'introduction de la proposition commune de fusion visée à l'article L1153-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation jusqu'à la date d'approbation par la tutelle du budget de la nouvelle commune ou jusqu'au jour auquel le Gouvernement décide de ne pas donner suite à la proposition de fusion ou auquel le Parlement rejette le projet de décret de fusion, les actes des CPAS à fusionner ne sont pris qu'après une concertation obligatoire entre ces CPAS à l'exception des actes qui soit :   1° relèvent de la gestion quotidienne des affaires publiques;   2° s'ils ne sont pas pris risqueraient de causer un préjudice irréparable à la collectivité;   3° constituent l'aboutissement normal des procédures entamées avant la notification par les conseils communaux de l'intention conjointe de procéder à une fusion au Gouvernement conformément à l'article L1153-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   Le budget pour l'exercice suivant l'année de la fusion est adopté conjointement.   En cas de dissentiment entre les organes de concertation ou entre les organes de l'action sociale, le différend est tranché par le Gouverneur.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 9, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Art. 135quaterdecies.[1 A la date de la fusion, le nouveau CPAS succède aux droits et obligations des CPAS fusionnés pour ce qui est des biens mobiliers, immobiliers, des marchés publics de travaux, fournitures et services, des concessions de travaux et de services et des conventions qui lui ont été transférés, y compris aux droits et obligations découlant des procédures judiciaires et administratives en cours et futures.   Un inventaire des biens meubles, immeubles, des marchés publics, des concessions et conventions des CPAS fusionnés est joint à la proposition de fusion. Le Gouvernement établit le modèle d'inventaire.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 10, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Art. 135quindecies.[1 Les règlements restent d'application dans les CPAS fusionnés pour lequel ils ont été édictés, jusqu'au jour où ils sont abrogés par l'autorité compétente, au plus tard un an après la date de fusion.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 11, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Section 3. [1 nstallation du conseil d'action sociale de la nouvelle commune   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 12, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Art. 135sexdecies.[1 La composition et la formation du nouveau conseil de l'aide sociale est régie par la section 1re du chapitre II.   § 2. Pour l'application de l'article 6, la population à prendre en compte est celle de la nouvelle commune.   § 3. Pour l'application de l'article 7, il faut être inscrit au registre de la population d'une des communes fusionnées.   § 4. Pour l'application de l'article 9, 7°, les termes " toute personne qui est membre du personnel communal, ou qui reçoit un subside ou un traitement de la commune, à l'exception des pompiers volontaires et du personnel enseignant " visent toute personne qui est membre du personnel communal d'une des communes fusionnées, ou qui reçoit un subside ou un traitement d'une des communes fusionnées.   § 5. La mise en oeuvre de l'article 11 relève de la compétence du bourgmestre de la commune fusionnée et du directeur général-coordinateur de la commune.   § 6. Le siège du CPAS dont le directeur général a été désigné comme coordinateur fait office de siège du nouveau CPAS, tant que le conseil d'action sociale n'a pas décidé de déplacer le siège du CPAS.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 13, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Section 4. [1 Personnel du CPAS   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 14, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Sous-section 1. [1 Décision de principe relative à la fusion et incidences sur le personnel  ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 15, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Art. 135septdecies.[1 A partir de la date de la décision de principe des conseils communaux concernés de procéder à la fusion, les CPAS à fusionner peuvent conclure des conventions de collaboration en vue de faire appel aux membres de leur personnel respectif pour des fonctions spécifiques.   Si la fonction de directeur général ou de directeur financier auprès d'un des CPAS à fusionner devient vacante après la date de la décision de procéder à la fusion, le conseil d'action sociale peut, en vue d'assumer cette fonction :   1° faire appel à un directeur général ou à un directeur financier d'un des autres CPAS desservant une des communes à fusionner ou d'une des communes à fusionner, sur la base d'une convention de collaboration;   2° désigner un directeur général ou un directeur financier faisant fonction jusqu'à la date de la fusion.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 16, 033; En vigueur : 27-09-2019>    Sous-section 2. [1 Directeur général et directeur financie   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 17, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135octodecies. [1 A partir de la date de fusion jusqu'à la désignation d'un nouveau directeur général du CPAS, le directeur général-coordinateur du CPAS remplit la fonction de directeur général du nouveau CPAS.   Si le conseil communal de la nouvelle commune a octroyé une allocation provisoire au directeur général-coordinateur de la commune, le conseil d'action sociale du nouveau CPAS octroie également une allocation provisoire au directeur général-coordinateur du CPAS. Cette allocation est égale à la différence entre le salaire qui aurait été perçu dans la fonction de directeur général du nouveau CPAS et le salaire dont jouissait le directeur général-coordinateur dans son CPAS d'origine.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 18, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135novodecies.[1 § 1er. Dans les six mois de la date de fusion, le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS désigne un directeur général parmi :   1° les directeurs généraux des CPAS fusionnés qui se portent candidats après un appel aux candidatures;   2° à défaut de candidat en application du 1°, les directeurs généraux des communes fusionnées qui se portent candidats après un appel aux candidatures.   Le Gouvernement fixe les conditions et modalités d'accès à la fonction de directeur général du nouveau CPAS.   A dater de sa désignation, le directeur général visé à l'alinéa 1er est soumis à toutes les dispositions administratives et pécuniaires de la présente loi. Il conserve son ancienneté pécuniaire.   § 2. Si un ou plusieurs des CPAS fusionnés disposaient d'un directeur général adjoint, le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS désigne un directeur général adjoint par priorité parmi ceux-ci suite à un appel à candidatures.   La même procédure est organisée en cas de directeurs généraux adjoints communs à la commune et au CPAS fusionnés.   A dater de sa désignation, le directeur général adjoint visé à l'alinéa 1er ou le directeur général adjoint commun visé à l'alinéa 2 est soumis à toutes les dispositions administratives et pécuniaires de la présente loi. Il conserve son ancienneté pécuniaire .  ----------  <DRW 2022-07-14/33, art. 2, 039; En vigueur : 03-10-2022>   Art. 135vicies.[1 Si, suite à l'appel à candidature visé à l'article 135novodecies, aucun candidat ne s'est manifesté pour la fonction de directeur général du CPAS ou si aucun candidat répond aux conditions fixées, le directeur général est désigné conformément aux articles 41 et suivants .  ----------  <DRW 2022-07-14/33, art. 3, 039; En vigueur : 03-10-2022>   Art. 135unvicies. [1 A partir de la date de la fusion jusqu'à la désignation d'un nouveau directeur financier, le directeur financier-coordinateur remplit la fonction de directeur financier du nouveau CPAS.   Si le conseil communal de la nouvelle commune a octroyé une allocation provisoire au directeur général-coordinateur de la commune, le conseil d'action sociale du nouveau CPAS octroie également une allocation provisoire au directeur général-coordinateur du CPAS. Cette allocation est égale à la différence entre le salaire qui aurait été perçu dans la fonction de directeur financier du nouveau CPAS et le salaire dont jouissait le directeur financier-coordinateur dans son CPAS d'origine.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 21, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135duovicies.[1 1er. Dans les six mois de la date de la fusion, le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS désigne un directeur financier parmi :   1° les directeurs financiers des CPAS fusionnés qui se portent candidats après un appel aux candidatures;   2° à défaut de candidats en application du 1°, les directeurs financiers des communes fusionnées qui se portent candidats après un appel aux candidatures.   Le Gouvernement fixe les conditions et modalités d'accès à la fonction de directeur financier du CPAS.   A dater de sa désignation, le directeur financier visé à l'alinéa 1er est soumis à toutes les dispositions administratives et pécuniaires de la présente loi. Il conserve son ancienneté pécuniaire.   § 2. Si les CPAS fusionnés disposaient d'au moins un receveur régional, le conseil du CPAS décide de maintenir ou non la recette régionale.   S'il maintient la recette régionale, la demande d'affectation à cette recette est adressée au Gouverneur de province.   S'il crée l'emploi de directeur financier, le conseil du nouveau CPAS désigne le directeur financier selon les modalités définies au paragraphe 1er .  ----------  <DRW 2022-07-14/33, art. 4, 039; En vigueur : 03-10-2022>   Art. 135tervicies.[1 Si, suite à l'appel à candidature visé à l'article 135duovicies, aucun candidat ne s'est manifesté pour la fonction de directeur financier du CPAS ou si aucun candidat répond aux conditions fixées, le directeur financier est désigné conformément aux articles 41 et suivants .  ----------  <DRW 2022-07-14/33, art. 5, 039; En vigueur : 03-10-2022>   Sous-section 3. [1 Exercice de la fonction de directeur financier du CPAS par le directeur financier de la commune   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 24, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135quatervicies.[1 Par dérogation à l'article 135duovicies et en application de l'article 41ter de la présente loi, le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS peut décider que le directeur financier de la nouvelle commune exerce simultanément la fonction de directeur financier du nouveau CPAS.  ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 25, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Sous-section 4. [1 Autres membres du personnel des CPAS   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 26, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135quinvicies. [1 A la date de la fusion, l'ensemble du personnel des CPAS fusionnées devient du personnel du nouveau CPAS, quelle que soit la nature de leur relation de travail.  ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 27, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135sexvicies. [1 Après le transfert au nouveau CPAS, les membres du personnel conservent la nature de leur relation de travail, leur degré, leur ancienneté administrative et pécuniaire, leur régime de prestation et leur échelle de traitement.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 28, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135septvicies.[1 Les membres du personnel restent soumis au statut qui s'appliquait à eux dans leur CPAS d'origine jusqu'à l'entrée en vigueur du statut du nouveau CPAS visé à l'article 135octovicies.   Le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS établit un statut provisoire qui s'applique aux membres du personnel à désigner du nouveau CPAS à partir de la date de la fusion et qui est valable jusqu'à l'entrée en vigueur du statut du nouveau CPAS, visé à l'article 135octovicies.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 29, 033; En vigueur : 27-09-2019>   sous-section 5 [1 Nouvel organigramme et nouveau statut   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 30, 033; En vigueur : 27-09-2019>       Art. 135octovicies [1 Dans l'année suivant la date de la fusion, le Bureau permanent du nouveau CPAS établit l'organigramme conformément à l'article 42, § 2, de la présente loi et le conseil du nouveau CPAS établit un nouveau statut pour l'ensemble de son personnel.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 31, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Section 5. [1 Dispositions relatives aux finances  ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 32, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135novovicies.[1 Par dérogation à l'article 88 de la Loi, avant le 31 décembre de l'année des élections communales, le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS établit le budget pour l'exercice qui suit la date de fusion.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 33, 033; En vigueur : 27-09-2019>   Art. 135tricies.[1 les directeurs financiers et receveurs régionaux des CPAS fusionnés établissent chacun pour ce qui les concerne, les comptes annuels des CPAS fusionnés pour les exercices comptables jusqu'au 31 décembre de l'année de la date de la fusion.   Le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS se prononce sur l'établissement de ces comptes annuels  ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 34, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135untricies. [1 Durant l'exercice qui suit la date de fusion, la dotation au Fonds spécial de l'aide sociale octroyée au nouveau CPAS est obtenue en additionnant les dotations octroyées aux CPAS fusionnés sur la base des statistiques relatives à leur territoire, actualisées annuellement ou à défaut, utilisées pour l'année de répartition de l'année de la date de fusion.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 35, 033; En vigueur : 27-09-2019>       section 6. [1 Dispositions transitoires   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 36, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135duotricies. [1 Un directeur général sortant d'un CPAS fusionné, qui n'est pas désigné comme directeur général du nouveau CPAS et qui n'est pas non plus désigné comme directeur général de la nouvelle commune, est assigné à une fonction appropriée de niveau A dans le nouveau CPAS, tout en conservant son ancienneté pécuniaire.   Le directeur général sortant visé à l'alinéa 1er est inséré dans l'échelle de traitement liée à la fonction appropriée. Il conserve l'échelle de traitement dont il jouissait en tant que directeur général dans son CPAS originel, tant que le traitement sur la base de cette échelle est plus avantageux que le traitement dont il jouirait après l'insertion.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 37, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135tertricies. [1 Un directeur financier sortant d'un CPAS fusionné, qui n'est pas désigné comme directeur financier du nouveau CPAS et qui n'est pas non plus désigné comme directeur financier de la nouvelle commune, est assigné à une fonction appropriée de niveau A dans le nouveau CPAS, tout en conservant son ancienneté pécuniaire.   Le directeur financier visé à l'alinéa 1er sortant est inséré dans l'échelle de traitement liée à la fonction appropriée. Il conserve l'échelle de traitement dont il jouissait en tant que directeur financier dans son CPAS originel, tant que le traitement sur la base de cette échelle est plus avantageux que le traitement dont il jouirait après l'insertion.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 38, 033; En vigueur : 27-09-2019>      Art. 135quatertricies. [1 Le conseil de l'action sociale établit au besoin des dispositions transitoires afin d'assurer que des membres du personnel conservent un régime spécifique à titre personnel, tant que celui-ci est plus avantageux que le régime correspondant dans le nouveau statut.   ----------  <Inséré par DRW 2019-05-02/78, art. 39, 033; En vigueur : 27-09-2019>      CHAPITRE XIII. - Des dispositions transitoires, modificatives et abrogatoires.  Art. 136. Le transfert du patrimoine des commissions d'assistance publique aux (centres publics d'action sociale) ne peut préjudicier aux droits acquis et aux affectations de biens légalement établies, ni aux droits qui, avant la publication de la présente loi, étaient réservés en matière de fondations sur base des articles 84 à 87 de la loi du 10 mars 1925 organique de l'assistance publique. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 137. Les fonds provinciaux d'assistance visés par les articles 89 à 91 de la loi du 10 mars 1925 organique de l'assistance publique sont dissous.  Leur solde éventuel est liquidé par la députation permanente sous forme de subventions en faveur des (centres publics d'action sociale) qui sont situés dans la province intéressée et dont les ressources sont insuffisantes. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 138. Les offices d'identification institués en application de l'article 98 de la loi du 10 mars 1925 sont dissous. Leurs actifs et passifs ainsi que leur personnel sont repris par le Ministère qui a l'aide sociale dans ses attributions. Le Roi règle les modalités de cette reprise.  Art. 139. Les règles relatives à la remise des biens et des archives des commissions d'assistance publique aux (centres publics d'action sociale), ainsi que celles relatives à l'établissement des comptes de clôture des receveurs des commissions d'assistance publique, sont déterminées par arrêté royal. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 140. La préférence dont question à l'article 15, 1° et 2°, est, pour la première élection des membres du (conseil de l'action sociale), également applicable aux candidats qui, au jour de l'élection, sont investis d'un mandat dans une commission d'assistance publique ou qui ont exercé ce mandat antérieurement. <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 141. § 1er. Dans les nouvelles communes issues d'une fusion ou d'une annexion en exécution de la loi du 30 décembre 1975, les dispositions prises à l'égard des commissions d'assistance publique des communes fusionnées et des communes affectées par une annexion, de même qu'à l'égard de leurs agents, sont applicables aux (centres d'action sociale) remplaçant ces commissions. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Dans les autres communes, le personnel de la commission d'assistance publique est repris sans aucune nomination nouvelle ou autre formalité par le (centre public d'action sociale) qui la remplace. Chacun des membres de ce personnel conserve son grade, son ancienneté, sont statut administratif et pécuniaire et tous avantages qui auraient pu lui être octroyés. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  § 2. Pour les membres du personnel ainsi que pour les receveurs régionaux qui, en vertu de l'application de la présente loi, ne pourraient être maintenus dans leurs fonctions, le Roi détermine les règles qui sont applicables en vue de sauvegarder leurs droits.  A cet effet, il peut:  a) déroger  1. aux lois qui accordent une priorité pour l'accès aux fonctions publiques;  2. à l'article 42 de la présente loi, en ce qui concerne le cadre du personnel, ainsi que les conditions de recrutement et d'avancement;  3. à l'article 115 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, en ce qui concerne l'âge de la retraite;  4. à la loi du 25 avril 1933 relative à la pension du personnel communal;  b) autoriser les (centres publics d'action sociale) à décider que certains fonctionnaires pourront porter le titre honorifique de leurs anciennes fonctions. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 142. § 1er. Le Roi fixe les règles qui doivent être respectées en vue de sauvegarder les droits des personnes qui, en application de l'article 24 de la loi du 10 mars 1925 organique de l'assistance publique, bénéficiant d'une pension ou peuvent y avoir droit au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi.  § 2. Il est tenu compte de l'ancienneté acquise par les anciens présidents des commissions d'assistance publique pour déterminer leurs droits à une pension en cas de désignation comme président d'un (conseil de l'action sociale). <DRW 2005-12-08/43, art. 17; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 143. Ne sont pas applicables au personnel des (centres publics d'action sociale), les articles 1er à 6 et les articles 8 à 15 de la loi du 21 décembre 1927, relative aux commis de carrière, employés, techniciens, agents de police et généralement à tous les proposés des communes et des administrations subordonnées, modifiée par les lois des 18 décembre 1930 et 10 juin 1937 et par l'arrêté-loi du 10 janvier 1947. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004> <DRW 2005-12-08/43, art. 19; En vigueur : 08-10-2006>  Art. 144. L'article 16, 4°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, est remplacé par la disposition suivante: "....."  Art. 145. Les modifications suivantes sont apportées à l'arrêté royal n°64 du 30 novembre 1939 contenant le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, confirmé par la loi du 16 juin 1947:  1° dans l'article 132, inséré dans le Code par la loi du 14 août 1947, le 2° de l'alinéa 2 est remplace par le texte suivant: "....."  2° L'article 161, 4°, est remplacé par le texte suivant: "....."  Art. 146. Dans l'arrêté royal n° 308 du 31 mars 1936 contenant le Code des droits de succession, confirmé par la loi du 4 mai 1936, à l'article 52, inséré dans le Code par la loi du 14 août 1947, le 2°de l'alinéa 2 est remplacé par le texte suivant: "....."  Art. 147. Dans l'arrêté du Régent du 26 juin 1947, contenant le Code des droits de timbres, confirmé par la loi du 14 juillet 1951, l'article 59, 12°, est remplacé par le texte suivant: "....."  Art. 148. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres:  1° mettre les textes des lois qui sont modifiées implicitement par la présente loi en concordance avec celle-ci;  2° mettre le texte des lois en concordance avec la terminologie de la présente loi;  3° codifier les dispositions de la présente loi et les dispositions de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des recours accordés par les commissions d'assistance publique, modifiée par la loi du 9 juillet 1971.  A cet effet, il peut:  1° modifier l'ordre, le numérotage et, en général, la présentation des dispositions à codifier;  2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions a codifier, en vue, notamment, de les mettre en concordance avec le numérotage nouveau;  3° sans porter atteinte aux principes inscrits dans les dispositions à coordonner, adopter une rédaction différente de la rédaction originelle, en vue d'assurer la concordance des dispositions et d'unifier la terminologie.  (alinéa 3, disposition modificative de la L 1965-04-02/01) <L 1993-01-12/34, art. 11; En vigueur : 01-03-1993>  Art. 149. A compter du jour de l'entrée en vigueur des dispositions de la présente loi et ou des arrêtés pris en exécution de celle-ci, cesseront d'être obligatoires pour les matières qui font l'objet de leurs dispositions, les lois et arrêtés antérieurement en vigueur.  Art. 150. Les délibérations prises par les commissions d'assistance publique avant l'entrée en vigueur de la présente loi restent soumises, en ce qui concerne les avis, autorisations et approbations à donner par l'autorité de tutelle et les recours ouverts contre ces décisions, aux dispositions légales qui étaient en vigueur en la matière avant l'entrée en vigueur de la présente loi.  Art. 151. Les articles 5 à 23 entrent en vigueur le 1er janvier 1977.  Les autres dispositions de la présente loi produisent leurs effets le jour de l'installation du conseil de l'aide sociale suivant les élections communales du 10 octobre 1976.  CHAPITRE XIV. [1 - Des canaux de signalement et de la protection des personnes qui signalent une violation.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 3, 042; En vigueur : 01-12-2023>        Section 1re. [1 - Objet, définitions et champs d'application.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 1, 042; En vigueur : 01-12-2023>        Art. 152. [1 Le présent chapitre transpose la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, en ce qui concerne les services et organes des centres publics d'action sociale et des associations régies par le chapitre XII.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 5, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 153. [1 Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :   1° violations :   a) les actes ou omissions, par un membre du personnel d'un service du centre public d'action sociale dans le cadre de l'exercice de ses fonctions ou par l'organe, qui :   1) sont illicites et ont trait aux actes de l'Union et aux domaines relevant du champ d'application matériel de la directive (UE) 2019/1937 ou;   2) vont à l'encontre de l'objet ou de la finalité des règles prévues dans les domaines relevant du champ d'application matériel de la directive (UE) 2019/1937 ou;   3) vont à l'encontre des dispositions européennes, légales, décrétales et réglementaires applicables en droit interne ou;   4) impliquent un risque inacceptable pour la vie, la santé ou la sécurité des personnes ou pour l'environnement, tel que défini par arrêté;   b) le fait d'ordonner ou conseiller sciemment à un membre du personnel de commettre une violation telle que visée au a);   c) ne visent pas les actes ou omissions qui affectent exclusivement les droits individuels d'un membre du personnel et pour lesquels existent d'autres canaux ou procédures de signalement tels le harcèlement moral ou sexuel au travail protégé par la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail ou la discrimination au sens du décret du 6 novembre 2008 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination;   d) ne concernent pas les conflits purement interpersonnels;   2° informations sur des violations : des informations, y compris des soupçons raisonnables, concernant des violations effectives ou potentielles, qui se sont produites ou sont très susceptibles de se produire dans le service du centre public d'action sociale ou l'organe dans lequel l'auteur de signalement travaille ou a travaillé, et concernant des tentatives de dissimulation de telles violations;   3° membre du personnel : le membre du personnel statutaire ou occupé par un contrat de travail, en ce compris les personnes dépositaires, par état ou par profession, de secrets qu'on leur confie, délégués syndicaux inclus;   4° service du centre public d'action sociale (CPAS) : l'administration du CPAS, les services dépendant du CPAS, ou le secrétariat du Président du CPAS;   5° organe : le conseil de l'action sociale, le bureau permanent et les membres de ces organes;   6° signalement ou signaler : la communication orale ou écrite d'informations sur des violations;   7° signalement interne : la communication orale ou écrite d'informations sur des violations, effectuée auprès du référent intégrité;   8° référent intégrité : le membre du personnel interne au service du centre public d'action sociale, désigné pour recevoir, examiner et assurer le suivi des signalements internes conformément à la section 2;   9° signalement externe : la communication orale ou écrite d'informations sur des violations, effectuée auprès de l'autorité compétente intégrité;   10° autorité compétente intégrité : le service désigné par le Gouvernement pour recevoir, examiner et assurer le suivi des signalements externes conformément à la section 3;   11° divulgation publique ou divulguer publiquement : la mise à disposition dans la sphère publique d'informations sur des violations;   12° auteur de signalement : la personne physique qui signale ou divulgue publiquement des informations sur des violations qu'elle a obtenues dans le cadre de ses activités professionnelles;   13° facilitateur : la personne physique qui aide un auteur de signalement au cours du processus de signalement dans un contexte professionnel et dont l'aide est confidentielle;   14° contexte professionnel : les activités professionnelles passées ou présentes au sein des services visés aux 4° et 5° par lesquelles, indépendamment de la nature de ces activités, les personnes obtiennent des informations sur des violations et dans le cadre desquelles ces personnes peuvent faire l'objet de représailles si elles signalent de telles informations;   15° personne concernée : une personne physique ou morale qui est mentionnée dans le signalement ou la divulgation publique en tant que personne à laquelle la violation est attribuée ou à laquelle cette personne est associée;   16° représailles : tout acte ou omission direct ou indirect qui intervient dans un contexte professionnel, qui est suscité par un signalement interne ou externe ou une divulgation publique, et qui cause ou peut causer un préjudice injustifié à l'auteur de signalement;   17° suivi : toute mesure prise par le référent intégrité ou par l'autorité compétente intégrité pour évaluer l'exactitude des allégations formulées dans le signalement et, le cas échéant, pour remédier à la violation signalée, y compris des mesures telles qu'une enquête, des poursuites, une action en recouvrement de fonds ou la clôture de la procédure;   18° retour d'informations : la communication à l'auteur de signalement d'informations sur les mesures envisagées ou prises au titre de suivi et sur les motifs de ce suivi.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 6, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 154. [1 § 1er. Le présent chapitre établit des normes minimales communes pour la protection des personnes signalant les violations suivantes :   1° les violations qui relèvent du champ d'application des actes de l'Union européenne énumérés en annexe de la directive (UE) 2019/1937 et qui concernent les domaines suivants :   a) les marchés publics;   b) les services, produits et marchés financiers et prévention du blanchiment et du financement du terrorisme;   c) la sécurité et la conformité des produits;   d) la sécurité des transports;   e) la protection de l'environnement;   f) la radioprotection et la sûreté nucléaire;   g) la sécurité des aliments destinés à l'alimentation humaine et animale, la santé et le bien-être des animaux;   h) la santé publique;   i) la protection des consommateurs;   j) la protection de la vie privée et des données à caractère personnel, ainsi que la sécurité des réseaux et des systèmes d'information;   2° les violations portant atteinte aux intérêts financiers de l'Union visés à l'article 325 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne et précisés dans les mesures pertinentes de l'Union;   3° les violations relatives au marché intérieur visé à l'article 26, paragraphe 2, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, y compris les violations des règles de l'Union en matière de concurrence et d'aides d'Etat;   4° les violations visées à l'article 153, 1°.   § 2. Le présent chapitre ne s'applique pas au domaine de la sécurité nationale sauf en ce qui concerne les signalements de violations portant sur des règles relatives aux marchés publics dans les domaines de la défense et de la sécurité dans la mesure où ces règles sont régies par la directive 2009/81/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 relative à la coordination des procédures de passation de certains marchés de travaux, de fournitures et de services par les pouvoirs adjudicateurs ou entités adjudicatrices dans les domaines de la défense et de la sécurité, et modifiant les directives 2004/17/CE et 2004/18/CE.   § 3. Le présent chapitre ne porte pas atteinte :   1° aux dispositions relatives au signalement de violations qui sont prévues par d'autres dispositions légales ou réglementaires ainsi que les dispositions européennes directement applicables, en ce compris les dispositions adoptées en exécution de celles-ci;   2° aux dispositions du droit de l'Union ou du droit national concernant l'un ou l'autre des éléments suivants :   a) la protection des informations classifiées;   b) la protection du secret professionnel des avocats et du secret médical;   c) le secret des délibérations judiciaires;   d) les règles en matière de procédure pénale.   § 4. Le présent chapitre n'affecte pas les règles relatives à l'exercice par les membres du personnel de leur droit de consulter leur organisation syndicale et à la protection contre toute mesure préjudiciable injustifiée suscitée par une telle consultation.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 7, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 155. [1 § 1er. Le présent chapitre s'applique à l'auteur de signalement travaillant au sein d'un centre public d'action sociale qui a obtenu des informations sur des violations dans un contexte professionnel, à savoir :   1° le membre du personnel qui signale ou divulgue publiquement des informations sur des violations qu'il a obtenues dans le cadre de ses activités professionnelles;   2° toute personne physique, y compris au moins celles visées ci-après, qui signale des informations sur des violations qu'elle a obtenues dans un contexte professionnel avec le service du centre public d'action sociale ou avec l'organe :   a) le stagiaire, soit la personne qui, sans être membre du personnel, effectue un stage rémunéré ou non;   b) le bénévole, soit la personne qui, sans être membre du personnel, effectue des activités non rémunérées au sens de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires.   § 2. Le présent chapitre s'applique également à l'auteur de signalement lorsqu'il signale ou divulgue publiquement des informations sur des violations obtenues dans le cadre d'une relation de travail qui a pris fin.   § 3. Les mesures de protection de l'auteur de signalement énoncées à la section 5 s'appliquent également, le cas échéant, aux :   1° facilitateurs;   2° tiers qui sont en lien avec l'auteur de signalement et qui risquent de faire l'objet de représailles dans un contexte professionnel, tels que des collègues ou des proches de l'auteur de signalement.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 8, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Section 2. [1 Canaux et procédures de signalement interne  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 9, 042; En vigueur : 01-12-2023>      Art. 156. [1 § 1er. Chaque administration du centre public d'action sociale d'une commune de dix mille habitants ou plus dispose d'au moins un référent intégrité.   § 2. Tout membre du personnel de niveau A ou, à défaut, de niveau B peut être désigné référent intégrité conformément aux statuts et règlements du centre public d'action sociale, après le lancement d'un appel interne.   Si aucun candidat ne se porte volontaire suite à l'appel interne, le référent intégrité sera le directeur général adjoint ou, à défaut, le directeur général.   § 3. La description de fonction du référent intégrité est concertée avec les organisations syndicales représentatives.   § 4. Le référent intégrité du centre public d'action sociale peut être mutualisé avec un ou plusieurs centres publics d'action sociales, associations régies par le chapitre XII ou autorités locales visées à l'article L1219-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.   § 5. L'existence, l'identité, la disponibilité, l'accessibilité et la mission du référent intégrité ainsi que les règles de confidentialité sont portées à la connaissance des membres du personnel et de leurs représentants, ainsi qu'au conseil de l'action sociale, au bureau permanent, et aux services dépendant du centre public d'action sociale.   § 6. Des informations claires et facilement accessibles concernant les canaux et les procédures de signalement internes et externes sont mises à disposition de toutes les personnes entrant dans le champ d'application du présent chapitre.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 10, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 157. [1 § 1er. Le référent intégrité a pour mission :   1° d'écouter, d'informer et de conseiller les personnes qui envisagent de signaler, les auteurs de signalement ou les facilitateurs;   2° de recevoir, d'examiner tout signalement et, le cas échéant, de l'instruire;   3° d'assurer le suivi d'informations conformément à la présente section;   4° de maintenir la communication avec l'auteur de signalement et, si nécessaire, lui demander d'autres informations et lui fournir un retour d'informations;   5° d'informer de l'existence et des conditions pour recourir au signalement externe.   § 2. S'il y a plusieurs référents intégrité, il est possible de préciser que celui qui est compétent pour assurer le suivi des signalements n'est pas celui qui reçoit les signalements, qui maintiendra la communication avec l'auteur de signalement et, si nécessaire, qui demandera d'autres informations et lui fournira un retour d'informations.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 11, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 158. [1 Le référent intégrité exerce sa mission de manière indépendante et impartiale.   A cette fin, le conseil de l'action sociale ou le bureau permanent si celui-ci s'est vu déléguer la compétence, lui assure les garanties nécessaires :   1° en le protégeant contre toutes influences ou pressions inappropriées de toute personne et de quelque manière que ce soit, directement ou indirectement, en particulier contre toute pression visant à obtenir des informations concernant ou pouvant concerner l'exercice de sa fonction;   2° en mettant les moyens nécessaires à sa disposition afin qu'il puisse exercer sa fonction de façon entièrement confidentielle;   3° en lui permettant d'entretenir tous les contacts nécessaires à l'exercice de sa fonction;   4° en lui permettant d'acquérir ou d'améliorer les compétences et les connaissances nécessaires à l'exercice de sa fonction, par le biais de formations.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 12, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 159. [1 Le référent intégrité ne subit aucunes représailles fondées totalement ou partiellement sur les actes posés dans le cadre de l'exercice de sa fonction, en ce compris les menaces ou tentatives de représailles.   Les représailles visées à l'alinéa 1er sont, notamment, pour autant qu'elles soient fondées totalement ou partiellement sur les actes posés dans le cadre de la fonction de référent intégrité :   1° le licenciement;   2° les mesures disciplinaires;   3° toute appréciation négative dans le cadre de toute procédure lui permettant une avancée barémique dans sa carrière;   4° le transfert de fonctions ou le changement de lieu de travail;   5° le refus ou la suspension des formations;   6° une évaluation négative ou faisant état d'une appréciation négative des faits liés au signalement;   7° la coercition, intimidation, harcèlement ou ostracisme;   8° toute discrimination, traitement désavantageux ou injuste.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 13, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 160. [1 § 1er. Le membre du personnel qui obtient, dans un contexte professionnel, des informations sur une violation commise ou en voie d'être commise, peut le signaler immédiatement à son supérieur hiérarchique. S'il l'estime plus judicieux, il peut le signaler directement au référent intégrité.   L'ancien membre du personnel, soit la personne qui n'est plus en service, le stagiaire, soit la personne qui, sans être membre du personnel effectue un stage rémunéré ou non, ou le bénévole, soit la personne qui, sans être membre du personnel, effectue des activités non rémunérées au sens de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires, qui obtient dans un contexte professionnel des informations sur une violation commise ou en voie d'être commise, peut le signaler au Directeur général lorsqu'il n'est pas le référent intégrité. S'il l'estime plus judicieux, il peut le signaler directement au référent intégrité.   § 2. Le supérieur hiérarchique ou le Directeur général, lorsqu'il n'est pas le référent intégrité, qui réceptionne un signalement assure immédiatement la transmission du dossier sans modification au référent intégrité.   Dans le cas visé à l'alinéa 1er, le supérieur hiérarchique ou le Directeur général respecte la confidentialité de l'identité de l'auteur de signalement ainsi que de toute personne qui y est mentionnée ou liée.   § 3. Les signalements anonymes ne sont pas pris en compte.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 14, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 161. [1 Le signalement au référent intégrité est introduit par écrit ou oralement, ou les deux.   Il est possible d'effectuer des signalements oralement par téléphone ou via d'autres systèmes de messagerie vocale et, sur demande de l'auteur de signalement, par le biais d'une rencontre en personne dans un délai raisonnable.   Si le signalement est introduit de manière orale, un procès-verbal est établi par le référent intégrité. Il est également donné la possibilité à l'auteur de signalement de vérifier et de rectifier le procès-verbal de la conversation. Le procès-verbal est signé par l'auteur de signalement.   Un accusé de réception du signalement est adressé à l'auteur de signalement au plus tard dans les sept jours à dater de la réception du signalement.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 15, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 162. [1 § 1er. Le référent intégrité vérifie la recevabilité du signalement au regard des conditions fixées par le présent chapitre ainsi que la bonne foi de l'auteur de signalement.   L'auteur de signalement est informé de la recevabilité de son signalement.   Le signalement est irrecevable :   1° si le référent intégrité est incompétent;   2° si l'identité de l'auteur de signalement est inconnue puisque les signalements anonymes d'une violation suspectée ne sont pas pris en compte;   3° si l'auteur de signalement est de mauvaise foi;   4° en cas de signalements répétitifs qui ne contiennent aucune nouvelle information significative relative à un signalement antérieur clôturé.   Est de bonne foi, la personne qui a des motifs raisonnables de croire que les informations signalées sur les violations étaient véridiques au moment du signalement et que ces informations entrent dans le champ d'application du présent chapitre.   § 2. Si le référent intégrité dispose de suffisamment d'éléments pour pouvoir conclure qu'il a acquis la connaissance d'un crime ou d'un délit, il applique sans délai la procédure prévue à l'article 29 du Code d'instruction criminelle.   § 3. En cas d'irrecevabilité ou d'application de l'article 29 du Code d'instruction criminelle, le référent intégrité en informe par écrit l'auteur de signalement ainsi que le directeur général.   S'il apparaît que le directeur général est impliqué directement ou indirectement, le référent intégrité en informe par écrit le conseil, ou en cas de délégation, le bureau permanent. Dans ce dernier cas, le directeur général n'est pas présent à la séance du conseil ou du bureau permanent au cours de laquelle cette information est abordée.   S'il apparaît que le directeur général qui est impliqué directement ou indirectement, assume la mission de référent intégrité, l'auteur de signalement s'adresse directement au conseil, ou en cas de délégation le bureau permanent, et, le cas échéant, à l'autorité compétente intégrité.   S'il apparaît, en raison de l'objet de la violation constatée ou suspectée, ou de la qualité de la personne concernée, un manque de confidentialité ou de garantie d'indépendance quant au traitement du signalement, le référent intégrité transmet son dossier à l'autorité compétente intégrité.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 16, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 163. [1 § 1er. Lorsque le signalement est recevable, le référent intégrité procède à son enquête.   L'introduction et l'enquête du signalement ne suspendent pas et n'interrompent pas les délais de prescription ou de recours administratifs ou judiciaires en cours pour les mêmes faits.   En cas d'information ou d'instruction judiciaire qui concerne le signalement soumis, le référent intégrité suspend son enquête.   § 2. Le référent intégrité applique les principes généraux de bonne administration et respecte les droits de la défense.   § 3. Le référent intégrité donne la possibilité à la personne concernée par le signalement de faire valoir utilement ses arguments sur les faits reprochés, s'il dispose de suffisamment d'éléments pour pouvoir conclure à l'existence d'une violation, après avoir reçu les documents et renseignements qu'il estime nécessaires. Il veille, à ce stade, à garantir l'anonymat de cette personne.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 17, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 164. [1 § 1er. Le référent intégrité peut faire toute constatation sur place, se faire communiquer tous les documents et renseignements qu'il estime nécessaires et entendre toutes les personnes intéressées.   Il peut imposer des délais impératifs de réponse aux personnes concernées auxquelles il adresse des questions.   § 2. L'article 458 du Code pénal est applicable au référent intégrité.   Le caractère secret ou confidentiel des pièces dont il demande la communication ne peut lui être opposé, sauf en matière de secret professionnel des avocats, du secret médical et du secret des délibérations judiciaires ainsi qu'en matière de secret concernant la défense nationale, de sûreté de l'Etat ou de politique extérieure.   Tout membre du personnel consulté dans le cadre de l'enquête menée par le référent intégrité est relevé de toute obligation de secret professionnel.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 18, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 165. [1 § 1er. Au terme de l'enquête, le référent intégrité adresse au directeur général, ou au conseil, ou en cas de délégation au bureau permanent, dans le cas prévu à l'article 162, § 3, alinéa 2, un rapport circonstancié accompagné, le cas échéant, de recommandations à destination de la personne concernée.   Sauf si sa mission est suspendue, conformément à l'article 163, § 1er, alinéa 3, le référent intégrité informe l'auteur de signalement de la suite donnée à son signalement interne dans les trois mois à compter de l'accusé de réception du signalement, ou à défaut d'accusé de réception envoyé à l'auteur de signalement, trois mois à compter de l'expiration de la période de sept jours suivant le signalement.   Par décision motivée, le référent intégrité peut prolonger le délai visé à l'alinéa 2 pour une durée de trois mois. L'auteur de signalement est informé de cette décision.   § 2. Ce rapport comporte la décision du référent intégrité :   1° de constater l'absence ou l'existence d'une violation;   2° d'adresser au directeur général, ou au conseil ou au bureau permanent dans le cas visé à l'article 162, § 3, alinéa 2, toute recommandation et, le cas échéant, toute proposition tendant à remédier à la violation constatée;   3° de proposer à l'autorité locale compétente d'initier une procédure disciplinaire ou de licenciement à l'encontre du membre du personnel ayant commis une violation.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 19, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Section 3. [1 Canaux et procédures de signalement externe  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 20, 042; En vigueur : 01-12-2023>        Art. 166. [1 § 1er. Le canal de signalement externe pour les violations constatées ou suspectées au sein des services du centre public d'action sociale ou de l'organe est institué auprès de l'autorité compétente intégrité.   § 2. L'autorité compétente intégrité dispose des ressources nécessaires pour exercer sa mission.   § 3. Les membres du personnel désignés par l'autorité compétente intégrité pour recevoir et traiter des signalements, sont chargés notamment d'assurer :   1° la mise à disposition de toute personne intéressée d'informations au sujet des procédures de signalement;   2° la réception et le suivi des signalements conformément à la présente section;   3° le maintien et le contact avec l'auteur du signalement dans le but de lui fournir un retour d'informations et de lui demander d'autres informations si nécessaire.   Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, reçoivent une formation spécifique aux fins du traitement des signalements.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 21, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 167. [1 L'autorité compétente intégrité exerce sa mission de manière indépendante et autonome.   Elle est organisée de manière à garantir l'exhaustivité, l'intégrité et la confidentialité des informations et à empêcher l'accès à ces informations aux membres du personnel de l'autorité compétente intégrité non autorisés.   Elle permet le stockage durable d'informations conformément à l'article 182 afin de permettre que des enquêtes complémentaires soient menées.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 22, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 168. [1 L'autorité compétente intégrité publie, dans une section distincte, aisément identifiable et accessible de son site internet, au moins les informations suivantes :   1° les conditions pour bénéficier d'une protection au titre du présent chapitre;   2° les coordonnées nécessaires des canaux de signalement externe, en particulier les adresses électroniques et postales, et les numéros de téléphone de ces canaux, en indiquant si les conversations téléphoniques sont enregistrées ou non;   3° les procédures applicables au signalement de violations, y compris la manière dont l'autorité compétente intégrité peut demander à l'auteur de signalement de clarifier les informations signalées ou de fournir des informations supplémentaires, le délai pour fournir un retour d'informations, ainsi que le type de retour d'informations et son contenu;   4° le régime de confidentialité applicable aux signalements, et en particulier les informations relatives au traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 17 de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, aux articles 5 et 13 du Règlement (UE) 2016/679, à l'article 13 de la directive (UE) 2016/680 et à l'article 15 du Règlement (UE) 2018/1725, selon le cas;   5° la nature du suivi à assurer en ce qui concerne les signalements;   6° les recours et les procédures relatives à la protection contre les représailles et la possibilité pour les personnes qui envisagent d'effectuer un signalement de recevoir des conseils confidentiels;   7° une notice expliquant clairement les conditions dans lesquelles la responsabilité des personnes qui effectuent un signalement auprès de l'autorité compétente intégrité ne serait pas engagée du fait d'une violation de la confidentialité en vertu de l'article 180 mais aussi les cas où cette responsabilité pourrait être engagée si le signalement n'est pas fait dans le respect de la réglementation en vigueur.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 23, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 169. [1 § 1er. Des violations constatées ou suspectées au sein des services du centre public d'action sociale ou de l'organe peuvent être introduites auprès de l'autorité compétente intégrité par :   1° le référent intégrité;   2° l'auteur de signalement visé à l'article 155 dans les hypothèses suivantes :   a) aucune mesure appropriée n'a été prise en réponse à son signalement interne dans le délai prescrit;   b) il peut craindre, en raison de l'objet de la violation constatée ou suspectée ou de la qualité de la personne concernée, un manque de confidentialité ou de garantie d'indépendance quant au traitement du signalement interne;   c) en l'absence de référent intégrité.   § 2. Les signalements anonymes ne sont pas pris en compte.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 24, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 170. [1 § 1er. L'auteur de signalement effectue un signalement par écrit ou oralement.   Il est possible d'effectuer des signalements oralement par téléphone ou via d'autres systèmes de messagerie vocale et, sur demande de l'auteur de signalement, par le biais d'une rencontre en personne dans un délai raisonnable.   Si le signalement est introduit de manière orale, un procès-verbal est établi par l'autorité compétente intégrité. Il est également donné la possibilité à l'auteur de signalement de vérifier et de rectifier le procès-verbal de la conversation. Le procès-verbal est signé par l'auteur de signalement.   § 2. Un accusé de réception du signalement est adressé à l'auteur de signalement au plus tard dans les sept jours à dater de la réception du signalement, sauf demande contraire expresse de l'auteur de signalement ou à moins que l'autorité compétente ait des motifs raisonnables de croire qu'accuser réception du signalement compromettrait la protection de l'identité de l'auteur de signalement.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 25, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 171. [1 Lorsqu'un signalement est reçu par des canaux autres que les canaux de signalement externe ou par des membres du personnel autres que ceux chargés du traitement des signalements, les membres du personnel qui reçoivent le signalement s'abstiennent de divulguer toute information qui permettrait d'identifier l'auteur de signalement ou la personne concernée et transmettent immédiatement le signalement sans modification aux membres du personnel chargés du traitement des signalements.   ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 26, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 172. [1 § 1er. L'autorité compétente intégrité vérifie la recevabilité du signalement au regard des conditions fixées par le présent chapitre ainsi que la bonne foi de l'auteur de signalement. L'auteur de signalement est informé de la recevabilité de son signalement.   Le signalement est irrecevable :   1° si l'autorité compétente intégrité est incompétente;   2° si l'identité de l'auteur de signalement est inconnue puisque les signalements anonymes d'une violation suspectée ne sont pas pris en compte;   3° si l'auteur de signalement est de mauvaise foi;   4° en cas de signalements répétitifs qui ne contiennent aucune nouvelle information significative relative à un signalement antérieur clôturé.   Est de bonne foi, la personne qui a des motifs raisonnables de croire que les informations signalées sur les violations étaient véridiques au moment du signalement et que ces informations entrent dans le champ d'application du présent chapitre.   § 2. Si l'autorité compétente intégrité dispose de suffisamment d'éléments pour pouvoir conclure qu'elle a acquis la connaissance d'un crime ou d'un délit, elle applique sans délai la procédure prévue à l'article 29 du Code d'instruction criminelle.   § 3. En cas d'irrecevabilité ou d'application de l'article 29 du Code d'instruction criminelle, l'autorité compétente intégrité en informe par écrit l'auteur de signalement ainsi que le directeur général.   S'il apparaît que le directeur général est impliqué directement ou indirectement, l'autorité compétente intégrité en informe le bureau permanent par écrit. Dans ce dernier cas, le directeur général n'est pas présent à la séance du bureau permanent au cours de laquelle cette information est abordée.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 27, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 173. [1 § 1er. L'autorité compétente intégrité, après avoir dûment examiné la question, peut décider qu'une violation signalée est manifestement mineure et ne requiert pas d'autre suivi en vertu de la présente section que la clôture de la procédure.   Cela n'affecte pas d'autres obligations ou d'autres procédures applicables visant à remédier à la violation signalée, ni la protection accordée par le présent chapitre en ce qui concerne les signalements internes ou externes. En pareil cas, l'autorité compétente intégrité notifie à l'auteur de signalement sa décision et les motifs de cette décision.   § 2. L'autorité compétente intégrité peut décider de clore les procédures en ce qui concerne les signalements répétitifs qui ne contiennent aucune nouvelle information significative sur des violations par rapport à un signalement antérieur à propos duquel les procédures concernées ont été closes, à moins que de nouveaux éléments juridiques ou factuels ne justifient un suivi différent. En pareil cas, l'autorité compétente intégrité notifie à l'auteur de signalement sa décision et les motifs de cette décision.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 28, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 174. [1 § 1er. Lorsque le signalement est recevable ou à l'exception des cas visés à l'article 172, l'autorité compétente intégrité procède à l'enquête.   L'introduction et l'enquête du signalement ne suspendent pas et n'interrompent pas les délais de prescription ou de recours administratifs ou judiciaires en cours pour les mêmes faits.   En cas d'information ou d'instruction judiciaire qui concerne le signalement soumis, l'autorité compétente intégrité suspend son enquête.   § 2. L'autorité compétente intégrité applique les principes généraux de bonne administration et respecte les droits de la défense.   § 3. L'autorité compétente intégrité donne la possibilité à la personne concernée par le signalement de faire valoir utilement ses arguments sur les faits reprochés, si elle dispose de suffisamment d'éléments pour pouvoir conclure à l'existence d'une violation, après avoir reçu les documents et renseignements qu'elle estime nécessaires. Elle veille, à ce stade, à garantir l'anonymat de cette personne.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 29, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 175. [1 § 1er. L'autorité compétente intégrité peut faire toute constatation sur place, se faire communiquer tous les documents et renseignements qu'elle estime nécessaires et entendre toutes les personnes intéressées.   Elle peut imposer des délais impératifs de réponse aux personnes concernées auxquelles elle adresse des questions.   § 2. L'article 458 du Code pénal est applicable aux membres du personnel chargés d'exercer la mission de l'autorité compétente intégrité.   Le caractère secret ou confidentiel des pièces dont elle demande la communication ne peut lui être opposé, sauf en matière de secret professionnel des avocats, du secret médical et du secret des délibérations judiciaires ainsi qu'en matière de secret concernant la défense nationale, de sûreté de l'Etat ou de politique extérieure.   Tout membre du personnel consulté dans le cadre de l'enquête menée par l'autorité compétente intégrité est relevé de toute obligation de secret professionnel.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 30, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 176. [1 § 1er. Au terme de l'examen du signalement, l'autorité compétente intégrité établit un rapport circonstancié accompagné, le cas échéant, de recommandations à destination de la personne concernée.   L'autorité compétente intégrité informe l'auteur de signalement de la suite donnée à son signalement externe dans les trois mois à compter de l'accusé de réception du signalement, ou à défaut d'accusé de réception envoyé à l'auteur de signalement, trois mois à compter de l'expiration de la période de sept jours suivant le signalement.   § 2. Ce rapport comporte la décision de l'autorité compétente intégrité :   1° de constater l'absence ou l'existence d'une violation;   2° d'adresser à l'autorité locale au sein de laquelle la violation a été constatée toute recommandation et, le cas échéant, toute proposition tendant à remédier à la violation constatée ou à améliorer le fonctionnement de son service ou de l'organe;   3° d'adresser toute recommandation à l'autorité locale visée au 2°, si elle constate que l'application de dispositions législatives, décrétales ou réglementaires aboutit à une iniquité, pour permettre de régler en équité la situation de l'auteur de signalement, dans le respect de ses compétences;   4° de proposer à l'autorité locale d'initier une procédure disciplinaire ou de licenciement à l'encontre du membre du personnel qui a commis une violation.   § 3. Par décision motivée, l'autorité compétente intégrité peut prolonger le délai visé au paragraphe 1er pour une durée n'excédant pas six mois.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 31, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 177. [1 L'autorité compétente intégrité ne peut remettre en cause le bien-fondé d'une décision juridictionnelle mais peut faire des recommandations à l'autorité locale concernée.   Elle peut, en cas d'inexécution d'une décision de justice passée en force de chose jugée, enjoindre à l'autorité locale concernée de s'y conformer dans un délai qu'elle fixe. Si cette injonction n'est pas suivie d'effet, l'inexécution de la décision de justice fait l'objet d'un rapport spécial.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 32, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 178. [1 L'autorité compétente intégrité est informée de la suite donnée à ses interventions.   Si l'autorité locale concernée par le signalement estime ne pas devoir tenir compte d'une recommandation formulée par l'autorité compétente intégrité, elle lui adresse une réponse motivée dans les trois mois.   L'autorité locale informe périodiquement l'auteur de signalement des suites réservées à son signalement.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 33, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 179. [1 L'autorité compétente intégrité réexamine ses procédures de réception des signalements et de suivi régulièrement, et au minimum une fois tous les trois ans. Lors du réexamen de ces procédures, elle tient compte de son expérience ainsi que de celle des autres autorités compétentes et adapte ses procédures en conséquence.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 34, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Section 4. [1 Dispositions communes aux signalements internes et externes  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 35, 042; En vigueur : 01-12-2023>      Art. 180. [1 § 1er. Le référent intégrité et l'autorité compétente intégrité respectent la confidentialité de l'identité des parties concernées par l'enquête.   Ce devoir de confidentialité s'applique également pour toute autre information à partir de laquelle l'identité de l'auteur du signalement peut être directement ou indirectement déduite.   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'identité de l'auteur de signalement, de toute personne qui aide l'auteur de signalement ou qui est associée à l'enquête, et toute autre information à partir de laquelle cette identité peut être directement ou indirectement déduite, peut être divulguée, si les personnes précitées l'autorisent expressément, ou si cela apparaît nécessaire et proportionné dans le cadre d'enquêtes menées par les autorités compétentes en matière de recherche d'infractions ou dans le cadre de procédures judiciaires, en vue de sauvegarder les droits de la défense des personnes mises en cause.   § 3. Les divulgations effectuées en vertu de la dérogation prévue au paragraphe 2 font l'objet de mesures de sauvegarde appropriées en vertu des règles de l'Union et des règles belges applicables. En particulier, l'auteur du signalement est, avant la divulgation de son identité, informé de cette divulgation, à moins qu'une telle information ne risque de compromettre les enquêtes et les procédures judiciaires concernées. Lorsque le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité informe les auteurs de signalement du fait que leur identité va être divulguée, il doit leur adresser une explication écrite des motifs de la divulgation des données confidentielles concernées.   § 4. Le référent intégrité et l'autorité compétente intégrité qui reçoivent des informations sur des atteintes à l'intégrité qui comportent des secrets d'affaires ne peuvent pas utiliser ou divulguer ces informations à des fins allant au-delà de ce qui est nécessaire pour assurer un suivi approprié.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 36, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 181. [1 § 1er. Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité traite des données à caractère personnel afin de mener à bien les missions qui lui sont confiées en vertu du présent chapitre et plus particulièrement lorsqu'il accuse réception du signalement, prend connaissance du signalement et instruit celui-ci.   L'administration du centre public d'action sociale dans laquelle le référent intégrité exerce sa fonction ou l'autorité compétente intégrité est le responsable de traitement.   Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité traite les données à caractère personnel suivantes :   1° l'identité, soit les noms, prénoms, coordonnées, le service d'affectation de toute personne qui effectue un signalement;   2° l'identité de toute personne qui fait l'objet d'un signalement d'une violation et ses coordonnées ainsi que son service d'affectation;   3° l'identité de toute personne qui aurait contribué, été témoin ou victime d'une violation ou parce qu'elle pourrait apporter des éléments d'information dans le cadre de l'enquête menée par le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité ainsi que ses coordonnées et son service d'affectation.   Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité peut solliciter les coordonnées visées ci-avant auprès du service du personnel.   § 2. Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité transmet ces données uniquement :   a) en cas d'autorisation expresse donnée par la personne visée par la divulgation;   b) en cas d'application de l'article 29 du Code d'instruction criminelle;   c) si cela apparaît nécessaire et proportionné dans le cadre d'enquête menée par les autorités compétentes en matière de recherche d'infraction ou dans le cadre de procédure judiciaire en vue de sauvegarder les droits de la défense de personnes mises en cause.   § 3. L'ensemble des données à caractère personnel collectées dans le cadre du présent chapitre sont détruites dans les cinq ans de la clôture de l'enquête, sauf en cas de poursuites pénales ou d'action judiciaire, auquel cas les données sont conservées jusqu'à dix ans après l'issue des poursuites ou de l'action.   § 4. Lorsque le signalement est effectué sur support informatique ou par téléphone, le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité contrôle qu'il soit traité de manière sécurisée quant à la confidentialité de l'identité de l'auteur de signalement, de la personne concernée et de toute personne impliquée dans le signalement.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 37, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 182. [1 § 1er. Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité archive tous les signalements reçus, dans le respect des exigences de confidentialité prévues à l'article 180.   § 2. Lorsqu'une ligne téléphonique enregistrée ou un autre système de messagerie vocale enregistré est utilisé pour le signalement, avec le consentement de l'auteur de signalement, le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité a le droit de consigner le signalement oral sous l'une des formes suivantes :   a) en effectuant un enregistrement de la conversation sous une forme durable et récupérable ou;   b) par une transcription complète et précise de la conversation, établie par le membre du personnel chargé de traiter le signalement.   Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité donne à l'auteur de signalement la possibilité de vérifier et de rectifier la transcription de l'appel. La transcription de l'appel est signée par l'auteur de signalement.   § 3. Lorsqu'une ligne téléphonique non enregistrée ou un autre système de messagerie vocale non enregistré est utilisé pour le signalement, le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité a le droit de consigner le signalement oral sous la forme d'un procès-verbal précis de la conversation établi par le membre du personnel chargé de traiter le signalement. Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité donne à l'auteur de signalement la possibilité de vérifier, de rectifier et d'approuver le procès-verbal de la conversation par l'apposition de sa signature.   § 4. Lorsque le signalement fait suite à une rencontre entre l'auteur de signalement et le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité, les comptes rendus complets et précis de la rencontre sont conservés sous une forme durable et récupérable.   Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité a le droit de consigner la rencontre sous l'une des formes suivantes :   a) en effectuant un enregistrement de la conversation sous une forme durable et récupérable ou;   b) par un procès-verbal précis de la rencontre établi par les membres du personnel chargés de traiter le signalement.   Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité donne à l'auteur de signalement la possibilité de vérifier, de rectifier et d'approuver le procès-verbal de la rencontre par l'apposition de sa signature.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 38, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Section 5. [1 Protection de l'auteur de signalement  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 39, 042; En vigueur : 01-12-2023>      Art. 183. [1 Est interdite toute forme de représailles, en ce compris les menaces de représailles et les tentatives de représailles, prises à l'encontre de l'auteur de signalement au motif qu'il a dénoncé une violation.   Les éléments suivants constituent notamment une mesure de représailles :   1° prendre une décision de licenciement ou de démission d'office;   2° déplacer un membre du personnel ou refuser une demande en ce sens;   3° prendre une mesure d'ordre;   4° prendre une mesure d'ordre intérieur;   5° prendre une mesure disciplinaire;   6° prendre une mesure de suspension de formation;   7° priver un membre du personnel d'une augmentation salariale;   8° priver un membre du personnel de possibilités de nomination, de promotion ou d'évolution de carrière;   9° priver un membre du personnel contractuel de la conversion d'un contrat de travail temporaire en un contrat permanent, lorsque le travailleur pouvait légitimement espérer se voir offrir un emploi permanent;   10° priver un membre du personnel de facilités dont bénéficient les autres collaborateurs;   11° refuser un congé;   12° attribuer une évaluation défavorable;   13° mettre anticipativement fin au stage;   14° mettre anticipativement fin au bénévolat;   15° prendre des mesures de coercition, d'intimidation, de harcèlement ou d'ostracisme;   16° prendre des mesures discriminatoires ou traiter un membre du personnel de manière désavantageuse ou injuste.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 40, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 184. [1 L'auteur de signalement bénéficie de la protection prévue par le présent chapitre pour autant que :   1° il ait eu des motifs raisonnables de croire que les informations signalées sur les violations étaient véridiques au moment du signalement et que ces informations entraient dans le champ d'application du présent chapitre et;   2° il ait effectué un signalement soit interne conformément à la section 2, soit externe conformément la section 3, ou ait fait une divulgation publique conformément à l'article 185.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 41, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 185. [1 § 1er. Une personne qui fait une divulgation publique bénéficie de la protection prévue par le présent chapitre si les conditions suivantes sont remplies :   1° la personne a d'abord effectué un signalement interne et externe, ou a effectué directement un signalement externe conformément aux sections 2 et 3, mais aucune suite n'a été donnée en réponse au signalement dans le délai, visé à l'article 165, § 1er, alinéa 2, ou à l'article 176, § 1er, alinéa 2, et § 3;   2° la violation suspectée faisant l'objet de la divulgation répond à la définition prévue par l'article 153, 1°.   § 2. Le présent article ne s'applique pas aux cas dans lesquels une personne révèle directement des informations à la presse en vertu de dispositions nationales spécifiques établissant un système de protection relatif à la liberté d'expression et d'information.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 42, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 186. [1 § 1er. La période de protection prend cours :   1° pour l'auteur de signalement, à la date de réception de son signalement;   2° pour le membre du personnel qui a aidé l'auteur de signalement, à la date à laquelle il est reconnu comme tel par le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité;   3° pour le référent intégrité, à la date de son entrée en fonction.   § 2. Le bénéfice de la protection n'est pas perdu au seul motif que le signalement effectué de bonne foi s'est avéré inexact ou infondé ou que les informations transmises de bonne foi se sont avérées inexactes ou infondées.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 43, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 187. [1 § 1er. La protection n'est pas accordée au membre du personnel qui dénonce une violation sans avoir respecté les procédures prévues dans le présent chapitre.   § 2. La protection n'est pas accordée au membre du personnel, auteur de signalement, lorsqu'il ressort du rapport écrit de l'examen :   1° qu'il a agi en sachant pertinemment que cette dénonciation n'est pas sincère;   2° qu'il est lui-même impliqué dans la violation dénoncée.   § 3. La protection n'est pas accordée au membre du personnel associé à l'enquête lorsqu'il ressort du rapport écrit de l'enquête :   1° qu'il a délibérément fourni des informations malhonnêtes, non conformes à la réalité et manifestement incomplètes au référent intégrité ou à l'autorité compétente intégrité;   2° qu'il était lui-même impliqué dans la violation dénoncée.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 44, 042; En vigueur : 01-12-2023>       Art. 188. [1 Les personnes, visées à l'article 155, bénéficient, s'il y a lieu, de mesures de soutien tels que des informations et des conseils complets et indépendants, qui sont facilement accessibles au public et gratuits, sur les procédures et les recours disponibles, sur la protection contre les représailles, ainsi que sur les droits de la personne concernée.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 1, 042; En vigueur : 01-12-2023>   Section 6. [1 Protection des personnes concernées  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 46, 042; En vigueur : 01-12-2023>   Art. 189. [1 § 1er. Le référent intégrité et l'autorité compétente intégrité veillent à ce que l'identité des personnes concernées soit protégée aussi longtemps que les enquêtes déclenchées par le signalement ou la divulgation publique sont en cours.   § 2. Les règles prévues à la section 4 concernant la protection de l'identité des auteurs de signalement s'appliquent également à la protection de l'identité des personnes concernées.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 47, 042; En vigueur : 01-12-2023>   Section 7. [1 Sanctions  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 48, 042; En vigueur : 01-12-2023>   Art. 190. [1 Il n'y a pas d'infraction lorsqu'une personne qui, par état ou par profession, est dépositaire de secrets, signale ou divulgue publiquement ceux-ci dans le respect des conditions prévues par le présent chapitre. Cette disposition s'applique sans préjudice de la protection de la sécurité nationale, de la protection des informations classifiées dans le sens de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, de la protection du secret professionnel des avocats et du secret médical, du secret des délibérations judiciaires et des règles en matière de procédure pénale.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 49, 042; En vigueur : 01-12-2023>   Section 8. [1 Absence de renonciation aux droits et recours  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 50, 042; En vigueur : 01-12-2023>   Art. 191. [1 Les droits et recours prévus par le présent chapitre ne peuvent faire l'objet d'une renonciation ni être limités par un quelconque accord ou une quelconque politique, forme d'emploi ou condition de travail, y compris une convention d'arbitrage.   Sont nulles les dispositions contractuelles ou statutaires qui sont contraires au présent chapitre ou aux dispositions prises pour son exécution, ainsi que les clauses contractuelles qui prévoient une renonciation aux protections y conférées ou les dispositions prises pour son exécution.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 51, 042; En vigueur : 01-12-2023>   Section 9. [1 Dispositions diverses  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 52, 042; En vigueur : 01-12-2023>   Art. 192.[1 Les articles 152 à 191 relatifs aux canaux de signalement et à la protection des personnes qui signalent une violation sont applicables mutatis mutandis aux associations régies par le chapitre XII de la présente loi.   Le terme " organe " défini à l'article 153, 5°, doit s'entendre de l'assemblée générale, du conseil d'administration, des organes restreints de gestion et des membres de ces organes.   Tout membre du personnel de niveau A ou, à défaut, de niveau B peut être désigné référent intégrité conformément aux statuts et règlements de l'association, après le lancement d'un appel interne.   Si aucun candidat ne se porte volontaire suite à l'appel interne, le référent intégrité sera la fonction dirigeante locale.   La description de fonction du référent intégrité est concertée avec les organisations syndicales représentatives.   Un référent intégrité est obligatoire si l'association compte au moins cinquante membres du personnel.   Le référent intégrité peut être mutualisé avec une ou plusieurs centres publics d'action sociale, associations régies par le chapitre XII ou autorités locales visées à l'article L1219-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.  ----------  <Inséré par DRW 2023-05-19/07, art. 53, 042; En vigueur : 01-12-2023>     
Art. 18. [1 § 1. Een lid dat niet meer voldoet aan de één of andere verkiesbaarheidsvoorwaarde mag zijn ambt niet langer uitoefenen. [2 In dit geval, is artikel 15, § 3, niet van toepassing.]2
   Het college geeft de [3 gemeente]3 raad [3 , de raad voor maatschappelijk welzijn]3 en betrokkene daar kennis van. Betrokkene kan binnen een termijn van vijftien dagen zijn verweermiddelen aan het college meedelen. De [3 gemeente]3 raad neemt akte van het verlies van de één of andere verkiesbaarheidsvoorwaarde en stelt het ontslag van rechtswege vast. Hij gaat over tot de vervanging van het betrokken lid.
   Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten van de Raad van State, wordt tegen die beslissing ingesteld. Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.
   Indien betrokkene zijn ambt blijft uitoefenen alhoewel hij zelfs zonder enige kennisgeving kennis heeft van de oorzaak van zijn afzetting, is hij strafbaar met de straffen bepaald bij artikel 262 van het Strafwetboek.
   § 2. Een lid dat in één van de toestanden van onverenigbaarheid komt te verkeren, mag zijn ambt niet meer uitoefenen.
   Het college geeft de [3 gemeente]3 raad [3 , de raad voor maatschappelijk welzijn]3 en betrokkene daar kennis van. Betrokkene kan binnen een termijn van vijftien dagen zijn verweermiddelen aan het college meedelen. De [3 gemeente]3 raad neemt akte van de feiten die onverenigbaarheid als gevolg kunnen hebben en stelt het ontslag van rechtswege vast. Hij gaat over tot de vervanging van het betrokken lid.
   Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten van de Raad van State, wordt tegen die beslissing ingesteld. Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.
   Indien betrokkene zijn ambt blijft uitoefenen alhoewel hij zelfs zonder enige kennisgeving kennis heeft van de oorzaak van zijn afzetting, is hij strafbaar met de straffen bepaald bij artikel 262 van het Strafwetboek.]1

  [2 § 3. De verkozene die, de dag van diens installatie, de verkiesbaarheidsvoorwaarden niet vervult of in één van de toestanden van onverenigbaarheid komt te verkeren, kan niet beëdigd worden.
   Het college geeft de [3 gemeente]3 raad [3 , de raad voor maatschappelijk welzijn]3 en betrokkene daar kennis van. Betrokkene kan binnen een termijn van vijftien dagen zijn verweermiddelen aan het college meedelen. De [3 gemeente]3 raad neemt akte van het verlies van de één of andere verkiesbaarheidsvoorwaarde en stelt de onmogelijkheid vast de eed af te leggen.
   Een beroep, gegrond op artikel 16 van de gecoördineerde wetten van de Raad van State, wordt tegen die beslissing ingesteld. Het moet ingesteld worden binnen acht dagen na de kennisgeving ervan.]2

  
Art. 18. [1 § 1er. Le membre du conseil qui perd l'une ou l'autre des conditions d'éligibilité ne peut plus continuer l'exercice de ses fonctions. [2 Dans ce cas, l'article 15, § 3, n'est pas d'application.]2
   Le collège en informe le conseil [3 communal, le conseil de l'action sociale]3 et l'intéressé. Celui-ci peut communiquer, au collège, dans un délai de quinze jours, ses moyens de défense. Le conseil [3 communal]3 prend acte de la perte de l'une ou l'autre des conditions d'éligibilité et constate la déchéance de plein droit. Il procède au remplacement du membre concerné.
   Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision. Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.
   Si, ayant connaissance de la cause de sa déchéance, même en l'absence de toute notification, l'intéressé continue l'exercice de ses fonctions, il est passible des peines prévues par l'article 262 du Code pénal.
   § 2. Le membre du conseil qui vient à se trouver dans l'une des situations d'incompatibilité ne peut plus continuer l'exercice de ses fonctions.
   Le collège en informe le conseil [3 communal, le conseil de l'action sociale]3 et l'intéressé. Celui-ci peut communiquer, au collège, dans un délai de quinze jours, ses moyens de défense. Le conseil [3 communal]3 prend acte des faits de nature à entraîner l'incompatibilité et constate la déchéance de plein droit. Il procède au remplacement du membre concerné.
   Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision. Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.
   Si, ayant connaissance de la cause de sa déchéance, même en l'absence de toute notification, l'intéressé continue l'exercice de ses fonctions, il est passible des peines prévues par l'article 262 du Code pénal.]1

  [2 § 3. L'élu qui, au jour de son installation, ne remplit pas les conditions d'éligibilité ou vient à se trouver dans l'une des situations d'incompatibilité, ne peut pas être appelé à prêter serment.
   Le collège en informe le conseil [3 communal, le conseil de l'action sociale]3 et l'intéressé. Celui-ci peut communiquer, au collège, dans un délai de quinze jours, ses moyens de défense. Le conseil [3 communal]3 prend acte de la perte de l'une ou l'autre des conditions d'éligibilité et constate l'impossibilité à prêter serment.
   Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision. Il doit être introduit dans les huit jours de sa notification.]2

  
Art. 19. Het ontslag uit het ambt van raadslid wordt schriftelijk meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad, die [2 er akte van neemt]2 op de eerste vergadering volgend op de mededeling.
  [2 Het ontslag heeft uitwerking met ingang van de datum waarop de gemeenteraad er akte van neemt. Als de gemeenteraad akte van het ontslag neemt, kan het niet meer worden ingetrokken.]2
  
Art. 19. La démission des fonctions de conseiller est notifiée par écrit au conseil de l'action sociale et au conseil communal, lequel l' [2 acte]2 lors de la première séance suivant cette notification.
  [2 La démission prend effet à la date où le conseil communal l'acte. Lorsque la démission est actée par le conseil communal, elle ne peut plus être retirée.]2
  
Art. 20. In geval van zware nalatigheid of kennelijk wangedrag kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn door de Regering of haar afgevaardigde geschorst of afgezet worden op voorstel van de raad voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad, de gouverneur, het provinciecollege of zelfs van ambtswege. De schorsing mag niet langer dan drie maanden duren.
  Betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, op zijn verzoek, gehoord, bijgestaan door de raadsman van zijn keuze; het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt om advies verzocht.
  De beslissing van de Regering of van haar afgevaardigde wordt ter kennis gebracht van betrokkene en meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, de gemeenteraad, de gouverneur en het provinciecollege. Betrokkene, de raad voor maatschappelijk welzijn en de gemeenteraad beschikken over het recht om beroep in te stellen bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de mededeling of na afloop van de termijn waarbinnen de Regering of haar afgevaardigde moet beslissen.
  In de gevallen waarin zij zich over een voorstel tot schorsing of herroeping moet uitspreken, beslist de Regering of haar afgevaardigde binnen een termijn van drie maanden vanaf de dag waarop het voorstel haar is meegedeeld. Zij kan deze termijn met drie maanden verlengen; de beslissing tot verlenging heeft slechts gevolg als ze vóór het verstrijken van de aanvankelijke termijn van drie maanden meegedeeld wordt aan de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn, de gouverneur en het provinciecollege. Als een beslissing niet meegedeeld wordt binnen de voorgeschreven termijn, eventueel verlengd, wordt het stilzwijgen van de Regering of van haar afgevaardigde beschouwd als een beslissing tot verwerping van het voorstel.
  De beslissing tot verlenging wordt binnen acht dagen aan betrokkene meegedeeld.
Art. 20. Les membres du conseil de l'action sociale peuvent, en cas de négligence grave ou d'inconduite notoire, être suspendus ou révoqués par le Gouvernement ou son délégué, sur la proposition du conseil de l'action sociale, du conseil communal, du gouverneur, du collège provincial ou même d'office. La suspension ne pourra excéder trois mois.
  Le membre intéressé est préalablement convoqué et, s'il le demande, entendu, assisté du conseil de son choix; l'avis du conseil de l'action sociale est demandé.
  La décision du Gouvernement ou de son délégué est notifiée à l'intéressé et communiquée au conseil de l'action sociale, au conseil communal, au gouverneur et au collège provincial. Un recours au Conseil d'Etat est ouvert à l'intéressé, au conseil de l'action sociale et au conseil communal dans les quinze jours de la notification ou à l'expiration du délai imparti au Gouvernement ou à son délégué pour statuer.
  Dans les cas où il est saisi d'une proposition de suspension ou de révocation, le Gouvernement ou son délégué statue dans un délai de trois mois à partir du jour où la proposition lui a été notifiée. Il peut proroger ce délai de trois mois; la décision de prorogation ne produit ses effets que si elle est notifiée au conseil communal, au conseil de l'action sociale, au gouverneur et au collège provincial avant l'expiration du délai initial de trois mois. A défaut de notification d'une décision dans le délai prescrit, éventuellement prorogé, le silence du Gouvernement ou de son délégué est réputé constituer une décision de rejet de la proposition.
  La décision de prorogation est notifiée à l'intéressé dans les huit jours.
Art. 21. De Raad van State beschikt over een termijn van zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift om volgens de door de Koning bepaalde rechtspleging uitspraak te doen over de beroepen ingediend met toepassing van artikel 15.
Art. 21. Le Conseil d'Etat dispose d'un délai de six mois après la réception de la requête pour statuer, suivant la procédure déterminée par le Gouvernement, sur les recours introduits en application de l'article 15.
Art. 22. § 1. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn is het lid van deze raad wiens identiteit vermeld staat in het meerderheidspact bedoeld in de artikelen L1123-1 en volgende van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.
  § 2. Vóór de aanneming van het meerderheidspact door de gemeenteraad, wordt de raad voor maatschappelijk welzijn voorgezeten door de voorzitter verkozen onder de vorige gemeentelijke legislatuur indien hij nog lid van de raad is en, bij gebreke daarvan, door het raadslid met de grootste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn onder de politieke fracties die voldoen aan de democratische beginselen opgenomen o.a. in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of van elke andere vorm van genocide, alsook aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.
  § 3. Bij verhindering [1 of afwezigheid]1 van de voorzitter wordt zijn ambt waargenomen door het raadslid dat door hem schriftelijk wordt aangewezen [4 en bij gelijkheid, door het oudste raadslid]4. [5 De voorzitter die optreedt tijdens de verhindering of afwezigheid oefent alle prerogatieven van de voorzitter uit, met inbegrip van die om zitting te nemen in het gemeentecollege.]5
  Bij gebrek aan zulke aanwijzing, wijst de raad onder zijn leden een plaatsvervanger aan en wordt, zo nodig, in afwachting van die aanwijzing, het ambt van voorzitter waargenomen door het lid met de hoogste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn.
  [1 [3 ...]3]1
  [3 ...]3
  [2 § 3bis. Het is de verhinderde voorzitter van de Raad verboden:
   1° [5 het gemeentecollege, het vast bureau of de bijzondere comités bij te wonen, in welke hoedanigheid ook;]5
   2° de gemeenteraad of de raad voor maatschappelijk welzijn voor te zitten;
   3° een officieel document te ondertekenen, uitgaande van de gemeente of het OCMW;
   4° het tijdschrift van de gemeente of het OCMW te ondertekenen, of uitnodigingsbrieven;
   5° de sjerp te dragen, behoudens voor huwelijksceremonieën en manifestaties in aanwezigheid van vertegenwoordigers van het diplomatieke corps;
   6° de officiële communicatie van de gemeente of het OCMW te verzorgen;
   7° permanent over een lokaal bij de gemeente of het OCMW te bschikken;
   8° over een kabinet te beschikken bij de gemeente of het OCMW.
   De verhinderde voorzitter van de raad is ertoe gemachtigd om in zijn privé-correspondentie gebruik te maken van briefpapier waarop zijn titel vermeld staat, zonder gebruik te mogen maken van de huisstijl of van het wapenschild van de gemeente of het OCMW.]2

  § 4. De functies van de voorzitter eindigen wanneer hij ontslag neemt uit zijn ambt, wanneer zijn mandaat van raadslid verstrijkt of wanneer de gemeenteraad jegens hem een constructieve motie van wantrouwen stemt.
  Het ontslag uit het ambt van voorzitter wordt schriftelijk meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeenteraad, die [5 er akte van neemt]5 op de eerste vergadering volgend op de mededeling.
  [5 Het ontslag heeft uitwerking op de datum waarop de gemeenteraad er akte van neemt. Als de gemeenteraad akte van het ontslag neemt, kan het niet meer worden ingetrokken.]5
  § 5. In geval van overlijden van de voorzitter of wanneer aan zijn mandaat een einde komt om een andere reden dan de volledige vernieuwing van de raad en onverminderd de stemming van een motie van wantrouwen t.o.v. het gemeentecollege [5 en op voorwaarde dat de identiteit van de ontslagen voorzitter niet in dezelfde functie vermeld staat in het nieuwe meerderheidspact]5, wordt hij tot de raad een nieuwe voorzitter heeft verkozen door het lid met de hoogste anciënniteit als raadslid voor maatschappelijk welzijn [4 en bij gelijkheid, door het oudste raadslid]4 vervangen onder de politieke fracties die voldoen aan de democratische beginselen opgenomen o.a. in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd of van elke andere vorm van genocide, alsook aan de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden.
  De Regering bepaalt de ambtskledij of het onderscheidingsteken van de voorzitter.
  
Art. 22. § 1er. Le président du conseil de l'action sociale est le membre de ce conseil dont l'identité est reprise dans le pacte de majorité visé aux articles L1123-1 et suivants du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
  § 2. Avant l'adoption du pacte de majorité par le conseil communal, le conseil de l'action sociale est présidé par le président élu sous la législature communale précédente s'il est toujours membre du conseil et, à défaut, par le conseiller ayant la plus grande ancienneté en tant que conseiller de l'action sociale parmi les formations politiques qui respectent les principes démocratiques énoncés notamment par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la Seconde Guerre mondiale ou toute autre forme de génocide, ainsi que les droits et libertés garantis par la Constitution.
  § 3. En cas d'empêchement [1 ou absence]1 du président, ses fonctions sont assumées par le membre du conseil qu'il désigne par écrit. A défaut d'une telle désignation, le conseil désigne un remplaçant parmi ses membres et, en attendant cette désignation, les fonctions de président sont exercées, s'il y a lieu, par le conseiller ayant la plus grande ancienneté en tant que conseiller de l'action sociale [4 et en cas d'égalité, par le conseiller le plus âgé]4. [5 Le président qui fait fonction durant l'empêchement ou l'absence exerce l'ensemble des prérogatives du président, en ce compris celle de siéger au collège communal.]5
  Est considéré comme empêché le président qui exerce la fonction de ministre, de secrétaire d'Etat, de membre d'un gouvernement ou de secrétaire d'Etat régional pendant la période d'exercice de cette fonction.
  [1 [3 ...]3]1
  [3 ...]3
  [2 § 3bis. Le président du conseil empêché ne peut pas :
   1° [5 assister au collège communal, au bureau permanent ou aux comités spéciaux, à quelque titre que ce soit;]5
   2° présider le conseil communal ou le conseil de l'action sociale;
   3° signer un document officiel émanant de la commune ou du CPAS;
   4° signer la revue communale ou du CPAS ou des courriers d'invitation;
   5° porter l'écharpe, sauf pour les cérémonies de mariage et les manifestations en présence de représentants du corps diplomatique;
   6° assurer la communication officielle de la commune ou du CPAS;
   7° bénéficier de manière permanente d'un local au sein de la commune ou du CPAS;
   8° disposer d'un cabinet au niveau de la commune ou du CPAS.
   Le président du conseil empêché est autorisé, dans sa correspondance privée, à utiliser un papier mentionnant son titre sans employer la charte graphique ni le blason communal ou du CPAS.]2

  § 4. Les fonctions du président prennent fin lorsqu'il démissionne de ses fonctions, lorsque son mandat de conseiller prend fin ou lorsque le conseil communal vote une motion de méfiance constructive le concernant.
  La démission des fonctions de président est notifiée par écrit au conseil de l'action sociale et au conseil communal, lequel l'[5 acte]5 lors de la première séance suivant cette notification.
  [5 La démission prend effet à la date où le conseil communal l'acte. Lorsque la démission est actée par le conseil communal, elle ne peut plus être retirée.]5
  § 5. En cas de décès ou de démission du président ou lorsque son mandat prend fin pour un motif autre que le renouvellement complet du conseil, et sans préjudice du vote d'une motion de méfiance à l'égard du collège communal [5 et à la condition que l'identité du président démis ne soit pas reprise dans la même fonction dans le nouveau pacte de majorité]5, il est remplacé par le conseiller ayant la plus grande ancienneté en tant que conseiller de l'action sociale [4 et en cas d'égalité, par le conseiller le plus âgé]4 parmi les formations politiques qui respectent les principes démocratiques énoncés notamment par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la Seconde Guerre mondiale ou toute autre forme de génocide, ainsi que les droits et libertés garantis par la Constitution jusqu'à ce qu'un nouveau président soit élu par le conseil communal.
  § 6. Le Gouvernement détermine l'habit officiel ou le signe distinctif du président.
  
Art. 23. (impliciet opgeheven)
Art. 23. (implicitement abrogé)
Afdeling 2. - Werking van de raad voor maatschappelijk welzijn.
Section 2. - Du fonctionnement du conseil de l'aide sociale.
Art. 24. De raad voor maatschappelijk welzijn regelt alles wat tot de bevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort, tenzij de wet het anders bepaalt.
Art. 24. Le conseil de l'aide sociale règle tout ce qui est de la compétence du (centre public d'action sociale), à moins que la loi n'en dispose autrement. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 25. (opgeheven)
Art. 25. (abrogé)
Art. 25bis. <INGEVOEGD bij W 1988-08-09/30, art. 15; Inwerkingtreding : 1989-01-01> De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, wordt door de bevoegde gemeenschapsoverheid op voorstel van de raad benoemd uit de leden van de raad.
  Hij legt de in artikel 20 voorgeschreven eed af in handen van de provinciegouverneur. Wanneer bij de installatie van de raad na een algehele vernieuwing geen voorzitter is benoemd, wijst de raad een raadslid aan om, in afwachting van die benoeming, het ambt van voorzitter waar te nemen.
Art. 25bis. Le président du conseil de l'aide sociale des communes périphériques visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, et des communes de Comines-Warneton et de Fourons est nommé parmi les membres du conseil et sur proposition de celui-ci par l'autorité communautaire compétente.
  Il prête le serment visé à l'article 20 entre les mains du gouverneur de province. Lorsqu'au moment de l'installation du conseil après son renouvellement intégral, le président n'est pas encore nommé, le conseil désigne un de ses membres pour exercer la fonction de président en attendant cette nomination.
Art. 25ter. <INGEVOEGD bij W 1988-08-09/30, art. 16; Inwerkingtreding : 1989-01-01> § 1. In de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8, 3° tot 10°, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, moet de voorzitter, elk lid van de raad voor maatschappelijk welzijn en eenieder die het ambt van voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn waarneemt, voor het uitoefenen van zijn ambt, van de taal van het taalgebied waarin de gemeente gelegen is, de kennis hebben die nodig is om het bedoeld mandaat uit te oefenen.
  § 2. Door het feit van hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden dat de in § 1 bedoelde mandatarissen de in die paragraaf bedoelde taalkennis bezitten.
  Dat vermoeden is onweerlegbaar ten aanzien van elke voor het uitgeoefende mandaat rechtstreeks door de bevolking verkozen mandataris en ten aanzien van de voorzitter die tussen 1 januari 1983 en 1 januari 1989 gedurende minstens drie jaar ononderbroken een mandaat van voorzitter heeft uitgeoefend.
  Ten aanzien van andere mandatarissen kan dat vermoeden worden weerlegd op verzoek van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Daartoe moet de verzoeker het bewijs leveren van ernstige aanwijzingen die dat vermoeden kunnen weerleggen en afgeleid uit een rechterlijke beslissing, de bekentenis van de mandataris of de uitoefening van zijn ambt als individuele bestuursoverheid.
  § 3. Het in paragraaf 2 bedoelde verzoek wordt bij verzoekschrift ingediend bij de afdeling administratie van de Raad van State binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de dag van de eedaflegging als voorzitter of als niet-rechtstreeks gekozen raadslid of van het voor het eerst waarnemen van de functie van voorzitter, overeenkomstig artikel 25 of artikel 25bis, tweede lid.
  § 4. De Raad van State doet uitspraak, met voorrang boven alle andere zaken.
  Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit regelt de rechtspleging voor de Raad van State.
  § 5. Indien de Raad van State ten aanzien van een voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt de benoeming vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw tot voorzitter worden benoemd, noch het ambt ervan waarnemen met toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.
  Indien de Raad van State ten aanzien van degene die het ambt van voorzitter waarneemt met toepassing van artikel 25 of van artikel 25bis, beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt deze laatste geacht het ambt van voorzitter nooit te hebben uitgeoefend. In dat geval wordt het ambt van voorzitter vanaf de dag van de kennisgeving van het arrest waargenomen door een ander lid van de raad met toepassing van artikel 25 of 25bis, tweede lid.
  Indien de Raad van State ten aanzien van een niet-rechtstreeks gekozen lid van een raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt zijn verkiezing vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw tot raadslid worden verkozen.
  § 6. De miskenning van de bepalingen van § 5 door diegenen ten aanzien van wie het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove nalatigheid in de zin van artikel 22.
Art. 25ter. § 1. Tout président ou membre d'un conseil de l'aide sociale et quiconque exerce les fonctions de président d'un conseil de l'aide sociale dans les communes visées aux articles 7 et 8, 3° à 10°, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, doit pour exercer ses fonctions, avoir la connaissance de la langue de la région linguistique dans laquelle la commune est située, qui est nécessaire à l'exercice du mandat visé.
  § 2. Par le fait de leur élection ou de leur nomination, les mandataires visés au § 1er sont présumés avoir la connaissance visée audit paragraphe.
  Cette présomption est irréfragable à l'égard de tout mandataire élu directement par la population pour le mandat exercé et aussi à l'égard du président qui, entre le 1er janvier 1983 et le 1er janvier 1989, a exercé un mandat de président pendant au moins trois années consécutives.
  A l'égard des autres mandataires, cette présomption peut être renversée à la demande d'un membre du conseil de l'aide sociale. Le requérant doit, à cette fin, apporter la preuve d'indices graves permettant de renverser cette présomption et tirée d'un décision juridictionnelle, de l'aveu du mandataire ou de l'exercice de ses fonctions comme autorité administrative individuelle.
  § 3. La demande visée au paragraphe 2 est introduite par voie de requête adressée à la section d'administration du Conseil d'Etat dans un délai de six mois à compter du jour de la prestation de serment comme président ou comme membre non élu directement ou du jour du premier exercice des fonctions de président en application des articles 25 ou 25bis, deuxième alinéa.
  § 4. Le Conseil d'Etat statue toutes affaires cessantes.
  Un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres règle la procédure devant le Conseil d'Etat.
  § 5. Si le Conseil d'Etat conclut au renversement de la présomption de connaissance de la langue dans le chef d'un président du conseil de l'aide sociale, il annule la nomination. Jusqu'au renouvellement intégral du conseil, l'intéressé ne peut plus être nommé président, ni en exercer les fonctions en application de l'article 25 ou 25bis, alinéa deux.
  Si le Conseil d'Etat conclut au renversement de la présomption de connaissance de la langue dans le chef de celui qui exercer les fonctions de président en application de l'article 25 ou de l'article 25bis, il est censé ne jamais avoir exercé ces fonctions. Dans ce cas, les fonctions de président sont, à partir de la date de la notification de l'arrêt, exercées par un autre membre du conseil en application de l'article 25 ou 25bis, deuxième alinéa.
  Si le Conseil d'Etat conclut au renversement de la présomption de connaissance de la langue dans le chef d'un membre du conseil de l'aide sociale non élu directement, son élection est annulée. Jusqu'au renouvellement intégral du conseil, l'intéressé ne peut plus être élu.
  § 6. La méconnaissance des dispositions du § 5 par ceux à l'égard desquels la présomption de connaissance de la langue est renversée, est considérée comme une négligence grave au sens de l'article 22.
Art. 26. <W 1992-08-05/46, art. 15; Inwerkingtreding : 18-10-1992> § 1. De burgemeester kan met raadgevende stem de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn bijwonen. (...)
  Wanneer de burgemeester de vergaderingen bijwoont, kan hij deze voorzitten indien hij dat wenst.
  § 2. Ten minste om de drie maanden heeft overleg plaats tussen een delegatie van de raad voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van de gemeenteraad. Deze delegaties vormen samen het overlegcomité. Zij omvatten in elk geval de burgemeester of de schepen die de burgemeester aanwijst en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
  (Als het overleg een ziekenhuisaangelegenheid betreft, worden een afvaardiging van het beheerscomité en de directeur van het ziekenhuis verzocht het overleg met raadgevende stem bij te wonen.)
  De (Regering) kan de voorwaarden en nadere regelen van dat overleg vaststellen.
  Behoudens andersluidende bepalingen vastgesteld door de (Regering), gelden voor dat overleg de regelen welke worden vastgesteld in een huishoudelijk reglement, aangenomen door de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn.
  De [1 directeur-generaal van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en algemeen directeur van de gemeente]1 nemen het secretariaat waar van het overlegcomité.
  [2 De financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn neemt aan het overlegcomité deel wanneer de aangelegenheden bedoeld in artikel 26bis, § 1, 1° en 7°, voorkomen.]2
  [3 Bij gebreke aan overleg, op afdoende wijze vastgesteld, te wijten aan de gemeentelijke overheden, beslist het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, onverminderd de toepassing van het administratief toezicht.]3
  
Art. 26. <L 1992-08-05/46, art. 15; En vigueur : 18-10-1992> § 1er. Le bourgmestre peut assister avec voix consultative aux séances du (conseil de l'action sociale). (...).
  Lorsque le bourgmestre assiste aux séances, il peut les présider s'il le souhaite.
  § 2. Une concertation a lieu au moins tous les trois mois entre une délégation du (conseil de l'action sociale) et une délégation du conseil communal. Ces délégations constituent conjointement le comité de concertation. Elles comprennent en tout cas le bourgmestre ou l'échevin désigné par celui-ci et le président du (conseil de l'action sociale).
  (Lorsque la concertation porte sur une matière relative à l'hôpital, une délégation du comité de gestion et le directeur de l'hôpital sont invités à assister à la concertation avec voix consultative.)
   Le (Gouvernement) peut fixer les conditions et les modalités de cette concertation.
  Sauf dispositions contraires fixées par le (Gouvernement), la concertation susvisée est soumise aux règles fixées dans un règlement d'ordre intérieur, arrêté par le conseil communal et par le (conseil de l'action sociale).
  Les [1 directeurs généraux de la commune et du centre public d'action social]1 assurent le secrétariat du comité de concertation. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  [2 Le directeur financier du centre public d'action sociale participe au comité de concertation lorsque sont présentées pour avis les matières reprises à l'article 26bis, § 1er, 1° et 7°]2
  [3 A défaut de concertation dûment constaté du fait des autorités communales, le centre public d'action sociale statue, sans préjudice de l'application de la tutelle administrative.]3
  
Art. 26bis. <W 1992-08-05/46, art. 16; Inwerkingtreding : 18-10-1992> § 1. Over de volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité :
  1° de begroting [3 en de rekening]3 van het centrum alsook die van de ziekenhuizen welke van het centrum afhangen;
  2° het vaststellen of wijzigen van de personeelsformatie;
  3° het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging een financiële weerslag kan hebben of erdoor van het statuut van het gemeentelijk personeel wordt afgeweken;
  (4° de indienstneming van bijkomend personeel [4 ...]4;)
  5° het oprichten van nieuwe diensten of instellingen en de uitbreiding van de bestaande (behalve als het gaat om het ziekenhuis waarvan de overeenkomstig artikel [1 112ter ]1 goedgekeurde rekeningen en de begrotingsvooruitzichten niet op een tekort wijzen.)
  6° het oprichten van verenigingen overeenkomstig de artikelen 118 en volgende;
  7° de begrotingswijzigingen, zodra deze van aard zijn dat ze de tegemoetkoming van de gemeente zullen verhogen (...) evenals de beslissingen met betrekking tot de ziekenhuizen waardoor hun tekort toeneemt.
  [2 8° het overkoepelend strategisch programma bedoeld in artikel 27ter.]2
  § 2. Over de volgende aangelegenheden kunnen de gemeentelijke overheden slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het overlegcomité :
  1° het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk statuut van het personeel, voor zover de desbetreffende beslissingen een weerslag kunnen hebben op de begroting en het beheer van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
  2° het oprichten van nieuwe diensten of instellingen met een sociale doelstelling en de uitbreiding van de bestaande.
  [2 3° het overkoepelend strategisch programma bedoeld in artikel LL1123-27 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.]2
  § 3. De lijst van aangelegenheden, bedoeld in de §§ 1 en 2, kan worden aangevuld in het huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 26, § 2.
  § 4. Het voostel dat aan het overlegcomité werd voorgelegd en de notulen van de overlegvergadering worden bij de beslissing gevoegd wanneer deze aan de toezichthoudende overheid wordt toegestuurd.
  § 5. [3 De raad voor maatschappelijk welzijn sluit met de gemeenteraad overeenkomsten nodig voor de totstandkoming van de samenwerkingsverbanden.
   Een samenwerkingsverband tussen de gemeente en het centrum is de gemeenschappelijke en gedeelde wil tot het samen beheren of uitvoeren van een dienst, een actie, een project of een opdracht of nog tot het toevertrouwen, aan één van de plaatselijke instellingen, van de uitvoering of het beheer van een dienst, een actie, een project of een opdracht met het oog op het bereiken van schaalvoordelen, grotere organisatie-efficiëntie en een efficiënte openbare dienstverlening voor de naleving van de opdrachten en de zelfstandigheid van beiden.]3

  [3 § 6. De directeur-generaal van de gemeente en de directeur-generaal van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vallend onder haar grondgebied, stellen samen jaarlijks een ontwerp-verslag op over het geheel van de bestaande en de te ontwikkelen samenwerkingsverbanden tussen de gemeente en het centrum voor maatschappelijk welzijn. Wanneer het OCMW en de gemeente in een gemeenschappelijke adjunct-directeur-generaal voorzien hebben, belast met het beheer van de samenwerkingsverbanden, neemt laatstgenoemde deel aan het opstellen van het ontwerp-verslag. Dat ontwerp-verslag heeft eveneens betrekking op de kostenbesparingen en de afschaffingen van de dubbele betrekkingen of de overlappingen van activiteiten van het centrum voor maatschappelijk welzijn en de gemeente.
   Het ontwerp-verslag bedoeld in lid 1 wordt ter advies voorgelegd aan de directiecomités van de gemeente en het centrum, in gemeenschappelijke vergadering, bedoeld in artikel 42, § 3, lid 5, vervolgens voorgelegd aan het overlegcomité dat over een mogelijkheid tot wijziging beschikt.
   Het ontwerp-verslag bedoeld in lid 1 wordt vervolgens overgelegd en besproken op een jaarlijkse gemeenschappelijke en openbare vergadering van de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn, waar wijzigingen doorgevoerd kunnen worden. Het verslag wordt vervolgens door elke van beide raden aangenomen. Op dezelfde vergadering wordt eveneens een projectie van het plaatselijk sociaal beleid voorgesteld. Die jaarlijkse vergadering wordt voor het aannemen van de begrotingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en van de gemeente, door hun respectievelijke raden, gehouden.
   Dat verslag wordt bij de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gevoegd.
   De Waalse Regering stelt het stramien vast voor het jaarlijkse verslag over de samenwerkingsverbanden. Daarin zijn minstens volgende gegevens vervat :
   1° een boordtabel van de lopende en uitgevoerde samenwerkingsverbanden;
   2° een tabel met de jaarlijkse programmatie van de overwogen samenwerkingsverbanden en een rooster dat het niveau van samenvoeging van de ondersteunende diensten beoordeelt. Die rooster wordt een samenwerkingsmatrix genoemd;
   3° een lijst met de samengevoegde overheidsopdrachten en de afzonderlijke overheidsopdrachten die het voorwerp kunnen uitmaken van samengevoegde overheidsopdrachten.]3

  
Art. 26bis. <L 1992-08-05/46, art. 16; En vigueur : 18-10-1992> § 1er. Les matières suivantes ne peuvent faire l'objet d'une décision du (centre public d'action sociale) qu'après avoir été [5 présentées]5 préalablement au comité de concertation : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  1° le budget [3 et le compte]3 du centre et ceux des hôpitaux qui dépendent de ce centre;
  2° la fixation ou la modification du cadre du personnel;
  3° la fixation ou la modification du statut administratif et pécuniaire du personnel, pour autant qu'elles puissent avoir une incidence financière ou qu'elles dérogent au statut du personnel communal;
  (4° l'engagement de personnel complémentaire [4 ...]4;)
  5° la création de nouveaux services ou établissements et l'extension des structures existantes (sauf s'il s'agit de l'hôpital dont les deux derniers comptes approuvés conformément à l'article [1 112ter]1 ainsi que les prévisions budgétaires ne font pas apparaître un déficit;)
  6° la création d'associations conformément aux articles 118 et suivants;
  7° les modifications budgétaires dès qu'elles sont de nature à augmenter (...) l'intervention de la commune ainsi que les décisions qui tendent à aggraver le déficit des hôpitaux.
  [2 8° le programme stratégique transversal visé à l'article 27ter.]2
  § 2. Les matières suivantes ne peuvent faire l'objet d'une décision des autorités communales qu'après avoir été [5 présentées]5 préalablement au comité de concertation :
  1° la fixation ou la modification du statut administratif et pécuniaire du personnel, pour autant que les décisions concernées puissent avoir une incidence sur le budget et la gestion du (centre public d'action sociale); <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  2° la création de nouveaux services ou établissements à finalité sociale et l'extension des structures existantes.
  [2 3° le programme stratégique transversal visé à l'article L1123-27 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.]2
  § 3. La liste des matières, mentionnées aux §§ 1er et 2, peut être complétée dans le règlement d'ordre intérieur, visé à l'article 26, § 2.
  § 4. La proposition soumise au comité de concertation et le procès-verbal de la réunion de concertation sont annexés à la délibération transmise à l'autorité de tutelle.
  § 5. [3 Le conseil de l'action sociale conclut avec le conseil communal des conventions nécessaires au développement des synergies.
   Une synergie entre la commune et le centre est une volonté commune et partagée de gérer ou réaliser un service, une action, un projet ou une mission ensemble ou encore de confier à une des institutions locales la réalisation ou la gestion d'un service, d'une action, d'un projet ou d'une mission en vue d'opérer des économies d'échelles, d'accroître l'efficacité organisationnelle et de viser l'efficience du service public en respect des missions et de l'autonomie de chacun.]3

  [3 § 6. Le directeur général de la commune et le directeur général du centre public d'action sociale ressortissant de son territoire établissent conjointement et annuellement un projet de rapport sur l'ensemble des synergies existantes et à développer entre la commune et le centre public d'action sociale. Lorsque le CPAS et la commune se sont dotés d'un directeur général adjoint commun chargé de la gestion des synergies, celui-ci participe à l'établissement du projet de rapport. Ce projet de rapport est également relatif aux économies d'échelle et aux suppressions des doubles emplois ou chevauchements d'activités du centre public d'action sociale et de la commune.
   Le projet de rapport visé à l'alinéa 1er est soumis à l'avis des comités de direction de la commune et du centre réunis conjointement, visés à l'article 42, § 3, alinéa 5, puis présenté au comité de concertation qui dispose d'une faculté de modification.
   Le projet de rapport visé à l'alinéa 1er est ensuite présenté, et débattu lors d'une réunion annuelle commune et publique du conseil communal et du conseil de l'action sociale au cours de laquelle des modifications peuvent être apportées. Le rapport est ensuite adopté par chacun des conseils. Une projection de la politique sociale locale est également présentée en cette même séance. Cette réunion annuelle se tient avant l'adoption des budgets du centre public d'action sociale et de la commune par leurs conseils respectifs.
   Le rapport est annexé au budget du centre public d'action sociale.
   Le Gouvernement wallon fixe le canevas du rapport annuel sur les synergies. Celui-ci comprend au moins les éléments suivants :
   1° un tableau de bord des synergies réalisées et en cours;
   2° un tableau de programmation annuelle des synergies qui sont projetées et une grille qui évalue le niveau de rassemblement des services de support. Cette grille est appelée matrice de coopération;
   3° une liste reprenant les marchés publics conjoints et les marchés publics séparés pouvant faire l'objet de marchés publics conjoints.]3

  
Art. 26quater. [1 § 1. In het kader van de samenwerkingsverbanden bedoeld in lid 26bis, § 5, sluit het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn overeenkomsten met de gemeente om onontbeerlijke ondersteunende prestaties voor de uitvoering van haar opdrachten geheel of gedeeltelijk te delegeren of gemeenschappelijk uit te voeren. De gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kunnen hun ondersteunende diensten samenvoegen of verenigen. De samenvoeging of de vereniging van de ondersteunende diensten wordt ingeschreven in het overkoepelend strategisch programma bedoeld in artikel 27ter.
   De overeenkomst bevat minstens volgende gegevens :
   - voorwerp van de overeenkomst en organisatiewijze (delegatiemodus of samenwerkingsmodus);
   - duur van de overeenkomst en nadere verlengingsregels;
   - personeel toegewezen aan het samenwerkingsverband, en de administratieve overheid waaronder bedoeld personeel valt in geval van samenwerkingsmodus;
   - de hiërarchisch verantwoordelijke die, in geval van een samenwerkingsmodus, personeelslid van beide administraties dient te zijn of via terbeschikkingstelling toegewezen dient te worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 144bis van de Nieuwe Gemeentewet of overeenkomstig artikel 32 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;
   - financieringswijze, in voorkomend geval, evenals begrotingsfunctie (functionele code) waarop de uitgaven- en ontvangstenkredieten ingeschreven zijn;
   - eventuele materiële middelen, aangewend voor het samenwerkingsverband;
   - de nadere opvolgings- en beoordelingsregels van de overeenkomst.
   § 2. De ondersteunende diensten verzamelen alle interne prestaties die onrechtstreeks bijdragen tot de hoofdzakelijke opdracht van de overheidsadministratie en die nodig zijn voor de uitvoering van de opdrachten en doelstellingen. Hoofdzakelijk bestaan zij uit de diensten aankopen, menselijke middelen, onderhoud en informatica. De ondersteunende prestaties worden ofwel kosteloos ofwel als niet-geïnstitutionaliseerde horizontale overeenkomst overeenkomstig artikel 31 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten uitgevoerd.
   § 3. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit met een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn overeenkomsten om onontbeerlijke ondersteunende prestaties voor de uitvoering van haar opdrachten geheel of gedeeltelijk te delegeren of gemeenschappelijk uit te voeren. De centra kunnen hun ondersteunende diensten bedoeld in paragraaf 2 samenvoegen of verenigen.]1

  
Art. 26quater. [1 § 1er. Dans le cadre des synergies visées à l'article 26bis, § 5, le centre public d'action sociale conclut des conventions avec la commune afin de déléguer en tout ou partie ou de réaliser en commun des prestations de support indispensables à l'exécution de ses missions. La commune et le centre public d'action sociale peuvent rassembler ou unifier leurs services de support. Le rassemblement ou l'unification de services de support est inscrit dans le programme stratégique transversal visé à l'article 27ter.
   La convention contient, au minimum, les éléments suivants :
   - l'objet de la convention et le mode d'organisation (mode délégatif ou mode coopératif);
   - la durée de la convention et les modalités de reconduction;
   - le personnel affecté à la synergie ainsi que l'autorité administrative de laquelle il dépend en cas de mode coopératif;
   - le responsable hiérarchique qui, en cas de mode coopératif, doit être membre du personnel des deux administrations ou affecté par mise à disposition conformément aux dispositions de l'article 144 bis de la Nouvelle Loi Communale ou en application de l'article 32 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs;
   - le mode de financement, le cas échéant, ainsi que la fonction budgétaire (code fonctionnel) à laquelle les crédits de dépenses et de recettes seront inscrits;
   - les moyens matériels éventuels consacrés à la synergie;
   - les modalités de suivi et d'évaluation de la convention.
   § 2. Les services de support regroupent l'ensemble des prestations internes qui contribuent indirectement à la mission première de l'administration publique et qui sont nécessaires à la réalisation des missions et objectifs. Ils sont constitués principalement des services achats, ressources humaines, maintenance et informatique. La réalisation de prestations de support est établie soit à titre gratuit, soit en coopération horizontale non institutionnalisée conformément à l'article 31 de la Loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics.
   § 3. Le centre public d'action sociale peut conclure des conventions avec un autre centre public d'action sociale afin de déléguer en tout ou partie ou de réaliser en commun des prestations de support indispensables à l'exécution de ses missions. Les centres peuvent rassembler ou unifier leurs services de support visés au paragraphe 2.]1

  
Art. 27. § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn (richt in zijn midden een vast bureau op) dat belast is met het afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan hij bovendien andere wel omschreven bevoegdheden kan overdragen. <W 1992-08-05/46, art. 18; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  Onverminderd de toepassing van artikel 94; kan de raad in zijn midden eveneens bijzondere comités oprichten waaraan hij wel omschreven bevoegdheden kan overdragen. Er kunnen evenwel geen bijzondere comités worden opgericht zolang geen bijzonder comité voor de sociale dienst werd aangesteld. (Bovendien kan de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat plaatsvervangers worden aangewezen die de effectieve leden van de bijzondere comités mogen vervangen [4 ...]4. De plaatsvervangers dienen op dezelfde akte van voordracht voor te komen als de betrokken effectieve leden.) <W 1993-01-12/34, art. 2; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
  (Overdracht van bevoegdheden aan het vast bureau of aan de bijzondere comités is niet toegelaten voor de beslissingen die de wet uitdrukkelijk aan de raad voorbehoudt, voor beslissingen die aan de [4 ...]4 goedkeuring van een toezichthoudende overheid onderworpen zijn en ook voor de beslissingen omtrent :
  1° [4 de vervreemding, de verwerving, de verdeling en de ruil van onroerende goederen of onroerende rechten, behalve in de bedoelde in artikel 75 gevallen;]4
  2° de leningen, de dadingen, [4 ...]4 en de vaste beleggingen van kapitalen;
  3° het aanvaarden van schenkingen en legaten aan het centrum [4 , behalve in de gevallen bedoeld in artikel 80]4;
  4° (de opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten behalve de gevallen bedoeld in artikel 84 [3 , 84bis en 84ter]3.)
  (vierde lid opgeheven) ) <W 1992-08-05/46, art. 18; Inwerkingtreding : 18-10-1992> )
  § 2. Het vast bureau blijft in funktie tot de installatie van de nieuwe raad. De bijzondere comités kunnen worden aangesteld voor een bepaalde of voor een onbepaalde duur, doch hun bestaansduur kan nooit verder reiken dan de installatie van de nieuwe raad.
  De overdrachten van bevoegdheden kunnen echter ten allen tijde herroepen worden.
  § 3. [4 ...]4
  Het vast bureau telt, met inbegrip van zijn voorzitter, :
  - drie leden voor een raad van negen leden;
  - vier leden voor een raad van elf of dertien leden;
  - vijf leden voor een raad van vijftien leden;
  Voor elk bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad bepaald. Elk comité mag evenwel, met inbegrip van de voorzitter, niet minder tellen dan :
  - drie leden voor een raad van negen leden;
  - vier leden voor een raad van elf of dertien leden;
  - vijf leden voor een raad van vijftien leden.
  § 4. De voorzitter van de raad is van rechtswege en met beraadslagende stem voorzitter van het vast bureau en van de bijzondere comités. Het vast bureau en de bijzondere comités kunnen evenwel, in aanwezigheid van de voorzitter, binnen hun midden een ondervoorzitter aanwijzen die het voorzitterschap van de zittingen zal waarnemen in de plaats van het raadslid dat de zittingen moet voorzitten krachtens artikel 22, § 3.
  § 5. De leden van het vast bureau en van de bijzondere comités mogen geen bloed- of aanverwant zijn tot en met de derde graad.
  § 6. (Het vast bureau en de bijzondere comités tellen leden van beide geslachten.
  De leden van het vast bureau en de leden van elk bijzonder comité worden, met uitzondering van de voorzitter, bij geheime stemming en in één enkele stemronde aangewezen, waarbij elk raadslid over één stem beschikt. Bij staking van stemmen wordt de oudste kandidaat verkozen.
  Indien, na de stemming, het gemengd karakter binnen het vast bureau en een bijzonder comité niet gewaarborgd is, wordt de uitslag ongeldig verklaard.
  Er wordt voor het geheel van de zetels, behalve die van de voorzitter, een nieuwe geheime stemming in één enkele stemronde gehouden tot de aanwezigheid van beide geslachten binnen het vast bureau en de bijzondere comités gewaarborgd is.
  Behoudens in geval van ontslag of verlies van het mandaat van raadslid, worden de leden van het vast bureau en de leden van de bijzondere comités aangewezen voor de bestaansduur van het bureau of het comité waarvan zij lid zijn.
  [1 Wanneer het mandaat van een ander lid van het vast bureau of van een bijzonder comité dan de voorzitter eindigt]1, wordt in zijn vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid dat op dezelfde lijst is verkozen.
  Er wordt van het zesde lid afgeweken wanneer geen ander lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is verkozen op dezelfde lijst als die van het te vervangen lid van het vast bureau of bijzonder comité of wanneer laatstgenoemd lid bij staking van stemmen zijn verkiezing binnen het vast bureau of het bijzonder comité slechts aan zijn leeftijd te danken heeft. In beide gevallen kan elk raadslid verkozen worden.
  Er wordt eveneens van het [1 zesde lid]1 afgeweken wanneer, na toepassing ervan, het vast bureau of een bijzonder comité uitsluitend leden van hetzelfde geslacht zou tellen. In dit geval kan elk raadslid verkozen worden dat tot het andere geslacht behoort.))
  [2 § 7. Bij de geboorte of de adoptie van een kind, kan het lid van het vast bureau verlof nemen. Het geeft het vast bureau schriftelijk kennis van zijn verlof, met melding van de begin- en einddatum ervan. Het verlof duurt maximum 20 weken. Het eindigt uiterlijk 20 weken na de geboorte of de adoptie van het kind.
   In het kader van een ziekte die een afwezigheid veroorzaakt, die door een medisch attest van arbeidsongeschiktheid van minstens drie maanden wordt gestaafd, kan het lid van het vast bureau verlof nemen tijdens de hele duur die door het medisch attest gedekt is. Het geeft het vast bureau schriftelijk kennis van zijn verlof, met melding van de begin- en einddatum ervan.
   De verlofaanvraag als lid van het vast bureau bedoeld in bovenstaande paragrafen wordt ingediend als de betrokkene tijdens die periode raadslid voor maatschappelijk welzijn wil blijven.
   Als verhinderd wordt beschouwd het lid van het vast bureau, voorzitter inbegrepen, die overeenkomstig deze paragraaf verlof neemt.]2

  [4 Ter gelegenheid van het verlof bedoeld in het eerste lid tot en met vierde lid wordt er voor de duur ervan in de vervanging voorzien, als de politieke fractie die de rechthebbende op verlof voorgedragen heeft, daarom verzoekt. Er wordt in de vervanging voorzien door de aanwijzing van een lid dat op dezelfde lijst van de rechthebbende is verkozen. Het lid dat verlof aanvraagt blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn plaatsvervanger aangewezen is.
   Bij wijze van uitzondering op het vijfde lid, kan, wanneer geen ander lid van de raad voor maatschappelijk welzijn is verkozen op dezelfde lijst als die van het tijdelijk te vervangen lid van het vast bureau, elk raadslid behorend tot ofwel een politieke fractie die aan het meerderheidspact deelneemt, ofwel tot een politieke fractie die niet aan het meerderheidspact deelneemt, volgens de deelname van het te vervangen lid, voor de duur van het verlof verkozen worden.
   Bij wijze van uitzondering op het vijfde lid, kan, wanneer, na toepassing ervan, het vast bureau uitsluitend leden van hetzelfde geslacht telt, elk raadslid van het andere geslacht behorend tot ofwel een politieke fractie die aan het meerderheidspact deelneemt, ofwel tot een politieke fractie die niet aan het meerderheidspact deelneemt, volgens de deelname van het te vervangen lid, voor de duur van het verlof verkozen worden.]4

  
Art. 27. § 1er. Le (conseil de l'action sociale) (constitue en son sein) un bureau permanent qui est chargé de l'expédition des affaires d'administration courante et auquel il peut déléguer, en outre, d'autres attributions bien définies. <L 1992-08-05/46, art. 18; En vigueur : 18-10-1992>
  Sans préjudice de l'application de l'article 94, le conseil peut aussi constituer en son sein des comités spéciaux auxquels il peut déléguer des attributions bien définies. Toutefois, aucun comité spécial ne peut être constitué aussi longtemps qu'un comité spécial du service social n'est pas créé. (En outre, le (conseil de l'action sociale) peut prévoir, dans son règlement d'ordre intérieur, la désignation au sein des comités spéciaux, de membres suppléants aux membres effectifs [4 ...]4. Les membres suppléants doivent figurer dans le même acte de présentation que les membres effectifs concernés.) <L 1993-01-12/34, art. 2; En vigueur : 01-03-1993>
  (La délégation d'attributions au bureau permanent ou aux comités spéciaux est exclue pour les décisions que la loi réserve expressément au conseil, pour les décisions soumises à [4 ...]4 l'approbation d'une autorité de tutelle ainsi que pour les décisions sur les objets suivants :
  1° [4 l'aliénation, l'acquisition, le partage et l'échange de biens immobiliers ou droits immobiliers sauf les cas prévus à l'article 75;]4
  2° les emprunts, les transactions [4 ...]4 et les placements définitifs de capitaux;
  3° l'acceptation des donations et legs faits au centre [4 , sauf les cas prévus à l'article 80]4;
  4° (les marchés de travaux, de fournitures et de services sauf les cas prévus à l'article 84, [3 , 84bis et 84ter]3.)
  (alinéa abrogé° ) ) <L 1992-08-05/46, art. 18; En vigueur : 18-10-1992> )
  § 2. Le bureau permanent reste en fonction jusqu'à l'installation du nouveau conseil. Les comités spéciaux peuvent être désignés pour une durée déterminée ou indéterminée, mais cette durée ne peut pas se prolonger au-delà de l'installation du nouveau conseil.
  Les délégations d'attributions peuvent toutefois être retirées à tout moment.
  (§ 3. [4 ...]4
  Le bureau permanent, son président inclus, compte :
  - trois membres pour un conseil de neuf membres;
  - quatre membres pour un conseil de onze ou treize membres;
  - cinq membres pour un conseil de quinze membres.
  Pour chaque comité spécial, le nombre de membres est fixé par le conseil. Chaque comité ne peut toutefois, le président inclus, compter moins de :
  - trois membres pour un conseil de neuf membres;
  - quatre membres pour un conseil de onze ou treize membres;
  - cinq membres pour un conseil de quinze membres.
  § 4. Le président du conseil est de droit, et avec voix délibérative, président du bureau permanent et des comités spéciaux. Toutefois, le bureau permanent et les comités spéciaux peuvent, le président présent, désigner en leur sein un vice-président chargé de présider les séances en lieu et place du conseiller appelé à présider les séances en vertu de l'article 22, § 3.
  § 5. Les membres du bureau permanent et des comités spéciaux ne peuvent être parents ou alliés jusqu'au troisième degré inclusivement.
  § 6. (Le bureau permanent et les comités spéciaux comprennent des membres de sexe différent.
  Les membres du bureau permanent et les membres de chaque comité spécial, autres que le président, sont désignés au scrutin secret et en un seul tour, chaque conseiller disposant d'une voix. En cas de parité de voix, le candidat le plus âgé est élu.
  Si, à l'issue du scrutin, la mixité au sein du bureau permanent et d'un comité spécial n'est pas assurée, le résultat est déclaré nul.
  Il est procédé à un nouveau scrutin secret et en un seul tour pour l'ensemble des sièges, hormis celui du président, jusqu'à assurer la présence des deux genres au sein du bureau permanent et des comités spéciaux.
  Sauf en cas de démission ou de perte du mandat de conseiller, les membres du bureau permanent et ceux des comités spéciaux sont désignés pour la durée d'existence du bureau ou du comité dont ils font partie.
  Lorsque le mandat d'un membre du bureau permanent ou d'un comité spécial [1 autres que le président]1 prend fin, il est pourvu à son remplacement par la désignation d'un membre élu sur la même liste que lui.
  Il est dérogé à l'alinéa 6 lorsqu' aucun autre membre du conseil de l'action sociale n'a été élu sur la même liste que le membre du bureau permanent ou du comité spécial qu'il convient de remplacer ou lorsque ce dernier ne doit son élection au bureau permanent ou dans un comité spécial qu'en raison de son âge à la suite d'une parité de voix. Dans ces deux cas, tout membre du conseil peut être élu.
  Il est également dérogé à l'[1 alinéa 6]1, lorsqu'à la suite de son application, le bureau permanent ou un comité spécial serait composé exclusivement de membres d'un même sexe. Dans ce cas, tout membre du conseil, appartenant à l'autre sexe, peut être élu.))
  [2 § 7. A l'occasion de la naissance ou de l'adoption d'un enfant, le membre du bureau permanent peut prendre congé. Il notifie son congé au bureau permanent par écrit en indiquant la date de début et de fin. La durée du congé est de maximum 20 semaines. Il prend fin au plus tard 20 semaines après la naissance ou l'adoption de l'enfant.
   Dans le cadre d'une maladie nécessitant une absence, attestée par un certificat médical d'incapacité de trois mois minimum, le membre du bureau permanent peut prendre congé pendant toute la durée couverte par ce certificat médical. Il notifie son congé au bureau permanent par écrit en indiquant la date de début et de fin.
   La demande de congé en qualité de membre du bureau permanent visée aux paragraphes ci-dessus est introduite si l'intéressé veut rester conseiller de l'action sociale durant cette période.
   Est considéré comme empêché le membre du bureau permanent, son président inclus, qui prend un congé en application de ce paragraphe.]2

  [4 A l'occasion du congé visé aux alinéas 1er à 4, il est procédé au remplacement pour la durée du congé si le groupe politique qui avait présenté le bénéficiaire du congé le demande. Il est pourvu au remplacement par la désignation d'un membre élu sur la même liste que le bénéficiaire. Le membre qui requiert un congé reste en fonction jusqu'à la désignation de son remplaçant.
   Par exception à l'alinéa 5, lorsqu'aucun autre membre du conseil de l'action sociale n'est élu sur la même liste que le membre du bureau permanent qu'il convient de remplacer temporairement, tout membre du conseil qui appartient soit à un groupe politique participant au pacte de majorité, soit à un groupe politique ne participant pas au pacte de majorité, selon l'appartenance du membre à remplacer, peut être élu pour la durée du congé.
   Par exception à l'alinéa 5, si, à la suite de son application, le bureau permanent est composé exclusivement de membres d'un même sexe, tout membre du conseil de l'autre sexe qui appartient soit à un groupe politique participant au pacte de majorité, soit à un groupe politique ne participant pas au pacte de majorité, selon l'appartenance du membre à remplacer, peut être élu pour la durée du congé.]4

  
Art. 27bis. <INGEVOEGD bij W 1988-08-09/30, art. 17; ED § 1. : 1988-08-13; ED § 2. : 1989-01-01> § 1. In de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren is de oprichting van een vast bureau verplicht.
  De leden van het vast bureau worden rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers op de wijze bepaald bij artikel 2bis van de gemeentewet.
  (In het aantal leden van het vast bureau, zoals het is vastgesteld in artikel 27, § 3, wordt de voorzitter alleen dan meegerekend als hij rechtstreeks is verkozen als lid van het vast bureau.) <W 1989-06-16/30, art. 8; Inwerkingtreding : 17-06-1989>
  § 2. Het vast bureau van bovenvermelde openbare centra voor maatschappelijk welzijn beslist bij consensus. Bij gebrek aan consensus wordt de zaak door de voorzitter voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn.
Art. 27bis. § 1. La création d'un bureau permanent est obligatoire dans les (centres publics d'action sociale) des communes périphériques visées à l'article 7 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966, et des communes de Comines-Warneton et de Fourons. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Les membres du bureau permanent sont élus directement par l'assemblée des électeurs communaux de la manière déterminée à l'article 2bis de la loi communale.
  (Le nombre de membres du bureau permanent, fixé par l'article 27, § 3, n'inclut le président que s'il a été élu directement comme membre du bureau permanent.) <L 1989-06-16/30, art. 8; En vigueur : 17-06-1989>
  § 2. Le bureau permanent des (centres publics d'action sociale) précités décide par consensus. A défaut de consensus, l'affaire est soumise par le président au conseil de l'aide sociale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 27ter. [1 § 1. Binnen twee maanden na zijn installatie neemt de raad voor maatschappelijk welzijn een een sociale beleidsverklaring voor de duur van zijn mandaat af, dat minstens de belangrijkste beleidsplannen alsmede een begrotingsonderdeel met de grote lijnen terzake bevat.
  [2 De sociale beleidsverklaring is geldig voor de gehele duur van het mandaat, behalve in het geval van aanneming van een nieuw meerderheidspact en van volledige vernieuwing van de raad voor maatschappelijk welzijn.]2
   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn neemt een overkoepelend strategisch programma aan binnen de [2 negen]2 maanden volgend op zijn installatie of na de hernieuwing van de raad overeenkomstig artikel 10, § 3.
   Het overkoepelend strategisch programma is een meerjarig beleidsinstrument dat de strategie bevat die de raad voor maatschappelijk welzijn ontwikkeld om de strategische doelstellingen die hij heeft vastgelegd, te bereiken. Deze strategie resulteert in de keuze van operationele doelstellingen, projecten en acties die meer bepaald zijn omschreven rekening houdend met de ter beschikking zijnde menselijke en financiële middelen. [2 Wanneer het centrum voor maatschappelijk welzijn besluit om samenwerkingsverbanden tot stand te brengen, zoals bepaald in artikel 26 bis, neemt zij deze op in de strategische of operationele doelstellingen van het overkoepelend strategisch programma.]2
   Het overkoepelend strategisch programma is gegrond op een samenwerking tussen de raad voor maatschappelijk welzijn en de administratie.
   De raad voor maatschappelijk welzijn kan de strategische programmering overdragen aan het vast bureau. Bij een overdracht neemt de raad voor maatschappelijk welzijn akte van het overkoepelend strategisch programma.
   Het overkoepelend strategisch programma wordt door de raad voor maatschappelijk welzijn minstens halfweg de legislatuur en na afloop ervan onderworpen aan een evaluatie. [2 Deze evaluatie omvat een beoordeling van het geheel van de bestaande samenwerkingsverbanden tussen de gemeente en het centrum zoals bedoeld in het tweede lid.]2 Bij een overdracht voert het vast bureau deze evaluaties uit en de raad voor maatschappelijk welzijn neemt er akte van.
   Het directiecomité stelt een uitvoeringsrapport samen, waarvan de raad voor maatschappelijk welzijn akte neemt en zelf in de loop van het eerste halfjaar van het jaar van de algehele hernieuwing van de gemeenteraden de laatste evaluatie van de legislatuur uitvoert. Bij een overdracht nemen de raad voor maatschappelijk welzijn en het vast bureau akte van dat uitvoeringsrapport.
   Het uitvoeringsrapport en de laatste evaluatie van de legislatuur worden overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn voortvloeiend uit de volgende verkiezingen.
   In de loop van de legislatuur is een actualisering van het overkoepelend strategisch programma mogelijk.
   Het wordt op de wijze, bepaald door de raad voor maatschappelijk welzijn, bekendgemaakt. Het wordt op de website van de raad voor maatschappelijk welzijn of, bij gebreke, van de gemeente gepubliceerd.
  [2 ...]2
   § 3. De beraadslaging van de raad voor maatschappelijk welzijn die akte neemt van het overkoepelend strategisch programma of het aanneemt, aan de Regering medegedeeld.]1

  
Art. 27ter. [1 § 1er. Dans les deux mois après son installation, le conseil de l'action sociale adopte une déclaration de politique sociale couvrant la durée de son mandat et comportant au moins les principaux projets politiques ainsi qu'un volet budgétaire reprenant les grandes orientations en la matière.
  [2 La déclaration de politique sociale est valable pour toute la durée de la mandature sauf en cas d'adoption d'un nouveau pacte de majorité et de renouvellement complet du conseil de l'action sociale.]2
   § 2. Le conseil de l'action sociale adopte un programme stratégique transversal dans les [2 neuf]2 mois qui suit son installation ou après le renouvellement du conseil conformément à l'article 10, § 3, suite à l'adoption d'une motion de méfiance concernant l'ensemble du collège communal visée à l'article L1123-14, § 1er, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   Le programme stratégique transversal est un outil de gouvernance pluriannuel qui reprend la stratégie développée par le conseil de l'action sociale pour atteindre les objectifs stratégiques qu'il s'est fixés. Cette stratégie se traduit par le choix d'objectifs opérationnels, de projets et d'actions, définis notamment au regard des moyens humains et financiers à disposition. [2 Lorsque le centre public d'action sociale décide de développer des synergies, telles que définies à l'article 26bis, § 5, il les intègre dans les objectifs stratégiques ou opérationnels du programme stratégique transversal.]2
   Le programme stratégique transversal repose sur une collaboration entre le conseil de l'action sociale et l'administration.
   Le conseil de l'action sociale peut déléguer la programmation stratégique au bureau permanent. En cas de délégation, le conseil de l'action sociale prend acte du programme stratégique transversal.
   Le programme stratégique transversal est soumis à une évaluation par le conseil de l'action sociale au minimum à mi-législature et au terme de celle-ci. [2 Cette évaluation comprend un bilan de l'ensemble des synergies entre la commune et le centre telles que visées à l'alinéa 2.]2 En cas de délégation, le bureau permanent réalise ces évaluations et le conseil de l'action sociale en prend acte.
   Le comité de direction constitue un rapport d'exécution dont le conseil de l'action sociale prend acte et se saisit pour réaliser, dans le courant du premier semestre de l'année du renouvellement intégral des conseils communaux, la dernière évaluation de la législature. En cas de délégation, le conseil de l'action sociale et le bureau permanent prennent acte de ce rapport d'exécution.
   Le rapport d'exécution et la dernière évaluation de la législature sont transmis au conseil de l'action sociale issu des élections suivantes.
   Le programme stratégique transversal peut être actualisé en cours de législature.
   Il est publié de la manière prescrite par le conseil de l'action sociale. Il est mis en ligne sur le site internet du centre public d'action sociale ou à défaut, de la commune.
  [2 ...]2
   § 3. La délibération du conseil de l'action sociale prenant acte ou adoptant le programme stratégique transversal est communiqué au Gouvernement.]1

  
Art. 28. (§ 1.) De voorzitter van de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn leidt de aktiviteiten van dit centrum [3 met inachtneming van de prerogatieven van de directeur-generaal]3. <W 1992-08-05/46, art. 19; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  Hij zorgt voor het voorafgaand onderzoek van de zaken die aan de raad, aan het vast bureau en aan de bijzondere comités worden voorgelegd.
  Hij roept deze vergaderingen bijeen en stelt de agenda hiervan vast.
  Hij is belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad, van het vast bureau en van de bijzondere comités. De in het vast bureau en de bijzondere comités genomen beslissingen worden ter kennis van de raad voor maatschappelijk welzijn gebracht. (De notulen van de vergaderingen van het overlegcomité dienen ter kennis te worden gebracht van de raad voor maatschappelijk welzijn.) Hij vertegenwoordigt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen. <W 1992-08-05/46, art. 19; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  (Wanneer een dakloze persoon een beroep doet op de maatschappelijke dienstverlening van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt, moet de voorzitter hem de vereiste dringende hulpverlening toekennen, binnen de grenzen vastgesteld door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, mits zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging aan de raad voor te leggen (of aan het orgaan waaraan de raad deze bevoegdheid heeft overgedragen).) <W 1993-01-12/34, art. 3; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
  (§ 2. De beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het vast bureau en van de bijzondere comités, de bekendmakingen, de akten en de briefwisseling van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn worden ondertekend door de voorzitter en door de secretaris.
  [3 De in het eerste lid bedoelde handtekening en medeondertekening geschieden door middel van een handgeschreven handtekening of een elektronische handtekening.
   De in het tweede lid bedoelde elektronische handtekening geschiedt door middel van een elektronische handtekening, een geavanceerde elektronische handtekening of een gekwalificeerde elektronische handtekening, bedoeld in respectievelijk de artikelen 3.10, 3.11 en 3.12 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
   De Regering kan nadere bepalingen vaststellen betreffende de elektronische procedure.]3

  De voorzitter kan de ondertekening van bepaalde stukken schriftelijk opdragen aan een of meerdere leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hij kan deze opdracht te allen tijde herroepen. Het lid of de leden aan wie de opdracht is gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening, naam en functie, melding maken van die opdracht.
  De raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau kan de van [2 directeur-generaal van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ]2 machtigen de medeondertekening van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van het centrum. Deze opdracht geschiedt schriftelijk en is te allen tijde herroepbaar; de raad voor maatschappelijk welzijn wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering. De ambtenaar of de ambtenaren aan wie de opdracht is gegeven moeten op alle stukken die ze ondertekenen, boven hun handtekening naam en functie, melding maken van die opdracht.) <W 1992-08-05/46, art. 19; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  [3 De voorzitter kan de ondertekening van de authentieke akten opdragen aan een medewerker van een notariskantoor.
   De raad voor maatschappelijk welzijn kan de directeur-generaal en de financieel directeur machtigen om de medeondertekening of ondertekening van de authentieke akten op te dragen aan een medewerker van een notariskantoor.
   De in het zevende lid en het achtste lid bedoelde overdrachten van handtekening geschieden bij authentieke volmacht en zijn beperkt tot de in de volmacht vermelde handelingen waarvoor de authentieke akte per videoconferentie voor een notaris wordt ontvangen.
   In afwijking van het eerste lid worden de handelingen en briefwisseling van de raad voor maatschappelijk welzijn die onder de specifieke wettelijke bevoegdheden van de financieel directeur vallen, door hem ondertekend.
   De in het tiende lid bedoelde handtekening geschiedt door middel van een handgeschreven handtekening of een elektronische handtekening.
   De elektronische handtekening, bedoeld in het elfde lid, geschiedt door middel van een elektronische handtekening, een geavanceerde elektronische handtekening of een gekwalificeerde elektronische handtekening, bedoeld in respectievelijk de artikelen 3.10, 3.11 en 3.12 van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
   Het vast bureau kan de financieel directeur van de raad voor maatschappelijk welzijn machtigen om de ondertekening van bepaalde stukken op te dragen aan een of meer ambtenaren van het centrum. Deze opdracht geschiedt schriftelijk. De raad voor maatschappelijk welzijn wordt daarvan tijdens zijn eerstvolgende vergadering op de hoogte gebracht. De ambtenaar of de ambtenaren aan wie de opdracht is gegeven op alle stukken die ze ondertekenen, maken boven hun handtekening, naam en functie, melding van die opdracht.]3

  (§ 3.) De voorzitter kan in dringende gevallen en binnen de perken bepaald door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, zelf tot hulpverlening beslissen, mits zijn beslissing aan de raad (of aan het orgaan waaraan de raad deze bevoegdheid heeft overgedragen) te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging. <W 1992-08-05/46, art. 19; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  § 4. [1 ...]1
  
Art. 28. (§ 1er.) Le président du conseil du (centre public d'action sociale) dirige les activités de ce centre [3 dans le respect des prérogatives du directeur général]3. <L 1992-08-05/46, art. 19; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Il veille à l'instruction préalable des affaires qui sont soumises au conseil, au bureau permanent et aux comités spéciaux.
  Il en convoque les réunions et en arrête l'ordre du jour.
  Il est chargé de l'exécution des décisions du conseil, du bureau permanent des comités spéciaux. Les décisions prises par le bureau permanent et par les comités spéciaux sont portées à la connaissance du (conseil de l'action sociale). (Le procès-verbal des réunions du comité de concertation doit être porté à la connaissance du (conseil de l'action sociale).) Il représente le (centre public d'action sociale) dans les actes judiciaires et extrajudiciaires. <L 1992-08-05/46, art. 19; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (Lorsqu'une personne sans abri sollicite l'aide sociale du (centre public d'action sociale) de la commune où il se trouve, le président doit lui accorder l'aide urgente requise, dans les limites fixées par le règlement d'ordre intérieur du (conseil de l'action sociale), à charge pour lui de soumettre sa décision au conseil (ou à l'organe auquel le conseil a délégué cette attribution) à la plus prochaine réunion, en vue de la ratification.) <L 1993-01-12/34, art. 3; En vigueur : 01-03-1993> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (§ 2. Les délibérations du (conseil de l'action sociale), du bureau permanent et des comités spéciaux, les publications, les actes et la correspondance du (centre public d'action sociale), sont signés par le président et par le secrétaire. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  [3 La signature et la contresignature visées à l'alinéa 1er se font soit par une signature manuscrite, soit par une signature électronique.
   La signature électronique visée à l'alinéa 2 se fait soit par une signature électronique, soit par une signature électronique avancée, soit par une signature électronique qualifiée, visée respectivement aux articles 3.10, 3.11 et 3.12 du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.
   Le Gouvernement peut apporter des précisions quant à la procédure électronique.]3

  Le président peut déléguer par écrit la signature de certains documents à un ou plusieurs membres du (conseil de l'action sociale). Il peut révoquer cette délégation à tout moment. La mention de la délégation doit précéder la signature, le nom et la qualité du membre ou des membres titulaires de la délégation sur tous les documents qu'ils signent.
  Le (conseil de l'action sociale) ou le bureau permanent peut autoriser le [2 directeur général du centre public d'action sociale]2 à déléguer le contreseing de certains documents à un ou plusieurs fonctionnaires du centre. Cette délégation est faite par écrit et peut à tout moment être révoquée; le (conseil de l'action sociale) en est informé à sa plus prochaine séance. La mention de la délégation doit précéder la signature, le nom et la qualité du fonctionnaire ou des fonctionnaires délégués sur tous les documents qu'ils signent.) <L 1992-08-05/46, art. 19; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  [3 Le président peut déléguer la signature des actes authentiques à un collaborateur d'une étude notariale.
   Le conseil de l'action sociale peut autoriser le directeur général et le directeur financier à déléguer le contreseing ou la signature des actes authentiques à un collaborateur d'une étude notariale.
   Les délégations de signature visées aux alinéas 7 et 8 se font par procuration authentique et sont limitées aux opérations mentionnées dans la procuration dont la réception de l'acte authentique devant notaires intervient par voie de vidéoconférence.
   Par dérogation à l'alinéa premier, les actes et la correspondance du centre public d'action sociale qui relèvent des compétences légales propres du directeur financier sont signés par lui.
   La signature visée à l'alinéa 10 se fait soit par une signature manuscrite soit par une signature électronique.
   La signature électronique visée à l'alinéa 11 se fait par une signature électronique, une signature électronique avancée ou une signature électronique qualifiée, visée respectivement aux articles 3.10, 3.11 et 3.12 du Règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.
   Le bureau permanent peut autoriser le directeur financier du centre public d'action sociale à déléguer la signature de certains documents à un ou plusieurs fonctionnaires du centre. Cette délégation est faite par écrit. Le conseil de l'action sociale en est informé à sa plus prochaine séance. La mention de la délégation précède la signature, le nom et la qualité du fonctionnaire ou des fonctionnaires délégués sur tous les documents qu'ils signent.]3

  (§ 3.) Le président peut, en cas d'urgence et dans les limites fixées par le règlement d'ordre intérieur du (conseil de l'action sociale), décider l'octroi d'une aide, à charge pour lui de soumettre sa décision au conseil (ou à l'organe auquel le conseil a délégué cette attribution) à la plus prochaine réunion, en vue de la ratification. <L 1992-08-05/46, art. 19; En vigueur : 18-10-1992>
  § 4. [1 ...]1
  
Art. 29. De raad voor maatschappelijk welzijn vergadert ten minste [1 tien keer in de maand]1([1 tien keer in het jaar]1, NOTA van Justel), na bijeenroeping door de voorzitter, op de dagen en uren vastgesteld door het huishoudelijk reglement.
  Bovendien roept de voorzitter de raad bijeen telkens hij dit noodzakelijk acht.
  De voorzitter is ertoe gehouden de raad voor maatschappelijk welzijn bijeen te roepen, hetzij op aanvraag van de burgemeester (...), hetzij op aanvraag van een derde van de zitting hebbende leden, op dag en uur en met de agendapunten door hen bepaald. (De aanvraag dient bij de voorzitter toe te komen ten minste twee vrije dagen voordat de termijn van ten minste vijf vrije dagen, bepaald in artikel 30, begint te lopen.) <W 1992-08-05/46, art. 20; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  De vergaderingen van de raad hebben plaats in de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, tenzij de raad voor een bepaalde vergadering anders beslist.
  
Art. 29. Le (conseil de l'action sociale) se réunit au moins [1 dix fois par an]1 sur convocation du président, aux jour et heure fixés par le règlement d'ordre intérieur.
  En outre, le président convoque le conseil chaque fois qu'il le juge nécessaire.
  Le président est tenu de convoquer le (conseil de l'action sociale) soit à la demande du bourgmestre (...) soit à la demande d'un tiers des membres en fonction, aux jour et heure et avec l'ordre du jour fixés par eux. (La demande doit parvenir au président deux jours francs au moins avant la prise de cours du délai d'au moins cinq jours francs, prévu à l'article 30.) <L 1992-08-05/46, art. 20; En vigueur : 18-10-1992>
  Les réunions du conseil se tiennent au siège du (centre public d'action sociale), à moins que le conseil n'en décide autrement pour une réunion déterminée. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  
Art. 30. [4 De bijeenroeping geschiedt per e-mail minstens vijf dagen vóór de dag van de vergadering en vermeldt de agenda. Enerzijds kan deze termijn echter worden ingekort in spoedeisende gevallen en anderzijds wordt hij voor de toepassing van artikel 32, tweede lid, teruggebracht tot twee dagen. De stukken betreffende de agendapunten, behalve de maatschappelijke dossiers of individuele gegevens in verband met sociale actie, kunnen langs de elektronische weg overgemaakt worden.]4
  [1 De agendapunten worden duidelijk vermeld en gaan vergezeld van een verklarende synthesenota.
  [4 De oproeping en de stukken betreffende de agendapunten, behalve de maatschappelijke dossiers of individuele gegevens in verband met sociale actie, kunnen schriftelijk en aan huis overgemaakt worden als de mandataris daar schriftelijk om verzoekt of als de elektronische verzending technisch onmogelijk is.
   Het vast bureau stelt een persoonlijk elektronisch adres ter beschikking van elk lid van de raad voor sociale actie.
   De modaliteiten voor de toepassing van dit artikel liggen vast in het huishoudelijk reglement.]4
]1

  Buiten de agendapunten mag geen enkel onderwerp behandeld worden behalve bij dringende noodzakelijkheid. Tot de dringende noodzakelijkheid moet worden besloten door ten minste twee derden van de aanwezige leden. De namen van die leden worden in de notulen vermeld.) W 1992-08-05/46, art. 21; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  (Elk voorstel dat uitgaat van een lid van de raad en dat ten minste twaalf dagen vóór de vergadering van de raad aan de voorzitter wordt overgemaakt, moet op de agenda van die vergadering voorkomen en vergezeld gaan van een [1 verklarende synthesenota]1 of van elk document ter informatie van de raad voor maatschappelijk welzijn.)
  De volledige dossiers worden ter beschikking van de leden van de raad gesteld ten zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gedurende de in het eerste lid bepaalde termijn, met uitzondering van de zaterdagen, de zondagen en de wettelijke feestdagen.
  [1 De [2 directeur-generaal]2 van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de door hem aangewezen ambtenaar, alsook de [3 financieel directeur]3 of de door hem aangewezen ambtenaar, stellen zich ter beschikking van de leden van de raad om hen de technische uitleg te geven die nodig is voor een goed begrip van de dossiers; ze staan ter beschikking gedurende minstens twee periodes voor de zitting van de raad voor sociale actie, één periode tijdens de normale kantooruren en de andere buiten die uren. De modaliteiten voor de toepassing van deze paragraaf liggen vast in het huishoudelijk reglement.]1
  
Art. 30. [4 La convocation se fait par courrier électronique au moins cinq jours avant celui de la réunion, et contient l'ordre du jour. Toutefois, ce délai, d'une part, peut être raccourci en cas d'urgence et, d'autre part, est ramené à deux jours pour l'application de l'article 32, alinéa 2. Les pièces relatives aux points inscrits à l'ordre du jour, hors dossiers sociaux ou informations à caractère individuel sur l'aide sociale peuvent se faire par voie électronique.]4
  [1 Les points de l'ordre du jour sont indiqués avec suffisamment de clarté et accompagnés d'une note de synthèse explicative.
  [4 La convocation ainsi que les pièces relatives aux points inscrits à l'ordre du jour, hors dossiers sociaux ou informations à caractère individuel sur l'aide sociale, peuvent être transmises par écrit et à domicile si le mandataire en a fait la demande par écrit ou si la transmission par voie électronique est techniquement impossible.
   Le bureau permanent met à la disposition de chaque membre du conseil de l'action sociale une adresse de courrier électronique personnelle.
   Le règlement d'ordre intérieur fixe les modalités d'application du présent article.]4
]1

  Aucun objet étranger à l'ordre du jour ne peut être traité, sauf en cas d'urgence. L'urgence ne peut être déclarée que par les deux tiers au moins des membres présents. Les noms de ces membres sont inscrits au procès-verbal.) <L 1992-08-05/46, art. 21; En vigueur : 18-10-1992>
  (Toute proposition émanant d'un membre du conseil et remise au président au moins douze jours avant la date de la réunion du conseil doit être inscrite à l'ordre du jour de cette réunion; elle doit être accompagnée d'une note [1 de synthèse]1 explicative ou de tout document susceptible d'éclairer le (conseil de l'action sociale).)
  Les dossiers complets sont mis à la disposition des membres du conseil au siège du (centre public d'action sociale) pendant le délai fixé à l'alinéa premier, a l'exception des samedis, des dimanches et des jours fériés légaux. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  [1 Le [2 directeur général]2 du centre public d'action sociale ou le fonctionnaire désigné par lui, ainsi que le [3 directeur financier]3 ou le fonctionnaire désigné par lui, se tiennent à la disposition des membres du conseil afin de leur donner des explications techniques nécessaires à la compréhension des dossiers, et cela pendant au moins deux périodes précédant la séance du conseil de l'action sociale, dont une période durant les heures normales d'ouverture des bureaux et une période en dehors de ces heures. Le règlement d'ordre intérieur détermine les modalités d'application du présent paragraphe.]1
  
Art. 30bis. [1 § 1. Er wordt verstaan onder:
   1° vergadering op afstand: de vergadering die wordt gehouden met behulp van videoconferentietechnologie, d.w.z. een conferentie die, naast de rechtstreekse transmissie van spraak en grafisch materiaal, ook de transmissie van bewegende beelden van deelnemers op afstand mogelijk maakt;
   2° de uitzonderlijke situatie: de situatie waarin de gemeentelijke, provinciale of federale fase respectievelijk afgekondigd wordt door de bevoegde overheid, overeenkomstig het koninklijk besluit van 22 mei 2019 betreffende de noodplanning en het beheer van noodsituaties op het gemeentelijk en provinciaal niveau en betreffende de rol van de burgemeesters en de provinciegouverneurs in geval van crisisgebeurtenissen en -situaties die een coördinatie of een beheer op nationaal niveau vereisen;
   3° de gewone situatie: de situatie die alle andere gevallen omvat.
   § 2. De artikelen 30ter en 30quater moeten worden toegepast met strikte inachtneming van de democratische beginselen die in deze wet zijn neergelegd, met name die welke betrekking hebben op:
   - de eerbiediging van het beroepsgeheim;
   - de eerbiediging van het niet-openbare karakter van de debatten;
   - het verzoek van de leden om het woord te nemen;
   - de beraadslaging;
   - de mogelijkheid om van gedachten te wisselen door middel van verzoeken om het woord te nemen of vragen en antwoorden;
   - het uitbrengen van stemmen.]1

  
Art. 30bis. [1 § 1er. L'on entend par :
   1° la réunion à distance : la réunion qui se tient à l'aide de moyens techniques de visioconférence, c'est-à-dire la conférence permettant, en plus de la transmission en direct de la parole et de documents graphiques, la transmission d'images animées des participants éloignés;
   2° la situation extraordinaire : la situation dans laquelle la phase communale, provinciale ou fédérale est respectivement déclenchée par l'autorité compétente, conformément à l'arrêté royal du 22 mai 2019 relatif à la planification d'urgence et la gestion de situations d'urgence à l'échelon communal et provincial et au rôle des bourgmestres et des gouverneurs de province en cas d'événements et de situations de crise nécessitant une coordination ou une gestion à l'échelon national;
   3° la situation ordinaire : la situation vise tous les autres cas.
   § 2. Les articles 30ter et 30quater trouvent à s'appliquer dans le cadre du strict respect des principes démocratiques consacrés par la présente loi, singulièrement ceux relatifs :
   - au respect du secret professionnel;
   - au respect de la non-publicité des débats;
   - à la prise de parole des membres;
   - à la délibération;
   - à la possibilité d'échanges de vue au travers de prises de parole;
   - à l'expression des votes.]1

  
Art. 30ter. [1 § 1. De vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn, de bijzondere comités en de algemene vergadering van de in Hoofdstuk XII bedoelde verenigingen worden, zowel in gewone als in uitzonderlijke situatie, fysiek gehouden.
   In afwijking van het eerste lid kunnen in uitzonderlijke situaties vergaderingen op afstand worden gehouden. In het huishoudelijk reglement worden de voorwaarden en modaliteiten vastgesteld. In de notulen wordt vermeld of de vergadering op afstand is gehouden en deze informatie wordt opgenomen in het jaarlijkse bezoldigingsverslag als bedoeld in artikel L6421-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.
   In het in lid 2 bedoelde geval kan niet worden beraadslaagd en gestemd over punten die betrekking hebben op de tuchtrechtelijke situatie van een of meerdere personeelsleden en de dossiers waarvoor het horen van externe personen in het kader van een geschil vereist is, tenzij de autoriteit een uiterste termijn in acht moet nemen.
   § 2. Wat de algemene vergaderingen van de in Hoofdstuk XII bedoelde verenigingen betreft, is, indien op afstand wordt vergaderd, een beraadslaging van de raad voor maatschappelijk welzijn over elk punt van de agenda verplicht. Indien de raad voor maatschappelijk welzijn zich niet fysiek wenst te laten vertegenwoordigen, deelt hij zijn beraadslagingen onverwijld mee aan de structuur, die er rekening mee houdt wat betreft het uitbrengen van de stemmen, maar ook wat betreft de berekening van de verschillende aanwezigheids- en stemquorums.
   § 3. De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.]1

  
Art. 30ter. [1 § 1er. Les réunions du conseil de l'action sociale, des comités spéciaux et de l'assemblée générale des associations visées au Chapitre XII se tiennent physiquement tant en situation ordinaire qu'extraordinaire.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, en situation extraordinaire, les réunions peuvent se tenir à distance. Le règlement d'ordre intérieur en fixe les conditions et les modalités. Le procès-verbal mentionne si la réunion s'est tenue à distance et cette donnée est répercutée dans le rapport annuel de rémunération visé à l'article L6421-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   Dans le cas visé à l'alinéa 2, sauf si l'autorité est tenue de respecter un délai de rigueur, les points relatifs à la situation disciplinaire d'un ou plusieurs membres du personnel et les dossiers nécessitant l'audition de personnes extérieures dans le cadre d'un contentieux ne peuvent faire l'objet d'une discussion ou d'un vote.
   § 2. En ce qui concerne les assemblées générales des associations visées au Chapitre XII, s'il est recouru à une réunion à distance, une délibération du conseil de l'action sociale sur chaque point à l'ordre du jour est obligatoire. Si le conseil de l'action sociale ne souhaite pas être physiquement représenté, il transmet ses délibérations sans délai à la structure, laquelle en tient compte pour ce qui est de l'expression des votes mais également pour ce qui est du calcul des différents quorums de présence et de vote.
   § 3. Le Gouvernement arrête les modalités d'exécutions du présent article.]1

  
Art. 30quater. [1 § 1. De vergaderingen van het vast bureau, van het auditcomité en van de raad van bestuur van de in Hoofdstuk XII bedoelde verenigingen worden, zowel in gewone als in uitzonderlijke situatie, fysiek gehouden.
   In afwijking van lid 1 kunnen de vergaderingen van het vast bureau en van het auditcomité van de in Hoofdstuk XII bedoelde verenigingen in gewone situatie, in ten hoogste 20 procent van de gevallen, op afstand worden gehouden. In het huishoudelijk reglement worden de voorwaarden en modaliteiten vastgesteld. In de notulen wordt vermeld of de vergadering op afstand is gehouden en deze informatie wordt opgenomen in het jaarlijkse bezoldigingsverslag als bedoeld in artikel L6421-1.
   In afwijking van het eerste lid kunnen in uitzonderlijke situaties vergaderingen op afstand worden gehouden. In het huishoudelijk reglement worden de voorwaarden en modaliteiten vastgesteld. In de notulen wordt vermeld of de vergadering op afstand is gehouden en deze informatie wordt opgenomen in het jaarlijkse bezoldigingsverslag als bedoeld in artikel L6421-1.
   In de in de leden 2 en 3 bedoelde gevallen kan niet worden beraadslaagd en gestemd over punten die verband houden met de tuchtrechtelijke situatie van een of meerdere personeelsleden, dossiers waarvoor externe personen in het kader van een geschil moeten worden gehoord, het strategisch plan, beslissingen betreffende de financiële strategie, algemene bepalingen inzake personeelszaken, of het nu gaat om toegangsvoorwaarden voor betrekkingen of bezoldigingsvoorwaarden, bijzondere regels die van toepassing zijn op de plaatselijke bestuursfunctie, en de begrotingen en rekeningen.
   In afwijking van het vierde lid kan in het in lid 3 bedoelde geval worden beraadslaagd of gestemd over punten die betrekking hebben op de tuchtrechtelijke situatie van een of meerdere personeelsleden en de dossiers waarvoor het horen van externe personen in het kader van een geschil vereist is, indien de autoriteit een uiterste termijn in acht moet nemen.
   § 2. Dit artikel is eveneens van toepassing op de overlegvergaderingen bedoeld in artikel 26, § 2, van deze wet en in artikel L1122-11 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.
   § 3. De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.]1

  
Art. 30quater. [1 § 1er. Les réunions du bureau permanent, du comité d'audit et du conseil d'administration des associations visées au Chapitre XII se tiennent physiquement tant en situation ordinaire qu'extraordinaire.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, en situation ordinaire, dans 20 pour cent des cas maximums, les réunions du bureau permanent et du comité d'audit des associations visées au Chapitre XII peuvent se tenir à distance. Le règlement d'ordre intérieur en fixe les conditions et les modalités. Le procès-verbal mentionne si la réunion s'est tenue à distance et cette donnée est répercutée dans le rapport annuel de rémunération visé à l'article L6421-1.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, en situation extraordinaire, les réunions peuvent se tenir à distance. Le règlement d'ordre intérieur en fixe les conditions et les modalités. Le procès-verbal mentionne si la réunion s'est tenue à distance et cette donnée est répercutée dans le rapport annuel de rémunération visé à l'article L6421-1.
   Dans les cas visés aux alinéas 2 et 3, les points relatifs à la situation disciplinaire d'un ou plusieurs membres du personnel, les dossiers nécessitant l'audition de personnes extérieures dans le cadre d'un contentieux, le plan stratégique, les décisions relatives à la stratégie financière, les dispositions générales en matière de personnel que ce soit les conditions d'accès aux emplois ou les conditions rémunératoires, les règles particulières applicables à la fonction dirigeante locale et les budgets et comptes ne peuvent faire l'objet d'une discussion ou d'un vote.
   Par dérogation à l'alinéa 4, dans le cas visé à l'alinéa 3, les points relatifs à la situation disciplinaire d'un ou plusieurs membres du personnel et aux dossiers nécessitant l'audition de personnes extérieures dans le cadre d'un contentieux peuvent faire l'objet d'une discussion ou d'un vote si l'autorité est tenue de respecter un délai de rigueur.
   § 2. Le présent article est également applicable aux réunions de concertation visées à l'article 26, § 2, de la présente loi et à l'article L1122-11 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   § 3. Le Gouvernement arrête les modalités d'exécution du présent article.]1

  
Art. 31. De vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn worden gehouden met gesloten deuren.
Art. 31. Les réunions du (conseil de l'action sociale) se tiennent à huis clos.
Art. 31bis. <INGEVOEGD bij DWG 1998-04-02/40, art. 6ter; Inwerkingtreding : 1998-05-08> De wet van 11 april 1994 en het decreet van de Waalse Gewestraad van 30 maart 1995 betreffende de openbaarheid van bestuur zijn van toepassing op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn al naar gelang de daden van beheer respectievelijk tot de bevoegdheid van de Federale Staat of van het Waalse Gewest behoren.
Art. 31bis. La loi du 11 avril 1994 et le décret du Conseil régional wallon du 30 mars 1995 relatifs à la publicité de l'administration sont applicables aux (centres publics d'action sociale) selon que les actes administratifs relèvent respectivement de la compétence de l'Etat fédéral ou de la Région wallonne. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 32. De raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau en de bijzondere comités mogen alleen beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van hun zitting hebbende leden aanwezig is.
  Zij kunnen echter, indien zij tweemaal bijeengeroepen werden zonder dat het vereiste aantal leden opgekomen is, na een nieuwe en laatste bijeenroeping, geldig beraadslagen en beslissen, welk ook het aantal der aanwezige leden zij, over de onderwerpen die voor de derde maal op de agenda staan.
  De tweede en derde bijeenroeping moeten geschieden overeenkomstig de voorschriften van artikel 30 en er moet vermeld worden dat de bijeenroeping voor de tweede of de derde maal geschiedt. Bovendien moet de derde bijeenroeping de tekst van de eerste twee leden van het onderhavig artikel woordelijk herhalen.
Art. 32. Le (conseil de l'action sociale), le bureau permanent et les comités spéciaux ne peuvent délibérer que si la majorité de leurs membres en fonction est présente.
  Toutefois, s'ils ont été convoqués deux fois sans s'être trouvés en nombre, ils délibèrent valablement après une nouvelle et dernière convocation, quel que soit le nombre des membres présents, sur les objets mis pour la troisième fois à l'ordre du jour.
  Les deuxième et troisième convocations se font conformément aux règles prescrites par l'article 30 et il est fait mention que c'est pour la deuxième ou pour la troisième fois que la convocation a lieu. En outre, la troisième convocation reproduit textuellement les deux premiers alinéas du présent article.
Art. 33. <W 1992-08-05/46, art. 22; Inwerkingtreding : 18-10-1992> § 1. De beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.
  De leden van de raad stemmen mondeling. De voorzitter van de raad, of [1 het raadslid dat hem vervangt krachtens artikel 22, § 3,]1 stemt het laatst en bij staking van stemmen is zijn stem beslissend.
  (§ 1bis. De raad voor maatschappelijk welzijn stemt het geheel van de begroting en het geheel van de jaarrekeningen.
  Elk lid kan echter de afzonderlijke stemming van één of meer door hem aangewezen artikelen of groepen van artikelen eisen als het om de begroting gaat, of van één of meer door hem aangewezen artikelen of posten als het om de jaarrekeningen gaat.
  In dit geval kan de algemene stemming slechts plaatsvinden na de stemming van de aldus aangewezen artikelen, groepen van artikelen of posten; ze heeft betrekking op de artikelen of posten waarvan geen enkel lid de afzonderlijke stemming heeft gevraagd, en op de artikelen die reeds bij afzonderlijke stemming zijn goedgekeurd.)
  § 2. De leden stemmen echter geheim als het om personen gaat, behoudens in geval van individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening.
  Is er bij geheime stemming staking van stemmen, dan is het voorstel verworpen.
  § 3. Voor elke benoeming tot ambten en elke contractuele indienstneming, wordt tot een afzonderlijke stemming overgegaan.
  In deze gevallen [2 ...]2 indien de volstrekte meerderheid niet werd verkregen bij de eerste stembeurt, heeft herstemming plaats voor de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben bekomen; in voorkokend geval wordt de deelneming aan die herstemming bepaald met voorrang van de oudste in jaren. In geval van staking van stemmen bij de tweede stembeurt krijgt de oudste kandidaat de voorkeur.
  [2 § 3bis. Bij elke verkiezing of voordracht van kandidaten tot mandaten of politieke ambten, waar er evenveel kandidaten zijn als er mandaten of ambten zijn, neemt de raad voor maatschappelijk welzijn akte van de verkiezing of de voordracht van deze kandidaten. De leden van de raad stemmen echter mondeling of op gelijkwaardige wijze over een dergelijke verkiezing of voordracht wanneer een derde van de aanwezige leden daarom verzoekt.
   " § 3ter. Bij elke verkiezing of voordracht van kandidaten tot mandaten of politieke ambten, wanneer er meer kandidaten zijn dan mandaten of ambten, stemmen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn mondeling of op gelijkwaardige wijze over een dergelijke verkiezing of voordracht. Voor elk mandaat of ambt, wordt tot een afzonderlijke stemming overgegaan.
   Indien bij de benoeming of de voordracht van kandidaten de vereiste meerderheid niet wordt verkregen bij de eerste stemming, heeft herstemming plaats over de kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald.
   Te dien einde maakt de voorzitter een lijst op met tweemaal zoveel namen als er benoemingen of voordrachten moeten geschieden.
   De stemmen kunnen alleen uitgebracht worden op de kandidaten die op deze lijst voorkomen.
   De benoeming geschiedt bij meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen heeft de oudste kandidaat de voorkeur.
   § 3 quater. In de gevallen bedoeld in de paragrafen 3 bis en 3 ter, stemmen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, op elk verzoek van een raadslid, bij geheime stemming.]2

  § 4. Er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen en de blanco of nietige stembiljetten.
  
Art. 33. <L 1992-08-05/46, art. 22; En vigueur : 18-10-1992> § 1er. Les résolutions sont prises à la majorité absolue des voix.
  Les membres du conseil votent à haute voix. Le président du conseil, ou [1 le membre du conseil qui le remplace en vertu de l'article 22, § 3]1, vote le dernier et, en cas de parité des voix, sa voix est prépondérante.
  (§ 1erbis. Le (Conseil de l'action sociale) vote sur l'ensemble du budget et sur l'ensemble des comptes annuels.
  Chacun de ses membres peut toutefois exiger le vote séparé d'un ou plusieurs articles ou groupes d'articles qu'il désigne, s'il s'agit du budget, ou d'un ou plusieurs articles ou postes qu'il désigne, s'il s'agit des comptes annuels.
  Dans ce cas, le vote d'ensemble ne peut intervenir qu'après le vote sur le ou les articles, groupes d'articles ou postes ainsi désignés, et il porte sur les articles ou postes dont aucun des membres n'a demandé le vote séparé, et sur les articles qui ont déjà été adoptés par vote séparé.)
  § 2. Toutefois, le vote se fait au scrutin secret lorsqu'il est question de personnes, sauf en matière d'octroi ou de récupération individuels d'aide sociale.
  Si, en cas de scrutin secret, il y a parité des voix, la proposition est rejetée.
  § 3. Pour chaque nomination à des emplois et pour chaque engagement contractuel, il est procédé à un scrutin distinct.
  En ces cas, [2 ...]2 si la majorité absolue n'est pas obtenue au premier tour, il est procédé à un scrutin de ballottage entre les deux candidats qui ont obtenu le plus grand nombre de voix; le cas échéant, la participation au ballottage se détermine au bénéfice de l'âge. En cas de parité de voix au second tour de scrutin, le candidat le plus âgé est préféré.
  [2 § 3bis. En cas d'élection ou de présentation de candidats à des mandats ou des fonctions d'ordre politique, lorsqu'il y a autant de candidats que de mandats ou fonctions à pourvoir, le conseil de l'action sociale acte l'élection ou la présentation de ces candidats. Cependant, les membres du conseil de l'action sociale votent à haute voix ou selon un mode de scrutin équivalent sur une telle élection ou présentation à chaque fois qu'un tiers des membres présents le demande.
   § 3ter. En cas d'élection ou de présentation de candidats à des mandats ou des fonctions d'ordre politique, à chaque fois qu'il y a plus de candidats que de mandats ou fonctions à pourvoir, les membres du conseil de l'action sociale votent à haute voix ou selon un mode de scrutin équivalent sur une telle élection ou présentation. Pour chaque mandat ou fonction à pourvoir, il est procédé à un scrutin distinct.
   Si la majorité requise n'est pas obtenue au premier tour de scrutin, il est procédé à un scrutin de ballottage entre les candidats qui ont obtenu le plus grand nombre de voix.
   A cet effet, le président dresse une liste contenant deux fois autant de noms qu'il y a de nominations ou de présentations à faire.
   Les suffrages peuvent uniquement être donnés aux candidats portés sur cette liste.
   La nomination a lieu à la pluralité des voix. En cas de parité des voix, le plus âgé des candidats est préféré.
   § 3quater. Dans les hypothèses visées aux paragraphes 3bis et 3ter, les membres du conseil de l'action sociale votent à bulletin secret à chaque fois qu'un conseiller le demande.]2

  § 4. Les abstentions et les bulletins blancs ou nuls n'entrent pas en ligne de compte.
  
Art. 33bis. <INGEVOEGD bij W 1992-08-05/46, art. 23; Inwerkingtreding : 18-10-1992> Voor de zitting, vanaf de ontvangst van de agenda van de raad, of tijdens de zitting, voorafgaandelijk aan de bespreking of aan de stemming, kan de burgemeester de bespreking of de stemming omtrent elk punt van de agenda verdagen, behalve wanneer het betrekking heeft op de individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening. De redenen van de beslissing van de burgemeester worden vermeld in de notulen van de vergadering.
  In dat geval wordt het overlegcomité bijeengeroepen binnen een termijn van vijftien dagen, met op de agenda het punt dat werd verdaagd.
  De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts éénmaal uitoefenen voor hetzelfde punt.
  De Koning kan de toepassingsmodaliteiten van de bepalingen van dit artikel nader bepalen.
Art. 33bis. Avant la séance, dès réception de l'ordre du jour du conseil, ou en séance, préalablement à la discussion ou au vote, le bourgmestre peut reporter la délibération ou le vote de tout point de l'ordre du jour, à l'exception des points relatifs à l'octroi ou à la récupération individuels de l'aide sociale. La motivation de la décision du bourgmestre est mentionnée au procès-verbal de la séance.
  Dans ce cas, le comité de concertation est convoqué dans un délai de quinze jours, avec, à l'ordre du jour, le point ayant été reporté.
  Le bourgmestre ne peut exercer la compétence mentionnée à l'alinéa 1er qu'une fois pour le même point.
  Le Gouvernement peut préciser les modalités d'application de cet article.
Art. 34. De notulen van de vorige vergadering worden hetzij aan de leden medegedeeld samen met de bijeenroeping tot de vergadering, hetzij ter hunner beschikking gesteld volgens de regelen bepaald bij het laatste lid van artikel 30. Na goedkeuring worden zij door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
  Telkens als de raad het gewenst acht, worden de notulen, geheel of gedeeltelijk, staande de vergadering opgemaakt en door de aanwezige leden ondertekend.
Art. 34. Le procès-verbal de la séance précédente est soit communiqué aux membres en même temps que la convocation pour la séance, soit mis à leur disposition suivant les règles déterminées au dernier alinéa de l'article 30. Après approbation, il est signé par le président et le secrétaire.
  Chaque fois que le conseil le juge bon, le procès-verbal est rédigé séance tenante, en tout ou en partie, et signé par les membres présentes.
Art. 34bis. <INGEVOEGD bij DWG 2005-12-08/43, art. 7; Inwerkingtreding : 08-10-2006> [2 ...]2 [2 ...]2 de raad voor maatschappelijk welzijn [2 kan]2 gemeenschappelijke zittingen met de gemeenteraad houden.
  [1 In afwijking van artikel 31 zijn die vergaderingen openbaar.]1
  
Art. 34bis. [2 ...]2 le conseil de l'action sociale peut tenir des séances communes avec le conseil communal.
  [1 Par dérogation à l'article 31, ces réunions sont publiques.]1
  
Art. 35. De vergaderingen van het vast bureau en, behoudens een met redenen omklede andersluidende beslissing van het betrokken comité, die van de bijzondere comités, worden gehouden op de plaats aangeduid in het huishoudelijk reglement.
  De bepalingen van de artikelen 30 tot en met 34 zijn van toepassing op de vergaderingen van het vast bureau en van de bijzondere comités.
Art. 35. Les réunions du bureau permanent, et, sauf décision contraire motivée du comité intéressé, celles des comités spéciaux se tiennent au lieu indiqué par le règlement d'ordre intérieur.
  Les dispositions des articles 30 à 34 s'appliquent aux réunions du bureau permanent et des comités spéciaux.
Art. 36. De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn hebben het recht om ter plaatse kennis te nemen van alle akten, stukken en dossiers betreffende het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  (Wat de akten, stukken en dossiers van het ziekenhuis betreft, beschikken de leden van het beheerscomité die raadgevende stem hebben, over hetzelfde recht.)
  De leden van de raad (, en van het beheerscomité van het ziekenhuis) alsmede alle andere personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de raad, het vast bureau (, de bijzondere comités en het beheerscomité van het ziekenhuis) bijwonen, zijn tot geheimhouding verplicht.
  (Met uitzondering van de akten en stukken betreffende de door het centrum verleende individuele hulp of de invordering van deze hulp, en van de akten en stukken betreffende de dossiers die het centrum nog niet heeft goedgekeurd, kunnen de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, onder de voorwaarden bepaald bij het door de raad opgemaakte huishoudelijk reglement, een afschrift verkrijgen van de akten en stukken betreffende de administratie van het O.C.M.W.
  De vergoeding die eventueel wordt geëist voor het afschrift, mag in geen geval de kostprijs overschrijden.)
Art. 36. Les membres du (conseil de l'action sociale) ont le droit de prendre connaissance, sans déplacement, de tous les actes, pièces et dossiers concernant le (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (En ce qui concerne les actes, pièces et dossiers de l'hôpital, les membres du comité de gestion ayant voix consultative disposent du même droit.)
  Les membres du conseil (et du comité de gestion de l'hôpital), ainsi que toutes les autres personnes qui, en vertu de la loi, assistent aux réunions du conseil, du bureau permanent (, des comités spéciaux et du comité de gestion de l'hôpital), sont tenus au secret.
  (A l'exclusion des actes et pièces ayant trait aux aides individuelles accordées par le centre ou à la récupération de ces aides et des actes et pièces concernant les dossiers n'ayant pas encore fait l'objet d'une adoption par le centre, les membres du (conseil de l'action sociale) peuvent obtenir copie des actes et pièces relatifs à l'administration du (centre public d'action sociale) dans les conditions arrêtées par le règlement d'ordre intérieur établi par le conseil. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  La redevance éventuellement réclamée pour la copie ne peut en aucun cas excéder le prix de revient.)
Art. 37. Het is de leden van de raad en de personen, die krachtens de wet de vergaderingen van de raad mogen bijwonen, verboden :
  1. Tegenwoordig te zijn bij de beraadslaging of besluit over zaken waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde, rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen tot ambten en tuchtmaatregelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad.
  2. Rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige overeenkomst, enige aanbesteding, levering, verkoop of aankoop voor het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Dit verbod [1 is eveneens van toepassing op de vennootschappen]1 waarin het lid van de raad, de burgemeester of zijn afgevaardigde vennoot, zaakvoerder, beheerder of lasthebber is.
  3. Als advokaat, notaris, zaakwaarnemer of deskundige, belangen te behartigen die strijdig zijn met die van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of, anders dan kosteloos, in dezelfde hoedanigheid de belangen van het centrum te verdedigen.
  (4. Als raadsman van een personeelslid in tuchtzaken tussen te komen;
  5. Als afgevaardigde of technicus van een vakorganisatie in een onderhandelings- of overlegcomité van de gemeente of het Openbaar Centrum voor maatschappelijk welzijn tussen te komen.)
  Deze bepalingen gelden eveneens voor de leden van de bijzondere beheersorganen die met toepassing van artikel 94 zouden worden opgericht.
  
Art. 37. Il est interdit aux membres du conseil et aux personnes qui, en vertu de la loi, peuvent assister aux séances du conseil :
  1. D'être présents à la délibération sur les objets auxquels ils ont un intérêt direct, soit personnellement, soit comme chargé d'affaires, ou auxquels leurs parents ou alliés jusqu'au quatrième degré inclusivement ont un intérêt personnel et direct. Cette prohibition ne s'entend pas au-delà des parents ou alliés jusqu'au deuxième degré, lorsqu'il s'agit de nomination aux emplois et de mesures disciplinaires.
  2. De prendre part, directement ou indirectement, à aucun marché, adjudication, fourniture, vente ou achat intéressant le (centre public d'action sociale). Cette interdiction [1 s'applique aux sociétés]1 dans lesquelles le membre du conseil, le bourgmestre ou son délégué est associé, gérant, administrateur ou mandataire. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  3. De défendre comme avocat, notaire, homme d'affaires ou expert, des intérêts opposés à ceux du (centre public d'action sociale) ou de défendre en la même qualité, si ce n'est pas gratuitement, les intérêts du centre. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (4. d'intervenir comme conseil d'un membre du personnel en matière disciplinaire ;
  5. d'intervenir comme délégué ou technicien d'une organisation syndicale dans un comité de négociation ou de concertation de la commune ou du (Centre public d'action sociale).) <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Ces dispositions s'étendent également aux membres des organes spéciaux de gestion qui viendraient à être créés en application de l'article 94.
  
Art. 38. <W 1992-08-05/46, art. 24; Inwerkingtreding : 18-10-1992> (§ 1.) (De wedde, het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de sociale zekerheidsregeling van de voorzitter zijn dezelfde als die van de schepenen van de overeenstemmende gemeente. De Regering kan de toekenningsvoorwaarden en wijze ervan bepalen.)
  (De bepalingen betreffende het stelsel inzake compensatie van inkomensverlies dat voor de schepenen geldt, is mutatis mutandis op de O.C.M.W.-voorzitters toepasselijk [1 waarvan het bedrag gelijk is aan het bedrag toegekend aan de gemeenteraadsleden van de gemeente van de zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn]1.)
  Binnen de perken en volgens de voorwaarden en modaliteiten van toekenning door de (Regering) bepaald, (kent) de raad voor maatschappelijk welzijn een presentiegeld (toe) aan zijn leden [2 overeenkomstig artikel L1122-7 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie]2.
  De gewezen voorzitters en hun rechtverkrijgenden genieten hetzelfde pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.
  De kosten die door de voorzitter en de leden worden gemaakt bij de uitvoering van opdrachten die hen door de raad voor maatschappelijk welzijn in het kader van zij bevoegdheden uitdrukkelijk werden toevertrouwd, worden hun terugbetaald. De (Regering) kan de nadere regels van deze terugbetalingen bepalen.
  § 2. [1 De som van het presentiegeld van het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de presentiegelden, bezoldigingen en voordelen in natura die hij geniet wegens zijn oorspronkelijke mandaten, zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies of ambten van politieke aard zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, is gelijk aan of lager dan anderhalve keer het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer der Volksvertegenwoordigers.
   Indien het maximumbedrag vastgesteld in het eerste lid overschreden wordt, wordt het bedrag van het presentiegeld of van de bezoldigingen en voordelen in natura ontvangen door het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn wegens zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies of ambten van politieke aard, dienovereenkomstig verminderd.]1

  § 3. [1 De som van het presentiegeld van het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de presentiegelden, bezoldigingen en voordelen in natura die hij geniet wegens zijn oorspronkelijke mandaten, zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies of ambten van politieke aard zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, is gelijk aan of lager dan anderhalve keer het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer der Volksvertegenwoordigers.
   Indien het maximumbedrag vastgesteld in het eerste lid overschreden wordt, wordt het bedrag van het presentiegeld of van de bezoldigingen en voordelen in natura ontvangen door het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn wegens zijn afgeleide mandaten en zijn openbare mandaten, functies of ambten van politieke aard, dienovereenkomstig verminderd.]1

  § 4. [1 Voor de toepassing van de regels uit deel V van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie die op hen van toepassing is :
   1° is het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn houder van een oorspronkelijk mandaat zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie;
   2° is de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn houder van een oorspronkelijk uitvoerend mandaat zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie;
   3° is de niet-verkozen persoon in de zin van artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie de persoon die niet raadslid is van de raad voor maatschappelijk welzijn en aan wie een mandaat is toevertrouwd in een privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon wegens de beslissing van één van de organen of de vertegenwoordiging van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.]1

  § 5. [1 Voor de toepassing van artikel L5421-2, § 2, lid 3, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie gebeurt de terugbetaling van de teveel gekregen sommen ten opzichte van paragrafen 2 en 3 ten bate van het openbaar centrum voor het maatschappelijk welzijn. Indien het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn eveneens houder is van een oorspronkelijk mandaat in een gemeente of in een provincie, gebeurt de terugbetaling volgens de regels van artikel L5421-2, lid 3, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.]1
  § 6. [1 Voor de toepassing van artikel L5431-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie kan de Regering, indien de betrokken persoon geen aangifte heeft ingediend, willens en wetens een valse aangifte heeft ingediend of nagelaten heeft de onverschuldigd gekregen sommen binnen de haar door de Regering toebedeelde termijn terug te betalen, na afloop van de procedure bepaald in artikel L5431-1, het verval vaststellen :
   1° van de oorspronkelijke mandaten, met inbegrip van de uitvoerende oorspronkelijke mandaten, en van de afgeleide mandaten van elk raadslid en van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn;
   2° van de mandaten toevertrouwd aan niet-verkozen personen in een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon ten gevolge van een beslissing getroffen door een van de organen, en ten gevolge van de vertegenwoordiging van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
   Tijdens een periode van zes jaar, ingaand daags na de kennisgeving van de beslissing van de Regering waarbij het verval wordt vastgesteld, zal de houder van een oorspronkelijk mandaat of de niet-verkozen persoon niet meer houder kunnen zijn van een mandaat bedoeld in artikel L5111-1, 9°, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.
   Als de betrokken persoon, na afloop van de procedure bepaald in paragraaf 3 van artikel L5431-1, geen titularis meer is van een mandaat waarvoor de Regering het verval kan vaststellen zoals voorzien in lid 1 van deze paragraaf, kan de Regering voor een periode van zes jaar na de kennisgeving van haar beslissing het volgende uitspreken :
   1° een onverkiesbaarheid bij de raad voor maatschappelijk welzijn voor de betrokken persoon die titularis van een oorspronkelijke mandaat was alsook een verbod, titularis van een mandaat bedoeld in artikel L5111-1, 9°, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie te zijn;
   2° een verbod, titularis te zijn van een mandaat bedoeld in artikel L5111-1, 9°, van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie voor de niet-verkozen persoon.]1

  
Art. 38. <L 1992-08-05/46, art. 24; En vigueur : 18-10-1992> (§ 1er.) (Le traitement, le pécule de vacances, la prime de fin d'année et le régime de sécurité sociale du président sont identiques à ceux des échevins de la commune correspondante. Le Gouvernement peut en fixer les conditions et les modalités d'octroi.)
  (Les dispositions relatives au régime de compensation pour perte de revenus applicable aux échevins sont applicables, mutatis mutandis, aux présidents de C.P.A.S.)
  Dans les limites et selon les conditions et modalités d'octroi déterminées par le (Gouvernement), le (conseil de l'action sociale) (accorde) des jetons de présence à ses membres [1 d'un montant identique à celui alloué aux conseillers communaux de la commune du siège du centre public d'action sociale]1 [2 conformément à l'article L1122-7 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation]2.
  Les anciens présidents et leurs ayants droit bénéficient du même régime de pension que celui qui est applicable aux échevins de la commune siège du centre public.
  Les frais exposés par le président et les membres dans l'accomplissement des missions qui leur sont expressément confiées par le (conseil de l'action sociale) dans le cadre de ses attributions, leur sont remboursés. Le (Gouvernement) peut déterminer les modalités de ces remboursements.
  § 2. [1 La somme du jeton de présence du conseiller de l'action sociale et des jetons, rémunérations et avantages en nature dont il bénéficie en raison de ses mandats originaires, de ses mandats dérivés et de ses mandats, fonctions et charges publics d'ordre politique tels que définis à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation est égale ou inférieure à une fois et demi le montant de l'indemnité parlementaire perçue par les membres de la Chambre des représentants.
   En cas de dépassement de la limite fixée à l'alinéa 1er, le montant du jeton ou des rémunérations et avantages en nature perçus par le conseiller de l'action sociale en raison de ses mandats dérivés et de ses mandats, fonctions et charges publics d'ordre politique est réduit à due concurrence.]1

  § 3. [1 La somme du jeton de présence du président du conseil de l'action sociale et des jetons, rémunérations et avantages en nature dont il bénéficie en raison de ses mandats originaires, de ses mandats dérivés et de ses mandats, fonctions et charges publics d'ordre politique tels que définis à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation est égale ou inférieure à une fois et demi le montant de l'indemnité parlementaire perçue par les membres de la Chambre des représentants.
   En cas de dépassement de la limite fixée à l'alinéa 1er, le montant du jeton ou des rémunérations et avantages en nature perçus par le président du conseil de l'action sociale en raison de ses mandats dérivés, de ses mandats et de ses mandats, fonctions et charges publics d'ordre politique est réduit à due concurrence.]1

  § 4. [1 Pour l'application des règles figurant dans la cinquième partie du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, laquelle leur est applicable :
   1° le conseiller de l'action sociale est titulaire d'un mandat originaire tel que défini à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation;
   2° le président du conseil de l'action sociale est titulaire d'un mandat originaire exécutif tel que défini à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation;
   3° est personne non élue au sens de l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, la personne qui n'est pas conseiller de l'action sociale et à qui un mandat a été confié dans une personne morale de droit privé ou de droit public par la suite de la décision d'un des organes ou en raison de la représentation d'un centre public d'action sociale.]1

  § 5. [1 Pour l'application de l'article L5421-2, § 2, alinéa 3, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, le remboursement des sommes trop perçues au regard des paragraphes 2 et 3 s'effectue au profit du centre public d'action sociale. Lorsque le conseiller de l'action sociale est également titulaire d'un mandat originaire dans une commune ou dans une province, le remboursement se fait selon les règles figurant à l'article L5421-2, alinéa 3, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.]1
  § 6. [1 Pour l'application de l'article L5431-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, lorsque la personne concernée n'a pas déposé de déclaration, a établi sciemment une fausse déclaration ou a omis de rembourser les sommes indûment perçues dans le délai qui lui est imparti le Gouvernement, au terme de la procédure décrite au paragraphe 3 de l'article L5431-1, peut constater la déchéance :
   1° des mandats originaires, en ce compris les mandats exécutifs originaires, et des mandats dérivés de tout conseiller de l'action sociale et président du conseil de l'action sociale;
   2 ° des mandats confiés à des personnes non élues dans une personne morale de droit privé ou de droit public par la suite de la décision d'un des organes ou en raison de la représentation d'un centre public d'action sociale.
   Pendant une période de six ans prenant court le lendemain de la notification de la décision du Gouvernement constatant la déchéance, le titulaire d'un mandat originaire ou la personne non élue ne pourra plus être titulaire d'un mandat visé à l'article L5111-1, 9°, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   Si au terme de la procédure décrite au paragraphe 3 de l'article L5431-1, la personne concernée n'est plus titulaire d'un mandat pour lequel le Gouvernement peut constater la déchéance ainsi que prévu à l'alinéa 1er du présent paragraphe, le Gouvernement peut prononcer, pour une période de six ans après la notification de sa décision :
   1° une inéligibilité au conseil de l'action sociale pour la personne concernée qui était titulaire d'un mandat originaire ainsi qu'une interdiction d'être titulaire d'un mandat visé à l'article L5111-1, 9°, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation;
   2° une interdiction d'être titulaire d'un mandat visé à l'article L5111-1, 9°, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation pour la personne non élue.]1

  
Art. 39. Wanneer een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter bestendig vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een bezoldiging uitbetaald.
  De (Regering) bepaalt de regelen voor de berekening van deze wedde en voor de verdere uitkering van de wedde van de verkozen voorzitter, evenals de invloed van die uitkeringen op de pensioenvorming.
Art. 39. Dans le cas où un membre du (conseil de l'action sociale) remplace le président pour un terme ininterrompu d'un mois au moins, un traitement lui sera alloue.
  Le (Gouvernement) fixe les règles à appliquer en ce qui concerne le calcul de ce traitement, la continuation du paiement du traitement du président élu et l'incidence de ces paiements en matière de pension.
Art. 40. De huishoudelijke reglementen voor de raad, het vast bureau, de bijzondere comités, alsmede voor de diensten en instellingen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden vastgesteld door de raad.
  (De raad legt deontologische en ethische regels vast in zijn huishoudelijk reglement. Deze regels bekrachtigen o.a. de weigering tot aanvaarding van een mandaat dat niet ten volle waargenomen zou kunnen worden, de regelmatige deelname aan de zittingen van de raad, van het vast bureau of van een bijzonder comité, de relaties tussen de verkozenen en de plaatselijke administratie, het luisteren naar en de informatieverstrekking aan de burger.)
  (Het beheerscomité van het ziekenhuis maakt zijn huishoudelijk reglement op en onderwerpt het aan de goedkeuring van de raad voor maatschappelijk welzijn.)
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  
Art. 40. Les règlements d'ordre intérieur du conseil, du bureau permanent, des comités spéciaux, ainsi que des services et établissements du (centre public d'action sociale) sont arrêtés par le conseil. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (Le conseil arrête, dans son règlement d'ordre intérieur, des règles de déontologie et d'éthique. Ces règles consacrent, notamment, le refus d'accepter un mandat qui ne pourrait être assumé pleinement, la participation régulière aux séances du conseil, du bureau permanent ou d'un comité spécial, les relations entre les élus et l'administration locale, l'écoute et l'information du citoyen.)
  (Le comité de gestion de l'hôpital arrête son règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du (conseil de l'action sociale).)
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  
HOOFDSTUK III. - Het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
CHAPITRE III. - Du personnel du (centre public d'action sociale).
Art. 41. [1 Elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft een directeur-generaal en een financieel directeur.
   Het administratief statuut van de directeur-generaal en de financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ligt vast in een reglement dat door de raad voor maatschappelijk welzijn opgemaakt wordt met inachtneming van de algemene bepalingen waarin de Waalse Regering voorziet.
   De betrekkingen van directeur-generaal en financieel directeur zijn toegankelijk door werving, bevordering en mobiliteit.
   Er wordt in de betrekking voorzien binnen zes maanden na de vacantverklaring.
   De definitieve benoeming vindt plaats na afloop van de stage.
   [2 Het vast bureau gaat over tot de evaluatie van de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal en de financieel directeur onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten waarin de Regering voorziet.
   De evaluatie is gegrond op het planificatierapport.
   Het vast bureau werkt een planificatierapport uit, dat de doelstellingen bepaalt welke de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal en de financieel directeur moeten, elk voor wat ze betreft, moeten bereiken in het kader van de opdrachten die zij met name op basis van [3 artikelen 41ter, 45 en 46]3 toevertrouwd krijgen.
   De beraadslaging van het vast bureau waarmee het planificatierapport ter informatie medegedeeld wordt aan de raad voor maatschappelijk welzijn [3 ...]3.]2
]1

  [2 Voordat aangevangen wordt met een procedure voor de invulling van de betrekking van directeur-generaal kan de raad voor maatschappelijk welzijn onmiddellijk de adjunct-directeur-generaal voor die betrekking benoemingen voor zover laatstgenoemde alle voorwaarden vervult om in de betrekking van directeur-generaal benoemd te worden.
   De evaluatie bedoeld in lid 6 heeft tot gevolg :
   1° als ze "uitstekend" is, de mogelijke toekenning van een financiële toelage die gelijk is aan een bijkomende jaarlijkse verhoging;
   2° " met voorbehoud ",
   a) de instandhouding van de wedde in dezelfde staat tot aan de eerstvolgende evaluatie;
   b) de vaststelling van een tussentijdse evaluatie zes maanden na die evaluatie met voorbehoud;
   3° " ongunstig ",
   a) de instandhouding van de wedde in dezelfde staat tot aan de eerstvolgende evaluatie;
   b) de vaststelling van een tussentijdse evaluatie één jaar na die evaluatie met voorbehoud;
   Na twee opeenvolgende ongunstige evaluaties, definitief toegewezen, kan de Raad voor maatschappelijk welzijn kennis geven van het voorstel tot ontslag wegens beroepsonbekwaamheid.
   Er is in éénzelfde openbaar centrum voor openbaar welzijn of tussen een gemeente en een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn onverenigbaarheid tussen de uitoefening van het ambt van directeur generaal, ongeacht of hij titelvoerend, adjunct of waarnemend is, en de uitoefening van het ambt van titelvoerend of waarnemend financieel directeur.]2

  
Art. 41. [1 Chaque centre public d'action sociale a un directeur général et un directeur financier.
   Le statut administratif du directeur général et du directeur financier du centre public d'action sociale est fixé par un règlement établi par le conseil de l'action sociale dans les limites des dispositions générales fixées par le Gouvernement wallon.
   Les emplois de directeur général et de directeur financier sont accessibles par recrutement, promotion et mobilité.
   Il est pourvu à l'emploi dans les six mois de la vacance.
   La nomination définitive a lieu à l'issue du stage.
   [2 Aux conditions et modalités arrêtées par le Gouvernement, le bureau permanent procède à l'évaluation du directeur général, du directeur général adjoint et du directeur financier.
   L'évaluation s'appuie sur le rapport de planification.
   Le bureau permanent élabore un rapport de planification déterminant les objectifs que le directeur général, le directeur général adjoint et le directeur financier doivent, chacun pour ce qui les concerne, atteindre dans le cadre des missions que leur confie notamment [3 les articles 41ter, 45 et 46]3.
   La délibération du bureau permanent adoptant le rapport de planification est communiquée, pour information, au conseil de l'action sociale [3 ...]3.]2
]1

  [2 Avant l'engagement de toute procédure afin de pourvoir l'emploi de directeur général, le conseil de l'action sociale peut nommer immédiatement à cet emploi le directeur général adjoint, pour autant que ce dernier réunisse toutes les conditions de nomination à l'emploi de directeur général.
   L'évaluation visée à l'alinéa 6, si elle est :
   1° " excellente " permet l'octroi d'une bonification financière équivalente à une annale supplémentaire;
   2 " réservée " a pour conséquence :
   a) de maintenir le traitement en l'état jusqu'à la prochaine évaluation;
   b) d'établir une évaluation intermédiaire six mois après cette évaluation réservée;
   3 " défavorable " a pour conséquence :
   a) de maintenir le traitement en l'état jusqu'à la prochaine évaluation;
   b) d'établir une évaluation intermédiaire un an après cette évaluation défavorable.
   Après deux évaluations défavorables successives définitivement établies, le conseil de l'action sociale peut notifier la proposition de licenciement pour inaptitude professionnelle.
   Il y a dans un même centre public d'action sociale ou entre une commune et un centre public d'action sociale, incompatibilité entre l'exercice de la fonction de directeur général en titre, adjoint, ou en qualité de faisant fonction et l'exercice de la fonction de directeur financier en titre ou faisant fonction.]2

  
Art. 41ter. [1 1. In de openbare centra voor maatschappelijk welzijn waarvan de gemeente meer dan 10 000 inwoners telt, kan de raad voor maatschappelijk welzijn de directeur-generaal laten bijstaan door een ambtenaar aan wie de hoedanigheid van adjunct-directeur-generaal wordt verleend.
   De adjunct-directeur-generaal van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente kan benoemd worden tot adjunct-directeur-generaal van die gemeente. Hij kan evenwel niet benoemd worden tot adjunct-directeur-generaal van een andere gemeente, noch tot adjunct-directeur-generaal van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een andere gemeente.
   De totale prestaties mogen geenszins het globale volume van alle samengetelde activiteiten op meer dan één voltijdse activiteit brengen.
   De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn bepalen onderling de werktijdverdeling van de adjunct-directeur-generaal ten bate van beide instellingen. De weddelast voor, respectievelijk, de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn staat in verhouding tot de voor beide instellingen geleverde arbeid.
   § 2. De adjunct-directeur-generaal :
   1° staat de directeur-generaal bij in de uitoefening van diens ambt;
   2° vervult ambtshalve alle functies van de directeur-generaal indien hij afwezig is.
   § 3. De weddeschaal van de adjunct-directeur-generaal wordt bepaald door de raad voor maatschappelijk welzijn.
   Die wedde blijft lager dan die van de directeur-generaal van het centrum. Hij mag evenwel niet lager zijn dan 75 % van de weddeschaal van de directeur-generaal.
   Wanneer de adjunct-directeur-generaal alle functies van de afwezige directeur-generaal vervult, stemt zijn weddeschaal honderd percent overeen met de weddeschaal van de directeur-generaal.
   § 4. De financieel directeur van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van 35.000 inwoners of minder kan tot financieel directeur van die gemeente benoemd worden als het globale volume van de samengetelde activteiten de duur van zijn voltijdse betrekking niet op 1,25 maal deze voltijdse betrekking brengt. Hij kan niet benoemd worden tot financieel directeur van een andere gemeente.
   De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn bepalen onderling de werktijdverdeling van de adjunct-directeur-generaal ten bate van beide instellingen, met inachtneming van de maximumgrens van 1,25 maal bedoeld in lid 1. De weddelast voor, respectievelijk, de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn staat in verhouding tot de voor beide instellingen geleverde arbeid.
   De financieel directeur van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van 35.000 inwoners of minder kan, als hij niet benoemd wordt tot financieel directeur van die gemeente bij toepassing van lid 1, tot financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een andere gemeente benoemd worden.
   In dat geval wordt zijn werktijd onder beide openbare centra voor maatschappelijk welzijn verdeeld naar rato van een halftijdse betrekking binnen elk centrum, volgens modaliteiten die bij overeenkomst bepaald moeten worden door de betrokken raden voor maatschappelijk welzijn.]1

  
Art. 41ter. [1 § 1er. Dans les centres publics d'action sociale dont la commune compte plus de 10.000 habitants, le conseil de l'action sociale peut adjoindre au directeur général un fonctionnaire, auquel il est donné le titre de directeur général adjoint.
   Le directeur général adjoint d'un centre public d'action sociale d'une commune peut être nommé directeur général adjoint de cette commune. Il ne peut toutefois pas être nommé directeur général adjoint d'une autre commune, ni directeur général adjoint du centre public d'action sociale d'une autre commune.
   Les prestations totales ne pourront en aucun cas porter le volume global de toutes les activités cumulées à plus d'un temps plein.
   Le conseil communal et le conseil de l'action sociale déterminent de commun accord, la répartition du temps de travail du directeur général adjoint commun au profit des deux institutions. La charge salariale incombant respectivement à la commune et au centre public d'action sociale est proportionnelle au temps de travail presté au profit de chacune des deux institutions.
   § 2. Le directeur général adjoint :
   1° aide le directeur général dans l'exercice de ses fonctions;
   2° accomplit d'office toutes les fonctions du directeur général si celui-ci est absent.
   § 3. Le conseil de l'action sociale fixe l'échelle barémique des traitements du directeur général adjoint.
   Ce traitement est inférieur à celui qui est fixé pour le directeur général. Il ne peut toutefois pas être inférieur à 75 % de l'échelle barémique du directeur général.
   Lorsque le directeur général adjoint accomplit toutes les fonctions du directeur général absent, son échelle barémique correspond à cent pour cent de l'échelle barémique du directeur général.
   § 4. Le directeur financier d'un centre public d'action sociale d'une commune de 35.000 habitants ou moins peut être nommé directeur financier de cette commune si le volume global de toutes les activités cumulées ne porte pas à plus de 1,25 fois la durée de travail de l'emploi à temps plein. Il ne peut pas être nommé directeur financier d'une autre commune.
   Le conseil de l'action sociale et le conseil communal déterminent de commun accord la répartition du temps de travail du directeur financier au profit des deux institutions, dans le respect de la limite maximale de 1,25 fois visées à l'alinéa 1er. La charge salariale incombant respectivement au centre public d'action sociale et à la commune, est proportionnelle au temps de travail presté au profit de chacune des deux institutions.
   Le directeur financier d'un centre public d'action sociale d'une commune de 35.000 habitants ou moins, s'il n'est pas nommé directeur financier de cette commune par application de l'alinéa 1er, peut être nommé directeur financier du centre public d'action sociale d'une autre commune.
   Dans ce cas, son temps de travail est réparti entre les deux centres publics d'action sociale à raison d'un mi-temps au sein de chaque centre, sur base de modalités à déterminer conventionnellement par les conseils de l'action sociale concernés.]1

  
Art. 42. [1 § 1.]1 [6 Onder personeelsleden wordt verstaan de leden van het statutaire personeel en de leden van het contractuele personeel.
   Het statutair personeelslid beoogt elk personeelslid dat tijdelijk of in vast verband benoemd is door eenzijdige beslissing van de overheid, evenals elk personeelslid dat bij eenzijdige beslissing van de overheid tot de stage toegelaten wordt met het oog op een vaste benoeming.
   Het contractueel personeelslid beoogt elk lid van het personeel dat met een arbeidsovereenkomst in dienst is genomen overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]6

  [1 § 2. Het vast bureau maakt het organigram van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op.
   Het organigram is de organisatiestructuur van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Het bevat de hiërarchische betrekkingen en identificeert de functies die deelname aan het directiecomité inhouden.
   § 3. Binnen elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt een directiecomité ingesteld. Het is samengesteld uit de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal, de financieel directeur en personeelsleden die de directeur-generaal kiest onder degenen die functies als dienstverantwoordelijke vervullen, zoals bepaald bij het organigram bedoeld in paragraaf 2.
   [5 De directeur-generaal van de gemeente wordt verzocht, aan het directiecomité deel te nemen. Hij zetelt er met raadgevende stem. Hij krijgt de oproepingen en de notulen.]5
   Behalve de bevoegdheden toegewezen bij beslissing van het vast bureau, heeft het directiecomité kennis van alle vragen i.v.m. de organisatie en de werking van de diensten.
   De voorontwerpen van begroting, begrotingswijzigingen en desbetreffende verklarende nota's zijn het voorwerp van overleg binnen het directiecomité.
   De directiecomités van de gemeente en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vergaderen minstens twee keer per jaar samen.]1

  [4 Het directiecomité :
   1° neemt deel aan de uitwerking van het overkoepelend strategisch programma en [7 adviseert]7 de raad voor maatschappelijk welzijn, of bij overdracht, het vast bureau;
   2° waarborgt de opvolging van het overkoepelend strategisch programma in het kader van de uitvoering ervan.]4

  [6 § 4. Voor alle administratieve beroepen wordt een functiebeschrijving opgesteld voordat de functie wordt ingevuld. Ze wordt door de directeur-generaal goedgekeurd na overleg binnen het directiecomité.
   De functiebeschrijving bevat de opdracht, het doel of de doelstelling van de functie, de belangrijkste taken alsook alle beroepsvaardigheden en persoonlijke bekwaamheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen.
   § 5. Het vast bureau keurt het vormingsplan goed op voorstel van de directeur-generaal, na overleg met het directiecomité.
   Het vormingsplan is een meerjarenprogramma dat jaarlijks wordt bijgewerkt en waarin de vormingsbehoeften worden vastgesteld en geprioriteerd om aan de doelstellingen van de administratie te voldoen.
   Het stelt het noodzakelijke budget vast.
   Het vast bureau licht de representatieve vakverenigingen onmiddellijk in over het aangenomen vormingsplan.]6

  
Art. 42. [1 § 1er.]1 [6 Par membres du personnel, l'on entend les membres du personnel statutaire et les membres du personnel contractuel.
   Le membre du personnel statutaire vise tout membre du personnel qui, par décision unilatérale de l'autorité, est nommé à titre temporaire ou à titre définitif, ou est admis en stage en vue d'une nomination à titre définitif.
   Le membre du personnel contractuel vise tout membre du personnel engagé sous contrat de travail conformément à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.]6

  [1 § 2. Le bureau permanent établit l'organigramme des services du centre public d'action sociale.
   L'organigramme représente la structure d'organisation des services du centre public d'action sociale, indique les rapports hiérarchiques et identifie les fonctions qui impliquent l'appartenance au comité de direction.
   § 3. Un comité de direction est instauré au sein de chaque centre public d'action sociale. Il est composé du directeur général, du directeur général adjoint, du directeur financier et des membres du personnel que le directeur général choisit parmi ceux qui remplissent des fonctions reliées à la qualité de responsable de service par l'organigramme visé au paragraphe 2.
  [5 Le directeur général de la commune est invité à participer au comité de direction. Il y siège avec voix consultative. Il reçoit les convocations et les procès-verbaux.]5
   Outre les attributions confiées par décision du bureau permanent, le comité de direction connaît de toutes les questions relatives à l'organisation et au fonctionnement des services.
   Les avant-projets du budget, modifications budgétaires et notes explicatives y relatives sont concertés en comité de direction.
   Les comités de direction de la commune et du centre public d'action sociale tiennent des réunions conjointes au moins deux fois par an.]1

  [4 Le comité de direction :
   1° participe à l'élaboration du programme stratégique transversal et [7 conseille]7 le conseil de l'action sociale ou, en cas de délégation, le bureau permanent;
   2° assure le suivi du programme stratégique transversal dans le cadre de sa mise en oeuvre.]4

  [6 § 4. Une description de fonction est élaborée, avant de pourvoir à l'emploi, pour tous les métiers de l'administration. Elle est arrêtée par le directeur général après concertation au sein du comité de direction.
   La description de fonction contient la mission, la finalité ou l'objectif de la fonction, les tâches principales ainsi que l'ensemble des compétences professionnelles et des aptitudes personnelles requises pour correspondre au métier.
   § 5. Le bureau permanent adopte le plan de formation sur proposition du directeur général, après concertation en comité de direction.
   Le plan de formation est un programme pluriannuel, actualisé annuellement, qui identifie et priorise les besoins en formation en vue de rencontrer les objectifs de l'administration.
   Il identifie le budget nécessaire.
   Le bureau permanent communique sans délai aux organisations syndicales représentatives le plan de formation adopté.]6

  
Art. 42/1. [1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de personeelsformatie.
   De personeelsformatie omvat alle betrekkingen die nodig zijn voor de goede werking van de diensten van de administratie, ongeacht of ze al dan niet binnen de administratie worden vervuld, zowel statutair als contractueel.
   Elk van deze betrekkingen wordt uitgedrukt in voltijdsequivalent, met de daaraan verbonden graad of functie en weddeschaal.
   De personeelsformatie omvat minstens één maatschappelijk werker.
   Elke wijziging van de personeelsformatie omvat een budgettaire evaluatie van de impact ervan.
   § 2. Contractuele betrekkingen die worden vervuld om een specifieke opdracht van beperkte duur uit te voeren, worden niet in de personeelsformatie opgenomen.
   § 3. Wanneer in te vullen contractuele betrekkingen betrekking hebben op een onvoorziene of nieuwe opdracht die door een hogere overheid is toevertrouwd, kan de wijziging van de personeelsformatie gebeuren nadat de werknemer is in dienst genomen, mits bekrachtiging.
   § 4. De Regering bepaalt eveneens het aantal gehandicapte personen die de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in dienst moeten nemen naar gelang van de aard en de omvang van de diensten.]1

  
Art. 42/1. [1 § 1er. Le conseil de l'action sociale fixe le cadre du personnel.
   Le cadre du personnel contient tous les emplois nécessaires au bon fonctionnement des services de l'administration, qu'ils soient pourvus ou non au sein de l'administration, qu'ils soient statutaires ou contractuels.
   Chacun de ces emplois est exprimé en équivalent temps plein, avec le grade ou la fonction et l'échelle barémique y attachée.
   Le cadre contient au minimum un travailleur social.
   Toute modification du cadre inclut une évaluation budgétaire de son impact.
   § 2. Les emplois contractuels pourvus dans le but d'accomplir une mission spécifique de durée limitée ne sont pas inclus dans le cadre.
   § 3. Lorsque des emplois contractuels à pourvoir concernent une mission imprévisible ou nouvelle confiée par une autorité supérieure, la modification du cadre peut intervenir après l'engagement de l'agent, moyennant ratification.
   § 4. Le Gouvernement fixe le nombre de personnes handicapées que les centres publics d'action sociale occupent en tenant compte de la nature et de l'importance des services.]1

  
Art. 42/2. [1 § 1. De personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten hetzelfde algemeen statuut als de personeelsleden van de gemeente waar de zetel van het centrum gevestigd is.
   Onder algemeen statuut van het personeel wordt verstaan alle algemene regels genomen in het kader van de lokale autonomie en die de administratieve en geldelijke juridische toestand van alle personeelsleden van de administratie regelen, ongeacht hun graad.
   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn stelt de afwijkingen van het in paragraaf 1 bedoelde statuut vast, voor zover het specifieke karakter van sommige diensten en inrichtingen van het centrum dit nodig maakt, en bepaalt het algemeen personeelsstatuut inzake de onbestaande betrekkingen op gemeentelijk vlak evenals op dat van het ziekenhuispersoneel.
   Het algemeen statuut van het afwijkend personeel omvat minstens de 12 elementen bedoeld in artikel L1212-2, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.
   De bezoldigingselementen waarvan wordt afgeweken, worden met name vastgesteld op grond van het belang van de toegewezen functies, de mate van verantwoordelijkheid en de vereiste algemene en beroepsbekwaamheid, alsmede de plaats die de personeelsleden innemen in de hiërarchie van de administratie van het openbare centrum voor sociale actie.
   § 3. De bepalingen van de nieuwe gemeentewet met betrekking tot pensioenen voor de leden van het gemeentelijk statutair personeel zijn van toepassing op de leden van het statutair personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
   § 4. De Regering stelt de benoemingsvoorwaarden voor de maatschappelijke werkers vast, er rekening mede houdend dat zij een aan de te vervullen opdrachten aangepaste maatschappelijke vorming moeten waarborgen.
   § 5. Op een zichtbare en toegankelijke plaats wordt een mededeling opgehangen met de plaats waar het algemeen personeelsstatuut kan worden geraadpleegd. Elk personeelslid moet het algemeen personeelsstatuut en alle wijzigingen daarop te allen tijde en zonder tussenkomst van derden op een gemakkelijk toegankelijke plaats kunnen raadplegen.]1

  
Art. 42/2. [1 § 1er. Les membres du personnel du centre public d'action sociale bénéficient du même statut général du personnel que les membres du personnel de la commune où le centre a son siège.
   Par statut général du personnel, l'on entend l'ensemble des règles générales prises dans le cadre de l'autonomie locale qui régissent la situation juridique administrative et pécuniaire de tous les membres du personnel de l'administration, quel que soit leur grade.
   § 2. Le conseil de l'action sociale arrête les dérogations au statut général du personnel visé au paragraphe 1er dans la mesure où le caractère spécifique de certains services et établissements du centre le commande, et fixe le statut général du personnel des emplois inexistants au niveau communal ainsi que celui du personnel de l'hôpital.
   Le statut général du personnel dérogatoire comprend au minimum les 12 éléments visés à l'article L1212-2, § 2, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   Les éléments de rémunérations qui sont dérogatoires sont fixés notamment selon l'importance des attributions, le degré de responsabilité et les aptitudes générales et professionnelles requises, et la place occupée par les membres du personnel dans la hiérarchie de l'administration du centre public d'action sociale.
   § 3. Les dispositions de la nouvelle loi communale relatives aux pensions des membres du personnel statutaire communal sont applicables aux membres du personnel statutaire des centres publics d'action sociale.
   § 4. Le Gouvernement détermine les conditions de nomination des travailleurs sociaux en tenant compte du fait qu'elles sont garantes d'une formation sociale adaptée aux missions à accomplir.
   § 5. Un avis indiquant l'endroit où le statut général du personnel peut être consulté est affiché dans un lieu apparent et accessible. Chaque membre du personnel doit pouvoir prendre connaissance, en permanence et sans intermédiaire du statut général du personnel et de ses modifications dans un endroit facilement accessible.]1

  
Art. 42/3. [1 § 1. Al statutaire personeelsleden wordt aangeworven en benoemd door de raad voor maatschappelijk welzijn volgens een procedure die voldoet aan het algemeen personeelsstatuut.
   Deze bevoegdheid kan, onder voorbehoud van andersluidende bepalingen, worden gedelegeerd aan het vast bureau of aan de bijzondere comités.
   § 2. Alle contractuele personeelsleden worden aangeworven door de raad voor maatschappelijk welzijn na afloop van een procedure die voldoet aan het algemeen personeelsstatuut. Deze bevoegdheid kan worden gedelegeerd aan het vast bureau of aan de bijzondere comités.
   De raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd om de arbeidsovereenkomst van een contractueel personeelslid te beëindigen. Deze bevoegdheid kan worden gedelegeerd aan het vast bureau of aan de bijzondere comités. De delegatie-akte vermeldt uitdrukkelijk het soort akte dat kan worden ondernomen, namelijk de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met of zonder opzegtermijn, met of zonder vergoeding, om ernstige redenen, of beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling overleg met het personeelslid.]1

  
Art. 42/3. [1 § 1er. Tous les membres du personnel statutaire sont recrutés et nommés par le conseil de l'action sociale à l'issue d'une procédure conforme au statut général du personnel.
   Cette compétence peut être déléguée au bureau permanent ou aux comités spéciaux, sous réserve de dispositions contraires.
   § 2. Tous les membres du personnel contractuel sont recrutés par le conseil de l'action sociale à l'issue d'une procédure conforme au statut général du personnel. Cette compétence peut être déléguée au bureau permanent ou aux comités spéciaux.
   Le conseil de l'action sociale est compétent pour rompre le contrat de travail d'un membre du personnel contractuel. Il peut déléguer cette compétence au bureau permanent ou aux comités spéciaux. L'acte de délégation indique expressément le type d'acte que peuvent prendre ceux-ci, à savoir la rupture du contrat de travail de façon unilatérale moyennant préavis ou non, avec indemnité ou non, pour motif grave, ou la rupture du contrat de travail de commun accord avec le membre du personnel.]1

  
Art. 42/4. [1 § 1. Het personeel wordt aangeworven op basis van statutaire of contractuele regelingen in overeenstemming met de bepalingen van het algemeen personeelsstatuut.
   De aanwerving verwijst naar de verrichtingen die tot doel hebben een betrekking te vervullen en die resulteren in de indiensttreding van een nieuw personeelslid.
   § 2. De aanwerving vindt plaats op basis van een openbare oproep tot het indienen van kandidaturen, waarin in ieder geval een functieomschrijving, de juridische aard van de betrekking, de toegangsvoorwaarden en de weddeschaal van het algemeen personeelsstatuut zijn opgenomen.
   De nadere bekendmakingsregels van de oproep voor kandidaten zijn vastgelegd in het algemeen personeelsstatuut.
   § 3. Van de bekendmakingsmaatregel voor de oproep tot het indienen van kandidaturen kan worden afgeweken in geval van contractuele aanwerving om dringende redenen, in geval van aanwervingen op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van minder dan een jaar, of in geval van aanwervingen die nodig zijn om aan een wettelijke verplichting te voldoen.]1

  
Art. 42/4. [1 § 1er. Le personnel est recruté sous régime statutaire ou contractuel conformément aux dispositions prévues dans le statut général du personnel.
   Le recrutement vise les opérations qui ont pour but de pourvoir à un poste et dont le processus aboutit à l'entrée en service d'un nouveau membre du personnel.
   § 2. Le recrutement est effectué sur base d'un appel public à candidatures qui comprend au minimum une description de fonction, la nature juridique de l'emploi, ainsi que les conditions d'accès et le barème prévus par le statut général du personnel.
   Les modalités de publicité de l'appel à candidatures sont déterminées par le statut général du personnel.
   § 3. Il peut être dérogé à la publicité de l'appel à candidatures pour les recrutements contractuels à effectuer en cas d'urgence impérieuse, pour les recrutements sous contrat de travail à durée déterminée de moins d'un an, ou pour les recrutements rendus nécessaires pour répondre à une obligation légale.]1

  
Art. 42/5. [1 Voor elke aanwerving wordt een selectiecommissie ingesteld.
   In het algemeen personeelsstatuut is de hoedanigheid van de leden van de selectiecommissie vastgelegd.
   Het vast bureau bepaalt de namen van de gewone en plaatsvervangende leden van de selectiecommissie op de voordracht van de directeur-generaal.]1

  
Art. 42/5. [1 Pour chaque recrutement, une commission de sélection est constituée.
   Le statut général du personnel fixe la qualité des membres de la commission de sélection.
   Le bureau permanent détermine les noms des membres effectifs et suppléants de la commission de sélection sur proposition du directeur général.]1

  
Art. 42/6. [1 Het aantal en de aard van de wervingstoetsen zijn vastgelegd in het algemeen personeelsstatuut.
   Indien daarom wordt verzocht, krijgt de vertegenwoordiger van de fractie die al dan niet tot het meerderheidspact behoort, automatisch de hoedanigheid van waarnemer.
   De waarnemers nemen niet deel aan de beraadslagingen van de selectiecommissie.
   Het algemeen personeelsstatuut kan een kandidaat voor aanwerving vrijstellen van een deel van de proeven, op voorwaarde dat laatstgenoemde aantoont dat hij/zij voor een gelijkwaardige functie geslaagd is voor hetzelfde type proef in een andere gemeente, provincie, autonome bedrijf, intercommunale, politiezone, hulpverleningszone, openbaar centrum voor sociale actie of vereniging vallend onder hoofdstuk XII.
   Het algemeen personeelsstatuut stelt een maximumtermijn vast waarbinnen de proeven initieel in de andere lokale autoriteit met vrucht moeten zijn afgelegd.]1

  
Art. 42/6. [1 Le statut général du personnel fixe le nombre et la nature des épreuves de recrutement.
   Si la demande en est formulée, bénéficie d'office de la qualité d'observateur le représentant du groupe politique appartenant ou n'appartenant pas au Pacte de majorité.
   Les observateurs ne prennent pas part aux délibérations de la commission de sélection.
   Le statut général du personnel peut dispenser un candidat au recrutement d'une partie des épreuves pour autant que ce dernier démontre qu'il a réussi le même type d'épreuve, pour une fonction équivalente, dans une autre commune, province, régie autonome, intercommunale, zone de police, zone de secours, centre public d'action sociale ou association régie par le chapitre XII.
   Le statut général du personnel fixe un délai maximal endéans lequel les épreuves doivent avoir été initialement réussies au sein de l'autre pouvoir local.]1

  
Art. 42/7. [1 De autoriteit die bevoegd is om aan te werven zal de kwalificaties en vaardigheden van de kandidaten onderling vergelijken.]1
  
Art. 42/7. [1 L'autorité compétente pour recruter procède à une comparaison des titres et des compétences entre les candidats.]1
  
Art. 42/8. [1 § 1.[2 Wanneer een door bevordering toegankelijk ambt door de bevoegde overheid vacant wordt verklaard, wordt een oproep tot het indienen van kandidaturen gedaan onder het statutaire en contractuele personeel van haar administratie]2.
   § 2. De artikelen 42/5 tot 42/7 zijn van toepassing op de bevorderingsprocedures.]1

  
Art. 42/8. [1 § 1er.[2 Lorsqu'un emploi accessible par promotion est déclaré vacant par l'autorité compétente, un appel à candidatures est lancé au sein du personnel statutaire et contractuel de son administration ]2.
   § 2. Les articles 42/5 à 42/7 sont applicables aux procédures de promotion.]1

  
Art. 42/9. [1 De raad voor maatschappelijk welzijn kan met de gemeente een mobiliteitsregeling voor de personeelsleden organiseren. De mobiliteitsregeling is vastgelegd in het algemeen personeelsstatuut.
   De mobiliteitsprocedure kan al dan niet voorafgaan aan een aanwervingsprocedure en wordt georganiseerd voor betrekking met een gelijkwaardige graad. De mobiliteit wijzigt geenszins de juridische aard van de initiële arbeidsrelatie.
   De artikelen 42/5 en 42/7 zijn van toepassing.]1

  
Art. 42/9. [1 Le conseil de l'action sociale peut organiser un régime de mobilité des membres du personnel avec la commune. Le régime de mobilité est organisé dans le statut général du personnel.
   La procédure de mobilité peut être préalable ou non à une procédure de recrutement, et est organisé pour des emplois de grades équivalents. La mobilité ne modifie pas la nature juridique de la relation de travail initiale.
   Les articles 42/5 et 42/7 sont d'application.]1

  
Art. 42/10. [1 § 1. Beoordeling is een instrument voor personeelsbeheer dat, als onderdeel van een dialoog tussen de autoriteit en het personeelslid, een beoordeling mogelijk maakt van het geleverde werk en de professionele ontwikkeling van de werknemer in zijn of haar functie.
   § 2. Elk personeelslid wordt beoordeeld volgens de regels van het algemeen personeelsstatuut. Hierin zijn de criteria vastgelegd waarnaar verwezen wordt om elk personeelslid te beoordelen op het behalen van de voor hem/haar vastgestelde doelstellingen, de te volgen procedure en de na te streven termijnen, evenals de beoordelingsreferenties en de gevolgen daarvan voor de administratieve en geldelijke situatie van het personeelslid.
   Elk personeelslid wordt beoordeeld door zijn hiërarchische meerdere(n).
   § 3. Wanneer de evaluatie niet binnen de vier maanden na de vervaldatum is uitgevoerd vastgesteld in het algemeen personeelsstatuut, wordt zij geacht gunstig te zijn en heeft zij terugwerkende kracht tot de vervaldatum.
   Het algemeen personeelsstatuut kan bijzondere nadere regels vastleggen wanneer het personeelslid afwezig is tijdens de gehele evaluatieperiode of een deel ervan en/of tijdens de vier maanden die volgen op de vervaldatum van de evaluatie.]1

  
Art. 42/10. [1 § 1er. L'évaluation est un instrument de gestion des ressources humaines qui, dans le cadre d'un dialogue entre l'autorité et le membre du personnel, permet de dresser un bilan du travail accompli et de son développement professionnel dans la fonction qu'il occupe.
   § 2. Chaque membre du personnel est évalué conformément au régime fixé par le statut général du personnel. Celui-ci fixe les critères de référence qui permettent d'évaluer chaque membre du personnel quant à l'atteinte des objectifs qui lui ont été fixés, la procédure à suivre et les délais y relatifs, ainsi que les mentions d'évaluation et leurs effets sur la situation administrative et pécuniaire du membre du personnel.
   L'évaluation de chaque membre du personnel est réalisée par le supérieur ou les supérieurs hiérarchiques.
   § 3. Lorsque l'évaluation n'a pas été réalisée dans les quatre mois suivant la date de l'échéance fixée par le statut général du personnel, celle-ci est réputée favorable et ses effets rétroagissent à la date de l'échéance.
   Le statut général du personnel peut fixer des modalités particulières lorsque le membre du personnel est absent durant tout ou partie de la période d'évaluation et/ou durant les quatre mois qui suivent la date d'échéance de l'évaluation.]1

  
Art. 42/11. [1 § 1. Leden van het statutaire personeel kunnen ter beschikking worden gesteld van een gebruiker om de belangen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te verdedigen.
   Onder gebruiker worden verstaan, de gemeenten, de provincies, de intercommunales, de openbare centra voor sociale actie, verenigingen die vallen onder hoofdstuk XII, de hulpverleningsgebieden, de politiezones, autonome bedrijven, de instellingen voor de erediensten, de huisvestingsmaatschappijen, de verenigingen zonder winstoogmerk. De Regering kan andere gebruikers aanwijzen in geval van dringende en dwingende omstandigheden.
   § 2. De terbeschikkingstelling van de statutaire personeelsleden is tijdelijk.
   Zij wordt georganiseerd in een schriftelijke overeenkomst tussen he openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de gebruiker, waarin de voorwaarden en de duur van de terbeschikkingstelling, de aard van de opdracht en de elementen van de vergoeding nader worden bepaald.
   De overeenkomst wordt goedgekeurd door de raad voor maatschappelijk welzijn en ondertekend door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de gebruiker voor aanvang van de terbeschikkingstelling. De ondertekende overeenkomst wordt voor aanvang van de terbeschikkingstelling aan het betrokken personeelslid meegedeeld, hetzij persoonlijk, hetzij, tegen ontvangstbevestiging, per aangetekende post of e-mail.
   De raad voor maatschappelijk welzijn kan de goedkeuring van de overeenkomst overdragen aan het vast bureau of aan de bijzondere comités. In dit geval wordt de raad voor maatschappelijk welzijn op de hoogte gebracht van elke beslissing.
   § 3. Het personeelslid behoudt gedurende de hele duur van de terbeschikkingstelling zijn hoedanigheid van statutair personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en blijft onderworpen aan het algemeen personeelsreglement van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
   Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld bij een gebruiker bevindt zich in actieve dienst tijdens de duur van de terbeschikkingstelling. Hij heeft recht op zijn bezoldiging en behoudt het recht deel te nemen aan de procedures voor bevordering in een hogere weddeschaal, graad of loopbaan als voorzien in het algemeen personeelsstatuut.]1

  
Art. 42/11. [1 § 1er. Les membres du personnel statutaire peuvent être mis à la disposition d'un utilisateur pour la défense des intérêts du centre public d'action sociale.
   Par utilisateur, l'on entend les communes, les provinces, les intercommunales, les centres publics d'action sociale, les associations régies par le chapitre XII, les zones de secours, les zones de police, les régies autonomes, les établissements de culte, les sociétés de logement, les ASBL. Le Gouvernement peut désigner d'autres utilisateurs en cas de circonstances urgentes et impérieuses.
   § 2. La mise à disposition des membres du personnel statutaire est temporaire.
   Elle est organisée dans une convention écrite conclue entre le centre public d'action sociale et l'utilisateur, dans laquelle sont précisées les conditions et la durée de la mise à disposition, la nature de la mission et les éléments de la rémunération.
   La convention est approuvée par le conseil de l'action sociale, signée par le centre public d'action sociale et l'utilisateur avant le début de la mise à disposition. La convention signée est communiquée au membre du personnel concerné, avant le début de la mise à disposition, soit en mains propres, soit, contre accusé de réception, par envoi recommandé ou par courrier électronique.
   Le conseil de l'action sociale peut déléguer l'approbation de la convention au bureau permanent ou aux comités spéciaux. Dans ce cas, chaque décision fait l'objet d'une information au conseil de l'action sociale.
   § 3. Le membre du personnel conserve sa qualité de membre du personnel statutaire du centre public d'action sociale pendant toute la durée de la mise à disposition et demeure soumis au statut général du personnel du centre public d'action sociale.
   Le membre du personnel mis à disposition auprès d'un utilisateur est en position d'activité de service pendant la durée de la mise à disposition. Il a droit à sa rémunération et conserve le droit de participer aux procédures d'avancement de rémunération, de grade ou de carrière prévues dans le statut général du personnel.]1

  
Art. 42/12. [1 De statutaire personeelsleden worden in ruste gesteld op de leeftijd die wordt bepaald bij de toepasselijke bepalingen inzake wettelijk pensioen.
   Het in activiteit blijven na de wettelijke pensioenleeftijd kan op aanvraag van het betrokken personeelslid worden toegestaan door de raad voor maatschappelijk welzijn. De periode van het in activiteit blijven wordt vastgelegd voor een maximale duur van één jaar. Bedoelde periode kan volgens dezelfde modaliteiten verlengd worden voor een eenmalige nieuwe periode van maximum één jaar.
   De toestemming geven om zijn ambt langer uit te oefenen kan worden overgedragen aan het vast bureau of aan de bijzondere comités. In dit geval wordt de raad voor maatschappelijk welzijn op de hoogte gebracht van elke beslissing.]1

  
Art. 42/12. [1 Les membres du personnel statutaire sont mis à la retraite à l'âge déterminé par les dispositions applicables en matière de pension légale.
   Le maintien en activité au-delà de l'âge légal de la pension peut être autorisé, par le conseil de l'action sociale, sur demande du membre du personnel concerné. La période du maintien en activité est fixée pour une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule nouvelle période d'une durée maximale d'une année.
   L'autorisation du maintien en activité peut être déléguée au bureau permanent ou aux comités spéciaux. Dans ce cas, chaque décision fait l'objet d'une information au conseil de l'action sociale.]1

  
Art. 43. [1 § 1. [2 ...]2
   § 2. In de openbare centra voor maatschappelijk welzijn waar het ambt van financieel directeur geen voltijdse activiteit vergt, wordt dat ambt aan een gewestelijke ontvanger of aan een deeltijdse financieel directeur toegewezen, onverminderd de toepassing van artikel L 1124-21, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie en van artikel 41ter, § 4.
   In afwijking van lid 1 kan een gewestelijke ontvanger, voor een periode van vier maanden, eenmaal verlengbaar, worden benoemd tot financieel directeur van elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat daarom verzoekt, in geval van een vacature of afwezigheid van de titularis van meer dan dertig dagen.
   De Regering bepaalt de voorwaarden waaronder en de wijze waarop dat ambt wordt toegewezen krachtens de leden 1 en 2.
   § 3. Behoudens andersluidende bepalingen in deze wet, zijn de bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, of die op grond daarvan zijn aangenomen, betreffende gewestelijke ontvangers die hun ambt binnen een gemeente uitoefenen, van toepassing op de gewestelijke ontvanger die zijn ambt uitoefent in een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
   § 4. Wanneer het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beslist om het ambt van financieel directeur niet langer toe te vertrouwen aan een gewestelijke ontvanger, deelt het zijn beslissing om het ambt van financieel directeur te creëren mee aan de gouverneur.
   Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mag de in lid 1 bedoelde vacature niet publiceren voordat de gouverneur het centrum in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de opdracht van elke gewestelijke ontvanger in het centrum te beëindigen.
   Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat het ambt van financieel directeur opricht, kan echter onmiddellijk een gewestelijke ontvanger voor dit ambt aanwijzen. Deze beraadslaging heeft echter rechtstreekse uitwerking, onverminderd de bevoegdheden van de toezichthoudende overheid.
   De gewestelijke ontvangers worden geacht te voldoen aan alle benoemingsvoorwaarden voor de betrekking van financieel directeur.
   § 5. Voor zover het centrum artikel L1124-21, § 2, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie toepast, wordt de financieel directeur van het centrum benoemd door de raad voor maatschappelijk welzijn. In dat geval oefent hij de functie van financieel directeur van het centrum uit in de lokalen ervan en volgens een uurrooster in gemeenschappelijk overleg bepaald door het centrum en de gemeente.]1

  
Art. 43. [1 § 1er. [2 ...]2
   § 2. Dans les centres publics d'action sociale où l'exercice de la fonction de directeur financier ne requiert pas une activité à temps plein, cette fonction est confiée à un receveur régional ou à un directeur financier à temps partiel, sans préjudice de l'application de l'article L1124-21, § 2, du Code de la démocratie locale et de la décentralisation et de l'article 41ter, § 4.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, un receveur régional peut être désigné, pour une période de quatre mois renouvelable une seule fois, aux fonctions de directeur financier dans tout centre public d'action sociale qui en ferait la demande, en cas de vacance de l'emploi ou en cas d'absence du titulaire pour une durée excédant trente jours.
   Le Gouvernement arrête les conditions et modalités suivant lesquelles cette fonction est confiée en vertu des alinéas 1er et 2.
   § 3. Sauf disposition contraire prévue par la présente loi, les dispositions du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, ou adoptées en vertu de celui-ci, concernant les receveurs régionaux exerçant leurs fonctions au sein d'une commune sont applicables au receveur régional exerçant ses fonctions au sein d'un centre public d'action sociale.
   § 4. Lorsque le centre public d'action sociale décide de ne plus confier la fonction de directeur financier à un receveur régional, il communique sa décision de créer l'emploi de directeur financier au gouverneur.
   Le centre public d'action sociale ne peut pas publier la vacance visée à l'alinéa 1er avant que le gouverneur lui ait notifié sa décision de mettre fin à la mission de tout receveur régional dans le centre.
   Le centre public d'action sociale qui crée l'emploi de directeur financier peut toutefois nommer immédiatement à cet emploi un receveur régional. Cette délibération produit directement ses effets, sans préjudice toutefois des pouvoirs de l'autorité de tutelle.
   Les receveurs régionaux sont réputés satisfaire à toutes les conditions de nomination à l'emploi de directeur financier.
   § 5. Dans la mesure où le centre applique l'article L1124-21, § 2 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, le directeur financier du centre est nommé par le conseil de l'action sociale. Dans ce cas, il exerce la fonction de directeur financier du centre dans les locaux de ce dernier et selon un horaire déterminé de commun accord par le centre et la commune.]1

  
Art. 44. <W 1993-01-12/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-03-1993> Alvorens in dienst te treden, leggen de secretaris, de ontvanger en de maatschappelijk werkers in handen van de voorzitter [1 de in artikel 17, § 1, eerste lid, bedoelde]1 eed af. Van de eedaflegging wordt proces-verbaal opgemaakt.
  Na een door de raad voor maatschappelijk welzijn vast te stellen proefperiode leggen de maatschappelijk werkers verbonden door een arbeidsovereenkomst eveneens de in het vorige lid bedoelde eed af.
  
Art. 44. <L 1993-01-12/34, art. 4; En vigueur : 01-03-1993> Avant d'entrer en fonction, le secrétaire, le receveur et les travailleurs sociaux prêtent devant le président le serment [1 prévu à l'article 17, § 1er, alinéa 1er]1. Il est dressé procès-verbal de la prestation de serment.
  Après une période d'essai fixée par le (conseil de l'action sociale), les travailleurs sociaux sous contrat de travail prêtent également le serment prévu à l'alinéa précédent.
  
Art. 45. § 1. [1 De directeur-generaal woont de zittingen van de raad voor maatschappelijk welzijn en van het vast bureau zonder stemrecht bij. Hij notuleert ze en zorgt voor het overschrijven ervan. De overgeschreven notulen worden door de voorzitter en de directeur-generaal ondertekend binnen de maand na hun aanneming door de raad voor maatschappelijk welzijn.
   Hij mag de zittingen van de bijzondere comités bijwonen.
   De directeur-generaal brengt juridische en administratieve adviezen uit aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan het vast bureau. De directeur-generaal wijst op de toepasselijke rechtsregels, maakt gewag van de feitelijke elementen waarvan hij kennis heeft en zorgt ervoor dat de aanmerkingen waarin de wet voorziet in de beslissingen opgenomen worden.
   Die adviezen en raadgevingen worden, naar gelang van het geval, bij de beslissing van het vast bureau of van de raad voor maatschappelijk welzijn gevoegd en aan de financieel directeur overgemaakt. ".
   [2 Onder de controle van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn behandelt de directeur-generaal de zaken, leidt de administratie en is overste van het personeel en van de adjunct-directeur-generaal wanneer laatstgenoemde optreedt als adjunct-directeur-generaal van de directeur-generaal van het OCMW. In dat kader maakt hij het ontwerp van de evaluatie van elk personeelslid op alvorens het aan de betrokkene en aan het vast bureau te richten.]2
   Hij voert en evalueert het beleid inzake het beheer van de menselijke hulpkrachten.
   Hij zit toe op het archief.
  [2 De directeur-generaal is eveneens belast met de uitvoering van het overkoepelend strategisch programma.]2
   § 2. De voorzitter en de directeur-generaal ondertekenen de geordonnanceerde mandaten en de staten van invordering.
  [3 De mandaten en de bijlagen ervan kunnen elektronisch opgesteld en ondertekend worden.]3
   De directeur-generaal kan elk ogenblik kennis nemen van de geboekte elementen. De financieel directeur bezorgt de directeur-generaal een afschrift van elk document dat hij overmaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn, aan het vast bureau of aan een bijzonder comité.
   § 3. De directeur-generaal kan op basis van een gemotiveerd rapport van de hiërarchische meerdere tuchtmaatregelen (een waarschuwing of een berisping) opleggen aan de leden van bovenbedoeld personeel. [2 De afwezigheid of het niet-bestaan van een hiërarchische overste verhindert de directeur-generaal niet, zijn bevoegdheid uit te oefenen. Hetzelfde geldt bij bij gebreke van rapport van de hiërarchische overste.]2
   De directeur-generaal deelt zijn beslissing mee aan het vast bureau, dat over een termijn van 15 dagen beschikt om het aan zich te trekken. Na afloop van die termijn wordt de beslissing van de directeur-generaal aan het personeelslid meegedeeld overeenkomstig artikel L1215-18 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.
   Het vast bureau deelt de beslissing zo spoedig mogelijk bij aangetekend schrijven aan het personeelslid mee.
   Het eerste lid is niet van toepassing op de adjunct-directeur-generaal en de financieel directeur.]1

  [1 § 4. Bij afwezigheid van de directeur-generaal of van vacature wijst het vast bureau een waarnemend directeur-generaal aan voor een hernieuwbare termijn van maximum drie jaar.
   Voor een doorlopende periode van hoogstens dertig dagen kan het vast bureau de directeur-generaal belasten met de aanwijzing van de ambtenaar die hem moet vervangen. [2 Als de directeur-generaal niemand aanwijst bij een tijdelijke afwezigheid van minder dan zeven dagen kan het vast bureau een waarnemend directeur-generaal aanwijzen. Als die periode van zeven dagen afgelopen is, wijst het vast bureau er één aan.]2
  [2 De waarnemend directeur-generaal geniet de weddeschaal van de titularis. Als hij gekozen wordt uit de personeelsleden van het centrum, krijgt hij een toelage gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging die hij zou krijgen als hij titularis zou zijn van de graad van directeur-generaal en de bezoldiging die hij in zijn daadwerkelijke graad krijgt.]2
   De directeur-generaal of zijn afgevaardigde, van hoger niveau dan dat van het geworven of in dienst genomen personeelslid, neemt met stemrecht deel aan het examenjury samengesteld bij de werving of de indienstneming van de personeelsleden.
   Het voorzitterschap van het directiecomité zoals bedoeld in artikel 42, § 3, wordt door de directeur-generaal waargenomen.
   De directeur-generaal wordt belast met de invoering en de monitoring van het systeem voor interne controle op de werking van de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
   Het interne controlesysteem is een geheel van maatregelen en procedures bedacht om redelijke zekerheid te waarborgen wat betreft :
   1° het halen van de doelstellingen;
   2° de naleving van de geldende wetgeving en van de procedures;
   3° de beschikbaarheid van betrouwbare informatie over de financiën en het beheer.
   Het algemene kader van het interne controlesysteem wordt ter goedkeuring aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorgelegd.
   Na overleg met het directiecomité bedoeld in artikel 42, § 3, wordt de directeur-generaal belast met het opmaken van het ontwerp van :
   1° het organigram;
   2° de personeelsformatie;
   3° de statuten van het personeel.]1

  
Art. 45. § 1er. [1 Le directeur général assiste sans voix délibérative aux séances du conseil de l'action sociale et du bureau permanent. Il en rédige les procès-verbaux et assure la transcription de ceux-ci. Les procès-verbaux transcrits sont signés, dans le mois qui suit leur adoption par le conseil de l'action sociale, par le président et le directeur général.
   Il peut assister aux séances des comités spéciaux.
   Le directeur général donne des conseils juridiques et administratifs au conseil de l'action sociale et au bureau permanent. Le directeur général rappelle les règles de droit applicables, mentionne les éléments de fait dont il a connaissance et veille à ce que les mentions prescrites par la loi figurent dans les décisions.
   Ces avis et conseils sont annexés, selon le cas, à la décision du bureau permanent ou du conseil de l'action sociale et transmis au directeur financier.
   [2 Sous le contrôle du président du conseil de l'action sociale, le directeur général instruit les affaires, dirige l'administration et est le chef du personnel et du directeur général adjoint lorsque ce dernier agit en qualité de directeur général adjoint du directeur général du CPAS. Il arrête le projet d'évaluation de chaque membre du personnel et le transmet à l'intéressé et au bureau permanent.]2
   Il met en oeuvre et évalue la politique de gestion des ressources humaines.
   Il a la garde des archives.
  [2 Le directeur général est également chargé de la mise en oeuvre du programme stratégique transversal.]2
   § 2. Le président et le directeur général signent les mandats ordonnancés et les états de recouvrement.
  [3 Les mandats et leurs annexes peuvent être établis et signés par voie électronique.]3
   Le directeur général peut à tout moment prendre connaissance des éléments comptabilisés. Le directeur financier communique au directeur général une copie de tout document qu'il transmet au conseil de l'action sociale, au bureau permanent ou à un comité spécial.
   § 3. Le directeur général peut, sur rapport motivé du supérieur hiérarchique, infliger aux membres du personnel susvisé les sanctions disciplinaires de l'avertissement et de la réprimande. [2 L'absence ou l'inexistence d'un supérieur hiérarchique n'empêche pas le directeur général d'exercer sa compétence. Il en est de même en cas d'absence de rapport du supérieur hiérarchique.]2
   Le directeur général notifie sa décision au bureau permanent qui dispose d'un délai de 15 jours pour l'évoquer. Passé ce délai, la décision du directeur général est notifiée à l'agent selon le prescrit de l'article L1215-18 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   Le bureau permanent notifie sans tarder, par recommandé, la décision à l'agent concerné.
   L'alinéa 1er ne s'applique pas au directeur général adjoint et au directeur financier.]1

  [1 § 4. Le bureau permanent désigne un directeur général faisant fonction en cas d'absence du directeur général ou de vacance de l'emploi pour une durée maximale de trois mois, renouvelable.
   Pour une période ininterrompue n'excédant pas trente jours, le bureau permanent peut déléguer au directeur général la désignation de l'agent appelé à le remplacer. [2 Si le directeur général ne désigne personne, en cas d'absence temporaire de moins de sept jours, le bureau permanent peut désigner un directeur général faisant fonction. Au-delà de cette période de sept jours, le bureau permanent en désigne un.]2
   [2 Le directeur général faisant fonction bénéficie de l'échelle de traitement du titulaire. S'il est choisi parmi les agents du centre, il bénéficie d'une allocation égale à la différence entre la rémunération dont il bénéficierait s'il était titulaire du grade de directeur général et la rémunération dont il bénéficie dans son grade effectif.]2
   Le directeur général ou son délégué, de niveau supérieur à celui de l'agent recruté ou engagé, participe avec voix délibérative au jury d'examen constitué lors du recrutement ou de l'engagement des membres du personnel.
   Le directeur général assure la présidence du comité de direction tel que visé à l'article 42, § 3.
   Le directeur général est chargé de la mise sur pied et du suivi du système de contrôle interne du fonctionnement des services du centre public d'action sociale.
   Le système de contrôle interne est un ensemble de mesures et de procédures conçues pour assurer une sécurité raisonnable en ce qui concerne :
   1° la réalisation des objectifs;
   2° le respect de la législation en vigueur et des procédures;
   3° la disponibilité d'informations fiables sur les finances et la gestion.
   Le cadre général du système de contrôle interne est soumis à l'approbation du conseil de l'action sociale.
   Après concertation avec le comité de direction tel que visé à l'article 42, § 3, le directeur général est chargé de la rédaction du projet :
   1° de l'organigramme;
   2° du cadre organique;
   3° des statuts du personnel.]1

  
Art. 46. [1 § 1. Onder het gezag van het vast bureau staat de financieel directeur in voor de boekhouding van het centrum en voor het opmaken van de jaarrekeningen. Hij vervult de functie van financieel en budgettair adviseur van het centrum.
   § 2. De financieel directeur vervult de volgende taken :
   1° de ontvangsten van het centrum verrichten.
   Met het oog op de invordering van zekere en opeisbare schuldvorderingen kan de financieel directeur een door de raad voor maatschappelijk welzijn getekend en voor uitvoerbaar verklaard dwangbevel toesturen. Een dergelijk dwangbevel wordt bij deurwaardersexploot betekend. Dat exploot onderbreekt de verjaring. Een dwangbevel mag door de raad voor maatschappelijk welzijn slechts getekend en voor uitvoerbaar verklaard worden als de schuld opeisbaar, vlottend en zeker is. Bovendien moet de schuldenaar vooraf bij aangetekend schrijven in gebreke gesteld worden. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan administratieve kosten voor dat aangetekend schrijven aanrekenen. Die kosten zijn voor rekening van de schuldenaar en kunnen bij dwangbevel ingevorderd worden. De schulden van publiekrechtelijke personen kunnen nooit bij dwangbevel ingevorderd worden. Tegen dat exploot kan bij verzoekschrift of door dagvaarding beroep ingesteld worden binnen de maand van de betekening;
   2° op basis van mandaten de betaalbaar gestelde uitgaven vereffenen ten belope van :
   a) het bijzondere bedrag van elk begrotingsartikel;
   b) de voorlopige kredieten;
   c) de kredieten overgedragen krachtens artikel 91, § 1, derde lid, en § 2;
   d) een krediet toegekend overeenkomstig artikel 88, § 2;
   3° alle handelingen tot stuiting van verjaring en verval verrichten;
   4° tot alle beslagleggingen doen overgaan, de inschrijving, de herinschrijving of de hernieuwing van elke titel die daarvoor vatbaar is ten kantore der hypotheken vorderen;
   5° de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn kennis geven van het vervallen van de huurovereenkomsten, van de achterstallen en van elk feit dat de rechten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn schaadt;
   6° binnen tien werkdagen na ontvangst van het dossier dat het ontwerp en de eventuele verklarende bijlagen inhoudt in alle onafhankelijkheid een voorafgaand en gemotiveerd schriftelijk advies uitbrengen over elk ontwerp van beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het vast bureau, van de voorzitter of van het orgaan waaraan de raad volmacht met een financiële of budgettaire weerslag [2 van meer dan]2 [4 30.000 euro verleend heeft, met uitzondering van de ontwerpbegroting of begrotingswijzigingen,]4 van de beslissingen betreffende sociale hulpverlening of bedoeld in artikel 56;
  [4 6°bis binnen tien werkdagen na ontvangst van het dossier dat het ontwerp en de eventuele verklarende bijlagen inhoudt in alle onafhankelijkheid een voorafgaand en gemotiveerd schriftelijk advies uitbrengen over elk ontwerp van beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn, of in voorkomend geval van het vast bureau, met betrekking tot de aanvaarding van schenkingen of legaten aan het OCMW;]4
   7° binnen tien werkdagen na ontvangst van het dossier dat het ontwerp en de eventuele verklarende bijlagen inhoudt in alle onafhankelijkheid en op eigen initiatief een voorafgaand en gemotiveerd schriftelijk advies uitbrengen over elk ontwerp van beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn [2 of van het vast bureau]2 met een financiële of budgettaire weerslag [2 gelijk aan of kleiner dan [4 30.000]4 euro, excl. B.T.W.]2.
   [2 De termijn van tien dagen bedoeld onder [4 6° tot en met 7°]4]2 kan bij beslissing van de auteur van de akte verlengd worden voor dezelfde duur. [2 In geval van behoorlijk gemotiveerde dringende noodzakelijkheid kan de basistermijn van tien werkdagen bedoeld onder 6° en 7° tot vijf werkdagen ingekort worden.]2.
   [4 Indien binnen de vereiste termijn geen advies is uitgebracht, kan de procedure niettemin worden voortgezet.]4 Dat advies maakt noodzakelijk deel uit van het dossier dat aan toezicht onderworpen wordt.
   8° in het kader van het interne controlesysteem wordt hij belast met :
   1° het efficiënt en zuinig gebruik van de hulpbronnen;
   2° de bescherming van de activa
   3° het verstrekken van betrouwbare financiële informatie aan de directeur-generaal.
  [2 9° de financiële opvolging van het overkoepelend strategisch programma.]2
  [4 Elke beslissing met een financiële weerslag wordt overgemaakt aan de financieel directeur.
   Met het oog op de uitvoering van de opdrachten, vermeld in punten 6° tot en met 7°, zorgt het vast bureau ervoor dat de financieel directeur volledige toegang heeft tot alle elementen van de dossiers die aan het vast bureau en de raad voor maatschappelijk welzijn worden voorgelegd.
   De Regering is bevoegd om de bedragen bedoeld in 6° tot en met 7° te wijzigen indien de omstandigheden dit rechtvaardigen.]4

   § 3. Op verzoek van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het vast bureau, van de voorzitter, van het orgaan waaraan de raad of de directeur-generaal eventueel volmacht verleend heeft, brengt de financieel directeur in alle onafhankelijkheid een gemotiveerd schriftelijk advies uit over elke aangelegenheid met een financiële weerslag. Zo niet wordt het advies genegeerd.
   Hij kan op eigen initiatief aan het vast bureau, aan de voorzitter of aan het orgaan waaraan de raad eventueel volmacht verleend heeft zijn schriftelijk en gemotiveerd advies of zijn voorstellen uitbrengen over elke financiële aangelegenheid die het centrum aangaat.
   § 4. De financieel directeur kan i.v.m. zijn adviezen en voorstellen gehoord worden door de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau, de voorzitter of het orgaan waaraan de raad eventueel volmacht verleend heeft.
   § 5. De financieel directeur brengt minstens één keer per jaar in alle onafhankelijkheid verslag uit aan de raad voor maatschappelijk welzijn over de uitvoering van zijn adviesverleningsopdracht. Het verslag bevat o.a. ook een geüpdated retrospectief en prospectief overzicht van de schatkist, een raming van de vroegere en toekomstige evolutie van de begrotingen, een synthese van de verschillende adviezen die op verzoek of op eigen initiatief werden uitgebracht. In dat verslag kan hij alle voorstellen doen die hij nuttig acht.
   Hij richt tegelijkertijd een afschrift van zijn verslag aan het vast bureau en aan de directeur-generaal.
   § 6. In geval van gerechtvaardigde afwezigheid kan de financieel directeur binnen drie dagen op eigen verantwoordelijkheid voor een periode van hoogstens dertig dagen een [2 waarnemend financieel directeur]2 aanwijzen die erkend is door de raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau. Die maatregel kan tweemaal herhaald worden voor dezelfde afwezigheid.
   [2 In alle andere gevallen wijst het vast bureau een waarnemend financieel directeur aan.]2
   Hij is daartoe verplicht indien de afwezigheid langer duurt dan drie maanden.
   [2 De bepalingen betreffende de eedaflegging zijn van toepassing op hem tenzij de waarnemend financieel directeur voor een duur van minder dan dertig dagen wordt aangewezen.]2
   De waarnemend financieel directeur oefent alle bevoegdheden uit die de financieel directeur toekomen. [2 Als hij gekozen wordt uit de personeelsleden van het centrum, krijgt hij een toelage gelijk aan het verschil tussen de bezoldiging die hij zou krijgen als hij titularis zou zijn van de graad van directeur-generaal en de bezoldiging die hij in zijn daadwerkelijke graad krijgt]2
   Bij zijn ambtsaanvaarding en -neerlegging wordt een eindrekening opgemaakt en worden de kas en de boeken overgedragen, onder toezicht van de voorzitter.
  [3 § 6bis. Bij afwezigheid van de gewestelijke ontvanger wijst de gouverneur of de afgevaardigde arrondissementscommissaris zo nodig een dienstdoende gewestelijke ontvanger aan. Deze aanwijzing geschiedt op vrijwillige basis. Indien geen enkele gewestelijke ontvanger zich vrijwillig heeft aangemeld, kan de gouverneur of de afgevaardigde arrondissementscommissaris ambtshalve een gewestelijke ontvanger aanwijzen, met inachtneming van de door de regering gestelde voorwaarden.
   Bij zijn ambtsaanvaarding en -neerlegging wordt voor elk van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die onder het ambtsgebied van de afwezige gewestelijke ontvanger vallen, een eindrekening opgemaakt en worden de kas en de boeken overgedragen, onder toezicht van de gouverneur of de afgevaardigde arrondissementscommissaris van de provincie waarin elk van de betrokken centra is gevestigd.]3

   § 7. De financieel directeur is niet aansprakelijk voor de ontvangsten die de raad voor maatschappelijk welzijn doet invorderen door bijzondere agenten; deze agenten zijn aansprakelijk voor de ontvangsten waarvan de invordering hen wordt toevertrouwd; wat de invordering van die ontvangsten betreft, zijn ze aan dezelfde verplichtingen onderworpen als de financieel directeur.
   Wat betreft de eedaflegging, de vervanging, het opmaken van de eindrekening [2 ...]2, zijn de bijzondere agenten aan dezelfde regels onderworpen als de financieel directeurs.
   Ze mogen geen enkele uitgave boeken op de rekeningen die ze beheren.
   De geïnde ontvangsten worden minstens om de veertien dagen aan de financieel directeur overgemaakt, waarbij de laatste storting van het boekjaar op de laatste werkdag van de maand december moet plaatsvinden.
   Bij elke storting bezorgt de bijzondere agent de financieel directeur een gedetailleerde lijst van de budgettaire aanrekeningen, de gestorte bedragen en de desbetreffende schuldenaars.
   De rekeningen van de bijzondere agent worden, samen met de bewijsstukken, voor verificatie en visering aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorgelegd.
   Ze worden vervolgens met alle bewijsstukken aan de financieel directeur overgemaakt om bij de begrotingsrekening te worden gevoegd.
   Artikel 93 is, mutatis mutandis, toepasselijk op de bijzondere agent.
   De raad voor maatschappelijk welzijn kan sommige agenten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, als bijkomende functie, belasten met de vastlegging en de betaling van kleine uitgaven en met de invordering van ontvangsten in contant geld, zodra het recht op de ontvangst vaststaat.
   Kleine uitgaven worden gedaan op basis van een voorschot dat aangelegd en gebruikt wordt volgens de modaliteiten die de Regering bepaalt.
   De agenten bedoeld in het negende lid zijn niet gehouden tot de verplichtingen die opgelegd worden aan de bijzondere agenten bedoeld in het eerste lid.
   Ze storten de geïnde bedragen minstens om de veertien dagen integraal aan de financieel directeur, overeenkomstig zijn richtlijnen en met een per begrotingsartikel uitvoerige invorderingsstaat als bewijsstuk.
   § 8. Er wordt een eindrekening opgemaakt wanneer de financieel directeur of de in paragraaf 7 bedoelde bijzondere agent zijn ambt definitief neerlegt of wanneer de waarnemend financieel directeur bedoeld in paragraaf 6 zijn ambt neerlegt.
   De eindrekening wordt, desgevallend samen met de bemerkingen van de titularis of van zijn rechthebbenden indien hij overleden is, voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn die ze vaststelt, en de boekhouder kwijtscheldt of een debet bepaalt.
   De beslissing waarbij de eindrekening wordt afgesloten, wordt door toedoen van de raad voor maatschappelijk welzijn bij aangetekend schrijven aan de rekenplichtige betekend of, bij diens overlijden, aan zijn rechthebbenden. Ze gaat eventueel vergezeld van een verzoek om het debet te vereffenen.
   § 9. Artikel 93, § 4, is toepasselijk wanneer de rekenplichtige erom verzocht wordt een nog verschuldigde som te betalen.
   § 10. Alle bepalingen van dit artikel zijn, mutatis mutandis en behalve andersluidend voorschrift, toepasselijk op de gewestelijke ontvanger.]1

  
Art. 46. [1 § 1er. Sous l'autorité du bureau permanent, le directeur financier tient la comptabilité du centre et l'établissement des comptes annuels. Il remplit la fonction de conseiller financier et budgétaire du centre.
   § 2. Le directeur financier est chargé :
   1° d'effectuer les recettes du centre.
   En vue du recouvrement des créances certaines et exigibles, le directeur financier peut envoyer une contrainte visée et rendue exécutoire par le conseil de l'action sociale. Une telle contrainte est signifiée par exploit d'huissier. Cet exploit interrompt la prescription. Une contrainte ne peut être visée et rendue exécutoire par le conseil de l'action sociale que si la dette est exigible, liquide et certaine. Le débiteur doit en outre être préalablement mis en demeure par courrier recommandé. Le centre public d'action sociale peut imputer des frais administratifs pour ce courrier recommandé. Ces frais sont à charge du débiteur et peuvent être recouvrés par la contrainte. Les dettes des personnes de droit public ne peuvent jamais être recouvrées par contrainte. Un recours contre cet exploit peut être introduit dans le mois de la signification par requête ou par citation;
   2° d'acquitter sur mandats les dépenses ordonnancées jusqu'à concurrence, soit :
   a) du montant spécial de chaque article du budget;
   b) des crédits provisoires;
   c) des crédits transférés en vertu de l'article 91, § 1er, alinéa 3, et § 2;
   d) d'un crédit alloué conformément à l'article 88, § 2;
   3° de faire tous actes interruptifs de la prescription et des déchéances;
   4° de faire procéder à toutes saisies, de requérir, au bureau des hypothèques, l'inscription, la réinscription ou le renouvellement de tous les titres qui en sont susceptibles;
   5° d'avertir les membres du conseil de l'action sociale de l'échéance des baux, des retards de paiement et de toute atteinte portée aux droits du centre public d'action sociale;
   6° de remettre, en toute indépendance, un avis de légalité écrit préalable et motivé, sur tout projet de décision du conseil de l'action sociale, du bureau permanent, du président ou de l'organe qui a reçu éventuellement délégation du conseil ayant une incidence financière ou budgétaire égale ou supérieure à [4 30 000 euros, à l'exception du projet de budget ou de modifications budgétaires,]4 des décisions relatives à l'octroi de l'aide sociale ou visées à l'article 56, dans les dix jours ouvrables de la réception du dossier contenant le projet et ses annexes explicatives éventuelles;
  [4 6°bis de remettre, en toute indépendance, un avis de légalité écrit préalable et motivé sur tout projet de décision du conseil de l'action sociale, ou le cas échéant du bureau permanent, portant sur l'acceptation des donations ou legs au CPAS, dans les dix jours ouvrables de la réception du dossier contenant le projet et ses annexes explicatives éventuelles;]4
   7° de remettre, en toute indépendance et d'initiative, un avis de légalité écrit préalable et motivé sur tout projet de décision du conseil de l'action sociale [2 ou du bureau]2 permanent ayant une incidence financière ou budgétaire [2 égale ou inférieure à [4 30 000]4 euros hors T.V.A. dans les]2 dix jours ouvrables de la réception du dossier contenant le projet et ses annexes explicatives éventuelles.
   [2 Le délai de dix jours visé aux [4 6° à 7°]4]2 peut être prorogé d'une durée égale à ce délai par décision de l'auteur de l'acte. En cas d'urgence dûment motivée, le délai peut être ramené à cinq jours.
   [4 A défaut d'avis dans le délai requis, la procédure peut néanmoins se poursuivre.]4 Cet avis fait partie intégrante du dossier soumis à la tutelle.
   8° dans le cadre du système de contrôle interne, il est chargé :
   1° de l'utilisation efficace et économique des ressources;
   2° de la protection des actifs;
   3° de fournir au directeur général, des informations financières fiables.
  [2 9° d'effectuer le suivi financier du programme stratégique transversal.]2
  [4 Toute décision qui a une incidence financière est transmise au directeur financier.
   Pour l'accomplissement des missions visées aux 6° à 7°, le bureau permanent garantit au directeur financier un accès complet à tous les éléments des dossiers soumis au bureau permanent et au conseil de l'action sociale.
   Le Gouvernement est habilité à modifier, lorsque les circonstances le justifient, les montants visés aux 6° à 7°.]4

   § 3. Le directeur financier donne, en toute indépendance, un avis de légalité écrit et motivé sur demande du conseil de l'action sociale, du bureau permanent, du président, de l'organe qui a reçu éventuellement délégation du conseil ou du directeur général, sur toute question ayant une incidence financière. A défaut, il est passé outre l'avis.
   Il peut rendre d'initiative, au bureau permanent, au président ou à l'organe qui a reçu éventuellement délégation du conseil, son avis de légalité écrit et motivé ou ses suggestions sur toute question ayant une incidence financière au niveau du centre.
   § 4. Le directeur financier peut être entendu par le conseil de l'action sociale, le bureau permanent, le président ou l'organe qui a reçu éventuellement délégation du conseil, sur ses avis ou suggestions.
   § 5. Le directeur financier fait rapport en toute indépendance au conseil de l'action sociale au moins une fois par an sur l'exécution de sa mission de remise d'avis. Le rapport contient aussi, et notamment, un état actualisé, rétrospectif et prospectif de la trésorerie, une évaluation de l'évolution passée et future des budgets, une synthèse des différents avis qu'il a rendus à la demande ou d'initiative. Il peut émettre dans ce rapport toutes les suggestions qu'il estime utiles.
   Il adresse copie de son rapport simultanément au bureau permanent et au directeur général.
   § 6. En cas d'absence justifiée, le directeur financier peut, dans les trois jours, sous sa responsabilité, désigner pour une période de trente jours au plus un [2 directeur financier faisant fonction]2 agréé par le conseil de l'action sociale ou le bureau permanent. Cette mesure peut être renouvelée à deux reprises pour une même absence.
   [2 Dans les autres cas, le bureau permanent désigne un directeur financier faisant fonction.]2
   Il y est tenu lorsque l'absence excède un terme de trois mois.
   [2 Les dispositions relatives à la prestation de serment lui sont applicables sauf si le directeur financier faisant fonction est désigné pour une durée de moins de trente jours.]2
   Le directeur financier faisant fonction exerce toutes les attributions dévolues au directeur financier. [2 Le directeur financier faisant fonction bénéficie de l'échelle de traitement du titulaire. S'il est choisi parmi les agents du centre, il bénéficie d'une allocation égale à la différence entre la rémunération dont il bénéficierait s'il était titulaire du grade de directeur financier et la rémunération dont il bénéficie dans son grade effectif]2.
   Lors de son installation et de la cessation de ses fonctions, il est procédé à l'établissement d'un compte de fin de gestion et à la remise de l'encaisse et des pièces comptables, sous la surveillance du président.
  [3 § 6bis. En cas d'absence du receveur régional, le gouverneur ou le commissaire d'arrondissement délégué procède, s'il y a lieu, à la désignation d'un receveur régional faisant fonction. Cette désignation est opérée sur base volontaire. Si aucun receveur régional ne s'est porté volontaire, le gouverneur ou le commissaire d'arrondissement délégué peut désigner d'office un receveur régional dans le respect des conditions éventuellement fixées par le Gouvernement.
   Lors de son installation et de la cessation de ses fonctions, il est procédé, pour chacun des centres publics d'action sociale du ressort du receveur régional absent, à l'établissement du compte de fin de gestion et à la remise de l'encaisse et des pièces comptables, sous la surveillance du gouverneur ou du commissaire d'arrondissement délégué de la province dans laquelle se situe chacun des centres concernés.]3

   § 7. La responsabilité du directeur financier ne s'étend pas aux recettes que le conseil de l'action sociale juge nécessaire de faire effectuer par des agents spéciaux; ces agents sont responsables des recettes dont le recouvrement leur est confié; ils sont, pour ce qui concerne le recouvrement de ces recettes, soumis aux mêmes obligations que le directeur financier.
   Les agents spéciaux sont soumis aux mêmes règles que les directeurs financiers pour ce qui concerne le serment, le remplacement, l'établissement du compte de fin de gestion [2 ...]2.
   Ils ne peuvent effectuer aucune opération de dépense sur les comptes qu'ils gèrent.
   Les recettes réalisées sont versées au moins tous les quinze jours, au directeur financier, le dernier versement de l'exercice étant effectué le dernier jour ouvrable du mois de décembre.
   Lors de chaque versement, l'agent spécial transmet au directeur financier la liste détaillée des imputations budgétaires, des montants versés et des redevables correspondants.
   Les comptes de l'agent spécial, accompagnés des pièces justificatives, sont soumis à la vérification et au visa du conseil de l'action sociale.
   Ils sont ensuite transmis au directeur financier avec toutes les pièces justificatives pour être annexés au compte budgétaire.
   L'article 93 est, mutatis mutandis, applicable à l'agent spécial.
   Le conseil de l'action sociale peut charger, au titre de fonction accessoire, certains agents du centre public d'action sociale de l'engagement et du paiement de menues dépenses et de la perception de recettes en espèces, au moment où le droit à la recette est établi.
   Les menues dépenses s'effectuent sur base d'une provision dont le Gouvernement détermine les modalités de constitution et d'utilisation.
   Les agents visés à l'alinéa 9 ne sont pas astreints aux obligations imposées aux agents spéciaux visés à l'alinéa 1er.
   Ils versent au directeur financier au moins tous les quinze jours, le montant intégral de leurs perceptions, selon les directives qu'il leur donne et en les justifiant par un état de recouvrement détaillé par article budgétaire.
   § 8. Un compte de fin de gestion est établi lorsque le directeur financier ou l'agent spécial visé au paragraphe 7 cesse définitivement d'exercer ses fonctions, ou lorsque le directeur financier faisant fonction visé au paragraphe 6 cesse ses fonctions.
   Le compte de fin de gestion, accompagné s'il y a lieu des observations du titulaire ou de celles de ses ayants droit s'il est décédé, est soumis au conseil de l'action sociale qui l'arrête, et déclare le comptable quitte ou fixe un débet.
   La décision par laquelle le compte de fin de gestion est définitivement arrêté, est notifiée par recommandé au comptable, ou en cas de décès à ses ayants droit, par les soins du conseil de l'action sociale, accompagnée, s'il y a lieu, d'une invitation à solder le débet.
   § 9. L'article 93, § 4, est applicable lorsque le comptable est invité à solder le débet.
   § 10. Toutes les dispositions du présent article sont applicables, mutatis mutandis, et sauf mention contraire, au receveur régional.]1

  
Art. 47. § 1. De maatschappelijk werker heeft als opdracht, met het oog op de verwezenlijking van de bij artikel 1 bepaalde doelstellingen, en ter uitvoering van de taken hem opgedragen door de secretaris, namens de raad, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst, de personen en gezinnen te helpen bij het opheffen of verbeteren van de noodsituaties waarin zij zich bevinden. Hiertoe doet hij, onder meer, de onderzoeken ter voorbereiding van de te nemen beslissingen, verstrekt documentatie en raadgevingen en verzekert de maatschappelijke begeleiding van de betrokkenen.
  (De maatschappelijk werker die belast is met het dossier van een hulpverzoeker, kan niet verplicht worden het O.C.M.W. te vertegenwoordigen in de rechtsvorderingen die de verzoeker krachtens artikel 71 van deze wet bij de Arbeidsrechtbank instelt.)
  § 2. De verantwoordelijke van de sociale dienst licht de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau, het bijzonder comité voor de sociale dienst of de [1 directeur-generaal]1 in over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn taak vaststelt en hij stelt de maatregelen voor om daaraan tegemoet te komen.
  Hij neemt deel aan de vergaderingen van het bijzonder comité voor de sociale dienst. Hij kan bovendien uitgenodigd worden deel te nemen aan de besprekingen van de raad of van het vast bureau telkens als over de problemen gehandeld wordt die de sociale dienst aanbelangen.
  § 3. Wanneer de met het dossier belaste maatschappelijk werker er wegens bijzondere en uitzonderlijke redenen van vertrouwelijke aard om heeft verzocht, neemt de raad, het vast bureau of het bijzonder comité voor de sociale dienst niet eerder een beslissing over een individueel geval van dienstverlening dan na de betrokken maatschappelijk werker gehoord te hebben.
  
Art. 47. § 1er. Le travailleur social a pour mission, en vue de la réalisation des objectifs définis à l'article 1er et en exécution des tâches qui lui sont confiées par le secrétaire au nom du conseil, du bureau permanent ou du comité spécial du service social d'aider les personnes et les familles à surmonter ou à améliorer les situations critiques dans lesquelles elles se trouvent. A cette fin il procède, notamment, aux enquêtes préparatoires aux décisions à prendre, fournit la documentation et les conseils et assure la guidance sociale des intéresses.
  (Le travailleur social en charge du dossier d'un demandeur d'aide ne peut être tenu de représenter le (centre public d'action sociale) dans les actions intentées par ledit demandeur auprès du tribunal du travail dans le cadre de l'article 71 de la présente loi.) <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 2. Le responsable du service social informe le (conseil de l'action sociale), le bureau permanent, le comité spécial du service social ou le [1 directeur général]1, des besoins généraux qu'il constate dans l'accomplissement de sa tâche et propose les mesures propres à y satisfaire.
  Il participe aux réunions du comité spécial du service social. En outre, il peut être invité à participer aux discussions du conseil ou du bureau permanent chaque fois qu'il y est traité des problèmes qui intéressent le service social.
  § 3. Le conseil, le bureau permanent ou le comité spécial du service social ne statuent sur un cas individuel d'aide qu'après avoir entendu le travailleur social chargé du dossier, si ce dernier, pour des raisons particulières et exceptionnelles de caractère confidentiel, en a fait la demande.
  
Art. 48. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de regelen volgens dewelke de beoefenaars van de geneeskunst toegelaten worden tot de uitoefening van hun beroep in de instellingen en diensten van het centrum.
  Ingeval die beoefenaars van de geneeskunst niet benoemd worden noch bezoldigd volgens statutaire bepalingen, dan worden hun betrekkingen met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat de inrichting of de dienst beheert, geregeld op basis van een schriftelijke overeenkomst.
Art. 48. Le (conseil de l'action sociale) détermine les règles suivant lesquelles les praticiens de l'art de guérir sont autorisés à exercer leur profession dans les établissements et services du centre.
  Dans le cas ou ces praticiens de l'art de guérir ne sont pas nommés ni rémunérés suivant des dispositions statutaires, leurs relations avec le (centre public d'action sociale), qui gère l'établissement ou le service, sont réglées sur base d'un contrat écrit. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 49. § 1. (De personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn mogen, hetzij zelf, hetzij door middel van een tussenpersoon, geen enkele bezigheid verrichten die kan schaden aan het vervullen van hun ambtsplichten of met de waardigheid van het ambt in strijd is.) <W 1988-12-29/31, art. 6, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  § 2. (Bovendien mogen de personeelsleden van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geen enkele zelfs onbezoldigde opdracht of dienst in particuliere zaken met winstoogmerk volbrengen.) <W 1988-12-29/31, art. 6, 2°; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  Deze bepaling vindt echter geen toepassing op voogdij en op curatele over onbekwamen, evenmin als op de opdrachten die in naam van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in private ondernemingen of verenigingen worden uitgevoerd.
  § 3. Van de vorige paragraaf kan, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, door de raad voor maatschappelijk welzijn afgeweken worden, meer bepaald waar het om het beheer van familiebelangen gaat (of wanneer het ambt niet voltijds uitgeoefend wordt in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Deze afwijkingen kunnen in geval van misbruik worden ingetrokken.) <W 1988-12-29/31, art. 6, 3°; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  § 4. (De hoedanigheid van personeelslid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met inbegrip van de personen bedoeld in het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies, die ingevolge een beslissing van één der organen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn hun werkzaamheden uitoefenen in één der inrichtingen of diensten van het centrum is onverenigbaar met :
  1° het mandaat van burgemeester of gemeenteraadslid in de gemeente waarvoor het centrum bevoegd is;
  2° het lidmaatschap van het beheerscomité als afgevaardigde van een gemeente, die overeenkomstig artikel 109 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 7 augustus 1987, bijdraagt in de tekorten van het ziekenhuis van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.) <W 1988-12-29/31, art. 6, 4°; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  [1 § 5. De directeur-generaal, de adjunct-directeur generaal en de financieel directeur mogen geen beroepsactiviteiten cumuleren. Onder beroepsactiviteit wordt verstaan elke bezigheid waarvan de opbrengst een beroepsinkomen is zoals bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met uitzondering van het presentiegeld ontvangen bij het uitoefenen van een mandaat en van de inkomens uit de mandaten bedoeld in artikel L5111-1.
   De raad voor maatschappelijk welzijn kan op voorafgaand schriftelijk verzoek van de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de financieel directeur cumulatie toestaan voor een hernieuwbare termijn van drie jaar, onder de volgende voorwaarden :
   1° de cumulatie brengt de vervulling van de opdrachten i.v.m. de functie niet in gevaar;
   2° de cumulatie is niet tegenstrijdig met de waardigheid van die functie;
   3° de cumulatie brengt de onafhankelijkheid van de directeur-generaal van de diensten, van de adjunct-directeur-generaal of de financieel directeur niet in gevaar en veroorzaakt geen verwarring met zijn hoedanigheid van directeur-generaal, adjunct-directeur-generaal of financieel directeur.
   De toestemming is herroepbaar indien niet meer wordt voldaan aan één van de toekenninsgvoorwaarden. De beslissingen tot toestemming, weigering en herroeping zijn met redenen omkleed.
   In afwijking van paragraaf 5, eerste lid, wordt de cumulatie van beroepsactiviteiten die inherent zijn aan of betrekking hebben op de uitoefening van de functie van rechtswege uitgeoefend. Inherent aan de uitoefening van de functie is elke taak :
   - inherent krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling;
   - inherent aan de functie uitgeoefend door de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de financieel directeur;
   - waarvoor de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de financieel directeur ambtshalve aangewezen wordt door de raad voor maatschappelijk welzijn.]1

  
Art. 49. § 1er. (Les membres du personnel du (centre public d'action sociale) ne peuvent exercer, soit eux-mêmes, soit par personne interposée, aucune occupation qui pourrait nuire à l'accomplissement des devoirs de la fonction ou serait contraire à la dignité de celle-ci. <L 1988-12-29/31, art. 6, 1°; En vigueur : 01-01-1989> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 2. (En outre, les membres du personnel du (centre public d'action sociale) ne peuvent assumer aucun mandat ou service, même gratuit, dans des affaires privées à but lucratif.) <L 1988-12-29/31, art. 6, 2°; En vigueur : 01-01-1989> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Cette disposition n'est toutefois pas applicable à la tutelle et à la curatelle des incapables, non plus qu'aux missions accomplies au nom du (centre public d'action sociale) dans les entreprises ou associations privées. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 3. Des dérogations au paragraphe précédent pourront, sur demande écrite de l'intéressé, être accordées par le (conseil de l'action sociale), notamment lorsqu'il s'agit de la gestion d'intérêts familiaux (ou lorsque la fonction n'est pas exercée à temps plein au sein du (centre public d'action sociale). Ces dérogations peuvent être retirées en cas d'abus.) <L 1988-12-29/31, art. 6, 3°; En vigueur : 01-01-1989> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 4. (La qualité de membre du personnel du (centre public d'action sociale), en ce compris les personnes visées par l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, des professions paramédicales et aux commissions médicales, qui exercent leurs activités dans l'un des établissements ou services du (centre public d'action sociale) à la suite d'une décision de l'un des organes du centre, est incompatible avec : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  1° le mandat de bourgmestre ou de conseiller communal dans la commune pour laquelle le centre est compétent;
  2° la qualité de membre du comité de gestion comme représentant d'une commune qui participe, conformément à l'article 109 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée par l'arrêté royal du 7 août 1987 à la couverture des déficits de l'hôpital du (centre public d'action sociale).) <L 1988-12-29/31, art. 6, 4°; En vigueur : 01-01-1989> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  [1 § 5. Le directeur général, le directeur général adjoint et le directeur financier ne peuvent cumuler des activités professionnelles. Par activité professionnelle, il faut entendre, toute occupation dont le produit est un revenu professionnel visé à l'article 23 du Code des impôts sur les revenus de 1992, à l'exception des jetons de présence perçus dans l'exercice d'un mandat à l'exception des jetons de présence perçus dans l'exercice d'un mandat et des revenus issus des mandats tels que visés à l'article L5111-1.
   Le conseil de l'action sociale peut autoriser le cumul sur demande écrite et préalable du directeur général, du directeur général adjoint ou du directeur financier, pour une durée renouvelable de trois ans, dans les conditions suivantes :
   1° le cumul n'est pas de nature à nuire à l'accomplissement des devoirs de la fonction;
   2° le cumul n'est pas contraire à la dignité de celle-ci;
   3° le cumul n'est pas de nature à compromettre l'indépendance du directeur général des services, du directeur général adjoint ou du directeur financier, ou créer une confusion avec sa qualité de directeur général, de directeur général adjoint ou de directeur financier.
   L'autorisation est révocable si l'une des conditions d'octroi n'est plus remplie. Les décisions d'autorisation, de refus et de révocation sont motivées.
   Par dérogation à l'alinéa 1er du paragraphe 5, le cumul d'activités professionnelles inhérentes ou ayant trait à l'exercice de la fonction s'exerce de plein droit. Est inhérente à l'exercice de la fonction toute charge inhérente :
   - en vertu d'une disposition légale ou réglementaire;
   - à la fonction exercée par le directeur général, le directeur général adjoint ou le directeur financier;
   - à laquelle le directeur général, le directeur général adjoint ou le directeur financier est désigné d'office par le conseil de l'action sociale. ]1

  
Art. 50. De bepalingen van (artikel 36, derde lid), en van het artikel 37 (eerste, tweede en derde lid) zijn mede van toepassing op de personeelsleden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Art. 50. Les dispositions de l' (article 36, troisième alinéa), et de l'article 37 (, alinéa 1er, 2 et 3) sont également applicables aux membres du personnel des (centres publics d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 51. <W 1992-08-05/46, art. 30; Inwerkingtreding : 18-10-1992> Aan de personeelsleden van het OCMW, met uitzondering van het personeel dat in dienst is genomen bij arbeidsovereenkomst, kunnen de tuchtstraffen worden opgelegd bepaald [1 in artikel 1215-3 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie]1.
  Die straffen kunnen worden opgelegd wegens de tekortkomingen en handelingen [1 vermeld in artikel L1215-2 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie]1, alsmede wegens overtreding van het verbod bedoeld in de artikelen 49, §§ 1 tot 4, en 50 van deze wet.
  
Art. 51. <L 1992-08-05/46, art. 30; En vigueur : 18-10-1992> Aux membres du personnel du CPAS, à l'exception du personnel engagé sous contrat de travail, peuvent être infligées les sanctions disciplinaires prévues [1 à l'article 1215-3 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation]1.
  Ces sanctions peuvent être infligées pour les manquements et agissements [1 énoncées à l'article L1215-2 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation]1, ainsi que pour infraction à l'interdiction visée aux articles 49, §§ 1er à 4, et 50 de la présente loi.
  
Art. 52. [1 De artikelen L1215-1 tot L1215-27 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie zijn toepasselijk op de personeelsleden bedoeld in artikel 51, onder voorbehoud dat de woorden " gemeente, gemeenteraad, gemeentecollege, burgemeester en directeur-generaal ", die in dat Wetboek voorkomen, vervangen worden door de woorden " openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, raad voor maatschappelijk welzijn, vast bureau, voorzitter en directeur-generaal van het centrum.]1
  
Art. 52. [1 Les articles L1215-1 à L1215-27 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, sont applicables aux membres du personnel visés à l'article 51, sous cette réserve que les mots " commune, conseil communal, collège communal, bourgmestre et directeur général ", figurant dans le Code de la démocratie locale et de la décentralisation, se lisent respectivement comme " centre public d'action sociale, conseil de l'action sociale, bureau permanent, président et directeur général du centre.]1
  
Art. 53. [1 Elke beslissing tot afzetting of ontslag van ambtswege, wordt samen met de verantwoordingsstukken ervan en met het bewijs van de kennisgeving van de beslissing aan belanghebbende, door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan de Regering overgemaakt. Wordt het dossier niet in zijn volledigheid overgemaakt, dan kan de beslissing niet worden uitgevoerd.
   Het betrokken personeelslid beschikt over dertig dagen, te rekenen van de hem gedane kennisgeving van voornoemde beslissing, om een beroep tot nietigverklaring bij de gouverneur in te dienen.
   Is er geen beroep na afloop van deze termijn, dan beschikt de gouverneur over dertig dagen om over de nietigverklaring te beslissen.
   Als het personeelslid een beroep indient, wordt dit beroep door het Operationeel Directoraat-generaal Binnenlandse Aangelegenheden en Sociale Actie van de Waalse Overheidsdienst aan het gezag van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn overgemaakt. Laatstgenoemde beschikt over een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van het beroep om haar opmerkingen aan de gouverneur over te maken. Zodra deze bemerkingen in ontvangst zijn genomen, beslist de gouverneur met inachtneming van de termijnen bepaald in artikel 111, § 2. Zijn er geen bemerkingen, dan gaat de termijn die de Regering is opgelegd om zich uit te spreken in na afloop van voornoemde termijn van vijftien dagen.]1

  
Art. 53. [1 Toute décision de révocation ou de démission d'office est transmise, accompagnée de ses pièces justificatives et de la preuve de la notification de la décision à l'intéressé, par le centre public d'action sociale au Gouverneur. A défaut de transmission du dossier complet, la décision ne peut être exécutée.
   Le membre du personnel concerné dispose de trente jours à dater de la notification qui lui est faite de la décision précitée pour introduire un recours en annulation auprès du Gouverneur.
   A défaut de recours au terme de ce délai de trente jours, le Gouverneur dispose de trente jours pour statuer en annulation.
   Si le membre du personnel introduit un recours, la Direction générale opérationnelle Intérieur et Action sociale du Service public de Wallonie transmet celui-ci à l'autorité du centre public d'action sociale. Celle-ci dispose d'un délai de quinze jours à dater de la notification du recours pour formuler ses observations au Gouverneur. Dès réception des observations, le Gouverneur statue dans les délais prévus à l'article 111, § 2. A défaut d'observations, le délai prescrit au Gouverneur pour se prononcer prend cours au terme du délai de quinze jours précité.]1

  
Art. 54. [1 § 1. [2 ...]2
   § 2. [2 De raad voor maatschappelijk welzijn]2 kan, als negatief gevolg van de evaluatie, voorzien in het ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid van de personeelsleden van het Centrum, met uitzondering van het personeel dat krachtens een arbeidscontract in dienst genomen is.
   De Raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt op algemene wijze de modaliteiten voor de berekening en de betaling van de vertrekvergoeding die aan het personeelslid gestort wordt. De vergoeding is evenredig aan de anciënniteit van het personeelslid binnen het Centrum en mag in geen geval minder bedragen dan :
   - drie maanden loon voor de personeelsleden met minder dan tien jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van hetzelfde ambtsgebied;
   - zes maanden loon voor de personeelsleden met tien tot twintig jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van hetzelfde ambtsgebied;
   - negen maanden loon voor de personeelsleden met meer dan twintig jaar dienstanciënniteit binnen het Centrum of de gemeente van hetzelfde ambtsgebied.]1

  
Art. 54. [1 § 1er. [2 ...]2
   § 2. [2 Le conseil de l'action sociale]2 peut prévoir la démission d'office pour inaptitude professionnelle des membres du personnel du Centre, à l'exception du personnel engagé sous contrat de travail, comme conséquence négative de l'évaluation.
   Le Conseil de l'action sociale fixe de manière générale les modalités de calcul et de liquidation de l'indemnité de départ versée à l'agent. L'indemnité doit être proportionnelle à l'ancienneté de l'agent au sein du Centre et ne peut, en aucun cas être inférieure à :
   - trois mois de traitement pour les agents de moins de dix ans d'ancienneté de service au sein du Centre ou de la commune d'un même ressort;
   - six mois de traitement pour les agents qui ont entre dix et vingt ans d'ancienneté de service au sein du Centre ou de la commune d'un même ressort;
   - neuf mois de traitement pour les agents qui ont plus de vingt ans d'ancienneté de service au sein du Centre ou de la commune d'un même ressort.]1

  
Art. 54bis. [1 § 1. De beslissing waarbij een personeelslid ambtshalve ontslagen wordt wegens beroepsonbekwaamheid, wordt, na verhoor, door de Raad uitgesproken.
   Ze wordt onverwijld aan betrokkene meegedeeld, hetzij bij ter post aangetekend schrijven, hetzij door afgifte tegen bericht van ontvangst. Bij gebrek aan kennisgeving binnen tien werkdagen wordt ze geacht ingetrokken te zijn.
   In de kennisgeving wordt gewag gemaakt van de beroepen waarin de wet of het decreet voorziet en van de termijn waarbinnen ze ingesteld kunnen worden.
   § 2. Het personeelslid beschikt over een termijn van dertig dagen, die ingaat op de eerste werkdag die volgt op de kennisgeving van de beslissing waarbij het ambtshalve ontslagen wordt, om de zaak bij aangetekend schrijven aanhangig te maken bij de Kamer van beroep bedoeld in artikel 54ter. De aanhangigmaking van de kamer van beroep schort de beslissing van de Raad voor maatschappelijk welzijn op tot de beslissing van de Regering of tot het verstrijken van de termijn waarover de Regering beschikt om te beslissen.
   De kamer van beroep geeft de Regering een gemotiveerd advies over de beraadslaging van de raad voor maatschappelijk welzijn houdende beslissing tot ambsthalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid. Dat advies is "gunstig" of "ongunstig". Het wordt gegeven en samen met het volledige dossier meegedeeld binnen een termijn van zestig dagen, [2 te rekenen van de datum van ontvangst van de beslissing en van het geheel van de stukken betreffende de zaak door de voorzitter of, in voorkomend geval, door de ondervoorzitter]2.
   § 3. Bij gebrek aan aanhangigmaking bij de kamer van beroep binnen de toegestane termijn, richt de Raad voor maatschappelijk welzijn zijn beraadslaging, samen met het volledige dossier, aan de Regering. In afwijking van de artikelen 109, 110 en 112, kan de Regering de beslissing tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid vernietigen wanneer ze de wet schendt of het algemeen belang schaadt. Bij gebrek aan beslissing binnen een termijn van veertig dagen, eventueel verlengd met twintig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de beraadslaging van de Raad voor maatschappelijk welzijn, kan de akte niet meer vernietigd worden.
   De beslissing tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid wordt opgeschort totdat de termijn van dertig dagen bedoeld in § 1, eerste lid, verstreken is.]1

  
Art. 54bis. [1 § 1er. La décision de démettre d'office un agent pour inaptitude professionnelle est prononcée, après audition, par le Conseil.
   Elle est notifiée sans délai à l'intéressé, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise contre accusé de réception. A défaut de notification dans les dix jours ouvrables, elle est réputée rapportée.
   La notification fait mention des recours prévus par la loi ou par le décret et du délai dans lequel ceux-ci peuvent être exercés.
   § 2. L'agent dispose d'un délai de trente jours prenant cours le premier jour ouvrable qui suit la notification de la décision de le démettre d'office, pour saisir, par pli recommandé, la chambre de recours visée à l'article 54ter. La saisine de la Chambre de recours est suspensive de la décision du Conseil de l'action sociale jusqu'à la décision du Gouvernement ou jusqu'à l'expiration du délai imparti au Gouvernement pour statuer.
   La chambre de recours émet un avis motivé à l'attention du Gouvernement sur la délibération du Conseil de l'action sociale portant décision de démission d'office pour inaptitude professionnelle. Cet avis est "favorable" ou "défavorable". Il est rendu et notifié, accompagné du dossier complet, dans le délai de soixante jours [2 à dater de la réception de la décision ainsi que de l'ensemble des pièces afférentes à l'affaire par le président ou le cas échéant par le vice-président]2.
   § 3. En l'absence de saisine de la chambre de recours dans le délai imparti, le Conseil de l'action sociale adresse sa délibération accompagnée du dossier complet au Gouvernement. Par dérogation aux articles 109, 110 et 112, le Gouvernement peut annuler la décision de démission d'office pour inaptitude professionnelle lorsqu'elle viole la loi ou blesse l'intérêt général. A défaut de décision dans un délai de quarante jours, éventuellement prorogés de vingt jours, à dater de la réception de la délibération du Conseil de l'action sociale, l'acte ne peut plus être annulé.
   La décision de démission d'office pour inaptitude professionnelle est suspendue jusqu'à l'expiration du délai de trente jours visé au § 1er, alinéa 1er.]1

  
Art. 54ter. [1 § 1. Er wordt een gewestelijke kamer van beroep ingesteld die bevoegd is om kennis te nemen van de beroepen tegen beslissingen inzake ambtshalve ontslag en ontslag wegens beroepsongeschiktheid en van de beroepen ingediend door de directeurs-generaal, de adjunct-directeurs-generaal en de financieel directeurs tegen beslissingen die jegens hen genomen worden in het kader van hun evaluatie.
   De artikelen L1218-1 tot L1218-13 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie zijn van toepassing.
   § 2. In geval van ontslag van de directeur-generaal, adjunct-directeur-generaal of financieel directeur wegens beroepsongeschiktheid, [2 ...]2 verleent de raad voor maatschappelijk welzijn hen een vergoeding gelijk aan minimum drie maanden wedde per aangevatte schijf werk van vijf jaar.]1

  
Art. 54ter. [1 § 1er. Une chambre de recours régionale compétente pour connaître des recours à l'encontre des décisions de démission d'office et de licenciement pour inaptitude professionnelle et des recours introduits par les directeurs généraux, les directeurs généraux adjoints et les directeurs financiers à l'encontre des décisions prises à leur égard dans le cadre de leur évaluation, est constituée.
   Les articles L1218-1 à L1218-13 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation sont d'application.
   § 2. En cas de licenciement pour inaptitude professionnelle du directeur général, du directeur général adjoint ou du directeur financier, [2 ...]2 le conseil de l'action sociale leur octroie une indemnité correspondant à minimum trois mois de traitement par tranche de cinq années de travail entamée.]1

  
Art. 54quater. [1 § 1. In afwijking van de artikelen 109, 110 en 112, kan de Regering, op basis van het advies bedoeld in artikel 54bis, § 2, tweede lid, of in het geval bedoeld in artikel 54ter, § 3, tweede lid, wanneer de kamer van beroep geen advies uitbrengt binnen de voorgeschreven termijn, de beslissing tot ambtshalve ontslag wegens beroepsonbekwaamheid vernietigen wanneer ze de wet schendt of het algemeen belang schaadt.
   § 2. De Regering neemt haar beslissing en deelt ze aan de Raad voor maatschappelijk welzijn en aan het personeelslid mee binnen dertig dagen na ontvangst van het advies en van het volledige dossier of, bij gebrek aan beraadslaging van de Raad voor maatschappelijk welzijn, samen met het volledige dossier. Zij kan die termijn één keer verlengen met een maximumduur van vijftien dagen.
   Na afloop van die termijn kan de Regering de beslissing tot ambtshalve ontslag niet meer vernietigen. Bij gebrek aan vernietiging door de Regering binnen de termijn bedoeld in § 2, heeft de beslissing tot ambtshalve ontslag volkomen gevolg.]1

  
Art. 54quater. [1 § 1er. Par dérogation aux articles 109, 110 et 112, sur la base de l'avis visé à l'article 54bis, § 2, alinéa 2, ou dans l'hypothèse visée à l'article 54ter, § 3, alinéa 2, à défaut d'avis émis par la chambre de recours dans le délai qui lui est imparti, le Gouvernement peut annuler la décision de démission d'office pour inaptitude professionnelle lorsqu'elle viole la loi ou blesse l'intérêt général.
   § 2. Le Gouvernement prend sa décision et la notifie au Conseil de l'action sociale et à l'agent dans les trente jours de la réception de l'avis et du dossier complet ou, à défaut de la délibération du Conseil de l'action sociale accompagné du dossier complet. Il peut proroger ce délai une seule fois pour une durée maximale de quinze jours.
   Passé ce délai, le Gouvernement ne peut plus annuler la décision de démission d'office. A défaut d'annulation par le Gouvernement dans le délai visé au § 2, la décision de démission d'office sort ses pleins et entiers effets.]1

  
HOOFDSTUK IV. - Taken van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
CHAPITRE IV. - Des missions du (centre public d'action sociale).
Eerste Afdeling. - Algemene taken en uitvoering.
Section 1ère. - Missions générales et exécution.
Art. 57. <W 1992-12-30/40, art. 151; Inwerkingtreding : 19-01-1993> § 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is.
  Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. (Het bevordert de maatschappelijke participatie van de gebruikers.) <W 2007-04-25/38, art. 215, 008; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
  Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.
  (§ 2. (In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot :
  1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft;
  2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft.
  (In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels bepaald door de Koning. De aanwezigheid in het opvangcentrum van de ouders of van de personen die het ouderlijk gezag over het kind daadwerkelijk uitoefenen, wordt gewaarborgd.) <W 2005-12-27/31, art. 22; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  De Koning kan bepalen wat onder dringende medische hulp begrepen moet worden.
  [1 Het recht op maatschappelijke dienstverlening voor een verzoeker om internationale bescherming, die werkelijk steuntrekkende was, eindigt met de kennisgeving van een definitieve negatieve beslissing in het kader van de procedure betreffende het verzoek om internationale bescherming, in de zin van artikel 1, § 1, 19°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Hij geniet verder maatschappelijke dienstverlening gedurende een periode van dertig dagen vanaf de kennisgeving van de definitieve negatieve beslissing. Het instellen van een cassatieberoep bij de Raad van State geeft geen recht op maatschappelijke dienstverlening. Wanneer het cassatieberoep door de Raad van State wordt onderzocht, is het recht op maatschappelijke dienstverlening slechts gewaarborgd indien het cassatieberoep ontvankelijk wordt verklaard overeenkomstig artikel 20, § 2, van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State.]1
  De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling [1 die niet onder het toepassingsgebied van het vierde lid valt en]1 die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten.
  Van het bepaalde in het voorgaande lid wordt afgeweken gedurende de termijn die strikt noodzakelijk is om de vreemdeling in staat te stellen het grondgebied te verlaten, voor zover hij een verklaring heeft ondertekend die zijn uitdrukkelijke intentie het grondgebied zo snel mogelijk te willen verlaten, weergeeft; deze termijn mag in geen geval (de termijn welke vastgelegd is door artikel 7, 4°, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen) overschrijden. <W 2007-01-12/52, art. 68, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De hierboven vermelde intentieverklaring kan slechts eenmaal worden ondertekend. Het centrum verwittigt zonder verwijl de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals de betrokken gemeente, van de ondertekening van de intentieverklaring.) <W 1996-07-15/33, art. 65; Inwerkingtreding : 10-01-1997>
  (Indien het gaat om een vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van (artikel 433quaterdecies van het Strafwetboek), kan de in het vierde en vijfde lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter.) <W 2002-08-02/45, art. 184; Inwerkingtreding : 29-08-2002> <W 2005-08-10/61, art. 42; Inwerkingtreding : 12-09-2005>
  
  § 3. Het centrum oefent de voogdij uit over of verzekert althans de bewaring, het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen die door de wet, de ouders of overheidsorganen aan het centrum zijn toevertrouwd.
  § 4. Het centrum voert de taken uit die hem door de wet, de Koning of de gemeenteoverheid zijn toevertrouwd.
  
Art. 57. <L 1992-12-30/40, art. 151; En vigueur : 19-01-1993> § 1er. Sans préjudice des dispositions de l'article 57ter, le (centre public d'action sociale) a pour mission d'assurer aux personnes et aux familles l'aide due par la collectivité. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Il assure non seulement une aide palliative ou curative, mais encore une aide préventive. (Il encourage la participation sociale des usagers.) <L 2007-04-25/38, art. 215, 008; En vigueur : 18-05-2007>
  Cette aide peut être matérielle, sociale, médicale, médico-sociale ou psychologique.
  (§ 2. (Par dérogation aux autres dispositions de la présente loi, la mission du (centre public d'action sociale) se limite à : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  1° l'octroi de l'aide médicale urgente, à l'égard d'un étranger qui séjourne illégalement dans le Royaume;
  2° constater l'état de besoin suite au fait que les parents n'assument pas ou ne sont pas en mesure d'assumer leur devoir d'entretien, à l'égard d'un étranger de moins de 18 ans qui séjourne, avec ses parents, illégalement dans le Royaume.
  (Dans le cas visé sous 2°, l'aide sociale est limitée à l'aide matérielle indispensable pour le développement de l'enfant et est exclusivement octroyée dans un centre fédéral d'accueil conformément aux conditions et modalités fixées par le Roi. La présence dans le centre d'accueil des parents ou personnes qui exercent effectivement l'autorité parentale est garantie.) <L 2005-12-27/31, art. 22; En vigueur : 09-01-2006>
  Le Roi peut déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par aide médicale urgente.
  [1 Le droit à l'aide sociale prend fin pour un demandeur de protection internationale, qui était en fait bénéficiaire, par la notification d'une décision finale négative dans le cadre de la procédure de demande de protection internationale au sens de l'article 1, § 1er, 19°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. Il continue à bénéficier de l'aide sociale pour une durée de trente jours, à compter de la notification de la décision finale négative. L'introduction d'un recours en cassation au Conseil d'Etat n'engendre pas de droit à une aide sociale. Lors de l'examen du recours en cassation au Conseil d'Etat, le droit à l'aide sociale est garanti uniquement si le recours en cassation est déclaré admissible en application de l'article 20, § 2, des lois coordonnées du 12 janvier 1973 sur le Conseil d'Etat.]1
  L'aide sociale accordée à un étranger [1 qui n'entre pas dans le champ d'application de l'alinéa 4 et]1 qui était en fait bénéficiaire au moment où un ordre de quitter le territoire exécutoire lui a été notifié, est arrêtée, à l'exception de l'aide médicale urgente, le jour où l'étranger quitte effectivement le territoire et, au plus tard, le jour de l'expiration du délai de l'ordre de quitter le territoire.
  Il est dérogé aux dispositions de l'alinéa précédent pendant le délai strictement nécessaire pour permettre à l'étranger de quitter le territoire, pour autant qu'il ait signé une déclaration attestant son intention explicite de quitter le plus vite possible le territoire, sans que ce délai ne puisse en aucun cas excéder (celui qui est fixé à l'article 7, 4°, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers). <L 2007-01-12/52, art. 68, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  La déclaration d'intention précitée ne peut être signée qu'une seule fois. Le centre informe sans retard le Ministre qui a l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences, ainsi que la commune concernée, de la signature de la déclaration d'intention.) <L 1996-07-15/33, art. 65; En vigueur : 10-01-1997>
  (S'il s'agit d'un étranger qui est devenu sans abri suite à l'application de l' (article 433quaterdecies du Code pénal), l'aide sociale visé à l'alinéa quatre et cinq peut être fournie dans un centre d'accueil tel que visé à l'article 57ter.) <L 2002-08-02/45, art. 184; En vigueur : 29-08-2002> <L 2005-08-10/61, art. 41; En vigueur : 12-09-2005>
  
  § 3. Le centre exerce la tutelle ou a tout le moins assure la garde, l'entretien et l'éducation des enfants mineurs d'âge lorsqu'ils lui sont confiés par la loi, les parents ou les organismes publics.
  § 4. Le centre effectue les tâches qui lui sont confiées par la loi, le Roi ou l'autorité communale.
  
Art. 57bis. <W 2004-08-23/41, art. 2; Inwerkingtreding : 10-07-2004> Onder de door de Koning bepaalde voorwaarden, kennen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een installatiepremie toe aan de persoon die de hoedanigheid van dakloze verliest door een woning te betrekken die hem tot hoofdverblijfplaats dient.
Art. 57bis. <L 2004-08-23/41, art. 2; En vigueur : 10-07-2004> Dans les conditions fixées par le Roi, les centres publics d'action sociale octroient une prime d'installation a la personne qui perd sa qualité de sans-abri pour occuper un logement qui lui sert de résidence principale.
Art. 57ter. <INGEVOEGD bij W 1992-12-30/40, art. 152, Inwerkingtreding : 19-01-1993> (De maatschappelijke dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien een vreemdeling die gehouden is zich in te schrijven in een welbepaalde plaats overeenkomstig artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, materiële hulp ontvangt van een opvangstructuur die belast is met het verlenen van de noodzakelijke dienstverlening om een menswaardig leven te kunnen leiden.
  In afwijking van artikel 57, § 1 kan een asielzoeker aan wie in toepassing van artikel 11, § 1 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen als verplichte plaats van inschrijving een opvangstructuur is aangewezen die beheerd wordt door het Agentschap of één van zijn partners, slechts in deze opvangstructuur gebruik maken van de maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen.) <W 2007-01-12/52, art. 69, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (lid 3 opgeheven) <W 2007-01-12/52, art. 71, 007; Inwerkingtreding : 07-05-2007>
  [1 De maatschappelijke dienstverlening is niet door het centrum verschuldigd indien ten aanzien van een vreemdeling een beslissing is genomen overeenkomstig artikel 4 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen.]1
  
Art. 57ter. (L'aide sociale n'est pas due par le centre lorsque l'étranger enjoint de s'inscrire en un lieu déterminé en application de l'article 11, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers bénéficie de l'aide matérielle au sein d'une structure d'accueil chargée de lui assurer l'aide nécessaire pour mener une vie conforme à la dignité humaine.
  Par dérogation à l'article 57, § 1er, le demandeur d'asile auquel a été désigné comme lieu obligatoire d'inscription en application de l'article 11, § 1er, de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers, une structure d'accueil gérée par l'Agence ou par un partenaire de celle-ci ne peut obtenir l'aide sociale que dans cette structure d'accueil, conformément à la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs et de certaines autres catégories d'étrangers.) <L 2007-01-12/52, art. 69, 007; En vigueur : 01-06-2007>
  (alinéa 3 abrogé) <L 2007-01-12/52, art. 71, 007; En vigueur : 07-05-2007>
  [1 Le centre n'est pas tenu d'accorder une aide sociale si l'étranger fait l'objet d'une décision prise conformément à l'article 4 de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers.]1
  
Art. 57ter /1.[1 Om te zorgen voor een evenwichtige spreiding van de opvangplaatsen over de gemeenten, is het O.C.M.W. verplicht lokale opvanginitiatieven op te richten als bedoeld in artikel 64 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria voor die spreiding, rekening houdend met de specifieke situatie van elke gemeente. Dat spreidingsplan treedt in werking vanaf een door de Koning bepaalde datum, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Indien het O.C.M.W. geen lokale opvanginitiatieven opricht, kan het een financiële sanctie opgelegd krijgen, waarvan de nadere regels en de bestemming door de Koning worden bepaald bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]1
  
Art. 57ter /1.[1 En vue d'assurer une répartition harmonieuse des places d'accueil entre les communes, le C.P.A.S. est tenu de créer des initiatives locales d'accueil visées à l'article 64 de la loi du 12 janvier 2007 sur l'accueil des demandeurs d'asile et de certaines autres catégories d'étrangers. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, définit les critères de cette répartition en tenant compte de la situation spécifique de chaque commune. Ce plan de répartition prend effet à partir d'une date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. A défaut de créer des initiatives locales d'accueil, le C.P.A.S. peut se voir appliquer une sanction financière dont les modalités et l'affectation sont fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.]1
  
Art. 57ter /2. <INGEVOEGD bij W 2002-08-02/45, art. 185; Inwerkingtreding : 29-08-2002> Indien een vreemdeling, die krachtens artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, beschikt over een verplichte plaats van inschrijving, wordt aangetroffen in een woning bedoeld in (artikel 433quaterdecies van het Strafwetboek), dan is het bevoegde OCMW van de verplichte plaats van inschrijving ertoe gehouden binnen dertig dagen na de uitdrijving uit de bedoelde woning, een huisvesting ter beschikking te stellen van de vreemdeling op het grondgebied van zijn gemeente. <W 2005-08-10/61, art. 42; Inwerkingtreding : 12-09-2005>
  Voor de periode die begint op de dag van de uitdrijving en die een einde neemt op de dag dat het bevoegde centrum een huisvesting ter beschikking stelt, wordt de vreemdeling op kosten van het centrum geherhuisvest en verstrekt het centrum aan de vreemdeling de maatschappelijke dienstverlening.
Art. 57ter /2. Si un étranger, qui dispose d'un lieu obligatoire d'inscription en vertu de l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, est découvert dans un logement visé à l' (article 433quaterdecies du Code pénal), le CPAS compétent du lieu d'inscription obligatoire est tenu, dans les trente jours à dater de l'expulsion du logement en cause, de mettre à disposition de l'étranger un logement situé sur le territoire de sa commune. <W 2005-08-10/61, art. 42; En vigueur : 12-09-2005>
  Pour la période prenant cours le jour de l'expulsion du logement et prenant fin le jour où le centre compétent met à disposition de l'étranger un logement, celui-ci est relogé aux frais du centre et le centre est tenu de fournir l'aide sociale à l'étranger.
Art. 57quater. <W 2002-08-02/45, art. 186; Inwerkingtreding : 01-10-2002> § 1. (Voor de persoon van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van zijn nationaliteit geen aanspraak kan maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd is op een financiële maatschappelijke hulp, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn financieel tussenkomen in de kosten die verbonden zijn aan de inschakeling van deze persoon in het beroepsleven.) <W 2003-12-22/42, art. 484; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  § 2. De Koning bepaalt voor welke vormen van inschakeling het centrum financieel tussenkomt alsmede het bedrag, de toekenningsvoorwaarden en de modaliteiten van deze financiële tegemoetkoming. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor de toegang tot de verschillende inschakelings- en tewerkstellingsprogramma's.
  § 3. In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, kan de financiële steun vanwege het centrum in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhouding toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde, bepaald in artikel 23, tweede lid. Een financiële steun die aldus in mindering wordt gebracht op het loon van de werknemer, wordt niettemin voor de toepassing van de sociale en fiscale wetgeving als loon beschouwd.
  § 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers die genieten van een financiële steun in hun loon vanwege het centrum :
  1° in afwijkingen voorzien op de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij in dienst genomen wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;
  2° in een tijdelijke, gehele of gedeeltelijke vrijstelling voorzien van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3 en 3bis , van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, §§ 3 en 3bis , van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van mijnwerkers en ermee gelijkgestelden.
Art. 57quater. <L 2002-08-02/45, art. 186; En vigueur : 01-10-2002> § 1er. (La personne de nationalité étrangère, inscrite au registre des étrangers, qui en raison de sa nationalité n'a pas droit à l'intégration sociale et qui a droit à une aide sociale financière, peut prétendre à une intervention financière du (centre public d'action sociale) dans les frais lies à son insertion professionnelle.) <L 2003-12-22/42, art. 484; En vigueur : 10-01-2004> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 2. Le Roi détermine les types d'insertion pour lesquels le centre intervient financièrement ainsi que le montant, les conditions d'octroi et les modalités de cette intervention financière. Le Roi peut déterminer les conditions d'accès aux différents programmes d'insertion et d'emploi.
  § 3. Par dérogation à l'article 23 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, l'intervention financière du centre peut être imputée sur la rémunération du travailleur. Cette imputation s'effectue directement après les retenues autorisées en vertu de l'article 23, alinéa 1er, 1°, de la même loi et n'intervient pas dans la limite d'un cinquième prévue à l'article 23, alinéa 2. Une intervention financière qui est imputée sur la rémunération du travailleur est néanmoins considérée comme une rémunération en ce qui concerne la législation fiscale et sociale.
  § 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans les conditions qu'Il détermine, pour les travailleurs occupés avec le bénéfice d'une intervention financière du centre dans leur rémunération :
  1° prévoir des dérogations aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, en ce qui concerne le respect des règles relatives à la rupture du contrat de travail par le travailleur lorsque celui-ci est engagé dans les liens d'un autre contrat de travail ou nommé dans une administration;
  2° prévoir une exonération temporaire, totale ou partielle, des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 38, §§ 3 et 3bis , de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés et des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 2, §§ 3 et 3bis , de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés.
Art. 57quinquies. [1 In afwijking van de bepalingen van deze wet is de maatschappelijke dienstverlening door het centrum niet verschuldigd aan onderdanen van lidstaten van de Europese Unie en hun familieleden gedurende de eerste drie maanden van het verblijf of, in voorkomend geval de langere periode zoals bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen.]1
  
Art. 57quinquies. [1 Par dérogation aux dispositions de la présente loi, le centre n'est pas tenu d'accorder une aide sociale aux ressortissants des Etats membres de l'Union européenne et aux membres de leur famille pendant les trois premiers mois du séjour ou, le cas échéant, pendant la période plus longue prévue à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1°, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, ni tenu, avant l'acquisition du droit de séjour permanent, d'octroyer des aides d'entretien.]1
  
Art. 57sexies. [1 In afwijking van de bepalingen van deze wet is de maatschappelijke dienstverlening door het centrum niet verschuldigd aan de vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf op basis van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omwille van een arbeidskaart B of een beroepskaart.]1
Art. 57sexies. [1 Par dérogation aux dispositions de la présente loi, l'aide sociale n'est pas due par le centre à l' étranger autorisé au séjour sur la base de l'article 9bis de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, en raison d'un permis de travail B ou d'une carte professionnelle.]1
(NOTA : bij arrest nr 131/2015 van 01-10-2015 (B.St. 22-10-2015, p. 65185), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
(NOTA : bij arrest nr.61/2017 van 18-05-2017 (B.St. 13-07-2017, p. 72404), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel vernietigd)
  
(NOTE : par son arrêt n° 131/2015 du 01-10-2015 (M.B. 22-10-2015, p 65182), la Cour constitutionnelle a annulé cet article)
(NOTE : par son arrêt n° 61/2017 du 18-05-2017 (M.B. 13-07-2017, p. 72404), la Cour constitutionnelle a annulé le présent article)
  
Art. 58. <HERSTELD bij W 2003-12-22/42, art. 486; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. [1 Een aanvraag betreffende maatschappelijke dienstverlening, waarover het centrum een beslissing moet nemen, kan mondeling, schriftelijk, elektronisch via het elektronisch formulier dat door de minister bevoegd voor maatschappelijke integratie ter beschikking wordt gesteld of ambtshalve door het centrum worden ingediend.
   De steunaanvraag wordt de dag van haar ontvangst chronologisch ingeschreven in het daartoe door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gehouden register.
   Wanneer de aanvraag schriftelijk wordt gedaan, ondertekent de belanghebbende of de persoon die hij schriftelijk heeft aangewezen.
   Wanneer de aanvraag mondeling wordt gedaan, ondertekent de belanghebbende of de schriftelijk aangewezen persoon in het daartoe voorziene vak van het register bedoeld in het tweede lid.
   Wanneer de aanvraag elektronisch wordt gedaan, geldt de registratie ervan als ondertekening.
   Wanneer de elektronische aanvraag op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag wordt ingediend, is de datum van ontvangst van de aanvraag de eerstvolgende werkdag.
   De Koning kan de modaliteiten van de toepassing van het elektronisch formulier bedoeld in het eerste lid bepalen.]1

  § 2. Het centrum zendt of overhandigt dezelfde dag aan de aanvrager een ontvangstbewijs. [2 Wanneer de aanvraag via het elektronisch formulier bedoeld in § 1 wordt gedaan, ontvangt de aanvrager dezelfde dag een ontvangstbewijs.]2
  § 3. Wanneer een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een steunaanvraag ontvangt waarvoor het zich onbevoegd acht [3 of wanneer het een steun beëindigt wegens territoriale onbevoegdheid]3, zendt het deze aanvraag over binnen de vijf kalenderdagen aan het volgens hem bevoegd openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Binnen dezelfde termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld van deze overzending.
  Op straffe van nietigheid gebeurt de overzending van de aanvraag aan het bevoegd geachte openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, evenals de kennisgeving van de overzending aan de aanvrager, [3 door een geschrift]3 met vermelding van de redenen van onbevoegdheid.
  De aanvraag zal evenwel worden gevalideerd op de datum van ontvangst bij het eerste openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, zoals bepaald in § 1 [3 , of op de datum van de overzending van de aanvraag wanneer het OCMW een steun beëindigt wegens territoriale onbevoegdheid]3.
  Het openbaar centrum voor [3 maatschappelijk welzijn]3 dat deze verplichting niet naleeft [3 of dat de steun beëindigt wegens territoriale onbevoegdheid]3, moet overeenkomstig de door deze wet gestelde voorwaarden maatschappelijke dienstverlening verlenen zolang het de aanvraag niet heeft overgezonden en de redenen die aan de onbevoegdheid ten grondslag liggen niet heeft medegedeeld.
  De beslissing van onbevoegdheid kan worden genomen door de Voorzitter mits zijn beslissing aan de raad of het bevoegd orgaan te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar bekrachtiging.
  
Art. 58. § 1er. [1 Une demande d'aide sociale, soumise à la décision du centre, peut être introduite oralement, par écrit, par voie électronique via le formulaire électronique mis à disposition par le ministre qui a l'intégration sociale dans ses attributions, ou d'office par le centre.
   La demande d'aide est inscrite le jour de sa réception, par ordre chronologique, dans le registre tenu à cet effet par le centre public d'action sociale.
   Lorsque la demande est écrite, elle est signée par l'intéressé ou par la personne qu'il a désignée par écrit.
   Lorsque la demande est orale, l'intéressé ou la personne désignée par écrit signe dans la case ad hoc du registre visé à l'alinéa 2.
   Lorsque la demande est électronique, l'enregistrement de celle-ci équivaut à la signature.
   Lorsque la demande électronique est introduite un samedi, un dimanche, ou un jour férié légal, la date de réception de la demande est le jour ouvrable qui suit.
   Le Roi peut déterminer les modalités d'application du formulaire électronique visé à l'alinéa 1er.]1

  § 2. Le centre adresse ou remet le même jour un accusé de réception au demandeur. [2 Lorsque la demande est introduite via le formulaire électronique visé au § 1er, le demandeur reçoit le même jour un accusé de réception.]2
  § 3. Lorsqu'un (centre public d'action sociale) reçoit une demande d'aide pour laquelle il ne se considère pas compétent [3 ou lorsqu'il met fin à une aide pour incompétence territoriale]3, il transmet cette demande dans les cinq jours calendrier par écrit au (centre public d'action sociale) qu'il estime être compétent. Dans le même délai, il avertit le demandeur par écrit de cette transmission. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  A peine de nullité, la transmission de la demande au (centre public d'action sociale) considéré comme étant compétent, ainsi que la notification au demandeur de la transmission, se fait au moyen [3 d'un écrit]3 mentionnant les raisons de l'incompétence. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Toutefois, la demande sera validée à la date de sa réception au premier (centre public d'action sociale), telle que déterminée au § 1er [3 , ou à la date de la transmission de la demande lorsque le CPAS met fin à une aide pour incompétence territoriale]3. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Le (centre public d'action sociale) qui manque à cette obligation [3 ou qui met fin à l'aide pour incompétence territoriale]3 doit accorder, aux conditions fixées par la présente loi, l'aide sociale, tant qu'il n'a pas transmis la demande ni communiqué les raisons invoquées pour justifier l'incompétence. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  La décision d'incompétence peut être prise par le président à charge pour lui de soumettre sa décision au conseil ou à l'organe compétent à la plus prochaine réunion, en vue de sa ratification.
  
Art. 59. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vervult zijn opdracht volgens de meest aangepaste methoden van het maatschappelijk werk en met eerbiediging van de ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging van de betrokkenen.
Art. 59. Le (centre public d'action sociale) remplit sa mission en suivant les méthodes du travail social les plus adaptées et dans le respect des convictions idéologiques, philosophiques ou religieuses des intéressés. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 60. § 1. De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien.
  De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.
  (Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend.) <W 1993-01-12/34, art. 6; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
  (Het centrum dat een asielzoeker steunt die niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die het centrum bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten voldoen.) <W 1996-07-15/33, art. 67; Inwerkingtreding : 10-01-1997>
  § 2. Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken.
  § 3. Het verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm.
  (De financiële hulpverlening kan bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in (de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie). <W 2002-05-26/47, art. 58; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.
  In geval van herhaling binnen een termijn van ten hoogste een jaar kan het recht op financiële hulp voor een periode van ten hoogste drie maanden worden geschorst.) <W 1993-01-12/34, art. 6; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
  § 4. Het verzekert, met eerbiediging van de vrije keus van de betrokkene, de psycho-sociale, morele of opvoedende begeleiding die de geholpen persoon nodig heeft om geleidelijk zelf zijn moeilijkheden te boven te komen.
  Het houdt rekening met de reeds verstrekte begeleiding en met de mogelijkheid tot voortzetting ervan door het andere centrum of dienst waarin de betrokkene zijn vertrouwen reeds heeft uitgedrukt.
  § 5. (Indien de persoon aan wie hulp wordt geboden niet verzekerd is tegen ziekte en invaliditeit, maakt het de betrokkene lid van een verzekeringsinstelling naar zijn keuze, en bij gebrek aan een dergelijke keuze, van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In de mate van het mogelijke wordt er een persoonlijke bijdrage geëist van de betrokkene.) <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  § 6. (Waar de noodzakelijkheid zich voordoet, richt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend in het kader van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met sociaal, curatief of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze.
  De noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden van een inrichting of van een dienst moet blijken uit een dossier dat een onderzoek bevat naar de behoeften van de gemeente en/of de streek en naar de gelijkaardige inrichtingen of diensten die reeds in functie zijn, een beschrijving van de wijze van functioneren, een nauwkeurige raming van de kostprijs en van de uitgaven die moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk, inlichtingen die een vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten mogelijk maken.
  De oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van een dossier waaruit blijkt dat de door de organieke wetgeving of reglementering voor het toekennen van deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden.
  Onverminderd de machtigingen te verkrijgen vanwege andere overheidsorganen, wordt het besluit om een inrichting of een dienst op te richten of uit te breiden voor goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad (...), zodra het besluit van die aard is dat het een tegemoetkoming uit de gemeentebegroting zal meebrengen of deze zal verhogen.) <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  § 7. (Wanneer een persoon het bewijs moet leveren, van een periode van tewerkstelling om het volledige voordeel van bepaalde sociale uitkeringen te verkrijgen of teneinde de werkervaring van de betrokkene te bevorderen, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alle maatregelen om hem een (...) betrekking te bezorgen, in voorkomend geval verschaft het deze vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te treden. <L 2002-08-02/45, art. 187; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  (De periode van de tewerkstelling bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen.) <W 2002-08-02/45, art. 187; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met toepassing van deze paragraaf, door deze centra ter beschikking worden gesteld van gemeenten, verenigingen zonder winstoogmerk of intercommunales met een sociaal, cultureel of ecologisch doel, [2 coöperatieve vennootschappen erkend als sociale ondernemingen overeenkomstig artikel 8:5, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]2, een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een vereniging waarvan sprake in hoofdstuk XII van deze wet, een openbaar ziekenhuis dat van rechtswege aangesloten is bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de initiatieven die door de minister bevoegd voor sociale economie zijn erkend of de partners die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst hebben gesloten op basis van onderhavige organieke wet.) <W 1999-12-24/36, art. 120; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
  (Indien de in het vorig lid bedoelde partner een privé-onderneming is, bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke de terbeschikkingstelling moet worden geregeld met deze onderneming met het oog op het behoud van het recht van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de toelage verbonden aan de inschakeling van de persoon tewerkgesteld met toepassing van de artikelen 36 en 37 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.) <W 2002-08-02/45, art. 187; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  (§ 8. De raad voor maatschappelijk welzijn organiseert, bij huishoudelijk reglement, het in bewaring geven, de bewaring en de teruggave van waarden hetzij op vrijwillige of noodzakelijke basis, die hem ingevolge de artikelen 1915 tot 1954quater van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden toevertrouwd door personen opgenomen in een van zijn instellingen.
  De [1 financieel directeur of gewestelijke ontvanger]1 is met de inbewaarneming belast of duidt in overleg met de [1 directeur generaal]1 eventueel de personen aan die, onder zijn verantwoordelijkheid, gelast zijn deze deposito's te ontvangen, te bewaren en terug te geven.) <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  
Art. 60. § 1er. L'intervention du centre est, s'il est nécessaire précédée d'une enquête sociale, se terminant par un diagnostic précis sur l'existence et l'étendue du besoin d'aide et proposant les moyens les plus appropriés d'y faire face.
  L'intéressé est tenu de fournir tout renseignement utile sur sa situation et d'informer le centre de tout élément nouveau susceptible d'avoir une répercussion sur l'aide qui lui est octroyée.
  (Le rapport de l'enquête sociale établi par un travailleur social visé à l'article 44 fait foi jusqu'à preuve contraire pour ce qui concerne les constatations de faits qui y sont consignées contradictoirement.) <L 1993-01-12/34, art. 6; En vigueur : 01-03-1993>
  (Le centre qui aide un demandeur d'asile qui ne réside pas effectivement sur le territoire de la commune que le centre dessert, peut demander au (centre public d'action sociale) du lieu de résidence effective du demandeur d'asile concerné d'effectuer l'enquête sociale. Ce dernier centre est tenu de communiquer le rapport de l'enquête sociale au centre demandeur dans le délai fixé par le Roi. Le Roi peut déterminer le tarif en fonction duquel le centre demandeur rémunère les prestations du centre qui a effectué l'enquête sociale. Le Roi peut aussi déterminer les conditions minimales auxquelles doivent répondre l'enquête sociale du (centre public d'action sociale) de la résidence effective, ainsi que le rapport y relatif.) <L 1996-07-15/33, art. 67; En vigueur : 10-01-1997> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 2. Le centre fournit tous conseils et renseignements utiles et effectue les démarches de nature à procurer aux intéressés tous les droits et avantages auxquels ils peuvent prétendre dans le cadre de la législation belge ou étrangère.
  § 3. Il accorde l'aide matérielle sous la forme la plus appropriée.
  (L'aide financière peut être liée par décision du centre aux conditions énoncées (aux articles 3, 5° et 6°, 4, 11 et 13, § 2, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale). <L 2002-05-26/47, art. 58; En vigueur : 01-10-2002>
  En cas de non-respect de ces conditions, le droit à l'aide financière peut, sur proposition du travailleur social ayant en charge le dossier, être refusé ou suspendu partiellement ou totalement pour une période d'un mois au maximum.
  En cas de récidive dans un délai maximum d'un an, le droit à l'aide financière peut être suspendu pour une période de trois mois au maximum.) <L 1993-01-12/34, art. 6; En vigueur : 01-03-1993>
  § 4. Il assure, en respectant le libre choix de l'intéressé, la guidance psychosociale, morale ou éducative nécessaire à la personne aidée pour lui permettre de vaincre elle-même progressivement ses difficultés.
  Il tient compte de la guidance déjà effectuée et de la possibilité de faire continuer celle-ci par l'autre centre ou service auquel l'intéresse a déjà fait confiance.
  § 5. (Si la personne aidée n'est pas assurée contre la maladie et l'invalidité, il l'affilie à l'organisme assureur choisi par elle, et, à défaut de ce choix, à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité. Il exige dans la mesure du possible une contribution personnelle de l'intéressé.) <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>
  § 6. (Le (centre public d'action sociale) crée, là ou cela se révèle nécessaire et, le cas échéant, dans le cadre d'une programmation existante, des établissements ou services à caractère social, curatif ou préventif, les étend et les gère. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  La nécessité de la création ou de l'extension d'un établissement ou d'un service doit résulter d'un dossier qui comporte un examen sur les besoins de la commune et/ou de la région et sur les établissements ou services similaires déjà en fonction, une description du fonctionnement, une évaluation précise du prix de revient et des dépenses à effectuer ainsi que, si possible, des informations permettant une comparaison avec des établissements ou services similaires.
  La création ou l'extension d'établissements ou services qui sont susceptibles de bénéficier de subventions au niveau soit des investissements, soit du fonctionnement, ne peut être décidée que sur base d'un dossier faisant apparaître que les conditions prévues par la législation ou la réglementation organique pour l'octroi de ces subventions seront respectées.
  Sans préjudice des autorisations à obtenir d'autres autorités publiques, la décision de créer ou d'étendre un établissement ou un service, dès qu'elle est de nature à entraîner une intervention à charge du budget communal ou à majorer celle-ci, est soumise à l'approbation du (conseil communal.) ) <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>
  § 7. (Lorsqu'une personne doit justifier d'une période de travail pour obtenir le bénéfice complet de certaines allocations sociales ou afin de favoriser l'expérience professionnelle de l'intéressé, le (centre public d'action sociale) prend toutes les dispositions de nature à lui procurer un emploi (...). Le cas échéant, il fournit cette forme d'aide sociale en agissant lui-même comme employeur pour la période visée. <L 2002-08-02/45, art. 187; En vigueur : 01-10-2002> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (La durée de la mise a l'emploi visée à l'alinéa précédent, ne peut être supérieure à la durée nécessaire à la personne mise au travail en vue d'obtenir le bénéfice complet des allocations sociales.) <L 2002-08-02/45, art. 187; En vigueur : 01-10-2002>
  Par dérogation aux dispositions de l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, les travailleurs engagés dans les liens d'un contrat de travail par les (centres publics d'action sociale), en application du présent paragraphe, peuvent être mis par ces centres à la disposition de communes, d'associations sans but lucratif ou d'intercommunales à but social, culturel ou écologique, [2 de sociétés coopératives agréées comme entreprise sociale conformément à l'article 8:5, § 1er, du Code des sociétés et des associations]2, d'un autre (centre public d'action sociale), d'une association au sens du chapitre XII de la présente loi, d'un hôpital public, affilié de plein droit à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales ou à l'Office national de sécurité sociale, des initiatives agréées par le ministre compétent pour l'économie sociale ou des partenaires qui ont conclu une convention avec le (centre public d'action sociale) sur la base de la présente loi organique.) <L 1999-12-24/36, art. 120; En vigueur : 10-01-2000> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (Lorsque le partenaire visé à l'alinéa précédent est une entreprise privée, le Roi détermine les conditions et modalités suivant lesquelles la mise à disposition doit être conclue avec ladite entreprise en vue de maintenir le droit du (centre public d'action sociale) à la subvention liée à l'insertion de la personne occupée en application des articles 36 et 37 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.) <L 2002-08-02/45, art. 187; En vigueur : 01-10-2002> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (§ 8. Le conseil de l'aide sociale organise, par voie de règlement d'ordre intérieur, le dépôt, la garde et la restitution, volontaires ou nécessaires, des valeurs qui peuvent lui être confiées, en vertu des articles 1915 à 1954quater du Code civil, par des personnes admises dans un de ses établissements.
  Le [1 directeur financier ou receveur régional]1 est chargé d'accepter le dépôt ou désigne éventuellement, en accord avec le [1 directeur général]1, les personnes qui sont chargées, sous sa responsabilité, de recevoir, de garder et de restituer ces dépôts.) <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>
  
Art.60_WAALS_GEWEST.    § 1. De tussenkomst van het centrum is, zo nodig, voorafgegaan van een sociaal onderzoek dat besluit met een nauwkeurige diagnose nopens het bestaan en de omvang van de behoefte aan dienstverlening en de meest passende middelen voorstelt om daarin te voorzien.
  De betrokkene is ertoe gehouden elke nuttige inlichting nopens zijn toestand te geven, alsmede het centrum op de hoogte te brengen van elk nieuw gegeven dat een weerslag kan hebben op de hulp die hem wordt verleend.
  (Het verslag van het sociaal onderzoek opgesteld door een maatschappelijk werker bedoeld in artikel 44 geldt tot bewijs van het tegendeel wat betreft de feitelijke vaststellingen die daarin op tegensprekelijke wijze zijn opgetekend.) <W 1993-01-12/34, art. 6; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
  (Het centrum dat een asielzoeker steunt die niet daadwerkelijk verblijft op het grondgebied van de gemeente die het centrum bedient, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats van de betrokken asielzoeker verzoeken het sociaal onderzoek uit te voeren. Dit laatste centrum is ertoe gehouden het verslag van het sociaal onderzoek over te zenden aan het centrum dat erom vraagt, binnen de door de Koning vastgestelde termijn. De Koning kan het tarief bepalen waarmee het verzoekend centrum de prestaties vergoedt van het centrum dat het sociaal onderzoek heeft uitgevoerd. De Koning kan ook de minimale voorwaarden bepalen waaraan het sociaal onderzoek van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de werkelijke verblijfplaats, evenals het verslag ervan, moeten voldoen.) <W 1996-07-15/33, art. 67; Inwerkingtreding : 10-01-1997>
  § 2. Het centrum verstrekt alle nuttige raadgevingen en inlichtingen en doet de stappen om aan de betrokkenen alle rechten en voordelen te verlenen waarop zij krachtens de Belgische of de buitenlandse wetten aanspraak kunnen maken.
  § 3. Het verstrekt materiële hulp in de meest passende vorm.
  (De financiële hulpverlening kan bij beslissing van het centrum worden onderworpen aan de voorwaarden vermeld in (de artikelen 3, 5° en 6°, 4, 11 en 13, § 2, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie). <W 2002-05-26/47, art. 58; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  Indien deze voorwaarden niet worden nageleefd kan het recht op financiële hulp, op voorstel van de maatschappelijk werker belast met het dossier, worden geweigerd of geheel of gedeeltelijk worden geschorst voor een periode van ten hoogste een maand.
  In geval van herhaling binnen een termijn van ten hoogste een jaar kan het recht op financiële hulp voor een periode van ten hoogste drie maanden worden geschorst.) <W 1993-01-12/34, art. 6; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
  § 4. Het verzekert, met eerbiediging van de vrije keus van de betrokkene, de psycho-sociale, morele of opvoedende begeleiding die de geholpen persoon nodig heeft om geleidelijk zelf zijn moeilijkheden te boven te komen.
  Het houdt rekening met de reeds verstrekte begeleiding en met de mogelijkheid tot voortzetting ervan door het andere centrum of dienst waarin de betrokkene zijn vertrouwen reeds heeft uitgedrukt.
  § 5. (Indien de persoon aan wie hulp wordt geboden niet verzekerd is tegen ziekte en invaliditeit, maakt het de betrokkene lid van een verzekeringsinstelling naar zijn keuze, en bij gebrek aan een dergelijke keuze, van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In de mate van het mogelijke wordt er een persoonlijke bijdrage geëist van de betrokkene.) <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  § 6. (Waar de noodzakelijkheid zich voordoet, richt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend in het kader van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met sociaal, curatief of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze.
  De noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden van een inrichting of van een dienst moet blijken uit een dossier dat een onderzoek bevat naar de behoeften van de gemeente en/of de streek en naar de gelijkaardige inrichtingen of diensten die reeds in functie zijn, een beschrijving van de wijze van functioneren, een nauwkeurige raming van de kostprijs en van de uitgaven die moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk, inlichtingen die een vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten mogelijk maken.
  De oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van een dossier waaruit blijkt dat de door de organieke wetgeving of reglementering voor het toekennen van deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden.
  Onverminderd de machtigingen te verkrijgen vanwege andere overheidsorganen, wordt het besluit om een inrichting of een dienst op te richten of uit te breiden voor goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad (...), zodra het besluit van die aard is dat het een tegemoetkoming uit de gemeentebegroting zal meebrengen of deze zal verhogen.) <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  § 7. [3 Als een persoon die recht heeft op financiële sociale hulp in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie of de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, moet bewijzen dat hij bereid is om te werken, neemt het centrum alle maatregelen voor zijn socio-professionele inschakeling.
   In voorkomend geval biedt het centrum deze vorm van maatschappelijke hulp door op te treden als werkgever voor de periode in kwestie.
   De periode van de tewerkstelling bedoeld in lid 1, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen.
   In afwijking van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kan het centrum werknemers die op basis van een arbeidsovereenkomst ter beschikking zijn gesteld door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, in toepassing van deze paragraaf ter beschikking stellen van elke publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon, "externe gebruikers" genoemd.
   Voor de toepassing van lid 3, wanneer de inschakelingsbaan wordt uitgevoerd binnen een dienst van het centrum, wordt deze laatste een "interne gebruiker" genoemd.
   Voordat de werknemer ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in lid 3, stellen het centrum, de gebruiker en de werknemer een overeenkomst op waarin het volgende wordt gespecificeerd :
   1° de aard van de opdracht die aan de werknemer is toegewezen;
   2° de voorwaarden waaronder hij ter beschikking zal worden gesteld; 3° de periode gedurende dewelke hij ter beschikking zal worden gesteld.
   De gebruiker, intern of extern, is verantwoordelijk voor de toepassing van de welzijnscode op het werk gedurende de periode van terbeschikkingstelling.]3

  (§ 8. De raad voor maatschappelijk welzijn organiseert, bij huishoudelijk reglement, het in bewaring geven, de bewaring en de teruggave van waarden hetzij op vrijwillige of noodzakelijke basis, die hem ingevolge de artikelen 1915 tot 1954quater van het Burgerlijk Wetboek, kunnen worden toevertrouwd door personen opgenomen in een van zijn instellingen.
  De [1 financieel directeur of gewestelijke ontvanger]1 is met de inbewaarneming belast of duidt in overleg met de [1 directeur generaal]1 eventueel de personen aan die, onder zijn verantwoordelijkheid, gelast zijn deze deposito's te ontvangen, te bewaren en terug te geven.) <W 1992-08-05/46, art. 35; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
Art.60 _REGION_WALLONNE.
   § 1er. L'intervention du centre est, s'il est nécessaire précédée d'une enquête sociale, se terminant par un diagnostic précis sur l'existence et l'étendue du besoin d'aide et proposant les moyens les plus appropriés d'y faire face.
  L'intéressé est tenu de fournir tout renseignement utile sur sa situation et d'informer le centre de tout élément nouveau susceptible d'avoir une répercussion sur l'aide qui lui est octroyée.
  (Le rapport de l'enquête sociale établi par un travailleur social visé à l'article 44 fait foi jusqu'à preuve contraire pour ce qui concerne les constatations de faits qui y sont consignées contradictoirement.) <L 1993-01-12/34, art. 6; En vigueur : 01-03-1993>
  (Le centre qui aide un demandeur d'asile qui ne réside pas effectivement sur le territoire de la commune que le centre dessert, peut demander au (centre public d'action sociale) du lieu de résidence effective du demandeur d'asile concerné d'effectuer l'enquête sociale. Ce dernier centre est tenu de communiquer le rapport de l'enquête sociale au centre demandeur dans le délai fixé par le Roi. Le Roi peut déterminer le tarif en fonction duquel le centre demandeur rémunère les prestations du centre qui a effectué l'enquête sociale. Le Roi peut aussi déterminer les conditions minimales auxquelles doivent répondre l'enquête sociale du (centre public d'action sociale) de la résidence effective, ainsi que le rapport y relatif.) <L 1996-07-15/33, art. 67; En vigueur : 10-01-1997> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 2. Le centre fournit tous conseils et renseignements utiles et effectue les démarches de nature à procurer aux intéressés tous les droits et avantages auxquels ils peuvent prétendre dans le cadre de la législation belge ou étrangère.
  § 3. Il accorde l'aide matérielle sous la forme la plus appropriée.
  (L'aide financière peut être liée par décision du centre aux conditions énoncées (aux articles 3, 5° et 6°, 4, 11 et 13, § 2, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale). <L 2002-05-26/47, art. 58; En vigueur : 01-10-2002>
  En cas de non-respect de ces conditions, le droit à l'aide financière peut, sur proposition du travailleur social ayant en charge le dossier, être refusé ou suspendu partiellement ou totalement pour une période d'un mois au maximum.
  En cas de récidive dans un délai maximum d'un an, le droit à l'aide financière peut être suspendu pour une période de trois mois au maximum.) <L 1993-01-12/34, art. 6; En vigueur : 01-03-1993>
  § 4. Il assure, en respectant le libre choix de l'intéressé, la guidance psychosociale, morale ou éducative nécessaire à la personne aidée pour lui permettre de vaincre elle-même progressivement ses difficultés.
  Il tient compte de la guidance déjà effectuée et de la possibilité de faire continuer celle-ci par l'autre centre ou service auquel l'intéresse a déjà fait confiance.
  § 5. (Si la personne aidée n'est pas assurée contre la maladie et l'invalidité, il l'affilie à l'organisme assureur choisi par elle, et, à défaut de ce choix, à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité. Il exige dans la mesure du possible une contribution personnelle de l'intéressé.) <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>
  § 6. (Le (centre public d'action sociale) crée, là ou cela se révèle nécessaire et, le cas échéant, dans le cadre d'une programmation existante, des établissements ou services à caractère social, curatif ou préventif, les étend et les gère. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  La nécessité de la création ou de l'extension d'un établissement ou d'un service doit résulter d'un dossier qui comporte un examen sur les besoins de la commune et/ou de la région et sur les établissements ou services similaires déjà en fonction, une description du fonctionnement, une évaluation précise du prix de revient et des dépenses à effectuer ainsi que, si possible, des informations permettant une comparaison avec des établissements ou services similaires.
  La création ou l'extension d'établissements ou services qui sont susceptibles de bénéficier de subventions au niveau soit des investissements, soit du fonctionnement, ne peut être décidée que sur base d'un dossier faisant apparaître que les conditions prévues par la législation ou la réglementation organique pour l'octroi de ces subventions seront respectées.
  Sans préjudice des autorisations à obtenir d'autres autorités publiques, la décision de créer ou d'étendre un établissement ou un service, dès qu'elle est de nature à entraîner une intervention à charge du budget communal ou à majorer celle-ci, est soumise à l'approbation du (conseil communal.) ) <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>
  § 7. [3 Si un ayant droit à l'aide sociale financière en application de la loi du
   26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale ou de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, doit justifier de sa disposition à travailler, le centre prend toutes les dispositions de nature à lui permettre l'insertion socioprofessionnelle. Le cas échéant, le centre fournit cette forme d'aide sociale en agissant lui-même comme employeur pour la période visée.
   La durée de la mise à l'emploi visée à l'alinéa 1er, n'est pas supérieure à la durée nécessaire à la personne mise au travail en vue d'obtenir le bénéfice complet des allocations sociales.
   Par dérogation à l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, le centre peut mettre les travailleurs engagés dans les liens d'un contrat de travail par un centre public d'action sociale, en application du présent paragraphe, à la disposition de toute personne morale de droit public ou de droit privé, dénommés " utilisateurs externes ".
   Pour l'application de l'alinéa 3, lorsque l'emploi d'insertion est exécuté au sein d'un service du centre, ce dernier est dénommé " utilisateur interne ".
   Avant le début de la mise à disposition du travailleur visée à l'alinéa 3, le centre, l'utilisateur, et le travailleur établissent une convention qui précise :
   1° la nature de la mission dévolue au travailleur;
   2° les conditions de la mise à disposition;
   3° la durée de la mise à disposition.
   L'utilisateur, interne ou externe, est responsable de l'application du code du bien-être au travail pendant la période de mise à disposition.]3

  (§ 8. Le conseil de l'aide sociale organise, par voie de règlement d'ordre intérieur, le dépôt, la garde et la restitution, volontaires ou nécessaires, des valeurs qui peuvent lui être confiées, en vertu des articles 1915 à 1954quater du Code civil, par des personnes admises dans un de ses établissements.
  Le [1 directeur financier ou receveur régional]1 est chargé d'accepter le dépôt ou désigne éventuellement, en accord avec le [1 directeur général]1, les personnes qui sont chargées, sous sa responsabilité, de recevoir, de garder et de restituer ces dépôts.) <L 1992-08-05/46, art. 35; En vigueur : 18-10-1992>
Art. 60bis. <INGEVOEGD bij W 1992-08-05/46, art. 36; Inwerkingtreding : 18-10-1992> Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn neemt alle initiatieven met het oog op de bekendmaking van de verschillende door het centrum verstrekte vormen van dienstverlening, en rapporteert hierover jaarlijks in de beleidsnota.
Art. 60bis. Le (centre public d'action sociale) prend toutes les initiatives nécessaires en vue d'informer le public sur les différentes formes d'aide qu'il octroie et en fait rapport annuellement dans la note de gestion. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 60ter. [1 Het centrum is verplicht de aanvrager te horen, indien laatstgenoemde dat vraagt, voordat het een beslissing neemt over:
   - de dienstverlening bedoeld in artikel 57;
   - de terugvordering bedoeld in artikelen 98, § 1 en 99.
   Het centrum moet de belanghebbende in kennis stellen van dit recht, overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning.
   De belanghebbende wordt gehoord door hetzij de raad, hetzij het bevoegde orgaan met beslissingsbevoegdheid in het concrete geval.
   De belanghebbende die wordt gehoord kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een persoon naar zijn keuze.]1

  
Art. 60ter. [1 Le centre est tenu d'entendre le demandeur, si celui-ci le demande, avant de prendre une décision relative à:
   - l'aide visée à l'article 57;
   - la récupération visée aux articles 98, § 1er et 99.
   Le centre est tenu d'informer l'intéressé de ce droit, selon les modalités fixées par le Roi.
   L'intéressé peut être entendu soit par le conseil, soit par l'organe compétent ayant un pouvoir de décision dans le cas concret.
   Lors de son audition, l'intéressé peut se faire assister ou représenter par une personne de son choix.]1

  
Art. 61. Het centrum kan een beroep doen op de medewerking van personen, van inrichtingen of diensten, die, opgericht hetzij door openbare besturen, hetzij op privé-initiatief, in staat zijn de middelen aan te wenden tot verwezenlijking van de verschillende oplossingen die zich opdringen, met eerbiediging van de vrije keuze van de betrokkene.
  Het centrum kan de eventuele kosten van deze samenwerking dragen wanneer deze niet in uitvoering van een andere wet, een reglement, een overeenkomst of een rechterlijke beslissing worden gedekt.
  (Met hetzelfde doel kan het centrum overeenkomsten sluiten, hetzij met een ander openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, een ander openbaar bestuur of instelling van openbaar nut, hetzij met een privé-persoon of een privé-instelling. In afwijking van de bepalingen van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen de werknemers verbonden krachtens een arbeidsovereenkomst met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met toepassing van dit lid, door deze centra ter beschikking worden gesteld aan de partners die met het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een overeenkomst hebben gesloten op basis van onderhavige organieke wet.) <W 1999-12-24/36, art. 121; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
Art. 61. Le centre peut recourir à la collaboration de personnes, d'établissements ou de services qui, créés soit par des pouvoirs publics, soit par l'initiative privée, disposent des moyens nécessaires pour réaliser les diverses solutions qui s'imposent, en respectant le libre choix de l'intéressé.
  Le centre peut supporter les frais éventuels de cette collaboration, s'ils ne sont pas couverts en exécution d'une autre loi, d'un règlement, d'un contrat ou d'une décision judiciaire.
  (Dans le même but, le centre peut conclure des conventions soit avec un autre (centre public d'action sociale), un autre pouvoir public ou un établissement d'utilité publique, soit avec une personne privée ou un organisme privé. Par dérogation aux dispositions de l'article 31 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs a la disposition d'utilisateurs, les travailleurs engagés dans les liens d'un contrat de travail par les (centres publics d'action sociale) peuvent, en application du présent alinéa, être mis par les centres à la disposition des partenaires qui ont conclu une convention avec le (centre public d'action sociale) sur la base de la présente loi organique.) <L 1999-12-24/36, art. 121; En vigueur : 10-01-2000> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 62. <W 1993-01-12/34, art. 7; Inwerkingtreding : 01-03-1993> Het centrum kan de instellingen en diensten die binnen het ambtsgebied van het centrum een sociale activiteit of specifieke activiteiten uitoefenen, voorstellen om gezamenlijk een of meer comités in te stellen waarin het centrum en die instellingen en diensten hun werkzaamheden kunnen coördineren en overleg plegen over de individuele of collectieve behoeften en de middelen om daarin te voorzien.
Art. 62. <L 1993-01-12/34, art. 7; En vigueur : 01-03-1993> Le centre peut proposer aux institutions et services déployant dans le ressort du centre une activité sociale ou des activités spécifiques, de créer avec eux un ou plusieurs comités où le centre et ces institutions et services pourraient coordonner leur action et se concerter sur les besoins individuels ou collectifs et les moyens d'y répondre.
Art. 62bis. <W 1992-08-05/46, art. 38; Inwerkingtreding : 18-10-1992> De beslissing inzake individuele hulpverlening genomen door de raad voor maatschappelijk welzijn of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen, wordt aan de persoon die de hulp heeft aangevraagd schriftelijk en aangetekend [1 of elektronisch aangetekend via de eBox, zoals bedoeld in de wet van 27 februari 2019 inzake de elektronische uitwisseling van berichten via de eBox]1 of tegen ontvangstbewijs meegedeeld [1 binnen de acht dagen te rekenen vanaf de datum van de beslissing]1, op de wijze die door de Koning kan worden bepaald. [1 De datum van de poststempel, van de elektronische zending of van het ontvangstbewijs is doorslaggevend]1
  De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid tot het instellen van beroep, de beroepstermijn, de vorm van het verzoekschrift, het adres van de bevoegde beroepsinstantie en de dienst of persoon, die binnen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan gecontacteerd worden voor het geven van toelichting.
  
Art. 62bis. <L 1992-08-05/46, art. 38; En vigueur : 18-10-1992> La décision en matière d'aide individuelle, prise par le conseil de l'aide sociale ou l'un des organes auxquels le conseil a délégué des attributions, est communiquée [1 dans les huit jours à compter de la date de décision]1, par lettre recommandée à la poste [1 ou recommandé électronique via l'eBox tel que prévu par la loi du 27 février 2019 relative à l'échange électronique de messages par le biais de l'eBox]1 ou contre accusé de réception, à la personne qui a demandé l'aide, selon des modalités qui peuvent être déterminées par le Roi. [1 La date du cachet de la poste, de l'envoi électronique ou de l'accusé de réception font foi.]1
  La décision est motivée et signale la possibilité de former un recours, le délai d'introduction, la forme de la requête, l'adresse de l'instance de recours compétente et le nom du service ou de la personne qui, au sein du (centre public d'action sociale), peut être contacté en vue d'obtenir des éclaircissements. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  
Art. 62ter. [1 De controle en het toezicht op de naleving van de artikelen 57quatter, §§ 1 tot en met 3, en § 4, 2°, 60, § 7, en 61, alsook van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen worden uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 5 februari 1998 houdende toezicht en controle op de naleving van de wetgeving betreffende het tewerkstellingsbeleid door de personeelsleden van het Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid die daartoe zijn aangewezen door de Regering.
   Wat betreft artikel 57quater, paragrafen 1 tot en met 3, en paragraaf 4, 2°, worden het toezicht en de controle uitgeoefend onverminderd de inspectie- en controlebevoegdheden van de federale instellingen die voor de sociale zekerheidsbijdragen of voor de financiële maatschappelijke hulpverlening bevoegd zijn en de enige administratieve en technische operatoren terzake zijn.]1

  
Art. 62ter. [1 La surveillance et le contrôle des articles 57quater, §§ 1er à 3 inclus, et du paragraphe 4, 2°, 60, § 7, et 61, ainsi que de leurs mesures d'exécution se déroulent conformément aux dispositions du décret du 5 février 1998 relatif à la surveillance et au contrôle des législations relatives à la politique de l'emploi par les membres du personnel de la Direction générale opérationnelle Pouvoirs locaux, Action sociale et Santé désignés à cet effet par le Gouvernement.
   En ce qui concerne l'article 57quater, paragraphes 1er à 3 inclus, et du paragraphe 4, 2°, le contrôle ou la surveillance s'exercent sans préjudice des compétences d'inspection et de contrôle des institutions fédérales compétentes pour les cotisations de sécurité sociale ou pour l'aide sociale financière, qui, en la matière, sont les seuls opérateurs administratifs et techniques.]1

  
Art.62ter_WAALS_GEWEST.    [1 De controle en het toezicht op de naleving van de artikelen 57quatter, §§ 1 tot en met 3, en § 4, 2°, 60, § 7, en 61, alsook van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen worden uitgeoefend overeenkomstig [2 aan artikel 13 van het decreet van 29 april 2024 betreffende de toekenning van subsidies aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in het kader van de tewerkstelling van gerechtigden op maatschappelijke integratie of van daarmee gelijkgestelde maatschappelijke hulp]2 door de personeelsleden van het Directoraat-generaal Plaatselijke Besturen, Sociale Actie en Gezondheid die daartoe zijn aangewezen door de Regering.
   Wat betreft artikel 57quater, paragrafen 1 tot en met 3, en paragraaf 4, 2°, worden het toezicht en de controle uitgeoefend onverminderd de inspectie- en controlebevoegdheden van de federale instellingen die voor de sociale zekerheidsbijdragen of voor de financiële maatschappelijke hulpverlening bevoegd zijn en de enige administratieve en technische operatoren terzake zijn.]1
Art.62ter _REGION_WALLONNE.
   [1 La surveillance et le contrôle des articles 57quater, §§ 1er à 3 inclus, et du paragraphe 4, 2°, 60, § 7, et 61, ainsi que de leurs mesures d'exécution se déroulent conformément [2 à l'article 13 du décret du 29 avril 2024 relatif à l'octroi de subventions aux centres publics d'action sociale dans le cadre de la mise à l'emploi des bénéficiaires du droit à l'intégration sociale ou de l'aide sociale équivalente]2 par les membres du personnel de la Direction générale opérationnelle Pouvoirs locaux, Action sociale et Santé désignés à cet effet par le Gouvernement.
   En ce qui concerne l'article 57quater, paragraphes 1er à 3 inclus, et du paragraphe 4, 2°, le contrôle ou la surveillance s'exercent sans préjudice des compétences d'inspection et de contrôle des institutions fédérales compétentes pour les cotisations de sécurité sociale ou pour l'aide sociale financière, qui, en la matière, sont les seuls opérateurs administratifs et techniques.]1
Afdeling 2. - Voogdij over de kinderen.
Section 2. - De la tutelle des enfants.
Art. 63. Iedere minderjarige over wie niemand het ouderlijk gezag, de voogdij of de materiële bewaring heeft, wordt toevertrouwd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij zich bevindt.
Art. 63. _ Tout mineur d'âge à l'égard duquel personne n'est investi de l'autorité parentale ou n'exerce la tutelle ou la garde matérielle, est confié au (centre public d'action sociale) de la commune où il se trouve. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 64. De jeugdrechtbank of het comité voor de jeugdbescherming kunnen aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de kinderen toevertrouwen over wie het centrum reeds de materiële bewaring heeft en van wie de ouders geheel of gedeeltelijk uit het ouderlijk gezag zijn ontzet.
Art. 64. Le tribunal de la jeunesse ou le comité de protection de la jeunesse peuvent confier au (centre public d'action sociale) les enfants dont le centre assure déjà la garde matérielle et dont les parents sont déchus en tout ou en partie de l'autorité parentale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 65. <W 2001-04-29/39, art. 82; Inwerkingtreding : 01-08-2001> In de gevallen bedoeld in de twee voorgaande artikelen wijst de raad voor maatschappelijk welzijn onder haar leden een persoon aan die de taak van voogd zal vervullen alsook een persoon die de taak van toeziend voogd zal vervullen.
Art. 65. <L 2001-04-29/39, art. 82; En vigueur : 01-08-2001> Dans les cas visés aux deux articles précédents, le conseil de l'aide sociale désigne parmi ses membres une personne qui exercera la fonction de tuteur et une personne qui exercera la fonction de subrogé tuteur.
Art. 66. Indien die kinderen goederen bezitten, oefent de ontvanger ten aanzien van die goederen dezelfde functies uit als ten aanzien van de goederen van het centrum. Als waarborg voor de voogdij geldt de zekerheid gesteld door de [1 financieel directeur of gewestelijke ontvanger]1.
  
Art. 66. Si ces enfants ont des biens, le receveur remplit pour ces biens les mêmes fonctions que pour les biens du centre. La garantie de la tutelle est constituée par le cautionnement du [1 directeur financier ou receveur régional]1.
  
Art. 67. De kapitalen die aan die kinderen toebehoren of ten deel vallen, worden belegd bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas of gebruikt voor de aankoop van obligaties of kasbons uitgegeven door de openbare besturen en instellingen opgesomd in artikel 78, § 1, tweede lid.
Art. 67. Les capitaux qui appartiennent ou échoient à ces enfants sont placés à la Caisse générale d'Epargne et de Retraite ou employés à l'achat d'obligations ou bons de caisse émis par les pouvoirs publics et organismes énumérés au second alinéa du § 1er de l'article 78.
Art. 68. De voogdij van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn neemt een einde :
  1° zodra is voorzien in een voogdij met toepassing van de regels van het Burgerlijk Wetboek;
  2° in geval van adoptie, pleegvoogdij, erkenning, (...) of herstel van de ouders die uit het ouderlijk gezag waren ontzet, in de rechten die hun waren ontnomen. <W 2001-04-29/39, art. 83; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
Art. 68. La tutelle exercée par un nombre du conseil de l'aide sociale prend fin:
  1° dès qu'une tutelle a été organisée en exécution des règles du Code civil;
  2° en cas d'adoption, de tutelle officieuse, de reconnaissance, (...) ou de rétablissement des père et mère déchus de l'autorité parentale dans les droits dont ils ont été privés. <L 2001-04-29/39, art. 83; En vigueur : 01-08-2001>
Afdeling III. - Voorschotten op een invordering van onderhoudsgelden.
Section III. - (Des avances sur pensions alimentaires et du recouvrement de ces pensions.)
Afdeling 4. - Specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen.
Section 4. - Aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants ou de parts contributives pour enfants placés.
Art. 68quinquies. <W 2006-12-27/32, art. 82, 005; Inwerkingtreding : 07-01-2007> § 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is belast met het toekennen van een specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen.
  § 2. Het recht op hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen wordt verleend wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1° de onderhoudsplichtige heeft recht op het leefloon of op een gelijkwaardige financiële maatschappelijke hulp;
  2° de onderhoudsplichtige is een persoon die :
  a) ofwel onderhoudsgeld voor zijn kinderen verschuldigd is, vastgelegd hetzij in een uitvoerbare gerechtelijke beslissing, hetzij in een overeenkomst bedoeld bij artikel 1288, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij in een uitvoerbare schikking bedoeld in artikelen 731 tot 734 van het Gerechtelijk Wetboek;
  b) ofwel onderhoudsgeld verschuldigd is op basis van artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek;
  c) ofwel een bijdrage voor een geplaatst kind verschuldigd is op grond van een beslissing genomen door de Jeugdrechtbank of door de bevoegde administratieve overheid;
  3° de onderhoudsplichtige levert het bewijs van de betaling van dit onderhoudsgeld of van deze bijdrage.
  § 3. De specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden of van bijdragen voor geplaatste kinderen bedraagt 50 pct. van het bedrag van de betaalde onderhoudsgelden of bijdragen, met een maximum van 1 100 EUR per jaar.
  § 4. De Koning bepaalt de regels voor de indiening van de aanvraag bij het bevoegd centrum, voor de kennisgeving van de beslissing en voor de uitkering van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen. Hij bepaalt de te volgen procedure in geval van onbevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarbij de aanvraag wordt ingediend.
  § 5. De Staat kent het bevoegd centrum een toelage toe, gelijk aan 100 pct. van het bedrag van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen of van bijdragen voor geplaatste kinderen. Voorschotten in mindering van het bedrag dat door de Staat ten laste wordt genomen, kunnen toegekend worden onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald door de Koning.
Art. 68quinquies. <L 2006-12-27/32, art. 82, 005; En vigueur : 07-01-2007> § 1er. Le centre public d'action sociale est chargé d'allouer une aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants ou de parts contributives pour enfants placés.
  § 2. Le droit à une aide au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants ou de parts contributives pour enfants placés est accordé lorsque sont réunies les conditions suivantes :
  1° le débiteur d'aliments est ayant droit au revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière équivalente;
  2° le débiteur d'aliments est une personne qui est redevable :
  a) soit d'une pension alimentaire à l'égard de ses enfants et fixée soit par une décision judiciaire exécutoire, soit dans une convention visée à l'article 1288, 3°, du Code judiciaire, soit dans un accord exécutoire visé aux articles 731 à 734 du Code judiciaire;
  b) soit d'une pension alimentaire sur la base de l'article 336 du Code civil;
  c) soit d'une part contributive pour un enfant placé en vertu d'une décision prise par le tribunal de la jeunesse ou par l'autorité administrative compétente;
  3° le débiteur d'aliments apporte la preuve du paiement de cette pension alimentaire ou de cette part contributive.
  § 3. Le montant du droit à une aide spécifique au paiement de pensions alimentaires ou de parts contributives pour enfants placés s'élève à 50 % du montant des pensions alimentaires payées ou des parts contributives, plafonné à 1 100 EUR par an.
  § 4. Le Roi détermine les modalités relatives à l'introduction de la demande auprès du centre compétent, à la notification de la décision et au paiement de l'aide spécifique au paiement des pensions alimentaires en faveur d'enfants ou de parts contributives pour enfants placés. Il détermine la procédure à suivre en cas d'incompétence du centre public d'action sociale qui reçoit la demande.
  § 5. L'Etat accorde au centre compétent une subvention égale à 100 % du montant de l'aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants ou de parts contributives pour enfants placés. Des avances à valoir sur le montant dont la charge est supportée par l'Etat peuvent être accordées dans les conditions et selon les modalités fixées par le Roi.
HOOFDSTUK V. - Beroep.
CHAPITRE V. - Du recours.
Art. 71. Eenieder kan (bij de arbeidsrechtbank) in beroep gaan tegen een beslissing inzake individuele dienstverlening te zijnen opzichte genomen door de raad van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of door één van de organen aan wie de raad bevoegdheden heeft overgedragen. <W 1993-01-12/34, art. 9; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
  Hetzelfde geldt wanneer één der organen van het centrum één maand, te rekenen van de ontvangst van het verzoek, heeft laten verstrijken zonder een beslissing te nemen. (Deze termijn van één maand loopt, in het geval bedoeld in artikel 58, § 3, eerste lid, vanaf de dag van de overzending.) <W 2003-12-22/42, art. 487; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  (Het beroep moet (, op straffe van verval,) worden ingesteld binnen de drie maanden na hetzij de kennisgeving van de beslissing, hetzij de datum van het ontvangstbewijs, (...).) <W 2006-07-20/39, art. 191, 084; Inwerkingtreding : 07-08-2006> <W 2008-12-22/33, art. 4, 1° en 2°, 090; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  (Bij ontstentenis van een beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn binnen de in het tweede lid bepaalde termijn, moet het beroep, op straffe van verval, worden ingediend binnen de drie maanden na de vaststelling van deze ontstentenis van een beslissing.) <W 2008-12-22/33, art. 4, 3°, 090; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  Het beroep werkt niet schorsend.
  (Wanneer het beroep aanhangig is gemaakt door een dakloze persoon, wijst de arbeidsrechtbank, zo nodig, het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan, na dit centrum in de zaak te hebben geroepen en onder voorbehoud van de uiteindelijke tenlasteneming van de verstrekte dienstverlening door een ander centrum of door de Staat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <W 1993-01-12/34, art. 09; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
Art. 71. (Toute personne peut former un recours auprès du tribunal du travail) contre une décision en matière d'aide individuelle prise à son égard par le conseil du (centre public d'action sociale) ou l'un des organes auxquels le conseil a délégué des attributions. <L 1993-01-12/34, art. 9; En vigueur : 01-03-1993> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Il en est de même lorsqu'un des organes du centre a laissé s'écouler, sans prendre de décision, un délai d'un mois à compter de la réception de la demande. (Ce délai d'un mois prend cours, dans le cas visé à l'article 58, § 3, alinéa 1er, le jour de la transmission.) <L 2003-12-22/42, art. 487; En vigueur : 10-01-2004>
  (Le recours doit (à peine de déchéance) être introduit dans les trois mois soit de la notification de la décision, soit de la date de l'accusé de réception, (...).) <L 2006-07-20/39, art. 191, 084; En vigueur : 07-08-2006> <L 2008-12-22/33, art. 4, 1° et 2°, 090; En vigueur : 08-01-2009>
  (En cas d'absence de décision du centre public d'action sociale dans le délai prévu à l'alinéa 2, le recours doit, à peine de déchéance, être introduit dans les trois mois de la constatation de cette absence de décision.) <L 2008-12-22/33, art. 4, 3°, 090; En vigueur : 08-01-2009>
  Le recours n'est pas suspensif.
  (Lorsque ledit recours est introduit par une personne sans abri, le tribunal du travail détermine, au besoin, le (centre public d'action sociale) compétent, après avoir appelé à la cause le centre et sous réserve de la prise en charge ultérieure de cette aide par un autre centre ou par l'Etat conformément aux dispositions de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les (centres publics d'action sociale).) <L 1993-01-12/34, art. 9; En vigueur : 01-03-1993> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
HOOFDSTUK VI. - Beheer van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
CHAPITRE VI. - De l'administration du (centre public d'action sociale).
Afdeling 1. Beheer van de goederen.
Section 1. De la gestion des biens.
Art. 75. [1 § 1. Tenzij er specifieke wettelijke bepalingen zijn, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn de voorwaarden en de nadere regels vast van de gunningsprocedure voor contracten met betrekking tot vastgoedverrichtingen en neemt de contractuele voorwaarden aan die op de verrichting van toepassing zijn.
   § 2. Tenzij er specifieke wettelijke bepalingen zijn, leidt het vast bureau de procedure in, gunt het het contract voor de vastgoedverrichting en houdt het toezicht op de uitvoering ervan.
   In gevallen waarin onderhandelen met kandidaten is toegestaan, keurt het vast bureau de uitkomst van de onderhandelingen goed binnen de grenzen die zijn vastgelegd in de documenten en, indien van toepassing, de reglementen die op betrokken vastgoedverrichting van toepassing zijn.
   Het vast bureau kan tijdens de looptijd van het contract niet-substantiële wijzigingen aanbrengen.
   § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden overdragen aan het vast bureau.
   In overeenstemming met artikel 75ter is de overdracht beperkt tot vastgoedverrichtingen met een geschatte waarde van minder dan:
   1° 30.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 60.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 120.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftig duizend inwoners.
   De waarde van de vastgoedverrichting komt overeen met de geschatte marktwaarde van het vastgoed of het geraamde bedrag van de verrichting, vermenigvuldigd, indien van toepassing, met de looptijd van het contract. Wanneer het contract of de looptijd ervan kan worden verlengd en de totale looptijd van het contract, met inbegrip van de verlengingsregels, meer dan tien jaar kan bedragen, komt de waarde van de verrichting overeen met de geraamde jaarlijkse waarde van het contract, vermenigvuldigd met tien, zonder dat dit bedrag lager mag zijn dan het geraamde bedrag voor de aanvankelijke minimumlooptijd van het contract.
   § 4. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.
   § 5. De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit bekend zijn. Onverminderd het recht om de verleende overdrachten te wijzigen, hebben schommelingen in het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht als deze eenmaal is vastgesteld.
   § 6. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in paragraaf 3 aanpassen.]1

  
Art. 75. [1 § 1er. Sauf disposition légale spécifique, le conseil de l'action sociale fixe les conditions et les modalités de la procédure d'attribution des contrats relatifs à des opérations immobilières et adopte les conditions contractuelles qui régissent l'opération.
   § 2. Sauf disposition légale spécifique, le bureau permanent engage la procédure, attribue le contrat relatif à l'opération immobilière et assure le suivi de son exécution.
   Dans les cas où la négociation est permise avec les candidats, le bureau permanent approuve le résultat des négociations intervenues dans la limite prévue par les documents et, le cas échéant, la réglementation applicable à l'opération immobilière en cause.
   Le bureau permanent peut apporter au contrat toute modification non substantielle en cours d'exécution.
   § 3. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er au bureau permanent.
   La délégation est limitée, au maximum, aux opérations immobilières d'un montant estimé, conformément à l'article 75ter, inférieur à :
   1° 30 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;
   2° 60 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 120 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de minimum cinquante mille habitants.
   La valeur de l'opération immobilière correspond à la valeur vénale estimée du bien ou au montant estimé de l'opération multiplié, le cas échéant, par la durée du contrat. Lorsque le contrat peut être reconduit ou que la durée du contrat peut être prolongée et que la durée totale du contrat, reconductions ou prolongations comprises, peut être supérieure à dix ans, la valeur de l'opération correspond à l'estimation de la valeur annuelle du contrat multipliée par dix sans que cette somme puisse être inférieure au montant estimé pour la durée minimum initiale du contrat.
   § 4. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.
   § 5. La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur la base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.
   § 6. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés au paragraphe 3.]1

  
Art.75bis. [1 § 1. OCMW's handelen transparant bij het gunnen van contracten voor vastgoedverrichtingen.
   Daartoe voeren OCMW's, tenzij er adequate redenen of een specifieke wettelijke bepaling zijn, publiciteitsmaatregelen uit die geschikt zijn voor het geval in kwestie.
   Een OCMW dat met een of meer overheidsinstanties een overeenkomst sluit met betrekking tot een vastgoedverrichting, hoeft niet systematisch een mededinginsprocedure uit te schrijven voor zover het geplande project een doel van algemeen belang nastreeft en, behoudens naar behoren gemotiveerde uitzonderingen of specifieke wettelijke bepalingen, wordt gegund tegen de overeenkomstig artikel 75ter geraamde prijs.
   § 2. Het woord "vastgoedverrichtingen" opgenomen in paragraaf 1 en in artikel 75ter beoogt de volgende verrichtingen: de verkoop, ruil, erfpacht, opstal, verhuur, jachtrecht, visrecht, staatsconcessie of precaire bewoning van onroerend goed dat aan het OCMW toebehoort.
   De aankoopcomités van onroerende goederen, die door OCMW's worden belast met vastgoedverrichtingen, hoeven aan derden niet te bewijzen dat ze een bijzonder mandaat hebben om op te treden als vertegenwoordigers van het plaatselijk bestuur.
   Binnen deze comités vertegenwoordigen de ambtenaren die bevoegd zijn om de overeenkomsten te authentificeren, de lokale overheden van rechtswege voor de opdrachten waarvoor zij verantwoordelijk zijn, wanneer zij de akten ondertekenen.]1

  
Art.75bis. [1 § 1er. Dans le cadre de la passation des contrats relatifs à des opérations immobilières, les C.P.A.S. agissent de manière transparente.
   A cet effet, les C.P.A.S. procèdent, sauf motivation adéquate ou disposition légale spécifique, à des mesures de publicité appropriées au cas d'espèce.
   Un C.P.A.S. qui conclut avec un ou plusieurs pouvoirs publics un contrat relatif à une opération immobilière n'est pas obligé de recourir systématiquement à une mise en concurrence pour autant que le projet envisagé poursuive un but d'intérêt général et soit attribué, sauf exception dûment motivée ou disposition légale spécifique, au prix estimé conformément à l'article 75ter.
   § 2. Les termes opérations immobilières repris au paragraphe 1er et à l'article 75ter visent les opérations suivantes : la vente, l'échange, le droit d'emphytéose, le droit de superficie, le louage, le droit de chasse, le droit de pêche, la concession domaniale ou l'occupation précaire portant sur un bien immeuble appartenant au C.P.A.S.
   Les comités d'acquisitions d'immeubles, chargés par les C.P.A.S. des opérations immobilières, ne justifient pas envers les tiers d'un mandat spécial pour agir en tant que représentant du pouvoir local.
   Au sein de ces comités, les agents habilités à authentifier les conventions représentent de plein droit, lors de la signature des actes, les pouvoirs locaux pour les missions qui leur sont conférées.]1

  
Art.75ter. [1 Voor elke vastgoedverrichting beschikt het OCMW over een recente schatting van de waarde van het onroerend goed of het toegekende recht erop, tenzij er een passende rechtvaardiging of een specifieke wettelijke bepaling is.
   Deze schatting wordt, behalve in naar behoren gemotiveerde uitzonderingsgevallen, gevraagd aan een onafhankelijk expert, een commissaris van een aankoopcomité, een notaris, een landmeter ingeschreven in het tableau bijgehouden door de Federale Raad van landmeters-experten, een vastgoeddeskundige ingeschreven in het tableau bedoeld in artikel 3 van de wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar of een architect ingeschreven in de Orde van Architecten.]1

  
Art.75ter. [1 Pour chaque opération immobilière, le C.P.A.S. dispose, sauf motivation adéquate ou disposition légale spécifique, d'une estimation récente de la valeur de l'immeuble ou du droit consenti sur celui-ci.
   Cette estimation est sollicitée, sauf exception dûment motivée, auprès d'un expert indépendant, un commissaire d'un comité d'acquisition, un notaire, un géomètre-expert immobilier inscrit au tableau tenu par le conseil fédéral des géomètres-experts, un expert immobilier inscrit au tableau visé à l'article 3 de la loi du 11 février 2013 organisant la profession d'agent immobilier ou un architecte inscrit à l'ordre des architectes.]1

  
Art. 76. [1 § 1. Tenzij er specifieke wettelijke bepalingen zijn, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn de voorwaarden vast van de gunningsprocedure voor contracten betreffende de verkoop of terbeschikkingstelling van roerende lichamelijke goederen die toebehoren aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en neemt de contractuele voorwaarden aan die op de verrichting van toepassing zijn.
   § 2. Tenzij er specifieke wettelijke bepalingen zijn, leidt het vast bureau de procedure in, gunt het het contract voor de verkoop of terbeschikkingstelling van roerende lichamelijke goederen en controleert het de uitvoering ervan.
   In gevallen waarin onderhandelen met kandidaten is toegestaan, keurt het vast bureau het resultaat van de onderhandelingen goed binnen de grenzen die zijn vastgelegd in de documenten en, indien van toepassing, de reglementen die op de verrichting van toepassing zijn.
   Het vast bureau kan tijdens de looptijd van het contract niet-substantiële wijzigingen aanbrengen.
   § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden overdragen aan het vast bureau.
   In overeenstemming met artikel 76ter is de overdracht beperkt tot verrichtingen met een geschatte waarde van minder dan:
   1° 30.000 euro in het openbaarcentrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 60.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 120.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftig duizend inwoners.
   De waarde van de verrichting komt overeen met de geschatte marktwaarde van het goed of het geschatte bedrag van de verrichting vermenigvuldigd, indien van toepassing, met de looptijd van het contract. Wanneer de opdracht kan worden verlengd en de totale looptijd van de opdracht, met inbegrip van de verlengingen of vernieuwingen, meer dan tien jaar kan bedragen, komt de waarde van de verrichting overeen met de geraamde jaarlijkse waarde van de opdracht vermenigvuldigd met tien, zonder dat dit bedrag lager mag zijn dan het geraamde bedrag voor de aanvankelijke minimumlooptijd van de opdracht.
   § 4. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.
   § 5. De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit bekend zijn. Onverminderd het recht om de verleende overdrachten te wijzigen, hebben schommelingen in het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht als deze eenmaal is vastgesteld.
   § 6. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, het bedrag bedoeld in paragraaf 3 aanpassen.]1

  
Art. 76. [1 § 1er. Sauf disposition légale spécifique, le conseil de l'action sociale fixe les conditions et les modalités de la procédure d'attribution des contrats relatifs à la vente ou à la mise à disposition de biens meubles corporels qui appartiennent au centre public d'action sociale et adopte les conditions contractuelles qui régissent l'opération.
   § 2. Sauf disposition légale spécifique, le bureau permanent engage la procédure, attribue le contrat relatif à la vente ou à la mise à disposition de biens meubles corporels et assure le suivi de son exécution.
   Dans les cas où la négociation est permise avec les candidats, le bureau permanent approuve le résultat des négociations intervenues dans la limite prévue par les documents et, le cas échéant, la règlementation applicable à l'opération en cause.
   Le bureau permanent peut apporter au contrat toute modification non substantielle en cours d'exécution.
   § 3. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées aux paragraphes 1er au bureau permanent.
   La délégation est limitée, au maximum, aux opérations d'un montant estimé, conformément à l'article 76ter, inférieur à :
   1° 30 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;
   2° 60 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 120 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de minimum cinquante mille habitants.
   La valeur de l'opération correspond à la valeur vénale estimée du bien ou au montant estimé de l'opération multiplié, le cas échéant, par la durée du contrat. Lorsque le contrat peut être reconduit ou que la durée du contrat peut être prolongée et que la durée totale du contrat, reconductions ou prolongations comprises, peut être supérieure à dix ans, la valeur de l'opération correspond à l'estimation de la valeur annuelle du contrat multipliée par dix sans que cette somme puisse être inférieure au montant estimé pour la durée minimum initiale du contrat.
   § 4. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.
   § 5. La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur la base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.
   § 6. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés au paragraphe 3.]1

  
Art.76bis. [1 § 1. OCMW's handelen transparant bij het gunnen van contracten voor roerende verrichtingen.
   Daartoe voeren OCMW's, tenzij er adequate redenen of een specifieke wettelijke bepaling zijn, publiciteitsmaatregelen uit die geschikt zijn voor het geval in kwestie.
   § 2. De bewoordingen "roerende verrichtingen" opgenomen in paragraaf 1 en artikel 76ter beogen de verrichtingen met betrekking tot de verkoop of terbeschikkingstelling van roerende lichamelijke goederen die aan het OCMW toebehoren.]1

  
Art.76bis. [1 § 1er. Dans le cadre de la passation des contrats relatifs à des opérations mobilières, les C.P.A.S. agissent de manière transparente.
   A cet effet, les C.P.A.S. procèdent, sauf motivation adéquate ou disposition légale spécifique, à des mesures de publicité appropriées au cas d'espèce.
   § 2. Les termes opérations mobilières repris au paragraphe 1er et à l'article 76ter visent les opérations relatives à la vente ou à la mise à disposition de biens meubles corporels qui appartiennent au C.P.A.S.]1

  
Art.76ter. [1 Voor elke roerende verrichting beschikken de OCMW's over een recente schatting van de waarde van het lichamelijk roerend goed of het toegekende recht erop, tenzij er een passende rechtvaardiging of een specifieke wettelijke bepaling is.
   Behalve in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden, wordt deze schatting gevraagd aan een onafhankelijk deskundige.]1

  
Art.76ter. [1 Pour chaque opération mobilière, les C.P.A.S. disposent, sauf motivation adéquate ou disposition spécifique, d'une estimation récente de la valeur du bien meuble corporel ou du droit consenti sur celui-ci.
   Cette estimation est sollicitée, sauf exception dûment motivée, auprès d'un expert indépendant.]1

  
Art. 78. § 1. (opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 40; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  § 2. De (Regering) kan, [1 ...]1, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn machtigen om over te gaan tot onteigeningen te algemenen nutte.
  (Benevens de ambtenaren van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor rekening van de Staat, is de gouverneur van de provincie, waar de zetel van het centrum gevestigd is, evenals de burgermeester van de gemeente die door het centrum wordt bediend, bevoegd tot het verlijden van de desbetreffende akte.) <W 1992-08-05/46, art. 40; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  
Art. 78. § 1er. (abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 40; En vigueur : 18-10-1992>
  § 2. Le (Gouvernement) peut, [1 ...]1, autoriser les (centres publics d'action sociale) à poursuivre des expropriations pour cause d'utilité publique. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (Outre les fonctionnaires des comités d'acquisition d'immeubles pour compte de l'Etat, le gouverneur de la province dans laquelle le centre a son siège, ainsi que le bourgmestre de la commune desservie par le centre, sont compétents pour passer les actes en la matière.) <L 1992-08-05/46, art. 40; En vigueur : 18-10-1992>
  
Art. 79. (§ 1.) <W 1992-08-05/46, art. 41; Inwerkingtreding : 18-10-1992> De raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd om het kapitaal van het centrum aan te wenden voor de bouw of de aankoop van woningen voor bejaarden, mindervaliden of andere personen die niet zelf in hun huisvesting kunnen voorzien, voor de aankoop van bossen en gronden, voor participaties en bouwmaatschappijen tot nut van het algemeen.
  De raad kan het kapitaal van het centrum ook aanwenden met het oog op deelneming in maatschappijen die sociale doeleinden nastreven die verband houden met de taken van het centrum voor maatschappelijk welzijn of die de werking van het centrum ten goede komen, voor zover deze maatschappijen de bepalingen van de artikelen 118 tot en met 135 van de wet eerbiedigen of de vorm aannemen van een intercommunale vereniging.
  (§ 2. Om te voldoen aan specifieke behoeften waarin zijn diensten niet voorzien en in het kader van een verwante activiteit die geen belangrijk deel van zijn handeling uitmaakt, kan het O.C.M.W., overeenkomstig [3 het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]3, ook beslissen lid te worden van een andere vereniging zonder winstoogmerk dan een intercommunale vereniging die opgericht is met andere overheden en/of met andere natuurlijke of rechtspersonen dan die met een winstoogmerk, met inachtneming van de volgende voorwaarden :
  1° [1 ...]1
  2° de onroerende goederen, namelijk de terreinen en gebouwen die het centrum toebehoren, mogen niet om niet worden afgestaan;
  3° de wettelijke opdrachten die aan het O.C.M.W. voorbehouden zijn, mogen niet door de v.z.w. vervuld worden;
  4° het O.C.M.W. moet binnen de organen van de vereniging vertegenwoordigd worden door leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, de directeur-generaal of bevoegde personeelsleden van het centrum. [3 De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn worden verkozen overeenkomstig artikel 33, § § 3bis tot en met 3quater en 4]3;
  5° als het centrum bijdragen verleent, is het O.C.M.W. ertoe gemachtigd de bewijsstukken te controleren en ter plaatse na te gaan of die bijdragen gebruikt worden om de door het centrum opgedragen taken te vervullen;
  6° het jaarverslag, de begroting en de rekeningen van de vereniging worden jaarlijks overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn.
  Van elk document moet een exemplaar worden bezorgd aan de financieel directeur van het O.C.M.W. die een eensluidend afschrift van de bewijsstukken kan eisen om na te gaan of de vereniging haar financiële verplichtingen ten aanzien van het centrum nakomt.
  Het O.C.M.W. kan ook deelnemen in [2 een coöperatieve vennootschap erkend als sociale onderneming overeenkomstig artikel 8:5, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]2.
  In dit geval zijn de in deze paragraaf vastgelegde voorwaarden van deelneming in een v.z.w. mutatis mutandis van toepassing.
  § 3. Voor ziekenhuisactiviteiten kan het O.C.M.W., op de voordracht van het beheerscomité van het ziekenhuis, beslissen lid te worden van een vereniging zonder winstoogmerk met als doel :
  a. hetzij een opdracht i.v.m. coördinatie, preventie, onderzoek of steun voor het beheer;
  b. hetzij de oprichting, de aankoop of het beheer van een zware apparatuur of van zware medisch-technische diensten in het kader van een vereniging in de zin van artikel 69, 3°, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, met het oog op de oprichting van een groepering of een samenwerkingsvereniging;
  c. hetzij de rationalisatie van het aanbod van uitrustingen en dienstenverleningen van openbare of privéziekenhuizen, in het kader van een groepering in de zin van artikel 69, 3°, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.
  Naast de in § 2, 2°, 3° en 5°, bedoelde deelnemingsvoorwaarden zijn de volgende voorwaarden van toepassing :
  1° [1 ...]1
  2° het O.C.M.W. moet binnen de verschillende organen van de vereniging vertegenwoordigd worden door leden van het beheerscomité van het ziekenhuis en door personen die binnen het ziekenhuis een leidende taak vervullen. De stemgerechtigde leden van het beheerscomité van het ziekenhuis die zitting houden binnen de organen van de v.z.w., worden door de raad voor maatschappelijk welzijn na één enkele stemming aangewezen;
  3° het jaarverslag, de begrotingen en de rekeningen van de vereniging moeten worden overgemaakt aan het beheerscomité en aan de penningmeester van het ziekenhuis die een eensluidend afschrift van de bewijsstukken kan eisen om na te gaan of de vereniging haar financiële verplichtingen ten aanzien van het ziekenhuis nakomt.)
  
Art. 79. (§ 1er.) <L 1992-08-05/46, art. 41; En vigueur : 18-10-1992> Le (conseil de l'action sociale) est autorisé à employer les capitaux du centre à la construction ou l'acquisition d'habitations pour personnes âgées, handicapées ou d'autres personnes qui ne peuvent pourvoir elles-mêmes à leur logement, à l'acquisition de forêts et de terrains, à des participations dans des sociétés immobilières de service public.
  Le conseil peut également employer les capitaux du centre à des participations dans des sociétés poursuivant des buts sociaux en rapport avec les missions du (centre public d'action sociale) ou favorisant le fonctionnement du centre pour autant que ces sociétés respectent les dispositions des articles 118 à 135 de la loi ou adoptent la forme d'une association intercommunale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (§ 2. Le (centre public d'action sociale) peut également, en vue de satisfaire des besoins spécifiques, non rencontrés par ses services et dans le cadre d'une activité connexe qui ne constitue pas une partie importante de son action, décider de devenir membre d'une association sans but lucratif, autre qu'une association intercommunale, conformément [4 au Code des sociétés et des associations]4, constituée avec d'autres pouvoirs publics et/ou des personnes physiques ou morales autres que celles qui ont un but lucratif moyennant le respect des conditions suivantes : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  1° [2 ...]2
  2° les biens immobiliers, à savoir les terrains et immeubles appartenant au centre, ne peuvent faire l'objet d'une cession gratuite de propriété;
  3° les missions légales réservées au (centre public d'action sociale) ne peuvent être exercées par l'association sans but lucratif; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  4° le (centre public d'action sociale) doit être représenté au sein des organes de l'association par des membres du (conseil de l'action sociale), par le [1 directeur général du centre public d'action sociale]1 ou par des agents qualifiés du centre. [4 Les membres du conseil de l'action sociale sont élus conformément à l'article 33, § § 3bis à 3quater et 4]4; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  5° le (centre public d'action sociale) dispose, en cas d'intervention financière du centre, du pouvoir de contrôler les pièces justificatives permettant de vérifier sur place l'utilisation des interventions financières du centre pour l'accomplissement des missions confiées par le centre; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  6° le rapport annuel, le budget et les comptes de l'association sont transmis chaque année au (conseil de l'action sociale).
  Le [1 directeur financier du centre public d'action sociale]1 doit également recevoir un exemplaire de chacun de ces documents et peut requérir une copie conforme des pièces justificatives permettant de vérifier le respect des engagements financiers de l'association à l'égard du centre. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Le (centre public d'action sociale) peut également participer à [3 une société coopérative agréée comme entreprise sociale conformément à l'article 8:5, § 1er, du Code des sociétés et des associations]3. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Dans ce cas, les conditions de la participation à une association sans but lucratif fixées par le présent paragraphe sont, mutatis mutandis, d'application.
  § 3. Pour les activités hospitalières, le (centre public d'action sociale) peut, sur proposition du comité de gestion de l'hôpital, décider de devenir membre d'une association sans but lucratif ayant pour objet : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  a. soit une mission de coordination, de prévention, d'étude ou d'aide a la gestion;
  b. soit la création, l'acquisition ou la gestion d'un appareillage lourd ou de services médico-techniques lourds dans le cadre d'une association au sens de l'article 69, 3°, de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, en vue d'établir un groupement ou une association de collaboration;
  c. soit la rationalisation de l'offre d'équipements et de services hospitaliers d'hôpitaux publics et privés, dans le cadre d'un groupement au sens de l'article 69, 3°, de la loi sur les hôpitaux coordonnée le 7 août 1987.
  Outre les conditions de participation visées au § 2, 2°, 3° et 5°, sont d'application les conditions suivantes :
  1° [2 ...]2
  2° le (centre public d'action sociale) est représenté auprès des différents organes de l'association par des membres du comité de gestion de l'hôpital et des personnes exerçant une fonction de direction au sein de l'hôpital. Les membres du comité de gestion de l'hôpital avec voix délibérative qui siègent au sein des organes de l'association sans but lucratif sont élus par le conseil de l'aide sociale en un seul tour de scrutin; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  3° le rapport annuel, les budgets et les comptes de l'association doivent être transmis au comité de gestion de l'hôpital et au trésorier de l'hôpital qui peut requérir une copie conforme des pièces justificatives permettant de vérifier le respect des engagements financiers de l'association à l'égard de l'hôpital.)
  
Art. 80. [1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn aanvaardt schenkingen te verlijden bij authentieke akte en legaten ten gunste van het OCMW.
   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden overdragen aan het vast bureau.
   Het overdracht is ten hoogste beperkt tot schenkingen en legaten zonder lasten of voorwaarde en voor een, indien van toepassing, geraamde waarde, van minder dan:
   1° 30.000 euro in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 60.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 120.000 euro, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van ten minste vijftig duizend inwoners.
   § 3. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.
   § 4. De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit gekend zijn. Onverminderd het recht om de verleende overdrachten te wijzigen, hebben schommelingen in het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht als deze eenmaal is aangenomen.
   § 5. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in paragraaf 2 aanpassen.
   § 6. Notarissen en andere ministeriële ambtenaren alsmede ontvangers van de successierechten geven kennis aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de beschikkingen die te hunnen voordele zijn opgemaakt en waarvan zij wegens hun ambt kennis hebben.]1

  
Art. 80. [1 § 1er. Le conseil de l'action sociale accepte les donations à passer par acte authentique et les legs au C.P.A.S.
   § 2. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er au bureau permanent.
   La délégation est limitée, au maximum, aux donations et legs sans charge ou condition et d'un montant, le cas échéant estimé, inférieur à :
   1° 30 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;
   2° 60 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 120 000 euros dans le centre public d'action sociale d'une commune de minimum cinquante mille habitants.
   § 3. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.
   § 4. La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur la base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.
   § 5. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés au paragraphe 2.
   § 6. Les notaires et autres officiers ministériels, ainsi que les receveurs des droits de succession, donnent un avis aux centres publics d'action sociale sur les dispositions faites en faveur de ceux-ci et dont ils ont connaissance en raison de leurs fonctions.]1

  
Art.80bis. [1 De voorzitter van het OCMW aanvaardt schenkingen van roerende lichamelijke goederen zonder lasten of voorwaarden.
   De voorzitter van het OCMW kan zijn bevoegdheid bedoeld in het eerste lid overdragen aan een ambtenaar, met uitzondering van de financieel directeur.]1

  
Art.80bis. [1 Le président du C.P.A.S. accepte les donations sans charge ou condition qui portent sur des biens meubles corporels.
   Le président du C.P.A.S. peut déléguer sa compétence visée à l'alinéa 1er à un fonctionnaire, à l'exclusion du directeur financier.]1

  
Art. 84. [1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn kiest de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten, stelt de voorwaarden vast, leidt de procedure in, gunt ze, controleert de uitvoering ervan, gunt overheidsopdrachten op basis van de gesloten raamovereenkomsten en kan tijdens de uitvoering eventuele wijzigingen in de overheidsopdrachten aanbrengen. In de gevallen waarin onderhandelingen met inschrijvers zijn toegestaan, keurt de raad voor maatschappelijk welzijn het resultaat van de onderhandelingen goed binnen de grenzen van de reglementen en documenten die op de betrokken overheidsopdracht van toepassing zijn.
   In gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, kan het vast bureau op eigen initiatief de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen. Zijn besluit wordt meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn [2 ...]2 op zijn eerstvolgende vergadering [2 ...]2.
   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden uit hoofde van paragraaf 1, eerste alinea, overdragen aan het vast bureau of aan bijzondere comités.
   Voor uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de delegatie ten hoogste beperkt tot overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :
   1° 30.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 60.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 120.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.
   § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, overdragen aan de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of een andere ambtenaar, onder uitsluiting van de financieel directeur, voor uitgaven die onder de gewone begroting vallen en aan de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor uitgaven die onder de buitengewone begroting vallen.
   Voor uitgaven in het kader van de gewone begroting is de delegatie ten hoogste beperkt tot overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :
   1° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 10.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 15.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.
   Voor uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de delegatie ten hoogste beperkt tot overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :
   1° 2.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 7.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftig duizend inwoners en meer.
  [2 § 3bis. De raad voor maatschappelijk welzijn kan aan de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal zijn bevoegdheden overdragen om, met het oog op de betaling, de werken, leveringen en diensten te controleren die voor betaling worden aanvaard en, in voorkomend geval, tot facturering uit te nodigen en het bedrag vast te stellen dat de raad verschuldigd acht.
   In geval van overdracht worden de beslissingen van de algemeen directeur of adjunct-directeur op de eerstvolgende vergadering aan de raad voor maatschappelijk welzijn meegedeeld.]2

   § 4. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.
   De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit bekend zijn. Onverminderd de mogelijkheid om de verleende overdrachten te wijzigen, heeft de schommeling van het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht wanneer deze eenmaal is aangenomen.
   § 5. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 aanpassen.
   § 6. Voor de toepassing van deze afdeling omvat de term "overheidsopdracht" ook raamovereenkomsten.]1

  
Art. 84. [1 § 1er. Le conseil de l'action sociale choisit la procédure de passation des marchés publics, en fixe les conditions, engage la procédure, les attribue, assure le suivi de leur exécution, passe les marchés publics fondés sur les accords-cadres conclus et peut apporter aux marchés publics toute modification en cours d'exécution. Dans les cas où la négociation est permise avec les soumissionnaires, le conseil de l'action sociale approuve le résultat des négociations intervenues dans la limite prévue par la règlementation et les documents applicables au marché public en cause.
   En cas d'urgence impérieuse résultant d'événements imprévisibles, le bureau permanent peut d'initiative exercer les compétences du conseil de l'action sociale visées à l'alinéa 1er. Sa décision est communiquée au conseil de l'action sociale [2 ...]2 lors de sa plus prochaine séance.
   § 2. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, au bureau permanent ou aux comités spéciaux.
   Pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics d'un montant estimé inférieur à :
   1° 30 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;
   2° 60 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 120 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus.
   § 3. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour les dépenses relevant du budget ordinaire au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, à l'exclusion du directeur financier, et pour les dépenses relevant du budget extraordinaire au directeur général et au directeur général adjoint.
   Pour les dépenses relevant du budget ordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics d'un montant estimé inférieur à :
   1° 5 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;
   2° 10 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 15 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus.
   Pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics d'un montant estimé inférieur à :
   1° 2 500 euros H.T.V.A. dans les communes de moins de quinze mille habitants;
   2° 5 000 euros H.T.V.A. dans les communes de quinze mille à quaranteneuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 7 500 euros H.T.V.A. dans les communes de cinquante mille habitants et plus.
  [2 § 3bis. Le conseil de l'action sociale peut déléguer au directeur général ou au directeur général adjoint ses compétences de vérification, en vue du paiement, des travaux, des fournitures et des services qui sont acceptés en paiement, le cas échéant d'invitation à facturer, et de fixer le montant qu'il estime dû.
   En cas de délégation, les décisions du directeur général ou du directeur général adjoint sont communiquées au conseil de l'action sociale lors de sa plus proche séance.]2

   § 4. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.
   La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.
   § 5. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés aux paragraphes 2 et 3.
   § 6. Pour l'application de la présente section, la notion de marché public englobe également les accords-cadres.]1

  
Art. 84bis. [1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn beslist, een samengevoegde overheidsopdracht te gebruiken, wijst, in voorkomend geval, de aanbestedende overheid aan die in opdracht van de andere aanbestedende overheden zal handelen en neemt, in voorkomend geval, de overeenkomst aan die de samengevoegde overheidsopdracht regelt.
   In gevallen van dringende spoed die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, kan het vast bureau, op eigen initiatief, de in lid 1 bedoelde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen. Zijn beslissing wordt medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, [2 ...]2 tijdens zijn volgende zitting [2 ...]2.
   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden uit hoofde van paragraaf 1, eerste alinea, overdragen aan het vast bureau of aan bijzondere comités.
   Voor uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de overdracht ten hoogste beperkt tot samengevoegde overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :
   1° 30.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 60.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 120.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.
   § 3. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, overdragen aan de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of een andere ambtenaar, onder uitsluiting van de financieel directeur, voor uitgaven die onder de gewone begroting vallen en aan de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor uitgaven die onder de buitengewone begroting vallen.
   Voor uitgaven in het kader van de gewone begroting is de overdracht ten hoogste beperkt tot samengevoegde overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :
   1° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 10.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 15.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.
   Voor uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de overdracht ten hoogste beperkt tot samengevoegde overheidsopdrachten met een geraamde waarde van minder dan :
   1° 2.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 7.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftig duizend inwoners en meer.
   § 4. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.
   De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit bekend zijn. Onverminderd de mogelijkheid om de verleende overdrachten te wijzigen, heeft de schommeling van het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht wanneer deze eenmaal is aangenomen.
   § 5. In voorkomend geval neemt de raad voor maatschappelijk welzijn van de aanbestedende overheid akte van de gunning van de overheidsopdracht door de aangewezen aanbestedende overheid.
   Bij overdracht van bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn aan het vast bureau, aan de bijzondere comités, aan de directeur-generaal, aan de adjunct-directeur-generaal of aan een andere ambtenaar, overeenkomstig de paragrafen 2 en 3, worden de bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn bedoeld in lid 1 respectievelijk uitgeoefend door het vast bureau, het bijzondere comité, de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de gemachtigd ambtenaar.
   § 6. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 aanpassen.]1

  
Art. 84bis. [1 § 1er. Le conseil de l'action sociale décide de recourir à un marché public conjoint, désigne, le cas échéant, l'adjudicateur qui agira pour le compte des autres adjudicateurs et, le cas échéant, adopte la convention régissant le marché public conjoint.
   En cas d'urgence impérieuse résultant d'événements imprévisibles, le bureau permanent peut d'initiative exercer les compétences du conseil de l'action sociale visées à l'alinéa 1er. Sa décision est communiquée au conseil de l'action sociale [2 ...]2 lors de sa plus prochaine séance.
   § 2. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, au bureau permanent ou aux comités spéciaux.
   Pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics conjoints d'un montant estimé inférieur à :
   1° 30 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;
   2° 60 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 120 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus
   § 3. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, pour les dépenses relevant du budget ordinaire au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, à l'exclusion du directeur financier, et pour les dépenses relevant du budget extraordinaire au directeur général et au directeur général adjoint.
   Pour les dépenses relevant du budget ordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics conjoints d'un montant estimé inférieur à :
   1° 5 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;
   2° 10 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 15 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus.
   Pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux marchés publics conjoints d'un montant estimé inférieur à :
   1° 2 500 euros H.T.V.A. dans les communes de moins de quinze mille habitants;
   2° 5 000 euros H.T.V.A. dans les communes de quinze mille à quaranteneuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 7 500 euros H.T.V.A. dans les communes de cinquante mille habitants et plus.
   § 4. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.
   La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.
   § 5. Le cas échéant, le conseil de l'action sociale de l'adjudicateur représenté prend acte de l'attribution du marché public par l'adjudicateur désigné.
   En cas de délégation de compétences du conseil de l'action sociale au bureau permanent, aux comités spéciaux, au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, conformément aux paragraphes 2 et 3 la compétence du conseil de l'action sociale visée à l'alinéa 1er est exercée respectivement par le bureau permanent, le comité spécial, le directeur général, le directeur général adjoint ou le fonctionnaire délégué.
   § 6. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés aux paragraphes 2 et 3.]1

  
Art. 84ter. [1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn treedt toe tot een aankoopcentrale, geeft zo nodig blijk van belangstelling, wijzigt de voorwaarden van het lidmaatschap en zegt het lidmaatschap op.
   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de behoeften in termen van werken, leveringen of diensten en beslist, een beroep te doen op de aankoopcentrale waarbij hij aangesloten is om aan die behoeften te voldoen.
   § 3. In gevallen van dringende noodzakelijkheid die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, kan het vast bureau, op eigen initiatief, de in de paragrafen 1, 2 en 7 bedoelde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen. Zijn beslissing wordt medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, [2 ...]2 op diens eerstvolgende zitting.
   § 4. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden uit hoofde van de paragrafen 1 en 2, overdragen aan het vast bureau of aan bijzondere comités.
   Wat betreft de bevoegdheden bedoeld in paragraaf 2, voor de uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de overdracht ten hoogste beperkt tot behoeften met een geraamde waarde van minder dan :
   1° 30.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 60.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 120.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.
   § 5. De raad voor maatschappelijk welzijn kan de in paragraaf 1 bedoelde blijk van belangstelling delegeren aan de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of een andere ambtenaar, met uitsluiting van de financieel directeur.
   De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 2, overdragen aan de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of een andere ambtenaar, onder uitsluiting van de financieel directeur, voor uitgaven die onder de gewone begroting vallen en aan de directeur-generaal of de adjunct-directeur-generaal voor uitgaven die onder de buitengewone begroting vallen.
   Voor uitgaven in het kader van de gewone begroting is de overdracht bedoeld in het tweede lid ten hoogste beperkt tot behoeften met een geraamde waarde van minder dan :
   1° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 10.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 15.000 euro, btw niet meegerekend, in het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente van vijftig duizend inwoners en meer.
   Voor uitgaven in het kader van de buitengewone begroting is de overdracht ten hoogste beperkt tot behoeften met een geraamde waarde van minder dan :
   1° 2.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van minder dan vijftien duizend inwoners;
   2° 5.000 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftien duizend tot negenenveertig duizend negenhonderd negenennegentig inwoners;
   3° 7.500 euro, btw niet meegerekend, in de gemeenten van vijftig duizend inwoners en meer.
   § 6. Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.
   De toepasselijke overdrachtdrempel wordt bepaald op basis van de meest recente bijgewerkte gegevens over het aantal inwoners van de gemeente die op het tijdstip van de aanneming van het overdrachtbesluit bekend zijn. Onverminderd de mogelijkheid om de verleende overdrachten te wijzigen, heeft de schommeling van het aantal inwoners geen invloed op de verleende overdracht wanneer deze eenmaal is aangenomen.
   § 7. De raad voor maatschappelijk welzijn plaatst de bestelling en zorgt voor de opvolging van de uitvoering ervan.
   Bij overdracht van bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn aan het vast bureau, aan de bijzondere comités, aan de directeur-generaal, aan de adjunct-directeur-generaal of aan een andere ambtenaar, overeenkomstig de paragrafen 4 en 5, worden de bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn bedoeld in lid 1 respectievelijk uitgeoefend door het vast bureau, het bijzondere comité, de directeur-generaal, de adjunct-directeur-generaal of de gemachtigd ambtenaar.
   § 8. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in de paragrafen 4 en 5 aanpassen.]1

  
Art. 84ter. [1 § 1er. Le conseil de l'action sociale adhère à une centrale d'achat, manifeste le cas échéant son intérêt, modifie les conditions d'adhésion et résilie l'adhésion.
   § 2. Le conseil de l'action sociale définit les besoins en termes de travaux, de fournitures ou de services et décide de recourir à la centrale d'achat à laquelle il a adhéré pour y répondre.
   § 3. En cas d'urgence impérieuse résultant d'événements imprévisibles, le bureau permanent peut d'initiative exercer les compétences du conseil de l'action sociale visées aux paragraphes 1er, 2 et 7. Sa décision est communiquée au conseil de l'action sociale [2 ...]2 lors de sa plus prochaine séance.
   § 4. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées aux paragraphes 1er et 2 au bureau permanent ou aux comités spéciaux.
   En ce qui concerne les compétences visées au paragraphe 2, pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux besoins d'un montant estimé inférieur à :
   1° 30 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;
   2° 60 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 120 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus.
   § 5. Le conseil de l'action sociale peut déléguer la manifestation d'intérêt visée au paragraphe 1er au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, à l'exclusion du directeur financier.
   Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 2 pour les dépenses relevant du budget ordinaire au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, à l'exclusion du directeur financier, et pour les dépenses relevant du budget extraordinaire au directeur général et au directeur général adjoint.
   Pour les délégations relevant du budget ordinaire, la délégation visée à l'alinéa 2 est limitée, au maximum, aux besoins d'un montant estimé inférieur à :
   1° 5 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de moins de quinze mille habitants;
   2° 10 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de quinze mille à quarante-neuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 15 000 euros H.T.V.A. dans le centre public d'action sociale d'une commune de cinquante mille habitants et plus.
   Pour les dépenses relevant du budget extraordinaire, la délégation est limitée, au maximum, aux besoins d'un montant estimé inférieur à :
   1° 2 500 euros H.T.V.A. dans les communes de moins de quinze mille habitants;
   2° 5 000 euros H.T.V.A. dans les communes de quinze mille à quaranteneuf mille neuf cent nonante-neuf habitants;
   3° 7 500 euros H.T.V.A. dans les communes de cinquante mille habitants et plus.
   § 6. Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.
   La détermination du seuil de délégation applicable s'opère sur base des dernières données mises à jour quant au nombre d'habitants de la commune connues au moment de l'adoption de la délibération de délégation. Sans préjudice de la faculté de modifier les délégations octroyées, la fluctuation du nombre d'habitants est sans incidence sur la délégation octroyée une fois celle-ci adoptée.
   § 7. Le conseil de l'action sociale passe la commande et assure le suivi de son exécution.
   En cas de délégation de compétences du conseil de l'action sociale au bureau permanent, aux comités spéciaux, au directeur général, au directeur général adjoint ou à un autre fonctionnaire, conformément aux paragraphes 4 et 5, les compétences du conseil de l'action sociale visées à l'alinéa 1er sont exercées respectivement par le bureau permanent, le comité spécial, le directeur général, le directeur général adjoint ou le fonctionnaire délégué.
   § 8. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés aux paragraphes 4 et 5.]1

  
Art. 84quater. [1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn beslist over het beginsel van de concessie van diensten of werken, stelt de voorwaarden en de nadere regels vast van de gunningsprocedure, neemt de clausules ter regeling van de concessie aan, leidt de procedure in, gunt de concessie, zorgt voor de opvolging van de uitvoering ervan en kan in de loop van de uitvoering iedere wijziging doorvoeren. [2 In de gevallen waarin onderhandelingen met inschrijvers zijn toegestaan, keurt de raad voor maatschappelijk welzijn het resultaat van de onderhandelingen goed binnen de grenzen van de reglementering en documenten die op de betrokken concessie van toepassing zijn.]2
   In gevallen van dringende noodzakelijkheid die voortvloeien uit niet te voorziene omstandigheden, kan het vast bureau, op eigen initiatief, de in lid één bedoelde bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn uitoefenen. Zijn beslissing wordt medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn, [3 ...]3 op diens eerstvolgende zitting.
   § 2. De raad voor maatschappelijk welzijn kan zijn bevoegdheden, bedoeld in paragraaf 1, lid 1, overdragen aan het vast bureau voor concessies van diensten of werken met een waarde lager dan 250.000 euro, BTW niet meegerekend.
   De waarde van de concessie komt overeen met het geraamde bedrag van het omzetcijfer dat de concessiehouder moet bereiken, vermenigvuldigd met het aantal jaren van de concessie.
   Iedere overdracht toegekend door de raad voor maatschappelijk welzijn wordt van rechtswege beëindigd, de laatste dag van de vierde maand volgend op de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de legislatuur volgend op die waarin de overdracht is toegekend.
   § 3. [2 ...]2
   § 4. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, het bedrag bedoeld in paragraaf 2 aanpassen.]1

  
Art. 84quater. [1 § 1er. Le conseil de l'action sociale décide du principe de la concession de services ou de travaux, fixe les conditions et les modalités de la procédure d'attribution, adopte les clauses régissant la concession, engage la procédure, attribue la concession, assure le suivi de son exécution et peut y apporter toute modification en cours d'exécution. [2 Dans les cas où la négociation est permise avec les soumissionnaires, le conseil de l'action sociale approuve le résultat des négociations intervenues dans la limite prévue par la règlementation et les documents applicables à la concession en cause.]2
   En cas d'urgence impérieuse résultant d'événements imprévisibles, le bureau permanent peut d'initiative exercer les compétences du conseil de l'action sociale visées à l'alinéa 1er. Sa décision est communiquée au conseil de l'action sociale [3 ...]3, lors de sa prochaine séance.
   § 2. Le conseil de l'action sociale peut déléguer ses compétences visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, au bureau permanent pour les concessions de services ou de travaux d'une valeur inférieure à 250.000 euros H.T.V.A.
   La valeur de la concession correspond au montant estimé du chiffre d'affaires à percevoir par le concessionnaire multiplié par le nombre d'années de la concession.
   Toute délégation octroyée par le conseil de l'action sociale prend fin de plein droit le dernier jour du quatrième mois qui suit l'installation du conseil de l'action sociale de la législature suivant celle pendant laquelle la délégation a été octroyée.
   § 3. [2 ...]2
   § 4. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter le montant visé au paragraphe 2.]1

  
Afdeling 2. - Budgettair en financieel beheer.
Section 2. - De la gestion budgétaire et financière.
Art. 86. Het boekjaar van het O.C.M.W. stemt overeen met het kalenderjaar. Het heeft alleen betrekking op de door het centrum verkregen rechten en de tijdens die periode ten opzichte van zijn schuldeisers aangegane verplichtingen, ongeacht het boekjaar waarin ze worden aangegaan.
  (Onverminderd de bevoegdheden die hij aan het vast bureau en aan de bijzondere comités kan verlenen en onverminderd artikel 87bis , is de raad voor maatschappelijk welzijn belast met de bepaling van de rechten op ontvangsten, de betaalbaarstelling van de uitgaven van het O.C.M.W. en met het toezicht op de boekhouding. Deze laatste bevoegdheid mag echter niet opgedragen worden.)
Art. 86. L'exercice financier du (centre public d'action sociale) correspond à l'année civile. Sont seuls considérés comme appartenant à un exercice les droits acquis au centre et les engagements pris à l'égard de ses créanciers pendant cet exercice, quel que soit l'exercice au cours duquel ils sont soldés. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (Sans préjudice des délégations qu'il peut accorder au bureau permanent et aux comités spéciaux, et de l'article 87bis , le (conseil de l'action sociale) est chargé d'arrêter les droits à recettes, d'ordonnancer les dépenses du (centre public d'action sociale) et de surveiller la comptabilité. La surveillance de la comptabilité ne peut être déléguée.) <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 87. Het algemeen reglement van de gemeenteboekhouding is van toepassing op de O.C.M.W.'s, met uitzondering van de ziekenhuizen die ervan afhangen en onder voorbehoud van de door de Regering vastgestelde afwijkende regels.
  (twee leden opgeheven)
Art. 87. (Le règlement général de la comptabilité communale est applicable aux (centres publics d'action sociale) à l'exception des hôpitaux qui en dépendent et sous réserve des règles dérogatoires arrêtées par le Gouvernement.) <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (Alinéas 2 et 3 abrogés)
Art. 87bis. Telkens als de betaling van de sociale hulp of van het bestaansminimum zich opdringt, stelt het orgaan van het centrum dat de sociale hulp of het bestaansminimum heeft besloten toe te kennen, de lijst van de uitgaven tijdens de zitting op, die, zodra ze door de aanwezige leden ondertekend is, als ordonnancering geldt en in de notulen wordt vermeld. De verzending van deze lijst, die door de voorzitter en de secretaris ondertekend is, geldt als machtiging tot betaling.
Art. 87bis. Dans tous les cas où le paiement de l'aide sociale ou du minimum de moyens d'existence s'impose d'urgence, l'organe du centre qui a pris la décision d'octroi de l'aide sociale ou du minimum de moyens d'existence établit, séance tenante, la liste des dépenses, qui, signée par les membres présents, vaut ordonnancement et fera partie du procès-verbal. Expédition de cette liste, signée par le président et le secrétaire, constitue mandat de paiement.
Art. 88. § 1. [3 [4 Het vast bureau vergadert jaarlijks in de loop van uiterlijk de maand september om de voorlopige initiële begroting van het volgend dienstjaar vast te leggen.
   De Raad voor maatschappelijk welzijn vergadert jaarlijks in de loop van uiterlijk de maand oktober om de definitieve initiële begroting van het volgend dienstjaar vast te leggen. Op voorstel van het beheerscomité van het ziekenhuis legt de Raad voor maatschappelijk welzijn eveneens de begroting van elke ziekenhuis dat van het centrum afhangt, vast.]4

   Bij deze begrotingen wordt een algemene beleidsnota gevoegd, alsook een verslag dat het in artikel 26bis, § 5, bedoelde verslag opneemt, een verslag over het ziekenhuisbeleid en de doelstellingen en samenwerkingsmogelijkheden in ziekenhuisverband.]3
.
  De raad voor maatschappelijk welzijn moet zich uitspreken binnen veertig dagen na de betekening van het voorstel van het beheerscomité; bij gebreke daarvan wordt de raad geacht het voorstel te hebben goedgekeurd.
  De raad moet op deze begrotingen jaarlijks alle verplichte uitgaven boeken die krachtens wets- of verordeningsbepalingen ten laste komen van het O.C.M.W., meer bepaald de wedden en uitkeringen van de voorzitter, de secretaris, de ontvanger en de personeelsleden [4 evenals hun reiskostenvergoedingen]4 , de uitgaven voor sociale hulp, [4 ...]4, de vaststaande en opeisbare schulden van het centrum en de schulden die uit uitvoerbare rechterlijke veroordelingen voortvloeien, de bureaukosten, het onderhoud van de gebouwen, de huurgelden van de door het centrum gebruikte gebouwen en de kosten die aan de boekhouding van het centrum gebonden zijn.
  De raad moet op deze begrotingen jaarlijks alle nader bepaalde ontvangsten van het O.C.M.W. boeken, evenals de krachtens een wets- of verordeningsbepaling toegekende ontvangsten en de overschotten van de vorige boekjaren.)
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  [2 ...]2
  § 2. Indien na goedkeuring van de begroting kredieten moeten worden uitgetrokken of vermeerderd om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, gaat de raad voor maatschappelijk welzijn over tot wijziging van de begroting. Die wijziging is onderworpen aan de (goedkeuringen) bepaald [2 in artikel 112bis]2. <W 1992-08-05/46, art. 48; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  (Ingeval de minste vertraging onbetwistbare schade zou berokkenen, kan de raad voor maatschappelijk welzijn met de toestemming van het (gemeentelijk college) van burgemeester en schepenen, in de uitgave voorzien, onder verplichting de begroting te wijzigen door er zo spoedig mogelijk de nodige kredieten op te boeken.
  Wat betreft [1 de betaling van het leefloon]1 of het verlenen van individuele sociale hulp onder de vorm van een financiële tegemoetkoming, en ingeval de minste vertraging onbetwistbare schade zou berokkenen aan een persoon die om sociale hulp of om het bestaansminimum verzoekt, maakt het bevoegde orgaan dat besloten heeft de hulp te verlenen, gebruik van de mogelijkheid bedoeld in het vorige lid, zonder de toestemming van het (gemeentelijk college) te moeten vragen.
  In de gevallen bedoeld in het tweede en het derde lid zal de [4 financieel directeur]4 de betaling verrichten vóór de goedkeuring van de begrotingswijziging.)
  § 3. (De begrotingsontwerpen alsook de algemene beleidsnota en de in § 1, eerste lid, bedoelde verslagen) of het ontwerp van begrotingswijziging en de daarbijhorende verklarende en stavende nota, opgemaakt door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden aan ieder lid van de raad voor maatschappelijk welzijn [5 langs elektronische weg overgemaakt]5 tenminste zeven vrije dagen vóór de dag van de vergadering waarop deze zullen worden besproken.)
  § 4. [2 ...]2
  
Art. 88. § 1er. [5 [6 Le Bureau permanent se réunit chaque année durant le mois de septembre au plus tard pour arrêter le budget initial provisoire de l'exercice suivant.
   Le Conseil de l'action sociale se réunit chaque année durant le mois d'octobre au plus tard pour arrêter le budget initial définitif de l'exercice suivant. Sur proposition du comité de gestion de l'hôpital, le Conseil de l'action sociale arrête également le budget de chaque hôpital dépendant du centre.]6

   Une note de politique générale ainsi qu'un rapport reprenant le rapport visé à l'article 26bis, § 5, un rapport concernant la politique hospitalière et les objectifs et synergies possibles dans le domaine hospitalier sont annexés à ces budgets.]5

  Le (conseil de l'action sociale) doit statuer dans un délai de quarante jours a compter de la notification de la proposition du comité de gestion, à défaut de quoi le conseil est réputé avoir approuvé ladite proposition.
  Le conseil est tenu de porter annuellement à ces budgets toutes les dépenses obligatoires que des dispositions législatives ou réglementaires mettent à la charge du (centre public d'action sociale) et spécialement les traitements et pensions du président, du [2 directeur général]2, du [3 directeur financier]3 et des membres du personnel, [6 ainsi que leurs indemnités pour frais de parcours]6 les dépenses d'aide sociale, [6 ...]6, les dettes du centre liquides et exigibles et celles résultant de condamnations judiciaires exécutoires, les frais de bureau, l'entretien des bâtiments, les loyers des immeubles occupés par le centre et les frais afférents à la comptabilité du centre. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Le conseil est tenu de porter annuellement à ces budgets, en les spécifiant, toutes les recettes quelconques du (centre public d'action sociale) ainsi que celles qu'une disposition législative ou réglementaire attribue et les excédents des exercices antérieurs.) <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  [4 ...]4
  [4 ...]4
  [4 ...]4
  [4 ...]4
  [4 ...]4
  [4 ...]4
  § 2. Si, après approbation du budget, des crédits doivent y être portés ou majorés pour faire face à des circonstances imprévues, le (conseil de l'action sociale) procédera à une modification de ce budget. Celle-ci sera soumise aux approbations prévues [4 à l'article 112bis]4.
  (Dans le cas où le moindre retard occasionnerait un préjudice évident, le conseil de l'aide sociale peut, moyennant l'autorisation du (collège communal), pourvoir a la dépense, à charge de porter sans délai les crédits nécessaires au budget par une modification de celui-ci.
  En ce qui concerne [1 le paiement du revenu d'intégration]1 ou d'une aide sociale individuelle accordée sous forme d'aide financière et dans le cas où le moindre retard occasionnerait un préjudice évident à un demandeur d'aide sociale ou du minimum de moyens d'existence, l'organe compétent qui a pris la décision d'accorder l'aide use de la même faculté qu'à l'alinéa précédent, sans devoir solliciter l'autorisation du (collège communal).
  Dans les cas visés aux alinéas 2 et 3, le [6 directeur financier]6 effectuera le paiement sans attendre l'approbation de la modification budgétaire.)
  § 3. (Les projets de budget ainsi que la note de politique générale et les rapports vises au § 1er, alinéa 1er, ou le projet de modification budgétaire ainsi que la note explicative et justificative y afférente, établis par le (centre public d'action sociale) [7 sont transmis par voie électronique]7 à chaque membre du (conseil de l'action sociale) au moins sept jours francs avant la date de la séance au cours de laquelle ils seront discutés.) <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 4. [4 ...]4
  
Art. 88bis. [1 De OCMW's maken hun voorlopige initiële begroting, hun definitieve initiële begroting, en iedere begrotingswijziging aan de Regering over, volgens de nadere regels volgens laatstgenoemde vastgelegd.]1
  
Art. 88bis. [1 Les CPAS transmettent leur budget initial provisoire, leur budget initial définitif ainsi que toute modification budgétaire au Gouvernement selon les modalités arrêtées par ce dernier.]1
  
Art. 88ter. [1 Bij elke begroting en bij begrotingswijzigingen worden er door de OCMW's meerjarige begrotingsvooruitzichten aan de Regering overgemaakt, volgens de nadere regels door laatstgenoemde vastgelegd.]1
  
Art. 88ter. [1 Lors de chaque budget et modifications budgétaires, les CPAS élaborent et transmettent des prévisions budgétaires pluriannuelles au Gouvernement selon les modalités qu'il détermine.]1
  
Art. 89. [2 [3 Het vast bureau vergadert jaarlijks uiterlijk in de loop van de maand februari om de voorlopige begrotingsrekening van het voorafgaande jaar vast te leggen, waarin een overzicht is opgenomen van de toestand van de vastgestelde nettorechten, de verbintenissen en de op 31 december van het voorafgaande dienstjaar geboekte verrekeningen.]3
   [3 De Raad voor maatschappelijk welzijn vergadert jaarlijks in de loop van uiterlijk de maand mei om de rekeningen van het vorig dienstjaar vast te leggen.]3
   De jaarlijkse rekeningen omvatten de begrotingsrekening, de resultaatrekeningen en de balans alsmede de lijst van de aannemers van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten waarvoor de provincieraad de gunningswijze heeft gekozen en de voorwaarden heeft bepaald. Hij legt jaarlijks ook de jaarrekeningen van het voorafgaande jaar vast voor elk van de ziekenhuizen onder zijn beheer tijdens een zitting die vóór 1 juni plaatsvindt. Tijdens de vergadering waarop de raad voor maatschappelijk welzijn deze jaarrekeningen vastlegt, brengt de voorzitter verslag uit over de toestand van het centrum en over het tijdens het voorafgaande boekjaar gevoerde beheer inzake de uitvoering van de budgettaire vooruitzichten, alsook wat betreft de ontvangsten en het gebruik van de toelagen toegekend door de Staat in het kader van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het jaarverslag wordt vooraf samen met de rekening doch met uitsluiting van de verantwoordingsstukken, tenminste zeven dagen vóór de vergadering aan elk raadslid meegedeeld.]2

  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  (Bij niet-goedkeuring door de gemeenteraad worden de rekeningen samen met de beslissing van de gemeenteraad door de zorg van het centrum, vóór 1 augustus van het voormelde jaar, ter goedkeuring overgelegd aan (het provinciecollege), die de rekeningen definitief vaststelt.) <W 1992-08-05/46, art. 49; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  Het nazicht van de bewijsstukken door de afgevaardigden van de toezichthoudende overheden gebeurt ter plaatse.
  
Art. 89. [2 [3 Le Bureau permanent se réunit chaque année durant le mois de février au plus tard pour arrêter le compte budgétaire provisoire de l'exercice précédent qui reprend la situation des droits constatés nets, des engagements et des imputations comptabilisés au 31 décembre de l'exercice précédent.]3
   [3 Le Conseil de l'action sociale se réunit chaque année durant le mois de mai au plus tard pour arrêter les comptes de l'exercice précédent.]3
   Les comptes annuels comprennent le compte budgétaire, le compte de résultats et le bilan ainsi que la liste des adjudicataires des marchés de travaux, de fournitures ou de services pour lesquels le conseil de l'action sociale a choisi le mode de passation et a fixé les conditions. Il arrête également chaque année les comptes de l'exercice précédent de chacun des hôpitaux gérés par celui-ci au cours d'une séance qui a lieu avant le 1er juin. Au cours de la séance pendant laquelle le conseil arrête lesdits comptes, le président rend compte de la situation du centre et de sa gestion au cours de l'exercice écoulé, en ce qui concerne la réalisation des prévisions budgétaires ainsi qu'en ce qui concerne la perception et l'utilisation des subventions octroyées par l'Etat dans le cadre de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'action sociale. Le rapport annuel est transmis à chacun des conseillers, en même temps que les comptes, mais à l'exclusion des pièces justificatives, au moins sept jours avant la séance.]2

  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  (En cas d'improbation par le conseil communal, les comptes, accompagnés de la délibération du conseil, sont soumis, par les soins du centre, avant le 1er août de l'année susmentionnée, à l'approbation (du collège provincial) qui arrête définitivement les comptes.) <L 1992-08-05/46, art. 49; En vigueur : 18-10-1992>
  La vérification des pièces justificatives par les délégués des autorités de tutelle se fait sur place.
  
Art. 89bis. [1 [2 Tegelijk met het overzenden ervan aan de toezichthoudende overheid]2, deelt het vast Bureau de volgende documenten aan de representatieve vakorganisaties mee :
   1) de begroting en begrotingswijzigingen die door de Raad voor sociale actie worden aangenomen;
   2) de door de Raad voor sociale actie aangenomen rekening.
   Informatie met betrekking tot de structuur van de tewerkstelling, de evolutie ervan en de vooruitzichten inzake tewerkstelling, het personeel dat gedurende het geheel of een deel van het referentiejaar wordt tewerkgesteld zijn gevoegd bij de begroting en de door de Raad voor sociale actie aangenomen rekening [3 alsook het aantal voorziene benoemingen op het lopende begrotingsjaar]3.
   De documenten bedoeld in het eerste lid kunnen langs elektronische weg worden meegedeeld. [4 Ze worden door de toezichthoudende overheid zodra ze zijn goedgekeurd gepubliceerd op de website van het openbare centrum voor maatschappelijk welzijn of, bij gebrek daaraan, van de gemeente, en worden neergelegd op de zetel van het centrum, waar iedereen ter plaatse er altijd kennis van kan nemen. De bekendmakingstermijn mag niet korter zijn dan zes jaar.]4
   Op hun aanvraag, ingediend binnen vijf dagen na de mededeling van de documenten bedoeld in het eerste lid, worden de representatieve vakorganisaties door de voorzitter van de O.C.M.W. onverwijld uitgenodigd op een specifieke informatiesessie waarop bedoelde documenten worden voorgelegd en uitgelegd.
   [2 ...]2]1

  
Art. 89bis. [1 [2 Simultanément à leur envoi à l'autorité de tutelle]2, le Bureau permanent communique aux organisations syndicales représentatives les documents suivants :
   1) le budget et les modifications budgétaires adoptées par le Conseil de l'action sociale;
   2) le compte adopté par le Conseil de l'action sociale.
   Accompagnent le budget et le compte adoptés par le Conseil de l'action sociale, les informations sur la structure de l'emploi, son évolution et les prévisions d'emploi, le personnel occupé pendant tout ou partie de l'année de référence [3 ainsi que le nombre de nominations prévues sur l'année budgétaire en cours]3.
   Les documents visés à l'alinéa 1er peuvent être communiqués par la voie électronique. [4 Ils sont publiés dès leur approbation par l'autorité de tutelle sur le site internet du centre public d'action sociale ou, à défaut, de la commune et sont déposés au siège du centre, où quiconque peut toujours en prendre connaissance sans déplacement. La durée de la publication ne peut être inférieure à six ans.]4
   A la demande des organisations syndicales représentatives introduite dans les cinq jours de la communication des documents visés à l'alinéa 1er, le président du C.P.AS. invite sans délai ces dernières à une séance d'information spécifique au cours de laquelle lesdits documents sont présentés et expliqués.
   [2 ...]2]1

  
Art. 89ter. [1 De OCMW's maken hun voorlopige begrotingsrekening en hun jaarrekeningen aan de Regering over, volgens de nadere regels door laatstgenoemde vastgelegd.]1
  
Art. 89ter. [1 Les CPAS transmettent leur compte budgétaire provisoire et leurs comptes annuels au Gouvernement selon les modalités arrêtées par ce dernier.]1
  
Art. 89quater. [1 De Regering zamelt in het kader van haar opdrachten ieder statistisch gegeven bij de OCMW's in.]1
  
Art. 89quater. [1 Le Gouvernement collecte, dans le cadre de ses missions, toute donnée statistique auprès des CPAS.]1
  
Art. 91. [1 De vastleggingen, verrekeningen of betaalbaarstellingen van een uitgave zijn slechts toegelaten voor een op de begroting voorkomende post, een voorlopig krediet toegekend onder de voorwaarden en binnen de door de Regering vastgestelde perken, een krachtens het derde lid en § 2 overgedragen krediet of een overeenkomstig artikel 88, § 2, toegekend krediet.]1
  (Geen artikel van de uitgaven der begroting mag worden overschreden, met uitzondering van de ambtshalve opgenomen uitgaven.
  Geen enkele overschrijving mag geschieden dan na een behoorlijk goedgekeurde wijziging van de begroting. In de loop van het ganse begrotingsjaar mag de raad voor maatschappelijk welzijn evenwel interne aanpassingen van de kredieten uitvoeren binnen eenzelfde begrotingsenveloppe zonder het oorspronkelijke totale bedrag van de enveloppe te overschrijden. De lijst van de krachtens deze paragraaf overgeschreven kredieten wordt in bijlage aan de rekening toegevoegd.
  Een begrotingsenveloppe omvat de kredieten ingeschreven op de verschillende artikelen die dezelfde economische aard hebben in eenzelfde functionele code; de economische aard wordt vastgesteld aan de hand van de eerste twee cijfers van de economische code.) <W 1992-08-05/46, art. 51; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  (§ 2. Wanneer bij het afsluiten van een boekjaar sommige posten bezwaard zijn met verbintenissen die regelmatig en werkelijk werden aangegaan ten gunste van de schuldeisers van het centrum, wordt het kredietgedeelte dat nodig is om de uitgave af te betalen, naar het volgende boekjaar overgedragen bij beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn, die bij de rekening van het afgesloten boekjaar gevoegd wordt.
  De aldus overgedragen kredieten kunnen gebruikt worden zonder een nieuwe beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn en van de toezichthoudende overheden.)
  (§ 3. [1 In geval van ongunstig advies van de financieel directeur, zoals voorzien in artikel 46 of in de gevallen bepaald in artikel 64 van het algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, aangepast aan de OCMW's, kan de Raad voor maatschappelijk welzijn of, in geval van delegatie toegekend krachtens deze wet, het orgaan of de persoon die houder is van de delegatie, onder zijn verantwoordelijkheid, beslissen dat de uitgave toegerekend en ten uitvoer gelegd wordt. De gemotiveerde beraadslaging van de Raad voor maatschappelijk welzijn of het orgaan of de persoon die houder is van de delegatie wordt bij het betalingsmandaat gevoegd.
   Indien het een beraadslaging betreft van het orgaan of de persoon die houder is van de delegatie, wordt de raad daar onmiddellijk over ingelicht en het orgaan of de persoon die houder is van de delegatie kan eveneens beslissen zijn beslissingen voor te leggen aan de bekrachtiging door de Raad voor maatschappelijk welzijn op diens eerstvolgende zitting.]1
)
  [1 § 4. De leden van de Raad voor maatschappelijk welzijn, het orgaan of de persoon waaraan delegatie is verleend, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de uitgaven die ze in strijd met § 1 vastleggen of betaalbaar stellen.]1
  
Art. 91. § 1er. [1 Aucun engagement, imputation ou mise en paiement d'une dépense ne peut avoir lieu qu'en vertu d'une allocation portée au budget, d'un crédit provisoire alloué dans les conditions et limites fixées par le Gouvernement, d'un crédit transféré conformément à l'alinéa 3 et au paragraphe 2 ou d'un crédit alloué conformément à l'article 88, § 2.]1
  (Aucun article des dépenses du budget ne peut être dépassé à l'exception des dépenses prélevées d'office.
  Aucun transfert ne peut avoir lieu sans une modification budgétaire dûment approuvée. Toutefois, durant tout l'exercice budgétaire, le (conseil de l'action sociale) peut effectuer des ajustements internes de crédits au sein d'une même enveloppe budgétaire sans que soit dépassé le montant global initial de l'enveloppe. La liste des crédits transférés en vertu du présent paragraphe sera annexée au compte.
  Forment une enveloppe budgétaire les allocations portées aux différents articles qui ont la même nature économique dans un même code fonctionnel, la nature économique étant identifiée par les deux premiers chiffres du code économique.) <L 1992-08-05/46, art. 51; En vigueur : 18-10-1992>
  (§ 2. Lorsque, à la clôture d'un exercice, certaines allocations sont grevées d'engagements régulièrement et effectivement contractés en faveur des créanciers du centre, la partie d'allocation nécessaire pour solder la dépense est transférée à l'exercice suivant par décision du (conseil de l'action sociale) qui sera annexée au compte de l'exercice clos.
  Il peut être disposé des allocations ainsi transférées sans nouvelle intervention du (conseil de l'action sociale) et des autorités de tutelle.)
  (§ 3. [1 En cas d'avis défavorable du directeur financier tel que prévu à l'article 46 ou dans les cas prévus à l'article 64 du règlement général de la comptabilité communale adapté aux CPAS, le Conseil de l'action sociale ou, en cas de délégation accordée en vertu de la présente loi, l'organe ou la personne qui a reçu délégation, peut décider, sous sa responsabilité, que la dépense est imputée et exécutée. La délibération motivée du Conseil de l'action sociale ou de l'organe ou de la personne qui a reçu délégation est jointe au mandat de paiement.
   Lorsqu'il s'agit d'une délibération de l'organe ou de la personne qui a reçu délégation, information en est donnée immédiatement au conseil et l'organe ou la personne qui a reçu délégation peut également décider de soumettre sa décision à la ratification du Conseil de l'action sociale à sa plus prochaine séance.]1
)
  [1 § 4. Les membres du Conseil de l'action sociale, l'organe ou la personne auquel celui-ci a donné délégation sont personnellement responsables des dépenses engagées ou ordonnancées par eux contrairement au paragraphe 1er.]1
  
Art. 92. [1 Artikel 92. In geval van weigering of vertraging bij het betaalbaar stellen van het bedrag van de uitgaven die de wet of een uitvoerbaar verklaarde rechtsbeslissing ten laste van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn legt, geeft de gouverneur, na de raad voor maatschappelijk welzijn te hebben gehoord, het bevel tot betaling en geldt het desbetreffende bedrag als ambtshalve opneming van het krediet op de begroting van het lopende boekjaar. Zijn beslissing geldt als mandaat; de financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of de schatbewaarder van het ziekenhuis betaalt het bedrag.]1
  
Art. 92. [1 En cas de refus ou de retard d'ordonnancer le montant des dépenses que la loi ou une décision judiciaire exécutoire met à la charge des centres publics d'action sociale, le gouverneur, après avoir entendu le conseil de l'action sociale, en ordonne le paiement, et le montant y relatif vaut inscription d'office du crédit au budget de l'exercice en cours. Sa décision tient lieu de mandat; le directeur financier du centre public d'action sociale ou le trésorier de l'hôpital en acquitte le montant.]1
  
Art. 93. [1 § 1. De raad voor maatschappelijk welzijn, of de door de raad aangewezen leden, controleert de kas van de financieel directeur minstens één keer per kwartaal en stelt er proces-verbaal van op, waarin zijn opmerkingen en die van de financieel directeur opgenomen worden; het proces-verbaal wordt ondertekend door de financieel directeur en de leden van raad voor maatschappelijk welzijn die de controle hebben gevoerd.
   Het proces-verbaal, opgemaakt naar het door de Regering bepaalde model, wordt meegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en aan de gemeentecollege.
   Als de financieel directeur instaat voor verschillende openbare kasgelden, worden die tegelijkertijd gecontroleerd.
   § 2. De financieel directeur geeft de raad voor maatschappelijk welzijn onmiddellijk kennis van elk tekort te wijten aan diefstal of verlies.
   Overeenkomstig paragraaf 1 wordt onmiddellijk een kasinspectie uitgevoerd om het bedrag van het tekort vast te stellen.
   Het proces-verbaal van de kasinspectie wordt aangevuld met een feitenrelaas en een verslag over de bewarende maatregelen die de financieel directeur heeft genomen.
   § 3. Als de kasinspectie wijst op een tekort wegens diefstal [2 waarvan de financieel directeur niet aan de oorsprong is]2 of verlies, verzoekt de raad voor maatschappelijk welzijn de financieel directeur bij aangetekend schrijven erom een gelijkwaardige som in de kassa van het centrum te storten. Dat verzoek wordt voorafgegaan door een beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn waarbij bepaald wordt of en in welke mate de financieel directeur aansprakelijk gesteld moet worden voor de diefstal of het verlies en waarbij het te betalen bedrag van het tekort wordt vastgesteld; een afschrift van deze beslissing wordt bij het verzoek om betaling gevoegd.
   § 4. Binnen zestig dagen na de kennisgeving van dat verzoek kan de financieel directeur een beroep bij de Regering indienen. Dat beroep schorst de tenuitvoerlegging.
   De Regering spreekt zich [2 ...]2 uit over de aansprakelijkheid van de financieel directeur en bepaalt het bedrag van het tekort dat bijgevolg voor zijn rekening is.
   De beslissing van de Regering wordt uitgevoerd na afloop van de termijn bedoeld in artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; na afloop van de termijn of bij gebrek aan beroep wordt de beslissing uitgevoerd op het persoonlijke vermogen van de financieel directeur indien hij de beslissing niet vrijwillig ten uitvoer legt. Wanneer de financieel directeur geen beroep indient bij het de Regering en het verzoek om betaling niet inwilligt na het verstrijken van de toegestane termijn, wordt eveneens gehandeld door middel van een dwangbevel.
   § 5. Alle bepalingen van dit artikel zijn, mutatis mutandis en behalve andersluidend voorschrift, toepasselijk op de gewestelijke ontvanger.]1

  
Art. 93. [1 § 1. Le conseil de l'action sociale ou ceux de ses membres qu'il désigne à cette fin vérifie l'encaisse du directeur financier au moins une fois par trimestre et établit un procès-verbal de vérification qui mentionne ses observations et celles formulées par le directeur financier; il est signé par le directeur financier et les membres du conseil de l'action sociale qui ont procédé à la vérification.
   Le procès-verbal, conforme au modèle arrêté par le Gouvernement, est communiqué au conseil de l'action sociale et au collège communal.
   Lorsque le directeur financier a la charge de plusieurs encaisses publiques, celles-ci sont vérifiées simultanément.
   § 2. Le directeur financier signale immédiatement au conseil de l'action sociale tout déficit résultant d'un vol ou d'une perte.
   Il est aussitôt procédé à la vérification de l'encaisse, conformément au paragraphe 1er, en vue de déterminer le montant du déficit.
   Le procès-verbal de la vérification est complété par l'exposé des circonstances et des mesures de conservation prises par le directeur financier.
   § 3. Lorsque la vérification de l'encaisse fait apparaître un déficit à la suite d'un vol [2 dont le directeur financier n'est pas à l'origine]2 ou d'une perte, le conseil de l'action sociale invite le directeur financier, par recommandé, à verser une somme équivalente dans la caisse du centre. Cette invitation est précédée par une décision du conseil de l'action sociale établissant si et dans quelle mesure le directeur financier doit être tenu pour responsable du vol ou de la perte, et fixant le montant du déficit en résultant qu'il appartient de solder; une expédition de cette décision est annexée à l'invitation qui lui est faite de payer.
   § 4. Dans les soixante jours à dater de la notification de cette invitation, le directeur financier peut saisir le Gouvernement d'un recours. Ce recours est suspensif de l'exécution.
   Le Gouvernement statue [2 ...]2 sur la responsabilité incombant au directeur financier et fixe le montant du déficit qui doit en conséquence être mis à sa charge.
   La décision du Gouvernement est exécutée après l'expiration du délai visé à l'article 4, alinéa 3, de l'arrêté du Régent du 23 août 1948 déterminant la procédure devant la section d'administration du Conseil d'Etat; une fois le délai expiré, ou en l'absence de recours, la décision est exécutée sur les biens personnels du directeur financier s'il ne s'est pas exécuté volontairement. Lorsque le directeur financier n'introduit pas de recours auprès du Gouvernement et s'abstient, à l'expiration du délai imparti pour ce faire, de satisfaire à l'invitation de payer qui lui est adressée, il est procédé de la même manière à l'exécution par voie de contrainte.
   § 5. Toutes les dispositions du présent article sont applicables, mutatis mutandis, et sauf mention contraire, au receveur régional.]1

  
Afdeling 3. - Afzonderlijk beheer van diensten en inrichtingen.
Section 3. - De la gestion distincte des services et établissements.
Art. 94. § 1. De (Regering) kan voor sommige diensten en inrichtingen afhangende van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bepaalde regelen treffen in verband met een afzonderlijk beheer, het houden van inventarissen en de boekhouding.
  (§ 2. Het ziekenhuis dat van een O.C.M.W. afhangt, wordt beheerd door een beheerscomité dat van rechtswege voorgezeten wordt door de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of door het raadslid dat hem vervangt.
  Het beheerscomité bestaat uit de voorzitter en uit vijf leden van de raad voor maatschappelijk welzijn. Het wijst onder zijn leden een vice-voorzitter aan wiens bevoegdheden in het huishoudelijk reglement vastgelegd zijn. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.
  De secretaris van het centrum, de directeur van het ziekenhuis, de hoofdgeneesheer, het hoofd van de verpleegafdeling, de penningmeester en de rekenplichtige hebben zitting met raadgevende stem binnen het beheerscomité.
  De burgemeester of het door hem aangewezen lid van het college en een persoon die door het (gemeentelijk college) aangewezen wordt op grond van zijn bevoegdheden inzake ziekenhuisbeheer, wonen de zittingen van het beheerscomité bij met raadgevende stem.
  Het beheerscomité kan andere al dan niet in het ziekenhuis tewerkgestelde personen oproepen voor vergaderingen om gehoord te worden als deskundigen inzake bepaalde aangelegenheden. Zij moeten de zaal verlaten vóór iedere stemming of vooraleer het comité een beslissing neemt.
  Voor de verkiezing van de leden van het vast bureau worden de leden van het beheerscomité door de raad aangewezen overeenkomstig de regels van artikel 27, § 3, vierde, vijfde, zesde en zevende lid.
  De opdracht tot ondertekening van de voorzitter wordt mutatis mutandis geregeld bij artikel 28, § 2, tweede lid, van de wet.)
  (§ 3. Het beheerscomité van het ziekenhuis regelt alles wat het ziekenhuis betreft, behalve de volgende aangelegenheden die door de raad voor maatschappelijk welzijn geregeld worden :
  - de begroting en begrotingswijzigingen;
  - de rekeningen;
  - het uitwerken van een beheersplan voor het ziekenhuis;
  - de personeelsformatie, het administratief en geldelijk statuut van het ziekenhuispersoneel;
  - het arbeidsreglement dat van toepassing is op het contractuele personeel van het ziekenhuis;
  - de vaste benoeming, de bevordering, de tuchtstraffen en het in disponibiliteit stellen van het ziekenhuispersoneel;
  - het algemeen reglement tot regeling van de juridische betrekkingen tussen het ziekenhuis en de geneesheren;
  - de werving bij arbeidsovereenkomst of het ontslag van de personeelsleden die met raadgevende stem zitting hebben binnen het beheerscomité;
  - de toetreding tot een vereniging, zoals bepaald in hoofdstuk XII van de organieke wet van 8 augustus 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, of tot een intercommunale;
  - de oprichting van nieuwe diensten en de uitbreiding van bestaande structuren in het kader van het ziekenhuis;
  - de vervreemding en de aankoop van onroerende goederen;
  - het instellen van een beroep bij de Raad van State en de rechtbanken;
  - de onteigeningen;
  - de giften en legaten;
  - de oprichting van en de toetreding tot een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig artikel 79, § 3;
  - de rechtstreekse of onrechtstreekse overdracht van ziekenhuisactiviteiten en de aankoop of overdracht van ziekenhuisbedden;
  - [1 de aanwijzing van een bijzondere financieel directeur voor het ziekenhuis.]1;
  - [1 ...]1.
  Onder voorbehoud van artikel 88, § 1, kan de raad voor maatschappelijk welzijn de in het eerste lid bedoelde beslissingen slechts nemen na advies van het beheerscomité van het ziekenhuis.
  Indien het beheerscomité geen advies heeft uitgebracht binnen twee maanden na de dag waarop het dossier heeft ontvangen, kan de procedure zonder zijn advies worden voortgezet.
  De raad voor maatschappelijk welzijn moet zich uitspreken binnen één maand na de betekening van het advies van het beheerscomité. Bij gebreke hiervan kan het beheerscomité van het ziekenhuis de plaats innemen van de raad voor maatschappelijk welzijn om de beslissing te nemen waarover het een advies heeft uitgebracht.)
  (§ 4. De directeur van het ziekenhuis behandelt de zaken, leidt de bestuurstaken, neemt het dagelijks beheer van het ziekenhuis waar en bewaart de archieven ervan onder het toezicht van het beheerscomité. De directeur is het hoofd van het ziekenhuispersoneel, onverminderd het feit dat de secretaris bevoegd blijft om de dossiers te behandelen die onder de bevoegdheid van de raad voor maatschappelijk welzijn vallen.
  De directeur moet de notulen van de vergaderingen van het beheerscomité van het ziekenhuis opmaken. Hij is verantwoordelijk voor de opneming van deze notulen en van de beraadslagingen van het beheerscomité in de daarvoor bestemde registers.
  De notulen en beraadslagingen worden door de voorzitter en de directeur ondertekend.
  De directeur is verantwoordelijk voor zijn handelingen ten overstaan van het beheerscomité.
  Ten gevolge van de beslissing tot betaalbaarstelling of invordering door het bevoegde orgaan laat de directeur de bevelschriften tot betaling alsmede de invorderingsstaten opmaken. Zij worden door de voorzitter en de directeur ondertekend. De directeur maakt de voorontwerpen van de begroting van het ziekenhuis op.
  De directeur moet zich richten naar de voorschriften die hem door de voorzitter en de raad voor maatschappelijk welzijn of het beheerscomité worden opgelegd naar gelang van hun respectievelijke bevoegdheden.
  De directeur handelt in nauwe samenwerking met de verantwoordelijken voor de verschillende aspecten van de ziekenhuisactiviteiten, alsmede met de verantwoordelijken voor de activiteiten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  Het beheerscomité kan welbepaalde bevoegdheden opdragen aan de directeur en aan de personen die het belast heeft met het algemeen en dagelijks bestuur van het ziekenhuis. Deze overdracht van bevoegdheden kan echter ieder ogenblik geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.
  De directeur van het ziekenhuis kan zijn ondertekening opdragen met de goedkeuring van het beheerscomité.
  Voor de handelingen van de overheid waaraan het beheerscomité machtiging heeft verleend, is de beslissing rechtstreeks onderworpen aan de beoordeling van dezelfde toezichthoudende overheden, zoals dat het geval zou zijn geweest indien het beheerscomité zelf een beslissing daarover had genomen.)
  § 4bis. (...)
  § 5. [2 Behoudens aanwijzing van een bijzondere financieel directeur door de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt de functie van schatbewaarder van het ziekenhuis uitgoefend door de financieel directeur van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
   De ontvangsten en uitgaven van het ziekenhuis worden verricht door de schatbewaarder, die de rekeningen moet verantwoorden bij het beheerscomité van het ziekenhuis.
   Wat de activiteiten in het ziekenhuis betreft, staat de schatbewaarder onder het gezag van het beheerscomité, met inachtneming van de wetsbepalingen betreffende zijn aansprakelijkheid.
   De bepalingen die op de financieel directeur toepasselijk zijn wat betreft zijn vervanging in geval van afwezigheid, de eindebeheersrekening en het kastekort alsook de artikelen 92 en 115 zijn toepasselijk op de schatbewaarder.
   De boeken van het ziekenhuis worden gehouden door een speciaal daartoe aangewezen boekhouder. Hij houdt zich aan de richtlijnen van de directeur.]2

  (§ 6. Een afschrift van iedere beslissing van het beheerscomité, van de directeur van het ziekenhuis of de gemachtigde diensthoofden wordt binnen vijftien dagen na goedkeuring ervan aan de raad voor maatschappelijk welzijn overgemaakt.)
  § 7. De (Regering) kan voor het beheer van de ziekenhuizen die afhangen van een intercommunale vereniging of van een vereniging opgericht overeenkomstig hoofdstuk XII van deze wet een gelijkaardige regeling uitwerken als voor de ziekenhuizen die afhangen van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  (§ 8. Het in paragraaf 2 bedoelde beheerscomité beheert eveneens, overeenkomstig de paragrafen 3 tot en met 6, het gedeelte van een ziekenhuis dat wordt omgeschakeld tot verblijfsdienst voor de opneming van personen die behoefte hebben aan zorgverlening, zoals bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging. In dit geval worden de boekhouding, de thesaurie, de begroting en de rekeningen, alsook het personeelskader van deze verblijfsdienst, gescheiden gehouden van die van het ziekenhuis.)
  (§ 9. Het beheer van het ziekenhuis dat van een O.C.M.W. afhangt, kan het voorwerp uitmaken van een beheersovereenkomst die door het centrum en de gemeente gesloten wordt na overleg met het beheerscomité en na advies van de medische raad en van het vakbondsoverlegcomité.
  De beheersovereenkomst wordt gesloten voor de duur van de uitoefening van de mandaten van de adviseurs voor maatschappelijk welzijn ten gevolge van de volledige hernieuwing van de raad. Ze kan gewijzigd worden volgens dezelfde procedure als die voor haar goedkeuring.
  De beheersovereenkomst bepaalt :
  a. de van het ziekenhuis verwachte opdrachten en de taken die het vervult in het kader van zijn openbare opdrachten zonder te mogen afwijken van de opdrachten die het moet vervullen krachtens de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  b. de voorschriften voor de uitoefening van een betaalbare geneeskunde van hoog niveau, met inbegrip van de perken van eventuele tarifering van de verleende diensten, ten behoeve van iedereen, ongeacht het inkomstenniveau, de verzekeringsmogelijkheden, de herkomst en filosofische opvattingen;
  c. de wijze waarop de patiënten in kennis gesteld worden van de toegepaste prijzen en de waarborg voor de inachtneming ervan;
  d. de budgettaire doelstellingen;
  e. de organisatie van de diensten die samenwerken met de andere diensten van het O.C.M.W. en/of van de gemeente;
  f. de te halen doelstellingen inzake het financiële evenwicht en de aanvullende voorschriften om het O.C.M.W. en de gemeente op de hoogte te houden van de begroting en de rekeningen van het ziekenhuis;
  g. de voorschriften om het in acht te nemen.)
  (§ 10. De begroting van het ziekenhuis moet sluitend zijn. Bij gebreke hiervan moet het ziekenhuis uiterlijk binnen zes maanden na de goedkeuring van zijn begroting door de gemeenteoverheid aan een beheersplan onderworpen worden.
  Het beheersplan wordt na advies van het beheerscomité door de raad voor maatschappelijk welzijn opgemaakt en door de gemeenteraad goedgekeurd. Het voorziet in de maatregelen die het ziekenhuis moet treffen om het financiële evenwicht te bereiken of te handhaven, met inbegrip van de maatregelen voor de controle en het toezicht op de goede uitvoering ervan.
  Binnen de door de Regering bepaalde perken kan de gemeenteraad de raad voor maatschappelijk welzijn bij een met redenen omklede beslissing vrijstellen van het opmaken van een dergelijk plan.
  Indien de gemeente verzoekt om de tussenkomst van het "Centre régional d'aide aux communes" (Gewestelijk Hulpcentrum voor Gemeenten), wordt het beheersplan opgemaakt onder de door de Regering bepaalde voorwaarden. Het wordt door de gemeenteraad en de Regering goedgekeurd. Iedere wijziging in het beheersplan wordt aan dezelfde procedure onderworpen.
  Als het vereiste beheersplan niet wordt vastgelegd, goedgekeurd of uitgevoerd binnen de door de Regering bepaalde termijn, kan deze er één opleggen. In dit geval mogen de raad voor maatschappelijk welzijn en het beheerscomité van het ziekenhuis bijgestaan worden door een ziekenhuisdeskundige die door de Regering wordt aangewezen op grond van de door haar bepaalde voorwaarden en kwalificaties.)
  
Art. 94. § 1er. Le (Gouvernement) peut arrêter pour certains services et établissements dépendant du (centre public d'action sociale), certaines règles en matière de gestion distincte, de tenue des inventaires et de tenue de la comptabilité. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (§ 2. L'hôpital qui dépend d'un (centre public d'action sociale) est géré par un comité de gestion présidé de plein droit par le président du (conseil de l'action sociale) ou par le membre du conseil qui le remplace. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Outre le président, le comité de gestion est composé de cinq membres du (conseil de l'action sociale). Il désigne en son sein un vice-président dont les compétences sont définies par le règlement d'ordre intérieur. En cas de parité de voix, la voix du président est prépondérante.
  Le secrétaire du centre, le directeur de l'hôpital, le médecin en chef, le chef du département infirmier, le trésorier et le comptable siègent avec voix consultative au comité de gestion.
  Le bourgmestre ou le membre du collège qu'il désigne et une personne désignée en fonction de ses compétences en matière de gestion hospitalière par le (collège communal) participent avec voix consultative aux séances du comité de gestion.
  Le comité de gestion peut convoquer à des réunions d'autres personnes, occupées ou non à l'hôpital, afin d'y être entendues en tant qu'experts en certaines matières. Elles quitteront la salle avant chaque vote ou avant que le comité ne prenne une décision.
  Les membres du comité de gestion sont désignés par le conseil suivant les règles déterminées par l'article 27, § 3, alinéas 4, 5, 6 et 7, pour l'élection des membres du bureau permanent.
  La délégation de signature du président est régie, mutatis mutandis, par l'article 28, § 2, alinéa 2, de la loi.)
  (§ 3. Le comité de gestion de l'hôpital règle tout ce qui concerne l'hôpital sauf les matières suivantes qui sont réglées par le (conseil de l'action sociale) :
  - le budget et les modifications budgétaires;
  - les comptes;
  - l'élaboration d'un plan de gestion pour l'hôpital;
  - le cadre et les statuts administratif et pécuniaire du personnel de l'hôpital;
  - le règlement de travail applicable au personnel contractuel de l'hôpital;
  - la nomination, à titre définitif, la promotion, les sanctions disciplinaires et la mise en disponibilité des membres du personnel de l'hôpital;
  - le règlement général régissant les rapports juridiques entre l'hôpital et les médecins;
  - l'engagement sous contrat ou le licenciement des membres du personnel qui siègent avec voix consultative au sein du comité de gestion;
  - l'adhésion à une association réglée par le chapitre XII de la loi du 8 juillet 1976 organique des (centres publics d'action sociale) ou à une intercommunale; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  - la création de nouveaux services et l'extension des structures existantes dans le cadre de l'hôpital;
  - l'aliénation et l'acquisition de biens immobiliers;
  - le recours au Conseil d'Etat et les instances en justice;
  - les expropriations;
  - les donations et legs;
  - la création et l'adhésion à une association sans but lucratif conformément à l'article 79, § 3;
  - la cession directe ou indirecte d'activité hospitalière et l'acquisition ou la cession de lits d'hôpitaux;
  - [1 la désignation d'un directeur financier spécial pour l'hôpital.]1
  - [1 ...]1.
  Sous réserve de l'article 88, § 1er, le (conseil de l'action sociale) ne peut prendre les décisions visées à l'alinéa 1er que moyennant l'avis du comité de gestion de l'hôpital.
  Si le comité de gestion n'a pas notifié d'avis dans les deux mois à dater du jour où il a été saisi du dossier, la procédure peut être poursuivie sans son avis.
  Le (conseil de l'action sociale) doit statuer dans le mois suivant la notification de l'avis du comité de gestion. A défaut, le comité de gestion de l'hôpital peut se substituer au (conseil de l'action sociale) pour prendre la décision au sujet de laquelle il a donné un avis.)
  (§ 4. Sous l'autorité du comité de gestion, le directeur de l'hôpital instruit les affaires, dirige les travaux de l'administration, assure la gestion journalière de l'hôpital et a la garde des archives de l'hôpital. Il est le chef du personnel de l'hôpital sans préjudice des attributions du secrétaire dans l'instruction des dossiers relevant de la compétence du (conseil de l'action sociale).
  Il est chargé de la rédaction des procès-verbaux des réunions du comité de gestion de l'hôpital. Il est responsable de l'insertion des procès-verbaux de ces réunions et des délibérations du comité de gestion dans les registres tenus à cet effet.
  Les procès-verbaux et délibérations sont signés par le président et le directeur.
  Le directeur est responsable de ses actes devant le comité de gestion.
  Suite à la décision d'ordonnancement ou de recouvrement par l'organe compétent, le directeur fait établir les mandats de paiement et les états de recouvrement. Ils sont signés par le président et par le directeur. Le directeur élabore les avant-projets de budget de l'hôpital.
  Le directeur est tenu de se conformer aux instructions qui lui sont données par le président et le (conseil de l'action sociale) ou par le comité de gestion en fonction de leurs compétences respectives.
  Le directeur collabore étroitement avec les responsables des divers aspects de l'activité hospitalière ainsi qu'avec les responsables des activités du (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Le comité de gestion peut déléguer des attributions bien définies au directeur et aux personnes chargées par lui de la direction générale journalière de l'activité de l'hôpital. Ce transfert de compétences peut toutefois être retiré à tout moment en tout ou en partie.
  Le directeur de l'hôpital peut déléguer sa signature moyennant l'approbation du comité de gestion.
  En ce qui concerne les actes posés par l'autorité qui a reçu délégation du comité de gestion, la décision est directement soumise à l'appréciation des mêmes autorités de tutelle, comme cela eût été le cas si le comité de gestion avait propos.)
  § 4bis. (Abrogé)
  § 5. [2 Sauf désignation par le conseil de l'action sociale d'un directeur financier spécial, la fonction de trésorier de l'hôpital est exercée par le directeur financier du centre public d'action sociale.
   Les recettes et les dépenses de l'hôpital sont effectuées par le trésorier qui doit reddition des comptes au comité de gestion de l'hôpital.
   En ce qui concerne les activités à l'hôpital, le trésorier est soumis, dans le respect des dispositions légales relatives à sa responsabilité, à l'autorité du comité de gestion.
   Les dispositions applicables au directeur financier en ce qui concerne le remplacement en cas d'absence, le compte de fin de gestion et le déficit de caisse ainsi que les articles 92 et 115 sont applicables au trésorier.
   La comptabilité de l'hôpital est tenue par un comptable spécialement désigné à cette fin. Il se conforme aux instructions données par le directeur.]2

  (§ 6. Copie de toute décision du comité de gestion, du directeur de l'hôpital ou des responsables de services ayant reçu délégation est transmise dans les quinze jours de son adoption au (conseil de l'action sociale).)
  § 7. Le (Gouvernement) peut, pour la gestion des hôpitaux qui dépendent d'une association intercommunale ou d'une association établie conformément au chapitre XII de la présente loi, élaborer un règlement similaire à celui des hôpitaux qui dépendent d'un (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (§ 8. Le comité de gestion visé au paragraphe 2, gère aussi, conformément aux paragraphes 3 à 6, la partie d'un hôpital convertie en service résidentiel pour l'hébergement de personnes nécessitant la dispensation des soins visée à l'article 5, § 1er, de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de soins. Dans ce cas, la comptabilité, la trésorerie, le budget et les comptes, ainsi que le cadre du personnel de ce service résidentiel, sont distincts de ceux de l'hôpital.)
  (§ 9. La gestion de l'hôpital dépendant d'un (centre public d'action sociale) peut faire l'objet d'un contrat de gestion conclu par le centre et la commune après concertation avec le comité de gestion et après avis du conseil médical et du comité de concertation syndicale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Le contrat de gestion est conclu pour la durée de l'exercice des mandats des (conseillers de l'action sociale) suite au renouvellement complet de celui-ci. Il peut être amendé selon la même procédure que celle prévue pour son adoption.
  Le contrat de gestion règle :
  a. les missions attendues de l'hôpital et les tâches que l'hôpital assure en vue de l'exécution de ses missions de service public, et ce, sans qu'il puisse être dérogé aux missions qu'il doit accomplir en application de la loi du 8 juillet 1976 organique des (centres publics d'action sociale); <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  b. les modalités garantissant l'exercice d'une médecine de qualité, au meilleur coût, en ce compris les limites de tarification éventuelle des services offerts, à toute personne indépendamment du niveau de ses revenus, de ses conditions d'assurabilité, de ses origines et de ses convictions philosophiques;
  c. les modalités d'information des patients quant aux tarifs pratiqués ainsi que les garanties de leur respect;
  d. la fixation des objectifs budgétaires;
  e. l'organisation des services communs avec les autres services du (centre public d'action sociale) et/ou de la commune; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  f. les objectifs à réaliser en matière d'équilibre financier et les modalités complémentaires d'information du (centre public d'action sociale) et de la commune, notamment en ce qui concerne le budget et les comptes de l'hôpital; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  g. les modalités mises en oeuvre pour garantir le respect du contrat de gestion.)
  (§ 10. Le budget de l'hôpital doit être en équilibre financier. A défaut, un plan de gestion applicable à l'hôpital doit être adopté au plus tard dans les six mois de l'approbation du budget de l'hôpital par les autorités communales.
  Ce plan de gestion est arrêté par le (conseil de l'action sociale) après avis du comité de gestion et approuvé par le conseil communal. Il contient les mesures nécessaires incombant à l'hôpital pour atteindre ou maintenir l'équilibre financier, en ce compris les mesures de contrôle et de suivi pour sa bonne exécution.
  Toutefois, par décision motivée, et dans les limites fixées par le Gouvernement, le conseil communal peut dispenser le (conseil de l'action sociale) d'établir un tel plan.
  Si l'intervention du centre régional d'aide aux communes est sollicitée par la commune, ce plan est établi suivant les modalités fixées par le Gouvernement. Il est approuvé par le conseil communal et le Gouvernement. Toute modification du plan de gestion est soumise à la même procédure.
  Lorsque le plan de gestion requis n'est pas arrêté, approuvé ou exécuté dans un délai fixé par le Gouvernement, ce dernier peut en imposer un. Dans ce cas, le (conseil de l'action sociale) et le comité de gestion de l'hôpital peuvent être assistes par un expert hospitalier nommé par le Gouvernement conformément aux modalités et aux qualifications arrêtées par le Gouvernement.)
  
Art. 95. De openbare centra voor maatschappelijk welzijn kunnen beslissen hun niet-bebouwde onroerende goederen hetzij aan een afzonderlijk eigen beheer te ontwerpen hetzij het beheer ervan toe te vertrouwen aan het bedrijf dat de gronden beheert van de gemeente, zetel van het centrum.
Art. 95. Les (centres publics d'action sociale) peuvent décider, pour leurs biens immeubles, non bâtis, soit de les gérer eux-mêmes d'une manière distincte, soit d'en confier la gestion à la régie qui gère les terrains de la commune siège du centre. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 96. <W 1992-08-05/46, art. 52; Inwerkingtreding : 18-10-1992> Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan een bijzondere ontvanger benoemen voor diensten en inrichtingen met afzonderlijk beheer. De bepalingen van artikel 46 (en in voorkomend geval 94, § 5,) zijn op hem van toepassing.
Art. 96. <L 1992-08-05/46, art. 52; En vigueur : 18-10-1992> Le (centre public d'action sociale) peut nommer un receveur spécial pour les services et établissements à gestion distincte. Les dispositions de l'article 46 (et le cas échéant de l'article 94, § 5) lui sont applicables. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Afdeling 4. [1 - Verscheidene bepalingen inzake bestuur en transparantie]1
Section 4. [1 - Dispositions diverses en matière de gouvernance et de transparence]1
Art. 96/1. [1 § 1. De niet-nakoming van een in deze wet bedoelde onverenigbaarheid, verbod of verhindering door de titularis van een mandaat van raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn of van voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan het verval van al zijn oorspronkelijke mandaten tot gevolg hebben.
   § 2. Na afloop van de procedure bepaald in paragraaf 3 kan de Regering het verval vaststellen indien de betrokken persoon na ingebrekestelling de onverenigbaarheid, het verbod of de verhindering bedoeld in paragraaf 1 niet nakomt.
   § 3. De Regering deelt aan betrokkene per aangetekend schrijven een kennisgeving mee van de feiten die het verval kunnen inhouden.
   Ten vroegste twintig dagen na het overmaken van de kennisgeving en na de betrokken persoon, eventueel bijgestaan door een raadsman van haar keuze, te hebben gehoord als zij daarom heeft verzocht binnen een termijn van acht dagen te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving, kan de Regering in een gemotiveerde beslissing het verval vaststellen.
   De beslissing van de Regering wordt binnen een termijn van hoogstens één maand na afloop van de procedure bepaald in leden 1 en 2 genomen.
   Van die beslissing wordt door toedoen van de Regering kennis gegeven aan de betrokken persoon en aan het orgaan waarin zij haar oorspronkelijke en afgeleide mandaten uitoefent.
   Er kan op grond van artikel 16 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een beroep tegen die beslissing worden ingediend. Het moet ingesteld worden binnen de vijftien dagen na de kennisgeving ervan.
   Als de betrokkene, na de kennisgeving bedoeld in paragraaf 3, lid 3, te hebben ontvangen, zijn bediening blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met de straffen bepaald in artikel 262 van het Strafwetboek.]1

  
Art. 96/1. [1 § 1er. La méconnaissance d'une incompatibilité, interdiction ou d'un empêchement prévu par la présente loi par le titulaire d'un mandat de conseiller de l'action sociale ou de président de centre public d'action sociale peut conduire à la déchéance de tous ses mandats originaires.
   § 2. Le Gouvernement, au terme de la procédure décrite au paragraphe 3, peut constater la déchéance lorsque la personne concernée, après mise en demeure, ne se conforme pas à l'incompatibilité, l'interdiction ou l'empêchement visé au paragraphe 1er.
   § 3. Le Gouvernement communique à l'intéressé par envoi recommandé une notification des faits de nature à entraîner la déchéance.
   Vingt jours au plus tôt après la transmission de la notification, et après avoir entendu si elle en a fait la demande dans un délai de huit jours à dater de la réception de la notification la personne concernée éventuellement accompagnée du conseil de son choix, le Gouvernement peut constater la déchéance dans une décision motivée.
   La décision du Gouvernement intervient dans un délai d'un mois maximum qui suit le terme de la procédure décrite aux alinéas 1 et 2.
   Cette décision est notifiée par les soins du Gouvernement à la personne concernée et à l'organe dans lequel elle exerce ses mandats originaires et dérivés.
   Un recours, fondé sur l'article 16 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat, est ouvert contre cette décision. Il doit être introduit dans les quinze jours de sa notification.
   Si, ayant connaissance de la cause de sa déchéance suite à la réception de la notification visée à l'alinéa 3 du paragraphe 3, l'intéressé continue l'exercice de ses fonctions, il est passible des peines commuées par l'article 262 du Code pénal.]1

  
Art. 96/2. [1 § 1. De Regering stelt een register op van de lokale en bovenlokale instellingen waarin gezamenlijk de gemeenten, de provincies, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de intercommunales, de autonome gemeente- of provinciebedrijven, de projectverenigingen, de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de openbare huisvestingsmaatschappijen, elke rechtspersoon of feitelijke vereniging waarvan één of meerdere voornoemde overheden lid zijn, van de openbare mandaten en de daarvoor aangewezen mandatarissen en de titularissen van de lokale leidinggevende functie.
   Dit register wordt opgemaakt op basis van de gegevens aan de Regering of diens afgevaardigde overgemaakt door een institutionele informatieverstrekker onder diens verantwoordelijkheid.
   De Regering bepaalt de te verstrekken gegevens, de modaliteiten voor de overmaking en de bekendmaking van de ingezamelde gegevens.
   § 2. De institutionele informatieverstrekkers zijn de volgende personen :
   1° voor de OCMW's en de vzw's waaraan zij deelnemen, de directeur-generaal van het OCMW of diens afgevaardigde;
   2° voor de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet, de titularis van de lokale leidinggevende functie of diens afgevaardigde of, bij gebreke daarvan, de voorzitter van het voornaamste beheersorgaan.
   § 3. De institutionele informatieverstrekker bedoeld in paragraaf 2, 1°, van dit artikel maakt onder diens verantwoordelijkheid uiterlijk binnen vijftien dagen na de installatie van de van de raadsleden van raad voor maatschappelijk welzijn na de verkiezingen, volgende gegevens over : de lijst van diens interne instellingen evenals de identiteit van de mandatarissen, met inbegrip van hun rijksregisternummer, en de identificatie van de politieke fractie die ze vertegenwoordigen.
   § 4. De institutionele informatieverstrekker bedoeld in paragraaf 2, 1°, van dit artikel maakt onder diens verantwoordelijkheid uiterlijk op 1 december van het jaar na de installatie van de raadsleden van de raad voor maatschappelijk welzijn na de verkiezingen, volgende gegevens over :
   1° de lijst van de instellingen bedoeld in paragraaf 1 waarbij het OCMW aangesloten is;
   2° de identiteit van de aangewezen mandatarissen of niet-verkozenen, met inbegrip van hun rijksregisternummer.
   3° de identiteit van de titularis van de lokale leidinggevende functie, met inbegrip van diens rijksregisternummer.
   Deze informatie bevat de gegevens betreffende het begrotingsjaar van het voorafgaand jaar.
   § 5. De institutionele informatieverstrekker bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2°, maakt onder diens verantwoordelijkheid bij elke wijziging volgende gegevens continu en onverwijld over :
   1° de lijst van de aangesloten OCMW's en andere aangesloten leden, de lijst van diens beslissings- of overlegorganen alsook hun bevoegdheden;
   2° de naam van de leden van deze organen en of ze een OCMW of een andere openbare instelling vertegenwoordigen;
   de lijst van diens interne instellingen evenals de identiteit van de mandatarissen, met inbegrip van hun rijksregisternummer, en de identificatie van de politieke fractie die ze vertegenwoordigen;
   4° de lijst van de instellingen bedoeld in paragraaf 1 waarbij het OCMW aangesloten is;
   5° de identiteit van de aangewezen mandatarissen of niet-verkozenen, met inbegrip van hun rijksregisternummer.
   6° de identiteit van de titularis van de lokale leidinggevende functie, met inbegrip van diens rijksregisternummer;
   7° in voorkomend geval, de lijst van de stichtingen van openbaar nut die de instelling bedoeld in § 1 subsidieert en de omvang van de toegekende subsidies, evenals de identiteit van de lokale leidinggevende ambtenaar met inbegrip van diens rijksregisternummer.
   § 6. De institutionele informatieverstrekker bedoeld in paragraaf 2, 1° en 2°, van dit artikel maakt een lijst op van de verkozen en niet-verkozen personen die zijn instelling op gelijk welke wijze vertegenwoordigen, evenals van de titularissen van de lokale leidinggevende functie, en die aan het vijfde deel van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie onderworpen zijn, en licht hen uiterlijk op 30 april van elk jaar in over hun verplichtingen. De Regering of het controleorgaan kan zonder enige voorwaarde de bewijzen van de naleving van deze bepaling aanvragen.
   § 7. Indien de bepalingen van paragrafen 2 en 3 van dit artikel niet nageleefd worden, richt de Regering een schrijven aan de institutionele informatieverstrekker waarin hij op zijn plichten gewezen wordt, met inbegrip van een bevel tot overmaking van de vereiste gegevens binnen dertig dagen na de kennisgeving van het schrijven.
   § 8. Indien er geen antwoord binnen de termijn is, of indien de verplichting tot overmaking bedoeld in paragraaf 5 niet nageleefd wordt, kan de institutionele informatieverstrekker met een geldboete van honderd tot duizend euro gestraft worden.]1

  
Art. 96/2. [1 § 1er. Le Gouvernement établit un registre des institutions locales et supralocales reprenant l'ensemble des communes, provinces, centres publics d'action sociale, intercommunales, régies communales ou provinciales autonomes, associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale, sociétés de logement, toute personne morale ou association de fait associant une ou plusieurs de ces autorités précitées, des mandats publics et des mandataires y désignés et des titulaires de la fonction dirigeante locale.
   Ce registre est établi sur la base des données transmises par un informateur institutionnel, sous sa responsabilité, au Gouvernement ou à son délégué.
   Le Gouvernement détermine les données à transmettre, les modalités de transmission et de publication des informations collectées.
   § 2. Les informateurs institutionnels sont les personnes suivantes :
   1° pour les C.P.A.S. et les A.S.B.L. auxquelles ils participent, le directeur général du C.P.A.S. ou son délégué;
   2° pour les associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la présente loi, le titulaire de la fonction dirigeante locale ou son délégué ou, à défaut, le président du principal organe de gestion.
   § 3. L'informateur institutionnel visé au paragraphe 2, 1°, du présent article transmet, sous sa responsabilité, au plus tard dans les quinze jours de l'installation des conseillers de l'action sociale suivant les élections, les informations suivantes : la liste de ses organes internes ainsi que l'identité des mandataires, en ce compris leur numéro de registre national, et l'identification du groupe politique qu'ils représentent.
   § 4. L'informateur institutionnel visé au paragraphe 2, 1°, du présent article transmet, sous sa responsabilité, au plus tard le 1er décembre de l'année suivant celle de l'installation des conseillers de l'action sociale suivant les élections, les informations suivantes :
   1° la liste des organismes visés au paragraphe 1er au sein duquel le C.P.A.S. est associé;
   2° l'identité des mandataires ou non-élus y désignés, en ce compris leur numéro de registre national;
   3° l'identité du titulaire de la fonction dirigeante locale, en ce compris son numéro de registre national.
   Ces informations reprennent les données relatives à l'exercice budgétaire de l'année qui précède.
   § 5 L'informateur institutionnel visé au paragraphe 2, 1° et 2°, transmet, sous sa responsabilité, les informations suivantes en flux continu et sans délai à l'occasion de toute modification :
   1° la liste du ou des C.P.A.S. associées et autres associés, la liste de ses organes décisionnels ou consultatifs ainsi que leurs compétences;
   2° le nom des membres de ces organes et s'ils représentent un C.P.A.S. ou un autre organisme public;
   3° la liste de ses organes internes ainsi que l'identité des mandataires, en ce compris leur numéro de registre national, et l'identification du groupe politique qu'ils représentent;
   4° la liste des organismes visés au paragraphe 1er au sein duquel le C.P.A.S. est associé;
   5° l'identité des mandataires ou non-élus y désignés, en ce compris leur numéro de registre national;
   6° l'identité du titulaire de la fonction dirigeante locale, en ce compris son numéro de registre national;
   7° le cas échéant, la liste des fondations d'utilité publique que l'organisme visé au § 1er subventionne et la hauteur des subventions accordées ainsi que l'identité du fonctionnaire dirigeant local en ce compris son numéro de registre national.
   § 6. L'informateur institutionnel visé au paragraphe 2, 1° et 2° du présent article établit une liste des personnes élues, des personnes non-élues représentant son institution de quelque manière que ce soit ainsi que des titulaires de la fonction dirigeante locale qui sont assujettis à la cinquième partie du Code de la démocratie locale et de la décentralisation et les informe de leurs obligations, au plus tard pour le 30 avril de chaque année. Le Gouvernement ou l'organe de contrôle peut, sans aucune condition, solliciter les preuves du respect de la présente disposition.
   § 7. En cas de non-respect des dispositions des paragraphes 2 et 3 du présent article, le Gouvernement adresse un courrier à l'informateur institutionnel lui rappelant ses obligations, lequel est assorti d'une injonction de transmission des informations requises dans les trente jours suivants la notification dudit courrier.
   § 8. En l'absence de réponse dans le délai, ou en cas de non-respect de l'obligation de transmission visée au paragraphe 5, l'informateur institutionnel est passible d'une amende pouvant aller de cent à mille euros.]1

  
Art. 96/3. [1 § 1. Jaarlijks maken het voornaamste beheersorgaan van de vereniging van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet of elke andere bovenlokale instelling of, bij ontstentenis, de raad voor maatschappelijk welzijn een schriftelijk bezoldigingsverslag op met een individueel en nominatief overzicht van het presentiegeld, de bezoldigingen evenals voordelen in natura die in de loop van het voorafgaand boekjaar door de mandatarissen, de niet-verkozen personen en de titularissen van de lokale leidinggevende functie verkregen zijn. Voor mandataris, niet-verkozen persoon, presentiegeld, bezoldiging, voordelen in natura, titularis van de lokale leidinggevende functie wordt verwezen naar de begripsomschrijvingen van artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.
   Dit verslag bevat de volgende individuele en nominatieve gegevens :
   1° het presentiegeld, eventuele bezoldigingen en elk ander al dan niet geldelijk voordeel rechtstreeks of onrechtstreeks toegekend aan de leden van de bestuursorganen, naar gelang van hun hoedanigheid van bestuurder titularis van een oorspronkelijke mandaat of niet-verkozen, voorzitter of ondervoorzitter, of lid van een beperkt bestuursorgaan, evenals de verantwoording van het bedrag van elke bezoldiging anders dan het presentiegeld in functie van de feitelijke rol van de voorzitter of ondervoorzitter;
   2° de bezoldigingen en elk ander mogelijk voordeel, al dan niet geldelijk, rechtstreeks of onrechtstreeks toegekend aan de titularissen van directiefuncties;
   3° de lijst van de mandaten vervuld in alle entiteiten waarin de instelling rechtstreekse of onrechtstreekse participaties heeft, evenals de jaarlijkse bezoldiging ontvangen voor al die mandaten;
   4° voor de titularis van de lokale leidinggevende functie zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, de lijst van de mandaten vervuld in alle entiteiten waarin de intercommunale rechtstreekse of onrechtstreekse participaties heeft, evenals de jaarlijkse bezoldiging ontvangen voor al die mandaten;
   5° de aanwezigheidslijst op de vergaderingen van de verschillende instanties van de instelling en de vermelding van de eventuele verantwoorde afwezigheden.
   Dit verslag wordt door het voornaamste bestuursorgaan aangenomen en wordt op de agenda van de algemene vergadering van het eerste semester van elk jaar opgenomen en wordt beraadslaagd. Bij gebreke daarvan mag er geen algemene vergadering gehouden worden. Dit verslag wordt bij het jaarlijks beheersverslag, opgemaakt door de bestuurders, gevoegd.
   Dit verslag wordt opgemaakt overeenkomstig het door de Regering vastgestelde model.
   § 2. Voor de OCMW's en de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet maakt de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of de voorzitter van de raad van bestuur of van het voornaamste beheersorgaan een afschrift van dat verslag jaarlijks uiterlijk op 1 juli over :
   1° aan de Waalse Regering;
   2° aan de aangesloten gemeenten en, in voorkomend geval, provincies en OCMW's.
   Betreffende 1° deelt de Waalse Regering een samenvatting van de door het Waals Parlement ontvangen verslagen mee en maakt het geheel of een deel van de ontvangen gegevens bekend.
   De Waalse Regering bepaalt de modaliteiten van deze bekendmaking.
   § 3. Voor iedere andere bovenlokale instelling maakt de titularis van de lokale leidinggevende functie of, bij gebreke daarvan, de voorzitter van het voornaamste bestuursorgaan een afschrift van dat verslag uiterlijk op 1 juli van ieder jaar aan de aangesloten gemeenten en, in voorkomend geval, aan de provincies en OCMW's over.]1

  
Art. 96/3. [1 § 1er. Annuellement, le principal organe de gestion de l'association de pouvoirs publics visés à l'article 118 de la présente loi ou de tout autre organisme supralocal ou, à défaut, le conseil de l'action sociale, établissent un rapport de rémunération écrit reprenant un relevé individuel et nominatif des jetons, rémunérations ainsi que des avantages en nature perçus dans le courant de l'exercice comptable précédent, par les mandataires, les personnes non élues et les titulaires de la fonction dirigeante locale. Par mandataire, personne non élue, jeton, rémunération, avantages en nature, titulaire de la fonction dirigeante locale, il est fait référence aux définitions reprises à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   Ce rapport contient les informations individuelles et nominatives suivantes :
   1° les jetons de présence, éventuelles rémunérations et tout autre éventuel avantage, pécuniaire ou non, directement ou indirectement accordés aux membres des organes de gestion, en fonction de leur qualité d'administrateur titulaire d'un mandat originaire ou non élu, de président ou de vice-président, ou de membre d'un organe restreint de gestion, ainsi que la justification du montant de toute rémunération autre qu'un jeton de présence au regard du rôle effectif du Président et de l'éventuel vice-président;
   2° les rémunérations et tout autre éventuel avantage, pécuniaire ou non, directement ou indirectement accordés aux titulaires de fonctions de direction;
   3° la liste des mandats détenus dans toutes les entités dans lesquelles l'institution détient des participations directes ou indirectes, ainsi que la rémunération annuelle perçue pour chacun de ces mandats;
   4° pour le titulaire de la fonction dirigeante locale telle que définie à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, la liste des mandats détenus dans toutes les entités dans lesquelles l'institution détient des participations directement ou indirectement, ainsi que la rémunération annuelle perçue pour chacun de ces mandats;
   5° la liste des présences aux réunions des différentes instances de l'institution et l'indication des éventuelles absences justifiées.
   Ce rapport est adopté par le principal organe de gestion ou, à défaut, par le conseil d l'action sociale, et mis à l'ordre du jour de l'assemblée générale du premier semestre de chaque année et fait l'objet d'une délibération. A défaut, l'assemblée générale ne peut pas se tenir. Ce rapport est annexé au rapport annuel de gestion établi par les administrateurs.
   Le rapport est établi conformément au modèle fixé par le Gouvernement.
   § 2. Pour les C.P.A.S. et les associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la présente loi, le président du conseil de l'action sociale ou le président du conseil d'administration ou du principal organe de gestion transmet copie de ce rapport au plus tard le 1er juillet de chaque année :
   1° au Gouvernement wallon;
   2° aux communes et, le cas échéant, aux provinces et C.P.A.S. associés.
   Concernant le 1°, le Gouvernement communique annuellement une synthèse des rapports reçus au Parlement wallon qui publie tout ou partie des informations reçues.
   Le Gouvernement précise les modalités liées à cette publication.
   § 3. Pour tout autre organisme supralocal, le titulaire de la fonction dirigeante locale ou son délégué ou, à défaut, le président du principal organe de gestion transmet copie de ce rapport au plus tard le 1er juillet de chaque année aux communes et, le cas échéant, aux provinces et C.P.A.S. associés.]1

  
Art. 96/4. [1 § 1. Dit artikel is van toepassing op de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet of elke andere bovenlokale instelling.
   § 2. Het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn dat door OCMW aangewezen wordt om hem binnen de raad van bestuur, of bij gebreke daarvan, binnen het voornaamste bestuursorgaan, te vertegenwoordigen, [3 kan jaarlijks een schriftelijk verslag opstellen]3 betreffende de activiteiten van de structuur en de uitoefening van diens mandaat evenals de manier waarop het diens bevoegdheden kon ontwikkelen en bijwerken.
   Als het OCMW over verschillende vertegenwoordigers in dezelfde instelling beschikt, kunnen die een gemeenschappelijk verslag opstellen.
   Het verslag of de verslagen bedoeld in lid 1 of lid 2 worden aan de raad voor maatschappelijk welzijn voorgelegd. Die worden door hun auteur voorgelegd en tijdens een openbare zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn besproken.
   Het bovenvermeld raadslid kan een schriftelijk verslag aan de raad overmaken telkens als hij het nuttig acht [3 en brengt verslag uit over elke beslissing of handeling van de structuur die niet waarborgt dat het algemeen belang of het belang van het OCMW, de wettigheid en de doelstellingen van de structuur worden geëerbiedigd. Het raadslid, of een van de raadsleden als er binnen de structuur meerdere raadsleden zijn benoemd, dient zijn verslag zo spoedig mogelijk in bij de gemeenteraad, samen met eventuele opmerkingen]3.
   De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de modaliteiten voor de toepassing van deze paragraaf in zijn huishoudelijk reglement.
   Voor de graden die geen kandidaat voorgedragen hebben of waarvan de voorgedragen kandidaat niet benoemd is, [3 kan]3 de voorzitter van het voornaamste bestuursorgaan een verslag in dezelfde omstandigheden [3 opstellen]3. Het wordt door bovenvermelde voorzitter of diens afgevaardigde voorgelegd en tijdens een openbare zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn besproken.
   § 3. De budgetten, rekeningen en beraadslagingen van de bestuurs- en controleorganen kunnen door raadsleden van de raad voor maatschappelijk welzijn die er lid van zijn op de zetel van de instelling bedoeld in paragraaf 1 geraadpleegd worden, onverminderd de decretale bepalingen inzake openbaarheid van bestuur.
   Het raadslid dat de documenten bedoeld in lid 1 raadpleegt mag enkel de gegevens gebruiken waarvan hij kennis genomen heeft via de documenten die hij kon raadplegen in het kader van de uitoefening van zijn mandaat als raadslid en in het kader van zijn betrekkingen met de toezichtsoverheid. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de mogelijkheid tot rechtsvervolgingen tegenover de raadsleden wegens schending van het beroepsgeheim overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
   De raadsleden verkozen op lijsten van politieke formaties die de beginselen van de democratie niet in acht nemen, die met name verwoord zijn door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door de aanvullende protocollen bij dit verdrag die van kracht in België zijn, door de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en door de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, kunnen geen aanspraak maken op het voordeel van het inzagerecht en recht op mededeling bedoeld in leden 1 tot 3.
   Elk raadslid dat deze rechten heeft uitgeoefend kan een schriftelijk verslag uitbrengen aan de gemeenteraad.
   De raad voor maatschappelijk welzijn bepaalt de modaliteiten voor de toepassing van deze paragraaf in zijn huishoudelijk reglement.
   § 4. De vergaderingen van de raad van bestuur of, bij gebreke daarvan, van het voornaamste bestuursorgaan, zijn niet openbaar.
   § 5. Behalve indien het gaat om personen, agendapunten die de persoonlijke levensfeer niet in acht zouden nemen, thema's van strategische aard die met name het zakengeheim inhouden evenals economische beslissingen die mogelijk schadelijk kunnen zijn voor de concurrentie van de instelling in het uitvoeren [2 van haar doel]2, kunnen de uitvoerige processen-verbaal en agenda's, aangevuld met het verslag over de stemming van de leden en met alle documenten waarop de processen-verbaal en agenda's betrekking hebben, ten zetel van de instelling, geraadpleegd worden door de raadsleden van de raad voor maatschappelijk welzijn van de aangesloten OCMW's, onverminderd de decretale bepalingen inzake openbaarheid van bestuur.
   Het raadslid dat de documenten bedoeld in lid 2 raadpleegt mag enkel de gegevens gebruiken waarvan hij kennis genomen heeft via de documenten die hij kon raadplegen in het kader van de uitoefening van zijn mandaat als raadslid en in het kader van zijn betrekkingen met de toezichtsoverheid.
   Deze bepaling doet geen afbreuk aan de mogelijkheid tot rechtsvervolgingen tegenover de raadsleden wegens schending van het beroepsgeheim overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
   De raadsleden verkozen op lijsten van politieke formaties die de beginselen van de democratie niet in acht nemen, die met name verwoord zijn door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door de aanvullende protocollen bij dit verdrag die van kracht in België zijn, door de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en door de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, kunnen geen aanspraak maken op het voordeel van het inzagerecht en recht op mededeling bedoeld in leden 1 tot 3.
   Elk raadslid dat deze rechten heeft uitgeoefend kan een schriftelijk verslag uitbrengen aan de gemeenteraad.]1

  
Art. 96/4. [1 § 1er. Le présent article est applicable aux associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la présente loi ou tout autre organisme supralocal.
   § 2. Le conseiller de l'action sociale désigné par un C.P.A.S. pour le représenter au sein du conseil d'administration ou, à défaut, du principal organe de gestion, [3 peut rédiger]3 annuellement un rapport écrit sur les activités de la structure et l'exercice de son mandat ainsi que sur la manière dont il a pu développer et mettre à jour ses compétences.
   Lorsque le C.P.A.S. dispose de plusieurs représentants dans le même organisme, ils peuvent rédiger un rapport commun.
   Le ou les rapports visés à l'alinéa 1er ou 2 sont soumis au conseil de l'action sociale. Ils sont présentés par leur auteur et débattus en séance du conseil de l'action sociale.
   Le conseiller susvisé peut rédiger un rapport écrit au conseil à chaque fois qu'il le juge utile [3 et fait obligatoirement rapport à propos de toute décision ou tout acte de la structure qui ne permet pas d'assurer que l'intérêt général ou l'intérêt du C.P.A.S., la légalité et les objectifs de la structure soient respectés. Le conseiller ou un seul des conseillers lorsque plusieurs conseillers sont désignés au sein de la structure communique, dans les meilleurs délais, son rapport au conseil communal; assorti le cas échéant de ses commentaires]3.
   Le conseil de l'action sociale règle les modalités d'application du présent paragraphe dans son règlement d'ordre intérieur.
   Pour les conseils qui n'ont présenté aucun candidat ou dont le candidat présenté n'a pas été nommé, le président du principal organe de gestion [3 peut produire]3 un rapport dans les mêmes conditions. Il est présenté, par ledit président ou son délégué, et débattu en séance du conseil de l'action sociale.
   § 3. Les budgets, comptes et délibérations des organes de gestion et de contrôle peuvent être consultés au siège de l'organisme visé au paragraphe 1er par les conseillers de l'action sociale des C.P.A.S. qui en sont membres, sans préjudice des dispositions décrétales en matière de publicité de l'administration.
   Le conseiller qui consulte les documents visés à l'alinéa 1er peut uniquement faire usage des informations dont il a pu prendre connaissance en ayant accès aux documents dans le cadre de l'exercice de son mandat de conseiller et dans ses rapports avec l'autorité de tutelle. La présente disposition ne porte pas préjudice à la possibilité de poursuites judiciaires des conseillers du chef de violation du secret professionnel conformément à l'article 458 du Code pénal.
   Les conseillers élus sur des listes de partis qui ne respectent pas les principes démocratiques énoncés, notamment, par la Convention de sauvegarde de droits de l'homme et des libertés fondamentales, par les protocoles additionnels à cette convention en vigueur en Belgique, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie et par la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la seconde guerre mondiale sont exclus du bénéfice du droit de consultation et de communication visé aux alinéas 1er à 3.
   Tout conseiller qui a exercé ces droits peut faire un rapport écrit au conseil de l'action sociale.
   Le conseil de l'action sociale règle les modalités d'application du présent paragraphe dans son règlement d'ordre intérieur.
   § 4. Les réunions du conseil d'administration ou, à défaut, du principal organe de gestion, ne sont pas publiques.
   § 5. Sauf lorsqu'il s'agit de question de personnes, de points de l'ordre du jour qui contreviendraient au respect de la vie privée, des points à caractère stratégique couvrant notamment avec le secret d'affaires, des positionnements économiques qui pourraient nuire à la compétitivité de l'organisme [2 dans la réalisation de son objet]2, les procès-verbaux détaillés, complétés par le rapport sur le vote des membres et de tous les documents auxquels les procès-verbaux renvoient, peuvent être consultés au siège de l'organisme par les conseillers de l'action sociale des C.P.A.S. qui en sont membres, sans préjudice des dispositions décrétales en matière de publicité de l'administration.
   Le conseiller qui consulte les documents visés à l'alinéa 2 ne peut faire usage des informations dont il a pu prendre connaissance en ayant accès aux documents que dans le cadre de l'exercice de son mandat de conseiller et dans ses rapports avec l'autorité de tutelle.
   La présente disposition ne porte pas préjudice à la possibilité de poursuites judiciaires des conseillers du chef de violation du secret professionnel conformément à l'article 458 du Code pénal.
   Les conseillers élus sur des listes de partis qui ne respectent pas les principes démocratiques énoncés, notamment, par la Convention de sauvegarde de droits de l'homme et des libertés fondamentales, par les protocoles additionnels à cette convention en vigueur en Belgique, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie et par la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la seconde guerre mondiale sont exclus du bénéfice du droit de consultation et de communication visé aux alinéas 1er à 3.
   Tout conseiller qui a exercé ces droits peut faire un rapport écrit au conseil de l'action sociale.]1

  
Art. 96/5. [1 Elke vereniging van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet of iedere andere bovenlokale instelling maakt op haar eigen website of op de website van de gemeente waarin haar maatschappelijke zetel gevestigd is, volgende informatie bekend :
   1° een overzicht van de bestaansreden en de opdrachten van de instelling;
   2° de lijst van de aangesloten OCMW's en andere aangesloten leden, de lijst van haar beslissings- of overlegorganen alsook hun bevoegdheden;
   3° de naam van de leden van deze organen en of ze een OCMW of een andere openbare instelling vertegenwoordigen;
   4° het organogram van de instelling en de identiteit van de titularis van de lokale leidinggevende functie of, bij ontstentenis, van de Directeur-generaal van de raad voor maatschappelijk welzijn;
   5° de participaties gehouden in andere structuren of instellingen;
   6° het percentage deelname op jaarbasis aan de vergaderingen van de bestuursorganen, rekening houdend met de gewettigde afwezigheden;
   7° de barema's die van toepassing zijn op de bezoldigingen, de leidinggevende functies en de mandatarissen.
   Elk OCMW maakt op zijn eigen website of op de website van de gemeente waarin zijn maatschappelijke zetel gevestigd is, volgende informatie bekend :
   1° de lijst van diens interne instellingen evenals de identiteit van de mandatarissen en de identificatie van de politieke fractie die ze vertegenwoordigen;
   2° de lijst van de instellingen bedoeld in paragraaf 1 waarbij het OCMW aangesloten is;
   3° de identiteit van de aangewezen mandatarissen of niet-verkozenen;
   4° de link naar de website van de betrokken instelling.]1

  
Art. 96/5. [1 Chaque association de pouvoirs publics visée à l'article 118 de la présente loi ou tout autre organisme supralocal publie sur son site internet ou sur le site de la commune dans laquelle son siège social est établi, les informations suivantes :
   1° une présentation synthétique de la raison d'être de l'organisme et de sa mission;
   2° la liste du ou des C.P.A.S. associées et autres associés, la liste de ses organes décisionnels ou consultatifs ainsi que leurs compétences;
   3° le nom des membres de ces organes et s'ils représentent un C.P.A.S. ou un autre organisme public;
   4° l'organigramme de l'organisme et l'identité du titulaire de la fonction dirigeante locale ou, à défaut, du Directeur général du conseil de l'action sociale;
   5° les participations détenues dans d'autres structures ou organismes;
   6° le pourcentage de participation annuelle en tenant compte des absences justifiées aux réunions des organes de gestion;
   7° les barèmes applicables aux rémunérations, des fonctions dirigeantes et des Mandataires.
   Chaque C.P.A.S. publie sur son site internet ou sur le site de la commune dans laquelle son siège social est établi :
   1° la liste de ses organes internes ainsi que l'identité des mandataires et l'identification du groupe politique qu'ils représentent;
   2° la liste des organismes visés au paragraphe 1er au sein duquel le C.P.A.S. est associé;
   3° l'identité des mandataires ou non-élus y désignés;
   4° le lien vers le site internet de l'organisme concerné.]1

  
Art. 96/6. [1 § 1. De contractuele of statutaire personeelsleden van de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van deze wet of andere bovenlokale instellingen mogen geen presentiegeld, bezoldiging of andere voordelen ontvangen wegens hun deelname aan de vergaderingen van organen van de instelling.
   Presentiegeld, bezoldigingen of andere voordelen die ze moeten ontvangen wegens hun deelname aan de vergaderingen van organen binnen entiteiten waarin ze als gevolg van een uitdrukkelijke aanstelling of van de vertegenwoordiging van hun instelling zetelen, dienen rechtstreeks te worden gestort aan de instelling die hen aangewezen heeft of die ze vertegenwoordigen.
   § 2. De lokale leidinggevende functie, zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie, mag noch via een managementvennootschap of een tussenvennootschap noch als zelfstandige uitgeoefend worden.
   § 3. De titularis van de lokale leidinggevende functie die een bedrag zou ontvangen voor het verlenen van een dienst toevertrouwd aan de vereniging waar hij tewerkgesteld is, stort die vergoeding of bezoldiging aan diezelfde vereniging terug.
   § 4. Indien de titularis van de lokale leidinggevende functie zijn functies in het kader van een arbeidsovereenkomst uitoefent, kan een concurrentiebeding worden ingevoegd vóór het einde van de contractuele relaties of op het ogenblik van de verbreking met inachtneming van de voorwaarden bepaald bij de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met name met het oog op de activiteit van de betrokken instelling.
   Een overeenkomst van concurrentiebeding kan worden afgesloten na afloop van de contractuele relaties met het oog op de activiteit van de betrokken instelling.
   Het concurrentiebeding is hoe dan ook voor een periode van maximaal zes maanden voorzien. De vergoeding ontvangen in dat opzicht is niet hoger dan de basisbezoldiging voor de helft van de voorziene periode van concurrentiebeding.]1

  
Art. 96/6. [1 § 1er. Les membres du personnel, contractuels ou statutaires, des associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la présente loi ou de tout autre organisme supralocal ne peuvent pas percevoir de jetons de présence, de rémunérations ou autres avantages perçus en raison de leur participation aux réunions d'organes de l'organisme.
   Les jetons de présence, rémunérations ou autres avantages dus en raison de leur participation aux réunions d'organes dans des entités où ils siègent suite à une désignation expresse ou en raison de la représentation de leur organisme sont directement versés à l'organisme qui les a désigné ou qu'ils représentent.
   § 2. La fonction dirigeante locale, telle que définie à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation, ne pourra en aucun cas être exercée au travers d'une société de management ou interposée.
   § 3. Le titulaire de la fonction dirigeante locale qui percevrait un montant au titre de prestation de service confié à l'association qui l'occupe doit reverser cette indemnité ou rémunération à l'association qui l'occupe.
   § 4. Si le titulaire de la fonction dirigeante locale exerce ses fonctions dans le cadre d'un contrat de travail, une clause de non-concurrence peut être insérée avant la fin des relations contractuelles ou au moment de la rupture en respect des conditions fixées par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, notamment eu égard à l'activité de l'organisme concerné.
   Une convention de non-concurrence peut être conclue après la fin des relations contractuelles eue égard à l'activité de l'organisme concerné.
   Dans tous les cas, la clause de non-concurrence est prévue pour une période de six mois maximum. L'indemnité perçue à ce titre n'est pas supérieure à la rémunération de base pour la moitié de la période de non-concurrence prévue.]1

  
Art. 96/7. [1 Het bestuursorgaan van elke instelling waarin een titularis van een afgeleid mandaat in de zin van artikel L5111-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie zetelt, kan die afzetten of diens afzetting aan het bevoegd orgaan overeenkomstig een decreet of de statuten voorstellen, nadat die gehoord te hebben, indien hij :
   1° opzettelijk een handeling heeft begaan die onverenigbaar is met de opdracht [2 of het doel van de instelling]2;
   2° in de uitoefening van zijn mandaat een fout of een ernstige nalatigheid heeft begaan;
   3° in de loop van eenzelfde jaar zonder verantwoording afwezig is gebleven op drie gewone en regelmatig bijeengeroepen vergaderingen van het bestuursorgaan van de instelling;
   4° een persoon is die lid is van of sympathiseert met elke instelling, partij, vereniging of rechtspersoon ongeacht welke ze zijn, die de democratische beginselen van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, van de aanvullende protocollen bij dat Verdrag die in België gelden, de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, en de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, niet naleeft.]1

  
Art. 96/7. [1 L'organe de gestion de tout organisme où siège un titulaire d'un mandat dérivé au sens de l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation peut le révoquer ou proposer sa révocation à l'organe compétent en vertu d'un décret ou des statuts, après l'avoir entendu, si celui-ci :
   1° a commis sciemment un acte incompatible avec la mission [2 ou l'objet de l'organisme]2;
   2° a commis une faute ou une négligence grave dans l'exercice de son mandat;
   3° a, au cours d'une même année, été absent, sans justification, à plus de trois réunions ordinaires et régulièrement convoquées de l'organe de gestion de l'organisme;
   4° est une personne membre ou sympathisante de tout organisme, parti, association ou personne morale quelle qu'elle soit, qui ne respecte pas les principes démocratiques énoncés, notamment, par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par les Protocoles additionnels à cette Convention en vigueur en Belgique, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie, et par la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la Seconde Guerre mondiale ou toute autre forme de génocide.]1

  
Art. 96/8. [1 De terbeschikkingstelling door een instelling van steun, instrumenten en materie die nodig zijn voor de uitoefening van het werk eigen aan de uitoefening van het mandaat van een mandataris, en die enkel voor professionele doeleinden gebruikt zouden worden, is voor de betrokken mandataris geen voordeel in natura noch een gemaakte kost die tot een terugbetaling zouden kunnen leiden.
   In de zin van dit artikel omvat het begrip instelling de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de projectverenigingen en de verenigingen van overheden bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
   § 2. De terugbetaling van kosten op een forfaitaire basis is verboden. Enkel de kosten werkelijk gemaakt door een mandataris in de uitoefening van zijn mandaat voor de instelling worden toegelaten.
   De Regering bepaalt de lijst van de gemaakte kosten die terugbetaald kunnen worden evenals de modaliteiten voor het toekennen van een terugbetaling.]1

  
Art. 96/8. [1 La mise à sa disposition, par un organisme, de l'aide, des instruments et des matières nécessaires à l'accomplissement du travail inhérent à l'exercice du mandat d'un mandataire, et qui consisterait en une utilisation strictement professionnelle, ne constitue ni un avantage en nature ni une exposition de frais, pouvant donner lieu à un remboursement, dans le chef du mandataire.
   Au sens du présent article, la notion d'organisme recouvre les centres publics d'action sociale, les associations de projet et les associations de pouvoirs publics visées à l'article 118 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.
   § 2. Le remboursement de frais sur base forfaitaire est interdit. Seuls les frais réellement exposés par un mandataire pour le compte de l'organisme au sein duquel il exerce son mandat sont autorisés.
   Le Gouvernement fixe la liste des frais éligibles à remboursement ainsi que les modalités d'octroi d'un remboursement.]1

  
HOOFDSTUK VII. - Terugbetaling door partikulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening.
CHAPITRE VII. - Du remboursement, par les particuliers, des frais de l'aide sociale.
Art. 97. (Voor de toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk VII dient onder "kosten van de maatschappelijke dienstverlening" te worden verstaan :
  1. de betalingen in speciën;
  2. de kosten van de in natura verleende hulp;
  3. de kosten van hospitalisatie;
  4. de kosten van huisvesting met inbegrip van die welke gemaakt zijn in de inrichtingen van het centrum;
  5. de kosten berekend volgens vooraf vastgestelde algemene tarieven.)
  Zijn uitgesloten de administratie- en onderzoekskosten, alsmede de kosten van de prestaties van het centrum bedoeld door artikel 60, § 1, 2 en 4.
  (Het voorgaande lid heeft geen toepassing op de door een OCMW, bij toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, gemaakte kosten inzake schuldbemiddeling.) <W 1998-07-05/57, art. 18; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
Art. 97. (Pour l'application des dispositions du Chapitre VII, il y a lieu d'entendre par "frais de l'aide sociale" :
  1. les paiements en espèces;
  2. le coût des aides octroyées en nature;
  3. les frais d'hospitalisation;
  4. les frais d'hébergement, y compris ceux exposes dans les établissements du centre;
  5. les frais calculés suivant les tarifs généraux préétablis.)
  Sont exclus, les frais administratifs et d'enquête, ainsi que le coût des prestations du centre visées a l'article 60, § 1er, 2 et 4.
  (L'alinéa précédent ne s'applique pas aux frais exposés par le C.P.A.S. dans le cadre de la médiation de dettes, en application de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis.) <L 1998-07-05/57, art. 18; En vigueur : 01-01-1999>
Art. 98.
  § 1. Onverminderd de toepassing van andere wettelijke en reglementaire bepalingen, bepaalt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, rekening houdend met de inkomsten van de betrokkene, de bijdrage van de begunstigde in de kosten van de maatschappelijke dienstverlening.
  (Deze laatste heeft in ieder geval het recht op een zakgeld, waarvan het bedrag door het centrum wordt vastgesteld.) <W 1992-08-05/46, art. 53; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  [1 Wanneer de maatschappelijke dienstverlening wordt verstrekt in de vorm van betaling van de kosten van het verblijf in een rusthuis en de begunstigde bijdraagt in deze kosten overeenkomstig het eerste lid, bedraagt het zakgeld ten minste 900 euro per jaar, uitbetaald in maandelijkse schijven. Die betaling kan echter ook in wekelijkse schijven gebeuren ingevolge een beslissing van het OCMW op basis van een beoordeling in concreto dan wel indien de begunstigde of, in voorkomend geval diens voorlopige bewindvoerder, daar schriftelijk om verzoekt. Dit bedrag kan bij koninklijk besluit worden opgetrokken en wordt geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.]1
  ((NOTA van Justel : onderstaande alinea komt niet voor in de coördinatie verschaft door het Waalse Gewest, Internetsite Wallex.) De Koning bepaalt welke kosten in geen geval op dit zakgeld mogen worden aangerekend. Hij bepaalt eveneens het statuut van het zakgeld, in het bijzonder bij niet aanwending in geval van overlijden.) <W 2003-05-03/40, art. 2; Inwerkingtreding : 26-05-2003>
  In geval van vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte vanwege de begunstigde, vordert het centrum het geheel van die kosten terug, ongeacht de financiële toestand van de betrokkene.
  § 2. De kosten van de maatschappelijke dienstverlening worden eveneens krachtens een eigen recht door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verhaald :
  - op degenen die aansprakelijk zijn voor de verwonding of ziekte die het verstrekken van de hulpverlening noodzakelijk heeft gemaakt; wanneer de verwonding of ziekte het gevolg is van een misdrijf, kan de vordering tezelfdertijd en voor dezelfde rechters als de publieke vordering worden ingesteld;
  - op de onderhoudsplichten van de begunstigde tot beloop van het bedrag waartoe zij gehouden zijn voor de verstrekte hulp.
  (§ 3. In afwijking van § 2 kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn algemeen afzien van het verhalen van de maatschappelijke dienstverlening verleend aan personen die ten laste zijn genomen in instellingen, waar bejaarden worden gehuisvest, op de onderhoudsplichtigen, met de goedkeuring van de gemeentelijke overheid.) <W 2004-07-09/30, art. 101; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  (Ingeval van toepassing van het eerste lid, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uitzonderlijk toch de maatschappelijke dienstverlening op de onderhoudsplichtigen verhalen, wanneer het patrimonium van de persoon die deze hulp geniet opzettelijk in aanzienlijke mate is verminderd tijdens de vijf laatste jaren vóór de aanvang van de maatschappelijke hulp (of tijdens de maatschappelijke hulp).) <W 2005-12-23/31, art. 78; Inwerkingtreding : 09-01-2006> <W 2006-10-26/48, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 09-04-2007>
  
Art. 98.
  § 1er. Sans préjudice de l'application d'autres dispositions légales et réglementaires, le (centre public d'action sociale) fixe, en tenant compte des ressources de l'intéressé, la contribution du bénéficiaire dans les frais de l'aide sociale. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (Ce dernier a en tout état de cause le droit de disposer d'un argent de poche, dont le montant est fixé par le centre.) <L 1992-08-05/46, art. 53; En vigueur : 18-10-1992>
  [1 Si l'aide sociale est octroyée sous la forme d'un paiement des frais de séjour dans une maison de repos et que le bénéficiaire contribue à ces frais conformément à l'alinéa 1er, l'argent de poche s'élève à au moins 900 euros par an, payables en tranches mensuelles. Toutefois ce paiement peut s'effectuer par tranches hebdomadaires, soit suite à une décision du CPAS sur la base d'une appréciation in concreto, soit si le bénéficiaire ou, le cas échéant, son administration provisoire, en fait la demande par écrit. Ce montant peut être majoré par voie d'arrêté royal et est indexé conformément à la loi du 1er mars 1997 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public.]1
  (Le Roi détermine les frais qui ne peuvent en aucun cas être imputés sur cet argent de poche. Il détermine également le statut de l'argent de poche, en particulier lorsqu'il n'a pas été utilisé au moment du décès.) <L 2003-05-03/40, art. 2; En vigueur : 26-05-2003>
  En cas de déclaration volontairement inexacte ou incomplète de la part du bénéficiaire, le centre récupère la totalité de ces frais, quelle que soit la situation financière de l'intéressé.
  § 2. Le (centre public d'action sociale) poursuit également, en vertu d'un droit propre, le remboursement des frais de l'aide sociale : <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  - à charge de ceux qui sont responsables de la blessure ou de la maladie qui a rendu nécessaire l'octroi de l'aide; lorsque la blessure ou la maladie sont la suite d'une infraction, l'action peut être exercée en même temps et devant les mêmes juges que l'action publique;
  - à charge de ceux qui doivent des aliments au bénéficiaire et ce à concurrence du montant auquel ils sont tenus pour l'aide octroyée.
  (§ 3. Par dérogation au § 2, le centre public d'action sociale peut renoncer de manière générale au recouvrement de l'aide sociale octroyée aux personnes prises en charge dans des établissements d'hébergement pour personnes âgées, à charge de ceux qui doivent des aliments, avec l'accord de l'autorité communale.) <L 2004-07-09/30, art. 101; En vigueur : 25-07-2004>
  (S'il est fait application de l'alinéa 1er, le centre public d'action sociale peut néanmoins recouvrer exceptionnellement l'aide sociale auprès des débiteurs d'aliments lorsque le patrimoine du bénéficiaire de cette aide a été diminué volontairement de façon notable au cours des cinq dernières années précédant le début de l'aide sociale (ou pendant la période d'octroi de l'aide sociale).) <L 2005-12-23/31, art. 78; En vigueur : 09-01-2006> <L 2006-10-26/48, art. 2, 087; En vigueur : 09-04-2007>
  
Art. 99. § 1. (Wanneer een persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem hulp werd verleend door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, vordert dit laatste de kosten van de hulpverlening van hem terug tot beloop van het bedrag van de bovenbedoelde inkomsten, rekening houdende met de vrijgestelde minima.)
  § 2. Met afwijking van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, treedt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, dat een voorschot toekent op een pensioen of op enige andere sociale uitkering, van rechtswege en tot het bedrag van dat voorschot, in de rechten op de achterstallen die de gerechtigde kan doen gelden.
Art. 99. § 1er. (Lorsqu'une personne vient à disposer de ressources en vertu de droits qu'elle possédait pendant la période au cours de laquelle une aide lui a été accordée par le (centre public d'action sociale), celui-ci récupère auprès de cette personne les frais de l'aide jusqu'à concurrence du montant des ressources susvisées, en tenant compte des minima exonérés.) <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 2. Par dérogation à l'article 1410 du Code judiciaire, le (centre public d'action sociale) qui consent une avance sur une pension ou sur une autre allocation sociale, est subrogé de plein droit à concurrence du montant de cette avance, dans les droits aux arriérés auxquels le bénéficiaire peut prétendre. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 100. (§ 1.) Elke materiële individuele dienstverlening ten voordele van een begunstigde die roerende of onroerende goederen nalaat, geeft aanleiding tot een vordering tot verhaal op zijn erfgenamen of legatarissen, van de daaraan verbonden kosten door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn gemaakt gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, of een gedeelte ervan, maar slechts ten belope van het actief van de nalatenschap. <W 1992-08-05/46, art. 54; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  (§ 2. De roerende goederen, zoals onder meer contant geld, juwelen en andere voorwerpen, meegebracht door de zieken en door de kostgangers overleden in de instellingen van het centrum en die er geheel of gedeeltelijk ten laste van het centrum verzorgd of gehuisvest waren, worden door het centrum bewaard gedurende drie jaar te rekenen vanaf het overlijden.
  § 3. De erfgenamen en legatarissen van de zieken en kostgangers waarvan de verzorgings- en onderhoudskosten werden vereffend kunnen hun rechten laten gelden op alle zaken bedoeld in § 2.
  § 4. Bij gebreke van erfgerechtigden, of indien de zaken bedoeld in § 2, meegebracht naar het centrum, niet werden teruggevraagd binnen de termijn van drie jaar na het overlijden, behoren deze goederen van rechtswege het centrum toe.
  Dezelfde roerende goederen nagelaten door een overleden persoon, voor wiens rekening het centrum opdracht heeft gekregen van de vrederechter om de gehuurde plaatsen te ontruimen die deze bewoonde voor zijn overlijden, behoren, nadat voornoemde termijn verstreken is, het centrum toe.) <W 1992-08-05/46, art. 54; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
Art. 100. (§ 1.) Toute aide matérielle individuelle en faveur d'un bénéficiaire qui délaisse des biens meubles ou immeubles, donne lieu, contre les héritiers ou légataires, à une action en recouvrement des frais y afférents exposés par le (centre public d'action sociale) durant les cinq dernières années précédant le décès mais jusqu'à concurrence seulement de l'actif de la succession. <L 1992-08-05/46, art. 54; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (§ 2. Les biens meubles, tels que notamment l'argent comptant, les bijoux et autres objets, apportés par les malades et par les pensionnaires décédés dans les établissements du centre et qui y ont été traités ou hébergés, totalement ou partiellement à la charge de ce dernier, sont conservés par le centre pendant trois ans à dater du décès.
  § 3. Les héritiers et légataires des malades et des pensionnaires, dont les frais de traitement et d'entretien ont été acquittés, peuvent exercer leurs droits sur tous les effets visés au § 2.
  § 4. En cas de déshérence ou si les effets visés au § 2, apportes au centre n'ont pas été réclamés dans les trois ans du décès, ces biens appartiennent de plein droit au centre.
  A l'expiration du délai susvisé, les mêmes biens meubles délaissés par une personne décédée, pour le compte de laquelle le centre a été chargé par le juge de paix de vider les lieux loués qu'elle occupait avant son décès, appartiennent au centre.) <L 1992-08-05/46, art. 54; En vigueur : 18-10-1992>
Art. 100bis.
  § 1. De Koning kan regels en voorwaarden vaststellen betreffende :
  a) de berekening van de kosten van de maatschappelijke dienstverlenging bedoeld onder 2°, 4° en 5°, van artikel 97;
  b) het bepalen van de bijdrage van de begunstigde zoals bedoeld in artikel 98, § 1;
  c) (het verhaal op de begunstigde, de onderhoudsplichtigen of op zijn debiteurs zoals bepaald in artikel 98, §§ 2 en 4, en artikel 99, § 1.) <W 2005-12-23/31, art. 79; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  § 2. (Onverminderd artikel 98, § 3, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts afzien van het bepalen van de bijdrage van de begunstigde, van de terugvordering of het verhaal bedoeld in de artikelen 98, §§ 1 en 2, 99 en 100, bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing worden vermeld.) <W 2004-07-09/30, art. 102; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  Het openbaar centrum moet niet optreden wanneer de kosten of inspanningen hieraan verbonden niet opwegen tegen het verwachte resultaat.
Art. 100bis.
  § 1er. Le Roi peut fixer des règles et des conditions concernant :
  a) le calcul des frais de l'aide sociale visés aux points 2°, 4° et 5°, de l'article 97;
  b) la fixation de la contribution du bénéficiaire telle qu'elle est prévue a l'article 98, § 1er;
  c) (la poursuite du remboursement auprès du bénéficiaire, de ceux qui doivent des aliments ou des débiteurs conformément à l'article 98, §§ 2 et 4, et à l'article 99, § 1er.) <L 2005-12-23/31, art. 79; En vigueur : 09-01-2006>
  § 2. (Sans préjudice de l'article 98, § 3, le centre public d'action sociale ne peut renoncer à la fixation de la contribution du bénéficiaire, à la récupération ou au recouvrement visés aux articles 98, §§ 1er et 2, 99 et 100, que par une décision individuelle et pour des raisons d'équité qui seront mentionnées dans la décision.) <L 2004-07-09/30, art. 102; En vigueur : 25-07-2004>
  Le centre public ne doit pas récupérer si les coûts ou les démarches inhérents à cette récupération dépassent le résultat escompté.
Art. 101. De terugbetaling van de kosten van maatschappelijke dienstverlening kan gewaarborgd worden door een wettelijke hypotheek op al de voor hypotheek vatbare goederen die aan de begunstigde van de dienstverlening toebehoren of van zijn nalatenschap afhangen.
  Deze hypotheek heeft slechts gevolg vanaf de dag van haar inschrijving.
  Ten opzichte van de erfgenamen of legatarissen van de begunstigde, die tot betaling van de schuldvordering gehouden zijn, kan deze hypotheek ten alle tijde geldig ingeschreven worden. Onverminderd de bepalingen van artikel 112 van de hypothecaire wet van 16 december 1851, wordt de inschrijving, wanneer ze binnen drie maanden na het overlijden gevorderd wordt, onder de naam van de overledene genomen, zonder dat de erfgenamen of legatarissen nader moeten bepaald worden in de borderellen die aan de hypotheekbewaarder dienen te worden overgelegd. In dit geval wordt de overledene door zijn naam, voornamen en door de data en plaatsen van zijn geboorte en overlijden aangeduid.
  (Behalve wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat geen inschrijving van de wettelijke hypotheek dient te geschieden, wordt die inschrijving door de [1 financieel directeur of gewestelijke ontvanger]1 van het centrum gevorderd voor het door hem te bepalen bedrag; de onroerende goederen waarop de inschrijving wordt gevorderd, worden in de borderellen individueel aangewezen door de vermelding van hun aard, het arrondissement, de gemeente en de plaats waar ze gelegen zijn, alsmede van hun kadastrale aanduiding.
  De inschrijving wordt doorgehaald of verminderd en de rang wordt afgestaan krachtens de toestemming van de hierboven bedoelde [1 financieel directeur of gewestelijke ontvanger]1. De vordering, te dien einde opgesteld door deze laatste en neergelegd op het kantoor van de hypotheekbewaarder, vormt de authentieke akte bedoeld door de artikelen 92 en 93 van de hypotheekwet van 16 december 1851.
  De kosten betreffende de inschrijving, de doorhaling, de vermindering en de rangafstand komen ten laste van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.) <W 1992-08-05/46, art. 55; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  
Art. 101. Le remboursement des frais de l'aide sociale peut être garanti par une hypothèque légale sur tous les biens susceptibles d'hypothèque appartenant au bénéficiaire de l'aide ou dépendant de sa succession.
  Cette hypothèque ne produit effet qu'à dater de son inscription.
  A l'égard des héritiers ou légataires du bénéficiaire, tenus au paiement de la créance, cette hypothèque peut valablement être inscrite en tout temps. Lorsque l'inscription est requise dans les trois mois du décès, elle est prise, sans préjudice aux dispositions de l'article 112 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, sous le nom du défunt, sans que les héritiers ou légataires doivent être déterminés dans les bordereaux à produire au conservateur des hypothèques. En ce cas, le défunt est désigné par ses nom, prénoms, dates et lieux de sa naissance et de son décès.
  (Sauf si le conseil de l'aide sociale décide qu'il n'y a pas lieu de procéder à l'inscription de l'hypothèque légale, cette inscription est requise par le [1 directeur financier ou receveur régional]1 du centre pour le montant à fixer par lui; les immeubles sur lesquels l'inscription est requise sont désignés individuellement dans les bordereaux, par la mention de leur nature, de l'arrondissement, de la commune et du lieu où ils sont situés, ainsi que de leur indication cadastrale.
  L'inscription est radiée ou réduite et le rang cédé, du consentement du [1 directeur financier ou receveur régional]1 susvisé. La requête établie à cet effet par ce dernier et déposée au bureau du conservateur des hypothèques constitue l'acte authentique visé aux articles 92 et 93 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851.
  Les frais relatifs à l'inscription, à la radiation, à la réduction et à la cession de rang sont à la charge du (centre public d'action sociale) intéressé.) <L 1992-08-05/46, art. 55; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  
Art. 102. De vordering tot terugbetaling bedoeld in de artikelen 98 en 99 verjaart overeenkomstig artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek.
  De vordering bedoeld in artikel 98, § 2, laatste lid, verjaart overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van 17 april 1878 houdende voorafgaandelijke titel van het Wetboek van Strafvordering.
  (De vordering bedoeld door artikel 100, § 1, verjaart drie jaar na het overlijden van de betrokkene.) <W 1992-08-05/46, art. 56; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  (Deze verjaringen kunnen gestuit worden door een aanmaning gedaan hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs.) <W 1992-08-05/46, art. 56; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
Art. 102. L'action en remboursement prévue aux articles 98 et 99 se prescrit conformément à l'article 2277 du Code civil.
  L'action prévue à l'article 98, § 2, dernier alinéa, se prescrit conformément aux dispositions du chapitre IV de la loi du 17 avril 1878 contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale.
  (L'action prévue à l'article 100, § 1er, se prescrit par trois ans à dater du décès du bénéficiaire.) <L 1992-08-05/46, art. 56; En vigueur : 18-10-1992>
  (Ces prescriptions peuvent être interrompues par une sommation faite soit par lettre recommandée à la poste, soit contre accusé de réception.) <L 1992-08-05/46, art. 56; En vigueur : 18-10-1992>
Art. 103. De inkomsten van de goederen en van de kapitalen die toebehoren aan de kinderen, die toevertrouwd zijn aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of onder zijn voogdij staan, kunnen tot het vertrek van die kinderen ten bate van dit centrum geïnd worden tot beloop van de gemaakte kosten.
Art. 103. Les revenus des biens et capitaux appartenant aux enfants confies à un (centre public d'action sociale) ou placés sous sa tutelle, peuvent être perçus jusqu'au départ de ces enfants, au profit de ce centre à concurrence des frais exposés. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 104. § 1. Indien het kind dat aan een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is toevertrouwd of onder zijn voogdij staat, overlijdt en geen enkele erfgenaam zich aanmeldt, behoren zijn goederen toe aan dit centrum dat daarvan in bezit kan gesteld worden op verzoek van de [1 financieel directeur of gewestelijke ontvanger]1 en op de conclusies van het openbaar ministerie.
  Erfgenamen die zich later zouden aanmelden, kunnen slechts de opbrengsten vanaf de dag van hun aanvraag terugvorderen. Deze moet, op straffe van verjaring, ingediend worden binnen (drie) jaar na het overlijden van het kind. <W 1992-08-05/46, art. 57; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  § 2. De erfgenamen die de nalatenschap zouden verkrijgen, moeten het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vergoeden, ten belope van het actief van die nalatenschap, voor de uitgaven waartoe het overleden kind aanleiding heeft gegeven gedurende de laatste vijf jaren vóór zijn overlijden, onder voorbehoud van aftrekking van de door het centrum gedurende diezelfde periode ontvangen inkomsten.
  De vordering van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn verjaart (drie) jaar na de datum van het overlijden van het kind. <W 1992-08-05/46, art. 57; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  
Art. 104. § 1er. Si l'enfant confie à un (centre public d'action sociale) ou placé sous sa tutelle, vient à mourir et qu'aucun héritier ne se présente, ses biens appartiennent à ce centre, lequel peut être envoyé en possession à la diligence du [1 directeur financier ou receveur régional]1 et sur les conclusions du ministère public. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Les héritiers qui se présenteraient ultérieurement ne pourront répéter les fruits que du jour de la demande. Celle-ci devra être introduite, à peine de prescription, dans les (trois) ans du décès de l'enfant. <L 1992-08-05/46, art. 57; En vigueur : 18-10-1992>
  § 2. Les héritiers qui recueilleraient la succession seront tenus d'indemniser le (centre public d'action sociale), jusqu'à concurrence de l'actif de cette succession, pour les dépenses occasionnées par l'enfant décédé durant les cinq dernières années précédant le décès, sous réserve de déduction des revenus perçus par le centre durant cette même période. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  L'action du (centre public d'action sociale) se prescrit par (trois) ans à dater du décès de l'enfant. <L 1992-08-05/46, art. 57; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  
HOOFDSTUK VIII. - Financiering.
CHAPITRE VIII. - Du financement.
Art. 105. Na verdeling van het Gemeentefonds onder de gewesten, wordt een deel van het aan elk gewest toegekend fonds, onder de benaming " Bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn " omgeslagen over de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het gewest.
  (Elke Gewestexecutieve stelt, voor haar Gewest, het percentage vast dat aan het Bijzonder Fonds wordt toegekend. De objectieve normen voor de verdeling ervan worden vastgesteld door :
  1° de Executieve van de Vlaamse Gemeenschap voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Vlaamse Gewest;
  2° de Executieve van de Franse Gemeenschap, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het Waalse Gewest. Wanneer deze gelegen zijn in één van de gemeenten van het Duitse taalgebied, zoals omschreven in artikel 5 van het koninklijk besluit van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, worden de objectieve normen voor de verdeling vastgesteld door de Raad van de Duitse cultuurgemeenschap;
  3° de bevoegde overheid voor het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad, voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in dat gebied gevestigd.) <W 09-08-1980, art. 47>
Art. 105. Après répartition du Fonds des Communes entre les régions, une partie du Fonds attribuée à chacune des régions est destinée, sous la dénomination de "Fonds spécial de l'aide sociale", à être répartie entre les (centres publics d'action sociale) de la région. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (Chaque Exécutif régional fixe, pour sa Région, le pourcentage à attribuer au Fonds spécial. Les critères objectifs de sa répartition sont déterminés par:
  1° l'Exécutif de la Communauté flamande pour les (centres publics d'action sociale) de la Région flamande; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  2° l'Exécutif de la Communauté française, pour les (centres publics d'action sociale) de la Région wallonne. Toutefois, pour les (centres publics d'action sociale) situés dans une des communes de la région de langue allemande, telle qu'elle est définie à l'article 5 de l'arrêté royal du 18 juillet 1966 portant coordination des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, les critères objectifs de répartition sont déterminés par le Conseil de la communauté culturelle allemande; <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  3° l'autorité compétente pour le territoire de la région bilingue de Bruxelles-Capitale, pour les (centres publics d'action sociale) situés dans ce territoire.) <L 09-08-1980, art. 47> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 106. § 1. Wanneer het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven te dekken die voortkomen uit de vervulling van zijn opdracht, wordt het verschil gedragen door de gemeente (...). <W 1992-08-05/46, art. 58; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  § 2. Het verschil bedoeld in voorgaande paragraaf wordt geraamd in de begroting van het centrum.
  Een dotatie voor het centrum gelijk aan het bedrag van bovenbedoeld verschil wordt in de uitgaven van de gemeentebegroting ingeschreven.
  (lid opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 58; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  De dotatie wordt aan het centrum in maandelijkse schijven uitbetaald.
  § 3. (opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 58; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
Art. 106. § 1er. Lorsque le (centre public d'action sociale) ne dispose pas de ressources suffisantes pour couvrir les dépenses résultant de l'accomplissement de sa mission, la différence est couverte par la commune (...). <L 1992-08-05/46, art. 58; En vigueur : 18-10-1992> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 2. La différence visée par le paragraphe précédent est estimée dans le budget du centre.
  Une dotation pour ce centre, égale au montant de la différence susvisée, est inscrite dans les dépenses du budget communal.
  (alinéa abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 58; En vigueur : 18-10-1992>
  La dotation est payée au centre par tranches mensuelles.
  § 3. (abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 58; En vigueur : 18-10-1992>
Art. 107. In afwijking van de bepalingen van artikel 46, § 1, mogen rechtstreeks gestort worden op de rekeningen die uitsluitend namens het rechthebbende O.C.M.W. geopend zijn bij financiële instellingen die volgens het geval voldoen aan de voorschriften van de artikelen 7, 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen :
  1° het bedrag van zijn aandeel in de krachtens de wet of het decreet ingestelde fondsen, ten behoeve van de O.C.M.W.'s;
  2° de toelagen, de bijdragen in de uitgaven van het centrum en in het algemeen alle sommen die de Europese Gemeenschap, de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies en de gemeenten om niet verleend aan de centra.
  De in het eerste lid bedoelde financiële instelling wordt ertoe gemachtigd het bedrag van de door het centrum jegens haar aangegane schulden ambtshalve in mindering te brengen van het tegoed van de rekeningen die uitsluitend namens het centrum zijn geopend.
Art. 107. Par dérogation aux dispositions de l'article 46, § 1er, peuvent être versés directement aux comptes ouverts exclusivement au nom du (centre public d'action sociale) bénéficiaire auprès d'institutions financières qui satisfont, selon le cas, au prescrit des articles 7, 65 et 66 de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit :
  1° le montant de sa quote-part dans les fonds institues par la loi ou le décret, au profit des (centres publics d'action sociale); <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  2° les subventions, les interventions dans les dépenses du centre et, en général, toutes les sommes attribuées à titre gratuit aux centres par la Communauté européenne, l'Etat, les Communautés, les Régions, les provinces et les communes.
  L'institution financière visée à l'alinéa 1er est autorisée a prélever d'office, sur l'avoir des comptes exclusivement ouverts au nom du centre, le montant des dettes que ce centre a contractées envers elle.
HOOFDSTUK IX. - Het administratief toezicht.
CHAPITRE IX. - De la tutelle administrative.
Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.
Section première. - Dispositions générales.
Art. 108. (De Regering) beschikt over een inspectiedienst, die belast is met het toezicht op en de controle van de werking van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de verschillende diensten en inrichtingen die ervan afhangen.
  Te dien einde hebben de inspecteurs onder meer het recht deze diensten en inrichtingen te bezoeken en, in het algemeen, alle inlichtingen in te winnen die zij nodig hebben om hun taak te vervullen.
  Zij verstrekken de centra advies inzake alle vraagstukken die betrekking hebben op het uitvoeren van hun opdracht.
Art. 108. Le (Gouvernement) dispose d'un service d'inspection qui est chargé de la surveillance et du contrôle du fonctionnement des (centres publics d'action sociale) et des divers services et établissements qui en relèvent. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  A cette fin, les inspecteurs ont notamment le droit de visiter ces services et établissements et, en général, d'obtenir tous les renseignements qui leur sont nécessaires pour l'accomplissement de leur tâche.
  Ils conseillent les centres dans tous les problèmes relatifs à l'accomplissement de leur mission.
Art. 109. Het (gemeentelijk college) heeft eveneens de opdracht, toezicht en controle uit te oefenen op het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
  Dit toezicht brengt het recht mede, voor het lid door dit college afgevaardigd, alle inrichtingen te bezoeken, kennis te nemen, ter plaatse zelf, van alle stukken en bescheiden (met uitzondering van de dossiers van individuele hulpverlening en verhaal) en erover te waken dat de centra de wet naleven en niet afwijken van de wilsbeschikking van de schenkers en erflaters betreffende de wettelijk gevestigde lasten. <W 1992-08-05/46, art. 59; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  (Het lid door het college afgevaardigd (, die geen [1 voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn]1 mag zijn) is tot geheimhouding verplicht.) <W 1992-08-05/46, art. 59; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  
Art. 109. Le (collège communal) est, lui aussi, chargé de la surveillance et du contrôle du (centre public d'action sociale). <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
   Cette surveillance comporte le droit, pour le membre délégué par ce collège, (qui ne peut être [1 le président du conseil de l'action sociale]1,) de visiter tous les établissements, de prendre connaissance, sans déplacement, de toute pièce et de tout document (à l'exception des dossiers d'aide individuelle et de récupération) et de veiller à ce que les centres observent la loi et ne s'écartent pas de la volonté des donateurs et des testateurs en ce qui concerne les charges légalement établies. <L 1992-08-05/46, art. 59; En vigueur : 18-10-1992>
  (Le membre délégué par le collège est tenu au secret.) <L 1992-08-05/46, art. 59; En vigueur : 18-10-1992>
  
Art. 110. [1 Elk beroep wordt met redenen omkleed en binnen de voorgeschreven termijn ingediend. De dag van ontvangst van het besluit wordt niet meegerekend in de termijn
   Elk besluit van de toezichthoudende overheid wordt uitdrukkelijk met redenen omkleed en aan de betrokken autoriteit en, desgevallend, aan de belanghebbenden betekend.
   Elke kennisgeving wordt op straffe van nietigheid uiterlijk op de vervaldag van de termijn verstuurd. De Regering kan de kennisgeving langs de elektronische weg organiseren overeenkomstig de modaliteiten die zij bepaalt.]1

  
Art. 110. [1 Tout recours est motivé et introduit dans le délai prescrit. Le jour de la réception de la décision n'est pas inclus dans le délai.
   Toute décision de l'autorité de tutelle est formellement motivée et notifiée à l'autorité concernée et, le cas échéant, aux intéressés.
   L'envoi de toute notification se fait à peine de nullité, au plus tard, le jour de l'échéance du délai. Le Gouvernement peut organiser la notification par la voie électronique conformément aux modalités qu'il détermine.]1

  
Art. 110bis. [1 § 1. De termijn gaat in de dag waarop de toezichthoudende overheid de akte samen met de bewijsstukken in ontvangst neemt.
   De dag van ontvangst wordt niet meegerekend in de termijn.
   De Regering kan toestaan dat de akte en de desbetreffende bewijsstukken langs de elektronische weg aan de toezichthoudende overheid overgedragen worden overeenkomstig de modaliteiten die zij bepaalt.
   § 2. De vervaldag wordt meegerekend in de termijn. Als die dag evenwel een zaterdag, zondag of feestdag is, wordt hij naar de eerstkomende werkdag verschoven.
   Onder feestdag in de zin van dit decreet wordt verstaan : 1 januari, Paasmaandag, 1 mei, Hemelvaart, Pinkstermaandag, 21 juli, 15 augustus, 27 september, 1, 2, 11 en 15 november, 25 en 26 december alsook de dagen bepaald bij decreet of besluit van de Regering.
   [2 ...]2.]1

  
Art. 110bis. [1 § 1er. Le point de départ du délai est le jour de la réception par l'autorité de tutelle de l'acte accompagné des pièces justificatives.
   Le jour de la réception n'est pas inclus dans le délai.
   Le Gouvernement peut autoriser la transmission de l'acte accompagné de ses pièces justificatives à l'autorité de tutelle par la voie électronique conformément aux modalités qu'il détermine.
   § 2. Le jour de l'échéance est compté dans le délai. Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié, le jour de l'échéance est reporté au jour ouvrable suivant.
   On entend par jour férié au sens du présent décret les jours suivants : le 1er janvier, le lundi de Pâques, le 1er mai, l'Ascension, le lundi de Pentecôte, le 21 juillet, le 15 août, le 27 septembre, les 1er, 2, 11 et 15 novembre, les 25 et 26 décembre ainsi que les jours déterminés par décret ou par arrêté du Gouvernement.
   [2 ...]2]1

  
Afdeling 2. [1 Algemeen vernietigingstoezicht op de akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]1
Section 2. [1 De la tutelle générale d'annulation sur les actes des centres publics d'action sociale]1
Art. 111. [1 § 1. De akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die betrekking hebben op de volgende voorwerpen worden samen met de desbetreffende bewijsstukken binnen vijftien dagen na de aanneming ervan aan de provinciegouverneur gericht en mogen niet uitgevoerd worden voordat ze zijn overgedragen :
   1° het huishoudelijk reglement van de " Conseil wallon de l'action sociale " (Waalse raad voor sociale actie), alsmede de wijzigingen die erin worden aangebracht;
   2° de toekenning van een bezoldiging, presentiegeld of om het even welk voordeel aan de leden van de raad voor sociale actie, het vast bureau en de bijzondere comités;
   3° [2 ...]2
   4° [3 voor wat betreft de akten voor overheidsopdrachten:
   a. de toekenning van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten met een bedrag, BTW niet meegerekend, hoger dan de bedragen vermeld in onderstaande tabel:
   [4
Art. 111. [1 § 1er. Les actes des centres publics d'action sociale portant sur les objets suivants sont transmis au gouverneur de province, accompagnés de leurs pièces justificatives, dans les quinze jours de leur adoption, et ne peuvent pas être mis à exécution avant d'avoir été ainsi transmis :
   1° le règlement d'ordre intérieur du conseil de l'action sociale, ainsi que ses modifications;
   2° l'octroi d'une rémunération, d'un jeton de présence ou d'un avantage de toute nature aux membres du conseil de l'action sociale, du bureau permanent et des comités spéciaux;
   3° [2 ...]2
   4° [3 pour ce qui concerne les actes relatifs aux marchés publics :
   a. l'attribution des marchés publics de travaux, de fournitures et de services d'un montant H.T.V.A. excédant ceux repris au tableau ci-dessous :
   [4
 Open procedure Beperkte procedure Mededingingsprocedure met onderhandeling en onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Rechtstreekse onderhandelde procedure met bekendmaking en rechtstreekse onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Onderhandelde procedure zonder bekendmaking en onderhandelde procedure zonder voorafgaandelijke oproep tot mededinging
Werken 300.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 150.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND
Leveringen en diensten 250.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 40.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND
Open procedure Beperkte procedure Mededingingsprocedure met onderhandeling en onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Rechtstreekse onderhandelde procedure met bekendmaking en rechtstreekse onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Onderhandelde procedure zonder bekendmaking en onderhandelde procedure zonder voorafgaandelijke oproep tot mededinging Werken 300.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 150.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND Leveringen en diensten 250.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 40.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND
]4
  b. [4 de positieve wijziging van de voorwaarden van deze overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, gecompenseerd door eventuele gelijktijdig goedgekeurde negatieve wijzigingen, waardoor het oorspronkelijke bedrag van de opdracht met ten minste 10% wordt verhoogd;]4
   c. [4 de positieve wijziging van de voorwaarden van deze opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, gecompenseerd door de negatieve wijzigingen die tegelijkertijd bij dezelfde akte zijn goedgekeurd, en waarvan het bedrag, samen met de bedragen van de opeenvolgende positieve wijzigingen, het oorspronkelijke bedrag van de opdracht met ten minste 10% verhoogt;]4
   d. [4 ...]4
   e. de toewijzing, aan een economische deelnemer van een overheidsopdracht voor een lening die al dan niet verband houdt met de uitgifte, de aankoop, de verkoop en de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten waarvan het bedrag van de totale bezoldiging van de dienstverlener de [4 250.000 euro, btw niet meegerekend]4 overschrijdt;
   f. de toewijzing van een opdracht tot dienstverlening [4 voor een bedrag van meer dan 75.000 euro, btw niet meegerekend]4 door de aanbestedende overheid aan een andere aanbestedende overheid of aan een vereniging van aanbestedende overheden, op grond van een exclusief recht waarvan laatstgenoemden genieten krachtens bekendgemaakte wetgevende, reglementaire of administratieve bepalingen;
   g. de gunning van een overheidsopdracht [4 voor een bedrag van meer dan 75.000 euro, btw niet meegerekend]4, gegund met een rechtspersoon vallend onder het privaat recht of het publiek recht in het kader van een in-house-toezicht in de zin van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten;
   h. [4 ...]4]3
  [4 Voor de toepassing van deze bepaling omvat de term "overheidsopdracht" ook raamovereenkomsten;]4
  [3 [4 voor wat betreft de akten voor concessies:
   a. de gunning van een concessie voor diensten of werken waarvan de geraamde waarde op het tijdstip van de gunning overeenkomstig de regelgeving inzake concessiecontracten meer dan 250.000 euro exclusief btw bedraagt;
   b. de positieve wijziging van de voorwaarden van deze concessies voor diensten en werken, gecompenseerd door eventuele gelijktijdig goedgekeurde negatieve wijzigingen, die de waarde van de concessie met ten minste tien procent verhoogt, zoals geraamd bij de gunning overeenkomstig de regelgeving inzake concessiecontracten;
   c. de positieve wijziging, gecompenseerd door gelijktijdig bij dezelfde akte goedgekeurde negatieve wijzigingen in de voorwaarden van deze concessies voor diensten en werken, waarvan het bedrag, samen met de bedragen van de opeenvolgende positieve wijzigingen, de waarde van de concessie met ten minste tien procent verhoogt, zoals geraamd bij de gunning overeenkomstig de regelgeving inzake concessiecontracten.]4
]3

   § 2. De provinciegouverneur kan de akte waarmee een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de wet schendt of het algemeen belang schaadt geheel of gedeeltelijk nietig verklaren binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de datum van ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.
   De provinciegouverneur kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het eerste lid.
   De akte is niet meer vatbaar voor nietigverklaring als de provinciegouverneur zijn besluit niet heeft betekend binnen die termijn.]1
  [4 § 3. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in paragraaf 1, 4° en 5° aanpassen.]4
  
 Procédure ouverte Procédure restreinte/ Procédure concurrentielle avec négociation et Procédure négociée avec mise en concurrence préalable/
   Procédure négociée directe avec publication préalable et Procédure négociée directe avec mise en concurrence préalable
Procédure négociée sans publication préalable et Procédure négociée sans mise en concurrence préalable
Travaux 300.000 EUR H.T.V.A. 150.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A.
Fournitures et services 250.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A. 40.000 EUR H.T.V.A.
Procédure ouverte Procédure restreinte/ Procédure concurrentielle avec négociation et Procédure négociée avec mise en concurrence préalable/
   Procédure négociée directe avec publication préalable et Procédure négociée directe avec mise en concurrence préalable Procédure négociée sans publication préalable et Procédure négociée sans mise en concurrence préalable Travaux 300.000 EUR H.T.V.A. 150.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A. Fournitures et services 250.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A. 40.000 EUR H.T.V.A.
]4
  b. [4 la modification positive, compensée par les éventuelles modifications négatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces marchés de travaux, de fournitures et de services qui augmente de minimum dix pour cent le montant initial du marché;]4
   c. [4 la modification positive, compensée par les éventuelles modifications négatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces marchés de travaux, de fournitures et de services dont le montant cumulé aux montants des modifications positives successives augmente de minimum dix pour cent le montant initial du marché;]4
   d. [4 ...]4
   e. l'attribution à un opérateur économique d'un marché public relatif à un prêt qu'il soit ou non lié à l'émission, à l'achat, à la vente et au transfert de titres ou d'autres instruments financiers dont le montant de la rémunération totale du prestataire excède [4 250 000 euros H.T.V.A.]4;
   f. l'attribution d'une mission de services [4 d'un montant excédant 75 000 euros H.T.V.A.]4 par le pouvoir adjudicateur à un autre pouvoir adjudicateur ou à une association de pouvoirs adjudicateurs, sur la base d'un droit exclusif dont ceux-ci bénéficient en vertu de dispositions législatives, réglementaires ou administratives publiées;
   g. l'attribution d'un marché public [4 d'un montant excédant 75 000 euros H.T.V.A.]4 passé avec une personne morale régie par le droit privé ou le droit public dans le cadre d'un contrôle in house au sens de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics;
   h. [4 ...]4]3
  [4 Pour l'application de la présente disposition, la notion de marchés publics englobe les accords-cadres;]4
  [3 [4 pour ce qui concerne les actes relatifs aux concessions :
   a. l'attribution d'une concession de services ou de travaux dont la valeurestimée lors de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession excède 250 000 euros H.T.V.A.;
   b. la modification positive, compensée par les éventuelles modificationsnégatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces concessions de services et de travaux qui augmente de minimum dix pour cent la valeur de la concession telle qu'estimée au moment de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession;
   c. la modification positive, compensée par les éventuelles modificationsnégatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces concessions de services et de travaux dont le montant cumulé aux montants des modifications positives successives augmente de minimum dix pour cent la valeur de la concession telle qu'estimée au moment de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession.]4
]3

   § 2. Le gouverneur de province peut, dans un délai de trente jours à dater de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives, annuler tout ou partie de l'acte par lequel un centre public d'action sociale viole la loi ou blesse l'intérêt général.
   Le gouverneur de province peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir, d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 1er.
   L'acte n'est plus susceptible d'annulation si le gouverneur de province n'a pas notifié sa décision dans le délai.]1
  [4 § 3. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés au paragraphe 1er, 4° et 5°.]4
  
Art. 112. [1 § 1. De lijst van de besluiten genomen door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitsluiting van de besluiten tot individuele hulpverlening en tot terugvordering, wordt aan het gemeentecollege gericht binnen tien dagen na de zitting gedurende welke de besluiten worden aangenomen.
   Het gemeentecollege kan verzoeken om één of meer besluiten die op de lijst opgenomen zijn. Dat verzoek wordt ingediend binnen tien dagen na ontvangst van de lijst. De dag van ontvangst van de lijst wordt niet meegerekend in de termijn. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn stuurt het besluit of de besluiten waarom verzocht werd aan het gemeentecollege binnen tien dagen na het verzoek. De dag van ontvangst van het verzoek wordt niet meegerekend in de termijn.
   Het gemeentecollege kan bij de provinciegouverneur een beroep indienen tegen het besluit of de besluiten waarom het verzocht heeft. Dat beroep wordt ingediend binnen tien dagen na ontvangst van het besluit van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De dag van ontvangst van het besluit wordt niet meegerekend in de termijn.
   Na aanhangigmaking van het beroep eist de provinciegouverneur de akte en de desbetreffende bewijsstukken van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
   § 2. Onverminderd het evocatierecht van de provinciegouverneur, kan een raadslid van sociale actie of elke belanghebbende persoon bij de provinciegouverneur een beroep tegen een besluit van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn indienen binnen een termijn van dertig dagen, met ingang op de datum van aanneming van het besluit.
   Na aanhangigmaking van het beroep eist de provinciegouverneur de akte en de desbetreffende bewijsstukken van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
   § 3. De provinciegouverneur kan de overdracht van elke beraadslaging en van de desbetreffende bewijsstukken eisen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn met het oog op de uitoefening van het algemeen vernietigingstoezicht waaraan alle andere akten dan die bedoeld in de artikelen 112bis tot 112quinquies onderworpen worden.
   § 4. Overeenkomstig de paragrafen 1 tot 3 kan de provinciegouverneur de akte waarmee een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de wet schendt of het algemeen belang schaadt geheel of gedeeltelijk nietig verklaren binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de datum van ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.
   De provinciegouverneur kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het eerste lid.
   De akte is niet meer vatbaar voor nietigverklaring als de provinciegouverneur zijn besluit niet heeft betekend binnen die termijn.]1

  
Art. 112. [1 § 1er. La liste des décisions prises par le centre public d'action sociale, à l'exclusion des décisions d'octroi d'aide individuelle et de récupération, est transmise au collège communal dans les dix jours suivant la séance au cours de laquelle les décisions sont adoptées.
   Le collège communal peut solliciter une ou plusieurs décisions figurant dans la liste. Cette demande doit être introduite dans les dix jours de la réception de la liste. Le jour de la réception de la liste n'est pas inclus dans le délai. Le centre public d'action sociale transmet au collège communal, dans les dix jours de la demande, la ou les décisions qu'il a sollicitées. Le jour de la réception de la demande n'est pas inclus dans le délai.
   Le collège communal peut introduire un recours, auprès du gouverneur de province, contre la ou les décisions qu'il a sollicitées. Ce recours doit être introduit dans les dix jours de la réception de la décision du centre public d'action sociale. Le jour de la réception de la décision n'est pas inclus dans le délai.
   Saisi d'un recours, le gouverneur de province réclame, au centre public d'action, l'acte accompagné de ses pièces justificatives.
   § 2. Sans préjudice du droit d'évocation du gouverneur de province, un conseiller de l'action sociale ou toute personne intéressée peut introduire, auprès du gouverneur de province, un recours à l'encontre d'une décision du centre public d'action sociale, dans un délai de trente jours à dater de l'adoption de la décision.
   Saisi d'un recours, le gouverneur de province réclame, au centre public d'action, l'acte accompagné de ses pièces justificatives.
   § 3. Le gouverneur de province peut réclamer au centre public d'action sociale, la transmission de toute délibération, accompagnée de ses pièces justificatives, en vue d'exercer la tutelle générale d'annulation à laquelle sont soumis tous les actes autres que ceux visés aux articles 112bis à 112quinquies.
   § 4. En application des paragraphes 1er à 3, le gouverneur de province peut, dans un délai de trente jours à dater de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives, annuler tout ou partie de l'acte par lequel un centre public de l'action sociale viole la loi ou blesse l'intérêt général.
   Le gouverneur de province peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir, d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 1er.
   L'acte n'est plus susceptible d'annulation si le gouverneur de province n'a pas notifié sa décision dans le délai.]1

  
Afdeling 2bis. [1 Bijzonder goedkeuringstoezicht op de akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn]1
Section 2bis. [1 De la tutelle spéciale d'approbation sur les actes des centres publics d'action sociale]1
Art. 112bis. [1 § 1. De akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreffende de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bedoeld in artikel 88, § 1, worden voor 15 [2 november]2 van het jaar dat aan het boekjaar voorafgaat ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorgelegd.
   Die begroting wordt door de voorzitter besproken tijdens de zittingen van de gemeenteraad op de agenda waarvan zijn goedkeuring opgenomen is.
   De gemeenteraad neemt zijn besluit binnen veertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.
   De gemeenteraad kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het derde lid.
   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn is de akte uitvoerbaar.
   De gemeenteraad kan op de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ontvangstenramingen en uitgavenposten brengen, verminderen, vermeerderen of schrappen en materiële vergissingen rechtzetten.
   De goedkeuring kan slechts wegens schending van de wet of benadeling van het algemeen belang geweigerd worden.
   § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarvan de begroting vanwege de gemeenteraad het voorwerp heeft uitgemaakt van een besluit tot weigering van goedkeuring, een besluit tot gedeeltelijke goedkeuring of een besluit tot herziening, kan binnen tien dagen na ontvangst van het besluit van de gemeenteraad een beroep indienen bij de provinciegouverneur. Een afschrift van het beroep wordt uiterlijk de laatste dag van de beroepstermijn aan de gemeenteraad gericht.
   De provinciegouverneur kan het besluit van de gemeenteraad al dan niet goedkeuren binnen dertig dagen na ontvangst van het beroep, al naar gelang van het geval.
   De gemeenteraad kan op de begroting van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ontvangstenramingen en uitgavenposten brengen, verminderen, vermeerderen of schrappen en materiële vergissingen rechtzetten.
   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn, wordt het aangevochten besluit geacht verworpen te zijn.
   § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn toepasselijk op elke begrotingswijziging bedoeld in artikel 88, § 2.
   § 4. Als de raad voor maatschappelijk welzijn de begrotingen niet vastlegt of niet voorziet in een begrotingswijziging die nodig blijkt te zijn hetzij om het hoofd te bieden aan onvoorziene omstandigheden, hetzij om een erkende en opeisbare schuld van het centrum te betalen, wordt artikel 113 toegepast.
   Als de raad voor sociale actie nalaat de begrotingen van het centrum vast te leggen binnen de termijn bepaald bij de wet, kan het gemeentecollege het centrum in gebreke stellen. Als de raad voor sociale actie nalaat de begrotingen van het centrum vast te leggen binnen twee maanden na de ingebrekestelling, kan het gemeentecollege in de plaats treden van de raad voor sociale actie en de begrotingen van het centrum in zijn plaats vastleggen. Die begrotingen worden door de gemeenteraad aan de raad voor sociale actie meegedeeld..
   Tegen het besluit van de gemeenteraad kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een beroep indienen bij de provinciegouverneur, die over dezelfde bevoegdheid beschikt als die bedoeld in paragraaf 2.]1

  
Art. 112bis. [1 § 1er. Les actes des centres publics d'action sociale portant sur le budget du centre public d'action sociale visé à l'article 88, § 1er, sont soumis, avant le 15 [2 novembre]2 de l'année précédant l'exercice, à l'approbation du conseil communal.
   Ce budget est commenté par le président du centre lors des séances du conseil communal à l'ordre du jour desquelles est inscrite son approbation.
   Le conseil communal prend sa décision dans les quarante jours de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives.
   Le conseil communal peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 3.
   A défaut de décision dans le délai, l'acte est exécutoire.
   Le conseil communal peut inscrire au budget du centre public d'action sociale, des prévisions de recettes et des postes de dépenses; il peut les diminuer, les augmenter ou les supprimer et rectifier des erreurs matérielles.
   L'approbation peut être refusée pour violation de la loi ou lésion de l'intérêt général.
   § 2. Le centre public d'action sociale dont le budget a fait l'objet d'une décision de refus d'approbation, d'une décision d'approbation partielle ou d'une décision de réformation de la part du conseil communal, peut introduire un recours auprès du gouverneur de province dans les dix jours de la réception de la décision du conseil communal. Une copie du recours est adressée au conseil communal au plus tard le dernier jour du délai de recours.
   Le gouverneur de province peut approuver ou ne pas approuver, selon le cas, tout ou partie de la décision du conseil communal dans les trente jours de la réception du recours.
   Le gouverneur de province peut inscrire au budget du centre public d'action sociale des prévisions de recettes et des postes de dépenses; il peut les diminuer, les augmenter ou les supprimer et rectifier des erreurs matérielles.
   A défaut de décision dans ce délai, la décision querellée est réputée confirmée.
   § 3. Les paragraphes 1er et 2 sont applicables à toute modification budgétaire visée à l'article 88, § 2.
   § 4. A défaut pour le conseil de l'action sociale d'arrêter les budgets ou de pourvoir à une modification budgétaire qui s'avère nécessaire soit pour faire face à des circonstances imprévues, soit pour payer une dette du centre reconnue et exigible, il est fait application de l'article 113.
   Si le conseil de l'action sociale omet d'arrêter les budgets du centre dans le délai prévu par la loi, le collège communal peut mettre le centre en demeure. Si le conseil de l'action sociale omet d'arrêter les budgets dans les deux mois de la mise en demeure, le conseil communal peut se substituer au conseil de l'action sociale et arrêter les budgets du centre en lieu et place du conseil de l'action sociale. Ces budgets sont notifiés par le conseil communal au conseil de l'action sociale.
   La décision du conseil communal est susceptible de faire l'objet d'un recours par le centre public d'action sociale auprès du gouverneur de province, qui est doté de la même compétence que celle visée au paragraphe 2.]1

  
Art. 112ter. [1 § 1. De akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreffende de rekening bedoeld in artikel 89, eerste lid, worden voor 1 juni na afsluiting van het boekjaar ter goedkeuring aan de gemeenteraad voorgelegd. Het jaarverslag wordt ter bespreking van de rekeningen aan de gemeenteraad meegedeeld.
   Die rekening wordt door de voorzitter besproken tijdens de zittingen van de gemeenteraad op de agenda waarvan zijn goedkeuring opgenomen is.
   De gemeenteraad neemt zijn besluit binnen veertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.
   De gemeenteraad kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het derde lid.
   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn is de akte uitvoerbaar.
   De goedkeuring kan enkel wegens schending van de wet geweigerd worden.
   § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarvan de rekening het voorwerp heeft uitgemaakt van een besluit tot weigering van goedkeuring of een besluit tot gedeeltelijke goedkeuring vanwege de gemeenteraad, kan binnen tien dagen na ontvangst van het besluit van de gemeenteraad een beroep indienen bij de provinciegouverneur. Een afschrift van het beroep wordt uiterlijk de laatste dag van de beroepstermijn aan de gemeenteraad gericht.
   De provinciegouverneur kan het besluit van de gemeenteraad al dan niet goedkeuren binnen dertig dagen na ontvangst van het beroep, al naar gelang van het geval.
   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn, wordt het aangevochten besluit geacht bekrachtigd te zijn.]1

  
Art. 112ter. [1 § 1er. Les actes des centres publics d'action sociale portant sur le compte visé à l'article 89, alinéa 1er, sont soumis avant le 1er juin qui suit la clôture de l'exercice, à l'approbation du conseil communal. Le rapport annuel est communiqué au conseil communal à titre de commentaire des comptes.
   Ce compte est commenté par le président du centre lors de la séance du conseil communal à l'ordre du jour de laquelle est inscrite son approbation.
   Le conseil communal prend sa décision dans les quarante jours de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives.
   Le conseil communal peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 3.
   A défaut de décision dans le délai, l'acte est exécutoire.
   L'approbation peut être refusée uniquement pour violation de la loi.
   § 2. Le centre public d'action sociale dont le compte a fait l'objet d'une décision de refus d'approbation ou d'une décision d'approbation partielle de la part du conseil communal, peut introduire un recours auprès du gouverneur de province dans les dix jours de la réception de la décision du conseil communal. Une copie du recours est adressée au conseil communal au plus tard le dernier jour du délai de recours.
   Le gouverneur de province peut approuver ou ne pas approuver, selon le cas, tout ou partie de la décision du conseil communal dans les trente jours de la réception du recours.
   A défaut de décision dans ce délai, la décision querellée est réputée confirmée.]1

  
Art. 112quater. [1 § 1. De akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreffende de vastlegging van de personeelsformatie alsook het statuut bedoeld in artikel 42, § 1, negende lid, worden onderworpen aan het bijzondere goedkeuringstoezicht van de gemeenteraad. Ze worden samen met de desbetreffende bewijsstukken aan de gemeenteraad overgemaakt binnen vijftien dagen na de aanneming ervan.
   De gemeenteraad neemt zijn besluit binnen veertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.
   De gemeenteraad kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het tweede lid.
   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn is de akte uitvoerbaar.
   De goedkeuring kan slechts wegens schending van de wet of benadeling van het algemeen belang geweigerd worden.
   § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarvan de akte i.v.m. de vastlegging van de personeelsformatie of het in artikel 42, negende lid, bedoelde statuut het voorwerp heeft uitgemaakt van een besluit tot weigering van goedkeuring of een besluit tot gedeeltelijke goedkeuring vanwege de gemeenteraad, kan binnen tien dagen na ontvangst van het besluit van de gemeenteraad een beroep indienen bij de provinciegouverneur. Een afschrift van het beroep wordt uiterlijk de laatste dag van de beroepstermijn aan de gemeenteraad gericht.
   De provinciegouverneur kan het besluit van de gemeenteraad al dan niet goedkeuren binnen dertig dagen na ontvangst van het beroep, al naar gelang van het geval.
   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn, wordt het aangevochten besluit geacht bekrachtigd te zijn.]1

  
Art. 112quater. [1 § 1er. Les actes des centres publics d'action sociale portant sur la fixation du cadre du personnel ainsi que sur le statut visé à l'article 42, § 1er, alinéa 9 sont soumis à la tutelle spéciale d'approbation du conseil communal. Ils sont transmis, accompagnés de leurs pièces justificatives, au conseil communal dans les quinze jours de leur adoption.
   Le conseil communal prend sa décision dans les quarante jours de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives.
   Le conseil communal peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 2.
   A défaut de décision dans le délai, l'acte est exécutoire.
   L'approbation peut être refusée pour violation de la loi ou lésion de l'intérêt général.
   § 2. Le centre public d'action sociale dont l'acte relatif à la fixation du cadre du personnel ou au statut visé à l'alinéa 9 de l'article 42 a fait l'objet d'une décision de refus d'approbation ou d'une décision d'approbation partielle de la part du conseil communal, peut introduire un recours auprès du gouverneur de province dans les dix jours de la réception de la décision du conseil communal. Une copie du recours est adressée au conseil communal au plus tard le dernier jour du délai de recours.
   Le gouverneur de province peut approuver ou ne pas approuver, selon le cas, tout ou partie de la décision du conseil communal dans les trente jours de la réception du recours.
   A défaut de décision dans ce délai, la décision querellée est réputée confirmée.]1

  
Art. 112quinquies. [1 § 1. De akten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn tot oprichting van en participatie in de intercommunales, de projectverenigingen, de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII alsook in andere publiek- of privaatrechtelijke verenigingen of vennootschappen dan een intercommunale of projectvereniging, waarvoor de gemeentelijke financiën nodig kunnen zijn, worden onderworpen aan het bijzonder goedkeuringstoezicht van de gemeenteraad. Ze worden samen met de desbetreffende bewijsstukken aan de gemeenteraad overgemaakt binnen vijftien dagen na de aanneming ervan.
   De gemeenteraad neemt zijn besluit binnen veertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.
   De gemeenteraad kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het tweede lid.
   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn is de akte uitvoerbaar.
   De goedkeuring kan slechts wegens schending van de wet of benadeling van het algemeen belang geweigerd worden.
   § 2. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarvan de akten tot oprichting van en participatie in de intercommunales, de projectverenigingen, de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII alsook in andere publiek- of privaatrechtelijke verenigingen of vennootschappen dan een intercommunale of projectvereniging, waarvoor de gemeentelijke financiën nodig kunnen zijn, het voorwerp hebben uitgemaakt van een besluit tot weigering van goedkeuring of een besluit tot gedeeltelijke goedkeuring vanwege de gemeenteraad, kan binnen tien dagen na ontvangst van het besluit van de gemeenteraad een beroep indienen bij de provinciegouverneur. Een afschrift van het beroep wordt uiterlijk de laatste dag van de beroepstermijn aan de gemeenteraad gericht.
   De provinciegouverneur kan het besluit van de gemeenteraad al dan niet goedkeuren binnen dertig dagen na ontvangst van het beroep, al naar gelang van het geval.
   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn, wordt het aangevochten besluit geacht bekrachtigd te zijn.]1

  
Art. 112quinquies. [1 § 1er. Les actes des centres publics d'action sociale portant sur la création et la prise de participation dans les intercommunales, les associations de projet, les associations visées au chapitre XII ainsi que dans les associations ou les sociétés de droit public ou de droit privé, autres qu'intercommunale ou association de projet, susceptibles d'engager les finances communales, sont soumis à la tutelle spéciale d'approbation du conseil communal. Ils sont transmis, accompagnés de leurs pièces justificatives, au conseil communal dans les quinze jours de leur adoption.
   Le conseil communal prend sa décision dans les quarante jours de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives.
   Le conseil communal peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 2.
   A défaut de décision dans le délai, l'acte est exécutoire.
   L'approbation peut être refusée pour violation de la loi ou lésion de l'intérêt général.
   § 2. Le centre public d'action sociale dont l'acte relatif à la création et la prise de participation dans les intercommunales, les associations de projet, les associations visées au chapitre XII ainsi que dans les associations ou les sociétés de droit public ou de droit privé, autres qu'intercommunales ou association de projet, susceptible d'engager les finances communales, a fait l'objet d'une décision de refus d'approbation ou d'une décision d'approbation partielle de la part du conseil communal, peut introduire un recours auprès du gouverneur de province dans les dix jours de la réception de la décision du conseil communal. Une copie du recours est adressée au conseil communal au plus tard le dernier jour du délai de recours.
   Le gouverneur de province peut approuver ou ne pas approuver, selon le cas, tout ou partie de la décision du conseil communal dans les trente jours de la réception du recours.
   A défaut de décision dans ce délai, la décision querellée est réputée confirmée.]1

  
Afdeling 2ter. [1 Toezicht op de akten van de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII]1
Section 2ter. [1 De la tutelle sur les actes des associations visées au chapitre XII]1
Art. 112sexies. [1 § 1. De akten van de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet die betrekking hebben op de volgende voorwerpen worden samen met de desbetreffende bewijsstukken binnen vijftien dagen na de aanneming ervan aan de Regering gericht en mogen niet uitgevoerd worden voordat ze aldus zijn overgedragen :
   1° [2 de aanvankelijke samenstelling]2 van de raad van bestuur en van de beperkte organen ervan;
   2° de toekenning van een bezoldiging, presentiegeld of om het even welk voordeel aan de leden van de beheersorganen;
   3° het huishoudelijk reglement van de beheersorganen;
   4° [3 voor wat betreft de akten voor overheidsopdrachten:
   a. de toekenning van overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen of diensten met een bedrag, BTW niet meegerekend, hoger dan de bedragen vermeld in onderstaande tabel:
   [4
Art. 112sexies. [1 § 1er. Les actes des associations visées au chapitre XII de la présente loi portant sur les objets suivants sont transmis au Gouvernement, accompagnés de leurs pièces justificatives, dans les quinze jours de leur adoption, et ne peuvent être mis à exécution avant d'avoir été ainsi transmis :
   1° la composition [2 initiale]2 du conseil d'administration et de ses organes restreints;
   2° l'octroi d'une rémunération, d'un jeton de présence ou d'un avantage de toute nature aux membres des organes de gestion;
   3° le règlement d'ordre intérieur des organes de gestion;
   4° [3 pour ce qui concerne les actes relatifs aux marchés publics :
   a. l'attribution des marchés publics de travaux, de fournitures et de services d'un montant H.T.V.A. excédant ceux repris dans le tableau ci-dessous :
   [4
 Open procedure Beperkte procedure Mededingingsprocedure met onderhandeling en onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Rechtstreekse onderhandelde procedure met bekendmaking en rechtstreekse onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Onderhandelde procedure zonder bekendmaking en onderhandelde procedure zonder voorafgaandelijke oproep tot mededinging
Werken 300.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 150.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND
Leveringen en diensten 250.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 40.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND
Open procedure Beperkte procedure Mededingingsprocedure met onderhandeling en onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Rechtstreekse onderhandelde procedure met bekendmaking en rechtstreekse onderhandelde procedure met voorafgaandelijke oproep tot mededinging Onderhandelde procedure zonder bekendmaking en onderhandelde procedure zonder voorafgaandelijke oproep tot mededinging Werken 300.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 150.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND Leveringen en diensten 250.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 75.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND 40.000 EUR, BTW NIET MEEGEREKEND
]4
  b. [4 de positieve wijziging van de voorwaarden van deze overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, gecompenseerd door eventuele gelijktijdig goedgekeurde negatieve wijzigingen, waardoor het oorspronkelijke bedrag van de opdracht met ten minste 10% wordt verhoogd;]4
   c. [4 de positieve wijziging van de voorwaarden van deze opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, gecompenseerd door de negatieve wijzigingen die tegelijkertijd bij dezelfde akte zijn goedgekeurd, en waarvan het bedrag, samen met de bedragen van de opeenvolgende positieve wijzigingen, het oorspronkelijke bedrag van de opdracht met ten minste 10% verhoogt;]4
   d. [4 ...]4
   e. de toewijzing, aan een economische deelnemer van een overheidsopdracht voor een lening die al dan niet verband houdt met de uitgifte, de aankoop, de verkoop en de overdracht van effecten of andere financiële instrumenten waarvan het bedrag van de totale bezoldiging van de dienstverlener de [4 250.000 euro, btw niet meegerekend]4 overschrijdt;
   f. de toewijzing van een opdracht tot dienstverlening [4 voor een bedrag van meer dan 75.000 euro, btw niet meegerekend]4 door de aanbestedende overheid aan een andere aanbestedende overheid of aan een vereniging van aanbestedende overheden, op grond van een exclusief recht waarvan laatstgenoemden genieten krachtens bekendgemaakte wetgevende, reglementaire of administratieve bepalingen;
   g. de gunning van een overheidsopdracht [4 voor een bedrag van meer dan 75.000 euro, btw niet meegerekend]4, gegund met een rechtspersoon vallend onder het privaat recht of het publiek recht in het kader van een in-house-toezicht in de zin van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten;
   h. [4 ...]4]3
  [4 Voor de toepassing van deze bepaling omvat de term "overheidsopdracht" ook raamovereenkomsten;]4
  [3 [4 voor wat betreft de akten voor concessies:
   a. l'attribution d'une concession de services ou de travaux dont la valeur estimée lors de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession excède 250 000 euros H.T.V.A.;
   b. de positieve wijziging van de voorwaarden van deze concessies voor diensten en werken, gecompenseerd door eventuele gelijktijdig goedgekeurde negatieve wijzigingen, die de waarde van de concessie met ten minste tien procent verhoogt, zoals geraamd bij de gunning overeenkomstig de regelgeving inzake concessiecontracten;
   c. de positieve wijziging, gecompenseerd door gelijktijdig bij dezelfde akte goedgekeurde negatieve wijzigingen in de voorwaarden van deze concessies voor diensten en werken, waarvan het bedrag, samen met de bedragen van de opeenvolgende positieve wijzigingen, de waarde van de concessie met ten minste tien procent verhoogt, zoals geraamd bij de gunning overeenkomstig de regelgeving inzake concessiecontracten.]4
]3

   § 2. De Regering kan de akte waarmee een in hoofdstuk XII van deze wet bedoelde vereniging de wet schendt of het algemeen belang schaadt geheel of gedeeltelijk nietig verklaren binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.
   De Regering kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het eerste lid.
   De akte is niet meer vatbaar voor nietigverklaring als de Regering zijn besluit niet heeft betekend binnen die termijn.
   § 3. De akten waarvan geen sprake is in paragraaf 1 worden na beroep onderworpen aan het vernietigingstoezicht van de Regering. De nietigverklaring kan slechts wegens schending van de wet of benadeling van het algemeen belang plaatsvinden.
   De Regering [2 of het Operationeel Directoraat-generaal Binnenlandse Aangelegenheden en Sociale Actie van de Waalse Overheidsdienst]2 kan de overdracht van elke door haar bepaalde beraadslaging en van de desbetreffende bewijsstukken eisen van de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet.
   De Regering kan de akte waarmee een in hoofdstuk XII van deze wet bedoelde vereniging de wet schendt of het algemeen belang schaadt geheel of gedeeltelijk nietig verklaren binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.
   De Regering kan de termijn die hem toegestaan wordt om zijn bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het derde lid.
   De akte is niet meer vatbaar voor nietigverklaring als de Regering zijn besluit niet heeft betekend binnen die termijn.]1
  [4 § 4. De Regering kan, telkens als de omstandigheden het verantwoorden, de bedragen bedoeld in paragraaf 1, 4° en 5° aanpassen.]4
  
 Procédure ouverte Procédure restreinte/ Procédure concurrentielle avec négociation et Procédure négociée avec mise en concurrence préalable/Procédure négociée directe avec publication préalable et Procédure négociée directe avec mise en concurrence préalable Procédure négociée sans publication préalable et Procédure négociée sans mise en concurrence préalable
Travaux 300.000 EUR H.T.V.A. 150.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A.
Fournitures et services 250.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A. 40.000 EUR H.T.V.A.
Procédure ouverte Procédure restreinte/ Procédure concurrentielle avec négociation et Procédure négociée avec mise en concurrence préalable/Procédure négociée directe avec publication préalable et Procédure négociée directe avec mise en concurrence préalable Procédure négociée sans publication préalable et Procédure négociée sans mise en concurrence préalable Travaux 300.000 EUR H.T.V.A. 150.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A. Fournitures et services 250.000 EUR H.T.V.A. 75.000 EUR H.T.V.A. 40.000 EUR H.T.V.A.
]4
  b. [4 la modification positive, compensée par les éventuelles modifications négatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces marchés de travaux, de fournitures et de services qui augmente de minimum dix pour cent le montant initial du marché;]4
   c. [4 la modification positive, compensée par les éventuelles modifications négatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces marchés de travaux, de fournitures et de services dont le montant cumulé aux montants des modifications positives successives augmente de minimum dix pour cent le montant initial du marché;]4
   d. [4 ...]4
   e. l'attribution à un opérateur d'un marché public relatif à un prêt qu'il soit ou non lié à l'émission, à l'achat, à la vente et au transfert de titres ou d'autres instruments financiers dont le montant de la rémunération totale du prestataire excède [4 250 000 euros H.T.V.A.]4;
   f. l'attribution d'une mission de services [4 d'un montant excédant 75 000 euros H.T.V.A.]4 par le pouvoir adjudicateur à un autre pouvoir adjudicateur ou à une association de pouvoirs adjudicateurs, sur la base d'un droit exclusif dont ceux-ci bénéficient en vertu de dispositions législatives, réglementaires ou administratives publiées;
   g. l'attribution d'un marché public [4 d'un montant excédant 75 000 euros H.T.V.A.]4 passé avec une personne morale régie par le droit privé ou le droit public dans le cadre d'un contrôle in house au sens de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics;
   h. [4 ...]4]3
  [4 Pour l'application de la présente disposition, la notion de marchés publics englobe les accords-cadres;]4
  [3 [4 pour ce qui concerne les actes relatifs aux concessions :
   a. l'attribution d'une concession de services ou de travaux dont la valeurestimée lors de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession excède 250 000 euros H.T.V.A.;
   b. la modification positive, compensée par les éventuelles modificationsnégatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces concessions de services et de travaux qui augmente de minimum dix pour cent la valeur de la concession telle qu'estimée au moment de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession;
   c. la modification positive, compensée par les éventuelles modificationsnégatives approuvées concomitamment dans le même acte, apportée aux conditions de ces concessions de services et de travaux dont le montant cumulé aux montants des modifications positives successives augmente de minimum dix pour cent la valeur de la concession telle qu'estimée au moment de l'attribution conformément à la règlementation relative aux contrats de concession.]4
]3

   § 2. Le Gouvernement peut, dans un délai de trente jours à dater de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives, annuler tout ou partie de l'acte par lequel une association visée au chapitre XII de la présente loi viole la loi ou blesse l'intérêt général.
   Le Gouvernement peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir, d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 1er.
   L'acte n'est plus susceptible d'annulation si le Gouvernement n'a pas notifié sa décision dans le délai.
   § 3. Les actes non visés au paragraphe 1er sont soumis à la tutelle d'annulation du Gouvernement sur recours. L'annulation peut intervenir pour violation de la loi ou lésion de l'intérêt général.
   Le Gouvernement [2 ou la Direction générale opérationnelle Intérieur et Action sociale du Service public de Wallonie]2 peut réclamer aux associations visées au chapitre XII de la présente loi, la transmission de toute délibération qu'il désigne, accompagnée de ses pièces justificatives.
   Le Gouvernement peut dans un délai de trente jours à dater de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives, annuler tout ou partie de l'acte par lequel une association visée au chapitre XII de la présente loi viole la loi ou blesse l'intérêt général.
   Le Gouvernement peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir, d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 3.
   L'acte n'est plus susceptible d'annulation si le Gouvernement n'a pas notifié sa décision dans le délai.]1
  [4 § 4. Le Gouvernement peut, chaque fois que les circonstances le justifient, adapter les montants visés au paragraphe 1er, 4° et 5°.]4
  
Art. 112septies. [1 § 1. De akten van de verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet die betrekking hebben op de volgende voorwerpen worden ter goegkeuring aan de Regering voorgelegd binnen vijftien dagen na de aanneming ervan :
   1° de aanneming of de wijziging van de statuten van de vereniging;
   2° de algemene bepalingen inzake het personeel;
   3° de jaarrekeningen;
   4° de herschikking van leningen waarop werd ingeschreven;
   5° [2 ...]2.
   § 2. De Regering neemt haar besluit binnen veertig dagen na ontvangst van de akte en de desbetreffende bewijsstukken.
   De Regering kan de termijn die hem toegestaan wordt om haar bevoegdheid uit te oefenen verlengen met een maximumduur gelijk aan de helft van de termijn bedoeld in het eerste lid.
   Bij gebrek aan besluit binnen die termijn is de akte uitvoerbaar.
   De goedkeuring kan geweigerd worden wegens schending van de wet of benadeling van het algemeen belang.]1

  
Art. 112septies. [1 § 1er. Les actes des associations visées au chapitre XII de la présente loi, portant sur les objets suivants sont soumis, dans les quinze jours de leur adoption, à l'approbation du Gouvernement :
   1° l'adoption ou la modification des statuts de l'association;
   2° les dispositions générales en matière de personnel;
   3° les comptes annuels;
   4° le rééchelonnement d'emprunts souscrits;
   5° [2 ...]2.
   § 2. Le Gouvernement prend sa décision dans les quarante jours de la réception de l'acte et de ses pièces justificatives.
   Le Gouvernement peut proroger le délai qui lui est imparti pour exercer son pouvoir d'une durée maximale égale à la moitié du délai visé à l'alinéa 1er.
   A défaut de décision dans le délai, l'acte est exécutoire.
   L'approbation peut être refusée pour violation de la loi ou lésion de l'intérêt général.]1

  
Art. 112octies. [1 § 1. In de verenigingen bedoeld in Hoofdstuk XII van deze wet kan de Regering een afgevaardigde voor het toezicht aanwijzen.
   De Regering legt de regels vast voor de aanwijzing en het administratieve en bezoldigingsstatuut van de afgevaardigde. Onder de bepalingen van het administratieve statuut worden bepalingen opgenomen, inzake de onverenigbaarheden en de belangenconflicten.
   Onverminderd de mogelijkheid om elk ogenblik de opdrachten van de afgevaardigde voor het toezicht te beëindigen, kan de Regering na de afgevaardigde voor het toezicht te hebben gehoord, hem afzetten indien blijkt dat hij :
   1° bewust een handeling gepleegd heeft die onverenigbaar is met de opdracht [2 of het doel van de instelling]2;
   2° een fout of een ernstige nalatigheid begaan heeft in de uitoefening van zijn opdrachten;
   3° in de loop van eenzelfde jaar zonder verantwoording afwezig is gebleven op drie gewone en regelmatig bijeengeroepen vergaderingen waarvoor zijn aanwezigheid is vereist;
   4° de voorwaarden bepaald door de Regering niet meer vervult.
   Bij zijn verhoor kan de afgevaardigde voor het toezicht bijgestaan worden door de persoon van zijn keuze.
   § 2. De afgevaardigde voor het toezicht heeft als opdracht de controle ter plaatse, naar aanleiding van de vergaderingen van de bestuursorganen van de vereniging bedoeld in paragraaf 1, van de akten van bedoelde verenigingen.
   Op deze titel kan hij vragen, gehoord te worden tijdens de vergaderingen die hij bijwoont.
   De afgevaardigde voor het toezicht wordt uitgenodigd op alle vergaderingen van de beheersorganen volgens de procedure die van toepassing is op de oproeping van de leden van die organen.
   Hij kan eisen dat elk besluit dat hij vernoemt, samen met de bewijsstukken wordt overgemaakt.
   De afgevaardigde voor het toezicht kan op elke beslissing van de vereniging bedoeld in paragraaf 1 een onderzoek vragen van de toezichthoudende overheid. De toezichthoudende overheid beslist volgens de regels vastgesteld in de artikelen 112sexies en 112septies van deze wet.
   De afgevaardigde voor het toezicht brengt minstens één keer per jaar verslag uit bij de toezichthoudende overheid.
   § 3. Onverminderd hetgeen voorafgaat, mag de afgevaardigde voor het toezicht inlichtingen waarvan hij in het kader van zijn opdrachten kennis heeft genomen, niet gebruiken, noch verspreiden indien het gebruik of de verspreiding van die inlichtingen van dien aard is dat ze nadelig is voor de belangen van de instelling.]1

  
Art. 112octies. [1 § 1er. Dans les associations visées au Chapitre XII de la présente loi, le Gouvernement peut désigner un délégué au contrôle.
   Le Gouvernement arrête les règles relatives à la désignation et au statut administratif et pécuniaire du délégué. Parmi les dispositions du statut administratif figureront des dispositions en termes d'incompatibilités et de conflit d'intérêts.
   Sans préjudice de la possibilité de mettre fin à tout moment aux missions du délégué au contrôle, le Gouvernement peut, après audition du délégué au contrôle, révoquer celui-ci, dans les hypothèses suivantes :
   1° s'il a commis sciemment un acte incompatible avec la mission [2 ou l'objet de l'organisme]2;
   2° s'il a commis une faute ou une négligence grave dans l'exercice de ses missions;
   3° s'il est, au cours d'une même année, absent, sans justification, à plus de trois réunions régulièrement convoquées et auxquelles sa présence est requise;
   4° s'il ne remplit plus les conditions arrêtées par le Gouvernement.
   Au cours de son audition, le délégué au contrôle peut être assisté par la personne de son choix.
   § 2. Le délégué au contrôle a pour mission le contrôle sur place, à l'occasion des réunions des organes de gestion de l'association visée au paragraphe 1er, des actes desdites associations.
   A ce titre, il peut demander à être entendu lors des réunions auxquelles il assiste.
   Le délégué au contrôle est invité à toutes les réunions des organes de gestion selon la procédure applicable à la convocation des membres de ces organes.
   Il peut réclamer la transmission de toute délibération qu'il désigne, accompagnée de ses pièces justificatives.
   Le délégué au contrôle peut solliciter une instruction de la part de l'autorité de tutelle sur toute décision de l'association visée au paragraphe 1er. L'autorité de tutelle statue selon les règles fixées aux articles 112sexies et 112septies de la présente loi.
   Le délégué au contrôle fait rapport annuellement à l'autorité de tutelle.
   § 3. Sans préjudice de ce qui précède, le délégué au contrôle ne peut utiliser ou divulguer des informations dont il a eu connaissance dans le cadre de ses missions, si l'utilisation ou la divulgation de ces informations est de nature à porter préjudice aux intérêts de l'organisme.]1

  
Afdeling 3. - Afzending van een bijzondere commissaris.
Section 3. - De l'envoi d'un commissaire spécial.
Art. 113. [1 De gouverneur mag, bij besluit, een bijzondere commissaris aanwijzen wanneer een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of een vereniging bedoeld in hoofdstuk XII van deze wet, het algemeen belang schaadt, in gebreke blijft om de gevraagde inlichtingen of gegevens te verstrekken of uitvoering te verlenen aan de maatregelen opgelegd bij wet, decreet, besluit, verordening of statuut of bij een in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing. De bijzondere commissaris is gemachtigd om alle maatregelen te treffen in de plaats van de in gebreke gebleven overheid, binnen de perken van het mandaat dat hem bij het aanwijzingsbesluit is toegekend.
   Voordat een bijzondere commissaris ter plaatse wordt gestuurd, moet de gouverneur :
   - bij aangetekende brief een met redenen omklede waarschuwing aan de bedoelde overheid richten, waarin uiteengezet wordt wat van haar verlangd wordt of welke maatregelen ze verzuimt te treffen;
   - die overheid in dezelfde waarschuwing een bepaalde en redelijke termijn opleggen om de aan haar gerichte aanvraag te beantwoorden, haar houding te verantwoorden, haar standpunt te bevestigen of de voorgeschreven maatregelen te treffen.
   Kosten, ereloon of lonen die onlosmakelijk verbonden zijn met het voltooien van zijn opdracht worden afgewenteld op de personen die in gebreke zijn gebleven in de uitvoering van ambt of mandaat. De vordering van deze kosten wordt als voor inkomstenbelastingen, na uitvoerbaarverklaring door de toezichthoudende overheid, vervolgd door de ontvanger der directe belastingen.]1

  (Als een in het vorige lid bedoelde maatregel het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeenten Komen-Waasten of Voeren betreft, neemt de gouverneur zijn beslissing op eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.) <W 1988-08-09/30, art. 18; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  De invordering van de bovenbedoelde kosten geschiedt, zoals inzake directe belastingen, door de Rijksontvanger nadat de provinciegouverneur het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.
  In alle gevallen staat beroep open bij de (Regering).
  
Art. 113. [1 Le gouverneur peut, par arrêté, désigner un commissaire spécial lorsqu'un centre public d'action social ou une association visée au chapitre XII de la présente loi, lèse l'intérêt général, reste en défaut de fournir les renseignements et éléments demandés, ou de mettre en exécution les mesures prescrites par les lois, décrets, arrêtés, règlements ou statuts ou par une décision de justice coulée en force de chose jugée. Le commissaire spécial est habilité à prendre toutes les mesures nécessaires en lieu et place de l'autorité défaillante, dans les limites du mandat qui lui a été donné par l'arrêté qui le désigne.
   Préalablement à l'envoi d'un commissaire spécial, le gouverneur :
   - adresse à l'autorité visée, par pli recommandé, un avertissement motivé expliquant ce qui lui est demandé ou les mesures qu'elle reste en défaut de prendre;
   - donne à cette autorité, dans le même avertissement, un délai déterminé et raisonnable pour répondre à la demande à elle adressée, justifier son attitude, confirmer sa position ou prendre les mesures prescrites.
   Les frais, honoraires ou traitements inhérents à l'accomplissement de sa mission sont à charge des personnes défaillantes dans l'exercice de leur fonction ou de leur mandat. La rentrée de ces frais est poursuivie comme en matière d'impôts sur les revenus par le receveur des contributions directes sur l'exécutoire de l'autorité de tutelle.]1

  (Lorsqu'une des mesures visées à l'alinéa précédent concerne le (centre public d'action sociale) des communes de Comines-Warneton ou de Fourons, le gouverneur prend sa décision de l'avis conforme du collège des gouverneurs de province, prévu à l'article 131bis de la loi provinciale.) <L 1988-08-09/30, art. 18; En vigueur : 1989-01-01> <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  La rentrée de ces frais sera poursuivie, comme en matière de contributions directes, par le receveur de l'Etat, sur l'exécutoire du gouverneur.
  Dans tous les cas, le recours est ouvert auprès du (Gouvernement).
  
HOOFDSTUK X. - Betwiste zaken en rechtsgedingen.
CHAPITRE X. - Du contentieux et des actions judiciaires.
Art. 115. § 1. (opgeheven) <W 1992-08-05/46, art. 63; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  § 2. In afwijking van artikel 28, vierde lid, worden de rechtsgedingen als eiser inzake de verrichtingen waarvan sprake in artikel 46, § 1, alsmede die inzake het beheer van de goederen en de terugvordering van de kosten voor verleende hulp, overeenkomstig de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn, in naam van het centrum gevoerd op vervolging en benaarstiging van de ontvanger of, in voorkomend geval, van de bijzondere ontvanger bedoeld door artikel 96.
  In geval van verhindering of afwezigheid van een van die ambtenaren, worden de in het vorige lid bedoelde handelingen verricht door de ambtenaar die de voornoemde ontvanger onder zijn aansprakelijkheid heeft aangeduid of door de waarnemende ontvanger; bij gebreke hiervan wordt daartoe een ambtenaar afgevaardigd door de raad voor maatschappelijk welzijn.
Art. 115. § 1. (abrogé) <L 1992-08-05/46, art. 63; En vigueur : 18-10-1992>
  § 2. Par dérogation à l'article 28, alinéa 4, les actions judiciaires en demandant au sujet des opérations dont question à l'article 46, § 1er, ainsi que celles au sujet de la gestion des biens et le recouvrement des frais de l'aide octroyée, sont exercées, conformément à la décision du (conseil de l'action sociale), au nom du centre, poursuites et diligences du receveur ou le cas échéant, du receveur spécial visé à l'article 96.
  En cas d'empêchement ou d'absence d'un de ces fonctionnaires, les actes vises dans l'alinéa précédent sont accomplis par le fonctionnaire que, sous sa responsabilité, le receveur susmentionné a désigné ou par le receveur intérimaire; à défaut, le conseil de l'aide sociale délègue un fonctionnaire à cet effet.
Art. 115bis. <INGEVOEGD DRW 2003-02-06/31, art. 7; Inwerkingtreding : 27-02-2003> § 1. Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn is burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de boetes opgelegd aan zijn voorzitter of aan diens plaatsvervanger, aan het lid of de leden van het vast bureau en de bijzondere comités of aan elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt, als gevolg van een overtreding begaan bij de gewone uitoefening van hun functies, behalve in geval van herhaling.
  De vordering tot beroep van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn jegens zijn voorzitter of diens plaatsvervanger, jegens het lid of de leden van het vast bureau en de bijzondere comités of elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt, wordt in geval van veroordeling beperkt tot de gevallen van bedrog, zware schuld of gewoonlijk voorkomende lichte schuld.
  § 2. Het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn is verplicht een verzekering aan te gaan ter dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid, gerechtsbijstand inbegrepen, die persoonlijk rust op zijn voorzitter, op de leden van het vast bureau of van de bijzondere comités of op elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt.
Art. 115bis. § 1er. Le (Centre public d'Action sociale) est civilement responsable du paiement des amendes auxquelles sont condamnés le président du (Centre public d'Action sociale) ou son remplaçant, le ou les membres du bureau permanent et des comités spéciaux ou tout autre conseiller investi d'une mission spécifique par le centre, par le bureau permanent ou par un comité spécial, à la suite d'une infraction commise dans l'exercice normal de leurs fonctions, sauf en cas de récidive. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  L'action récursoire du (Centre public d'Action sociale) à l'encontre du président du (Centre public d'Action sociale) ou de son remplaçant, de ou des membres du bureau permanent ou des comités spéciaux ou de tout autre conseiller investi d'une mission spécifique par le centre, par le bureau permanent ou par un comité spécial condamnés est limitée au dol, à la faute lourde ou à la faute légère présentant un caractère habituel. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 2. Le (Centre public d'Action sociale) est tenu de contracter une assurance visant à couvrir la responsabilité civile, en ce compris l'assistance en justice, qui incombe personnellement au président du (Centre public d'Action sociale) ou aux membres du bureau permanent ou des comités spéciaux ou à tout autre conseiller investi d'une mission spécifique par le centre, par le bureau permanent ou par un comité spécial. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 115ter. <INGEVOEGD DRW 2003-02-06/31, art. 8; Inwerkingtreding : 27-02-2003> De voorzitter van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of diens plaatsvervanger, het lid of de leden van het vast bureau of van de bijzondere comités of elke andere adviseur aan wie het centrum, het vast bureau of het comité een specifieke opdracht toevertrouwt, die het voorwerp zijn van een vordering tot schadeloosstelling voor de burgerlijke rechtbank of van een strafvervolging wegens een overtreding begaan bij de gewone uitoefening van hun functies, mogen elke overheid die hen krachtens artikel 57, § 4, van deze wet een opdracht toevertrouwt, in het geding betrekken.
Art. 115ter. Le président du (Centre public d'Action sociale) ou son remplaçant, le ou les membres du bureau permanent ou des comités spéciaux ou tout autre conseiller investi d'une mission spécifique par le centre, par le bureau permanent ou par un comité spécial, qui font l'objet d'une action en dommage et intérêts devant la juridiction civile ou répressive pour une faute commise à l'occasion de l'exercice normal de leurs fonctions, peuvent appeler à la cause toute autorité lui ayant confié une mission en vertu de l'article 57, § 4, de la présente loi. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 115quater. [1 Het vast bureau treedt als verweerder op bij elke rechtsvordering tegen het OCMW. Het stelt de vorderingen in kort geding en de bezitsvorderingen in; het verricht alle handelingen tot bewaring van recht of tot stuiting van verjaring en van verval.
   Alle andere rechtsvorderingen waarbij het OCMW als eiser optreedt, mogen door het vast bureau slechts worden ingesteld na machtiging van de raad voor maatschappelijk welzijn.
   Onverminderd artikel 728, § 3, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ofwel één van zijn leden ofwel een personeelslid ofwel een advocaat aanwijzen om in naam van het OCMW voor de rechtbank te oordelen.]1

  
Art. 115quater. [1 Le bureau permanent répond en justice à toute action intentée au C.P.A.S. Il intente les actions en référé et les actions possessoires; il fait tous actes conservatoires ou interruptifs de la prescription et des déchéances.
   Toutes autres actions dans lesquelles le C.P.A.S. intervient comme demanderesse ne peuvent être intentées par le bureau permanent qu'après autorisation du conseil de l'action sociale.
   Sans préjudice de l'article 728, § 3, alinéa 4, du Code judiciaire, le bureau permanent du centre public d'action sociale peut désigner soit un de ses membres, soit un membre du personnel, soit un avocat, pour connaître en justice au nom du C.P.A.S.]1

  
HOOFDSTUK XI. - Hoge raad voor maatschappelijk welzijn en studiedienst.
CHAPITRE XI. - Du conseil supérieur de l'aide sociale et du service d'étude
Art. 116. <W 1987-06-22/34, art. 1; Inwerkingtreding : 22-07-1987> Bij de Minister tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort wordt een hoge raad voor maatschappelijk welzijn ingesteld belast met het geven van advies aan de Minister over alle hem aanbelangende aangelegenheden in verband met het beleid inzake maatschappelijk welzijn.
  De inrichting en de bevoegdheden van die raad worden door de (Regering) geregeld.
Art. 116. <L 1987-06-22/34, art. 1; En vigueur : 22-07-1987> Il est institué auprès du Ministre qui a l'aide sociale dans ses attributions un conseil supérieur de l'aide sociale chargé de donner des avis au Ministre sur toutes les matières le concernant, relatives à la politique de l'aide sociale.
  Le (Gouvernement) règle l'organisation et les attributions de ce conseil.
Art. 117. In het Ministerie tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort is er een studiedienst, die onder meer belast is met het systematisch volgen van de bedrijvigheid der openbare centra voor maatschappelijk welzijn, ten einde daaruit de objectieve criteria af te leiden met het oog op de toepassing van deze wet.
  Deze dienst is er eveneens mede belast de evolutie van de sociale noden te bestuderen, een repertorium op te maken van de instellingen en werken van maatschappelijke dienstverlening en hierover een documentatie bij te houden ten dienste van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van eenieder die erom verzoekt.
Art. 117. Le Ministère qui a l'aide sociale dans ses attributions comprend un service d'étude chargé notamment d'observer systématiquement l'activité des (centres publics d'action sociale) en vue de dégager des critères objectifs utilisables pour l'application de la présente loi. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Ce service est également chargé d'étudier l'évolution des besoins sociaux, de répertorier les organismes et oeuvres d'aide sociale et d'en tenir à jour une documentation à la disposition des (centres publics d'action sociale) et de chacun qui en fait la demande. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
HOOFDSTUK XII. - Verenigingen.
CHAPITRE XII. - Des associations.
Art. 118. Een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan, om een van de opdrachten uit te voeren die door deze wet aan de centra zijn toevertrouwd, een vereniging tot stand brengen met een of meer andere openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met andere openbare besturen en of met rechtspersonen andere dan die welke winstoogmerken hebben.
Art. 118. Un (centre public d'action sociale) peut, pour réaliser une des tâches confiées aux centres par la présente loi, former une association avec un ou plusieurs autres (centres publics d'action sociale), avec d'autres pouvoirs publics et ou avec des personnes morales autres que celles qui ont un but lucratif. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 120. De statuten van de vereniging (vermelden) : <W 1992-08-05/46, art. 65; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  (1° de benaming, de zetel, de duur en, in voorkomend geval, de rechtsvorm van de vereniging;)
  2. het doel of de doeleinden waarvoor zij is opgericht;
  3. de nauwkeurige aanduiding van de deelgenoten, van hun inbrengsten, verbintenissen en bijdragen;
  4. de voorwaarden tot het toetreden en het uittreden van de deelgenoten;
  5. de bevoegdheid van de algemene vergadering en de wijze waarop deze wordt bijeengeroepen alsmede de wijze waarop haar besluiten ter kennis van de leden en van derden worden gebracht;
  6. de betrekkingen van de vereniging met haar leden inzake de mededeling van de documenten die aan de algemene vergadering worden voorgelegd;
  7. de bevoegdheden van de raad van beheer; de wijze van benoeming en van afzetting van zijn leden, alsmede de aansprakelijkheid van de beheerders;
  8. de financiële en boekhoudkundige regels, voor zover zij niet door de wet zijn bepaald;
  9. de na te komen regelen tot het wijzigen van de statuten;
  10. de bestemming van het vermogen van de vereniging ingeval ze zou ontbonden worden.
  De statuten worden in een authentieke akte vastgesteld.
Art. 120. Les statuts de l'association (mentionnent) : <L 1992-08-05/46, art. 65; En vigueur : 18-10-1992>
  (1. la dénomination, le siège, la durée et, le cas échéant, la forme juridique de l'association.)
  2. l'objet ou les objets en vue desquels elle est formée;
  3. la désignation précise des associés, de leurs apports, de leurs engagements et de leurs cotisations;
  4. les conditions mises à l'entrée et à la sortie des associes;
  5. les attributions et le mode de convocation de l'assemblée générale, ainsi que les conditions dans lesquelles ses résolutions sont portées à la connaissance de ses membres et des tiers;
  6. les rapports de l'association avec ses membres au sujet de la communication des documents soumis à l'assemblée générale;
  7. les attributions du conseil d'administration; le mode de nomination et de révocation de ses membres, ainsi que les responsabilités des administrateurs;
  8. les règles financières et comptables pour autant qu'elles ne sont pas prévues par la loi;
  9. les règles à suivre pour modifier les statuts;
  10. la destination du patrimoine de l'association dans le cas où celle-ci serait dissoute.
  Les statuts sont constatés dans un acte authentique.
Art. 121. [1 § 1.]1 De vereniging bezit rechtspersoonlijkheid. Zij kan onder meer, onder dezelfde voorwaarden als de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, subsidies van de openbare besturen en schenkingen en legaten ontvangen alsmede leningen aangaan.
  (De vereniging kan de rechtsvorm van een v.z.w. aannemen.)
  [1 § 2. De bepalingen van de artikelen 75bis, 75ter, 76bis en 76ter zijn van toepassing op de onroerende en roerende goederenverrichtingen van de vereniging opgericht krachtens de artikelen 118 en volgende onder het voorbehoud dat het woord OCMW wordt gelezen als vereniging opgericht krachtens de artikelen 118 en volgende van deze wet.]1
  
Art. 121. [1 § 1er.]1 L'association jouit de la personnalité juridique. Elle peut notamment, dans les mêmes conditions que les (centres publics d'action sociale), recevoir des subsides des pouvoirs publics et des donations et legs ainsi que contracter des emprunts. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  (L'association peut adopter la forme juridique de l'association sans but lucratif.)
  [1 § 2. Les dispositions des articles 75bis, 75ter, 76bis et 76ter sont applicables pour les opérations immobilières et mobilières de l'association créée en vertu des articles 118 et suivants sous la réserve que le mot C.P.A.S. se lit comme association créée en vertu des articles 118 et suivants de la présente loi.]1
  
Art. 121bis. <INGEVOEGD bij W 1992-08-05/46, art. 66; Inwerkingtreding : 18-10-1992> Al de akten, facturen, aankondigingen, publicaties en andere stukken uitgaande van de vereniging vermelden de benaming van de vereniging met, onmiddellijk daarvoor of daarna de leesbaar en voluit geschreven woorden : " Vereniging onderworpen aan de wet van 8 juli 1976 ".
Art. 121bis. Tous les actes, factures, annonces, publications et autres pièces qui émanent de l'association, mentionnent sa dénomination, précédée ou suivie des mots écrits lisiblement et en toutes lettres : " Association régie par la loi du 8 juillet 1976 ".
Art. 122. De bepalingen van de artikelen [1 112septies]1, 120, en 134 zijn van toepassing op de wijzigingen van de statuten.
  Elke wijziging die voor de deelgenoten een verzwaring van hun verplichtingen of een vermindering van hun rechten in de vereniging meebrengt, moet vooraf hun instemming bekomen.
  
Art. 122. Les dispositions des articles [1 112septies]1, 120 et 134 sont d'application pour les modifications des statuts.
  Toute modification entraînant pour les associés une aggravation de leurs obligations ou une diminution de leurs droits dans l'association doit, au préalable, recevoir leur agrément.
  
Art. 123. In geval van wijziging van de doeleinden waarvoor de vereniging werd opgericht, kan elke deelgenoot zich uit de vereniging terugtrekken door zijn ontslag in te dienen bij de raad van beheer.
  Hij zal de tegenwaarde ontvangen van zijn eventuele inbreng in de vereniging, geraamd volgens de boekhoudkundige waarde op het ogenblik van het ontslag. Hij kan evenwel de teruggave niet eisen van de betaalde bijdragen.
Art. 123. En cas de modification des objets en vue desquels l'association est formée, tout associé peut se retirer de l'association en adressant sa démission au conseil d'administration.
  Il recevra la contrepartie, estimée à la valeur comptable au moment de la démission, de l'apport qu'il a éventuellement fait l'association. Il ne peut toutefois pas réclamer le remboursement des cotisations qu'il a versées.
Art. 124. [1 De openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden in de organen van de vereniging vertegenwoordigd door leden van hun raad voor maatschappelijk welzijn. Deze leden worden door de raad aangeduid volgens de regels bepaald bij artikel 27, § 6, lid 2, van deze wet voor de verkiezing van de leden van het vast bureau.
   De bestuurders die de openbare centra voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigen, moeten van beide geslachten zijn. Hun aantal mag één vijfde van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn niet overschrijden. Gesteld dat aan de bepaling bedoeld in artikel 125, lid 1, niet kan worden voldaan, kan het aantal bestuurders die de openbare centra voor maatschappelijk welzijn vertegenwoordigen op twee vijfde van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn gebracht worden.
   De bestuurders die de verenigde centra vertegenwoordigen worden naar evenredigheid met het geheel van de raden voor maatschappelijk welzijn van de overeenkomstig de artikelen 167 en 168 van het Kieswetboek verenigde centra aangewezen.
   Bij het berekenen van die evenredigheid wordt rekening gehouden met de eventuele statutaire criteria en de facultatieve individuele verklaringen van apparentering of hergroepering. Zij worden bekendgemaakt op de website van de gemeente.
   De verklaringen van apparentering of hergroepering kunnen slechts één keer worden verricht, naar één enkele lijst en voor de gezamenlijke afgeleide mandaten van het raadslid van de raad voor maatschappelijk welzijn.
   Het Centrum deelt de vereniging, uiterlijk op 1 maart van het jaar volgend op het jaar van de gemeenteraads- of provincieraadsverkiezingen, de naam van de raadsleden van de raad voor maatschappelijk welzijn, hun politieke fractie en, in voorkomend geval, de apparenteringen of de hergroeperingen mee zoals zij blijken uit de individuele verklaringen, waarvan ter zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn akte is genomen.
   Er wordt daarentegen bij de berekening van die evenredigheid geen rekening gehouden met de lijst(en) van de raadsleden, ingediend door een politiek fractie in de gemeenteraad die de democratische beginselen niet naleeft die met name vermeld zijn in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in de additionele protocollen bij dat Verdrag van kracht in België, bij de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden of in de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd en van degenen die bestuurder van een vereniging waren op het ogenblik van de feiten ingevolge waarvan ze veroordeeld werd voor één van de overtredingen bepaald bij de wet van 30 juli 1981 of bij de wet van 23 maart 1995.
   Daarnaast heeft iedere lijst van raadgevers, ingediend door een democratische politieke fractie van de gemeenteraad die minstens beschikt over minstens één verkozene in één van de verenigde centra en over minstens één verkozene in het Waals Parlement en die niet vertegenwoordigd is overeenkomstig het systeem van de proportionele vertegenwoordiging bedoeld in het tweede lid, recht op een zetel als waarnemer met raadgevende stem, zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.
   Iedere democratische politieke fractie, vertegenwoordigd in het Waals Parlement en in één van de gemeenten waarvan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn lid is van de vereniging die niet over een zetel beschikt in de raad van bestuur, recht op een zetel als waarnemer met raadgevende stem, zoals omschreven in artikel L5111-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie. Onder "democratische politieke fractie" dienen te worden verstaan, de politieke formaties die de democratische beginselen naleven die met name vermeld zijn in het Europees Verdrag van tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in de additionele protocollen bij dat Verdrag van kracht in België, in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden en in de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, evenals de rechten en de vrijheden gewaarborgd door de Grondwet.
   De raad van bestuur kan één of meerdere personeelsafgevaardigden omvatten, die met raadgevende stem zetelen.
   De leden 1 tot 7 van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op de vertegenwoordigers van de gemeenten.]1

  [2 De vergadering van de organen van de vereniging wordt georganiseerd :
   1° overeenkomstig de artikelen 30bis en 30ter voor wat betreft de algemene vergadering;
   2° overeenkomstig de artikelen 30bis en 30quater voor wat betreft de beheersorganen.]2

  
Art. 124. [1 Les Centres publics d'action sociale sont représentés dans les organes de l'association par des membres de leur Conseil de l'action sociale. Ces membres sont désignés par le Conseil suivant les règles déterminées par l'article 27, § 6, alinéa 2, de la présente loi pour l'élection des membres du Bureau permanent.
   Les administrateurs représentant les centres publics d'action sociale associés sont de sexe différent. Leur nombre ne peut dépasser un cinquième du nombre de membres du Conseil de l'action sociale. Dans l'hypothèse où la disposition visée à l'article 125 alinéa 1er ne peut être satisfaite, le nombre d'administrateurs représentant les centres publics d'action sociale associés peut être porté à deux cinquièmes du nombre de membres du Conseil de l'action sociale.
   Les administrateurs représentant les centres associés sont désignés à la proportionnelle de l'ensemble des Conseils de l'action sociale des centres associés conformément aux articles 167 et 168 du Code électoral.
   Pour le calcul de cette proportionnelle, il est tenu compte des éventuels critères statutaires ainsi que des déclarations individuelles facultatives d'apparentement ou de regroupement. Elles sont publiées sur le site internet de la commune.
   Les déclarations d'apparentement ou de regroupement ne peuvent être faites qu'une seule fois, vers une seule liste et pour l'ensemble des mandats dérivés du conseiller de l'action sociale.
   Le Centre communique à l'association, au plus tard le 1er mars de l'année qui suit celle des élections communales ou provinciales, le nom des conseillers de l'action sociale, leur groupe politique et, le cas échéant, les apparentements ou les regroupements, tels qu'ils ressortent des déclarations individuelles actées en séance du Conseil de l'action sociale.
   Par contre, il n'est pas tenu compte pour le calcul de cette proportionnelle de la ou des listes de conseillers déposée(s) par un groupe politique du conseil communal qui ne respecte pas les principes démocratiques énoncés, notamment, par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par les protocoles additionnels à cette convention en vigueur en Belgique, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie et par la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la seconde guerre mondiale et de ceux qui étaient administrateurs d'une association au moment des faits à la suite desquels elle a été condamnée pour l'une des infractions prévues par la loi du 30 juillet 1981 ou la loi du 23 mars 1995.
   En outre, toute liste de conseillers déposée par un groupe politique démocratique du conseil communal disposant d'au moins un élu au sein d'un des centres associés et d'au moins un élu au Parlement wallon et non représenté conformément au système de la représentation proportionnelle visée au deuxième alinéa, a droit à un siège d'observateur, avec voix consultative, tel que défini à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   Tout groupe politique démocratique représenté au Parlement wallon et au sein d'une des communes dont le centre public d'action sociale est associé à l'association qui ne dispose pas d'un siège au Conseil d'administration a droit à un siège d'observateur, avec voix consultative, tel que défini à l'article L5111-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation. Par " groupe politique démocratique ", il faut entendre formations politiques qui respectent les principes démocratiques énoncés notamment par la Convention de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, par les protocoles additionnels à cette convention en vigueur en Belgique, par la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme et la xénophobie et par la loi du 23 mars 1995 tendant à réprimer la négation, la minimisation, la justification ou l'approbation du génocide commis par le régime national-socialiste pendant la Seconde Guerre mondiale ou toute autre forme de génocide, ainsi que les droits et libertés garantis par la Constitution.
   Le Conseil d'administration peut comprendre un ou plusieurs délégués du personnel qui siègent avec voix consultative.
   Les alinéas 1er à 7 du présent article s'appliquent mutatis mutandis aux représentants des communes.]1

  [2 La réunion des organes de l'association est organisée :
   1° conformément aux articles 30bis et 30ter en ce qui concerne l'assemblée générale;
   2° conformément aux articles 30bis et 30quater en ce qui concerne les organes de gestion.]2

  
Art. 125. Ongeacht de verhouding van de inbreng van de verschillende deelgenoten, beschikken de openbare rechtspersonen steeds over de meerderheid van de stemmen in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de vereniging. [1 De raad van bestuur van de vereniging bestaat uit minstens vijf bestuurders.]1
  (Wanneer een vereniging wordt opgericht met het oog op het exploiteren van een ziekenhuis of van een gedeelte van een ziekenhuis, beschikken de openbare rechtspersonen over ten minste de helft van de stemmen in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de vereniging.
  Indien de andere deelgenoten dan de openbare rechtspersonen over de helft van de stemmen beschikken in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de vereniging, dan kan maximum 50 procent van het vastgestelde tekort in de beheersrekeningen van het ziekenhuis worden gedekt overeenkomstig de regelen voorzien in artikel 13, § 2bis, van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen.)
  
Art. 125. Quelle que soit la proportion des apports des divers associés, les personnes de droit public disposent toujours de la majorité des voix dans les différents organes d'administration et de gestion de l'association. [1 Le conseil d'administration de l'association est composé de minimum cinq administrateurs.]1
  (Lorsqu'une association est formée en vue de l'exploitation d'un hôpital ou d'une partie d'un hôpital, les personnes de droit public disposent de la moitié au moins des voix dans les différents organes d'administration et de gestion de l'association.
  Si les associés autres que les personnes de droit public disposent de la moitié des voix dans les différents organes d'administration et de gestion de l'association, 50 pourcent au maximum du déficit constaté dans les comptes de gestion de l'hôpital peuvent être couverts, conformément aux dispositions de l'article 13, § 2bis, de la loi du 23 décembre 1963 sur les hôpitaux.)
  
Art. 125/1. [1 § 1. Wanneer een vereniging wordt gevormd met het oog op de uitbating van een ziekenhuis of een deel van een ziekenhuis, dan wel van een rusthuis, richt eerstgenoemde een auditcomité op in haar raad van bestuur.
   § 2. Het auditcomité is samengesteld uit leden van de raad van bestuur die geen lid zijn van het uitvoerend bureau. Het maximumaantal leden van het auditcomité kan niet hoger zijn dan vijfentwintig percent van het aantal leden van de raad van bestuur.
   De voorzitter van het auditcomité wordt aangewezen door de leden van het comité.
   Minstens één lid van het auditcomité beschikt over een praktische ervaring en/of technische kennis in het activiteitsdomein van de vereniging.
   De titularis van de lokale leidinggevende functie in de vereniging wordt systematisch opgeroepen voor de vergaderingen met raadgevende stem.
   § 3. De raad van bestuur bepaalt de opdrachten van het auditcomité, die minstens volgende opdrachten omvatten :
   1° de mededeling aan de raad van bestuur van informatie over de resultaten van de wettelijke controle van de jaarrekeningen en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde rekeningen en van duiding over de wijze waarop de wettelijke controle van de jaarrekeningen en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde rekeningen bijgedragen hebben tot de integriteit van de financiële informatie en over de rol van het auditcomité in dat proces;
   2° de opvolging van het proces voor de uitwerking van de financiële informatie en overlegging van aanbevelingen of voorstellen om er de integriteit van te vrijwaren;
   3° de opvolging van de doeltreffendheid van de systemen voor interne controle en beheersing van de risico's van de intercommunale of de instellingen, evenals de opvolging van de interne audit en de doeltreffendheid ervan;
   4° de opvolging van de wettelijke controle van de jaarrekeningen en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde jaarrekeningen, met inbegrip van de vragen en aanbevelingen geformuleerd door de bedrijfsrevisor belast met de wettelijke controle van de geconsolideerde rekeningen;
   5° het onderzoek en de opvolging van de onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisor belast met de wettelijke controle van de geconsolideerde rekeningen, in het bijzonder wat betreft de gegrondheid van de levering van aanvullende diensten aan de maatschappij.
   Het auditcomité brengt regelmatig verslag uit bij de raad van bestuur over de uitoefening van diens opdrachten, minstens bij het opstellen door laatstgenoemde van de jaarrekeningen en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde rekeningen]1

  
Art. 125/1. [1 § 1er. Lorsqu'une association est formée en vue de l'exploitation d'un hôpital ou d'une partie d'un hôpital ainsi que d'une maison de repos, elle constitue un comité d'audit au sein de son conseil d'administration.
   § 2. Le comité d'audit est composé de membres du conseil d'administration qui ne sont pas membres du bureau exécutif. Le nombre maximum de membres du comité d'audit ne peut être supérieur à vingt-cinq pourcents du nombre de membres du Conseil d'administration.
   Le président du comité d'audit est désigné par les membres du comité.
   Au moins un membre du comité d'audit dispose d'une expérience pratique et/ou de connaissances techniques dans le domaine d'activités de l'association.
   Le titulaire de la fonction dirigeante au sein de l'association est systématiquement invité aux réunions, avec voix consultative.
   § 3. Le conseil d'administration définit les missions du comité d'audit lesquelles comprennent au minimum les missions suivantes :
   1° la communication au conseil d'administration d'informations sur les résultats du contrôle légal des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés et d'explications sur la façon dont le contrôle légal des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés ont contribué à l'intégrité de l'information financière et sur le rôle que le comité d'audit a joué dans ce processus;
   2° le suivi du processus d'élaboration de l'information financière et présentation de recommandations ou de propositions pour en garantir l'intégrité;
   3° le suivi de l'efficacité des systèmes de contrôle interne et de gestion des risques de l'association ainsi que suivi de l'audit interne et de son efficacité;
   4° le suivi du contrôle légal des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés, en ce compris le suivi des questions et recommandations formulées par le réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés;
   5° l'examen et suivi de l'indépendance du réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés, en particulier pour ce qui concerne le bien-fondé de la fourniture de services complémentaires à la société.
   Le comité d'audit fait régulièrement rapport au conseil d'administration sur l'exercice de ses missions, au moins lors de l'établissement par celui-ci des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés.]1

  
Art. 125/2. [1 De raad van bestuur kan onder zijn verantwoordelijkheid het dagelijks bestuur van de intercommunale afvaardigen aan de titularis van de lokale leidinggevende functie.
   De beraadslaging en het besluit in verband met de delegatie van het dagelijks bestuur geeft de gedelegeerde beheershandelingen nauwkeurig op, evenals de duur van deze delegatie, die maximaal drie jaar, verlengbaar, mag duren. Daarover wordt bij gewone meerderheid gestemd, met bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Na elke algehele hernieuwing van de raad van bestuur wordt ze beëindigd.
   Het huishoudelijk reglement kan in bijzondere meerderheden voorzien]1

  
Art. 125/2. [1 Le conseil d'administration peut déléguer, sous sa responsabilité, la gestion journalière de l'association au titulaire de la fonction dirigeante locale.
   La délibération relative à la délégation de la gestion journalière précise les actes de gestion qui sont délégués et la durée de délégation d'un terme maximal de trois ans, renouvelable. Elle est votée à la majorité simple et publiée au Moniteur belge. Elle prend fin après tout renouvellement intégral de conseil d'administration.
   Le règlement d'ordre intérieur peut prévoir des majorités spéciales.]1

  
Art. 126. (§ 1. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk en van artikel 94, § 7, worden de verenigingen overeenkomstig hun statutaire regels beheerd.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 4. Het door een vereniging beheerde ziekenhuis moet in financieel evenwicht zijn. Bij gebreke hiervan moet het onderworpen worden aan een goed te keuren beheersplan, behoudens met redenen omklede beslissing van het bevoegde orgaan van de vereniging. Dit plan bevat de maatregelen die het ziekenhuis moet treffen om haar financiële evenwicht te bereiken of te handhaven.
  Indien de tussenkomst van het "Centre régionale d'aide aux communes" wordt ingeroepen door de verenigde gemeente(n) of de gemeenten waarvan de O.C.M.W.'s verenigd zijn, wordt dit plan opgemaakt volgens de door de Regering vastgestelde voorschriften. Het wordt goedgekeurd door de verenigde gemeenten en O.C.M.W.'s, de gemeenten waarvan het O.C.M.W. verenigd is, en de Regering. Elke wijziging in het beheersplan wordt aan dezelfde procedure onderworpen.
  Als het vereiste beheersplan niet wordt vastgelegd, goedgekeurd of uitgevoerd binnen de door de Regering bepaalde termijn, kan deze er één opleggen. In dit geval mogen de raad voor maatschappelijk welzijn en het beheerscomité van het ziekenhuis bijgestaan worden door een ziekenhuisdeskundige die door de Regering wordt aangewezen op grond van de door haar bepaalde voorwaarden en kwalificaties.
  § 5. Na twee opeenvolgende uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, kan de Regering één of meer commissarissen gelasten zich, op de kosten van de leden van de raad van bestuur of van de personeelsleden van de vereniging die verzuimd hebben gevolg te geven aan de waarschuwingen, ter plaatse te begeven om de gevraagde inlichtingen of opmerkingen in te zamelen of de bij de wetgeving en de algemene verordeningen voorgeschreven maatregelen ten uitvoer te brengen.
  § 6. Artikel 110bis is van toepassing op de [1 in § 4]1 bedoelde toezichtsmaatregelen.)
  (§ 7.) Het ambt van provinciegouverneur is onverenigbaar met de hoedanigheid van lid van een raad van beheer van die vereniging.
  
Art. 126. (§ 1er. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre et de l'article 94, § 7, les associations sont administrées conformément à leurs règles statutaires.
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 4. L'hôpital géré par une association doit être en équilibre financier. A défaut, un plan de gestion applicable à l'hôpital doit être adopté, sauf décision motivée de l'organe compétent de l'association. Il contient les mesures nécessaires incombant à l'hôpital pour atteindre ou maintenir l'équilibre financier.
  Si l'intervention du centre régional d'aide aux communes est sollicitée par la ou les communes associées ou les communes dont les (centres publics d'action sociale) sont associés, ce plan est établi suivant les modalités fixées par le Gouvernement. Il est approuvé par les communes et les (centres publics d'action sociale) associés, les communes dont le (centre public d'action sociale) est associé et le Gouvernement. Toute modification du plan de gestion est soumise à la même procédure. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Lorsque le plan de gestion requis n'est pas arrêté, approuvé ou exécuté dans un délai fixé par le Gouvernement, ce dernier peut en imposer un. Dans ce cas, l'association peut être assistée par un expert hospitalier nommé par le Gouvernement conformément aux modalités et aux qualifications arrêtées par le Gouvernement.
  § 5. Après deux avertissements consécutifs, constatés par la correspondance, le Gouvernement peut charger un ou plusieurs commissaires de se transporter sur les lieux aux frais personnels des membres du conseil d'administration ou des agents de l'association en retard de satisfaire aux avertissements, à l'effet de recueillir les renseignements ou observations demandés, ou de mettre à exécution les mesures prescrites par les lois et règlements généraux.
  § 6. L'article 110bis est applicable aux mesures de tutelle prévues [1 au paragraphe 4]1.)
  (§ 7.) La fonction de gouverneur de province est incompatible avec la qualité de membre d'un conseil d'administration de ces associations.
  
Art. 127. § 1. De beslissingen van de bovenbedoelde verenigingen zijn vatbaar voor beroep om dezelfde beweegredenen, onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde procedure als bepaald bij hoofdstuk V van deze wet.
  § 2. De bepalingen van hoofdstuk VII betreffende de terugbetaling door particulieren van de kosten van maatschappelijke dienstverlening zijn van toepassing op de door dit hoofdstuk bedoelde verenigingen.
Art. 127. § 1er. Les décisions des associations susvisées sont susceptibles de recours pour les mêmes motifs, dans les mêmes conditions et selon la même procédure que déterminés au chapitre V de la présente loi.
  § 2. Les dispositions du chapitre VII relatives au remboursement, par les particuliers, des frais de l'aide sociale sont applicables aux associations visées par le présent chapitre.
Art. 128. § 1. [3 ...]3
  § 2. Personeelsleden van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat deelgenoot is van een in dit hoofdstuk bedoelde vereniging kunnen door deze worden overgenomen.
  Ongeacht de regelen toepasselijk bij bevorderingen worden deze leden met hun graad of met een gelijkaardige graad en in hun hoedanigheid overgeplaatst; zij behouden de bezoldiging en de geldelijke anciënniteit die zij hadden of zouden bekomen hebben indien zij in hun dienst van herkomst het ambt dat zij bij hun overplaatsing bekleedden, verder hadden uitgeoefend.
  De (Regering) bepaalt de algemene regelen tot vaststelling van de administratieve anciënniteit van deze personeelsleden. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden waaronder deze personeelsleden terug in hun centrum van herkomst kunnen worden opgenomen. De wetten of besluiten die een prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen zijn niet van toepassing op de overplaatsingen die op grond van deze paragraaf geschieden.
  [1 ...]1
  § 3. Bij de overname van personeel dat in dienst is van een deelgenoot van de privé-sector kan bedongen worden dat dit personeel in dezelfde toestand behouden blijft wat betreft bezoldiging, anciënniteit, sociale zekerheid en verworven rechten.
  De voorwaarden en modaliteiten van een eventuele regularisatie in vast verband worden door de (Regering) bepaald.
  (§ 4. [3 ...]3
  § 5. [3 ...]3
  [2 § 6. [3 ...]3]2
  
Art. 128. § 1er. [3 ...]3
  § 2. Des membres du personnel d'un (centre public d'action sociale) qui fait partie d'une association visée par le présent chapitre, peuvent être repris par celle-ci. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Nonobstant les règles applicables aux promotions, ces membres y sont transférés dans leur grade ou un grade équivalent et en leur qualité; ils conservent la rétribution et l'ancienneté pécuniaire qu'ils avaient ou auraient obtenues s'ils avaient continué à exercer dans leur service d'origine la fonction dont ils étaient titulaires au moment de leur transfert.
  Le (Gouvernement) fixe les règles générales destinées à établir l'ancienneté administrative de ces agents. Il détermine également les conditions dans lesquelles ces mêmes agents peuvent être réintégrés dans leur centre d'origine. Les lois ou arrêtés accordant une priorité pour l'accès aux emplois publics ne sont pas applicables aux transferts qui ont lieu en vertu du présent paragraphe.
  [1 ...]1
  § 3. Il peut être convenu à la reprise de personnel en service d'un associé du secteur privé, que ce personnel est maintenu dans la même situation en matière de rémunération, ancienneté, sécurité sociale et droits acquis.
  Les conditions et modalités d'une régularisation éventuelle à titre définitif sont déterminées par le (Gouvernement).
  (§ 4. [3 ...]3
  § 5. [3 ...]3
  [2 § 6. [3 ...]3]2
  
Art. 128/1. [1 Het personeel van de vereniging is onderworpen aan een statutair of contractueel stelsel.
   Het statutair personeelslid beoogt elk personeelslid dat tijdelijk of in vast verband benoemd is door eenzijdige beslissing van de overheid, evenals elk personeelslid dat bij eenzijdige beslissing van de overheid tot de stage toegelaten wordt met het oog op een vaste benoeming.
   Het contractueel personeelslid beoogt elk lid van het personeel dat met een arbeidsovereenkomst in dienst is genomen overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1

  
Art. 128/1. [1 Le personnel de l'association est soumis à un régime statutaire ou contractuel.
   Le membre du personnel statutaire vise tout membre du personnel qui, par décision unilatérale de l'autorité, est nommé à titre temporaire ou à titre définitif, ou est admis en stage en vue d'une nomination à titre définitif.
   Le membre du personnel contractuel vise tout membre du personnel engagé sous contrat de travail conformément à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.]1

  
Art. 128/2. [1 De raad van bestuur neemt het organogram van de administratie aan.
   Het organogram is de organisatiestructuur van de diensten van de vereniging. Het bevat de hiërarchische betrekkingen en identificeert de functies die deelname aan het directiecomité inhouden.]1

  
Art. 128/2. [1 Le conseil d'administration adopte l'organigramme de l'administration.
   L'organigramme représente la structure d'organisation des services de l'association, indique les rapports hiérarchiques et identifie les fonctions qui impliquent l'appartenance au comité de direction.]1

  
Art. 128/3. [1 Het directiecomité bestaat uit de personeelsleden die door lokale leidende functie worden gekozen uit degenen die functies uitoefenen die verband houden met de hoedanigheid van dienstverantwoordelijke in het organigram.
   Het directiecomité wordt voorgezeten door de lokale leidende functie.
   Los van de bevoegdheden die worden toegekend door een beslissing van de raad van bestuur, is het Directiecomité bevoegd voor aangelegenheden met betrekking tot de organisatie en werking van de diensten, de voorontwerpen van begroting, de begrotingswijzigingen en de toelichtingen daarbij, de ontwerpen van personeelsformatie, organigrammen en algemeen personeelsstatuut.]1

  
Art. 128/3. [1 Le comité de direction est composé des membres du personnel que la fonction dirigeante locale choisit parmi ceux qui remplissent des fonctions reliées à la qualité de responsable de service par l'organigramme.
   Le comité de direction est présidé par la fonction dirigeante locale.
   Indépendamment des attributions confiées par décision du conseil d'administration, le comité de direction est compétent pour les questions relatives à l'organisation et au fonctionnement des services, les avant-projets de budget, les modifications budgétaires et les notes explicatives y relatives, les projets de cadre, d'organigramme et de statut général du personnel.]1

  
Art. 128/4. [1 Voor alle administratieve beroepen wordt een functiebeschrijving opgesteld voordat de functie wordt ingevuld. Ze wordt door de lokale leidende functie goedgekeurd na overleg binnen het directiecomité.
   De functiebeschrijving bevat de opdracht, het doel of de doelstelling van de functie, de belangrijkste taken alsook alle beroepsvaardigheden en persoonlijke bekwaamheden die vereist zijn om de functie uit te oefenen.]1

  
Art. 128/4. [1 Une description de fonction est élaborée, avant de pourvoir à l'emploi, pour tous les métiers de l'administration. Elle est arrêtée par la fonction dirigeante locale après concertation au sein du comité de direction.
   La description de fonction contient la mission, la finalité ou l'objectif de la fonction, les tâches principales ainsi que l'ensemble des compétences professionnelles et des aptitudes personnelles requises pour correspondre au métier.]1

  
Art. 128/5. [1 De raad van bestuur keurt het vormingsplan goed op voorstel van de lokale leidende functie, na overleg in het directiecomité.
   Het vormingsplan is een meerjarenprogramma dat jaarlijks wordt bijgewerkt en waarin de vormingsbehoeften worden vastgesteld en geprioriteerd om aan de doelstellingen van de administratie te voldoen.
   Het stelt het noodzakelijke budget vast.
   De raad van bestuur stelt de representatieve vakorganisaties onmiddellijk op de hoogte van het aangenomen vormingsplan.]1

  
Art. 128/5. [1 Le conseil d'administration adopte le plan de formation sur la proposition de la fonction dirigeante locale, après concertation en comité de direction.
   Le plan de formation est un programme pluriannuel, actualisé annuellement, qui identifie et priorise les besoins en formation en vue de rencontrer les objectifs de l'administration.
   Il identifie le budget nécessaire.
   Le conseil d'administration communique sans délai aux organisations syndicales représentatives le plan de formation adopté.]1

  
Art. 128/6. [1 § 1. De raad van bestuur stelt het algemeen personeelsstatuut vast.
   Onder algemeen statuut van het personeel wordt verstaan alle algemene regels genomen in het kader van de lokale autonomie en die de administratieve en geldelijke juridische toestand van alle personeelsleden van de administratie regelen, ongeacht hun graad.
   § 2. Het algemene statuut van het personeel omvat ten minste:
   1° de voorwaarden waaraan men moet voldoen om als statutair personeelslid of als contractueel personeelslid te worden aangeworven, alsook de procedures en proeven die hierop betrekking hebben;
   2° de bepaling, indeling, rangschikking en gelijkwaardigheid van de graden, ambten of functies;
   3° de rechten en plichten van de personeelsleden, de onverenigbaarheden en verbodsbepalingen, evenals de regeling en de procedures inzake cumulaties met andere functies of betrekkingen;
   4° de regels en procedures inzake tuchtregeling;
   5° de ordemaatregelen;
   6° de regels en procedures inzake evaluatie;
   7° de regels en procedures inzake overplaatsing, mobiliteit, opdracht of enige andere vorm van wedertoewijzing naar andere diensten;
   8° de regels en procedures inzake bevordering, inzake elke verhoging of voortschrijding van de loopbaan evenals die met betrekking tot de uitoefening van hogere functies;
   9° de administratieve standen, de omstandigheden waardoor ze worden bepaald en hun gevolgen op de toestand van de personeelsleden met inbegrip van de regeling inzake verlof of ter beschikkingstelling;
   10° de redenen voor beëindiging van het statutair dienstverband;
   11° de verloningsgegevens;
   12° de toekenningsvoorwaarden, begunstigden en vergoedingen met betrekking tot het telewerken, indien georganiseerd
   Onder de proef bedoeld in 1° wordt verstaan een schriftelijk, mondeling of praktisch examen of een kandidatuur die aan het statuut voldoet, op basis waarvan de selectiecommissie de kandidaten voor de betrekking beoordeelt en hun titels en vaardigheden vergelijkt in de zin van artikel 128/11.
   De elementen bedoeld in 11° zijn de weddeschalen en hun ontwikkeling in trappen, evenals de toekenningsvoorwaarden en de begunstigden van de vergoedingen, toelagen, en voordelen van alle aard, met inbegrip van aanvullende pensioenen.
   § 3. De bezoldigingsregeling worden inzonderheid vastgesteld volgens de omvang van de bevoegdheden, de verantwoordelijkheidsgraad en de vereiste algemene en beroepsbekwaamheid, rekening houdend meer bepaald met de plaats die de personeelsleden bekleden in de hiërarchie van het bestuur van de vereniging.
   De regels die toepasselijk zijn voor de vergoeding van de lokale leidinggevende functie van de vereniging zijn die, welke bepaald zijn in bijlage 4 bij het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.
   § 4. Op een zichtbare en toegankelijke plaats wordt een mededeling opgehangen met de plaats waar het algemeen personeelsstatuut kan worden geraadpleegd. Elk personeelslid moet het algemeen personeelsstatuut en alle wijzigingen daarop te allen tijde en zonder tussenkomst van derden op een gemakkelijk toegankelijke plaats kunnen raadplegen.
   § 5. De raad van bestuur is bevoegd inzake personeel, maar kan de uitvoering van de beslissingen die hij genomen heeft in het kader van de algemene bepalingen in personeelszaken delegeren.]1

  
Art. 128/6. [1 § 1er. Le conseil d'administration fixe le statut général du personnel.
   Par statut général du personnel, l'on entend l'ensemble des règles générales prises dans le cadre de l'autonomie locale qui régissent la situation juridique administrative et pécuniaire de tous les membres du personnel de l'administration, quel que soit leur grade.
   § 2. Le statut général du personnel comprend au minimum :
   1° les conditions requises pour être recruté comme membre du personnel statutaire ou comme membre du personnel contractuel ainsi que les procédures et épreuves y relatives;
   2° la détermination, la répartition, la classification et l'équivalence des grades, emplois ou fonctions;
   3° les droits et devoirs des membres du personnel, les incompatibilités et interdictions ainsi que les règles et les procédures relatives aux cumuls avec d'autres fonctions ou emplois;
   4° les règles et procédures disciplinaires;
   5° les mesures d'ordre;
   6° les règles et procédures d'évaluation;
   7° les règles et procédures de transfert, de mobilité, de mission ou de toute autre forme de réaffectation vers d'autres services;
   8° les règles et procédures de promotion, de tout avancement ou progression de carrière ainsi que celles relatives à l'exercice de fonctions supérieures;
   9° les positions administratives, les circonstances qui les déterminent et leurs conséquences sur la situation des membres du personnel, en ce compris le régime des congés et de mises en disponibilité;
   10° les causes de cessation de la relation statutaire;
   11° les éléments de la rémunération;
   12° les conditions d'octroi, les bénéficiaires et indemnités relatives au télétravail lorsqu'il est organisé.
   Par épreuve visée au 1°, l'on entend un examen écrit, oral ou pratique ou une candidature répondant au statut, sur base desquels la commission de sélection évalue les candidats à l'emploi et effectue une comparaison des titres et des compétences au sens de l'article 128/11.
   Les éléments visés au 11° sont les échelles barémiques et leur développement en échelons, ainsi que les conditions d'octroi et les bénéficiaires des indemnités, des allocations et des avantages de toute nature, en ce compris les pensions complémentaires.
   § 3. Les éléments de la rémunération sont fixés notamment selon l'importance des attributions, le degré de responsabilité et les aptitudes générales et professionnelles requises, et la place occupée par les membres du personnel dans la hiérarchie de l'administration de l'association.
   Les règles applicables en matière de rémunération de la fonction dirigeante locale de l'association sont prévues à l'annexe 4 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   § 4. Un avis indiquant l'endroit où le statut général du personnel peut être consulté est affiché dans un lieu apparent et accessible. Chaque membre du personnel doit pouvoir prendre connaissance, en permanence et sans intermédiaire, du statut général du personnel et de ses modifications dans un endroit facilement accessible.
   § 5. Le conseil d'administration est compétent en matière de personnel mais peut déléguer la mise en oeuvre des décisions qu'il a prises dans le cadre du statut général du personnel.]1

  
Art. 128/7. [1 § 1. Al statutaire personeelsleden wordt aangeworven en benoemd door de raad van bestuur na afloop van een procedure die voldoet aan het algemeen personeelsstatuut.
   Deze bevoegdheid kan worden overgedragen, behalve wat de lokale leidende functie betreft.
   § 2. Alle contractuele personeelsleden worden aangeworven door de raad van bestuur na afloop van een procedure die voldoet aan het algemeen personeelsstatuut. Deze bevoegdheid kan worden overgedragen, behalve wat de lokale leidende functie betreft.
   De raad van bestuur is bevoegd om de arbeidsovereenkomst van een contractueel personeelslid te beëindigen. Deze bevoegdheid kan worden overgedragen, behalve wat de lokale leidende functie betreft.
   De delegatie-akte vermeldt uitdrukkelijk het soort akte dat overgedragen kan worden, namelijk de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst met of zonder opzegtermijn, met of zonder vergoeding, om ernstige redenen, of beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling overleg met het personeelslid.]1

  
Art. 128/7. [1 § 1er. Tous les membres du personnel statutaire sont recrutés et nommés par le conseil d'administration à l'issue d'une procédure conforme au statut général du personnel.
   Cette compétence peut être déléguée sauf en ce qui concerne la fonction dirigeante locale.
   § 2. Tous les membres du personnel contractuel sont recrutés par le conseil d'administration à l'issue d'une procédure conforme au statut général du personnel. Cette compétence peut être déléguée sauf en ce qui concerne la fonction dirigeante locale.
   Le conseil d'administration est compétent pour rompre le contrat de travail d'un membre du personnel contractuel. Il peut déléguer cette compétence sauf en ce qui concerne la fonction dirigeante locale.
   L'acte de délégation indique expressément le type d'acte délégué, à savoir la rupture du contrat de travail de façon unilatérale moyennant préavis ou non, avec indemnité ou non, pour motif grave, ou la rupture du contrat de travail de commun accord avec le membre du personnel.]1

  
Art. 128/8. [1 § 1. Het personeel wordt aangeworven op basis van statutaire of contractuele regelingen in overeenstemming met de bepalingen van het algemeen personeelsstatuut.
   De aanwerving verwijst naar de verrichtingen die tot doel hebben een betrekking te vervullen en die resulteren in de indiensttreding van een nieuw personeelslid.
   § 2. De aanwerving vindt plaats op basis van een openbare oproep tot het indienen van kandidaturen, waarin in ieder geval een functieomschrijving, de juridische aard van de betrekking, de toegangsvoorwaarden en de weddeschaal van het algemeen personeelsstatuut zijn opgenomen.
   De nadere bekendmakingsregels van de oproep voor kandidaten zijn vastgelegd in het algemeen personeelsstatuut.
   § 3. Van de bekendmakingsmaatregel voor de oproep tot het indienen van kandidaturen kan worden afgeweken in geval van dringende redenen, in geval van aanwervingen op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van minder dan een jaar, of in geval van aanwervingen die nodig zijn om aan een wettelijke verplichting te voldoen.]1

  
Art. 128/8. [1 § 1er. Le personnel est recruté sous régime statutaire ou contractuel conformément aux dispositions prévues dans le statut général du personnel.
   Le recrutement vise les opérations qui ont pour but de pourvoir à un poste et dont le processus aboutit à l'entrée en service d'un nouveau membre du personnel.
   § 2. Le recrutement est effectué sur base d'un appel public à candidatures qui comprend au minimum une description de fonction, la nature juridique de l'emploi, ainsi que les conditions d'accès et le barème prévus par le statut général du personnel.
   Les modalités de publicité de l'appel à candidatures sont déterminées par le statut général du personnel.
   § 3. Il peut être dérogé à la publicité de l'appel à candidatures pour les recrutements à effectuer en cas d'urgence impérieuse, pour les recrutements sous contrat de travail à durée déterminée de moins d'un an, ou pour les recrutements rendus nécessaires pour répondre à une obligation légale.]1

  
Art. 128/9. [1 Voor elke aanwerving wordt een selectiecommissie ingesteld.
   In het algemeen personeelsstatuut is de hoedanigheid van de leden van de selectiecommissie vastgelegd.
   De lokale leidende functie bepaalt de namen van de gewone en plaatsvervangende leden van de selectiecommissie.]1

  
Art. 128/9. [1 Pour chaque recrutement, une commission de sélection est constituée.
   Le statut général du personnel fixe la qualité des membres de la commission de sélection.
   La fonction dirigeante locale détermine les noms des membres effectifs et suppléants de la commission de sélection.]1

  
Art. 128/10. [1 Het aantal en de aard van de wervingstoetsen zijn vastgelegd in het algemeen personeelsstatuut.
   De waarnemers nemen niet deel aan de beraadslagingen van de selectiecommissie.
   Het algemeen personeelsstatuut kan een kandidaat voor aanwerving vrijstellen van een deel van de proeven, op voorwaarde dat laatstgenoemde aantoont dat hij/zij voor een gelijkwaardige functie geslaagd is voor hetzelfde type proef in een andere gemeente, provincie, autonome bedrijf, intercommunale, politiezone, hulpverleningszone, openbaar centrum voor sociale actie of vereniging vallend onder hoofdstuk XII.
   Het algemeen personeelsstatuut stelt een maximumtermijn vast waarbinnen de proeven initieel in de andere lokale autoriteit met vrucht moeten zijn afgelegd.]1

  
Art. 128/10. [1 Le statut général du personnel fixe le nombre et la nature des épreuves de recrutement.
   Les observateurs ne prennent pas part aux délibérations de la commission de sélection.
   Le statut général du personnel peut dispenser un candidat au recrutement d'une partie des épreuves pour autant que ce dernier démontre qu'il a réussi le même type d'épreuve, pour une fonction équivalente, dans une autre commune, province, régie autonome, intercommunale, zone de police, zone de secours, centre public d'action sociale ou association régie par le chapitre XII.
   Le statut général du personnel fixe un délai maximal endéans lequel les épreuves doivent avoir été initialement réussies au sein de l'autre pouvoir local.]1

  
Art. 128/11. [1 De autoriteit die bevoegd is om aan te werven zal de kwalificaties en vaardigheden van de kandidaten onderling vergelijken.]1
  
Art. 128/11. [1 L'autorité compétente pour recruter procède à une comparaison des titres et des compétences entre les candidats.]1
  
Art. 128/12. [1 § 1. Wanneer een door bevordering toegankelijk ambt door de raad van bestuur vacant wordt verklaard, wordt een oproep tot het indienen van kandidaturen onder het statutaire en contractuele personeel van zijn administratie gedaan.
   § 2. De artikelen 128/9 tot 128/11 zijn van toepassing op de bevorderingsprocedures.]1

  
Art. 128/12. [1 § 1er. Lorsqu'un emploi accessible par promotion est déclaré vacant par le conseil d'administration, un appel à candidatures est lancé au sein du personnel statutaire et contractuel de son administration.
   § 2. Les articles 128/9 à 128/11 sont applicables aux procédures de promotion.]1

  
Art. 128/13. [1 § 1. Beoordeling is een instrument voor personeelsbeheer dat, als onderdeel van een dialoog tussen de autoriteit en het personeelslid, een beoordeling mogelijk maakt van het geleverde werk en de professionele ontwikkeling van de werknemer in zijn of haar functie.
   § 2. Elk personeelslid wordt beoordeeld volgens de regels van het algemeen personeelsstatuut. Hierin zijn de criteria vastgelegd waarnaar verwezen wordt om elk personeelslid te beoordelen op het behalen van de voor hem/haar vastgestelde doelstellingen, de te volgen procedure en de na te streven termijnen, evenals de beoordelingsreferenties en de gevolgen daarvan voor de administratieve en geldelijke situatie van het personeelslid.
   Elk personeelslid wordt beoordeeld door zijn hiërarchische meerdere(n).
   § 3. Wanneer de evaluatie niet binnen de vier maanden na de vervaldatum is uitgevoerd vastgesteld in het algemeen personeelsstatuut, wordt zij geacht gunstig te zijn en heeft zij terugwerkende kracht tot de vervaldatum.
   Het algemeen personeelsstatuut kan bijzondere nadere regels vastleggen wanneer het personeelslid afwezig is tijdens de gehele evaluatieperiode of een deel ervan en/of tijdens de vier maanden die volgen op de vervaldatum van de evaluatie.]1

  
Art. 128/13. [1 § 1er. L'évaluation est un instrument de gestion des ressources humaines qui, dans le cadre d'un dialogue entre l'autorité et le membre du personnel, permet de dresser un bilan du travail accompli et de son développement professionnel dans la fonction qu'il occupe.
   § 2. Chaque membre du personnel est évalué conformément au régime fixé par le statut général du personnel. Celui-ci fixe les critères de référence qui permettent d'évaluer chaque membre du personnel quant à l'atteinte des objectifs qui lui ont été fixés, la procédure à suivre et les délais y relatifs, ainsi que les mentions d'évaluation et leurs effets sur la situation administrative et pécuniaire du membre du personnel.
   L'évaluation de chaque membre du personnel est réalisée par le supérieur ou les supérieurs hiérarchiques.
   § 3. Lorsque l'évaluation n'a pas été réalisée dans les quatre mois suivant la date de l'échéance fixée par le statut général du personnel, celle-ci est réputée favorable et ses effets rétroagissent à la date de l'échéance.
   Le statut général du personnel peut fixer des modalités particulières lorsque le membre du personnel est absent durant tout ou partie de la période d'évaluation et/ou durant les quatre mois qui suivent la date d'échéance de l'évaluation.]1

  
Art. 128/14. [1 De statutaire personeelsleden kunnen ambtshalve worden ontzet wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt, onder de voorwaarden en volgens de procedures vastgesteld in de artikelen 54 tot en met 54quater.]1
  
Art. 128/14. [1 Les membres du personnel statutaire peuvent être démis d'office pour inaptitude professionnelle dans les conditions et procédures des articles 54 à 54quater.]1
  
Art. 128/15. [1 § 1. De statutaire personeelsleden kunnen ter beschikking worden gesteld van een gebruiker om de belangen van de vereniging te verdedigen.
   Onder gebruiker worden verstaan, de gemeenten, de provincies, de intercommunales, de openbare centra voor sociale actie, verenigingen die vallen onder hoofdstuk XII, de hulpverleningsgebieden, de politiezones, autonome bedrijven, de instellingen voor de erediensten, de huisvestingsmaatschappijen, de verenigingen zonder winstoogmerk. De Regering kan andere gebruikers aanwijzen in geval van dringende en dwingende omstandigheden.
   § 2. De terbeschikkingstelling van de statutaire personeelsleden is tijdelijk.
   Zij wordt georganiseerd in een schriftelijke overeenkomst tussen de vereniging en de gebruiker, waarin de voorwaarden en de duur van de terbeschikkingstelling, de aard van de opdracht en de elementen van de vergoeding nader worden bepaald.
   De overeenkomst wordt goedgekeurd door de raad van bestuur en ondertekend door vereniging en de gebruiker voor aanvang van de terbeschikkingstelling. De ondertekende overeenkomst wordt voor aanvang van de terbeschikkingstelling aan het betrokken personeelslid meegedeeld, hetzij persoonlijk, hetzij, tegen ontvangstbevestiging, per aangetekende post of e-mail.
   De toestemming van de overeenkomst kan worden gedelegeerd door de raad van bestuur, mits de raad van bestuur op de hoogte wordt gesteld.
   § 3. Het personeelslid behoudt gedurende de hele duur van de terbeschikkingstelling zijn hoedanigheid van statutair personeelslid van de vereniging en blijft onderworpen aan het algemeen personeelsstatuut van de vereniging.
   Het personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld bij een gebruiker bevindt zich in actieve dienst tijdens de duur van de terbeschikkingstelling. Hij heeft recht op zijn bezoldiging en behoudt het recht deel te nemen aan de procedures voor bevordering in een hogere weddeschaal, graad of loopbaan als voorzien in het algemeen personeelsstatuut.]1

  
Art. 128/15. [1 § 1er. Les membres du personnel statutaire peuvent être mis à la disposition d'un utilisateur pour la défense des intérêts de l'association.
   Par utilisateur, l'on entend les communes, les provinces, les intercommunales, les centres publics d'action sociale, les associations régies par le chapitre XII, les zones de secours, les zones de police, les régies, les établissements de culte, les sociétés de logement, les ASBL. Le Gouvernement peut désigner d'autres utilisateurs en cas de circonstances urgentes et impérieuses.
   § 2. La mise à disposition des membres du personnel statutaire est temporaire.
   Elle est organisée dans une convention écrite conclue entre l'association et l'utilisateur, dans laquelle sont précisées les conditions et la durée de la mise à disposition, la nature de la mission et les éléments de la rémunération.
   La convention est approuvée par le conseil d'administration, signée par l'association et l'utilisateur avant le début de la mise à disposition. La convention signée est communiquée au membre du personnel concerné avant le début de la mise à disposition, soit en mains propres, soit, contre accusé de réception, par envoi recommandé ou par courrier électronique.
   L'approbation de la convention peut être déléguée par le conseil d'administration moyennant un information à ce dernier.
   § 3. Le membre du personnel conserve sa qualité de membre du personnel statutaire de l'association pendant toute la durée de la mise à disposition et demeure soumis au statut général du personnel de l'association.
   Le membre du personnel mis à disposition auprès d'un utilisateur est en position d'activité de service pendant la durée de la mise à disposition. Il a droit à sa rémunération et conserve le droit de participer aux procédures d'avancement de rémunération, de grade ou de carrière prévues dans le statut général du personnel.]1

  
Art. 128/16. [1 § 1. De statutaire personeelsleden worden in ruste gesteld op de leeftijd die wordt bepaald bij de toepasselijke bepalingen inzake wettelijk pensioen.
   § 2. Het in activiteit blijven na de wettelijke pensioenleeftijd kan op aanvraag van het betrokken personeelslid worden toegestaan door de raad van bestuur. De periode van het in activiteit blijven wordt vastgelegd voor een maximale duur van één jaar. Bedoelde periode kan volgens dezelfde modaliteiten verlengd worden voor een eenmalige nieuwe periode van maximum één jaar.
   De toestemming geven om zijn ambt langer uit te oefenen kan worden gedelegeerd door de raad van bestuur, mits de raad van bestuur op de hoogte wordt gesteld.]1

  
Art. 128/16. [1 § 1er. Les membres du personnel statutaire sont mis à la retraite à l'âge déterminé par les dispositions applicables en matière de pension légale.
   § 2. Le maintien en activité au-delà de l'âge légal de la pension peut être autorisé, par le conseil d'administration, sur demande du membre du personnel concerné. La période du maintien en activité est fixée pour une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable, selon les mêmes modalités, pour une seule nouvelle période d'une durée maximale d'une année.
   L'autorisation du maintien en activité peut être déléguée par le conseil d'administration moyennant une information à ce dernier.]1

  
Art. 129. Voor het beheer van de vereniging en van haar inrichtingen en diensten worden de regelen toegepast van het dubbel boekhouden.
  Het financieel dienstjaar stemt overeen met het kalenderjaar.
  De rekening van de vereniging omvat de balans, de exploitatierekening en de winst- en verliesrekening, afgesloten op 31 december van elk jaar.
  De andere regelen eigen aan het financieel beheer van de verenigingen worden door de (Regering) bepaald.
  [1 Binnen vijf dagen van het aannemen ervan, wordt de rekening van de vereniging meegedeeld aan de representatieve vakbondsorganisaties. Informatie met betrekking tot de structuur van de tewerkstelling, de evolutie ervan en de vooruitzichten inzake tewerkstelling, het personeel dat gedurende het geheel of een deel van het referentiejaar wordt tewerkgesteld [2 , alsook het aantal benoemingen gepland voor het lopende begrotingsjaar,]2 gaan gepaard met de rekening.
   De documenten bedoeld in het vijfde lid kunnen via email worden meegedeeld.
   Op hun aanvraag worden de representatieve vakorganisaties door de raad van bestuur onverwijld uitgenodigd op een specifieke informatiesessie waarop bedoelde documenten worden voorgelegd en uitgelegd. De aanvraag wordt ingediend binnen vijf dagen na de mededeling van de documenten en informatie bedoeld in het vijfde lid.
   De informatiesessie vindt plaats vóór de overmaking van de rekening aan de toezichthoudende overheid en vóór elke buitenpubliciteit.]1

  
Art. 129. Les règles de la comptabilité en partie double sont appliquées pour la gestion de l'association et de ses établissements et services.
  L'exercice financier cadre avec l'année civile.
  Le compte de l'association comprend le bilan, le compte d'exploitation et le compte de profits et pertes arrêtés le 31 décembre de chaque année.
  Les autres règles propres à la gestion financière des associations sont déterminées par le (Gouvernement).
  [1 Dans les cinq jours de son adoption, le compte de l'association est communiqué aux organisations syndicales représentatives. Les informations sur la structure de l'emploi, son évolution et les prévisions d'emploi, le personnel occupé pendant tout ou partie de l'année de référence [2 , ainsi que le nombre de nominations prévues sur l'année budgétaire en cours,]2 accompagnent le compte.
   Les documents visés à l'alinéa 5 peuvent être communiqués par voie électronique.
   A la demande des organisations syndicales représentatives, le conseil d'administration les invite sans délai à une séance d'information spécifique au cours de laquelle lesdits documents sont présentés et expliqués. La demande est introduite dans les cinq jours de la communication des documents et informations visés à l'alinéa 5.
   La séance d'information a lieu avant la transmission du compte aux autorités de tutelle et avant toute publicité extérieure.]1

  
Art. 130. De vereniging is aansprakelijk voor de fouten die kunnen toegeschreven worden hetzij aan haar aangestelden, hetzij aan de organen, waardoor haar wil wordt uitgevoerd.
  Door de beheerders wordt geen persoonlijke verplichting aangegaan betreffende de verbintenissen van de vereniging. Hun aansprakelijkheid is beperkt tot de vervulling van de hun gegeven opdracht en tot de in hun beheer bedreven fouten.
Art. 130. L'association est responsable des fautes imputables soit à ses préposés, soit aux organes par lesquels s'exerce sa volonté.
  Les administrateurs ne contractent aucune obligation personnelle relativement aux engagements de l'association. Leur responsabilité se limite à l'exécution du mandat qu'ils ont reçu et aux fautes commises dans leur gestion.
Art. 131. De duur van de vereniging mag niet meer bedragen dan dertig jaar.
  De vereniging is van rechtswege ontbonden bij het verstrijken van de door de statuten vastgestelde duur indien de verlenging niet vooraf beslist [1 ...]1.
  [1 ...]1
  
Art. 131. La durée de l'association ne peut excéder trente ans.
  L'association est dissoute de plein droit à l'expiration du terme fixé par les statuts si la prorogation n'en est pas décidée [1 ...]1.
  [1 ...]1
  
Art. 132. Tot de vrijwillige ontbinding van de vereniging vóór het verstrijken van de termijn door de statuten bepaald, kan alleen worden beslist met de instemming van al de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die er lid van zijn.
  [1 ...]1
  
Art. 132. La dissolution volontaire de l'association, avant l'expiration du terme fixé par les statuts, ne peut être décidée que du consentement de tous les (centres publics d'action sociale) qui en sont membres. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  [1 ...]1
  
Art. 133. [1 § 1.]1 De (Regering) kan de ontbinding uitspreken van elke vereniging [2 die haar opdracht te buiten gaat]2 of niet verwezenlijkt. (Zij) kan dit ook doen zo deze haar wettelijke en statutaire verplichtingen niet naleeft.
  De (Regering) kan tevens de ontbinding uitspreken van elke vereniging, welke zich op 31 december 1978 niet heeft aangepast aan de nieuwe wettelijke, reglementaire en statutaire beschikkingen, welke door de huidige wet of door de (Regering) werden opgelegd.
  [1 § 2. De Regering kan de dienst die zij aanwijst, ermee belasten, binnen de verenigingen bedoeld in Hoofdstuk XII van deze wet, controles inzake de wettelijkheid en de regelmatigheid van specifieke verrichtingen of onderzoekingen naar het interne goed bestuur van de instelling uit te voeren.
   De dienst bedoeld in lid 1 kan :
   1° te allen tijde alle stukken en inlichtingen, ongeaard de aard ervan, van de overheden, bedoeld in Hoofdstuk XII die ze nuttig acht voor het voltooien van de opdrachten omschreven in lid 1 laten overmaken;
   2° een controle ter plaatse organiseren in de diensten en instellingen bedoeld in Hoofdstuk XII en overeenkomstig lid 1.
   De dienst bedoeld in lid 1 :
   1° stelt een verslag aan de Regering op, formuleert bemerkingen en, in voorkomend geval, aanbevelingen;
   2° legt zijn verslag aan de diensten en instellingen bedoeld in Hoofdstuk XII voor, die over een termijn van dertig dagen beschikken om hun bemerkingen en voorstellen inzake de uitvoering van de aanbevelingen te formuleren.]1

  
Art. 133. [1 § 1.]1 Le (Gouvernement) peut prononcer la dissolution de toute association qui outrepasse [2 les limites de son objet]2 ou qui ne le réalise pas. Il peut le faire également si elle ne respecte pas ses obligations légales et statutaires.
  Le (Gouvernement) peut également prononcer la dissolution de toute association qui, à la date du 31 décembre 1978, ne se sera pas adaptée aux nouvelles dispositions légales, réglementaires et statutaires imposées par la présente loi ou par le (Gouvernement).
  [1 § 2. Le Gouvernement peut charger le service qu'il désigne de procéder, au sein d'une associations visées au Chapitre XII de la présente loi, à des contrôles de légalité et de régularité d'opérations spécifiques ou à des investigations sur la gouvernance interne de l'institution.
   Le service visé à l'alinéa 1er peut :
   1° se faire communiquer à tout moment tous documents et renseignements, de quelque nature que ce soit, des autorités visées au Chapitre XII et qu'il juge utiles à l'accomplissement des missions décrites à l'alinéa 1er;
   2° organiser un contrôle sur place dans les services et organismes visés au Chapitre XIIet conformément à l'alinéa 1er.
   Le service visé à l'alinéa 1er:
   1° établit un rapport au Gouvernement, formule des observations et, le cas échéant, des recommandations;
   2° présente son rapport aux services et organismes visés au Chapitre XII qui disposent d'un délai de trente jours pour formuler leurs observations et propositions de mise en oeuvre des recommandations.]1

  
Art. 134. (De definitief geworden goedkeuringsbesluiten) betreffende de in dit hoofdstuk bedoelde verenigingen, alsmede de beslissing waarbij akte genomen wordt van het ontslag bedoeld door artikel 123, worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. <W 1992-08-05/46, art. 67; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
  De statuten en de eventuele wijzigingen hiervan worden (...) in extenso bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad op kosten van de vereniging. <W 1992-08-05/46, art. 67; Inwerkingtreding : 18-10-1992>
Art. 134. (Les arrêtés d'approbation devenus définitifs) relatifs aux associations visées par le présent chapitre, ainsi que la décision prenant acte de la démission visée à l'article 123, sont publiés par extrait au Moniteur belge. <L 1992-08-05/46, art. 67; En vigueur : 18-10-1992>
  Les statuts, ainsi que les modifications y apportées, sont (...) publiés in extenso dans les annexes du Moniteur belge aux frais de l'association. <L 1992-08-05/46, art. 67; En vigueur : 18-10-1992>
Art. 135. Bij ontbinding van de vereniging kan elk openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn door (de Regering), gemachtigd worden om de goederen die op zijn grondgebied zijn gelegen terug te kopen volgens de bepalingen voorzien in de statuten of bij gebreke hiervan volgens schatting van deskundigen.
  Bij gebreke aan aanbieding van terugneming of aan machtiging worden die goederen openbaar verkocht, tenzij een andere deelgenoot van de vereniging beslist ze tegen de prijzen der schatting aan te kopen.
Art. 135. A la dissolution de l'association, chaque (centre public d'action sociale) peut être autorisé par le (Gouvernement) dans ses attributions à racheter les biens situés sur son territoire selon les dispositions prévues dans les statuts ou, à défaut, à dire d'expert. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  A défaut d'offre de reprise ou d'autorisation, ces biens sont vendus publiquement, à moins qu'un autre associé de l'association ne décide de les acquérir aux prix d'expertise.
HOOFDSTUK XIIbis. [1 - Toekenning van bepaalde toelagen en controle op de toekenning en op het gebruik ervan]1
CHAPITRE XIIbis. [1 - De l'octroi et du contrôle de l'octroi et de l'utilisation de certaines subventions]1
Afdeling 1. [1 - Toepassingsveld]1
Section 1re. [1 - Champ d'application]1
Art. 135bis. [1 § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op elke in artikel 135ter bedoelde toelage die toegekend wordt door :
   1° de openbare centra voor maatschappelijk welzijn [2 in het kader van hun doel]2, onverminderd artikel 61;
   2° de verenigingen bedoeld in artikel 118.
   § 2. De begunstigde van een toelage is een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid.
   § 3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op toelagen van minder dan 2.500 euro toegekend door de verleners bedoeld in § 1, tenzij ze het recht hebben om een deel of het geheel van de bij deze titel bepaalde verplichtingen aan de begunstigden op te leggen, onverminderd de verplichtingen bedoeld in de artikelen 135septies en 135novies, § 1, 1°, die in elk geval opgelegd worden.
   Wat betreft de toelagen die tussen 2.500 euro en 25.000 euro bedragen, kan de verlener de begunstigde vrijstellen van een deel of het geheel van de verplichtingen waarin deze titel voorziet, zonder dat hij evenwel vrijgesteld kan worden van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 135septies en 135novies, § 1, 1°.]1

  
Art. 135bis. [1 § 1er. Le présent chapitre s'applique à toute subvention visée à l'article 135ter octroyée par les dispensateurs suivants :
   1° les centres publics d'action sociale [2 dans le cadre de leur objet]2 et sans préjudice de l'article 61;
   2° les associations visées à l'article 118.
   § 2. Le bénéficiaire d'une subvention est soit une personne physique, soit une personne morale, soit une association dépourvue de la personnalité juridique.
   § 3. Le présent chapitre ne s'applique pas aux subventions d'une valeur inférieure à 2.500 euros accordées par les dispensateurs visés au § 1er, sauf à eux le droit d'imposer aux bénéficiaires tout ou partie des obligations prévues par le présent titre, sans préjudice des obligations résultant des articles 135septies et 135novies, § 1er, 1°, qui s'imposent en tout cas.
   Pour les subventions d'une valeur comprise entre 2.500 euros et 25.000 euros, le dispensateur peut exonérer le bénéficiaire de tout ou partie des obligations prévues par le présent titre, sans que ce dernier puisse cependant être dispensé des obligations résultant des articles 135septies et 135novies, § 1er, 1°.]1

  
Art. 135ter. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder toelage verstaan elke bijdrage, elk voordeel of elke steun, ongeacht de vorm of de benaming ervan, toegekend voor doeleinden van algemeen belang, met uitsluiting van :
   1° de toelagen onderworpen aan de bepalingen van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat of aan de bepalingen van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof;
   2° de steun die voortvloeit uit een verplichting opgelegd bij of krachtens een wet of een decreet;
   3° de bijdragen gestort door de verleners aan de instellingen waarvan ze lid zijn, in ruil voor de specifieke diensten verstrekt door die instellingen ten gunste van de verleners;
   4° de prijzen toegekend uit erkentelijkheid of beloning voor de verdiensten van hun begunstigde;
   5° de toelagen toegekend door het O.C.M.W. aan de gemeente die het bedient.]1

  
Art. 135ter. [1 Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par subvention toute contribution, avantage ou aide, quelles qu'en soient la forme ou la dénomination, octroyée à des fins d'intérêt public à l'exclusion :
   1° des subventions soumises aux dispositions de la loi du 22 mai 2003 portant organisation du budget et de la comptabilité de l'Etat fédéral ou aux dispositions de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des Communautés et des Régions, ainsi qu'à l'organisation de la Cour des Comptes;
   2° des aides qui découlent d'une obligation imposée par ou en vertu d'une loi ou d'un décret;
   3° des cotisations versées par les dispensateurs aux organismes dont ils sont membres, en échange de prestations spécifiques exécutées par ces organismes au profit des dispensateurs;
   4° des prix décernés en reconnaissance ou en récompense des mérites de leur bénéficiaire;
   5° des subventions octroyées par le C.P.A.S. à la commune qu'il dessert.]1

  
Afdeling 2. [1 - Toekenning van de toelagen]1
Section 2. [1 - Octroi des subventions]1
Art. 135quater. [1 § 1. De verlener kan de volgende stukken eisen van een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die om de toekenning van een toelage verzoekt :
   1° de begroting van het boekjaar waarop de toelage betrekking heeft;
   2° de begroting van de gebeurtenis of de bijzondere investering die door de toelage gefinancierd moet worden;
   3° de meest recente jaarrekeningen.
   § 2. De begunstigde die verzoekt om een toelage ter dekking van reeds vastgelegde uitgaven voegt de rechtvaardigingen van die uitgaven bij zijn aanvraag.]1

  
Art. 135quater. [1 § 1er. Le dispensateur peut demander à une personne morale ou à une association dépourvue de la personnalité juridique qui sollicite l'octroi d'une subvention ou à laquelle il souhaite octroyer une subvention les documents suivants :
   1° le budget de l'exercice auquel se rattache la subvention;
   2° le budget de l'événement ou de l'investissement particulier que la subvention est destinée à financer;
   3° ses comptes annuels les plus récents.
   § 2. Le bénéficiaire qui demande une subvention destinée à couvrir des dépenses déjà engagées joint, à sa demande, les justifications de ces dépenses.]1

  
Art. 135quinquies. [1 § 1. De verlener formaliseert de toekenning van de toelage in een beraadslaging.
   § 2. Tenzij een reglement van de verlener of een ter uitvoering van de beraadslaging genomen overeenkomst daarin voorziet, vermeldt de beraadslaging :
   1° de aard van de toelage;
   2° het toepassingveld ervan;
   3° de identiteit of de benaming van de begunstigde;
   4° de doeleinden waarvoor de toelage toegekend wordt;
   5° desgevallend de bijzondere gebruiksvoorwaarden;
   6° de rechtvaardigingen geëist van de begunstigde alsook, in voorkomend geval, de termijnen waarin ze overgelegd moeten worden;
   7° de modaliteiten voor de betaling van de toelage.
   Als de toelage toegekend wordt ter dekking van uitgaven waarvoor de begunstigde al rechtvaardigingen heeft overgelegd, is er in de beraadslaging geen sprake van de melding bedoeld in het eerste lid, 6°.]1

  
Art. 135quinquies. [1 § 1er. Le dispensateur formalise l'octroi de la subvention dans une délibération.
   § 2. Sauf si un règlement du dispensateur ou une convention prise en exécution de la délibération y pourvoit, la délibération précise :
   1° la nature de la subvention;
   2° son étendue;
   3° l'identité ou la dénomination du bénéficiaire;
   4° les fins en vue desquelles la subvention est octroyée;
   5° les conditions d'utilisation particulières, le cas échéant;
   6° les justifications exigées du bénéficiaire ainsi que, s'il y échet, les délais dans lesquels ces justifications doivent être produites;
   7° les modalités de liquidation de la subvention.
   Lorsque la subvention est octroyée pour couvrir des dépenses pour lesquelles le bénéficiaire a déjà produit des justifications, la délibération ne contient pas la mention visée à l'alinéa 1er, 6°.]1

  
Art. 135sexies. [1 De verlener schort de aanneming van de in artikel 135quinquies bedoelde beraadslaging op zolang de begunstigde een vroeger ontvangen toelage moet terugbetalen, krachtens artikel 135novies.]1
  
Art. 135sexies. [1 Le dispensateur sursoit à l'adoption de la délibération visée à l'article 135quinquies aussi longtemps que le bénéficiaire doit restituer une subvention précédemment reçue, en vertu de l'article 135novies.]1
  
Afdeling 3. [1 - Gebruik van de toelagen en controle op het gebruik ervan]1
Section 3. [1 - Utilisation et contrôle de l'utilisation des subventions]1
Art. 135septies. [1 De begunstigde :
   1° gebruikt de toelage voor de doeleinden waarvoor ze is toegekend;
   2° bewijst het gebruik ervan d.m.v. de rechtvaardigingen bedoeld in artikel 135quinquies, § 2, eerste lid, 6°;
   3° voldoet desgevallend aan de bijzondere gebruiksvoorwaarden bedoeld in artikel 135quinquies, § 2, tweede lid, 1, 5°.]1

  
Art. 135septies. [1 Le bénéficiaire :
   1° utilise la subvention aux fins pour lesquelles elle a été octroyée;
   2° atteste son utilisation au moyen des justifications visées à l'article 135quinquies, § 2, alinéa 1er, 6°;
   3° le cas échéant, respecte les conditions d'utilisation particulières visées à l'article 135quinquies, § 2, alinéa 1er, 5°.]1

  
Art. 135octies. [1 § 1. De verlener controleert het gebruik van de toelage d.m.v. de rechtvaardigingen bedoeld in artikel 135quinquies, § 2, eerste lid, 6°.
   Hij heeft ook het recht om het gebruik van de toegekende toelage ter plaatse te laten controleren.
   § 2. Na afloop van de controle(s) neemt de verlener een beraadslaging aan waarin aangegeven wordt of de toelage(n) is (zijn) gebruikt voor de doeleinden waarvoor ze is (zijn) toegekend.]1

  
Art. 135octies. [1 § 1er. Le dispensateur contrôle l'utilisation de la subvention au moyen des justifications visées à l'article 135quinquies, § 2, alinéa 1er, 6°.
   Il a également le droit de faire procéder sur place au contrôle de l'utilisation de la subvention octroyée.
   § 2. A l'issue du ou des contrôles, le dispensateur adopte une délibération qui précise si la (les) subvention(s) a (ont) été utilisée(s) aux fins en vue desquelles elle(s) a (ont) été octroyée(s).]1

  
Afdeling 4. [1 - Terugbetaling van de toelagen]1
Section 4. [1 - Restitution des subventions]1
Art. 135novies. [1 § 1. Onverminderd de ontbindende bepalingen waaraan de toelage onderworpen is, betaalt de begunstigde de toelage terug in de volgende gevallen :
   1° als hij ze niet gebruikt voor de doeleinden waarvoor ze toegekend wordt;
   2° als hij niet voldoet aan de bijzondere gebruiksvoorwaarden bedoeld in artikel 135quinquies, § 2, eerste lid, 5°;
   3° als hij de rechtvaardigingen bedoeld in artikel 135quinquies, § 2, eerste lid, 6°, niet binnen de voorgeschreven termijnen overlegt;
   4° als hij zich verzet tegen de uitoefening van de controle bedoeld in artikel 135octies, § 1, tweede lid.
   In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1° en 3°, betaalt de begunstigde evenwel slechts het gedeelte van de toelage terug dat niet gebruikt werd voor de doeleinden waarvoor ze toegekend werd of dat niet gerechtvaardigd werd.
   Wat de toelagen in natura betreft, geschiedt de terugbetaling dienovereenkomstig.]1

  
Art. 135novies. [1 § 1er. Sans préjudice des dispositions résolutoires auxquelles la subvention est soumise, le bénéficiaire restitue celle-ci dans les cas suivants :
   1° lorsqu'il n'utilise pas la subvention aux fins en vue desquelles elle a été octroyée;
   2° lorsqu'il ne respecte pas les conditions d'octroi particulières visées à l'article 135quinquies, § 2, alinéa 1er, 5°;
   3° lorsqu'il ne fournit pas les justifications visées à l'article 135quinquies, § 2, alinéa 1er, 6°, dans les délais requis;
   4° lorsqu'il s'oppose à l'exercice du contrôle visé à l'article 135octies, § 1er, alinéa 2.
   Toutefois, dans les cas prévus à l'alinéa 1er, 1° et 3°, le bénéficiaire ne restitue que la partie de la subvention qui n'a pas été utilisée aux fins en vue desquelles elle a été octroyée ou qui n'est pas justifiée.
   Pour les subventions en nature, la restitution se fait par équivalent.]1

  
HOOFDSTUK XIIter [1 Gevolgen van een vrijwillige samenvoeging van gemeenten ten opzichte van de OCMW's van de samengevoegde gemeenten]1
CHAPITRE XIITER [1 Des conséquences d'une fusion volontaire de communes à l'égard des CPAS des communes fusionnées]1
Afdeling 1. [1 Begripsomschrijvingen]1
Section 1. [1 Définitions ]1
Art. 135decies. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk, wordt verstaan onder:
   1° samenvoegingsdecreet: het decreet op basis waarvan de gemeenten worden afgeschaft en een nieuwe gemeente wordt opgericht waarvan de grenzen worden vastgesteld;
   2° de datum van de samenvoeging: de eerste maandag van december na de verkiezingen overeenkomstig artikel L4124-1, § 1;
   3° samen te voegen gemeenten: de gemeenten die een princiepsbeslissing tot samenvoeging hebben genomen en die beslissing bij de Regering hebben ingediend;
   4° samengevoegde gemeenten: de oorspronkelijke gemeenten, bedoeld in het "decreet samenvoeging";
   5° de nieuwe gemeente: de opgerichte gemeente krachtens het "decreet samenvoeging";
   6° samen te voegen OCMW's: de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die de samen te voegen gemeenten bedienen;
   7° samengevoegde OCMW's: de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die de samengevoegde gemeenten bedienen;
   8° nieuw OCMW: het openbare centrum voor maatschappelijk welzijn dat de nieuwe gemeenten bedient. ]1

  
Art. 135decies. [1 Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :
   1° le décret de fusion : le décret sur la base duquel des communes sont supprimées et une nouvelle commune est créée dont les frontières sont fixées;
   2° la date de fusion : le premier lundi de décembre qui suit les élections conformément à l'article L4124-1, § 1er;
   3° les communes à fusionner : les communes qui ont pris une décision de principe relative à une fusion et qui ont notifié cette décision au Gouvernement;
   4° les communes fusionnées : les communes originelles, visées dans le décret de fusion;
   5° la nouvelle commune : la commune créée en vertu du décret de fusion;
   6° les CPAS à fusionner : les centres publics d'action sociale desservant les communes à fusionner;
   7° les CPAS fusionnés : les centres publics d'action sociale desservant les communes fusionnées;
   8° le nouveau CPAS : le centre public d'action sociale desservant la nouvelle commune.]1

  
Afdeling 2. [1 Algemene bepalingen]1
Section 2. [1 Dispositions générales]1
Art. 135undecies [1 De samenvoeging van gemeenten heeft van rechtswege bij elke nieuwe gemeente de oprichting van een nieuw OCMW tot gevolg.
   De openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de samengevoegde gemeenten worden opgeheven op de samenvoegingsdatum.]1

  
Art. 135undecies [1 La fusion de communes donne lieu à l'établissement de plein droit d'un nouveau CPAS à la création de la nouvelle commune.
   Les CPAS des communes fusionnées sont supprimés à la date de la fusion. ]1

  
Art. 135duodecies [1 De Raden voor maatschappelijk welzijn wijzen in onderling een van de directeurs-generaal van het OCMW aan die optreedt als coördinerend directeur-generaal OCMW van de samenvoeging op ambtelijk niveau en die ook de opdrachten uitvoert die hem worden toegewezen krachtens dit hoofdstuk. De directeurs-generaal van de andere betrokken OCMW's staan hem in zijn opdrachten bij. Bij gebrek aan een overeenkomst, wordt de directeur-generaal van het OCMW met het grootste aantal inwoners aangewezen als coördinerend directeur-generaal van de samenvoeging op ambtelijk niveau.
   De Raden voor maatschappelijk welzijn wijzen in onderling overleg een van de financieel directeurs of, bij afwezigheid van een financieel directeur, een van de gewestelijke ontvangers die optreedt als coördinerend financieel directeur van de samenvoeging op ambtelijk niveau voor de coördinatie van de financiële aspecten van de samenvoeging en die ook de opdrachten uitvoert die hem worden toegewezen krachtens dit hoofdstuk. De financieel directeurs van de andere betrokken OCMW's staan hem in zijn opdrachten bij. Bij gebrek aan een overeenkomst, wordt de financieel directeur van het OCMW met het grootste aantal inwoners aangewezen als coördinerend financieel directeur van de samenvoeging op ambtelijk niveau voor de coördinatie van de financiële aspecten van de samenvoeging.]1

  
Art. 135duodecies. [1 Les conseils d'action sociale se concertent pour désigner un des directeurs généraux du CPAS qui agit comme directeur général CPAS-coordinateur de la fusion au niveau administratif et met en oeuvre les tâches qui lui sont attribuées en vertu du présent chapitre. Les directeurs généraux des autres CPAS concernés l'assistent dans ses tâches. A défaut d'entente, le directeur général du CPAS comptant le plus grand nombre d'habitants est désigné directeur général-coordinateur de la fusion au niveau administratif.
   Les conseils d'action sociale se concertent pour désigner un des directeurs financiers ou en l'absence de directeur financier, un des receveurs régionaux qui agit comme directeur financier-coordinateur de la fusion au niveau administratif pour la coordination des aspects financiers de la fusion et met en oeuvre les tâches qui lui sont attribuées en vertu du présent chapitre. Les directeurs financiers des autres CPAS concernés l'assistent dans ses tâches. A défaut d'entente, le directeur financier du CPAS comptant le plus grand nombre d'habitants est désigné directeur financier-coordinateur de la fusion au niveau administratif pour la coordination des aspects financiers de la fusion. ]1

  
Art. 135terdecies 1 § 1. De samenvoeging van gemeenten kan het voorwerp uitmaken van een beslissing van de betrokken gemeenteraden enkel nadat deze vooraf is voorgelegd aan het overlegcomité opgericht in elke samen te voegen gemeente overeenkomstig artikel 26 van deze wet.
   § 2. Zodra de gemeenteraden kennis hebben gegeven van hun gezamenlijke intentie om tot een samenvoeging met de Regering over te gaan, worden gezamenlijke vergaderingen van de beheerscomités van de betrokken openbare centra voor maatschappelijk welzijn gehouden.
   § 3. Vanaf de indiening van het gemeenschappelijke voorstel tot samenvoeging bedoeld in artikel L1153-1 van het Wetboek van Plaatselijke Democratie en Decentralisatie tot de datum van goedkeuring door het toezicht op de begroting van de nieuwe gemeente of tot de dag waarop de Regering beslist niet op het voorstel tot samenvoeging in te gaan of waarop het Parlement het ontwerp van decreet samenvoeging verwerpt, worden de handelingen van de samen te voegen OCMW's pas na verplicht overleg tussen deze OCMW's aangenomen, met uitzondering van handelingen die:
   1° hetzij onder het dagelijks overheidsbeheer vallen;
   2° onherstelbare schade aan de gemeenschap zouden kunnen veroorzaken als ze niet worden genomen;
   3° het normale sluitstuk vormen van de vóór de kennisgeving ingeleide procedures door de gemeenteraden van hun gezamenlijke intentie om tot een samenvoeging met de Regering over te gaan overeenkomstig artikel L1153-1 van het Wetboek van de Plaatselijke Democratie en de Decentralisatie.
   De begroting voor het begrotingsjaar volgend op het jaar van de samenvoeging wordt gezamenlijk aangenomen.
   Bij onenigheid tussen de overlegorganen of tussen de organen van sociale actie, wordt het geschil door de Gouverneur beslecht. ]1
  
Art. 135terdecies. [1 La fusion de communes ne peut faire l'objet d'une décision des conseils communaux concernés qu'après avoir été soumise préalablement au comité de concertation installé dans chaque commune à fusionner conformément à l'article 26 de la présente loi.
   § 2. Dès la notification par les conseils communaux de leur intention conjointe de procéder à une fusion au Gouvernement, se tiennent des séances conjointes des comités de direction des centres publics d'action sociale concernés.
   § 3. A partir de l'introduction de la proposition commune de fusion visée à l'article L1153-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation jusqu'à la date d'approbation par la tutelle du budget de la nouvelle commune ou jusqu'au jour auquel le Gouvernement décide de ne pas donner suite à la proposition de fusion ou auquel le Parlement rejette le projet de décret de fusion, les actes des CPAS à fusionner ne sont pris qu'après une concertation obligatoire entre ces CPAS à l'exception des actes qui soit :
   1° relèvent de la gestion quotidienne des affaires publiques;
   2° s'ils ne sont pas pris risqueraient de causer un préjudice irréparable à la collectivité;
   3° constituent l'aboutissement normal des procédures entamées avant la notification par les conseils communaux de l'intention conjointe de procéder à une fusion au Gouvernement conformément à l'article L1153-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   Le budget pour l'exercice suivant l'année de la fusion est adopté conjointement.
   En cas de dissentiment entre les organes de concertation ou entre les organes de l'action sociale, le différend est tranché par le Gouverneur. ]1

  
Art. 135quaterdecies [1 Op de datum van de samenvoeging, volgt het nieuwe OCMW de samengevoegde OCMW's op in de rechten en verplichtingen wat betreft roerende en onroerende goederen, overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, overheidsopdrachten voor leveringen en diensten, concessies voor werken en diensten en overeenkomsten die aan de nieuwe OCMW's zijn overgedragen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die uit lopende en toekomstige gerechtelijke en administratieve procedures voortvloeien.
   Een inventaris van de roerende en onroerende goederen, overheidsopdrachten, concessies en overeenkomsten van de samengevoegde OCMW's is bij het voorstel tot samenvoeging gevoegd. De Regering stelt het model van inventaris vast. ]1

  
Art. 135quaterdecies. [1 A la date de la fusion, le nouveau CPAS succède aux droits et obligations des CPAS fusionnés pour ce qui est des biens mobiliers, immobiliers, des marchés publics de travaux, fournitures et services, des concessions de travaux et de services et des conventions qui lui ont été transférés, y compris aux droits et obligations découlant des procédures judiciaires et administratives en cours et futures.
   Un inventaire des biens meubles, immeubles, des marchés publics, des concessions et conventions des CPAS fusionnés est joint à la proposition de fusion. Le Gouvernement établit le modèle d'inventaire. ]1

  
Art. 135quindecies [1 De reglementen blijven van toepassing in de samengevoegde OCMW's waarvoor zij zijn uitgevaardigd, tot de dag waarop zij door de bevoegde overheid worden opgeheven, uiterlijk één jaar na de datum van de samenvoeging.]1
  
Art. 135quindecies. [1 Les règlements restent d'application dans les CPAS fusionnés pour lequel ils ont été édictés, jusqu'au jour où ils sont abrogés par l'autorité compétente, au plus tard un an après la date de fusion. ]1
  
Afdeling 3. [1 Installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn van de nieuwe gemeente ]1
Section 3. [1 nstallation du conseil d'action sociale de la nouvelle commune ]1
Art. 135sexdecies [1 § 1. De samenstelling en vorming van de nieuwe raad voor maatschappelijk welzijn wordt geregeld bij afdeling van hoofdstuk II.
   § 2. Voor de toepassing van artikel 6, moet rekening worden gehouden met de bevolking van de nieuwe gemeente.
   § 3. Voor de toepassing van artikel 7, moet men ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een van de samengevoegde gemeenten.
   § 4. Voor de toepassing van artikel 9, 7°, hebben de woorden "elke persoon die personeelslid is of een toelage of een wedde ontvangt van de gemeente, met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden en van het onderwijspersoneel" betrekking op elke persoon die personeelslid is van het gemeentepersoneel van een van de samengevoegde gemeenten, of die een een toelage of een wedde ontvangt van een van de samengevoegde gemeenten.
   § 5. De uitvoering van artikel 11 valt onder de bevoegdheid van de burgemeester van de samengevoegde gemeente en van de directeur-generaal-coördinator van de gemeente.
   § 6. De zetel van het OCMW waarvan de directeur-generaal als coördinator is aangesteld, is de zetel van het nieuwe OCMW zolang de raad voor maatschappelijk welzijn geen beslissing heeft genomen betreffende de verplaatsing van de zetel van het OCMW.]1

  
Art. 135sexdecies. [1 La composition et la formation du nouveau conseil de l'aide sociale est régie par la section 1re du chapitre II.
   § 2. Pour l'application de l'article 6, la population à prendre en compte est celle de la nouvelle commune.
   § 3. Pour l'application de l'article 7, il faut être inscrit au registre de la population d'une des communes fusionnées.
   § 4. Pour l'application de l'article 9, 7°, les termes " toute personne qui est membre du personnel communal, ou qui reçoit un subside ou un traitement de la commune, à l'exception des pompiers volontaires et du personnel enseignant " visent toute personne qui est membre du personnel communal d'une des communes fusionnées, ou qui reçoit un subside ou un traitement d'une des communes fusionnées.
   § 5. La mise en oeuvre de l'article 11 relève de la compétence du bourgmestre de la commune fusionnée et du directeur général-coordinateur de la commune.
   § 6. Le siège du CPAS dont le directeur général a été désigné comme coordinateur fait office de siège du nouveau CPAS, tant que le conseil d'action sociale n'a pas décidé de déplacer le siège du CPAS. ]1

  
Afdeling 4. [1 Personeel van het OCMW]1
Section 4. [1 Personnel du CPAS ]1
onderafdeling 1 [1 Principiële beslissing met betrekking tot de samenvoeging en gevolgen voor het personeel ]1
Sous-section 1. [1 Décision de principe relative à la fusion et incidences sur le personnel]1
Art 135septdecies [1 Vanaf de datum van de principiële beslissing van de betrokken gemeenteraden om tot de samenvoeging over te gaan, kunnen de samen te voegen OCMW's samenwerkingsovereenkomsten sluiten om de leden van hun respectieve personeel in te schakelen voor specifieke functies.
   Indien de functie van directeur-generaal of van financieel directeur van een van de samen te voegen OCMW's vacant wordt na de datum van de beslissing om tot samenvoeging over te gaan, kan de raad voor maatschappelijk welzijn, om deze functie uit te oefenen:
   1° een beroep doen op een directeur-generaal of een financieel directeur van een van de andere OCMW's die een van de samen te voegen gemeenten bedienen of van een van de samen te voegen gemeenten, op basis van een samenwerkingsovereenkomst;
   2° een directeur-generaal of een financieel directeur aanstellen die tot de datum van de samenvoeging optreedt. ]1

  
Art. 135septdecies. [1 A partir de la date de la décision de principe des conseils communaux concernés de procéder à la fusion, les CPAS à fusionner peuvent conclure des conventions de collaboration en vue de faire appel aux membres de leur personnel respectif pour des fonctions spécifiques.
   Si la fonction de directeur général ou de directeur financier auprès d'un des CPAS à fusionner devient vacante après la date de la décision de procéder à la fusion, le conseil d'action sociale peut, en vue d'assumer cette fonction :
   1° faire appel à un directeur général ou à un directeur financier d'un des autres CPAS desservant une des communes à fusionner ou d'une des communes à fusionner, sur la base d'une convention de collaboration;
   2° désigner un directeur général ou un directeur financier faisant fonction jusqu'à la date de la fusion. ]1

  
Onderafdeling 2 [1 Directeur-generaal en financieel directeur]1
Sous-section 2. [1 Directeur général et directeur financie ]1
Art. 135octodecies. 1 Vanaf de datum van de samenvoeging tot de aanstelling van een nieuwe directeur-generaal van het OCMW, vervult de coördinerend directeur-generaal van het OCMW de functie van directeur-generaal van het nieuwe OCMW.
   Als de gemeenteraad van de nieuwe gemeente een voorlopige tegemoetkoming heeft toegekend aan de coördinerend directeur-generaal van de gemeente, kent de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW ook een voorlopige tegemoetkoming toe aan de coördinerend directeur-generaal van het OCMW. Deze tegemoetkoming is gelijk aan het verschil tussen de wedde die zou zijn ontvangen in de functie van directeur-generaal van het nieuwe OCMW en de wedde van de coördinerend directeur-generaal in zijn of haar oorspronkelijk OCMW.]1
  
Art. 135octodecies. [1 A partir de la date de fusion jusqu'à la désignation d'un nouveau directeur général du CPAS, le directeur général-coordinateur du CPAS remplit la fonction de directeur général du nouveau CPAS.
   Si le conseil communal de la nouvelle commune a octroyé une allocation provisoire au directeur général-coordinateur de la commune, le conseil d'action sociale du nouveau CPAS octroie également une allocation provisoire au directeur général-coordinateur du CPAS. Cette allocation est égale à la différence entre le salaire qui aurait été perçu dans la fonction de directeur général du nouveau CPAS et le salaire dont jouissait le directeur général-coordinateur dans son CPAS d'origine. ]1

  
Art. 135novodecies. [1 § 1. Binnen zes maanden na de datum van de samenvoeging, wijst de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW een directeur-generaal aan onder:
   1° de directeurs-generaal van de samengevoegde OCMW's die zich kandidaat stellen na een oproep tot kandidaten;
   2° bij gebrek aan een kandidaat overeenkomstig 1°, de directeurs-generaal van de samengevoegde gemeenten die zich kandidaat stellen na een oproep tot kandidaten.
   De Regering bepaalt de voorwaarden en modaliteiten voor de toegang tot de functie van directeur-generaal van het nieuwe OCMW.
   De in lid 1 bedoelde directeur-generaal is vanaf de datum van zijn aanstelling onderworpen aan alle administratieve en geldelijke bepalingen van deze wet. Hij behoudt zijn geldelijke anciënniteit.
   § 2. Indien een of meerdere van de samengevoegde OCMW's een adjunct-directeur-generaal hadden, stelt de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW bij voorrang een adjunct-directeur-generaal onder hen aan, na een oproep tot kandidaten
   Dezelfde procedure wordt georganiseerd in het geval van gezamenlijke adjunct-directeurs-generaal voor de samengevoegde gemeente en OCMW.
   Vanaf de datum van zijn aanstelling is de in lid 1 bedoelde adjunct-directeur-generaal of de in lid 2 bedoelde gezamenlijke adjunct-directeur-generaal onderworpen aan alle administratieve en geldelijke bepalingen van deze wet. Hij behoudt zijn geldelijke anciënniteit ]1
.
  
Art. 135novodecies. [1 § 1er. Dans les six mois de la date de fusion, le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS désigne un directeur général parmi :
   1° les directeurs généraux des CPAS fusionnés qui se portent candidats après un appel aux candidatures;
   2° à défaut de candidat en application du 1°, les directeurs généraux des communes fusionnées qui se portent candidats après un appel aux candidatures.
   Le Gouvernement fixe les conditions et modalités d'accès à la fonction de directeur général du nouveau CPAS.
   A dater de sa désignation, le directeur général visé à l'alinéa 1er est soumis à toutes les dispositions administratives et pécuniaires de la présente loi. Il conserve son ancienneté pécuniaire.
   § 2. Si un ou plusieurs des CPAS fusionnés disposaient d'un directeur général adjoint, le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS désigne un directeur général adjoint par priorité parmi ceux-ci suite à un appel à candidatures.
   La même procédure est organisée en cas de directeurs généraux adjoints communs à la commune et au CPAS fusionnés.
   A dater de sa désignation, le directeur général adjoint visé à l'alinéa 1er ou le directeur général adjoint commun visé à l'alinéa 2 est soumis à toutes les dispositions administratives et pécuniaires de la présente loi. Il conserve son ancienneté pécuniaire ]1
.
  
Art. 135vicies. [1 Indien er na de in artikel 135novodecies bedoelde oproep tot kandidaten geen kandidaat zich heeft gemeld voor de functie van directeur-generaal van het OCMW of indien geen enkele kandidaat aan de gestelde voorwaarden voldoet, wordt de directeur-generaal aangesteld overeenkomstig artikelen 41 en volgende]1.
  
Art. 135vicies. [1 Si, suite à l'appel à candidature visé à l'article 135novodecies, aucun candidat ne s'est manifesté pour la fonction de directeur général du CPAS ou si aucun candidat répond aux conditions fixées, le directeur général est désigné conformément aux articles 41 et suivants ]1.
  
Art. 135unvicies.. [1 Vanaf de datum van de samenvoeging tot de aanwijzing van een nieuwe financieel directeur, vervult de coördinerend financieel directeur de functie van financieel directeur van het nieuwe OCMW.
   Als de gemeenteraad van de nieuwe gemeente een voorlopige tegemoetkoming heeft toegekend aan de coördinerend directeur-generaal van de gemeente, kent de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW ook een voorlopige tegemoetkoming toe aan de coördinerend directeur-generaal van het OCMW. Deze tegemoetkoming is gelijk aan het verschil tussen de wedde die zou zijn ontvangen in de functie van financieel directeur van het nieuwe OCMW en de wedde van de coördinerend financieel directeur in zijn of haar oorspronkelijk OCMW. ]1

  
Art. 135unvicies. [1 A partir de la date de la fusion jusqu'à la désignation d'un nouveau directeur financier, le directeur financier-coordinateur remplit la fonction de directeur financier du nouveau CPAS.
   Si le conseil communal de la nouvelle commune a octroyé une allocation provisoire au directeur général-coordinateur de la commune, le conseil d'action sociale du nouveau CPAS octroie également une allocation provisoire au directeur général-coordinateur du CPAS. Cette allocation est égale à la différence entre le salaire qui aurait été perçu dans la fonction de directeur financier du nouveau CPAS et le salaire dont jouissait le directeur financier-coordinateur dans son CPAS d'origine. ]1

  
Art. 135duovicies.. [1 § 1. Binnen zes maanden na de datum van de samenvoeging, wijst de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW een financieel directeur aan onder :
   1° de financieel directeurs van de samengevoegde OCMW's die zich kandidaat stellen na een oproep tot kandidaten;
   2° bij gebrek aan een kandidaat overeenkomstig 1°, de financieel directeurs van de samengevoegde gemeenten die zich kandidaat stellen na een oproep tot kandidaten.
   De Regering bepaalt de voorwaarden en modaliteiten voor de toegang tot de functie van financieel directeur van het OCMW.
   De in lid 1 bedoelde financieel directeur is vanaf de datum van zijn aanstelling onderworpen aan alle administratieve en geldelijke bepalingen van deze wet. Hij behoudt zijn geldelijke anciënniteit.
   § 2. Indien de samengevoegde OCMW's ten minste één gewestelijke ontvanger hadden, beslist de raad van het OCMW over het al dan niet handhaven van de gewestelijke ontvangst.
   Indien hij de gewestelijke ontvangst handhaaft, wordt het verzoek om toewijzing van deze ontvangst aan de provinciegouverneur gericht.
   Indien de raad van het nieuwe OCWM het ambt van financieel directeur creëert, stelt hij de financieel directeur overeenkomstig de in paragraaf 1 bedoelde modaliteiten aan ]1
.
  
Art. 135duovicies. [1 1er. Dans les six mois de la date de la fusion, le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS désigne un directeur financier parmi :
   1° les directeurs financiers des CPAS fusionnés qui se portent candidats après un appel aux candidatures;
   2° à défaut de candidats en application du 1°, les directeurs financiers des communes fusionnées qui se portent candidats après un appel aux candidatures.
   Le Gouvernement fixe les conditions et modalités d'accès à la fonction de directeur financier du CPAS.
   A dater de sa désignation, le directeur financier visé à l'alinéa 1er est soumis à toutes les dispositions administratives et pécuniaires de la présente loi. Il conserve son ancienneté pécuniaire.
   § 2. Si les CPAS fusionnés disposaient d'au moins un receveur régional, le conseil du CPAS décide de maintenir ou non la recette régionale.
   S'il maintient la recette régionale, la demande d'affectation à cette recette est adressée au Gouverneur de province.
   S'il crée l'emploi de directeur financier, le conseil du nouveau CPAS désigne le directeur financier selon les modalités définies au paragraphe 1er ]1
.
  
Art. 135tervicies.. [1 Indien er na de in artikel 135duovicies bedoelde oproep tot kandidaten geen kandidaat zich heeft gemeld voor de functie van financieel directeur van het OCMW of indien geen enkele kandidaat aan de gestelde voorwaarden voldoet, wordt de financieel directeur aangesteld overeenkomstig artikelen 41 en volgende]1.
  
Art. 135tervicies. [1 Si, suite à l'appel à candidature visé à l'article 135duovicies, aucun candidat ne s'est manifesté pour la fonction de directeur financier du CPAS ou si aucun candidat répond aux conditions fixées, le directeur financier est désigné conformément aux articles 41 et suivants ]1.
  
Onderafdeling 3. [1 Uitoefening van de functie van financieel directeur van het OCMW door de financieel directeur van de gemeente ]1
Sous-section 3. [1 Exercice de la fonction de directeur financier du CPAS par le directeur financier de la commune ]1
Art. 135quatervicies. [1 In afwijking van artikel 135duovicies en in toepassing van artikel 41ter van dit wet, kan de raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW besluiten dat de financieel directeur van de nieuwe gemeente tegelijkertijd de functie van financieel directeur van de nieuwe OCMW uitoefent. ]1
  
Art. 135quatervicies. [1 Par dérogation à l'article 135duovicies et en application de l'article 41ter de la présente loi, le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS peut décider que le directeur financier de la nouvelle commune exerce simultanément la fonction de directeur financier du nouveau CPAS.]1
  
Onderafdeling 4. [1 Andere personeelsleden van de OCMW]1
Sous-section 4. [1 Autres membres du personnel des CPAS ]1
Art. 135quinvicies. [1 Op de datum van de samenvoeging, worden alle personeelsleden van de samengevoegde OCMW's personeelsleden van het nieuwe OCMW, ongeacht de aard van hun dienstverband. ]1
  
Art. 135quinvicies. [1 A la date de la fusion, l'ensemble du personnel des CPAS fusionnées devient du personnel du nouveau CPAS, quelle que soit la nature de leur relation de travail.]1
  
Art. 135sexvicies. [1 Na de overdracht aan het nieuwe OCMW, behouden de personeelsleden de aard van hun dienstverband, hun graad, hun administratieve en geldelijke anciënniteit, hun prestatieregeling en hun weddeschaal.]1
  
Art. 135sexvicies. [1 Après le transfert au nouveau CPAS, les membres du personnel conservent la nature de leur relation de travail, leur degré, leur ancienneté administrative et pécuniaire, leur régime de prestation et leur échelle de traitement. ]1
  
Art. 135septvicies. [1 De personeelsleden blijven onderworpen aan het statuut dat op hen van toepassing was in hun oorspronkelijk OCMW tot de inwerkingtreding van het statuut van het nieuwe OCMW bedoeld in artikel 135octovicies.
   De raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW stelt een voorlopig statuut vast dat van toepassing is op de personeelsleden die in het nieuwe OCMW moeten worden aangewezen vanaf de datum van de samenvoeging en dat geldig is tot de inwerkingtreding van het statuut van het nieuwe OCMW bedoeld in artikel 135octovicies. ]1

  
Art. 135septvicies. [1 Les membres du personnel restent soumis au statut qui s'appliquait à eux dans leur CPAS d'origine jusqu'à l'entrée en vigueur du statut du nouveau CPAS visé à l'article 135octovicies.
   Le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS établit un statut provisoire qui s'applique aux membres du personnel à désigner du nouveau CPAS à partir de la date de la fusion et qui est valable jusqu'à l'entrée en vigueur du statut du nouveau CPAS, visé à l'article 135octovicies. ]1

  
Onderafdeling 5. [1 Nieuw organogram en nieuw statuut]1
sous-section 5 [1 Nouvel organigramme et nouveau statut ]1
Art. 135octovicies. [1 Binnen een jaar na de datum van de samenvoeging, stelt het Vast Bureau van het nieuwe OCMW het organogram vast overeenkomstig artikel 42, § 2, van deze wet en stelt de raad van het nieuwe OCMW een nieuw statuut vast voor het geheel van zijn personeelsleden. ]1
  
Art. 135octovicies [1 Dans l'année suivant la date de la fusion, le Bureau permanent du nouveau CPAS établit l'organigramme conformément à l'article 42, § 2, de la présente loi et le conseil du nouveau CPAS établit un nouveau statut pour l'ensemble de son personnel. ]1
  
Afdeling 5. [1 Bepalingen betreffende financiën]1
Section 5. [1 Dispositions relatives aux finances]1
Art. 135novovicies. [1 In afwijking van artikel 88 van de Wet, stelt de Raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW vóór 31 december van het jaar van de gemeenteraadsverkiezingen de begroting vast voor het begrotingsjaar volgend op de datum van de samenvoeging.]1
  
Art. 135novovicies. [1 Par dérogation à l'article 88 de la Loi, avant le 31 décembre de l'année des élections communales, le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS établit le budget pour l'exercice qui suit la date de fusion. ]1
  
Art. 135tricies. [1 De financieel directeurs en de gewestelijke ontvangers van de samengevoegde OCMW's stellen, elk voor wat hen betreft, de jaarrekeningen van de samengevoegde OCMW's vast voor de boekjaren tot en met 31 december van het jaar van de samenvoeging.
   De raad voor maatschappelijk welzijn van het nieuwe OCMW spreekt zich uit over de vaststelling van deze jaarrekening. ]1

  
Art. 135tricies. [1 les directeurs financiers et receveurs régionaux des CPAS fusionnés établissent chacun pour ce qui les concerne, les comptes annuels des CPAS fusionnés pour les exercices comptables jusqu'au 31 décembre de l'année de la date de la fusion.
   Le conseil de l'action sociale du nouveau CPAS se prononce sur l'établissement de ces comptes annuels]1

  
Art. 135untricies. [1 ijdens het boekjaar volgend op de datum van de samenvoeging, wordt de dotatie aan het bijzonder Fonds voor maatschappelijk welzijn toegekend aan het nieuwe OCMW verkregen door de toegekende dotaties aan de samengevoegde OCMW's op te tellen op basis van de jaarlijks bijgewerkte statistieken betreffende hun grondgebied of, bij gebreke daarvan, die worden gebruikt voor het verdelingsjaar van het jaar van de datum van de samenvoeging. ]1
  
Art. 135untricies. [1 Durant l'exercice qui suit la date de fusion, la dotation au Fonds spécial de l'aide sociale octroyée au nouveau CPAS est obtenue en additionnant les dotations octroyées aux CPAS fusionnés sur la base des statistiques relatives à leur territoire, actualisées annuellement ou à défaut, utilisées pour l'année de répartition de l'année de la date de fusion. ]1
  
Afdeling 6. [1 Overgangsbepalingen. ]1
section 6. [1 Dispositions transitoires ]1
Art. 135duotricies. [1 Een directeur-generaal die een samengevoegd OCMW verlaat, die niet wordt aangewezen als directeur-generaal van het nieuwe OCMW en die ook niet wordt aangewezen als directeur-generaal van de nieuwe gemeente, wordt aangesteld in een passende functie van niveau A in het nieuwe OCMW, met behoud met zijn geldelijke anciënniteit.
   De uittredende directeur-generaal bedoeld in het eerste lid wordt ingeschaald in de salarisschaal die verbonden is aan de passende functie. Hij behoudt de salarisschaal die hij genoot als directeur-generaal in zijn oorspronkelijk OCMW, zolang de wedde op basis daarvan gunstiger is dan de wedde die hij zou genieten na de inschaling.]1

  
Art. 135duotricies. [1 Un directeur général sortant d'un CPAS fusionné, qui n'est pas désigné comme directeur général du nouveau CPAS et qui n'est pas non plus désigné comme directeur général de la nouvelle commune, est assigné à une fonction appropriée de niveau A dans le nouveau CPAS, tout en conservant son ancienneté pécuniaire.
   Le directeur général sortant visé à l'alinéa 1er est inséré dans l'échelle de traitement liée à la fonction appropriée. Il conserve l'échelle de traitement dont il jouissait en tant que directeur général dans son CPAS originel, tant que le traitement sur la base de cette échelle est plus avantageux que le traitement dont il jouirait après l'insertion. ]1

  
Art. 135tertricies [1 Een financieel directeur die een samengevoegd OCMW verlaat, die niet wordt aangewezen als financieel directeur van het nieuwe OCMW en die ook niet wordt aangewezen als financieel directeur van de nieuwe gemeente, wordt aangesteld in een passende functie van niveau A in het nieuwe OCMW, met behoud met zijn geldelijke anciënniteit.
   De uittredende financieel directeur bedoeld in het eerste lid wordt ingeschaald in de salarisschaal die verbonden is aan de passende functie. Hij behoudt de weddeschaal die hij genoot als financieel directeur in zijn oorspronkelijk OCMW, zolang de wedde op basis daarvan gunstiger is dan de wedde die hij zou genieten na de inschaling ]1

  
Art. 135tertricies. [1 Un directeur financier sortant d'un CPAS fusionné, qui n'est pas désigné comme directeur financier du nouveau CPAS et qui n'est pas non plus désigné comme directeur financier de la nouvelle commune, est assigné à une fonction appropriée de niveau A dans le nouveau CPAS, tout en conservant son ancienneté pécuniaire.
   Le directeur financier visé à l'alinéa 1er sortant est inséré dans l'échelle de traitement liée à la fonction appropriée. Il conserve l'échelle de traitement dont il jouissait en tant que directeur financier dans son CPAS originel, tant que le traitement sur la base de cette échelle est plus avantageux que le traitement dont il jouirait après l'insertion. ]1

  
Art. 135quatertricies [1 De raad voor maatschappelijk welzijn stelt indien nodig overgangsbepalingen vast om ervoor te zorgen dat de personeelsleden een specifieke regeling op persoonlijke titel behouden, zolang deze gunstiger is dan de overeenkomstige regeling van het nieuwe statuut. ]1
  
Art. 135quatertricies. [1 Le conseil de l'action sociale établit au besoin des dispositions transitoires afin d'assurer que des membres du personnel conservent un régime spécifique à titre personnel, tant que celui-ci est plus avantageux que le régime correspondant dans le nouveau statut. ]1
  
HOOFDSTUK XIII. - Overgangs-, wijzigings- en opheffingsbepalingen.
CHAPITRE XIII. - Des dispositions transitoires, modificatives et abrogatoires.
Art. 136. De overgang van het patrimonium van de commissies van openbare onderstand naar de openbare centra voor maatschappelijk welzijn mag geen afbreuk doen aan de verworven rechten en de wettelijk gevestigde bestemmingen van goederen, noch aan de rechten die vóór de bekendmaking van deze wet inzake stichtingen voorbehouden waren op grond van de artikelen 84 tot 87 van de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de openbare onderstand.
Art. 136. Le transfert du patrimoine des commissions d'assistance publique aux (centres publics d'action sociale) ne peut préjudicier aux droits acquis et aux affectations de biens légalement établies, ni aux droits qui, avant la publication de la présente loi, étaient réservés en matière de fondations sur base des articles 84 à 87 de la loi du 10 mars 1925 organique de l'assistance publique. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 137. De provinciale onderstandsfondsen bedoeld door de artikelen 89 tot 91 van de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de openbare onderstand worden ontbonden.
  Hun gebeurlijk tegoed wordt door de zorgen van de bestendige deputatie vereffend in de vorm van tegemoetkomingen ten gunste van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn die in de betrokken provincie gelegen zijn en waarvan de inkomsten ontoereikend zijn.
Art. 137. Les fonds provinciaux d'assistance visés par les articles 89 à 91 de la loi du 10 mars 1925 organique de l'assistance publique sont dissous.
  Leur solde éventuel est liquidé par la députation permanente sous forme de subventions en faveur des (centres publics d'action sociale) qui sont situés dans la province intéressée et dont les ressources sont insuffisantes. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 138. De identificatiediensten ingesteld met toepassing van artikel 98 van de wet van 10 maart 1925 worden opgeheven. Hun activa en passiva, evenals hun personeel worden overgenomen door het Ministerie dat het maatschappelijk welzijn onder zijn bevoegdheid heeft. De Koning regelt de modaliteiten van deze overname.
Art. 138. Les offices d'identification institués en application de l'article 98 de la loi du 10 mars 1925 sont dissous. Leurs actifs et passifs ainsi que leur personnel sont repris par le Ministère qui a l'aide sociale dans ses attributions. Le Roi règle les modalités de cette reprise.
Art. 139. De regelen betreffende de overgave van de goederen en van het archief van de commissies van openbare onderstand aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsmede die betreffende het opmaken van de eindrekeningen van de ontvangers van de commissies van openbare onderstand, worden bepaald bij koninklijk besluit.
Art. 139. Les règles relatives à la remise des biens et des archives des commissions d'assistance publique aux (centres publics d'action sociale), ainsi que celles relatives à l'établissement des comptes de clôture des receveurs des commissions d'assistance publique, sont déterminées par arrêté royal. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 140. Voor de eerste verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn is de voorrang waarvan sprake in artikel 15, 1° en 2°, eveneens van toepassing voor de kandidaten die op de dag van de verkiezing een mandaat in een commissie van openbare onderstand bekleden of dit mandaat vroeger hebben uitgeoefend.
Art. 140. La préférence dont question à l'article 15, 1° et 2°, est, pour la première élection des membres du (conseil de l'action sociale), également applicable aux candidats qui, au jour de l'élection, sont investis d'un mandat dans une commission d'assistance publique ou qui ont exercé ce mandat antérieurement.
Art. 141. § 1. In de nieuwe gemeenten tot stand gekomen ingevolge samenvoeging of aanhechting krachtens de wet van 30 december 1975 zijn de bepalingen die getroffen werden ten opzichte van de commissies van openbare onderstand van de samengevoegde gemeenten en de bij een aanhechting betrokken gemeenten, alsmede ten opzichte van hun personeelsleden, van toepassing op de centra voor maatschappelijk welzijn die deze commissies vervangen.
  In de andere gemeenten wordt het personeel van de commissie van openbare onderstand zonder nieuwe benoeming of andere formaliteit overgenomen door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat die commissie vervangt. Elk personeelslid behoudt zijn graad, anciënniteit, administratief en geldelijk statuut en geniet alle voordelen die het had kunnen verkrijgen.
  § 2. Voor de personeelsleden alsmede de gewestelijke ontvangers die ingevolge de toepassing van deze wet in hun ambt niet kunnen gehandhaafd blijven, bepaalt de Koning de regelen welke van toepassing zijn om hun rechten te vrijwaren.
  Daartoe kan Hij :
  a) afwijken :
  1. van de wetten die prioriteit verlenen voor de toegang tot de openbare betrekkingen;
  2. van artikel 42 van onderhavige wet, wat de personeelsformatie alsmede de aanwervings- en bevorderingsvoorwaarden betreft;
  3. van artikel 115 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, wat de leeftijd voor het rustpensioen betreft;
  4. van de wet van 25 april 1933 op het pensioen van het gemeentepersoneel;
  b) de openbare centra voor maatschappelijk welzijn toestaan te beslissen dat sommige personeelsleden de eretitel van hun vroeger ambt mogen dragen.
Art. 141. § 1er. Dans les nouvelles communes issues d'une fusion ou d'une annexion en exécution de la loi du 30 décembre 1975, les dispositions prises à l'égard des commissions d'assistance publique des communes fusionnées et des communes affectées par une annexion, de même qu'à l'égard de leurs agents, sont applicables aux (centres d'action sociale) remplaçant ces commissions. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  Dans les autres communes, le personnel de la commission d'assistance publique est repris sans aucune nomination nouvelle ou autre formalité par le (centre public d'action sociale) qui la remplace. Chacun des membres de ce personnel conserve son grade, son ancienneté, sont statut administratif et pécuniaire et tous avantages qui auraient pu lui être octroyés. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
  § 2. Pour les membres du personnel ainsi que pour les receveurs régionaux qui, en vertu de l'application de la présente loi, ne pourraient être maintenus dans leurs fonctions, le Roi détermine les règles qui sont applicables en vue de sauvegarder leurs droits.
  A cet effet, il peut:
  a) déroger
  1. aux lois qui accordent une priorité pour l'accès aux fonctions publiques;
  2. à l'article 42 de la présente loi, en ce qui concerne le cadre du personnel, ainsi que les conditions de recrutement et d'avancement;
  3. à l'article 115 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier, en ce qui concerne l'âge de la retraite;
  4. à la loi du 25 avril 1933 relative à la pension du personnel communal;
  b) autoriser les (centres publics d'action sociale) à décider que certains fonctionnaires pourront porter le titre honorifique de leurs anciennes fonctions. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 142. § 1. De Koning bepaalt de regelen welke in acht moeten worden genomen ter vrijwaring van de rechten van de personen die, met toepassing van artikel 24 van de wet van 10 maart 1925 tot regeling van de openbare onderstand, een pensioen genoten of er aanspraak op kunnen maken op het ogenblik van de inwerkingtreding van onderhavige wet.
  § 2. De anciënniteit verworven door de gewezen voorzitters van de commissies van openbare onderstand wordt in aanmerking genomen bij de vaststelling van hun rechten op pensioen indien zij als voorzitter van een raad voor maatschappelijk welzijn worden aangeduid.
Art. 142. § 1er. Le Roi fixe les règles qui doivent être respectées en vue de sauvegarder les droits des personnes qui, en application de l'article 24 de la loi du 10 mars 1925 organique de l'assistance publique, bénéficiant d'une pension ou peuvent y avoir droit au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi.
  § 2. Il est tenu compte de l'ancienneté acquise par les anciens présidents des commissions d'assistance publique pour déterminer leurs droits à une pension en cas de désignation comme président d'un (conseil de l'action sociale).
Art. 143. Zijn niet van toepassing op het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de artikelen 1 tot 6 en 8 tot 15 van de wet van 21 december 1927 betreffende de beroepsklerken, technische bedienden, politieagenten en in 't algemeen al de aangestelden der gemeenten en der daarvan afhangende besturen, gewijzigd bij de wetten van 18 december 1930 en 10 juni 1937 en bij de besluitwet van 10 januari 1947.
Art. 143. Ne sont pas applicables au personnel des (centres publics d'action sociale), les articles 1er à 6 et les articles 8 à 15 de la loi du 21 décembre 1927, relative aux commis de carrière, employés, techniciens, agents de police et généralement à tous les proposés des communes et des administrations subordonnées, modifiée par les lois des 18 décembre 1930 et 10 juin 1937 et par l'arrêté-loi du 10 janvier 1947. <L 2002-01-07/45, art. 3; En vigueur : 01-02-2004>
Art. 144. Artikel 16, 4°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, wordt vervangen door de volgende bepaling : "..."
Art. 144. L'article 16, 4°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, est remplacé par la disposition suivante: "....."
Art. 145. In het koninklijk besluit nr. 64 van 30 november 1939 houdende het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, bekrachtigd bij de wet van 16 juni 1947, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In artikel 132°, in het Wetboek ingevoegd bij de wet van 14 augustus 1947, wordt het 2° van het tweede lid vervangen door de volgende tekst : "..."
  2° Artikel 161, 4°, wordt vervangen door de volgende tekst : "..."
Art. 145. Les modifications suivantes sont apportées à l'arrêté royal n°64 du 30 novembre 1939 contenant le Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, confirmé par la loi du 16 juin 1947:
  1° dans l'article 132, inséré dans le Code par la loi du 14 août 1947, le 2° de l'alinéa 2 est remplace par le texte suivant: "....."
  2° L'article 161, 4°, est remplacé par le texte suivant: "....."
Art. 146. In het koninklijk besluit nr. 308 van 31 maart 1936 houdende het Wetboek der successierechten, bekrachtigd bij de wet van 4 mei 1936, wordt in artikel 52°, in het Wetboek ingevoegd bij de wet van 14 augustus 1947, het 2° van het tweede lid vervangen door de volgende tekst : "..."
Art. 146. Dans l'arrêté royal n° 308 du 31 mars 1936 contenant le Code des droits de succession, confirmé par la loi du 4 mai 1936, à l'article 52, inséré dans le Code par la loi du 14 août 1947, le 2°de l'alinéa 2 est remplacé par le texte suivant: "....."
Art. 147. In het besluit van de Regent van 26 juni 1947, houdende het Wetboek der zegelrechten, bekrachtigd bij de wet van 14 juli 1951, wordt artikel 59, 12°, vervangen door de volgende tekst : "..."
Art. 147. Dans l'arrêté du Régent du 26 juin 1947, contenant le Code des droits de timbres, confirmé par la loi du 14 juillet 1951, l'article 59, 12°, est remplacé par le texte suivant: "....."
Art. 148. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegde besluiten :
  1° de tekst van de wetten die door deze wet stilzwijgend gewijzigd worden in overeenstemming brengen met deze wet;
  2° de tekst van de wetten in overeenstemming brengen met de terminologie van deze wet;
  3° de codificatie vaststellen van de bepalingen van deze wet en van de bepalingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de commissies van openbare onderstand, gewijzigd door de wet van 9 juli 1971.
  Te dien einde kan Hij :
  1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de inkleding van de te codificeren bepalingen wijzigen;
  2° de verwijzingen die in de te codificeren bepalingen mochten voorkomen wijzigen, ten einde ze, onder meer, in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;
  3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die vervat zijn in de te coördineren bepalingen, een andere dan de oorspronkelijke redactie aanwenden met het oog op de overeenstemming der bepalingen en de eenheid in de terminologie.
  (derde lid; wijzigingsbepaling van de W 1965-04-02/01) <W 1993-01-12/34, art. 11; Inwerkingtreding : 01-03-1993>
Art. 148. Le Roi peut, par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres:
  1° mettre les textes des lois qui sont modifiées implicitement par la présente loi en concordance avec celle-ci;
  2° mettre le texte des lois en concordance avec la terminologie de la présente loi;
  3° codifier les dispositions de la présente loi et les dispositions de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des recours accordés par les commissions d'assistance publique, modifiée par la loi du 9 juillet 1971.
  A cet effet, il peut:
  1° modifier l'ordre, le numérotage et, en général, la présentation des dispositions à codifier;
  2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions a codifier, en vue, notamment, de les mettre en concordance avec le numérotage nouveau;
  3° sans porter atteinte aux principes inscrits dans les dispositions à coordonner, adopter une rédaction différente de la rédaction originelle, en vue d'assurer la concordance des dispositions et d'unifier la terminologie.
  (alinéa 3, disposition modificative de la L 1965-04-02/01) <L 1993-01-12/34, art. 11; En vigueur : 01-03-1993>
Art. 149. Van de dag waarop de bepalingen van deze wet en of de besluiten in uitvoering ervan genomen, in werking treden, zullen de wetten en besluiten, die vroeger van kracht waren, niet meer bindend zijn in zake die door deze wet en haar uitvoeringsbesluiten zijn geregeld.
Art. 149. A compter du jour de l'entrée en vigueur des dispositions de la présente loi et ou des arrêtés pris en exécution de celle-ci, cesseront d'être obligatoires pour les matières qui font l'objet de leurs dispositions, les lois et arrêtés antérieurement en vigueur.
Art. 150. De beslissingen door de commissies van openbare onderstand getroffen vóór de inwerkingtreding van deze wet blijven inzake de door de toezichthoudende overheid te verlenen adviezen, machtigingen en goedkeuringen, alsook inzake de tegen die beslissingen openstaande beroepen, onderworpen aan de vóór de inwerkingtreding van deze wet ter zake geldende wetsbepalingen.
Art. 150. Les délibérations prises par les commissions d'assistance publique avant l'entrée en vigueur de la présente loi restent soumises, en ce qui concerne les avis, autorisations et approbations à donner par l'autorité de tutelle et les recours ouverts contre ces décisions, aux dispositions légales qui étaient en vigueur en la matière avant l'entrée en vigueur de la présente loi.
Art. 151. De artikelen 5 tot 23 treden in werking op 1 januari 1977.
  De overige bepalingen van deze wet hebben uitwerking op de dag van de installatie van de raad voor maatschappelijk welzijn volgend op de gemeenteraadsverkiezingen van 10 oktober 1976.
Art. 151. Les articles 5 à 23 entrent en vigueur le 1er janvier 1977.
  Les autres dispositions de la présente loi produisent leurs effets le jour de l'installation du conseil de l'aide sociale suivant les élections communales du 10 octobre 1976.
HOOFDSTUK XIV. [1 - Meldingskanalen en bescherming van personen die een inbreuk melden.]1
CHAPITRE XIV. [1 - Des canaux de signalement et de la protection des personnes qui signalent une violation.]1
Afdeling 1. [1 Doel, begripsomschrijving en toepassingsgebied]1
Section 1re. [1 - Objet, définitions et champs d'application.]1
Art. 152. [1 Bij dit hoofdstuk wordt richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, omgezet voor wat betreft de diensten en organen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de verenigingen die onder het toepassingsgebied vallen van hoofdstuk XII.]1
  
Art. 152. [1 Le présent chapitre transpose la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, en ce qui concerne les services et organes des centres publics d'action sociale et des associations régies par le chapitre XII.]1
  
Art. 153. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
   1° inbreuken :
   a) handelingen of nalatigheden van een personeelslid van een dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bij de uitoefening van zijn functie, of van het orgaan, die :
   1) onrechtmatig zijn en betrekking hebben op de Uniehandelingen en beleidsterreinen die binnen het in richtlijn 2019/1937 bedoelde materiële toepassingsgebied vallen, of
   2) het doel of de toepassing ondermijnen van de regels in de beleidsterreinen die binnen het in richtlijn (EU) 2019/1937 bedoelde materiële toepassingsgebied vallen of;
   3) in strijd zijn met Europese, wettelijke, decretale en regelgevende bepalingen die van toepassing zijn onder de nationale wetgeving of;
   4) een onaanvaardbaar risico inhouden voor het leven, de gezondheid of de veiligheid van de mens of voor het milieu, zoals bij decreet bepaald;
   b) opdragen of adviseren aan een personeelslid om een inbreuk als bedoeld onder a) te begaan
   c) geen betrekking hebben op handelingen of nalatigheden die uitsluitend de individuele rechten van een personeelslid raken en waarvoor andere meldingskanalen of -procedures bestaan, zoals morele of seksuele intimidatie op het werk beschermd door de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk of discriminatie in de zin van het decreet van 6 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;
   d) geen betrekking hebben op zuiver interpersoonlijke conflicten;
   2° informatie over inbreuken: informatie, waaronder redelijke vermoedens, over feitelijke of mogelijke inbreuken, die hebben plaatsgevonden of zeer waarschijnlijk zullen plaatsvinden binnen de openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of het orgaan waar de melder werkt of heeft gewerkt, alsmede over pogingen tot verhulling van dergelijke inbreuken;
   3° personeelslid: een statutair personeelslid of een werknemer met een arbeidsovereenkomst, met inbegrip van personen die uit hoofde van hun statuut of beroep belast zijn met de toevertrouwde geheimen, met inbegrip van vakbondsafgevaardigden;
   4° dienst van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn : de administratie van het OCMW, de diensten die afhankelijk zijn van het OCMW of het secretariaat van de voorzitter van het OCMW;
   5° orgaan : de raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau en de leden van deze organen;
   6° melding of melden: het mondeling of schriftelijk verstrekken van informatie over inbreuken;
   7° interne melding: de mondelinge of schriftelijke mededeling van informatie over inbreuken aan de integriteitsreferent;
   8° integriteitsreferent: het personeelslid van de gemeentebestuur dat is aangesteld om interne meldingen te ontvangen, te onderzoeken en op te volgen overeenkomstig afdeling 2;
   9° externe melding: de mondelinge of schriftelijke mededeling van informatie over inbreuken aan de bevoegde autoriteit inzake integriteit;
   10° bevoegde autoriteit inzake integriteit: de dienst die door de Regering is aangeduid om externe waarschuwingen te ontvangen, te onderzoeken en op te volgen overeenkomstig afdeling 3;
   11° openbaarmaking of openbaar maken: het publiek toegankelijk maken van informatie over inbreuken;
   12° melder: een natuurlijke persoon die in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten verkregen informatie over inbreuken meldt of openbaar maakt;
   13° facilitator: een natuurlijke persoon die een melder bijstaat in het meldingsproces in een werkgerelateerde context en wiens bijstand vertrouwelijk moet zijn;
   14° werkgerelateerde context: huidige of vroegere arbeidsactiviteiten binnen de diensten bedoeld in de punten 4° en 5° waardoor, ongeacht de aard van die activiteiten, personen informatie kunnen verkrijgen over inbreuken en waarbij die personen te maken kunnen krijgen met represailles indien zij dergelijke informatie zouden melden;
   15° betrokkene: een natuurlijke of rechtspersoon die in de melding of bij de openbaarmaking wordt genoemd als persoon aan wie de inbreuk wordt toegeschreven of met wie die persoon in verband wordt gebracht;
   16° represaille: een directe of indirecte handeling of nalatigheid die in een werkgerelateerde context plaatsvindt naar aanleiding van een interne of externe melding of openbaarmaking, en die tot ongerechtvaardigde benadeling van de melder leidt of kan leiden;
   17° opvolging: optreden van de integriteitsreferent of een de bevoegde autoriteit inzake integriteit om de juistheid van de in de melding gedane beweringen na te gaan en de gemelde inbreuk zo nodig aan te pakken, onder meer via maatregelen zoals een intern vooronderzoek, een onderzoek, vervolging, een terugvordering van middelen of het beëindigen van de procedure;
   18° feedback: het aan de melder verstrekken van informatie over de als opvolging geplande of genomen maatregelen en over de redenen voor die opvolging.]1

  
Art. 153. [1 Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par :
   1° violations :
   a) les actes ou omissions, par un membre du personnel d'un service du centre public d'action sociale dans le cadre de l'exercice de ses fonctions ou par l'organe, qui :
   1) sont illicites et ont trait aux actes de l'Union et aux domaines relevant du champ d'application matériel de la directive (UE) 2019/1937 ou;
   2) vont à l'encontre de l'objet ou de la finalité des règles prévues dans les domaines relevant du champ d'application matériel de la directive (UE) 2019/1937 ou;
   3) vont à l'encontre des dispositions européennes, légales, décrétales et réglementaires applicables en droit interne ou;
   4) impliquent un risque inacceptable pour la vie, la santé ou la sécurité des personnes ou pour l'environnement, tel que défini par arrêté;
   b) le fait d'ordonner ou conseiller sciemment à un membre du personnel de commettre une violation telle que visée au a);
   c) ne visent pas les actes ou omissions qui affectent exclusivement les droits individuels d'un membre du personnel et pour lesquels existent d'autres canaux ou procédures de signalement tels le harcèlement moral ou sexuel au travail protégé par la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail ou la discrimination au sens du décret du 6 novembre 2008 relatif à la lutte contre certaines formes de discrimination;
   d) ne concernent pas les conflits purement interpersonnels;
   2° informations sur des violations : des informations, y compris des soupçons raisonnables, concernant des violations effectives ou potentielles, qui se sont produites ou sont très susceptibles de se produire dans le service du centre public d'action sociale ou l'organe dans lequel l'auteur de signalement travaille ou a travaillé, et concernant des tentatives de dissimulation de telles violations;
   3° membre du personnel : le membre du personnel statutaire ou occupé par un contrat de travail, en ce compris les personnes dépositaires, par état ou par profession, de secrets qu'on leur confie, délégués syndicaux inclus;
   4° service du centre public d'action sociale (CPAS) : l'administration du CPAS, les services dépendant du CPAS, ou le secrétariat du Président du CPAS;
   5° organe : le conseil de l'action sociale, le bureau permanent et les membres de ces organes;
   6° signalement ou signaler : la communication orale ou écrite d'informations sur des violations;
   7° signalement interne : la communication orale ou écrite d'informations sur des violations, effectuée auprès du référent intégrité;
   8° référent intégrité : le membre du personnel interne au service du centre public d'action sociale, désigné pour recevoir, examiner et assurer le suivi des signalements internes conformément à la section 2;
   9° signalement externe : la communication orale ou écrite d'informations sur des violations, effectuée auprès de l'autorité compétente intégrité;
   10° autorité compétente intégrité : le service désigné par le Gouvernement pour recevoir, examiner et assurer le suivi des signalements externes conformément à la section 3;
   11° divulgation publique ou divulguer publiquement : la mise à disposition dans la sphère publique d'informations sur des violations;
   12° auteur de signalement : la personne physique qui signale ou divulgue publiquement des informations sur des violations qu'elle a obtenues dans le cadre de ses activités professionnelles;
   13° facilitateur : la personne physique qui aide un auteur de signalement au cours du processus de signalement dans un contexte professionnel et dont l'aide est confidentielle;
   14° contexte professionnel : les activités professionnelles passées ou présentes au sein des services visés aux 4° et 5° par lesquelles, indépendamment de la nature de ces activités, les personnes obtiennent des informations sur des violations et dans le cadre desquelles ces personnes peuvent faire l'objet de représailles si elles signalent de telles informations;
   15° personne concernée : une personne physique ou morale qui est mentionnée dans le signalement ou la divulgation publique en tant que personne à laquelle la violation est attribuée ou à laquelle cette personne est associée;
   16° représailles : tout acte ou omission direct ou indirect qui intervient dans un contexte professionnel, qui est suscité par un signalement interne ou externe ou une divulgation publique, et qui cause ou peut causer un préjudice injustifié à l'auteur de signalement;
   17° suivi : toute mesure prise par le référent intégrité ou par l'autorité compétente intégrité pour évaluer l'exactitude des allégations formulées dans le signalement et, le cas échéant, pour remédier à la violation signalée, y compris des mesures telles qu'une enquête, des poursuites, une action en recouvrement de fonds ou la clôture de la procédure;
   18° retour d'informations : la communication à l'auteur de signalement d'informations sur les mesures envisagées ou prises au titre de suivi et sur les motifs de ce suivi.]1

  
Art. 154. [1 § 1. Dit hoofdstuk bevat gemeenschappelijke minimumnormen voor de bescherming van melders van de volgende inbreuken:
   1° inbreuken die vallen binnen het toepassingsgebied van de handelingen van de Europese Unie opgesomd in de bijlage bij richtlijn (EU) 2019/1937 en die betrekking hebben op de volgende gebieden:
   a) overheidsopdrachten;
   b) financiële diensten, producten en markten, voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering;
   c) productveiligheid en productconformiteit;
   d) veiligheid van het vervoer;
   e) bescherming van het milieu;
   f) stralingsbescherming en nucleaire veiligheid;
   g) veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid en dierenwelzijn
   h) volksgezondheid;
   i) consumentenbescherming;
   j) bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, en beveiliging van netwerk- en informatiesystemen;
   2° inbreuken waardoor de financiële belangen van de Unie als bedoeld in artikel 325 VWEU en nader toegelicht in relevante Uniemaatregelen worden geschaad;
   3° inbreuken in verband met de interne markt, als bedoeld in artikel 26, lid 2, VWEU, met inbegrip van inbreuken op de Unieregels inzake mededinging en staatssteun;
   4° inbreuken bedoeld in artikel L1219-2, 1°.
   § 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het gebied van de nationale veiligheid, behalve wat betreft meldingen van inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten op defensie- en veiligheidsgebied, voor zover deze regels vallen onder Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG.
   § 3. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan :
   1° de bepalingen met betrekking tot de melding van inbreuken die zijn voorzien in andere wettelijke of reglementaire bepalingen en in rechtstreeks toepasselijke Europese bepalingen, met inbegrip van de bepalingen ter uitvoering daarvan;
   2° de bepalingen van Unie- of nationaal recht met betrekking tot een van de volgende elementen:
   a) de bescherming van gerubriceerde gegevens;
   b) de bescherming van het beroepsgeheim van advocaten en van het medisch beroepsgeheim;
   c) de geheimhouding van rechterlijke beraadslagingen;
   d) strafprocesrecht.
   § 4. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de regels betreffende de uitoefening door de personeelsleden van hun recht om hun vakbondsorganisatie te raadplegen en betreffende hun recht op bescherming tegen ongerechtvaardigde benadeling als gevolg van deze raadpleging.]1

  
Art. 154. [1 § 1er. Le présent chapitre établit des normes minimales communes pour la protection des personnes signalant les violations suivantes :
   1° les violations qui relèvent du champ d'application des actes de l'Union européenne énumérés en annexe de la directive (UE) 2019/1937 et qui concernent les domaines suivants :
   a) les marchés publics;
   b) les services, produits et marchés financiers et prévention du blanchiment et du financement du terrorisme;
   c) la sécurité et la conformité des produits;
   d) la sécurité des transports;
   e) la protection de l'environnement;
   f) la radioprotection et la sûreté nucléaire;
   g) la sécurité des aliments destinés à l'alimentation humaine et animale, la santé et le bien-être des animaux;
   h) la santé publique;
   i) la protection des consommateurs;
   j) la protection de la vie privée et des données à caractère personnel, ainsi que la sécurité des réseaux et des systèmes d'information;
   2° les violations portant atteinte aux intérêts financiers de l'Union visés à l'article 325 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne et précisés dans les mesures pertinentes de l'Union;
   3° les violations relatives au marché intérieur visé à l'article 26, paragraphe 2, du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, y compris les violations des règles de l'Union en matière de concurrence et d'aides d'Etat;
   4° les violations visées à l'article 153, 1°.
   § 2. Le présent chapitre ne s'applique pas au domaine de la sécurité nationale sauf en ce qui concerne les signalements de violations portant sur des règles relatives aux marchés publics dans les domaines de la défense et de la sécurité dans la mesure où ces règles sont régies par la directive 2009/81/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 relative à la coordination des procédures de passation de certains marchés de travaux, de fournitures et de services par les pouvoirs adjudicateurs ou entités adjudicatrices dans les domaines de la défense et de la sécurité, et modifiant les directives 2004/17/CE et 2004/18/CE.
   § 3. Le présent chapitre ne porte pas atteinte :
   1° aux dispositions relatives au signalement de violations qui sont prévues par d'autres dispositions légales ou réglementaires ainsi que les dispositions européennes directement applicables, en ce compris les dispositions adoptées en exécution de celles-ci;
   2° aux dispositions du droit de l'Union ou du droit national concernant l'un ou l'autre des éléments suivants :
   a) la protection des informations classifiées;
   b) la protection du secret professionnel des avocats et du secret médical;
   c) le secret des délibérations judiciaires;
   d) les règles en matière de procédure pénale.
   § 4. Le présent chapitre n'affecte pas les règles relatives à l'exercice par les membres du personnel de leur droit de consulter leur organisation syndicale et à la protection contre toute mesure préjudiciable injustifiée suscitée par une telle consultation.]1

  
Art. 155. [1 § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op een melder die voor een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn werkt en die informatie over inbreuken heeft verkregen in een professionele context, d.w.z. :
   1° het personeelslid dat in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten verkregen informatie over inbreuken meldt of openbaar maakt;
   2° elke natuurlijke persoon, met inbegrip van ten minste de hieronder bedoelde personen, die informatie over inbreuken meldt die hij in een professionele context heeft verkregen bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of orgaan :
   a) de stagiair, d.w.z. de persoon die, zonder een personeelslid te zijn, een bezoldigde of onbezoldigde stage uitvoert;
   b) de vrijwilliger, d.w.z. de persoon die, zonder personeelslid te zijn, onbezoldigde activiteiten uitvoert in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers.
   § 2 Dit hoofdstuk is ook van toepassing op een melder, indien hij informatie over inbreuken die is verkregen in een beëindigde werkrelatie melden of openbaar maken.
   § 3 De in afdeling 5 vervatte maatregelen ter bescherming van melders zijn, in voorkomend geval, tevens van toepassing op:
   1° facilitatoren;
   2° derden die verbonden zijn met de melder en die het risico lopen op represailles in een professionele context, zoals collega's of familieleden van de melder.]1

  
Art. 155. [1 § 1er. Le présent chapitre s'applique à l'auteur de signalement travaillant au sein d'un centre public d'action sociale qui a obtenu des informations sur des violations dans un contexte professionnel, à savoir :
   1° le membre du personnel qui signale ou divulgue publiquement des informations sur des violations qu'il a obtenues dans le cadre de ses activités professionnelles;
   2° toute personne physique, y compris au moins celles visées ci-après, qui signale des informations sur des violations qu'elle a obtenues dans un contexte professionnel avec le service du centre public d'action sociale ou avec l'organe :
   a) le stagiaire, soit la personne qui, sans être membre du personnel, effectue un stage rémunéré ou non;
   b) le bénévole, soit la personne qui, sans être membre du personnel, effectue des activités non rémunérées au sens de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires.
   § 2. Le présent chapitre s'applique également à l'auteur de signalement lorsqu'il signale ou divulgue publiquement des informations sur des violations obtenues dans le cadre d'une relation de travail qui a pris fin.
   § 3. Les mesures de protection de l'auteur de signalement énoncées à la section 5 s'appliquent également, le cas échéant, aux :
   1° facilitateurs;
   2° tiers qui sont en lien avec l'auteur de signalement et qui risquent de faire l'objet de représailles dans un contexte professionnel, tels que des collègues ou des proches de l'auteur de signalement.]1

  
Afdeling 2. [1 Interne meldingskanalen en -procedures]1
Section 2. [1 Canaux et procédures de signalement interne]1
Art. 156. [1 § 1. Elke administratie van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met tienduizend of meer inwoners heeft ten minste één integriteitsreferent.
   § 2. Elk personeelslid van niveau A of, bij gebrek daaraan, niveau B kan na een interne oproep worden aangesteld als integriteitsreferent in overeenstemming met de gemeentelijke statuten en reglementen.
   Als er zich na de interne oproep geen kandidaat meldt, is de integriteitsreferent de adjunct-directeur-generaal of, als die er niet is, de directeur-generaal.
   § 3. De functiebeschrijving van de integriteitsreferent is overeengekomen met de representatieve vakbonden.
   § 4. Dezelfde integriteitsreferent van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan worden gedeeld met een of meer openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verenigingen die vallen onder hoofdstuk XII of lokale overheden zoals bedoeld in artikel L1219-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.
   § 5 Het bestaan, de identiteit, de beschikbaarheid, de toegankelijkheid en de opdracht van de integriteitsreferent, evenals de vertrouwelijkheidsregels, worden ter kennis gebracht van de personeelsleden en hun vertegenwoordigers, alsook van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau, en de diensten die vallen onder het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
   § 6. Duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie over interne en externe meldingskanalen en procedures wordt beschikbaar gesteld aan alle personen die onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen.]1

  
Art. 156. [1 § 1er. Chaque administration du centre public d'action sociale d'une commune de dix mille habitants ou plus dispose d'au moins un référent intégrité.
   § 2. Tout membre du personnel de niveau A ou, à défaut, de niveau B peut être désigné référent intégrité conformément aux statuts et règlements du centre public d'action sociale, après le lancement d'un appel interne.
   Si aucun candidat ne se porte volontaire suite à l'appel interne, le référent intégrité sera le directeur général adjoint ou, à défaut, le directeur général.
   § 3. La description de fonction du référent intégrité est concertée avec les organisations syndicales représentatives.
   § 4. Le référent intégrité du centre public d'action sociale peut être mutualisé avec un ou plusieurs centres publics d'action sociales, associations régies par le chapitre XII ou autorités locales visées à l'article L1219-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.
   § 5. L'existence, l'identité, la disponibilité, l'accessibilité et la mission du référent intégrité ainsi que les règles de confidentialité sont portées à la connaissance des membres du personnel et de leurs représentants, ainsi qu'au conseil de l'action sociale, au bureau permanent, et aux services dépendant du centre public d'action sociale.
   § 6. Des informations claires et facilement accessibles concernant les canaux et les procédures de signalement internes et externes sont mises à disposition de toutes les personnes entrant dans le champ d'application du présent chapitre.]1

  
Art. 157. [1 § 1. De integriteitsreferent heeft als opdracht :
   1° luisteren, informeren en adviseren van mensen die overwegen te melden, van mensen die gemeld hebben of van mensen die het melden vergemakkelijkt hebben;
   2° het ontvangen, onderzoeken van alle meldingen en, indien nodig, het behandelen;
   3° opvolging informatie overeenkomstig deze afdeling;
   4° de communicatie met de melder onderhouden en, indien nodig, nadere informatie opvragen en feedback geven;
   5° informatie verstrekken over het bestaan van en de voorwaarden voor externe melding.
   § 2 Als er meerdere integriteitsreferenten zijn, is het mogelijk om aan te geven dat degene die bevoegd is om de meldingen op te volgen niet degene is die de meldingen ontvangt, die de communicatie met de melder onderhoudt en, indien nodig, om nadere informatie vraagt en feedback geeft.]1

  
Art. 157. [1 § 1er. Le référent intégrité a pour mission :
   1° d'écouter, d'informer et de conseiller les personnes qui envisagent de signaler, les auteurs de signalement ou les facilitateurs;
   2° de recevoir, d'examiner tout signalement et, le cas échéant, de l'instruire;
   3° d'assurer le suivi d'informations conformément à la présente section;
   4° de maintenir la communication avec l'auteur de signalement et, si nécessaire, lui demander d'autres informations et lui fournir un retour d'informations;
   5° d'informer de l'existence et des conditions pour recourir au signalement externe.
   § 2. S'il y a plusieurs référents intégrité, il est possible de préciser que celui qui est compétent pour assurer le suivi des signalements n'est pas celui qui reçoit les signalements, qui maintiendra la communication avec l'auteur de signalement et, si nécessaire, qui demandera d'autres informations et lui fournira un retour d'informations.]1

  
Art. 158. [1 De integriteitsreferent voert zijn opdrachten onafhankelijk en onpartijdig uit.
   Hiervoor biedt de raad voor maatschappelijk welzijn of het vast bureau als de bevoegdheid aan hem is gedelegeerd, de nodige garanties:
   1° door hem te beschermen tegen ongepaste beïnvloeding of druk, van welke aard ook, rechtstreeks of onrechtstreeks, en in het bijzonder tegen druk om informatie te verkrijgen die verband houdt of kan houden met de uitoefening van zijn functie;
   2° door hem de nodige middelen ter beschikking te stellen om zijn taken in alle vertrouwelijkheid te kunnen uitvoeren;
   3° door hem toe te laten alle contacten te onderhouden die nodig zijn voor de uitoefening van zijn opdrachten;
   4° door hem in staat te stellen de vaardigheden en kennis te verwerven of te verbeteren die nodig zijn voor de uitvoering van zijn functie, door middel van opleiding.]1

  
Art. 158. [1 Le référent intégrité exerce sa mission de manière indépendante et impartiale.
   A cette fin, le conseil de l'action sociale ou le bureau permanent si celui-ci s'est vu déléguer la compétence, lui assure les garanties nécessaires :
   1° en le protégeant contre toutes influences ou pressions inappropriées de toute personne et de quelque manière que ce soit, directement ou indirectement, en particulier contre toute pression visant à obtenir des informations concernant ou pouvant concerner l'exercice de sa fonction;
   2° en mettant les moyens nécessaires à sa disposition afin qu'il puisse exercer sa fonction de façon entièrement confidentielle;
   3° en lui permettant d'entretenir tous les contacts nécessaires à l'exercice de sa fonction;
   4° en lui permettant d'acquérir ou d'améliorer les compétences et les connaissances nécessaires à l'exercice de sa fonction, par le biais de formations.]1

  
Art. 159. [1 De integriteitsreferent is niet onderworpen aan represailles die geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op acties die hij tijdens de uitoefening van zijn functie heeft ondernomen, met inbegrip van bedreigingen of pogingen tot represailles.
   De in lid 1 bedoelde represailles zijn met name voor zover zij geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op handelingen die zijn verricht in het kader van de functie van integriteitreferent :
   1° ontslag;
   2° disciplinaire maatregelen;
   3° elke negatieve beoordeling als onderdeel van een procedure die hem in staat stelt vooruitgang te boeken in zijn loopbaan;
   4° overdracht van taken of verandering van locatie van de arbeidsplaats;
   5° weigering of onthouden van opleidingen
   6° een negatieve beoordeling of een negatieve evaluatie van de feiten met betrekking tot de melding;
   7° dwang, intimidatie, pesterijen of uitsluiting;
   8° elke vorm van discriminatie, nadelige of oneerlijke behandeling.]1

  
Art. 159. [1 Le référent intégrité ne subit aucunes représailles fondées totalement ou partiellement sur les actes posés dans le cadre de l'exercice de sa fonction, en ce compris les menaces ou tentatives de représailles.
   Les représailles visées à l'alinéa 1er sont, notamment, pour autant qu'elles soient fondées totalement ou partiellement sur les actes posés dans le cadre de la fonction de référent intégrité :
   1° le licenciement;
   2° les mesures disciplinaires;
   3° toute appréciation négative dans le cadre de toute procédure lui permettant une avancée barémique dans sa carrière;
   4° le transfert de fonctions ou le changement de lieu de travail;
   5° le refus ou la suspension des formations;
   6° une évaluation négative ou faisant état d'une appréciation négative des faits liés au signalement;
   7° la coercition, intimidation, harcèlement ou ostracisme;
   8° toute discrimination, traitement désavantageux ou injuste.]1

  
Art. 160. [1 § 1. Elk personeelslid dat in een professionele context informatie verkrijgt over een inbreuk die is begaan of wordt begaan, kan dit onmiddellijk melden aan zijn hiërarchische meerdere. Als hij het gepaster vinden, kan hij de integriteitsreferent rechtstreeks op de hoogte brengen.
   Een voormalig personeelslid, d.w.z. een persoon die niet langer in dienst is, een stagiair, d.w.z. een persoon die, zonder personeelslid te zijn, een betaalde of onbetaalde stage loopt, of een vrijwilliger, d.w.z. een persoon die, zonder personeelslid te zijn, onbetaalde activiteiten uitvoert in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, die in een professionele context informatie verkrijgt over een inbreuk die gepleegd is of gepleegd wordt, kan dit melden aan de directeur-generaal wanneer hij niet de integriteitsreferent is. Als hij het gepaster vinden, kan hij de integriteitsreferent rechtstreeks op de hoogte brengen.
   § 2. De hiërarchische meerdere of de directeur-generaal, indien hij niet de integriteitsreferent is, die een melding ontvangt, stuurt het dossier onmiddellijk ongewijzigd door naar de integriteitsreferent.
   In het in lid 1 bedoelde geval eerbiedigt de hiërarchische meerdere of de directeur-generaal de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder en van elke persoon die in de melding wordt genoemd of ermee in verband wordt gebracht.
   § 3. Er wordt geen rekening gehouden met anonieme meldingen.]1

  
Art. 160. [1 § 1er. Le membre du personnel qui obtient, dans un contexte professionnel, des informations sur une violation commise ou en voie d'être commise, peut le signaler immédiatement à son supérieur hiérarchique. S'il l'estime plus judicieux, il peut le signaler directement au référent intégrité.
   L'ancien membre du personnel, soit la personne qui n'est plus en service, le stagiaire, soit la personne qui, sans être membre du personnel effectue un stage rémunéré ou non, ou le bénévole, soit la personne qui, sans être membre du personnel, effectue des activités non rémunérées au sens de la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires, qui obtient dans un contexte professionnel des informations sur une violation commise ou en voie d'être commise, peut le signaler au Directeur général lorsqu'il n'est pas le référent intégrité. S'il l'estime plus judicieux, il peut le signaler directement au référent intégrité.
   § 2. Le supérieur hiérarchique ou le Directeur général, lorsqu'il n'est pas le référent intégrité, qui réceptionne un signalement assure immédiatement la transmission du dossier sans modification au référent intégrité.
   Dans le cas visé à l'alinéa 1er, le supérieur hiérarchique ou le Directeur général respecte la confidentialité de l'identité de l'auteur de signalement ainsi que de toute personne qui y est mentionnée ou liée.
   § 3. Les signalements anonymes ne sont pas pris en compte.]1

  
Art. 161. [1 De melding aan de integriteitsreferent wordt schriftelijk en/of mondeling ingediend.
   Mondelinge melding is mogelijk via de telefoon of via andere spraakberichtsystemen, en op verzoek van de melder door middel van een fysieke ontmoeting binnen een redelijke termijn.
   Als de melding mondeling gebeurt, wordt er een verslag opgesteld door de integriteitsreferent. De melder krijgt ook de kans om het verslag van het gesprek te controleren en te corrigeren. Het verslag wordt door de melder ondertekend.
   Een bevestiging van ontvangst van de melding wordt aan de melder gestuurd, uiterlijk binnen zeven dagen na ontvangst van de melding.]1

  
Art. 161. [1 Le signalement au référent intégrité est introduit par écrit ou oralement, ou les deux.
   Il est possible d'effectuer des signalements oralement par téléphone ou via d'autres systèmes de messagerie vocale et, sur demande de l'auteur de signalement, par le biais d'une rencontre en personne dans un délai raisonnable.
   Si le signalement est introduit de manière orale, un procès-verbal est établi par le référent intégrité. Il est également donné la possibilité à l'auteur de signalement de vérifier et de rectifier le procès-verbal de la conversation. Le procès-verbal est signé par l'auteur de signalement.
   Un accusé de réception du signalement est adressé à l'auteur de signalement au plus tard dans les sept jours à dater de la réception du signalement.]1

  
Art. 162. [1 § 1. De integriteitsreferent gaat na of de melding ontvankelijk is onder de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden en of de melder te goeder trouw handelt.
   De melder wordt op de hoogte gesteld van de ontvankelijkheid van zijn melding.
   De melding is onontvankelijk:
   1° als de integriteitsreferent onbevoegd is;
   2° als de identiteit van de melder onbekend is, aangezien anonieme meldingen van een vermoedelijke inbreuk niet in aanmerking worden genomen;
   3° als de melder te kwader trouw handelt;
   4° in het geval van herhaalde meldingen die geen significante nieuwe informatie bevatten met betrekking tot een eerdere, afgesloten melding.
   Een persoon die te goeder trouw handelt, is iemand die redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de informatie die over inbreuken werd gerapporteerd, waar was op het moment dat de melding werd gedaan en dat deze informatie binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt.
   § 2. Als de integriteitsreferent over voldoende aanwijzingen beschikt om te concluderen dat hij kennis heeft gekregen van een misdaad of misdrijf, past hij onverwijld de procedure van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering toe.
   § 3. Indien een melding niet ontvankelijk is of artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, stelt de integriteitsreferent de melder en de directeur-generaal daarvan schriftelijk in kennis.
   Als blijkt dat de directeur-generaal direct of indirect betrokken is, informeert de integriteitsreferent schriftelijk de raad of, indien dit is gedelegeerd, het vast bureau. In het laatste geval is de directeur-generaal niet aanwezig bij de vergadering van de raad of het vast bureau waarop deze informatie wordt besproken.
   Als blijkt dat de directeur-generaal, die direct of indirect betrokken is, de rol van integriteitsreferent op zich heeft genomen, neemt de melder rechtstreeks contact op met de raad of, indien dit is gedelegeerd, het vast bureau en, indien nodig, met de bevoegde autoriteit inzake integriteit.
   Indien het voorwerp van de vastgestelde of de vermoede inbreuk of de status van de betrokken persoon een gebrek aan vertrouwelijkheid of waarborging van onafhankelijkheid bij de behandeling van de melding met zich meebrengt, zendt de integriteitsreferent het dossier door naar de bevoegde autoriteit inzake integriteit.]1

  
Art. 162. [1 § 1er. Le référent intégrité vérifie la recevabilité du signalement au regard des conditions fixées par le présent chapitre ainsi que la bonne foi de l'auteur de signalement.
   L'auteur de signalement est informé de la recevabilité de son signalement.
   Le signalement est irrecevable :
   1° si le référent intégrité est incompétent;
   2° si l'identité de l'auteur de signalement est inconnue puisque les signalements anonymes d'une violation suspectée ne sont pas pris en compte;
   3° si l'auteur de signalement est de mauvaise foi;
   4° en cas de signalements répétitifs qui ne contiennent aucune nouvelle information significative relative à un signalement antérieur clôturé.
   Est de bonne foi, la personne qui a des motifs raisonnables de croire que les informations signalées sur les violations étaient véridiques au moment du signalement et que ces informations entrent dans le champ d'application du présent chapitre.
   § 2. Si le référent intégrité dispose de suffisamment d'éléments pour pouvoir conclure qu'il a acquis la connaissance d'un crime ou d'un délit, il applique sans délai la procédure prévue à l'article 29 du Code d'instruction criminelle.
   § 3. En cas d'irrecevabilité ou d'application de l'article 29 du Code d'instruction criminelle, le référent intégrité en informe par écrit l'auteur de signalement ainsi que le directeur général.
   S'il apparaît que le directeur général est impliqué directement ou indirectement, le référent intégrité en informe par écrit le conseil, ou en cas de délégation, le bureau permanent. Dans ce dernier cas, le directeur général n'est pas présent à la séance du conseil ou du bureau permanent au cours de laquelle cette information est abordée.
   S'il apparaît que le directeur général qui est impliqué directement ou indirectement, assume la mission de référent intégrité, l'auteur de signalement s'adresse directement au conseil, ou en cas de délégation le bureau permanent, et, le cas échéant, à l'autorité compétente intégrité.
   S'il apparaît, en raison de l'objet de la violation constatée ou suspectée, ou de la qualité de la personne concernée, un manque de confidentialité ou de garantie d'indépendance quant au traitement du signalement, le référent intégrité transmet son dossier à l'autorité compétente intégrité.]1

  
Art. 163. [1 § 1. Als de melding ontvankelijk is, voert de integriteitsreferent een onderzoek uit.
   Opneming en onderzoek van een melding schort de verjaringstermijn of een lopende administratieve of gerechtelijke procedure met betrekking tot dezelfde feiten niet op, noch onderbreekt deze.
   In het geval van een gerechtelijk onderzoek naar de ingediende melding, schort de integriteitsreferent zijn onderzoek op.
   § 2. De integriteitsreferent past de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toe en eerbiedigt de rechten van de verdediging.
   § 3. De integriteitsreferent stelt de bij de melding betrokken persoon in de gelegenheid zijn of haar argumenten naar voren te brengen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten, indien hij over voldoende informatie beschikt om te kunnen concluderen dat er sprake is van een inbreuk, nadat hij of zij de documenten en informatie heeft ontvangen die hij noodzakelijk acht. In dit stadium waarborgt zij de anonimiteit van deze persoon.]1

  
Art. 163. [1 § 1er. Lorsque le signalement est recevable, le référent intégrité procède à son enquête.
   L'introduction et l'enquête du signalement ne suspendent pas et n'interrompent pas les délais de prescription ou de recours administratifs ou judiciaires en cours pour les mêmes faits.
   En cas d'information ou d'instruction judiciaire qui concerne le signalement soumis, le référent intégrité suspend son enquête.
   § 2. Le référent intégrité applique les principes généraux de bonne administration et respecte les droits de la défense.
   § 3. Le référent intégrité donne la possibilité à la personne concernée par le signalement de faire valoir utilement ses arguments sur les faits reprochés, s'il dispose de suffisamment d'éléments pour pouvoir conclure à l'existence d'une violation, après avoir reçu les documents et renseignements qu'il estime nécessaires. Il veille, à ce stade, à garantir l'anonymat de cette personne.]1

  
Art. 164. [1 § 1. De integriteitsreferent kan ter plaatse opmerkingen maken, documenten en informatie opvragen die hij nodig acht en belangstellenden horen.
   Hij kan verplichte termijnen opleggen voor antwoorden aan betrokkenen aan wie hij vragen stelt.
   § 2. Artikel 458 van het strafwetboek is van toepassing op de integriteitsreferent.
   Het geheime of vertrouwelijke karakter van de opgevraagde documenten kan de verzoeker niet worden tegengeworpen, behalve in zaken van beroepsgeheim van advocaten, medisch geheim en geheimhouding van gerechtelijke beraadslagingen, alsmede in zaken van geheimhouding die verband houden met de landsverdediging, de staatsveiligheid of het buitenlands beleid.
   Elk personeelslid dat wordt geraadpleegd in het kader van het onderzoek van de integriteitsreferent is vrijgesteld van elke geheimhoudingsplicht.]1

  
Art. 164. [1 § 1er. Le référent intégrité peut faire toute constatation sur place, se faire communiquer tous les documents et renseignements qu'il estime nécessaires et entendre toutes les personnes intéressées.
   Il peut imposer des délais impératifs de réponse aux personnes concernées auxquelles il adresse des questions.
   § 2. L'article 458 du Code pénal est applicable au référent intégrité.
   Le caractère secret ou confidentiel des pièces dont il demande la communication ne peut lui être opposé, sauf en matière de secret professionnel des avocats, du secret médical et du secret des délibérations judiciaires ainsi qu'en matière de secret concernant la défense nationale, de sûreté de l'Etat ou de politique extérieure.
   Tout membre du personnel consulté dans le cadre de l'enquête menée par le référent intégrité est relevé de toute obligation de secret professionnel.]1

  
Art. 165. [1 § 1. Aan het einde van het onderzoek stuurt de integriteitsreferent de directeur-generaal, of de raad, of, indien dit is gedelegeerd, het vast bureau, in het geval bedoeld in artikel 162, § 3, tweede lid, een gedetailleerd verslag, eventueel vergezeld van aanbevelingen aan de betrokkene.
   Tenzij zijn opdracht is opgeschort, overeenkomstig artikel L1219-12, § 1, lid 3, stelt de integriteitsreferent de melder binnen drie maanden na de ontvangstbevestiging van de interne melding, of bij ontbreken van een ontvangstbevestiging aan de melder, binnen drie maanden na het verstrijken van de termijn van zeven dagen volgend op de melding, in kennis van het gevolg dat aan zijn interne melding is gegeven.
   In een met redenen omkleed besluit kan de integriteitsreferent de in lid 2 bedoelde termijn met drie maanden verlengen. De melder wordt van deze beslissing op de hoogte gesteld.
   § 2. Dit verslag bevat de beslissing van de integriteitsreferent :
   1° om de afwezigheid of het bestaan van een inbreuk vast te stellen;
   2° aan de directeur-generaal, of aan de raad of het vast bureau in het geval bedoeld in artikel 162, § 3, tweede lid, elke aanbeveling en, in voorkomend geval, elk voorstel te richten om de vastgestelde inbreuk te verhelpen;
   3° aan de bevoegde lokale overheid voor te stellen om een tucht- of ontslagprocedure in te leiden tegen het personeelslid dat een inbreuk heeft gepleegd.]1

  
Art. 165. [1 § 1er. Au terme de l'enquête, le référent intégrité adresse au directeur général, ou au conseil, ou en cas de délégation au bureau permanent, dans le cas prévu à l'article 162, § 3, alinéa 2, un rapport circonstancié accompagné, le cas échéant, de recommandations à destination de la personne concernée.
   Sauf si sa mission est suspendue, conformément à l'article 163, § 1er, alinéa 3, le référent intégrité informe l'auteur de signalement de la suite donnée à son signalement interne dans les trois mois à compter de l'accusé de réception du signalement, ou à défaut d'accusé de réception envoyé à l'auteur de signalement, trois mois à compter de l'expiration de la période de sept jours suivant le signalement.
   Par décision motivée, le référent intégrité peut prolonger le délai visé à l'alinéa 2 pour une durée de trois mois. L'auteur de signalement est informé de cette décision.
   § 2. Ce rapport comporte la décision du référent intégrité :
   1° de constater l'absence ou l'existence d'une violation;
   2° d'adresser au directeur général, ou au conseil ou au bureau permanent dans le cas visé à l'article 162, § 3, alinéa 2, toute recommandation et, le cas échéant, toute proposition tendant à remédier à la violation constatée;
   3° de proposer à l'autorité locale compétente d'initier une procédure disciplinaire ou de licenciement à l'encontre du membre du personnel ayant commis une violation.]1

  
Afdeling 3. [1 Externe meldingskanalen en -procedures]1
Section 3. [1 Canaux et procédures de signalement externe]1
Art. 166. [1 § 1. Het externe meldingskanaal voor vastgestelde of vermoede inbreuken binnen de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of orgaan wordt opgezet met de bevoegde autoriteit inzake integriteit.
   § 2. De bevoegde overheid integriteit beschikt over de nodige middelen om haar opdracht uit te voeren.
   § 3. De personeelsleden die door de bevoegde autoriteit inzake integriteit zijn aangewezen om meldingen in ontvangst te nemen en te verwerken, zijn met name verantwoordelijk voor :
   1° het verstrekken van informatie over de meldingsprocedures aan elke geïnteresseerde persoon;
   2° het ontvangen en opvolgen van meldingen overeenkomstig deze afdeling;
   3° contact onderhouden met de melder om feedback te geven en indien nodig nadere informatie op te vragen.
   De in lid 1 bedoelde personeelsleden krijgen een specifieke opleiding voor de verwerking van meldingen.]1

  
Art. 166. [1 § 1er. Le canal de signalement externe pour les violations constatées ou suspectées au sein des services du centre public d'action sociale ou de l'organe est institué auprès de l'autorité compétente intégrité.
   § 2. L'autorité compétente intégrité dispose des ressources nécessaires pour exercer sa mission.
   § 3. Les membres du personnel désignés par l'autorité compétente intégrité pour recevoir et traiter des signalements, sont chargés notamment d'assurer :
   1° la mise à disposition de toute personne intéressée d'informations au sujet des procédures de signalement;
   2° la réception et le suivi des signalements conformément à la présente section;
   3° le maintien et le contact avec l'auteur du signalement dans le but de lui fournir un retour d'informations et de lui demander d'autres informations si nécessaire.
   Les membres du personnel, visés à l'alinéa 1er, reçoivent une formation spécifique aux fins du traitement des signalements.]1

  
Art. 167. [1 De bevoegde autoriteit inzake integriteit voert haar opdracht onafhankelijk en autonoom uit.
   Het wordt op zodanige wijze georganiseerd dat de volledigheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de informatie gewaarborgd zijn en dat onbevoegd personeel van de bevoegde autoriteit geen toegang heeft tot deze informatie.
   Het maakt het mogelijk om informatie op lange termijn op te slaan in overeenstemming met artikel 182 om verder onderzoek mogelijk te maken.]1

  
Art. 167. [1 L'autorité compétente intégrité exerce sa mission de manière indépendante et autonome.
   Elle est organisée de manière à garantir l'exhaustivité, l'intégrité et la confidentialité des informations et à empêcher l'accès à ces informations aux membres du personnel de l'autorité compétente intégrité non autorisés.
   Elle permet le stockage durable d'informations conformément à l'article 182 afin de permettre que des enquêtes complémentaires soient menées.]1

  
Art. 168. [1 De bevoegde autoriteit inzake integriteit publiceert in een afzonderlijk, gemakkelijk herkenbaar en toegankelijk gedeelte van haar website ten minste de volgende informatie:
   1° de voorwaarden om bescherming te genieten krachtens dit hoofdstuk;
   2° de nodige contactgegevens voor externe meldingskanalen, in het bijzonder e-mail- en postadressen, en de telefoonnummers van deze kanalen, waarbij wordt aangegeven of telefoongesprekken al dan niet worden opgenomen;
   3° de procedures die van toepassing zijn op de melding van inbreuken, met inbegrip van de wijze waarop de bevoegde autoriteit inzake integriteit de melder kan verzoeken de gemelde informatie te verduidelijken of aanvullende informatie te verstrekken, de termijn voor het geven van feedback, alsook het soort feedback en de inhoud ervan;
   4° de vertrouwelijkheidsregeling die van toepassing is op waarschuwingen, en in het bijzonder informatie over de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, de artikelen 5 en 13 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 13 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel 15 van Verordening (EU) 2018/1725, voor zover van toepassing;
   5° de aard van de opvolging die aan meldingen moet worden gegeven;
   6° de rechtsmiddelen en procedures met betrekking tot de bescherming tegen represailles en de mogelijkheid voor personen die overwegen een melding te doen om vertrouwelijk advies te krijgen;
   7° een mededeling waarin duidelijk wordt uitgelegd onder welke voorwaarden de aansprakelijkheid van personen die een melding doen aan de bevoegde autoriteit inzake integriteit niet in het geding is wegens een inbreuk op de vertrouwelijkheid overeenkomstig artikel L1219-29, maar ook in welke gevallen deze aansprakelijkheid in het geding kan komen indien de melding niet in overeenstemming met de geldende voorschriften is gedaan.]1

  
Art. 168. [1 L'autorité compétente intégrité publie, dans une section distincte, aisément identifiable et accessible de son site internet, au moins les informations suivantes :
   1° les conditions pour bénéficier d'une protection au titre du présent chapitre;
   2° les coordonnées nécessaires des canaux de signalement externe, en particulier les adresses électroniques et postales, et les numéros de téléphone de ces canaux, en indiquant si les conversations téléphoniques sont enregistrées ou non;
   3° les procédures applicables au signalement de violations, y compris la manière dont l'autorité compétente intégrité peut demander à l'auteur de signalement de clarifier les informations signalées ou de fournir des informations supplémentaires, le délai pour fournir un retour d'informations, ainsi que le type de retour d'informations et son contenu;
   4° le régime de confidentialité applicable aux signalements, et en particulier les informations relatives au traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 17 de la directive (UE) 2019/1937 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2019 sur la protection des personnes qui signalent des violations du droit de l'Union, aux articles 5 et 13 du Règlement (UE) 2016/679, à l'article 13 de la directive (UE) 2016/680 et à l'article 15 du Règlement (UE) 2018/1725, selon le cas;
   5° la nature du suivi à assurer en ce qui concerne les signalements;
   6° les recours et les procédures relatives à la protection contre les représailles et la possibilité pour les personnes qui envisagent d'effectuer un signalement de recevoir des conseils confidentiels;
   7° une notice expliquant clairement les conditions dans lesquelles la responsabilité des personnes qui effectuent un signalement auprès de l'autorité compétente intégrité ne serait pas engagée du fait d'une violation de la confidentialité en vertu de l'article 180 mais aussi les cas où cette responsabilité pourrait être engagée si le signalement n'est pas fait dans le respect de la réglementation en vigueur.]1

  
Art. 169. [1 § 1. Vastgestelde of vermoede inbreuken binnen de diensten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of orgaan worden ingediend bij de bevoegde autoriteit inzake integriteit door:
   1° de integriteitsreferent;
   2° de melder bedoeld in artikel L1219-4 in de volgende gevallen :
   a) er is binnen de voorgeschreven termijn geen passende actie ondernomen naar aanleiding van de interne melding;
   b) hij, vanwege het voorwerp van de vastgestelde of vermoede inbreuk of vanwege de hoedanigheid van de betrokkene, kan vrezen dat de vertrouwelijkheid of de garantie van onafhankelijkheid bij de behandeling van de interne melding in het gedrang komt;
   c) bij afwezigheid van een integriteitsreferent.
   § 2. Er wordt geen rekening gehouden met anonieme meldingen.]1

  
Art. 169. [1 § 1er. Des violations constatées ou suspectées au sein des services du centre public d'action sociale ou de l'organe peuvent être introduites auprès de l'autorité compétente intégrité par :
   1° le référent intégrité;
   2° l'auteur de signalement visé à l'article 155 dans les hypothèses suivantes :
   a) aucune mesure appropriée n'a été prise en réponse à son signalement interne dans le délai prescrit;
   b) il peut craindre, en raison de l'objet de la violation constatée ou suspectée ou de la qualité de la personne concernée, un manque de confidentialité ou de garantie d'indépendance quant au traitement du signalement interne;
   c) en l'absence de référent intégrité.
   § 2. Les signalements anonymes ne sont pas pris en compte.]1

  
Art. 170. [1 § 1. De melder maakt een schriftelijke of mondelinge melding.
   Mondelinge melding is mogelijk via de telefoon of via andere spraakberichtsystemen, en op verzoek van de melder door middel van een fysieke ontmoeting binnen een redelijke termijn.
   Als de melding mondeling gebeurt, wordt er een verslag opgesteld door de bevoegde autoriteit inzake integriteit. De melder krijgt ook de kans om het verslag van het gesprek te controleren en te corrigeren. Het verslag wordt door de melder ondertekend.
   § 2. Uiterlijk zeven dagen na ontvangst van de melding wordt de melder ervan een ontvangstbevestiging toegezonden, tenzij de melder uitdrukkelijk om een andere ontvangstbevestiging verzoekt of de bevoegde autoriteit gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de ontvangstbevestiging de bescherming van de identiteit van de melder in gevaar zou brengen.]1

  
Art. 170. [1 § 1er. L'auteur de signalement effectue un signalement par écrit ou oralement.
   Il est possible d'effectuer des signalements oralement par téléphone ou via d'autres systèmes de messagerie vocale et, sur demande de l'auteur de signalement, par le biais d'une rencontre en personne dans un délai raisonnable.
   Si le signalement est introduit de manière orale, un procès-verbal est établi par l'autorité compétente intégrité. Il est également donné la possibilité à l'auteur de signalement de vérifier et de rectifier le procès-verbal de la conversation. Le procès-verbal est signé par l'auteur de signalement.
   § 2. Un accusé de réception du signalement est adressé à l'auteur de signalement au plus tard dans les sept jours à dater de la réception du signalement, sauf demande contraire expresse de l'auteur de signalement ou à moins que l'autorité compétente ait des motifs raisonnables de croire qu'accuser réception du signalement compromettrait la protection de l'identité de l'auteur de signalement.]1

  
Art. 171. [1 Wanneer een melding via andere kanalen dan externe meldingskanalen of door andere personeelsleden dan met de verwerking van meldingen belaste personen wordt ontvangen, onthouden de ontvangende personeelsleden zich van elke onthulling van informatie op grond waarvan de melder of de betrokken persoon kan worden geïdentificeerd, en geven zij de melding onmiddellijk ongewijzigd door aan de met de verwerking van meldingen belaste personeelsleden.]1
  
Art. 171. [1 Lorsqu'un signalement est reçu par des canaux autres que les canaux de signalement externe ou par des membres du personnel autres que ceux chargés du traitement des signalements, les membres du personnel qui reçoivent le signalement s'abstiennent de divulguer toute information qui permettrait d'identifier l'auteur de signalement ou la personne concernée et transmettent immédiatement le signalement sans modification aux membres du personnel chargés du traitement des signalements. ]1
  
Art. 172. [1 § 1. De bevoegde autoriteit inzake integriteit gaat na of de melding ontvankelijk is onder de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden en of de melder te goeder trouw handelt. De melder wordt op de hoogte gesteld van de ontvankelijkheid van zijn melding.
   De melding is onontvankelijk:
   1° als de bevoegde autoriteit inzake integriteit onbevoegd is;
   2° als de identiteit van de melder onbekend is, aangezien anonieme meldingen van een vermoedelijke inbreuk niet in aanmerking worden genomen;
   3° als de melder te kwader trouw handelt;
   4° in het geval van herhaalde meldingen die geen significante nieuwe informatie bevatten met betrekking tot een eerdere, afgesloten melding.
   Een persoon die te goeder trouw handelt, is iemand die redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de informatie die over inbreuken werd gerapporteerd, waar was op het moment dat de melding werd gedaan en dat deze informatie binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt.
   § 2. Als de bevoegde autoriteit inzake integriteit over voldoende aanwijzingen beschikt om te concluderen dat zij kennis heeft gekregen van een misdaad of misdrijf, past zij onverwijld de procedure van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering toe.
   § 3. Indien een melding niet ontvankelijk is of artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, stelt de bevoegde autoriteit inzake integriteit de melder en de directeur-generaal daarvan schriftelijk in kennis.
   Als blijkt dat de directeur-generaal direct of indirect betrokken is, informeert de bevoegde autoriteit inzake integriteit schriftelijk het vast bureau. In het laatste geval is de directeur-generaal niet aanwezig bij de vergadering van het vast bureau waarop deze informatie wordt besproken.]1

  
Art. 172. [1 § 1er. L'autorité compétente intégrité vérifie la recevabilité du signalement au regard des conditions fixées par le présent chapitre ainsi que la bonne foi de l'auteur de signalement. L'auteur de signalement est informé de la recevabilité de son signalement.
   Le signalement est irrecevable :
   1° si l'autorité compétente intégrité est incompétente;
   2° si l'identité de l'auteur de signalement est inconnue puisque les signalements anonymes d'une violation suspectée ne sont pas pris en compte;
   3° si l'auteur de signalement est de mauvaise foi;
   4° en cas de signalements répétitifs qui ne contiennent aucune nouvelle information significative relative à un signalement antérieur clôturé.
   Est de bonne foi, la personne qui a des motifs raisonnables de croire que les informations signalées sur les violations étaient véridiques au moment du signalement et que ces informations entrent dans le champ d'application du présent chapitre.
   § 2. Si l'autorité compétente intégrité dispose de suffisamment d'éléments pour pouvoir conclure qu'elle a acquis la connaissance d'un crime ou d'un délit, elle applique sans délai la procédure prévue à l'article 29 du Code d'instruction criminelle.
   § 3. En cas d'irrecevabilité ou d'application de l'article 29 du Code d'instruction criminelle, l'autorité compétente intégrité en informe par écrit l'auteur de signalement ainsi que le directeur général.
   S'il apparaît que le directeur général est impliqué directement ou indirectement, l'autorité compétente intégrité en informe le bureau permanent par écrit. Dans ce dernier cas, le directeur général n'est pas présent à la séance du bureau permanent au cours de laquelle cette information est abordée.]1

  
Art. 173. [1 § 1. De bevoegde autoriteit inzake integriteit kan, na grondige overweging, beslissen dat een gerapporteerde inbreuk duidelijk onbeduidend is en geen verdere opvolging vereist in het kader van deze afdeling, behalve de afsluiting van de procedure.
   Dit heeft geen invloed op andere verplichtingen of andere toepasselijke procedures die gericht zijn op het verhelpen van de gemelde inbreuk, noch op de bescherming die dit hoofdstuk biedt met betrekking tot interne of externe meldingen. In dergelijke gevallen stelt de bevoegde autoriteit inzake integriteit de melder in kennis van haar beslissing en de redenen voor dat beslissing.
   § 2. De bevoegde autoriteit inzake integriteit kan beslissen procedures af te sluiten met betrekking tot herhaalde meldingen die geen significante nieuwe informatie bevatten over inbreuken met betrekking tot een eerdere meldingen naar aanleiding waarvan de betrokken procedures zijn afgesloten, tenzij nieuwe juridische of feitelijke elementen een ander gevolg rechtvaardigen. In dergelijke gevallen stelt de bevoegde autoriteit inzake integriteit de melder in kennis van haar beslissing en de redenen voor deze beslissing.]1

  
Art. 173. [1 § 1er. L'autorité compétente intégrité, après avoir dûment examiné la question, peut décider qu'une violation signalée est manifestement mineure et ne requiert pas d'autre suivi en vertu de la présente section que la clôture de la procédure.
   Cela n'affecte pas d'autres obligations ou d'autres procédures applicables visant à remédier à la violation signalée, ni la protection accordée par le présent chapitre en ce qui concerne les signalements internes ou externes. En pareil cas, l'autorité compétente intégrité notifie à l'auteur de signalement sa décision et les motifs de cette décision.
   § 2. L'autorité compétente intégrité peut décider de clore les procédures en ce qui concerne les signalements répétitifs qui ne contiennent aucune nouvelle information significative sur des violations par rapport à un signalement antérieur à propos duquel les procédures concernées ont été closes, à moins que de nouveaux éléments juridiques ou factuels ne justifient un suivi différent. En pareil cas, l'autorité compétente intégrité notifie à l'auteur de signalement sa décision et les motifs de cette décision.]1

  
Art. 174. [1 § 1. Als de melding ontvankelijk is, of met uitzondering van de gevallen waarnaar wordt verwezen in artikel L1219-21, voert de bevoegde autoriteit inzake integriteit een onderzoek uit.
   Opneming en onderzoek van een melding schort de verjaringstermijn of een lopende administratieve of gerechtelijke procedure met betrekking tot dezelfde feiten niet op, noch onderbreekt deze.
   In het geval van een gerechtelijk onderzoek naar de ingediende melding, schort de bevoegde autoriteit inzake integriteit haar onderzoek op.
   § 2. De bevoegde autoriteit inzake integriteit past de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toe en eerbiedigt de rechten van de verdediging.
   § 3. De bevoegde autoriteit inzake integriteit stelt de bij de melding betrokken persoon in de gelegenheid zijn of haar argumenten naar voren te brengen met betrekking tot de ten laste gelegde feiten, indien zij over voldoende informatie beschikt om te kunnen concluderen dat er sprake is van een inbreuk, nadat hij of zij de documenten en informatie heeft ontvangen die hij noodzakelijk acht. In dit stadium waarborgt zij de anonimiteit van deze persoon.]1

  
Art. 174. [1 § 1er. Lorsque le signalement est recevable ou à l'exception des cas visés à l'article 172, l'autorité compétente intégrité procède à l'enquête.
   L'introduction et l'enquête du signalement ne suspendent pas et n'interrompent pas les délais de prescription ou de recours administratifs ou judiciaires en cours pour les mêmes faits.
   En cas d'information ou d'instruction judiciaire qui concerne le signalement soumis, l'autorité compétente intégrité suspend son enquête.
   § 2. L'autorité compétente intégrité applique les principes généraux de bonne administration et respecte les droits de la défense.
   § 3. L'autorité compétente intégrité donne la possibilité à la personne concernée par le signalement de faire valoir utilement ses arguments sur les faits reprochés, si elle dispose de suffisamment d'éléments pour pouvoir conclure à l'existence d'une violation, après avoir reçu les documents et renseignements qu'elle estime nécessaires. Elle veille, à ce stade, à garantir l'anonymat de cette personne.]1

  
Art. 175. [1 § 1. De bevoegde autoriteit inzake integriteit kan ter plaatse opmerkingen maken, documenten en informatie opvragen die zij nodig acht en belangstellenden horen.
   Zij kan verplichte termijnen opleggen voor antwoorden aan betrokkenen aan wie zij vragen stelt.
   § 2. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op personeelsleden die belast zijn met de uitvoering van de opdracht van de bevoegde autoriteit inzake integriteit.
   Het geheime of vertrouwelijke karakter van de opgevraagde documenten kan de verzoeker niet worden tegengeworpen, behalve in zaken van beroepsgeheim van advocaten, medisch geheim en geheimhouding van gerechtelijke beraadslagingen, alsmede in zaken van geheimhouding die verband houden met de landsverdediging, de staatsveiligheid of het buitenlands beleid.
   Elk personeelslid dat wordt geraadpleegd in het kader van het onderzoek van de bevoegde autoriteit inzake integriteit is vrijgesteld van elke geheimhoudingsplicht.]1

  
Art. 175. [1 § 1er. L'autorité compétente intégrité peut faire toute constatation sur place, se faire communiquer tous les documents et renseignements qu'elle estime nécessaires et entendre toutes les personnes intéressées.
   Elle peut imposer des délais impératifs de réponse aux personnes concernées auxquelles elle adresse des questions.
   § 2. L'article 458 du Code pénal est applicable aux membres du personnel chargés d'exercer la mission de l'autorité compétente intégrité.
   Le caractère secret ou confidentiel des pièces dont elle demande la communication ne peut lui être opposé, sauf en matière de secret professionnel des avocats, du secret médical et du secret des délibérations judiciaires ainsi qu'en matière de secret concernant la défense nationale, de sûreté de l'Etat ou de politique extérieure.
   Tout membre du personnel consulté dans le cadre de l'enquête menée par l'autorité compétente intégrité est relevé de toute obligation de secret professionnel.]1

  
Art. 176. [1 § 1. Na onderzoek van de melding stelt de bevoegde autoriteit inzake integriteit een gedetailleerd verslag op dat, indien nodig, vergezeld gaat van aanbevelingen aan de betrokkene.
   De bevoegde autoriteit inzake integriteit stelt de melder binnen drie maanden na de ontvangstbevestiging van de externe melding, of bij ontbreken van een ontvangstbevestiging aan de melder, binnen drie maanden na het verstrijken van de termijn van zeven dagen volgend op de melding, in kennis van het gevolg dat aan zijn externe melding is gegeven.
   § 2. Dit verslag bevat het besluit van de bevoegde autoriteit inzake integriteit :
   1° om de afwezigheid of het bestaan van een inbreuk vast te stellen;
   2° om aan de lokale overheid binnen dewelke de inbreuk werd vastgesteld elke aanbeveling en, in voorkomend geval, elk voorstel te richten om de vastgestelde inbreuk te verhelpen of om de werking van haar dienst of orgaan te verbeteren;
   3° om aanbevelingen te doen aan de in 2° bedoelde lokale overheid, indien zij vaststelt dat de toepassing van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen tot onbillijkheden leidt, teneinde met inachtneming van haar bevoegdheden een billijke oplossing te vinden voor de situatie van de melder;
   4° om aan de bevoegde lokale overheid voor te stellen om een tucht- of ontslagprocedure in te leiden tegen het personeelslid dat een inbreuk heeft gepleegd.".
   § 3. Bij een met redenen omkleed beslissing kan de bevoegde autoriteit inzake integriteit de in paragraaf 1 bedoelde termijn met ten hoogste zes maanden verlengen.]1

  
Art. 176. [1 § 1er. Au terme de l'examen du signalement, l'autorité compétente intégrité établit un rapport circonstancié accompagné, le cas échéant, de recommandations à destination de la personne concernée.
   L'autorité compétente intégrité informe l'auteur de signalement de la suite donnée à son signalement externe dans les trois mois à compter de l'accusé de réception du signalement, ou à défaut d'accusé de réception envoyé à l'auteur de signalement, trois mois à compter de l'expiration de la période de sept jours suivant le signalement.
   § 2. Ce rapport comporte la décision de l'autorité compétente intégrité :
   1° de constater l'absence ou l'existence d'une violation;
   2° d'adresser à l'autorité locale au sein de laquelle la violation a été constatée toute recommandation et, le cas échéant, toute proposition tendant à remédier à la violation constatée ou à améliorer le fonctionnement de son service ou de l'organe;
   3° d'adresser toute recommandation à l'autorité locale visée au 2°, si elle constate que l'application de dispositions législatives, décrétales ou réglementaires aboutit à une iniquité, pour permettre de régler en équité la situation de l'auteur de signalement, dans le respect de ses compétences;
   4° de proposer à l'autorité locale d'initier une procédure disciplinaire ou de licenciement à l'encontre du membre du personnel qui a commis une violation.
   § 3. Par décision motivée, l'autorité compétente intégrité peut prolonger le délai visé au paragraphe 1er pour une durée n'excédant pas six mois.]1

  
Art. 177. [1 De bevoegde autoriteit inzake integriteit kan de gegrondheid van een rechterlijke beslissing niet in twijfel trekken, maar kan wel aanbevelingen doen aan de betrokken lokale overheid.
   In geval van niet-naleving van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing kan zij de betrokken lokale overheid gelasten zich binnen een door haar vast te stellen termijn naar de beslissing te voegen. Als het gerechtelijk bevel niet wordt nageleefd, wordt er een speciaal verslag opgesteld over de niet-naleving van het gerechtelijk bevel.]1

  
Art. 177. [1 L'autorité compétente intégrité ne peut remettre en cause le bien-fondé d'une décision juridictionnelle mais peut faire des recommandations à l'autorité locale concernée.
   Elle peut, en cas d'inexécution d'une décision de justice passée en force de chose jugée, enjoindre à l'autorité locale concernée de s'y conformer dans un délai qu'elle fixe. Si cette injonction n'est pas suivie d'effet, l'inexécution de la décision de justice fait l'objet d'un rapport spécial.]1

  
Art. 178. [1 De bevoegde autoriteit inzake integriteit wordt op de hoogte gesteld van de ondernomen actie.
   Indien de bij de melding betrokken lokale overheid van oordeel is dat zij een aanbeveling van de bevoegde autoriteit inzake integriteit niet in aanmerking moet nemen, zendt zij binnen drie maanden een met redenen omkleed antwoord aan de bevoegde autoriteit inzake integriteit.
   De lokale overheid informeert de melder periodiek over de maatregelen die naar aanleiding van de melding zijn genomen.]1

  
Art. 178. [1 L'autorité compétente intégrité est informée de la suite donnée à ses interventions.
   Si l'autorité locale concernée par le signalement estime ne pas devoir tenir compte d'une recommandation formulée par l'autorité compétente intégrité, elle lui adresse une réponse motivée dans les trois mois.
   L'autorité locale informe périodiquement l'auteur de signalement des suites réservées à son signalement.]1

  
Art. 179. [1 De bevoegde autoriteit inzake integriteit toetst haar procedures voor het ontvangen en opvolgen van meldingen regelmatig en ten minste om de drie jaar. Bij de herziening van deze procedures houdt zij rekening met haar eigen ervaringen en die van andere bevoegde autoriteiten en past zij haar procedures dienovereenkomstig aan.]1
  
Art. 179. [1 L'autorité compétente intégrité réexamine ses procédures de réception des signalements et de suivi régulièrement, et au minimum une fois tous les trois ans. Lors du réexamen de ces procédures, elle tient compte de son expérience ainsi que de celle des autres autorités compétentes et adapte ses procédures en conséquence.]1
  
Afdeling 4. [1 Gemeenschappelijke bepalingen voor interne en externe melding]1
Section 4. [1 Dispositions communes aux signalements internes et externes]1
Art. 180. [1 § 1. De integriteitsreferent en de bevoegde autoriteit inzake integriteit respecteren de geheimhouding van de identiteit van de partijen die bij het onderzoek betrokken zijn.
   Deze geheimhoudingsplicht geldt ook voor alle andere informatie waaruit de identiteit van de melder direct of indirect kan worden afgeleid.
   § 2 In afwijking van paragraaf 1 kunnen de identiteit van de melder en van eenieder die de melder bijstaat of bij het onderzoek betrokken is, en alle overige informatie waaruit die identiteit direct of indirect kan worden afgeleid, worden bekendgemaakt indien de bovengenoemde personen daarvoor uitdrukkelijk toestemming geven of indien zulks noodzakelijk en evenredig blijkt in het kader van onderzoeken die door de met het onderzoek naar strafbare feiten belaste autoriteiten worden gevoerd of in het kader van gerechtelijke procedures, teneinde de rechten van de verdediging van de betrokken personen te vrijwaren.
   § 3. Voor bekendmakingen op grond van de in paragraaf 2 bedoelde afwijking gelden passende waarborgen volgens de toepasselijke Unie- en Belgische voorschriften. In het bijzonder wordt de melder vooraf in kennis gesteld van de bekendmaking van zijn of haar identiteit, tenzij deze informatie het onderzoek of de gerechtelijke procedure in gevaar kan brengen. Wanneer de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit de melders informeert dat hun identiteit bekend zal worden gemaakt, moeten zij hen een schriftelijke uitleg sturen van de redenen voor het bekendmaken van de betreffende vertrouwelijke gegevens.
   § 4. De integriteitsreferent en de bevoegde autoriteit inzake integriteit die informatie ontvangen over inbreuken op bedrijfsgeheimen, mogen deze informatie niet gebruiken of bekendmaken voor andere doeleinden dan hetgeen noodzakelijk is voor een gedegen opvolging.]1

  
Art. 180. [1 § 1er. Le référent intégrité et l'autorité compétente intégrité respectent la confidentialité de l'identité des parties concernées par l'enquête.
   Ce devoir de confidentialité s'applique également pour toute autre information à partir de laquelle l'identité de l'auteur du signalement peut être directement ou indirectement déduite.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, l'identité de l'auteur de signalement, de toute personne qui aide l'auteur de signalement ou qui est associée à l'enquête, et toute autre information à partir de laquelle cette identité peut être directement ou indirectement déduite, peut être divulguée, si les personnes précitées l'autorisent expressément, ou si cela apparaît nécessaire et proportionné dans le cadre d'enquêtes menées par les autorités compétentes en matière de recherche d'infractions ou dans le cadre de procédures judiciaires, en vue de sauvegarder les droits de la défense des personnes mises en cause.
   § 3. Les divulgations effectuées en vertu de la dérogation prévue au paragraphe 2 font l'objet de mesures de sauvegarde appropriées en vertu des règles de l'Union et des règles belges applicables. En particulier, l'auteur du signalement est, avant la divulgation de son identité, informé de cette divulgation, à moins qu'une telle information ne risque de compromettre les enquêtes et les procédures judiciaires concernées. Lorsque le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité informe les auteurs de signalement du fait que leur identité va être divulguée, il doit leur adresser une explication écrite des motifs de la divulgation des données confidentielles concernées.
   § 4. Le référent intégrité et l'autorité compétente intégrité qui reçoivent des informations sur des atteintes à l'intégrité qui comportent des secrets d'affaires ne peuvent pas utiliser ou divulguer ces informations à des fins allant au-delà de ce qui est nécessaire pour assurer un suivi approprié.]1

  
Art. 181. [1 § 1. De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit verwerkt persoonsgegevens voor de uitvoering van de opdrachten waarmee hij uit hoofde van dit hoofdstuk is belast, met name bij de ontvangstbevestiging van de melding, de kennisname van de melding en het onderzoek van de melding.
   De administratie van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waar de integriteitsreferent zijn functie uitvoert of de bevoegde autoriteit inzake integriteit is de verantwoordelijke voor de verwerking van de gegevens.
   De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit verwerkt de volgende persoonsgegevens:
   1° de identiteit, d.w.z. de namen, voornamen, contactgegevens en dienst van toewijzing van elke melder;
   2° de identiteit van elke persoon die het voorwerp uitmaakt van een melding van een inbreuk en zijn contactgegevens en dienst van toewijzing;
   3° de identiteit van elke persoon die mogelijk heeft bijgedragen tot, getuige is geweest van of het slachtoffer is geweest van een inbreuk, of die informatie kan verstrekken in het kader van het onderzoek dat wordt uitgevoerd door de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit, alsook hun contactgegevens en hun dienst van toewijzing.
   De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit kan de bovenstaande contactgegevens opvragen bij de personeelsdienst.
   § 2. De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit zendt deze gegevens alleen :
   a) indien de betrokken persoon uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de bekendmaking;
   b) als artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast;
   c) indien dit noodzakelijk en evenredig lijkt in het kader van onderzoeken die worden uitgevoerd door de autoriteiten die bevoegd zijn voor het onderzoeken van strafbare feiten of in het kader van gerechtelijke procedures om het recht op verdediging van verdachten te waarborgen.
   § 3 Alle op grond van dit hoofdstuk verzamelde persoonsgegevens worden binnen vijf jaar na het einde van het onderzoek vernietigd, behalve in geval van strafrechtelijke vervolging of rechtsvervolging, in welk geval de gegevens tot tien jaar na het einde van de vervolging of rechtsvervolging worden bewaard.
   § 4. Wanneer de melding per computer of telefonisch wordt gegeven, waarborgt de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit dat deze op een veilige manier wordt verwerkt met betrekking tot de geheimhouding van de identiteit van de persoon die de melding geeft, de betrokken persoon en alle andere bij de melding betrokken personen.]1

  
Art. 181. [1 § 1er. Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité traite des données à caractère personnel afin de mener à bien les missions qui lui sont confiées en vertu du présent chapitre et plus particulièrement lorsqu'il accuse réception du signalement, prend connaissance du signalement et instruit celui-ci.
   L'administration du centre public d'action sociale dans laquelle le référent intégrité exerce sa fonction ou l'autorité compétente intégrité est le responsable de traitement.
   Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité traite les données à caractère personnel suivantes :
   1° l'identité, soit les noms, prénoms, coordonnées, le service d'affectation de toute personne qui effectue un signalement;
   2° l'identité de toute personne qui fait l'objet d'un signalement d'une violation et ses coordonnées ainsi que son service d'affectation;
   3° l'identité de toute personne qui aurait contribué, été témoin ou victime d'une violation ou parce qu'elle pourrait apporter des éléments d'information dans le cadre de l'enquête menée par le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité ainsi que ses coordonnées et son service d'affectation.
   Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité peut solliciter les coordonnées visées ci-avant auprès du service du personnel.
   § 2. Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité transmet ces données uniquement :
   a) en cas d'autorisation expresse donnée par la personne visée par la divulgation;
   b) en cas d'application de l'article 29 du Code d'instruction criminelle;
   c) si cela apparaît nécessaire et proportionné dans le cadre d'enquête menée par les autorités compétentes en matière de recherche d'infraction ou dans le cadre de procédure judiciaire en vue de sauvegarder les droits de la défense de personnes mises en cause.
   § 3. L'ensemble des données à caractère personnel collectées dans le cadre du présent chapitre sont détruites dans les cinq ans de la clôture de l'enquête, sauf en cas de poursuites pénales ou d'action judiciaire, auquel cas les données sont conservées jusqu'à dix ans après l'issue des poursuites ou de l'action.
   § 4. Lorsque le signalement est effectué sur support informatique ou par téléphone, le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité contrôle qu'il soit traité de manière sécurisée quant à la confidentialité de l'identité de l'auteur de signalement, de la personne concernée et de toute personne impliquée dans le signalement.]1

  
Art. 182. [1 § 1. .De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit archiveert alle ontvangen meldingen met inachtneming van de geheimhoudingsvereisten van artikel 180.
   § 2. Wanneer voor het melden, met instemming van de melder, een telefoonlijn met gespreksopname of een ander spraakberichtsysteem met gespreksopname wordt gebruikt, hebben de integriteitsreferent en de bevoegde autoriteit inzake integriteit het recht om de mondelinge melding te registreren op een van de volgende wijzen:
   a) door het maken van een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm, of;
   b) door een volledige en nauwkeurige schriftelijke weergave van het gesprek, opgesteld door de voor het behandelen van de melding verantwoordelijke personeelsleden
   De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake autoriteit bieden de melder de mogelijkheid de schriftelijke weergave van het telefoongesprek te controleren en te corrigeren. De weergave van het telefoongesprek is ondertekend door de melder.
   § 3. Indien voor de melding een telefoonlijn zonder gespreksopname of een ander spraakberichtsysteem zonder gespreksopname wordt gebruikt, heeft de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteiten inzake integriteit het recht om de mondelinge melding te registreren in de vorm van een nauwkeurig verslag van het gesprek, opgesteld door het voor het behandelen van de melding verantwoordelijke personeelslid. De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit integriteit bieden de melder de mogelijkheid het verslag van het gesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.
   § 4. Wanneer de melding volgt op een onderhoud tussen de melder en de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit, wordt van het onderhoud een volledig en nauwkeurig verslag bijgehouden in een duurzame en opvraagbare vorm.
   De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit heeft het recht om het onderhoud te registreren op een van de volgende wijzen:
   a) door het maken van een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm, of;
   b) door een nauwkeurig verslag van het onderhoud, opgesteld door de voor het behandelen van de melding verantwoordelijke personeelsleden.
   De integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit bieden de melder de mogelijkheid de schriftelijke weergave van het verslag van het onderhoud te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.]1

  
Art. 182. [1 § 1er. Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité archive tous les signalements reçus, dans le respect des exigences de confidentialité prévues à l'article 180.
   § 2. Lorsqu'une ligne téléphonique enregistrée ou un autre système de messagerie vocale enregistré est utilisé pour le signalement, avec le consentement de l'auteur de signalement, le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité a le droit de consigner le signalement oral sous l'une des formes suivantes :
   a) en effectuant un enregistrement de la conversation sous une forme durable et récupérable ou;
   b) par une transcription complète et précise de la conversation, établie par le membre du personnel chargé de traiter le signalement.
   Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité donne à l'auteur de signalement la possibilité de vérifier et de rectifier la transcription de l'appel. La transcription de l'appel est signée par l'auteur de signalement.
   § 3. Lorsqu'une ligne téléphonique non enregistrée ou un autre système de messagerie vocale non enregistré est utilisé pour le signalement, le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité a le droit de consigner le signalement oral sous la forme d'un procès-verbal précis de la conversation établi par le membre du personnel chargé de traiter le signalement. Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité donne à l'auteur de signalement la possibilité de vérifier, de rectifier et d'approuver le procès-verbal de la conversation par l'apposition de sa signature.
   § 4. Lorsque le signalement fait suite à une rencontre entre l'auteur de signalement et le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité, les comptes rendus complets et précis de la rencontre sont conservés sous une forme durable et récupérable.
   Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité a le droit de consigner la rencontre sous l'une des formes suivantes :
   a) en effectuant un enregistrement de la conversation sous une forme durable et récupérable ou;
   b) par un procès-verbal précis de la rencontre établi par les membres du personnel chargés de traiter le signalement.
   Le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité donne à l'auteur de signalement la possibilité de vérifier, de rectifier et d'approuver le procès-verbal de la rencontre par l'apposition de sa signature.]1

  
Afdeling 5. [1 Bescherming van de melder]1
Section 5. [1 Protection de l'auteur de signalement]1
Art. 183. [1 Elke vorm van represailles, inclusief dreigingen met en pogingen tot represailles tegen de melder voor het melden van een inbreuk is verboden.
   Met name de volgende punten vormen een represaillemaatregel:
   1° een beslissing tot ontslag of ambtshalve ontslag nemen;
   2° een personeelslid verplaatsen of een verzoek daartoe weigeren;
   3° een ordemaatregel nemen;
   4° een interne ordemaatregel nemen;
   5° een disciplinaire maatregel nemen;
   6° een opleidingsopschortende maatregel nemen;
   7° het ontnemen van een loonsverhoging aan een personeelslid;
   8° een personeelslid kansen op benoeming, bevordering of loopbaanontwikkeling ontnemen;
   9° een contractueel personeelslid de omzetting van een tijdelijke arbeidsovereenkomst in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur ontzeggen, wanneer de werknemer terecht mocht verwachten dat hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur zou worden aangeboden;
   10° een personeelslid faciliteiten ontzeggen die andere personeelsleden wel genieten;
   11° verlof weigeren;
   12° een ongunstige evaluatie geven;
   13° de stage vervroegd beëindigen;
   14° het vrijwilligerswerk vervroegd beëindigen;
   15° maatregelen nemen van dwang, intimidatie, pesterijen of uitsluiting;
   16° discriminerende maatregelen nemen of nadelige of ongelijke behandeling van een personeelslid.]1

  
Art. 183. [1 Est interdite toute forme de représailles, en ce compris les menaces de représailles et les tentatives de représailles, prises à l'encontre de l'auteur de signalement au motif qu'il a dénoncé une violation.
   Les éléments suivants constituent notamment une mesure de représailles :
   1° prendre une décision de licenciement ou de démission d'office;
   2° déplacer un membre du personnel ou refuser une demande en ce sens;
   3° prendre une mesure d'ordre;
   4° prendre une mesure d'ordre intérieur;
   5° prendre une mesure disciplinaire;
   6° prendre une mesure de suspension de formation;
   7° priver un membre du personnel d'une augmentation salariale;
   8° priver un membre du personnel de possibilités de nomination, de promotion ou d'évolution de carrière;
   9° priver un membre du personnel contractuel de la conversion d'un contrat de travail temporaire en un contrat permanent, lorsque le travailleur pouvait légitimement espérer se voir offrir un emploi permanent;
   10° priver un membre du personnel de facilités dont bénéficient les autres collaborateurs;
   11° refuser un congé;
   12° attribuer une évaluation défavorable;
   13° mettre anticipativement fin au stage;
   14° mettre anticipativement fin au bénévolat;
   15° prendre des mesures de coercition, d'intimidation, de harcèlement ou d'ostracisme;
   16° prendre des mesures discriminatoires ou traiter un membre du personnel de manière désavantageuse ou injuste.]1

  
Art. 184. [1 De melder geniet de bescherming waarin dit hoofdstuk voorziet, mits :
   1° hij redelijke gronden had om aan te nemen dat de op de inbreuken gemelde informatie waar was op het ogenblik dat de melding werd gedaan en dat deze informatie binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk viel en;
   2° hij een melding gedaan had, hetzij intern overeenkomstig afdeling 2, hetzij extern overeenkomstig afdeling 3, hetzij openbaar gemaakt overeenkomstig artikel 185.]1

  
Art. 184. [1 L'auteur de signalement bénéficie de la protection prévue par le présent chapitre pour autant que :
   1° il ait eu des motifs raisonnables de croire que les informations signalées sur les violations étaient véridiques au moment du signalement et que ces informations entraient dans le champ d'application du présent chapitre et;
   2° il ait effectué un signalement soit interne conformément à la section 2, soit externe conformément la section 3, ou ait fait une divulgation publique conformément à l'article 185.]1

  
Art. 185. [1 § 1. Een persoon die openbaarmakingen doet, geniet de bescherming die door dit hoofdstuk wordt geboden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
   1° de persoon heeft eerst een interne en externe melding uitgebracht, of heeft rechtstreeks een externe melding uitgebracht overeenkomstig de afdelingen 2 en 3, maar aan de melding is geen gevolg gegeven binnen de termijn bedoeld in artikel 165, § 1, tweede lid, of in artikel 176, § 1, tweede lid, en § 3;
   2° de vermoedelijke inbreuk die het voorwerp uitmaakt van de openbaarmaking beantwoordt aan de definitie van artikel 153, 1°.
   § 2. Dit artikel is niet van toepassing op gevallen waarin een persoon informatie rechtstreeks aan de pers verstrekt op grond van specifieke nationale bepalingen waarbij een systeem van bescherming met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting en informatie is ingesteld.]1

  
Art. 185. [1 § 1er. Une personne qui fait une divulgation publique bénéficie de la protection prévue par le présent chapitre si les conditions suivantes sont remplies :
   1° la personne a d'abord effectué un signalement interne et externe, ou a effectué directement un signalement externe conformément aux sections 2 et 3, mais aucune suite n'a été donnée en réponse au signalement dans le délai, visé à l'article 165, § 1er, alinéa 2, ou à l'article 176, § 1er, alinéa 2, et § 3;
   2° la violation suspectée faisant l'objet de la divulgation répond à la définition prévue par l'article 153, 1°.
   § 2. Le présent article ne s'applique pas aux cas dans lesquels une personne révèle directement des informations à la presse en vertu de dispositions nationales spécifiques établissant un système de protection relatif à la liberté d'expression et d'information.]1

  
Art. 186. [1 § 1. De beschermingsperiode begint :
   1° voor de melder op de datum van ontvangst van de melding;
   2° voor het personeelslid dat de melder heeft bijgestaan, op de datum waarop hij als zodanig wordt erkend door de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit;
   3° voor de integriteitsreferent, op de datum van zijn indiensttreding.
   § 2. Het voordeel van de bescherming gaat niet verloren om de enkele reden dat een te goeder trouw opgenomen melding onjuist of ongegrond is gebleken of dat te goeder trouw doorgegeven informatie onjuist of ongegrond is gebleken.]1

  
Art. 186. [1 § 1er. La période de protection prend cours :
   1° pour l'auteur de signalement, à la date de réception de son signalement;
   2° pour le membre du personnel qui a aidé l'auteur de signalement, à la date à laquelle il est reconnu comme tel par le référent intégrité ou l'autorité compétente intégrité;
   3° pour le référent intégrité, à la date de son entrée en fonction.
   § 2. Le bénéfice de la protection n'est pas perdu au seul motif que le signalement effectué de bonne foi s'est avéré inexact ou infondé ou que les informations transmises de bonne foi se sont avérées inexactes ou infondées.]1

  
Art. 187. [1 § 1. Bescherming wordt niet verleend aan een personeelslid dat een inbreuk meldt zonder de procedures in dit hoofdstuk te hebben gevolgd.
   § 2. Er wordt geen bescherming verleend aan een personeelslid dat een melder is, wanneer uit het schriftelijk verslag van het onderzoek blijkt :
   1° dat hij handelde in de volle wetenschap dat deze aanklacht niet oprecht was;
   2° dat hij zelf betrokken is bij de verweten inbreuk.
   § 3 Er wordt geen bescherming verleend aan het personeelslid dat betrokken is bij het onderzoek indien uit het schriftelijk verslag van het onderzoek blijkt :
   1° dat hij opzettelijk oneerlijke, onjuiste en kennelijk onvolledige informatie heeft verstrekt aan de integriteitsreferent of de bevoegde autoriteit inzake integriteit;
   2° dat hij zelf betrokken is bij de verweten inbreuk.]1

  
Art. 187. [1 § 1er. La protection n'est pas accordée au membre du personnel qui dénonce une violation sans avoir respecté les procédures prévues dans le présent chapitre.
   § 2. La protection n'est pas accordée au membre du personnel, auteur de signalement, lorsqu'il ressort du rapport écrit de l'examen :
   1° qu'il a agi en sachant pertinemment que cette dénonciation n'est pas sincère;
   2° qu'il est lui-même impliqué dans la violation dénoncée.
   § 3. La protection n'est pas accordée au membre du personnel associé à l'enquête lorsqu'il ressort du rapport écrit de l'enquête :
   1° qu'il a délibérément fourni des informations malhonnêtes, non conformes à la réalité et manifestement incomplètes au référent intégrité ou à l'autorité compétente intégrité;
   2° qu'il était lui-même impliqué dans la violation dénoncée.]1

  
Art. 188. [1 De in artikel 155 bedoelde personen komen in voorkomend geval in aanmerking voor ondersteuningsmaatregelen zoals volledige en onafhankelijke voorlichting en advies, die gemakkelijk toegankelijk zijn voor het publiek en kosteloos zijn, over de beschikbare procedures en rechtsmiddelen, over bescherming tegen represailles en over de rechten van de betrokkene.]1
  
Art. 188. [1 Les personnes, visées à l'article 155, bénéficient, s'il y a lieu, de mesures de soutien tels que des informations et des conseils complets et indépendants, qui sont facilement accessibles au public et gratuits, sur les procédures et les recours disponibles, sur la protection contre les représailles, ainsi que sur les droits de la personne concernée.]1
  
Afdeling 6. [1 Bescherming van betrokkenen]1
Section 6. [1 Protection des personnes concernées]1
Art. 189. [1 § 1. De integriteitsreferent en de bevoegde autoriteit inzake autoriteit zorgen ervoor dat de identiteit van de betrokkenen wordt beschermd zolang onderzoeken naar aanleiding van de melding of openbaarmaking lopen.
   § 2. De in de afdeling 4 uiteengezette regels met betrekking tot de bescherming van de identiteit van melders zijn ook van toepassing op de bescherming van de identiteit van de betrokkenen.]1

  
Art. 189. [1 § 1er. Le référent intégrité et l'autorité compétente intégrité veillent à ce que l'identité des personnes concernées soit protégée aussi longtemps que les enquêtes déclenchées par le signalement ou la divulgation publique sont en cours.
   § 2. Les règles prévues à la section 4 concernant la protection de l'identité des auteurs de signalement s'appliquent également à la protection de l'identité des personnes concernées.]1

  
Afdeling 7. [1 Sancties]1
Section 7. [1 Sanctions]1
Art. 190. [1 Het is niet strafbaar voor een persoon die uit hoofde van zijn hoedanigheid of beroep in het bezit is van geheimen, om deze te melden of openbaar te maken overeenkomstig de voorwaarden van dit hoofdstuk. Deze bepaling geldt onverminderd de bescherming van de nationale veiligheid, de bescherming van gerubriceerde informatie in de zin van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, de bescherming van het beroepsgeheim van advocaten en het medisch geheim, het geheim van gerechtelijke beraadslagingen en de regels van de strafrechtelijke procedure.]1
  
Art. 190. [1 Il n'y a pas d'infraction lorsqu'une personne qui, par état ou par profession, est dépositaire de secrets, signale ou divulgue publiquement ceux-ci dans le respect des conditions prévues par le présent chapitre. Cette disposition s'applique sans préjudice de la protection de la sécurité nationale, de la protection des informations classifiées dans le sens de la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité, de la protection du secret professionnel des avocats et du secret médical, du secret des délibérations judiciaires et des règles en matière de procédure pénale.]1
  
Afdeling 8. [1 Geen afstand van rechten en remedies]1
Section 8. [1 Absence de renonciation aux droits et recours]1
Art. 191. [1 Er wordt op toegezien dat van de rechten en remedies waarin dit hoofdstuk voorziet, geen ontheffing of beperking mogelijk is bij overeenkomst, door beleid, of door arbeidswijze of arbeidsvoorwaarden, en evenmin door aan geschillen voorafgaande arbitrageovereenkomsten.
   Alle contractuele of wettelijke bepalingen die in strijd zijn met dit hoofdstuk of met de bepalingen die zijn aangenomen voor de uitvoering ervan, zijn nietig, evenals alle contractuele clausules die voorzien in een verklaring van afstand van de bescherming die dit hoofdstuk of de bepalingen die zijn aangenomen voor de uitvoering ervan biedt.]1

  
Art. 191. [1 Les droits et recours prévus par le présent chapitre ne peuvent faire l'objet d'une renonciation ni être limités par un quelconque accord ou une quelconque politique, forme d'emploi ou condition de travail, y compris une convention d'arbitrage.
   Sont nulles les dispositions contractuelles ou statutaires qui sont contraires au présent chapitre ou aux dispositions prises pour son exécution, ainsi que les clauses contractuelles qui prévoient une renonciation aux protections y conférées ou les dispositions prises pour son exécution.]1

  
Afdeling 9. [1 Diverse bepalingen]1
Section 9. [1 Dispositions diverses]1
Art. 192. [1 De artikelen 152 tot 191 betreffende meldingskanalen en de bescherming van personen die een inbreuk melden, zijn mutatis mutandis van toepassing op verenigingen die vallen onder hoofdstuk XII van deze wet.
   De term "orgaan" gedefinieerd in artikel 153, 5°, moet worden begrepen als de algemene bijeenkomst, de raad van bestuur, beperkte bestuursorganen en hun leden.
   § 2. Elk personeelslid van niveau A of, bij gebrek daaraan, niveau B kan na een interne oproep worden aangesteld als integriteitsreferent in overeenstemming met de statuten en reglementen van de vereniging.
   Als er geen kandidaat-vrijwilliger is na de interne oproep, is de integriteitsreferent de lokale leidinggevende functie.
   De functiebeschrijving van de integriteitsreferent is overeengekomen met de representatieve vakbonden.
   Een integriteitsreferent is verplicht als de vereniging ten minste vijftig personeelsleden heeft.
   De integriteitsreferent kan worden gedeeld met een of meer openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verenigingen die vallen onder hoofdstuk XII of lokale overheden zoals bedoeld in artikel L1219-1 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie.]1

  
Art. 192. [1 Les articles 152 à 191 relatifs aux canaux de signalement et à la protection des personnes qui signalent une violation sont applicables mutatis mutandis aux associations régies par le chapitre XII de la présente loi.
   Le terme " organe " défini à l'article 153, 5°, doit s'entendre de l'assemblée générale, du conseil d'administration, des organes restreints de gestion et des membres de ces organes.
   Tout membre du personnel de niveau A ou, à défaut, de niveau B peut être désigné référent intégrité conformément aux statuts et règlements de l'association, après le lancement d'un appel interne.
   Si aucun candidat ne se porte volontaire suite à l'appel interne, le référent intégrité sera la fonction dirigeante locale.
   La description de fonction du référent intégrité est concertée avec les organisations syndicales représentatives.
   Un référent intégrité est obligatoire si l'association compte au moins cinquante membres du personnel.
   Le référent intégrité peut être mutualisé avec une ou plusieurs centres publics d'action sociale, associations régies par le chapitre XII ou autorités locales visées à l'article L1219-1 du Code de la démocratie locale et de la décentralisation.]1