Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
28 NOVEMBER 1969. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 27-01-1984 en tekstbijwerking tot 12-02-2026)
Titre
28 NOVEMBRE 1969. - ArrĂȘtĂ© royal pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs. (NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă partir du 27-01-1984 et mise Ă jour au 12-02-2026)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
Afdeling 1. - Bepalingen betreffende personen d...
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de persone...
Afdeling 2bis. - (Bepaling betreffende de genee...
Afdeling 3. _ Uitsluitingen.
HOOFDSTUK II. - Berekening van de bijdragen.
Afdeling I. - Algemene regeling.
Afdeling 2. - Bijzondere regelingen voor bepaal...
HOOFDSTUK III. - Aangifte en betaling van de bi...
Afdeling 1. - Algemene regeling.
Afdeling 2. _ Bijzondere regelingen.
Afdeling 3.
Afdeling 4. Minnelijke invordering.
Onderafdeling 1. - Voorwaarden.
Onderafdeling 2. - Modaliteiten.
Afdeling 5. - [1 Ambtshalve afhouding]1
HOOFDSTUK IV. - (Sociale secretariaten van werk...
Afdeling 1. - (Erkenning).
Afdeling 2. - (Verplichtingen).
Afdeling 3. - (Rechten).
Afdeling 4. [1 - Kwaliteitsbarometer.]1
HOOFDSTUK V. _ Burgerlijke sancties.
HOOFDSTUK VI. _ Inrichting en werking van de Ri...
HOOFDSTUK VIbis. _ (ingevoegd) Toezicht.
HOOFDSTUK VII. _ Slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Champ d'application.
Section 1. - Dispositions relatives Ă des perso...
Section 2. - Dispositions relatives aux personn...
Section 2bis. - (Disposition relative aux médec...
Section 3. - Exclusions.
CHAPITRE II. - Calcul des cotisations.
Section 1. - Modalités générales.
Section 2. - Modalités particuliÚres à certaine...
CHAPITRE III. - Déclaration et paiement des cot...
Section 1. - Modalités générales.
Section 2. _ Modalités spéciales.
Section 3.
Section 4. Recouvrement amiable.
Sous-section 1re. - Conditions.
Sous-section 2. - Modalités.
Section 5. - [1 PrélÚvement d'office]1
CHAPITRE IV. - (Secrétariats sociaux d'employeu...
Section 1. - (Agrément).
Section 2. - (Obligations).
Section 3. - (Droits).
Section 4. [1 - BaromÚtre de qualité.]1
CHAPITRE V. _ Sanctions civiles.
CHAPITRE VI. _ Organisation et fonctionnement d...
CHAPITRE VIbis. _ (inséré) Surveillance.
CHAPITRE VII. _ Dispositions finales.
Tekst (140)
Texte (140)
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "de wet" de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Article 1. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, il y a lieu d'entendre par " la loi " la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.
Art. 1bis. [1 Voor de toepassing van de wet en van dit besluit wordt verstaan onder leerling, elke persoon die in het kader van een alternerende opleiding door een overeenkomst verbonden is met een werkgever, met uitzondering van de leerovereenkomst, bedoeld in artikel 3, 6°, en van de arbeidsovereenkomst.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder alternerende opleiding, elke situatie die beantwoordt aan alle volgende voorwaarden samen :
  1° de opleiding bestaat uit een deel dat uitgevoerd wordt op de werkvloer en een deel dat uitgevoerd wordt binnen of op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van een onderwijs- of opleidingsinstelling; deze twee onderdelen beogen samen de uitvoering van één enkel opleidingsplan, zijn daarom op elkaar afgestemd en wisselen elkaar geregeld af;
  2° de opleiding leidt tot een beroepskwalificatie;
  3° het deel dat uitgevoerd wordt op de werkvloer voorziet op jaarbasis een gemiddelde arbeidsduur van minstens 20 uren per week, zonder rekening te houden met de feest- en vakantiedagen;
  4° het deel dat uitgevoerd wordt binnen of op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van een onderwijs- of opleidingsinstelling, omvat op jaarbasis :
  - minstens 240 lesuren voor de jongeren die onderworpen zijn aan de deeltijdse leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;
  - minstens 150 lesuren voor de jongeren die niet onderworpen zijn aan de leerplicht in toepassing van voornoemde wet van 29 juni 1983,
  waarbij het aantal uren berekend kan worden naar rato van de totale duur van de opleiding;
  de lesuren waarvoor de leerling eventueel van een vrijstelling geniet, toegekend door de voormelde onderwijs- of opleidingsinstelling, zijn begrepen in de 240 of 150 uren;
  5° de beide delen van de opleiding worden uitgevoerd in het kader van en worden gedekt door één enkele overeenkomst waarbij de werkgever en de leerling betrokken partij zijn;
  de opleiding kan worden uitgevoerd in het kader van meerdere opeenvolgende overeenkomsten op voorwaarde dat (1) de minima van de opleidingsuren binnen de onderwijs- of opleidingsinstelling het aantal bedoeld in punt 4 bereiken en dat (2) het volledige traject, bestaand uit verschillende opeenvolgende overeenkomsten, gegarandeerd en gecontroleerd wordt door de operator die verantwoordelijk is voor de opleiding;
  6° de in 5° bedoelde overeenkomst voorziet een financiële bezoldiging voor de leerling die ten laste is van de werkgever en die beschouwd moet worden als een loon voor de toepassing van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]1
 Â
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder alternerende opleiding, elke situatie die beantwoordt aan alle volgende voorwaarden samen :
  1° de opleiding bestaat uit een deel dat uitgevoerd wordt op de werkvloer en een deel dat uitgevoerd wordt binnen of op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van een onderwijs- of opleidingsinstelling; deze twee onderdelen beogen samen de uitvoering van één enkel opleidingsplan, zijn daarom op elkaar afgestemd en wisselen elkaar geregeld af;
  2° de opleiding leidt tot een beroepskwalificatie;
  3° het deel dat uitgevoerd wordt op de werkvloer voorziet op jaarbasis een gemiddelde arbeidsduur van minstens 20 uren per week, zonder rekening te houden met de feest- en vakantiedagen;
  4° het deel dat uitgevoerd wordt binnen of op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van een onderwijs- of opleidingsinstelling, omvat op jaarbasis :
  - minstens 240 lesuren voor de jongeren die onderworpen zijn aan de deeltijdse leerplicht in toepassing van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht;
  - minstens 150 lesuren voor de jongeren die niet onderworpen zijn aan de leerplicht in toepassing van voornoemde wet van 29 juni 1983,
  waarbij het aantal uren berekend kan worden naar rato van de totale duur van de opleiding;
  de lesuren waarvoor de leerling eventueel van een vrijstelling geniet, toegekend door de voormelde onderwijs- of opleidingsinstelling, zijn begrepen in de 240 of 150 uren;
  5° de beide delen van de opleiding worden uitgevoerd in het kader van en worden gedekt door één enkele overeenkomst waarbij de werkgever en de leerling betrokken partij zijn;
  de opleiding kan worden uitgevoerd in het kader van meerdere opeenvolgende overeenkomsten op voorwaarde dat (1) de minima van de opleidingsuren binnen de onderwijs- of opleidingsinstelling het aantal bedoeld in punt 4 bereiken en dat (2) het volledige traject, bestaand uit verschillende opeenvolgende overeenkomsten, gegarandeerd en gecontroleerd wordt door de operator die verantwoordelijk is voor de opleiding;
  6° de in 5° bedoelde overeenkomst voorziet een financiële bezoldiging voor de leerling die ten laste is van de werkgever en die beschouwd moet worden als een loon voor de toepassing van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.]1
 Â
Art. 1erbis. [1 Pour l'application de la loi et du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par apprenti, toute personne qui, dans le cadre d'une formation en alternance, est liĂ©e Ă un employeur par un contrat, Ă l'exception du contrat d'apprentissage visĂ© Ă l'article 3, 6°, et du contrat de travail.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par formation en alternance, toute situation qui répond à l'ensemble des conditions suivantes :
  1° la formation consiste en une partie effectuée en milieu professionnel et une partie effectuée au sein ou à l'initiative et sous la responsabilité d'un établissement d'enseignement ou de formation; ces deux parties ensemble visent l'exécution d'un seul plan de formation et, à cette fin, sont accordées entre elles et s'alternent réguliÚrement;
  2° la formation mÚne à une qualification professionnelle;
  3° la partie effectuée en milieu professionnel prévoit, sur base annuelle, une durée du travail moyenne d'au moins 20 heures par semaine, sans tenir compte des jours fériés et de vacances;
  4° la partie effectuée au sein ou à l'initiative et sous la responsabilité d'un établissement d'enseignement ou de formation comporte, sur base annuelle :
  - au moins 240 heures de cours pour les jeunes soumis à l'obligation scolaire à temps partiel en application de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire;
  - au moins 150 heures de cours pour les jeunes n'étant plus soumis à l'obligation scolaire en application de la loi du 29 juin susmentionné,
  ces nombres d'heures pouvant ĂȘtre calculĂ©s au prorata de la durĂ©e totale de la formation;
  les heures de cours pour lesquelles l'apprenti bénéficie éventuellement d'une dispense octroyée par l'établissement d'enseignement ou de formation susvisé, sont compris dans les nombres de 240 ou de 150 heures;
  5° les deux parties de la formation sont effectuées dans le cadre de et couverts par un contrat auquel l'employeur et le jeune sont parties;
  la formation peut ĂȘtre effectuĂ©e dans le cadre de plusieurs contrats successifs Ă condition que (1) les minima au niveau des heures de formation en Ă©tablissement d'enseignement ou de formation atteignent les nombres visĂ©s au point 4 et que (2) le parcours complet, composĂ© des divers contrats successifs, soit garanti et surveillĂ© par l'opĂ©rateur responsable de la formation;
  6° le contrat visé au 5° prévoit une rétribution financiÚre du jeune qui est à charge de l'employeur et qui est à considérer comme une rémunération en application de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.]1
 Â
  Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par formation en alternance, toute situation qui répond à l'ensemble des conditions suivantes :
  1° la formation consiste en une partie effectuée en milieu professionnel et une partie effectuée au sein ou à l'initiative et sous la responsabilité d'un établissement d'enseignement ou de formation; ces deux parties ensemble visent l'exécution d'un seul plan de formation et, à cette fin, sont accordées entre elles et s'alternent réguliÚrement;
  2° la formation mÚne à une qualification professionnelle;
  3° la partie effectuée en milieu professionnel prévoit, sur base annuelle, une durée du travail moyenne d'au moins 20 heures par semaine, sans tenir compte des jours fériés et de vacances;
  4° la partie effectuée au sein ou à l'initiative et sous la responsabilité d'un établissement d'enseignement ou de formation comporte, sur base annuelle :
  - au moins 240 heures de cours pour les jeunes soumis à l'obligation scolaire à temps partiel en application de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire;
  - au moins 150 heures de cours pour les jeunes n'étant plus soumis à l'obligation scolaire en application de la loi du 29 juin susmentionné,
  ces nombres d'heures pouvant ĂȘtre calculĂ©s au prorata de la durĂ©e totale de la formation;
  les heures de cours pour lesquelles l'apprenti bénéficie éventuellement d'une dispense octroyée par l'établissement d'enseignement ou de formation susvisé, sont compris dans les nombres de 240 ou de 150 heures;
  5° les deux parties de la formation sont effectuées dans le cadre de et couverts par un contrat auquel l'employeur et le jeune sont parties;
  la formation peut ĂȘtre effectuĂ©e dans le cadre de plusieurs contrats successifs Ă condition que (1) les minima au niveau des heures de formation en Ă©tablissement d'enseignement ou de formation atteignent les nombres visĂ©s au point 4 et que (2) le parcours complet, composĂ© des divers contrats successifs, soit garanti et surveillĂ© par l'opĂ©rateur responsable de la formation;
  6° le contrat visé au 5° prévoit une rétribution financiÚre du jeune qui est à charge de l'employeur et qui est à considérer comme une rémunération en application de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.]1
 Â
Art. 1ter. [1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "provinciaal of plaatselijk bestuur", het bestuur bedoeld in artikel 1, § 1, vierde lid, van de wet.]1
 Â
 Â
Art. 1ter. [1 Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© on entend par " administration provinciale ou locale " l'administration visĂ©e Ă l'article 1, § 1er, alinĂ©a 4, de la loi.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE Ier. - Champ d'application.
Art. 2. De toepassing van de wet wordt verruimd en beperkt overeenkomstig het bepaalde in (de afdelingen 1, 2 en 2bis) van dit hoofdstuk. Dienovereenkomstig wordt eveneens verruimd of beperkt het toepassingsgebied van alle of de in de betrokken artikelen aangewezen regelen die in artikel 5 van de wet zijn opgesomd. <KB 18-3-1983, art. 1>
Art. 2. L'application de la loi est étendue et limitée conformément aux dispositions (des sections 1, 2 et 2bis) du présent chapitre. Est étendu ou limité corrélativement, le champ d'application de tous les régimes énumérés à l'article 5 de la loi ou de ceux de ces régimes qui sont désignés dans ces dispositions. <AR 18-3-1983, art. 1er>
Afdeling 1. - Bepalingen betreffende personen die in de private sector tewerkgesteld worden.
Section 1. - Dispositions relatives à des personnes occupées au travail dans le secteur privé.
Art. 3. De toepassing van de wet wordt verruimd tot:
  1° de personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een ander loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheers of aan de dagelijkse leiding van verenigingen en organisaties die geen industriële of handelsverrichtingen uitvoeren en die er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen, alsmede tot die verenigingen en organisaties. Bedoeld worden inzonderheid de ziekenfondsen , verbonden en landsbonden die erkend en gemachtigd zijn voor het verlenen van prestaties van vrijwillige en verplichte verzekering in geval van ziekte of invaliditeit en de organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen, de coöperatieve vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de coöperatie en haar uitvoeringsbesluiten en de verenigingen zonder winstoogmerk;
  2° (...); <W 2002-12-24/31, art. 171, 112; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  3° de personen die, in hoedanigheid van interimarissen , bij derden aan het werk gesteld worden alsook tot de personen die hen aan het werk gesteld hebben en hen bezoldigden;
  4° (de personen die, op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte produkten bewerken die een of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars.) <KB 15-06-1970, art. 1. 1°>
  5° de personen die vervoer van (...) goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer. <KB 15-06-1970>
  5°bis (de personen die vervoer van personen, verrichten dat hun wordt toevertrouwd door een onderneming, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door een ondernemer, of aan wie een onderneming diensten verleent in verband met het hun opgedragen vervoer, alsmede tot die ondernemers.) <KB 15-06-1970, art. 1, 3°>
  (Het eerste lid is niet van toepassing op de taxibestuurders bedoeld in 5°ter.) <KB 2001-12-13/52, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 01-04-2002>
  (5°ter. De taxibestuurders en de ondernemers die hen tewerkstellen, behalve indien het gaat om :
  1° taxibestuurders die houder zijn van een door de bevoegde overheid afgeleverde exploitatievergunning voor een taxidienst en die eigenaar zijn van het voertuig of de voertuigen waarmee ze handel drijven, of die er over beschikken ingevolge een afbetalingsovereenkomst die niet gefinancierd is of waarvan de financiering niet gewaarborgd is door de ondernemer;
  2° taxibestuurders die mandatarissen zijn van de vennootschap, zoals bedoeld in artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, die met het voertuig handel drijft en die over de exploitatievergunning beschikt;
  Voor de toepassing van het eerste lid, wordt onder " taxibestuurders " verstaan de bestuurders van voertuigen behorend tot een taxidienst zoals bepaald door de bevoegde overheid.) <KB 2001-12-13/52, art. 2, 103; Inwerkingtreding : 01-04-2002>
  6° [1 ...]1
  7°[1 ...]1
  8° (de studenten die tewerkgesteld zijn in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, bedoeld bij (titel VIi) van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en die niet krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten). <KB 23-04-1979, art. 10> <KB 1998-06-02/47, art. 1, 075; Inwerkingtreding : 01-03-1997>
  9° (de natuurlijke personen die instaan voor de opvang van kinderen in een woning voor de opvang in gezinsverband en die aangesloten zijn bij een dienst waarmee zij niet zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst, dienst die daartoe werd erkend door de terzake bevoegde instelling krachtens ofwel het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 29 maart 1993 houdende algemene reglementering inzake opvangvoorzieningen gesubsidieerd door de "Office de la Naissance et de l'Enfance" (Dienst voor Geboorte en Kinderwelzijn), ofwel het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, ofwel het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 24 juni 1999 betreffende de opvang van jonge kinderen. Voormelde erkende opvangdienst wordt als hun werkgever beschouwd.) <KB 2003-03-18/32, art. 1, 113; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (10°[2 de personen die, in de zin van artikel 16 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, zoals van kracht op 31 maart 2016, of in de zin van artikel 19/2 van het voormeld decreet, arbeid verrichten als persoonlijke assistent ten voordele van een familielid dat tot de tweede graad verwant is of van een persoon die deel uitmaakt van hun gezin en geniet van een persoonlijke-assistentiebudget, evenals de personen die houder zijn van het persoonlijke-assistentiebudget die hen bezoldigen;]2
  [3 11° De personen die, in het kader van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap, arbeid verrichten op basis van een overeenkomst waarbij wordt voorzien in het verlenen van zorg en ondersteuning in een één-op-één-relatie met de persoon met een handicap of aan verschillende personen met een handicap die op hetzelfde adres wonen en tot hetzelfde gezin behoren, ten voordele van een familielid dat tot de tweede graad verwant is of van een persoon die deel uitmaakt van hun gezin en geniet van een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, evenals de personen die houder zijn van dit budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning die hen bezoldigen.]3
 Â
  1° de personen die, in hoedanigheid van lasthebbers en tegen een ander loon dan kost en inwoning, hun voornaamste bedrijvigheid wijden aan het dagelijks beheers of aan de dagelijkse leiding van verenigingen en organisaties die geen industriële of handelsverrichtingen uitvoeren en die er niet naar streven hun leden een materieel voordeel te verschaffen, alsmede tot die verenigingen en organisaties. Bedoeld worden inzonderheid de ziekenfondsen , verbonden en landsbonden die erkend en gemachtigd zijn voor het verlenen van prestaties van vrijwillige en verplichte verzekering in geval van ziekte of invaliditeit en de organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen, de coöperatieve vennootschappen die voldoen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 5 van de wet van 20 juli 1955 houdende instelling van een Nationale Raad voor de coöperatie en haar uitvoeringsbesluiten en de verenigingen zonder winstoogmerk;
  2° (...); <W 2002-12-24/31, art. 171, 112; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  3° de personen die, in hoedanigheid van interimarissen , bij derden aan het werk gesteld worden alsook tot de personen die hen aan het werk gesteld hebben en hen bezoldigden;
  4° (de personen die, op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte produkten bewerken die een of verschillende handelaars hun hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen, alsmede tot die handelaars.) <KB 15-06-1970, art. 1. 1°>
  5° de personen die vervoer van (...) goederen verrichten dat hun door een onderneming opgedragen wordt, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer. <KB 15-06-1970>
  5°bis (de personen die vervoer van personen, verrichten dat hun wordt toevertrouwd door een onderneming, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door een ondernemer, of aan wie een onderneming diensten verleent in verband met het hun opgedragen vervoer, alsmede tot die ondernemers.) <KB 15-06-1970, art. 1, 3°>
  (Het eerste lid is niet van toepassing op de taxibestuurders bedoeld in 5°ter.) <KB 2001-12-13/52, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 01-04-2002>
  (5°ter. De taxibestuurders en de ondernemers die hen tewerkstellen, behalve indien het gaat om :
  1° taxibestuurders die houder zijn van een door de bevoegde overheid afgeleverde exploitatievergunning voor een taxidienst en die eigenaar zijn van het voertuig of de voertuigen waarmee ze handel drijven, of die er over beschikken ingevolge een afbetalingsovereenkomst die niet gefinancierd is of waarvan de financiering niet gewaarborgd is door de ondernemer;
  2° taxibestuurders die mandatarissen zijn van de vennootschap, zoals bedoeld in artikel 3, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, die met het voertuig handel drijft en die over de exploitatievergunning beschikt;
  Voor de toepassing van het eerste lid, wordt onder " taxibestuurders " verstaan de bestuurders van voertuigen behorend tot een taxidienst zoals bepaald door de bevoegde overheid.) <KB 2001-12-13/52, art. 2, 103; Inwerkingtreding : 01-04-2002>
  6° [1 ...]1
  7°[1 ...]1
  8° (de studenten die tewerkgesteld zijn in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, bedoeld bij (titel VIi) van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en die niet krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten). <KB 23-04-1979, art. 10> <KB 1998-06-02/47, art. 1, 075; Inwerkingtreding : 01-03-1997>
  9° (de natuurlijke personen die instaan voor de opvang van kinderen in een woning voor de opvang in gezinsverband en die aangesloten zijn bij een dienst waarmee zij niet zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst, dienst die daartoe werd erkend door de terzake bevoegde instelling krachtens ofwel het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 29 maart 1993 houdende algemene reglementering inzake opvangvoorzieningen gesubsidieerd door de "Office de la Naissance et de l'Enfance" (Dienst voor Geboorte en Kinderwelzijn), ofwel het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, ofwel het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 24 juni 1999 betreffende de opvang van jonge kinderen. Voormelde erkende opvangdienst wordt als hun werkgever beschouwd.) <KB 2003-03-18/32, art. 1, 113; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  (10°[2 de personen die, in de zin van artikel 16 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, zoals van kracht op 31 maart 2016, of in de zin van artikel 19/2 van het voormeld decreet, arbeid verrichten als persoonlijke assistent ten voordele van een familielid dat tot de tweede graad verwant is of van een persoon die deel uitmaakt van hun gezin en geniet van een persoonlijke-assistentiebudget, evenals de personen die houder zijn van het persoonlijke-assistentiebudget die hen bezoldigen;]2
  [3 11° De personen die, in het kader van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap, arbeid verrichten op basis van een overeenkomst waarbij wordt voorzien in het verlenen van zorg en ondersteuning in een één-op-één-relatie met de persoon met een handicap of aan verschillende personen met een handicap die op hetzelfde adres wonen en tot hetzelfde gezin behoren, ten voordele van een familielid dat tot de tweede graad verwant is of van een persoon die deel uitmaakt van hun gezin en geniet van een budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, evenals de personen die houder zijn van dit budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning die hen bezoldigen.]3
 Â
Art. 3. L'application de la loi est étendue:
  1° aux personnes qui, en qualitĂ© de mandataires et contre rĂ©munĂ©ration autre que le logement et la nourriture, consacrent leur principale activitĂ© Ă la gestion ou Ă la direction journaliĂšres des associations et organisations qui ne se livrent pas Ă des opĂ©rations industrielles ou commerciales et qui ne cherchent pas Ă procurer Ă leurs membres un gain matĂ©riel, ainsi qu'Ă ces associations et organisations. Sont notamment visĂ©es, les sociĂ©tĂ©s mutualistes, fĂ©dĂ©rations et unions nationales reconnues et agréées pour le service des prestations en assurance libre et obligatoire en cas de maladie ou d'invaliditĂ© et les organisations professionnelles d'employeurs et de travailleurs salariĂ©s et indĂ©pendants, les sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives rĂ©pondant aux conditions fixĂ©es par l'article 5 de la loi du 20 juillet 1955 portant institution d'un Conseil national de la coopĂ©ration et par ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution et les associations sans but lucratif;
  2° (...); <L 2002-12-24/31, art. 171, 112; En vigueur : 01-07-2003>
  3° aux personnes qui, au titre d'intérimaires, sont mises au travail chez des tiers ainsi qu'aux personnes qui les y mettent et les rémunÚrent;
  4° (aux personnes qui, en tout lieu choisi par elles et selon des modalités similaire à celles d'un contrat de louage de travail, oeuvrent à façon des matiÚres premiÚres ou des produits partiellement achevés qu'un ou plusieurs commerçants leur ont confiés et qui travaillent seules ou occupent habituellement quatre aides au maximum, ainsi qu'à ces commerçants; )<AR 15-06-1970, art. 1, 1°>
  5° aux personnes qui effectuent des transports (...) de choses qui leur sont commandés par une entreprise, au moyen de véhicules dont ils ne sont pas propriétaires ou dont l'achat est financé ou le financement garanti par l'exploitant de cette entreprise ainsi qu'à cet exploitant, <AR 15-06-1970>
  5°bis (aux personnes qui effectuent des transports de personnes, qui leur sont confiés par une entreprise, au moyen de véhicules dont elles ne sont pas propriétaires ou dont l'achat est financé ou le financement garanti par l'exploitant de cette entreprise, ou auxquelles une entreprise dispense des services en rapport avec les transports qu'elle leur confie, ainsi qu'aux exploitants de ces entreprises) <AR 15-06-1970, art. 1, 3°>
  (L'alinéa 1er n'est pas applicable aux chauffeurs de taxi visés au 5°ter.) <AR 2001-12-13/52, art. 1, 103; En vigueur : 01-04-2002>
  (5°ter. Aux chauffeurs de taxi et aux entrepreneurs qui les exploitent, sauf s'il s'agit de :
  1° chauffeurs de taxi qui sont titulaires d'une licence d'exploitation d'un service de taxis délivrée par l'autorité compétente et qui sont propriétaires du véhicule ou des véhicules qu'ils exploitent ou qui en ont la disposition par contrat de vente à tempérament qui n'est pas financé ou dont le financement n'est pas garanti par l'entrepreneur;
  2° chauffeurs de taxi qui sont mandataires de la sociĂ©tĂ© qui exploite le vĂ©hicule et qui dispose de la licence d'exploitation, dans le sens de l'article 3, § 1er, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indĂ©pendants.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par " chauffeurs de taxi " les chauffeurs de véhicules appartenant à un service de taxis tel que défini par l'autorité compétente.) <AR 2001-12-13/52, art. 2, 103; En vigueur : 01-04-2002>
  6° [1 ...]1
  7° [1 ...]1
  8° (aux Ă©tudiants occupĂ©s dans le cadre d'un contrat d'occupation d'Ă©tudiants, visĂ© au (titre VII) de la loi du 3 juillet 1978, relative aux contrats de travail et qui fournissent des prestations de travail sans ĂȘtre engagĂ©s dans les liens d'un contrat de travail.) <AR 23-04-1979, art. 10> <AR 1998-06-02/47, art. 1, 075; En vigueur : 01-03-1997>
  9° (aux personnes physiques qui assurent l'accueil d'enfants dans une habitation Ă©quipĂ©e pour l'accueil dans un cadre familial et qui sont affiliĂ©es Ă un service auquel elles ne sont pas liĂ©es par un contrat de travail, ce service Ă©tant agréé par l'organisme compĂ©tent pour ce faire en vertu soit de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la CommunautĂ© française du 29 mars 1993 portant rĂ©glementation gĂ©nĂ©rale des milieux d'accueil subventionnĂ©s par l'Office de la Naissance et de l'Enfance, soit de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 fĂ©vrier 2001 fixant les conditions d'agrĂ©ment et de subventionnent des crĂšches et des services pour familles d'accueil, soit de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la CommunautĂ© germanophone du 24 juin 1999 relatif Ă l'accueil des jeunes enfants. Le service d'accueil agréé prĂ©citĂ© est considĂ©rĂ© comme Ă©tant leur employeur.) <AR 2003-03-18/32, art. 2, 113; En vigueur : 01-04-2003>
  (10° [2 aux personnes qui, au sens de l'article 16 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les personnes handicapées), tel qu'en vigueur le 31 mars 2016, ou au sens de l'article 19/2 du décret précité, exécutent un travail en tant qu'assistant personnel au profit d'un membre de leur famille jusqu'au deuxiÚme degré de parenté ou d'une personne faisant partie de leur ménage bénéficiant d'un budget d'assistance personnelle, ainsi qu'aux personnes titulaires du budget d'assistance personnelle qui les rémunÚrent;]2
  [3 11° aux personnes qui, dans le cadre du dĂ©cret de la CommunautĂ© flamande du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapĂ©es et portant rĂ©forme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapĂ©es, exĂ©cutent un travail, en vertu d'un contrat prĂ©voyant l'apport de soins et d'un soutien dans le cadre d'une relation individuelle avec la personne handicapĂ©e ou diffĂ©rentes personnes handicapĂ©es habitant Ă la mĂȘme adresse et appartenant au mĂȘme mĂ©nage, au profit d'un membre de leur famille jusqu'au deuxiĂšme degrĂ© de parentĂ© ou d'une personne faisant partie de leur mĂ©nage, qui bĂ©nĂ©ficie d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, ainsi qu'aux personnes titulaires de ce budget pour des soins et du soutien non directement accessibles qui les rĂ©munĂšrent.]3
 Â
  1° aux personnes qui, en qualitĂ© de mandataires et contre rĂ©munĂ©ration autre que le logement et la nourriture, consacrent leur principale activitĂ© Ă la gestion ou Ă la direction journaliĂšres des associations et organisations qui ne se livrent pas Ă des opĂ©rations industrielles ou commerciales et qui ne cherchent pas Ă procurer Ă leurs membres un gain matĂ©riel, ainsi qu'Ă ces associations et organisations. Sont notamment visĂ©es, les sociĂ©tĂ©s mutualistes, fĂ©dĂ©rations et unions nationales reconnues et agréées pour le service des prestations en assurance libre et obligatoire en cas de maladie ou d'invaliditĂ© et les organisations professionnelles d'employeurs et de travailleurs salariĂ©s et indĂ©pendants, les sociĂ©tĂ©s coopĂ©ratives rĂ©pondant aux conditions fixĂ©es par l'article 5 de la loi du 20 juillet 1955 portant institution d'un Conseil national de la coopĂ©ration et par ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution et les associations sans but lucratif;
  2° (...); <L 2002-12-24/31, art. 171, 112; En vigueur : 01-07-2003>
  3° aux personnes qui, au titre d'intérimaires, sont mises au travail chez des tiers ainsi qu'aux personnes qui les y mettent et les rémunÚrent;
  4° (aux personnes qui, en tout lieu choisi par elles et selon des modalités similaire à celles d'un contrat de louage de travail, oeuvrent à façon des matiÚres premiÚres ou des produits partiellement achevés qu'un ou plusieurs commerçants leur ont confiés et qui travaillent seules ou occupent habituellement quatre aides au maximum, ainsi qu'à ces commerçants; )<AR 15-06-1970, art. 1, 1°>
  5° aux personnes qui effectuent des transports (...) de choses qui leur sont commandés par une entreprise, au moyen de véhicules dont ils ne sont pas propriétaires ou dont l'achat est financé ou le financement garanti par l'exploitant de cette entreprise ainsi qu'à cet exploitant, <AR 15-06-1970>
  5°bis (aux personnes qui effectuent des transports de personnes, qui leur sont confiés par une entreprise, au moyen de véhicules dont elles ne sont pas propriétaires ou dont l'achat est financé ou le financement garanti par l'exploitant de cette entreprise, ou auxquelles une entreprise dispense des services en rapport avec les transports qu'elle leur confie, ainsi qu'aux exploitants de ces entreprises) <AR 15-06-1970, art. 1, 3°>
  (L'alinéa 1er n'est pas applicable aux chauffeurs de taxi visés au 5°ter.) <AR 2001-12-13/52, art. 1, 103; En vigueur : 01-04-2002>
  (5°ter. Aux chauffeurs de taxi et aux entrepreneurs qui les exploitent, sauf s'il s'agit de :
  1° chauffeurs de taxi qui sont titulaires d'une licence d'exploitation d'un service de taxis délivrée par l'autorité compétente et qui sont propriétaires du véhicule ou des véhicules qu'ils exploitent ou qui en ont la disposition par contrat de vente à tempérament qui n'est pas financé ou dont le financement n'est pas garanti par l'entrepreneur;
  2° chauffeurs de taxi qui sont mandataires de la sociĂ©tĂ© qui exploite le vĂ©hicule et qui dispose de la licence d'exploitation, dans le sens de l'article 3, § 1er, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indĂ©pendants.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, on entend par " chauffeurs de taxi " les chauffeurs de véhicules appartenant à un service de taxis tel que défini par l'autorité compétente.) <AR 2001-12-13/52, art. 2, 103; En vigueur : 01-04-2002>
  6° [1 ...]1
  7° [1 ...]1
  8° (aux Ă©tudiants occupĂ©s dans le cadre d'un contrat d'occupation d'Ă©tudiants, visĂ© au (titre VII) de la loi du 3 juillet 1978, relative aux contrats de travail et qui fournissent des prestations de travail sans ĂȘtre engagĂ©s dans les liens d'un contrat de travail.) <AR 23-04-1979, art. 10> <AR 1998-06-02/47, art. 1, 075; En vigueur : 01-03-1997>
  9° (aux personnes physiques qui assurent l'accueil d'enfants dans une habitation Ă©quipĂ©e pour l'accueil dans un cadre familial et qui sont affiliĂ©es Ă un service auquel elles ne sont pas liĂ©es par un contrat de travail, ce service Ă©tant agréé par l'organisme compĂ©tent pour ce faire en vertu soit de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la CommunautĂ© française du 29 mars 1993 portant rĂ©glementation gĂ©nĂ©rale des milieux d'accueil subventionnĂ©s par l'Office de la Naissance et de l'Enfance, soit de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 fĂ©vrier 2001 fixant les conditions d'agrĂ©ment et de subventionnent des crĂšches et des services pour familles d'accueil, soit de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la CommunautĂ© germanophone du 24 juin 1999 relatif Ă l'accueil des jeunes enfants. Le service d'accueil agréé prĂ©citĂ© est considĂ©rĂ© comme Ă©tant leur employeur.) <AR 2003-03-18/32, art. 2, 113; En vigueur : 01-04-2003>
  (10° [2 aux personnes qui, au sens de l'article 16 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap " (Agence flamande pour les personnes handicapées), tel qu'en vigueur le 31 mars 2016, ou au sens de l'article 19/2 du décret précité, exécutent un travail en tant qu'assistant personnel au profit d'un membre de leur famille jusqu'au deuxiÚme degré de parenté ou d'une personne faisant partie de leur ménage bénéficiant d'un budget d'assistance personnelle, ainsi qu'aux personnes titulaires du budget d'assistance personnelle qui les rémunÚrent;]2
  [3 11° aux personnes qui, dans le cadre du dĂ©cret de la CommunautĂ© flamande du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapĂ©es et portant rĂ©forme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapĂ©es, exĂ©cutent un travail, en vertu d'un contrat prĂ©voyant l'apport de soins et d'un soutien dans le cadre d'une relation individuelle avec la personne handicapĂ©e ou diffĂ©rentes personnes handicapĂ©es habitant Ă la mĂȘme adresse et appartenant au mĂȘme mĂ©nage, au profit d'un membre de leur famille jusqu'au deuxiĂšme degrĂ© de parentĂ© ou d'une personne faisant partie de leur mĂ©nage, qui bĂ©nĂ©ficie d'un budget pour des soins et du soutien non directement accessibles, ainsi qu'aux personnes titulaires de ce budget pour des soins et du soutien non directement accessibles qui les rĂ©munĂšrent.]3
 Â
Art. 3bis. <KB 2003-03-26/61, art. 1, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De toepassing van de wet wordt verruimd tot de gerechtigden op een doctoraatsbeurs, die in toepassing van de fiscale wetgeving vrijgesteld is van belasting, en tot de gerechtigden op een postdoctoraatsbeurs, voor zover de doctoraats- of postdoctoraatsbeurs toegekend wordt door een door private personen ingerichte universitaire instelling, bedoeld bij artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden of bij artikel 3 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap; deze instelling wordt beschouwd als hun werkgever.
  [2 Wat betreft de doctoraatsbeurs of de postdoctoraatsbeurs, die aan bovenvermelde voorwaarden voldoet, maar die toegekend wordt aan personen die niet in aanmerking komen voor de toepassing van de Europese verordeningen betreffende de sociale zekerheid, noch voor de toepassing van de internationale overeenkomsten inzake sociale zekerheid waar België door gebonden is, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging en uitkeringen, en tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.]2
 Â
  [2 Wat betreft de doctoraatsbeurs of de postdoctoraatsbeurs, die aan bovenvermelde voorwaarden voldoet, maar die toegekend wordt aan personen die niet in aanmerking komen voor de toepassing van de Europese verordeningen betreffende de sociale zekerheid, noch voor de toepassing van de internationale overeenkomsten inzake sociale zekerheid waar België door gebonden is, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging en uitkeringen, en tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.]2
 Â
Art. 3bis. <AR 2003-03-26/61, art. 1, 116; En vigueur : 01-07-2003> L'application de la loi est étendue aux bénéficiaires d'une bourse de doctorat, faisant l'objet d'une exonération fiscale en application de la législation fiscale, et aux bénéficiaires d'une bourse de post doctorat, pour autant que la bourse de doctorat ou de post doctorat soit octroyée par une institution universitaire, organisée par des personnes privées et visée à l'article 1er du décret de la Communauté française du 5 septembre 1994 relatif au régime des études universitaires et des grades académiques ou à l'article 3 du décret de la Communauté flamande du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande; cette institution est considérée comme étant leur employeur.
  [2 Concernant la bourse de doctorat ou la bourse de post-doctorat, satisfaisant aux conditions susmentionnées, mais étant attribuée aux personnes qui ne bénéficient ni de l'application des rÚglements Européens qui concernent la sécurité sociale, ni de l'application des conventions internationales qui concernent la sécurité sociale par lesquelles la Belgique est liée, l'application de la loi est limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé et des indemnités, et au régime des vacances annuelles des travailleurs salariés.]2
 Â
  [2 Concernant la bourse de doctorat ou la bourse de post-doctorat, satisfaisant aux conditions susmentionnées, mais étant attribuée aux personnes qui ne bénéficient ni de l'application des rÚglements Européens qui concernent la sécurité sociale, ni de l'application des conventions internationales qui concernent la sécurité sociale par lesquelles la Belgique est liée, l'application de la loi est limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé et des indemnités, et au régime des vacances annuelles des travailleurs salariés.]2
 Â
Art. 4. [1 De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, wat de leerlingen betreft, en dit tot 31 december van het jaar waarin ze de leeftijd van achttien jaar bereiken.]1
 Â
 Â
Art. 4. [1 L'application de la loi est limitée au régime des vacances annuelles des travailleurs salariés, en ce qui concerne les apprentis, et ce jusqu'au 31 décembre de l'année dans laquelle ils atteignent l'ùge de dix-huit ans.]1
 Â
 Â
Art. 5bis. <KB 1984-08-13/34, art. 2, 005> De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte- en invaliditeit, de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers [1 ...]1 en de regeling betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid, wat de werknemers betreft die tijdens de periode (die eindigt op 31 december van het jaar waarin zij de leeftijd van achttien jaar bereiken,) krachtens een arbeidsovereenkomst (...) tewerkgesteld zijn. <KB 2001-11-30/53, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 01-04-2000> <KB 2003-05-16/41, art. 32, 117; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 5bis. <AR 1984-08-13/34, art. 2, 005> L'application de la loi est limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, au régime des vacances annuelles des travailleurs salariés [1 ...]1 et au régime de l'emploi et du chÎmage, en ce qui concerne les travailleurs qui, pendant la période (qui se termine au 31 décembre de l'année dans laquelle ils atteignent l'ùge de dix-huit ans,) sont mis au travail en vertu d'un contrat de travail (...). <AR 2001-11-30/53, art. 1, 102; En vigueur : 01-04-2000> <AR 2003-05-16/41, art. 32, 117; En vigueur : 01-01-2004>
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 7. § 1. [1 De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en tot de regeling betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid voor werknemers wat betreft de private personen die een instelling voor niet-universitair onderwijs inrichten alsmede de leden van het personeel dat zij tewerkstellen en die de weddetoelage ten laste van een Gemeenschap of van andere publiekrechtelijke personen ontvangen.
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer het genot van de weddetoelage aanspraak doet ontstaan op een pensioen ten laste van de Schatkist of wanneer belanghebbenden inzake pensioen op dezelfde wijze behandeld worden als de stagiairs van het Gemeenschapsonderwijs.]1
  § 2. [1 De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging voor de vastbenoemde of daarmee gelijkgestelde personeelsleden die bij of krachtens een decreet met behoud van hun rechtspositieregeling, met inbegrip van alle toekomstige wijzigingen, vanuit een hogeschool overgedragen zijn aan een universiteit.
  De in het eerste lid vermelde beperking geldt niet voor personeelsleden die door een universiteit overgenomen zijn met toepassing van de rechtspositieregeling van de universiteit.]1
  § 3. (De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging [2 ...]2, wat betreft de private personen die een instelling voor universitair onderwijs inrichten alsmede de leden van het academisch personeel die zij er tewerkstellen.
  Onder academisch personeel dient te worden verstaan :
  a) het vastbenoemd zelfstandig academisch personeel van de vrije universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap;
  b) het vastbenoemd academisch en wetenschappelijk personeel van de vrije universiteiten van de Franse Gemeenschap.) <KB 2002-07-07/34, art. 1, 107; Inwerkingtreding : 23-07-2002>
 Â
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer het genot van de weddetoelage aanspraak doet ontstaan op een pensioen ten laste van de Schatkist of wanneer belanghebbenden inzake pensioen op dezelfde wijze behandeld worden als de stagiairs van het Gemeenschapsonderwijs.]1
  § 2. [1 De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging voor de vastbenoemde of daarmee gelijkgestelde personeelsleden die bij of krachtens een decreet met behoud van hun rechtspositieregeling, met inbegrip van alle toekomstige wijzigingen, vanuit een hogeschool overgedragen zijn aan een universiteit.
  De in het eerste lid vermelde beperking geldt niet voor personeelsleden die door een universiteit overgenomen zijn met toepassing van de rechtspositieregeling van de universiteit.]1
  § 3. (De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging [2 ...]2, wat betreft de private personen die een instelling voor universitair onderwijs inrichten alsmede de leden van het academisch personeel die zij er tewerkstellen.
  Onder academisch personeel dient te worden verstaan :
  a) het vastbenoemd zelfstandig academisch personeel van de vrije universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap;
  b) het vastbenoemd academisch en wetenschappelijk personeel van de vrije universiteiten van de Franse Gemeenschap.) <KB 2002-07-07/34, art. 1, 107; Inwerkingtreding : 23-07-2002>
 Â
Art. 7. § 1. [1 L'application de la loi est limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, au régime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariés et au régime de l'emploi et du chÎmage, en ce qui concerne les personnes privées qui organisent un établissement d'enseignement non universitaire ainsi que les membres du personnel qu'elles occupent et qui bénéficient d'une subvention-traitement à charge d'une Communauté ou d'une autre personne de droit public.
  L'application de la loi est toutefois limitĂ©e au rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur des soins de santĂ©, lorsque le bĂ©nĂ©fice de la subvention-traitement crĂ©e des titres Ă une pension Ă charge du TrĂ©sor public ou lorsque les intĂ©ressĂ©s sont mis, en matiĂšre de pension, sur le mĂȘme pied que les stagiaires de l'enseignement de la CommunautĂ©.]1
  § 2. [1 L'application de la loi est limitée au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteurs des soins de santé pour les membres du personnel nommés à titre définitif ou y assimilés qui, par ou en vertu d'un décret, sont transférés d'une école supérieure à une université avec maintien de leur statut juridique, en ce compris toutes les modifications futures.
  La limitation prévue à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux membres du personnel qui sont repris par une université en application du statut juridique de l'université.]1
  § 3. (L'application de la loi est limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé [2 ...]2, en ce qui concerne les personnes privées qui organisent un établissement d'enseignement universitaire ainsi que les membres du personnel académique qu'elles y occupent.
  Il faut entendre par personnel académique :
  a) le personnel académique autonome nommé à titre définitif des universités libres de la Communauté flamande;
  b) le personnel académique et scientifique nommé à titre définitif des universités libres de la Communauté française.) <AR 2002-07-07/34, art. 1, 107; En vigueur : 23-07-2002>
 Â
  L'application de la loi est toutefois limitĂ©e au rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur des soins de santĂ©, lorsque le bĂ©nĂ©fice de la subvention-traitement crĂ©e des titres Ă une pension Ă charge du TrĂ©sor public ou lorsque les intĂ©ressĂ©s sont mis, en matiĂšre de pension, sur le mĂȘme pied que les stagiaires de l'enseignement de la CommunautĂ©.]1
  § 2. [1 L'application de la loi est limitée au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteurs des soins de santé pour les membres du personnel nommés à titre définitif ou y assimilés qui, par ou en vertu d'un décret, sont transférés d'une école supérieure à une université avec maintien de leur statut juridique, en ce compris toutes les modifications futures.
  La limitation prévue à l'alinéa 1er ne s'applique pas aux membres du personnel qui sont repris par une université en application du statut juridique de l'université.]1
  § 3. (L'application de la loi est limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé [2 ...]2, en ce qui concerne les personnes privées qui organisent un établissement d'enseignement universitaire ainsi que les membres du personnel académique qu'elles y occupent.
  Il faut entendre par personnel académique :
  a) le personnel académique autonome nommé à titre définitif des universités libres de la Communauté flamande;
  b) le personnel académique et scientifique nommé à titre définitif des universités libres de la Communauté française.) <AR 2002-07-07/34, art. 1, 107; En vigueur : 23-07-2002>
 Â
Art. 8. De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en tot de regeling voor arbeidersvoorziening en werkloosheid, wat betreft de private personen die een dienst voor school- en beroepsorientering of een psycho-medisch-sociaal centrum inrichten alsmede de leden van hun personeel die een weddetoelage (van een Gemeenschap) ontvangen. <KB 1991-02-15/31, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte- en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer belanghebbenden aanspraak maken op het pensioen, ingesteld bij de wet van 31 juli 1963 betreffende het pensioen van het personeel van de diensten voor scholen beroepsoriëntering en van de psycho-medisch-sociale centra, die een weddetoelage (van een Gemeenschap) ontvangen. <KB 1991-02-15/31, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte- en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer belanghebbenden aanspraak maken op het pensioen, ingesteld bij de wet van 31 juli 1963 betreffende het pensioen van het personeel van de diensten voor scholen beroepsoriëntering en van de psycho-medisch-sociale centra, die een weddetoelage (van een Gemeenschap) ontvangen. <KB 1991-02-15/31, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
Art. 8. L'application de la loi est limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, au régime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariés, et au régime de l'emploi et du chÎmage, en ce qui concerne les personnes privées qui organisent un office d'orientation scolaire et professionnelle ou un centre psycho-médico-social ainsi que les membres de leur personnel qui bénéficient de la subvention-traitement (d'une Communauté) <AR 1991-02-15/31, art. 2, 035, En vigueur : 17-03-1991>
  L'application de la loi est toutefois limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé, lorsque les intéressés se créent des titres à la pension prévue par la loi du 31 juillet 1963 relative à la pension des membres du personnel des offices d'orientation scolaire et professionnelle et des centres psycho-médico-sociaux qui reçoivent une subvention-traitement (d'une Communauté.) <AR 1991-02-15/31, art. 2, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  L'application de la loi est toutefois limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé, lorsque les intéressés se créent des titres à la pension prévue par la loi du 31 juillet 1963 relative à la pension des membres du personnel des offices d'orientation scolaire et professionnelle et des centres psycho-médico-sociaux qui reçoivent une subvention-traitement (d'une Communauté.) <AR 1991-02-15/31, art. 2, 035; En vigueur : 17-03-1991>
Art. 8bis. <KB 2007-04-21/44, art. 1, 133; Inwerkingtreding : 01-01-2007 ; Opheffing : 01-01-2010 in wat betreft art. 8bis, § 1, tweede lid, 4°, § 2, tweede lid en § 3, tweede lid> §1. De toepassing van de wet wordt beperkt tot de regeling voor de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling van de werkloosheid, [8 en tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers]8, wat betreft de gelegenheidsarbeiders tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf of het Paritair Comité voor de landbouw.
  In de zin van dit artikel wordt als gelegenheidsarbeider beschouwd :
  1° [12 wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf ressorteren [14 ...]14: de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal [14 100 dagen]14 per kalenderjaar, tenzij de tewerkstelling bestaat uit het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen;[13 ...]13]12
  2° wat de handarbeiders betreft die ressorteren onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren [14 , met uitzondering, [15 voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025, van de handarbeiders die tewerkgesteld zijn in een onderneming met als hoofdactiviteit, een activiteit die beantwoordt aan een omschrijving zoals opgenomen onder NACE-code 01.4 of onder NACE-code 01.5 met betrekking tot de activiteiten die het fokken van dieren betreffen]15]14 : de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de werkgever of de gebruiker van diensten, gedurende maximaal [14 50 dagen]14 per kalenderjaar;
  3° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 65 dagen per kalenderjaar bij een gebruiker die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, met uitsluiting van het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen ressorteert en de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de gebruiker die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteert, gedurende maximaal 30 dagen per kalenderjaar;
  4° [14 [15 voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025, wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn in een onderneming met als hoofdactiviteit, een activiteit die beantwoordt aan een omschrijving zoals opgenomen onder NACE-code 01.4 of onder NACE-code 01.5 met betrekking tot de activiteiten die het fokken van dieren betreffen: de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 100 halve dagen per kalenderjaar voor de activiteiten die beantwoorden aan een omschrijving zoals opgenomen onder NACE-code 01.4 of onder NACE-code 01.5 met betrekking tot de activiteiten die het fokken van dieren betreffen]15. Onder "halve dag" wordt verstaan, een periode van 4 uur tussen middernacht en twaalf uur 's middags of tussen twaalf uur 's middags en middernacht. Indien het aantal uren wordt overschreden of bij overlapping over twee periodes, worden deze als twee halve dagen geteld.]14
  [4 5° [14 ...]14]4
  [11 6° [13 ...]13]11
  [13 ...]13
  [13 § 1/1. [14 ...]14]13
  § 2. De beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, wordt beperkt tot maximaal [14 100 dagen]14 per handarbeider en per kalenderjaar.
  [1 Voor de gelegenheidsarbeiders in de champignonteelt moet de tewerkstelling plaatsvinden bij één of meerdere werkgevers gedurende de periode van intense activiteit, beperkt per kalenderjaar tot 156 dagen per werkgever.[4 Wanneer de voorwaarden vermeld in § 2bis vervuld zijn, wordt de tewerkstelling van de werknemer niet beperkt tot de periode van intense activiteit van 156 dagen per kalenderjaar.]4]1
  [14 ...]14
  [13 ...]13
  [13 § 2/1. [14 ...]14]13
  [4 § 2bis. [14 In afwijking van § 2, eerste lid, moet, voor de gelegenheidsarbeiders in de champignonteelt, de tewerkstelling bij één of meerdere werkgevers plaatsvinden gedurende de periode van intense activiteit, beperkt tot 156 dagen per werkgever per kalenderjaar. De tewerkstelling van de werknemer wordt niet beperkt tot de periode van intense activiteit van 156 dagen per kalenderjaar voor zover gelijktijdig aan volgende voorwaarden is voldaan :]14
  1° de betrokken werkgever verbindt zich ertoe het werk in zijn onderneming met eigen personeel, ingeschreven en aangegeven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf uit te voeren.
  2° [14 ...]14
  3° de betrokken werkgever toont ieder jaar een tewerkstellingsvolume aan, uitgedrukt in voltijdse equivalent, dat minstens gelijk is aan het gemiddelde van de vier multifunctionele-aangiften bij de Rijksdienst voor Sociale zekerheid voor het kalenderjaar 2011.
  4° Het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf bekijkt jaarlijks of er voldaan is aan de voorwaarden onder 1°, 2° en 3°, evenals aan het naleven van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten. Om na te gaan of de tewerkstellingsnorm bedoeld in 3° is nageleefd, vergelijkt het per werkgever het tewerkstellingsvolume van het afgelopen jaar met het tewerkstellingsvolume van het jaar 2011.
  5° de betrokken werkgever moet een schriftelijke aanvraag richten aan de voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf, waarbij hij de cijfergegevens bedoeld onder 3° hierboven toevoegt en een verbintenis aangaat zoals vermeld onder 1°. Voor de ondernemingen waar een overlegorgaan bestaat, zoals een ondernemingsraad, een comité voor preventie en bescherming op het werk of een vakbondsafvaardiging, moet het akkoord van de werknemersvertegenwoordiging toegevoegd worden.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 4°, bezorgt de voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf het jaarlijks evaluatieverslag van voornoemd comité uiterlijk tegen 30 april aan de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk.
  Het jaarlijkse evaluatieverslag vermeld in de tweede lid wordt door de Minister van Werk aan de Nationale Arbeidsraad bezorgd.
  De Minister van Sociale Zaken beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen om zich uit te spreken over het respecteren van de voorwaarden onder eerste lid 1°, 2° en 3° en van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten en over het geheel of gedeeltelijk invorderen van de vrijgestelde bijdragen voor het betrokken kwartaal. Deze termijn begint te lopen vanaf het bezorgen van het verslag door de voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf. Indien de Minister van Sociale Zaken binnen deze termijn geen beslissing neemt, dan wordt de beslissing geacht positief te zijn.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 5°, moeten de schriftelijke aanvraag en verbintenis jaarlijks hernieuwd worden voor het daaropvolgende kalenderjaar, zodra de multifunctionele-aangiften van het lopende kalenderjaar gekend zijn.
  De voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf bezorgt de lijst van de werkgevers die een dergelijke aanvraag en verbintenis hebben bezorgd, aan de leden van de werkgroep "champignonteelt" van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf. De lijst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf. De goedgekeurde lijst wordt aan de Rijksdienst voor Sociale zekerheid bezorgd.
  Het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf stelt een modeldocument op voor deze schriftelijke aanvraag en verbintenis.
  De individuele bedrijfsregeling wordt jaarlijks geëvalueerd in de daartoe opgerichte werkgroep "champignonteelt" van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf.]4
  [13 ...]13
  [13 § 2bis/1. [14 ...]14]13
  [11 § 2ter.[13 ...]13]11
  § 3. In geval van werkzaamheden uitgevoerd bij werkgevers of gebruikers die zowel onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf als onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren, is de toepassing van dit artikel beperkt tot 65 dagen per arbeider en per kalenderjaar. Wanneer de gelegenheidsarbeider bedoeld in § 1, tweede lid, eveneens een gelegenheidsactiviteit uitoefent in de zin van [3 artikel 31ter]3 van dit besluit, is de cumulatie van de verschillende gelegenheidsactiviteiten beperkt tot [14 100 dagen]14 per kalenderjaar.
  [14 ...]14
  [14 Voor de toepassing van het eerste lid wordt één dag beschouwd als twee halve dagen voor de handarbeiders in een onderneming zoals bedoeld in § 1, tweede lid, 4°, met dien verstande dat het aantal gepresteerde dagen in deze laatste onderneming beperkt is tot maximaal 50 volledige of 100 halve dagen per handarbeider en per kalenderjaar.
  In geval van werkzaamheden uitgevoerd bij werkgevers of gebruikers die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren en waarbij deels prestaties worden geleverd in een onderneming als bedoeld in § 1, tweede lid, 2°, en deels in een onderneming als bedoeld in § 1, tweede lid, 4°, wordt de toepassing van dit artikel beperkt tot maximaal 50 volledige of 100 halve dagen per handarbeider en per kalenderjaar, waarbij enkel voor wat de prestaties in een onderneming als bedoeld in § 1, tweede lid, 4° betreft, in halve dagen mag worden geteld.]14
  § 4. [1 De werkgever doet een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling overeenkomstig artikel 5bis of 6 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
  [12 Wordt niet als gelegenheidsarbeider in de zin van dit artikel beschouwd, de werknemer die in de loop van de 180 voorafgaande dagen in dezelfde onderneming heeft gewerkt met toepassing van de wet in een andere hoedanigheid dan die van gelegenheidsarbeider zoals hier omschreven.]12
  Wanneer nagelaten is de gelegenheidsarbeiders in te schrijven in de ter zake opgelegde sociale documenten of wanneer de werkgever nalaat de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling dagelijks te doen overeenkomstig artikel 5bis, § 2 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, kunnen de betrokken werknemers voor het hele kalenderjaar waarin dit werd nagelaten, niet in de hoedanigheid van gelegenheidsarbeiders bij deze werkgever bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid worden aangegeven.
  Voor de werknemers die nog niet in het bezit zijn van het gelegenheidsformulier, vraagt de werkgever vóór de tewerkstelling van deze werknemers het formulier voor het vaststellen van het aantal dagen tewerkstelling respectievelijk in de tuinbouwsector of de landbouwsector bij de instelling aangeduid door de Ministers van Werk en van Sociale Zaken. Deze ministers bepalen het model, de voorwaarden voor het afleveren en het bijhouden van dit formulier; in geen enkel geval wordt een duplicaat afgeleverd.
  De werkgever parafeert eenmaal per week de aantekeningen van de werknemer. Indien de werkgever het gelegenheidsformulier niet parafeert, worden de aantekeningen van de werknemer als correct beschouwd tenzij het tegendeel wordt bewezen.]1
  [12 Voor de toepassing van deze paragraaf verstaat men onder dezelfde onderneming, het geheel van juridische entiteiten die worden bestuurd door dezelfde bestuurders en/ of beheerders of die behoren tot dezelfde technische bedrijfseenheid zoals bedoeld in de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.]12
  [11 § 4/1. [12 Voor de berekening van de 180 dagen, bedoeld in paragraaf 4, wordt geen rekening gehouden met een tewerkstelling in de onderneming tijdens genoemde periode, wanneer deze werd uitgevoerd in het kader van een contract voor bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk van maximaal zes opeenvolgende kalenderweken.]12
  § 4/2. [12 In afwijking van paragraaf 4 is de 180-dagenregel niet van toepassing op de werknemer die als gelegenheidswerknemer in dezelfde onderneming wenst te werken nadat diens arbeidsovereenkomst op de wettelijke pensioenleeftijd werd beëindigd.]12]11
  [13 § 5. Deze regelingen worden vijfjaarlijks geëvalueerd in de betrokken paritaire comités. Deze evaluaties worden overgemaakt aan de Nationale Arbeidsraad.]13
 Â
  In de zin van dit artikel wordt als gelegenheidsarbeider beschouwd :
  1° [12 wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf ressorteren [14 ...]14: de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal [14 100 dagen]14 per kalenderjaar, tenzij de tewerkstelling bestaat uit het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen;[13 ...]13]12
  2° wat de handarbeiders betreft die ressorteren onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren [14 , met uitzondering, [15 voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025, van de handarbeiders die tewerkgesteld zijn in een onderneming met als hoofdactiviteit, een activiteit die beantwoordt aan een omschrijving zoals opgenomen onder NACE-code 01.4 of onder NACE-code 01.5 met betrekking tot de activiteiten die het fokken van dieren betreffen]15]14 : de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de werkgever of de gebruiker van diensten, gedurende maximaal [14 50 dagen]14 per kalenderjaar;
  3° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid ressorteren : de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 65 dagen per kalenderjaar bij een gebruiker die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf, met uitsluiting van het aanplanten en onderhouden van parken en tuinen ressorteert en de handarbeider tewerkgesteld aan werken op de eigen gronden van de gebruiker die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteert, gedurende maximaal 30 dagen per kalenderjaar;
  4° [14 [15 voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025, wat de handarbeiders betreft die tewerkgesteld zijn in een onderneming met als hoofdactiviteit, een activiteit die beantwoordt aan een omschrijving zoals opgenomen onder NACE-code 01.4 of onder NACE-code 01.5 met betrekking tot de activiteiten die het fokken van dieren betreffen: de handarbeider tewerkgesteld gedurende maximaal 100 halve dagen per kalenderjaar voor de activiteiten die beantwoorden aan een omschrijving zoals opgenomen onder NACE-code 01.4 of onder NACE-code 01.5 met betrekking tot de activiteiten die het fokken van dieren betreffen]15. Onder "halve dag" wordt verstaan, een periode van 4 uur tussen middernacht en twaalf uur 's middags of tussen twaalf uur 's middags en middernacht. Indien het aantal uren wordt overschreden of bij overlapping over twee periodes, worden deze als twee halve dagen geteld.]14
  [4 5° [14 ...]14]4
  [11 6° [13 ...]13]11
  [13 ...]13
  [13 § 1/1. [14 ...]14]13
  § 2. De beperking van de onderwerping bedoeld in § 1, eerste lid, wordt beperkt tot maximaal [14 100 dagen]14 per handarbeider en per kalenderjaar.
  [1 Voor de gelegenheidsarbeiders in de champignonteelt moet de tewerkstelling plaatsvinden bij één of meerdere werkgevers gedurende de periode van intense activiteit, beperkt per kalenderjaar tot 156 dagen per werkgever.[4 Wanneer de voorwaarden vermeld in § 2bis vervuld zijn, wordt de tewerkstelling van de werknemer niet beperkt tot de periode van intense activiteit van 156 dagen per kalenderjaar.]4]1
  [14 ...]14
  [13 ...]13
  [13 § 2/1. [14 ...]14]13
  [4 § 2bis. [14 In afwijking van § 2, eerste lid, moet, voor de gelegenheidsarbeiders in de champignonteelt, de tewerkstelling bij één of meerdere werkgevers plaatsvinden gedurende de periode van intense activiteit, beperkt tot 156 dagen per werkgever per kalenderjaar. De tewerkstelling van de werknemer wordt niet beperkt tot de periode van intense activiteit van 156 dagen per kalenderjaar voor zover gelijktijdig aan volgende voorwaarden is voldaan :]14
  1° de betrokken werkgever verbindt zich ertoe het werk in zijn onderneming met eigen personeel, ingeschreven en aangegeven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, onder het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf uit te voeren.
  2° [14 ...]14
  3° de betrokken werkgever toont ieder jaar een tewerkstellingsvolume aan, uitgedrukt in voltijdse equivalent, dat minstens gelijk is aan het gemiddelde van de vier multifunctionele-aangiften bij de Rijksdienst voor Sociale zekerheid voor het kalenderjaar 2011.
  4° Het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf bekijkt jaarlijks of er voldaan is aan de voorwaarden onder 1°, 2° en 3°, evenals aan het naleven van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten. Om na te gaan of de tewerkstellingsnorm bedoeld in 3° is nageleefd, vergelijkt het per werkgever het tewerkstellingsvolume van het afgelopen jaar met het tewerkstellingsvolume van het jaar 2011.
  5° de betrokken werkgever moet een schriftelijke aanvraag richten aan de voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf, waarbij hij de cijfergegevens bedoeld onder 3° hierboven toevoegt en een verbintenis aangaat zoals vermeld onder 1°. Voor de ondernemingen waar een overlegorgaan bestaat, zoals een ondernemingsraad, een comité voor preventie en bescherming op het werk of een vakbondsafvaardiging, moet het akkoord van de werknemersvertegenwoordiging toegevoegd worden.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 4°, bezorgt de voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf het jaarlijks evaluatieverslag van voornoemd comité uiterlijk tegen 30 april aan de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk.
  Het jaarlijkse evaluatieverslag vermeld in de tweede lid wordt door de Minister van Werk aan de Nationale Arbeidsraad bezorgd.
  De Minister van Sociale Zaken beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen om zich uit te spreken over het respecteren van de voorwaarden onder eerste lid 1°, 2° en 3° en van de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten en over het geheel of gedeeltelijk invorderen van de vrijgestelde bijdragen voor het betrokken kwartaal. Deze termijn begint te lopen vanaf het bezorgen van het verslag door de voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf. Indien de Minister van Sociale Zaken binnen deze termijn geen beslissing neemt, dan wordt de beslissing geacht positief te zijn.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, 5°, moeten de schriftelijke aanvraag en verbintenis jaarlijks hernieuwd worden voor het daaropvolgende kalenderjaar, zodra de multifunctionele-aangiften van het lopende kalenderjaar gekend zijn.
  De voorzitter van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf bezorgt de lijst van de werkgevers die een dergelijke aanvraag en verbintenis hebben bezorgd, aan de leden van de werkgroep "champignonteelt" van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf. De lijst wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf. De goedgekeurde lijst wordt aan de Rijksdienst voor Sociale zekerheid bezorgd.
  Het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf stelt een modeldocument op voor deze schriftelijke aanvraag en verbintenis.
  De individuele bedrijfsregeling wordt jaarlijks geëvalueerd in de daartoe opgerichte werkgroep "champignonteelt" van het paritair comité voor het tuinbouwbedrijf.]4
  [13 ...]13
  [13 § 2bis/1. [14 ...]14]13
  [11 § 2ter.[13 ...]13]11
  § 3. In geval van werkzaamheden uitgevoerd bij werkgevers of gebruikers die zowel onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf als onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren, is de toepassing van dit artikel beperkt tot 65 dagen per arbeider en per kalenderjaar. Wanneer de gelegenheidsarbeider bedoeld in § 1, tweede lid, eveneens een gelegenheidsactiviteit uitoefent in de zin van [3 artikel 31ter]3 van dit besluit, is de cumulatie van de verschillende gelegenheidsactiviteiten beperkt tot [14 100 dagen]14 per kalenderjaar.
  [14 ...]14
  [14 Voor de toepassing van het eerste lid wordt één dag beschouwd als twee halve dagen voor de handarbeiders in een onderneming zoals bedoeld in § 1, tweede lid, 4°, met dien verstande dat het aantal gepresteerde dagen in deze laatste onderneming beperkt is tot maximaal 50 volledige of 100 halve dagen per handarbeider en per kalenderjaar.
  In geval van werkzaamheden uitgevoerd bij werkgevers of gebruikers die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren en waarbij deels prestaties worden geleverd in een onderneming als bedoeld in § 1, tweede lid, 2°, en deels in een onderneming als bedoeld in § 1, tweede lid, 4°, wordt de toepassing van dit artikel beperkt tot maximaal 50 volledige of 100 halve dagen per handarbeider en per kalenderjaar, waarbij enkel voor wat de prestaties in een onderneming als bedoeld in § 1, tweede lid, 4° betreft, in halve dagen mag worden geteld.]14
  § 4. [1 De werkgever doet een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling overeenkomstig artikel 5bis of 6 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
  [12 Wordt niet als gelegenheidsarbeider in de zin van dit artikel beschouwd, de werknemer die in de loop van de 180 voorafgaande dagen in dezelfde onderneming heeft gewerkt met toepassing van de wet in een andere hoedanigheid dan die van gelegenheidsarbeider zoals hier omschreven.]12
  Wanneer nagelaten is de gelegenheidsarbeiders in te schrijven in de ter zake opgelegde sociale documenten of wanneer de werkgever nalaat de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling dagelijks te doen overeenkomstig artikel 5bis, § 2 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, kunnen de betrokken werknemers voor het hele kalenderjaar waarin dit werd nagelaten, niet in de hoedanigheid van gelegenheidsarbeiders bij deze werkgever bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid worden aangegeven.
  Voor de werknemers die nog niet in het bezit zijn van het gelegenheidsformulier, vraagt de werkgever vóór de tewerkstelling van deze werknemers het formulier voor het vaststellen van het aantal dagen tewerkstelling respectievelijk in de tuinbouwsector of de landbouwsector bij de instelling aangeduid door de Ministers van Werk en van Sociale Zaken. Deze ministers bepalen het model, de voorwaarden voor het afleveren en het bijhouden van dit formulier; in geen enkel geval wordt een duplicaat afgeleverd.
  De werkgever parafeert eenmaal per week de aantekeningen van de werknemer. Indien de werkgever het gelegenheidsformulier niet parafeert, worden de aantekeningen van de werknemer als correct beschouwd tenzij het tegendeel wordt bewezen.]1
  [12 Voor de toepassing van deze paragraaf verstaat men onder dezelfde onderneming, het geheel van juridische entiteiten die worden bestuurd door dezelfde bestuurders en/ of beheerders of die behoren tot dezelfde technische bedrijfseenheid zoals bedoeld in de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.]12
  [11 § 4/1. [12 Voor de berekening van de 180 dagen, bedoeld in paragraaf 4, wordt geen rekening gehouden met een tewerkstelling in de onderneming tijdens genoemde periode, wanneer deze werd uitgevoerd in het kader van een contract voor bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk van maximaal zes opeenvolgende kalenderweken.]12
  § 4/2. [12 In afwijking van paragraaf 4 is de 180-dagenregel niet van toepassing op de werknemer die als gelegenheidswerknemer in dezelfde onderneming wenst te werken nadat diens arbeidsovereenkomst op de wettelijke pensioenleeftijd werd beëindigd.]12]11
  [13 § 5. Deze regelingen worden vijfjaarlijks geëvalueerd in de betrokken paritaire comités. Deze evaluaties worden overgemaakt aan de Nationale Arbeidsraad.]13
 Â
Wijzigingen
Art. 8bis. <AR 2007-04-21/44, art. 1, 133; En vigueur : 01-01-2007 ; Abrogé : 01-01-2010 en ce qui concerne l'art. 8bis, § 1er, alinéa 2, 4°, § 2, alinéa 2 et § 3, alinéa 2> § 1er. L'application de la loi est limitée au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, au régime du chÎmage, [8 et au régime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariés]8 en ce qui concerne les travailleurs occasionnels occupés chez un employeur ressortissant à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles ou à la Commission paritaire de l'agriculture.
  Au sens du présent article, est considéré comme travailleur occasionnel :
  1° [12 en ce qui concerne les travailleurs manuels ressortissant à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles [14 ...]14 : le travailleur manuel occupé durant un maximum de [14 100 jours]14 par année civile à moins que l'emploi ne consiste en la plantation et l'entretien de parcs et jardins; [13 ...]13]12
  2° en ce qui concerne les travailleurs manuels ressortissant à la Commission paritaire de l'agriculture [14 , à l'exception, [15 pour la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2025 inclus, des travailleurs manuels occupés au sein d'une entreprise ayant pour activité principale, une activité qui répond à une description incluse sous le code NACE 01.4 ou sous le code NACE 01.5 en ce qui concerne les activités relatives à l'élevage d'animaux]15]14 : le travailleur manuel occupé aux travaux sur les terrains propres de l'employeur ou de l'utilisateur de services, durant un maximum de [14 50 jours]14 par année civile;
  3° en ce qui concerne les travailleurs relevant de la Commission paritaire pour le travail intérimaire : le travailleur manuel qui est occupé auprÚs d'un utilisateur qui relÚve de la Commission paritaire pour les entreprises horticoles à l'exception de la plantation et de l'entretien des parcs et jardins durant un maximum de 65 jours par année civile ainsi que le travailleur manuel qui est occupé aux travaux sur les terrains propres de l'utilisateur qui relÚve de la commission paritaire de l'agriculture, durant un maximum de 30 jours par année civile;
  4° [14 [15 pour la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2025 inclus, en ce qui concerne les travailleurs manuels occupés au sein d'une entreprise ayant pour activité principale, une activité qui répond à une description incluse sous le code NACE 01.4 ou sous le code NACE 01.5 en ce qui concerne les activités relatives à l'élevage d'animaux : le travailleur manuel occupé durant un maximum de 100 demi-jours par année civile pour les activités qui répondent à une description incluse sous le code NACE 01.4 ou sous le code NACE 01.5 en ce qui concerne les activités relatives à l'élevage d'animaux.]15 Il y a lieu d'entendre par " demi-jour ", une période de 4 heures entre minuit et midi ou entre midi et minuit. En cas de dépassement du nombre d'heures ou en cas de chevauchement sur deux périodes, celles-ci sont comptabilisées comme deux demi-jours.]14
  [4 5° [14 ...]14]4
  [11 6° [13 ...]13]11
  [13 ...]13
  [13 § 1er/1. [14 ...]14]13
  § 2. La limitation à l'assujettissement visée au § 1er, alinéa 1er, est limitée à maximum [14 100 jours]14 par travailleur manuel et par année civile.
  [1 Pour les travailleurs occasionnels du secteur de la culture des champignons, l'occupation doit avoir lieu chez un ou plusieurs employeurs pendant la période d'intense activité limitée à 156 jours par employeur par année civile.[4 Lorsque les conditions mentionnées au § 2bis sont remplies, l'occupation du travailleur n'est pas limitée à la période d'intense activité de 156 jours par année civile.]4]1
  [14 ...]14
  [13 ...]13
  [13 § 2/1. [14 ...]14]13
  [4 § 2bis. [14 Par dérogation au § 2, alinéa 1er, pour les travailleurs occasionnels du secteur de la culture des champignons, l'occupation doit avoir lieu chez un ou plusieurs employeurs pendant la période d'intense activité limitée à 156 jours par employeur par année civile. L'occupation du travailleur n'est pas limitée à la période d'intense activité de 156 jours par année civile pour autant que les conditions suivantes soient réunies :]14
  1° l'employeur concerné s'engage à faire effectuer le travail au sein de son entreprise, avec son propre personnel enregistré et déclaré à l'Office national de Sécurité sociale et dans le cadre de la commission paritaire pour les entreprises horticoles;
  2° [14 ...]14
  3° l'employeur concerné atteste chaque année un volume d'emploi, exprimé en équivalent temps plein, au moins équivalent par rapport à la moyenne des quatre déclarations multifonctionnelles introduites auprÚs de l'Office national de Sécurité sociale pour l'année civile 2011;
  4° la commission paritaire pour les entreprises horticoles examine annuellement s'il est satisfait aux conditions sous 1°, 2° et 3° ainsi qu'au respect des conventions collectives de travail du secteur. Pour vérifier le respect de la norme de volume d'emploi visée au 3°, elle compare par employeur le volume d'emploi de l'année écoulée avec le volume d'emploi de l'année 2011.
  5° l'employeur concernĂ© adresse une demande Ă©crite au prĂ©sident de la commission paritaire pour les entreprises horticoles, en ajoutant les donnĂ©es chiffrĂ©es visĂ©es au 3° et en s'engageant comme mentionnĂ© au 1°. Pour les entreprises oĂč il existe un organe de concertation tel qu'un conseil d'entreprise, un comitĂ© pour la prĂ©vention et la protection au travail ou une dĂ©lĂ©gation syndicale, il convient de joindre l'accord de la reprĂ©sentation des travailleurs.
  Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, 4°, le président de la commission paritaire pour les entreprises horticoles transmet le rapport annuel d'évaluation de la commission précitée au plus tard pour le 30 avril au Ministre des Affaires sociales et au Ministre de l'Emploi.
  Le Ministre de l'Emploi transmet le rapport annuel d'évaluation visé à l'alinéa 2 au Conseil national du Travail.
  Le Ministre des Affaires sociales dispose d'un dĂ©lai de quinze jours civils pour se prononcer au sujet du respect des conditions visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er, 1°, 2° et 3° et des conventions collectives de travail du secteur et du recouvrement total ou partiel des cotisations exonĂ©rĂ©es pour le trimestre en question. Ce dĂ©lai prend cours Ă partir de la transmission du rapport par le prĂ©sident de la commission paritaire pour les entreprises horticoles. Si le Ministre des Affaires sociales ne prend pas de dĂ©cision dans ce dĂ©lai, la dĂ©cision est censĂ©e ĂȘtre positive.
  Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, 5°, la demande écrite et l'engagement sont renouvelés chaque année pour l'année civile suivante, et ce dÚs que les déclarations multifonctionnelles de l'année civile en cours sont connues.
  Le président de la commission paritaire pour les entreprises horticoles fournit la liste des employeurs ayant transmis une telle demande et un tel engagement aux membres du groupe de travail "culture des champignons" de la commission paritaire pour les entreprises horticoles. La liste retenue est soumise à l'approbation de la commission paritaire pour les entreprises horticoles. Une fois approuvée, cette liste est fournie à l'Office national de Sécurité sociale.
  La commission paritaire pour les entreprises horticoles élabore un document type pour cette demande écrite et cet engagement.
  Le rÚglement individuel de l'entreprise est évalué chaque année dans le giron du groupe de travail "culture des champignons" de la commission paritaire pour les entreprises horticoles, créé à cet effet.]4
  [13 ...]13
  [13 § 2bis/1. [14 ...]14]13
  [11 § 2ter. [13 ...]13]11
  § 3. En cas de travaux effectuĂ©s tant auprĂšs d'employeurs ou d'utilisateurs relevant de la Commission paritaire pour les entreprises horticoles que de la Commission paritaire de l'agriculture, l'application du prĂ©sent article est limitĂ©e Ă 65 jours par travailleur et par annĂ©e civile. Si le travailleur occasionnel visĂ© au § 1er, alinĂ©a 2, exerce aussi une activitĂ© occasionnelle au sens de [3 l'article 31ter]3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le cumul des diffĂ©rentes activitĂ©s occasionnelles est limitĂ© Ă [14 100 jours]14 par annĂ©e civile.
  [14 ...]14
  [14 Pour l'application de l'alinéa 1er, un jour est considéré comme deux demi-jours pour les travailleurs manuels occupés au sein d'une entreprise telle que visée au § 1er, alinéa 2, 4°, pour autant que le nombre de jours travaillés dans cette derniÚre entreprise soit limité à un maximum de 50 journées complÚtes ou 100 demi-journées par travailleur manuel et par année civile.
  En cas de travaux effectuĂ©s tant auprĂšs d'employeurs ou d'utilisateurs relevant de la Commission paritaire de l'agriculture, et dont le travail est exĂ©cutĂ© en partie dans une entreprise visĂ©e au § 1er, alinĂ©a 2, 2°, et en partie dans une entreprise visĂ©e au § 1er, alinĂ©a 2, 4°, l'application du prĂ©sent article est limitĂ©e Ă un maximum de 50 journĂ©es entiĂšres ou 100 demi-journĂ©es par travailleur manuel et par annĂ©e civile, Ă©tant entendu que seul le travail exĂ©cutĂ© dans une entreprise visĂ©e au § 1er, alinĂ©a 2, 4°, peut ĂȘtre comptĂ© en demi-journĂ©es.]14
  § 4. [1 L'employeur effectue une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi conformĂ©ment Ă l'article 5bis ou 6 de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions.
  [12 N'est pas considĂ©rĂ© comme travailleur occasionnel au sens du prĂ©sent article, le travailleur qui, dans le courant des 180 jours prĂ©cĂ©dant celui-ci, a travaillĂ© dans la mĂȘme entreprise en Ă©tant soumis Ă l'application de la loi dans une qualitĂ© autre que celle de travailleur occasionnel telle que dĂ©crite ici.]12
  Lorsqu'il a Ă©tĂ© omis d'inscrire les travailleurs occasionnels dans les documents sociaux imposĂ©s en la matiĂšre ou lorsque l'employeur omet de rĂ©aliser de maniĂšre journaliĂšre la dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi conformĂ©ment Ă l'article 5bis, § 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, les travailleurs concernĂ©s ne peuvent pas ĂȘtre dĂ©clarĂ©s Ă l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale en qualitĂ© de travailleur occasionnel auprĂšs de cet employeur pendant toute l'annĂ©e civile pour laquelle ceci a Ă©tĂ© omis.
  Pour les travailleurs, qui ne sont pas encore en possession du formulaire occasionnel, l'employeur demande préalablement à l'occupation de ces travailleurs, le formulaire destiné à établir le nombre de jours d'occupation du travailleur dans respectivement le secteur horticole ou le secteur agricole auprÚs de l'organisme désigné par les Ministres de l'Emploi et des Affaires sociales. Les ministres précités déterminent le modÚle, les conditions de délivrance et de tenue de ce formulaire; il n'est en aucun cas délivré de duplicata.
  L'employeur paraphe une fois par semaine les notations faites par le travailleur. Si l'employeur ne paraphe pas le formulaire occasionnel, les notations du travailleur sont présumées, jusqu'à preuve du contraire, correctes.]1
  [12 Pour l'application du prĂ©sent paragraphe on entend par la mĂȘme entreprise, l'ensemble des entitĂ©s juridiques gĂ©rĂ©es par les mĂȘmes administrateurs et/ ou gĂ©rants ou qui relĂšvent de la mĂȘme unitĂ© technique d'exploitation telle que dĂ©finie dans la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'Ă©conomie.]12
  [11 § 4/1. [12 Pour le calcul des 180 jours visés au paragraphe 4, il n'est pas tenu compte d'une occupation au sein de l'entreprise durant ladite période dÚs lors que celle-ci a été effectuée dans le cadre d'un contrat à durée déterminée ou pour un travail nettement défini de maximum 6 semaines calendrier consécutives.]12
  § 4/2. [12 Par dĂ©rogation au paragraphe 4, lorsqu'il est mis fin au contrat de travail d'un travailleur Ă l'Ăąge lĂ©gal de la pension et que celui-ci souhaite ensuite ĂȘtre occupĂ© en qualitĂ© de travailleur occasionnel dans la mĂȘme entreprise, la rĂšgle des 180 jours ne s'applique pas.]12]11
  [13 § 5. Tous les cinq ans, les commissions paritaires font une évaluation de ces réglementations. Ces évaluations sont transmises au Conseil national du travail.]13
 Â
  Au sens du présent article, est considéré comme travailleur occasionnel :
  1° [12 en ce qui concerne les travailleurs manuels ressortissant à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles [14 ...]14 : le travailleur manuel occupé durant un maximum de [14 100 jours]14 par année civile à moins que l'emploi ne consiste en la plantation et l'entretien de parcs et jardins; [13 ...]13]12
  2° en ce qui concerne les travailleurs manuels ressortissant à la Commission paritaire de l'agriculture [14 , à l'exception, [15 pour la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2025 inclus, des travailleurs manuels occupés au sein d'une entreprise ayant pour activité principale, une activité qui répond à une description incluse sous le code NACE 01.4 ou sous le code NACE 01.5 en ce qui concerne les activités relatives à l'élevage d'animaux]15]14 : le travailleur manuel occupé aux travaux sur les terrains propres de l'employeur ou de l'utilisateur de services, durant un maximum de [14 50 jours]14 par année civile;
  3° en ce qui concerne les travailleurs relevant de la Commission paritaire pour le travail intérimaire : le travailleur manuel qui est occupé auprÚs d'un utilisateur qui relÚve de la Commission paritaire pour les entreprises horticoles à l'exception de la plantation et de l'entretien des parcs et jardins durant un maximum de 65 jours par année civile ainsi que le travailleur manuel qui est occupé aux travaux sur les terrains propres de l'utilisateur qui relÚve de la commission paritaire de l'agriculture, durant un maximum de 30 jours par année civile;
  4° [14 [15 pour la période du 1er janvier 2024 au 31 décembre 2025 inclus, en ce qui concerne les travailleurs manuels occupés au sein d'une entreprise ayant pour activité principale, une activité qui répond à une description incluse sous le code NACE 01.4 ou sous le code NACE 01.5 en ce qui concerne les activités relatives à l'élevage d'animaux : le travailleur manuel occupé durant un maximum de 100 demi-jours par année civile pour les activités qui répondent à une description incluse sous le code NACE 01.4 ou sous le code NACE 01.5 en ce qui concerne les activités relatives à l'élevage d'animaux.]15 Il y a lieu d'entendre par " demi-jour ", une période de 4 heures entre minuit et midi ou entre midi et minuit. En cas de dépassement du nombre d'heures ou en cas de chevauchement sur deux périodes, celles-ci sont comptabilisées comme deux demi-jours.]14
  [4 5° [14 ...]14]4
  [11 6° [13 ...]13]11
  [13 ...]13
  [13 § 1er/1. [14 ...]14]13
  § 2. La limitation à l'assujettissement visée au § 1er, alinéa 1er, est limitée à maximum [14 100 jours]14 par travailleur manuel et par année civile.
  [1 Pour les travailleurs occasionnels du secteur de la culture des champignons, l'occupation doit avoir lieu chez un ou plusieurs employeurs pendant la période d'intense activité limitée à 156 jours par employeur par année civile.[4 Lorsque les conditions mentionnées au § 2bis sont remplies, l'occupation du travailleur n'est pas limitée à la période d'intense activité de 156 jours par année civile.]4]1
  [14 ...]14
  [13 ...]13
  [13 § 2/1. [14 ...]14]13
  [4 § 2bis. [14 Par dérogation au § 2, alinéa 1er, pour les travailleurs occasionnels du secteur de la culture des champignons, l'occupation doit avoir lieu chez un ou plusieurs employeurs pendant la période d'intense activité limitée à 156 jours par employeur par année civile. L'occupation du travailleur n'est pas limitée à la période d'intense activité de 156 jours par année civile pour autant que les conditions suivantes soient réunies :]14
  1° l'employeur concerné s'engage à faire effectuer le travail au sein de son entreprise, avec son propre personnel enregistré et déclaré à l'Office national de Sécurité sociale et dans le cadre de la commission paritaire pour les entreprises horticoles;
  2° [14 ...]14
  3° l'employeur concerné atteste chaque année un volume d'emploi, exprimé en équivalent temps plein, au moins équivalent par rapport à la moyenne des quatre déclarations multifonctionnelles introduites auprÚs de l'Office national de Sécurité sociale pour l'année civile 2011;
  4° la commission paritaire pour les entreprises horticoles examine annuellement s'il est satisfait aux conditions sous 1°, 2° et 3° ainsi qu'au respect des conventions collectives de travail du secteur. Pour vérifier le respect de la norme de volume d'emploi visée au 3°, elle compare par employeur le volume d'emploi de l'année écoulée avec le volume d'emploi de l'année 2011.
  5° l'employeur concernĂ© adresse une demande Ă©crite au prĂ©sident de la commission paritaire pour les entreprises horticoles, en ajoutant les donnĂ©es chiffrĂ©es visĂ©es au 3° et en s'engageant comme mentionnĂ© au 1°. Pour les entreprises oĂč il existe un organe de concertation tel qu'un conseil d'entreprise, un comitĂ© pour la prĂ©vention et la protection au travail ou une dĂ©lĂ©gation syndicale, il convient de joindre l'accord de la reprĂ©sentation des travailleurs.
  Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, 4°, le président de la commission paritaire pour les entreprises horticoles transmet le rapport annuel d'évaluation de la commission précitée au plus tard pour le 30 avril au Ministre des Affaires sociales et au Ministre de l'Emploi.
  Le Ministre de l'Emploi transmet le rapport annuel d'évaluation visé à l'alinéa 2 au Conseil national du Travail.
  Le Ministre des Affaires sociales dispose d'un dĂ©lai de quinze jours civils pour se prononcer au sujet du respect des conditions visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er, 1°, 2° et 3° et des conventions collectives de travail du secteur et du recouvrement total ou partiel des cotisations exonĂ©rĂ©es pour le trimestre en question. Ce dĂ©lai prend cours Ă partir de la transmission du rapport par le prĂ©sident de la commission paritaire pour les entreprises horticoles. Si le Ministre des Affaires sociales ne prend pas de dĂ©cision dans ce dĂ©lai, la dĂ©cision est censĂ©e ĂȘtre positive.
  Dans le cas mentionné à l'alinéa 1er, 5°, la demande écrite et l'engagement sont renouvelés chaque année pour l'année civile suivante, et ce dÚs que les déclarations multifonctionnelles de l'année civile en cours sont connues.
  Le président de la commission paritaire pour les entreprises horticoles fournit la liste des employeurs ayant transmis une telle demande et un tel engagement aux membres du groupe de travail "culture des champignons" de la commission paritaire pour les entreprises horticoles. La liste retenue est soumise à l'approbation de la commission paritaire pour les entreprises horticoles. Une fois approuvée, cette liste est fournie à l'Office national de Sécurité sociale.
  La commission paritaire pour les entreprises horticoles élabore un document type pour cette demande écrite et cet engagement.
  Le rÚglement individuel de l'entreprise est évalué chaque année dans le giron du groupe de travail "culture des champignons" de la commission paritaire pour les entreprises horticoles, créé à cet effet.]4
  [13 ...]13
  [13 § 2bis/1. [14 ...]14]13
  [11 § 2ter. [13 ...]13]11
  § 3. En cas de travaux effectuĂ©s tant auprĂšs d'employeurs ou d'utilisateurs relevant de la Commission paritaire pour les entreprises horticoles que de la Commission paritaire de l'agriculture, l'application du prĂ©sent article est limitĂ©e Ă 65 jours par travailleur et par annĂ©e civile. Si le travailleur occasionnel visĂ© au § 1er, alinĂ©a 2, exerce aussi une activitĂ© occasionnelle au sens de [3 l'article 31ter]3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le cumul des diffĂ©rentes activitĂ©s occasionnelles est limitĂ© Ă [14 100 jours]14 par annĂ©e civile.
  [14 ...]14
  [14 Pour l'application de l'alinéa 1er, un jour est considéré comme deux demi-jours pour les travailleurs manuels occupés au sein d'une entreprise telle que visée au § 1er, alinéa 2, 4°, pour autant que le nombre de jours travaillés dans cette derniÚre entreprise soit limité à un maximum de 50 journées complÚtes ou 100 demi-journées par travailleur manuel et par année civile.
  En cas de travaux effectuĂ©s tant auprĂšs d'employeurs ou d'utilisateurs relevant de la Commission paritaire de l'agriculture, et dont le travail est exĂ©cutĂ© en partie dans une entreprise visĂ©e au § 1er, alinĂ©a 2, 2°, et en partie dans une entreprise visĂ©e au § 1er, alinĂ©a 2, 4°, l'application du prĂ©sent article est limitĂ©e Ă un maximum de 50 journĂ©es entiĂšres ou 100 demi-journĂ©es par travailleur manuel et par annĂ©e civile, Ă©tant entendu que seul le travail exĂ©cutĂ© dans une entreprise visĂ©e au § 1er, alinĂ©a 2, 4°, peut ĂȘtre comptĂ© en demi-journĂ©es.]14
  § 4. [1 L'employeur effectue une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi conformĂ©ment Ă l'article 5bis ou 6 de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions.
  [12 N'est pas considĂ©rĂ© comme travailleur occasionnel au sens du prĂ©sent article, le travailleur qui, dans le courant des 180 jours prĂ©cĂ©dant celui-ci, a travaillĂ© dans la mĂȘme entreprise en Ă©tant soumis Ă l'application de la loi dans une qualitĂ© autre que celle de travailleur occasionnel telle que dĂ©crite ici.]12
  Lorsqu'il a Ă©tĂ© omis d'inscrire les travailleurs occasionnels dans les documents sociaux imposĂ©s en la matiĂšre ou lorsque l'employeur omet de rĂ©aliser de maniĂšre journaliĂšre la dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi conformĂ©ment Ă l'article 5bis, § 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, les travailleurs concernĂ©s ne peuvent pas ĂȘtre dĂ©clarĂ©s Ă l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale en qualitĂ© de travailleur occasionnel auprĂšs de cet employeur pendant toute l'annĂ©e civile pour laquelle ceci a Ă©tĂ© omis.
  Pour les travailleurs, qui ne sont pas encore en possession du formulaire occasionnel, l'employeur demande préalablement à l'occupation de ces travailleurs, le formulaire destiné à établir le nombre de jours d'occupation du travailleur dans respectivement le secteur horticole ou le secteur agricole auprÚs de l'organisme désigné par les Ministres de l'Emploi et des Affaires sociales. Les ministres précités déterminent le modÚle, les conditions de délivrance et de tenue de ce formulaire; il n'est en aucun cas délivré de duplicata.
  L'employeur paraphe une fois par semaine les notations faites par le travailleur. Si l'employeur ne paraphe pas le formulaire occasionnel, les notations du travailleur sont présumées, jusqu'à preuve du contraire, correctes.]1
  [12 Pour l'application du prĂ©sent paragraphe on entend par la mĂȘme entreprise, l'ensemble des entitĂ©s juridiques gĂ©rĂ©es par les mĂȘmes administrateurs et/ ou gĂ©rants ou qui relĂšvent de la mĂȘme unitĂ© technique d'exploitation telle que dĂ©finie dans la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'Ă©conomie.]12
  [11 § 4/1. [12 Pour le calcul des 180 jours visés au paragraphe 4, il n'est pas tenu compte d'une occupation au sein de l'entreprise durant ladite période dÚs lors que celle-ci a été effectuée dans le cadre d'un contrat à durée déterminée ou pour un travail nettement défini de maximum 6 semaines calendrier consécutives.]12
  § 4/2. [12 Par dĂ©rogation au paragraphe 4, lorsqu'il est mis fin au contrat de travail d'un travailleur Ă l'Ăąge lĂ©gal de la pension et que celui-ci souhaite ensuite ĂȘtre occupĂ© en qualitĂ© de travailleur occasionnel dans la mĂȘme entreprise, la rĂšgle des 180 jours ne s'applique pas.]12]11
  [13 § 5. Tous les cinq ans, les commissions paritaires font une évaluation de ces réglementations. Ces évaluations sont transmises au Conseil national du travail.]13
 Â
Wijzigingen
Art. 8ter. <INGEVOEGD bij KB 2003-03-18/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-04-2003> Voor de in artikel 3, 9° van dit besluit bedoelde werknemers wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de specifieke regeling inzake werkloosheid bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, q - van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, [1 en tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers]1.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 8ter. Pour les travailleurs visĂ©s Ă l'article 3, 9° du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'application de la loi est limitĂ©e au rĂ©gime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, au rĂ©gime spĂ©cifique en matiĂšre de chĂŽmage visĂ© Ă l'article 7, § 1er, al. 3, q - de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs [1 et au rĂ©gime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariĂ©s]1.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 8quater. (opgeheven) <KB 2007-04-30/42, art. 2, 135; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art. 8quater. (abrogé) <AR 2007-04-30/42, art. 2, 135; En vigueur : 01-07-2007>
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de personen die in de openbare sector tewerkgesteld worden.
Section 2. - Dispositions relatives aux personnes occupées au travail dans le secteur public.
Art. 9. § 1. De toepassing van de wet wordt verruimd wat betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers, tot het Rijk, (tot de Gemeenschappen, tot de Gewesten,) tot de provincies en tot de instellingen ondergeschikt aan de provincies alsmede tot de personen die in hun dienst zijn en zich in een statutaire toestand bevinden. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer de personen bedoeld in het eerste lid hetzij in vast verband benoemd zijn, hetzij tewerkgesteld worden in uitvoering van een dienstneming of wederdienstneming bij het leger overeenkomstig de gecoördineerde dienstplichtwetten. Die personen zijn niet meer aan de wet onderworpen wanneer zij hun functies in dienst van het Rijk, (van een Gemeenschap of van een Gewest) in het buitenland uitoefenen en er hun administratieve verblijfplaats hebben. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  (De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector geneeskundige verzorging en de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, wanneer de personen bedoeld in het eerste lid tewerkgesteld zijn bij wijze van mandaat in een managementfunctie of aangesteld zijn in een staffunctie.) <KB 2001-07-04/35, art. 1, 097; Inwerkingtreding : 12-07-2001>
  De stagiairs van de rijksbesturen, (van de Gemeenschappen en van de Gewesten) [1 en van de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies]1 zijn onderworpen aan de bepalingen van het tweede lid, behoudens tijdens de opzeggingstermijn wanneer zij wegens ongeschiktheid afgedankt zijn. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991> <KB 7-11-1973, art. 1>
  § 2. Wat betreft de personen die door het Rijk, (de Gemeenschappen, de Gewesten,) de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst genomen worden, wordt in toepassing van de wet beperkt tot de regelingen opgesomd in §1, eerste lid. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
 Â
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer de personen bedoeld in het eerste lid hetzij in vast verband benoemd zijn, hetzij tewerkgesteld worden in uitvoering van een dienstneming of wederdienstneming bij het leger overeenkomstig de gecoördineerde dienstplichtwetten. Die personen zijn niet meer aan de wet onderworpen wanneer zij hun functies in dienst van het Rijk, (van een Gemeenschap of van een Gewest) in het buitenland uitoefenen en er hun administratieve verblijfplaats hebben. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  (De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector geneeskundige verzorging en de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, wanneer de personen bedoeld in het eerste lid tewerkgesteld zijn bij wijze van mandaat in een managementfunctie of aangesteld zijn in een staffunctie.) <KB 2001-07-04/35, art. 1, 097; Inwerkingtreding : 12-07-2001>
  De stagiairs van de rijksbesturen, (van de Gemeenschappen en van de Gewesten) [1 en van de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies]1 zijn onderworpen aan de bepalingen van het tweede lid, behoudens tijdens de opzeggingstermijn wanneer zij wegens ongeschiktheid afgedankt zijn. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991> <KB 7-11-1973, art. 1>
  § 2. Wat betreft de personen die door het Rijk, (de Gemeenschappen, de Gewesten,) de provincies en de instellingen ondergeschikt aan de provincies krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst genomen worden, wordt in toepassing van de wet beperkt tot de regelingen opgesomd in §1, eerste lid. <KB 1991-02-15/31, art. 3, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
 Â
Wijzigingen
Art. 9. § 1er. L'application de la loi est étendue en ce qui concerne le régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, le régime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariés et le régime de l'emploi et du chÎmage des travailleurs, à l'Etat, (aux Communautés, aux Régions,) aux provinces et aux établissements subordonnés aux provinces ainsi qu'aux personnes qui sont à leur service dans une situation statutaire. <AR 1991-02-15/31, art. 3, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  L'application de la loi est toutefois limitĂ©e au rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur des soins de santĂ©, lorsque les personnes visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er sont soit pourvues d'une nomination Ă titre dĂ©finitif, soit occupĂ©es en exĂ©cution d'un engagement ou d'un rengagement dans les forces armĂ©es, prĂ©vu par les lois coordonnĂ©es sur la milice. Ces personnes cessent d'ĂȘtre soumises Ă la loi lorsqu'elles remplissent leurs fonctions au service de l'Etat, (d'une CommunautĂ© ou d'une RĂ©gion) Ă l'Ă©tranger et y ont leur rĂ©sidence administrative. <AR 1991-02-15/31, art. 3, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  (L'application de la loi est toutefois limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur soins de santé et au régime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariés, lorsque les personnes visées à l'alinéa 1er sont employées sous la forme d'un mandat dans une fonction de management ou désignées dans une fonction d'encadrement.) <AR 2001-07-04/35, art. 1, 097; En vigueur : 12-07-2001>
  Les stagiaires des administrations de l'Etat, (des Communautés et des Régions) [1 et des provinces et des institutions subordonnées aux provinces]1 sont soumis aux dispositions de l'alinéa 2, sauf pendant la période de préavis lorsqu'ils sont licenciés pour cause d'inaptitude. <AR 1991-02-15/31, art. 3, 035; En vigueur : 17-03-1991> <AR 07-11-1973, art. 1er>
  § 2. En ce qui concerne les personnes de l'Etat, (les Communautés, les Régions,) les provinces et les établissements subordonnés aux provinces engagent dans les liens d'un contrat de louage de travail, l'application de la loi est limitée aux régimes énoncés au § 1er, alinéa 1er. <AR 1991-02-15/31, art. 3, 035; En vigueur : 17-03-1991>
 Â
  L'application de la loi est toutefois limitĂ©e au rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur des soins de santĂ©, lorsque les personnes visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er sont soit pourvues d'une nomination Ă titre dĂ©finitif, soit occupĂ©es en exĂ©cution d'un engagement ou d'un rengagement dans les forces armĂ©es, prĂ©vu par les lois coordonnĂ©es sur la milice. Ces personnes cessent d'ĂȘtre soumises Ă la loi lorsqu'elles remplissent leurs fonctions au service de l'Etat, (d'une CommunautĂ© ou d'une RĂ©gion) Ă l'Ă©tranger et y ont leur rĂ©sidence administrative. <AR 1991-02-15/31, art. 3, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  (L'application de la loi est toutefois limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur soins de santé et au régime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariés, lorsque les personnes visées à l'alinéa 1er sont employées sous la forme d'un mandat dans une fonction de management ou désignées dans une fonction d'encadrement.) <AR 2001-07-04/35, art. 1, 097; En vigueur : 12-07-2001>
  Les stagiaires des administrations de l'Etat, (des Communautés et des Régions) [1 et des provinces et des institutions subordonnées aux provinces]1 sont soumis aux dispositions de l'alinéa 2, sauf pendant la période de préavis lorsqu'ils sont licenciés pour cause d'inaptitude. <AR 1991-02-15/31, art. 3, 035; En vigueur : 17-03-1991> <AR 07-11-1973, art. 1er>
  § 2. En ce qui concerne les personnes de l'Etat, (les Communautés, les Régions,) les provinces et les établissements subordonnés aux provinces engagent dans les liens d'un contrat de louage de travail, l'application de la loi est limitée aux régimes énoncés au § 1er, alinéa 1er. <AR 1991-02-15/31, art. 3, 035; En vigueur : 17-03-1991>
 Â
Wijzigingen
Art. 10. § 1. De toepassing van de wet wordt verruimd wat betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte- en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers, de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers (...), tot de gemeenten, tot de instellingen aan de gemeenten ondergeschikt en tot de verenigingen van gemeenten alsmede de personen die in hun dienst zijn en zich in een statuaire toestand bevinden. <KB 1999-12-14/42, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt, tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit , sector van de geneeskundige verzorging, wanneer de personen bedoeld in voorgaand lid in vast verband benoemd zijn.
  [1 De stagiairs van de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten en de verenigingen van gemeenten zijn onderworpen aan de bepalingen van het tweede lid, behoudens tijdens de opzeggingstermijn wanneer zij wegens ongeschiktheid afgedankt zijn.]1
  § 2. Wat betreft de personen die door de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten en de verenigingen van gemeenten krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst genomen worden, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regelingen opgesomd in §1, eerste lid.
  (lid opgeheven) <KB 1999-12-14/42, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
 Â
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt, tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit , sector van de geneeskundige verzorging, wanneer de personen bedoeld in voorgaand lid in vast verband benoemd zijn.
  [1 De stagiairs van de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten en de verenigingen van gemeenten zijn onderworpen aan de bepalingen van het tweede lid, behoudens tijdens de opzeggingstermijn wanneer zij wegens ongeschiktheid afgedankt zijn.]1
  § 2. Wat betreft de personen die door de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten en de verenigingen van gemeenten krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst genomen worden, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regelingen opgesomd in §1, eerste lid.
  (lid opgeheven) <KB 1999-12-14/42, art. 1, 090; Inwerkingtreding : 16-02-1999>
 Â
Wijzigingen
Art. 10. § 1er. L'application de la loi est étendue en ce qui concerne le régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, le régime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariés, le régime de l'emploi et du chÎmage des travailleurs (...), aux communes n aux établissements subordonnés aux communes et aux associations de communes ainsi qu'aux personnes qui sont à leur service dans une situation statutaire. <AR 1999-12-14/42, art. 1, 090; En vigueur : 16-02-1999>
  L'application de la loi est toutefois limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé, lorsque les personnes visées à l'alinéa, précédent sont pourvues d'une nomination à titre définitif.
  [1 Les stagiaires des communes, des institutions subordonnées aux communes et des associations de communes sont soumis aux dispositions du deuxiÚme alinéa, sauf pendant la période de préavis lorsqu'ils sont licenciés pour cause d'inaptitude.]1
  § 2. En ce qui concerne les personnes que les communes, les établissements subordonnés aux communes et les associations de communes engagent dans les liens d'un contrat de louage de travail, l'application de la loi est limitée aux régimes énoncés au § 1er, alinéa 1er.
  (alinéa abrogé) <AR 1999-12-14/42, art. 1, 090; En vigueur : 16-02-1999>
 Â
  L'application de la loi est toutefois limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé, lorsque les personnes visées à l'alinéa, précédent sont pourvues d'une nomination à titre définitif.
  [1 Les stagiaires des communes, des institutions subordonnées aux communes et des associations de communes sont soumis aux dispositions du deuxiÚme alinéa, sauf pendant la période de préavis lorsqu'ils sont licenciés pour cause d'inaptitude.]1
  § 2. En ce qui concerne les personnes que les communes, les établissements subordonnés aux communes et les associations de communes engagent dans les liens d'un contrat de louage de travail, l'application de la loi est limitée aux régimes énoncés au § 1er, alinéa 1er.
  (alinéa abrogé) <AR 1999-12-14/42, art. 1, 090; En vigueur : 16-02-1999>
 Â
Wijzigingen
Art. 11. § 1. De toepassing van de wet wordt verruimd tot de instellingen van (openbaar nut [1 , HR Rail,]1 [3 tot het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie]3 en de autonome overheidsbedrijven) alsmede tot de personen die, in hoedanigheid van lasthebber en tegen loon, hun voornaamste activiteit wijden aan het dagelijks beheer of de dagelijkse leiding (van die instellingen en bedrijven), voor zover op die personen geen statutaire pensioenregeling van toepassing is. <KB 1996-10-18/39, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 04-09-1992>
  (De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector geneeskundige verzorging en de regeling voor rust - en overlevingspensioenen voor werknemers, wanneer de personen bedoeld in het eerste lid tewerkgesteld zijn op basis van een mandaat in een managementfunctie in [3 het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie]3 een openbare instelling van sociale zekerheid [4 of in een van de volgende instellingen van openbaar nut:
  a. het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen;
  b. het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg;
  c. het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
  d. het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten;
  e. het Federaal Planbureau;
  f. de Centrale Dienst voor sociale en culturele actie van het Ministerie van Landsverdediging;
  g. het Nationaal Geografisch Instituut
  h. het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau; i.
  de Regie der gebouwen;
  j. het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers]4.) <KB 2006-06-02/44, art. 1, 128; Inwerkingtreding : 01-10-2003>
  § 2. [2 De toepassing van de wet wordt verruimd wat betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers, tot de instellingen van openbaar nut en de autonome overheidsbedrijven, alsmede tot de personen die in hun dienst zijn en zich in een statutaire toestand bevinden.
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wat de personen betreft bedoeld bij voorgaand lid die aanspraak kunnen maken, hetzij op het rustpensioen voorzien bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, hetzij op een rustpensioen van een pensioenregeling vastgesteld door of krachtens een wet of een reglement anders dan de pensioenregeling voor werknemers. Dit lid is niet van toepassing op de personen in dienst van [3 HR Rail]3 die zich met deze laatste in een statutair verband bevinden.
  De toepassing van de wet wordt eveneens beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wat betreft de personen in dienst bij [3 HR Rail]3 die zich met deze in een statutair verband bevinden en op de tussenkomst van haar sociale werken aanspraak kunnen maken.]2
  § 3. (Wat betreft de personen die de instellingen van openbaar nut - met uitzondering van [1 HR Rail]1 de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, van de Vlaamse Vervoermaatschappij en van de Société régionale wallonne de Transport - met een arbeidsovereenkomst in dienst nemen, is de toepassing van de wet beperkt tot de regelingen vermeld in § 2, eerste lid, eerste zin. [2 ...]2.) <KB 2002-12-02/32, art. 1, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
 Â
  (De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector geneeskundige verzorging en de regeling voor rust - en overlevingspensioenen voor werknemers, wanneer de personen bedoeld in het eerste lid tewerkgesteld zijn op basis van een mandaat in een managementfunctie in [3 het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie]3 een openbare instelling van sociale zekerheid [4 of in een van de volgende instellingen van openbaar nut:
  a. het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen;
  b. het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg;
  c. het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
  d. het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten;
  e. het Federaal Planbureau;
  f. de Centrale Dienst voor sociale en culturele actie van het Ministerie van Landsverdediging;
  g. het Nationaal Geografisch Instituut
  h. het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau; i.
  de Regie der gebouwen;
  j. het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers]4.) <KB 2006-06-02/44, art. 1, 128; Inwerkingtreding : 01-10-2003>
  § 2. [2 De toepassing van de wet wordt verruimd wat betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers, tot de instellingen van openbaar nut en de autonome overheidsbedrijven, alsmede tot de personen die in hun dienst zijn en zich in een statutaire toestand bevinden.
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wat de personen betreft bedoeld bij voorgaand lid die aanspraak kunnen maken, hetzij op het rustpensioen voorzien bij de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, hetzij op een rustpensioen van een pensioenregeling vastgesteld door of krachtens een wet of een reglement anders dan de pensioenregeling voor werknemers. Dit lid is niet van toepassing op de personen in dienst van [3 HR Rail]3 die zich met deze laatste in een statutair verband bevinden.
  De toepassing van de wet wordt eveneens beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wat betreft de personen in dienst bij [3 HR Rail]3 die zich met deze in een statutair verband bevinden en op de tussenkomst van haar sociale werken aanspraak kunnen maken.]2
  § 3. (Wat betreft de personen die de instellingen van openbaar nut - met uitzondering van [1 HR Rail]1 de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, van de Vlaamse Vervoermaatschappij en van de Société régionale wallonne de Transport - met een arbeidsovereenkomst in dienst nemen, is de toepassing van de wet beperkt tot de regelingen vermeld in § 2, eerste lid, eerste zin. [2 ...]2.) <KB 2002-12-02/32, art. 1, 110; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
 Â
Art. 11. § 1er. L'application de la loi est Ă©tendue aux organismes (d'intĂ©rĂȘt public, [1 HR Rail,]1 [3 Ă l'Institut belge des services postaux et des tĂ©lĂ©communications]3 et aux entreprises publiques autonomes) ainsi qu'aux personnes qui consacrent , en qualitĂ© de mandataires et contre rĂ©munĂ©ration, leur principale activitĂ© Ă la gestion ou Ă la direction journaliĂšre (de ces organismes et entreprises), pour autant qu'un rĂ©gime statutaire de pension en soit pas applicable Ă ces personnes. <AR 1996-10-18/39, art. 1, 066; En vigueur : 04-09-1992>
  (L'application de la loi est toutefois limitĂ©e au rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur soins de santĂ© et au rĂ©gime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariĂ©s, lorsque les personnes visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er sont employĂ©es sur base d'un mandat dans une fonction de management [3 Ă l'Institut belge des services postaux et des tĂ©lĂ©communications,]3 dans une institution publique de sĂ©curitĂ© sociale [4 ou dans un des organismes d'intĂ©rĂȘt public suivants :
  a. l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes;
  b. le Centre fédéral d'Expertise des Soins de Santé;
  c. l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaßne alimentaire;
  d. l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé;
  e. le Bureau fédéral du Plan;
  f. l'Office central d'action sociale et culturelle du MinistÚre de la Défense;
  g. l'Institut géographique national;
  h. le Bureau d'Intervention et de Restitution belge;
  i. la Régie des Bùtiments;
  j. l'Agence fédérale d'accueil des Demandeurs d'Asile]4.) <AR 2006-06-02/44, art. 1, 128; En vigueur : 01-10-2003>
  § 2. [2 S'agissant des rĂ©gimes de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariĂ©s et de l'emploi et du chĂŽmage des travailleurs salariĂ©s, l'application de la loi est Ă©largie aux organismes d'intĂ©rĂȘt public et aux entreprises publiques autonomes, ainsi qu'au personnel statutaire qu'ils occupent.
  L'application de la loi est toutefois limitĂ©e au rĂ©gime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur des soins de santĂ©, pour les personnes visĂ©es Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent et qui ont droit soit Ă la pension de retraite prĂ©vue par la loi du 28 avril 1958 relative Ă la pension des membres du personnel de certains organismes d'intĂ©rĂȘt public et de leurs ayants droit, soit Ă une pension de retraite octroyĂ©e dans le cadre d'un rĂ©gime de pension fixĂ© par ou en vertu d'une autre loi ou rĂšglement que les dispositions encadrant le rĂ©gime de pension des travailleurs salariĂ©s. Cet alinĂ©a ne s'applique pas au personnel statutaire de [3 HR Rail]3.
  L'application de la loi est également limitée au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé, pour le personnel de [3 HR Rail]3 qui est statutaire et qui a droit à l'intervention de ses oeuvres sociales.]2
  § 3. (En ce qui concerne les personnes que les organismes d'intĂ©rĂȘt public - Ă l'exception de [1 HR Rail,]1 des entreprises publiques autonomes visĂ©es par l'article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 portant rĂ©forme de certaines entreprises publiques Ă©conomiques, ainsi que de la Vlaamse Vervoermaatschapij et de la SociĂ©tĂ© rĂ©gionale wallonne de Transport - engagent dans les liens d'un contrat de travail, l'application de la loi est limitĂ©e aux rĂ©gimes Ă©noncĂ©s au § 2, alinĂ©a 1er, premiĂšre phrase.[2 ...]2.) <AR 2002-12-02/32, art. 1, 110; En vigueur : 01-07-2002>
 Â
  (L'application de la loi est toutefois limitĂ©e au rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur soins de santĂ© et au rĂ©gime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariĂ©s, lorsque les personnes visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er sont employĂ©es sur base d'un mandat dans une fonction de management [3 Ă l'Institut belge des services postaux et des tĂ©lĂ©communications,]3 dans une institution publique de sĂ©curitĂ© sociale [4 ou dans un des organismes d'intĂ©rĂȘt public suivants :
  a. l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes;
  b. le Centre fédéral d'Expertise des Soins de Santé;
  c. l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaßne alimentaire;
  d. l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé;
  e. le Bureau fédéral du Plan;
  f. l'Office central d'action sociale et culturelle du MinistÚre de la Défense;
  g. l'Institut géographique national;
  h. le Bureau d'Intervention et de Restitution belge;
  i. la Régie des Bùtiments;
  j. l'Agence fédérale d'accueil des Demandeurs d'Asile]4.) <AR 2006-06-02/44, art. 1, 128; En vigueur : 01-10-2003>
  § 2. [2 S'agissant des rĂ©gimes de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariĂ©s et de l'emploi et du chĂŽmage des travailleurs salariĂ©s, l'application de la loi est Ă©largie aux organismes d'intĂ©rĂȘt public et aux entreprises publiques autonomes, ainsi qu'au personnel statutaire qu'ils occupent.
  L'application de la loi est toutefois limitĂ©e au rĂ©gime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur des soins de santĂ©, pour les personnes visĂ©es Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent et qui ont droit soit Ă la pension de retraite prĂ©vue par la loi du 28 avril 1958 relative Ă la pension des membres du personnel de certains organismes d'intĂ©rĂȘt public et de leurs ayants droit, soit Ă une pension de retraite octroyĂ©e dans le cadre d'un rĂ©gime de pension fixĂ© par ou en vertu d'une autre loi ou rĂšglement que les dispositions encadrant le rĂ©gime de pension des travailleurs salariĂ©s. Cet alinĂ©a ne s'applique pas au personnel statutaire de [3 HR Rail]3.
  L'application de la loi est également limitée au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé, pour le personnel de [3 HR Rail]3 qui est statutaire et qui a droit à l'intervention de ses oeuvres sociales.]2
  § 3. (En ce qui concerne les personnes que les organismes d'intĂ©rĂȘt public - Ă l'exception de [1 HR Rail,]1 des entreprises publiques autonomes visĂ©es par l'article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 portant rĂ©forme de certaines entreprises publiques Ă©conomiques, ainsi que de la Vlaamse Vervoermaatschapij et de la SociĂ©tĂ© rĂ©gionale wallonne de Transport - engagent dans les liens d'un contrat de travail, l'application de la loi est limitĂ©e aux rĂ©gimes Ă©noncĂ©s au § 2, alinĂ©a 1er, premiĂšre phrase.[2 ...]2.) <AR 2002-12-02/32, art. 1, 110; En vigueur : 01-07-2002>
 Â
Art. 12. § 1. Met afwijking van de artikelen 9,10 e n 11, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, tot de regeling voor rust- en overlevingspensioenen voor werknemers en tot regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid voor werknemers, wat betreft (de Gemeenschappen), de provincies, de instellingen ondergeschikt aan de provincies , de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de instellingen van openbaar nut alsmede de leden van het academisch en wetenschappelijk personeel die zij in hun instellingen voor universitair onderwijs tewerkstellen en de leden van het onderwijzend en bestuurlijk personeel die zij in hun andere onderwijsinstellingen tewerkstellen. <KB 1991-02-15/31, art. 4, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer de betrokken personeelsleden, in hoofde van hun tewerkstelling, hetzij aanspraken laten gelden op een rustpensioen ten laste van de Schatkist of op een rustpensioen van een pensioenregeling, vastgesteld door of krachtens een wet of door een reglement, anders dan de pensioenregeling voor werknemers, hetzij de hoedanigheid van stagiair in (het Gemeenschapsonderwijs) hebben, hetzij inzake pensioen op dezelfde wijze worden behandeld als de stagiairs van (het Gemeenschapsonderwijs.) <KB 1991-02-15/31, art. 4, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder "onderwijzend en bestuurlijk personeel", het directie- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het paramedisch personeel en de andere leden van het administratief personeel.
  (§ 3. De toepassing van de wet wordt eveneens beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, voor het vastbenoemd zelfstandig academisch personeel en voor het vastbenoemd administratief en technisch personeel van de Universitaire Instelling Antwerpen (U.I.A.), het Limburgs Universitair Centrum (L.U.C.), de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen.) <KB 2002-07-07/34, art. 2, 107; Inwerkingtreding : 23-07-2002>
  De toepassing van de wet wordt echter beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wanneer de betrokken personeelsleden, in hoofde van hun tewerkstelling, hetzij aanspraken laten gelden op een rustpensioen ten laste van de Schatkist of op een rustpensioen van een pensioenregeling, vastgesteld door of krachtens een wet of door een reglement, anders dan de pensioenregeling voor werknemers, hetzij de hoedanigheid van stagiair in (het Gemeenschapsonderwijs) hebben, hetzij inzake pensioen op dezelfde wijze worden behandeld als de stagiairs van (het Gemeenschapsonderwijs.) <KB 1991-02-15/31, art. 4, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder "onderwijzend en bestuurlijk personeel", het directie- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel, het paramedisch personeel en de andere leden van het administratief personeel.
  (§ 3. De toepassing van de wet wordt eveneens beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, voor het vastbenoemd zelfstandig academisch personeel en voor het vastbenoemd administratief en technisch personeel van de Universitaire Instelling Antwerpen (U.I.A.), het Limburgs Universitair Centrum (L.U.C.), de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen.) <KB 2002-07-07/34, art. 2, 107; Inwerkingtreding : 23-07-2002>
Art. 12. § 1er. Par dĂ©rogation aux articles 9, 10 et 11, l'application de la loi est limitĂ©e au rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, au rĂ©gime de pensions de retraite et de survie des travailleurs salariĂ©s et au rĂ©gime de l'emploi et du chĂŽmage des travailleurs, en ce qui concerne (les CommunautĂ©s,) les provinces, les Ă©tablissements subordonnĂ©s aux provinces, les communes, les Ă©tablissements subordonnĂ©s aux communes, les associations de communes et les organismes d'intĂ©rĂȘt public ainsi que les membres du personnel acadĂ©mique et scientifique qu'ils occupent dans leurs Ă©tablissements d'enseignement universitaire et les membres du personnel enseignant est administratif qu'ils occupent dans leurs autres Ă©tablissements d'enseignement. <AR 1991-02-15/31, art. 4, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  L'application de la loi est toutefois limitĂ©e au rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur des soins de santĂ©, lorsque les membres du personnel intĂ©ressĂ© soit se crĂ©ent, du chef de leur occupation, des titres Ă une pension de retraite Ă charge du TrĂ©sor public ou Ă une pension de retraite d'un rĂ©gime de pension, Ă©tabli par ou en vertu d'une loi ou par un rĂšglement, autre que le rĂ©gime de pensions des travailleurs salariĂ©s, soit possĂšdent la qualitĂ© de stagiaire dans l'enseignement (de la CommunautĂ©,) soit sont mis, en matiĂšre de pension, sur le mĂȘme pied que les stagiaires de l'enseignement (de la CommunautĂ©.) <AR 1991-02-15/31, art. 4, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  § 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par personnel enseignant et administratif ,le personnel directeur et enseignant, le personnel auxiliaire d'éducation, la personne para-médical et les autres membres du personnel administratif.
  (§ 3. L'application de la loi est également limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé, pour le personnel académique autonome nommé à titre définitif et pour le personnel administratif et technique nommé à titre définitif de l'Universitaire Instelling Antwerpen (U.I.A.) et du Limburgs Universitair Centrum (L.U.C.), l'Universiteit Gent et l'Universitair Centrum Antwerpen.) <AR 2002-07-07/34, art. 2, 107; En vigueur : 23-07-2002>
  L'application de la loi est toutefois limitĂ©e au rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur des soins de santĂ©, lorsque les membres du personnel intĂ©ressĂ© soit se crĂ©ent, du chef de leur occupation, des titres Ă une pension de retraite Ă charge du TrĂ©sor public ou Ă une pension de retraite d'un rĂ©gime de pension, Ă©tabli par ou en vertu d'une loi ou par un rĂšglement, autre que le rĂ©gime de pensions des travailleurs salariĂ©s, soit possĂšdent la qualitĂ© de stagiaire dans l'enseignement (de la CommunautĂ©,) soit sont mis, en matiĂšre de pension, sur le mĂȘme pied que les stagiaires de l'enseignement (de la CommunautĂ©.) <AR 1991-02-15/31, art. 4, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  § 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par personnel enseignant et administratif ,le personnel directeur et enseignant, le personnel auxiliaire d'éducation, la personne para-médical et les autres membres du personnel administratif.
  (§ 3. L'application de la loi est également limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé, pour le personnel académique autonome nommé à titre définitif et pour le personnel administratif et technique nommé à titre définitif de l'Universitaire Instelling Antwerpen (U.I.A.) et du Limburgs Universitair Centrum (L.U.C.), l'Universiteit Gent et l'Universitair Centrum Antwerpen.) <AR 2002-07-07/34, art. 2, 107; En vigueur : 23-07-2002>
Art. 12bis. <KB 1986-01-30/37, art. 1, 013> De werknemers die onderworpen zijn aan de maatschappelijke zekerheid der arbeiders krachtens de artikelen 9, 10, 11 en 12 en die deel uitmaken van het personeel van een ministerieel of provinciaal kabinet, blijven onderworpen aan de regeling die op grond van de voormelde bepalingen op hen van toepassing is in de administratie of in de dienst waartoe ze behoren. De Staat, (de Gemeenschap, het Gewest) of de Provincie wordt als hun werkgever beschouwd. <KB 1991-02-15/31, art. 5, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
Art. 12bis. <AR 1986-01-30/37, art. 1, 013> Les travailleurs soumis à la sécurité sociale des travailleurs en vertu des articles 9, 10, 11 et 12 et qui sont membres du personnel d'un cabinet ministériel ou d'un cabinet provincial restent soumis au régime qui en vertu des dispositions précitées leur sont d'application dans l'administration ou le service auquel ils appartiennent. L'Etat, (la Communauté, la Région) ou la Province est considéré comme leur employeur. <AR 1991-02-15/31, art 5, 035; En vigueur : 17-03-1991>
Art. 13. De toepassing van de wet wordt verruimd wet betreft de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, tot het Rijk, (de Gemeenschappen, de Gewesten,) de provincies, de instellingen ondergeschikt aan de provincies, de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de instellingen van openbaar nut alsmede tot de bedienaars van de eredienst (, de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad) [1 de aalmoezeniers, de consulenten van de eredienst en de moreel consulenten in de gevangenissen]1 die een wedde te hunnen laste ontvangen. Deze personen vallen niet meer onder toepassing van de wet wanneer zij door (hun respectieve representatieve organen) naar het buitenland gezonden worden om er een functie waar te nemen. <KB 1991-02-15/31, art. 6, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991> <W 2002-06-21/34, art. 65, 109; Inwerkingtreding : 01-11-2002>
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 13. L'application de la loi est Ă©tendue en ce qui concerne le rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, secteur des soins de santĂ©, Ă l'Etat, (aux CommunautĂ©s, aux RĂ©gions,) aux provinces, aux Ă©tablissements subordonnĂ©es aux provinces, aux communes, aux Ă©tablissements subordonnĂ©s aux communes, aux associations de communes et aux organismes d'intĂ©rĂȘt public ainsi qu'aux ministres des cultes (, aux dĂ©lĂ©guĂ©s du Conseil central laĂŻque) [1 et aux aumĂŽniers, conseillers des cultes et conseillers moraux dans les prisons]1 qui reçoivent un traitement Ă leur charge. Ces personnes cessent d'ĂȘtre soumises Ă la loi lorsqu'elles sont envoyĂ©es Ă l'Ă©tranger par (leurs organes reprĂ©sentatifs respectifs) pour y remplir une fonction. <AR 1991-02-15/31, art. 6, 035; En vigueur : 17-03-1991> <L 2002-06-21/34, art. 65, 109; En vigueur : 01-11-2002>
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 13bis. <KB 30-12-1975, art. 1> Voor de toepassing van de artikelen 10, 12 en 13, worden met de gemeenten gelijkgesteld, de agglomeraties en de federaties van gemeenten, de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten, de Nederlandse Commissie voor de Cultuur, de Franse Commissie voor de Cultuur en de Verenigde Commissies voor de Cultuur van de Brusselse Agglomeratie.
Art. 13bis. <AR 30-12-1975, art. 1er> Pour l'application des articles 10, 12 et 13 sont assimilés aux communes, les agglomérations et les fédérations de communes, les établissements publics qui dépendent des agglomérations et des fédérations de communes, la Commission française de la culture, la Commission néerlandaise de la Culture et les Commissions réunies de la Culture de l'agglomération bruxelloise.
Art. 14. De toepassing van de wet wordt verruimd tot de wateringen en polders, alsmede tot hun ontvangersgriffiers , wachters en sluiswachters.
Art. 14. L'application de la loi est étendue aux wateringues et aux polders ainsi qu'à leurs receveurs-greffiers, gardes et éclusiers.
Art. 15. (§ 1.) De toepassing van de wet wordt verruimd tot: <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  1° het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in de nijverheid en de landbouw alsmede tot de gerechtigden op een specialisatiebeurs, een onderzoekingsbeurs of een reisbeurs toegekend door dit Instituut, tenzij de wet op deze Gerechtigden van toepassing is ingevolge een andere beroepsactiviteit;
  2° Het Nationaal Fonds voor wetenschappelijk onderzoek alsmede tot zijn navorsingsstagiairs, zijn aspiranten en tot de gerechtigden op een bijzondere doctoraatsbeurs (of een postdoctoraatsbeurs) toegekend door dit Fonds; <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  3° (opgeheven) <KB 1991-02-15/31, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  4° (Het Interuniversitair College voor doctorale studies in de managementwetenschappen alsmede tot de gerechtigden op een doctoraatsbeurs (of een postdoctoraatsbeurs) toegekend door dit College). <KB 16-02-1971, art. 2> <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (5° de gerechtigden van een onderzoeksmandaat toegekend door het Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie, alsmede tot dit Instituut.) <KB 1995-03-15/44, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 09-02-1991>
  (6° de gerechtigden op een doctoraatsbeurs die in toepassing van de fiscale wetgeving vrijgesteld is van belasting (of een postdoctoraatsbeurs) en die wordt toegekend door : <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  - het Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in de provinciën;
  - de Koninklijke Bibliotheek van België;
  - [2 Koninklijk Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie]2;
  - het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen;
  - het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium;
  - het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België;
  - het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika;
  - de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis;
  - het Navorsings- en Studiecentrum voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog;
  - de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België;
  - de Koninklijke Sterrenwacht van België;
  - de Belgische Geologische Dienst;
  - het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek van Gembloux;
  - het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek van Gent;
  - het Centrum voor Landbouweconomie;
  - de Nationale Plantentuin van België;
  - [3 ...]3
  - [3 ...]3
  - het Koninklijk Museum van het Leger en van Krijgsgeschiedenis;
  - het Nationaal Instituut voor Criminalistiek;
  [3 - Sciensano]3
  deze instellingen worden beschouwd als hun werkgever;
  7° (de gerechtigden op een doctoraatsbeurs, die in toepassing van de fiscale wetgeving vrijgesteld is van belasting, en tot de gerechtigden op een postdoctoraatsbeurs, voor zover de doctoraats- of de postdoctoraatsbeurs toegekend wordt door een universitaire instelling van een Gemeenschap, bedoeld bij artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden of bij artikel 3 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap; deze instelling wordt beschouwd als hun werkgever.) <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (§ 2. Wat betreft de specialisatiebeurs, de onderzoekingsbeurs, of de reisbeurs bedoeld in § 1, 1°, wat betreft het onderzoeksmandaat bedoeld in § 1, 5°, en wat betreft de doctoraatsbeurs of de postdoctoraatsbeurs bedoeld in § 1, die aan bovenvermelde voorwaarden voldoen, maar die toegekend worden aan personen die niet onder toepassing vallen van Verordening 1408/71 van de Raad van de Europese Unie van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, of die niet onder toepassing vallen van een bi- of multilateraal verdrag inzake de sociale zekerheid afgesloten door het Koninkrijk België, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging en uitkeringen [1 ...]1 en tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.) <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
 Â
  1° het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in de nijverheid en de landbouw alsmede tot de gerechtigden op een specialisatiebeurs, een onderzoekingsbeurs of een reisbeurs toegekend door dit Instituut, tenzij de wet op deze Gerechtigden van toepassing is ingevolge een andere beroepsactiviteit;
  2° Het Nationaal Fonds voor wetenschappelijk onderzoek alsmede tot zijn navorsingsstagiairs, zijn aspiranten en tot de gerechtigden op een bijzondere doctoraatsbeurs (of een postdoctoraatsbeurs) toegekend door dit Fonds; <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  3° (opgeheven) <KB 1991-02-15/31, art. 7, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  4° (Het Interuniversitair College voor doctorale studies in de managementwetenschappen alsmede tot de gerechtigden op een doctoraatsbeurs (of een postdoctoraatsbeurs) toegekend door dit College). <KB 16-02-1971, art. 2> <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (5° de gerechtigden van een onderzoeksmandaat toegekend door het Vlaams Instituut voor de bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie, alsmede tot dit Instituut.) <KB 1995-03-15/44, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 09-02-1991>
  (6° de gerechtigden op een doctoraatsbeurs die in toepassing van de fiscale wetgeving vrijgesteld is van belasting (of een postdoctoraatsbeurs) en die wordt toegekend door : <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  - het Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in de provinciën;
  - de Koninklijke Bibliotheek van België;
  - [2 Koninklijk Belgisch Instituut voor Ruimte-Aëronomie]2;
  - het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen;
  - het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium;
  - het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België;
  - het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika;
  - de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis;
  - het Navorsings- en Studiecentrum voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog;
  - de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België;
  - de Koninklijke Sterrenwacht van België;
  - de Belgische Geologische Dienst;
  - het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek van Gembloux;
  - het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek van Gent;
  - het Centrum voor Landbouweconomie;
  - de Nationale Plantentuin van België;
  - [3 ...]3
  - [3 ...]3
  - het Koninklijk Museum van het Leger en van Krijgsgeschiedenis;
  - het Nationaal Instituut voor Criminalistiek;
  [3 - Sciensano]3
  deze instellingen worden beschouwd als hun werkgever;
  7° (de gerechtigden op een doctoraatsbeurs, die in toepassing van de fiscale wetgeving vrijgesteld is van belasting, en tot de gerechtigden op een postdoctoraatsbeurs, voor zover de doctoraats- of de postdoctoraatsbeurs toegekend wordt door een universitaire instelling van een Gemeenschap, bedoeld bij artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 september 1994 tot regeling van de universitaire studies en de academische graden of bij artikel 3 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap; deze instelling wordt beschouwd als hun werkgever.) <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (§ 2. Wat betreft de specialisatiebeurs, de onderzoekingsbeurs, of de reisbeurs bedoeld in § 1, 1°, wat betreft het onderzoeksmandaat bedoeld in § 1, 5°, en wat betreft de doctoraatsbeurs of de postdoctoraatsbeurs bedoeld in § 1, die aan bovenvermelde voorwaarden voldoen, maar die toegekend worden aan personen die niet onder toepassing vallen van Verordening 1408/71 van de Raad van de Europese Unie van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, of die niet onder toepassing vallen van een bi- of multilateraal verdrag inzake de sociale zekerheid afgesloten door het Koninkrijk België, wordt de toepassing van de wet beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging en uitkeringen [1 ...]1 en tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.) <KB 2003-03-26/61, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
 Â
Art. 15. (§ 1.) L'application de la loi est étendue: <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
  1° à l'Institut pour l'encouragement des recherches scientifiques dans l'industrie et l'agriculture ainsi qu'aux bénéficiaires d'une bourse de spécialisation, d'une bourse de recherche ou d'une bourse de voyage attribuées par cet Institut, sauf lorsque les bénéficiaires sont soumis à la loi en raison d'une autre activité professionnelle;
  2° au Fonds national de la recherche scientifique ainsi qu'à ces stagiaires de recherches, à ses aspirants et aux bénéficiaires d'une bourse spéciale de doctorat (ou d'une bourse de post doctorat) attribuée par ce Fonds; <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
  3° (abrogé) <AR 1991-02-15/31, art. 7, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  4° (au CollÚge interuniversitaire d'études doctorales dans les sciences du management ainsi qu'aux bénéficiaires d'une bourse de doctorat (ou d'une bourse de post doctorat) attribuée par ce CollÚge.) <AR 16-02-1971, art. 2> <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
  (5° aux bénéficiaires d'un mandat de recherche octroyé par l'Institut flamand pour la promotion de la recherche scientifique-technologique dans l'industrie, ainsi qu'à cet Institut.) <AR 1995-03-15/44, art. 1, 061; En vigueur : 09-02-1991>
  (6° aux bénéficiaires d'une bourse de doctorat faisant l'objet d'une exonération fiscale en application de la législation fiscale (ou d'une bourse de post doctorat) octroyée par : <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
  - les Archives générales du Royaume et les Archives de l'Etat dans les provinces;
  - la BibliothÚque royale de Belgique;
  - [2 Institut royal d'Aéronomie spatiale de Belgique]2;
  - l'Institut royal des Sciences naturelles de Belgique;
  - l'Institut royal du Patrimoine artistique;
  - l'Institut royal météorologique de Belgique;
  - le Musée royal de l'Afrique centrale;
  - les Musées royaux d'Art et d'Histoire;
  - le Centre de recherches et d'études historiques de la Seconde Guerre Mondiale;
  - les Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique;
  - l'Observatoire royal de Belgique;
  - le Service géologique de Belgique;
  - le Centre de Recherche agronomique de Gembloux;
  - le Centre de Recherche agronomique de Gand;
  - le Centre de Recherche en Economie agricole;
  - le Jardin Botanique national de Belgique;
  - [3 ...]3
  - [3 ...]3
  - le Musée royal de l'armée et d'histoire militaire;
  - l'Institut national de criminalistique;
  [3 - Sciensano]3
  ces institutions sont considérées comme étant leur employeur;
  7° (aux bénéficiaires d'une bourse de doctorat, faisant l'objet d'une exonération fiscale en application de la législation fiscale, et aux bénéficiaires d'une bourse de post doctorat, pour autant que la bourse de doctorat ou de post doctorat soit octroyée par une institution universitaire d'une Communauté, visée à l'article 1er du décret du 5 septembre 1994 de la Communauté française relatif au régime des études universitaires et des grades académiques ou à l'article 3 du décret de la Communauté flamande du 12 juin l991 relatif aux universités dans la Communauté flamande; cette institution est considérée comme étant leur employeur.) <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
  (§ 2. Concernant la bourse de spécialisation, la bourse de recherche ou la bourse de voyage comme mentionnée au § 1er, 1°, concernant le mandat de recherche mentionné au § 1er, 5°, et concernant la bourse de doctorat ou la bourse de post doctorat, mentionnée au § 1er, satisfaisant aux conditions susmentionnées, mais étant attribué(e) aux personnes qui ne bénéficient ni de l'application du RÚglement 1408/71 du Conseil de l'Union Européenne du 14 juin 1971 relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salariés et aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté, ni de l'application d'un traité bi- ou multilatéral relatif à la sécurité sociale conclu par le Royaume de Belgique, l'application de la loi est limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé et des indemnités [1 ...]1 et au régime des vacances annuelles des travailleurs salariés.) <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
 Â
  1° à l'Institut pour l'encouragement des recherches scientifiques dans l'industrie et l'agriculture ainsi qu'aux bénéficiaires d'une bourse de spécialisation, d'une bourse de recherche ou d'une bourse de voyage attribuées par cet Institut, sauf lorsque les bénéficiaires sont soumis à la loi en raison d'une autre activité professionnelle;
  2° au Fonds national de la recherche scientifique ainsi qu'à ces stagiaires de recherches, à ses aspirants et aux bénéficiaires d'une bourse spéciale de doctorat (ou d'une bourse de post doctorat) attribuée par ce Fonds; <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
  3° (abrogé) <AR 1991-02-15/31, art. 7, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  4° (au CollÚge interuniversitaire d'études doctorales dans les sciences du management ainsi qu'aux bénéficiaires d'une bourse de doctorat (ou d'une bourse de post doctorat) attribuée par ce CollÚge.) <AR 16-02-1971, art. 2> <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
  (5° aux bénéficiaires d'un mandat de recherche octroyé par l'Institut flamand pour la promotion de la recherche scientifique-technologique dans l'industrie, ainsi qu'à cet Institut.) <AR 1995-03-15/44, art. 1, 061; En vigueur : 09-02-1991>
  (6° aux bénéficiaires d'une bourse de doctorat faisant l'objet d'une exonération fiscale en application de la législation fiscale (ou d'une bourse de post doctorat) octroyée par : <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
  - les Archives générales du Royaume et les Archives de l'Etat dans les provinces;
  - la BibliothÚque royale de Belgique;
  - [2 Institut royal d'Aéronomie spatiale de Belgique]2;
  - l'Institut royal des Sciences naturelles de Belgique;
  - l'Institut royal du Patrimoine artistique;
  - l'Institut royal météorologique de Belgique;
  - le Musée royal de l'Afrique centrale;
  - les Musées royaux d'Art et d'Histoire;
  - le Centre de recherches et d'études historiques de la Seconde Guerre Mondiale;
  - les Musées royaux des Beaux-Arts de Belgique;
  - l'Observatoire royal de Belgique;
  - le Service géologique de Belgique;
  - le Centre de Recherche agronomique de Gembloux;
  - le Centre de Recherche agronomique de Gand;
  - le Centre de Recherche en Economie agricole;
  - le Jardin Botanique national de Belgique;
  - [3 ...]3
  - [3 ...]3
  - le Musée royal de l'armée et d'histoire militaire;
  - l'Institut national de criminalistique;
  [3 - Sciensano]3
  ces institutions sont considérées comme étant leur employeur;
  7° (aux bénéficiaires d'une bourse de doctorat, faisant l'objet d'une exonération fiscale en application de la législation fiscale, et aux bénéficiaires d'une bourse de post doctorat, pour autant que la bourse de doctorat ou de post doctorat soit octroyée par une institution universitaire d'une Communauté, visée à l'article 1er du décret du 5 septembre 1994 de la Communauté française relatif au régime des études universitaires et des grades académiques ou à l'article 3 du décret de la Communauté flamande du 12 juin l991 relatif aux universités dans la Communauté flamande; cette institution est considérée comme étant leur employeur.) <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
  (§ 2. Concernant la bourse de spécialisation, la bourse de recherche ou la bourse de voyage comme mentionnée au § 1er, 1°, concernant le mandat de recherche mentionné au § 1er, 5°, et concernant la bourse de doctorat ou la bourse de post doctorat, mentionnée au § 1er, satisfaisant aux conditions susmentionnées, mais étant attribué(e) aux personnes qui ne bénéficient ni de l'application du RÚglement 1408/71 du Conseil de l'Union Européenne du 14 juin 1971 relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salariés et aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté, ni de l'application d'un traité bi- ou multilatéral relatif à la sécurité sociale conclu par le Royaume de Belgique, l'application de la loi est limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé et des indemnités [1 ...]1 et au régime des vacances annuelles des travailleurs salariés.) <AR 2003-03-26/61, art. 2, 116; En vigueur : 01-07-2003>
 Â
Afdeling 2bis. - (Bepaling betreffende de geneesheren in opleiding tot geneesheer-specialist en de geneesheren in opleiding tot huisarts.)
Section 2bis. - (Disposition relative aux médecins qui suivent la formation de médecin spécialiste et aux médecins qui suivent la formation de médecin généraliste.)
Art. 15bis. <KB 2007-06-03/32, art. 2, 136; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijke op : 01-07-2009>> De toepassing van de wet wordt verruimd wat betreft de regeling voor verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging en sector uitkeringen [2 ...]2 tot de volgende personen :
  1° de geneesheren in opleiding tot geneesheer-specialist, in het raam van de regelen bepaald ter uitvoering van artikel 153, § 4, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, alsmede tot de verplegingsinstellingen waar de opleiding wordt gevolgd;
  2° de geneesheren in opleiding tot huisarts, [1 alsmede tot de coördinatiecentra voor de opleiding in de huisartsgeneeskunde via dewelke deze geneesheren in opleiding tot huisarts hun opleiding volgen]1.
  [2 ...]2.
 Â
  1° de geneesheren in opleiding tot geneesheer-specialist, in het raam van de regelen bepaald ter uitvoering van artikel 153, § 4, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, alsmede tot de verplegingsinstellingen waar de opleiding wordt gevolgd;
  2° de geneesheren in opleiding tot huisarts, [1 alsmede tot de coördinatiecentra voor de opleiding in de huisartsgeneeskunde via dewelke deze geneesheren in opleiding tot huisarts hun opleiding volgen]1.
  [2 ...]2.
 Â
Art. 15bis. <AR 2007-06-03/32, art. 2, 136; En vigueur : indéterminée et au plus tard : 01-07-2009> L'application de la loi est étendue en ce qui concerne le régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé et secteur des indemnités [2 ...]2, aux personnes suivantes :
  1° aux mĂ©decins qui suivent la formation de mĂ©decin spĂ©cialiste, dans le cadre des modalitĂ©s fixĂ©es en application de l'article 153, § 4, de la loi du 9 aoĂ»t 1963, instituant et organisant un rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, ainsi qu'aux Ă©tablissements de soins oĂč la formation est suivie;
  2° aux médecins qui suivent la formation de médecin généraliste, [1 ainsi qu'aux centres de coordination pour la formation en médecine générale via lesquels ces médecins suivent leur formation]1.
  [2 ...]2.
 Â
  1° aux mĂ©decins qui suivent la formation de mĂ©decin spĂ©cialiste, dans le cadre des modalitĂ©s fixĂ©es en application de l'article 153, § 4, de la loi du 9 aoĂ»t 1963, instituant et organisant un rĂ©gime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invaliditĂ©, ainsi qu'aux Ă©tablissements de soins oĂč la formation est suivie;
  2° aux médecins qui suivent la formation de médecin généraliste, [1 ainsi qu'aux centres de coordination pour la formation en médecine générale via lesquels ces médecins suivent leur formation]1.
  [2 ...]2.
 Â
Afdeling 3. _ Uitsluitingen.
Section 3. - Exclusions.
Art. 16. <KB 1987-08-24/30, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 01-10-1987> Aan de toepassing van de wet worden onttrokken, de werknemers die occasionele arbeid verrichten, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers.
  [1 Wordt beschouwd als occasionele arbeid, de activiteit of activiteiten verricht ten behoeve van het huishouden van de werkgever of zijn gezin, met uitzondering van manuele huishoudelijke activiteiten, voor zover de werknemer deze occasionele activiteiten binnen deze huishouding niet beroepsmatig en geregeld ontplooit en voor zover de activiteiten niet meer dan acht uur per week bij één of meerdere werkgevers bedragen.]1
 Â
  [1 Wordt beschouwd als occasionele arbeid, de activiteit of activiteiten verricht ten behoeve van het huishouden van de werkgever of zijn gezin, met uitzondering van manuele huishoudelijke activiteiten, voor zover de werknemer deze occasionele activiteiten binnen deze huishouding niet beroepsmatig en geregeld ontplooit en voor zover de activiteiten niet meer dan acht uur per week bij één of meerdere werkgevers bedragen.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 16. <AR 1987-08-24/30, art. 1, 018; En vigueur : 01-10-1987> Sont soustraits Ă l'application de la loi, les travailleurs qui accomplissent un travail occasionnel, ainsi que les employeurs du chef de l'occupation de ces travailleurs.
  [1 Est considéré comme travail occasionnel, l'activité ou les activités effectuée(s) pour les besoins du ménage de l'employeur ou sa famille, à l'exception des activités ménagÚres manuelles, pour autant que le travailleur salarié ne déploie pas ces activités occasionnelles dans ce ménage professionnellement et de maniÚre organisée et que les activités ne dépassent pas huit heures par semaine chez un ou plusieurs employeurs.]1
 Â
  [1 Est considéré comme travail occasionnel, l'activité ou les activités effectuée(s) pour les besoins du ménage de l'employeur ou sa famille, à l'exception des activités ménagÚres manuelles, pour autant que le travailleur salarié ne déploie pas ces activités occasionnelles dans ce ménage professionnellement et de maniÚre organisée et que les activités ne dépassent pas huit heures par semaine chez un ou plusieurs employeurs.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 16bis. <INGEVOEGD bij KB 1999-06-13/53, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2000> Aan de toepassing van de wet worden onttrokken de werknemers die arbeidsprestaties verrichten in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst, bedoeld in de wet van 7 april 1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst, evenals de werkgevers uit hoofde van hun tewerkstelling van die werknemers.
Art. 16bis. Sont soustraits à l'application de la loi, les travailleurs qui accomplissent des prestations de travail dans le cadre d'un contrat de travail ALE, visé par la loi du 7 avril 1999 relative au contrat de travail ALE, ainsi que les employeurs du chef de l'occupation de ces travailleurs.
Art. 17. <KB 1985-08-02/42, art. 1, 006> (§ 1. Aan de toepassing van de wet worden onttrokken voor zover de bedoelde betrekking in de loop van een kalenderjaar 25 arbeidsdagen niet overschrijdt bij één of meer werkgevers :) <KB 1987-11-19/31, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 01-10-1987>
  1° (het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid [3 ...]3 aangesloten provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, en de personen die zij tewerkstellen in een betrekking die arbeidsprestaties meebrengt, verricht) : <KB 1997-08-08/12, art. 1, 1°, 073; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  a) als verantwoordelijk leider, beheerder, huismeester, monitor of adjunct-monitor in de cyclussen voor vakantiesport tijdens de schoolvakanties, de vrije dagen of de gedeelten in het onderwijs, of als animator van socio-culturele en sportactiviteiten tijdens de vrije dagen of daggedeelten in het onderwijs.
  b) bij wijze van inleiding, aanschouwelijke voordracht of lezing, die plaats hebben na 16 u 30 of tijdens de vrije dagen of daggedeelten in het onderwijs.
  2° de [1 Vlaamse Radio- en Televisieomroep (VRT)]1, de "Radio-Télévision culturelle francaise" (R.T.B.F.) en de "Belgische Rundfunk- und Fernsehnzentrum (B.R.F.)" alsmede de personen die, in hun organiek personeelskader opgenomen, daarenboven in hoedanigheid van artiest tewerkgesteld worden;
  3° (het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provinciale en plaatselijke besturen, evenals de werkgevers georganiseerd als vereniging zonder winstoogmerk of vennootschap met een sociaal oogmerk waarvan de statuten bepalen dat de vennoten geen vermogensvoordeel nastreven, die vakantiekolonies, speelpleinen en sportkampen inrichten en de personen die zij als beheerder, huismeester, monitor of bewaker, alléén tijdens de schoolvakanties tewerkstellen); <KB 1997-08-08/12, art. 1, 2°, 073; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  4° [5 de door de bevoegde overheden erkende organisaties of organisaties die aangesloten zijn bij een erkende koepelorganisatie en die tot taak hebben socio-culturele vorming en/of sportinitiatie en/of sportactiviteiten te verstrekken, en de personen die buiten hun werk- of schooluren of tijdens de schoolvakanties door deze organisaties worden tewerkgesteld als animator, leider, monitor, coördinator, sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, terreinverzorgers-materiaalmeester, lesgever, coach, procesbegeleider en de organisaties van de door de bevoegde overheden erkende amateurkunsten-sector of organisaties die aangesloten zijn bij een erkende koepelorganisatie, die personen tewerkstellen als artistieke of (kunst)technische begeleiders en lesgevers, coaches en procesbegeleiders en waarvan de prestaties geen artistieke prestaties zijn die al worden gedekt of in aanmerking komen voor de forfaitaire onkostenvergoeding in de zin van artikel 1bis, § 3, tweede lid, van de wet of bedoeld in artikel 17sexies van dit besluit;]5
  5° de inrichtende machten van scholen, gesubsidieerd (door een Gemeenschap), en de personen die zij tewerkstellen als animator van socio-culturele en sportactiviteiten tijdens de vrije dagen of daggedeelten in het onderwijs. <KB 1991-02-15/31, art. 8, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  (6° De inrichters van sportmanifestaties en de personen die zij uitsluitend op de dag van deze manifestaties tewerkstellen. Deze bepaling vindt geen toepassing op de [6 personen die de verplichting aangaan zich voor te bereiden op of deel te nemen aan een sportcompetitie of -exhibitie onder het gezag van een ander persoon tegen loon in toepassing van de wet van 24 februari 1978 betreffende de betaalde sportbeoefenaars of van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of op de houders van een vergunning van "eliterenner met contract" afgeleverd door de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond]6;)
  [5 7° de organisatoren van socioculturele manifestaties en de personen die ze tewerkstellen voor maximaal 32 uren, te spreiden volgens de behoeften op de dag van het evenement en 3 dagen voor of na het evenement, met uitsluiting van artistieke prestaties die al worden gedekt of in aanmerking komen voor de forfaitaire onkostenvergoeding in de zin van artikel 1bis, § 3, tweede lid, van de wet of bedoeld in artikel 17sexies van dit besluit.]5 <KB 1987-11-19/31, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 01-10-1987>
  [4 In afwijking van het eerste lid worden voor het jaar 2021 de werkgevers en de werknemers bedoeld in 1°, 3°, 4° en 5° van het eerste lid onttrokken aan de toepassing van de wet, voor zover de betrekking in de loop van het kalenderjaar niet meer dan 50 werkdagen overschrijdt, bij één of meer werkgevers.]4
  [5 In afwijking van het eerste lid, worden de werkgevers en de werknemers bedoeld in 1° en 3° tot en met 7° van het eerste lid onttrokken aan de toepassing van de wet, voor zover de bedoelde betrekking in de loop van een kalenderjaar niet meer dan:
  1° 300 uren overschrijdt, met een kwartaalplafond overeenstemmend met 190 uren tijdens het derde kwartaal en 100 uren voor de andere kwartalen van hetzelfde kalenderjaar, bij één of meer werkgevers voor activiteiten die onder het toepassingsgebied van dit artikel vallen;
  2° In afwijking van de bepaling onder 1°, 450 uren overschrijdt, met een kwartaalplafond overeenstemmend met 285 uren tijdens het derde kwartaal en 150 uren voor de andere kwartalen van hetzelfde kalenderjaar, bij één of meer werkgevers voor de activiteiten die verband houden met de sportinitiatie of sportactiviteiten die onder het toepassingsgebied van dit artikel vallen.
  De in het derde lid vastgestelde maxima kunnen gecumuleerd worden zonder evenwel de maxima bedoeld in het derde lid, 2° te overschrijden.
  Indien één van de in het derde en vierde lid vastgestelde maxima wordt overschreden, vallen alle gewerkte arbeidsuren bij de werkgever bij wie de overschrijding zich voordoet, onder de toepassing van de wet, voor alle vergoedingen die dezelfde werkgever gedurende het kalenderjaar aan de werknemer heeft betaald. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de in artikel 17bis van dit besluit bedoelde werknemers, indien het in artikel 17bis, § 2, bedoelde jaarlijkse maximum van 190 uren en/of de in het derde lid van dit artikel bedoelde driemaandelijkse maxima worden overschreden.]5
  [5 § 1/1. Het leveren van prestaties in de context van dit artikel, is niet toegestaan indien de werkgever en de betrokken werknemer door een arbeidsovereenkomst, een statutaire aanstelling of een aannemingsovereenkomst waren verbonden gedurende de periode van een jaar voorafgaand aan het begin van de prestaties.
  Het leveren van prestaties in de context van dit artikel is evenmin toegestaan indien de werknemer werd tewerkgesteld door de werkgever in het kader van een overeenkomst gesloten in toepassing van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.
  Het verbod bepaald in het eerste en het tweede lid is niet van toepassing indien tijdens dezelfde periode tussen de werkgever en de betrokken werknemer een arbeidsovereenkomst in de zin van titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gold of wanneer de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen als gevolg van een pensionering.
  Het verbod bedoeld in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op personen die de activiteiten verrichten bedoeld in artikel 3, 7° en 8°, van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk en die een aannemingsovereenkomst hebben gesloten [7 tussen 31 december 2020 en 1 oktober 2022]7. Deze bepaling is van toepassing tot en met [7 30 september 2023]7.
  Het verbod bedoeld in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op personen bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, van dit artikel.]5
  [7 Het verbod bedoeld in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op personen die een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst voor het verrichten van diensten hebben gesloten via een Sociaal Bureau voor Kunstenaars tussen 31 december 2020 en 1 oktober 2022. Deze bepaling is van toepassing op de in het kader van deze overeenkomst geleverde prestaties tot en met 30 september 2023.]7
  [8 § 1/2. Het uitoefenen van activiteiten in toepassing van § 1, eerste lid, 4° en 7°, is niet toegestaan wanneer:
  1° de uitvoerder gedurende hetzelfde kalenderjaar voor dezelfde werkgever (of opdrachtgever) activiteiten uitoefent die op grond van artikel 17sexies zijn vrijgesteld van de toepassing van de wet, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever het bewijs leveren van het verschil in de aard van de activiteiten tussen de verschillende activiteiten
  2° de uitvoerder op dezelfde dag voor dezelfde werkgever (of opdrachtgever) activiteiten uitoefent die op grond van artikel 17sexies zijn vrijgesteld van de toepassing van de wet, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever het bewijs leveren van het verschil in de aard van de prestaties tussen de verschillende activiteiten.]8
  § 2. [1 Dit artikel is alleen toepasselijk zo de werkgever vóór elke tewerkstelling ervan aangifte doet bij de [3 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]3.]1
  [1 Tweede lid opgeheven.]1
  [2 § 3. [3 De aangifte van tewerkstelling bedoeld in paragraaf 2, moet door de werkgever voorafgaand aan elke dag van tewerkstelling afzonderlijk gebeuren langs elektronische weg, onder de vorm en volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels]3.
  [5 In afwijking van het eerste lid, betreffende de werkgevers en de werknemers bedoeld in § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, moet de aangifte zoals bedoeld in § 2 van het aantal uren dat de werknemer tewerkgesteld zal worden voorafgaandelijk per tewerkstelling door de werkgever gebeuren langs elektronische weg, onder de vorm en volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.]5
  § 4. [3 ...]3;
  § 5. [3 ...]3.
  § 6. [3 ...]3.
  § 7. De werkgever dient de werknemer op de hoogte te stellen van de aangifte en de inhoud ervan. Dit kan gebeuren op welke wijze ook. De bewijslast berust bij de werkgever.
  § 8. [3 ...]3.
  § 9. [3 ...]3.]2
  [5 § 10. Voor de werknemer die, in het kader van een in dit artikel bedoelde betrekking, meer dan 190 arbeidsuren gepresteerd heeft en vervolgens is aangeworven in het kader van een studentenarbeidsovereenkomst als bedoeld in titel VII van de voornoemde wet van 3 juli 1978, wordt het aantal uren studentenarbeid, verminderd met de uren die de voornoemde 190 uren overschrijden.
  § 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "arbeidsdagen" verstaan een dag van 8 uren.
  Op de aangifte zoals bedoeld in § 2 wordt ieder begonnen uur aangegeven als een volledig uur.]5
 Â
  1° (het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid [3 ...]3 aangesloten provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, en de personen die zij tewerkstellen in een betrekking die arbeidsprestaties meebrengt, verricht) : <KB 1997-08-08/12, art. 1, 1°, 073; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  a) als verantwoordelijk leider, beheerder, huismeester, monitor of adjunct-monitor in de cyclussen voor vakantiesport tijdens de schoolvakanties, de vrije dagen of de gedeelten in het onderwijs, of als animator van socio-culturele en sportactiviteiten tijdens de vrije dagen of daggedeelten in het onderwijs.
  b) bij wijze van inleiding, aanschouwelijke voordracht of lezing, die plaats hebben na 16 u 30 of tijdens de vrije dagen of daggedeelten in het onderwijs.
  2° de [1 Vlaamse Radio- en Televisieomroep (VRT)]1, de "Radio-Télévision culturelle francaise" (R.T.B.F.) en de "Belgische Rundfunk- und Fernsehnzentrum (B.R.F.)" alsmede de personen die, in hun organiek personeelskader opgenomen, daarenboven in hoedanigheid van artiest tewerkgesteld worden;
  3° (het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provinciale en plaatselijke besturen, evenals de werkgevers georganiseerd als vereniging zonder winstoogmerk of vennootschap met een sociaal oogmerk waarvan de statuten bepalen dat de vennoten geen vermogensvoordeel nastreven, die vakantiekolonies, speelpleinen en sportkampen inrichten en de personen die zij als beheerder, huismeester, monitor of bewaker, alléén tijdens de schoolvakanties tewerkstellen); <KB 1997-08-08/12, art. 1, 2°, 073; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  4° [5 de door de bevoegde overheden erkende organisaties of organisaties die aangesloten zijn bij een erkende koepelorganisatie en die tot taak hebben socio-culturele vorming en/of sportinitiatie en/of sportactiviteiten te verstrekken, en de personen die buiten hun werk- of schooluren of tijdens de schoolvakanties door deze organisaties worden tewerkgesteld als animator, leider, monitor, coördinator, sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, terreinverzorgers-materiaalmeester, lesgever, coach, procesbegeleider en de organisaties van de door de bevoegde overheden erkende amateurkunsten-sector of organisaties die aangesloten zijn bij een erkende koepelorganisatie, die personen tewerkstellen als artistieke of (kunst)technische begeleiders en lesgevers, coaches en procesbegeleiders en waarvan de prestaties geen artistieke prestaties zijn die al worden gedekt of in aanmerking komen voor de forfaitaire onkostenvergoeding in de zin van artikel 1bis, § 3, tweede lid, van de wet of bedoeld in artikel 17sexies van dit besluit;]5
  5° de inrichtende machten van scholen, gesubsidieerd (door een Gemeenschap), en de personen die zij tewerkstellen als animator van socio-culturele en sportactiviteiten tijdens de vrije dagen of daggedeelten in het onderwijs. <KB 1991-02-15/31, art. 8, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  (6° De inrichters van sportmanifestaties en de personen die zij uitsluitend op de dag van deze manifestaties tewerkstellen. Deze bepaling vindt geen toepassing op de [6 personen die de verplichting aangaan zich voor te bereiden op of deel te nemen aan een sportcompetitie of -exhibitie onder het gezag van een ander persoon tegen loon in toepassing van de wet van 24 februari 1978 betreffende de betaalde sportbeoefenaars of van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of op de houders van een vergunning van "eliterenner met contract" afgeleverd door de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond]6;)
  [5 7° de organisatoren van socioculturele manifestaties en de personen die ze tewerkstellen voor maximaal 32 uren, te spreiden volgens de behoeften op de dag van het evenement en 3 dagen voor of na het evenement, met uitsluiting van artistieke prestaties die al worden gedekt of in aanmerking komen voor de forfaitaire onkostenvergoeding in de zin van artikel 1bis, § 3, tweede lid, van de wet of bedoeld in artikel 17sexies van dit besluit.]5 <KB 1987-11-19/31, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 01-10-1987>
  [4 In afwijking van het eerste lid worden voor het jaar 2021 de werkgevers en de werknemers bedoeld in 1°, 3°, 4° en 5° van het eerste lid onttrokken aan de toepassing van de wet, voor zover de betrekking in de loop van het kalenderjaar niet meer dan 50 werkdagen overschrijdt, bij één of meer werkgevers.]4
  [5 In afwijking van het eerste lid, worden de werkgevers en de werknemers bedoeld in 1° en 3° tot en met 7° van het eerste lid onttrokken aan de toepassing van de wet, voor zover de bedoelde betrekking in de loop van een kalenderjaar niet meer dan:
  1° 300 uren overschrijdt, met een kwartaalplafond overeenstemmend met 190 uren tijdens het derde kwartaal en 100 uren voor de andere kwartalen van hetzelfde kalenderjaar, bij één of meer werkgevers voor activiteiten die onder het toepassingsgebied van dit artikel vallen;
  2° In afwijking van de bepaling onder 1°, 450 uren overschrijdt, met een kwartaalplafond overeenstemmend met 285 uren tijdens het derde kwartaal en 150 uren voor de andere kwartalen van hetzelfde kalenderjaar, bij één of meer werkgevers voor de activiteiten die verband houden met de sportinitiatie of sportactiviteiten die onder het toepassingsgebied van dit artikel vallen.
  De in het derde lid vastgestelde maxima kunnen gecumuleerd worden zonder evenwel de maxima bedoeld in het derde lid, 2° te overschrijden.
  Indien één van de in het derde en vierde lid vastgestelde maxima wordt overschreden, vallen alle gewerkte arbeidsuren bij de werkgever bij wie de overschrijding zich voordoet, onder de toepassing van de wet, voor alle vergoedingen die dezelfde werkgever gedurende het kalenderjaar aan de werknemer heeft betaald. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de in artikel 17bis van dit besluit bedoelde werknemers, indien het in artikel 17bis, § 2, bedoelde jaarlijkse maximum van 190 uren en/of de in het derde lid van dit artikel bedoelde driemaandelijkse maxima worden overschreden.]5
  [5 § 1/1. Het leveren van prestaties in de context van dit artikel, is niet toegestaan indien de werkgever en de betrokken werknemer door een arbeidsovereenkomst, een statutaire aanstelling of een aannemingsovereenkomst waren verbonden gedurende de periode van een jaar voorafgaand aan het begin van de prestaties.
  Het leveren van prestaties in de context van dit artikel is evenmin toegestaan indien de werknemer werd tewerkgesteld door de werkgever in het kader van een overeenkomst gesloten in toepassing van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.
  Het verbod bepaald in het eerste en het tweede lid is niet van toepassing indien tijdens dezelfde periode tussen de werkgever en de betrokken werknemer een arbeidsovereenkomst in de zin van titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten gold of wanneer de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen als gevolg van een pensionering.
  Het verbod bedoeld in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op personen die de activiteiten verrichten bedoeld in artikel 3, 7° en 8°, van de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk en die een aannemingsovereenkomst hebben gesloten [7 tussen 31 december 2020 en 1 oktober 2022]7. Deze bepaling is van toepassing tot en met [7 30 september 2023]7.
  Het verbod bedoeld in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op personen bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, van dit artikel.]5
  [7 Het verbod bedoeld in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op personen die een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst voor het verrichten van diensten hebben gesloten via een Sociaal Bureau voor Kunstenaars tussen 31 december 2020 en 1 oktober 2022. Deze bepaling is van toepassing op de in het kader van deze overeenkomst geleverde prestaties tot en met 30 september 2023.]7
  [8 § 1/2. Het uitoefenen van activiteiten in toepassing van § 1, eerste lid, 4° en 7°, is niet toegestaan wanneer:
  1° de uitvoerder gedurende hetzelfde kalenderjaar voor dezelfde werkgever (of opdrachtgever) activiteiten uitoefent die op grond van artikel 17sexies zijn vrijgesteld van de toepassing van de wet, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever het bewijs leveren van het verschil in de aard van de activiteiten tussen de verschillende activiteiten
  2° de uitvoerder op dezelfde dag voor dezelfde werkgever (of opdrachtgever) activiteiten uitoefent die op grond van artikel 17sexies zijn vrijgesteld van de toepassing van de wet, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever het bewijs leveren van het verschil in de aard van de prestaties tussen de verschillende activiteiten.]8
  § 2. [1 Dit artikel is alleen toepasselijk zo de werkgever vóór elke tewerkstelling ervan aangifte doet bij de [3 Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]3.]1
  [1 Tweede lid opgeheven.]1
  [2 § 3. [3 De aangifte van tewerkstelling bedoeld in paragraaf 2, moet door de werkgever voorafgaand aan elke dag van tewerkstelling afzonderlijk gebeuren langs elektronische weg, onder de vorm en volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels]3.
  [5 In afwijking van het eerste lid, betreffende de werkgevers en de werknemers bedoeld in § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, moet de aangifte zoals bedoeld in § 2 van het aantal uren dat de werknemer tewerkgesteld zal worden voorafgaandelijk per tewerkstelling door de werkgever gebeuren langs elektronische weg, onder de vorm en volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.]5
  § 4. [3 ...]3;
  § 5. [3 ...]3.
  § 6. [3 ...]3.
  § 7. De werkgever dient de werknemer op de hoogte te stellen van de aangifte en de inhoud ervan. Dit kan gebeuren op welke wijze ook. De bewijslast berust bij de werkgever.
  § 8. [3 ...]3.
  § 9. [3 ...]3.]2
  [5 § 10. Voor de werknemer die, in het kader van een in dit artikel bedoelde betrekking, meer dan 190 arbeidsuren gepresteerd heeft en vervolgens is aangeworven in het kader van een studentenarbeidsovereenkomst als bedoeld in titel VII van de voornoemde wet van 3 juli 1978, wordt het aantal uren studentenarbeid, verminderd met de uren die de voornoemde 190 uren overschrijden.
  § 11. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "arbeidsdagen" verstaan een dag van 8 uren.
  Op de aangifte zoals bedoeld in § 2 wordt ieder begonnen uur aangegeven als een volledig uur.]5
 Â
Wijzigingen
Art. 17. <AR 1985-08-02/42, art. 1, 006> (§ 1er. Sont soustraits à l'application de la loi, pour autant que l'occupation visée ne dépasse pas 25 journées de travail au cours d'une année civile, chez un ou plusieurs employeurs :) <AR 1987-11-19/31, art. 1, 020; En vigueur : 1987-10-01>
  1° (l'Etat, les communautés, les régions, les administrations provinciales et locales affiliées à l'Office national de Sécurité sociale [3 ...]3 et les personnes qu'ils occupent à un travail comportant des prestations accomplies) : <AR 1997-08-08/12, art. 1, 1°, 073; En vigueur : 01-07-1997>
  a) en qualité de chef responsable, d'intendant, d'économe, de moniteur ou de moniteur adjoint dans les cycles de vacances sportives organisées pendant les vacances scolaires, les journées ou parties de journées libres dans l'enseignement, ou comme animateur d'activités socio-culturelles et sportives pendant les journées ou parties de journées libres dans l'enseignement.
  b) sous forme d'initiation, de démonstration ou de conférence qui ont lieu aprÚs 16 h 30 ou pendant les journées ou parties de journées libres dans l'enseignement.
  2° la Radio-Télévision belge de la Communauté culturelle française (R.T.B.F.), le "[1 Vlaamse Radio- en Televisieomroep (VRT)]1" et la "Belgische Rundfunk- und Fernsehzentrum" (B.R.F.) ainsi que les personnes qui, reprises dans le cadre organique de leur personnel, sont en outre occupées en qualité d'artistes;
  3° (l'Etat, les communautĂ©s, les rĂ©gions, les administrations provinciales et locales, de mĂȘme que les employeurs organisĂ©s en tant qu'association sans but lucratif ou en sociĂ©tĂ© Ă finalitĂ© sociale dont les statuts stipulent que les associĂ©s ne recherchent aucun bĂ©nĂ©fice patrimonial, qui organisent des colonies de vacances, plaines de jeux et campements de sport et les personnes qu'ils occupent en qualitĂ© d'intendant, d'Ă©conome, de moniteur ou de surveillant exclusivement pendant les vacances scolaires); <AR 1997-08-08/12, art. 1, 2°, 073; En vigueur : 01-07-1997>
  4° [5 les organisations reconnues par les autoritĂ©s compĂ©tentes ou les organisations qui sont affiliĂ©es Ă une organisation coupole reconnue, et qui ont pour mission de dispenser une formation socioculturelle et/ou une initiation sportive et/ou activitĂ©s sportives et les personnes que ces organisations occupent comme animateur, chef, moniteur, coordinateur, entraineur sportif, professeur de sport, coach sportif, coordinateur des sports pour les jeunes, responsable du terrain ou du matĂ©riel, formateur, coach, responsable de processus en dehors de leurs heures de travail ou scolaires ou pendant les vacances scolaires et les organisations du secteur des arts amateurs reconnues par les autoritĂ©s compĂ©tentes ou les organisations qui sont affiliĂ©es Ă une organisation coupole reconnue, qui occupent des personnes en tant qu'enseignants, formateurs, coachs et responsables de processus artistiques ou techniques (artistiques) et dont les prestations ne sont pas des prestations artistiques dĂ©jĂ couvertes ou Ă©ligibles au titre d'indemnitĂ©s forfaitaires de dĂ©fraiement au sens de l'article 1erbis, § 3, alinĂ©a 2, de la loi ou visĂ©es Ă l'article 17sexies du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;]5
  5° les pouvoirs organisateurs des écoles subsidiées (par une Communauté) et les personnes qu'elles occupent comme animateurs d'activités socio-culturelles et sportives pendant les journées ou parties de journées libres dans l'enseignement. <AR 1991-02-15/31, art. 8, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  (6° les organisateurs de manifestations sportives et les personnes qu'ils occupent exclusivement le jour de ces manifestations. Cette disposition ne s'applique pas [6 aux personnes qui s'engagent à se préparer ou à participer à une compétition ou à une exhibition sportive sous l'autorité d'une autre personne en application de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré ou de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou aux titulaires d'une licence de " coureur élite avec contrat " délivrée par la Royale Ligue vélocipédique belge]6;)
  [5 7° les organisateurs de manifestations socioculturelles et les personnes qu'ils occupent pour un maximum de 32 heures Ă rĂ©partir selon les besoins le jour de l'Ă©vĂšnement et 3 jours avant ou aprĂšs l'Ă©vĂšnement, Ă l'exclusion des prestations artistiques couvertes ou Ă©ligibles au titre d'indemnitĂ©s forfaitaires de dĂ©fraiement au sens de l'article 1erbis, § 3, alinĂ©a 2, de la loi ou visĂ©es Ă l'article 17sexies du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]5 <AR 1987-11-19/31, art. 1, 020; En vigueur : 01-10-1987>
  [4 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour l'année 2021, les employeurs et les travailleurs visés aux 1°, 3°, 4° et 5° de l'alinéa 1er sont soustraits à l'application de la loi, pour autant que l'occupation ne dépasse pas 50 journées de travail au cours de l'année, chez un ou plusieurs employeurs.]4
  [5 Par dérogation à l'alinéa 1er, les employeurs et les travailleurs visés aux 1° et 3° à 7° inclus de l'alinéa 1er, sont soustraits à l'application de la loi, pour autant que l'occupation visée ne dépasse pas :
  1° 300 heures de travail au cours d'une annĂ©e civile, avec un plafond trimestriel correspondant Ă 190 heures pour le troisiĂšme trimestre et 100 heures pour les autres trimestres de la mĂȘme annĂ©e civile, chez un ou plusieurs employeurs pour les activitĂ©s qui relĂšvent du champ d'application du prĂ©sent article;
  2° Par dĂ©rogation au 1°, 450 heures de travail au cours d'une annĂ©e civile, avec un plafond trimestriel correspondant Ă 285 heures pour le troisiĂšme trimestre et 150 heures pour les autres trimestres de la mĂȘme annĂ©e civile, chez un ou plusieurs employeurs pour les activitĂ©s liĂ©es Ă l'initiation sportive ou Ă des activitĂ©s sportives qui relĂšvent du champ d'application du prĂ©sent article.
  Les plafonds fixĂ©s Ă l'alinĂ©a 3 peuvent ĂȘtre cumulĂ©s sans toutefois dĂ©passer les plafonds visĂ©s Ă l'alinĂ©a 3, 2°.
  En cas de dĂ©passement de l'un des plafonds prĂ©vu aux alinĂ©as 3 et 4, l'ensemble des heures de travail prestĂ©es auprĂšs de l'employeur chez qui le dĂ©passement a lieu sont soumises Ă l'application de la loi, et ce, pour toutes les rĂ©munĂ©rations payĂ©es au travailleur par ce mĂȘme employeur au cours de l'annĂ©e civile. Cette disposition est Ă©galement d'application pour les travailleurs visĂ©s Ă l'article 17bis du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en cas de dĂ©passement du plafond annuel de 190 heures prĂ©vu Ă l'article 17bis, § 2, et/ou des plafonds trimestriels prĂ©vus Ă l'alinĂ©a 3 du prĂ©sent article.]5
  [5 § 1er/1. La fourniture de prestations dans le cadre du présent article n'est pas autorisée si l'employeur et le travailleur concernés étaient liés par un contrat de travail, une affectation statutaire ou un contrat d'entreprise au cours d'une période d'un an précédant le début des prestations.
  La fourniture de prestations dans le cadre du présent article n'est pas autorisée si le travailleur était occupé par l'employeur dans le cadre d'un contrat conclu en application de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs.
  L'interdiction visĂ©e aux alinĂ©as 1er et 2 ne s'applique pas si, au cours de la mĂȘme pĂ©riode, un contrat de travail au sens de titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail liait l'employeur et le travailleur concernĂ©, ou si le contrat de travail a pris fin Ă la suite d'une mise Ă la pension.
  L'interdiction visée aux alinéas 1er et 2 ne s'applique pas aux personnes exerçant les activités visées à l'article 3, 7° et 8°, de la loi du 24 décembre 2020 relative au travail associatif qui ont conclu un contrat d'entreprise [7 entre le 31 décembre 2020 et le 1er octobre 2022]7. Cette disposition est d'application jusqu'au [7 30 septembre 2023]7 inclus.
  L'interdiction visée aux alinéas 1er et 2 ne s'applique pas aux personnes visées au § 1er, alinéa 1er, 2°, du présent article.]5
  [7 L'interdiction visée aux alinéas 1er et 2 ne s'applique pas aux personnes ayant conclu un contrat de travail ou contrat de prestations de services via un Bureau Social pour Artistes entre le 31 décembre 2020 et le 1er octobre 2022. Cette disposition est d'application pour les prestations effectuées dans le cadre du contrat précité jusqu'au 30 septembre 2023 inclus.]7
  [8 § 1/2. L'exercice des activités en application du § 1er, alinéa 1er, 4° et 7°, n'est pas autorisé si :
  1° l'exĂ©cutant exerce, au cours de la mĂȘme annĂ©e civile, pour le mĂȘme employeur (ou donneur d'ordre) des activitĂ©s soustraites Ă l'application de la loi en application de l'article 17sexies, sauf si l'exĂ©cutant et le donneur d'ordre apportent la preuve de la diffĂ©rence de nature des activitĂ©s entre les diffĂ©rentes activitĂ©s
  2° l'exĂ©cutant exerce, pour le mĂȘme jour, pour le mĂȘme employeur (ou donneur d'ordre) des activitĂ©s soustraites Ă l'application de la loi en application de l'article 17sexies, sauf si l'exĂ©cutant et le donneur d'ordre apportent la preuve de la diffĂ©rence de nature des prestations entre les diffĂ©rentes activitĂ©s.]8
  § 2. [1 Cet article n'est d'application que si l'employeur, avant toute occupation, en fait déclaration à l'[3 Office national de sécurité sociale]3.]1
  [1 Alinéa 2 abrogé.]1
  [2 § 3. [3 La dĂ©claration d'occupation prĂ©vue dans le paragraphe 2 doit ĂȘtre faite par l'employeur prĂ©alablement Ă chaque jour de travail sĂ©parĂ©ment par voie Ă©lectronique, sous la forme et conformĂ©ment aux modalitĂ©s dĂ©terminĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions]3.
  [5 Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, concernant les employeurs et les travailleurs visĂ©s aux § 1er, alinĂ©a 1er, 1° et 3° Ă 7° inclus, du prĂ©sent article, la dĂ©claration, telle que visĂ©e au § 2, du nombre d'heures de travail du travailleur, doit ĂȘtre faite par l'employeur prĂ©alablement pour chaque occupation, par voie Ă©lectronique, sous la forme et conformĂ©ment aux modalitĂ©s dĂ©terminĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions.]5
  § 4. [3 ...]3;
  § 5. [3 ...]3.
  § 6. [3 ...]3.
  § 7. L'employeur doit informer le travailleur de la déclaration et de son contenu. Il peut le faire de n'importe quelle maniÚre. La charge de la preuve incombe à l'employeur.
  § 8. [3 ...]3.
  § 9. [3 ...]3.]2
  [5 § 10. Pour le travailleur qui, dans le cadre d'une occupation visée au présent article, dépasse 190 heures de prestations, puis est engagé sous contrat d'occupation étudiants tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 précitée, le quota d'heures en qualité d'étudiant est diminué des heures dépassant les 190 heures précitées.
  § 11. Pour l'application du présent article, il y a lieu d'entendre par " journée de travail ", une journée de 8 heures.
  Dans la dĂ©claration telle que visĂ©e au § 2, chaque heure commencĂ©e doit ĂȘtre dĂ©clarĂ©e comme une heure complĂšte.]5
 Â
  1° (l'Etat, les communautés, les régions, les administrations provinciales et locales affiliées à l'Office national de Sécurité sociale [3 ...]3 et les personnes qu'ils occupent à un travail comportant des prestations accomplies) : <AR 1997-08-08/12, art. 1, 1°, 073; En vigueur : 01-07-1997>
  a) en qualité de chef responsable, d'intendant, d'économe, de moniteur ou de moniteur adjoint dans les cycles de vacances sportives organisées pendant les vacances scolaires, les journées ou parties de journées libres dans l'enseignement, ou comme animateur d'activités socio-culturelles et sportives pendant les journées ou parties de journées libres dans l'enseignement.
  b) sous forme d'initiation, de démonstration ou de conférence qui ont lieu aprÚs 16 h 30 ou pendant les journées ou parties de journées libres dans l'enseignement.
  2° la Radio-Télévision belge de la Communauté culturelle française (R.T.B.F.), le "[1 Vlaamse Radio- en Televisieomroep (VRT)]1" et la "Belgische Rundfunk- und Fernsehzentrum" (B.R.F.) ainsi que les personnes qui, reprises dans le cadre organique de leur personnel, sont en outre occupées en qualité d'artistes;
  3° (l'Etat, les communautĂ©s, les rĂ©gions, les administrations provinciales et locales, de mĂȘme que les employeurs organisĂ©s en tant qu'association sans but lucratif ou en sociĂ©tĂ© Ă finalitĂ© sociale dont les statuts stipulent que les associĂ©s ne recherchent aucun bĂ©nĂ©fice patrimonial, qui organisent des colonies de vacances, plaines de jeux et campements de sport et les personnes qu'ils occupent en qualitĂ© d'intendant, d'Ă©conome, de moniteur ou de surveillant exclusivement pendant les vacances scolaires); <AR 1997-08-08/12, art. 1, 2°, 073; En vigueur : 01-07-1997>
  4° [5 les organisations reconnues par les autoritĂ©s compĂ©tentes ou les organisations qui sont affiliĂ©es Ă une organisation coupole reconnue, et qui ont pour mission de dispenser une formation socioculturelle et/ou une initiation sportive et/ou activitĂ©s sportives et les personnes que ces organisations occupent comme animateur, chef, moniteur, coordinateur, entraineur sportif, professeur de sport, coach sportif, coordinateur des sports pour les jeunes, responsable du terrain ou du matĂ©riel, formateur, coach, responsable de processus en dehors de leurs heures de travail ou scolaires ou pendant les vacances scolaires et les organisations du secteur des arts amateurs reconnues par les autoritĂ©s compĂ©tentes ou les organisations qui sont affiliĂ©es Ă une organisation coupole reconnue, qui occupent des personnes en tant qu'enseignants, formateurs, coachs et responsables de processus artistiques ou techniques (artistiques) et dont les prestations ne sont pas des prestations artistiques dĂ©jĂ couvertes ou Ă©ligibles au titre d'indemnitĂ©s forfaitaires de dĂ©fraiement au sens de l'article 1erbis, § 3, alinĂ©a 2, de la loi ou visĂ©es Ă l'article 17sexies du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;]5
  5° les pouvoirs organisateurs des écoles subsidiées (par une Communauté) et les personnes qu'elles occupent comme animateurs d'activités socio-culturelles et sportives pendant les journées ou parties de journées libres dans l'enseignement. <AR 1991-02-15/31, art. 8, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  (6° les organisateurs de manifestations sportives et les personnes qu'ils occupent exclusivement le jour de ces manifestations. Cette disposition ne s'applique pas [6 aux personnes qui s'engagent à se préparer ou à participer à une compétition ou à une exhibition sportive sous l'autorité d'une autre personne en application de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré ou de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou aux titulaires d'une licence de " coureur élite avec contrat " délivrée par la Royale Ligue vélocipédique belge]6;)
  [5 7° les organisateurs de manifestations socioculturelles et les personnes qu'ils occupent pour un maximum de 32 heures Ă rĂ©partir selon les besoins le jour de l'Ă©vĂšnement et 3 jours avant ou aprĂšs l'Ă©vĂšnement, Ă l'exclusion des prestations artistiques couvertes ou Ă©ligibles au titre d'indemnitĂ©s forfaitaires de dĂ©fraiement au sens de l'article 1erbis, § 3, alinĂ©a 2, de la loi ou visĂ©es Ă l'article 17sexies du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]5 <AR 1987-11-19/31, art. 1, 020; En vigueur : 01-10-1987>
  [4 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour l'année 2021, les employeurs et les travailleurs visés aux 1°, 3°, 4° et 5° de l'alinéa 1er sont soustraits à l'application de la loi, pour autant que l'occupation ne dépasse pas 50 journées de travail au cours de l'année, chez un ou plusieurs employeurs.]4
  [5 Par dérogation à l'alinéa 1er, les employeurs et les travailleurs visés aux 1° et 3° à 7° inclus de l'alinéa 1er, sont soustraits à l'application de la loi, pour autant que l'occupation visée ne dépasse pas :
  1° 300 heures de travail au cours d'une annĂ©e civile, avec un plafond trimestriel correspondant Ă 190 heures pour le troisiĂšme trimestre et 100 heures pour les autres trimestres de la mĂȘme annĂ©e civile, chez un ou plusieurs employeurs pour les activitĂ©s qui relĂšvent du champ d'application du prĂ©sent article;
  2° Par dĂ©rogation au 1°, 450 heures de travail au cours d'une annĂ©e civile, avec un plafond trimestriel correspondant Ă 285 heures pour le troisiĂšme trimestre et 150 heures pour les autres trimestres de la mĂȘme annĂ©e civile, chez un ou plusieurs employeurs pour les activitĂ©s liĂ©es Ă l'initiation sportive ou Ă des activitĂ©s sportives qui relĂšvent du champ d'application du prĂ©sent article.
  Les plafonds fixĂ©s Ă l'alinĂ©a 3 peuvent ĂȘtre cumulĂ©s sans toutefois dĂ©passer les plafonds visĂ©s Ă l'alinĂ©a 3, 2°.
  En cas de dĂ©passement de l'un des plafonds prĂ©vu aux alinĂ©as 3 et 4, l'ensemble des heures de travail prestĂ©es auprĂšs de l'employeur chez qui le dĂ©passement a lieu sont soumises Ă l'application de la loi, et ce, pour toutes les rĂ©munĂ©rations payĂ©es au travailleur par ce mĂȘme employeur au cours de l'annĂ©e civile. Cette disposition est Ă©galement d'application pour les travailleurs visĂ©s Ă l'article 17bis du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en cas de dĂ©passement du plafond annuel de 190 heures prĂ©vu Ă l'article 17bis, § 2, et/ou des plafonds trimestriels prĂ©vus Ă l'alinĂ©a 3 du prĂ©sent article.]5
  [5 § 1er/1. La fourniture de prestations dans le cadre du présent article n'est pas autorisée si l'employeur et le travailleur concernés étaient liés par un contrat de travail, une affectation statutaire ou un contrat d'entreprise au cours d'une période d'un an précédant le début des prestations.
  La fourniture de prestations dans le cadre du présent article n'est pas autorisée si le travailleur était occupé par l'employeur dans le cadre d'un contrat conclu en application de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs.
  L'interdiction visĂ©e aux alinĂ©as 1er et 2 ne s'applique pas si, au cours de la mĂȘme pĂ©riode, un contrat de travail au sens de titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail liait l'employeur et le travailleur concernĂ©, ou si le contrat de travail a pris fin Ă la suite d'une mise Ă la pension.
  L'interdiction visée aux alinéas 1er et 2 ne s'applique pas aux personnes exerçant les activités visées à l'article 3, 7° et 8°, de la loi du 24 décembre 2020 relative au travail associatif qui ont conclu un contrat d'entreprise [7 entre le 31 décembre 2020 et le 1er octobre 2022]7. Cette disposition est d'application jusqu'au [7 30 septembre 2023]7 inclus.
  L'interdiction visée aux alinéas 1er et 2 ne s'applique pas aux personnes visées au § 1er, alinéa 1er, 2°, du présent article.]5
  [7 L'interdiction visée aux alinéas 1er et 2 ne s'applique pas aux personnes ayant conclu un contrat de travail ou contrat de prestations de services via un Bureau Social pour Artistes entre le 31 décembre 2020 et le 1er octobre 2022. Cette disposition est d'application pour les prestations effectuées dans le cadre du contrat précité jusqu'au 30 septembre 2023 inclus.]7
  [8 § 1/2. L'exercice des activités en application du § 1er, alinéa 1er, 4° et 7°, n'est pas autorisé si :
  1° l'exĂ©cutant exerce, au cours de la mĂȘme annĂ©e civile, pour le mĂȘme employeur (ou donneur d'ordre) des activitĂ©s soustraites Ă l'application de la loi en application de l'article 17sexies, sauf si l'exĂ©cutant et le donneur d'ordre apportent la preuve de la diffĂ©rence de nature des activitĂ©s entre les diffĂ©rentes activitĂ©s
  2° l'exĂ©cutant exerce, pour le mĂȘme jour, pour le mĂȘme employeur (ou donneur d'ordre) des activitĂ©s soustraites Ă l'application de la loi en application de l'article 17sexies, sauf si l'exĂ©cutant et le donneur d'ordre apportent la preuve de la diffĂ©rence de nature des prestations entre les diffĂ©rentes activitĂ©s.]8
  § 2. [1 Cet article n'est d'application que si l'employeur, avant toute occupation, en fait déclaration à l'[3 Office national de sécurité sociale]3.]1
  [1 Alinéa 2 abrogé.]1
  [2 § 3. [3 La dĂ©claration d'occupation prĂ©vue dans le paragraphe 2 doit ĂȘtre faite par l'employeur prĂ©alablement Ă chaque jour de travail sĂ©parĂ©ment par voie Ă©lectronique, sous la forme et conformĂ©ment aux modalitĂ©s dĂ©terminĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions]3.
  [5 Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, concernant les employeurs et les travailleurs visĂ©s aux § 1er, alinĂ©a 1er, 1° et 3° Ă 7° inclus, du prĂ©sent article, la dĂ©claration, telle que visĂ©e au § 2, du nombre d'heures de travail du travailleur, doit ĂȘtre faite par l'employeur prĂ©alablement pour chaque occupation, par voie Ă©lectronique, sous la forme et conformĂ©ment aux modalitĂ©s dĂ©terminĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions.]5
  § 4. [3 ...]3;
  § 5. [3 ...]3.
  § 6. [3 ...]3.
  § 7. L'employeur doit informer le travailleur de la déclaration et de son contenu. Il peut le faire de n'importe quelle maniÚre. La charge de la preuve incombe à l'employeur.
  § 8. [3 ...]3.
  § 9. [3 ...]3.]2
  [5 § 10. Pour le travailleur qui, dans le cadre d'une occupation visée au présent article, dépasse 190 heures de prestations, puis est engagé sous contrat d'occupation étudiants tel que visé au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 précitée, le quota d'heures en qualité d'étudiant est diminué des heures dépassant les 190 heures précitées.
  § 11. Pour l'application du présent article, il y a lieu d'entendre par " journée de travail ", une journée de 8 heures.
  Dans la dĂ©claration telle que visĂ©e au § 2, chaque heure commencĂ©e doit ĂȘtre dĂ©clarĂ©e comme une heure complĂšte.]5
 Â
Wijzigingen
Art. 17bis. [1 § 1. [4 Aan de toepassing van de wet worden onttrokken, de studenten die tewerkgesteld zijn in het kader van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten, bedoeld bij titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedurende [7 650]7 aangegeven uren studentenarbeid per kalenderjaar gedurende de periodes van niet verplichte aanwezigheid in de onderwijsinstellingen en op voorwaarde dat hun werkgevers hen hebben aangegeven overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.]4
  § 2. [5 Worden eveneens aan de toepassing van de wet onttrokken, de studenten die de voorwaarden vervullen bedoeld in § 1 en aan de toepassing van de wet onttrokken werden met toepassing van artikel 17 op voorwaarde dat ze, tijdens hetzelfde kalenderjaar, maximum 190 uren werken in een tewerkstelling bedoeld in artikel 17 en maximum [7 650]7 uren in een tewerkstelling bedoeld in § 1. De driemaandelijkse maxima van artikel 17, § 1, derde lid, zijn van toepassing.]5
  § 3. [4 Bij een overschrijding van het maximum aantal arbeidsuren, zoals gespecifieerd in § 1, zijn de student en de werkgever bij wie hij tewerkgesteld is op het moment van de overschrijding, onderworpen aan de wet vanaf het [7 651e]7 uur van tewerkstelling voor zover de werkgever de student correct heeft aangegeven overeenkomstig artikel 7 van het voornoemde besluit van 5 november 2002.]4]1
  [6 § 4. [7 ...]7]6
 Â
  § 2. [5 Worden eveneens aan de toepassing van de wet onttrokken, de studenten die de voorwaarden vervullen bedoeld in § 1 en aan de toepassing van de wet onttrokken werden met toepassing van artikel 17 op voorwaarde dat ze, tijdens hetzelfde kalenderjaar, maximum 190 uren werken in een tewerkstelling bedoeld in artikel 17 en maximum [7 650]7 uren in een tewerkstelling bedoeld in § 1. De driemaandelijkse maxima van artikel 17, § 1, derde lid, zijn van toepassing.]5
  § 3. [4 Bij een overschrijding van het maximum aantal arbeidsuren, zoals gespecifieerd in § 1, zijn de student en de werkgever bij wie hij tewerkgesteld is op het moment van de overschrijding, onderworpen aan de wet vanaf het [7 651e]7 uur van tewerkstelling voor zover de werkgever de student correct heeft aangegeven overeenkomstig artikel 7 van het voornoemde besluit van 5 november 2002.]4]1
  [6 § 4. [7 ...]7]6
 Â
Wijzigingen
Art. 17bis. [1 § 1er. [4 Sont soustraits Ă l'application de la loi, les Ă©tudiants qui sont occupĂ©s dans le cadre d'un contrat d'occupation d'Ă©tudiants, visĂ© au titre VII de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, durant les [7 650]7 heures dĂ©clarĂ©es d'occupation d'Ă©tudiants par annĂ©e calendrier pendant les pĂ©riodes de prĂ©sence non obligatoire dans les Ă©tablissements d'enseignement et Ă la condition que leurs employeurs les ont dĂ©clarĂ©s conformĂ©ment Ă l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux.]4
  § 2. [5 Sont Ă©galement soustraits Ă l'application de la loi, les Ă©tudiants qui rĂ©pondent aux conditions visĂ©es au § 1er, et qui ont Ă©tĂ© soustraits Ă l'application de la loi en vertu de l'article 17 Ă la condition qu'ils prestent, au cours d'une mĂȘme annĂ©e civile, au maximum 190 heures dans le cadre d'une occupation visĂ©e Ă l'article 17 et au maximum [7 650]7 heures dans le cadre d'une occupation visĂ©e au § 1er. Les plafonds trimestriels de l'article 17, § 1er, alinĂ©a 3, sont d'application.]5
  § 3. [4 Lors d'un dĂ©passement du nombre maximal d'heures de travail, tel que spĂ©cifiĂ© au § 1er, l'Ă©tudiant et l'employeur qui l'occupe au moment du dĂ©passement sont assujettis Ă la loi Ă partir de la [7 651e]7 heure d'occupation Ă condition que l'employeur ait correctement dĂ©clarĂ© l'Ă©tudiant conformĂ©ment Ă l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du 5 novembre 2002.]4]1
  [6 § 4. [7 ...]7]6
 Â
  § 2. [5 Sont Ă©galement soustraits Ă l'application de la loi, les Ă©tudiants qui rĂ©pondent aux conditions visĂ©es au § 1er, et qui ont Ă©tĂ© soustraits Ă l'application de la loi en vertu de l'article 17 Ă la condition qu'ils prestent, au cours d'une mĂȘme annĂ©e civile, au maximum 190 heures dans le cadre d'une occupation visĂ©e Ă l'article 17 et au maximum [7 650]7 heures dans le cadre d'une occupation visĂ©e au § 1er. Les plafonds trimestriels de l'article 17, § 1er, alinĂ©a 3, sont d'application.]5
  § 3. [4 Lors d'un dĂ©passement du nombre maximal d'heures de travail, tel que spĂ©cifiĂ© au § 1er, l'Ă©tudiant et l'employeur qui l'occupe au moment du dĂ©passement sont assujettis Ă la loi Ă partir de la [7 651e]7 heure d'occupation Ă condition que l'employeur ait correctement dĂ©clarĂ© l'Ă©tudiant conformĂ©ment Ă l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du 5 novembre 2002.]4]1
  [6 § 4. [7 ...]7]6
 Â
Wijzigingen
Art. 17ter. <KB 1994-04-11/44, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1994> (§ 1. Aan de toepassing van de wet worden onttrokken de werknemers die tewerkgesteld zijn bij :
  1° het aanleggen van hopplanten en het plukken van hop,
  2° het plukken van tabak,
  3° het kuisen en sorteren van teenwilgen,
  en die manuele en occasionele arbeid verrichten voor zover deze tewerkstelling in de loop van een kalenderjaar vijfentwintig arbeidsdagen niet overschrijdt en deze werknemers niet aan de wet onderworpen zijn of geweest zijn om reden van een activiteit in dezelfde sectoren in de loop van datzelfde kalenderjaar, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers.
  De periodes waarin de tewerkstelling zonder onderwerping aan de wet zoals bedoeld in vorig lid kan gebeuren, worden voor ieder van de betrokken sectoren als volgt vastgesteld :
  - aanleggen en plukken van hop : respectievelijk vanaf 1 april tot 1 juni en vanaf 25 augustus tot 10 oktober, voor zover deze tewerkstelling in de loop van de eerstgenoemde periode acht arbeidsdagen niet overschrijdt;
  - plukken van tabak : vanaf 10 juli tot 10 september;
  - kuisen en sorteren van teenwilgen : vanaf 1 januari tot 28 februari en vanaf 5 november tot 31 december.) <KB 1999-02-15/37, art. 1, 080; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
  § 2. Van 1 januari 1994 tot 30 juni 1994 worden eveneens onttrokken aan de toepassing van de wet, de werknemers die tewerkgesteld worden bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf en dit in het kader van een seizoen- of gelegenheidsgebonden piekperiode die vijfentwintig dagen per jaar niet mag overschrijden, evenals hun werkgever.
  Deze onttrekking aan onderwerping geldt uitsluitend voor het seizoen- of gelegenheidspersoneel dat niet als regelmatig werknemer in de land- of tuinbouwsector tewerkgesteld is en voor zover de tewerkstelling bij één of meerdere werkgevers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het tuinbedrijf per kalenderjaar niet meer bedraagt dan vijfentwintig arbeidsdagen.
  De werkgever die zich op deze onttrekking beroept, moet de bij hem in dit verband tewerkgestelde werknemers vermelden in het enig sociaal document in het tuinbouwbedrijf, bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 1991 tot instelling van een enig sociaal document in het tuinbouwbedrijf.
  Op eenvoudige aanvraag van de Rijksdienst voor sociale zekerheid aan de werkgever moeten, desgevallend schriftelijk, de gegevens vermeld in het enig sociaal document hem medegedeeld worden.
  De werkgever die het enig sociaal document niet of niet volledig bijhoudt voor de bij hem in het raam van dit artikel tewerkgestelde werknemers, verliest het voordeel van de onttrekking.
  1° het aanleggen van hopplanten en het plukken van hop,
  2° het plukken van tabak,
  3° het kuisen en sorteren van teenwilgen,
  en die manuele en occasionele arbeid verrichten voor zover deze tewerkstelling in de loop van een kalenderjaar vijfentwintig arbeidsdagen niet overschrijdt en deze werknemers niet aan de wet onderworpen zijn of geweest zijn om reden van een activiteit in dezelfde sectoren in de loop van datzelfde kalenderjaar, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers.
  De periodes waarin de tewerkstelling zonder onderwerping aan de wet zoals bedoeld in vorig lid kan gebeuren, worden voor ieder van de betrokken sectoren als volgt vastgesteld :
  - aanleggen en plukken van hop : respectievelijk vanaf 1 april tot 1 juni en vanaf 25 augustus tot 10 oktober, voor zover deze tewerkstelling in de loop van de eerstgenoemde periode acht arbeidsdagen niet overschrijdt;
  - plukken van tabak : vanaf 10 juli tot 10 september;
  - kuisen en sorteren van teenwilgen : vanaf 1 januari tot 28 februari en vanaf 5 november tot 31 december.) <KB 1999-02-15/37, art. 1, 080; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
  § 2. Van 1 januari 1994 tot 30 juni 1994 worden eveneens onttrokken aan de toepassing van de wet, de werknemers die tewerkgesteld worden bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf en dit in het kader van een seizoen- of gelegenheidsgebonden piekperiode die vijfentwintig dagen per jaar niet mag overschrijden, evenals hun werkgever.
  Deze onttrekking aan onderwerping geldt uitsluitend voor het seizoen- of gelegenheidspersoneel dat niet als regelmatig werknemer in de land- of tuinbouwsector tewerkgesteld is en voor zover de tewerkstelling bij één of meerdere werkgevers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het tuinbedrijf per kalenderjaar niet meer bedraagt dan vijfentwintig arbeidsdagen.
  De werkgever die zich op deze onttrekking beroept, moet de bij hem in dit verband tewerkgestelde werknemers vermelden in het enig sociaal document in het tuinbouwbedrijf, bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 1991 tot instelling van een enig sociaal document in het tuinbouwbedrijf.
  Op eenvoudige aanvraag van de Rijksdienst voor sociale zekerheid aan de werkgever moeten, desgevallend schriftelijk, de gegevens vermeld in het enig sociaal document hem medegedeeld worden.
  De werkgever die het enig sociaal document niet of niet volledig bijhoudt voor de bij hem in het raam van dit artikel tewerkgestelde werknemers, verliest het voordeel van de onttrekking.
Art. 17ter. <AR 1994-04-11/44, art. 1, 055; En vigueur : 01-01-1994> (§ 1er. Sont soustraits à l'application de la loi, les travailleurs occupés :
  1° à la culture des plants de houblon et à la cueillette du houblon,
  2° à la cueillette du tabac,
  3° au nettoyage et au triage des ypréaux,
  et qui effectuent un travail manuel et occasionnel pour autant que cette occupation ne dĂ©passe pas vingt-cinq journĂ©es de travail au cours d'une annĂ©e civile et que ces travailleurs ne sont pas ou n'ont pas Ă©tĂ© soumis Ă la loi en raison d'une activitĂ© dans les mĂȘmes secteurs durant la mĂȘme annĂ©e civile, ainsi que les employeurs du chef de l'occupation de ces travailleurs.
  Les périodes pendant lesquelles l'occupation peut s'effectuer sans assujettissement à la loi, tel que visé à l'alinéa précédent, sont, pour chaque secteur, fixées comme suit :
  - la culture et la cueillette du houblon : respectivement du 1er avril au 1er juin et du 25 août au 10 octobre, pour autant que cette occupation ne dépasse pas huit journées de travail au cours de la premiÚre période citée;
  - la cueillette du tabac : du 10 juillet au 10 septembre;
  - le nettoyage et le triage des ypréaux : du 1er janvier au 28 février et du 5 novembre au 31 décembre.) <AR 1999-02-15/37, art. 1, 080; En vigueur : 01-04-1999>
  § 2. Sont également soustraits à l'application de la loi, du 1er janvier 1994 au 30 juin 1994, les travailleurs qui sont occupés chez un employeur qui ressortit à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles et ce dans le cadre d'une période d'intense activité saisonniÚre ou occasionnelle qui ne peut dépasser vingt-cinq journées par an, ainsi que leur employeur.
  Cette dispense d'assujettissement n'est exclusivement applicable qu'en ce qui concerne le personnel saisonnier ou occasionnel qui n'est pas occupé en qualité de travailleur régulier dans le secteur agricole ou horticole et pour autant que cette occupation chez un ou plusieurs employeurs ressortissant à la Commission paritaire des entreprises horticoles ne comporte pas plus de vingt-cinq journées de travail au cours d'une année civile.
  L'employeur qui invoque la prĂ©sente dispense doit mentionner les travailleurs qu'il occupe dans ce lien dans le document social unique dans le secteur de l'horticulture, visĂ© dans l'arrĂȘtĂ© royal du 30 dĂ©cembre 1991 instituant un document social unique dans le secteur de l'horticulture.
  Sur simple demande adressĂ©e par l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale Ă l'employeur, les donnĂ©es Ă©noncĂ©es dans le document social unique doivent lui ĂȘtre communiquĂ©es, le cas Ă©chĂ©ant par Ă©crit.
  L'employeur qui ne tient pas ou tient de façon incomplÚte le document social unique pour les travailleurs qu'il occupe dans le cadre du présent article, perd le bénéfice de la dispense. <AR 1994-04-11/44, art. 1, 055; En vigueur : 01-01-1994>
  1° à la culture des plants de houblon et à la cueillette du houblon,
  2° à la cueillette du tabac,
  3° au nettoyage et au triage des ypréaux,
  et qui effectuent un travail manuel et occasionnel pour autant que cette occupation ne dĂ©passe pas vingt-cinq journĂ©es de travail au cours d'une annĂ©e civile et que ces travailleurs ne sont pas ou n'ont pas Ă©tĂ© soumis Ă la loi en raison d'une activitĂ© dans les mĂȘmes secteurs durant la mĂȘme annĂ©e civile, ainsi que les employeurs du chef de l'occupation de ces travailleurs.
  Les périodes pendant lesquelles l'occupation peut s'effectuer sans assujettissement à la loi, tel que visé à l'alinéa précédent, sont, pour chaque secteur, fixées comme suit :
  - la culture et la cueillette du houblon : respectivement du 1er avril au 1er juin et du 25 août au 10 octobre, pour autant que cette occupation ne dépasse pas huit journées de travail au cours de la premiÚre période citée;
  - la cueillette du tabac : du 10 juillet au 10 septembre;
  - le nettoyage et le triage des ypréaux : du 1er janvier au 28 février et du 5 novembre au 31 décembre.) <AR 1999-02-15/37, art. 1, 080; En vigueur : 01-04-1999>
  § 2. Sont également soustraits à l'application de la loi, du 1er janvier 1994 au 30 juin 1994, les travailleurs qui sont occupés chez un employeur qui ressortit à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles et ce dans le cadre d'une période d'intense activité saisonniÚre ou occasionnelle qui ne peut dépasser vingt-cinq journées par an, ainsi que leur employeur.
  Cette dispense d'assujettissement n'est exclusivement applicable qu'en ce qui concerne le personnel saisonnier ou occasionnel qui n'est pas occupé en qualité de travailleur régulier dans le secteur agricole ou horticole et pour autant que cette occupation chez un ou plusieurs employeurs ressortissant à la Commission paritaire des entreprises horticoles ne comporte pas plus de vingt-cinq journées de travail au cours d'une année civile.
  L'employeur qui invoque la prĂ©sente dispense doit mentionner les travailleurs qu'il occupe dans ce lien dans le document social unique dans le secteur de l'horticulture, visĂ© dans l'arrĂȘtĂ© royal du 30 dĂ©cembre 1991 instituant un document social unique dans le secteur de l'horticulture.
  Sur simple demande adressĂ©e par l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale Ă l'employeur, les donnĂ©es Ă©noncĂ©es dans le document social unique doivent lui ĂȘtre communiquĂ©es, le cas Ă©chĂ©ant par Ă©crit.
  L'employeur qui ne tient pas ou tient de façon incomplÚte le document social unique pour les travailleurs qu'il occupe dans le cadre du présent article, perd le bénéfice de la dispense. <AR 1994-04-11/44, art. 1, 055; En vigueur : 01-01-1994>
Art. 17quater. <INGEVOEGD bij KB 1991-01-31/31, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 01-01-1991> [1 § 1.]1 [1 Aan de toepassing van de wet worden onttrokken de vrijwillige brandweerlieden en de vrijwillige ambulanciers, voor zover de vergoeding die zij voor hun activiteiten als vrijwillige brandweerlieden en/of als vrijwillige ambulanciers ontvangen, het bedrag van [2 1602,5]2 EUR per kwartaal niet overschrijdt, evenals de organisatie uit hoofde van de tewerkstelling van die personen. Worden eveneens aan de toepassing van de wet onttrokken de vrijwilligers van de civiele bescherming en de FOD Binnenlandse Zaken uit hoofde van de tewerkstelling van die personen, voor zover de vergoeding die zij voor hun activiteiten ontvangen, het bedrag van [2 1602,5]2 EUR per kwartaal niet overschrijdt]1.
  [1 § 2.] Het bedrag van [2 1602,5]2 EUR volgt de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig het bepaalde in de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Daartoe wordt het bedrag gekoppeld [2 aan spilindexcijfer 118,36 (basis 2013 = 100)]2. <KB 2001-12-11/45, art. 2, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
  1° vrijwillige brandweerlieden: de brandweerlieden zoals bedoeld bij artikel 103, eerste lid, 2° en tweede lid van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
  2° vrijwillige ambulanciers: de vrijwillige ambulanciers zoals bedoeld bij artikel 103, eerste lid, 4° en tweede lid van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid evenals de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers die in het bezit zijn van het brevet bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 13 februari 1998 betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers;
  3° de organisatie: de hulpverleningszone of de ambulancediensten erkend krachtens artikel 3bis van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening;
  4° vrijwilligers van de civiele bescherming: de personeelsleden van de civiele bescherming zoals bedoeld in artikel 19 van het koninklijk besluit van 11 maart 1954 houdende statuut van het korps burgerlijke bescherming.]1
  [1 § 4. De uitzonderlijke prestaties zoals bedoeld in kolom 1 en punt 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 10 juni 2014 tot bepaling van de opdrachten en taken van civiele veiligheid uitgevoerd door de hulpverleningszones en de operationele eenheden van de civiele bescherming en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 februari 2006 betreffende de nood- en interventieplannen, verricht door de vrijwillige brandweerlieden, alsook de uitzonderlijke prestaties zoals bedoeld in kolom 2 en de punten 5 en 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 10 juni 2014 verricht door de vrijwilligers van de civiele bescherming, en de prestaties van dringende geneeskundige hulpverlening in de zin van artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, verricht door de vrijwillige ambulanciers, de vrijwillige brandweerlieden, of de vrijwilligers van de civiele bescherming, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van voormeld maximumbedrag. Voor deze prestaties zijn de vrijwillige brandweerlieden, de vrijwilligers van de civiele bescherming en de vrijwillige ambulanciers altijd onttrokken aan de toepassing van de wet, evenals de organisatie of de FOD Binnenlandse Zaken uit hoofde van de tewerkstelling van die personen.]1
  [2 Voor de toepassing van het eerste lid zijn de wachtdiensten in een kazerne of op een 112-standplaats uitzonderlijke prestaties.]2
 Â
  [1 § 2.] Het bedrag van [2 1602,5]2 EUR volgt de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig het bepaalde in de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Daartoe wordt het bedrag gekoppeld [2 aan spilindexcijfer 118,36 (basis 2013 = 100)]2. <KB 2001-12-11/45, art. 2, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
  1° vrijwillige brandweerlieden: de brandweerlieden zoals bedoeld bij artikel 103, eerste lid, 2° en tweede lid van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid;
  2° vrijwillige ambulanciers: de vrijwillige ambulanciers zoals bedoeld bij artikel 103, eerste lid, 4° en tweede lid van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid evenals de vrijwillige hulpverleners-ambulanciers die in het bezit zijn van het brevet bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 13 februari 1998 betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers;
  3° de organisatie: de hulpverleningszone of de ambulancediensten erkend krachtens artikel 3bis van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening;
  4° vrijwilligers van de civiele bescherming: de personeelsleden van de civiele bescherming zoals bedoeld in artikel 19 van het koninklijk besluit van 11 maart 1954 houdende statuut van het korps burgerlijke bescherming.]1
  [1 § 4. De uitzonderlijke prestaties zoals bedoeld in kolom 1 en punt 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 10 juni 2014 tot bepaling van de opdrachten en taken van civiele veiligheid uitgevoerd door de hulpverleningszones en de operationele eenheden van de civiele bescherming en tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 februari 2006 betreffende de nood- en interventieplannen, verricht door de vrijwillige brandweerlieden, alsook de uitzonderlijke prestaties zoals bedoeld in kolom 2 en de punten 5 en 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 10 juni 2014 verricht door de vrijwilligers van de civiele bescherming, en de prestaties van dringende geneeskundige hulpverlening in de zin van artikel 1 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, verricht door de vrijwillige ambulanciers, de vrijwillige brandweerlieden, of de vrijwilligers van de civiele bescherming, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van voormeld maximumbedrag. Voor deze prestaties zijn de vrijwillige brandweerlieden, de vrijwilligers van de civiele bescherming en de vrijwillige ambulanciers altijd onttrokken aan de toepassing van de wet, evenals de organisatie of de FOD Binnenlandse Zaken uit hoofde van de tewerkstelling van die personen.]1
  [2 Voor de toepassing van het eerste lid zijn de wachtdiensten in een kazerne of op een 112-standplaats uitzonderlijke prestaties.]2
 Â
Art. 17quater. [1 § 1er.]1 [1 Sont soustraits à l'application de la loi, les pompiers volontaires et les ambulanciers volontaires pour autant que la rémunération qu'ils reçoivent pour leurs activités comme pompiers volontaires et/ou comme ambulanciers volontaires ne dépasse pas le montant de [2 1602,5]2 EUR par trimestre, ainsi que l'organisation du chef de l'occupation de ces personnes. Sont également soustraits à l'application de la loi, les agents volontaires de la protection civile et le SPF Intérieur du chef de l'occupation de ces personnes pour autant que la rémunération qu'ils reçoivent pour leurs activités ne dépasse pas le montant de [2 1602,5]2 EUR par trimestre.]1
  [1 § 2.]1 Le montant de [2 1602,5]2 EUR est lié aux fluctuations de l'indice conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. A cette fin, ledit montant est rattaché [2 à l'indice-pivot 118,36 (base 2013 = 100)]2. <AR 2001-12-11/45, art. 2, 101; En vigueur : 01-01-2002>
  [1 § 3. Pour l'application du présent article, on entend par :
  1° pompiers volontaires : les pompiers visés à l'article 103, alinéa 1er, 2° et alinéa 2 de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile;
  2° ambulanciers volontaires : les ambulanciers volontaires tels que visĂ©s Ă l'article 103, alinĂ©a 1er, 4°et 2Ăšme alinĂ©a de la loi du 15 mai 2007 relative Ă la sĂ©curitĂ© civile ainsi que les secouristes-ambulanciers volontaires en possession du brevet visĂ© Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 fĂ©vrier 1998 relatif aux centres de formation et de perfectionnement des secouristes-ambulanciers;
  3° l'organisation : la zone de secours ou les services d'ambulance agréés en vertu de l'article 3bis de la loi du 8 juillet 1964 relative à l'aide médicale urgente;
  4° agents volontaires de la protection civile : les membres du personnel de la protection civile visĂ©s Ă l'article 19 de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 mars 1954 portant statut du corps de protection civile.]1
  [1 § 4. Les prestations exceptionnelles visĂ©es dans la colonne 1 et le point 6 de l'annexe de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2014 dĂ©terminant les missions et les tĂąches de sĂ©curitĂ© civile exĂ©cutĂ©es par les zones de secours et par les unitĂ©s opĂ©rationnelles de la protection civile et modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 16 fĂ©vrier 2006 relatif aux plans d'urgence et d'intervention, effectuĂ©es par les pompiers volontaires ainsi que les prestations exceptionnelles visĂ©es dans la colonne 2 et les points 5 et 6 de l'annexe de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2014 effectuĂ©es par les agents volontaires de la protection civile, et les prestations d'aide mĂ©dicale urgente au sens de l'article 1er de la loi du 8 juillet 1964 relative Ă l'aide mĂ©dicale urgente effectuĂ©es par les ambulanciers volontaires ou les pompiers volontaires ou les agents volontaires de la protection civile ne sont pas prises en compte pour le calcul du plafond prĂ©citĂ©. Pour ces prestations, les pompiers volontaires, les agents volontaires de la protection civile et les ambulanciers volontaires sont toujours soustraits Ă l'application de la loi ainsi que l'organisation ou le SPF IntĂ©rieur du chef de l'occupation de ces personnes.]1
  [2 Pour l'application de l'alinéa 1er, les gardes en caserne ou à un poste 112 sont considérées comme des prestations exceptionnelles.]2
 Â
  [1 § 2.]1 Le montant de [2 1602,5]2 EUR est lié aux fluctuations de l'indice conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. A cette fin, ledit montant est rattaché [2 à l'indice-pivot 118,36 (base 2013 = 100)]2. <AR 2001-12-11/45, art. 2, 101; En vigueur : 01-01-2002>
  [1 § 3. Pour l'application du présent article, on entend par :
  1° pompiers volontaires : les pompiers visés à l'article 103, alinéa 1er, 2° et alinéa 2 de la loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile;
  2° ambulanciers volontaires : les ambulanciers volontaires tels que visĂ©s Ă l'article 103, alinĂ©a 1er, 4°et 2Ăšme alinĂ©a de la loi du 15 mai 2007 relative Ă la sĂ©curitĂ© civile ainsi que les secouristes-ambulanciers volontaires en possession du brevet visĂ© Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 fĂ©vrier 1998 relatif aux centres de formation et de perfectionnement des secouristes-ambulanciers;
  3° l'organisation : la zone de secours ou les services d'ambulance agréés en vertu de l'article 3bis de la loi du 8 juillet 1964 relative à l'aide médicale urgente;
  4° agents volontaires de la protection civile : les membres du personnel de la protection civile visĂ©s Ă l'article 19 de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 mars 1954 portant statut du corps de protection civile.]1
  [1 § 4. Les prestations exceptionnelles visĂ©es dans la colonne 1 et le point 6 de l'annexe de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2014 dĂ©terminant les missions et les tĂąches de sĂ©curitĂ© civile exĂ©cutĂ©es par les zones de secours et par les unitĂ©s opĂ©rationnelles de la protection civile et modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 16 fĂ©vrier 2006 relatif aux plans d'urgence et d'intervention, effectuĂ©es par les pompiers volontaires ainsi que les prestations exceptionnelles visĂ©es dans la colonne 2 et les points 5 et 6 de l'annexe de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2014 effectuĂ©es par les agents volontaires de la protection civile, et les prestations d'aide mĂ©dicale urgente au sens de l'article 1er de la loi du 8 juillet 1964 relative Ă l'aide mĂ©dicale urgente effectuĂ©es par les ambulanciers volontaires ou les pompiers volontaires ou les agents volontaires de la protection civile ne sont pas prises en compte pour le calcul du plafond prĂ©citĂ©. Pour ces prestations, les pompiers volontaires, les agents volontaires de la protection civile et les ambulanciers volontaires sont toujours soustraits Ă l'application de la loi ainsi que l'organisation ou le SPF IntĂ©rieur du chef de l'occupation de ces personnes.]1
  [2 Pour l'application de l'alinéa 1er, les gardes en caserne ou à un poste 112 sont considérées comme des prestations exceptionnelles.]2
 Â
Art. 17quinquies. (Opgeheven) <KB 2007-05-09/45, art. 1, 137; Inwerkingtreding : 01-08-2006>
Art. 17quinquies. (Abrogé) <AR 2007-05-09/45, art. 1, 137; En vigueur : 01-08-2006>
Art. 17sexies. [1 § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
  1° uitvoerder: de persoon die artistieke prestaties levert;
  2° opdrachtgever: diegene die opdracht geeft aan een uitvoerder tot het leveren van een artistieke prestatie;
  3° artistieke activiteit: de activiteit die een noodzakelijke artistieke bijdrage levert aan een artistieke creatie of uitvoering binnen de domeinen van de kunsten, zijnde de beeldende en audiovisuele kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater, de choreografie en het stripverhaal;
  Een artistieke bijdrage wordt beschouwd als noodzakelijk wanneer zonder deze bijdrage hetzelfde artistieke resultaat niet zou worden bereikt.
  4° digitaal platform: het digitaal platform Working in the Arts zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers.
  § 2. De uitvoerder die een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangt zoals bepaald in § 3, evenals de opdrachtgever die een beroep doet op deze uitvoerder worden onttrokken aan de toepassing van de wet.
  Deze vergoeding wordt de amateurkunstenvergoeding genoemd.
  § 3. Voor zover de voorwaarden bepaald bij of krachtens dit artikel tegelijkertijd vervuld zijn, worden als forfaitaire onkostenvergoedingen beschouwd de vergoedingen toegekend aan de uitvoerders voor het leveren van de artistieke activiteiten, met uitsluiting van de artistiek-technische en de artistiek-ondersteunende activiteiten, op voorwaarde dat deze onkostenvergoeding [2 ...]2 maximaal 70 euro per dag bedraagt.
  Daarenboven mag het aantal dagen gedurende dewelke de uitvoerder de toepassing van dit artikel kan genieten geen 30 dagen per kalenderjaar overschrijden. Het aantal dagen bij dezelfde opdrachtgever mag geen 7 opeenvolgende dagen overschrijden.
  Indien, in de loop van dezelfde dag, de uitvoerder voor meerdere opdrachtgevers artistieke activiteiten uitoefent, mogen de hem toegekende vergoedingen niet [2 ...]2 hoger [2 zijn]2 dan 70 euro per opdrachtgever, noch [2 ...]2 hoger [2 zijn]2 dan 70 euro vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers die op hem een beroep hebben gedaan voor die dag.
  De voorwaarden die tegelijkertijd moeten worden vervuld, zijn:
  1° de uitvoerder moet geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 11 van voormelde wet van 16 december 2022 en de registratie werd niet geannuleerd, noch geschorst door de Kunstwerkcommissie;
  2° de opdrachtgever moet geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 10 van voormelde wet van 16 december 2022 en de registratie werd niet geannuleerd, noch geschorst door de Kunstwerkcommissie of door de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
  3° de prestatie werd uiterlijk op het tijdstip waarop de activiteiten zijn aangevat, door de opdrachtgever aangegeven overeenkomstig artikel 12 van voormelde wet van 16 december 2022;
  4° het soort effectief uitgeoefende activiteit moet volledig overeenstemmen met het soort activiteit dat voorafgaandelijk werd aangegeven.
  § 4. Aan de uitvoerder kunnen, bovenop de in § 3 vermelde vergoedingen, de reële verplaatsingskosten worden terugbetaald, indien het bedrag van deze kosten aangetoond wordt.
  Dit bedrag mag niet hoger zijn dan 20 euro per dag.
  Indien, in de loop van dezelfde dag, de uitvoerder voor meerdere opdrachtgevers artistieke activiteiten uitoefent, mogen de hem toegekende bedragen bedoeld in het vorige lid noch 20 euro per opdrachtgever overschrijden noch hoger zijn dan 20 euro vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers die op hem een beroep hebben gedaan voor die dag.
  Wat betreft het gebruik van het eigen voertuig, worden deze reële verplaatsingskosten vastgesteld overeenkomstig artikel 74 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. De reële verplaatsingskosten voor het gebruik van de fiets worden vastgesteld overeenkomstig artikel 76 van hetzelfde koninklijk besluit van 13 juli 2017.
  § 5. Kan geen beroep doen op de bepalingen van dit artikel de uitvoerder die op het ogenblik van het uitoefenen van een artistieke activiteit gebonden is aan dezelfde opdrachtgever door een arbeidsovereenkomst of in het kader van artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - al dan niet door tussenkomst van een sociaal bureau voor kunstenaars - of door een aannemingsovereenkomst, een statutaire aanstelling, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever bewijzen dat de activiteiten verschillend zijn.
  Het uitoefenen van activiteiten met toepassing van dit artikel is niet toegelaten indien de uitvoerder gedurende hetzelfde kalenderjaar voor dezelfde opdrachtgever activiteiten uitoefent die niet onderworpen zijn aan de wet met toepassing van artikel 17, § 1, eerste lid, 4°, of met toepassing van artikel 17, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969.
  § 6. Wanneer de activiteiten niet voorafgaandelijk door de opdrachtgever werden aangegeven overeenkomstig artikel 12 van de wet of wanneer de uitgeoefende activiteiten niet overeenstemmen met het soort aangegeven activiteiten of bij miskenning van de overige voorwaarden opgenomen in paragraaf 3, kan de opdrachtgever geen aanspraak maken op deze regeling tijdens het lopende kwartaal en de drie volgende kwartalen.
  De uitvoerder en de opdrachtgever zijn voor de betrokken activiteiten onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Deze activiteiten worden onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst.
  Bij niet-naleving van de cumulverboden bepaald in paragraaf 5 zijn de uitvoerder en zijn opdrachtgever voor de betrokken activiteit onderworpen aan voormelde wet van 27 juni 1969. Deze activiteiten worden onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst.
  Wanneer de opdrachtgever een hoger bedrag toekent dan het bedrag per dag bepaald in paragraaf 3, dan worden de uitvoerder en de opdrachtgever onderworpen aan voormelde wet van 27 juni 1969 en worden de activiteiten onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst, dit voor alle vergoedingen die door deze opdrachtgever aan de betrokken uitvoerder zijn toegekend tijdens het lopende kwartaal en de drie volgende kwartalen.
  § 7. De in artikel 13, § 1, eerste lid, van voormelde wet en in paragraaf 3, eerste lid, en paragraaf 4, van dit artikel bepaalde bedragen zijn gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2021.
  Op 1 januari van elk jaar worden de bedragen aangepast overeenkomstig de volgende formule: het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens hetwelk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2021.
  Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar worden de bedragen toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De inningsorganismen van de socialezekerheidsbijdragen vermelden eveneens deze informatie op hun website.
  § 8. Geregistreerde opdrachtgevers die per kalenderjaar meer dan 100 dagvergoedingen toekennen, dienen voormelde Kunstwerkcommissie uiterlijk op 1 maart van het volgend jaar een rapport te bezorgen. Dit rapport bevat:
  - een omstandige verantwoording van het intensief gebruik van de amateurkunstenvergoeding;
  - een overzicht van de externe klanten die betrokken waren bij de artistieke activiteiten waarvoor gebruik werd gemaakt van de amateurkunstenvergoeding;
  - een overzicht van het totale omzetcijfer en alle activiteiten en de plaats die de activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van de amateurkunstenvergoeding hierbij innemen.
  De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan bij ministerieel besluit de nadere regels betreffende deze rapporteringsplicht en het gebruik ervan bepalen.]1
 Â
  1° uitvoerder: de persoon die artistieke prestaties levert;
  2° opdrachtgever: diegene die opdracht geeft aan een uitvoerder tot het leveren van een artistieke prestatie;
  3° artistieke activiteit: de activiteit die een noodzakelijke artistieke bijdrage levert aan een artistieke creatie of uitvoering binnen de domeinen van de kunsten, zijnde de beeldende en audiovisuele kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater, de choreografie en het stripverhaal;
  Een artistieke bijdrage wordt beschouwd als noodzakelijk wanneer zonder deze bijdrage hetzelfde artistieke resultaat niet zou worden bereikt.
  4° digitaal platform: het digitaal platform Working in the Arts zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers.
  § 2. De uitvoerder die een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangt zoals bepaald in § 3, evenals de opdrachtgever die een beroep doet op deze uitvoerder worden onttrokken aan de toepassing van de wet.
  Deze vergoeding wordt de amateurkunstenvergoeding genoemd.
  § 3. Voor zover de voorwaarden bepaald bij of krachtens dit artikel tegelijkertijd vervuld zijn, worden als forfaitaire onkostenvergoedingen beschouwd de vergoedingen toegekend aan de uitvoerders voor het leveren van de artistieke activiteiten, met uitsluiting van de artistiek-technische en de artistiek-ondersteunende activiteiten, op voorwaarde dat deze onkostenvergoeding [2 ...]2 maximaal 70 euro per dag bedraagt.
  Daarenboven mag het aantal dagen gedurende dewelke de uitvoerder de toepassing van dit artikel kan genieten geen 30 dagen per kalenderjaar overschrijden. Het aantal dagen bij dezelfde opdrachtgever mag geen 7 opeenvolgende dagen overschrijden.
  Indien, in de loop van dezelfde dag, de uitvoerder voor meerdere opdrachtgevers artistieke activiteiten uitoefent, mogen de hem toegekende vergoedingen niet [2 ...]2 hoger [2 zijn]2 dan 70 euro per opdrachtgever, noch [2 ...]2 hoger [2 zijn]2 dan 70 euro vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers die op hem een beroep hebben gedaan voor die dag.
  De voorwaarden die tegelijkertijd moeten worden vervuld, zijn:
  1° de uitvoerder moet geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 11 van voormelde wet van 16 december 2022 en de registratie werd niet geannuleerd, noch geschorst door de Kunstwerkcommissie;
  2° de opdrachtgever moet geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 10 van voormelde wet van 16 december 2022 en de registratie werd niet geannuleerd, noch geschorst door de Kunstwerkcommissie of door de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
  3° de prestatie werd uiterlijk op het tijdstip waarop de activiteiten zijn aangevat, door de opdrachtgever aangegeven overeenkomstig artikel 12 van voormelde wet van 16 december 2022;
  4° het soort effectief uitgeoefende activiteit moet volledig overeenstemmen met het soort activiteit dat voorafgaandelijk werd aangegeven.
  § 4. Aan de uitvoerder kunnen, bovenop de in § 3 vermelde vergoedingen, de reële verplaatsingskosten worden terugbetaald, indien het bedrag van deze kosten aangetoond wordt.
  Dit bedrag mag niet hoger zijn dan 20 euro per dag.
  Indien, in de loop van dezelfde dag, de uitvoerder voor meerdere opdrachtgevers artistieke activiteiten uitoefent, mogen de hem toegekende bedragen bedoeld in het vorige lid noch 20 euro per opdrachtgever overschrijden noch hoger zijn dan 20 euro vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers die op hem een beroep hebben gedaan voor die dag.
  Wat betreft het gebruik van het eigen voertuig, worden deze reële verplaatsingskosten vastgesteld overeenkomstig artikel 74 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. De reële verplaatsingskosten voor het gebruik van de fiets worden vastgesteld overeenkomstig artikel 76 van hetzelfde koninklijk besluit van 13 juli 2017.
  § 5. Kan geen beroep doen op de bepalingen van dit artikel de uitvoerder die op het ogenblik van het uitoefenen van een artistieke activiteit gebonden is aan dezelfde opdrachtgever door een arbeidsovereenkomst of in het kader van artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - al dan niet door tussenkomst van een sociaal bureau voor kunstenaars - of door een aannemingsovereenkomst, een statutaire aanstelling, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever bewijzen dat de activiteiten verschillend zijn.
  Het uitoefenen van activiteiten met toepassing van dit artikel is niet toegelaten indien de uitvoerder gedurende hetzelfde kalenderjaar voor dezelfde opdrachtgever activiteiten uitoefent die niet onderworpen zijn aan de wet met toepassing van artikel 17, § 1, eerste lid, 4°, of met toepassing van artikel 17, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969.
  § 6. Wanneer de activiteiten niet voorafgaandelijk door de opdrachtgever werden aangegeven overeenkomstig artikel 12 van de wet of wanneer de uitgeoefende activiteiten niet overeenstemmen met het soort aangegeven activiteiten of bij miskenning van de overige voorwaarden opgenomen in paragraaf 3, kan de opdrachtgever geen aanspraak maken op deze regeling tijdens het lopende kwartaal en de drie volgende kwartalen.
  De uitvoerder en de opdrachtgever zijn voor de betrokken activiteiten onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Deze activiteiten worden onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst.
  Bij niet-naleving van de cumulverboden bepaald in paragraaf 5 zijn de uitvoerder en zijn opdrachtgever voor de betrokken activiteit onderworpen aan voormelde wet van 27 juni 1969. Deze activiteiten worden onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst.
  Wanneer de opdrachtgever een hoger bedrag toekent dan het bedrag per dag bepaald in paragraaf 3, dan worden de uitvoerder en de opdrachtgever onderworpen aan voormelde wet van 27 juni 1969 en worden de activiteiten onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst, dit voor alle vergoedingen die door deze opdrachtgever aan de betrokken uitvoerder zijn toegekend tijdens het lopende kwartaal en de drie volgende kwartalen.
  § 7. De in artikel 13, § 1, eerste lid, van voormelde wet en in paragraaf 3, eerste lid, en paragraaf 4, van dit artikel bepaalde bedragen zijn gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2021.
  Op 1 januari van elk jaar worden de bedragen aangepast overeenkomstig de volgende formule: het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens hetwelk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2021.
  Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar worden de bedragen toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De inningsorganismen van de socialezekerheidsbijdragen vermelden eveneens deze informatie op hun website.
  § 8. Geregistreerde opdrachtgevers die per kalenderjaar meer dan 100 dagvergoedingen toekennen, dienen voormelde Kunstwerkcommissie uiterlijk op 1 maart van het volgend jaar een rapport te bezorgen. Dit rapport bevat:
  - een omstandige verantwoording van het intensief gebruik van de amateurkunstenvergoeding;
  - een overzicht van de externe klanten die betrokken waren bij de artistieke activiteiten waarvoor gebruik werd gemaakt van de amateurkunstenvergoeding;
  - een overzicht van het totale omzetcijfer en alle activiteiten en de plaats die de activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van de amateurkunstenvergoeding hierbij innemen.
  De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan bij ministerieel besluit de nadere regels betreffende deze rapporteringsplicht en het gebruik ervan bepalen.]1
 Â
Art. 17sexies. [1 § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
  1° exécutant : la personne qui fournit des prestations artistiques;
  2° donneur d'ordre : celui qui donne mission à un exécutant de fournir une prestation artistique;
  3° activité artistique : l'activité qui fournit une contribution artistique nécessaire à la création ou à l'exécution d'une oeuvre artistique dans les domaines des arts, à savoir les arts plastiques et audiovisuels, la musique, la littérature, le spectacle, le théùtre, la chorégraphie et la bande dessinée;
  Une contribution artistique est considĂ©rĂ©e comme nĂ©cessaire lorsque, en l'absence de celle-ci, le mĂȘme rĂ©sultat artistique ne pourrait ĂȘtre obtenu.
  4° plateforme numérique : la plateforme numérique Working in the Arts telle que visée à l'article 4 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts.
  § 2. Sont soustraits à l'application de la loi, l'exécutant qui perçoit une indemnité forfaitaire de défraiement telle que définie au § 3, ainsi que le donneur d'ordre qui fait appel à cet exécutant.
  Cette indemnité est dénommée l'indemnité des arts en amateurs.
  § 3. Pour autant que les conditions déterminées par ou en vertu du présent article soient simultanément remplies, sont considérées comme indemnités forfaitaires de défraiement les indemnités octroyées aux exécutants qui fournissent des activités artistiques, à l'exclusion des activités artistiques-techniques et artistiques de soutien, à condition que cette indemnité de défraiement s'élÚve [2 ...]2 au maximum à 70 euros par jour.
  En outre, le nombre de jours pendant lesquels l'exĂ©cutant peut bĂ©nĂ©ficier de l'application du prĂ©sent article ne peut dĂ©passer 30 jours par annĂ©e civile. Le nombre de jours ne peut pas non plus dĂ©passer 7 jours consĂ©cutifs auprĂšs du mĂȘme donneur d'ordre.
  Si, au cours d'une mĂȘme journĂ©e, l'exĂ©cutant exerce des activitĂ©s artistiques pour plusieurs donneurs d'ordre, les indemnitĂ©s qui lui sont octroyĂ©es ne peuvent [2 ...]2 ni dĂ©passer 70 euros par donneur d'ordre ni ĂȘtre [2 ...]2 supĂ©rieures Ă 70 euros multipliĂ©s par le nombre de donneurs d'ordre qui ont fait appel Ă lui pour ce jour.
  Les conditions à remplir simultanément sont :
  1° l'exĂ©cutant doit ĂȘtre enregistrĂ© conformĂ©ment Ă l'article 11 de la loi du 16 dĂ©cembre 2022 prĂ©citĂ©e et l'enregistrement n'a pas Ă©tĂ© annulĂ© ni suspendu par la Commission du travail des arts;
  2° le donneur d'ordre doit ĂȘtre enregistrĂ© conformĂ©ment Ă l'article 10 de la loi du 16 dĂ©cembre 2022 prĂ©citĂ©e et l'enregistrement n'a pas Ă©tĂ© annulĂ© ou suspendu par la Commission du travail des arts ou par l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale;
  3° la prestation a Ă©tĂ© dĂ©clarĂ©e par le donneur d'ordre conformĂ©ment Ă l'article 12 de la loi du 16 dĂ©cembre 2022 prĂ©citĂ©e au plus tard au moment oĂč les activitĂ©s sont entamĂ©es;
  4° le type d'activité réellement fournie doit correspondre pleinement au type de prestation déclarée au préalable.
  § 4. Outre les indemnitĂ©s mentionnĂ©es au § 3, l'exĂ©cutant peut obtenir le remboursement de ses frais de dĂ©placement rĂ©els, si le montant de ces frais peut ĂȘtre prouvĂ©.
  Ce montant ne peut dépasser 20 euros par jour.
  Si, au cours d'une mĂȘme journĂ©e, l'exĂ©cutant exerce des activitĂ©s artistiques pour plusieurs donneurs d'ordre le montant visĂ© Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent ne peut dĂ©passer 20 euros par donneur d'ordre ni ĂȘtre supĂ©rieur Ă 20 euros multipliĂ©s par le nombre de donneurs d'ordre qui ont fait appel Ă lui pour ce jour.
  En ce qui concerne l'utilisation du vĂ©hicule privĂ©, ces frais de dĂ©placement rĂ©els sont dĂ©terminĂ©s conformĂ©ment Ă l'article 74 de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnitĂ©s des membres du personnel de la fonction publique fĂ©dĂ©rale. Les frais de dĂ©placement rĂ©els pour l'utilisation du vĂ©lo sont dĂ©terminĂ©s conformĂ©ment Ă l'article 76 du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 13 juillet 2017.
  § 5. Ne peut invoquer les dispositions du prĂ©sent article, l'exĂ©cutant qui au moment de l'exercice d'une activitĂ© artistique est liĂ© au mĂȘme donneur d'ordre par un contrat de travail ou dans le cadre de l'article 1bis de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 que ce soit par l'intermĂ©diaire d'un bureau social pour artistes ou pas, ou par un contrat d'entreprise, ou une dĂ©signation statutaire sauf si l'exĂ©cutant et le donneur d'ordre apportent la preuve que les activitĂ©s sont diffĂ©rentes.
  L'exercice des activitĂ©s en application du prĂ©sent article n'est pas autorisĂ© si l'exĂ©cutant fournit au cours de la mĂȘme annĂ©e civile pour le mĂȘme donneur d'ordre des prestations soustraites Ă l'application de la loi en application de l'article 17, § 1er, alinĂ©a premier, 4°, ou en application de l'article 17, § 1er, alinĂ©a premier, 7° de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969.
  § 6. Lorsque les activités n'ont pas été préalablement déclarées conformément à l'article 12 de la loi par le donneur d'ordre ou lorsque les activités fournies ne correspondent pas au type d'activités déclarées ou en cas de non-respect des autres conditions énumérées au paragraphe 3, le donneur d'ordre ne peut se prévaloir de ce régime pendant le trimestre en cours et les trois trimestres suivants.
  L'exĂ©cutant et le donneur d'ordre sont soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs pour les activitĂ©s concernĂ©es. Ces activitĂ©s sont irrĂ©fragablement prĂ©sumĂ©es avoir Ă©tĂ© exercĂ©es dans le cadre d'un contrat de travail.
  En cas de non-respect des interdictions de cumul prévues au paragraphe 5, l'exécutant et son donneur d'ordre sont soumis à la loi du 27 juin 1969 précitée pour l'activité concernée. Ces activités sont irréfragablement présumées avoir été exercées dans le cadre d'un contrat de travail.
  Lorsque le donneur d'ordre octroie un montant supérieur au montant journalier déterminé au paragraphe 3, l'exécutant et le donneur d'ordre sont soumis à la loi du 27 juin 1969 précitée et les activités sont irréfutablement présumées avoir été exercées dans le cadre d'un contrat de travail, et ce, pour toutes les indemnités payées par ce donneur d'ordre à l'exécutant concerné durant le trimestre en cours et les trois trimestres suivants.
  § 7. Les montants déterminés à l'article 13, § 1er, alinéa premier de la loi et au paragraphe 3, alinéa premier, et au paragraphe 4 du présent article sont rattachés à l'indice santé du mois de décembre 2021.
  Les montants sont adaptés le 1er janvier de chaque année conformément à la formule suivante : le montant de base est multiplié par l'indice santé du mois de septembre de l'année précédant celle durant laquelle le nouveau montant sera applicable et divisé par l'indice santé du mois de décembre 2021.
  Au plus tard dans le courant du mois de décembre de chaque année, les montants applicables pour l'année civile suivante sont publiés au Moniteur belge. Les organismes de perception des cotisations de sécurité sociale reprennent également cette information sur leur site internet.
  § 8. Les donneurs d'ordre enregistrés qui octroient plus de 100 indemnités journaliÚres par année civile doivent fournir un rapport à la Commission du travail des arts précitée, au plus tard le 1er mars de l'année suivante. Ce rapport comprend :
  - une justification circonstanciée du recours intensif à l'indemnité des arts en amateurs;
  - un relevé des clients externes concernés par les activités artistiques pour lesquelles il a été fait usage de l'indemnité des arts en amateurs;
  - un relevé du chiffre d'affaires total et de toutes les activités, ainsi que de la place qu'occupent parmi celles-ci les activités dans lesquelles il est fait usage de l'indemnité des arts en amateurs.
  Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut fixer par arrĂȘtĂ© ministĂ©riel les modalitĂ©s de cette obligation de faire rapport et l'utilisation qui en est faite.]1
 Â
  1° exécutant : la personne qui fournit des prestations artistiques;
  2° donneur d'ordre : celui qui donne mission à un exécutant de fournir une prestation artistique;
  3° activité artistique : l'activité qui fournit une contribution artistique nécessaire à la création ou à l'exécution d'une oeuvre artistique dans les domaines des arts, à savoir les arts plastiques et audiovisuels, la musique, la littérature, le spectacle, le théùtre, la chorégraphie et la bande dessinée;
  Une contribution artistique est considĂ©rĂ©e comme nĂ©cessaire lorsque, en l'absence de celle-ci, le mĂȘme rĂ©sultat artistique ne pourrait ĂȘtre obtenu.
  4° plateforme numérique : la plateforme numérique Working in the Arts telle que visée à l'article 4 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts.
  § 2. Sont soustraits à l'application de la loi, l'exécutant qui perçoit une indemnité forfaitaire de défraiement telle que définie au § 3, ainsi que le donneur d'ordre qui fait appel à cet exécutant.
  Cette indemnité est dénommée l'indemnité des arts en amateurs.
  § 3. Pour autant que les conditions déterminées par ou en vertu du présent article soient simultanément remplies, sont considérées comme indemnités forfaitaires de défraiement les indemnités octroyées aux exécutants qui fournissent des activités artistiques, à l'exclusion des activités artistiques-techniques et artistiques de soutien, à condition que cette indemnité de défraiement s'élÚve [2 ...]2 au maximum à 70 euros par jour.
  En outre, le nombre de jours pendant lesquels l'exĂ©cutant peut bĂ©nĂ©ficier de l'application du prĂ©sent article ne peut dĂ©passer 30 jours par annĂ©e civile. Le nombre de jours ne peut pas non plus dĂ©passer 7 jours consĂ©cutifs auprĂšs du mĂȘme donneur d'ordre.
  Si, au cours d'une mĂȘme journĂ©e, l'exĂ©cutant exerce des activitĂ©s artistiques pour plusieurs donneurs d'ordre, les indemnitĂ©s qui lui sont octroyĂ©es ne peuvent [2 ...]2 ni dĂ©passer 70 euros par donneur d'ordre ni ĂȘtre [2 ...]2 supĂ©rieures Ă 70 euros multipliĂ©s par le nombre de donneurs d'ordre qui ont fait appel Ă lui pour ce jour.
  Les conditions à remplir simultanément sont :
  1° l'exĂ©cutant doit ĂȘtre enregistrĂ© conformĂ©ment Ă l'article 11 de la loi du 16 dĂ©cembre 2022 prĂ©citĂ©e et l'enregistrement n'a pas Ă©tĂ© annulĂ© ni suspendu par la Commission du travail des arts;
  2° le donneur d'ordre doit ĂȘtre enregistrĂ© conformĂ©ment Ă l'article 10 de la loi du 16 dĂ©cembre 2022 prĂ©citĂ©e et l'enregistrement n'a pas Ă©tĂ© annulĂ© ou suspendu par la Commission du travail des arts ou par l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale;
  3° la prestation a Ă©tĂ© dĂ©clarĂ©e par le donneur d'ordre conformĂ©ment Ă l'article 12 de la loi du 16 dĂ©cembre 2022 prĂ©citĂ©e au plus tard au moment oĂč les activitĂ©s sont entamĂ©es;
  4° le type d'activité réellement fournie doit correspondre pleinement au type de prestation déclarée au préalable.
  § 4. Outre les indemnitĂ©s mentionnĂ©es au § 3, l'exĂ©cutant peut obtenir le remboursement de ses frais de dĂ©placement rĂ©els, si le montant de ces frais peut ĂȘtre prouvĂ©.
  Ce montant ne peut dépasser 20 euros par jour.
  Si, au cours d'une mĂȘme journĂ©e, l'exĂ©cutant exerce des activitĂ©s artistiques pour plusieurs donneurs d'ordre le montant visĂ© Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent ne peut dĂ©passer 20 euros par donneur d'ordre ni ĂȘtre supĂ©rieur Ă 20 euros multipliĂ©s par le nombre de donneurs d'ordre qui ont fait appel Ă lui pour ce jour.
  En ce qui concerne l'utilisation du vĂ©hicule privĂ©, ces frais de dĂ©placement rĂ©els sont dĂ©terminĂ©s conformĂ©ment Ă l'article 74 de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnitĂ©s des membres du personnel de la fonction publique fĂ©dĂ©rale. Les frais de dĂ©placement rĂ©els pour l'utilisation du vĂ©lo sont dĂ©terminĂ©s conformĂ©ment Ă l'article 76 du mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 13 juillet 2017.
  § 5. Ne peut invoquer les dispositions du prĂ©sent article, l'exĂ©cutant qui au moment de l'exercice d'une activitĂ© artistique est liĂ© au mĂȘme donneur d'ordre par un contrat de travail ou dans le cadre de l'article 1bis de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 que ce soit par l'intermĂ©diaire d'un bureau social pour artistes ou pas, ou par un contrat d'entreprise, ou une dĂ©signation statutaire sauf si l'exĂ©cutant et le donneur d'ordre apportent la preuve que les activitĂ©s sont diffĂ©rentes.
  L'exercice des activitĂ©s en application du prĂ©sent article n'est pas autorisĂ© si l'exĂ©cutant fournit au cours de la mĂȘme annĂ©e civile pour le mĂȘme donneur d'ordre des prestations soustraites Ă l'application de la loi en application de l'article 17, § 1er, alinĂ©a premier, 4°, ou en application de l'article 17, § 1er, alinĂ©a premier, 7° de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969.
  § 6. Lorsque les activités n'ont pas été préalablement déclarées conformément à l'article 12 de la loi par le donneur d'ordre ou lorsque les activités fournies ne correspondent pas au type d'activités déclarées ou en cas de non-respect des autres conditions énumérées au paragraphe 3, le donneur d'ordre ne peut se prévaloir de ce régime pendant le trimestre en cours et les trois trimestres suivants.
  L'exĂ©cutant et le donneur d'ordre sont soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs pour les activitĂ©s concernĂ©es. Ces activitĂ©s sont irrĂ©fragablement prĂ©sumĂ©es avoir Ă©tĂ© exercĂ©es dans le cadre d'un contrat de travail.
  En cas de non-respect des interdictions de cumul prévues au paragraphe 5, l'exécutant et son donneur d'ordre sont soumis à la loi du 27 juin 1969 précitée pour l'activité concernée. Ces activités sont irréfragablement présumées avoir été exercées dans le cadre d'un contrat de travail.
  Lorsque le donneur d'ordre octroie un montant supérieur au montant journalier déterminé au paragraphe 3, l'exécutant et le donneur d'ordre sont soumis à la loi du 27 juin 1969 précitée et les activités sont irréfutablement présumées avoir été exercées dans le cadre d'un contrat de travail, et ce, pour toutes les indemnités payées par ce donneur d'ordre à l'exécutant concerné durant le trimestre en cours et les trois trimestres suivants.
  § 7. Les montants déterminés à l'article 13, § 1er, alinéa premier de la loi et au paragraphe 3, alinéa premier, et au paragraphe 4 du présent article sont rattachés à l'indice santé du mois de décembre 2021.
  Les montants sont adaptés le 1er janvier de chaque année conformément à la formule suivante : le montant de base est multiplié par l'indice santé du mois de septembre de l'année précédant celle durant laquelle le nouveau montant sera applicable et divisé par l'indice santé du mois de décembre 2021.
  Au plus tard dans le courant du mois de décembre de chaque année, les montants applicables pour l'année civile suivante sont publiés au Moniteur belge. Les organismes de perception des cotisations de sécurité sociale reprennent également cette information sur leur site internet.
  § 8. Les donneurs d'ordre enregistrés qui octroient plus de 100 indemnités journaliÚres par année civile doivent fournir un rapport à la Commission du travail des arts précitée, au plus tard le 1er mars de l'année suivante. Ce rapport comprend :
  - une justification circonstanciée du recours intensif à l'indemnité des arts en amateurs;
  - un relevé des clients externes concernés par les activités artistiques pour lesquelles il a été fait usage de l'indemnité des arts en amateurs;
  - un relevé du chiffre d'affaires total et de toutes les activités, ainsi que de la place qu'occupent parmi celles-ci les activités dans lesquelles il est fait usage de l'indemnité des arts en amateurs.
  Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut fixer par arrĂȘtĂ© ministĂ©riel les modalitĂ©s de cette obligation de faire rapport et l'utilisation qui en est faite.]1
 Â
HOOFDSTUK II. - Berekening van de bijdragen.
CHAPITRE II. - Calcul des cotisations.
Afdeling I. - Algemene regeling.
Section 1. - Modalités générales.
Art. 19. § 1. [Met afwijking van artikel 2, derde lid, 1° [21 , a)]21, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, wordt het gedeelte van het vakantiegeld dat overeenstemt met het normaal loon voor de vakantiedagen als loon beschouwd.] <KB 10-07-1973, art. 1>
  [Het gedeelte van het vakantiegeld dat betaald wordt door de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of door een bijzonder vakantiefonds, en dat aanleiding geeft tot de inning van bijdragen bij toepassing van het voorgaande lid , wordt forfaitair vastgesteld op 8 pct. van de andere sommen en voordelen die het loon vormen. Het wordt elk kwartaal aangegeven, samen met deze sommen en voordelen.] <KB 28-03-1975, art. 1>
  [Wat de hoofdarbeiders betreft voor wie de aftrek werd verricht, bedoeld bij de artikelen 48, 49, 57 of 58 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie der loonarbeiders, zijnde verschuldigd op het bedrag van het normaal loon voor de vakantiedagen, berekend overeenkomstig de artikelen 38, 39, 53 of 53bis van hetzelfde besluit [, verminderd met het bedrag waarop reeds bijdragen zijn betaald bij toepassing van het voorgaand lid].] <KB 29-09-1978, art. 1> <KB 2001-08-10/68, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  [31 Met afwijking van artikel 2, derde lid, 1°, a), van voornoemde wet van 12 april 1965, wordt eveneens als loon beschouwd, het normale loon zoals bedoeld in artikel 67, tweede lid, 1°, van het voornoemde koninklijk besluit van 30 maart 1967, in toepassing van hetzij artikel 67, hetzij artikel 67bis van hetzelfde besluit.]31
  [21 Met afwijking van artikel 2, derde lid, 1°, c), van voornoemde wet van 12 april 1965, worden eveneens als loon beschouwd, de als aanvulling bij het wettelijk dubbel vakantiegeld uitbetaalde bedragen, met uitzondering van de aanvullende bedragen die bepaald zijn bij nationale collectieve arbeidsovereenkomsten die voor 31 december 1974 in paritair comité zijn gesloten, en de bedragen die betaald worden aan de begunstigden bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 juni 2006, afgesloten in het nationaal paritair comité voor de sport, betreffende het vakantiegeld van de betaalde voetballer, ten belope van het deel van de daarin vermelde vergoeding dat het wettelijk dubbel vakantiegeld overschrijdt.]21
  [4 Met afwijking van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, wordt als loon beschouwd, de vergoeding die rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever in deze arbeidsovereenkomst, wordt betaald, aan de werknemer in deze arbeidsovereenkomst, ingevolge een binnen een termijn van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomst op grond waarvan de vroegere werknemer zich ertoe verbindt om geen personeel of zelfstandige medecontractanten af te werven van zijn vroegere werkgever hetzij in eigen naam en voor eigen rekening hetzij in naam en voor rekening van één of meerdere derden, en/of zich ertoe verbindt om geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen als dewelke hij uitoefende bij zijn vroegere werkgever, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden van een concurrerende werkgever.]4
  § 2. Met afwijking van voornoemd artikel 2, eerste lid, worden niet als loon aangemerkt :
  1° [de sluitingsvergoeding ten belope van een bedrag toegekend aan de werknemer per jaar anciënniteit in de onderneming en het totaal bedrag vermeld in artikel 23 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, die wordt uitgekeerd aan werknemers in geval van sluiting van de onderneming die hen tewerkstelt onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3, van voormelde wet van 26 juni 2002 en de sluitingsvergoeding die aan werknemers wordt toegekend in geval van de stopzetting van de activiteiten van de natuurlijke persoon of van de vereniging die hen tewerkstelt, voor zover de natuurlijke persoon of de onderneming aan de voorwaarden voldoet bedoeld in artikel 3 van voornoemde wet van 26 juni 2002, ten belope van dezelfde bedragen als bedoeld in artikel 23 van bovenvermelde wet van 26 juni 2002;] <KB 2007-07-13/34, art. 1, 138; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  2° [5 de aan de werknemers verschuldigde vergoedingen, wanneer de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt, met uitzondering nochtans van de vergoedingen, verschuldigd naar aanleiding van :
  a) de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever;
  b) de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardigden;
  c) de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor syndicale afgevaardigden;
  d) de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord;]5
  3° [6 ...]6
  4° de bedragen die gelden als terugbetaling van de kosten die de werknemer heeft verricht om zich van zijn woonplaats naar zijn werkplaats te begeven, alsook de kosten die ten laste van zijn werkgever vallen [22 , inclusief de kosten ten laste van de werkgever, zoals bedoeld in de artikelen 32/1, § § 5 en 6, en 32/2, § § 5 en 6, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2021, zoals die gelden op 1 januari 2022]22;
  [Wordt gelijkgesteld met een terugbetaling van de kosten, in de zin van het eerste lid, de mobiliteitsvergoeding die wordt betaald aan de werknemers bij toepassing van een forfaitaire regeling van terugbetaling van verplaatsingskosten, in gebruik in bedrijfstakken waar de werkplaats niet vast bepaald is, in zoverre volgende voorwaarden vervuld zijn :
  a) de forfaitaire regeling van terugbetaling moet zijn ingesteld voor 1 januari 1980 zijn toegepast zonder onderbreking;
  (NOTA : het arrest nr. 103.050, uitgesproken door de Raad van State op 31 januari 2002 (VIIde Kamer) vernietigt het a) van het onderhavig besluit, zie B.S. 11-04-2002, p. 14916)
  b) de forfaitaire regeling van terugbetaling en die vergoedingen die zij vaststelt moeten worden omschreven bij collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten in de schoot van een paritair orgaan en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit. [23 Indien de werkgever niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeids-overeenkomsten, dan moet de toekenning geregeld worden, naargelang het geval, door een protocolakkoord afgesloten op het niveau van het bevoegde Onderhandelingscomité of door de regeling vastgesteld door het paritair comité bedoeld hetzij in arti-kel 30 hetzij in artikel 31 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven]23;
  c) het bedrag van de vergoeding mag de som van [30 0,1929 euro]30 per kilometer afstand tussen de woonplaats en de werkplaats, te berekenen op de afstand heen en terug, niet overschrijden;] <KB 1995-07-19/32, art. 1, 063; Inwerkingtreding : 01-07-1992> <KB 2000-07-20/68, art. 1, 095; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2006-09-27/34, art. 1, 132; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [10 De vergoeding of het voordeel voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsvergoeding bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 9, § 3, van voormelde wet van 30 maart 2018;]10
  [12 De vergoeding of het voordeel voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsbudget bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 10, § 3, van de voormelde wet van 17 maart 2019;]12
  5° de voordelen toegekend in de vorm van arbeidsgereedschap of werkkleding;
  6° de bedragen die de werkgever aan de werknemer betaalt ten einde zich te kwijten van zijn verplichting om arbeidsgereedschap of werkkleding te bezorgen of om te zorgen voor kost en inwoning, wanneer de werknemer ver van zijn woning tewerkgesteld is;
  7° de bedragen die aan de werknemers worden toegekend wegens hun aansluiting bij een vakorganisatie ten belope van het bedrag door de Minister van Sociale Voorzorg bepaald;
  8° [de voordelen die door een Fonds voor bestaanszekerheid aan de werknemers worden toegekend in de vorm van zegels en die bepaald zijn bij regelingen welke vóór 1 januari 1970 werden ingevoerd;] <KB 24-10-1973, art. 1>
  [9 ° de vergoedingen voor het toezicht in het kleuter- en lager onderwijs of voor de begeleiding van leerlingen in het leerlingenvervoer, toegekend aan leden van het onderwijzend of ander personeel die het bedoelde toezicht of de begeleiding bij wijze van bijkomende prestatie verrichten;] <KB 1985-08-12/42, art. 1, 008>
  [10° de vergoeding voor de periode van arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week, alsook de vergoeding verschuldigd voor de periode van arbeidsongeschiktheid met aanvulling of voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis en de gelijkaardige voordelen betaald door een bestuur aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;] <KB 2001-06-10/60, art. 2, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [11° het verschaffen van eetmalen beneden de kostprijs in het bedrijfsrestaurant;] <KB 1987-12-11/49, art. 1, 021; volgens art. 3 : " Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1988 behoudens voor de werkgevers en werknemers die gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst waarin een maaltijdcheque ten voordele van de werknemers is voorzien. In dit geval zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing bij het verstrijken van bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst en uiterlijk op 1 januari 1989. ">
  [12° het forfaitair loon gelijk aan de werkloosheidsuitkering vermeerderd met de aanvullende werkloosheidsuitkering die door het Fonds voor Bestaanszekerheid voor de Arbeiders van de Bouwnijverheid wordt uitbetaald voor de dagen inhaalrust bouwbedrijf, met een maximum van 12 dagen per kalenderjaar;] <KB 2001-06-10/60, art. 2, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [13° de vergoeding overeenstemmend met het loon voor de feestdag of vervangingsdag tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid;] <KB 2001-06-10/60, art. 2, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  14° [de volgende geschenken :
  a) de geschenken in natura, in speciën of in de vorm van betaalbons, geschenkcheques genaamd, als ze een totaal bedrag van [9 40]9 EUR per jaar per werknemer en [9 40]9 EUR per jaar voor elk kind ten laste van deze werknemer niet overschrijden en toegekend worden naar aanleiding van het Sinterklaasfeest, Kerstmis of Nieuwjaar;
  b) de geschenken in speciën of in de vorm van geschenkcheques die aan de werknemer worden overhandigd wanneer hij een eervolle onderscheiding ontvangt als ze een totaal bedrag van [9 120]9 EUR per jaar per werknemer niet overschrijden;
  c) de geschenken in speciën of in de vorm van geschenkcheques die aan een werknemer worden overhandigd ter gelegenheid van zijn pensionering als ze een bedrag van [9 40]9 EUR niet overschrijden per volledig dienstjaar dat de werknemer bij de betrokken werkgever in dienst is en met een totaal bedrag van tenminste [9 120]9 EUR en maximum [9 1000]9 EUR;
  d) de geschenken in natura, in speciën of in de vorm van betaalbons die aan een werknemer worden overhandigd ter gelegenheid van zijn huwelijk of van het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning, voor zover het toegekend bedrag geen [9 245]9 EUR per werknemer overschrijdt.
  De in voorgaande lid bedoelde geschenkcheques mogen enkel worden ingeruild bij de ondernemingen die vooraf een akkoord hebben gesloten met de emittenten van die betaalbons, moeten een beperkte looptijd hebben en mogen aan de begunstigde niet in speciën worden uitbetaald;] <KB 2007-07-13/58, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
  [14 De geldigheidsduur van de geschenkcheques, die in maart, april, mei en juni 2020 aflopen, wordt met 6 maanden verlengd. De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan bij ministerieel besluit, na advies van de Nationale Arbeidsraad, een periode van meer dan 6 maanden vaststellen;]14
  [16 De geldigheidsduur van de geschenkcheques, die in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 aflopen, wordt met 6 maanden verlengd.]16
  [1 5° het voordeel bedoeld in artikel 38, § 3quater, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;] <KB 1996-12-20/31, art. 1, 067; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [2 16° de kilometervergoeding toegekend door de werkgever aan de werknemer voor verplaatsingen [8 met behulp van een vervoermiddel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992)]8 tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, voor een bedrag van maximaal [28 0,178 euro]28. Dit bedrag wordt aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt [3 vermeld in artikel 178, § 3, [27 eerste lid,]27 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992]3. Na de toepassing van de coëfficiënt wordt dit bedrag afgerond tot de hogere of lagere cent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.]2 [27 Het gedeelte van de kilometervergoeding dat het bedrag van [28 1.795 euro]28 per kalenderjaar vanaf 1 januari 2024 overschrijdt, wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen. Dit bedrag wordt ook aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast met behulp van de coëfficiënt vermeld in artikel 178, § 3, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Na de toepassing van de coëfficiënt wordt dit bedrag afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 10 euro naargelang het cijfer van de eenheden al dan niet 5 bereikt. De kilometervergoeding wordt eveneens als loon voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen aangemerkt, indien ze werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid.]27
  [10 De kilometervergoeding bedoeld in het eerste lid die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsvergoeding bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 9, § 3, van de voormelde wet van 30 maart 2018;]10
  [12 De kilometervergoeding bedoeld in het eerste lid die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsbudget bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 10, § 3, van de voormelde wet van 17 maart 2019;]12
  [1 7° de bijzondere forfaitaire vergoeding die is vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst en bedoeld is voor de werknemers van de inrichtingen en diensten welke ressorteren onder het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, voorzover zij erkend en gesubsidieerd worden door de Gemeenschap of het Gewest waarvan zij afhangen, bestaande uit de kampvergoeding voor vakantieverblijven die door de genoemde inrichtingen en diensten georganiseerd worden. Die vergoeding wordt gedurende maximaal dertig dagen per jaar toegekend aan het begeleidende personeel tot dekking van hun bijkomende werkelijke lasten of kosten. Ze bedraagt maximaal [28,48 EUR] per dag. <KB 2001-12-11/45, art. 3, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Het bedrag waarin dit nummer voorziet, wordt [aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)] gekoppeld en varieert zoals bepaald bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de algemene schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld;] <KB 1999-10-05/32, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-07-1998> <KB 2001-12-11/45, art. 3, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [18° het voordeel opgeleverd door opties op aandelen, zoals bepaald bij artikel 42 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen. Indien de prijs van de uitoefening van de optie lager is dan de op het ogenblik van het aanbod geldende waarde van de aandelen waarop de optie betrekking heeft, wordt dat verschil toch als loon aangemerkt voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen.
  Het zeker voordeel bedoeld in artikel 43, § 8, van de voornoemde wet wordt toch als loon aangemerkt voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen;] <KB 1999-10-05/33, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  [19° de vermindering, ten laste van de werkgever, van de normale prijs van de gefabriceerde of verkochte producten, of diensten geleverd door de werkgever, op voorwaarde dat de hoeveelheid van de aan elke werknemer verkochte producten of geleverde diensten het normale verbruik van het gezin van de werknemer niet overschrijdt. De werkgever moet kunnen aantonen dat hij zijn werknemers op deze voorwaarde heeft gewezen.
  Onder normale prijs wordt de prijs verstaan die de werknemer als particuliere consument had moeten betalen, indien hij niet zou tewerkgesteld zijn door de werkgever die het product fabriceert of verkoopt of de dienst levert.
  Levert de werkgever niet rechtstreeks producten of diensten aan de particuliere klant, dan is de normale prijs die welke een particuliere klant met een vergelijkbaar profiel als de werknemer in de detailhandel moet betalen.
  De werkgever moet de nodige elementen kunnen voorleggen om de normale prijs te staven.
  Is de prijsvermindering groter dan 30 % van het bedrag van de normale prijs, dan wordt het bedrag van de vermindering dat 30 % van de normale prijs overschrijdt, als loon beschouwd.
  Is de prijs die de werknemer na aftrek van de prijsvermindering betaalt, lager dan de kostprijs van het product of de dienst, dan wordt het verschil tussen de prijs betaald door de werknemer en de kostprijs als loon beschouwd, ook als de korting minder bedraagt dan 30 % van de normale prijs.
  De werkgever moet de nodige elementen kunnen voorleggen om de kostprijs te staven.] <KB 2002-02-28/35, art. 1, 104; Inwerkingtreding : 01-04-2002>
  20° [32 ...]32
  [ [21°)] de stortingen bedoeld in artikel 38, § 3ter, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, verricht door de werkgevers met het oog op de toekenning aan hun personeelsleden of aan hun rechtverkrijgende(n) van buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdig overlijden, de premies voor aanvullende hospitalisatieverzekering zoals bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 april 1993 betreffende de bijdrage op de premies terzake van een aanvullende verzekering voor hospitalisatie, die door de werkgever in het voordeel van zijn personeel worden ten laste genomen, alsmede de premies voor aanvullende voordelen in geval van arbeidsongeschiktheid.] <KB 2004-04-27/30, art. 1, 119; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [7 22° de vergoedingen toegekend in het kader van maatregelen tot verlichting van de werklast aan werknemers die de leeftijd van minstens 58 jaar bereikt hebben, voor zover volgende voorwaarden vervuld zijn :
  a) de vergoeding is vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van een paritair orgaan en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit, en wordt betaald door een Fonds voor Bestaanszekerheid of door de werkgever. Bij gebrek aan een dergelijke overeenkomst mag de toekenning geregeld worden op het niveau van de onderneming door een collectieve arbeidsovereenkomst of een wijziging van het arbeidsreglement [11 of op het niveau van de werknemer door een individuele schriftelijke overeenkomst]1 1;
  b) deze collectieve arbeidsovereenkomst [11 , wijziging van het arbeidsreglement of individuele schriftelijke overeenkomst]11 is, voor de werkgevers en werknemers die vallen onder het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 104 van 27 juni 2012 over de uitvoering van een werkgelegenheidsplan oudere werknemers in de onderneming, genomen in toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 104;
  c) [11 deze collectieve arbeidsovereenkomst of wijziging van het arbeidsreglement bepaalt uitdrukkelijk welke maatregelen in het kader van de omschakeling van ploegen- en nachtarbeid of van de verlichting van de werklast het voorwerp kunnen uitmaken van het toekennen van deze vergoeding. De individuele schriftelijke overeenkomst bepaalt eveneens uitdrukkelijk welke maatregel het voorwerp uitmaakt van het toekennen van deze vergoeding. Deze maatregelen moeten een vermindering van het inkomen van de werknemer tot gevolg hebben en de werknemer moet een betrekking behouden met minstens een effectieve tewerkstellingsbreuk van 4/5de;]11
  d) de vergoeding voor de werknemer die overgaat van een voltijdse naar een 4/5de tewerkstelling, is enkel vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen indien de werknemer de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt;
  e) het bedrag van de vergoeding mag niet hoger zijn dan het loonverlies dat de werknemer heeft geleden ingevolge de maatregelen in het kader van de verlichting van de werklast en niet tot gevolg hebben dat het nettoloon van de werknemer hoger is dan voor de verlichting van de werklast;
  f) deze vergoeding wordt geïndexeerd volgens het algemeen geldende indexeringsmechanisme dat binnen die onderneming van toepassing is. Het aldus berekende bedrag wordt op de hogere euro afgerond;]7
  [8 23° het voordeel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).]8
  [10 Het voordeel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) dat wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsvergoeding bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 9, § 3, van voormelde wet van 30 maart 2018;]10
  [12 Het voordeel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) dat wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsbudget bedoeld in artikel 3, § 1, 2° van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 10, § 3, van de voormelde wet van 17 maart 2019;]12
  24° [19 de netto-vergoedingen voor de 120 bijkomende overuren die gepresteerd zijn in toepassing van artikel 52, § § 1 en 2, van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie;]19
  [20 25° de netto-vergoedingen voor de 120 bijkomende overuren die gepresteerd zijn in toepassing van artikel 2, § § 1 en 2, van de wet van 12 december 2021 tot uitvoering van het sociaal akkoord in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2021-2022.
  De bijkomende gepresteerde overuren in toepassing van artikel 52, § 1, van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 september 2021, die niet worden aangemerkt als loon in toepassing van 24° van deze paragraaf, worden in mindering gebracht op de bijkomende overuren die niet worden aangemerkt als loon in toepassing van het eerste lid, voor wat betreft de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021;]20
  [24 26° het bedrag van de vergoeding voortkomende uit:
  - de overdracht of de verlening van een licentie door de oorspronkelijke rechthebbende van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties die bij wet zijn geregeld, bedoeld in boek XI, titel 5, van het Wetboek van economisch recht of in analoge bepalingen van buitenlands recht;
  - die betrekking hebben op originele werken van letterkunde of kunst zoals bedoeld in artikel XI.165 van het Wetboek van economisch recht of op prestaties van uitvoerende kunstenaars zoals bedoeld in artikel XI.205 van hetzelfde Wetboek;
  - met het oog op de exploitatie of het daadwerkelijk gebruik van deze rechten, behalve in het geval van een gebeurtenis veroorzaakt buiten de wil van de overeenkomstsluitende partijen, overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken, door de verkrijger, de licentiehouder of een derde;
  - op voorwaarde dat de voormelde oorspronkelijke rechthebbende beschikt over een kunstwerkattest als bedoeld in artikel 6 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers, of in analoge bepalingen of met gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte; of
  - bij gebrek daaraan, dat de rechthebbende in het kader van de overdracht of de verlening van een licentie in overeenstemming met de eerste drie streepjes deze rechten overdraagt of in licentie geeft aan een derde voor mededeling aan het publiek, voor openbare uitvoering of opvoering, of voor reproductie.
  Volgende voorwaarden zijn van toepassing op de in het eerste lid vermelde vergoeding:
  a) tijdens de periode van de vier kwartalen van het kalenderjaar, mag het bedrag van de toegekende vergoedingen voor de overdracht of het in licentie geven van auteursrechten en naburige rechten, ten hoogste 30 pct. bedragen van de som van:
  - het totaalbedrag van het loon onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen waarop de werknemer recht heeft;
  - het totaalbedrag van de door de werkgever aan de betrokken werknemer toegekende vergoedingen voor de overdracht of het in licentie geven van auteursrechten en naburige rechten;
  indien het bedrag van de toegekende vergoedingen meer bedraagt dan 30 pct. van de bovenvermelde som, dan wordt het bedrag dat deze 30 pct. overschrijdt onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen;
  b) zowel het loon als de vergoeding voor de overdracht of het in licentie geven van de rechten zijn op een marktconforme manier vastgesteld. De werkgever houdt de bewijstukken van de verschillende beoordelingselementen ter beschikking van de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
  c) het bedrag van de vergoeding wordt vermeld in de kwartaalaangifte aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van het kwartaal waarin de vergoeding wordt toegekend.
  [26 De aldus toegekende vergoeding wordt toch als loon voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen aangemerkt, indien ze werd of wordt]26 verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, [26 ...]26 behalve indien aan volgende voorwaarden cumulatief is voldaan:
  - de werkgever heeft voor deze werknemer deze vergoeding als roerende inkomsten, bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, van het WIB 92, aangegeven in de personenbelasting voor het belastbaar tijdperk 2022 of 2021, 2020, 2019 of 2018 in geval van regularisatie;
  - het bedrag van de vergoeding is beperkt tot het kleinste van volgende bedragen voor het jaar 2022 of 2021, 2020, 2019 of 2018 in geval van regularisatie:
  o het bedrag in de personenbelasting als roerende inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, WIB 92, aangegeven;
  o het verschil tussen de vergoeding die bij de fiscus en de vergoeding die bij de RSZ werd aangegeven als tegenprestatie voor de geleverde arbeid verricht in uitvoering van de arbeidsovereenkomst;
  - de werkgever geeft voor eind 2023 het om te zetten bedrag bij de RSZ aan en legt op verzoek het bewijs van het omgezette bedrag voor;]24
  [25 27° de netto-vergoedingen voor de 120 bijkomende overuren die gepresteerd zijn in toepassing van artikel 2, § § 1 en 2, van de wet van 31 juli 2023 tot uitvoering van het afsprakenkader in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2023-2024;]25
  [29 28° de prijzen toegekend door de organisatoren van sportwedstrijden aan betaalde sportbeoefenaars wegens het behalen van een bepaald individueel resultaat, voor zover volgende voorwaarden vervuld zijn:
  a) het recht op de prijzen wordt uitsluitend door de organisator van de sportwedstrijd toegekend;
  b) de organisator draagt de volledige financiële last van de prijzen;
  c) het bedrag en de verdeling van de prijzen in functie van het resultaat van een individuele prestatie van een sportbeoefenaar worden vóór de aanvang van de wedstrijd door de organisator vastgelegd;
  d) de prijs wordt rechtstreeks aan de individuele sportbeoefenaar betaald door de organisator van de sportwedstrijd, hetzij door een vereniging zonder winstuitkeringsdoel die de organisatie, de promotie en/of de verspreiding van sport tot doel heeft en enkel als tussenpersoon optreedt tussen de organisator en de sporter voor het uitkeren van de prijs.
  Het vorige lid is eveneens van toepassing indien de individuele sportbeoefenaar de prijzen nadien deelt met ploeggenoten of medewerkers van zijn ploeg.
  De prijs wordt toch als loon voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen aangemerkt, indien hij werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid.]29
 Â
  [Het gedeelte van het vakantiegeld dat betaald wordt door de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie of door een bijzonder vakantiefonds, en dat aanleiding geeft tot de inning van bijdragen bij toepassing van het voorgaande lid , wordt forfaitair vastgesteld op 8 pct. van de andere sommen en voordelen die het loon vormen. Het wordt elk kwartaal aangegeven, samen met deze sommen en voordelen.] <KB 28-03-1975, art. 1>
  [Wat de hoofdarbeiders betreft voor wie de aftrek werd verricht, bedoeld bij de artikelen 48, 49, 57 of 58 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie der loonarbeiders, zijnde verschuldigd op het bedrag van het normaal loon voor de vakantiedagen, berekend overeenkomstig de artikelen 38, 39, 53 of 53bis van hetzelfde besluit [, verminderd met het bedrag waarop reeds bijdragen zijn betaald bij toepassing van het voorgaand lid].] <KB 29-09-1978, art. 1> <KB 2001-08-10/68, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  [31 Met afwijking van artikel 2, derde lid, 1°, a), van voornoemde wet van 12 april 1965, wordt eveneens als loon beschouwd, het normale loon zoals bedoeld in artikel 67, tweede lid, 1°, van het voornoemde koninklijk besluit van 30 maart 1967, in toepassing van hetzij artikel 67, hetzij artikel 67bis van hetzelfde besluit.]31
  [21 Met afwijking van artikel 2, derde lid, 1°, c), van voornoemde wet van 12 april 1965, worden eveneens als loon beschouwd, de als aanvulling bij het wettelijk dubbel vakantiegeld uitbetaalde bedragen, met uitzondering van de aanvullende bedragen die bepaald zijn bij nationale collectieve arbeidsovereenkomsten die voor 31 december 1974 in paritair comité zijn gesloten, en de bedragen die betaald worden aan de begunstigden bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomst van 7 juni 2006, afgesloten in het nationaal paritair comité voor de sport, betreffende het vakantiegeld van de betaalde voetballer, ten belope van het deel van de daarin vermelde vergoeding dat het wettelijk dubbel vakantiegeld overschrijdt.]21
  [4 Met afwijking van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, wordt als loon beschouwd, de vergoeding die rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever in deze arbeidsovereenkomst, wordt betaald, aan de werknemer in deze arbeidsovereenkomst, ingevolge een binnen een termijn van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomst op grond waarvan de vroegere werknemer zich ertoe verbindt om geen personeel of zelfstandige medecontractanten af te werven van zijn vroegere werkgever hetzij in eigen naam en voor eigen rekening hetzij in naam en voor rekening van één of meerdere derden, en/of zich ertoe verbindt om geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen als dewelke hij uitoefende bij zijn vroegere werkgever, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden van een concurrerende werkgever.]4
  § 2. Met afwijking van voornoemd artikel 2, eerste lid, worden niet als loon aangemerkt :
  1° [de sluitingsvergoeding ten belope van een bedrag toegekend aan de werknemer per jaar anciënniteit in de onderneming en het totaal bedrag vermeld in artikel 23 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen, die wordt uitgekeerd aan werknemers in geval van sluiting van de onderneming die hen tewerkstelt onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3, van voormelde wet van 26 juni 2002 en de sluitingsvergoeding die aan werknemers wordt toegekend in geval van de stopzetting van de activiteiten van de natuurlijke persoon of van de vereniging die hen tewerkstelt, voor zover de natuurlijke persoon of de onderneming aan de voorwaarden voldoet bedoeld in artikel 3 van voornoemde wet van 26 juni 2002, ten belope van dezelfde bedragen als bedoeld in artikel 23 van bovenvermelde wet van 26 juni 2002;] <KB 2007-07-13/34, art. 1, 138; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  2° [5 de aan de werknemers verschuldigde vergoedingen, wanneer de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt, met uitzondering nochtans van de vergoedingen, verschuldigd naar aanleiding van :
  a) de onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever;
  b) de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardigden;
  c) de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor syndicale afgevaardigden;
  d) de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord;]5
  3° [6 ...]6
  4° de bedragen die gelden als terugbetaling van de kosten die de werknemer heeft verricht om zich van zijn woonplaats naar zijn werkplaats te begeven, alsook de kosten die ten laste van zijn werkgever vallen [22 , inclusief de kosten ten laste van de werkgever, zoals bedoeld in de artikelen 32/1, § § 5 en 6, en 32/2, § § 5 en 6, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2021, zoals die gelden op 1 januari 2022]22;
  [Wordt gelijkgesteld met een terugbetaling van de kosten, in de zin van het eerste lid, de mobiliteitsvergoeding die wordt betaald aan de werknemers bij toepassing van een forfaitaire regeling van terugbetaling van verplaatsingskosten, in gebruik in bedrijfstakken waar de werkplaats niet vast bepaald is, in zoverre volgende voorwaarden vervuld zijn :
  a) de forfaitaire regeling van terugbetaling moet zijn ingesteld voor 1 januari 1980 zijn toegepast zonder onderbreking;
  (NOTA : het arrest nr. 103.050, uitgesproken door de Raad van State op 31 januari 2002 (VIIde Kamer) vernietigt het a) van het onderhavig besluit, zie B.S. 11-04-2002, p. 14916)
  b) de forfaitaire regeling van terugbetaling en die vergoedingen die zij vaststelt moeten worden omschreven bij collectieve arbeidsovereenkomsten, gesloten in de schoot van een paritair orgaan en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit. [23 Indien de werkgever niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeids-overeenkomsten, dan moet de toekenning geregeld worden, naargelang het geval, door een protocolakkoord afgesloten op het niveau van het bevoegde Onderhandelingscomité of door de regeling vastgesteld door het paritair comité bedoeld hetzij in arti-kel 30 hetzij in artikel 31 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven]23;
  c) het bedrag van de vergoeding mag de som van [30 0,1929 euro]30 per kilometer afstand tussen de woonplaats en de werkplaats, te berekenen op de afstand heen en terug, niet overschrijden;] <KB 1995-07-19/32, art. 1, 063; Inwerkingtreding : 01-07-1992> <KB 2000-07-20/68, art. 1, 095; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2006-09-27/34, art. 1, 132; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [10 De vergoeding of het voordeel voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsvergoeding bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 9, § 3, van voormelde wet van 30 maart 2018;]10
  [12 De vergoeding of het voordeel voor verplaatsingen tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsbudget bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 10, § 3, van de voormelde wet van 17 maart 2019;]12
  5° de voordelen toegekend in de vorm van arbeidsgereedschap of werkkleding;
  6° de bedragen die de werkgever aan de werknemer betaalt ten einde zich te kwijten van zijn verplichting om arbeidsgereedschap of werkkleding te bezorgen of om te zorgen voor kost en inwoning, wanneer de werknemer ver van zijn woning tewerkgesteld is;
  7° de bedragen die aan de werknemers worden toegekend wegens hun aansluiting bij een vakorganisatie ten belope van het bedrag door de Minister van Sociale Voorzorg bepaald;
  8° [de voordelen die door een Fonds voor bestaanszekerheid aan de werknemers worden toegekend in de vorm van zegels en die bepaald zijn bij regelingen welke vóór 1 januari 1970 werden ingevoerd;] <KB 24-10-1973, art. 1>
  [9 ° de vergoedingen voor het toezicht in het kleuter- en lager onderwijs of voor de begeleiding van leerlingen in het leerlingenvervoer, toegekend aan leden van het onderwijzend of ander personeel die het bedoelde toezicht of de begeleiding bij wijze van bijkomende prestatie verrichten;] <KB 1985-08-12/42, art. 1, 008>
  [10° de vergoeding voor de periode van arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week, alsook de vergoeding verschuldigd voor de periode van arbeidsongeschiktheid met aanvulling of voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis en de gelijkaardige voordelen betaald door een bestuur aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;] <KB 2001-06-10/60, art. 2, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [11° het verschaffen van eetmalen beneden de kostprijs in het bedrijfsrestaurant;] <KB 1987-12-11/49, art. 1, 021; volgens art. 3 : " Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1988 behoudens voor de werkgevers en werknemers die gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst waarin een maaltijdcheque ten voordele van de werknemers is voorzien. In dit geval zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing bij het verstrijken van bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst en uiterlijk op 1 januari 1989. ">
  [12° het forfaitair loon gelijk aan de werkloosheidsuitkering vermeerderd met de aanvullende werkloosheidsuitkering die door het Fonds voor Bestaanszekerheid voor de Arbeiders van de Bouwnijverheid wordt uitbetaald voor de dagen inhaalrust bouwbedrijf, met een maximum van 12 dagen per kalenderjaar;] <KB 2001-06-10/60, art. 2, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [13° de vergoeding overeenstemmend met het loon voor de feestdag of vervangingsdag tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid;] <KB 2001-06-10/60, art. 2, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  14° [de volgende geschenken :
  a) de geschenken in natura, in speciën of in de vorm van betaalbons, geschenkcheques genaamd, als ze een totaal bedrag van [9 40]9 EUR per jaar per werknemer en [9 40]9 EUR per jaar voor elk kind ten laste van deze werknemer niet overschrijden en toegekend worden naar aanleiding van het Sinterklaasfeest, Kerstmis of Nieuwjaar;
  b) de geschenken in speciën of in de vorm van geschenkcheques die aan de werknemer worden overhandigd wanneer hij een eervolle onderscheiding ontvangt als ze een totaal bedrag van [9 120]9 EUR per jaar per werknemer niet overschrijden;
  c) de geschenken in speciën of in de vorm van geschenkcheques die aan een werknemer worden overhandigd ter gelegenheid van zijn pensionering als ze een bedrag van [9 40]9 EUR niet overschrijden per volledig dienstjaar dat de werknemer bij de betrokken werkgever in dienst is en met een totaal bedrag van tenminste [9 120]9 EUR en maximum [9 1000]9 EUR;
  d) de geschenken in natura, in speciën of in de vorm van betaalbons die aan een werknemer worden overhandigd ter gelegenheid van zijn huwelijk of van het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning, voor zover het toegekend bedrag geen [9 245]9 EUR per werknemer overschrijdt.
  De in voorgaande lid bedoelde geschenkcheques mogen enkel worden ingeruild bij de ondernemingen die vooraf een akkoord hebben gesloten met de emittenten van die betaalbons, moeten een beperkte looptijd hebben en mogen aan de begunstigde niet in speciën worden uitbetaald;] <KB 2007-07-13/58, art. 1, 140; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
  [14 De geldigheidsduur van de geschenkcheques, die in maart, april, mei en juni 2020 aflopen, wordt met 6 maanden verlengd. De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan bij ministerieel besluit, na advies van de Nationale Arbeidsraad, een periode van meer dan 6 maanden vaststellen;]14
  [16 De geldigheidsduur van de geschenkcheques, die in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 aflopen, wordt met 6 maanden verlengd.]16
  [1 5° het voordeel bedoeld in artikel 38, § 3quater, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;] <KB 1996-12-20/31, art. 1, 067; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  [2 16° de kilometervergoeding toegekend door de werkgever aan de werknemer voor verplaatsingen [8 met behulp van een vervoermiddel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, a) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992)]8 tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling, voor een bedrag van maximaal [28 0,178 euro]28. Dit bedrag wordt aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. De aanpassing gebeurt met behulp van de coëfficiënt [3 vermeld in artikel 178, § 3, [27 eerste lid,]27 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992]3. Na de toepassing van de coëfficiënt wordt dit bedrag afgerond tot de hogere of lagere cent naargelang het cijfer van de duizendsten al dan niet 5 bereikt.]2 [27 Het gedeelte van de kilometervergoeding dat het bedrag van [28 1.795 euro]28 per kalenderjaar vanaf 1 januari 2024 overschrijdt, wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen. Dit bedrag wordt ook aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast met behulp van de coëfficiënt vermeld in artikel 178, § 3, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Na de toepassing van de coëfficiënt wordt dit bedrag afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 10 euro naargelang het cijfer van de eenheden al dan niet 5 bereikt. De kilometervergoeding wordt eveneens als loon voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen aangemerkt, indien ze werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid.]27
  [10 De kilometervergoeding bedoeld in het eerste lid die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsvergoeding bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding, wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 9, § 3, van de voormelde wet van 30 maart 2018;]10
  [12 De kilometervergoeding bedoeld in het eerste lid die wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsbudget bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget, wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 10, § 3, van de voormelde wet van 17 maart 2019;]12
  [1 7° de bijzondere forfaitaire vergoeding die is vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst en bedoeld is voor de werknemers van de inrichtingen en diensten welke ressorteren onder het Paritair Comité voor de opvoedings- en huisvestingsinrichtingen, voorzover zij erkend en gesubsidieerd worden door de Gemeenschap of het Gewest waarvan zij afhangen, bestaande uit de kampvergoeding voor vakantieverblijven die door de genoemde inrichtingen en diensten georganiseerd worden. Die vergoeding wordt gedurende maximaal dertig dagen per jaar toegekend aan het begeleidende personeel tot dekking van hun bijkomende werkelijke lasten of kosten. Ze bedraagt maximaal [28,48 EUR] per dag. <KB 2001-12-11/45, art. 3, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Het bedrag waarin dit nummer voorziet, wordt [aan spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)] gekoppeld en varieert zoals bepaald bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de algemene schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld;] <KB 1999-10-05/32, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-07-1998> <KB 2001-12-11/45, art. 3, 101; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [18° het voordeel opgeleverd door opties op aandelen, zoals bepaald bij artikel 42 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen. Indien de prijs van de uitoefening van de optie lager is dan de op het ogenblik van het aanbod geldende waarde van de aandelen waarop de optie betrekking heeft, wordt dat verschil toch als loon aangemerkt voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen.
  Het zeker voordeel bedoeld in artikel 43, § 8, van de voornoemde wet wordt toch als loon aangemerkt voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen;] <KB 1999-10-05/33, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
  [19° de vermindering, ten laste van de werkgever, van de normale prijs van de gefabriceerde of verkochte producten, of diensten geleverd door de werkgever, op voorwaarde dat de hoeveelheid van de aan elke werknemer verkochte producten of geleverde diensten het normale verbruik van het gezin van de werknemer niet overschrijdt. De werkgever moet kunnen aantonen dat hij zijn werknemers op deze voorwaarde heeft gewezen.
  Onder normale prijs wordt de prijs verstaan die de werknemer als particuliere consument had moeten betalen, indien hij niet zou tewerkgesteld zijn door de werkgever die het product fabriceert of verkoopt of de dienst levert.
  Levert de werkgever niet rechtstreeks producten of diensten aan de particuliere klant, dan is de normale prijs die welke een particuliere klant met een vergelijkbaar profiel als de werknemer in de detailhandel moet betalen.
  De werkgever moet de nodige elementen kunnen voorleggen om de normale prijs te staven.
  Is de prijsvermindering groter dan 30 % van het bedrag van de normale prijs, dan wordt het bedrag van de vermindering dat 30 % van de normale prijs overschrijdt, als loon beschouwd.
  Is de prijs die de werknemer na aftrek van de prijsvermindering betaalt, lager dan de kostprijs van het product of de dienst, dan wordt het verschil tussen de prijs betaald door de werknemer en de kostprijs als loon beschouwd, ook als de korting minder bedraagt dan 30 % van de normale prijs.
  De werkgever moet de nodige elementen kunnen voorleggen om de kostprijs te staven.] <KB 2002-02-28/35, art. 1, 104; Inwerkingtreding : 01-04-2002>
  20° [32 ...]32
  [ [21°)] de stortingen bedoeld in artikel 38, § 3ter, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, verricht door de werkgevers met het oog op de toekenning aan hun personeelsleden of aan hun rechtverkrijgende(n) van buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdig overlijden, de premies voor aanvullende hospitalisatieverzekering zoals bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 april 1993 betreffende de bijdrage op de premies terzake van een aanvullende verzekering voor hospitalisatie, die door de werkgever in het voordeel van zijn personeel worden ten laste genomen, alsmede de premies voor aanvullende voordelen in geval van arbeidsongeschiktheid.] <KB 2004-04-27/30, art. 1, 119; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [7 22° de vergoedingen toegekend in het kader van maatregelen tot verlichting van de werklast aan werknemers die de leeftijd van minstens 58 jaar bereikt hebben, voor zover volgende voorwaarden vervuld zijn :
  a) de vergoeding is vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in de schoot van een paritair orgaan en algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit, en wordt betaald door een Fonds voor Bestaanszekerheid of door de werkgever. Bij gebrek aan een dergelijke overeenkomst mag de toekenning geregeld worden op het niveau van de onderneming door een collectieve arbeidsovereenkomst of een wijziging van het arbeidsreglement [11 of op het niveau van de werknemer door een individuele schriftelijke overeenkomst]1
  b) deze collectieve arbeidsovereenkomst [11 , wijziging van het arbeidsreglement of individuele schriftelijke overeenkomst]11 is, voor de werkgevers en werknemers die vallen onder het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 104 van 27 juni 2012 over de uitvoering van een werkgelegenheidsplan oudere werknemers in de onderneming, genomen in toepassing van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 104;
  c) [11 deze collectieve arbeidsovereenkomst of wijziging van het arbeidsreglement bepaalt uitdrukkelijk welke maatregelen in het kader van de omschakeling van ploegen- en nachtarbeid of van de verlichting van de werklast het voorwerp kunnen uitmaken van het toekennen van deze vergoeding. De individuele schriftelijke overeenkomst bepaalt eveneens uitdrukkelijk welke maatregel het voorwerp uitmaakt van het toekennen van deze vergoeding. Deze maatregelen moeten een vermindering van het inkomen van de werknemer tot gevolg hebben en de werknemer moet een betrekking behouden met minstens een effectieve tewerkstellingsbreuk van 4/5de;]11
  d) de vergoeding voor de werknemer die overgaat van een voltijdse naar een 4/5de tewerkstelling, is enkel vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen indien de werknemer de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt;
  e) het bedrag van de vergoeding mag niet hoger zijn dan het loonverlies dat de werknemer heeft geleden ingevolge de maatregelen in het kader van de verlichting van de werklast en niet tot gevolg hebben dat het nettoloon van de werknemer hoger is dan voor de verlichting van de werklast;
  f) deze vergoeding wordt geïndexeerd volgens het algemeen geldende indexeringsmechanisme dat binnen die onderneming van toepassing is. Het aldus berekende bedrag wordt op de hogere euro afgerond;]7
  [8 23° het voordeel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).]8
  [10 Het voordeel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) dat wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsvergoeding bedoeld in artikel 3, eerste lid, 2°, van de wet van 30 maart 2018 betreffende de invoering van een mobiliteitsvergoeding wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 9, § 3, van voormelde wet van 30 maart 2018;]10
  [12 Het voordeel bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 14°, b) van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) dat wordt betaald of toegekend aan een werknemer met een mobiliteitsbudget bedoeld in artikel 3, § 1, 2° van de wet van 17 maart 2019 betreffende de invoering van een mobiliteitsbudget wordt als loon beschouwd voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, behalve in het geval voorzien in artikel 10, § 3, van de voormelde wet van 17 maart 2019;]12
  24° [19 de netto-vergoedingen voor de 120 bijkomende overuren die gepresteerd zijn in toepassing van artikel 52, § § 1 en 2, van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie;]19
  [20 25° de netto-vergoedingen voor de 120 bijkomende overuren die gepresteerd zijn in toepassing van artikel 2, § § 1 en 2, van de wet van 12 december 2021 tot uitvoering van het sociaal akkoord in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2021-2022.
  De bijkomende gepresteerde overuren in toepassing van artikel 52, § 1, van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 september 2021, die niet worden aangemerkt als loon in toepassing van 24° van deze paragraaf, worden in mindering gebracht op de bijkomende overuren die niet worden aangemerkt als loon in toepassing van het eerste lid, voor wat betreft de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021;]20
  [24 26° het bedrag van de vergoeding voortkomende uit:
  - de overdracht of de verlening van een licentie door de oorspronkelijke rechthebbende van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties die bij wet zijn geregeld, bedoeld in boek XI, titel 5, van het Wetboek van economisch recht of in analoge bepalingen van buitenlands recht;
  - die betrekking hebben op originele werken van letterkunde of kunst zoals bedoeld in artikel XI.165 van het Wetboek van economisch recht of op prestaties van uitvoerende kunstenaars zoals bedoeld in artikel XI.205 van hetzelfde Wetboek;
  - met het oog op de exploitatie of het daadwerkelijk gebruik van deze rechten, behalve in het geval van een gebeurtenis veroorzaakt buiten de wil van de overeenkomstsluitende partijen, overeenkomstig de eerlijke beroepsgebruiken, door de verkrijger, de licentiehouder of een derde;
  - op voorwaarde dat de voormelde oorspronkelijke rechthebbende beschikt over een kunstwerkattest als bedoeld in artikel 6 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers, of in analoge bepalingen of met gelijkaardige gevolgen heeft genomen door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte; of
  - bij gebrek daaraan, dat de rechthebbende in het kader van de overdracht of de verlening van een licentie in overeenstemming met de eerste drie streepjes deze rechten overdraagt of in licentie geeft aan een derde voor mededeling aan het publiek, voor openbare uitvoering of opvoering, of voor reproductie.
  Volgende voorwaarden zijn van toepassing op de in het eerste lid vermelde vergoeding:
  a) tijdens de periode van de vier kwartalen van het kalenderjaar, mag het bedrag van de toegekende vergoedingen voor de overdracht of het in licentie geven van auteursrechten en naburige rechten, ten hoogste 30 pct. bedragen van de som van:
  - het totaalbedrag van het loon onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen waarop de werknemer recht heeft;
  - het totaalbedrag van de door de werkgever aan de betrokken werknemer toegekende vergoedingen voor de overdracht of het in licentie geven van auteursrechten en naburige rechten;
  indien het bedrag van de toegekende vergoedingen meer bedraagt dan 30 pct. van de bovenvermelde som, dan wordt het bedrag dat deze 30 pct. overschrijdt onderworpen aan socialezekerheidsbijdragen;
  b) zowel het loon als de vergoeding voor de overdracht of het in licentie geven van de rechten zijn op een marktconforme manier vastgesteld. De werkgever houdt de bewijstukken van de verschillende beoordelingselementen ter beschikking van de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
  c) het bedrag van de vergoeding wordt vermeld in de kwartaalaangifte aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van het kwartaal waarin de vergoeding wordt toegekend.
  [26 De aldus toegekende vergoeding wordt toch als loon voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen aangemerkt, indien ze werd of wordt]26 verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, [26 ...]26 behalve indien aan volgende voorwaarden cumulatief is voldaan:
  - de werkgever heeft voor deze werknemer deze vergoeding als roerende inkomsten, bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, van het WIB 92, aangegeven in de personenbelasting voor het belastbaar tijdperk 2022 of 2021, 2020, 2019 of 2018 in geval van regularisatie;
  - het bedrag van de vergoeding is beperkt tot het kleinste van volgende bedragen voor het jaar 2022 of 2021, 2020, 2019 of 2018 in geval van regularisatie:
  o het bedrag in de personenbelasting als roerende inkomsten bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, WIB 92, aangegeven;
  o het verschil tussen de vergoeding die bij de fiscus en de vergoeding die bij de RSZ werd aangegeven als tegenprestatie voor de geleverde arbeid verricht in uitvoering van de arbeidsovereenkomst;
  - de werkgever geeft voor eind 2023 het om te zetten bedrag bij de RSZ aan en legt op verzoek het bewijs van het omgezette bedrag voor;]24
  [25 27° de netto-vergoedingen voor de 120 bijkomende overuren die gepresteerd zijn in toepassing van artikel 2, § § 1 en 2, van de wet van 31 juli 2023 tot uitvoering van het afsprakenkader in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2023-2024;]25
  [29 28° de prijzen toegekend door de organisatoren van sportwedstrijden aan betaalde sportbeoefenaars wegens het behalen van een bepaald individueel resultaat, voor zover volgende voorwaarden vervuld zijn:
  a) het recht op de prijzen wordt uitsluitend door de organisator van de sportwedstrijd toegekend;
  b) de organisator draagt de volledige financiële last van de prijzen;
  c) het bedrag en de verdeling van de prijzen in functie van het resultaat van een individuele prestatie van een sportbeoefenaar worden vóór de aanvang van de wedstrijd door de organisator vastgelegd;
  d) de prijs wordt rechtstreeks aan de individuele sportbeoefenaar betaald door de organisator van de sportwedstrijd, hetzij door een vereniging zonder winstuitkeringsdoel die de organisatie, de promotie en/of de verspreiding van sport tot doel heeft en enkel als tussenpersoon optreedt tussen de organisator en de sporter voor het uitkeren van de prijs.
  Het vorige lid is eveneens van toepassing indien de individuele sportbeoefenaar de prijzen nadien deelt met ploeggenoten of medewerkers van zijn ploeg.
  De prijs wordt toch als loon voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen aangemerkt, indien hij werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid.]29
 Â
Wijzigingen
Art. 19. § 1er. [Par dérogation à l'article 2, alinéa 3, 1° [21 , a)]21, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, est considérée comme rémunération la partie du pécule de vacances qui correspond à la rémunération normale des jours de vacances.] <AR 10-07-1973, art. 1er>
  [La partie du pĂ©cule de vacances qui est payĂ©e par l'Office national des vacances annuelles ou par une Caisse spĂ©ciale de vacances, et qui donne lieu Ă la perception des cotisations en application de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, est forfaitairement fixĂ©e Ă 8 p.c. des autres sommes et avantages constituant la rĂ©munĂ©ration. Elle est dĂ©clarĂ©e chaque trimestre en mĂȘme temps que ces sommes et avantages.] <AR 28-03-1975, art. 1er>
  [En ce qui concerne les travailleurs intellectuels auxquels la dĂ©duction prĂ©vue aux articles 48, 49, 57 ou 58 de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s Ă Ă©tĂ© faite, les cotisations sont dues sur le montant de la rĂ©munĂ©ration normale affĂ©rente aux jours de vacances, Ă©tablie conformĂ©ment aux articles 38, 39, 53 ou 53 bis du mĂȘme arrĂȘtĂ© [, diminuĂ© du montant sur lequel des cotisations ont dĂ©jĂ Ă©tĂ© payĂ©es en application de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent].] <AR 29-09-1978, art. 1er> <AR 2001-08-10/68, art. 1; En vigueur : 01-01-1998>
  [31 Par dĂ©rogation Ă l'article 2, alinĂ©a 3, 1°, a), de la loi prĂ©citĂ©e du 12 avril 1965, est Ă©galement considĂ©rĂ© comme rĂ©munĂ©ration, le salaire normal, prĂ©vu Ă l'article 67, alinĂ©a 2, 1°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 prĂ©citĂ©, en application soit de l'article 67, soit de l'article 67bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©.]31
  [21 Par dérogation à l'article 2, alinéa 3, 1°, c), de la loi précitée du 12 avril 1965, sont également considérés comme rémunération, les montants payés en complément du double pécule de vacances légal, à l'exception des montants complémentaires prévus par des conventions collectives nationales, conclues en commission paritaire avant le 31 décembre 1974, et les montants payés aux bénéficiaires prévus par la convention collective de travail du 7 juin 2006, conclue au sein de la Commission paritaire nationale des sports, concernant le pécule de vacances du footballeur rémunéré, à concurrence de la partie de l'indemnité y indiqué qui excÚde le double pécule de vacances légal.]21
  [4 Par dĂ©rogation Ă l'article 2 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rĂ©munĂ©ration des travailleurs, est considĂ©rĂ©e comme rĂ©munĂ©ration, l'indemnitĂ© qui est payĂ©e directement ou indirectement au travailleur visĂ© dans ce contrat par l'employeur visĂ© dans ce contrat de travail, Ă la suite d'un contrat conclu aprĂšs dans un dĂ©lai de douze mois aprĂšs la fin de celui-ci sur la base duquel l'ancien travailleur s'engage Ă ne pas dĂ©baucher de personnel ou de cocontractants indĂ©pendants auprĂšs de son ancien employeur, soit en son propre nom et pour son propre compte, soit au nom et pour le compte d'un ou plusieurs tiers, et/ou s'engage Ă ne pas exercer d'activitĂ©s similaires Ă celles qu'il exerçait chez son ancien employeur, soit en exploitant lui-mĂȘme une entreprise, soit en entrant en service auprĂšs d'un employeur concurrent.]4
  § 2. Par dérogation à l'article 2 précité, alinéa 1er, ne sont pas considérées comme rémunération :
  1° [l'indemnitĂ© de fermeture Ă concurrence du montant par annĂ©e d'anciennetĂ© du travailleur dans l'entreprise et du montant total visĂ©s Ă l'article 23 de la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises, qui est versĂ©e aux travailleurs en cas de fermeture de l'entreprise qui les occupe dans les conditions visĂ©es Ă l'article 3, de la loi du 26 juin 2002 prĂ©citĂ©e et l'indemnitĂ© de fermeture octroyĂ©e aux travailleurs en cas de cessation des activitĂ©s de la personne physique ou de l'association qui les occupe, dans la mesure oĂč la personne physique ou l'association remplit les conditions visĂ©es Ă l'article 3 de la loi du 26 juin 2002 prĂ©citĂ©e, Ă concurrence des mĂȘmes montants que ceux visĂ©s Ă l'article 23 de la loi du 26 juin 2002 susvisĂ©e;] <AR 2007-07-13/34, art. 1, 138; En vigueur : 01-07-2007>
  2° [5 les indemnités dues aux travailleurs, lorsque l'employeur ne respecte pas ses obligations légales, contractuelles ou statutaires, à l'exception toutefois des indemnités dues pour :
  a) la rupture irréguliÚre du contrat de travail par l'employeur;
  b) la rupture unilatérale du contrat de travail pour les délégués du personnel;
  c) la rupture unilatérale du contrat de travail pour les délégués syndicaux;
  d) la cessation du contrat de travail de commun accord;]5
  3° [6 ...]6
  4° les sommes qui constituent le remboursement des frais que le travailleur a exposés pour se rendre de son domicile au lieu de son travail, ainsi que des frais dont la charge incombe à son employeur [22 , y compris les frais à charge de l'employeur, visés aux articles 32/1, § § 5 et 6, et 32/2 § § 5 et 6, du Code des impÎts sur les revenus 1992 (CIR 92), insérés par la loi-programme du 27 décembre 2021, dans leur version en vigueur au 1er janvier 2022]22;
  [Est assimilĂ© Ă un remboursement de frais au sens de l'alinĂ©a 1er, l'indemnitĂ© de mobilitĂ© payĂ©e aux travailleurs en application d'un rĂ©gime forfaitaire de remboursement de frais de dĂ©placement en usage dans les branches d'activitĂ© oĂč le lieu de travail n'est pas fixe, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions suivantes :
  a) le régime forfaitaire de remboursement doit avoir été instauré avant le 1er janvier 1980 et avoir été appliqué depuis lors sans interruption;
  (NOTE : l'arrĂȘt n° 103.050, rendu par le Conseil d'Etat, le 31 janvier 2002, (VIIĂšme Chambre) annule le a) du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, voir M.B. 11-04-2002, p. 14916)
  b) le rĂ©gime forfaitaire de remboursement et les indemnitĂ©s qu'il dĂ©termine doivent ĂȘtre dĂ©finis par des conventions collectives de travail conclues au sein d'un organe paritaire et rendues obligatoires par arrĂȘtĂ© royal. [23 Si l'employeur ne tombe pas sous le champ d'application de la loi du 5 dĂ©cembre 1968 relative aux conventions collectives de travail, l'octroi doit ĂȘtre prĂ©vu, suivant le cas, par un protocole d'accord conclu au niveau du ComitĂ© de nĂ©gociation compĂ©tent ou par la rĂ©glementation arrĂȘtĂ©e par la commission paritaire visĂ©e soit Ă l'article 30 soit Ă l'article 31 de la loi du 21 mars 1991 portant rĂ©forme de certaines entreprises publiques Ă©conomiques]23;
  c) le montant de l'indemnité ne peut excéder la somme de [30 0,1929 euro]30 par kilomÚtre de distance entre le domicile et le lieu de travail, à calculer sur la distance aller et retour;] <AR 1995-07-19/32, art. 1, 063; En vigueur : 01-07-1992> <AR 2000-07-20/68, art. 1, 095; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2006-09-27/34, art. 1, 132; En vigueur : 01-01-2004>
  [10 L'indemnité ou l'avantage pour les déplacements entre le domicile et le lieu de travail payée ou octroyée à un travailleur avec une allocation de mobilité visée à l'article 3, alinéa 1er, 2°, de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale, excepté dans la situation prévue à l'article 9, § 3, de la loi précitée du 30 mars 2018;]10
  [12 L'indemnité ou l'avantage pour les déplacements entre le domicile et le lieu de travail payée ou octroyée à un travailleur avec un budget de mobilité visée à l'article 3, § 1er, 2°, de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale, excepté dans la situation prévue à l'article 10, § 3, de la loi précitée du 17 mars 2019;]12
  5° les avantages accordĂ©s sous la forme d'outils ou de vĂȘtements de travail;
  6° les sommes que l'employeur paie au travailleur pour s'acquitter de son obligation de fournir des outils ou des vĂȘtements de travail ou de procurer la nourriture et le logement, lorsque le travailleur est occupĂ© dans un endroit Ă©loignĂ© de son domicile;
  7° les sommes accordées aux travailleurs en raison de leur affiliation à une organisation syndicale, jusqu'à concurrence du montant déterminé par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  8° [les avantages qui sont octroyés par un Fonds de sécurité d'existence aux travailleurs sous forme de timbres et qui sont prévus par des régimes qui étaient instaurés avant le 1er janvier 1970;] <AR 24-10-1973, art. 1er>
  [9 ° les indemnités accordées pour la surveillance dans l'enseignement maternel et primaire ou pour l'accompagnement des élÚves dans le transport des écoliers, accordées à des membres du personnel enseignant ou autres qui assurent la surveillance ou l'accompagnement susvisés au titre de prestation supplémentaire;] <AR 1985-08-12/42, art. 1er, 008>
  [10° l'indemnité pour la période d'incapacité de travail avec rémunération garantie deuxiÚme semaine ainsi que l'indemnité due pour la période d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis et les avantages équivalents payés par une administration affiliée à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales;] <AR 2001-06-10/60, art. 2, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  [11° la fourniture de repas Ă un prix infĂ©rieur au prix coĂ»tant dans le restaurant de l'entreprise;] <AR 1987-12-11/49, art. 1, 021; selon l'art. 3 : " Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er janvier 1988 Ă l'exception des employeurs et des travailleurs liĂ©s par une convention collective de travail qui prĂ©voit en un chĂšque-repas en faveur des travailleurs. Dans ce cas les dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont d'application Ă l'expiration de la convention collective de travail mentionnĂ©e et le 1er janvier 1989 au plus tard. ">
  [12° la rémunération forfaitaire égale à l'allocation de chÎmage augmentée de l'allocation complémentaire de chÎmage qui est payée par le Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction pour les jours de repos compensatoire secteur de la construction, avec un maximum de douze jours par année civile;] <AR 2001-06-10/60, art. 2, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  [13° indemnité correspondant à la rémunération du jour férié ou du jour de remplacement durant une période de chÎmage temporaire;] <AR 2001-06-10/60, art. 2, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  14° [les cadeaux suivants :
  a) les cadeaux en nature, en espĂšces ou sous forme de bons de paiement, dĂ©nommĂ©s chĂšques-cadeaux, si leur montant annuel total ne dĂ©passe pas [9 40]9 EUR par travailleur et [9 40]9 EUR par enfant Ă charge du travailleur et s'ils sont distribuĂ©s Ă l'occasion des fĂȘtes de la Saint-Nicolas, de NoĂ«l ou du Nouvel-An;
  b) les cadeaux en espÚces ou sous forme de chÚques-cadeaux, remis à un travailleur lorsqu'il reçoit une distinction honorifique, si leur montant annuel total ne dépasse pas [9 120]9 EUR par travailleur;
  c) les cadeaux en espÚces ou sous forme de chÚques-cadeaux, remis à un travailleur à l'occasion de sa mise à la retraite, si leur montant ne dépasse pas [9 40]9 EUR par année de service complÚte que le travailleur a effectuée chez l'employeur et si leur montant total est d'au moins [9 120]9 EUR et de maximum [9 1000]9 EUR;
  d) les cadeaux en nature, en espÚces ou sous forme de chÚques-cadeaux remis à un travailleur à l'occasion de son mariage ou de l'accomplissement de la déclaration de cohabitation légale pour autant que le montant octroyé ne dépasse pas [9 245]9 EUR par travailleur.
  Les chĂšques-cadeaux visĂ©s Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent ne peuvent ĂȘtre Ă©changĂ©s qu'auprĂšs des entreprises qui ont conclu prĂ©alablement un accord avec les Ă©metteurs de ces bons de paiement, doivent avoir une validitĂ© limitĂ©e dans le temps et ne peuvent ĂȘtre payĂ©s en espĂšces au bĂ©nĂ©ficiaire;] <AR 2007-07-13/58, art. 1, 140; En vigueur : 01-10-2007>
  [14 La durĂ©e de validitĂ© des chĂšques-cadeaux, expirant en mars, avril, mai et juin 2020, est prolongĂ©e de 6 mois. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut fixer par arrĂȘtĂ© ministĂ©riel, aprĂšs avis du Conseil national du travail, une pĂ©riode d'une durĂ©e supĂ©rieure Ă 6 mois;]14
  [16 La durée de validité des chÚques-cadeaux, expirant au cours de la période du 1er novembre 2020 au 31 mars 2021 inclus, est prolongée de 6 mois.]16
  [1 5° l'avantage visé à l'article 38, § 3quater, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;] <AR 1996-12-20/31, art. 1, 067; En vigueur : 01-01-1997>
  [2 16° l'indemnité kilométrique allouée par l'employeur au travailleur pour les déplacements [8 à l'aide d'un véhicule visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 14°, a) du Code des impÎts sur les revenus 1992 (CIR 92)]8 entre le domicile et le lieu de travail à concurrence d'un montant maximum égal à [28 0,178 euros]28. Ce montant est adapté à l'indice des prix à la consommation du Royaume à l'aide du coefficient [3 prévu à l'article 178, § 3, [27 alinéa 1er,]27 2°, du Code des impÎts sur les revenus 1992]3. AprÚs application du coefficient, ce montant est arrondi au cent supérieur ou inférieur selon que le chiffre des milliÚmes atteint ou non 5.]2 [27 La partie de l'indemnité kilométrique qui dépasse le montant de [28 1.795 euros]28 par année civile à partir du 1er janvier 2024, est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale. Ce montant est également adapté à l'indice des prix à la consommation du Royaume à l'aide du coefficient prévu à l'article 178, § 3, alinéa 1er, 2°, du Code des impÎts sur les revenus 1992. AprÚs application du coefficient, ce montant est arrondi au multiple de 10 euros supérieur ou inférieur selon que le chiffre des unités atteint ou non 5. L'indemnité kilométrique est également considérée comme rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale si elle a été ou est octroyée en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale.]27
  [10 L'indemnité kilométrique visée à l'alinéa 1er, payée ou octroyée à un travailleur avec une allocation de mobilité visée à l'article 3, alinéa 1er, 2°, de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale excepté dans la situation prévue à l'article 9, § 3, de la loi précitée du 30 mars 2018;]10
  [12 L'indemnité kilométrique visée à l'alinéa 1er, payée ou octroyée à un travailleur avec un budget de mobilité visée à l'article 3, § 1er, 2°, de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale excepté dans la situation prévue à l'article 10, § 3, de la loi précitée du 17 mars 2019;]12
  [1 7° l'indemnité spéciale forfaitaire fixée par convention collective du travail et destinée aux travailleurs des établissements et services ressortissant à la Commission paritaire des maisons d'éducation et d'hébergement, pour autant qu'ils soient agréés et subsidiés par la Communauté ou la Région dont ils relÚvent, constituée de la prime de camps pour les séjours de vacances qui sont organisés par lesdits établissements et services. Cette prime est octroyée pour trente jours au maximum par an aux membres du personnel accompagnant, à titre de compensation de leurs charges ou frais réels supplémentaires. Elle s'élÚve au maximum à [28,48 EUR] par jour. <AR 2001-12-11/45, art. 3, 101; En vigueur : 01-01-2002>
  Le montant prévu au présent numéro est rattaché [à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100)], et il varie comme prévu par la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matiÚre sociale aux travailleurs indépendants;] <AR 1999-10-05/32, art. 1, 088; En vigueur : 01-07-1998> <AR 2001-12-11/45, art. 3, 101; En vigueur : 01-01-2002>
  [18° l'avantage retiré des options sur actions, tel que défini à l'article 42 de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses. Si le prix d'exercice de l'option est inférieur à la valeur, au moment de l'offre, des actions sur lesquelles porte l'option, cette différence est néanmoins considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale.
  L'avantage certain visé à l'article 43, § 8, de la loi précitée est considéré comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale;] <AR 1999-10-05/33, art. 1, 089; En vigueur : 01-01-1999>
  [19° la réduction, à charge de l'employeur, sur le prix normal des produits fabriqués ou vendus ou des services fournis par l'employeur, à condition que la quantité de produits vendus ou de services fournis à chaque travailleur ne dépasse pas la consommation normale du ménage dont fait partie le travailleur. L'employeur doit pouvoir prouver qu'il a porté cette condition à la connaissance de ses travailleurs.
  On entend par prix normal, le prix que le travailleur aurait dû payer en tant que consommateur particulier, s'il n'était pas occupé par l'employeur qui fabrique ou vend le produit ou fournit le service.
  Si l'employeur n'offre pas directement des produits ou des services au consommateur particulier, le prix normal est celui qu'un consommateur particulier avec un profil comparable à celui du travailleur doit payer dans le commerce de détail.
  L'employeur doit pouvoir présenter les éléments justifiant le prix normal.
  Lorsque la réduction de prix dépasse 30 % du montant du prix normal, le montant de la réduction qui dépasse les 30 % du prix normal est considéré comme de la rémunération.
  Lorsque le prix payĂ© par le travailleur aprĂšs rĂ©duction de prix est infĂ©rieur au prix de revient du produit ou du service, la diffĂ©rence entre le prix payĂ© par le travailleur et le prix de revient est considĂ©rĂ©e comme de la rĂ©munĂ©ration, mĂȘme si la rĂ©duction ne dĂ©passe pas 30 % du prix normal.
  L'employeur doit pouvoir présenter les éléments justifiant le prix de revient.] <AR 2002-02-28/35, art. 1, 104; En vigueur : 01-04-2002>
  20° [32 ...]32
  [ [21°)] les versements visĂ©s Ă l'article 38, § 3ter, alinĂ©a 1er, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s, effectuĂ©s par les employeurs en vue d'allouer aux membres de leur personnel ou Ă leur(s) ayant(s)-droit des avantages extralĂ©gaux en matiĂšre de vieillesse ou de dĂ©cĂšs prĂ©maturĂ©, les primes d'assurance hospitalisation complĂ©mentaire comme visĂ©es Ă l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 avril 1993 relatif Ă la cotisation sur les primes en matiĂšre d'assurance hospitalisation complĂ©mentaire, qui sont prises en charge par l'employeur en faveur de son personnel, ainsi que les primes pour avantages complĂ©mentaires en cas d'incapacitĂ© de travail.] <AR 2004-04-27/30, art. 1, 119; En vigueur : 01-01-2004>
  [7 22° les indemnités accordées dans le cadre des mesures visant à diminuer la charge de travail des travailleurs qui ont atteint l'ùge de 58 ans au moins, pour autant que les conditions suivantes sont remplies :
  a) l'indemnitĂ© est fixĂ©e par une convention collective de travail, conclue au sein d'un organe paritaire et rendu obligatoire par arrĂȘtĂ© royal, et est payĂ©e par un Fonds de sĂ©curitĂ© d'existence ou par l'employeur. A dĂ©faut d'une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention collective de travail au niveau de l'entreprise ou une modification du rĂšglement de travail [11 ou au niveau du travailleur salariĂ© par une convention individuelle Ă©crite]1 1;
  b) cette convention collective de travail [11 , modification du rÚglement de travail ou convention individuelle écrite]11 a été prise en application de la convention collective de travail n° 104 du 27 juin 2012 concernant la mise en oeuvre d'un plan pour l'emploi des travailleurs ùgés dans l'entreprise, pour les employeurs et travailleurs relevant du champ d'application de la convention collective de travail n° 104;
  c) [11 cette convention collective de travail ou modification du rÚglement de travail stipule expressément quelles mesures dans le cadre du glissement depuis le travail en équipe et de nuit ou de la diminution de la charge de travail peuvent faire l'objet de l'octroi de cette indemnité. La convention individuelle écrite stipule également expressément quelle mesure fait l'objet de l'octroi de cette indemnité. Ces mesures doivent avoir pour conséquence une diminution du salaire du travailleur et le travailleur doit garder un emploi avec une fraction d'occupation effective de 4/5Úmes au minimum;]11
  d) l'indemnité pour le travailleur qui passe d'un emploi à temps plein à un emploi à 4/5Úmes, est seulement exonérée des cotisations sociales, si le travailleur a atteint l'ùge de 60 ans;
  e) le montant de l'indemnitĂ© ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă la diminution du salaire que le travailleur a subi suite aux mesures dans le cadre de la diminution de la charge de travail et ne peut avoir comme consĂ©quence que le salaire net du travailleur soit plus Ă©levĂ© qu'avant la diminution de la charge de travail;
  f) cet indemnité est indexée selon le mécanisme d'indexation qui s'applique de maniÚre générale au sein de cette entreprise. Le montant ainsi obtenu est arrondi à l'euro supérieur;]7
  [8 23 ° l'avantage visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 14°, b) du Code des impÎts sur les revenus 1992 (CIR 92);]8
  [10 L'avantage visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 14°, b) du Code des impÎts sur les revenus 1992 (CIR 92) payée ou octroyée à un travailleur avec une allocation de mobilité visée à l'article 3, alinéa 1er, 2°, de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale excepté dans la situation prévue à l'article 9, § 3, de la loi précitée du 30 mars 2018;]10
  [12 L'avantage visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 14°, b) du Code des impÎts sur les revenus 1992 (CIR 92) payée ou octroyée à un travailleur avec un budget de mobilité visée à l'article 3, § 1er, 2° de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale excepté dans la situation prévue à l'article 10, § 3, de la loi précitée du 17 mars 2019.]12
  24° [19 les rémunérations nettes des 120 heures supplémentaires effectuées en application de l'article 52, § § 1er et 2, de la loi du 20 décembre 2020 portant des mesures de soutien temporaires en raison de la pandémie du COVID-19;]19
  [20 25° les rémunérations nettes des 120 heures supplémentaires effectuées en application de l'article 2, § § 1er et 2, de la loi du 12 décembre 2021 exécutant l'accord social dans le cadre des négociations interprofessionnelles pour la période 2021-2022.
  Les heures additionnelles effectuées en application de l'article 52, § 1er, de la loi du 20 décembre 2020 portant des mesures de soutien temporaires en raison de la pandémie du COVID-19 durant la période du 1er janvier 2021 au 30 septembre 2021 inclus, qui ne sont pas considérées comme rémunération en application du 24° du présent paragraphe, sont déduites des heures supplémentaires additionnelles qui ne sont pas considérées comme rémunération en application de l'alinéa 1er, pour ce qui concerne la période du 1er janvier 2021 au 31 décembre 2021 inclus;]20
  [24 26° le montant de l'indemnité résultant :
  - de la cession ou de l'octroi d'une licence par le titulaire originaire de droits d'auteur et de droits voisins, ainsi que des licences légales et obligatoires organisées par la loi, visés au livre XI, titre 5, du Code de droit économique ou par des dispositions analogues de droit étranger ;
  - qui se rapportent Ă des oeuvres littĂ©raires ou artistiques originales visĂ©es Ă l'article XI.165 du Code de droit Ă©conomique ou Ă des prestations d'artistes-interprĂštes ou exĂ©cutants visĂ©es Ă l'article XI.205 du mĂȘme Code ;
  - en vue de l'exploitation ou de l'utilisation effective, sauf en cas d'Ă©vĂšnement indĂ©pendant de la volontĂ© des parties contractantes, de ces droits, conformĂ©ment aux usages honnĂȘtes de la profession, par le cessionnaire, le dĂ©tenteur de la licence ou un tiers ;
  - à condition que le titulaire originaire des droits précité détienne une attestation du travail des arts visée à l'article 6 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts, ou dans des dispositions analogues ou ayant des effets équivalents prises par un autre Etat membre de l'Espace économique européen ; ou
  - à défaut, que dans le cadre de la cession ou de l'octroi d'une licence conformément aux trois premiers tirets, le titulaire des droits cÚde ou octroie en licence ces droits à un tiers aux fins de communication au public, d'exécution ou de représentation publique, ou de reproduction.
  Les conditions suivantes sont d'application à l'indemnité prévue au premier alinéa :
  a) durant la période de quatre trimestres de l'année civile, le montant accordé en tant qu'indemnité pour la cession ou la concession sous licence de droits d'auteur et de droits voisins, s'élÚve à maximum 30 p.c. de la somme :
  - du montant total de la rémunération assujettie à la sécurité sociale auquel le travailleur a droit ;
  - du montant total des indemnités accordées par l'employeur au travailleur concerné pour la cession ou la concession sous licence de droits d'auteur et de droits voisins ;
  si le montant des indemnités octroyées dépasse 30 p.c. de la somme mentionnée ci-dessus, le montant dépassant les 30 p.c. est assujetti aux cotisations de sécurité sociale ;
  b) la rĂ©munĂ©ration aussi bien que l'indemnitĂ© pour la cession ou la concession sous licence de droits d'auteur ou de droits voisins doivent ĂȘtre dĂ©terminĂ©es d'une maniĂšre conforme au marchĂ©. L'employeur tient Ă la disposition de l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale la preuve des diffĂ©rents Ă©lĂ©ments d'apprĂ©ciation ;
  c) le montant de l'indemnité est indiqué dans la déclaration trimestrielle à l'Office national de sécurité sociale du trimestre au cours duquel l'indemnité est accordée.
  [26 Les indemnités ainsi octroyées sont néanmoins considérées comme rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale si elles ont été ou sont octroyées]26 en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale, [26 ...]26 sauf si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
  - l'employeur a déclaré pour ce travailleur cette indemnité à l'impÎt des personnes physiques comme un revenu mobilier visé à l'article 17, § 1er, 5°, du CIR 92, pour la période imposable 2022 ou 2021, 2020, 2019 ou 2018 en cas de régularisation ;
  - le montant de l'indemnité est limité au plus petit des montants suivants pour l'année 2022 ou 2021, 2020, 2019 ou 2018 en cas de régularisation :
  o le montant déclaré à l'impÎt des personnes physiques comme revenus mobiliers visés à l'article 17, § 1er, 5°, du CIR 92 ;
  o la différence entre la rémunération déclarée auprÚs du fisc et la rémunération déclarée auprÚs de l'ONSS en contrepartie des prestations fournies dans le cadre de l'exécution d'un contrat de travail ;
  - l'employeur déclare auprÚs de l'ONSS le montant à convertir avant fin 2023 et présente sur demande la preuve du montant converti;]24
  [25 27° les rémunérations nettes des 120 heures supplémentaires effectuées en application de l'article 2, § § 1er et 2, de la loi du 31 juillet 2023 exécutant l'accord cadre dans le cadre des négociations interprofessionnelles pour la période 2023-2024;]25
  [29 28° les prix attribués par les organisateurs de compétitions sportives à des sportifs rémunérés pour avoir obtenu un résultat particulier et individuel, pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
  a) le droit aux prix est accordé exclusivement par l'organisateur de la compétition sportive;
  b) l'organisateur supporte la totalité de la charge financiÚre des prix;
  c) le montant et la répartition des prix en fonction du résultat d'une prestation individuelle du sportif sont déterminés par l'organisateur avant le début de la compétition;
  d) le prix est payé directement au sportif individuel par l'organisateur de la compétition sportive ou par une association sans but de répartition des bénéfices ayant pour objet l'organisation, la promotion et/ou la propagation du sport qui agit uniquement en tant qu'intermédiaire entre l'organisateur et le sportif pour le paiement du prix.
  L'alinéa précédent s'applique également si le sportif individuel partage les prix avec des coéquipiers ou des employés de son équipe.
  Le prix est considéré néanmoins comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale s'il a été ou est octroyé en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale.]29
 Â
  [La partie du pĂ©cule de vacances qui est payĂ©e par l'Office national des vacances annuelles ou par une Caisse spĂ©ciale de vacances, et qui donne lieu Ă la perception des cotisations en application de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, est forfaitairement fixĂ©e Ă 8 p.c. des autres sommes et avantages constituant la rĂ©munĂ©ration. Elle est dĂ©clarĂ©e chaque trimestre en mĂȘme temps que ces sommes et avantages.] <AR 28-03-1975, art. 1er>
  [En ce qui concerne les travailleurs intellectuels auxquels la dĂ©duction prĂ©vue aux articles 48, 49, 57 ou 58 de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s Ă Ă©tĂ© faite, les cotisations sont dues sur le montant de la rĂ©munĂ©ration normale affĂ©rente aux jours de vacances, Ă©tablie conformĂ©ment aux articles 38, 39, 53 ou 53 bis du mĂȘme arrĂȘtĂ© [, diminuĂ© du montant sur lequel des cotisations ont dĂ©jĂ Ă©tĂ© payĂ©es en application de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent].] <AR 29-09-1978, art. 1er> <AR 2001-08-10/68, art. 1; En vigueur : 01-01-1998>
  [31 Par dĂ©rogation Ă l'article 2, alinĂ©a 3, 1°, a), de la loi prĂ©citĂ©e du 12 avril 1965, est Ă©galement considĂ©rĂ© comme rĂ©munĂ©ration, le salaire normal, prĂ©vu Ă l'article 67, alinĂ©a 2, 1°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 prĂ©citĂ©, en application soit de l'article 67, soit de l'article 67bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©.]31
  [21 Par dérogation à l'article 2, alinéa 3, 1°, c), de la loi précitée du 12 avril 1965, sont également considérés comme rémunération, les montants payés en complément du double pécule de vacances légal, à l'exception des montants complémentaires prévus par des conventions collectives nationales, conclues en commission paritaire avant le 31 décembre 1974, et les montants payés aux bénéficiaires prévus par la convention collective de travail du 7 juin 2006, conclue au sein de la Commission paritaire nationale des sports, concernant le pécule de vacances du footballeur rémunéré, à concurrence de la partie de l'indemnité y indiqué qui excÚde le double pécule de vacances légal.]21
  [4 Par dĂ©rogation Ă l'article 2 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rĂ©munĂ©ration des travailleurs, est considĂ©rĂ©e comme rĂ©munĂ©ration, l'indemnitĂ© qui est payĂ©e directement ou indirectement au travailleur visĂ© dans ce contrat par l'employeur visĂ© dans ce contrat de travail, Ă la suite d'un contrat conclu aprĂšs dans un dĂ©lai de douze mois aprĂšs la fin de celui-ci sur la base duquel l'ancien travailleur s'engage Ă ne pas dĂ©baucher de personnel ou de cocontractants indĂ©pendants auprĂšs de son ancien employeur, soit en son propre nom et pour son propre compte, soit au nom et pour le compte d'un ou plusieurs tiers, et/ou s'engage Ă ne pas exercer d'activitĂ©s similaires Ă celles qu'il exerçait chez son ancien employeur, soit en exploitant lui-mĂȘme une entreprise, soit en entrant en service auprĂšs d'un employeur concurrent.]4
  § 2. Par dérogation à l'article 2 précité, alinéa 1er, ne sont pas considérées comme rémunération :
  1° [l'indemnitĂ© de fermeture Ă concurrence du montant par annĂ©e d'anciennetĂ© du travailleur dans l'entreprise et du montant total visĂ©s Ă l'article 23 de la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises, qui est versĂ©e aux travailleurs en cas de fermeture de l'entreprise qui les occupe dans les conditions visĂ©es Ă l'article 3, de la loi du 26 juin 2002 prĂ©citĂ©e et l'indemnitĂ© de fermeture octroyĂ©e aux travailleurs en cas de cessation des activitĂ©s de la personne physique ou de l'association qui les occupe, dans la mesure oĂč la personne physique ou l'association remplit les conditions visĂ©es Ă l'article 3 de la loi du 26 juin 2002 prĂ©citĂ©e, Ă concurrence des mĂȘmes montants que ceux visĂ©s Ă l'article 23 de la loi du 26 juin 2002 susvisĂ©e;] <AR 2007-07-13/34, art. 1, 138; En vigueur : 01-07-2007>
  2° [5 les indemnités dues aux travailleurs, lorsque l'employeur ne respecte pas ses obligations légales, contractuelles ou statutaires, à l'exception toutefois des indemnités dues pour :
  a) la rupture irréguliÚre du contrat de travail par l'employeur;
  b) la rupture unilatérale du contrat de travail pour les délégués du personnel;
  c) la rupture unilatérale du contrat de travail pour les délégués syndicaux;
  d) la cessation du contrat de travail de commun accord;]5
  3° [6 ...]6
  4° les sommes qui constituent le remboursement des frais que le travailleur a exposés pour se rendre de son domicile au lieu de son travail, ainsi que des frais dont la charge incombe à son employeur [22 , y compris les frais à charge de l'employeur, visés aux articles 32/1, § § 5 et 6, et 32/2 § § 5 et 6, du Code des impÎts sur les revenus 1992 (CIR 92), insérés par la loi-programme du 27 décembre 2021, dans leur version en vigueur au 1er janvier 2022]22;
  [Est assimilĂ© Ă un remboursement de frais au sens de l'alinĂ©a 1er, l'indemnitĂ© de mobilitĂ© payĂ©e aux travailleurs en application d'un rĂ©gime forfaitaire de remboursement de frais de dĂ©placement en usage dans les branches d'activitĂ© oĂč le lieu de travail n'est pas fixe, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions suivantes :
  a) le régime forfaitaire de remboursement doit avoir été instauré avant le 1er janvier 1980 et avoir été appliqué depuis lors sans interruption;
  (NOTE : l'arrĂȘt n° 103.050, rendu par le Conseil d'Etat, le 31 janvier 2002, (VIIĂšme Chambre) annule le a) du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, voir M.B. 11-04-2002, p. 14916)
  b) le rĂ©gime forfaitaire de remboursement et les indemnitĂ©s qu'il dĂ©termine doivent ĂȘtre dĂ©finis par des conventions collectives de travail conclues au sein d'un organe paritaire et rendues obligatoires par arrĂȘtĂ© royal. [23 Si l'employeur ne tombe pas sous le champ d'application de la loi du 5 dĂ©cembre 1968 relative aux conventions collectives de travail, l'octroi doit ĂȘtre prĂ©vu, suivant le cas, par un protocole d'accord conclu au niveau du ComitĂ© de nĂ©gociation compĂ©tent ou par la rĂ©glementation arrĂȘtĂ©e par la commission paritaire visĂ©e soit Ă l'article 30 soit Ă l'article 31 de la loi du 21 mars 1991 portant rĂ©forme de certaines entreprises publiques Ă©conomiques]23;
  c) le montant de l'indemnité ne peut excéder la somme de [30 0,1929 euro]30 par kilomÚtre de distance entre le domicile et le lieu de travail, à calculer sur la distance aller et retour;] <AR 1995-07-19/32, art. 1, 063; En vigueur : 01-07-1992> <AR 2000-07-20/68, art. 1, 095; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2006-09-27/34, art. 1, 132; En vigueur : 01-01-2004>
  [10 L'indemnité ou l'avantage pour les déplacements entre le domicile et le lieu de travail payée ou octroyée à un travailleur avec une allocation de mobilité visée à l'article 3, alinéa 1er, 2°, de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale, excepté dans la situation prévue à l'article 9, § 3, de la loi précitée du 30 mars 2018;]10
  [12 L'indemnité ou l'avantage pour les déplacements entre le domicile et le lieu de travail payée ou octroyée à un travailleur avec un budget de mobilité visée à l'article 3, § 1er, 2°, de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale, excepté dans la situation prévue à l'article 10, § 3, de la loi précitée du 17 mars 2019;]12
  5° les avantages accordĂ©s sous la forme d'outils ou de vĂȘtements de travail;
  6° les sommes que l'employeur paie au travailleur pour s'acquitter de son obligation de fournir des outils ou des vĂȘtements de travail ou de procurer la nourriture et le logement, lorsque le travailleur est occupĂ© dans un endroit Ă©loignĂ© de son domicile;
  7° les sommes accordées aux travailleurs en raison de leur affiliation à une organisation syndicale, jusqu'à concurrence du montant déterminé par le Ministre de la Prévoyance sociale;
  8° [les avantages qui sont octroyés par un Fonds de sécurité d'existence aux travailleurs sous forme de timbres et qui sont prévus par des régimes qui étaient instaurés avant le 1er janvier 1970;] <AR 24-10-1973, art. 1er>
  [9 ° les indemnités accordées pour la surveillance dans l'enseignement maternel et primaire ou pour l'accompagnement des élÚves dans le transport des écoliers, accordées à des membres du personnel enseignant ou autres qui assurent la surveillance ou l'accompagnement susvisés au titre de prestation supplémentaire;] <AR 1985-08-12/42, art. 1er, 008>
  [10° l'indemnité pour la période d'incapacité de travail avec rémunération garantie deuxiÚme semaine ainsi que l'indemnité due pour la période d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis et les avantages équivalents payés par une administration affiliée à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales;] <AR 2001-06-10/60, art. 2, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  [11° la fourniture de repas Ă un prix infĂ©rieur au prix coĂ»tant dans le restaurant de l'entreprise;] <AR 1987-12-11/49, art. 1, 021; selon l'art. 3 : " Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er janvier 1988 Ă l'exception des employeurs et des travailleurs liĂ©s par une convention collective de travail qui prĂ©voit en un chĂšque-repas en faveur des travailleurs. Dans ce cas les dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont d'application Ă l'expiration de la convention collective de travail mentionnĂ©e et le 1er janvier 1989 au plus tard. ">
  [12° la rémunération forfaitaire égale à l'allocation de chÎmage augmentée de l'allocation complémentaire de chÎmage qui est payée par le Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction pour les jours de repos compensatoire secteur de la construction, avec un maximum de douze jours par année civile;] <AR 2001-06-10/60, art. 2, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  [13° indemnité correspondant à la rémunération du jour férié ou du jour de remplacement durant une période de chÎmage temporaire;] <AR 2001-06-10/60, art. 2, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  14° [les cadeaux suivants :
  a) les cadeaux en nature, en espĂšces ou sous forme de bons de paiement, dĂ©nommĂ©s chĂšques-cadeaux, si leur montant annuel total ne dĂ©passe pas [9 40]9 EUR par travailleur et [9 40]9 EUR par enfant Ă charge du travailleur et s'ils sont distribuĂ©s Ă l'occasion des fĂȘtes de la Saint-Nicolas, de NoĂ«l ou du Nouvel-An;
  b) les cadeaux en espÚces ou sous forme de chÚques-cadeaux, remis à un travailleur lorsqu'il reçoit une distinction honorifique, si leur montant annuel total ne dépasse pas [9 120]9 EUR par travailleur;
  c) les cadeaux en espÚces ou sous forme de chÚques-cadeaux, remis à un travailleur à l'occasion de sa mise à la retraite, si leur montant ne dépasse pas [9 40]9 EUR par année de service complÚte que le travailleur a effectuée chez l'employeur et si leur montant total est d'au moins [9 120]9 EUR et de maximum [9 1000]9 EUR;
  d) les cadeaux en nature, en espÚces ou sous forme de chÚques-cadeaux remis à un travailleur à l'occasion de son mariage ou de l'accomplissement de la déclaration de cohabitation légale pour autant que le montant octroyé ne dépasse pas [9 245]9 EUR par travailleur.
  Les chĂšques-cadeaux visĂ©s Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent ne peuvent ĂȘtre Ă©changĂ©s qu'auprĂšs des entreprises qui ont conclu prĂ©alablement un accord avec les Ă©metteurs de ces bons de paiement, doivent avoir une validitĂ© limitĂ©e dans le temps et ne peuvent ĂȘtre payĂ©s en espĂšces au bĂ©nĂ©ficiaire;] <AR 2007-07-13/58, art. 1, 140; En vigueur : 01-10-2007>
  [14 La durĂ©e de validitĂ© des chĂšques-cadeaux, expirant en mars, avril, mai et juin 2020, est prolongĂ©e de 6 mois. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut fixer par arrĂȘtĂ© ministĂ©riel, aprĂšs avis du Conseil national du travail, une pĂ©riode d'une durĂ©e supĂ©rieure Ă 6 mois;]14
  [16 La durée de validité des chÚques-cadeaux, expirant au cours de la période du 1er novembre 2020 au 31 mars 2021 inclus, est prolongée de 6 mois.]16
  [1 5° l'avantage visé à l'article 38, § 3quater, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;] <AR 1996-12-20/31, art. 1, 067; En vigueur : 01-01-1997>
  [2 16° l'indemnité kilométrique allouée par l'employeur au travailleur pour les déplacements [8 à l'aide d'un véhicule visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 14°, a) du Code des impÎts sur les revenus 1992 (CIR 92)]8 entre le domicile et le lieu de travail à concurrence d'un montant maximum égal à [28 0,178 euros]28. Ce montant est adapté à l'indice des prix à la consommation du Royaume à l'aide du coefficient [3 prévu à l'article 178, § 3, [27 alinéa 1er,]27 2°, du Code des impÎts sur les revenus 1992]3. AprÚs application du coefficient, ce montant est arrondi au cent supérieur ou inférieur selon que le chiffre des milliÚmes atteint ou non 5.]2 [27 La partie de l'indemnité kilométrique qui dépasse le montant de [28 1.795 euros]28 par année civile à partir du 1er janvier 2024, est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale. Ce montant est également adapté à l'indice des prix à la consommation du Royaume à l'aide du coefficient prévu à l'article 178, § 3, alinéa 1er, 2°, du Code des impÎts sur les revenus 1992. AprÚs application du coefficient, ce montant est arrondi au multiple de 10 euros supérieur ou inférieur selon que le chiffre des unités atteint ou non 5. L'indemnité kilométrique est également considérée comme rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale si elle a été ou est octroyée en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale.]27
  [10 L'indemnité kilométrique visée à l'alinéa 1er, payée ou octroyée à un travailleur avec une allocation de mobilité visée à l'article 3, alinéa 1er, 2°, de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale excepté dans la situation prévue à l'article 9, § 3, de la loi précitée du 30 mars 2018;]10
  [12 L'indemnité kilométrique visée à l'alinéa 1er, payée ou octroyée à un travailleur avec un budget de mobilité visée à l'article 3, § 1er, 2°, de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale excepté dans la situation prévue à l'article 10, § 3, de la loi précitée du 17 mars 2019;]12
  [1 7° l'indemnité spéciale forfaitaire fixée par convention collective du travail et destinée aux travailleurs des établissements et services ressortissant à la Commission paritaire des maisons d'éducation et d'hébergement, pour autant qu'ils soient agréés et subsidiés par la Communauté ou la Région dont ils relÚvent, constituée de la prime de camps pour les séjours de vacances qui sont organisés par lesdits établissements et services. Cette prime est octroyée pour trente jours au maximum par an aux membres du personnel accompagnant, à titre de compensation de leurs charges ou frais réels supplémentaires. Elle s'élÚve au maximum à [28,48 EUR] par jour. <AR 2001-12-11/45, art. 3, 101; En vigueur : 01-01-2002>
  Le montant prévu au présent numéro est rattaché [à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100)], et il varie comme prévu par la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matiÚre sociale aux travailleurs indépendants;] <AR 1999-10-05/32, art. 1, 088; En vigueur : 01-07-1998> <AR 2001-12-11/45, art. 3, 101; En vigueur : 01-01-2002>
  [18° l'avantage retiré des options sur actions, tel que défini à l'article 42 de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses. Si le prix d'exercice de l'option est inférieur à la valeur, au moment de l'offre, des actions sur lesquelles porte l'option, cette différence est néanmoins considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale.
  L'avantage certain visé à l'article 43, § 8, de la loi précitée est considéré comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale;] <AR 1999-10-05/33, art. 1, 089; En vigueur : 01-01-1999>
  [19° la réduction, à charge de l'employeur, sur le prix normal des produits fabriqués ou vendus ou des services fournis par l'employeur, à condition que la quantité de produits vendus ou de services fournis à chaque travailleur ne dépasse pas la consommation normale du ménage dont fait partie le travailleur. L'employeur doit pouvoir prouver qu'il a porté cette condition à la connaissance de ses travailleurs.
  On entend par prix normal, le prix que le travailleur aurait dû payer en tant que consommateur particulier, s'il n'était pas occupé par l'employeur qui fabrique ou vend le produit ou fournit le service.
  Si l'employeur n'offre pas directement des produits ou des services au consommateur particulier, le prix normal est celui qu'un consommateur particulier avec un profil comparable à celui du travailleur doit payer dans le commerce de détail.
  L'employeur doit pouvoir présenter les éléments justifiant le prix normal.
  Lorsque la réduction de prix dépasse 30 % du montant du prix normal, le montant de la réduction qui dépasse les 30 % du prix normal est considéré comme de la rémunération.
  Lorsque le prix payĂ© par le travailleur aprĂšs rĂ©duction de prix est infĂ©rieur au prix de revient du produit ou du service, la diffĂ©rence entre le prix payĂ© par le travailleur et le prix de revient est considĂ©rĂ©e comme de la rĂ©munĂ©ration, mĂȘme si la rĂ©duction ne dĂ©passe pas 30 % du prix normal.
  L'employeur doit pouvoir présenter les éléments justifiant le prix de revient.] <AR 2002-02-28/35, art. 1, 104; En vigueur : 01-04-2002>
  20° [32 ...]32
  [ [21°)] les versements visĂ©s Ă l'article 38, § 3ter, alinĂ©a 1er, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s, effectuĂ©s par les employeurs en vue d'allouer aux membres de leur personnel ou Ă leur(s) ayant(s)-droit des avantages extralĂ©gaux en matiĂšre de vieillesse ou de dĂ©cĂšs prĂ©maturĂ©, les primes d'assurance hospitalisation complĂ©mentaire comme visĂ©es Ă l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 avril 1993 relatif Ă la cotisation sur les primes en matiĂšre d'assurance hospitalisation complĂ©mentaire, qui sont prises en charge par l'employeur en faveur de son personnel, ainsi que les primes pour avantages complĂ©mentaires en cas d'incapacitĂ© de travail.] <AR 2004-04-27/30, art. 1, 119; En vigueur : 01-01-2004>
  [7 22° les indemnités accordées dans le cadre des mesures visant à diminuer la charge de travail des travailleurs qui ont atteint l'ùge de 58 ans au moins, pour autant que les conditions suivantes sont remplies :
  a) l'indemnitĂ© est fixĂ©e par une convention collective de travail, conclue au sein d'un organe paritaire et rendu obligatoire par arrĂȘtĂ© royal, et est payĂ©e par un Fonds de sĂ©curitĂ© d'existence ou par l'employeur. A dĂ©faut d'une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention collective de travail au niveau de l'entreprise ou une modification du rĂšglement de travail [11 ou au niveau du travailleur salariĂ© par une convention individuelle Ă©crite]1
  b) cette convention collective de travail [11 , modification du rÚglement de travail ou convention individuelle écrite]11 a été prise en application de la convention collective de travail n° 104 du 27 juin 2012 concernant la mise en oeuvre d'un plan pour l'emploi des travailleurs ùgés dans l'entreprise, pour les employeurs et travailleurs relevant du champ d'application de la convention collective de travail n° 104;
  c) [11 cette convention collective de travail ou modification du rÚglement de travail stipule expressément quelles mesures dans le cadre du glissement depuis le travail en équipe et de nuit ou de la diminution de la charge de travail peuvent faire l'objet de l'octroi de cette indemnité. La convention individuelle écrite stipule également expressément quelle mesure fait l'objet de l'octroi de cette indemnité. Ces mesures doivent avoir pour conséquence une diminution du salaire du travailleur et le travailleur doit garder un emploi avec une fraction d'occupation effective de 4/5Úmes au minimum;]11
  d) l'indemnité pour le travailleur qui passe d'un emploi à temps plein à un emploi à 4/5Úmes, est seulement exonérée des cotisations sociales, si le travailleur a atteint l'ùge de 60 ans;
  e) le montant de l'indemnitĂ© ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă la diminution du salaire que le travailleur a subi suite aux mesures dans le cadre de la diminution de la charge de travail et ne peut avoir comme consĂ©quence que le salaire net du travailleur soit plus Ă©levĂ© qu'avant la diminution de la charge de travail;
  f) cet indemnité est indexée selon le mécanisme d'indexation qui s'applique de maniÚre générale au sein de cette entreprise. Le montant ainsi obtenu est arrondi à l'euro supérieur;]7
  [8 23 ° l'avantage visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 14°, b) du Code des impÎts sur les revenus 1992 (CIR 92);]8
  [10 L'avantage visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 14°, b) du Code des impÎts sur les revenus 1992 (CIR 92) payée ou octroyée à un travailleur avec une allocation de mobilité visée à l'article 3, alinéa 1er, 2°, de la loi du 30 mars 2018 concernant l'instauration d'une allocation de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale excepté dans la situation prévue à l'article 9, § 3, de la loi précitée du 30 mars 2018;]10
  [12 L'avantage visé à l'article 38, § 1er, alinéa 1er, 14°, b) du Code des impÎts sur les revenus 1992 (CIR 92) payée ou octroyée à un travailleur avec un budget de mobilité visée à l'article 3, § 1er, 2° de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget de mobilité est considérée comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale excepté dans la situation prévue à l'article 10, § 3, de la loi précitée du 17 mars 2019.]12
  24° [19 les rémunérations nettes des 120 heures supplémentaires effectuées en application de l'article 52, § § 1er et 2, de la loi du 20 décembre 2020 portant des mesures de soutien temporaires en raison de la pandémie du COVID-19;]19
  [20 25° les rémunérations nettes des 120 heures supplémentaires effectuées en application de l'article 2, § § 1er et 2, de la loi du 12 décembre 2021 exécutant l'accord social dans le cadre des négociations interprofessionnelles pour la période 2021-2022.
  Les heures additionnelles effectuées en application de l'article 52, § 1er, de la loi du 20 décembre 2020 portant des mesures de soutien temporaires en raison de la pandémie du COVID-19 durant la période du 1er janvier 2021 au 30 septembre 2021 inclus, qui ne sont pas considérées comme rémunération en application du 24° du présent paragraphe, sont déduites des heures supplémentaires additionnelles qui ne sont pas considérées comme rémunération en application de l'alinéa 1er, pour ce qui concerne la période du 1er janvier 2021 au 31 décembre 2021 inclus;]20
  [24 26° le montant de l'indemnité résultant :
  - de la cession ou de l'octroi d'une licence par le titulaire originaire de droits d'auteur et de droits voisins, ainsi que des licences légales et obligatoires organisées par la loi, visés au livre XI, titre 5, du Code de droit économique ou par des dispositions analogues de droit étranger ;
  - qui se rapportent Ă des oeuvres littĂ©raires ou artistiques originales visĂ©es Ă l'article XI.165 du Code de droit Ă©conomique ou Ă des prestations d'artistes-interprĂštes ou exĂ©cutants visĂ©es Ă l'article XI.205 du mĂȘme Code ;
  - en vue de l'exploitation ou de l'utilisation effective, sauf en cas d'Ă©vĂšnement indĂ©pendant de la volontĂ© des parties contractantes, de ces droits, conformĂ©ment aux usages honnĂȘtes de la profession, par le cessionnaire, le dĂ©tenteur de la licence ou un tiers ;
  - à condition que le titulaire originaire des droits précité détienne une attestation du travail des arts visée à l'article 6 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts, ou dans des dispositions analogues ou ayant des effets équivalents prises par un autre Etat membre de l'Espace économique européen ; ou
  - à défaut, que dans le cadre de la cession ou de l'octroi d'une licence conformément aux trois premiers tirets, le titulaire des droits cÚde ou octroie en licence ces droits à un tiers aux fins de communication au public, d'exécution ou de représentation publique, ou de reproduction.
  Les conditions suivantes sont d'application à l'indemnité prévue au premier alinéa :
  a) durant la période de quatre trimestres de l'année civile, le montant accordé en tant qu'indemnité pour la cession ou la concession sous licence de droits d'auteur et de droits voisins, s'élÚve à maximum 30 p.c. de la somme :
  - du montant total de la rémunération assujettie à la sécurité sociale auquel le travailleur a droit ;
  - du montant total des indemnités accordées par l'employeur au travailleur concerné pour la cession ou la concession sous licence de droits d'auteur et de droits voisins ;
  si le montant des indemnités octroyées dépasse 30 p.c. de la somme mentionnée ci-dessus, le montant dépassant les 30 p.c. est assujetti aux cotisations de sécurité sociale ;
  b) la rĂ©munĂ©ration aussi bien que l'indemnitĂ© pour la cession ou la concession sous licence de droits d'auteur ou de droits voisins doivent ĂȘtre dĂ©terminĂ©es d'une maniĂšre conforme au marchĂ©. L'employeur tient Ă la disposition de l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale la preuve des diffĂ©rents Ă©lĂ©ments d'apprĂ©ciation ;
  c) le montant de l'indemnité est indiqué dans la déclaration trimestrielle à l'Office national de sécurité sociale du trimestre au cours duquel l'indemnité est accordée.
  [26 Les indemnités ainsi octroyées sont néanmoins considérées comme rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale si elles ont été ou sont octroyées]26 en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale, [26 ...]26 sauf si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
  - l'employeur a déclaré pour ce travailleur cette indemnité à l'impÎt des personnes physiques comme un revenu mobilier visé à l'article 17, § 1er, 5°, du CIR 92, pour la période imposable 2022 ou 2021, 2020, 2019 ou 2018 en cas de régularisation ;
  - le montant de l'indemnité est limité au plus petit des montants suivants pour l'année 2022 ou 2021, 2020, 2019 ou 2018 en cas de régularisation :
  o le montant déclaré à l'impÎt des personnes physiques comme revenus mobiliers visés à l'article 17, § 1er, 5°, du CIR 92 ;
  o la différence entre la rémunération déclarée auprÚs du fisc et la rémunération déclarée auprÚs de l'ONSS en contrepartie des prestations fournies dans le cadre de l'exécution d'un contrat de travail ;
  - l'employeur déclare auprÚs de l'ONSS le montant à convertir avant fin 2023 et présente sur demande la preuve du montant converti;]24
  [25 27° les rémunérations nettes des 120 heures supplémentaires effectuées en application de l'article 2, § § 1er et 2, de la loi du 31 juillet 2023 exécutant l'accord cadre dans le cadre des négociations interprofessionnelles pour la période 2023-2024;]25
  [29 28° les prix attribués par les organisateurs de compétitions sportives à des sportifs rémunérés pour avoir obtenu un résultat particulier et individuel, pour autant que les conditions suivantes soient remplies :
  a) le droit aux prix est accordé exclusivement par l'organisateur de la compétition sportive;
  b) l'organisateur supporte la totalité de la charge financiÚre des prix;
  c) le montant et la répartition des prix en fonction du résultat d'une prestation individuelle du sportif sont déterminés par l'organisateur avant le début de la compétition;
  d) le prix est payé directement au sportif individuel par l'organisateur de la compétition sportive ou par une association sans but de répartition des bénéfices ayant pour objet l'organisation, la promotion et/ou la propagation du sport qui agit uniquement en tant qu'intermédiaire entre l'organisateur et le sportif pour le paiement du prix.
  L'alinéa précédent s'applique également si le sportif individuel partage les prix avec des coéquipiers ou des employés de son équipe.
  Le prix est considéré néanmoins comme une rémunération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale s'il a été ou est octroyé en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale.]29
 Â
Wijzigingen
Art. 19bis. [1 § 1. Het voordeel toegekend onder de vorm van een maaltijdcheque wordt als loon beschouwd.
  Indien een maaltijdcheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet toepasselijk. § 2 is echter wel toepasselijk op maaltijdcheques die worden verleend ter vervanging of ter omzetting van ecocheques die niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid zijn.
  Onverminderd § 2 worden de maaltijdcheques voor dagen waarvoor de werknemer het voordeel van artikel 19, § 2, 11° geniet, als loon beschouwd, tenzij die maaltijdcheques integraal worden aangewend om dat voordeel te verwerven.
  Een maaltijdcheque mag niet gecumuleerd worden met een onkostenvergoeding voor een zelfde maaltijd voor dezelfde dag.
  § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten elektronische maaltijdcheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
  1° de toekenning van de maaltijdcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst. Deze overeenkomst moet schriftelijk zijn en het bedrag van de maaltijdcheque mag niet hoger zijn dan dat toegekend bij collectieve arbeidsovereenkomst in dezelfde onderneming, die de hoogste nominale waarde van de maaltijdcheque bepaalt.
  Al de maaltijdcheques toegekend zonder collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst, of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst die niet conform is met de voorwaarden vastgesteld bij deze paragraaf, worden als loon beschouwd;
  2° het aantal toegekende maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal dagen waarop de werknemer normale werkelijke arbeid, meerprestaties zonder inhaalrust, meerprestaties mits inhaalrust en andere meerprestaties mits inhaalrust verricht. Ondernemingen waarin gelijktijdig, hetzij voor prestaties van voltijdse werknemers, hetzij voor prestaties van deeltijdse werknemers, hetzij voor beide, verschillende arbeidsregelingen van toepassing zijn en die inzake meerprestaties verplicht zijn om artikel 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 toe te passen, kunnen dit aantal dagen berekenen door het aantal uren normale werkelijke arbeid, meerprestaties zonder inhaalrust, meerprestaties mits inhaalrust en andere meerprestaties mits inhaalrust die de werknemer tijdens het kwartaal heeft gepresteerd, te delen door het normale aantal uren per dag van de maatpersoon. Indien deze bewerking een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond op de hogere eenheid. Indien het aldus verkregen getal groter is dan het maximum aantal werkbare dagen van de maatpersoon in het kwartaal, wordt het tot dit laatste beperkt. Ondernemingen die deze berekeningswijze willen toepassen moeten dat vaststellen bij collectieve arbeidsovereenkomst of, voor de ondernemingen die noch een ondernemingsraad noch een comité voor preventie en bescherming op het werk noch een syndicale delegatie hebben opgericht, in het arbeidsreglement; deze collectieve arbeidsovereenkomst of dit arbeidsreglement bepaalt tevens het normale aantal uren per dag van de maatpersoon en de wijze waarop het maximum aantal werkbare dagen van de maatpersoon in het kwartaal wordt berekend.
  De elektronische maaltijdcheques worden iedere maand, in één of meer keren, gecrediteerd op de maaltijdchequerekening van de werknemer in functie van het aantal dagen van die maand waarop de werknemer vermoedelijk prestaties zal verrichten, zoals bedoeld in het voorgaand lid. De elektronische maaltijdcheques worden geacht te zijn toegekend aan de werknemer op het moment waarop diens maaltijdchequerekening wordt gecrediteerd. Uiterlijk de laatste dag van de eerste maand die volgt op het kwartaal wordt het aantal cheques in overeenstemming gebracht met het aantal dagen waarop de werknemer tijdens het kwartaal prestaties heeft verricht zoals bepaald in het voorgaande lid.
  De maaltijdchequerekening is een databank waarop voor een werknemer een aantal elektronische maaltijdcheques zullen worden opgeslagen en die beheerd wordt door een uitgever erkend volgens de modaliteiten voorzien in het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 [8 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers van maaltijd-, sport/cultuur-, eco-, en consumptiecheques in een elektronische vorm, tot uitvoering van artikelen 183 tot 185 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen]8.
  De maaltijdcheques die het aantal dagen normale werkelijke arbeid, meerprestaties zonder inhaalrust, meerprestaties mits inhaalrust en andere meerprestaties mits inhaalrust van de werknemer overschrijden worden als loon beschouwd; indien de werknemer minder cheques ontvangt dan het totaal van deze dagen, wordt het bedrag van de werkgeverstussenkomst in de te weinig ontvangen cheques als loon beschouwd. De vaststelling van het aantal maaltijdcheques dat te veel of te weinig werd toegekend, gebeurt op basis van de toestand bij het verstrijken van de eerste maand die volgt op het kwartaal waarop de maaltijdcheques betrekking hebben;
  3° de maaltijdcheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en de daarop betrekking hebbende gegevens (aantal maaltijdcheques, brutobedrag van de maaltijdcheques verminderd met het persoonlijk aandeel van de werknemer) voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten.
  Al de maaltijdcheques toegekend zonder dat deze voorwaarde vervuld is worden als loon beschouwd;
  4° de elektronische maaltijdcheque heeft een geldigheidsduur van twaalf maanden, te rekenen vanaf het ogenblik dat de maaltijdcheque op de maaltijdchequerekening wordt geplaatst. Hij mag enkel worden gebruikt ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbuiksklare voeding.
  [3 In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van de elektronische maaltijdcheques, die in maart, april, mei en juni 2020 verlopen, met zes maanden verlengd. De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan, na advies van de Nationale Arbeidsraad, bij ministerieel besluit een periode van meer dan 6 maanden vaststellen.]3
  [4 In afwijking van het eerste en tweede lid worden de elektronische maaltijdcheques waarvan de geldigheidsduur in [6 2021]6 is afgelopen, heruitgegeven voor zover zij niet werden verlengd zoals bepaald in het vorige lid. De uitgever van de elektronische maaltijdcheques geeft opnieuw een cheque uit ten belope van hetzelfde bedrag als van de in [6 2021]6 vervallen maaltijdcheque aan de werknemer zonder bijkomende kosten voor de werknemer of zijn werkgever. Deze cheque heeft opnieuw een geldigheidsduur van twaalf maanden, te rekenen vanaf het ogenblik dat de nieuwe maaltijdcheque op de maaltijdchequerekening wordt geplaatst.]4
  [5 In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van de elektronische maaltijdcheques, die in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 verlopen, met zes maanden verlengd.]5
  [7 Binnen drie maanden na de vervaldatum van de maaltijdcheques kan de werknemer de uitgever van de maaltijdcheques een eenmalig aanvraag doen tot reactivering. De eerste reactiveringsaanvraag van de werknemer is gratis ongeacht het aantal maaltijdcheques waarvoor de activering wordt gevraagd. Eventuele latere aanvragen om reactivering kunnen worden onderworpen, ongeacht het aantal maaltijdcheques waarop de aanvraag betrekking heeft, aan de betaling van een maximumbedrag van 5 euro ten laste van de werknemer tenzij de werknemer overmacht kan aantonen. Gereactiveerde maaltijdcheques hebben een geldigheidsduur van drie maanden. De uitgevers van de maaltijdcheques moeten ervoor zorgen dat de reactiveringsprocedure wordt meegedeeld zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010. Bovendien moeten de betrokken werknemers, bij elke reactiveringsaanvraag, op de hoogte worden gebracht van reactiveringsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;]7
  5° de tussenkomst van de werkgever in het bedrag van de maaltijdcheque mag ten hoogste [9 8,91 euro]9 per maaltijdcheque bedragen.
  Al de maaltijdcheques met een werkgeverstussenkomst van meer dan [9 8,91 euro]9 worden als loon beschouwd;
  6° de tussenkomst van de werknemer bedraagt ten minste het bedrag van de raming van de tweede maaltijd, bedoeld in artikel 20, tweede lid.
  Al de maaltijdcheques met een tussenkomst van de werknemer die minder bedraagt dan dit bedrag worden als loon beschouwd.
  7° Het aantal elektronische maaltijdcheques en het brutobedrag ervan, verminderd met het persoonlijk aandeel van de werknemer, worden vermeld op de afrekening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
  8° Vóór het gebruik van de elektronische maaltijdcheques kan de werknemer het saldo en de geldigheidsduur nagaan van de maaltijdcheques die hem werden toegekend en die nog niet gebruikt werden.
  9° De elektronische maaltijdcheques kunnen enkel ter beschikking gesteld worden door een uitgever gezamenlijk erkend door de Minister bevoegd voor Sociale zaken, de Minister bevoegd voor Werk, de Minister bevoegd voor Zelfstandigen en de Minister bevoegd voor Economische zaken, zoals bepaald in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010.
  10° Het gebruik van de elektronische maaltijdcheques mag geen kosten voor de werknemer teweegbrengen, behalve in geval van diefstal of verlies onder de voorwaarden vast te stellen bij collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal of ondernemingsvlak, of in het arbeidsreglement wanneer de toekenning van de elektronische maaltijdcheques geregeld is door een individuele schriftelijke overeenkomst. In ieder geval kan de kost van de vervangende drager in geval van diefstal of verlies de nominale waarde van één elektronische maaltijdcheque niet overschrijden.
  Elektronische maaltijdcheques, uitgegeven door een uitgever wiens erkenning werd ingetrokken of vervallen is overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010, blijven geldig tot de vervaldag van hun geldigheidsduur.]1
 Â
  Indien een maaltijdcheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet toepasselijk. § 2 is echter wel toepasselijk op maaltijdcheques die worden verleend ter vervanging of ter omzetting van ecocheques die niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid zijn.
  Onverminderd § 2 worden de maaltijdcheques voor dagen waarvoor de werknemer het voordeel van artikel 19, § 2, 11° geniet, als loon beschouwd, tenzij die maaltijdcheques integraal worden aangewend om dat voordeel te verwerven.
  Een maaltijdcheque mag niet gecumuleerd worden met een onkostenvergoeding voor een zelfde maaltijd voor dezelfde dag.
  § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten elektronische maaltijdcheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
  1° de toekenning van de maaltijdcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst. Deze overeenkomst moet schriftelijk zijn en het bedrag van de maaltijdcheque mag niet hoger zijn dan dat toegekend bij collectieve arbeidsovereenkomst in dezelfde onderneming, die de hoogste nominale waarde van de maaltijdcheque bepaalt.
  Al de maaltijdcheques toegekend zonder collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst, of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst die niet conform is met de voorwaarden vastgesteld bij deze paragraaf, worden als loon beschouwd;
  2° het aantal toegekende maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal dagen waarop de werknemer normale werkelijke arbeid, meerprestaties zonder inhaalrust, meerprestaties mits inhaalrust en andere meerprestaties mits inhaalrust verricht. Ondernemingen waarin gelijktijdig, hetzij voor prestaties van voltijdse werknemers, hetzij voor prestaties van deeltijdse werknemers, hetzij voor beide, verschillende arbeidsregelingen van toepassing zijn en die inzake meerprestaties verplicht zijn om artikel 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971 toe te passen, kunnen dit aantal dagen berekenen door het aantal uren normale werkelijke arbeid, meerprestaties zonder inhaalrust, meerprestaties mits inhaalrust en andere meerprestaties mits inhaalrust die de werknemer tijdens het kwartaal heeft gepresteerd, te delen door het normale aantal uren per dag van de maatpersoon. Indien deze bewerking een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond op de hogere eenheid. Indien het aldus verkregen getal groter is dan het maximum aantal werkbare dagen van de maatpersoon in het kwartaal, wordt het tot dit laatste beperkt. Ondernemingen die deze berekeningswijze willen toepassen moeten dat vaststellen bij collectieve arbeidsovereenkomst of, voor de ondernemingen die noch een ondernemingsraad noch een comité voor preventie en bescherming op het werk noch een syndicale delegatie hebben opgericht, in het arbeidsreglement; deze collectieve arbeidsovereenkomst of dit arbeidsreglement bepaalt tevens het normale aantal uren per dag van de maatpersoon en de wijze waarop het maximum aantal werkbare dagen van de maatpersoon in het kwartaal wordt berekend.
  De elektronische maaltijdcheques worden iedere maand, in één of meer keren, gecrediteerd op de maaltijdchequerekening van de werknemer in functie van het aantal dagen van die maand waarop de werknemer vermoedelijk prestaties zal verrichten, zoals bedoeld in het voorgaand lid. De elektronische maaltijdcheques worden geacht te zijn toegekend aan de werknemer op het moment waarop diens maaltijdchequerekening wordt gecrediteerd. Uiterlijk de laatste dag van de eerste maand die volgt op het kwartaal wordt het aantal cheques in overeenstemming gebracht met het aantal dagen waarop de werknemer tijdens het kwartaal prestaties heeft verricht zoals bepaald in het voorgaande lid.
  De maaltijdchequerekening is een databank waarop voor een werknemer een aantal elektronische maaltijdcheques zullen worden opgeslagen en die beheerd wordt door een uitgever erkend volgens de modaliteiten voorzien in het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 [8 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers van maaltijd-, sport/cultuur-, eco-, en consumptiecheques in een elektronische vorm, tot uitvoering van artikelen 183 tot 185 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen]8.
  De maaltijdcheques die het aantal dagen normale werkelijke arbeid, meerprestaties zonder inhaalrust, meerprestaties mits inhaalrust en andere meerprestaties mits inhaalrust van de werknemer overschrijden worden als loon beschouwd; indien de werknemer minder cheques ontvangt dan het totaal van deze dagen, wordt het bedrag van de werkgeverstussenkomst in de te weinig ontvangen cheques als loon beschouwd. De vaststelling van het aantal maaltijdcheques dat te veel of te weinig werd toegekend, gebeurt op basis van de toestand bij het verstrijken van de eerste maand die volgt op het kwartaal waarop de maaltijdcheques betrekking hebben;
  3° de maaltijdcheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en de daarop betrekking hebbende gegevens (aantal maaltijdcheques, brutobedrag van de maaltijdcheques verminderd met het persoonlijk aandeel van de werknemer) voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten.
  Al de maaltijdcheques toegekend zonder dat deze voorwaarde vervuld is worden als loon beschouwd;
  4° de elektronische maaltijdcheque heeft een geldigheidsduur van twaalf maanden, te rekenen vanaf het ogenblik dat de maaltijdcheque op de maaltijdchequerekening wordt geplaatst. Hij mag enkel worden gebruikt ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbuiksklare voeding.
  [3 In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van de elektronische maaltijdcheques, die in maart, april, mei en juni 2020 verlopen, met zes maanden verlengd. De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan, na advies van de Nationale Arbeidsraad, bij ministerieel besluit een periode van meer dan 6 maanden vaststellen.]3
  [4 In afwijking van het eerste en tweede lid worden de elektronische maaltijdcheques waarvan de geldigheidsduur in [6 2021]6 is afgelopen, heruitgegeven voor zover zij niet werden verlengd zoals bepaald in het vorige lid. De uitgever van de elektronische maaltijdcheques geeft opnieuw een cheque uit ten belope van hetzelfde bedrag als van de in [6 2021]6 vervallen maaltijdcheque aan de werknemer zonder bijkomende kosten voor de werknemer of zijn werkgever. Deze cheque heeft opnieuw een geldigheidsduur van twaalf maanden, te rekenen vanaf het ogenblik dat de nieuwe maaltijdcheque op de maaltijdchequerekening wordt geplaatst.]4
  [5 In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van de elektronische maaltijdcheques, die in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 maart 2021 verlopen, met zes maanden verlengd.]5
  [7 Binnen drie maanden na de vervaldatum van de maaltijdcheques kan de werknemer de uitgever van de maaltijdcheques een eenmalig aanvraag doen tot reactivering. De eerste reactiveringsaanvraag van de werknemer is gratis ongeacht het aantal maaltijdcheques waarvoor de activering wordt gevraagd. Eventuele latere aanvragen om reactivering kunnen worden onderworpen, ongeacht het aantal maaltijdcheques waarop de aanvraag betrekking heeft, aan de betaling van een maximumbedrag van 5 euro ten laste van de werknemer tenzij de werknemer overmacht kan aantonen. Gereactiveerde maaltijdcheques hebben een geldigheidsduur van drie maanden. De uitgevers van de maaltijdcheques moeten ervoor zorgen dat de reactiveringsprocedure wordt meegedeeld zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010. Bovendien moeten de betrokken werknemers, bij elke reactiveringsaanvraag, op de hoogte worden gebracht van reactiveringsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;]7
  5° de tussenkomst van de werkgever in het bedrag van de maaltijdcheque mag ten hoogste [9 8,91 euro]9 per maaltijdcheque bedragen.
  Al de maaltijdcheques met een werkgeverstussenkomst van meer dan [9 8,91 euro]9 worden als loon beschouwd;
  6° de tussenkomst van de werknemer bedraagt ten minste het bedrag van de raming van de tweede maaltijd, bedoeld in artikel 20, tweede lid.
  Al de maaltijdcheques met een tussenkomst van de werknemer die minder bedraagt dan dit bedrag worden als loon beschouwd.
  7° Het aantal elektronische maaltijdcheques en het brutobedrag ervan, verminderd met het persoonlijk aandeel van de werknemer, worden vermeld op de afrekening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
  8° Vóór het gebruik van de elektronische maaltijdcheques kan de werknemer het saldo en de geldigheidsduur nagaan van de maaltijdcheques die hem werden toegekend en die nog niet gebruikt werden.
  9° De elektronische maaltijdcheques kunnen enkel ter beschikking gesteld worden door een uitgever gezamenlijk erkend door de Minister bevoegd voor Sociale zaken, de Minister bevoegd voor Werk, de Minister bevoegd voor Zelfstandigen en de Minister bevoegd voor Economische zaken, zoals bepaald in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010.
  10° Het gebruik van de elektronische maaltijdcheques mag geen kosten voor de werknemer teweegbrengen, behalve in geval van diefstal of verlies onder de voorwaarden vast te stellen bij collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal of ondernemingsvlak, of in het arbeidsreglement wanneer de toekenning van de elektronische maaltijdcheques geregeld is door een individuele schriftelijke overeenkomst. In ieder geval kan de kost van de vervangende drager in geval van diefstal of verlies de nominale waarde van één elektronische maaltijdcheque niet overschrijden.
  Elektronische maaltijdcheques, uitgegeven door een uitgever wiens erkenning werd ingetrokken of vervallen is overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010, blijven geldig tot de vervaldag van hun geldigheidsduur.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 19bis. [1 § 1er. L'avantage accordé sous forme de titre-repas est considéré comme rémunération.
  Si un titre-repas a été ou est octroyé en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale, le § 2 n'est pas applicable. Le § 2 est toutefois applicable [8 aux titres-repas]8 qui sont délivrés en remplacement ou en conversion d'écochÚques qui ne sont pas passibles de cotisations de sécurité sociale.
  Sans préjudice du § 2, les titres-repas sont considérés comme rémunération pour les jours au cours desquels le travailleur bénéficie de l'avantage visé à l'article 19, § 2, 11°, sauf si ces titres-repas sont utilisés intégralement pour obtenir cet avantage.
  Un titre-repas ne peut pas ĂȘtre cumulĂ© avec une indemnitĂ© de frais pour un mĂȘme repas le mĂȘme jour.
  § 2. Pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme rĂ©munĂ©ration, les titres-repas Ă©lectroniques doivent simultanĂ©ment satisfaire Ă toutes les conditions suivantes :
  1° l'octroi du titre-repas doit ĂȘtre prĂ©vu par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue Ă dĂ©faut de dĂ©lĂ©gation syndicale ou lorsqu'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui habituellement n'est pas visĂ©e par une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle. Cette convention doit ĂȘtre Ă©crite et le montant du titre-repas ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă celui octroyĂ© par convention collective de travail dans la mĂȘme entreprise qui prĂ©voit la valeur faciale du titre-repas la plus Ă©levĂ©e.
  Tous les titres-repas octroyés en l'absence de convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite, ou octroyés en vertu d'une convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite qui n'est pas conforme aux conditions fixées par le présent paragraphe, sont considérés comme rémunération;
  2° le nombre de titres-repas octroyĂ©s doit ĂȘtre Ă©gal au nombre de journĂ©es au cours desquelles le travailleur a fourni un travail effectif normal, de prestations supplĂ©mentaires sans repos compensatoire, de prestations supplĂ©mentaires moyennant repos compensatoire et d'autres prestations supplĂ©mentaires moyennant repos compensatoire. Les entreprises dans lesquelles, soit pour des prestations de travailleur Ă temps plein, soit pour des prestations de travailleur Ă temps partiel, soit pour les deux, diffĂ©rents rĂ©gimes de travail sont simultanĂ©ment d'application et qui en matiĂšre de prestations supplĂ©mentaires sont tenues d'appliquer l'article 26bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971 peuvent calculer ce nombre de jours en divisant le nombre d'heures de travail effectif normal, de prestations supplĂ©mentaires sans repos compensatoire, de prestations supplĂ©mentaires moyennant repos compensatoire et d'autres prestations supplĂ©mentaires moyennant repos compensatoire fournies par le travailleur durant le trimestre par le nombre normal d'heures par jour de la personne de rĂ©fĂ©rence. Si le rĂ©sultat de cette opĂ©ration est un chiffre dĂ©cimal, il est arrondi Ă l'unitĂ© supĂ©rieure. Si le nombre ainsi obtenu est supĂ©rieur au nombre maximal de jours prestables de la personne de rĂ©fĂ©rence durant le trimestre, il est limitĂ© Ă ce dernier. Les entreprises qui souhaitent appliquer ce mode de calcul doivent le prĂ©voir par convention collective de travail ou, pour les entreprises n'ayant instituĂ© ni un conseil d'entreprise, ni un comitĂ© de prĂ©vention et de protection sur les lieux du travail, ni une dĂ©lĂ©gation syndicale, dans le rĂšglement du travail; cette convention collective de travail ou ce rĂšglement du travail dĂ©termine par ailleurs le nombre normal d'heures par jour de la personne de rĂ©fĂ©rence et le mode de calcul du nombre maximal de jours prestables de la personne de rĂ©fĂ©rence durant le trimestre.
  Les titres-repas Ă©lectroniques sont crĂ©ditĂ©s chaque mois, en une ou plusieurs fois, sur le compte titres-repas du travailleur en fonction du nombre de jours de ce mois pendant lesquels le travailleur fournira vraisemblablement des prestations mentionnĂ©es dans l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent. Les titres-repas Ă©lectroniques sont censĂ©s ĂȘtre octroyĂ©s au travailleur au moment oĂč son compte titres-repas est crĂ©ditĂ©. Au plus tard le dernier jour du premier mois qui suit le trimestre, le nombre de titres-repas est rĂ©gularisĂ© en fonction du nombre de jours pendant lesquels le travailleur a fourni des prestations durant le trimestre tel que dĂ©terminĂ© Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent.
  Le compte titres-repas est une banque de donnĂ©es dans laquelle un certain nombre de titres-repas Ă©lectroniques pour un travailleur seront enregistrĂ©s et gĂ©rĂ©s par un Ă©diteur agréé selon les modalitĂ©s prĂ©vues dans l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 [8 fixant les conditions d'agrĂ©ment et la procĂ©dure d'agrĂ©ment pour les Ă©diteurs des titres-repas, chĂšques sport/culture, Ă©co-chĂšques et chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique, exĂ©cutant les articles 183 Ă 185 de la loi du 30 dĂ©cembre 2009 portant des dispositions diverses]8.
  Les titres-repas qui excÚdent le nombre de journées de travail effectif normal, de prestations supplémentaires sans repos compensatoire, de prestations moyennant repos compensatoire et d'autres prestations supplémentaires moyennant repos compensatoire fournies par le travailleur sont considérés comme rémunération; si le travailleur reçoit moins de titres-repas que le nombre total de ces journées, le montant de l'intervention de l'employeur dans les titres trop peu perçus est considéré comme rémunération. La détermination du nombre de titres-repas attribués en excédent ou en insuffisance, intervient sur base de la situation telle qu'existante au moment de l'expiration du 1er mois suivant le trimestre auquel les titres-repas se rapportent;
  3° le titre-repas est dĂ©livrĂ© au nom du travailleur; cette condition est censĂ©e ĂȘtre remplie si son octroi et les donnĂ©es y relatives (nombre de titres-repas, montant brut des titres-repas diminuĂ© de la part personnelle du travailleur) figurent au compte individuel du travailleur, conformĂ©ment Ă la rĂ©glementation relative Ă la tenue des documents sociaux.
  Tous les titres-repas octroyés sans que cette condition soit remplie sont considérés comme rémunération;
  4° le titre-repas Ă©lectronique a une durĂ©e de validitĂ© de douze mois, Ă compter du moment oĂč le titre-repas est placĂ© sur le compte titres-repas. Il ne peut ĂȘtre acceptĂ© qu'en paiement d'un repas ou pour l'achat d'aliments prĂȘts Ă la consommation.
  [3 Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, la durĂ©e de validitĂ© des titres-repas Ă©lectroniques, expirant en mars, avril, mai et juin 2020, est prolongĂ©e de 6 mois. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut fixer par arrĂȘtĂ© ministĂ©riel, aprĂšs avis du Conseil national du travail, une pĂ©riode d'une durĂ©e supĂ©rieure Ă 6 mois.]3
  [4 Par dĂ©rogation aux alinĂ©as 1er et 2, les titres-repas Ă©lectroniques dont la durĂ©e de validitĂ© a expirĂ© en [6 2021]6 sont rééditĂ©s pour autant que leur durĂ©e de validitĂ© n'ait pas Ă©tĂ© prolongĂ©e en application de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent. L'Ă©diteur de titres-repas Ă©lectroniques octroie de nouveau au travailleur un titre-repas d'un montant Ă©quivalant au montant des titres-repas qui ont expirĂ© en [6 2021]6, sans frais supplĂ©mentaires pour le travailleur ou pour son employeur. Ce titre a de nouveau une durĂ©e de validitĂ© de douze mois, Ă compter du moment oĂč le nouveau titre-repas est placĂ© sur le compte titres-repas.]4
  [5 Par dérogation à l'alinéa 1er, la durée de validité des titres-repas électroniques, expirant au cours de la période du 1er novembre 2020 au 31 mars 2021 inclus, est prolongée de 6 mois.]5
  [7 Dans les trois mois suivant leur Ă©chĂ©ance les titres-repas pĂ©rimĂ©s peuvent faire l'objet de la part du travailleur d'une demande de rĂ©activation unique auprĂšs de l'Ă©diteur des titres-repas. La premiĂšre demande de rĂ©activation formulĂ©e par le travailleur est gratuite indĂ©pendamment du nombre de titres-repas pour lesquels l'activation est demandĂ©e. Les Ă©ventuelles demandes de rĂ©activation suivantes peuvent, quel que soit le nombre de titres-repas concernĂ©s par la demande, ĂȘtre soumises au paiement d'un coĂ»t maximal de 5 euros Ă charge du travailleur sauf si le travailleur peut dĂ©montrer une force majeure. Les titres-repas rĂ©activĂ©s ont une durĂ©e de validitĂ© de trois mois. Les Ă©diteurs de titres-repas doivent veiller Ă une communication relative Ă la procĂ©dure de rĂ©activation comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©. En outre, lors de chaque demande de rĂ©activation, une communication quant aux conditions de rĂ©activations doit ĂȘtre effectuĂ©e auprĂšs des travailleurs concernĂ©s comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©.]7
  5° l'intervention de l'employeur dans le montant du titre-repas ne peut excéder [9 8,91 euros]9 par titre-repas.
  Tous les titres-repas pour lesquels l'intervention patronale est supérieure à [9 8,91 euros]9 sont considérés comme rémunération;
  6° l'intervention du travailleur s'élÚve au minimum au montant de l'évaluation du deuxiÚme repas, telle que fixée à l'article 20, alinéa 2.
  Tous les titres-repas pour lesquels l'intervention du travailleur ne s'élÚve pas à ce montant sont considérés comme rémunération.
  7° Le nombre de titres-repas électroniques et leur montant brut, diminué de la part personnelle du travailleur, sont mentionnés sur le décompte, visé à l'article 15, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
  8° Avant l'utilisation de titres-repas électroniques, le travailleur peut vérifier le solde ainsi que la durée de validité des titres-repas qui lui ont été délivrés et qui n'ont pas encore été utilisés.
  9° Les titres-repas Ă©lectroniques ne peuvent ĂȘtre mis Ă disposition que par un Ă©diteur agréé conjointement par le Ministre compĂ©tent pour les Affaires sociales, le Ministre compĂ©tent pour l'Emploi, le Ministre compĂ©tent pour des IndĂ©pendants et le Ministre compĂ©tent pour les Affaires Ă©conomiques, comme le prĂ©voit ledit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010.
  10° L'utilisation des titres-repas Ă©lectroniques ne peut pas entraĂźner de coĂ»ts pour le travailleur, sauf en cas de vol ou de perte sous les conditions Ă fixer par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise, ou par le rĂšglement de travail lorsque l'octroi de titres-repas Ă©lectroniques est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. En tout cas, le coĂ»t du support de remplacement en cas de vol ou de perte ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă la valeur nominale d'un titre-repas Ă©lectronique.
  Les titres-repas Ă©lectroniques Ă©mis par un Ă©diteur dont l'agrĂ©ment a Ă©tĂ© retirĂ© ou rendu caduque conformĂ©ment aux dispositions dudit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 restent valables jusqu'Ă la date d'expiration de leur durĂ©e de validitĂ©.]1
 Â
  Si un titre-repas a été ou est octroyé en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale, le § 2 n'est pas applicable. Le § 2 est toutefois applicable [8 aux titres-repas]8 qui sont délivrés en remplacement ou en conversion d'écochÚques qui ne sont pas passibles de cotisations de sécurité sociale.
  Sans préjudice du § 2, les titres-repas sont considérés comme rémunération pour les jours au cours desquels le travailleur bénéficie de l'avantage visé à l'article 19, § 2, 11°, sauf si ces titres-repas sont utilisés intégralement pour obtenir cet avantage.
  Un titre-repas ne peut pas ĂȘtre cumulĂ© avec une indemnitĂ© de frais pour un mĂȘme repas le mĂȘme jour.
  § 2. Pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme rĂ©munĂ©ration, les titres-repas Ă©lectroniques doivent simultanĂ©ment satisfaire Ă toutes les conditions suivantes :
  1° l'octroi du titre-repas doit ĂȘtre prĂ©vu par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue Ă dĂ©faut de dĂ©lĂ©gation syndicale ou lorsqu'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui habituellement n'est pas visĂ©e par une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle. Cette convention doit ĂȘtre Ă©crite et le montant du titre-repas ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă celui octroyĂ© par convention collective de travail dans la mĂȘme entreprise qui prĂ©voit la valeur faciale du titre-repas la plus Ă©levĂ©e.
  Tous les titres-repas octroyés en l'absence de convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite, ou octroyés en vertu d'une convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite qui n'est pas conforme aux conditions fixées par le présent paragraphe, sont considérés comme rémunération;
  2° le nombre de titres-repas octroyĂ©s doit ĂȘtre Ă©gal au nombre de journĂ©es au cours desquelles le travailleur a fourni un travail effectif normal, de prestations supplĂ©mentaires sans repos compensatoire, de prestations supplĂ©mentaires moyennant repos compensatoire et d'autres prestations supplĂ©mentaires moyennant repos compensatoire. Les entreprises dans lesquelles, soit pour des prestations de travailleur Ă temps plein, soit pour des prestations de travailleur Ă temps partiel, soit pour les deux, diffĂ©rents rĂ©gimes de travail sont simultanĂ©ment d'application et qui en matiĂšre de prestations supplĂ©mentaires sont tenues d'appliquer l'article 26bis de la loi sur le travail du 16 mars 1971 peuvent calculer ce nombre de jours en divisant le nombre d'heures de travail effectif normal, de prestations supplĂ©mentaires sans repos compensatoire, de prestations supplĂ©mentaires moyennant repos compensatoire et d'autres prestations supplĂ©mentaires moyennant repos compensatoire fournies par le travailleur durant le trimestre par le nombre normal d'heures par jour de la personne de rĂ©fĂ©rence. Si le rĂ©sultat de cette opĂ©ration est un chiffre dĂ©cimal, il est arrondi Ă l'unitĂ© supĂ©rieure. Si le nombre ainsi obtenu est supĂ©rieur au nombre maximal de jours prestables de la personne de rĂ©fĂ©rence durant le trimestre, il est limitĂ© Ă ce dernier. Les entreprises qui souhaitent appliquer ce mode de calcul doivent le prĂ©voir par convention collective de travail ou, pour les entreprises n'ayant instituĂ© ni un conseil d'entreprise, ni un comitĂ© de prĂ©vention et de protection sur les lieux du travail, ni une dĂ©lĂ©gation syndicale, dans le rĂšglement du travail; cette convention collective de travail ou ce rĂšglement du travail dĂ©termine par ailleurs le nombre normal d'heures par jour de la personne de rĂ©fĂ©rence et le mode de calcul du nombre maximal de jours prestables de la personne de rĂ©fĂ©rence durant le trimestre.
  Les titres-repas Ă©lectroniques sont crĂ©ditĂ©s chaque mois, en une ou plusieurs fois, sur le compte titres-repas du travailleur en fonction du nombre de jours de ce mois pendant lesquels le travailleur fournira vraisemblablement des prestations mentionnĂ©es dans l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent. Les titres-repas Ă©lectroniques sont censĂ©s ĂȘtre octroyĂ©s au travailleur au moment oĂč son compte titres-repas est crĂ©ditĂ©. Au plus tard le dernier jour du premier mois qui suit le trimestre, le nombre de titres-repas est rĂ©gularisĂ© en fonction du nombre de jours pendant lesquels le travailleur a fourni des prestations durant le trimestre tel que dĂ©terminĂ© Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent.
  Le compte titres-repas est une banque de donnĂ©es dans laquelle un certain nombre de titres-repas Ă©lectroniques pour un travailleur seront enregistrĂ©s et gĂ©rĂ©s par un Ă©diteur agréé selon les modalitĂ©s prĂ©vues dans l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 [8 fixant les conditions d'agrĂ©ment et la procĂ©dure d'agrĂ©ment pour les Ă©diteurs des titres-repas, chĂšques sport/culture, Ă©co-chĂšques et chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique, exĂ©cutant les articles 183 Ă 185 de la loi du 30 dĂ©cembre 2009 portant des dispositions diverses]8.
  Les titres-repas qui excÚdent le nombre de journées de travail effectif normal, de prestations supplémentaires sans repos compensatoire, de prestations moyennant repos compensatoire et d'autres prestations supplémentaires moyennant repos compensatoire fournies par le travailleur sont considérés comme rémunération; si le travailleur reçoit moins de titres-repas que le nombre total de ces journées, le montant de l'intervention de l'employeur dans les titres trop peu perçus est considéré comme rémunération. La détermination du nombre de titres-repas attribués en excédent ou en insuffisance, intervient sur base de la situation telle qu'existante au moment de l'expiration du 1er mois suivant le trimestre auquel les titres-repas se rapportent;
  3° le titre-repas est dĂ©livrĂ© au nom du travailleur; cette condition est censĂ©e ĂȘtre remplie si son octroi et les donnĂ©es y relatives (nombre de titres-repas, montant brut des titres-repas diminuĂ© de la part personnelle du travailleur) figurent au compte individuel du travailleur, conformĂ©ment Ă la rĂ©glementation relative Ă la tenue des documents sociaux.
  Tous les titres-repas octroyés sans que cette condition soit remplie sont considérés comme rémunération;
  4° le titre-repas Ă©lectronique a une durĂ©e de validitĂ© de douze mois, Ă compter du moment oĂč le titre-repas est placĂ© sur le compte titres-repas. Il ne peut ĂȘtre acceptĂ© qu'en paiement d'un repas ou pour l'achat d'aliments prĂȘts Ă la consommation.
  [3 Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, la durĂ©e de validitĂ© des titres-repas Ă©lectroniques, expirant en mars, avril, mai et juin 2020, est prolongĂ©e de 6 mois. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut fixer par arrĂȘtĂ© ministĂ©riel, aprĂšs avis du Conseil national du travail, une pĂ©riode d'une durĂ©e supĂ©rieure Ă 6 mois.]3
  [4 Par dĂ©rogation aux alinĂ©as 1er et 2, les titres-repas Ă©lectroniques dont la durĂ©e de validitĂ© a expirĂ© en [6 2021]6 sont rééditĂ©s pour autant que leur durĂ©e de validitĂ© n'ait pas Ă©tĂ© prolongĂ©e en application de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent. L'Ă©diteur de titres-repas Ă©lectroniques octroie de nouveau au travailleur un titre-repas d'un montant Ă©quivalant au montant des titres-repas qui ont expirĂ© en [6 2021]6, sans frais supplĂ©mentaires pour le travailleur ou pour son employeur. Ce titre a de nouveau une durĂ©e de validitĂ© de douze mois, Ă compter du moment oĂč le nouveau titre-repas est placĂ© sur le compte titres-repas.]4
  [5 Par dérogation à l'alinéa 1er, la durée de validité des titres-repas électroniques, expirant au cours de la période du 1er novembre 2020 au 31 mars 2021 inclus, est prolongée de 6 mois.]5
  [7 Dans les trois mois suivant leur Ă©chĂ©ance les titres-repas pĂ©rimĂ©s peuvent faire l'objet de la part du travailleur d'une demande de rĂ©activation unique auprĂšs de l'Ă©diteur des titres-repas. La premiĂšre demande de rĂ©activation formulĂ©e par le travailleur est gratuite indĂ©pendamment du nombre de titres-repas pour lesquels l'activation est demandĂ©e. Les Ă©ventuelles demandes de rĂ©activation suivantes peuvent, quel que soit le nombre de titres-repas concernĂ©s par la demande, ĂȘtre soumises au paiement d'un coĂ»t maximal de 5 euros Ă charge du travailleur sauf si le travailleur peut dĂ©montrer une force majeure. Les titres-repas rĂ©activĂ©s ont une durĂ©e de validitĂ© de trois mois. Les Ă©diteurs de titres-repas doivent veiller Ă une communication relative Ă la procĂ©dure de rĂ©activation comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©. En outre, lors de chaque demande de rĂ©activation, une communication quant aux conditions de rĂ©activations doit ĂȘtre effectuĂ©e auprĂšs des travailleurs concernĂ©s comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©.]7
  5° l'intervention de l'employeur dans le montant du titre-repas ne peut excéder [9 8,91 euros]9 par titre-repas.
  Tous les titres-repas pour lesquels l'intervention patronale est supérieure à [9 8,91 euros]9 sont considérés comme rémunération;
  6° l'intervention du travailleur s'élÚve au minimum au montant de l'évaluation du deuxiÚme repas, telle que fixée à l'article 20, alinéa 2.
  Tous les titres-repas pour lesquels l'intervention du travailleur ne s'élÚve pas à ce montant sont considérés comme rémunération.
  7° Le nombre de titres-repas électroniques et leur montant brut, diminué de la part personnelle du travailleur, sont mentionnés sur le décompte, visé à l'article 15, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
  8° Avant l'utilisation de titres-repas électroniques, le travailleur peut vérifier le solde ainsi que la durée de validité des titres-repas qui lui ont été délivrés et qui n'ont pas encore été utilisés.
  9° Les titres-repas Ă©lectroniques ne peuvent ĂȘtre mis Ă disposition que par un Ă©diteur agréé conjointement par le Ministre compĂ©tent pour les Affaires sociales, le Ministre compĂ©tent pour l'Emploi, le Ministre compĂ©tent pour des IndĂ©pendants et le Ministre compĂ©tent pour les Affaires Ă©conomiques, comme le prĂ©voit ledit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010.
  10° L'utilisation des titres-repas Ă©lectroniques ne peut pas entraĂźner de coĂ»ts pour le travailleur, sauf en cas de vol ou de perte sous les conditions Ă fixer par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise, ou par le rĂšglement de travail lorsque l'octroi de titres-repas Ă©lectroniques est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. En tout cas, le coĂ»t du support de remplacement en cas de vol ou de perte ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă la valeur nominale d'un titre-repas Ă©lectronique.
  Les titres-repas Ă©lectroniques Ă©mis par un Ă©diteur dont l'agrĂ©ment a Ă©tĂ© retirĂ© ou rendu caduque conformĂ©ment aux dispositions dudit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 restent valables jusqu'Ă la date d'expiration de leur durĂ©e de validitĂ©.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 19ter. <INGEVOEGD bij KB 2006-06-30/30, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2006> § 1. Het voordeel toegekend onder de vorm van een sport/cultuurcheque wordt als loon beschouwd.
  Indien een sport/cultuurcheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of van enig ander voordeel of van een aanvulling bij het voorgaande, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet van toepassing.
  § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten sport/cultuurcheques [5 afgeleverd op papieren drager of in een elektronische vorm]5 terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
  1° de toekenning van de sport/cultuurcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak of [5 , wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is,]5 in een geschreven individuele overeenkomst voorzover de werkgever de cheques aan het geheel van werknemers of aan een categorie van werknemers toekent. Indien de werkgever niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten, dan moet de toekenning geregeld worden door, naargelang het geval, een protocolakkoord afgesloten op het niveau van het bevoegde Onderhandelingscomité of door de regeling vastgesteld door het paritair comité bedoeld hetzij in artikel 30 hetzij in artikel 31 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven [1 door de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in Art. 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen,]1 of door schriftelijke individuele overeenkomst.
  [5 Alle sport/cultuurcheques toegekend zonder collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst, of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst die niet conform zijn met de voorwaarden vastgesteld bij dit punt, worden als loon beschouwd;]5
  2° de sport/cultuurcheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en de daarop betrekking hebbende gegevens (aantal sport/cultuurcheques, bedrag van de sport/cultuurcheque) voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten.
  [5 Alle sport/cultuurcheques toegekend zonder dat deze voorwaarde vervuld is, worden als loon beschouwd;]5
  3° [5 op de sport/cultuurcheque op papieren drager staat duidelijk vermeld dat zijn geldigheid tot 15 maanden beperkt is vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer]5 en dat hij slechts aanvaard mag worden door de culturele operatoren die culturele activiteiten organiseren die behoren tot de in artikel 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bedoelde aangelegenheden en die zijn erkend, goedgekeurd of gesubsidieerd door de bevoegde overheid, of door sportverenigingen voor wie een federatie, erkend of gesubsidieerd door de gemeenschappen, bestaat of behoren tot een van de [5 nationale sportfederaties]5. De bevoegde autoriteiten kunnen een lijst opstellen met de operatoren die onder het toepassingsgebied van dit artikel vallen. Deze lijst wordt overgemaakt aan de uitgevers van de cheque. [5 De terbeschikkingstelling wordt gedefinieerd als het ogenblik waarop de werknemer de cheques met een geldigheid van 15 maanden volgend op het einde van de maand waarin de cheques uitgegeven werden, ontvangt.]5
  [5 Indien de sport/cultuurcheque een elektronische vorm heeft, is zijn geldigheid eveneens tot 15 maanden beperkt vanaf het ogenblik dat de elektronische sport/cultuurcheque op de sport/cultuurchequerekening wordt geplaatst en mag hij enkel worden aanvaard door de culturele operatoren en door sportverenigingen bedoeld in het eerste lid.]5
  Alle sport/cultuurcheques waar deze informatie niet op voorkomt, worden als loon beschouwd;
  [4 In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van sport- en cultuurcheques, waarvan de vervaldatum 30 september 2020 of 30 september 2021 is, verlengd tot en met 30 september 2022.]4
  [5 Binnen de drie maanden na de vervaldatum van de sport/cultuurcheques kan de werknemer bij de uitgever van de sport/cultuurcheques een eenmalige aanvraag doen tot reactivering. De eerste reactiveringsaanvraag van de werknemer is gratis, ongeacht het aantal sport/cultuurcheques waarvoor de activering wordt gevraagd. Eventuele latere aanvragen om reactivering kunnen, ongeacht het aantal sport/cultuurcheques waarop de aanvraag betrekking heeft, worden onderworpen aan de betaling van een maximumbedrag van 5 euro ten laste van de werknemer tenzij de werknemer overmacht kan aantonen. Gereactiveerde sport/cultuurcheques hebben een geldigheidsduur van drie maanden. De uitgevers van de sport/cultuurcheques moeten ervoor zorgen dat de reactiveringsprocedure wordt meegedeeld zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010. Bovendien moeten de betrokken werknemers, bij elke reactiveringsaanvraag, op de hoogte worden gebracht van de reactiveringsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010.
  De mogelijkheid tot reactivering bedoeld in het voorgaande lid, geldt eveneens voor sport/cultuurcheques die vóór 1 juli 2024 zijn uitgegeven en op die datum nog geldig zijn;]5
  4° het totale bedrag van de sport/cultuurcheques door de werkgever toegekend mag per werknemer niet groter zijn dan 100 euro per jaar;
  5°de sport/cultuurcheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld omgeruild worden.
  [5 § 3. Onverminderd de in § 2 opgesomde voorwaarden, dienen de elektronische sport/culturecheques gelijktijdig aan de volgende voorwaarden te voldoen opdat zij niet als loon zouden worden beschouwd:
  1° de elektronische sport/cultuurcheques worden geacht te zijn toegekend aan de werknemer op het moment waarop de sport/cultuurchequerekening van de werknemer wordt gecrediteerd. De sport/cultuurchequerekening is een databank waarop voor een werknemer een aantal elektronische sport/cultuurcheques zullen worden opgeslagen en die beheerd wordt door een uitgever erkend volgens de modaliteiten voorzien in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;
  2° het brutobedrag van de elektronische sport/cultuurcheques wordt vermeld op de afrekening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
  3° vóór het gebruik van de elektronische sport/cultuurcheques kan de werknemer het saldo en de geldigheidsduur nagaan van de sport/cultuurcheques die hem werden toegekend en die nog niet gebruikt werden;
  4° de keuze voor sport/cultuurcheques in een elektronische vorm wordt geregeld via de collectieve of individuele arbeidsovereenkomst bedoeld in § 2, 1°. Indien de toekenning van de sport/cultuurcheque vervat is in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak zonder keuze voor de elektronische vorm, dan kan deze keuze gemaakt worden in een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak, eventueel binnen het kader van een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst. Als een dergelijke overeenkomst niet kan worden gesloten door de afwezigheid van een vakbondsafvaardiging of als het gaat om een personeelscategorie die normaal niet onder een dergelijke overeenkomst valt, dan wordt de keuze voor elektronische sport/cultuurcheques geregeld door een individuele schriftelijke overeenkomst;
  5° de elektronische sport/cultuurcheques kunnen enkel ter beschikking gesteld worden door een erkende uitgever, zoals bepaald in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;
  6° het gebruik van de elektronische sport/cultuurcheques mag geen kosten voor de werknemer teweegbrengen, behalve in geval van diefstal of verlies onder de voorwaarden vast te stellen bij collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal of ondernemingsvlak, of in het arbeidsreglement wanneer de toekenning van elektronische sport/cultuurcheques geregeld is door een individuele schriftelijke overeenkomst. In ieder geval kan de kost van de vervangende drager in geval van diefstal of verlies de nominale waarde van één maaltijdcheque niet overschrijden indien in de onderneming zowel elektronische maaltijdcheques als elektronische sport/cultuurcheques worden toegekend. Indien in de onderneming echter enkel elektronische sport/cultuurcheques worden toegekend, mag de kost van de vervangende drager niet meer bedragen dan 5 euro.
  Alle elektronische sport/cultuurcheques die niet voldoen aan alle in deze paragraaf opgesomde voorwaarden, worden als loon beschouwd.
  Elektronische sport/cultuurcheques, uitgegeven door een uitgever wiens erkenning werd ingetrokken of vervallen is overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010, blijven geldig tot de vervaldag van hun geldigheidsduur.]5
 Â
  Indien een sport/cultuurcheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of van enig ander voordeel of van een aanvulling bij het voorgaande, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet van toepassing.
  § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten sport/cultuurcheques [5 afgeleverd op papieren drager of in een elektronische vorm]5 terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
  1° de toekenning van de sport/cultuurcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak of [5 , wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is,]5 in een geschreven individuele overeenkomst voorzover de werkgever de cheques aan het geheel van werknemers of aan een categorie van werknemers toekent. Indien de werkgever niet valt onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten, dan moet de toekenning geregeld worden door, naargelang het geval, een protocolakkoord afgesloten op het niveau van het bevoegde Onderhandelingscomité of door de regeling vastgesteld door het paritair comité bedoeld hetzij in artikel 30 hetzij in artikel 31 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven [1 door de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in Art. 115 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen,]1 of door schriftelijke individuele overeenkomst.
  [5 Alle sport/cultuurcheques toegekend zonder collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst, of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst die niet conform zijn met de voorwaarden vastgesteld bij dit punt, worden als loon beschouwd;]5
  2° de sport/cultuurcheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en de daarop betrekking hebbende gegevens (aantal sport/cultuurcheques, bedrag van de sport/cultuurcheque) voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten.
  [5 Alle sport/cultuurcheques toegekend zonder dat deze voorwaarde vervuld is, worden als loon beschouwd;]5
  3° [5 op de sport/cultuurcheque op papieren drager staat duidelijk vermeld dat zijn geldigheid tot 15 maanden beperkt is vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer]5 en dat hij slechts aanvaard mag worden door de culturele operatoren die culturele activiteiten organiseren die behoren tot de in artikel 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bedoelde aangelegenheden en die zijn erkend, goedgekeurd of gesubsidieerd door de bevoegde overheid, of door sportverenigingen voor wie een federatie, erkend of gesubsidieerd door de gemeenschappen, bestaat of behoren tot een van de [5 nationale sportfederaties]5. De bevoegde autoriteiten kunnen een lijst opstellen met de operatoren die onder het toepassingsgebied van dit artikel vallen. Deze lijst wordt overgemaakt aan de uitgevers van de cheque. [5 De terbeschikkingstelling wordt gedefinieerd als het ogenblik waarop de werknemer de cheques met een geldigheid van 15 maanden volgend op het einde van de maand waarin de cheques uitgegeven werden, ontvangt.]5
  [5 Indien de sport/cultuurcheque een elektronische vorm heeft, is zijn geldigheid eveneens tot 15 maanden beperkt vanaf het ogenblik dat de elektronische sport/cultuurcheque op de sport/cultuurchequerekening wordt geplaatst en mag hij enkel worden aanvaard door de culturele operatoren en door sportverenigingen bedoeld in het eerste lid.]5
  Alle sport/cultuurcheques waar deze informatie niet op voorkomt, worden als loon beschouwd;
  [4 In afwijking van het eerste lid wordt de geldigheidsduur van sport- en cultuurcheques, waarvan de vervaldatum 30 september 2020 of 30 september 2021 is, verlengd tot en met 30 september 2022.]4
  [5 Binnen de drie maanden na de vervaldatum van de sport/cultuurcheques kan de werknemer bij de uitgever van de sport/cultuurcheques een eenmalige aanvraag doen tot reactivering. De eerste reactiveringsaanvraag van de werknemer is gratis, ongeacht het aantal sport/cultuurcheques waarvoor de activering wordt gevraagd. Eventuele latere aanvragen om reactivering kunnen, ongeacht het aantal sport/cultuurcheques waarop de aanvraag betrekking heeft, worden onderworpen aan de betaling van een maximumbedrag van 5 euro ten laste van de werknemer tenzij de werknemer overmacht kan aantonen. Gereactiveerde sport/cultuurcheques hebben een geldigheidsduur van drie maanden. De uitgevers van de sport/cultuurcheques moeten ervoor zorgen dat de reactiveringsprocedure wordt meegedeeld zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010. Bovendien moeten de betrokken werknemers, bij elke reactiveringsaanvraag, op de hoogte worden gebracht van de reactiveringsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010.
  De mogelijkheid tot reactivering bedoeld in het voorgaande lid, geldt eveneens voor sport/cultuurcheques die vóór 1 juli 2024 zijn uitgegeven en op die datum nog geldig zijn;]5
  4° het totale bedrag van de sport/cultuurcheques door de werkgever toegekend mag per werknemer niet groter zijn dan 100 euro per jaar;
  5°de sport/cultuurcheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld omgeruild worden.
  [5 § 3. Onverminderd de in § 2 opgesomde voorwaarden, dienen de elektronische sport/culturecheques gelijktijdig aan de volgende voorwaarden te voldoen opdat zij niet als loon zouden worden beschouwd:
  1° de elektronische sport/cultuurcheques worden geacht te zijn toegekend aan de werknemer op het moment waarop de sport/cultuurchequerekening van de werknemer wordt gecrediteerd. De sport/cultuurchequerekening is een databank waarop voor een werknemer een aantal elektronische sport/cultuurcheques zullen worden opgeslagen en die beheerd wordt door een uitgever erkend volgens de modaliteiten voorzien in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;
  2° het brutobedrag van de elektronische sport/cultuurcheques wordt vermeld op de afrekening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
  3° vóór het gebruik van de elektronische sport/cultuurcheques kan de werknemer het saldo en de geldigheidsduur nagaan van de sport/cultuurcheques die hem werden toegekend en die nog niet gebruikt werden;
  4° de keuze voor sport/cultuurcheques in een elektronische vorm wordt geregeld via de collectieve of individuele arbeidsovereenkomst bedoeld in § 2, 1°. Indien de toekenning van de sport/cultuurcheque vervat is in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak zonder keuze voor de elektronische vorm, dan kan deze keuze gemaakt worden in een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak, eventueel binnen het kader van een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst. Als een dergelijke overeenkomst niet kan worden gesloten door de afwezigheid van een vakbondsafvaardiging of als het gaat om een personeelscategorie die normaal niet onder een dergelijke overeenkomst valt, dan wordt de keuze voor elektronische sport/cultuurcheques geregeld door een individuele schriftelijke overeenkomst;
  5° de elektronische sport/cultuurcheques kunnen enkel ter beschikking gesteld worden door een erkende uitgever, zoals bepaald in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;
  6° het gebruik van de elektronische sport/cultuurcheques mag geen kosten voor de werknemer teweegbrengen, behalve in geval van diefstal of verlies onder de voorwaarden vast te stellen bij collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal of ondernemingsvlak, of in het arbeidsreglement wanneer de toekenning van elektronische sport/cultuurcheques geregeld is door een individuele schriftelijke overeenkomst. In ieder geval kan de kost van de vervangende drager in geval van diefstal of verlies de nominale waarde van één maaltijdcheque niet overschrijden indien in de onderneming zowel elektronische maaltijdcheques als elektronische sport/cultuurcheques worden toegekend. Indien in de onderneming echter enkel elektronische sport/cultuurcheques worden toegekend, mag de kost van de vervangende drager niet meer bedragen dan 5 euro.
  Alle elektronische sport/cultuurcheques die niet voldoen aan alle in deze paragraaf opgesomde voorwaarden, worden als loon beschouwd.
  Elektronische sport/cultuurcheques, uitgegeven door een uitgever wiens erkenning werd ingetrokken of vervallen is overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010, blijven geldig tot de vervaldag van hun geldigheidsduur.]5
 Â
Wijzigingen
Art. 19ter. § 1er. L'avantage accordé sous forme de chÚque sport/ culture est considéré comme rémunération.
  Si un chÚque sport/culture a été ou est octroyé en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale, le § 2 n'est pas applicable.
  § 2. Pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme rĂ©munĂ©ration, les chĂšques sport/culture [5 qu'ils soient dĂ©livrĂ©s sur support papier ou sous forme Ă©lectronique]5 doivent simultanĂ©ment satisfaire Ă toutes les conditions suivantes :
  1° l'octroi du chĂšque sport/culture doit ĂȘtre prĂ©vu par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise ou [5 , si la conclusion d'une telle convention collective n'est pas possible,]5 par convention individuelle Ă©crite pour autant que l'employeur octroie les chĂšques Ă l'ensemble de ses travailleurs ou catĂ©gorie de travailleurs. Si l'employeur ne tombe pas sous le champ d'application de la loi du 5 dĂ©cembre 1968 relative aux conventions collectives de travail, l'octroi doit ĂȘtre prĂ©vu par, suivant le cas, un protocole d'accord conclu au niveau du ComitĂ© de nĂ©gociation compĂ©tent ou par la rĂ©glementation arrĂȘtĂ©e par la commission paritaire visĂ©e soit Ă l'article 30 soit Ă l'article 31 de la loi du 21 mars 1991 portant rĂ©forme de certaines entreprises publiques Ă©conomiques, [1 par la Commission paritaire nationale visĂ©e Ă l'Art. 115 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges,]1 ou par convention individuelle Ă©crite.
  [5 Tous les chÚques sport/culture octroyés en l'absence de convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite, ou octroyés en vertu d'une convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite qui n'est pas conforme aux conditions fixées par le présent point, sont considérés comme rémunération;]5
  2° le chĂšque sport/culture est dĂ©livrĂ© au nom du travailleur; cette condition est censĂ©e ĂȘtre remplie si son octroi et les donnĂ©es y relatives (nombre de chĂšques sport/culture, montant du chĂšque sport/culture) figure au compte individuel du travailleur, conformĂ©ment Ă la rĂ©glementation relative Ă la tenue des documents sociaux.
  [5 Tous les chÚques sport/culture octroyés sans que cette condition soit remplie sont considérés comme rémunération;]5
  3° [5 le chĂšque sport/culture sur support papier mentionne clairement que sa validitĂ© est limitĂ©e Ă 15 mois Ă partir de la date de sa mise Ă disposition au travailleur]5 et qu'il ne peut ĂȘtre acceptĂ© qu'auprĂšs des opĂ©rateurs culturels qui organisent des activitĂ©s relevant des matiĂšres culturelles visĂ©es Ă l'article 4 de la loi spĂ©ciale du 8 aoĂ»t 1980 et qui sont reconnus, agréés ou subventionnĂ©s par l'autoritĂ© compĂ©tente ou auprĂšs d'associations sportives pour lesquelles il existe une fĂ©dĂ©ration, reconnue ou subventionnĂ©es pour les CommunautĂ©s ou appartenant Ă une des [5 fĂ©dĂ©rations sportives nationales]5. Les autoritĂ©s compĂ©tentes peuvent Ă©tablir une liste des opĂ©rateurs qui tombent dans le champ d'application du prĂ©sent article. Cette liste est communiquĂ©e aux [5 Ă©diteurs]5 de chĂšque. [5 La mise Ă disposition est dĂ©finie comme le moment oĂč le travailleur reçoit les chĂšques avec une validitĂ© de 15 mois suivant la fin du mois au cours duquel les chĂšques ont Ă©tĂ© Ă©mis.]5
  [5 Si le chĂšque sport/culture a une forme Ă©lectronique, sa durĂ©e de validitĂ© est Ă©galement limitĂ©e Ă 15 mois Ă compter du moment oĂč le chĂšque sport/culture Ă©lectronique est placĂ© sur le compte sport/culture Ă©lectronique et il ne peut ĂȘtre acceptĂ© qu'auprĂšs des opĂ©rateurs culturels et auprĂšs d'associations sportives visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er.]5
  Tous les chÚques sport/culture pour lesquels ces renseignements n'apparaissent pas sont considérés comme rémunération;
  [4 Par dérogation à l'alinéa 1er, la durée de validité des chÚques sport et culture, dont la date d'échéance est le 30 septembre 2020 ou le 30 septembre 2021, est prolongée jusqu'au 30 septembre 2022 inclus.]4
  [5 Dans les trois mois suivant leur Ă©chĂ©ance les chĂšques sport/culture pĂ©rimĂ©s peuvent faire l'objet de la part du travailleur d'une demande de rĂ©activation unique auprĂšs de l'Ă©diteur des chĂšques sport/culture. La premiĂšre demande de rĂ©activation formulĂ©e par le travailleur est gratuite indĂ©pendamment du nombre de chĂšques sport/culture pour lesquels l'activation est demandĂ©e. Les Ă©ventuelles demandes de rĂ©activation suivantes peuvent, quel que soit le nombre de chĂšques sport/culture concernĂ©s par la demande, ĂȘtre soumises au paiement d'un coĂ»t maximal de 5 euros Ă charge du travailleur sauf si le travailleur peut dĂ©montrer une force majeure. Les chĂšques sport/culture rĂ©activĂ©s ont une durĂ©e de validitĂ© de trois mois. Les Ă©diteurs des chĂšques sport/culture doivent veiller Ă une communication relative Ă la procĂ©dure de rĂ©activation comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©. En outre, lors de chaque demande de rĂ©activation, une communication quant aux conditions de rĂ©activation doit ĂȘtre effectuĂ©e auprĂšs des travailleurs concernĂ©s comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©.
  La possibilité de réactivation visée à l'alinéa précédent, s'applique également aux chÚques sport/culture émis antérieurement au 1er juillet 2024 et toujours valables à cette date;]5
  4° le montant total des chÚques sport/culture octroyés par l'employeur ne peut dépasser par travailleur [5 100 euros]5 par an;
  5° les chĂšques sport/culture ne peuvent ĂȘtre Ă©changĂ©s partiellement ou totalement en espĂšces.
  [5 § 3. Sans prĂ©judice des conditions Ă©numĂ©rĂ©es au § 2, les chĂšques sport/culture Ă©lectroniques doivent simultanĂ©ment satisfaire aux conditions suivantes pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme rĂ©munĂ©ration :
  1° les chĂšques sport/culture Ă©lectroniques sont censĂ©s ĂȘtre octroyĂ©s au travailleur au moment oĂč le compte chĂšques sport/culture du travailleur est crĂ©ditĂ©. Le compte chĂšques sport/culture est une banque de donnĂ©es dans laquelle un certain nombre de chĂšques sport/culture Ă©lectroniques pour un travailleur seront enregistrĂ©s et gĂ©rĂ©s par un Ă©diteur agréé selon les modalitĂ©s prĂ©vues dans l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©;
  2° le montant brut des chÚques sport/culture électroniques est mentionné sur le décompte, visé à l'article 15, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
  3° avant l'utilisation des chÚques sport/culture électroniques, le travailleur peut vérifier le solde ainsi que la durée de validité des chÚques sport/culture qui lui ont été délivrés et qui n'ont pas encore été utilisés;
  4° le choix pour des chĂšques sport/culture Ă©lectroniques est rĂ©glĂ© par la convention collective ou individuelle de travail visĂ©e au § 2, 1°. Si l'octroi du chĂšque sport/culture est contenu dans une convention collective de travail au niveau sectoriel sans choix pour la forme Ă©lectronique, ce choix peut ĂȘtre fait dans une convention collective de travail conclue au niveau de l'entreprise, Ă©ventuellement dans le cadre d'une convention collective de travail sectorielle. Si une telle convention ne peut pas ĂȘtre conclue en l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui n'est habituellement pas visĂ©e par une telle convention, le choix pour les chĂšques sport/culture Ă©lectroniques est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit;
  5° les chĂšques sport/culture Ă©lectroniques ne peuvent ĂȘtre mis Ă disposition que par un Ă©diteur agréé, comme le prĂ©voit l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©;
  6° l'utilisation des chĂšques sport/culture Ă©lectroniques ne peut pas entraĂźner de coĂ»ts pour le travailleur, sauf en cas de vol ou de perte dans les conditions Ă fixer par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise, ou par le rĂšglement de travail lorsque l'octroi de chĂšques sport/culture Ă©lectroniques est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. En tout cas, le coĂ»t du support de remplacement en cas de vol ou perte ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă la valeur nominale d'un titre-repas si dans l'entreprise tant des titres-repas Ă©lectroniques que des chĂšques sport/culture Ă©lectroniques sont accordĂ©s. Cependant, lorsque seuls des chĂšques sport/culture Ă©lectroniques sont accordĂ©s dans l'entreprise le coĂ»t du support de remplacement ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă 5 euros.
  Tous les chÚques sport/culture électroniques qui ne remplissent pas toutes les conditions énumérées au présent paragraphe sont considérés comme étant une rémunération.
  Les chĂšques sport/culture Ă©lectroniques Ă©mis par un Ă©diteur dont l'agrĂ©ment a Ă©tĂ© retirĂ© ou rendu caduque conformĂ©ment aux dispositions dudit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 restent valables jusqu'Ă la date d'expiration de leur durĂ©e de validitĂ©.]5
 Â
  Si un chÚque sport/culture a été ou est octroyé en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale, le § 2 n'est pas applicable.
  § 2. Pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme rĂ©munĂ©ration, les chĂšques sport/culture [5 qu'ils soient dĂ©livrĂ©s sur support papier ou sous forme Ă©lectronique]5 doivent simultanĂ©ment satisfaire Ă toutes les conditions suivantes :
  1° l'octroi du chĂšque sport/culture doit ĂȘtre prĂ©vu par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise ou [5 , si la conclusion d'une telle convention collective n'est pas possible,]5 par convention individuelle Ă©crite pour autant que l'employeur octroie les chĂšques Ă l'ensemble de ses travailleurs ou catĂ©gorie de travailleurs. Si l'employeur ne tombe pas sous le champ d'application de la loi du 5 dĂ©cembre 1968 relative aux conventions collectives de travail, l'octroi doit ĂȘtre prĂ©vu par, suivant le cas, un protocole d'accord conclu au niveau du ComitĂ© de nĂ©gociation compĂ©tent ou par la rĂ©glementation arrĂȘtĂ©e par la commission paritaire visĂ©e soit Ă l'article 30 soit Ă l'article 31 de la loi du 21 mars 1991 portant rĂ©forme de certaines entreprises publiques Ă©conomiques, [1 par la Commission paritaire nationale visĂ©e Ă l'Art. 115 de la loi du 23 juillet 1926 relative Ă la SNCB et au personnel des Chemins de fer belges,]1 ou par convention individuelle Ă©crite.
  [5 Tous les chÚques sport/culture octroyés en l'absence de convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite, ou octroyés en vertu d'une convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite qui n'est pas conforme aux conditions fixées par le présent point, sont considérés comme rémunération;]5
  2° le chĂšque sport/culture est dĂ©livrĂ© au nom du travailleur; cette condition est censĂ©e ĂȘtre remplie si son octroi et les donnĂ©es y relatives (nombre de chĂšques sport/culture, montant du chĂšque sport/culture) figure au compte individuel du travailleur, conformĂ©ment Ă la rĂ©glementation relative Ă la tenue des documents sociaux.
  [5 Tous les chÚques sport/culture octroyés sans que cette condition soit remplie sont considérés comme rémunération;]5
  3° [5 le chĂšque sport/culture sur support papier mentionne clairement que sa validitĂ© est limitĂ©e Ă 15 mois Ă partir de la date de sa mise Ă disposition au travailleur]5 et qu'il ne peut ĂȘtre acceptĂ© qu'auprĂšs des opĂ©rateurs culturels qui organisent des activitĂ©s relevant des matiĂšres culturelles visĂ©es Ă l'article 4 de la loi spĂ©ciale du 8 aoĂ»t 1980 et qui sont reconnus, agréés ou subventionnĂ©s par l'autoritĂ© compĂ©tente ou auprĂšs d'associations sportives pour lesquelles il existe une fĂ©dĂ©ration, reconnue ou subventionnĂ©es pour les CommunautĂ©s ou appartenant Ă une des [5 fĂ©dĂ©rations sportives nationales]5. Les autoritĂ©s compĂ©tentes peuvent Ă©tablir une liste des opĂ©rateurs qui tombent dans le champ d'application du prĂ©sent article. Cette liste est communiquĂ©e aux [5 Ă©diteurs]5 de chĂšque. [5 La mise Ă disposition est dĂ©finie comme le moment oĂč le travailleur reçoit les chĂšques avec une validitĂ© de 15 mois suivant la fin du mois au cours duquel les chĂšques ont Ă©tĂ© Ă©mis.]5
  [5 Si le chĂšque sport/culture a une forme Ă©lectronique, sa durĂ©e de validitĂ© est Ă©galement limitĂ©e Ă 15 mois Ă compter du moment oĂč le chĂšque sport/culture Ă©lectronique est placĂ© sur le compte sport/culture Ă©lectronique et il ne peut ĂȘtre acceptĂ© qu'auprĂšs des opĂ©rateurs culturels et auprĂšs d'associations sportives visĂ©s Ă l'alinĂ©a 1er.]5
  Tous les chÚques sport/culture pour lesquels ces renseignements n'apparaissent pas sont considérés comme rémunération;
  [4 Par dérogation à l'alinéa 1er, la durée de validité des chÚques sport et culture, dont la date d'échéance est le 30 septembre 2020 ou le 30 septembre 2021, est prolongée jusqu'au 30 septembre 2022 inclus.]4
  [5 Dans les trois mois suivant leur Ă©chĂ©ance les chĂšques sport/culture pĂ©rimĂ©s peuvent faire l'objet de la part du travailleur d'une demande de rĂ©activation unique auprĂšs de l'Ă©diteur des chĂšques sport/culture. La premiĂšre demande de rĂ©activation formulĂ©e par le travailleur est gratuite indĂ©pendamment du nombre de chĂšques sport/culture pour lesquels l'activation est demandĂ©e. Les Ă©ventuelles demandes de rĂ©activation suivantes peuvent, quel que soit le nombre de chĂšques sport/culture concernĂ©s par la demande, ĂȘtre soumises au paiement d'un coĂ»t maximal de 5 euros Ă charge du travailleur sauf si le travailleur peut dĂ©montrer une force majeure. Les chĂšques sport/culture rĂ©activĂ©s ont une durĂ©e de validitĂ© de trois mois. Les Ă©diteurs des chĂšques sport/culture doivent veiller Ă une communication relative Ă la procĂ©dure de rĂ©activation comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©. En outre, lors de chaque demande de rĂ©activation, une communication quant aux conditions de rĂ©activation doit ĂȘtre effectuĂ©e auprĂšs des travailleurs concernĂ©s comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©.
  La possibilité de réactivation visée à l'alinéa précédent, s'applique également aux chÚques sport/culture émis antérieurement au 1er juillet 2024 et toujours valables à cette date;]5
  4° le montant total des chÚques sport/culture octroyés par l'employeur ne peut dépasser par travailleur [5 100 euros]5 par an;
  5° les chĂšques sport/culture ne peuvent ĂȘtre Ă©changĂ©s partiellement ou totalement en espĂšces.
  [5 § 3. Sans prĂ©judice des conditions Ă©numĂ©rĂ©es au § 2, les chĂšques sport/culture Ă©lectroniques doivent simultanĂ©ment satisfaire aux conditions suivantes pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme rĂ©munĂ©ration :
  1° les chĂšques sport/culture Ă©lectroniques sont censĂ©s ĂȘtre octroyĂ©s au travailleur au moment oĂč le compte chĂšques sport/culture du travailleur est crĂ©ditĂ©. Le compte chĂšques sport/culture est une banque de donnĂ©es dans laquelle un certain nombre de chĂšques sport/culture Ă©lectroniques pour un travailleur seront enregistrĂ©s et gĂ©rĂ©s par un Ă©diteur agréé selon les modalitĂ©s prĂ©vues dans l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©;
  2° le montant brut des chÚques sport/culture électroniques est mentionné sur le décompte, visé à l'article 15, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
  3° avant l'utilisation des chÚques sport/culture électroniques, le travailleur peut vérifier le solde ainsi que la durée de validité des chÚques sport/culture qui lui ont été délivrés et qui n'ont pas encore été utilisés;
  4° le choix pour des chĂšques sport/culture Ă©lectroniques est rĂ©glĂ© par la convention collective ou individuelle de travail visĂ©e au § 2, 1°. Si l'octroi du chĂšque sport/culture est contenu dans une convention collective de travail au niveau sectoriel sans choix pour la forme Ă©lectronique, ce choix peut ĂȘtre fait dans une convention collective de travail conclue au niveau de l'entreprise, Ă©ventuellement dans le cadre d'une convention collective de travail sectorielle. Si une telle convention ne peut pas ĂȘtre conclue en l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui n'est habituellement pas visĂ©e par une telle convention, le choix pour les chĂšques sport/culture Ă©lectroniques est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit;
  5° les chĂšques sport/culture Ă©lectroniques ne peuvent ĂȘtre mis Ă disposition que par un Ă©diteur agréé, comme le prĂ©voit l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©;
  6° l'utilisation des chĂšques sport/culture Ă©lectroniques ne peut pas entraĂźner de coĂ»ts pour le travailleur, sauf en cas de vol ou de perte dans les conditions Ă fixer par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise, ou par le rĂšglement de travail lorsque l'octroi de chĂšques sport/culture Ă©lectroniques est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. En tout cas, le coĂ»t du support de remplacement en cas de vol ou perte ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă la valeur nominale d'un titre-repas si dans l'entreprise tant des titres-repas Ă©lectroniques que des chĂšques sport/culture Ă©lectroniques sont accordĂ©s. Cependant, lorsque seuls des chĂšques sport/culture Ă©lectroniques sont accordĂ©s dans l'entreprise le coĂ»t du support de remplacement ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă 5 euros.
  Tous les chÚques sport/culture électroniques qui ne remplissent pas toutes les conditions énumérées au présent paragraphe sont considérés comme étant une rémunération.
  Les chĂšques sport/culture Ă©lectroniques Ă©mis par un Ă©diteur dont l'agrĂ©ment a Ă©tĂ© retirĂ© ou rendu caduque conformĂ©ment aux dispositions dudit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 restent valables jusqu'Ă la date d'expiration de leur durĂ©e de validitĂ©.]5
 Â
Wijzigingen
Art. 19quater. [1 § 1. Het voordeel toegekend onder de vorm van een ecocheque wordt als loon beschouwd.
  Indien een ecocheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of van enig ander voordeel of van een aanvulling bij het voorgaande, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet van toepassing. [2 § 2 is echter wel toepasselijk op ecocheques die worden verleend ter vervanging of ter omzetting van maaltijdcheques die niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid zijn.]2
  § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten [8 elektronische ecocheques]8 terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
  1° De toekenning van de ecocheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst. Deze overeenkomst moet schriftelijk zijn en het bedrag van de ecocheque mag niet hoger zijn dan dat voorzien bij collectieve arbeidsovereenkomst in dezelfde onderneming;
  Alle ecocheques toegekend zonder collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst, of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst die niet conform is met de voorwaarden vastgesteld bij deze paragraaf, worden als loon beschouwd;
  2° De collectieve arbeidsovereenkomst of individuele overeenkomst bepaalt de hoogste nominale waarde van de echocheque, met een maximum van 10 euro per ecocheque, evenals de frequentie van toekenning ervan gedurende een kalenderjaar;
  [3 [8 De elektronische ecocheques]8 worden geacht te zijn toegekend aan de werknemer op het moment waarop diens ecochequerekening wordt gecrediteerd. De ecochequerekening is een databank waarop voor een werknemer een aantal elektronische ecocheques zullen worden opgeslagen en die beheerd wordt door een uitgever erkend volgens de modaliteiten voorzien in het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 [10 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers van maaltijd-, sport/cultuur-, eco- en consumptiecheques in een elektronische vorm, tot uitvoering van artikelen 183 tot 185 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen]10.]3
  3° De ecocheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en de daarop betrekking hebbende gegevens (aantal ecocheques, bedrag van de ecocheque) voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten.
  Alle ecocheques toegekend zonder dat deze voorwaarde vervuld is worden als loon beschouwd;
  4° [8 ...]8
  [8 ...]8
  [3 [8 De elektronische ecocheque heeft een geldigheidsduur beperkt]8 tot 24 maanden te rekenen vanaf het ogenblik dat de elektronische ecocheque op de ecochequerekening wordt geplaatst en mag [8 ...]8 enkel worden gebruikt voor de aankoop van producten en diensten met een ecologisch karakter die zijn opgenomen in de lijst bij de collectieve arbeidsovereenkomst n° 98 gesloten in de Nationale Arbeidsraad.]3
  [8 ...]8
  [11 ...]11
  [8 ...]8
  [11 ...]11
  [9 Binnen drie maanden na de vervaldatum van de ecocheques kan de werknemer de uitgever van de ecocheques een eenmalig aanvraag doen tot reactivering. De eerste reactiveringsaanvraag van de werknemer is gratis ongeacht het aantal ecocheques waarvoor de activering wordt gevraagd. Eventuele latere aanvragen om reactivering kunnen worden onderworpen, ongeacht het aantal ecocheques waarop de aanvraag betrekking heeft, aan de betaling van een maximumbedrag van 5 euro ten laste van de werknemer tenzij de werknemer overmacht kan aantonen. Gereactiveerde ecocheques hebben een geldigheidsduur van drie maanden. De uitgevers van de ecocheques moeten ervoor zorgen dat de reactiveringsprocedure wordt meegedeeld zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010. Bovendien moeten de betrokken werknemers, bij elke reactiveringsaanvraag, op de hoogte worden gebracht van de reactiveringsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;]9
  5° De ecocheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld omgeruild worden;
  6° [8 Het totale bedrag van de door de werkgever toegekende ecocheques mag niet meer bedragen dan 250 euro per jaar en per werknemer. De Koning kan het bedrag van 250 euro aanpassen op basis van een unaniem advies van de Nationale Arbeidsraad;]8]1
  [8 7° Het brutobedrag van de ecocheques in een elektronische vorm wordt vermeld op de afrekening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
  8° Vóór het gebruik van de ecocheques in een elektronische vorm kan de werknemer het saldo en de geldigheidsduur nagaan van de ecocheques die hem werden toegekend en die nog niet gebruikt werden;
  9° De ecocheques in een elektronische vorm kunnen enkel ter beschikking gesteld worden door een uitgever gezamenlijk erkend door de minister bevoegd voor Sociale Zaken, de minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Zelfstandigen en de minister bevoegd voor Economische Zaken, zoals bepaald in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;
  10° Het gebruik van de ecocheques in een elektronische vorm mag geen kosten voor de werknemer teweegbrengen, behalve in geval van diefstal of verlies onder de voorwaarden vast te stellen bij collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal of ondernemingsvlak, of in het arbeidsreglement wanneer [10 de toekenning van elektronische ecocheques]10 geregeld is door een individuele schriftelijke overeenkomst. In ieder geval kan de kost van de vervangende drager in geval van diefstal of verlies de nominale waarde van één maaltijdcheque niet overschrijden indien in de onderneming zowel elektronische maaltijdcheques als elektronische ecocheques worden toegekend. Indien in de onderneming echter enkel elektronische ecocheques worden toegekend, mag de kost van de vervangende drager niet meer bedragen dan 5 euro.]8
  [8 Alle ecocheques in een elektronische vorm die niet voldoen aan alle in deze paragraaf opgesomde voorwaarden worden als loon beschouwd.
  Ecocheques in een elektronische vorm, uitgegeven door een uitgever wiens erkenning werd ingetrokken of vervallen is overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010, blijven geldig tot de vervaldag van hun geldigheidsduur.]8
  [3 § 3. [8 ...]8]3
 Â
  Indien een ecocheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of van enig ander voordeel of van een aanvulling bij het voorgaande, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet van toepassing. [2 § 2 is echter wel toepasselijk op ecocheques die worden verleend ter vervanging of ter omzetting van maaltijdcheques die niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid zijn.]2
  § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten [8 elektronische ecocheques]8 terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
  1° De toekenning van de ecocheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst. Deze overeenkomst moet schriftelijk zijn en het bedrag van de ecocheque mag niet hoger zijn dan dat voorzien bij collectieve arbeidsovereenkomst in dezelfde onderneming;
  Alle ecocheques toegekend zonder collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst, of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst die niet conform is met de voorwaarden vastgesteld bij deze paragraaf, worden als loon beschouwd;
  2° De collectieve arbeidsovereenkomst of individuele overeenkomst bepaalt de hoogste nominale waarde van de echocheque, met een maximum van 10 euro per ecocheque, evenals de frequentie van toekenning ervan gedurende een kalenderjaar;
  [3 [8 De elektronische ecocheques]8 worden geacht te zijn toegekend aan de werknemer op het moment waarop diens ecochequerekening wordt gecrediteerd. De ecochequerekening is een databank waarop voor een werknemer een aantal elektronische ecocheques zullen worden opgeslagen en die beheerd wordt door een uitgever erkend volgens de modaliteiten voorzien in het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 [10 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers van maaltijd-, sport/cultuur-, eco- en consumptiecheques in een elektronische vorm, tot uitvoering van artikelen 183 tot 185 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen]10.]3
  3° De ecocheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en de daarop betrekking hebbende gegevens (aantal ecocheques, bedrag van de ecocheque) voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten.
  Alle ecocheques toegekend zonder dat deze voorwaarde vervuld is worden als loon beschouwd;
  4° [8 ...]8
  [8 ...]8
  [3 [8 De elektronische ecocheque heeft een geldigheidsduur beperkt]8 tot 24 maanden te rekenen vanaf het ogenblik dat de elektronische ecocheque op de ecochequerekening wordt geplaatst en mag [8 ...]8 enkel worden gebruikt voor de aankoop van producten en diensten met een ecologisch karakter die zijn opgenomen in de lijst bij de collectieve arbeidsovereenkomst n° 98 gesloten in de Nationale Arbeidsraad.]3
  [8 ...]8
  [11 ...]11
  [8 ...]8
  [11 ...]11
  [9 Binnen drie maanden na de vervaldatum van de ecocheques kan de werknemer de uitgever van de ecocheques een eenmalig aanvraag doen tot reactivering. De eerste reactiveringsaanvraag van de werknemer is gratis ongeacht het aantal ecocheques waarvoor de activering wordt gevraagd. Eventuele latere aanvragen om reactivering kunnen worden onderworpen, ongeacht het aantal ecocheques waarop de aanvraag betrekking heeft, aan de betaling van een maximumbedrag van 5 euro ten laste van de werknemer tenzij de werknemer overmacht kan aantonen. Gereactiveerde ecocheques hebben een geldigheidsduur van drie maanden. De uitgevers van de ecocheques moeten ervoor zorgen dat de reactiveringsprocedure wordt meegedeeld zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010. Bovendien moeten de betrokken werknemers, bij elke reactiveringsaanvraag, op de hoogte worden gebracht van de reactiveringsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;]9
  5° De ecocheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld omgeruild worden;
  6° [8 Het totale bedrag van de door de werkgever toegekende ecocheques mag niet meer bedragen dan 250 euro per jaar en per werknemer. De Koning kan het bedrag van 250 euro aanpassen op basis van een unaniem advies van de Nationale Arbeidsraad;]8]1
  [8 7° Het brutobedrag van de ecocheques in een elektronische vorm wordt vermeld op de afrekening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
  8° Vóór het gebruik van de ecocheques in een elektronische vorm kan de werknemer het saldo en de geldigheidsduur nagaan van de ecocheques die hem werden toegekend en die nog niet gebruikt werden;
  9° De ecocheques in een elektronische vorm kunnen enkel ter beschikking gesteld worden door een uitgever gezamenlijk erkend door de minister bevoegd voor Sociale Zaken, de minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Zelfstandigen en de minister bevoegd voor Economische Zaken, zoals bepaald in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;
  10° Het gebruik van de ecocheques in een elektronische vorm mag geen kosten voor de werknemer teweegbrengen, behalve in geval van diefstal of verlies onder de voorwaarden vast te stellen bij collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal of ondernemingsvlak, of in het arbeidsreglement wanneer [10 de toekenning van elektronische ecocheques]10 geregeld is door een individuele schriftelijke overeenkomst. In ieder geval kan de kost van de vervangende drager in geval van diefstal of verlies de nominale waarde van één maaltijdcheque niet overschrijden indien in de onderneming zowel elektronische maaltijdcheques als elektronische ecocheques worden toegekend. Indien in de onderneming echter enkel elektronische ecocheques worden toegekend, mag de kost van de vervangende drager niet meer bedragen dan 5 euro.]8
  [8 Alle ecocheques in een elektronische vorm die niet voldoen aan alle in deze paragraaf opgesomde voorwaarden worden als loon beschouwd.
  Ecocheques in een elektronische vorm, uitgegeven door een uitgever wiens erkenning werd ingetrokken of vervallen is overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010, blijven geldig tot de vervaldag van hun geldigheidsduur.]8
  [3 § 3. [8 ...]8]3
 Â
Wijzigingen
Art. 19quater. [1 § 1er. L'avantage accordé sous la forme d'un éco-chÚque est considéré comme rémunération.
  Si un éco-chÚque a été ou est octroyé en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale, le § 2 n'est pas applicable. [2 Le § 2 est toutefois applicable aux écochÚques qui sont délivrés en remplacement ou en conversion [10 de titres-repas]10 qui ne sont pas passibles de cotisations de sécurité sociale.]2
  § 2. Pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme rĂ©munĂ©ration, [8 les Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques]8 doivent simultanĂ©ment satisfaire Ă toutes les conditions suivantes :
  1° L'octroi de l'[9 Ă©co-chĂšque]9 doit ĂȘtre prĂ©vu par une convention collective de travail conclue au niveau sectoriel ou de l'entreprise. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue Ă dĂ©faut de dĂ©lĂ©gation syndicale ou lorsqu'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui habituellement n'est pas visĂ©e par une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle. Cette convention doit ĂȘtre Ă©crite et le montant de l'Ă©co-chĂšque ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă celui prĂ©vu par convention collective dans la mĂȘme entreprise;
  Tous les éco-chÚques octroyés en l'absence de convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite, ou octroyés en vertu d'une convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite qui n'est pas conforme aux conditions fixées par le présent paragraphe, sont considérés comme rémunération;
  2° La convention collective de travail ou la convention individuelle mentionne la valeur nominale maximum de l'éco-chÚque avec un montant maximum de 10 euros par éco-chÚque, ainsi que la fréquence de l'octroi des éco-chÚques pendant une année civile;
  [3 [8 les Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques]8 sont censĂ©s ĂȘtre octroyĂ©s au travailleur au moment oĂč son compte Ă©co-chĂšques est crĂ©ditĂ©. Le compte Ă©co-chĂšques est une banque de donnĂ©es dans laquelle un certain nombre d' Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques pour un travailleur seront enregistrĂ©s et gĂ©rĂ©s par un Ă©diteur agréé selon les modalitĂ©s prĂ©vues dans l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 [10 fixant les conditions d'agrĂ©ment et la procĂ©dure d'agrĂ©ment pour les Ă©diteurs des titres-repas, chĂšques sport/culture, Ă©co-chĂšques et chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique, exĂ©cutant les articles 183 Ă 185 de la loi du 30 dĂ©cembre 2009 portant des dispositions diverses]10.]3
  3° L' Ă©co-chĂšque est dĂ©livrĂ© au nom du travailleur; cette condition est censĂ©e ĂȘtre remplie si son octroi et les donnĂ©es y relatives (nombre d' Ă©co-chĂšques, montant de l'Ă©co-chĂšque) sont mentionnĂ©s au compte individuel du travailleur, conformĂ©ment Ă la rĂ©glementation relative Ă la tenue des documents sociaux.
  Tous les éco-chÚques octroyés sans que cette condition soit remplie sont considérés comme rémunération;
  4° [8 ...]8
  [8 ...]8
  [3 [8 L'Ă©co-chĂšque Ă©lectronique a une [9 durĂ©e de validitĂ© limitĂ©e]9]8 Ă 24 mois Ă compter du moment oĂč l' Ă©co-chĂšque Ă©lectronique est placĂ© sur le compte Ă©co-chĂšques et il ne peut ĂȘtre utilisĂ© que pour l'achat de produits et services Ă caractĂšre Ă©cologique repris dans la liste annexĂ©e Ă la convention collective de travail n° 98 conclue au sein du Conseil national du travail.]3
  [8 ...]8
  [11 ...]11
  [8 ...]8
  [11 ...]11
  [9 Dans les trois mois suivant leur Ă©chĂ©ance les Ă©co-chĂšques pĂ©rimĂ©s peuvent faire l'objet de la part du travailleur d'une demande de rĂ©activation unique auprĂšs de l'Ă©diteur des Ă©co-chĂšques. La premiĂšre demande de rĂ©activation formulĂ©e par le travailleur est gratuite indĂ©pendamment du nombre d'Ă©co-chĂšques pour lesquels l'activation est demandĂ©e. Les Ă©ventuelles demandes de rĂ©activation suivantes peuvent, quel que soit le nombre d'Ă©co-chĂšques concernĂ©s par la demande, ĂȘtre soumises au paiement d'un coĂ»t maximal de 5 euros Ă charge du travailleur sauf si le travailleur peut dĂ©montrer une force majeure. Les Ă©co-chĂšques rĂ©activĂ©s ont une durĂ©e de validitĂ© de trois mois. Les Ă©diteurs des Ă©co-chĂšques doivent veiller Ă une communication relative Ă la procĂ©dure de rĂ©activation comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©. En outre, lors de chaque demande de rĂ©activation, une communication quant aux conditions de rĂ©activations doit ĂȘtre effectuĂ©e auprĂšs des travailleurs concernĂ©s comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©.]9
  5° Les Ă©co-chĂšques ne peuvent ĂȘtre Ă©changĂ©s partiellement ou totalement en espĂšces;
  6° [8 Le montant total des éco-chÚques octroyés par l'employeur ne peut dépasser 250 euros par an et par travailleur. Le Roi peut adapter le montant de 250 euros sur base d'un avis unanime du Conseil National du Travail;]8]1
  [8 7° Le montant brut des éco-chÚques sous forme électronique est mentionné sur le décompte, visé à l'article 15, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
  8° Avant l'utilisation des éco-chÚques sous forme électronique, le travailleur peut vérifier le solde ainsi que la durée de validité des éco-chÚques qui lui ont été délivrés et qui n'ont pas encore été utilisés;
  9° Les Ă©co-chĂšques sous forme Ă©lectronique ne peuvent ĂȘtre mis Ă dispositions que par un Ă©diteur agréé conjointement par le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions, par le ministre qui a l'Emploi dans ses attributions, par le ministre qui a les IndĂ©pendants dans ses attributions et par le ministre qui a les Affaires Ă©conomiques dans ses attributions, comme le prĂ©voit l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©;
  10° L'utilisation des Ă©co-chĂšques sous forme Ă©lectronique ne peut pas entraĂźner de coĂ»ts pour le travailleur, sauf en cas de vol ou de perte dans les conditions Ă fixer par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise, ou par le rĂšglement de travail lorsque [10 l'octroi d'Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques]10 est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. En tout cas, le coĂ»t du support de remplacement en cas de vol ou perte ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă la valeur nominale d'un titre-repas si dans l'entreprise tant des titres-repas Ă©lectroniques que des Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques sont accordĂ©s. Cependant, lorsque seuls des Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques sont accordĂ©s dans l'entreprise le coĂ»t du support de remplacement ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă 5 euros.]8
  [8 Tous les éco-chÚques sous forme électronique qui ne remplissent pas toutes les conditions énumérées au présent paragraphe sont considérés comme étant une rémunération.
  Les Ă©co-chĂšques sous forme Ă©lectronique Ă©mis par un Ă©diteur dont l'agrĂ©ment a Ă©tĂ© retirĂ© ou rendu caduque conformĂ©ment aux dispositions dudit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 restent valables jusqu'Ă la date d'expiration de leur durĂ©e de validitĂ©.]8
  [3 § 3. [8 ...]8]3
 Â
  Si un éco-chÚque a été ou est octroyé en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale, le § 2 n'est pas applicable. [2 Le § 2 est toutefois applicable aux écochÚques qui sont délivrés en remplacement ou en conversion [10 de titres-repas]10 qui ne sont pas passibles de cotisations de sécurité sociale.]2
  § 2. Pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme rĂ©munĂ©ration, [8 les Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques]8 doivent simultanĂ©ment satisfaire Ă toutes les conditions suivantes :
  1° L'octroi de l'[9 Ă©co-chĂšque]9 doit ĂȘtre prĂ©vu par une convention collective de travail conclue au niveau sectoriel ou de l'entreprise. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue Ă dĂ©faut de dĂ©lĂ©gation syndicale ou lorsqu'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui habituellement n'est pas visĂ©e par une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle. Cette convention doit ĂȘtre Ă©crite et le montant de l'Ă©co-chĂšque ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă celui prĂ©vu par convention collective dans la mĂȘme entreprise;
  Tous les éco-chÚques octroyés en l'absence de convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite, ou octroyés en vertu d'une convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite qui n'est pas conforme aux conditions fixées par le présent paragraphe, sont considérés comme rémunération;
  2° La convention collective de travail ou la convention individuelle mentionne la valeur nominale maximum de l'éco-chÚque avec un montant maximum de 10 euros par éco-chÚque, ainsi que la fréquence de l'octroi des éco-chÚques pendant une année civile;
  [3 [8 les Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques]8 sont censĂ©s ĂȘtre octroyĂ©s au travailleur au moment oĂč son compte Ă©co-chĂšques est crĂ©ditĂ©. Le compte Ă©co-chĂšques est une banque de donnĂ©es dans laquelle un certain nombre d' Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques pour un travailleur seront enregistrĂ©s et gĂ©rĂ©s par un Ă©diteur agréé selon les modalitĂ©s prĂ©vues dans l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 [10 fixant les conditions d'agrĂ©ment et la procĂ©dure d'agrĂ©ment pour les Ă©diteurs des titres-repas, chĂšques sport/culture, Ă©co-chĂšques et chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique, exĂ©cutant les articles 183 Ă 185 de la loi du 30 dĂ©cembre 2009 portant des dispositions diverses]10.]3
  3° L' Ă©co-chĂšque est dĂ©livrĂ© au nom du travailleur; cette condition est censĂ©e ĂȘtre remplie si son octroi et les donnĂ©es y relatives (nombre d' Ă©co-chĂšques, montant de l'Ă©co-chĂšque) sont mentionnĂ©s au compte individuel du travailleur, conformĂ©ment Ă la rĂ©glementation relative Ă la tenue des documents sociaux.
  Tous les éco-chÚques octroyés sans que cette condition soit remplie sont considérés comme rémunération;
  4° [8 ...]8
  [8 ...]8
  [3 [8 L'Ă©co-chĂšque Ă©lectronique a une [9 durĂ©e de validitĂ© limitĂ©e]9]8 Ă 24 mois Ă compter du moment oĂč l' Ă©co-chĂšque Ă©lectronique est placĂ© sur le compte Ă©co-chĂšques et il ne peut ĂȘtre utilisĂ© que pour l'achat de produits et services Ă caractĂšre Ă©cologique repris dans la liste annexĂ©e Ă la convention collective de travail n° 98 conclue au sein du Conseil national du travail.]3
  [8 ...]8
  [11 ...]11
  [8 ...]8
  [11 ...]11
  [9 Dans les trois mois suivant leur Ă©chĂ©ance les Ă©co-chĂšques pĂ©rimĂ©s peuvent faire l'objet de la part du travailleur d'une demande de rĂ©activation unique auprĂšs de l'Ă©diteur des Ă©co-chĂšques. La premiĂšre demande de rĂ©activation formulĂ©e par le travailleur est gratuite indĂ©pendamment du nombre d'Ă©co-chĂšques pour lesquels l'activation est demandĂ©e. Les Ă©ventuelles demandes de rĂ©activation suivantes peuvent, quel que soit le nombre d'Ă©co-chĂšques concernĂ©s par la demande, ĂȘtre soumises au paiement d'un coĂ»t maximal de 5 euros Ă charge du travailleur sauf si le travailleur peut dĂ©montrer une force majeure. Les Ă©co-chĂšques rĂ©activĂ©s ont une durĂ©e de validitĂ© de trois mois. Les Ă©diteurs des Ă©co-chĂšques doivent veiller Ă une communication relative Ă la procĂ©dure de rĂ©activation comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©. En outre, lors de chaque demande de rĂ©activation, une communication quant aux conditions de rĂ©activations doit ĂȘtre effectuĂ©e auprĂšs des travailleurs concernĂ©s comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©.]9
  5° Les Ă©co-chĂšques ne peuvent ĂȘtre Ă©changĂ©s partiellement ou totalement en espĂšces;
  6° [8 Le montant total des éco-chÚques octroyés par l'employeur ne peut dépasser 250 euros par an et par travailleur. Le Roi peut adapter le montant de 250 euros sur base d'un avis unanime du Conseil National du Travail;]8]1
  [8 7° Le montant brut des éco-chÚques sous forme électronique est mentionné sur le décompte, visé à l'article 15, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
  8° Avant l'utilisation des éco-chÚques sous forme électronique, le travailleur peut vérifier le solde ainsi que la durée de validité des éco-chÚques qui lui ont été délivrés et qui n'ont pas encore été utilisés;
  9° Les Ă©co-chĂšques sous forme Ă©lectronique ne peuvent ĂȘtre mis Ă dispositions que par un Ă©diteur agréé conjointement par le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions, par le ministre qui a l'Emploi dans ses attributions, par le ministre qui a les IndĂ©pendants dans ses attributions et par le ministre qui a les Affaires Ă©conomiques dans ses attributions, comme le prĂ©voit l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©;
  10° L'utilisation des Ă©co-chĂšques sous forme Ă©lectronique ne peut pas entraĂźner de coĂ»ts pour le travailleur, sauf en cas de vol ou de perte dans les conditions Ă fixer par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise, ou par le rĂšglement de travail lorsque [10 l'octroi d'Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques]10 est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. En tout cas, le coĂ»t du support de remplacement en cas de vol ou perte ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă la valeur nominale d'un titre-repas si dans l'entreprise tant des titres-repas Ă©lectroniques que des Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques sont accordĂ©s. Cependant, lorsque seuls des Ă©co-chĂšques Ă©lectroniques sont accordĂ©s dans l'entreprise le coĂ»t du support de remplacement ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă 5 euros.]8
  [8 Tous les éco-chÚques sous forme électronique qui ne remplissent pas toutes les conditions énumérées au présent paragraphe sont considérés comme étant une rémunération.
  Les Ă©co-chĂšques sous forme Ă©lectronique Ă©mis par un Ă©diteur dont l'agrĂ©ment a Ă©tĂ© retirĂ© ou rendu caduque conformĂ©ment aux dispositions dudit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 restent valables jusqu'Ă la date d'expiration de leur durĂ©e de validitĂ©.]8
  [3 § 3. [8 ...]8]3
 Â
Wijzigingen
Art. 19quinquies. [1 § 1. Het voordeel toegekend onder de vorm van een consumptiecheque wordt als loon beschouwd.
  Indien een consumptiecheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of van enig ander voordeel of van een aanvulling bij het voorgaande, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet van toepassing.
  § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten consumptiecheques [2 afgeleverd op papieren drager of in een elektronische vorm]2 terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
  1° De toekenning van de consumptiecheques moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst. Deze overeenkomst moet schriftelijk zijn en het bedrag van de consumptiecheque mag niet hoger zijn dan dat voorzien bij collectieve arbeidsovereenkomst in dezelfde onderneming. Voor de openbare sector moet de toekenning van de consumptiecheque het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderhandeling in het daarvoor bevoegde onderhandelingscomité.
  Alle consumptiecheques toegekend zonder collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst, of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst die niet conform is met de voorwaarden vastgesteld bij deze paragraaf, of die voor wat betreft de openbare sector niet werden onderhandeld in het onderhandelingscomité, worden als loon beschouwd;
  2° De collectieve arbeidsovereenkomst of individuele overeenkomst of de reglementaire handeling die onderhandeld werd in het bevoegde onderhandelingscomité, bepaalt de hoogste nominale waarde van de consumptiecheque, met een maximum van 10 euro per consumptiecheque;
  [2 2°/1 De consumptiecheques in elektronische vorm worden geacht te zijn toegekend aan de werknemer op het moment waarop diens consumptiechequerekening wordt gecrediteerd. De consumptiechequerekening is een databank waarop voor een werknemer een aantal elektronische consumptiecheques zullen worden opgeslagen en die beheerd wordt door een uitgever erkend volgens de modaliteiten voorzien in het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 [10 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers van maaltijd-, sport/cultuur-, eco- en consumptiecheques in een elektronische vorm, tot uitvoering van artikelen 183 tot 185 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen]10;]2
  3° De consumptiecheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en [2 het totale bedrag aan consumptiecheques]2 voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten.
  Alle consumptiecheques toegekend zonder dat deze voorwaarde vervuld is worden als loon beschouwd;
  4° [2 Op de consumptiecheque op papieren drager staat duidelijk vermeld dat hij geldig is tot [3 31 december 2021]3. De consumptiecheque op papieren drager vermeld ook de datum waarop hij werd uitgereikt. Hij mag uitgereikt worden tot en met 31 december 2020. De consumptiecheque op papieren drager vermeld tevens dat hij slechts mag besteed worden :
  a) [8 ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbruiksklare voeding, of;]8
  b) [8 voor de aankoop van producten en diensten met een ecologisch karakter die zijn opgenomen in de lijst bij de collectieve arbeidsovereenkomst n° 98 gesloten in de Nationale Arbeidsraad.]8
  c) [8 ...]8
  [4 d) [8 ...]8]4
  Alle consumptiecheques op papieren drager waar deze informatie niet op voorkomt, worden als loon beschouwd.
  Indien de consumptiecheque een elektronische vorm heeft, is hij geldig tot [3 [4 31 december 2022]4]3. Hij mag uitgereikt worden tot en met 31 december 2020. De consumptiecheque in elektronische vorm mag enkel worden besteed in de inrichtingen of verenigingen vermeld in het eerste lid;]2
  [3 De geldigheidsduur van de consumptiecheque op papieren drager waarop vermeld staat dat hij geldig is tot 7 juni 2021, wordt verlengd tot en met [4 31 december 2022]4.
  In afwijking van het eerste en derde lid, mag de consumptiecheque, op papieren drager of in elektronische vorm, uitgereikt worden tot en met 30 juni 2021 in de sectoren die beslist hebben over de toekenning van een consumptiecheque na een financieringsbeslissing van de subsidiërende federale overheid of gefedereerde entiteit in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020.]3
  [4 De consumptiecheques op papieren drager, die geldig zijn tot en met 31 december 2021, worden verlengd tot en met 31 december 2022.]4
  [7 Binnen drie maanden na de vervaldatum van de comsumptiecheques kan de werknemer de uitgever van de comsumptiecheques een eenmalig aanvraag doen tot reactivering. De eerste reactiveringsaanvraag van de werknemer is gratis ongeacht het aantal comsumptiecheques waarvoor de activering wordt gevraagd. Eventuele latere aanvragen om reactivering kunnen worden onderworpen, ongeacht het aantal comsumptiecheques waarop de aanvraag betrekking heeft, aan de betaling van een maximumbedrag van 5 euro ten laste van de werknemer tenzij de werknemer overmacht kan aantonen. Gereactiveerde comsumptiecheques hebben een geldigheidsduur van drie maanden. De uitgevers van de consumptiecheques moeten ervoor zorgen dat de reactiveringsprocedure wordt meegedeeld zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010. Bovendien moeten de betrokken werknemers, bij elke reactiveringsaanvraag, op de hoogte worden gebracht van reactiveringsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 2, 15°, van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;]7
  5° De consumptiecheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld omgeruild worden;
  6° Het totale bedrag van de door de werkgever toegekende consumptiecheques mag niet meer bedragen dan 300 euro per werknemer.]1
  [2 § 3. Onverminderd de in paragraaf 2 opgesomde voorwaarden, dient de consumptiecheque in een elektronische vorm gelijktijdig aan de volgende voorwaarden te voldoen opdat hij niet als loon zou worden beschouwd :
  1° het aantal consumptiecheques in een elektronische vorm en het brutobedrag ervan worden vermeld op de afrekening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
  2° vóór het gebruik van de consumptiecheques in een elektronische vorm kan de werknemer het saldo en de geldigheidsduur nagaan van de consumptiecheques die hem werden toegekend en die nog niet gebruikt werden;
  3° de keuze voor consumptiecheques in een elektronische vorm wordt geregeld via een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak, eventueel binnen het kader van een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst. Kan een dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een vakbondsafvaardiging of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan wordt de keuze voor consumptiecheques in een elektronische vorm geregeld door een individuele schriftelijke overeenkomst. Voor de openbare sector moet de toekenning van de consumptiecheque het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderhandeling in het daarvoor bevoegde onderhandelingscomité;
  4° de consumptiecheques in een elektronische vorm kunnen enkel ter beschikking gesteld worden door een uitgever gezamenlijk erkend door de minister bevoegd voor sociale zaken, de minister bevoegd voor werk, de minister bevoegd voor zelfstandigen en de minister bevoegd voor economische zaken, zoals bepaald in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;
  5° het gebruik van de consumptiecheques in een elektronische vorm mag geen kosten voor de werknemer teweegbrengen, behalve in geval van diefstal of verlies onder de voorwaarden vast te stellen bij collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal of ondernemingsvlak, of in het arbeidsreglement wanneer de keuze voor consumptiecheques in een elektronische vorm geregeld is door een individuele schriftelijke overeenkomst. In ieder geval kan de kost van de vervangende drager in geval van diefstal of verlies de nominale waarde van één maaltijdcheque niet overschrijden indien in de onderneming zowel elektronische maaltijdcheques als elektronische consumptiecheques worden toegekend. Indien in de onderneming echter enkel elektronische consumptiecheques worden toegekend, mag de kost van de vervangende drager niet meer bedragen dan 5 euro.
  Alle consumptiecheques in een elektronische vorm die niet voldoen aan alle in deze paragraaf opgesomde voorwaarden worden als loon beschouwd.
  Consumptiecheques in een elektronische vorm, uitgegeven door een uitgever wiens erkenning werd ingetrokken of vervallen is overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010, blijven geldig tot de vervaldag van hun geldigheidsduur.]2
  [5 § 4. Het voordeel toegekend onder de vorm van een coronapremie wordt al dan niet als loon beschouwd volgens de voorwaarden en bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 3. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt elke verwijzing naar de 'consumptiecheque' in de paragrafen 1 tot en met 3 geacht te verwijzen naar de 'coronapremie' en elke verwijzing naar de 'consumptiechequerekening' naar de 'coronapremierekening'.
  De toekenning van de coronapremie in ondernemingen waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst.
  In afwijking van de voorwaarden in de paragrafen 1 tot en met 3, zijn volgende specifieke voorwaarden van toepassing op de coronapremie:
  1° [6 de beslissing tot toekenning en het ontstaan van het recht op de coronapremie moeten zich situeren vóór 1 januari 2022 en zijn opgenomen in een overeenkomst zoals bedoeld in het tweede lid, afgesloten uiterlijk op 31 december 2021; de coronapremie mag enkel worden uitgereikt tussen 1 augustus 2021 en 31 maart 2022;]6
  2° op de coronapremie op papieren drager staat duidelijk vermeld dat hij geldig is tot 31 december 2022;
  3° het totale bedrag van de door de werkgever toegekend coronapremies mag niet meer bedragen dan 500 euro per werknemer.]5
  [6 In geval van uitreiking van de coronapremie na 31 december 2021 wordt deze, in afwijking van artikel 21, eerste lid, gekoppeld aan de periode waarin het recht op de premie ontstaat op grond van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid.]6
  [7 De coronapremies kunnen worden gereactiveerd volgens dezelfde modaliteiten en voorwaarden als de consumptiecheque.]7
  [8 § 5. Het voordeel toegekend onder de vorm van een koopkrachtpremie wordt al dan niet als loon beschouwd volgens de voorwaarden en bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 3. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt elke verwijzing naar de "consumptiecheque" in de paragrafen 1 tot en met 3 geacht te verwijzen naar de "koopkrachtpremie" en elke verwijzing naar de "consumptiechequerekening" naar de "koopkrachtpremierekening".
  De toekenning van de koopkrachtpremie in ondernemingen waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst.
  In het geval de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in het tweede lid op het niveau van het paritair (sub)comité wordt gesloten, dan moet deze, om rechtsgeldig te zijn, twee definities bevatten gebaseerd op respectievelijk een hoge winst in 2022 en een uitzonderlijk hoge winst in 2022, die de ondernemingen afbakent waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald. De koopkrachtpremie van maximum 500 euro kan enkel in die ondernemingen worden toegekend waar er in 2022 een hoge winst werd behaald. In die ondernemingen waar er een uitzonderlijk hoge winst in 2022 werd behaald, kan de koopkrachtpremie maximum 750 euro bedragen.
  In het geval er een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak wordt gesloten, voegt men een verantwoording toe dat men een onderneming is waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald.
  In afwijking van de voorwaarden in de paragrafen 1 tot en met 3, zijn volgende specifieke voorwaarden van toepassing op de koopkrachtpremie:
  1° [9 de beslissing tot toekenning en het ontstaan van het recht op de koopkrachtpremie moeten zich situeren vóór 1 januari 2024 en opgenomen zijn in een overeenkomst zoals bedoeld in het tweede lid, afgesloten uiterlijk op 31 december 2023; de koopkrachtpremie mag enkel worden uitgereikt tussen 1 juni 2023 en 31 maart 2024;]9
  2° op de koopkrachtpremie op papieren drager staat duidelijk vermeld dat zij geldig is tot en met 31 december 2024;
  3° het totale bedrag van de door de werkgever toegekende koopkrachtpremies mag niet meer bedragen dan 750 euro per werknemer;
  4° de keuze voor koopkrachtpremies op papieren drager wordt geregeld via een collectieve arbeidsovereenkomst. Kan een dergelijke overeenkomst op het niveau van de onderneming niet worden gesloten bij gebrek aan een vakbondsafvaardiging of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan wordt de keuze voor koopkrachtpremies op een papieren drager geregeld door een individuele schriftelijke overeenkomst. In dit geval is paragraaf 3, eerste lid, 3°, niet van toepassing.]8
  [9 In geval van uitreiking van de koopkrachtpremie na 31 december 2023 wordt deze, in afwijking van artikel 21, eerste lid, gekoppeld aan de periode waarin het recht op de premie ontstaat op grond van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid.]9
 Â
  Indien een consumptiecheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of van enig ander voordeel of van een aanvulling bij het voorgaande, al dan niet bijdrageplichtig voor de sociale zekerheid, is § 2 niet van toepassing.
  § 2. Opdat zij niet als loon worden beschouwd, moeten consumptiecheques [2 afgeleverd op papieren drager of in een elektronische vorm]2 terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen :
  1° De toekenning van de consumptiecheques moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst. Deze overeenkomst moet schriftelijk zijn en het bedrag van de consumptiecheque mag niet hoger zijn dan dat voorzien bij collectieve arbeidsovereenkomst in dezelfde onderneming. Voor de openbare sector moet de toekenning van de consumptiecheque het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderhandeling in het daarvoor bevoegde onderhandelingscomité.
  Alle consumptiecheques toegekend zonder collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst, of ingevolge een collectieve arbeidsovereenkomst of schriftelijke individuele overeenkomst die niet conform is met de voorwaarden vastgesteld bij deze paragraaf, of die voor wat betreft de openbare sector niet werden onderhandeld in het onderhandelingscomité, worden als loon beschouwd;
  2° De collectieve arbeidsovereenkomst of individuele overeenkomst of de reglementaire handeling die onderhandeld werd in het bevoegde onderhandelingscomité, bepaalt de hoogste nominale waarde van de consumptiecheque, met een maximum van 10 euro per consumptiecheque;
  [2 2°/1 De consumptiecheques in elektronische vorm worden geacht te zijn toegekend aan de werknemer op het moment waarop diens consumptiechequerekening wordt gecrediteerd. De consumptiechequerekening is een databank waarop voor een werknemer een aantal elektronische consumptiecheques zullen worden opgeslagen en die beheerd wordt door een uitgever erkend volgens de modaliteiten voorzien in het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 [10 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en erkenningsprocedure voor uitgevers van maaltijd-, sport/cultuur-, eco- en consumptiecheques in een elektronische vorm, tot uitvoering van artikelen 183 tot 185 van de wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen]10;]2
  3° De consumptiecheque wordt op naam van de werknemer afgeleverd; deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld als de toekenning ervan en [2 het totale bedrag aan consumptiecheques]2 voorkomen op de individuele rekening van de werknemer, overeenkomstig de reglementering betreffende het bijhouden van de sociale documenten.
  Alle consumptiecheques toegekend zonder dat deze voorwaarde vervuld is worden als loon beschouwd;
  4° [2 Op de consumptiecheque op papieren drager staat duidelijk vermeld dat hij geldig is tot [3 31 december 2021]3. De consumptiecheque op papieren drager vermeld ook de datum waarop hij werd uitgereikt. Hij mag uitgereikt worden tot en met 31 december 2020. De consumptiecheque op papieren drager vermeld tevens dat hij slechts mag besteed worden :
  a) [8 ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbruiksklare voeding, of;]8
  b) [8 voor de aankoop van producten en diensten met een ecologisch karakter die zijn opgenomen in de lijst bij de collectieve arbeidsovereenkomst n° 98 gesloten in de Nationale Arbeidsraad.]8
  c) [8 ...]8
  [4 d) [8 ...]8]4
  Alle consumptiecheques op papieren drager waar deze informatie niet op voorkomt, worden als loon beschouwd.
  Indien de consumptiecheque een elektronische vorm heeft, is hij geldig tot [3 [4 31 december 2022]4]3. Hij mag uitgereikt worden tot en met 31 december 2020. De consumptiecheque in elektronische vorm mag enkel worden besteed in de inrichtingen of verenigingen vermeld in het eerste lid;]2
  [3 De geldigheidsduur van de consumptiecheque op papieren drager waarop vermeld staat dat hij geldig is tot 7 juni 2021, wordt verlengd tot en met [4 31 december 2022]4.
  In afwijking van het eerste en derde lid, mag de consumptiecheque, op papieren drager of in elektronische vorm, uitgereikt worden tot en met 30 juni 2021 in de sectoren die beslist hebben over de toekenning van een consumptiecheque na een financieringsbeslissing van de subsidiërende federale overheid of gefedereerde entiteit in de periode van 1 november 2020 tot en met 31 december 2020.]3
  [4 De consumptiecheques op papieren drager, die geldig zijn tot en met 31 december 2021, worden verlengd tot en met 31 december 2022.]4
  [7 Binnen drie maanden na de vervaldatum van de comsumptiecheques kan de werknemer de uitgever van de comsumptiecheques een eenmalig aanvraag doen tot reactivering. De eerste reactiveringsaanvraag van de werknemer is gratis ongeacht het aantal comsumptiecheques waarvoor de activering wordt gevraagd. Eventuele latere aanvragen om reactivering kunnen worden onderworpen, ongeacht het aantal comsumptiecheques waarop de aanvraag betrekking heeft, aan de betaling van een maximumbedrag van 5 euro ten laste van de werknemer tenzij de werknemer overmacht kan aantonen. Gereactiveerde comsumptiecheques hebben een geldigheidsduur van drie maanden. De uitgevers van de consumptiecheques moeten ervoor zorgen dat de reactiveringsprocedure wordt meegedeeld zoals bepaald in artikel 2, 15°, van het bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010. Bovendien moeten de betrokken werknemers, bij elke reactiveringsaanvraag, op de hoogte worden gebracht van reactiveringsvoorwaarden zoals bepaald in artikel 2, 15°, van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;]7
  5° De consumptiecheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld omgeruild worden;
  6° Het totale bedrag van de door de werkgever toegekende consumptiecheques mag niet meer bedragen dan 300 euro per werknemer.]1
  [2 § 3. Onverminderd de in paragraaf 2 opgesomde voorwaarden, dient de consumptiecheque in een elektronische vorm gelijktijdig aan de volgende voorwaarden te voldoen opdat hij niet als loon zou worden beschouwd :
  1° het aantal consumptiecheques in een elektronische vorm en het brutobedrag ervan worden vermeld op de afrekening, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers;
  2° vóór het gebruik van de consumptiecheques in een elektronische vorm kan de werknemer het saldo en de geldigheidsduur nagaan van de consumptiecheques die hem werden toegekend en die nog niet gebruikt werden;
  3° de keuze voor consumptiecheques in een elektronische vorm wordt geregeld via een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak, eventueel binnen het kader van een sectorale collectieve arbeidsovereenkomst. Kan een dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een vakbondsafvaardiging of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan wordt de keuze voor consumptiecheques in een elektronische vorm geregeld door een individuele schriftelijke overeenkomst. Voor de openbare sector moet de toekenning van de consumptiecheque het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderhandeling in het daarvoor bevoegde onderhandelingscomité;
  4° de consumptiecheques in een elektronische vorm kunnen enkel ter beschikking gesteld worden door een uitgever gezamenlijk erkend door de minister bevoegd voor sociale zaken, de minister bevoegd voor werk, de minister bevoegd voor zelfstandigen en de minister bevoegd voor economische zaken, zoals bepaald in bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010;
  5° het gebruik van de consumptiecheques in een elektronische vorm mag geen kosten voor de werknemer teweegbrengen, behalve in geval van diefstal of verlies onder de voorwaarden vast te stellen bij collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal of ondernemingsvlak, of in het arbeidsreglement wanneer de keuze voor consumptiecheques in een elektronische vorm geregeld is door een individuele schriftelijke overeenkomst. In ieder geval kan de kost van de vervangende drager in geval van diefstal of verlies de nominale waarde van één maaltijdcheque niet overschrijden indien in de onderneming zowel elektronische maaltijdcheques als elektronische consumptiecheques worden toegekend. Indien in de onderneming echter enkel elektronische consumptiecheques worden toegekend, mag de kost van de vervangende drager niet meer bedragen dan 5 euro.
  Alle consumptiecheques in een elektronische vorm die niet voldoen aan alle in deze paragraaf opgesomde voorwaarden worden als loon beschouwd.
  Consumptiecheques in een elektronische vorm, uitgegeven door een uitgever wiens erkenning werd ingetrokken of vervallen is overeenkomstig de bepalingen van bovenvermeld koninklijk besluit van 12 oktober 2010, blijven geldig tot de vervaldag van hun geldigheidsduur.]2
  [5 § 4. Het voordeel toegekend onder de vorm van een coronapremie wordt al dan niet als loon beschouwd volgens de voorwaarden en bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 3. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt elke verwijzing naar de 'consumptiecheque' in de paragrafen 1 tot en met 3 geacht te verwijzen naar de 'coronapremie' en elke verwijzing naar de 'consumptiechequerekening' naar de 'coronapremierekening'.
  De toekenning van de coronapremie in ondernemingen waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst.
  In afwijking van de voorwaarden in de paragrafen 1 tot en met 3, zijn volgende specifieke voorwaarden van toepassing op de coronapremie:
  1° [6 de beslissing tot toekenning en het ontstaan van het recht op de coronapremie moeten zich situeren vóór 1 januari 2022 en zijn opgenomen in een overeenkomst zoals bedoeld in het tweede lid, afgesloten uiterlijk op 31 december 2021; de coronapremie mag enkel worden uitgereikt tussen 1 augustus 2021 en 31 maart 2022;]6
  2° op de coronapremie op papieren drager staat duidelijk vermeld dat hij geldig is tot 31 december 2022;
  3° het totale bedrag van de door de werkgever toegekend coronapremies mag niet meer bedragen dan 500 euro per werknemer.]5
  [6 In geval van uitreiking van de coronapremie na 31 december 2021 wordt deze, in afwijking van artikel 21, eerste lid, gekoppeld aan de periode waarin het recht op de premie ontstaat op grond van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid.]6
  [7 De coronapremies kunnen worden gereactiveerd volgens dezelfde modaliteiten en voorwaarden als de consumptiecheque.]7
  [8 § 5. Het voordeel toegekend onder de vorm van een koopkrachtpremie wordt al dan niet als loon beschouwd volgens de voorwaarden en bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 3. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt elke verwijzing naar de "consumptiecheque" in de paragrafen 1 tot en met 3 geacht te verwijzen naar de "koopkrachtpremie" en elke verwijzing naar de "consumptiechequerekening" naar de "koopkrachtpremierekening".
  De toekenning van de koopkrachtpremie in ondernemingen waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectoraal vlak of op ondernemingsvlak. Kan dergelijke overeenkomst niet worden gesloten bij gebrek aan een syndicale delegatie of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat zulke overeenkomst wordt beoogd, dan mag de toekenning geregeld worden door een individuele overeenkomst.
  In het geval de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in het tweede lid op het niveau van het paritair (sub)comité wordt gesloten, dan moet deze, om rechtsgeldig te zijn, twee definities bevatten gebaseerd op respectievelijk een hoge winst in 2022 en een uitzonderlijk hoge winst in 2022, die de ondernemingen afbakent waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald. De koopkrachtpremie van maximum 500 euro kan enkel in die ondernemingen worden toegekend waar er in 2022 een hoge winst werd behaald. In die ondernemingen waar er een uitzonderlijk hoge winst in 2022 werd behaald, kan de koopkrachtpremie maximum 750 euro bedragen.
  In het geval er een collectieve arbeidsovereenkomst op ondernemingsvlak wordt gesloten, voegt men een verantwoording toe dat men een onderneming is waar tijdens de crisis goede resultaten zijn behaald.
  In afwijking van de voorwaarden in de paragrafen 1 tot en met 3, zijn volgende specifieke voorwaarden van toepassing op de koopkrachtpremie:
  1° [9 de beslissing tot toekenning en het ontstaan van het recht op de koopkrachtpremie moeten zich situeren vóór 1 januari 2024 en opgenomen zijn in een overeenkomst zoals bedoeld in het tweede lid, afgesloten uiterlijk op 31 december 2023; de koopkrachtpremie mag enkel worden uitgereikt tussen 1 juni 2023 en 31 maart 2024;]9
  2° op de koopkrachtpremie op papieren drager staat duidelijk vermeld dat zij geldig is tot en met 31 december 2024;
  3° het totale bedrag van de door de werkgever toegekende koopkrachtpremies mag niet meer bedragen dan 750 euro per werknemer;
  4° de keuze voor koopkrachtpremies op papieren drager wordt geregeld via een collectieve arbeidsovereenkomst. Kan een dergelijke overeenkomst op het niveau van de onderneming niet worden gesloten bij gebrek aan een vakbondsafvaardiging of gaat het om een personeelscategorie waarvoor het niet de gewoonte is dat deze door zulke overeenkomst wordt beoogd, dan wordt de keuze voor koopkrachtpremies op een papieren drager geregeld door een individuele schriftelijke overeenkomst. In dit geval is paragraaf 3, eerste lid, 3°, niet van toepassing.]8
  [9 In geval van uitreiking van de koopkrachtpremie na 31 december 2023 wordt deze, in afwijking van artikel 21, eerste lid, gekoppeld aan de periode waarin het recht op de premie ontstaat op grond van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid.]9
 Â
Wijzigingen
Art. 19quinquies. [1 § 1er. L'avantage accordé sous la forme d'un chÚque consommation est considéré comme rémunération.
  Si un chÚque consommation a été ou est octroyé en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale, le § 2 n'est pas applicable.
  § 2. Pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme rĂ©munĂ©ration, les chĂšques consommation [2 qu'ils soient dĂ©livrĂ©s sur support papier ou sous forme Ă©lectronique]2 doivent simultanĂ©ment satisfaire Ă toutes les conditions suivantes :
  1° L'octroi du chĂšque consommation doit ĂȘtre prĂ©vu par une convention collective de travail conclue au niveau sectoriel ou de l'entreprise,. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue Ă dĂ©faut de dĂ©lĂ©gation syndicale ou lorsqu'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui habituellement n'est pas visĂ©e par une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle. Cette convention doit ĂȘtre Ă©crite et le montant du chĂšque consommation ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă celui prĂ©vu par convention collective dans la mĂȘme entreprise. Pour le secteur public, l'octroi du chĂšque consommation doit avoir fait l'objet d'une nĂ©gociation au sein du comitĂ© de nĂ©gociation compĂ©tent.
  Tous les chÚques consommation octroyés en l'absence de convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite ou octroyés en vertu d'une convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite qui n'est pas conforme aux conditions fixées par le présent paragraphe, ou pour le secteur public en l'absence d'une négociation au sein du comité de négociation compétent, sont considérés comme rémunération;
  2° La convention collective de travail ou la convention individuelle, ou l'acte réglementaire ayant fait l'objet de la négociation au sein du comité de négociation compétent, mentionne la valeur nominale maximum du chÚque consommation avec un montant maximum de 10 euros par chÚque consommation;
  [2 2°/1 Les chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique sont censĂ©s ĂȘtre octroyĂ©s au travailleur au moment oĂč son compte chĂšques consommation est crĂ©ditĂ©. Le compte chĂšques consommation est une banque de donnĂ©es dans laquelle un certain nombre de chĂšques consommation Ă©lectroniques pour un travailleur seront enregistrĂ©s et gĂ©rĂ©s par un Ă©diteur agréé selon les modalitĂ©s prĂ©vues dans l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 [10 fixant les conditions d'agrĂ©ment et la procĂ©dure d'agrĂ©ment pour les Ă©diteurs des titres-repas, chĂšques sport/culture, Ă©co-chĂšques et chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique, exĂ©cutant les articles 183 Ă 185 de la loi du 30 dĂ©cembre 2009 portant des dispositions diverses]10;]2
  3° Le chĂšque consommation est dĂ©livrĂ© au nom du travailleur; cette condition est censĂ©e ĂȘtre remplie si son octroi et [2 le montant total des chĂšques consommation]2 sont mentionnĂ©s au compte individuel du travailleur, conformĂ©ment Ă la rĂ©glementation relative Ă la tenue des documents sociaux.
  Tous les chÚques consommation octroyés sans que cette condition soit remplie sont considérés comme rémunération;
  4° [2 Le chĂšque consommation sur support papier mentionne clairement qu'il est valable jusqu'au [3 31 dĂ©cembre 2021]3. Le chĂšque consommation sur support papier mentionne Ă©galement la date Ă laquelle il a Ă©tĂ© Ă©mis. Il peut ĂȘtre Ă©mis jusqu'au 31 dĂ©cembre 2020. En outre, le chĂšque consommation sur support papier mentionne qu'il ne peut ĂȘtre utilisĂ© que :
  a) [8 en paiement d'un repas ou pour l'achat d'aliments prĂȘts Ă la consommation, ou;]8
  b) [8 pour l'achat de produits et services à caractÚre écologique repris dans la liste annexée à la convention collective de travail n° 98 conclue au sein du Conseil national du travail.]8
  c) [8 ...]8
  [4 d) [8 ...]8]4
  Tous les chÚques consommation sur support papier pour lesquels ces renseignements n'apparaissent pas sont considérés comme rémunération.
  Si le chĂšque consommation a une forme Ă©lectronique, il est valable jusqu'au [3 [4 31 dĂ©cembre 2022]41]3. Il peut ĂȘtre Ă©mis jusqu'au 31 dĂ©cembre 2020. Le chĂšque consommation ne peut ĂȘtre utilisĂ© que dans les Ă©tablissements ou les associations mentionnĂ© Ă l'alinĂ©a 1er;]2
  [3 La durée de validité du chÚque consommation sur support papier qui mentionne qu'il est valable jusqu'au 7 juin 2021, est prolongée au [4 31 décembre 2022]4 inclus.
  Par dĂ©rogation aux alinĂ©as 1er et 3, le chĂšque consommation, sur support papier ou sous forme Ă©lectronique, peut ĂȘtre Ă©mis jusqu'au 30 juin 2021 dans les secteurs qui ont dĂ©cidĂ© de l'octroi d'un chĂšque consommation suite Ă une dĂ©cision de financement de l'autoritĂ© fĂ©dĂ©rale ou de l'entitĂ© fĂ©dĂ©rĂ©e subsidiante au cours de la pĂ©riode du 1er novembre 2020 au 31 dĂ©cembre 2020 inclus.]3
  [4 Les chÚques consommation sur support papier qui mentionnent une durée de validité jusqu'au 31 décembre 2021, sont prolongés jusqu'au 31 décembre 2022 inclus.]4
  [7 Dans les trois mois suivant leur Ă©chĂ©ance les chĂšques consommation pĂ©rimĂ©s peuvent faire l'objet de la part du travailleur d'une demande de rĂ©activation unique auprĂšs de l'Ă©diteur des chĂšques consommation. La premiĂšre demande de rĂ©activation formulĂ©e par le travailleur est gratuite indĂ©pendamment du nombre de chĂšques consommation pour lesquels l'activation est demandĂ©e. Les Ă©ventuelles demandes de rĂ©activation suivantes peuvent, quel que soit le nombre de chĂšques consommation concernĂ©s par la demande, ĂȘtre soumises au paiement d'un coĂ»t maximal de 5 euros Ă charge du travailleur sauf si le travailleur peut dĂ©montrer une force majeure. Les chĂšques consommation rĂ©activĂ©s ont une durĂ©e de validitĂ© de trois mois. Les Ă©diteurs des chĂšques consommation doivent veiller Ă une communication relative Ă la procĂ©dure de rĂ©activation comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©. En outre, lors de chaque demande de rĂ©activation, une communication quant aux conditions de rĂ©activations doit ĂȘtre effectuĂ©e auprĂšs des travailleurs concernĂ©s comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©;]7
  5° Les chĂšques consommation ne peuvent ĂȘtre Ă©changĂ©s partiellement ou totalement en espĂšces;
  6° Le montant total des chÚques consommation octroyés par l'employeur ne peut dépasser 300 euros par travailleur.]1
  [2 § 3. Sans prĂ©judice des conditions Ă©numĂ©rĂ©es au paragraphe 2, le chĂšque consommation sous forme Ă©lectronique doit simultanĂ©ment satisfaire aux conditions suivantes pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ© comme rĂ©munĂ©ration :
  1° le nombre des chÚques consommation sous forme électronique et leur montant brut, sont mentionnés sur le décompte, visé à l'article 15, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
  2° avant l'utilisation des chÚques consommation sous forme électronique, le travailleur peut vérifier de maniÚre simple le solde ainsi que la durée de validité des chÚques consommation qui lui ont été délivrés et qui n'ont pas encore été utilisés;
  3° le choix pour des chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique est rĂ©glĂ© par une convention collective de travail conclue au niveau de l'entreprise, Ă©ventuellement dans le cadre d'une convention collective de travail sectorielle. Si une telle convention ne peut pas ĂȘtre conclue en l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui n'est habituellement pas visĂ©e par une telle convention, le choix pour les chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. Pour le secteur public, l'octroi du chĂšque consommation doit avoir fait l'objet d'une nĂ©gociation au sein du comitĂ© de nĂ©gociation compĂ©tent;
  4° les chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique ne peuvent ĂȘtre mis Ă dispositions que par un Ă©diteur agréé conjointement par le ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions, par le ministre qui a l'emploi dans ses attributions, par le ministre qui a les indĂ©pendants dans ses attributions et par le ministre qui a les affaires Ă©conomiques dans ses attributions, comme le prĂ©voit ledit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010;
  5° l'utilisation des chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique ne peut pas entraĂźner de coĂ»ts pour le travailleur, sauf en cas de vol ou de perte dans les conditions Ă fixer par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise, ou par le rĂšglement de travail lorsque le choix pour les chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. En tout cas, le coĂ»t du support de remplacement en cas de vol ou perte ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă la valeur nominale d'un titre-repas si dans l'entreprise tant des titres-repas Ă©lectroniques que des chĂšques consommation Ă©lectroniques sont accordĂ©s. Cependant, lorsque seuls des chĂšques consommation sont accordĂ©s dans l'entreprise le coĂ»t du support de remplacement ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă 5 euros.
  Tous les chÚques consommation sous forme électronique qui ne remplissent pas toutes les conditions énumérées au présent paragraphe sont considérés comme étant une rémunération.
  Les chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique Ă©mis par un Ă©diteur dont l'agrĂ©ment a Ă©tĂ© retirĂ© ou rendu caduque conformĂ©ment aux dispositions dudit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 restent valables jusqu'Ă la date d'expiration de leur durĂ©e de validitĂ©.]2
  [5 § 4. L'avantage accordé sous la forme d'une prime corona est considéré ou non comme rémunération selon les conditions et dispositions des paragraphes 1er à 3 inclus. Pour l'application du présent paragraphe toute référence au 'chÚque consommation' dans les paragraphes 1er à 3 inclus est réputée se référer à la 'prime corona' et toute référence au 'compte chÚque consommation' au 'compte prime corona'.
  L'octroi de la prime corona dans les entreprises qui ont obtenu de bons rĂ©sultats pendant la crise doit faire l'objet d'une convention collective de travail au niveau sectoriel ou au niveau de l'entreprise. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue en raison de l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale, ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel pour laquelle il n'est pas d'usage de prĂ©voir une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle.
  Par dérogation aux conditions des paragraphes 1er à 3 inclus, les conditions spécifiques suivantes sont d'application à la prime corona :
  1° [6 la dĂ©cision d'octroyer et de faire naĂźtre le droit Ă la prime corona doivent avoir lieu avant le 1er janvier 2022 et doivent faire l'objet d'une convention telle que visĂ©e au deuxiĂšme alinĂ©a, conclue au plus tard le 31 dĂ©cembre 2021; la prime corona ne peut ĂȘtre Ă©mise qu'entre le 1er aoĂ»t 2021 et le 31 mars 2022;]6
  2° la prime corona sur support papier mentionne clairement qu'elle est valable jusqu'au 31 décembre 2022;
  3° le montant total des primes corona octroyées par l'employeur ne peut dépasser 500 euros par travailleur.]5
  [6 Dans le cas d'Ă©mission de la prime corona aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2021 celle-ci est, par dĂ©rogation Ă l'article 21, premier alinĂ©a, liĂ©e Ă la pĂ©riode oĂč le droit Ă la prime est nĂ© sur la base de la convention visĂ©e au deuxiĂšme alinĂ©a.]6
  [7 Les primes corona peuvent ĂȘtre rĂ©activĂ©es selon les mĂȘmes modalitĂ©s et conditions que celles des chĂšques consommation.]7
  [8 § 5. L'avantage accordé sous la forme d'une prime pouvoir d'achat est considéré ou non comme rémunération selon les conditions et dispositions des paragraphes 1er à 3 inclus. Pour l'application du présent paragraphe toute référence au " chÚque consommation " dans les paragraphes 1er à 3 inclus est réputée se référer à la " prime pouvoir d'achat " et toute référence au " compte chÚque consommation " au " compte prime pouvoir d'achat ".
  L'octroi de la prime pouvoir d'achat dans les entreprises qui ont obtenu de bons rĂ©sultats pendant la crise doit faire l'objet d'une convention collective de travail au niveau sectoriel ou au niveau de l'entreprise. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue en raison de l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale, ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel pour laquelle il n'est pas d'usage de prĂ©voir une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle.
  Si une convention collective telle que visĂ©e Ă l'alinĂ©a 2 est conclue au niveau d'une (sous-)commission paritaire, elle doit, pour ĂȘtre juridiquement valable, contenir deux dĂ©finitions basĂ©es respectivement sur les bĂ©nĂ©fices Ă©levĂ©s en 2022 et sur les bĂ©nĂ©fices exceptionnellement Ă©levĂ©s en 2022, dĂ©limitant les entreprises oĂč de bons rĂ©sultats ont Ă©tĂ© obtenus pendant la crise. La prime pouvoir d'achat, d'un montant maximal de 500 euros, ne peut ĂȘtre accordĂ©e que dans ces entreprises ayant rĂ©alisĂ© un bĂ©nĂ©fice Ă©levĂ© en 2022. Dans ces entreprises oĂč un bĂ©nĂ©fice exceptionnellement Ă©levĂ© a Ă©tĂ© rĂ©alisĂ© en 2022, la prime pouvoir d'achat peut s'Ă©lever Ă 750 euros maximum.
  Si une convention collective du travail est conclue au niveau de l'entreprise, on ajoute une justification selon laquelle on est une entreprise oĂč de bons rĂ©sultats ont Ă©tĂ© obtenus pendant la crise.
  Par dérogation aux conditions des paragraphes 1er à 3 inclus, les conditions spécifiques suivantes sont d'application à la prime pouvoir d'achat :
  1° [9 la dĂ©cision d'octroyer et de faire naĂźtre le droit Ă la prime pouvoir d'achat doivent avoir lieu avant le 1er janvier 2024 et doivent faire l'objet d'une convention telle que visĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, conclue au plus tard le 31 dĂ©cembre 2023; la prime pouvoir d'achat ne peut ĂȘtre Ă©mise qu'entre le 1er juin 2023 et le 31 mars 2024;]9
  2° la prime pouvoir d'achat sur support papier mentionne clairement qu'elle est valable jusqu'au 31 décembre 2024 inclus;
  3° le montant total des primes pouvoir d'achat octroyées par l'employeur ne peut dépasser 750 euros par travailleur;
  4° le choix pour des primes pouvoir d'achat sur support papier peut ĂȘtre rĂ©glĂ© par une convention collective de travail. Si une telle convention au niveau de l'entreprise ne peut pas ĂȘtre conclue en l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui n'est habituellement pas visĂ©e par une telle convention, le choix pour les primes pouvoir d'achat sur support papier est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. Dans ce cas le paragraphe 3, alinĂ©a 1er, 3°, n'est pas d'application.]8
  [9 Dans le cas d'Ă©mission de la prime pouvoir d'achat aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2023 celle-ci est, par dĂ©rogation Ă l'article 21, alinĂ©a 1er, liĂ©e Ă la pĂ©riode oĂč le droit Ă la prime est nĂ© sur la base de la convention visĂ©e Ă l'alinĂ©a 2.]9
 Â
  Si un chÚque consommation a été ou est octroyé en remplacement ou en conversion de la rémunération, de primes, d'avantages en nature ou d'un quelconque autre avantage ou complément à tout ce qui précÚde, passible ou non de cotisations de sécurité sociale, le § 2 n'est pas applicable.
  § 2. Pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ©s comme rĂ©munĂ©ration, les chĂšques consommation [2 qu'ils soient dĂ©livrĂ©s sur support papier ou sous forme Ă©lectronique]2 doivent simultanĂ©ment satisfaire Ă toutes les conditions suivantes :
  1° L'octroi du chĂšque consommation doit ĂȘtre prĂ©vu par une convention collective de travail conclue au niveau sectoriel ou de l'entreprise,. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue Ă dĂ©faut de dĂ©lĂ©gation syndicale ou lorsqu'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui habituellement n'est pas visĂ©e par une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle. Cette convention doit ĂȘtre Ă©crite et le montant du chĂšque consommation ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă celui prĂ©vu par convention collective dans la mĂȘme entreprise. Pour le secteur public, l'octroi du chĂšque consommation doit avoir fait l'objet d'une nĂ©gociation au sein du comitĂ© de nĂ©gociation compĂ©tent.
  Tous les chÚques consommation octroyés en l'absence de convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite ou octroyés en vertu d'une convention collective de travail ou d'une convention individuelle écrite qui n'est pas conforme aux conditions fixées par le présent paragraphe, ou pour le secteur public en l'absence d'une négociation au sein du comité de négociation compétent, sont considérés comme rémunération;
  2° La convention collective de travail ou la convention individuelle, ou l'acte réglementaire ayant fait l'objet de la négociation au sein du comité de négociation compétent, mentionne la valeur nominale maximum du chÚque consommation avec un montant maximum de 10 euros par chÚque consommation;
  [2 2°/1 Les chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique sont censĂ©s ĂȘtre octroyĂ©s au travailleur au moment oĂč son compte chĂšques consommation est crĂ©ditĂ©. Le compte chĂšques consommation est une banque de donnĂ©es dans laquelle un certain nombre de chĂšques consommation Ă©lectroniques pour un travailleur seront enregistrĂ©s et gĂ©rĂ©s par un Ă©diteur agréé selon les modalitĂ©s prĂ©vues dans l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 [10 fixant les conditions d'agrĂ©ment et la procĂ©dure d'agrĂ©ment pour les Ă©diteurs des titres-repas, chĂšques sport/culture, Ă©co-chĂšques et chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique, exĂ©cutant les articles 183 Ă 185 de la loi du 30 dĂ©cembre 2009 portant des dispositions diverses]10;]2
  3° Le chĂšque consommation est dĂ©livrĂ© au nom du travailleur; cette condition est censĂ©e ĂȘtre remplie si son octroi et [2 le montant total des chĂšques consommation]2 sont mentionnĂ©s au compte individuel du travailleur, conformĂ©ment Ă la rĂ©glementation relative Ă la tenue des documents sociaux.
  Tous les chÚques consommation octroyés sans que cette condition soit remplie sont considérés comme rémunération;
  4° [2 Le chĂšque consommation sur support papier mentionne clairement qu'il est valable jusqu'au [3 31 dĂ©cembre 2021]3. Le chĂšque consommation sur support papier mentionne Ă©galement la date Ă laquelle il a Ă©tĂ© Ă©mis. Il peut ĂȘtre Ă©mis jusqu'au 31 dĂ©cembre 2020. En outre, le chĂšque consommation sur support papier mentionne qu'il ne peut ĂȘtre utilisĂ© que :
  a) [8 en paiement d'un repas ou pour l'achat d'aliments prĂȘts Ă la consommation, ou;]8
  b) [8 pour l'achat de produits et services à caractÚre écologique repris dans la liste annexée à la convention collective de travail n° 98 conclue au sein du Conseil national du travail.]8
  c) [8 ...]8
  [4 d) [8 ...]8]4
  Tous les chÚques consommation sur support papier pour lesquels ces renseignements n'apparaissent pas sont considérés comme rémunération.
  Si le chĂšque consommation a une forme Ă©lectronique, il est valable jusqu'au [3 [4 31 dĂ©cembre 2022]41]3. Il peut ĂȘtre Ă©mis jusqu'au 31 dĂ©cembre 2020. Le chĂšque consommation ne peut ĂȘtre utilisĂ© que dans les Ă©tablissements ou les associations mentionnĂ© Ă l'alinĂ©a 1er;]2
  [3 La durée de validité du chÚque consommation sur support papier qui mentionne qu'il est valable jusqu'au 7 juin 2021, est prolongée au [4 31 décembre 2022]4 inclus.
  Par dĂ©rogation aux alinĂ©as 1er et 3, le chĂšque consommation, sur support papier ou sous forme Ă©lectronique, peut ĂȘtre Ă©mis jusqu'au 30 juin 2021 dans les secteurs qui ont dĂ©cidĂ© de l'octroi d'un chĂšque consommation suite Ă une dĂ©cision de financement de l'autoritĂ© fĂ©dĂ©rale ou de l'entitĂ© fĂ©dĂ©rĂ©e subsidiante au cours de la pĂ©riode du 1er novembre 2020 au 31 dĂ©cembre 2020 inclus.]3
  [4 Les chÚques consommation sur support papier qui mentionnent une durée de validité jusqu'au 31 décembre 2021, sont prolongés jusqu'au 31 décembre 2022 inclus.]4
  [7 Dans les trois mois suivant leur Ă©chĂ©ance les chĂšques consommation pĂ©rimĂ©s peuvent faire l'objet de la part du travailleur d'une demande de rĂ©activation unique auprĂšs de l'Ă©diteur des chĂšques consommation. La premiĂšre demande de rĂ©activation formulĂ©e par le travailleur est gratuite indĂ©pendamment du nombre de chĂšques consommation pour lesquels l'activation est demandĂ©e. Les Ă©ventuelles demandes de rĂ©activation suivantes peuvent, quel que soit le nombre de chĂšques consommation concernĂ©s par la demande, ĂȘtre soumises au paiement d'un coĂ»t maximal de 5 euros Ă charge du travailleur sauf si le travailleur peut dĂ©montrer une force majeure. Les chĂšques consommation rĂ©activĂ©s ont une durĂ©e de validitĂ© de trois mois. Les Ă©diteurs des chĂšques consommation doivent veiller Ă une communication relative Ă la procĂ©dure de rĂ©activation comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©. En outre, lors de chaque demande de rĂ©activation, une communication quant aux conditions de rĂ©activations doit ĂȘtre effectuĂ©e auprĂšs des travailleurs concernĂ©s comme le prĂ©voit l'article 2, 15°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 prĂ©citĂ©;]7
  5° Les chĂšques consommation ne peuvent ĂȘtre Ă©changĂ©s partiellement ou totalement en espĂšces;
  6° Le montant total des chÚques consommation octroyés par l'employeur ne peut dépasser 300 euros par travailleur.]1
  [2 § 3. Sans prĂ©judice des conditions Ă©numĂ©rĂ©es au paragraphe 2, le chĂšque consommation sous forme Ă©lectronique doit simultanĂ©ment satisfaire aux conditions suivantes pour ne pas ĂȘtre considĂ©rĂ© comme rĂ©munĂ©ration :
  1° le nombre des chÚques consommation sous forme électronique et leur montant brut, sont mentionnés sur le décompte, visé à l'article 15, alinéa 1er, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs;
  2° avant l'utilisation des chÚques consommation sous forme électronique, le travailleur peut vérifier de maniÚre simple le solde ainsi que la durée de validité des chÚques consommation qui lui ont été délivrés et qui n'ont pas encore été utilisés;
  3° le choix pour des chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique est rĂ©glĂ© par une convention collective de travail conclue au niveau de l'entreprise, Ă©ventuellement dans le cadre d'une convention collective de travail sectorielle. Si une telle convention ne peut pas ĂȘtre conclue en l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui n'est habituellement pas visĂ©e par une telle convention, le choix pour les chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. Pour le secteur public, l'octroi du chĂšque consommation doit avoir fait l'objet d'une nĂ©gociation au sein du comitĂ© de nĂ©gociation compĂ©tent;
  4° les chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique ne peuvent ĂȘtre mis Ă dispositions que par un Ă©diteur agréé conjointement par le ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions, par le ministre qui a l'emploi dans ses attributions, par le ministre qui a les indĂ©pendants dans ses attributions et par le ministre qui a les affaires Ă©conomiques dans ses attributions, comme le prĂ©voit ledit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010;
  5° l'utilisation des chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique ne peut pas entraĂźner de coĂ»ts pour le travailleur, sauf en cas de vol ou de perte dans les conditions Ă fixer par une convention collective de travail conclue au niveau du secteur ou de l'entreprise, ou par le rĂšglement de travail lorsque le choix pour les chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. En tout cas, le coĂ»t du support de remplacement en cas de vol ou perte ne peut pas ĂȘtre supĂ©rieur Ă la valeur nominale d'un titre-repas si dans l'entreprise tant des titres-repas Ă©lectroniques que des chĂšques consommation Ă©lectroniques sont accordĂ©s. Cependant, lorsque seuls des chĂšques consommation sont accordĂ©s dans l'entreprise le coĂ»t du support de remplacement ne peut ĂȘtre supĂ©rieur Ă 5 euros.
  Tous les chÚques consommation sous forme électronique qui ne remplissent pas toutes les conditions énumérées au présent paragraphe sont considérés comme étant une rémunération.
  Les chĂšques consommation sous forme Ă©lectronique Ă©mis par un Ă©diteur dont l'agrĂ©ment a Ă©tĂ© retirĂ© ou rendu caduque conformĂ©ment aux dispositions dudit arrĂȘtĂ© royal du 12 octobre 2010 restent valables jusqu'Ă la date d'expiration de leur durĂ©e de validitĂ©.]2
  [5 § 4. L'avantage accordé sous la forme d'une prime corona est considéré ou non comme rémunération selon les conditions et dispositions des paragraphes 1er à 3 inclus. Pour l'application du présent paragraphe toute référence au 'chÚque consommation' dans les paragraphes 1er à 3 inclus est réputée se référer à la 'prime corona' et toute référence au 'compte chÚque consommation' au 'compte prime corona'.
  L'octroi de la prime corona dans les entreprises qui ont obtenu de bons rĂ©sultats pendant la crise doit faire l'objet d'une convention collective de travail au niveau sectoriel ou au niveau de l'entreprise. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue en raison de l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale, ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel pour laquelle il n'est pas d'usage de prĂ©voir une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle.
  Par dérogation aux conditions des paragraphes 1er à 3 inclus, les conditions spécifiques suivantes sont d'application à la prime corona :
  1° [6 la dĂ©cision d'octroyer et de faire naĂźtre le droit Ă la prime corona doivent avoir lieu avant le 1er janvier 2022 et doivent faire l'objet d'une convention telle que visĂ©e au deuxiĂšme alinĂ©a, conclue au plus tard le 31 dĂ©cembre 2021; la prime corona ne peut ĂȘtre Ă©mise qu'entre le 1er aoĂ»t 2021 et le 31 mars 2022;]6
  2° la prime corona sur support papier mentionne clairement qu'elle est valable jusqu'au 31 décembre 2022;
  3° le montant total des primes corona octroyées par l'employeur ne peut dépasser 500 euros par travailleur.]5
  [6 Dans le cas d'Ă©mission de la prime corona aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2021 celle-ci est, par dĂ©rogation Ă l'article 21, premier alinĂ©a, liĂ©e Ă la pĂ©riode oĂč le droit Ă la prime est nĂ© sur la base de la convention visĂ©e au deuxiĂšme alinĂ©a.]6
  [7 Les primes corona peuvent ĂȘtre rĂ©activĂ©es selon les mĂȘmes modalitĂ©s et conditions que celles des chĂšques consommation.]7
  [8 § 5. L'avantage accordé sous la forme d'une prime pouvoir d'achat est considéré ou non comme rémunération selon les conditions et dispositions des paragraphes 1er à 3 inclus. Pour l'application du présent paragraphe toute référence au " chÚque consommation " dans les paragraphes 1er à 3 inclus est réputée se référer à la " prime pouvoir d'achat " et toute référence au " compte chÚque consommation " au " compte prime pouvoir d'achat ".
  L'octroi de la prime pouvoir d'achat dans les entreprises qui ont obtenu de bons rĂ©sultats pendant la crise doit faire l'objet d'une convention collective de travail au niveau sectoriel ou au niveau de l'entreprise. Si une telle convention ne peut ĂȘtre conclue en raison de l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale, ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel pour laquelle il n'est pas d'usage de prĂ©voir une telle convention, l'octroi peut ĂȘtre rĂ©gi par une convention individuelle.
  Si une convention collective telle que visĂ©e Ă l'alinĂ©a 2 est conclue au niveau d'une (sous-)commission paritaire, elle doit, pour ĂȘtre juridiquement valable, contenir deux dĂ©finitions basĂ©es respectivement sur les bĂ©nĂ©fices Ă©levĂ©s en 2022 et sur les bĂ©nĂ©fices exceptionnellement Ă©levĂ©s en 2022, dĂ©limitant les entreprises oĂč de bons rĂ©sultats ont Ă©tĂ© obtenus pendant la crise. La prime pouvoir d'achat, d'un montant maximal de 500 euros, ne peut ĂȘtre accordĂ©e que dans ces entreprises ayant rĂ©alisĂ© un bĂ©nĂ©fice Ă©levĂ© en 2022. Dans ces entreprises oĂč un bĂ©nĂ©fice exceptionnellement Ă©levĂ© a Ă©tĂ© rĂ©alisĂ© en 2022, la prime pouvoir d'achat peut s'Ă©lever Ă 750 euros maximum.
  Si une convention collective du travail est conclue au niveau de l'entreprise, on ajoute une justification selon laquelle on est une entreprise oĂč de bons rĂ©sultats ont Ă©tĂ© obtenus pendant la crise.
  Par dérogation aux conditions des paragraphes 1er à 3 inclus, les conditions spécifiques suivantes sont d'application à la prime pouvoir d'achat :
  1° [9 la dĂ©cision d'octroyer et de faire naĂźtre le droit Ă la prime pouvoir d'achat doivent avoir lieu avant le 1er janvier 2024 et doivent faire l'objet d'une convention telle que visĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, conclue au plus tard le 31 dĂ©cembre 2023; la prime pouvoir d'achat ne peut ĂȘtre Ă©mise qu'entre le 1er juin 2023 et le 31 mars 2024;]9
  2° la prime pouvoir d'achat sur support papier mentionne clairement qu'elle est valable jusqu'au 31 décembre 2024 inclus;
  3° le montant total des primes pouvoir d'achat octroyées par l'employeur ne peut dépasser 750 euros par travailleur;
  4° le choix pour des primes pouvoir d'achat sur support papier peut ĂȘtre rĂ©glĂ© par une convention collective de travail. Si une telle convention au niveau de l'entreprise ne peut pas ĂȘtre conclue en l'absence de dĂ©lĂ©gation syndicale ou s'il s'agit d'une catĂ©gorie de personnel qui n'est habituellement pas visĂ©e par une telle convention, le choix pour les primes pouvoir d'achat sur support papier est rĂ©glĂ© par un accord individuel Ă©crit. Dans ce cas le paragraphe 3, alinĂ©a 1er, 3°, n'est pas d'application.]8
  [9 Dans le cas d'Ă©mission de la prime pouvoir d'achat aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2023 celle-ci est, par dĂ©rogation Ă l'article 21, alinĂ©a 1er, liĂ©e Ă la pĂ©riode oĂč le droit Ă la prime est nĂ© sur la base de la convention visĂ©e Ă l'alinĂ©a 2.]9
 Â
Wijzigingen
Art. 20. <KB 2004-04-27/31, art. 1, 120; Inwerkingtreding : 01-01-2003> § 1. De voordelen in natura worden geschat tegen een in euro uitgedrukt bedrag dat met hun courante waarde overeenstemt.
  § 2. Er wordt evenwel afgeweken van § 1 voor de hiernavolgende voordelen in natura :
  1° kost en, wanneer de werknemer niet over een huis of verschillende woonvertrekken beschikt, inwoning worden als volgt geschat :
  Eerste maaltijd (ontbijt) : 0,55 euro;
  Tweede maaltijd (hoofdmaaltijd) : 1,09 euro;
  Derde maaltijd (avondmaal) : 0,84 euro;
  Inwoning (per dag) : 0,74 euro.
  2° [1 het voordeel van het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele PC, tablet, vaste of mobiele internetaansluiting, mobiele telefoon of vast of mobiel telefoonabonnement wordt forfaitair vastgesteld op :
  a) 72 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele PC;
  b) 36 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde tablet of een mobiele telefoon;
  c) 60 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele internetaansluiting; indien er meerdere abonnementen zijn, wordt dit bedrag slechts éénmaal in rekening gebracht;
  d) 48 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gesteld vast of mobiel telefoonabonnement.]1
 Â
  § 2. Er wordt evenwel afgeweken van § 1 voor de hiernavolgende voordelen in natura :
  1° kost en, wanneer de werknemer niet over een huis of verschillende woonvertrekken beschikt, inwoning worden als volgt geschat :
  Eerste maaltijd (ontbijt) : 0,55 euro;
  Tweede maaltijd (hoofdmaaltijd) : 1,09 euro;
  Derde maaltijd (avondmaal) : 0,84 euro;
  Inwoning (per dag) : 0,74 euro.
  2° [1 het voordeel van het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele PC, tablet, vaste of mobiele internetaansluiting, mobiele telefoon of vast of mobiel telefoonabonnement wordt forfaitair vastgesteld op :
  a) 72 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele PC;
  b) 36 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde tablet of een mobiele telefoon;
  c) 60 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde vaste of mobiele internetaansluiting; indien er meerdere abonnementen zijn, wordt dit bedrag slechts éénmaal in rekening gebracht;
  d) 48 EUR per jaar voor een kosteloos ter beschikking gesteld vast of mobiel telefoonabonnement.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 20. <AR 2004-04-27/31, art. 2, 120; En vigueur : 01-01-2003> § 1er. Les avantages en nature font l'objet d'une évaluation en euro correspondant à leur valeur courante.
  § 2. Toutefois, il est dérogé au § 1er pour les avantages en nature suivants :
  1° la nourriture et, si le travailleur n'a pas la jouissance d'une maison ou de plusieurs piÚces d'habitation, le logement sont évalués comme suit :
  Premier repas (déjeuner) : 0,55 euro;
  DeuxiÚme repas (repas principal) : 1,09 euro;
  TroisiÚme repas (souper) : 0,84 euro;
  Logement (par jour) : 0,74 euro.
  2° [1 l'avantage de l'utilisation à des fins personnelles d'un PC fixe ou portable, d'une tablette, d'une connexion internet fixe ou mobile, d'un téléphone mobile ou d'un abonnement de téléphonie fixe ou mobile, mis gratuitement à disposition est fixé forfaitairement à :
  a) 72 EUR par an pour un PC, fixe ou portable, mis gratuitement à disposition;
  b) 36 EUR par an pour une tablette ou un téléphone mobile, mis gratuitement à disposition;
  c) 60 EUR par an pour une connexion internet fixe ou mobile, mise gratuitement Ă disposition; au cas oĂč il y aurait plusieurs abonnements, ce montant est pris en compte qu'une fois;
  d) 48 EUR par an pour un abonnement de téléphonie fixe ou mobile, mis gratuitement à disposition.]1
 Â
  § 2. Toutefois, il est dérogé au § 1er pour les avantages en nature suivants :
  1° la nourriture et, si le travailleur n'a pas la jouissance d'une maison ou de plusieurs piÚces d'habitation, le logement sont évalués comme suit :
  Premier repas (déjeuner) : 0,55 euro;
  DeuxiÚme repas (repas principal) : 1,09 euro;
  TroisiÚme repas (souper) : 0,84 euro;
  Logement (par jour) : 0,74 euro.
  2° [1 l'avantage de l'utilisation à des fins personnelles d'un PC fixe ou portable, d'une tablette, d'une connexion internet fixe ou mobile, d'un téléphone mobile ou d'un abonnement de téléphonie fixe ou mobile, mis gratuitement à disposition est fixé forfaitairement à :
  a) 72 EUR par an pour un PC, fixe ou portable, mis gratuitement à disposition;
  b) 36 EUR par an pour une tablette ou un téléphone mobile, mis gratuitement à disposition;
  c) 60 EUR par an pour une connexion internet fixe ou mobile, mise gratuitement Ă disposition; au cas oĂč il y aurait plusieurs abonnements, ce montant est pris en compte qu'une fois;
  d) 48 EUR par an pour un abonnement de téléphonie fixe ou mobile, mis gratuitement à disposition.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 21. <KB 2001-06-10/60, art. 4, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Het loon is gekoppeld aan de periode waarop het betrekking heeft. De sommen die betaald worden bij het verstrijken van een semester of van een jaar en waarvan het bedrag geen 20 pct. van de andere lonen voor dat semester of dat jaar te boven gaat, worden evenwel gekoppeld aan het kwartaal gedurende welke zij betaald worden of aan het laatste kwartaal waarin arbeidsdagen voorkomen.
  De door artikel 19, § 2, 2°, als loon beschouwde vergoedingen worden gekoppeld aan de door deze vergoedingen gedekte periode. De vergoeding bedoeld bij artikel 19, § 2, 2°, c), wordt geacht een periode te dekken die ingaat onmiddellijk na het verstrijken van de opzeggingstermijn of van de periode die wordt gedekt door de vergoeding bedoeld bij artikel 19, § 2, 2°, a). De vergoeding bedoeld bij artikel 19, § 2, 2°, d), wordt, vanaf de datum van de beëindiging van de dienstbetrekking geacht een periode te dekken gelijk aan het quotiënt van de deling met als deeltal het totaal bedrag van de vergoeding betaald door de werkgever en als deler het normaal bedrag van het loon van de laatste volledige maand waarin arbeidsdagen voorkomen.
  Het in artikel 19, § 1, tweede lid, bedoelde percentage wordt, hetzij elk kwartaal, hetzij op het ogenblik dat de vergoeding is verschuldigd, gevoegd bij de bedragen en voordelen die het loon uitmaken.
  Het loon voor de prestaties bedoeld in de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels is gekoppeld aan de dag waarop de inhaalrust genomen wordt.
  De door artikel 19, § 2, 2°, als loon beschouwde vergoedingen worden gekoppeld aan de door deze vergoedingen gedekte periode. De vergoeding bedoeld bij artikel 19, § 2, 2°, c), wordt geacht een periode te dekken die ingaat onmiddellijk na het verstrijken van de opzeggingstermijn of van de periode die wordt gedekt door de vergoeding bedoeld bij artikel 19, § 2, 2°, a). De vergoeding bedoeld bij artikel 19, § 2, 2°, d), wordt, vanaf de datum van de beëindiging van de dienstbetrekking geacht een periode te dekken gelijk aan het quotiënt van de deling met als deeltal het totaal bedrag van de vergoeding betaald door de werkgever en als deler het normaal bedrag van het loon van de laatste volledige maand waarin arbeidsdagen voorkomen.
  Het in artikel 19, § 1, tweede lid, bedoelde percentage wordt, hetzij elk kwartaal, hetzij op het ogenblik dat de vergoeding is verschuldigd, gevoegd bij de bedragen en voordelen die het loon uitmaken.
  Het loon voor de prestaties bedoeld in de artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels is gekoppeld aan de dag waarop de inhaalrust genomen wordt.
Art. 21. <AR 2001-06-10/60, art. 4, 098; En vigueur : 01-01-2003> La rémunération est rattachée à la période à laquelle elle se rapporte. Les sommes qui sont payées à l'expiration d'un semestre ou d'une année et dont le montant n'excÚde pas 20 p.c. des autres rémunérations de ce semestre ou de cette année, sont toutefois rattachées au trimestre au cours duquel elles sont payées ou au dernier trimestre au cours duquel interviennent des jours de travail.
  Les indemnités qui sont considérées comme rémunération en vertu de l'article 19, § 2, 2°, sont rattachées à la période qu'elles couvrent. L'indemnité visée à l'article 19, § 2, 2°, c) est censée couvrir une période qui prend cours immédiatement aprÚs la fin du délai de préavis ou aprÚs la période qui est couverte par l'indemnité visée à l'article 19, § 2, 2°, a). L'indemnité visée à l'article 19, § 2, 2°, d), est censée couvrir, à compter de la date de la rupture de l'engagement, la période correspondant au quotient de la division ayant pour dividende le montant total de l'indemnité payée par l'employeur et pour diviseur le montant de la rémunération normale du dernier mois complet au cours duquel interviennent des jours de travail.
  Le pourcentage prĂ©vu Ă l'article 19, § 1er, alinĂ©a 2, est ajoutĂ© aux sommes et avantages qui composent la rĂ©munĂ©ration, soit chaque trimestre, soit au moment oĂč l'indemnitĂ© est due.
  La rĂ©munĂ©ration pour les prestations visĂ©es aux articles 14 et 15 de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2001 portant dĂ©finition uniforme de notions relatives au temps de travail Ă l'usage de la sĂ©curitĂ© sociale en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions est liĂ©e au jour oĂč le repos compensatoire est pris.
  Les indemnités qui sont considérées comme rémunération en vertu de l'article 19, § 2, 2°, sont rattachées à la période qu'elles couvrent. L'indemnité visée à l'article 19, § 2, 2°, c) est censée couvrir une période qui prend cours immédiatement aprÚs la fin du délai de préavis ou aprÚs la période qui est couverte par l'indemnité visée à l'article 19, § 2, 2°, a). L'indemnité visée à l'article 19, § 2, 2°, d), est censée couvrir, à compter de la date de la rupture de l'engagement, la période correspondant au quotient de la division ayant pour dividende le montant total de l'indemnité payée par l'employeur et pour diviseur le montant de la rémunération normale du dernier mois complet au cours duquel interviennent des jours de travail.
  Le pourcentage prĂ©vu Ă l'article 19, § 1er, alinĂ©a 2, est ajoutĂ© aux sommes et avantages qui composent la rĂ©munĂ©ration, soit chaque trimestre, soit au moment oĂč l'indemnitĂ© est due.
  La rĂ©munĂ©ration pour les prestations visĂ©es aux articles 14 et 15 de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2001 portant dĂ©finition uniforme de notions relatives au temps de travail Ă l'usage de la sĂ©curitĂ© sociale en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions est liĂ©e au jour oĂč le repos compensatoire est pris.
Art. 22. Wanneer de loongrenzen vastgesteld bij artikel 15 van de wet verhoogd of verlaagd worden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 16 van bedoelde wet, en dat de verhoogde of verminderde bedragen niet deelbaar zijn door 25, worden die bedragen, in geval van verhoging, gebracht tot de onmiddellijk hogere bedragen die deelbaar zijn door 25, of in geval van vermindering, teruggebracht tot de onmiddellijk lager gelegen bedragen die deelbaar zijn door 25.
Art. 22. Lorsque les limites de rémunération fixées « l'article 15 de la loi sont augmentées ou diminuées conformément aux dispositions de l'article 16 de ladite loi et que les montants augmentés ou diminués ne sont pas divisibles par 25, ces montants sont, en cas d'augmentation, portés aux montants divisibles par 25, ces montants divisibles par 25 qui leur sont immédiatement supérieurs ou, en cas de diminution, ramenés aux montants divisibles par 25 qui leur sont immédiatement inférieurs.
Art. 23. § 1. De bij artikel 15 van de wet vastgestelde maandgrenzen zijn van toepassing wanneer het loon per maand of per periode van verschillende maanden aan de werknemer wordt uitbetaald.
  Wanneer het loon aan de werknemer normaal per periode van minder dan één maand wordt uitbetaald, worden die grenzen door kwartaalgrenzen vervangen. De maandgrenzen blijven nochtans van toepassing wanneer de werknemer normaal, in de loop van de maand vooruitbetalingen overeenkomstig artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ontvangt en dat zijn definitief loon eens per maand wordt vastgesteld.
  § 2. (...) <KB 2001-06-10/60, art. 5, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  Wanneer het loon aan de werknemer normaal per periode van minder dan één maand wordt uitbetaald, worden die grenzen door kwartaalgrenzen vervangen. De maandgrenzen blijven nochtans van toepassing wanneer de werknemer normaal, in de loop van de maand vooruitbetalingen overeenkomstig artikel 9 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ontvangt en dat zijn definitief loon eens per maand wordt vastgesteld.
  § 2. (...) <KB 2001-06-10/60, art. 5, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 23. § 1er. Les limites mensuelles fixée à l'article 15 de la loi sont applicables lorsque la rémunération est normalement payée par mois ou par période de plusieurs mois au travailleur.
  Lorsque la rémunération est normalement payée au travailleur par périodes inférieures au mois, ces limites sont remplacés par des limites trimestrielles. Les limites mensuelles restent toutefois applicables lorsque le travailleur reçoit normalement en cours de mois des paiements par avance conformément à l'article 9 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs et que sa rémunération définitive est établie une fois par mois.
  § 2. (...) <AR 2001-06-10/60, art. 5, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  Lorsque la rémunération est normalement payée au travailleur par périodes inférieures au mois, ces limites sont remplacés par des limites trimestrielles. Les limites mensuelles restent toutefois applicables lorsque le travailleur reçoit normalement en cours de mois des paiements par avance conformément à l'article 9 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs et que sa rémunération définitive est établie une fois par mois.
  § 2. (...) <AR 2001-06-10/60, art. 5, 098; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 24. <KB 2001-06-10/60, art. 6, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003> 1° Voor de toepassing van dit besluit worden als arbeidsdagen in aanmerking genomen :
  a) de dagen of uren normale werkelijke arbeid;
  b) de dagen of uren waarop geen arbeid wordt verricht maar waarvoor de werknemer zijn recht op loon behoudt en waarop sociale zekerheidsbijdragen worden ingehouden;
  c) de dagen inhaalrust, andere dan inhaalrust bouwbedrijf;
  d) de dagen en uren wettelijke vakantie voor de handarbeiders; die dagen worden in aanmerking genomen ten belope van het aantal dagen van gewone activiteit.
  Voor de voltijdse werknemers wordt het aantal in aanmerking te nemen dagen bekomen volgens de volgende formule :
  A/B x C, waarbij
  * A overeenstemt met het aantal dagen zoals bepaald in 1°;
  * B overeenstemt met het aantal dagen van tewerkstelling voorzien in de vaste arbeidsregeling of, indien het geen vast aantal dagen per week betreft, met het maximaal aantal dagen tewerkstelling van de maatpersoon per kwartaal;
  * C overeenstemt met het maximaal aantal in aanmerking te nemen dagen voor een tewerkstelling in een vijfdagenweek per kwartaal.
  Indien het bekomen resultaat een breuk bevat, dan wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.
  (Deze formule is niet van toepassing op artikel 17bis van dit besluit.) <KB 2005-11-10/48, art. 2, 126; Inwerkingtreding : 01-07-2005>
  2° Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder " kwartaal " de periode gedekt door de uitbetalingen waarvan de sluitingsdag in eenzelfde kalenderkwartaal is gelegen. Wanneer de laatste dag van deze periode onmiddellijk wordt gevolgd door een of meer normale rustdagen, wordt de rustdag die geen zondag is, mede in aanmerking genomen.
  (In afwijking van het voorgaande eindigt het vierde kwartaal van elk jaar op 31 december van dat jaar en begint het eerste kwartaal van elk jaar op 1 januari van dat jaar.) <KB 2001-06-10/61, art. 1, 099; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  a) de dagen of uren normale werkelijke arbeid;
  b) de dagen of uren waarop geen arbeid wordt verricht maar waarvoor de werknemer zijn recht op loon behoudt en waarop sociale zekerheidsbijdragen worden ingehouden;
  c) de dagen inhaalrust, andere dan inhaalrust bouwbedrijf;
  d) de dagen en uren wettelijke vakantie voor de handarbeiders; die dagen worden in aanmerking genomen ten belope van het aantal dagen van gewone activiteit.
  Voor de voltijdse werknemers wordt het aantal in aanmerking te nemen dagen bekomen volgens de volgende formule :
  A/B x C, waarbij
  * A overeenstemt met het aantal dagen zoals bepaald in 1°;
  * B overeenstemt met het aantal dagen van tewerkstelling voorzien in de vaste arbeidsregeling of, indien het geen vast aantal dagen per week betreft, met het maximaal aantal dagen tewerkstelling van de maatpersoon per kwartaal;
  * C overeenstemt met het maximaal aantal in aanmerking te nemen dagen voor een tewerkstelling in een vijfdagenweek per kwartaal.
  Indien het bekomen resultaat een breuk bevat, dan wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.
  (Deze formule is niet van toepassing op artikel 17bis van dit besluit.) <KB 2005-11-10/48, art. 2, 126; Inwerkingtreding : 01-07-2005>
  2° Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder " kwartaal " de periode gedekt door de uitbetalingen waarvan de sluitingsdag in eenzelfde kalenderkwartaal is gelegen. Wanneer de laatste dag van deze periode onmiddellijk wordt gevolgd door een of meer normale rustdagen, wordt de rustdag die geen zondag is, mede in aanmerking genomen.
  (In afwijking van het voorgaande eindigt het vierde kwartaal van elk jaar op 31 december van dat jaar en begint het eerste kwartaal van elk jaar op 1 januari van dat jaar.) <KB 2001-06-10/61, art. 1, 099; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 24. <AR 2001-06-10/60, art. 6, 098; En vigueur : 01-01-2003> 1° Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont pris en considĂ©ration comme jours de travail :
  a) les journées ou heures de travail effectif normal;
  b) les journées ou heures non consacrées au travail mais pour lesquelles le travailleur conserve son droit à sa rémunération sur laquelle sont retenues des cotisations de sécurité sociale;
  c) les journées de repos compensatoire autre que le repos compensatoire secteur de la construction;
  d) les journées et heures de vacances légales pour les travailleurs manuels; ces journées sont prises en considération à concurrence du nombre des journées d'activité habituelle.
  Pour les travailleurs à temps plein le nombre de jours à prendre en considération est obtenu selon la formule suivante :
  A/B x C, soit :
  * A correspond au nombre de jours tel que défini au 1°;
  * B correspond au nombre de jours d'occupation prévu dans le régime de travail fixe ou, s'il ne s'agit pas d'un nombre fixe de jours par semaine, au nombre maximum de jours d'occupation de la personne de référence par trimestre;
  * C correspond au nombre maximum de jours à prendre en considération pour une occupation de cinq jours par semaine par trimestre.
  Lorsque le calcul donne un nombre fractionnaire, le résultat est arrondi à l'unité supérieure.
  (Cette formule ne s'applique pas Ă l'article 17bis du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.) <AR 2005-11-10/48, art. 2, 126; En vigueur : 01-07-2005>
  2° Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par " trimestre ", la pĂ©riode couverte par les paies dont le jour de clĂŽture se situe dans un mĂȘme trimestre civil. Lorsque le dernier jour de cette pĂ©riode est suivi immĂ©diatement d'un ou de plusieurs jours de repos normaux, le jour de repos qui n'est pas un dimanche est pris en considĂ©ration.
  (Par dérogation à ce qui précÚde le quatriÚme trimestre de chaque année prend fin le 31 décembre de cette année et le premier trimestre de chaque année prend cours le premier janvier de cette année.) <AR 2001-06-10/61, art. 1, 099; En vigueur : 01-01-2003>
  a) les journées ou heures de travail effectif normal;
  b) les journées ou heures non consacrées au travail mais pour lesquelles le travailleur conserve son droit à sa rémunération sur laquelle sont retenues des cotisations de sécurité sociale;
  c) les journées de repos compensatoire autre que le repos compensatoire secteur de la construction;
  d) les journées et heures de vacances légales pour les travailleurs manuels; ces journées sont prises en considération à concurrence du nombre des journées d'activité habituelle.
  Pour les travailleurs à temps plein le nombre de jours à prendre en considération est obtenu selon la formule suivante :
  A/B x C, soit :
  * A correspond au nombre de jours tel que défini au 1°;
  * B correspond au nombre de jours d'occupation prévu dans le régime de travail fixe ou, s'il ne s'agit pas d'un nombre fixe de jours par semaine, au nombre maximum de jours d'occupation de la personne de référence par trimestre;
  * C correspond au nombre maximum de jours à prendre en considération pour une occupation de cinq jours par semaine par trimestre.
  Lorsque le calcul donne un nombre fractionnaire, le résultat est arrondi à l'unité supérieure.
  (Cette formule ne s'applique pas Ă l'article 17bis du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.) <AR 2005-11-10/48, art. 2, 126; En vigueur : 01-07-2005>
  2° Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par " trimestre ", la pĂ©riode couverte par les paies dont le jour de clĂŽture se situe dans un mĂȘme trimestre civil. Lorsque le dernier jour de cette pĂ©riode est suivi immĂ©diatement d'un ou de plusieurs jours de repos normaux, le jour de repos qui n'est pas un dimanche est pris en considĂ©ration.
  (Par dérogation à ce qui précÚde le quatriÚme trimestre de chaque année prend fin le 31 décembre de cette année et le premier trimestre de chaque année prend cours le premier janvier de cette année.) <AR 2001-06-10/61, art. 1, 099; En vigueur : 01-01-2003>
Afdeling 2. - Bijzondere regelingen voor bepaalde werknemerscategorieën.
Section 2. - Modalités particuliÚres à certaines catégories de travailleurs.
Art. 25. <KB 2007-04-30/42, art. 1, 135; Inwerkingtreding : 01-04-2007> § 1. Wat de handarbeiders betreft die één van de functies bepaald door de Minister van Sociale Zaken uitoefenen en wier loon geheel of gedeeltelijk uit fooien of bedieningsgeld bestaat, worden de bijdragen, in de gevallen voorzien in lid 2 van deze paragraaf, berekend op grond van een bedrag dat verkregen wordt door de forfaitaire daglonen te vermenigvuldigen met het aantal arbeidsdagen van het kwartaal, opgesomd in artikel 24, 1°, a, b en c.
  De Minister van Sociale Zaken bepaalt de paritaire comités en subcomités in welke de forfaitaire daglonen van toepassing zijn evenals de uitgeoefende functies waarop deze forfaitaire daglonen kunnen toegepast worden.
  De forfaitaire daglonen worden per functie door de Minister van Sociale Zaken vastgesteld.
  Deze forfaitaire daglonen zijn van toepassing wanneer de arbeidsregeling van de werknemer minder dan 6 dagen per week bedraagt in de loop van het kwartaal.
  Wanneer de arbeidsregeling van de werknemer zes dagen per week bedraagt in de loop van het kwartaal, worden de forfaitaire daglonen verminderd met 16,7 %.
  Wat de werknemers betreft wier loon geheel of gedeeltelijk uit fooien of bedieningsgeld bestaat en die één van de functies bepaald door de Minister van Sociale Zaken niet uitoefenen of die één van de functies bepaald door de Minister van Sociale Zaken uitoefenen bij een werkgever die niet onder een paritair comité of subcomité bepaald door de Minister van Sociale Zaken ressorteert, worden de bijdragen berekend op de werkelijke lonen, zonder dat deze lager mogen zijn dan het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen of dan het toepasselijke conventionele sectorloon.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
  § 5. Wanneer de werknemer gedeeltelijk met fooien en bedieningsgeld wordt betaald en het loon van het kwartaal dat niet uit fooien en bedieningsgeld bestaat, met uitzondering van de eindejaarspremie, meer bedraagt dan het overeenkomstig de eerste paragraaf vastgestelde bedrag, worden de bijdragen uitsluitend berekend op het gedeelte dat niet uit fooien of bedieningsgeld bestaat overeenkomstig het bepaalde in afdeling 1.
  De bijdragen worden steeds op de eindejaarspremie berekend, ongeacht of deze rechtstreeks door de werkgever of door een derdebetaler wordt betaald.
 Â
  De Minister van Sociale Zaken bepaalt de paritaire comités en subcomités in welke de forfaitaire daglonen van toepassing zijn evenals de uitgeoefende functies waarop deze forfaitaire daglonen kunnen toegepast worden.
  De forfaitaire daglonen worden per functie door de Minister van Sociale Zaken vastgesteld.
  Deze forfaitaire daglonen zijn van toepassing wanneer de arbeidsregeling van de werknemer minder dan 6 dagen per week bedraagt in de loop van het kwartaal.
  Wanneer de arbeidsregeling van de werknemer zes dagen per week bedraagt in de loop van het kwartaal, worden de forfaitaire daglonen verminderd met 16,7 %.
  Wat de werknemers betreft wier loon geheel of gedeeltelijk uit fooien of bedieningsgeld bestaat en die één van de functies bepaald door de Minister van Sociale Zaken niet uitoefenen of die één van de functies bepaald door de Minister van Sociale Zaken uitoefenen bij een werkgever die niet onder een paritair comité of subcomité bepaald door de Minister van Sociale Zaken ressorteert, worden de bijdragen berekend op de werkelijke lonen, zonder dat deze lager mogen zijn dan het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen of dan het toepasselijke conventionele sectorloon.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
  § 5. Wanneer de werknemer gedeeltelijk met fooien en bedieningsgeld wordt betaald en het loon van het kwartaal dat niet uit fooien en bedieningsgeld bestaat, met uitzondering van de eindejaarspremie, meer bedraagt dan het overeenkomstig de eerste paragraaf vastgestelde bedrag, worden de bijdragen uitsluitend berekend op het gedeelte dat niet uit fooien of bedieningsgeld bestaat overeenkomstig het bepaalde in afdeling 1.
  De bijdragen worden steeds op de eindejaarspremie berekend, ongeacht of deze rechtstreeks door de werkgever of door een derdebetaler wordt betaald.
 Â
Art. 25. <AR 2007-04-30/42, art. 1, 135; En vigueur : 01-04-2007> § 1er. En ce qui concerne les travailleurs manuels qui exercent une des fonctions déterminées par le Ministre des Affaires sociales et dont la rémunération est constituée en tout ou en partie par des pourboires ou du service, les cotisations sont, dans les cas visés à l'alinéa 2 du présent paragraphe, calculées sur la base d'un montant obtenu en multipliant les rémunérations forfaitaires journaliÚres par le nombre des journées de travail du trimestre, énumérées à l'article 24, 1°, a, b et c.
  Le Ministre des Affaires sociales détermine les commissions et sous commissions paritaires dans lesquelles le recours aux rémunérations forfaitaires journaliÚres est applicable ainsi que les fonctions exercées permettant l'application de ces rémunérations forfaitaires journaliÚres.
  Les rémunérations forfaitaires journaliÚres sont, par fonction, fixées par le Ministre des Affaires sociales.
  Ces rémunérations forfaitaires journaliÚres s'appliquent lorsque le régime de travail du travailleur n'est pas de 6 jours par semaine au cours du trimestre.
  Lorsque le régime de travail du travailleur est de 6 jours par semaine au cours du trimestre, les rémunérations forfaitaires journaliÚres sont réduites de 16,7 %.
  En ce qui concerne les travailleurs dont la rĂ©munĂ©ration est constituĂ©e en tout ou en partie par des pourboires ou du service, et qui n'exercent pas une fonction dĂ©terminĂ©e par le Ministre des Affaires Sociales ou exercent une fonction dĂ©terminĂ©e par le Ministre des Affaires sociales auprĂšs d'un employeur qui ne ressort pas d'une commission ou sous commission paritaire dĂ©terminĂ©e par le Ministre des Affaires sociales, les cotisations se calculent sur les rĂ©munĂ©rations rĂ©elles, sans que celles-ci ne puissent ĂȘtre infĂ©rieures ni au revenu minimum mensuel moyen garanti ni au salaire conventionnel sectoriel qui leur est applicable.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
  § 5. Lorsque le travailleur est rémunéré partiellement au pourboire et au service et que la rémunération du trimestre non constituée par des pourboires et du service, à l'exclusion de la prime de fin d'année, excÚde le montant déterminé conformément au paragraphe 1er, les cotisations se calculent exclusivement sur la fraction non constituée des pourboires ou du service conformément aux dispositions de la section 1re.
  Les cotisations sont toujours calculées sur la prime de fin d'année, que celle-ci soit payée directement par l'employeur ou par un tiers-payant.
 Â
  Le Ministre des Affaires sociales détermine les commissions et sous commissions paritaires dans lesquelles le recours aux rémunérations forfaitaires journaliÚres est applicable ainsi que les fonctions exercées permettant l'application de ces rémunérations forfaitaires journaliÚres.
  Les rémunérations forfaitaires journaliÚres sont, par fonction, fixées par le Ministre des Affaires sociales.
  Ces rémunérations forfaitaires journaliÚres s'appliquent lorsque le régime de travail du travailleur n'est pas de 6 jours par semaine au cours du trimestre.
  Lorsque le régime de travail du travailleur est de 6 jours par semaine au cours du trimestre, les rémunérations forfaitaires journaliÚres sont réduites de 16,7 %.
  En ce qui concerne les travailleurs dont la rĂ©munĂ©ration est constituĂ©e en tout ou en partie par des pourboires ou du service, et qui n'exercent pas une fonction dĂ©terminĂ©e par le Ministre des Affaires Sociales ou exercent une fonction dĂ©terminĂ©e par le Ministre des Affaires sociales auprĂšs d'un employeur qui ne ressort pas d'une commission ou sous commission paritaire dĂ©terminĂ©e par le Ministre des Affaires sociales, les cotisations se calculent sur les rĂ©munĂ©rations rĂ©elles, sans que celles-ci ne puissent ĂȘtre infĂ©rieures ni au revenu minimum mensuel moyen garanti ni au salaire conventionnel sectoriel qui leur est applicable.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
  § 5. Lorsque le travailleur est rémunéré partiellement au pourboire et au service et que la rémunération du trimestre non constituée par des pourboires et du service, à l'exclusion de la prime de fin d'année, excÚde le montant déterminé conformément au paragraphe 1er, les cotisations se calculent exclusivement sur la fraction non constituée des pourboires ou du service conformément aux dispositions de la section 1re.
  Les cotisations sont toujours calculées sur la prime de fin d'année, que celle-ci soit payée directement par l'employeur ou par un tiers-payant.
 Â
Art. 26. § 1. Wat betreft de werknemers die door een arbeidsovereenkomst voor zeevissers zijn verbonden, worden de bijdragen berekend op grond van een bedrag dat verkregen wordt door de forfaitaire daglonen, vastgesteld door de Minister van Sociale Voorzorg, te vermenigvuldigen met het aantal arbeidsdagen van het kwartaal opgesomd (bij artikel 24, 1°, a, b, en c), ongeacht of die werknemers een vast loon verdienen dan wel geheel of gedeeltelijk met een deel in de opbrengst worden betaald. <KB 2001-06-10/60, art. 8, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2. Voor de toepassing van artikel 24, 1°, a) worden als (dagen normale werkelijke arbeid) beschouwd de arbeidsdagen en gedeelten ervan die in de haven worden doorgebracht en de vaartdagen. <KB 2001-06-10/60, art. 8, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  Als vaartdag wordt beschouwd, de aanwezigheid op zee van ten minste vier uur in de loop van een kalenderdag.
  De zeevaart die twee opeenvolgende kalenderdagen bestrijkt zonder op elk dezer afzonderlijk vier uur te bereiken, wordt nochtans voor één vaartdag aangerekend indien deze in totaal ten minste vier uur bereikt.
  (Het uitvaren van een vissersschip voor een duur van meer dan 4 uur, die 24 uur niet overschrijdt, wordt als één vaartdag beschouwd. Indien het uitvaren van een vissersschip een duur van 24 uur of een veelvoud van 24 uur overschrijdt, wordt de duur van die overschrijding in aanmerking genomen als een nieuwe vaartdag.) <KB 2007-12-20/28, art. 1, 141; Inwerkingtreding : 03-03-2008>
  § 2. Voor de toepassing van artikel 24, 1°, a) worden als (dagen normale werkelijke arbeid) beschouwd de arbeidsdagen en gedeelten ervan die in de haven worden doorgebracht en de vaartdagen. <KB 2001-06-10/60, art. 8, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  Als vaartdag wordt beschouwd, de aanwezigheid op zee van ten minste vier uur in de loop van een kalenderdag.
  De zeevaart die twee opeenvolgende kalenderdagen bestrijkt zonder op elk dezer afzonderlijk vier uur te bereiken, wordt nochtans voor één vaartdag aangerekend indien deze in totaal ten minste vier uur bereikt.
  (Het uitvaren van een vissersschip voor een duur van meer dan 4 uur, die 24 uur niet overschrijdt, wordt als één vaartdag beschouwd. Indien het uitvaren van een vissersschip een duur van 24 uur of een veelvoud van 24 uur overschrijdt, wordt de duur van die overschrijding in aanmerking genomen als een nieuwe vaartdag.) <KB 2007-12-20/28, art. 1, 141; Inwerkingtreding : 03-03-2008>
Art. 26. § 1er. En ce qui concerne les travailleurs liĂ©s par un contrat d'engagement pour la pĂȘche maritime, les cotisations se calculent sur la base d'un montant obtenu en multipliant les rĂ©munĂ©rations forfaitaires journaliĂšres fixĂ©es par le Ministre de la PrĂ©voyance sociale, par le nombre des journĂ©es de travail du trimestre, par le Ă©numĂ©rĂ©es (Ă l'article 24, 1°, a, b, et c), que ces travailleurs bĂ©nĂ©ficient d'une rĂ©munĂ©ration fixe ou soient rĂ©munĂ©rĂ©s totalement ou partiellement Ă la part. <AR 2001-06-10/60, art. 8, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  § 2. Pour l'application de l'article 24, 1°, a) sont considérer comme (journées de travail effectif normal) les journées de travail effectuées dans le port et les journées de navigation. <AR 2001-06-10/60, art. 8, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  Est considérée comme journée de navigation, la présence en mer d'au moins quatre heures au cours d'un jour calendrier.
  Toute sortie de mer s'échelonnant sur deux jours calendrier consécutifs, qui n'atteint pas quatre heures au cours d'un de ces jours, est toutefois comptée pour une journée de navigation si la sortie dure au total au moins quatre heures.
  (La sortie en mer d'un bateau de pĂȘche pour une durĂ©e de plus de quatre heures, qui ne dĂ©passe pas 24 heures, est considĂ©rĂ©e comme une seule journĂ©e de navigation. Si la sortie en mer d'un bateau de pĂȘche dĂ©passe une durĂ©e de 24 heures ou un multiple de 24 heures, la durĂ©e de ce dĂ©passement est prise en considĂ©ration comme une nouvelle journĂ©e de navigation.) <AR 2007-12-20/28, art. 1, 141; En vigueur : 03-03-2008>
  § 2. Pour l'application de l'article 24, 1°, a) sont considérer comme (journées de travail effectif normal) les journées de travail effectuées dans le port et les journées de navigation. <AR 2001-06-10/60, art. 8, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  Est considérée comme journée de navigation, la présence en mer d'au moins quatre heures au cours d'un jour calendrier.
  Toute sortie de mer s'échelonnant sur deux jours calendrier consécutifs, qui n'atteint pas quatre heures au cours d'un de ces jours, est toutefois comptée pour une journée de navigation si la sortie dure au total au moins quatre heures.
  (La sortie en mer d'un bateau de pĂȘche pour une durĂ©e de plus de quatre heures, qui ne dĂ©passe pas 24 heures, est considĂ©rĂ©e comme une seule journĂ©e de navigation. Si la sortie en mer d'un bateau de pĂȘche dĂ©passe une durĂ©e de 24 heures ou un multiple de 24 heures, la durĂ©e de ce dĂ©passement est prise en considĂ©ration comme une nouvelle journĂ©e de navigation.) <AR 2007-12-20/28, art. 1, 141; En vigueur : 03-03-2008>
Art. 27. Wat betreft de werknemers die verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst [1 ...]1 en die tewerkgesteld zijn aan boord van een schip geëxploiteerd door een werkgever die gewoonlijk voor rekening van derden één of verschillende voor de vaart bestemde schepen exploiteert, worden de bijdragen berekend overeenkomstig de bepalingen van de eerste afdeling van dit hoofdstuk, behalve wat de afwijkingen betreft bepaald bij het tweede [1 ...]1 lid.
  [1 ...]1
  De bij artikel 17, §2, 1° van de wet bepaalde bijdragen worden, met uitzondering van de onder littera f) bepaalde bijdragen, op de 22/25sten van het loon berekend [1 ...]1.
 Â
  [1 ...]1
  De bij artikel 17, §2, 1° van de wet bepaalde bijdragen worden, met uitzondering van de onder littera f) bepaalde bijdragen, op de 22/25sten van het loon berekend [1 ...]1.
 Â
Wijzigingen
Art. 27. En ce qui concerne les travailleurs liés par un contrat d'engagement [1 ...]1 occupés à bord d'un bateau exploité pour compte de tiers, un ou plusieurs bateaux affectés à des opérations de navigation, les cotisations sont calculées conformément aux dispositions de la section 1 du présent chapitre, sauf [1 la dérogation prévue à l'alinéa 2]1.
  [1 ...]1
  Les cotisations visées à l'article 17, § 2, 1° de la loi sont, à l'exception de la cotisation visée sous le littéra f), calculées sur les 22/25Úmes de la rémunération [1 ...]1.
 Â
  [1 ...]1
  Les cotisations visées à l'article 17, § 2, 1° de la loi sont, à l'exception de la cotisation visée sous le littéra f), calculées sur les 22/25Úmes de la rémunération [1 ...]1.
 Â
Wijzigingen
Art. 27bis. <INGEVOEGD bij KB 2003-03-18/32, art. 3; Inwerkingtreding : 01-04-2003> § 1. Voor de in artikel 3, 9° van dit besluit bedoelde werknemers worden de bijdragen betaald op basis van een fictief forfaitair uurloon "L", per maand berekend en gelijk aan driemaal het G.G.M.M.I. van de maand, gedeeld door 494.
  Het bedrag van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen is het bedrag bedoeld in artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 gesloten in de Nationale Arbeidsraad houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988.
  § 2. Het aantal uren waarop bijdragen verschuldigd zijn staat in strikte verhouding tot de werkelijk gedane opvang, uitgedrukt in opvangdagen, waarbij een opvangdag overeenstemt met de opvang van een niet-gehandicapt kind gedurende 1 dag. Het globaal aantal opvangdagen in een bepaalde periode wordt uitgedrukt door T.
  Het aantal uren waarop bijdragen verschuldigd zijn wordt bekomen door T te vermenigvuldigen met de eenheidstijd E : aantal uren = T*E.
  E wordt dermate vastgelegd dat de driemaandelijkse maximumprestatie van een onthaalouder aanleiding geeft tot een aangifte van 494 uren overeenstemmend met 65 dagen. Zonder onderscheid tussen de Gemeenschappen bekomt men de absolute maximumprestatie door 65 dagen te vermenigvuldigen met het maximum aantal kinderen waarvoor een onthaalouder kan worden erkend, namelijk 4. Het resultaat van deze vermenigvuldiging, met name (65*4) = 260 opvangdagen per kwartaal, wat overeenstemt met 494 uren. E = 494/260 = 1,9 uur.
  § 3. Voor de toepassing van artikel 24, 1°, wordt verondersteld dat een werktijdregeling van 5 dagen per week voor deze werknemers geldt en dat zij, ongeacht hun prestaties, aangegeven zijn als deeltijdse werknemers met een referentiepersoon, voltijdse onthaalouder, van wie wordt verondersteld dat zijn prestaties 38 uren per week bedragen.
  De fictieve uren die overeenstemmen met maximum 20 (onbezoldigde) vakantiedagen per jaar en met de wettelijke feestdagen zonder opvang van kinderen worden door de werkgever door middel van een specifieke code aangegeven als gelijkgestelde prestaties van de onthaalouder.
  De fictieve uren die overeenstemmen met de andere dagen waarop de onthaalouder beslist geen kinderen op te vangen, worden door de werkgever aangegeven als verlof zonder wedde.
  Voor de gelijkgestelde dagen en voor de dagen verlof zonder wedde wordt het aantal opvangdagen dat overeenstemt met deze dagen en dat als basis dient voor de berekening van het aantal aan te geven fictieve uren, bekomen door het aantal van deze dagen te vermenigvuldigen met het gemiddeld aantal ingeschreven kinderen in de maand waarin deze dagen vallen. Het aantal aan te geven fictieve uren is gelijk aan het berekend aantal opvangdagen, vermenigvuldigd met de eenheidstijd E.
  De fictieve uren die overeenstemmen met voorziene maar niet geleverde prestaties, te wijten aan de afwezigheid van kinderen die normaal door de werknemer worden opgevangen maar die afwezig zijn om redenen buiten zijn wil worden door de werkgever als gelijkgestelde prestaties aangegeven door middel van een specifieke code.
  Het bedrag van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen is het bedrag bedoeld in artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 gesloten in de Nationale Arbeidsraad houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988.
  § 2. Het aantal uren waarop bijdragen verschuldigd zijn staat in strikte verhouding tot de werkelijk gedane opvang, uitgedrukt in opvangdagen, waarbij een opvangdag overeenstemt met de opvang van een niet-gehandicapt kind gedurende 1 dag. Het globaal aantal opvangdagen in een bepaalde periode wordt uitgedrukt door T.
  Het aantal uren waarop bijdragen verschuldigd zijn wordt bekomen door T te vermenigvuldigen met de eenheidstijd E : aantal uren = T*E.
  E wordt dermate vastgelegd dat de driemaandelijkse maximumprestatie van een onthaalouder aanleiding geeft tot een aangifte van 494 uren overeenstemmend met 65 dagen. Zonder onderscheid tussen de Gemeenschappen bekomt men de absolute maximumprestatie door 65 dagen te vermenigvuldigen met het maximum aantal kinderen waarvoor een onthaalouder kan worden erkend, namelijk 4. Het resultaat van deze vermenigvuldiging, met name (65*4) = 260 opvangdagen per kwartaal, wat overeenstemt met 494 uren. E = 494/260 = 1,9 uur.
  § 3. Voor de toepassing van artikel 24, 1°, wordt verondersteld dat een werktijdregeling van 5 dagen per week voor deze werknemers geldt en dat zij, ongeacht hun prestaties, aangegeven zijn als deeltijdse werknemers met een referentiepersoon, voltijdse onthaalouder, van wie wordt verondersteld dat zijn prestaties 38 uren per week bedragen.
  De fictieve uren die overeenstemmen met maximum 20 (onbezoldigde) vakantiedagen per jaar en met de wettelijke feestdagen zonder opvang van kinderen worden door de werkgever door middel van een specifieke code aangegeven als gelijkgestelde prestaties van de onthaalouder.
  De fictieve uren die overeenstemmen met de andere dagen waarop de onthaalouder beslist geen kinderen op te vangen, worden door de werkgever aangegeven als verlof zonder wedde.
  Voor de gelijkgestelde dagen en voor de dagen verlof zonder wedde wordt het aantal opvangdagen dat overeenstemt met deze dagen en dat als basis dient voor de berekening van het aantal aan te geven fictieve uren, bekomen door het aantal van deze dagen te vermenigvuldigen met het gemiddeld aantal ingeschreven kinderen in de maand waarin deze dagen vallen. Het aantal aan te geven fictieve uren is gelijk aan het berekend aantal opvangdagen, vermenigvuldigd met de eenheidstijd E.
  De fictieve uren die overeenstemmen met voorziene maar niet geleverde prestaties, te wijten aan de afwezigheid van kinderen die normaal door de werknemer worden opgevangen maar die afwezig zijn om redenen buiten zijn wil worden door de werkgever als gelijkgestelde prestaties aangegeven door middel van een specifieke code.
Art. 27bis. § 1er. Pour les travailleurs visĂ©s Ă l'article 3, 9° du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les cotisations se calculent sur la base d'une rĂ©munĂ©ration horaire forfaitaire fictive "L", calculĂ© par mois et Ă©gale Ă trois fois le R.M.M.M.G. du mois, divisĂ© par 494,
  Le montant du revenu minimum mensuel moyen garanti pris en considĂ©ration Ă©tant celui visĂ© Ă l'article 3 de la convention collective du Travail n° 43 du 2 mai 1988, conclue au sein du Conseil national du travail, portant modification et coordination des conventions collectives du travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives Ă la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, rendue obligatoire par l'arrĂȘtĂ© royal du 29 juillet 1988.
  § 2. Le nombre d'heures pour lequel des cotisations sont dues est strictement proportionnel Ă l'accueil effectivement rĂ©alisĂ©, exprimĂ© en journĂ©es d'accueil, oĂč une journĂ©e d'accueil correspond Ă l'accueil d'un enfant, non handicapĂ©, pendant 1 jour. Le nombre global des journĂ©es d'accueil dans une pĂ©riode donnĂ©e est reprĂ©sentĂ© par T.
  Le nombre d'heures pour lequel des cotisations sont dues est obtenu en multipliant T par le temps unitaire E : nombre d'heures = T*E.
  E est dĂ©terminĂ© de façon Ă ce que la prestation trimestrielle maximum d'un gardien ou d'une gardienne d'enfants rĂ©sulte en une dĂ©claration de 494 heures correspondant Ă 65 jours. Toutes CommunautĂ©s confondues, la prestation maximum absolue s'obtient en multipliant 65 jours par le nombre maximum d'enfants pour lequel un gardien ou une gardienne d'enfants peut ĂȘtre agréé, soit 4. Le rĂ©sultat de cette multiplication, soit (65*4) = 260 journĂ©es d'accueil par trimestre correspondant Ă 494 heures. E = 494/260 = 1,9 heures.
  § 3. Pour l'application de l'article 24, 1°, ces travailleurs sont prĂ©sumĂ©s ĂȘtre dans le rĂ©gime de 5 jours par semaine et, indĂ©pendamment de leurs prestations rĂ©elles, dĂ©clarĂ©s comme des travailleurs Ă temps partiel avec une personne de rĂ©fĂ©rence, gardien ou gardienne d'enfants Ă temps plein, prĂ©sumĂ© prester 38 heures par semaine.
  Les heures fictives correspondant à un maximum de 20 jours de vacances (non rémunérés) par an et aux jours fériés légaux sans accueil d'enfants sont déclarées par l'employeur comme des prestations assimilées du gardien ou de la gardienne d'enfants, à l'aide d'un code spécifique.
  Les heures fictives correspondant aux autres jours pour lesquels le gardien ou la gardienne d'enfants décide de ne pas accueillir des enfants, sont déclarés par l'employeur comme du congé sans solde.
  Pour les jours assimilés et les jours de congé sans solde, le nombre de journées d'accueil, correspondant à ces jours et servant de base au calcul du nombre d'heures fictives à déclarer, est obtenu en multipliant le nombre de ces jours par le nombre moyen d'enfants inscrits pendant le mois dans lequel ces jours se situent. Le nombre d'heures fictives à déclarer est égal au nombre de journées d'accueil calculé, multiplié par le temps unitaire E.
  Les heures fictives correspondant à des prestation prévues mais non réalisées à cause d'absences d'enfants normalement gardés par le travailleur, mais absents pour des raisons indépendantes de sa volonté sont déclarées par l'employeur comme des prestations assimilées, à l'aide d'un autre code spécifique.
  Le montant du revenu minimum mensuel moyen garanti pris en considĂ©ration Ă©tant celui visĂ© Ă l'article 3 de la convention collective du Travail n° 43 du 2 mai 1988, conclue au sein du Conseil national du travail, portant modification et coordination des conventions collectives du travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives Ă la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, rendue obligatoire par l'arrĂȘtĂ© royal du 29 juillet 1988.
  § 2. Le nombre d'heures pour lequel des cotisations sont dues est strictement proportionnel Ă l'accueil effectivement rĂ©alisĂ©, exprimĂ© en journĂ©es d'accueil, oĂč une journĂ©e d'accueil correspond Ă l'accueil d'un enfant, non handicapĂ©, pendant 1 jour. Le nombre global des journĂ©es d'accueil dans une pĂ©riode donnĂ©e est reprĂ©sentĂ© par T.
  Le nombre d'heures pour lequel des cotisations sont dues est obtenu en multipliant T par le temps unitaire E : nombre d'heures = T*E.
  E est dĂ©terminĂ© de façon Ă ce que la prestation trimestrielle maximum d'un gardien ou d'une gardienne d'enfants rĂ©sulte en une dĂ©claration de 494 heures correspondant Ă 65 jours. Toutes CommunautĂ©s confondues, la prestation maximum absolue s'obtient en multipliant 65 jours par le nombre maximum d'enfants pour lequel un gardien ou une gardienne d'enfants peut ĂȘtre agréé, soit 4. Le rĂ©sultat de cette multiplication, soit (65*4) = 260 journĂ©es d'accueil par trimestre correspondant Ă 494 heures. E = 494/260 = 1,9 heures.
  § 3. Pour l'application de l'article 24, 1°, ces travailleurs sont prĂ©sumĂ©s ĂȘtre dans le rĂ©gime de 5 jours par semaine et, indĂ©pendamment de leurs prestations rĂ©elles, dĂ©clarĂ©s comme des travailleurs Ă temps partiel avec une personne de rĂ©fĂ©rence, gardien ou gardienne d'enfants Ă temps plein, prĂ©sumĂ© prester 38 heures par semaine.
  Les heures fictives correspondant à un maximum de 20 jours de vacances (non rémunérés) par an et aux jours fériés légaux sans accueil d'enfants sont déclarées par l'employeur comme des prestations assimilées du gardien ou de la gardienne d'enfants, à l'aide d'un code spécifique.
  Les heures fictives correspondant aux autres jours pour lesquels le gardien ou la gardienne d'enfants décide de ne pas accueillir des enfants, sont déclarés par l'employeur comme du congé sans solde.
  Pour les jours assimilés et les jours de congé sans solde, le nombre de journées d'accueil, correspondant à ces jours et servant de base au calcul du nombre d'heures fictives à déclarer, est obtenu en multipliant le nombre de ces jours par le nombre moyen d'enfants inscrits pendant le mois dans lequel ces jours se situent. Le nombre d'heures fictives à déclarer est égal au nombre de journées d'accueil calculé, multiplié par le temps unitaire E.
  Les heures fictives correspondant à des prestation prévues mais non réalisées à cause d'absences d'enfants normalement gardés par le travailleur, mais absents pour des raisons indépendantes de sa volonté sont déclarées par l'employeur comme des prestations assimilées, à l'aide d'un autre code spécifique.
Art. 28. Wat betreft de leerlingen bedoeld bij artikel 4, mag het dagloon, dat in aanmerking dient genomen voor de berekening van de bijdragen, niet lager zijn dan het totaal bedrag van de voordelen in natura die forfaitair worden vastgesteld bij artikel 20.
  Voor de leerlingen wier (contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur) op een bestendige wijze verdeeld is over vijf dagen, wordt het minimum dagloon bedoeld bij het vorig lid verhoogd met 20 pct. <KB 2001-06-10/60, art. 9, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De bijdragen zijn verschuldigd voor de dagen waarop de leerling ertoe gehouden is lessen te volgen krachtens zijn overeenkomst en voor de arbeidsdagen bedoeld (bij artikel 24, 1°, a, b, en c). <KB 2001-06-10/60, art. 9, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  Voor de leerlingen wier (contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur) op een bestendige wijze verdeeld is over vijf dagen, wordt het minimum dagloon bedoeld bij het vorig lid verhoogd met 20 pct. <KB 2001-06-10/60, art. 9, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  De bijdragen zijn verschuldigd voor de dagen waarop de leerling ertoe gehouden is lessen te volgen krachtens zijn overeenkomst en voor de arbeidsdagen bedoeld (bij artikel 24, 1°, a, b, en c). <KB 2001-06-10/60, art. 9, 098; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 28. En ce qui concerne les apprentis visĂ©s Ă l'article 4, le salaire journalier Ă prendre en considĂ©ration pour le calcul des cotisations ne peut ĂȘtre infĂ©rieur au montant total des avantages en nature Ă©valuĂ©s forfaitairement Ă l'article 20.
  Pour les apprentis dont le (durée hebdomadaire de travail moyenne contractuelle) est réparti de maniÚre constante sur cinq jours, le salaire journalier minimum visé à l'alinéa précédent est majoré de 20 p.c. <AR 2001-06-10/60, art. 8, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  Les cotisations sont dues pour les jours de cours auxquels l'apprenti est tenu en vertu du contrat pour les journées de travail visées (à l'article 24, 1°, a, b, et c). <AR 2001-06-10/60, art. 8, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  Pour les apprentis dont le (durée hebdomadaire de travail moyenne contractuelle) est réparti de maniÚre constante sur cinq jours, le salaire journalier minimum visé à l'alinéa précédent est majoré de 20 p.c. <AR 2001-06-10/60, art. 8, 098; En vigueur : 01-01-2003>
  Les cotisations sont dues pour les jours de cours auxquels l'apprenti est tenu en vertu du contrat pour les journées de travail visées (à l'article 24, 1°, a, b, et c). <AR 2001-06-10/60, art. 8, 098; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 29. Voor elk der feestdagen die de Rijksverlofkas voor de diamantnijverheid betaalt aan de werknemers van de diamantnijverheid, is het loon gelijk aan het quotiënt der deling van het totaal loon dat de werknemer verdiend heeft gedurende de kalendermaand waarin de feestdag begrepen is door het aantal dagen waarin de werknemer in dezelfde kalendermaand gewerkt heeft.
  Ingeval er in de bewuste kalendermaand geen arbeidsprestaties werden geleverd, wordt deze bewerking op de vorige kalendermaand toegepast.
  Ingeval er in de bewuste kalendermaand geen arbeidsprestaties werden geleverd, wordt deze bewerking op de vorige kalendermaand toegepast.
Art. 29. Pour chacun des jours fĂ©riĂ©s que la Caisse nationale des vacances de l'industrie diamantaire paie aux travailleurs de l'industrie diamantaire, la rĂ©munĂ©ration est Ă©gale au quotient de la division du total des rĂ©munĂ©rations gagnĂ©es par le travailleur pendant le mois civil dans lequel le jour fĂ©riĂ© se situe, par le nombre de jours d'occupation effective du travailleur au cours du mĂȘme mois.
  Si aucune prestation de travail n'a été fournie au cours de ce mois, ce calcul est effectué sur le mois précédent.
  Si aucune prestation de travail n'a été fournie au cours de ce mois, ce calcul est effectué sur le mois précédent.
Art. 30. <KB 1990-11-19/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 01-01-1991> § 1. Wat betreft de werknemers voor wie de toepassing van de wet zich beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, wordt er voor de berekening van de bijdragen mede rekening gehouden met om even welke toelage, premies en vergoedingen waarop de belanghebbenden gerechtigd zijn.
  § 2. Voor de berekening van de bijdragen zijn nochtans uitgesloten :
  1° de vergoedingen voor het verplicht dragen van werkelijke lasten welke niet kunnen worden beschouwd als normaal en met het ambt onafscheidelijk verbonden;
  2° de haard- of standplaatstoelage;
  3° (de bedragen en voordelen bedoeld bij de artikelen 19, § 2, en 19bis, § 2, 2° tot 6° en § 3;) <KB 1999-03-23/40, art. 1, 082; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
  4° de toelagen, premies en vergoedingen andere dan deze voorzien in deze paragraaf waarvan de toekenningsmodaliteiten uiterlijk op 1 augustus 1990 werden vastgesteld in wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen en waarop geen sociale bijdragen werden afgehouden op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, alsook de verhogingen van deze toelagen, premies en vergoedingen voor zover ze voortvloeien uit de koppeling aan het indexcijfer der konsumptieprijzen;
  [1 5° de premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties voorzien in artikel 25 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones.]1
 Â
  § 2. Voor de berekening van de bijdragen zijn nochtans uitgesloten :
  1° de vergoedingen voor het verplicht dragen van werkelijke lasten welke niet kunnen worden beschouwd als normaal en met het ambt onafscheidelijk verbonden;
  2° de haard- of standplaatstoelage;
  3° (de bedragen en voordelen bedoeld bij de artikelen 19, § 2, en 19bis, § 2, 2° tot 6° en § 3;) <KB 1999-03-23/40, art. 1, 082; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
  4° de toelagen, premies en vergoedingen andere dan deze voorzien in deze paragraaf waarvan de toekenningsmodaliteiten uiterlijk op 1 augustus 1990 werden vastgesteld in wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen en waarop geen sociale bijdragen werden afgehouden op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, alsook de verhogingen van deze toelagen, premies en vergoedingen voor zover ze voortvloeien uit de koppeling aan het indexcijfer der konsumptieprijzen;
  [1 5° de premie voor operationaliteit en onregelmatige prestaties voorzien in artikel 25 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 houdende bezoldigingsregeling van het operationeel personeel van de hulpverleningszones.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 30. <AR 1990-11-19/31, art. 1, 032; En vigueur : 01-01-1991> § 1. En ce qui concerne les travailleurs pour lesquels l'application de la loi est limitée au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé, il est également tenu compte pour le calcul des cotisations, des allocations, primes et indemnités de toute nature dont les intéressés bénéficient.
  § 2. Sont néanmoins exclus du calcul des cotisations :
  1° les indemnitĂ©s accordĂ©es pour les charges rĂ©elles qui doivent ĂȘtre supportĂ©es, qui ne peuvent ĂȘtre considĂ©rĂ©es comme normales et qui sont indissociables de la fonction;
  2° l'allocation de foyer ou de résidence;
  3° (les sommes et avantages visés aux articles 19, § 2, et 19bis, § 2, 2° à 6° et § 3;) <AR 1999-03-23/40, art. 1, 082; En vigueur : 01-04-1998>
  4° les allocations, primes et indemnitĂ©s autres que celles visĂ©es au prĂ©sent paragraphe dont les modalitĂ©s d'octroi ont Ă©tĂ© fixĂ©es au plus tard le 1er aoĂ»t 1990 par des dispositions lĂ©gales, rĂ©glementaires ou statutaires, et qui, Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, n'Ă©taient pas soumises aux cotisations sociales, ainsi que les majorations aux dites allocations, primes et indemnitĂ©s pour autant qu'elles rĂ©sultent d'une adaptation Ă l'indice des prix Ă la consommation;
  [1 5° la prime d'opĂ©rationnalitĂ© et de prestations irrĂ©guliĂšres visĂ©e Ă l'article 25 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 avril 2014 portant statut pĂ©cuniaire du personnel opĂ©rationnel des zones de secours.]1
 Â
  § 2. Sont néanmoins exclus du calcul des cotisations :
  1° les indemnitĂ©s accordĂ©es pour les charges rĂ©elles qui doivent ĂȘtre supportĂ©es, qui ne peuvent ĂȘtre considĂ©rĂ©es comme normales et qui sont indissociables de la fonction;
  2° l'allocation de foyer ou de résidence;
  3° (les sommes et avantages visés aux articles 19, § 2, et 19bis, § 2, 2° à 6° et § 3;) <AR 1999-03-23/40, art. 1, 082; En vigueur : 01-04-1998>
  4° les allocations, primes et indemnitĂ©s autres que celles visĂ©es au prĂ©sent paragraphe dont les modalitĂ©s d'octroi ont Ă©tĂ© fixĂ©es au plus tard le 1er aoĂ»t 1990 par des dispositions lĂ©gales, rĂ©glementaires ou statutaires, et qui, Ă la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, n'Ă©taient pas soumises aux cotisations sociales, ainsi que les majorations aux dites allocations, primes et indemnitĂ©s pour autant qu'elles rĂ©sultent d'une adaptation Ă l'indice des prix Ă la consommation;
  [1 5° la prime d'opĂ©rationnalitĂ© et de prestations irrĂ©guliĂšres visĂ©e Ă l'article 25 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 avril 2014 portant statut pĂ©cuniaire du personnel opĂ©rationnel des zones de secours.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 31bis. <KB 2007-04-30/42, art. 4, 135; Inwerkingtreding : 01-07-2007> § 1. De bijdragen verschuldigd voor de gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 8bis worden berekend op een forfaitair dagloon, zoals hierna bepaald :
  1° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren, bedraagt het forfaitair dagloon [8 12,04 EUR]8;
  2° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf ressorteren, [8 met uitzondering van de handarbeiders die in de bloementeelt en fruitteelt werken, bedraagt het forfaitair dagloon 24,80 EUR]8;
  [8 3° wat de handarbeiders betreft die in de bloementeelt werken, bedraagt het forfaitair dagloon 15,73 EUR;
  4° wat de handarbeiders betreft die in de fruitteelt werken, bedraagt het forfaitair dagloon 21,87 EUR.]8
  [9 ...]9
  [4 Dit forfaitair dagloon wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 32bis, §§ 1 en 2.]4
  [1 Onverminderd de toepassing van burgerlijke of strafsancties, worden de voor de gelegenheidswerkers verschuldigde bijdragen berekend op de werkelijke lonen wanneer de werkgever nalaat de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te doen overeenkomstig artikel 5bis, § 2 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling.]1
  [7 § 1/1. [8 ...]8]7
  § 2. [2 ...]2
  § 3. De regelgeving vervat [2 in paragraaf 1]2 en in artikel 8bis valt onder de toepassing van de de minimis-steun zoals vervat in de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun en de eventuele latere wijzigingen van deze verordening.
  Het totaalbedrag van de de minimis-steun die is verleend aan één onderneming mag niet hoger zijn dan 200.000 euro over een periode van drie jaar. De relevante periode van drie jaar is van verschuivende aard, zodat bij elke toepassing van de regeling het totaalbedrag van de de minimis-steun die gedurende de voorgaande drie jaar is verleend, in aanmerking moet worden genomen.
  De toekenning van de regeling [2 vervat in de paragrafen 1 en 3]2 en in artikel 8bis is verbonden aan de voorwaarde dat de onderneming de verbintenis aangaat dat ze het plafond vermeld in de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun, niet zal overschrijden.
  § 4. Voor de toepassing van de vorige paragrafen wordt de werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid gelijkgesteld met een werkgever die ressorteert onder [2 ...]2 het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf of het Paritair Comité voor de landbouw wanneer de tewerkstelling plaats heeft bij een gebruiker die ressorteert onder bovengenoemde Paritaire Comités [8 ...]8. [7 ...]7
  [8 ...]8
 Â
  1° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor de landbouw ressorteren, bedraagt het forfaitair dagloon [8 12,04 EUR]8;
  2° wat de handarbeiders betreft die onder het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf ressorteren, [8 met uitzondering van de handarbeiders die in de bloementeelt en fruitteelt werken, bedraagt het forfaitair dagloon 24,80 EUR]8;
  [8 3° wat de handarbeiders betreft die in de bloementeelt werken, bedraagt het forfaitair dagloon 15,73 EUR;
  4° wat de handarbeiders betreft die in de fruitteelt werken, bedraagt het forfaitair dagloon 21,87 EUR.]8
  [9 ...]9
  [4 Dit forfaitair dagloon wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 32bis, §§ 1 en 2.]4
  [1 Onverminderd de toepassing van burgerlijke of strafsancties, worden de voor de gelegenheidswerkers verschuldigde bijdragen berekend op de werkelijke lonen wanneer de werkgever nalaat de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te doen overeenkomstig artikel 5bis, § 2 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling.]1
  [7 § 1/1. [8 ...]8]7
  § 2. [2 ...]2
  § 3. De regelgeving vervat [2 in paragraaf 1]2 en in artikel 8bis valt onder de toepassing van de de minimis-steun zoals vervat in de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun en de eventuele latere wijzigingen van deze verordening.
  Het totaalbedrag van de de minimis-steun die is verleend aan één onderneming mag niet hoger zijn dan 200.000 euro over een periode van drie jaar. De relevante periode van drie jaar is van verschuivende aard, zodat bij elke toepassing van de regeling het totaalbedrag van de de minimis-steun die gedurende de voorgaande drie jaar is verleend, in aanmerking moet worden genomen.
  De toekenning van de regeling [2 vervat in de paragrafen 1 en 3]2 en in artikel 8bis is verbonden aan de voorwaarde dat de onderneming de verbintenis aangaat dat ze het plafond vermeld in de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de de minimis-steun, niet zal overschrijden.
  § 4. Voor de toepassing van de vorige paragrafen wordt de werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor de uitzendarbeid gelijkgesteld met een werkgever die ressorteert onder [2 ...]2 het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf of het Paritair Comité voor de landbouw wanneer de tewerkstelling plaats heeft bij een gebruiker die ressorteert onder bovengenoemde Paritaire Comités [8 ...]8. [7 ...]7
  [8 ...]8
 Â
Wijzigingen
Art. 31bis. <AR 2007-04-30/42, art. 4, 135; En vigueur : 01-07-2007> § 1er. Les cotisations dues pour les travailleurs occasionnels visés à l'article 8bis sont calculées sur une rémunération journaliÚre forfaitaire, comme indiqué ci-aprÚs :
  1° en ce qui concerne les travailleurs manuels ressortissant à la Commission paritaire de l'agriculture, la rémunération journaliÚre forfaitaire est de [8 12,04 EUR]8;
  2° en ce qui concerne les travailleurs manuels ressortissant à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles [8 à l'exception des travailleurs manuels occupés au travail de la culture des fleurs et la culture de fruits, la rémunération journaliÚre forfaitaire est de 24,80 EUR;]8
  [8 3° en ce qui concerne les travailleurs manuels occupés dans le travail de la culture des fleurs, la rémunération journaliÚre forfaitaire est de 15,73 EUR;
  4° en ce qui concerne les travailleurs manuels occupés dans le travail de la culture de fruits, la rémunération journaliÚre forfaitaire est de 21,87 EUR.]8
  [9 ...]9
  [4 Cette rémunération journaliÚre forfaitaire est adaptée conformément aux dispositions de l'article 32bis, §§ 1er et 2.]4
  [1 Sans prĂ©judice de l'application de sanctions civiles ou pĂ©nales, les cotisations dues pour les travailleurs occasionnels se calculent sur les salaires effectifs lorsque l'employeur ne rĂ©alise pas de maniĂšre journaliĂšre la dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi conformĂ©ment Ă l'article 5bis, § 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi.]1
  [7 § 1er/1. [8 ...]8]7
  § 2. [2 ...]2
  § 3. La réglementation contenue [2 au paragraphe 1er]2 et à l'article 8bis relÚve de l'application des aides de minimis telles que reprises dans le RÚglement (CE) n° 69/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traite CE aux aides de minimis, et les éventuelles modifications ultérieures de ce rÚglement.
  Le montant total des aides de minimis octroyées à une entreprise ne peut excéder 200.000 euros sur une période de trois ans. La période de trois ans prise comme référence peut varier, de sorte qu'à chaque moment d'application de la disposition il y a lieu de prendre en compte le montant total des aides de minimis accordées au cours des trois années précédentes.
  L'octroi de la disposition [2 visée aux paragraphes 1er et 3]2 et à l'article 8bis est subordonnée à la condition que l'entreprise s'engage à ne pas dépasser le plafond visé au RÚglement (CE) n° 69/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides de minimis.
  § 4. Pour l'application des paragraphes précédents, l'employeur qui relÚve de la commission paritaire pour le travail intérimaire, est assimilé à un employeur ressortissant [2 ...]2 à la commission paritaire pour les entreprises horticoles ou à la Commission paritaire de l'agriculture lorsque l'occupation a lieu auprÚs d'un utilisateur ressortissant auxdites Commissions paritaires [8 ...]8. [7 ...]7
  [8 ...]8
 Â
  1° en ce qui concerne les travailleurs manuels ressortissant à la Commission paritaire de l'agriculture, la rémunération journaliÚre forfaitaire est de [8 12,04 EUR]8;
  2° en ce qui concerne les travailleurs manuels ressortissant à la Commission paritaire pour les entreprises horticoles [8 à l'exception des travailleurs manuels occupés au travail de la culture des fleurs et la culture de fruits, la rémunération journaliÚre forfaitaire est de 24,80 EUR;]8
  [8 3° en ce qui concerne les travailleurs manuels occupés dans le travail de la culture des fleurs, la rémunération journaliÚre forfaitaire est de 15,73 EUR;
  4° en ce qui concerne les travailleurs manuels occupés dans le travail de la culture de fruits, la rémunération journaliÚre forfaitaire est de 21,87 EUR.]8
  [9 ...]9
  [4 Cette rémunération journaliÚre forfaitaire est adaptée conformément aux dispositions de l'article 32bis, §§ 1er et 2.]4
  [1 Sans prĂ©judice de l'application de sanctions civiles ou pĂ©nales, les cotisations dues pour les travailleurs occasionnels se calculent sur les salaires effectifs lorsque l'employeur ne rĂ©alise pas de maniĂšre journaliĂšre la dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi conformĂ©ment Ă l'article 5bis, § 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi.]1
  [7 § 1er/1. [8 ...]8]7
  § 2. [2 ...]2
  § 3. La réglementation contenue [2 au paragraphe 1er]2 et à l'article 8bis relÚve de l'application des aides de minimis telles que reprises dans le RÚglement (CE) n° 69/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traite CE aux aides de minimis, et les éventuelles modifications ultérieures de ce rÚglement.
  Le montant total des aides de minimis octroyées à une entreprise ne peut excéder 200.000 euros sur une période de trois ans. La période de trois ans prise comme référence peut varier, de sorte qu'à chaque moment d'application de la disposition il y a lieu de prendre en compte le montant total des aides de minimis accordées au cours des trois années précédentes.
  L'octroi de la disposition [2 visée aux paragraphes 1er et 3]2 et à l'article 8bis est subordonnée à la condition que l'entreprise s'engage à ne pas dépasser le plafond visé au RÚglement (CE) n° 69/2001 de la Commission du 12 janvier 2001 concernant l'application des articles 87 et 88 du traité CE aux aides de minimis.
  § 4. Pour l'application des paragraphes précédents, l'employeur qui relÚve de la commission paritaire pour le travail intérimaire, est assimilé à un employeur ressortissant [2 ...]2 à la commission paritaire pour les entreprises horticoles ou à la Commission paritaire de l'agriculture lorsque l'occupation a lieu auprÚs d'un utilisateur ressortissant auxdites Commissions paritaires [8 ...]8. [7 ...]7
  [8 ...]8
 Â
Wijzigingen
Art. 31ter. [1 Een werknemer die wordt tewerkgesteld bij een werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf of onder het paritair comité voor de uitzendarbeid indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het Hotelbedrijf wordt, voor de toepassing van dit artikel, beschouwd als een gelegenheidswerknemer indien de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur of voor een duidelijk omschreven werk sluiten van maximaal 2 opeenvolgende dagen.
  Voor de werknemer die in bovenvermeld statuut zijn eerste 50 dagen per jaar presteert en voor de werkgever of, indien de werkgever ressorteert onder het paritair comité voor de uitzendarbeid, de gebruiker die dat jaar zijn eerste [3 200 dagen]3 gebruik maakt van gelegenheidswerknemers in deze sector, worden de bijdragen verschuldigd voor deze gelegenheidswerknemers ten aanzien van wie de werkgever gebruik maakt van artikel 5bis, § 3, 1° of 2°, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, hierna gelegenheidswerknemers genoemd, berekend op een forfait van [2 ...]2 7,5 euro per begonnen uur [2 zonder meer te kunnen bedragen dan zes maal dit uurforfait of zes maal dit uurforfait per dagblok]2.
  [4 Het bedrag in het vorige lid wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 32bis, §§ 1 en 2.]4
  De werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf dient, uitgezonderd indien hij een aangifte doet bedoeld in artikel 5bis, § 3, 1° van het voornoemde koninklijk besluit van 5 november 2002, een register voor werktijdregeling, bedoeld in artikel 4, § 3 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, bij te houden waarin de gelegenheidswerknemers worden vermeld.
  Onverminderd de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, wanneer de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling gedaan is voor een dagblok, overeenkomstig artikel 5bis, § 3, 2° van het voornoemde koninklijk besluit van 5 november 2002, terwijl het register voor werktijdregeling, bedoeld in artikel 4, § 3, van voornoemd koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978, aangeeft, dat de werknemer meer uren heeft gepresteerd alsook wanneer de effectieve prestaties het aantal aangegeven uren overschrijden, worden de bijdragen verschuldigd voor de gelegenheidswerknemers berekend op het forfaitair dagblok van 45 euro, [4 ...]4 aangepast overeenkomstig de bepalingen van [4 artikel 32bis, §§ 1 en 2]4.
  De voor de gelegenheidswerknemers verschuldigde bijdragen worden berekend op de werkelijke lonen, zonder dat deze lager kunnen zijn dan de forfaitaire daglonen bedoeld in artikel 25 voor de functie die de werknemer bekleedt, wanneer het bovengenoemde artikel op hem van toepassing zou zijn geweest :
  1° wanneer de werkgever die er niet van vrijgesteld is, bij toepassing van het vierde lid, niet in het bezit is van het register voor werktijdregeling bedoeld in artikel 4, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 of het niet dagelijks bijhoudt;
  2° wanneer de werkgever nalaat dagelijks de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te doen overeenkomstig artikel 5bis, § 3, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling. "
  De voor de gelegenheidswerknemer verschuldigde bijdragen worden berekend op het loon waarop de gelegenheidswerknemer recht zou hebben gehad indien hij was aangegeven conform artikel 25, onder de functie "Oberkelner(in) restaurant", met referentienummer 211B, zoals voorzien in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 april 2007 houdende uitvoering van artikel 25, § 1, eerste en tweede lid van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, indien het aan de werknemer toegekende contingent van 50 dagen, of het aan de werkgever toegekende contingent van [3 200 dagen]3 wordt overschreden.]1
 Â
  Voor de werknemer die in bovenvermeld statuut zijn eerste 50 dagen per jaar presteert en voor de werkgever of, indien de werkgever ressorteert onder het paritair comité voor de uitzendarbeid, de gebruiker die dat jaar zijn eerste [3 200 dagen]3 gebruik maakt van gelegenheidswerknemers in deze sector, worden de bijdragen verschuldigd voor deze gelegenheidswerknemers ten aanzien van wie de werkgever gebruik maakt van artikel 5bis, § 3, 1° of 2°, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, hierna gelegenheidswerknemers genoemd, berekend op een forfait van [2 ...]2 7,5 euro per begonnen uur [2 zonder meer te kunnen bedragen dan zes maal dit uurforfait of zes maal dit uurforfait per dagblok]2.
  [4 Het bedrag in het vorige lid wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van artikel 32bis, §§ 1 en 2.]4
  De werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf dient, uitgezonderd indien hij een aangifte doet bedoeld in artikel 5bis, § 3, 1° van het voornoemde koninklijk besluit van 5 november 2002, een register voor werktijdregeling, bedoeld in artikel 4, § 3 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, bij te houden waarin de gelegenheidswerknemers worden vermeld.
  Onverminderd de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, wanneer de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling gedaan is voor een dagblok, overeenkomstig artikel 5bis, § 3, 2° van het voornoemde koninklijk besluit van 5 november 2002, terwijl het register voor werktijdregeling, bedoeld in artikel 4, § 3, van voornoemd koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978, aangeeft, dat de werknemer meer uren heeft gepresteerd alsook wanneer de effectieve prestaties het aantal aangegeven uren overschrijden, worden de bijdragen verschuldigd voor de gelegenheidswerknemers berekend op het forfaitair dagblok van 45 euro, [4 ...]4 aangepast overeenkomstig de bepalingen van [4 artikel 32bis, §§ 1 en 2]4.
  De voor de gelegenheidswerknemers verschuldigde bijdragen worden berekend op de werkelijke lonen, zonder dat deze lager kunnen zijn dan de forfaitaire daglonen bedoeld in artikel 25 voor de functie die de werknemer bekleedt, wanneer het bovengenoemde artikel op hem van toepassing zou zijn geweest :
  1° wanneer de werkgever die er niet van vrijgesteld is, bij toepassing van het vierde lid, niet in het bezit is van het register voor werktijdregeling bedoeld in artikel 4, § 3, van het voornoemde koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 of het niet dagelijks bijhoudt;
  2° wanneer de werkgever nalaat dagelijks de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te doen overeenkomstig artikel 5bis, § 3, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling. "
  De voor de gelegenheidswerknemer verschuldigde bijdragen worden berekend op het loon waarop de gelegenheidswerknemer recht zou hebben gehad indien hij was aangegeven conform artikel 25, onder de functie "Oberkelner(in) restaurant", met referentienummer 211B, zoals voorzien in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 april 2007 houdende uitvoering van artikel 25, § 1, eerste en tweede lid van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, indien het aan de werknemer toegekende contingent van 50 dagen, of het aan de werkgever toegekende contingent van [3 200 dagen]3 wordt overschreden.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 31ter. [1 Un travailleur occupé chez un employeur ressortissant de la commission paritaire de l'industrie hÎteliÚre ou ressortissant de la commission paritaire pour le travail intérimaire si l'utilisateur relÚve de la commission paritaire de l'industrie hÎteliÚre est, pour l'application de cet article, considéré comme un travailleur occasionnel pour autant que l'employeur et le travailleur concluent un contrat de travail pour une durée déterminée ou un contrat de travail pour un travail nettement défini pour un maximum de 2 jours consécutifs.
  Pour le travailleur qui preste ses premiers 50 jours par an dans le statut susmentionnĂ© et pour l'employeur ou, si l'employeur relĂšve de la commission paritaire pour le travail intĂ©rimaire, l'utilisateur qui fait appel Ă des travailleurs occasionnels cette annĂ©e pour les premiers [3 200 jours]3, les cotisations dues pour ces travailleurs occasionnels Ă l'Ă©gard desquels l'employeur ou l'utilisateur fait usage de l'article 5bis, § 3, 1° ou 2°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, dĂ©nommĂ©s ci-aprĂšs travailleurs occasionnels, sont calculĂ©es sur un forfait de [2 ...]2 7,5 euros par heure commencĂ©s [2 sans pouvoir dĂ©passer six fois ce forfait journalier ou six fois ce forfait journalier par bloc journalier]2.
  [4 Le montant dans l'alinéa précédent est adapté conformément aux dispositions de l'article 32bis, §§ 1er et 2.]4
  L'employeur qui relĂšve de la Commission paritaire de l'industrie hĂŽteliĂšre doit, sauf s'il fait usage de l'article 5bis, § 3, 1° de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, tenir un registre de mesure du temps de travail visĂ© Ă l'article 4, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif Ă la tenue des documents sociaux en y mentionnant les travailleurs occasionnels.
  Sans prĂ©judice de l'alinĂ©a 2 de cet article, lorsque la dĂ©claration immĂ©diate pour l'emploi a Ă©tĂ© faite pour un bloc journalier, conformĂ©ment Ă l'article 5bis, § 3, 2°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002, alors que le registre de mesure du temps de travail, visĂ© Ă l'article 4, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ©, comporte l'indication selon laquelle le travailleur a prestĂ© plus d'heures ainsi que lorsque les prestations effectives dĂ©passent le nombre d'heures dĂ©clarĂ©s, les cotisations dues pour les travailleurs occasionnels sont calculĂ©es sur le bloc journalier forfaitaire de 45 euros, [4 ...]4 adaptĂ©s conformĂ©ment aux dispositions de [4 l'article 32bis, §§ 1er et 2]4.
  Les cotisations dues pour les travailleurs occasionnels se calculent sur les rĂ©munĂ©rations rĂ©elles, sans que celles-ci puissent ĂȘtre infĂ©rieures aux rĂ©munĂ©rations forfaitaires journaliĂšres visĂ©es Ă l'article 25 pour la fonction que le travailleur occupe, si ledit article lui avait Ă©tĂ© applicable :
  1° lorsque l'employeur qui n'en est pas dispensĂ©, en vertu de l'alinĂ©a 4, ne dĂ©tient pas ou ne tient pas de maniĂšre journaliĂšre le registre de mesure du temps de travail visĂ© Ă l'article 4, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 5 prĂ©citĂ© du 23 octobre 1978;
  2° lorsque l'employeur ne rĂ©alise pas de maniĂšre journaliĂšre la dĂ©claration visĂ©e Ă l'article 5bis, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi. "
  Les cotisations dues pour les travailleurs occasionnels se calculent sur la rĂ©munĂ©ration forfaitaire Ă laquelle le travailleur occasionnel aurait eu droit s'il avait Ă©tĂ© dĂ©clarĂ© conformĂ©ment Ă l'article 25, sous la fonction "MaĂźtre d'hĂŽtel", sous le numĂ©ro de rĂ©fĂ©rence 211B, comme prĂ©vu Ă l'article 2 de l'arrĂȘt ministĂ©riel du 30 avril 2007 portant exĂ©cution de l'article 25, § 1er, alinĂ©as 1er et 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, si le contingent de 50 jours accordĂ© au travailleur ou le contingent de [3 200 jours]3 accordĂ© Ă l'employeur est dĂ©passĂ©.]1
 Â
  Pour le travailleur qui preste ses premiers 50 jours par an dans le statut susmentionnĂ© et pour l'employeur ou, si l'employeur relĂšve de la commission paritaire pour le travail intĂ©rimaire, l'utilisateur qui fait appel Ă des travailleurs occasionnels cette annĂ©e pour les premiers [3 200 jours]3, les cotisations dues pour ces travailleurs occasionnels Ă l'Ă©gard desquels l'employeur ou l'utilisateur fait usage de l'article 5bis, § 3, 1° ou 2°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, dĂ©nommĂ©s ci-aprĂšs travailleurs occasionnels, sont calculĂ©es sur un forfait de [2 ...]2 7,5 euros par heure commencĂ©s [2 sans pouvoir dĂ©passer six fois ce forfait journalier ou six fois ce forfait journalier par bloc journalier]2.
  [4 Le montant dans l'alinéa précédent est adapté conformément aux dispositions de l'article 32bis, §§ 1er et 2.]4
  L'employeur qui relĂšve de la Commission paritaire de l'industrie hĂŽteliĂšre doit, sauf s'il fait usage de l'article 5bis, § 3, 1° de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, tenir un registre de mesure du temps de travail visĂ© Ă l'article 4, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif Ă la tenue des documents sociaux en y mentionnant les travailleurs occasionnels.
  Sans prĂ©judice de l'alinĂ©a 2 de cet article, lorsque la dĂ©claration immĂ©diate pour l'emploi a Ă©tĂ© faite pour un bloc journalier, conformĂ©ment Ă l'article 5bis, § 3, 2°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002, alors que le registre de mesure du temps de travail, visĂ© Ă l'article 4, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ©, comporte l'indication selon laquelle le travailleur a prestĂ© plus d'heures ainsi que lorsque les prestations effectives dĂ©passent le nombre d'heures dĂ©clarĂ©s, les cotisations dues pour les travailleurs occasionnels sont calculĂ©es sur le bloc journalier forfaitaire de 45 euros, [4 ...]4 adaptĂ©s conformĂ©ment aux dispositions de [4 l'article 32bis, §§ 1er et 2]4.
  Les cotisations dues pour les travailleurs occasionnels se calculent sur les rĂ©munĂ©rations rĂ©elles, sans que celles-ci puissent ĂȘtre infĂ©rieures aux rĂ©munĂ©rations forfaitaires journaliĂšres visĂ©es Ă l'article 25 pour la fonction que le travailleur occupe, si ledit article lui avait Ă©tĂ© applicable :
  1° lorsque l'employeur qui n'en est pas dispensĂ©, en vertu de l'alinĂ©a 4, ne dĂ©tient pas ou ne tient pas de maniĂšre journaliĂšre le registre de mesure du temps de travail visĂ© Ă l'article 4, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 5 prĂ©citĂ© du 23 octobre 1978;
  2° lorsque l'employeur ne rĂ©alise pas de maniĂšre journaliĂšre la dĂ©claration visĂ©e Ă l'article 5bis, § 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi. "
  Les cotisations dues pour les travailleurs occasionnels se calculent sur la rĂ©munĂ©ration forfaitaire Ă laquelle le travailleur occasionnel aurait eu droit s'il avait Ă©tĂ© dĂ©clarĂ© conformĂ©ment Ă l'article 25, sous la fonction "MaĂźtre d'hĂŽtel", sous le numĂ©ro de rĂ©fĂ©rence 211B, comme prĂ©vu Ă l'article 2 de l'arrĂȘt ministĂ©riel du 30 avril 2007 portant exĂ©cution de l'article 25, § 1er, alinĂ©as 1er et 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, si le contingent de 50 jours accordĂ© au travailleur ou le contingent de [3 200 jours]3 accordĂ© Ă l'employeur est dĂ©passĂ©.]1
 Â
Art. 32. <KB 2007-04-21/44, art. 3, 133; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De forfaitaire daglonen bedoeld [1 in artikel 26, § 1]1, worden gekoppeld aan de schommelingen van het prijsindexcijfer bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen. Deze koppeling zal gebeuren overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van de wet met dien verstande dat voor de toepassing van dit artikel 16, door indexcijfer der consumptieprijzen moet verstaan worden, het prijsindexcijfer zoals hiervoor omschreven.
  De eurogedeelten worden afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
 Â
  De eurogedeelten worden afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
 Â
Art. 32. <AR 2007-04-21/44, art. 3, 133; En vigueur : 01-01-2007> § 1er. Les rĂ©munĂ©rations forfaitaires journaliĂšres visĂ©es Ă l'article 26, § 1er, sont liĂ©es aux fluctuations de l'indice des prix visĂ© Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 24 dĂ©cembre 1993 portant exĂ©cution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compĂ©titivitĂ© du pays. Cette liaison se fera conformĂ©ment Ă ce qui est prĂ©vu Ă l'article 16 de la loi, en ce sens que pour l'application de cet article 16, on entend par indice des prix Ă la consommation, l'indice des prix tel que dĂ©crit ci-dessus.
  Les fractions d'euro sont arrondies au cent supérieur lorsque la troisiÚme décimale est égale ou supérieure à cinq et au cent inférieur lorsque la troisiÚme décimale est inférieure à cinq.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
 Â
  Les fractions d'euro sont arrondies au cent supérieur lorsque la troisiÚme décimale est égale ou supérieure à cinq et au cent inférieur lorsque la troisiÚme décimale est inférieure à cinq.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. [2 ...]2
  § 4. [2 ...]2
 Â
Art. 32bis. <KB 2007-04-30/42, art. 9, 135; Inwerkingtreding : 01-04-2007> § 1. [2 Op de eerste dag van elk kwartaal worden de forfaitaire daglonen, waarop de socialezekerheidsbijdragen worden berekend, aangepast aan de evolutie van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen in de zin van artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 gesloten op 2 mei 1988 in de Nationale Arbeidsraad houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988.]2
  [2 Wanneer een verhoging van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen in de loop van een kwartaal wordt vastgesteld, worden de forfaitaire daglonen aangepast met ingang van de eerste dag van het kwartaal dat volgt op deze verhoging; indien de verhoging van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen samenvalt met het begin van een kwartaal, worden de forfaitaire daglonen aangepast met ingang van dat kwartaal.]2
  § 2. [2 Op 1 januari van alle oneven jaren vergelijkt de minister bevoegd voor Sociale Zaken de evolutie van de forfaitaire daglonen, zoals aangepast overeenkomstig de bepaling van § 1, met de evolutie van de conventionele lonen van toepassing in de sector waartoe de werkgever behoort en past hij de forfaitaire daglonen aan, rekening houdend met de evolutie van deze conventionele lonen, evenwel zonder dat de forfaitaire daglonen kunnen dalen. De aanpassing wordt gedaan bij ministeriëel besluit dat een tabel bevat met de forfaitaire daglonen per functie en per leeftijdscategorie. De aldus herberekende en kenbaar gemaakte forfaits gelden vanaf de eerste dag van het kwartaal dat volgt op de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
  [4 De forfaitaire daglonen die van toepassing zijn op 1 juli 2023, gelden als basis voor de vergelijking en aanpassing bedoeld in het eerste lid.]4]2
  [4 ...]4
  § 3. [1 [2 De §§ 1 en 2 hebben]2 betrekking]1 op de volgende Paritaire Comités :
  1° het Paritair Comité voor het hotelbedrijf;
  2° het Paritair Comité voor de landbouw;
  3° het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf.
 Â
  [2 Wanneer een verhoging van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen in de loop van een kwartaal wordt vastgesteld, worden de forfaitaire daglonen aangepast met ingang van de eerste dag van het kwartaal dat volgt op deze verhoging; indien de verhoging van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen samenvalt met het begin van een kwartaal, worden de forfaitaire daglonen aangepast met ingang van dat kwartaal.]2
  § 2. [2 Op 1 januari van alle oneven jaren vergelijkt de minister bevoegd voor Sociale Zaken de evolutie van de forfaitaire daglonen, zoals aangepast overeenkomstig de bepaling van § 1, met de evolutie van de conventionele lonen van toepassing in de sector waartoe de werkgever behoort en past hij de forfaitaire daglonen aan, rekening houdend met de evolutie van deze conventionele lonen, evenwel zonder dat de forfaitaire daglonen kunnen dalen. De aanpassing wordt gedaan bij ministeriëel besluit dat een tabel bevat met de forfaitaire daglonen per functie en per leeftijdscategorie. De aldus herberekende en kenbaar gemaakte forfaits gelden vanaf de eerste dag van het kwartaal dat volgt op de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
  [4 De forfaitaire daglonen die van toepassing zijn op 1 juli 2023, gelden als basis voor de vergelijking en aanpassing bedoeld in het eerste lid.]4]2
  [4 ...]4
  § 3. [1 [2 De §§ 1 en 2 hebben]2 betrekking]1 op de volgende Paritaire Comités :
  1° het Paritair Comité voor het hotelbedrijf;
  2° het Paritair Comité voor de landbouw;
  3° het Paritair Comité voor het tuinbouwbedrijf.
 Â
Art. 32bis. <AR 2007-04-30/42, art. 9, 135; En vigueur : 01-04-2007> § 1er. [2 Au premier jour de chaque trimestre, les rĂ©munĂ©rations forfaitaires journaliĂšres sur lesquelles les cotisations de sĂ©curitĂ© sociale sont calculĂ©es, sont adaptĂ©es Ă l'Ă©volution du revenu minimum mensuel moyen garanti au sens de l'article 3 de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988, conclue au sein du Conseil national du travail, portant modification et coordination des conventions collectives de travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives Ă la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, rendue obligatoire par l'arrĂȘtĂ© royal du 29 juillet 1988.]2
  [2 Lorsqu'une augmentation du revenu minimum mensuel moyen garanti a lieu en cours de trimestre, les rémunérations journaliÚres forfaitaires sont adaptées avec effet au premier jour du trimestre qui suit à cette augmentation; si cette augmentation du revenu minimum mensuel moyen garanti coïncide avec le début d'un trimestre, les rémunérations journaliÚres forfaitaires sont adaptées à partir de ce trimestre.]2
  § 2. [2 Le 1er janvier de toutes les annĂ©es impaires le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions compare l'Ă©volution des rĂ©munĂ©rations journaliĂšres forfaitaires, adaptĂ©es conformĂ©ment aux dispositions du § 1, avec l'Ă©volution des rĂ©munĂ©rations conventionnelles applicables dans le secteur dont l'employeur relĂšve, et adapte les rĂ©munĂ©rations journaliĂšres forfaitaires, compte tenu de l'Ă©volution de ces rĂ©munĂ©rations conventionnelles, cependant sans que les rĂ©munĂ©rations journaliĂšres forfaitaires puissent diminuer. Les adaptions sont effectuĂ©es par arrĂȘtĂ© ministĂ©riel contenant une table avec les rĂ©munĂ©rations journaliĂšres forfaitaires par fonction et par catĂ©gorie d'Ăąge. Les forfaits ainsi recalculĂ©s et publiĂ©s sont d'application le premier jour du trimestre qui suit la publication dans le Moniteur belge.
  [4 Les rémunérations journaliÚres forfaitaires applicables au 1er juillet 2023 servent de base de la comparaison et de l'adaptation mentionnées dans l'alinéa 1er.]4]2
  [4 ...]4
  § 3. Sont concernés [2 par les §§ 1 et 2]2, les Commissions paritaires suivantes :
  1° la Commission paritaire de l'industrie hÎteliÚre;
  2° la Commission paritaire de l'agriculture;
  3° la Commission paritaire de l'horticulture.
 Â
  [2 Lorsqu'une augmentation du revenu minimum mensuel moyen garanti a lieu en cours de trimestre, les rémunérations journaliÚres forfaitaires sont adaptées avec effet au premier jour du trimestre qui suit à cette augmentation; si cette augmentation du revenu minimum mensuel moyen garanti coïncide avec le début d'un trimestre, les rémunérations journaliÚres forfaitaires sont adaptées à partir de ce trimestre.]2
  § 2. [2 Le 1er janvier de toutes les annĂ©es impaires le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions compare l'Ă©volution des rĂ©munĂ©rations journaliĂšres forfaitaires, adaptĂ©es conformĂ©ment aux dispositions du § 1, avec l'Ă©volution des rĂ©munĂ©rations conventionnelles applicables dans le secteur dont l'employeur relĂšve, et adapte les rĂ©munĂ©rations journaliĂšres forfaitaires, compte tenu de l'Ă©volution de ces rĂ©munĂ©rations conventionnelles, cependant sans que les rĂ©munĂ©rations journaliĂšres forfaitaires puissent diminuer. Les adaptions sont effectuĂ©es par arrĂȘtĂ© ministĂ©riel contenant une table avec les rĂ©munĂ©rations journaliĂšres forfaitaires par fonction et par catĂ©gorie d'Ăąge. Les forfaits ainsi recalculĂ©s et publiĂ©s sont d'application le premier jour du trimestre qui suit la publication dans le Moniteur belge.
  [4 Les rémunérations journaliÚres forfaitaires applicables au 1er juillet 2023 servent de base de la comparaison et de l'adaptation mentionnées dans l'alinéa 1er.]4]2
  [4 ...]4
  § 3. Sont concernés [2 par les §§ 1 et 2]2, les Commissions paritaires suivantes :
  1° la Commission paritaire de l'industrie hÎteliÚre;
  2° la Commission paritaire de l'agriculture;
  3° la Commission paritaire de l'horticulture.
 Â
HOOFDSTUK III. - Aangifte en betaling van de bijdragen.
CHAPITRE III. - Déclaration et paiement des cotisations.
Afdeling 1. - Algemene regeling.
Section 1. - Modalités générales.
Art. 33. (§ 1. De Rijksdienst voor sociale zekerheid kent aan iedere bijdrageplichtige werkgever een inschrijvingsnummer toe dat hem wordt meegedeeld binnen acht dagen volgend op de verzending van de ter post aangetekende aanvraag.) <KB 1990-03-12/32, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1990>
  (§ 2.) De werkgever bezorgt het in artikel 21 van de wet bedoelde aangifteformulier aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid uiterlijk de laatste dag van de maand na elk kalenderkwartaal, waarop de aangifte betrekking heeft. <KB 1990-03-12/32, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1990>
  De erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken over een termijn van [1 veertien]1 werkdagen te rekenen van het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn om de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid de aangiften van hun aangeslotenen te doen geworden. (De Centrale Dienst der vaste uitgaven van het Ministerie van Financiën beschikt over eenzelfde termijn van [1 veertien]1 werkdagen om de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid de aangifte betreffende het door zijn bemiddeling betaalde overheidspersoneel, te doen geworden.) <KB 5-02-1979, art. 1>
  De werkgever moet (vijf jaar) lang een afschrift van zijn aangiften bewaren. <KB 1996-12-20/31, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 01-07-1996>
  (De werkgever moet de Rijksdienst voor sociale zekerheid inlichten overeenkomstig artikel 21bis van de wet uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op het volledig kalenderkwartaal tijdens hetwelk hij geen onderworpen personeel heeft tewerkgesteld.) <KB 2000-07-20/47, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
 Â
  (§ 2.) De werkgever bezorgt het in artikel 21 van de wet bedoelde aangifteformulier aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid uiterlijk de laatste dag van de maand na elk kalenderkwartaal, waarop de aangifte betrekking heeft. <KB 1990-03-12/32, art. 2, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1990>
  De erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken over een termijn van [1 veertien]1 werkdagen te rekenen van het verstrijken van de in het eerste lid bepaalde termijn om de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid de aangiften van hun aangeslotenen te doen geworden. (De Centrale Dienst der vaste uitgaven van het Ministerie van Financiën beschikt over eenzelfde termijn van [1 veertien]1 werkdagen om de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid de aangifte betreffende het door zijn bemiddeling betaalde overheidspersoneel, te doen geworden.) <KB 5-02-1979, art. 1>
  De werkgever moet (vijf jaar) lang een afschrift van zijn aangiften bewaren. <KB 1996-12-20/31, art. 2, 067; Inwerkingtreding : 01-07-1996>
  (De werkgever moet de Rijksdienst voor sociale zekerheid inlichten overeenkomstig artikel 21bis van de wet uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op het volledig kalenderkwartaal tijdens hetwelk hij geen onderworpen personeel heeft tewerkgesteld.) <KB 2000-07-20/47, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
 Â
Wijzigingen
Art. 33. (§ 1. L'Office national de sécurité sociale attribue à chaque employeur assujetti un numéro d'immatriculation qui lui est communiqué dans les huit jours suivant l'envoi par lettre recommandée de la demande d'immatriculation.) <AR 1990-03-12/32, art. 2, 030; En vigueur : 01-04-1990>
  (§ 2.) L'employeur fait parvenir à l'Office national de sécurité sociale la formule de déclaration visée à l'article 21 de la loi, au plus tard le dernier jour du mois qui suit chaque trimestre civil auquel la déclaration se rapporte. <AR 1990-03-12/32, art. 2, 030; En vigueur : 01-04-1990>
  Les secrĂ©tariats sociaux agréés d'employeurs disposent d'un dĂ©lai de [1 quatorze]1 jours ouvrables Ă compter de l'expiration du dĂ©lai fixĂ© Ă l'alinĂ©a 1er pour transmettre Ă l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale les dĂ©clarations de leurs affiliĂ©s. (Le service central des dĂ©penses fixes du MinistĂšre des Finances dispose d'un mĂȘme dĂ©lai de [1 quatorze]1 jours ouvrables pour transmettre Ă l'office national de sĂ©curitĂ© sociale les dĂ©clarations relatives au personnel des administrations publiques payĂ© par son intermĂ©diaire.) <AR 05-02-1979, art. 1er>
  L'employeur est tenu de conserver la copie de ses déclarations pendant un délai de (cinq ans). <AR 1996-12-20/31, art. 2, 067; En vigueur : 01-07-1996>
  (L'employeur est tenu d'informer l'Office national de sécurité sociale, conformément à l'article 21bis de la loi, au plus tard, le dernier jour du mois qui suit le trimestre civil complet pendant lequel il n'a pas occupé de personnel assujetti.) <AR 2000-07-20/47, art. 1, 093; En vigueur : 01-10-2000>
 Â
  (§ 2.) L'employeur fait parvenir à l'Office national de sécurité sociale la formule de déclaration visée à l'article 21 de la loi, au plus tard le dernier jour du mois qui suit chaque trimestre civil auquel la déclaration se rapporte. <AR 1990-03-12/32, art. 2, 030; En vigueur : 01-04-1990>
  Les secrĂ©tariats sociaux agréés d'employeurs disposent d'un dĂ©lai de [1 quatorze]1 jours ouvrables Ă compter de l'expiration du dĂ©lai fixĂ© Ă l'alinĂ©a 1er pour transmettre Ă l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale les dĂ©clarations de leurs affiliĂ©s. (Le service central des dĂ©penses fixes du MinistĂšre des Finances dispose d'un mĂȘme dĂ©lai de [1 quatorze]1 jours ouvrables pour transmettre Ă l'office national de sĂ©curitĂ© sociale les dĂ©clarations relatives au personnel des administrations publiques payĂ© par son intermĂ©diaire.) <AR 05-02-1979, art. 1er>
  L'employeur est tenu de conserver la copie de ses déclarations pendant un délai de (cinq ans). <AR 1996-12-20/31, art. 2, 067; En vigueur : 01-07-1996>
  (L'employeur est tenu d'informer l'Office national de sécurité sociale, conformément à l'article 21bis de la loi, au plus tard, le dernier jour du mois qui suit le trimestre civil complet pendant lequel il n'a pas occupé de personnel assujetti.) <AR 2000-07-20/47, art. 1, 093; En vigueur : 01-10-2000>
 Â
Wijzigingen
Art. 34. Het bedrag van de bijdragen is door de werkgever aan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid verschuldigd op de navolgende vier data van elk jaar: 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december.
  [1 [4 De werkgever die voor een welbepaald kwartaal (K-2) bijdragen, gelijk aan of meer dan 4.000 euro, heeft aangegeven, moet voor het kwartaal (K) een voorschot storten, en dit uiterlijk de 5e van de maand volgend op elk van de maanden van dat laatste kwartaal.]4 Voor het eerste, tweede en derde kwartaal van het kalenderjaar, is het eerste, het tweede en het derde verschuldigde voorschot gelijk aan respectievelijk, 30, 30 en 25 pct. van het bedrag van de bijdragen verschuldigd voor het overeenstemmende kwartaal van het vorige kalenderjaar. Voor het vierde kwartaal van het kalenderjaar, is het eerste, het tweede en het derde te betalen voorschot gelijk aan respectievelijk, 30, 35 en 15 pct. van het bedrag van de bijdragen verschuldigd voor het overeenstemmende kwartaal van het vorige kalenderjaar. [3 [4 Als de bedoelde werkgever geen bijdragen verschuldigd was voor het kwartaal K-4 en de berekeningsbasis voor de procentuele bijdragen dus niet voorhanden is, of de werkgever geen enkele bijdrage verschuldigd was voor het kwartaal K-2, of de betrokken werkgever geen enkele bijdrage verschuldigd was voor de kwartalen K-2 en K-4,]4 is hij gehouden een voorschot te storten van 450 euro, ten laatste de 5e van elke maand, vanaf de derde werknemer die hij tewerkstelt op het einde van de voorlaatste maand. Deze som van 450 euro]3 is nochtans niet verschuldigd door de werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf voor de werknemers voor wie de inlichtingen bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels moeten worden meegedeeld. Wanneer het bedrag van de percentages berekend ten aanzien van de verschuldigde bijdrage van het overeenstemmende kwartaal van het vorige kalenderjaar, het bedrag van de percentages van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal overschrijdt, kan de werkgever het voorschot tot laatstgenoemd bedrag verminderen, onverminderd de toepassing van de bij artikel 54bis bepaalde vaste vergoeding wanneer het aldus betaalde voorschot ontoereikend is.]1
  (Uiterlijk op 30 juni van ieder jaar kan de Minister van Sociale Zaken de bedragen van [1 [5 4.000,00]5 euro]1 en [3 450 euro]3, bedoeld bij het vorige lid, aanpassen. De nieuwe, aldus vastgestelde bedragen, worden in aanmerking genomen voor de betaling van de maandelijkse voorschotten verschuldigd vanaf het eerste kwartaal van het volgende jaar.) [5 Het bedrag van de voorschotten bedoeld in de voorgaande leden wordt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid berekend en aan de werkgever of aan zijn erkend sociaal secretariaat medegedeeld.]5 <KB 1994-07-25/39, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  (Vierde lid opgeheven) <KB 2005-10-14/39, art. 1, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
  (lid opgeheven) <KB 1993-01-25/31, art. 1, 048; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn, alsook het saldo van die bijdragen, wanneer het een bij het tweede lid beoogde werkgever betreft, dienen door de werkgever, uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal, te worden betaald [7 , of, als de werkgever een provinciaal of plaatselijk bestuur is, voor wie de betaling van het saldo via automatische inning wordt geregeld, uiterlijk de laatste dag van de tweede maand na dit kwartaal]7.
  De erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken over een termijn van zes werkdagen, te rekenen van het verstrijken van de bij het tweede lid beoogde termijnen, en van [2 veertien]2 werkdagen, te rekenen van het verstrijken van [1 de bij het vierde lid beoogde termijnen, om de Rijksdienst]1 voor maatschappelijke zekerheid de bijdragen te doen geworden die zij binnen die termijnen van hun aangeslotenen hebben bekomen.
  [6 De erkende sociale secretariaten beschikken over een termijn tot 24 april 2020 om de bijdragen die zij van hun aangeslotenen hebben ontvangen voor het derde voorschot voor het eerste kwartaal 2020 van hun aangeslotenen hebben ontvangen, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid door te storten.]6
 Â
  [1 [4 De werkgever die voor een welbepaald kwartaal (K-2) bijdragen, gelijk aan of meer dan 4.000 euro, heeft aangegeven, moet voor het kwartaal (K) een voorschot storten, en dit uiterlijk de 5e van de maand volgend op elk van de maanden van dat laatste kwartaal.]4 Voor het eerste, tweede en derde kwartaal van het kalenderjaar, is het eerste, het tweede en het derde verschuldigde voorschot gelijk aan respectievelijk, 30, 30 en 25 pct. van het bedrag van de bijdragen verschuldigd voor het overeenstemmende kwartaal van het vorige kalenderjaar. Voor het vierde kwartaal van het kalenderjaar, is het eerste, het tweede en het derde te betalen voorschot gelijk aan respectievelijk, 30, 35 en 15 pct. van het bedrag van de bijdragen verschuldigd voor het overeenstemmende kwartaal van het vorige kalenderjaar. [3 [4 Als de bedoelde werkgever geen bijdragen verschuldigd was voor het kwartaal K-4 en de berekeningsbasis voor de procentuele bijdragen dus niet voorhanden is, of de werkgever geen enkele bijdrage verschuldigd was voor het kwartaal K-2, of de betrokken werkgever geen enkele bijdrage verschuldigd was voor de kwartalen K-2 en K-4,]4 is hij gehouden een voorschot te storten van 450 euro, ten laatste de 5e van elke maand, vanaf de derde werknemer die hij tewerkstelt op het einde van de voorlaatste maand. Deze som van 450 euro]3 is nochtans niet verschuldigd door de werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf voor de werknemers voor wie de inlichtingen bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels moeten worden meegedeeld. Wanneer het bedrag van de percentages berekend ten aanzien van de verschuldigde bijdrage van het overeenstemmende kwartaal van het vorige kalenderjaar, het bedrag van de percentages van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal overschrijdt, kan de werkgever het voorschot tot laatstgenoemd bedrag verminderen, onverminderd de toepassing van de bij artikel 54bis bepaalde vaste vergoeding wanneer het aldus betaalde voorschot ontoereikend is.]1
  (Uiterlijk op 30 juni van ieder jaar kan de Minister van Sociale Zaken de bedragen van [1 [5 4.000,00]5 euro]1 en [3 450 euro]3, bedoeld bij het vorige lid, aanpassen. De nieuwe, aldus vastgestelde bedragen, worden in aanmerking genomen voor de betaling van de maandelijkse voorschotten verschuldigd vanaf het eerste kwartaal van het volgende jaar.) [5 Het bedrag van de voorschotten bedoeld in de voorgaande leden wordt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid berekend en aan de werkgever of aan zijn erkend sociaal secretariaat medegedeeld.]5 <KB 1994-07-25/39, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 01-10-1994>
  (Vierde lid opgeheven) <KB 2005-10-14/39, art. 1, 125; Inwerkingtreding : 01-10-2005>
  (lid opgeheven) <KB 1993-01-25/31, art. 1, 048; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De bijdragen die voor het verstreken kwartaal verschuldigd zijn, alsook het saldo van die bijdragen, wanneer het een bij het tweede lid beoogde werkgever betreft, dienen door de werkgever, uiterlijk de laatste dag van de maand na dit kwartaal, te worden betaald [7 , of, als de werkgever een provinciaal of plaatselijk bestuur is, voor wie de betaling van het saldo via automatische inning wordt geregeld, uiterlijk de laatste dag van de tweede maand na dit kwartaal]7.
  De erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken over een termijn van zes werkdagen, te rekenen van het verstrijken van de bij het tweede lid beoogde termijnen, en van [2 veertien]2 werkdagen, te rekenen van het verstrijken van [1 de bij het vierde lid beoogde termijnen, om de Rijksdienst]1 voor maatschappelijke zekerheid de bijdragen te doen geworden die zij binnen die termijnen van hun aangeslotenen hebben bekomen.
  [6 De erkende sociale secretariaten beschikken over een termijn tot 24 april 2020 om de bijdragen die zij van hun aangeslotenen hebben ontvangen voor het derde voorschot voor het eerste kwartaal 2020 van hun aangeslotenen hebben ontvangen, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid door te storten.]6
 Â
Wijzigingen
Art. 34. Le montant des cotisations est dû par l'employeur à l'Office national de sécurité sociale aux quatre dates suivantes de chaque année: 31 mars, 30 juin, 30 septembre et 31 décembre.
  [1 [4 L'employeur qui, au cours d'un trimestre dĂ©terminĂ© (T-2) a dĂ©clarĂ© des cotisations dont le montant est Ă©gal ou supĂ©rieur Ă 4.000 euros est tenu de verser une provision pour le trimestre (T) au plus tard le 5 du mois qui suit chacun des mois de ce dernier trimestre.]4 Pour le premier, deuxiĂšme et troisiĂšme trimestre d'une annĂ©e civile, la premiĂšre, la deuxiĂšme et la troisiĂšme provision Ă verser Ă©gale respectivement, 30, 30 et 25 p.c. du montant des cotisations dues pour le trimestre correspondant de l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dente. Pour le quatriĂšme trimestre d'une annĂ©e civile, la premiĂšre, la deuxiĂšme et la troisiĂšme provision Ă verser Ă©gale respectivement, 30, 35 et 15 p.c. du montant des cotisations dues pour le trimestre correspondant de l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dente. [3 [4 Au cas oĂč l'employeur concernĂ© n'Ă©tait pas redevable de cotisations au trimestre T-4 et que de ce fait la base de calcul des provisions procentuelles fait dĂ©faut, ou, l'employeur concernĂ© n'Ă©tait redevable d'aucune cotisation au trimestre T-2, ou l'employeur concernĂ© n'Ă©tait redevable d'aucune cotisation aux trimestres T-2 et T-4, alors]4 il est tenu de verser une provision de 450 euros, au plus tard le 5 de chaque mois, Ă partir du 3e travailleur qu'il occupe Ă la fin de l'avant-dernier mois. Cette somme de 450 euros]3 n'est cependant pas due par l'employeur ressortissant Ă la Commission paritaire de la construction pour les travailleurs pour lesquels les informations visĂ©es Ă l'article 5, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, doivent ĂȘtre communiquĂ©es. Lorsque le montant des pourcentages calculĂ©s par rapport aux cotisations dues pour le trimestre correspondant de l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dente excĂšde le montant desdits pourcentages appliquĂ©s aux cotisations probables du trimestre en cours, l'employeur est autorisĂ© Ă rĂ©duire la provision Ă ce dernier montant sans prĂ©judice de l'application de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 54bis en cas d'insuffisance des provisions ainsi payĂ©es.]1
  (Au plus tard au 30 juin de chaque année, le Ministre des Affaires sociales peut adapter les montants de [1 [5 4.000,00]5 euros]1 et de [3 450 euros]3 visés à l'alinéa précédent. Les nouveaux montants ainsi fixés seront pris en considération pour le paiement des provisions mensuelles dues à partir du premier trimestre de l'année suivante.) [5 Le montant des provisions visées aux alinéas qui précÚdent est calculé par l'Office national de sécurité sociale et communiqué à l'employeur ou à son secrétariat social agréé.]5 <AR 1994-07-25/39, art. 1, 056; En vigueur : 01-10-1994>
  (Alinéa 4 abrogé) <AR 2005-10-14/39, art. 1, 125; En vigueur : 01-10-2005>
  (alinéa abrogé) <AR 1993-01-25/31, art. 1, 048; En vigueur : 01-01-1993>
  Les cotisations dues pour le trimestre venu Ă expiration, ainsi que le solde de ces cotisations, s'il s'agit d'un employeur visĂ© Ă l'alinĂ©a 2, doivent ĂȘtre payĂ©es par l'employeur au plus tard le dernier jour du mois qui suit ce trimestre [7 , ou, s'il s'agit d'un employeur administration provinciale ou locale pour lequel le paiement du solde est organisĂ© par prĂ©lĂšvement automatique, au plus tard le dernier jour du deuxiĂšme mois qui suit ce trimestre]7.
  Les secrétariats sociaux agréés d'employeurs disposent d'un délai de six jours ouvrables à compter de l'expiration des délais fixés à l'alinéa 2 et [2 quatorze]2 jours ouvrables à compter de l'expiration des délais [1 fixés à l'alinéa 4, pour transférer]1 à l'Office national de sécurité sociale les cotisations qu'ils ont reçues de leurs affiliés dans ces délais.
  [6 Les secrétariats sociaux agréés disposent d'un délai jusqu'au 24 avril 2020 pour transférer à l'Office national de sécurité sociale les cotisations qu'ils ont reçues de leurs affiliés au titre de la troisiÚme provision du premier trimestre 2020.]6
 Â
  [1 [4 L'employeur qui, au cours d'un trimestre dĂ©terminĂ© (T-2) a dĂ©clarĂ© des cotisations dont le montant est Ă©gal ou supĂ©rieur Ă 4.000 euros est tenu de verser une provision pour le trimestre (T) au plus tard le 5 du mois qui suit chacun des mois de ce dernier trimestre.]4 Pour le premier, deuxiĂšme et troisiĂšme trimestre d'une annĂ©e civile, la premiĂšre, la deuxiĂšme et la troisiĂšme provision Ă verser Ă©gale respectivement, 30, 30 et 25 p.c. du montant des cotisations dues pour le trimestre correspondant de l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dente. Pour le quatriĂšme trimestre d'une annĂ©e civile, la premiĂšre, la deuxiĂšme et la troisiĂšme provision Ă verser Ă©gale respectivement, 30, 35 et 15 p.c. du montant des cotisations dues pour le trimestre correspondant de l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dente. [3 [4 Au cas oĂč l'employeur concernĂ© n'Ă©tait pas redevable de cotisations au trimestre T-4 et que de ce fait la base de calcul des provisions procentuelles fait dĂ©faut, ou, l'employeur concernĂ© n'Ă©tait redevable d'aucune cotisation au trimestre T-2, ou l'employeur concernĂ© n'Ă©tait redevable d'aucune cotisation aux trimestres T-2 et T-4, alors]4 il est tenu de verser une provision de 450 euros, au plus tard le 5 de chaque mois, Ă partir du 3e travailleur qu'il occupe Ă la fin de l'avant-dernier mois. Cette somme de 450 euros]3 n'est cependant pas due par l'employeur ressortissant Ă la Commission paritaire de la construction pour les travailleurs pour lesquels les informations visĂ©es Ă l'article 5, de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, doivent ĂȘtre communiquĂ©es. Lorsque le montant des pourcentages calculĂ©s par rapport aux cotisations dues pour le trimestre correspondant de l'annĂ©e civile prĂ©cĂ©dente excĂšde le montant desdits pourcentages appliquĂ©s aux cotisations probables du trimestre en cours, l'employeur est autorisĂ© Ă rĂ©duire la provision Ă ce dernier montant sans prĂ©judice de l'application de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 54bis en cas d'insuffisance des provisions ainsi payĂ©es.]1
  (Au plus tard au 30 juin de chaque année, le Ministre des Affaires sociales peut adapter les montants de [1 [5 4.000,00]5 euros]1 et de [3 450 euros]3 visés à l'alinéa précédent. Les nouveaux montants ainsi fixés seront pris en considération pour le paiement des provisions mensuelles dues à partir du premier trimestre de l'année suivante.) [5 Le montant des provisions visées aux alinéas qui précÚdent est calculé par l'Office national de sécurité sociale et communiqué à l'employeur ou à son secrétariat social agréé.]5 <AR 1994-07-25/39, art. 1, 056; En vigueur : 01-10-1994>
  (Alinéa 4 abrogé) <AR 2005-10-14/39, art. 1, 125; En vigueur : 01-10-2005>
  (alinéa abrogé) <AR 1993-01-25/31, art. 1, 048; En vigueur : 01-01-1993>
  Les cotisations dues pour le trimestre venu Ă expiration, ainsi que le solde de ces cotisations, s'il s'agit d'un employeur visĂ© Ă l'alinĂ©a 2, doivent ĂȘtre payĂ©es par l'employeur au plus tard le dernier jour du mois qui suit ce trimestre [7 , ou, s'il s'agit d'un employeur administration provinciale ou locale pour lequel le paiement du solde est organisĂ© par prĂ©lĂšvement automatique, au plus tard le dernier jour du deuxiĂšme mois qui suit ce trimestre]7.
  Les secrétariats sociaux agréés d'employeurs disposent d'un délai de six jours ouvrables à compter de l'expiration des délais fixés à l'alinéa 2 et [2 quatorze]2 jours ouvrables à compter de l'expiration des délais [1 fixés à l'alinéa 4, pour transférer]1 à l'Office national de sécurité sociale les cotisations qu'ils ont reçues de leurs affiliés dans ces délais.
  [6 Les secrétariats sociaux agréés disposent d'un délai jusqu'au 24 avril 2020 pour transférer à l'Office national de sécurité sociale les cotisations qu'ils ont reçues de leurs affiliés au titre de la troisiÚme provision du premier trimestre 2020.]6
 Â
Wijzigingen
Art. 34bis. [1 § 1. In afwijking van artikel 34, is de werkgever, die ressorteert onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf en die geen bijdragen verschuldigd was voor het kwartaal (K - 4) en/of (K - 2), ertoe gehouden uiterlijk de 5e van iedere maand een voorschot van 700,00 euro te storten, vanaf de derde arbeider die hij tewerkstelt op het einde [2 van de voorlaatste maand en voor dewelke de som van 450 euro]2, bedoeld in artikel 34, tweede lid, niet verschuldigd is.
  Uiterlijk op 30 juni van ieder jaar kan de Minister van Sociale Zaken, na advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, het bedrag van 700,00 euro, bedoeld bij het vorige lid, aanpassen, zonder daarin verder te gaan dan wat de indexeringsregels toestaan. Het nieuwe, aldus vastgestelde bedrag, wordt in aanmerking genomen voor de betaling van de maandelijkse voorschotten verschuldigd vanaf het eerste kwartaal van het volgende jaar.
  § 2. De werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, die procentuele voorschotten verschuldigd is in toepassing van artikel 34, is bovenop deze procentuele voorschotten gehouden een maandelijks forfaitair voorschot te betalen van 700,00 euro per bijkomende arbeider, vanaf de derde arbeider, indien de stijging van het arbeiderspersoneel tussen het kwartaal (K - 4) en het kwartaal K minstens drie arbeiders bedraagt.
  Uiterlijk op 30 juni van ieder jaar kan de Minister van Sociale Zaken, na advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, het bedrag van 700,00 euro, bedoeld bij het vorige lid, aanpassen, zonder daarin verder te gaan dan wat de indexeringsregels toestaan. Het nieuwe, aldus vastgestelde bedrag, wordt in aanmerking genomen voor de betaling van de maandelijkse voorschotten verschuldigd vanaf het eerste kwartaal van het volgende jaar.
  [3 § 2/1. Het bedrag van de voorschotten bedoeld in de voorgaande paragrafen wordt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid berekend en aan de werkgever of aan zijn erkend sociaal secretariaat medegedeeld.]3
  § 3. Indien betalingen worden ontvangen zowel in het kader van procentuele als van forfaitaire voorschotten, worden deze prioritair toegerekend op de procentuele voorschotten.]1
 Â
  Uiterlijk op 30 juni van ieder jaar kan de Minister van Sociale Zaken, na advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, het bedrag van 700,00 euro, bedoeld bij het vorige lid, aanpassen, zonder daarin verder te gaan dan wat de indexeringsregels toestaan. Het nieuwe, aldus vastgestelde bedrag, wordt in aanmerking genomen voor de betaling van de maandelijkse voorschotten verschuldigd vanaf het eerste kwartaal van het volgende jaar.
  § 2. De werkgever die ressorteert onder het Paritair Comité voor het bouwbedrijf, die procentuele voorschotten verschuldigd is in toepassing van artikel 34, is bovenop deze procentuele voorschotten gehouden een maandelijks forfaitair voorschot te betalen van 700,00 euro per bijkomende arbeider, vanaf de derde arbeider, indien de stijging van het arbeiderspersoneel tussen het kwartaal (K - 4) en het kwartaal K minstens drie arbeiders bedraagt.
  Uiterlijk op 30 juni van ieder jaar kan de Minister van Sociale Zaken, na advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, het bedrag van 700,00 euro, bedoeld bij het vorige lid, aanpassen, zonder daarin verder te gaan dan wat de indexeringsregels toestaan. Het nieuwe, aldus vastgestelde bedrag, wordt in aanmerking genomen voor de betaling van de maandelijkse voorschotten verschuldigd vanaf het eerste kwartaal van het volgende jaar.
  [3 § 2/1. Het bedrag van de voorschotten bedoeld in de voorgaande paragrafen wordt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid berekend en aan de werkgever of aan zijn erkend sociaal secretariaat medegedeeld.]3
  § 3. Indien betalingen worden ontvangen zowel in het kader van procentuele als van forfaitaire voorschotten, worden deze prioritair toegerekend op de procentuele voorschotten.]1
 Â
Art. 34bis. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 34, l'employeur ressortissant à la Commission paritaire de la construction qui n'était pas redevable de cotisations au trimestre (T - 4) et/ou (T - 2), est tenu de verser une provision de 700,00 euros, au plus tard le 5 de chaque mois, à partir du troisiÚme ouvrier qu'il occupe à la fin [2 de l'avant-dernier mois et pour lequel la somme de 450 euros]2, visée à l'article 34, alinéa 2, n'est pas due.
  Au plus tard au 30 juin de chaque année, le Ministre des Affaires sociales peut, aprÚs avis du comité de gestion de l'Office national de sécurité sociale, adapter le montant de 700,00 euros visé à l'alinéa précédent, sans aller au-delà de ce que permettent les rÚgles d'indexation. Le nouveau montant ainsi fixé est pris en considération pour le paiement des provisions mensuelles dues à partir du premier trimestre de l'année suivante.
  § 2. L'employeur ressortissant à la Commission paritaire de la construction qui est redevable de provisions procentuelles en application de l'article 34 est tenu, en plus desdites provisions procentuelles, au paiement d'une provision mensuelle forfaitaire de 700,00 euros par ouvrier supplémentaire à partir du troisiÚme ouvrier, lorsqu'il y a une augmentation du personnel ouvrier entre le trimestre (T - 4) et le trimestre T égale au moins à trois ouvriers.
  Au plus tard au 30 juin de chaque année, le Ministre des Affaires sociales peut, aprÚs avis du comité de gestion de l'Office national de sécurité sociale, adapter le montant de 700,00 euros visé à l'alinéa précédent, sans aller au-delà de ce que permettent les rÚgles d'indexation. Le nouveau montant ainsi fixé est pris en considération pour le paiement des provisions mensuelles dues à partir du premier trimestre de l'année suivante.
  [3 § 2/1. Le montant des provisions visées aux paragraphes qui précÚdent est calculé par l'Office national de sécurité sociale et communiqué à l'employeur ou à son secrétariat social agréé.]3
  § 3. Lorsque des paiements sont reçus à titre de provisions tant procentuelles que forfaitaires, ils sont, en priorité, imputés sur les provisions procentuelles.]1
 Â
  Au plus tard au 30 juin de chaque année, le Ministre des Affaires sociales peut, aprÚs avis du comité de gestion de l'Office national de sécurité sociale, adapter le montant de 700,00 euros visé à l'alinéa précédent, sans aller au-delà de ce que permettent les rÚgles d'indexation. Le nouveau montant ainsi fixé est pris en considération pour le paiement des provisions mensuelles dues à partir du premier trimestre de l'année suivante.
  § 2. L'employeur ressortissant à la Commission paritaire de la construction qui est redevable de provisions procentuelles en application de l'article 34 est tenu, en plus desdites provisions procentuelles, au paiement d'une provision mensuelle forfaitaire de 700,00 euros par ouvrier supplémentaire à partir du troisiÚme ouvrier, lorsqu'il y a une augmentation du personnel ouvrier entre le trimestre (T - 4) et le trimestre T égale au moins à trois ouvriers.
  Au plus tard au 30 juin de chaque année, le Ministre des Affaires sociales peut, aprÚs avis du comité de gestion de l'Office national de sécurité sociale, adapter le montant de 700,00 euros visé à l'alinéa précédent, sans aller au-delà de ce que permettent les rÚgles d'indexation. Le nouveau montant ainsi fixé est pris en considération pour le paiement des provisions mensuelles dues à partir du premier trimestre de l'année suivante.
  [3 § 2/1. Le montant des provisions visées aux paragraphes qui précÚdent est calculé par l'Office national de sécurité sociale et communiqué à l'employeur ou à son secrétariat social agréé.]3
  § 3. Lorsque des paiements sont reçus à titre de provisions tant procentuelles que forfaitaires, ils sont, en priorité, imputés sur les provisions procentuelles.]1
 Â
Art. 34ter. [1 § 1. [2 In afwijking van artikel 34 is het provinciaal of plaatselijk bestuur aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bedrag van de bijdragen, waarvan de berekeningsbasis vóór het eerste kwartaal van 2022 ligt, verschuldigd op de vervaldatum vermeld in de maandelijkse factuur.]2
  § 2. [2 In afwijking van artikel 34, kan de voornoemde Rijksdienst, voor de voorschotten die voor de kwartalen van het jaar 2022 verschuldigd zijn, en voor zover het provinciaal of plaatselijk bestuur geen bijdragen verschuldigd was voor het kwartaal K-4 en de berekeningsbasis voor de procentuele bijdragen dus niet voorhanden is, of geen enkele bijdrage verschuldigd was voor het kwartaal K-2, of geen enkele bijdrage verschuldigd was voor de kwartalen K-2 en K-4, de maandelijkse voorschotten voor dat jaar vastleggen op basis van de geraamde bijdragen voor het lopende jaar.]2]1
 Â
  § 2. [2 In afwijking van artikel 34, kan de voornoemde Rijksdienst, voor de voorschotten die voor de kwartalen van het jaar 2022 verschuldigd zijn, en voor zover het provinciaal of plaatselijk bestuur geen bijdragen verschuldigd was voor het kwartaal K-4 en de berekeningsbasis voor de procentuele bijdragen dus niet voorhanden is, of geen enkele bijdrage verschuldigd was voor het kwartaal K-2, of geen enkele bijdrage verschuldigd was voor de kwartalen K-2 en K-4, de maandelijkse voorschotten voor dat jaar vastleggen op basis van de geraamde bijdragen voor het lopende jaar.]2]1
 Â
Art. 34ter. [1 § 1er. [2 Par dérogation à l'article 34, l'administration provinciale ou locale est redevable, à l'égard de l'Office national de sécurité sociale, du montant des cotisations dont la base de calcul est antérieure au premier trimestre 2022 à la date d'échéance mentionnée dans la facture mensuelle.]2
  § 2. [2 Par dĂ©rogation Ă l'article 34, au cas oĂč, pour des provisions Ă payer sur des trimestres de l'annĂ©e 2022, l'administration provinciale ou locale n'Ă©tait pas redevable de cotisations au trimestre T-4 et que de ce fait la base de calcul des provisions procentuelles fait dĂ©faut, ou n'Ă©tait redevable d'aucune cotisation au trimestre T-2, ou n'Ă©tait redevable d'aucune cotisation aux trimestres T-2 et T-4, l'Office prĂ©citĂ© peut fixer la provision mensuelle pour cette annĂ©e sur la base des cotisations estimĂ©es pour l'annĂ©e en cours.]2]1
 Â
  § 2. [2 Par dĂ©rogation Ă l'article 34, au cas oĂč, pour des provisions Ă payer sur des trimestres de l'annĂ©e 2022, l'administration provinciale ou locale n'Ă©tait pas redevable de cotisations au trimestre T-4 et que de ce fait la base de calcul des provisions procentuelles fait dĂ©faut, ou n'Ă©tait redevable d'aucune cotisation au trimestre T-2, ou n'Ă©tait redevable d'aucune cotisation aux trimestres T-2 et T-4, l'Office prĂ©citĂ© peut fixer la provision mensuelle pour cette annĂ©e sur la base des cotisations estimĂ©es pour l'annĂ©e en cours.]2]1
 Â
Art. 35. De door de werkgevers verschuldigde bedragen worden op [2 de Staatsrekening van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]2 gestort.
  [1 In afwijking van het vorige lid worden de door de provinciale en plaatselijke besturen verschuldigde bedragen gestort op de rekening van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij Belfius Bank.]1
 Â
  [1 In afwijking van het vorige lid worden de door de provinciale en plaatselijke besturen verschuldigde bedragen gestort op de rekening van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij Belfius Bank.]1
 Â
Art. 35. Les sommes dues par les employeurs sont versées [2 sur le compte d'Etat]2 de l'Office national de sécurité sociale.
  [1 Par dérogation à l'alinéa précédent, les sommes dues par les administrations provinciales et locales sont versées au compte de l'Office national de sécurité sociale auprÚs de Belfius Banque.]1
 Â
  [1 Par dérogation à l'alinéa précédent, les sommes dues par les administrations provinciales et locales sont versées au compte de l'Office national de sécurité sociale auprÚs de Belfius Banque.]1
 Â
Art. 35bis. <KB 15-06-1970, art. 6> § 1.Met afwijking van de artikelen 33, eerste lid, en 34, eerste en derde lid, moeten de bijdragen die op het bedrag van (de door artikel 19, § 2, 2°, als loon beschouwde vergoedingen) verschuldigd zijn, ten laatste aangegeven en betaald worden, de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal gedurende welke deze vergoedingen verschuldigd zijn indien ze op een toekomstige periode betrekking hebben, of in de maand die volgt op deze gedurende welke het recht van de werknemer op deze vergoedingen werd erkend door de werkgever of door een in kracht van gewijsde gegane beslissing , indien ze een periode dekken die geheel of gedeeltelijk voorbij is. <KB 1984-01-20/31, art. 3, 002>
  Met afwijking van de artikelen 33, tweede lid, en 34, vierde lid, nemen de termijnen van twintig en van zes dagen waarover de erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken om de bijdrage die op deze vergoedingen verschuldigd zijn, aan te geven en te betalen, een aanvang vanaf het verstrijken van de termijnen vastgesteld in het eerste lid.
  De bijdragepercentages en loongrenzen welke op het bedrag van deze vergoedingen toepasselijk zijn, zijn deze in voege op het ogenblik dat de werkgever, een einde stelde aan de dienstbetrekking van de werknemer, schuldeiser van de vergoeding.
  (§ 2. Met afwijking van de artikelen 33, § 2, eerste lid, en 34, eerste en derde lid, moeten de bijdragen die op loonachterstallen verschuldigd zijn, ten laatste aangegeven en betaald worden in de maand die volgt op deze gedurende welke het recht van de werknemer op deze achterstallen werd erkend door de werkgever of door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.
  Met afwijking van de artikelen 33, § 2, tweede lid, en 34, vierde lid, neemt de termijn van twintig dagen waarover de erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken om de bijdragen die op deze achterstallen verschuldigd zijn, aan te geven en te betalen een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn vastgesteld in het eerste lid.
  Op die achterstallen worden de bijdragepercentages en, in voorkomend geval, de loongrenzen toegepast die golden voor de kwartalen waarop de achterstallen betrekking hebben.) <KB 1991-08-05/59, art. 1, 041; Inwerkingtreding : 05-10-1991>
  Met afwijking van de artikelen 33, tweede lid, en 34, vierde lid, nemen de termijnen van twintig en van zes dagen waarover de erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken om de bijdrage die op deze vergoedingen verschuldigd zijn, aan te geven en te betalen, een aanvang vanaf het verstrijken van de termijnen vastgesteld in het eerste lid.
  De bijdragepercentages en loongrenzen welke op het bedrag van deze vergoedingen toepasselijk zijn, zijn deze in voege op het ogenblik dat de werkgever, een einde stelde aan de dienstbetrekking van de werknemer, schuldeiser van de vergoeding.
  (§ 2. Met afwijking van de artikelen 33, § 2, eerste lid, en 34, eerste en derde lid, moeten de bijdragen die op loonachterstallen verschuldigd zijn, ten laatste aangegeven en betaald worden in de maand die volgt op deze gedurende welke het recht van de werknemer op deze achterstallen werd erkend door de werkgever of door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.
  Met afwijking van de artikelen 33, § 2, tweede lid, en 34, vierde lid, neemt de termijn van twintig dagen waarover de erkende sociale secretariaten van werkgevers beschikken om de bijdragen die op deze achterstallen verschuldigd zijn, aan te geven en te betalen een aanvang vanaf het verstrijken van de termijn vastgesteld in het eerste lid.
  Op die achterstallen worden de bijdragepercentages en, in voorkomend geval, de loongrenzen toegepast die golden voor de kwartalen waarop de achterstallen betrekking hebben.) <KB 1991-08-05/59, art. 1, 041; Inwerkingtreding : 05-10-1991>
Art. 35bis. <AR 15-06-1970, art. 6> Par dĂ©rogation aux articles 33, alinĂ©a 1er, et 34, alinĂ©as 1er et 3, les cotisations dues sur le montant (des indemnitĂ©s considĂ©rĂ©es comme rĂ©munĂ©ration en vertu de l'article 19, § 2, 2°) doivent ĂȘtre dĂ©clarĂ©es et payĂ©es au plus tard le dernier jour du mois qui suit le trimestre au cours duquel ces indemnitĂ©s sont dues si elles couvrent une pĂ©riode Ă venir, ou dans le mois qui suit celui au cours duquel le droit du travailleur Ă ces indemnitĂ©s a Ă©tĂ© reconnu par l'employeur ou par une dĂ©cision coulĂ©e en force de chose jugĂ©e, si elles couvrent une pĂ©riode totalement ou partiellement Ă©coulĂ©e. <AR 1984-01-20/31, art. 3, 002>
  Par dérogation aux articles 33, alinéa 2, et 34, alinéa 4, les délais de vingt jours et de six jours dont disposent les secrétariats sociaux agréés d'employeurs pour déclarer et payer les cotisations dues sur ces indemnités, prennent cours à compter de l'expiration des délais fixés à l'alinéa 1er.
  Les taux des cotisations et les limites de rĂ©munĂ©rations applicables aux montants de ces indemnitĂ©s sont ceux en vigueur au moment oĂč l'employeur Ă cessĂ© d'occuper le travailleur, crĂ©ancier de l'indemnitĂ©.
  (§ 2. Par dĂ©rogation aux articles 33, § 2, alinĂ©a 1er, et 34, alinĂ©as 1er et 3, les cotisations dues sur des arriĂ©rĂ©s de rĂ©munĂ©rations doivent ĂȘtre dĂ©clarĂ©es et payĂ©es au plus tard dans le mois qui suit celui au cours duquel le droit du travailleur Ă ces arriĂ©rĂ©s a Ă©tĂ© reconnu par l'employeur ou par une dĂ©cision judiciaire coulĂ©e en force de chose jugĂ©e.
  Par dérogation aux articles 33, § 2, alinéa 2, et 34, alinéa 4, le délai de vingt jours dont disposent les secrétariats sociaux agréés d'employeurs pour déclarer et payer les cotisations dues sur ces arriérés prend cours à compter de l'expiration du délai fixé à l'alinéa 1er.
  Ces arriérés sont soumis aux taux des cotisations et, le cas échéant, aux limites de rémunération, qui étaient en vigueur pour les trimestres auxquels ils se rapportent.) <AR 1991-08-05/59, art. 1, 041; En vigueur : 05-10-1991>
  Par dérogation aux articles 33, alinéa 2, et 34, alinéa 4, les délais de vingt jours et de six jours dont disposent les secrétariats sociaux agréés d'employeurs pour déclarer et payer les cotisations dues sur ces indemnités, prennent cours à compter de l'expiration des délais fixés à l'alinéa 1er.
  Les taux des cotisations et les limites de rĂ©munĂ©rations applicables aux montants de ces indemnitĂ©s sont ceux en vigueur au moment oĂč l'employeur Ă cessĂ© d'occuper le travailleur, crĂ©ancier de l'indemnitĂ©.
  (§ 2. Par dĂ©rogation aux articles 33, § 2, alinĂ©a 1er, et 34, alinĂ©as 1er et 3, les cotisations dues sur des arriĂ©rĂ©s de rĂ©munĂ©rations doivent ĂȘtre dĂ©clarĂ©es et payĂ©es au plus tard dans le mois qui suit celui au cours duquel le droit du travailleur Ă ces arriĂ©rĂ©s a Ă©tĂ© reconnu par l'employeur ou par une dĂ©cision judiciaire coulĂ©e en force de chose jugĂ©e.
  Par dérogation aux articles 33, § 2, alinéa 2, et 34, alinéa 4, le délai de vingt jours dont disposent les secrétariats sociaux agréés d'employeurs pour déclarer et payer les cotisations dues sur ces arriérés prend cours à compter de l'expiration du délai fixé à l'alinéa 1er.
  Ces arriérés sont soumis aux taux des cotisations et, le cas échéant, aux limites de rémunération, qui étaient en vigueur pour les trimestres auxquels ils se rapportent.) <AR 1991-08-05/59, art. 1, 041; En vigueur : 05-10-1991>
Afdeling 2. _ Bijzondere regelingen.
Section 2. _ Modalités spéciales.
Art. 36. [1 § 1.]1 Wanneer een gedeelte van het loon door tussenkomst van een derde aan een werknemer wordt uitbetaald, treedt deze derde in de plaats van de werkgever voor de vervulling van alle verplichtingen betreffende dit loon welke op die werkgever rusten in toepassing van dit besluit. Deze bepaling vindt geen toepassing op het gedeelte van het loon dat bestaat uit fooien en bedieningsgeld, en op het loon voor de wettelijke feestdagen dat de Rijksverlofkas voor de diamantnijverheid betaalt aan de werknemers van de ' diamantnijverheid.
  Voor de berekening van de bijdragen, wordt dit loon beperkt overeenkomstig het bepaalde bij het tweede hoofdstuk zonder dat er met het rechtstreeks door de werkgever toegekende loon rekening wordt gehouden.
  De derde wordt van zijn verplichtingen die uit de voorgaande bepalingen voortvloeien ontlast, op voorwaarde dat hij aan de werkgever alle inlichtingen verschaft, welke vereist zijn om hem deze loonaangifte mogelijk te maken binnen de reglementaire termijn, en dat hij het bedrag v n de op dat loon verrichte inhoudingen doorgeeft, van zodra zij gedaan zijn.
  (Zo de derde geen gebruik maakt van deze mogelijkheid tot ontlasting deelt hij aan de werkgever, onmiddellijk na de uitbetaling, het brutobedrag mee van het gedeelte van de lonen die door zijn tussenkomst werden betaald.) <KB 1994-03-31/30, art. 5, 0053; Inwerkingtreding : 01-04-1994>
  [1 § 2. § 1 is niet van toepassing op de personen bedoeld bij artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]1
 Â
  Voor de berekening van de bijdragen, wordt dit loon beperkt overeenkomstig het bepaalde bij het tweede hoofdstuk zonder dat er met het rechtstreeks door de werkgever toegekende loon rekening wordt gehouden.
  De derde wordt van zijn verplichtingen die uit de voorgaande bepalingen voortvloeien ontlast, op voorwaarde dat hij aan de werkgever alle inlichtingen verschaft, welke vereist zijn om hem deze loonaangifte mogelijk te maken binnen de reglementaire termijn, en dat hij het bedrag v n de op dat loon verrichte inhoudingen doorgeeft, van zodra zij gedaan zijn.
  (Zo de derde geen gebruik maakt van deze mogelijkheid tot ontlasting deelt hij aan de werkgever, onmiddellijk na de uitbetaling, het brutobedrag mee van het gedeelte van de lonen die door zijn tussenkomst werden betaald.) <KB 1994-03-31/30, art. 5, 0053; Inwerkingtreding : 01-04-1994>
  [1 § 2. § 1 is niet van toepassing op de personen bedoeld bij artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 36. [1 § 1er.]1 Lorsqu'une fraction de la rĂ©munĂ©ration est payĂ©e au travailleur Ă l'intervention d'un tiers, celui-ci est substituĂ© Ă l'employeur pour l'accomplissement de toutes les obligations relatives Ă cette rĂ©munĂ©ration qui incombent Ă cet employeur en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. La prĂ©sente disposition ne s'applique pas Ă la fraction de la rĂ©munĂ©ration qui est constituĂ©e par des pourboires et du service, ni Ă la rĂ©munĂ©ration des jours fĂ©riĂ©s lĂ©gaux que la Caisse nationale des vacances de l'industrie diamantaire paie aux travailleurs de l'industrie diamantaire.
  Pour le calcul des cotisations, cette rémunération est limitée conformément aux dispositions du chapitre II sans qu'il soit tenu compte de la rémunération allouée directement par l'employeur.
  Le tiers est déchargé des obligations qui découlent des dispositions qui précÚdent à condition de fournir à l'employeur tous les renseignements requis pour lui permettre de déclarer dans le délai réglementaire, la rémunération visée et de lui transmettre le montant des retenues dÚs qu'elles ont été effectuées sur cette rémunération.
  (Lorsque le tiers ne fait pas usage de cette possibilité de décharge, il communique à l'employeur, immédiatement aprÚs paiement, le montant brut de la fraction des rémunérations qui ont été payées à son intervention.) <AR 1994-03-31/30, art. 5, 053; En vigueur : 01-04-1994>
  [1 § 2. Le § 1er n'est pas applicable aux personnes visĂ©es Ă l'article 1erbis de loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.]1
 Â
  Pour le calcul des cotisations, cette rémunération est limitée conformément aux dispositions du chapitre II sans qu'il soit tenu compte de la rémunération allouée directement par l'employeur.
  Le tiers est déchargé des obligations qui découlent des dispositions qui précÚdent à condition de fournir à l'employeur tous les renseignements requis pour lui permettre de déclarer dans le délai réglementaire, la rémunération visée et de lui transmettre le montant des retenues dÚs qu'elles ont été effectuées sur cette rémunération.
  (Lorsque le tiers ne fait pas usage de cette possibilité de décharge, il communique à l'employeur, immédiatement aprÚs paiement, le montant brut de la fraction des rémunérations qui ont été payées à son intervention.) <AR 1994-03-31/30, art. 5, 053; En vigueur : 01-04-1994>
  [1 § 2. Le § 1er n'est pas applicable aux personnes visĂ©es Ă l'article 1erbis de loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 37. (Opgeheven) <KB 2001-06-10/61, art. 2, 099; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 37. (Abrogé) <AR 2001-06-10/61, art. 2, 099; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 38. Wanneer een weddetoelage of een aanvulling bij de weddetoelage rechtstreeks door een publiekrechtelijke persoon uitgekeerd wordt aan de werknemers beoogd bij de artikelen 7, §§1 en 2, 8, en 12, treedt die persoon in de plaats van de werkgever voor de vervulling van alle verplichtingen betreffende deze weddetoelage of deze aanvulling bij de weddetoelage welke op die man werkgever rusten in toepassing van dit besluit.
  Deze in de plaatsstelling wordt beperkt tot de verplichting de bijdragen te betalen, ten opzichte van de werknemers die beoogd worden bij de artikelen 7, §1, eerste lid, en 12, §1, eerste lid en niet in vast verband benoemd zijn of gelijkgesteld zijn met de stagiairs (van het Gemeenschapsonderwijs.) <KB 1991-02-15/31, art. 9, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
  Deze in de plaatsstelling wordt beperkt tot de verplichting de bijdragen te betalen, ten opzichte van de werknemers die beoogd worden bij de artikelen 7, §1, eerste lid, en 12, §1, eerste lid en niet in vast verband benoemd zijn of gelijkgesteld zijn met de stagiairs (van het Gemeenschapsonderwijs.) <KB 1991-02-15/31, art. 9, 035; Inwerkingtreding : 17-03-1991>
Art. 38. Lorsqu'une subvention-traitement ou un complĂ©ment de subvention-traitement est payĂ© directement par une personne de droit public aux travailleurs visĂ©s aux articles 7, §§ 1er et2, 8 et 12, cette personne est substituĂ©e Ă l'employeur pour l'accomplissement de toutes les obligations relatives Ă cette subvention traitement ou Ă ce complĂ©ment de subvention-traitement qui incombent Ă cet employeur en application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Cette subvention est toutefois limitée à l'obligation de paiement des cotisations à l'égard des travailleurs qui sont visés aux articles 7, § 1er, alinéa 1er et 12, § 1er, alinéa 1er, et ne sont ni nommés à titre définitif no assimilés aux stagiaires de l'enseignement (de la Communauté.) <AR 1991-02-15/31, art. 9, 035; En vigueur : 17-03-1991>
  Cette subvention est toutefois limitée à l'obligation de paiement des cotisations à l'égard des travailleurs qui sont visés aux articles 7, § 1er, alinéa 1er et 12, § 1er, alinéa 1er, et ne sont ni nommés à titre définitif no assimilés aux stagiaires de l'enseignement (de la Communauté.) <AR 1991-02-15/31, art. 9, 035; En vigueur : 17-03-1991>
Art. 39. De werkgevers van huisarbeiders en van de in artikel 3, 4°, beoogde personen moeten aangifte doen van de helpers die zij tewerkstellen.
  De huisarbeiders en de bij artikel 3, 4° beoogde personen zijn verplicht aan hun werkgever, bij elke loonuitbetaling, de personen kenbaar te maken die hen bij de uitvoering van hun arbeid hebben geholpen en het deel van het gezamelijk loon dat aan ieder van hen toekomt mede te delen. De werkgever houdt rekening met de aldus gedane verklaring voor de berekening van het bedrag van de bijdragen op de respectieve aandelen van het loon van de werknemer en van zijn helpers.
  De huisarbeiders en de bij artikel 3, 4° beoogde personen zijn verplicht aan hun werkgever, bij elke loonuitbetaling, de personen kenbaar te maken die hen bij de uitvoering van hun arbeid hebben geholpen en het deel van het gezamelijk loon dat aan ieder van hen toekomt mede te delen. De werkgever houdt rekening met de aldus gedane verklaring voor de berekening van het bedrag van de bijdragen op de respectieve aandelen van het loon van de werknemer en van zijn helpers.
Art. 39. Il incombe aux employeurs des ouvriers à domicile et des personnes visées à l'article 3, 4°, de déclarer les aides qu'ils occupent au travail.
  Les ouvriers à domicile et les personnes visées à l'article 3, 4°, ont l'obligation de faire connaßtre à leur employeur, lors de chaque paiement de rémunération, les personnes qui les ont aidés dans l'exécution de leur travail et d'indiquer la part de la rémunération globale qui revient à chacune d'elles. L'employeur tient compte de la déclaration ainsi faite pour calculer le montant des cotisations sur les parts respectives de rémunération du travailleur et de ses aides.
  Les ouvriers à domicile et les personnes visées à l'article 3, 4°, ont l'obligation de faire connaßtre à leur employeur, lors de chaque paiement de rémunération, les personnes qui les ont aidés dans l'exécution de leur travail et d'indiquer la part de la rémunération globale qui revient à chacune d'elles. L'employeur tient compte de la déclaration ainsi faite pour calculer le montant des cotisations sur les parts respectives de rémunération du travailleur et de ses aides.
Art. 40. § 1. De inhoudingen op het loon van de gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemers, worden gedaan bij elke uitbetaling op het loon dat niet bestaat uit fooien of bedieningsgeld; in voorkomend geval, word het bedrag ervan aangevuld zoals bij §2 is bepaald.
  § 2. Wanneer het werknemers betreft die geheel bij fooien of bedieningsgeld worden beloond, geschiedt de betaling van de bijdrage van de werknemer als volgt:
  1° Indien de fooien of het bedieningsgeld door tussenkomst van de werkgever worden betaald, wordt de verschuldigde bijdrage ingehouden op het deel van de fooien of van het bedieningsgeld die aan elke werknemer worden betaald. Die inhouding geschiedt ter gelegenheid van elke verdeling van de fooien of van het bedieningsgeld.
  2° Indien de fooien of het bedieningsgeld rechtstreeks door de klant aan de werknemer worden betaald, moet de verschuldigde bijdrage vooraf door de werknemer aan de werkgever worden overhandigd, hetzij wekelijks, wanneer het werknemers betreft die op bestendige wijze bij een werkgever zijn tewerkgesteld, hetzij dagelijks wanneer het werknemers betreft die tussenpozen worden tewerkgesteld.
  § 3. Wanneer de arbeidsovereenkomst van een met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer wordt beëindigd, betaalt de werkgever het gedeelte van de vooraf ontvangen bijdragen dat het definitief verschuldigd bedrag zou overschrijden, terug.
  § 2. Wanneer het werknemers betreft die geheel bij fooien of bedieningsgeld worden beloond, geschiedt de betaling van de bijdrage van de werknemer als volgt:
  1° Indien de fooien of het bedieningsgeld door tussenkomst van de werkgever worden betaald, wordt de verschuldigde bijdrage ingehouden op het deel van de fooien of van het bedieningsgeld die aan elke werknemer worden betaald. Die inhouding geschiedt ter gelegenheid van elke verdeling van de fooien of van het bedieningsgeld.
  2° Indien de fooien of het bedieningsgeld rechtstreeks door de klant aan de werknemer worden betaald, moet de verschuldigde bijdrage vooraf door de werknemer aan de werkgever worden overhandigd, hetzij wekelijks, wanneer het werknemers betreft die op bestendige wijze bij een werkgever zijn tewerkgesteld, hetzij dagelijks wanneer het werknemers betreft die tussenpozen worden tewerkgesteld.
  § 3. Wanneer de arbeidsovereenkomst van een met fooien of bedieningsgeld betaalde werknemer wordt beëindigd, betaalt de werkgever het gedeelte van de vooraf ontvangen bijdragen dat het definitief verschuldigd bedrag zou overschrijden, terug.
Art. 40. § 1er. Les retenues à effectuer sur la rémunération des travailleurs rémunérés partiellement au pourboire ou au service sont prélevées à chaque paie sur la rémunération qui n'est pas constituée par des pourboires ou du service; le cas échéant , leur montant est complété de la maniÚre prévue au § 2.
  § 2. Lorsqu'il s'agit de travailleurs rémunérés totalement au pourboire ou au service, le paiement de la cotisation du travailleur s'effectue de la maniÚre suivante:
  1° Si les pourboires ou le service sont payés par l'entremise de l'employeur, la cotisation due est prélevée sur la part des pourboires ou du service payés à chaque travailleur. Ce prélÚvement est effectué lors de chaque répartition des pourboires ou du service;
  2° Si les pourboires ou le service sont payés au travailleur directement par le client, la cotisation due est remise anticipativement par le travailleur à l'employeur, soit hebdomadairement, s'il s'agit de travailleurs occupés chez l'employeur d'une façon permanente, soit journellement, s'il s'agit d'un travailleur occupés d'une façon intermittente.
  § 3. Lorsque le contrat de travail d'un travailleur rémunéré au pourboire ou au service prend fin, l'employeur rembourse la partie de la cotisation perçue anticipativement qui excéderait le montant définitivement dû.
  § 2. Lorsqu'il s'agit de travailleurs rémunérés totalement au pourboire ou au service, le paiement de la cotisation du travailleur s'effectue de la maniÚre suivante:
  1° Si les pourboires ou le service sont payés par l'entremise de l'employeur, la cotisation due est prélevée sur la part des pourboires ou du service payés à chaque travailleur. Ce prélÚvement est effectué lors de chaque répartition des pourboires ou du service;
  2° Si les pourboires ou le service sont payés au travailleur directement par le client, la cotisation due est remise anticipativement par le travailleur à l'employeur, soit hebdomadairement, s'il s'agit de travailleurs occupés chez l'employeur d'une façon permanente, soit journellement, s'il s'agit d'un travailleur occupés d'une façon intermittente.
  § 3. Lorsque le contrat de travail d'un travailleur rémunéré au pourboire ou au service prend fin, l'employeur rembourse la partie de la cotisation perçue anticipativement qui excéderait le montant définitivement dû.
Art. 40bis. <INGEVOEGD bij W 2005-07-03/46, art. 43 ; ED 01-01-2007> De Rijksdienst kan aan zijn schuldenaars op minnelijke wijze afbetalingstermijnen toestaan, volgens de voorwaarden en modaliteiten vastgelegd door de Koning na het advies van de Beheerscomité, vooraleer tot een dagvaarding voor de rechter over te gaan of door middel van een dwangbevel tewerk te gaan.
Art. 40bis. L'Office peut octroyer amiablement des termes et délais à ses débiteurs, selon les conditions et modalités déterminées par le Roi aprÚs avis du Comité de gestion, avant de citer devant le juge ou de procéder par voie de contrainte
Art. 41bis. [1 De sociale rechten van de gelegenheidswerknemers, bedoeld in artikel 31ter, lid 2, van werkgevers die behoren tot het paritair comité voor het Hotelbedrijf of tot het paritair comité voor de uitzendarbeid, indien de gebruiker ressorteert onder het paritair comité voor het Hotelbedrijf, die gelegenheidswerknemers, worden berekend op het forfaitaire loon voor prestaties die niet bestendig over zes dagen per week verdeeld zijn ongeacht het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel waarop de gelegenheidswerknemer recht zou hebben gehad indien hij was aangegeven conform artikel 25, onder de functie "Kelner(in)", met referentienummer 206C, zoals voorzien in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 april 2007 houdende uitvoering van artikel 25, § 1, eerste en tweede lid van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
  Voor de berekening van de sociale rechten wordt dit forfaitaire loon aan de hand van de gepresteerde uren geproratiseerd op basis van 7,6 uren per dag.]1
 Â
  Voor de berekening van de sociale rechten wordt dit forfaitaire loon aan de hand van de gepresteerde uren geproratiseerd op basis van 7,6 uren per dag.]1
 Â
Art. 41bis. [1 Les droits sociaux des travailleurs occasionnels, au sens de l'article 31ter, alinĂ©a 2, des employeurs ressortissant de la commission paritaire de l'industrie hĂŽteliĂšre ou ressortissant de la commission paritaire pour le travail intĂ©rimaire, lorsque l'utilisateur relĂšve de la commission paritaire de l'industrie hĂŽteliĂšre, sont calculĂ©s sur base de la rĂ©munĂ©ration forfaitaire pour des prestations non rĂ©parties sur 6 jours par semaine et ce, quelque soit le rĂ©gime de travail, Ă laquelle le travailleur occasionnel aurait eu droit s'il avait Ă©tĂ© dĂ©clarĂ© conformĂ©ment Ă l'article 25, sous la fonction Garçon/Serveuse cafĂ©, sous le numĂ©ro de rĂ©fĂ©rence 206C, comme prĂ©vu Ă l'article 2 de l'arrĂȘt ministĂ©riel du 30 avril 2007 portant exĂ©cution de l'article 25, § 1er, alinĂ©as 1er et 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.
  Pour le calcul des droits, cette rémunération forfaitaire est proratisée selon les heures prestées sur base de 7,6 heures par jour.]1
 Â
  Pour le calcul des droits, cette rémunération forfaitaire est proratisée selon les heures prestées sur base de 7,6 heures par jour.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 42. <KB 15-01-1971, art. 6> De bijdragen die verschuldigd zijn voor de leerlingen, wier leerovereenkomst onder het toezicht van het Nationaal Paritair Comité voor de diamantnijverheid en -handel is afgesloten, worden aangegeven en betaald aan de Rijksverlofkas voor de diamantnijverheid, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 januari 1971, tot vaststelling van bijzondere modaliteiten van toepassing voor de werkgevers en handarbeiders van de diamantnijverheid en -handel, van de wetgeving betreffende het jaarlijks verlof der loonarbeiders.
Art. 42. <AR 15-01-1971, art. 6> Les cotisations dues pour les apprentis dont le contrat d'apprentissage est conclu sous la contrĂŽle de la Commission paritaire nationale de l'industrie et du commerce du diamant sont dĂ©clarĂ©es et payĂ©es Ă la Caisse nationale de vacances pour l'industrie diamantaire conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1971 dĂ©terminant les modalitĂ©s spĂ©ciales d'application aux employeurs et aux travailleurs de l'industrie et du commerce du diamant, de la lĂ©gislation relative aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s.
Art. 42bis. <INGEVOEGD bij KB 2003-03-18/32, art. 4; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De persoonlijke bijdragen van de werknemers bedoeld in artikel 3, 9°, worden door de erkende dienst ingehouden op de vergoedingen waarop ze recht hebben ten laste van de Gemeenschap waarin ze werken overeenkomstig ofwel het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 29 maart 1993 houdende algemene reglementering inzake opvangvoorzieningen gesubsidieerd door de "Office de la Naissance et de l'Enfance" (Dienst voor Geboorte en Kinderwelzijn), ofwel het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 2001 houdende de voorwaarden inzake erkenning en subsidiëring van kinderdagverblijven en diensten voor opvanggezinnen, ofwel het besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap van 24 juni 1999 betreffende de opvang van jonge kinderen.
Art. 42bis. Les cotisations personnelles des travailleurs visĂ©s Ă l'article 3, 9° sont retenues par le service agréé sur les indemnitĂ©s auxquelles ils ont droit Ă charge de la CommunautĂ© dans laquelle ils travaillent conformĂ©ment soit Ă l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la CommunautĂ© française du 29 mars 1993 portant rĂ©glementation gĂ©nĂ©rale des milieux d'accueil subventionnĂ©s par l'Office de la Naissance et de l'Enfance, soit de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 fĂ©vrier 2001 fixant les conditions d'agrĂ©ment et de subventionnent des crĂšches et des services pour familles d'accueil, soit de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la CommunautĂ© germanophone du 24 juin 1999 relatif Ă l'accueil des jeunes enfants.
Art. 43. (De bijdragen van de bij [1 artikel 1quater van de wet]1 beoogde werknemers worden per kwartaal voorafgaandelijk door de werknemers aan de werkgever overhandigd.) <KB 30-06-1972, art. 1> <KB 1985-08-12/41, art. 6, 012>
  In voorkomend geval, betaalt de werkgever de niet verschuldigde bijdragen terug.
 Â
  In voorkomend geval, betaalt de werkgever de niet verschuldigde bijdragen terug.
 Â
Wijzigingen
Art. 43. (Les cotisations des travailleurs visés à [1 l'article 1quater de la loi ]1 sont remises anticipativement chaque trimestre par le travailleur à l'employeur) <AR 30-06-1972, art.1> <AR 1985-08-12/41, art. 6, 012>
  Le cas échéant, l'employeur rembourse le montant des cotisations qui ne sont pas dues.
 Â
  Le cas échéant, l'employeur rembourse le montant des cotisations qui ne sont pas dues.
 Â
Wijzigingen
Afdeling 3.
Section 3.
Art. 43septies. (opgeheven) <KB 20-03-1979>
Art. 43septies. (abrogé) <AR 20-03-1979>
Afdeling 4. Minnelijke invordering.
Section 4. Recouvrement amiable.
Onderafdeling 1. - Voorwaarden.
Sous-section 1re. - Conditions.
Art. 43octies. [1 De Rijksdienst kan een of meer afbetalingsplan(nen) verlenen, bestaande uit minnelijke afbetalingstermijnen verleend aan werkgevers-schuldenaars die hiertoe een aanvraag doen, voor zover deze betrekking heeft op de totale vervallen schuld op de datum waarop het verzoek wordt ingediend, of op een te vervallen schuld waarvan de RSZ het bedrag in bijdragen kent.
  Overeenkomstig artikel 40bis van de wet van 27 juni 1969 en in afwijking van het eerste lid, zijn de vervallen schulden die reeds het voorwerp uitmaken van rechtsvervolgingen of invordering door middel van dwangbevel door de Rijksdienst echter uitgesloten uit de mogelijkheid om een afbetalingsplan te verkrijgen.]1
 Â
  Overeenkomstig artikel 40bis van de wet van 27 juni 1969 en in afwijking van het eerste lid, zijn de vervallen schulden die reeds het voorwerp uitmaken van rechtsvervolgingen of invordering door middel van dwangbevel door de Rijksdienst echter uitgesloten uit de mogelijkheid om een afbetalingsplan te verkrijgen.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 43octies. [1 L'Office peut octroyer un ou des plan(s) d'apurement, consistant en des termes et délais amiablement octroyés aux employeurs débiteurs qui en font la demande, dÚs lors que celle-ci porte sur toute la dette échue à la date à laquelle la demande est introduite ou sur une dette à échoir dont le montant en cotisations est connu par l'ONSS.
  Conformément à l'article 40bis de la loi du 27 juin 1969 et par dérogation à l'alinéa 1er, sont cependant exclues de la possibilité d'obtention d'un plan d'apurement les dettes échues faisant déjà l'objet de poursuites judiciaires ou de recouvrement par voie de contrainte par l'Office.]1
 Â
  Conformément à l'article 40bis de la loi du 27 juin 1969 et par dérogation à l'alinéa 1er, sont cependant exclues de la possibilité d'obtention d'un plan d'apurement les dettes échues faisant déjà l'objet de poursuites judiciaires ou de recouvrement par voie de contrainte par l'Office.]1
 Â
Wijzigingen
Onderafdeling 2. - Modaliteiten.
Sous-section 2. - Modalités.
Art. 43decies. [1 § 1. Het afbetalingsplan bedoeld in artikel 43octies overschrijdt niet twaalf maandelijkse afbetalingen.
  Ze kunnen nochtans worden uitgebreid tot vierentwintig maandelijkse afbetalingen wanneer de werkgever aantoont met behulp van alle elementen en/of documenten gevraagd door de Rijksdienst dat het toestaan van een termijn van meer dan twaalf maandelijke afbetalingen het enige middel is om zijn schuld te kunnen aanzuiveren met betrekking tot van de levensvatbaarheid van de onderneming.
  In de hypothese bedoeld in het tweede lid, maakt het verzoek van de werkgever het voorwerp uit van een diepgaande financiële analyse op basis van boekhoudkundige en financiële documenten van de onderneming alsook op basis van enig ander bewijsstuk met betrekking tot de levensvatbaarheid van deze werkgever.
  § 2. De Rijksdienst berekent de maandelijkse betalingen op een schuld die bepaald is rekening houdend met de toepasselijke burgerrechtelijke sancties en een berekening van de interesten, op een hele euro naar boven afgerond, waarbij wordt vooruitgelopen op de in het afbetalingsplan voorziene vereffening van de bijdrageschuld.
  Het plan voorziet steeds in een eerste onmiddellijke betaling, ten laatste binnen de tien dagen na de vermoedelijke datum van ontvangst van het afbetalingsplan.
  Het toezicht op de naleving van het afbetalingsplan door de werkgever vindt een keer per maand plaats en houdt rekening met overeengekomen vervaldata.
  § 3. Het afbetalingsplan wordt verzonden bij aangetekende brief en heeft uitwerking de derde werkdag na de datum van verzending, tenzij de geadresseerde het bewijs levert van het feit dat hij de aangetekende brief na deze termijn van 3 dagen heeft ontvangen in welk geval deze nieuwe datum in aanmerking wordt genomen.]1
 Â
  Ze kunnen nochtans worden uitgebreid tot vierentwintig maandelijkse afbetalingen wanneer de werkgever aantoont met behulp van alle elementen en/of documenten gevraagd door de Rijksdienst dat het toestaan van een termijn van meer dan twaalf maandelijke afbetalingen het enige middel is om zijn schuld te kunnen aanzuiveren met betrekking tot van de levensvatbaarheid van de onderneming.
  In de hypothese bedoeld in het tweede lid, maakt het verzoek van de werkgever het voorwerp uit van een diepgaande financiële analyse op basis van boekhoudkundige en financiële documenten van de onderneming alsook op basis van enig ander bewijsstuk met betrekking tot de levensvatbaarheid van deze werkgever.
  § 2. De Rijksdienst berekent de maandelijkse betalingen op een schuld die bepaald is rekening houdend met de toepasselijke burgerrechtelijke sancties en een berekening van de interesten, op een hele euro naar boven afgerond, waarbij wordt vooruitgelopen op de in het afbetalingsplan voorziene vereffening van de bijdrageschuld.
  Het plan voorziet steeds in een eerste onmiddellijke betaling, ten laatste binnen de tien dagen na de vermoedelijke datum van ontvangst van het afbetalingsplan.
  Het toezicht op de naleving van het afbetalingsplan door de werkgever vindt een keer per maand plaats en houdt rekening met overeengekomen vervaldata.
  § 3. Het afbetalingsplan wordt verzonden bij aangetekende brief en heeft uitwerking de derde werkdag na de datum van verzending, tenzij de geadresseerde het bewijs levert van het feit dat hij de aangetekende brief na deze termijn van 3 dagen heeft ontvangen in welk geval deze nieuwe datum in aanmerking wordt genomen.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 43decies. [1 § 1er. Le plan d'apurement visé à l'article 43octies ne dépasse pas douze mensualités.
  Elles peuvent cependant s'étendre jusqu'à vingt-quatre mensualités lorsque l'employeur démontre à l'aide de tous les éléments et/ou documents sollicités par l'Office que l'octroi d'un délai supérieur à douze mensualités est l'unique moyen de pouvoir apurer sa dette tout en maintenant la viabilité de son entreprise.
  Dans l'hypothĂšse visĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, la requĂȘte de l'employeur fait l'objet d'une analyse financiĂšre approfondie sur base des documents comptables et financiers de l'entreprise ainsi que de tout document probant quant Ă la viabilitĂ© de celle-ci.
  § 2. L'Office calcule les paiements mensuels sur une dette Ă©tablie compte tenu des sanctions civiles applicables et d'un calcul des intĂ©rĂȘts, arrondi Ă l'euro supĂ©rieur, anticipant l'apurement de la dette en cotisations prĂ©vu dans le plan d'apurement.
  Le plan prévoit toujours un premier paiement immédiat, au plus tard dans les dix jours qui suivent la date présumée de réception du plan de paiement.
  La surveillance du respect d'un plan de paiement par l'employeur a lieu une fois par mois et tient compte des échéances convenues.
  § 3. Le plan d'apurement est envoyé par lettre recommandée et sort ses effets le 3e jour ouvrable suivant la date de son expédition, sauf si le destinataire apporte la preuve du fait qu'il a reçu l'envoi recommandé aprÚs ce délai de 3 jours auquel cas cette nouvelle date sera prise en compte.]1
 Â
  Elles peuvent cependant s'étendre jusqu'à vingt-quatre mensualités lorsque l'employeur démontre à l'aide de tous les éléments et/ou documents sollicités par l'Office que l'octroi d'un délai supérieur à douze mensualités est l'unique moyen de pouvoir apurer sa dette tout en maintenant la viabilité de son entreprise.
  Dans l'hypothĂšse visĂ©e Ă l'alinĂ©a 2, la requĂȘte de l'employeur fait l'objet d'une analyse financiĂšre approfondie sur base des documents comptables et financiers de l'entreprise ainsi que de tout document probant quant Ă la viabilitĂ© de celle-ci.
  § 2. L'Office calcule les paiements mensuels sur une dette Ă©tablie compte tenu des sanctions civiles applicables et d'un calcul des intĂ©rĂȘts, arrondi Ă l'euro supĂ©rieur, anticipant l'apurement de la dette en cotisations prĂ©vu dans le plan d'apurement.
  Le plan prévoit toujours un premier paiement immédiat, au plus tard dans les dix jours qui suivent la date présumée de réception du plan de paiement.
  La surveillance du respect d'un plan de paiement par l'employeur a lieu une fois par mois et tient compte des échéances convenues.
  § 3. Le plan d'apurement est envoyé par lettre recommandée et sort ses effets le 3e jour ouvrable suivant la date de son expédition, sauf si le destinataire apporte la preuve du fait qu'il a reçu l'envoi recommandé aprÚs ce délai de 3 jours auquel cas cette nouvelle date sera prise en compte.]1
 Â
Wijzigingen
Afdeling 5. - [1 Ambtshalve afhouding]1
Section 5. - [1 PrélÚvement d'office]1
Art. 43undecies. [1 Onverminderd het koninklijk besluit nr. 201 van 25 juli 1983 houdende maatregelen om op correcte wijze de inning te verzekeren van de bedrijfsvoorheffing, is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gemachtigd om ambtshalve bij Belfius Bank, Bank BNP Paribas Fortis, Bpost bank en de Nationale Bank van België het opeisbaar bedrag van zijn schuldvordering ten opzichte van de provinciale en plaatselijke besturen geheel of ten dele af te houden.
  Alvorens de afhouding ambtshalve te verrichten, maant de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het provinciaal of plaatselijk bestuur per aangetekende brief aan, om uiterlijk de 10e dag na ontvangst van de aanmaning ofwel zijn schuld te voldoen, ofwel zijn bezwaar te doen kennen in verband met de gegrondheid van de vordering.
  Het bezwaar dient bij aangetekende brief ingediend te worden bij de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
  Binnen de 60 dagen na ontvangst ervan beslist het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid over de ontvankelijkheid en gegrondheid van het bezwaar.]1
 Â
  Alvorens de afhouding ambtshalve te verrichten, maant de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het provinciaal of plaatselijk bestuur per aangetekende brief aan, om uiterlijk de 10e dag na ontvangst van de aanmaning ofwel zijn schuld te voldoen, ofwel zijn bezwaar te doen kennen in verband met de gegrondheid van de vordering.
  Het bezwaar dient bij aangetekende brief ingediend te worden bij de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
  Binnen de 60 dagen na ontvangst ervan beslist het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid over de ontvankelijkheid en gegrondheid van het bezwaar.]1
 Â
Art. 43undecies. [1 Sans prĂ©judice de l'arrĂȘtĂ© royal n° 201 du 25 juillet 1983 instaurant des mesures en vue d'assurer la perception correcte du prĂ©compte professionnel, l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale est autorisĂ© Ă prĂ©lever d'office auprĂšs de Belfius Banque, Banque BNP Paribas Fortis, Bpost banque et la Banque Nationale de Belgique, l'ensemble ou une partie du montant exigible de sa crĂ©ance vis-Ă -vis des administrations provinciales et locales.
  Avant d'effectuer le prĂ©lĂšvement d'office, l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale somme l'administration provinciale ou locale, par lettre recommandĂ©e, soit d'acquitter au plus tard le 10Ăšme jour de la rĂ©ception de la sommation sa dette, soit de faire connaĂźtre ses objections en fonction du bien-fondĂ© de la crĂ©ance dans le mĂȘme dĂ©lai.
  La rĂ©clamation doit ĂȘtre introduite par lettre recommandĂ©e adressĂ©e Ă l'administrateur gĂ©nĂ©ral de l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale.
  Dans les 60 jours de la réception de celle-ci, le Comité de gestion de l'Office national de sécurité sociale décide de la recevabilité et du bien-fondé de la réclamation.]1
 Â
  Avant d'effectuer le prĂ©lĂšvement d'office, l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale somme l'administration provinciale ou locale, par lettre recommandĂ©e, soit d'acquitter au plus tard le 10Ăšme jour de la rĂ©ception de la sommation sa dette, soit de faire connaĂźtre ses objections en fonction du bien-fondĂ© de la crĂ©ance dans le mĂȘme dĂ©lai.
  La rĂ©clamation doit ĂȘtre introduite par lettre recommandĂ©e adressĂ©e Ă l'administrateur gĂ©nĂ©ral de l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale.
  Dans les 60 jours de la réception de celle-ci, le Comité de gestion de l'Office national de sécurité sociale décide de la recevabilité et du bien-fondé de la réclamation.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 43duodecies. [1 duodecies. De afhouding gebeurt van ambtswege, zonder formaliteiten, op eenvoudig verzoek van de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van zijn adjunct of van de persoon die hij aanwijst.]1
 Â
 Â
Art. 43duodecies. [1 Le prélÚvement a lieu d'office, sans formalités, sur simple demande de l'administrateur général de l'Office national de sécurité sociale, de son adjoint ou de la personne qu'il désigne.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
HOOFDSTUK IV. - (Sociale secretariaten van werkgevers).
CHAPITRE IV. - (Secrétariats sociaux d'employeurs).
Afdeling 1. - (Erkenning).
Section 1. - (Agrément).
Art. 44. <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998> § 1. [1 Om te worden erkend, wat aan het sociaal secretariaat het exclusieve recht verleent de sociale bijdragen van zijn leden te innen met het oog op doorstorting, uitsluitend op girale wijze, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met toepassing van artikel 27, § § 1 en 2 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers, moet het sociaal secretariaat:]1
  1° opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 [1 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen]1 en uitsluitend tot doel hebben in naam en voor rekening van zijn aangeslotenen de wettelijke en reglementaire formaliteiten te vervullen waartoe deze in hun hoedanigheid van werkgevers gehouden zijn, alsmede het verlenen van de nodige informatie en bijstand ter zake;
  2° (onder de stichtende leden een representatieve werkgeversorganisatie tellen die een niet winstgevend doel nastreeft; onder representatieve werkgeversorganisatie wordt verstaan de interprofessionele of professionele organisaties van werkgevers bedoeld in artikel 3, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, alsmede de interprofessionele organisaties die werkzaam zijn op gewestelijk of gemeenschapsniveau en die vertegenwoordigd zijn in de Sociaal-economische Raad van Vlaanderen, de Economische en Sociale Raad van het Waalse Gewest, de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Deze representatieve werkgeversorganisatie moet in de Raad van bestuur van het sociaal secretariaat ten minste twee vertegenwoordigers tellen;) <KB 1999-02-02/40, art. 1, 081; Inwerkingtreding : 01-10-1998>
  3° ofwel ten minste driehonderd aangesloten werkgevers groeperen ofwel minste honderd aangesloten werkgevers groeperen die samen ten minste vijfduizend werknemers in dienst hebben.
  § 2. De sociale secretariaten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van onderhavig besluit sedert ten minste 10 jaar een erkenning hebben bekomen, worden geacht onder de stichtende leden een interprofessionele of professionele organisatie te tellen in de zin van § 1, 2°.
 Â
  1° opgericht zijn in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 [1 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen]1 en uitsluitend tot doel hebben in naam en voor rekening van zijn aangeslotenen de wettelijke en reglementaire formaliteiten te vervullen waartoe deze in hun hoedanigheid van werkgevers gehouden zijn, alsmede het verlenen van de nodige informatie en bijstand ter zake;
  2° (onder de stichtende leden een representatieve werkgeversorganisatie tellen die een niet winstgevend doel nastreeft; onder representatieve werkgeversorganisatie wordt verstaan de interprofessionele of professionele organisaties van werkgevers bedoeld in artikel 3, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, alsmede de interprofessionele organisaties die werkzaam zijn op gewestelijk of gemeenschapsniveau en die vertegenwoordigd zijn in de Sociaal-economische Raad van Vlaanderen, de Economische en Sociale Raad van het Waalse Gewest, de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
  Deze representatieve werkgeversorganisatie moet in de Raad van bestuur van het sociaal secretariaat ten minste twee vertegenwoordigers tellen;) <KB 1999-02-02/40, art. 1, 081; Inwerkingtreding : 01-10-1998>
  3° ofwel ten minste driehonderd aangesloten werkgevers groeperen ofwel minste honderd aangesloten werkgevers groeperen die samen ten minste vijfduizend werknemers in dienst hebben.
  § 2. De sociale secretariaten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van onderhavig besluit sedert ten minste 10 jaar een erkenning hebben bekomen, worden geacht onder de stichtende leden een interprofessionele of professionele organisatie te tellen in de zin van § 1, 2°.
 Â
Wijzigingen
Art. 44. <AR 1998-07-20/35, art. 1, 076; En vigueur : 01-10-1998> § 1er. [1 Pour ĂȘtre agréé, ce qui lui confĂšre le droit exclusif de percevoir les cotisations sociales de ses affiliĂ©s en vue de leur versement, uniquement de maniĂšre scripturale, Ă l'Office National de SĂ©curitĂ© Sociale en application de l'article 27, § § 1 et 2 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, le secrĂ©tariat social doit :]1
  1° ĂȘtre constituĂ© sous forme d'association sans but lucratif, conformĂ©ment Ă la loi du 27 juin 1921 [1 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations]1 et ne poursuivre d'autre but que celui de remplir, au nom et pour le compte de ses affiliĂ©s, les formalitĂ©s lĂ©gales et rĂ©glementaires auxquelles ils sont tenus en leur qualitĂ© d'employeur ainsi que de dispenser les informations et l'assistance y affĂ©rentes;
  2° (compter parmi ses membres fondateurs une organisation représentative d'employeurs qui poursuit un but non lucratif; il y a lieu d'entendre par organisation représentative d'employeurs, les organisations interprofessionnelles ou professionnelles d'employeurs visées à l'article 3 de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, ainsi que les organisations interprofessionnelles actives au niveau régional ou communautaire et représentées au sein du Conseil socio-économique de la Flandre, du Conseil économique et social de la Région wallonne, du Conseil économique et social de la Région de Bruxelles-Capitale.
  Cette organisation représentative d'employeurs doit comporter au moins deux représentants dans le Conseil d'administration du secrétariat social;) <AR 1999-02-02/40, art. 1, 081; En vigueur : 01-10-1998>
  3° grouper soit au moins trois cents employeurs affiliés, soit au moins cent employeurs affiliés occupant ensemble au moins cinq mille travailleurs.
  § 2. Les secrĂ©tariats sociaux qui au moment de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ont obtenu leur agrĂ©ment depuis au moins 10 ans, sont censĂ©s compter parmi les membres fondateurs, une organisation interprofessionnelle ou professionnelle au sens du § 1er, 2°.
 Â
  1° ĂȘtre constituĂ© sous forme d'association sans but lucratif, conformĂ©ment Ă la loi du 27 juin 1921 [1 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations]1 et ne poursuivre d'autre but que celui de remplir, au nom et pour le compte de ses affiliĂ©s, les formalitĂ©s lĂ©gales et rĂ©glementaires auxquelles ils sont tenus en leur qualitĂ© d'employeur ainsi que de dispenser les informations et l'assistance y affĂ©rentes;
  2° (compter parmi ses membres fondateurs une organisation représentative d'employeurs qui poursuit un but non lucratif; il y a lieu d'entendre par organisation représentative d'employeurs, les organisations interprofessionnelles ou professionnelles d'employeurs visées à l'article 3 de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, ainsi que les organisations interprofessionnelles actives au niveau régional ou communautaire et représentées au sein du Conseil socio-économique de la Flandre, du Conseil économique et social de la Région wallonne, du Conseil économique et social de la Région de Bruxelles-Capitale.
  Cette organisation représentative d'employeurs doit comporter au moins deux représentants dans le Conseil d'administration du secrétariat social;) <AR 1999-02-02/40, art. 1, 081; En vigueur : 01-10-1998>
  3° grouper soit au moins trois cents employeurs affiliés, soit au moins cent employeurs affiliés occupant ensemble au moins cinq mille travailleurs.
  § 2. Les secrĂ©tariats sociaux qui au moment de l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ont obtenu leur agrĂ©ment depuis au moins 10 ans, sont censĂ©s compter parmi les membres fondateurs, une organisation interprofessionnelle ou professionnelle au sens du § 1er, 2°.
 Â
Wijzigingen
Art. 45. <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998> [2 De aanvraag om erkenning wordt gericht tot de Minister van Sociale Zaken, die erover beslist, op grond van een verslag van de Algemene Directie van de Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]2. Het vermelde verslag bevat onder andere een advies betreffende de erkenning van het betrokken sociaal secretariaat.
  Bij de aanvraag worden de volgende stukken in twee exemplaren gevoegd : de statuten van de vereniging, de samenstelling van de raad van bestuur en de lijst van de aangesloten werkgevers, waarbij voor ieder van hen het stamnummer bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt aangegeven, het adres van de werkgever, en het aantal werknemers dat hij gewoonlijk tewerkstelt.
 Â
  Bij de aanvraag worden de volgende stukken in twee exemplaren gevoegd : de statuten van de vereniging, de samenstelling van de raad van bestuur en de lijst van de aangesloten werkgevers, waarbij voor ieder van hen het stamnummer bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt aangegeven, het adres van de werkgever, en het aantal werknemers dat hij gewoonlijk tewerkstelt.
 Â
Art. 45. <AR 1998-07-20/35, art. 1, 076; En vigueur : 01-10-1998> [2 La demande d'agrĂ©ment est adressĂ©e au Ministre des Affaires sociales, qui dĂ©cide des suites Ă donner Ă la requĂȘte, sur base d'un rapport de la Direction gĂ©nĂ©rale des Services d'inspection de l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale]2. Ledit rapport comprend notamment un avis concernant l'agrĂ©ment du secrĂ©tariat social concernĂ©.
  La demande est accompagnée des documents suivants établis en double exemplaires : statuts de l'association, composition du conseil d'administration et liste des employeurs affiliés avec indication pour chacun d'eux du numéro d'immatriculation à l'Office national de sécurité sociale, de l'adresse de l'employeur et du nombre de travailleurs qu'il occupe normalement.
 Â
  La demande est accompagnée des documents suivants établis en double exemplaires : statuts de l'association, composition du conseil d'administration et liste des employeurs affiliés avec indication pour chacun d'eux du numéro d'immatriculation à l'Office national de sécurité sociale, de l'adresse de l'employeur et du nombre de travailleurs qu'il occupe normalement.
 Â
Art. 47. <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998> De ministeriële besluiten waarbij de erkenning wordt verleend of ingetrokken, worden bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het Belgisch Staatsblad maakt eveneens, in de loop van het vierde kwartaal van elk jaar, de volledige lijst van de erkende sociale secretariaten bekend.
Art. 47. <AR 1998-07-20/35, art. 1, 076; En vigueur : 01-10-1998> Les arrĂȘtĂ©s ministĂ©riels accordant ou retirant l'agrĂ©ment sont publiĂ©s par extrait au Moniteur belge. La liste complĂšte des secrĂ©tariats sociaux agréés est Ă©galement publiĂ©e au Moniteur belge au cours du quatriĂšme trimestre de chaque annĂ©e.
Afdeling 2. - (Verplichtingen).
Section 2. - (Obligations).
Art. 48. <KB 2006-07-01/70, art. 48, 130; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. Het erkend sociaal secretariaat is ertoe gehouden :
  1° de representatieve werkgeversorganisatie die als stichtend lid is opgetreden krachtens artikel 44, § 1, 2°, of in voorkomend geval de professionele of interprofessionele organisatie van werkgevers die is opgetreden als stichtend lid van een sociaal secretariaat bedoeld bij artikel 44, § 2 die ophoudt lid te zijn van het erkend sociaal secretariaat als stichtende werkgeversorganisatie, te vervangen door een andere vereniging die aan de vereiste voorwaarden voldoet en vertegenwoordigd moet worden in de raad van bestuur van het sociaal secretariaat door ten minste twee vertegenwoordigers;
  2° bij de Nationale Bank van België of bij de Deposito- en Consignatiekas een waarborg te storten ten belope van een bedrag van :
  - 37 184,03 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal minder dan 3 000 werknemers tewerkstellen;
  - 49 578,70 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 3 000 tot 4 999 werknemers tewerkstellen;
  - 74 368,06 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 5 000 tot 9 999 werknemers tewerkstellen;
  - 99 157,41 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 10 000 tot 14 999 werknemers tewerkstellen;
  - 123 946,76 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 15 000 tot 19 999 werknemers tewerkstellen;
  - 185 920,14 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal ten minste 20 000 werknemers tewerkstellen.
  Het bedrag van de waarborgsom moet elk jaar op 1 januari aangepast worden in functie van het aantal werknemers door de aangesloten werkgevers tewerkgesteld op 30 juni van het vorige jaar.
  De waarborgsom moet in Belgische waarden gevestigd worden. Deze waarden worden gewaardeerd volgens de prijscourant die op last van de regering wordt uitgegeven. De te hanteren prijscourant is deze welke werd bekendgemaakt in de maand december voorafgaand aan de aanpassingsdatum.
  De waarborgsom is bestemd tot gehele of gedeeltelijke dekking van de schuldvorderingen welke bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers zouden kunnen laten gelden uit hoofde van de schade die zij hebben geleden als gevolg van het niet overdragen of betalen, door deze instelling, van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bedragen. Zij mag enkel daartoe worden aangewend op vertoon van een door de [1 Minister tot wiens bevoegdheid de sociale zaken behoren]1 verleende machtiging of van de expeditie van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest;
  3° [1 voor ieder van de aangesloten werkgevers, op een plaats in België, een volledig dossier betreffende de toepassing van de sociale wetten samen te stellen en bij te houden voor het geheel van het personeel van de aangesloten werkgevers en dat toelaat de juistheid van de aangiften na te gaan en waarvan de ambtenaren en beambten beoogd bij artikel 31 van de wet inzage kunnen nemen; de inhoud van dit dossier wordt bekendgemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten;]1
  4° zich verzekeren van de medewerking van een erkende bedrijfsrevisor die onafhankelijk handelt ten aanzien van het sociaal secretariaat en van diens organen; deze bedrijfsrevisor oefent toezicht uit op de goede afhandeling van alle financiële verrichtingen van het sociaal secretariaat [1 zoals omschreven door § 2, lid 2 van dit artikel]1;
  5° de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kennis te geven van het deel van zijn boekhoudkundig plan dat betrekking heeft op de boeking van de verrichtingen in het raam van de sociale zekerheidswetgeving.
  6° zich [1 binnen een redelijke termijn na de bekendmaking]1 te schikken naar de onderrichtingen van de betrokken administraties, waarbij deze hun betrekkingen met het sociaal secretariaat en het beheer van de lopende rekeningen van de werkgevers bepalen;
  7° op alle akten, rekeningen, aankondigingen, publicaties en andere afgeleverde stukken zijn sociale benaming te vermelden voorafgegaan of gevolgd door de aanduiding [1 "Vereniging zonder winstoogmerk - Sociaal Secretariaat of afgekort VZW - Sociaal Secretariaat"]1, alsmede het erkenningsnummer en de datum van het ministerieel besluit dat de erkenning verleent;
  8° [1 zich te schikken naar de onderrichtingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de sociale secretariaten aangaande de producten die toegelaten zijn voor de tijdelijke belegging van de sociale bijdragen. Het sociaal secretariaat bezorgt elk kwartaal een rapportering aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en aan de bedrijfsrevisor over de belegging van derdengelden. De modaliteiten van de rapportering worden bekendgemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten;]1
  9° [1 [2 de Algemene Directie van de Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]2 [2 ...]2 kennis te geven van het einde van het mandaat van de werkgever, ongeacht de redendaarvan, overeenkomstig artikel 31ter, § 3, 4°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, na de kennisname door het sociaal secretariaat van de beëindiging van het mandaat en uiterlijk 15 dagen voor het effectieve einde van hetmandaat, voor zover de opzegging aan hem betekend werd;]1
  10° op aanvraag, aan de RSZ-inspectie [2 ...]2 de volledige jaarrekening voor te leggen.
  § 2. De erkende sociale secretariaten zijn verplicht een boekhouding te voeren en een jaarrekening op te stellen volgens de principes van de wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen van 17 juli 1975. De rekeningenklassen 1 tot 7 geven de gewone bedrijfsvoering van het [1 ...]1 sociaal secretariaat weer met balans en resultaatrekening.
  De erkende sociale secretariaten zijn verplicht hun rekeningsstelsel zo in te delen dat het deel van hun rekeningsstelsel dat betrekking heeft op de boeking van de verrichtingen van hun aangesloten leden ten opzichte van de Overheid ten allen tijde kan gecontroleerd worden door de bevoegde ambtenaren. Met dit doel moeten de volgende rekeningen worden opgemaakt :
  KLASSE 4 REKENINGEN VORDERINGEN SCHULDEN OP TEN HOOGSTE 1 JAAR
  400. Aangeslotenen
  460. Goedgekeurde betalingen
  461. Voorziene betalingen RSZ
  462. Voorziene betalingen BV
  463. Voorziene betalingen Sociale Fondsen
  4800. Toe te wijzen stortingen
  KLASSE 5 FINANCIELE REKENINGEN
  52 Termijnrekeningen op ten hoogste één maand
  55 Kredietinstellingen
  KLASSE 7 OPBRENGSTREKENINGEN
  700. Beheersbijdragen
  KLASSE 9 ORDERREKENINGEN
  9010. Aangeslotenen : gefactureerde bedragen
  931. RSZ-bijdragen
  932. Bedrijfsvoorheffing
  934. Sociale Fondsen
  939 Beheersbijdragen
  9100. Stortingen aangeslotenen
  9210. Aangeslotenen : toe te wijzen stortingen.
 Â
  1° de representatieve werkgeversorganisatie die als stichtend lid is opgetreden krachtens artikel 44, § 1, 2°, of in voorkomend geval de professionele of interprofessionele organisatie van werkgevers die is opgetreden als stichtend lid van een sociaal secretariaat bedoeld bij artikel 44, § 2 die ophoudt lid te zijn van het erkend sociaal secretariaat als stichtende werkgeversorganisatie, te vervangen door een andere vereniging die aan de vereiste voorwaarden voldoet en vertegenwoordigd moet worden in de raad van bestuur van het sociaal secretariaat door ten minste twee vertegenwoordigers;
  2° bij de Nationale Bank van België of bij de Deposito- en Consignatiekas een waarborg te storten ten belope van een bedrag van :
  - 37 184,03 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal minder dan 3 000 werknemers tewerkstellen;
  - 49 578,70 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 3 000 tot 4 999 werknemers tewerkstellen;
  - 74 368,06 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 5 000 tot 9 999 werknemers tewerkstellen;
  - 99 157,41 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 10 000 tot 14 999 werknemers tewerkstellen;
  - 123 946,76 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal van 15 000 tot 19 999 werknemers tewerkstellen;
  - 185 920,14 EUR wanneer de bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers in totaal ten minste 20 000 werknemers tewerkstellen.
  Het bedrag van de waarborgsom moet elk jaar op 1 januari aangepast worden in functie van het aantal werknemers door de aangesloten werkgevers tewerkgesteld op 30 juni van het vorige jaar.
  De waarborgsom moet in Belgische waarden gevestigd worden. Deze waarden worden gewaardeerd volgens de prijscourant die op last van de regering wordt uitgegeven. De te hanteren prijscourant is deze welke werd bekendgemaakt in de maand december voorafgaand aan de aanpassingsdatum.
  De waarborgsom is bestemd tot gehele of gedeeltelijke dekking van de schuldvorderingen welke bij het sociaal secretariaat aangesloten werkgevers zouden kunnen laten gelden uit hoofde van de schade die zij hebben geleden als gevolg van het niet overdragen of betalen, door deze instelling, van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bedragen. Zij mag enkel daartoe worden aangewend op vertoon van een door de [1 Minister tot wiens bevoegdheid de sociale zaken behoren]1 verleende machtiging of van de expeditie van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest;
  3° [1 voor ieder van de aangesloten werkgevers, op een plaats in België, een volledig dossier betreffende de toepassing van de sociale wetten samen te stellen en bij te houden voor het geheel van het personeel van de aangesloten werkgevers en dat toelaat de juistheid van de aangiften na te gaan en waarvan de ambtenaren en beambten beoogd bij artikel 31 van de wet inzage kunnen nemen; de inhoud van dit dossier wordt bekendgemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten;]1
  4° zich verzekeren van de medewerking van een erkende bedrijfsrevisor die onafhankelijk handelt ten aanzien van het sociaal secretariaat en van diens organen; deze bedrijfsrevisor oefent toezicht uit op de goede afhandeling van alle financiële verrichtingen van het sociaal secretariaat [1 zoals omschreven door § 2, lid 2 van dit artikel]1;
  5° de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kennis te geven van het deel van zijn boekhoudkundig plan dat betrekking heeft op de boeking van de verrichtingen in het raam van de sociale zekerheidswetgeving.
  6° zich [1 binnen een redelijke termijn na de bekendmaking]1 te schikken naar de onderrichtingen van de betrokken administraties, waarbij deze hun betrekkingen met het sociaal secretariaat en het beheer van de lopende rekeningen van de werkgevers bepalen;
  7° op alle akten, rekeningen, aankondigingen, publicaties en andere afgeleverde stukken zijn sociale benaming te vermelden voorafgegaan of gevolgd door de aanduiding [1 "Vereniging zonder winstoogmerk - Sociaal Secretariaat of afgekort VZW - Sociaal Secretariaat"]1, alsmede het erkenningsnummer en de datum van het ministerieel besluit dat de erkenning verleent;
  8° [1 zich te schikken naar de onderrichtingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de sociale secretariaten aangaande de producten die toegelaten zijn voor de tijdelijke belegging van de sociale bijdragen. Het sociaal secretariaat bezorgt elk kwartaal een rapportering aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en aan de bedrijfsrevisor over de belegging van derdengelden. De modaliteiten van de rapportering worden bekendgemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten;]1
  9° [1 [2 de Algemene Directie van de Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid]2 [2 ...]2 kennis te geven van het einde van het mandaat van de werkgever, ongeacht de redendaarvan, overeenkomstig artikel 31ter, § 3, 4°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, na de kennisname door het sociaal secretariaat van de beëindiging van het mandaat en uiterlijk 15 dagen voor het effectieve einde van hetmandaat, voor zover de opzegging aan hem betekend werd;]1
  10° op aanvraag, aan de RSZ-inspectie [2 ...]2 de volledige jaarrekening voor te leggen.
  § 2. De erkende sociale secretariaten zijn verplicht een boekhouding te voeren en een jaarrekening op te stellen volgens de principes van de wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen van 17 juli 1975. De rekeningenklassen 1 tot 7 geven de gewone bedrijfsvoering van het [1 ...]1 sociaal secretariaat weer met balans en resultaatrekening.
  De erkende sociale secretariaten zijn verplicht hun rekeningsstelsel zo in te delen dat het deel van hun rekeningsstelsel dat betrekking heeft op de boeking van de verrichtingen van hun aangesloten leden ten opzichte van de Overheid ten allen tijde kan gecontroleerd worden door de bevoegde ambtenaren. Met dit doel moeten de volgende rekeningen worden opgemaakt :
  KLASSE 4 REKENINGEN VORDERINGEN SCHULDEN OP TEN HOOGSTE 1 JAAR
  400. Aangeslotenen
  460. Goedgekeurde betalingen
  461. Voorziene betalingen RSZ
  462. Voorziene betalingen BV
  463. Voorziene betalingen Sociale Fondsen
  4800. Toe te wijzen stortingen
  KLASSE 5 FINANCIELE REKENINGEN
  52 Termijnrekeningen op ten hoogste één maand
  55 Kredietinstellingen
  KLASSE 7 OPBRENGSTREKENINGEN
  700. Beheersbijdragen
  KLASSE 9 ORDERREKENINGEN
  9010. Aangeslotenen : gefactureerde bedragen
  931. RSZ-bijdragen
  932. Bedrijfsvoorheffing
  934. Sociale Fondsen
  939 Beheersbijdragen
  9100. Stortingen aangeslotenen
  9210. Aangeslotenen : toe te wijzen stortingen.
 Â
Art. 48. <AR 2006-07-01/70, art. 1, 130; En vigueur : 01-01-2006> § 1er. Le secrétariat social agréé est tenu :
  1° de remplacer l'organisation reprĂ©sentative d'employeurs qui a agi en tant que membre fondateur en vertu de l'article 44, § 1er, 2°, ou, le cas Ă©chĂ©ant, l'organisation professionnelle ou interprofessionnelle d'employeurs qui a agi en tant que membre fondateur d'un secrĂ©tariat social visĂ© Ă l'article 44, § 2, qui cesse d'ĂȘtre membre du secrĂ©tariat social agréé en sa qualitĂ© d'organisation d'employeurs fondatrice, par une autre association qui remplit les conditions requises et qui doit ĂȘtre reprĂ©sentĂ©e au conseil d'administration du secrĂ©tariat social par au moins deux reprĂ©sentants;
  2° de déposer à la Banque Nationale de Belgique ou à la Caisse de dépÎts et de consignations un cautionnement d'un montant de :
  - 37 184,03 EUR lorsque les employeurs affiliés au secrétariat social occupent au total moins de 3 000 travailleurs;
  - 49 578,70 EUR lorsque les employeurs affiliés au secrétariat social occupent au total de 3 000 à 4 999 travailleurs;
  - 74 368,06 EUR lorsque les employeurs affiliés au secrétariat social occupent au total de 5 000 à 9 999 travailleurs;
  - 99 157,41 EUR lorsque les employeurs affiliés au secrétariat social occupent au total de 10 000 à 14 999 travailleurs;
  - 123 946,76 EUR lorsque les employeurs affiliés au secrétariat social occupent au total de 15 000 à 19 999 travailleurs;
  - 185 920,14 EUR lorsque les employeurs affilies au secrétariat social occupent au total au moins 20 000 travailleurs.
  Le montant du cautionnement doit ĂȘtre adaptĂ© au 1er janvier de chaque annĂ©e en fonction du nombre de travailleurs occupĂ©s par les employeurs affiliĂ©s au 30 juin de l'annĂ©e prĂ©cĂ©dente.
  Le cautionnement doit ĂȘtre dĂ©posĂ© en valeurs belges. Ces valeurs sont Ă©valuĂ©es sur base du prix courant publiĂ© sur ordre du Gouvernement. Le prix courant Ă prendre en considĂ©ration est celui publiĂ© dans le courant du mois de dĂ©cembre prĂ©cĂ©dant la date de l'adaptation.
  Le cautionnement est destinĂ© Ă couvrir tout ou partie des crĂ©ances que les employeurs affiliĂ©s au secrĂ©tariat social pourraient faire valoir en raison du prĂ©judice qu'ils subiraient Ă la suite du dĂ©faut de transfert ou de paiement par cet organisme des sommes dues Ă l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale. Il ne peut ĂȘtre employĂ© qu'auxdites fins et ce sur production d'une autorisation dĂ©livrĂ©e par le [1 Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions]1 ou de l'expĂ©dition d'un jugement ou arrĂȘt coule en force de chose jugĂ©e;
  3° [1 de constituer et de tenir pour chacun des employeurs affiliés, à un lieu situé en Belgique, un dossier complet relatif à l'application des lois sociales pour l'ensemble du personnel des employeurs affiliés, dossier qui permet de vérifier l'exactitude des déclarations et dont les fonctionnaires et agents visés à l'article 31 de la loi peuvent prendre connaissance; le contenu de ce dossier est annoncé dans les instructions aux secrétariats sociaux;]1
  4° de s'assurer la collaboration d'un réviseur d'entreprises reconnu qui doit agir en dehors de tout lien de subordination à l'égard du secrétariat social ou des organes de celui-ci et qui est appelé à exercer une surveillance portant sur la bonne fin de toutes les opérations financiÚres effectuées par le secrétariat social [1 comme décrit par le § 2, alinéa 2 de cet article]1;
  5° de communiquer à l'Office national de sécurité sociale la partie de son plan comptable relative à la comptabilisation des opérations effectuées dans le cadre de la législation concernant la sécurité sociale.
  6° de se conformer [1 dans un délai raisonnable suivant la publication]1 aux instructions des administrations intéressées déterminant leurs rapports avec le secrétariat social et la gestion des comptes courants des employeurs;
  7° de mentionner sur tous actes, factures, annonces, publications et toutes autres piĂšces qu'il dĂ©livre sa dĂ©nomination sociale, prĂ©cĂ©dĂ©e ou suivie de l'indication [1 " Association sans but lucratif - SecrĂ©tariat social " ou en abrĂ©gĂ© " ASBL - SecrĂ©tariat Social "]1, ainsi que le numĂ©ro d'agrĂ©ment et la date de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel accordant l'agrĂ©ment;
  8° [1 se conformer aux instructions aux secrétariats sociaux publiées par l'Office National de Sécurité Sociale concernant les produits éligibles pour le placement temporaire des cotisations sociales. Le secrétariat social envoie un rapport trimestriel à l'Office National de Sécurité Sociale et au réviseur concernant le placement des fonds de tiers. Les modalités du rapportage sont publiées dans les instructions aux secrétariats sociaux;]1
  9° [1 aviser [2 la Direction générale des Services d'inspection de l'Office national de sécurité sociale]2 [2 ...]2 de la fin du mandat de l'employeur, quel qu'en soit le motif, conformément à l'article 31ter, § 3, 4° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés aprÚs la prise de connaissance par le secrétariat sociale de la fin du mandat et au plus tard 15 jours avant la fin effective du mandat pour autant que la résiliation lui ait été notifiée;]1
  10° de soumettre, à la demande, ses comptes annuels complets à l'inspection de l'O.N.S.S. [2 ...]2
  § 2. Les secrétariats sociaux agrées doivent tenir une comptabilité et établir des comptes annuels conformément aux principes de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité des entreprises. Les classes de comptes 1 à 7 reflÚtent la gestion ordinaire du secrétariat social [1 ...]1 sur base du bilan et du compte de résultats.
  Les secrĂ©tariats sociaux agréés doivent diviser leur plan comptable de telle sorte que la partie de leur plan comptable qui se rapporte Ă la comptabilisation des opĂ©rations de leurs affiliĂ©s vis-Ă -vis des pouvoirs publics puisse Ă tout moment ĂȘtre contrĂŽlĂ©e par les agents compĂ©tents. A cette fin, il y a lieu d'instaurer les comptes suivants :
  CLASSE 4 COMPTES, CREANCES ET DETTES A 1 AN AU PLUS
  400. Affiliés
  460. Paiements approuvés
  461. Paiements prévus ONSS
  462. Paiements prévus PP
  463. Paiements prévus Fonds sociaux
  4800. Versements à attribuer
  CLASSE 5 COMPTES FINANCIERS
  52 Comptes à terme à 1 mois au plus
  55 Etablissements de crédit
  CLASSE 7 COMPTES DE PRODUITS
  700. Cotisations de gestion
  CLASSE 9 COMPTES D'ORDRE
  9010. Affiliés : montants facturés
  931. Cotisations ONSS
  932. Précompte professionnel
  934. Fonds sociaux
  939 Cotisations de gestion
  9100. Versements affiliés
  9210. Affiliés : versements à attribuer.
 Â
  1° de remplacer l'organisation reprĂ©sentative d'employeurs qui a agi en tant que membre fondateur en vertu de l'article 44, § 1er, 2°, ou, le cas Ă©chĂ©ant, l'organisation professionnelle ou interprofessionnelle d'employeurs qui a agi en tant que membre fondateur d'un secrĂ©tariat social visĂ© Ă l'article 44, § 2, qui cesse d'ĂȘtre membre du secrĂ©tariat social agréé en sa qualitĂ© d'organisation d'employeurs fondatrice, par une autre association qui remplit les conditions requises et qui doit ĂȘtre reprĂ©sentĂ©e au conseil d'administration du secrĂ©tariat social par au moins deux reprĂ©sentants;
  2° de déposer à la Banque Nationale de Belgique ou à la Caisse de dépÎts et de consignations un cautionnement d'un montant de :
  - 37 184,03 EUR lorsque les employeurs affiliés au secrétariat social occupent au total moins de 3 000 travailleurs;
  - 49 578,70 EUR lorsque les employeurs affiliés au secrétariat social occupent au total de 3 000 à 4 999 travailleurs;
  - 74 368,06 EUR lorsque les employeurs affiliés au secrétariat social occupent au total de 5 000 à 9 999 travailleurs;
  - 99 157,41 EUR lorsque les employeurs affiliés au secrétariat social occupent au total de 10 000 à 14 999 travailleurs;
  - 123 946,76 EUR lorsque les employeurs affiliés au secrétariat social occupent au total de 15 000 à 19 999 travailleurs;
  - 185 920,14 EUR lorsque les employeurs affilies au secrétariat social occupent au total au moins 20 000 travailleurs.
  Le montant du cautionnement doit ĂȘtre adaptĂ© au 1er janvier de chaque annĂ©e en fonction du nombre de travailleurs occupĂ©s par les employeurs affiliĂ©s au 30 juin de l'annĂ©e prĂ©cĂ©dente.
  Le cautionnement doit ĂȘtre dĂ©posĂ© en valeurs belges. Ces valeurs sont Ă©valuĂ©es sur base du prix courant publiĂ© sur ordre du Gouvernement. Le prix courant Ă prendre en considĂ©ration est celui publiĂ© dans le courant du mois de dĂ©cembre prĂ©cĂ©dant la date de l'adaptation.
  Le cautionnement est destinĂ© Ă couvrir tout ou partie des crĂ©ances que les employeurs affiliĂ©s au secrĂ©tariat social pourraient faire valoir en raison du prĂ©judice qu'ils subiraient Ă la suite du dĂ©faut de transfert ou de paiement par cet organisme des sommes dues Ă l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale. Il ne peut ĂȘtre employĂ© qu'auxdites fins et ce sur production d'une autorisation dĂ©livrĂ©e par le [1 Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions]1 ou de l'expĂ©dition d'un jugement ou arrĂȘt coule en force de chose jugĂ©e;
  3° [1 de constituer et de tenir pour chacun des employeurs affiliés, à un lieu situé en Belgique, un dossier complet relatif à l'application des lois sociales pour l'ensemble du personnel des employeurs affiliés, dossier qui permet de vérifier l'exactitude des déclarations et dont les fonctionnaires et agents visés à l'article 31 de la loi peuvent prendre connaissance; le contenu de ce dossier est annoncé dans les instructions aux secrétariats sociaux;]1
  4° de s'assurer la collaboration d'un réviseur d'entreprises reconnu qui doit agir en dehors de tout lien de subordination à l'égard du secrétariat social ou des organes de celui-ci et qui est appelé à exercer une surveillance portant sur la bonne fin de toutes les opérations financiÚres effectuées par le secrétariat social [1 comme décrit par le § 2, alinéa 2 de cet article]1;
  5° de communiquer à l'Office national de sécurité sociale la partie de son plan comptable relative à la comptabilisation des opérations effectuées dans le cadre de la législation concernant la sécurité sociale.
  6° de se conformer [1 dans un délai raisonnable suivant la publication]1 aux instructions des administrations intéressées déterminant leurs rapports avec le secrétariat social et la gestion des comptes courants des employeurs;
  7° de mentionner sur tous actes, factures, annonces, publications et toutes autres piĂšces qu'il dĂ©livre sa dĂ©nomination sociale, prĂ©cĂ©dĂ©e ou suivie de l'indication [1 " Association sans but lucratif - SecrĂ©tariat social " ou en abrĂ©gĂ© " ASBL - SecrĂ©tariat Social "]1, ainsi que le numĂ©ro d'agrĂ©ment et la date de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel accordant l'agrĂ©ment;
  8° [1 se conformer aux instructions aux secrétariats sociaux publiées par l'Office National de Sécurité Sociale concernant les produits éligibles pour le placement temporaire des cotisations sociales. Le secrétariat social envoie un rapport trimestriel à l'Office National de Sécurité Sociale et au réviseur concernant le placement des fonds de tiers. Les modalités du rapportage sont publiées dans les instructions aux secrétariats sociaux;]1
  9° [1 aviser [2 la Direction générale des Services d'inspection de l'Office national de sécurité sociale]2 [2 ...]2 de la fin du mandat de l'employeur, quel qu'en soit le motif, conformément à l'article 31ter, § 3, 4° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés aprÚs la prise de connaissance par le secrétariat sociale de la fin du mandat et au plus tard 15 jours avant la fin effective du mandat pour autant que la résiliation lui ait été notifiée;]1
  10° de soumettre, à la demande, ses comptes annuels complets à l'inspection de l'O.N.S.S. [2 ...]2
  § 2. Les secrétariats sociaux agrées doivent tenir une comptabilité et établir des comptes annuels conformément aux principes de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité des entreprises. Les classes de comptes 1 à 7 reflÚtent la gestion ordinaire du secrétariat social [1 ...]1 sur base du bilan et du compte de résultats.
  Les secrĂ©tariats sociaux agréés doivent diviser leur plan comptable de telle sorte que la partie de leur plan comptable qui se rapporte Ă la comptabilisation des opĂ©rations de leurs affiliĂ©s vis-Ă -vis des pouvoirs publics puisse Ă tout moment ĂȘtre contrĂŽlĂ©e par les agents compĂ©tents. A cette fin, il y a lieu d'instaurer les comptes suivants :
  CLASSE 4 COMPTES, CREANCES ET DETTES A 1 AN AU PLUS
  400. Affiliés
  460. Paiements approuvés
  461. Paiements prévus ONSS
  462. Paiements prévus PP
  463. Paiements prévus Fonds sociaux
  4800. Versements à attribuer
  CLASSE 5 COMPTES FINANCIERS
  52 Comptes à terme à 1 mois au plus
  55 Etablissements de crédit
  CLASSE 7 COMPTES DE PRODUITS
  700. Cotisations de gestion
  CLASSE 9 COMPTES D'ORDRE
  9010. Affiliés : montants facturés
  931. Cotisations ONSS
  932. Précompte professionnel
  934. Fonds sociaux
  939 Cotisations de gestion
  9100. Versements affiliés
  9210. Affiliés : versements à attribuer.
 Â
Art. 49. <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998> Binnen acht dagen na de publikatie in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad worden wijzigingen in de statuten van het sociaal secretariaat en in de samenstelling van de Raad van Bestuur, met de vermelding van de hoedanigheid van de vertegenwoordigers van de professionele of interprofessionele organisatie, in tweevoud meegedeeld aan de [1 Minister die Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft]1 die een exemplaar aan de [2 inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stuurt]2.
 Â
 Â
Art. 49. <AR 1998-07-20/35, art. 1, 076; En vigueur : 01-10-1998> Dans les huit jours de la publication aux annexes du Moniteur belge, les modifications aux statuts de l'association et à la composition du conseil d'administration, avec la mention de la qualité des représentants de l'organisation professionnelle ou interprofessionnelle sont communiquées, en double exemplaires au [1 Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions]1, qui en fait parvenir un exemplaire [2 aux services d'inspection de l'Office national de sécurité sociale]2.
 Â
 Â
Afdeling 3. - (Rechten).
Section 3. - (Droits).
Art. 51. <KB 1998-07-20/35, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 01-10-1998> De [1 instellingen van sociale zekerheid" en de eerste zin wordt aangevuld met de woorden "in functie van de bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid geregistreerde procuratie]1 moeten de door de werkgevers in te vullen stukken enkel opsturen aan de werkgevers zelf of aan het sociaal secretariaat waarbij zij zijn aangesloten. Die behoorlijk ingevulde documenten moeten na ondertekening door de werkgever of door het erkend sociaal secretariaat waarbij hij is aangesloten, aan de voormelde instellingen teruggestuurd worden.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 51. <AR 1998-07-20/35, art. 1, 076; En vigueur : 01-10-1998> Les [1 institutions de sĂ©curitĂ© sociale]1 ne sont tenues d'envoyer les documents Ă remplir par les employeurs qu'aux employeurs eux-mĂȘmes ou au secrĂ©tariat social agréé auquel ils sont affiliĂ©s [1 en fonction de la procuration enregistrĂ©e auprĂšs de l'Office nationale de sĂ©curitĂ© sociale]1. Ces documents, dĂ»ment remplis, doivent ĂȘtre renvoyĂ©s aux institutions prĂ©citĂ©es, signĂ©s par l'employeur ou par le secrĂ©tariat social agréé auquel il est affiliĂ©.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 53. [1 In het kader van deze afdeling wordt verstaan onder:
  1° Sociaal secretariaat: de mandataris zoals bedoeld in artikel 31ter, § 2, 2° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  2° Sociale dienstverrichter: de mandataris zoals bedoeld in artikel 31ter, § 2, 1° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  3° Zetel van een erkend sociaal secretariaat: de maatschappelijke zetel van de VZW die de erkenning als sociaal secretariaat heeft bekomen, zoals vermeld in de statuten van de vereniging;
  4° Bijkantoor van een sociaal secretariaat: een bedrijfszetel, die niet de maatschappelijke zetel is en geen afzonderlijke juridische entiteit vormt, maar door het sociaal secretariaat voor zijn aangesloten leden werd aangeduid en als dusdanig meegedeeld aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid
  5° Dimona: het elektronisch bericht, waarin iedere aanwerving en iedere uitdiensttreding van een werknemer onmiddellijk wordt gemeld aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
  6° DMFA: de aangifte bedoeld in artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  7° Kwaliteitsbarometer: de barometer zoals bedoeld in artikel 27 bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]1
 Â
  1° Sociaal secretariaat: de mandataris zoals bedoeld in artikel 31ter, § 2, 2° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  2° Sociale dienstverrichter: de mandataris zoals bedoeld in artikel 31ter, § 2, 1° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  3° Zetel van een erkend sociaal secretariaat: de maatschappelijke zetel van de VZW die de erkenning als sociaal secretariaat heeft bekomen, zoals vermeld in de statuten van de vereniging;
  4° Bijkantoor van een sociaal secretariaat: een bedrijfszetel, die niet de maatschappelijke zetel is en geen afzonderlijke juridische entiteit vormt, maar door het sociaal secretariaat voor zijn aangesloten leden werd aangeduid en als dusdanig meegedeeld aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid
  5° Dimona: het elektronisch bericht, waarin iedere aanwerving en iedere uitdiensttreding van een werknemer onmiddellijk wordt gemeld aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;
  6° DMFA: de aangifte bedoeld in artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  7° Kwaliteitsbarometer: de barometer zoals bedoeld in artikel 27 bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]1
 Â
Art. 53. [1 Dans le cadre de cette section, il faut entendre par :
  1° Secrétariat social : le mandataire tel que visé à l'article 31ter, § 2, 2° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
  2° Prestataire de services social : le mandataire tel que visé à l'article 31ter, § 2, 1° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
  3° SiÚge d'un secrétariat social agréé : le siÚge social de l'ASBL qui a obtenu l'agrément comme secrétariat social, comme décrit dans les statuts de l'association;
  4° Succursale d'un secrétariat social : un siÚge d'exploitation, autre que le siÚge social, qui ne constitue pas une entité juridique distincte, mais qui est désigné par le secrétariat social pour ses membres affiliés et communiqué comme tel à l'Office national de sécurité sociale;
  5° Dimona : le message Ă©lectronique par lequel est communiquĂ© immĂ©diatement Ă l'Office National de SĂ©curitĂ© Sociale tout engagement et toute sortie de service d'un travailleur, comme dĂ©fini dans l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions;
  6° DMFA : la dĂ©claration visĂ©e Ă l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs. ";
  7° BaromĂštre de qualitĂ© : le baromĂštre visĂ© Ă l'article 27bis de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.]1
 Â
  1° Secrétariat social : le mandataire tel que visé à l'article 31ter, § 2, 2° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
  2° Prestataire de services social : le mandataire tel que visé à l'article 31ter, § 2, 1° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
  3° SiÚge d'un secrétariat social agréé : le siÚge social de l'ASBL qui a obtenu l'agrément comme secrétariat social, comme décrit dans les statuts de l'association;
  4° Succursale d'un secrétariat social : un siÚge d'exploitation, autre que le siÚge social, qui ne constitue pas une entité juridique distincte, mais qui est désigné par le secrétariat social pour ses membres affiliés et communiqué comme tel à l'Office national de sécurité sociale;
  5° Dimona : le message Ă©lectronique par lequel est communiquĂ© immĂ©diatement Ă l'Office National de SĂ©curitĂ© Sociale tout engagement et toute sortie de service d'un travailleur, comme dĂ©fini dans l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions;
  6° DMFA : la dĂ©claration visĂ©e Ă l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs. ";
  7° BaromĂštre de qualitĂ© : le baromĂštre visĂ© Ă l'article 27bis de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.]1
 Â
Wijzigingen
Afdeling 4. [1 - Kwaliteitsbarometer.]1
Section 4. [1 - BaromÚtre de qualité.]1
Art. 53/1. [1 § 1. De kwaliteitsbarometer is opgebouwd rond zes objectieve controledomeinen, die moeten worden uitgevoerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en die elk toegespitst zijn op een specifiek luik van de werking van een sociaal secretariaat.
  Voor elk van deze controledomeinen wordt een score toegekend per hoofdkantoor van elk erkend sociaal secretariaat. De uitgevoerde controles kunnen evenwel betrekking hebben op werkgevers die zijn aangesloten of bij het hoofdkantoor of bij een bijkantoor.
  Op basis van deze resultaten kan een evaluatie van het erkend sociaal secretariaat in zijn geheel worden gemaakt.
  § 2. Volgende controledomeinen vormen samen de kwaliteitsbarometer:
  1° stilzwijgerscontroles: in deze controles wordt nagegaan, vanaf de opstelling van de definitieve lijst van stilzwijgers, voor welke actieve werkgevers geen, een onjuiste/onvolledige of een laattijdige DMFA werd verstuurd door het erkend sociaal secretariaat en wordt gezocht naar de redenen waarom.
  De verschillende redenen van niet-, onjuiste/onvolledige of laattijdige aangifte worden omschreven als S-indicatoren. Aan deze indicatoren wordt een gewicht toegekend in overeenstemming met hun belangrijkheid.
  De S-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
  2° technische controles: deze controles dienen om na te gaan, aan de hand van statistische steekproeven, of het sociaal secretariaat de gegevens betreffende de bezoldiging en de arbeidstijd, die door de werkgever werden meegedeeld, in de Dimona en de DMFA correct heeft verwerkt.
  De onjuistheden die ten gevolge van de technische controles kunnen worden vastgesteld, worden aangeduid als T-indicatoren, waaraan een weging wordt toegekend, naargelang de ernst van de vastgestelde fout.
  De T-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
  3° financiële controles: bij deze controles wordt nagegaan of alle door de werkgevers aan het erkend sociaal secretariaat gestorte bijdragen volgens de voorschriften zijn gestort en of zij door het erkend sociaal secretariaat worden doorgestort naar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid volgens de wettelijke voorschriften en de instructies aan de sociale secretariaten.
  De resultaten van deze controles worden voorgesteld door verschillende F-indicatoren, naargelang het probleem betrekking heeft op de doorstorting door de werkgever aan het sociaal secretariaat of op de doorstorting (provisies of saldi) van het sociaal secretariaat naar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
  De F-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
  4° systeemcontroles op prioritaire anomalieën in de DmfA: deze controles brengen in kaart in hoeverre het erkend sociaal secretariaat inspanningen levert om de via systeemcontroles vastgestelde anomalieën in de DmfA-gegevens binnen een redelijke termijn te verbeteren.
  Anomalieën zijn prioritair indien ze een rechtstreekse invloed hebben op de rechten van de sociaal verzekerden.
  Systeemcontroles zijn controles die automatisch worden uitgevoerd op basis van vergelijking van ingevoerde gegevens en /of externe databanken, met als doel vergissingen of fouten in de aangifte aan het licht te brengen.
  Op basis van deze controles wordt enerzijds de evolutie van het aantal anomalieën geregistreerd. Een procentuele daling van het aantal anomalieën ten opzichte van het voorgaand kwartaal levert aldus een goede score op.
  Anderzijds registreren zij hoe lang elke individuele anomalie blijft bestaan. Hoe langer een anomalie onopgelost blijft, hoe slechter het sociaal secretariaat op dit punt zal scoren.
  Deze scores worden weergegeven als AP-indicatoren.
  De AP-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
  5° systeemcontroles op niet-prioritaire anomalieën in de DmfA: deze controles brengen in kaart in hoeverre het erkend sociaal secretariaat inspanningen levert om de via systeemcontroles vastgestelde anomalieën in de DmfA-gegevens binnen een redelijke termijn te verbeteren.
  Anomalieën zijn niet-prioritair indien ze geen rechtstreekse invloed hebben op de rechten van de sociaal verzekerden.
  Systeemcontroles zijn controles die automatisch worden uitgevoerd op basis van vergelijking van ingevoerde gegevens en/of externe databanken, met als doel vergissingen en/of fouten in de aangifte aan het licht te brengen.
  Deze controles registreren enerzijds het aantal anomalieën. Een procentuele daling van het aantal anomalieën ten opzichte van het voorgaand kwartaal levert aldus een goede score op.
  Anderzijds registreren zij hoe lang elke individuele anomalie blijft bestaan. Hoe langer een anomalie onopgelost blijft, hoe slechter het sociaal secretariaat op dit punt zal scoren.
  Deze scores worden weergegeven als ANP-indicatoren.
  De ANP-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
  6° crosscontroles: deze controles laten toe in te schatten in welke mate het sociaal secretariaat inspanningen levert tot het nemen van maatregelen teneinde de coherentie tot stand te brengen tussen de aangiften.
  De anomalieën worden automatisch door het systeem geïdentificeerd, dat de gegevens van het personeelsbestand, gevoed door DIMONA, vergelijkt met de gegevens van de DMFA.
  Deze controles registreren enerzijds het volume van de anomalieën op jaarbasis. De graad van verbetering ten opzichte van een voorgaand jaar bepaalt aldus de score.
  Anderzijds registreren zij hoe lang elke individuele anomalie blijft bestaan. Hoe langer een anomalie onopgelost blijft, hoe slechter het sociaal secretariaat op dit punt zal scoren.
  Deze scores wordt weergegeven als C-indicatoren.
  De C-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.]1
 Â
  Voor elk van deze controledomeinen wordt een score toegekend per hoofdkantoor van elk erkend sociaal secretariaat. De uitgevoerde controles kunnen evenwel betrekking hebben op werkgevers die zijn aangesloten of bij het hoofdkantoor of bij een bijkantoor.
  Op basis van deze resultaten kan een evaluatie van het erkend sociaal secretariaat in zijn geheel worden gemaakt.
  § 2. Volgende controledomeinen vormen samen de kwaliteitsbarometer:
  1° stilzwijgerscontroles: in deze controles wordt nagegaan, vanaf de opstelling van de definitieve lijst van stilzwijgers, voor welke actieve werkgevers geen, een onjuiste/onvolledige of een laattijdige DMFA werd verstuurd door het erkend sociaal secretariaat en wordt gezocht naar de redenen waarom.
  De verschillende redenen van niet-, onjuiste/onvolledige of laattijdige aangifte worden omschreven als S-indicatoren. Aan deze indicatoren wordt een gewicht toegekend in overeenstemming met hun belangrijkheid.
  De S-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
  2° technische controles: deze controles dienen om na te gaan, aan de hand van statistische steekproeven, of het sociaal secretariaat de gegevens betreffende de bezoldiging en de arbeidstijd, die door de werkgever werden meegedeeld, in de Dimona en de DMFA correct heeft verwerkt.
  De onjuistheden die ten gevolge van de technische controles kunnen worden vastgesteld, worden aangeduid als T-indicatoren, waaraan een weging wordt toegekend, naargelang de ernst van de vastgestelde fout.
  De T-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
  3° financiële controles: bij deze controles wordt nagegaan of alle door de werkgevers aan het erkend sociaal secretariaat gestorte bijdragen volgens de voorschriften zijn gestort en of zij door het erkend sociaal secretariaat worden doorgestort naar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid volgens de wettelijke voorschriften en de instructies aan de sociale secretariaten.
  De resultaten van deze controles worden voorgesteld door verschillende F-indicatoren, naargelang het probleem betrekking heeft op de doorstorting door de werkgever aan het sociaal secretariaat of op de doorstorting (provisies of saldi) van het sociaal secretariaat naar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
  De F-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
  4° systeemcontroles op prioritaire anomalieën in de DmfA: deze controles brengen in kaart in hoeverre het erkend sociaal secretariaat inspanningen levert om de via systeemcontroles vastgestelde anomalieën in de DmfA-gegevens binnen een redelijke termijn te verbeteren.
  Anomalieën zijn prioritair indien ze een rechtstreekse invloed hebben op de rechten van de sociaal verzekerden.
  Systeemcontroles zijn controles die automatisch worden uitgevoerd op basis van vergelijking van ingevoerde gegevens en /of externe databanken, met als doel vergissingen of fouten in de aangifte aan het licht te brengen.
  Op basis van deze controles wordt enerzijds de evolutie van het aantal anomalieën geregistreerd. Een procentuele daling van het aantal anomalieën ten opzichte van het voorgaand kwartaal levert aldus een goede score op.
  Anderzijds registreren zij hoe lang elke individuele anomalie blijft bestaan. Hoe langer een anomalie onopgelost blijft, hoe slechter het sociaal secretariaat op dit punt zal scoren.
  Deze scores worden weergegeven als AP-indicatoren.
  De AP-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
  5° systeemcontroles op niet-prioritaire anomalieën in de DmfA: deze controles brengen in kaart in hoeverre het erkend sociaal secretariaat inspanningen levert om de via systeemcontroles vastgestelde anomalieën in de DmfA-gegevens binnen een redelijke termijn te verbeteren.
  Anomalieën zijn niet-prioritair indien ze geen rechtstreekse invloed hebben op de rechten van de sociaal verzekerden.
  Systeemcontroles zijn controles die automatisch worden uitgevoerd op basis van vergelijking van ingevoerde gegevens en/of externe databanken, met als doel vergissingen en/of fouten in de aangifte aan het licht te brengen.
  Deze controles registreren enerzijds het aantal anomalieën. Een procentuele daling van het aantal anomalieën ten opzichte van het voorgaand kwartaal levert aldus een goede score op.
  Anderzijds registreren zij hoe lang elke individuele anomalie blijft bestaan. Hoe langer een anomalie onopgelost blijft, hoe slechter het sociaal secretariaat op dit punt zal scoren.
  Deze scores worden weergegeven als ANP-indicatoren.
  De ANP-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.
  6° crosscontroles: deze controles laten toe in te schatten in welke mate het sociaal secretariaat inspanningen levert tot het nemen van maatregelen teneinde de coherentie tot stand te brengen tussen de aangiften.
  De anomalieën worden automatisch door het systeem geïdentificeerd, dat de gegevens van het personeelsbestand, gevoed door DIMONA, vergelijkt met de gegevens van de DMFA.
  Deze controles registreren enerzijds het volume van de anomalieën op jaarbasis. De graad van verbetering ten opzichte van een voorgaand jaar bepaalt aldus de score.
  Anderzijds registreren zij hoe lang elke individuele anomalie blijft bestaan. Hoe langer een anomalie onopgelost blijft, hoe slechter het sociaal secretariaat op dit punt zal scoren.
  Deze scores wordt weergegeven als C-indicatoren.
  De C-indicatoren en de weging die aan de indicatoren wordt toegekend, worden opgelijst en publiek gemaakt in de onderrichtingen aan de sociale secretariaten.]1
 Â
Art. 53/1. [1 § 1. Le baromÚtre de qualité s'articule autour de six domaines de contrÎle objectifs, à exécuter par l'Office National de Sécurité Sociale et qui sont chacun axés sur un volet spécifique du fonctionnement d'un secrétariat social.
  Pour chacun de ces domaines de contrÎle un score est attribué par siÚge de chaque secrétariat social agréé. Il se peut, toutefois, que les contrÎles exécutés se rapportent à des employeurs affiliés soit au siÚge soit à une succursale.
  Ces résultats permettent de faire une évaluation du secrétariat social agréé dans sa totalité.
  § 2. Les domaines de contrÎle suivants constituent ensemble le baromÚtre de qualité :
  1° contrÎles " silencieux " : ces contrÎles visent à vérifier, à partir de la rédaction de la liste définitive des silencieux, pour quels employeurs actifs et pour quels motifs aucune DMFA n'a été envoyée ou une DMFA inexacte/incomplÚte ou tardive a été envoyée par le secrétariat social agréé.
  Les différents motifs du défaut de déclaration ou d'une déclaration inexacte/incomplÚte ou tardive sont définis comme indicateurs S. A ces indicateurs, une valeur est accordée en concordance avec leur importance.
  Les indicateurs S et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.
  2° contrÎles techniques : ces contrÎles visent à vérifier, à l'aide d'échantillons statistiquement valables, si le secrétariat social a traité de maniÚre correcte dans la Dimona et la DMFA les données relatives aux rémunérations et au temps de travail communiquées par l'employeur.
  Les inexactitudes qui peuvent ĂȘtre constatĂ©es suite aux contrĂŽles techniques sont reprĂ©sentĂ©es comme indicateurs T auxquels une pondĂ©ration peut ĂȘtre attribuĂ©e, selon l'importance de la faute constatĂ©e.
  Les indicateurs T et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.
  3° contrÎles financiers : ces contrÎles visent à vérifier si toutes les cotisations transmises par les employeurs au secrétariat social agréé ont été versées selon le prescrit légal et si celles-ci sont transmises par le secrétariat social agréé à l'Office National de Sécurité Sociale selon le prescrit légal et selon les instructions aux secrétariats sociaux.
  Les résultats de ces contrÎles sont présentés sous forme de différents indicateurs F, selon que le problÚme porte sur le versement de l'employeur au secrétariat social ou sur le versement (provisions ou soldes) du secrétariat social vers l'Office National de Sécurité Sociale.
  Les indicateurs F et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.
  4° contrÎles systémiques d'anomalies prioritaires dans la DmfA : ces contrÎles permettent de cartographier la mesure dans laquelle le secrétariat social agréé consent des efforts en vue de rectifier dans un délai raisonnable les anomalies décelées au niveau des données de la DmfA lors des contrÎles systémiques.
  Les anomalies sont prioritaires si elles ont une incidence directe sur les droits des assurés sociaux.
  Les contrÎles systémiques sont des contrÎles qui sont exécutés automatiquement sur la base de la confrontation des données introduites et/ou des banques de données externes, dans le but de déceler des erreurs ou des fautes contenues dans la déclaration.
  Sur base de ces contrÎles l'évolution du nombre d'anomalies est enregistrée. Une baisse du pourcentage d'anomalies par rapport au trimestre précédent rapporte ainsi un bon score.
  D'autre part, ils enregistrent la durée de vie de chaque anomalie individuelle. Plus longtemps une anomalie n'est pas résolue, plus mauvais sera le score du secrétariat social sur ce point.
  Ces scores sont reproduits sous forme d'indicateurs AP.
  Les indicateurs AP et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.
  5° contrÎles systémiques des anomalies non prioritaires présentes dans la DMFA : ces contrÎles permettent de cartographier la mesure dont le secrétariat social agréé consent des efforts en vue de rectifier dans un délai raisonnable les anomalies décelées au niveau des données de la DMFA lors de contrÎles systémiques.
  Les anomalies ne sont pas prioritaires si elles n'ont pas d'incidence directe sur les droits des assurés sociaux.
  Les contrÎles systémiques sont des contrÎles qui sont exécutés automatiquement sur la base de la confrontation des données introduites et/ou des banques de données externes, dans le but de déceler des erreurs et/ou des fautes contenues dans la déclaration.
  En premier lieu, ces contrÎles enregistrent le nombre d'anomalies. Une baisse du pourcentage d'anomalies par rapport au trimestre précédent rapporte ainsi un bon score.
  D'autre part, ils enregistrent la durée de vie de chaque anomalie individuelle. Plus longtemps une anomalie n'est pas résolue, plus mauvais sera le score du secrétariat social sur ce point.
  Ces scores sont reproduits sous forme d'indicateurs ANP.
  Les indicateurs ANP et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.
  6° contrÎles croisés : ces contrÎles permettent d'évaluer dans quelle mesure le secrétariat social fait des efforts à prendre des mesures afin d'établir la cohérence entre les déclarations.
  Les anomalies sont identifiées automatiquement par le systÚme, qui compare les données du fichier du personnel, alimenté par les DIMONA, avec les données de la DMFA.
  En premier lieu, ces contrÎles enregistrent le nombre d'anomalies sur une base annuelle. Le degré d'amélioration relative à l'année précédente détermine alors le score.
  D'autre part, ils enregistrent la durée de vie de chaque anomalie individuelle. Plus longtemps une anomalie n'est pas résolue, plus mauvais sera le score du secrétariat social sur ce point.
  Ces scores sont reproduits sous forme d'indicateurs C.
  Les indicateurs C et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.]1
 Â
  Pour chacun de ces domaines de contrÎle un score est attribué par siÚge de chaque secrétariat social agréé. Il se peut, toutefois, que les contrÎles exécutés se rapportent à des employeurs affiliés soit au siÚge soit à une succursale.
  Ces résultats permettent de faire une évaluation du secrétariat social agréé dans sa totalité.
  § 2. Les domaines de contrÎle suivants constituent ensemble le baromÚtre de qualité :
  1° contrÎles " silencieux " : ces contrÎles visent à vérifier, à partir de la rédaction de la liste définitive des silencieux, pour quels employeurs actifs et pour quels motifs aucune DMFA n'a été envoyée ou une DMFA inexacte/incomplÚte ou tardive a été envoyée par le secrétariat social agréé.
  Les différents motifs du défaut de déclaration ou d'une déclaration inexacte/incomplÚte ou tardive sont définis comme indicateurs S. A ces indicateurs, une valeur est accordée en concordance avec leur importance.
  Les indicateurs S et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.
  2° contrÎles techniques : ces contrÎles visent à vérifier, à l'aide d'échantillons statistiquement valables, si le secrétariat social a traité de maniÚre correcte dans la Dimona et la DMFA les données relatives aux rémunérations et au temps de travail communiquées par l'employeur.
  Les inexactitudes qui peuvent ĂȘtre constatĂ©es suite aux contrĂŽles techniques sont reprĂ©sentĂ©es comme indicateurs T auxquels une pondĂ©ration peut ĂȘtre attribuĂ©e, selon l'importance de la faute constatĂ©e.
  Les indicateurs T et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.
  3° contrÎles financiers : ces contrÎles visent à vérifier si toutes les cotisations transmises par les employeurs au secrétariat social agréé ont été versées selon le prescrit légal et si celles-ci sont transmises par le secrétariat social agréé à l'Office National de Sécurité Sociale selon le prescrit légal et selon les instructions aux secrétariats sociaux.
  Les résultats de ces contrÎles sont présentés sous forme de différents indicateurs F, selon que le problÚme porte sur le versement de l'employeur au secrétariat social ou sur le versement (provisions ou soldes) du secrétariat social vers l'Office National de Sécurité Sociale.
  Les indicateurs F et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.
  4° contrÎles systémiques d'anomalies prioritaires dans la DmfA : ces contrÎles permettent de cartographier la mesure dans laquelle le secrétariat social agréé consent des efforts en vue de rectifier dans un délai raisonnable les anomalies décelées au niveau des données de la DmfA lors des contrÎles systémiques.
  Les anomalies sont prioritaires si elles ont une incidence directe sur les droits des assurés sociaux.
  Les contrÎles systémiques sont des contrÎles qui sont exécutés automatiquement sur la base de la confrontation des données introduites et/ou des banques de données externes, dans le but de déceler des erreurs ou des fautes contenues dans la déclaration.
  Sur base de ces contrÎles l'évolution du nombre d'anomalies est enregistrée. Une baisse du pourcentage d'anomalies par rapport au trimestre précédent rapporte ainsi un bon score.
  D'autre part, ils enregistrent la durée de vie de chaque anomalie individuelle. Plus longtemps une anomalie n'est pas résolue, plus mauvais sera le score du secrétariat social sur ce point.
  Ces scores sont reproduits sous forme d'indicateurs AP.
  Les indicateurs AP et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.
  5° contrÎles systémiques des anomalies non prioritaires présentes dans la DMFA : ces contrÎles permettent de cartographier la mesure dont le secrétariat social agréé consent des efforts en vue de rectifier dans un délai raisonnable les anomalies décelées au niveau des données de la DMFA lors de contrÎles systémiques.
  Les anomalies ne sont pas prioritaires si elles n'ont pas d'incidence directe sur les droits des assurés sociaux.
  Les contrÎles systémiques sont des contrÎles qui sont exécutés automatiquement sur la base de la confrontation des données introduites et/ou des banques de données externes, dans le but de déceler des erreurs et/ou des fautes contenues dans la déclaration.
  En premier lieu, ces contrÎles enregistrent le nombre d'anomalies. Une baisse du pourcentage d'anomalies par rapport au trimestre précédent rapporte ainsi un bon score.
  D'autre part, ils enregistrent la durée de vie de chaque anomalie individuelle. Plus longtemps une anomalie n'est pas résolue, plus mauvais sera le score du secrétariat social sur ce point.
  Ces scores sont reproduits sous forme d'indicateurs ANP.
  Les indicateurs ANP et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.
  6° contrÎles croisés : ces contrÎles permettent d'évaluer dans quelle mesure le secrétariat social fait des efforts à prendre des mesures afin d'établir la cohérence entre les déclarations.
  Les anomalies sont identifiées automatiquement par le systÚme, qui compare les données du fichier du personnel, alimenté par les DIMONA, avec les données de la DMFA.
  En premier lieu, ces contrÎles enregistrent le nombre d'anomalies sur une base annuelle. Le degré d'amélioration relative à l'année précédente détermine alors le score.
  D'autre part, ils enregistrent la durée de vie de chaque anomalie individuelle. Plus longtemps une anomalie n'est pas résolue, plus mauvais sera le score du secrétariat social sur ce point.
  Ces scores sont reproduits sous forme d'indicateurs C.
  Les indicateurs C et la pondération attribuée aux indicateurs sont listés et publiés dans les instructions aux secrétariats sociaux.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 53/2. [1 § 1. De resultaten van de kwaliteitsbarometer worden berekend en gefaseerd medegedeeld aan de erkende sociale secretariaten.
  § 2. Het nazicht van de verschillende controledomeinen gebeurt op een continue basis door middel van deelcontroles via de interne diensten van de Rijksdienst, voor zover het de domeinen prioritaire anomalieën, niet-prioritaire anomalieën en crosscontroles betreft. Het nazicht gebeurt op de zetel of de bijkantoren van de erkende sociale secretariaten voor zover het de domeinen stilzwijgerscontroles en technische controles betreft. Het nazicht gebeurt op de zetel van het erkend sociaal secretariaat voor zover het domein van de financiële controles betreft.
  § 3. Na afloop van alle uitgevoerde deelcontroles met betrekking tot een controledomein deelt de Rijksdienst aan het betrokken sociaal secretariaat het resultaat mee onder de vorm van een ontwerp-verslag, dat onderzocht kan worden in overleg tussen het sociaal secretariaat en de directie van de inspectie van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Dit ontwerpverslag bevat de aanmerkingen met betrekking tot de vastgestelde onregelmatigheden en de score voor dat controledomein.
  Voor de controledomeinen waarvoor een resultaat per kwartaal kan worden berekend wordt het ontwerpverslag opgemaakt na afloop van het kwartaal en nadat alle resultaten voor dat kwartaal bekend en verwerkt zijn.
  Voor de controledomeinen waarvoor het resultaat niet op kwartaalbasis kan worden berekend, wordt het ontwerpverslag opgemaakt nadat alle resultaten voor dat controledomein bekend en verwerkt zijn.
  Het betrokken sociaal secretariaat beschikt over een termijn van 15 werkdagen om te reageren vanaf de dag van ontvangst van een ontwerp-verslag. De Rijksdienst dient een gemotiveerd antwoord te geven op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten binnen een termijn van 15 werkdagen vanaf de dag van ontvangst van de reactie van het sociaal secretariaat. Als het resultaat niet door het sociaal secretariaat wordt betwist binnen een termijn van 15 werkdagen of na het gemotiveerd antwoord van de Rijksdienst op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten, stuurt de Rijksdienst het definitief verslag naar het betrokken sociaal secretariaat.
  § 4. Nadat de resultaten van alle controledomeinen voor de 4 kwartalen van een jaar bekend zijn, volgt mededeling van het globale eindresultaat in de vorm van een jaarverslag.
  Het betrokken sociaal secretariaat beschikt over een termijn van 15 werkdagen om te reageren vanaf de dag van ontvangst van het ontwerp-verslag. De Rijksdienst dient een gemotiveerd antwoord te geven op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten binnen een termijn van 15 werkdagen vanaf de dag van ontvangst van de reactie van het sociaal secretariaat. Als het resultaat niet door het sociaal secretariaat wordt betwist binnen een termijn van 15 werkdagen of na het gemotiveerd antwoord van de Rijksdienst op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten, stuurt de Rijksdienst het definitief verslag naar het betrokken sociaal secretariaat.
  Op basis van dit jaarverslag kan de Rijksdienst een positief verbeteringstraject overeenkomen of aanbevelingen en bijkomende richtlijnen formuleren.
  Wanneer de jaarverslagen zijn opgemaakt, wordt door de Rijksdienst in overleg met de Unie van Sociale Secretariaten een globaal evaluatieverslag over alle erkende sociale secretariaten opgemaakt, dat wordt besproken op een jaarlijkse vergadering tussen de Rijksdienst en de erkende sociale secretariaten. Op deze vergadering gebeurt een evaluatie en kunnen voorstellen tot bijsturing van de kwaliteitsbarometer worden geformuleerd.]1
 Â
  § 2. Het nazicht van de verschillende controledomeinen gebeurt op een continue basis door middel van deelcontroles via de interne diensten van de Rijksdienst, voor zover het de domeinen prioritaire anomalieën, niet-prioritaire anomalieën en crosscontroles betreft. Het nazicht gebeurt op de zetel of de bijkantoren van de erkende sociale secretariaten voor zover het de domeinen stilzwijgerscontroles en technische controles betreft. Het nazicht gebeurt op de zetel van het erkend sociaal secretariaat voor zover het domein van de financiële controles betreft.
  § 3. Na afloop van alle uitgevoerde deelcontroles met betrekking tot een controledomein deelt de Rijksdienst aan het betrokken sociaal secretariaat het resultaat mee onder de vorm van een ontwerp-verslag, dat onderzocht kan worden in overleg tussen het sociaal secretariaat en de directie van de inspectie van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Dit ontwerpverslag bevat de aanmerkingen met betrekking tot de vastgestelde onregelmatigheden en de score voor dat controledomein.
  Voor de controledomeinen waarvoor een resultaat per kwartaal kan worden berekend wordt het ontwerpverslag opgemaakt na afloop van het kwartaal en nadat alle resultaten voor dat kwartaal bekend en verwerkt zijn.
  Voor de controledomeinen waarvoor het resultaat niet op kwartaalbasis kan worden berekend, wordt het ontwerpverslag opgemaakt nadat alle resultaten voor dat controledomein bekend en verwerkt zijn.
  Het betrokken sociaal secretariaat beschikt over een termijn van 15 werkdagen om te reageren vanaf de dag van ontvangst van een ontwerp-verslag. De Rijksdienst dient een gemotiveerd antwoord te geven op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten binnen een termijn van 15 werkdagen vanaf de dag van ontvangst van de reactie van het sociaal secretariaat. Als het resultaat niet door het sociaal secretariaat wordt betwist binnen een termijn van 15 werkdagen of na het gemotiveerd antwoord van de Rijksdienst op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten, stuurt de Rijksdienst het definitief verslag naar het betrokken sociaal secretariaat.
  § 4. Nadat de resultaten van alle controledomeinen voor de 4 kwartalen van een jaar bekend zijn, volgt mededeling van het globale eindresultaat in de vorm van een jaarverslag.
  Het betrokken sociaal secretariaat beschikt over een termijn van 15 werkdagen om te reageren vanaf de dag van ontvangst van het ontwerp-verslag. De Rijksdienst dient een gemotiveerd antwoord te geven op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten binnen een termijn van 15 werkdagen vanaf de dag van ontvangst van de reactie van het sociaal secretariaat. Als het resultaat niet door het sociaal secretariaat wordt betwist binnen een termijn van 15 werkdagen of na het gemotiveerd antwoord van de Rijksdienst op de door het sociaal secretariaat aangehaalde argumenten, stuurt de Rijksdienst het definitief verslag naar het betrokken sociaal secretariaat.
  Op basis van dit jaarverslag kan de Rijksdienst een positief verbeteringstraject overeenkomen of aanbevelingen en bijkomende richtlijnen formuleren.
  Wanneer de jaarverslagen zijn opgemaakt, wordt door de Rijksdienst in overleg met de Unie van Sociale Secretariaten een globaal evaluatieverslag over alle erkende sociale secretariaten opgemaakt, dat wordt besproken op een jaarlijkse vergadering tussen de Rijksdienst en de erkende sociale secretariaten. Op deze vergadering gebeurt een evaluatie en kunnen voorstellen tot bijsturing van de kwaliteitsbarometer worden geformuleerd.]1
 Â
Art. 53/2. [1 § 1. Les résultats du baromÚtre de qualité sont calculés et communiqués progressivement aux secrétariats sociaux agréés.
  § 2. Les services internes de l'Office réalisent en permanence des contrÎles partiels pour vérifier les différents domaines de contrÎle pour autant qu'il soit question des domaines anomalies prioritaires, anomalies non prioritaires et contrÎles croisés. Le contrÎle a lieu au siÚge ou dans les succursales des secrétariats sociaux agréés quand il s'agit des domaines contrÎles silencieux et contrÎles techniques. S'agissant des contrÎles financiers, le contrÎle a lieu au siÚge du secrétariat social agréé.
  § 3. Quand tous les contrÎles partiels relatifs à un domaine de contrÎle ont été réalisés, l'Office communique au secrétariat social le résultat sous forme d'un projet de rapport. Le secrétariat social et la direction de l'inspection de l'Office National de Sécurité Sociale peuvent l'examiner en concertation. Ce rapport comprend les observations relatives aux irrégularités constatées ainsi que le score pour ce domaine de contrÎle.
  Pour les domaines de contrÎle dont le résultat peut se calculer sur une base trimestrielle, le projet de rapport est établi au terme du trimestre, lorsque tous les résultats relatifs au trimestre en question sont connus et ont été traités.
  Pour les domaines de contrÎle dont le résultat ne peut se calculer sur une base trimestrielle, le projet de rapport est établi lorsque tous les résultats relatifs au domaine de contrÎle en question sont connus et ont été traités.
  Le secrétariat social concerné dispose d'un délai de 15 jours ouvrables pour réagir à compter du jour de la réception du projet de rapport. L'Office doit motiver sa réponse aux arguments cités par le secrétariat social dans un délai de 15 jours ouvrables à partir du jour de réception de la réaction du secrétariat social. Si le secrétariat social ne conteste pas le résultat dans un délai de 15 jours ouvrables ou suite à la réponse motivée de l'Office aux arguments cités par le secrétariat social, l'Office National de Sécurité Sociale envoie le rapport définitif au secrétariat social concerné.
  § 4. Lorsque les résultats de tous les domaines de contrÎles sont connus pour les 4 trimestres de l'année, le résultat final global est communiqué sous la forme d'un rapport annuel.
  Le secrétariat social en question dispose d'un délai de 15 jours ouvrables pour réagir à compter du jour de la réception du projet de rapport. L'Office doit motiver sa réponse aux arguments cités par le secrétariat social dans un délai de 15 jours ouvrables à partir du jour de réception de la réaction du secrétariat social. Si le secrétariat social ne conteste pas le résultat dans un délai de 15 jours ouvrables ou suite à la réponse motivée de l'Office aux arguments cités par le secrétariat social, l'Office envoie le rapport définitif au secrétariat social concerné.
  Sur la base de ce rapport annuel, l'Office peut établir un trajet d'amélioration ou formuler des recommandations et des directives complémentaires.
  Une fois les rapports annuels rĂ©digĂ©s, l'Office Ă©tablit en concertation avec l'Union des SecrĂ©tariats Sociaux un rapport d'Ă©valuation global sur tous les secrĂ©tariats sociaux agréés. L'Office et les secrĂ©tariats sociaux agréés abordent et Ă©valuent ce rapport lors de leur rĂ©union annuelle, durant laquelle des propositions d'adaptation du baromĂštre de qualitĂ© peuvent ĂȘtre formulĂ©es.]1
 Â
  § 2. Les services internes de l'Office réalisent en permanence des contrÎles partiels pour vérifier les différents domaines de contrÎle pour autant qu'il soit question des domaines anomalies prioritaires, anomalies non prioritaires et contrÎles croisés. Le contrÎle a lieu au siÚge ou dans les succursales des secrétariats sociaux agréés quand il s'agit des domaines contrÎles silencieux et contrÎles techniques. S'agissant des contrÎles financiers, le contrÎle a lieu au siÚge du secrétariat social agréé.
  § 3. Quand tous les contrÎles partiels relatifs à un domaine de contrÎle ont été réalisés, l'Office communique au secrétariat social le résultat sous forme d'un projet de rapport. Le secrétariat social et la direction de l'inspection de l'Office National de Sécurité Sociale peuvent l'examiner en concertation. Ce rapport comprend les observations relatives aux irrégularités constatées ainsi que le score pour ce domaine de contrÎle.
  Pour les domaines de contrÎle dont le résultat peut se calculer sur une base trimestrielle, le projet de rapport est établi au terme du trimestre, lorsque tous les résultats relatifs au trimestre en question sont connus et ont été traités.
  Pour les domaines de contrÎle dont le résultat ne peut se calculer sur une base trimestrielle, le projet de rapport est établi lorsque tous les résultats relatifs au domaine de contrÎle en question sont connus et ont été traités.
  Le secrétariat social concerné dispose d'un délai de 15 jours ouvrables pour réagir à compter du jour de la réception du projet de rapport. L'Office doit motiver sa réponse aux arguments cités par le secrétariat social dans un délai de 15 jours ouvrables à partir du jour de réception de la réaction du secrétariat social. Si le secrétariat social ne conteste pas le résultat dans un délai de 15 jours ouvrables ou suite à la réponse motivée de l'Office aux arguments cités par le secrétariat social, l'Office National de Sécurité Sociale envoie le rapport définitif au secrétariat social concerné.
  § 4. Lorsque les résultats de tous les domaines de contrÎles sont connus pour les 4 trimestres de l'année, le résultat final global est communiqué sous la forme d'un rapport annuel.
  Le secrétariat social en question dispose d'un délai de 15 jours ouvrables pour réagir à compter du jour de la réception du projet de rapport. L'Office doit motiver sa réponse aux arguments cités par le secrétariat social dans un délai de 15 jours ouvrables à partir du jour de réception de la réaction du secrétariat social. Si le secrétariat social ne conteste pas le résultat dans un délai de 15 jours ouvrables ou suite à la réponse motivée de l'Office aux arguments cités par le secrétariat social, l'Office envoie le rapport définitif au secrétariat social concerné.
  Sur la base de ce rapport annuel, l'Office peut établir un trajet d'amélioration ou formuler des recommandations et des directives complémentaires.
  Une fois les rapports annuels rĂ©digĂ©s, l'Office Ă©tablit en concertation avec l'Union des SecrĂ©tariats Sociaux un rapport d'Ă©valuation global sur tous les secrĂ©tariats sociaux agréés. L'Office et les secrĂ©tariats sociaux agréés abordent et Ă©valuent ce rapport lors de leur rĂ©union annuelle, durant laquelle des propositions d'adaptation du baromĂštre de qualitĂ© peuvent ĂȘtre formulĂ©es.]1
 Â
Wijzigingen
Art. 53/3. [1 De artikelen 48, § 1, 3°, 53, 53/1 en 53/2 van dit besluit zijn, met uitzondering van wat is bepaald in artikel 53/1, § 2, 3°, ook van toepassing op de sociale dienstverrichters zoals bepaald in artikel 31ter, § 2, 1°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.]1
 Â
 Â
Art. 53/3. [1 Les articles 48, § 1, 3°, 53, 53/1 et 53/2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'appliquent, Ă l'exception de ce qui est stipulĂ© Ă l'article 53/1, § 2, 3°, Ă©galement aux prestataires de services sociaux comme prĂ©cisĂ© Ă l'article 31ter, § 2, 1°, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s.]1
 Â
 Â
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. _ Burgerlijke sancties.
CHAPITRE V. _ Sanctions civiles.
Art. 54. Op de bijdragen die niet betaald zijn binnen de termijnen [2 bepaald in de artikelen 34, vijfde en zesde lid, 34ter, 35bis en 41, § 1, derde lid]2, is de werkgever een bijdrageopslag van 10 pct. van hun bedrag verschuldigd, alsmede (een verwijlintrest van 7 pct. per jaar), te rekenen van het verstrijken van deze termijnen tot op de dag waarop de betaling plaats heeft. <KB 15-06-1970, art. 54, 1°> <KB 1996-12-05/35, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 01-09-1996> <KB 2000-07-18/40, art. 1, 092; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
  (Tweede lid opgeheven) <KB 2006-06-22/50, art. 3, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Derde lid opgeheven) <KB 2006-06-22/50, art. 3, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (De bijdragen die de erkende sociale secretariaten van werkgevers van hun aangeslotenen binnen de termijnen bepaald bij [1 artikel 34, 2e en 4e lid]1, hebben ontvangen, en die niet worden doorgestort binnen de termijnen bepaald bij [1 artikel 34, 5e lid]1, geven in hoofde van de erkende sociale secretariaten aanleiding tot de aanrekening van een verwijlintrest van 25 pct. per jaar, te rekenen van het verstrijken van die termijnen tot op de dag van de betaling.) <KB 1994-03-29/32, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 1994-07-01>
  (Vijfde lid opgeheven) <KB 2006-06-22/50, art. 3, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
 Â
  (Tweede lid opgeheven) <KB 2006-06-22/50, art. 3, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Derde lid opgeheven) <KB 2006-06-22/50, art. 3, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (De bijdragen die de erkende sociale secretariaten van werkgevers van hun aangeslotenen binnen de termijnen bepaald bij [1 artikel 34, 2e en 4e lid]1, hebben ontvangen, en die niet worden doorgestort binnen de termijnen bepaald bij [1 artikel 34, 5e lid]1, geven in hoofde van de erkende sociale secretariaten aanleiding tot de aanrekening van een verwijlintrest van 25 pct. per jaar, te rekenen van het verstrijken van die termijnen tot op de dag van de betaling.) <KB 1994-03-29/32, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 1994-07-01>
  (Vijfde lid opgeheven) <KB 2006-06-22/50, art. 3, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
 Â
Art. 54. Les cotisations non payĂ©es dans les dĂ©lais [2 fixĂ©s par les articles 34, alinĂ©as 5 et 6, 34ter, 35bis et 41, § 1er, alinĂ©a 3]2, donnant lieu Ă dĂ©bition par l'employeur d'une majoration de cotisations de 10 p.c. du montant dĂ», et (d'un intĂ©rĂȘt de retard de 7 p.c. l'an) Ă partir de l'expiration desdits dĂ©lais jusqu'au jour de leur paiement. <AR 15-06-1970, art. 7, 1°> <AR 1996-12-05/35, art. 1er, 068; En vigueur : 01-09-1996> <AR 2000-07-18/40, art. 1, 092; En vigueur : 01-10-2000>
  (Alinéa 2 abrogé) <AR 2006-06-22/50, art. 3, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  (Alinéa 3 abrogé) <AR 2006-06-22/50, art. 3, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  (Les cotisations reçues de leurs affiliĂ©s par les secrĂ©tariats sociaux agréés d'employeurs, dans les dĂ©lais fixĂ©s respectivement par l'[1 article 34, alinĂ©a 2 et 4]1, et non transfĂ©rĂ©es Ă l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale dans les dĂ©lais fixĂ©s par l'[1 article 34, alinĂ©a 5]1, donnent lieu Ă dĂ©bition par les secrĂ©tariats sociaux agréés d'employeurs d'un intĂ©rĂȘt de retard de 25 p.c. l'an Ă partir de l'expiration desdits dĂ©lais de transfert jusqu'au jour de leur paiement.) <AR 1994-03-29/32, art. 1, 054; En vigueur : 01-07-1994>
  (Alinéa 5 abrogé) <AR 2006-06-22/50, art. 3, 129; En vigueur : 01-01-2006>
 Â
  (Alinéa 2 abrogé) <AR 2006-06-22/50, art. 3, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  (Alinéa 3 abrogé) <AR 2006-06-22/50, art. 3, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  (Les cotisations reçues de leurs affiliĂ©s par les secrĂ©tariats sociaux agréés d'employeurs, dans les dĂ©lais fixĂ©s respectivement par l'[1 article 34, alinĂ©a 2 et 4]1, et non transfĂ©rĂ©es Ă l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale dans les dĂ©lais fixĂ©s par l'[1 article 34, alinĂ©a 5]1, donnent lieu Ă dĂ©bition par les secrĂ©tariats sociaux agréés d'employeurs d'un intĂ©rĂȘt de retard de 25 p.c. l'an Ă partir de l'expiration desdits dĂ©lais de transfert jusqu'au jour de leur paiement.) <AR 1994-03-29/32, art. 1, 054; En vigueur : 01-07-1994>
  (Alinéa 5 abrogé) <AR 2006-06-22/50, art. 3, 129; En vigueur : 01-01-2006>
 Â
Art. 54bis. [1 De werkgever die voor een kwartaal voorschotten in de zin van artikel 34, tweede lid, verschuldigd is en die zijn verplichtingen ter zake niet nakomt, is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een vaste vergoeding verschuldigd naar verhouding van de "schijf" van aangegeven bijdragen voor het betrokken kwartaal.]1 Deze sanctie wordt als volgt toegepast :
Art. 54bis. [1 L'employeur qui pour un trimestre est redevable de provisions au sens de l'article 34, alinéa 2 et qui ne respecte pas ses obligations en la matiÚre est redevable à l'Office national de Sécurité sociale d'une indemnité forfaitaire qui est fonction de la "tranche" de cotisations déclarées au trimestre concerné.]1 Cette sanction est appliquée comme suit :
| [ Bedrag van de aangegeven bijdragen | Sancties |
| Â | Â |
| 0 tot 18 592,03 EUR | 123,95 EUR |
| 18 592,04 tot 24 789,37 EUR | 185,92 EUR |
| 24 789,38 tot 37 184,04 EUR | 247,89 EUR |
| 37 184,05 tot 49 578,72 EUR | 371,84 EUR |
| 49 578,73 tot 61 973,40 EUR | 495,79 EUR |
| 61 973,41 tot 74 368,07 EUR | 619,73 EUR |
| 74 368,08 ot 99 157,42 EUR | 743,68 EUR |
| 99 157,43 tot 123 946,78 EUR | 991,57 EUR |
| 123 946,79 tot 198 314,84 EUR | 1 239,47 EUR |
| 198 314,85 tot 247 893,54 EUR | 1 983,15 EUR |
| 247 893,55 tot 495 787,06 EUR | 2 478,94 EUR |
| 495 787,07 tot 743 680,59 EUR | 4 957,87 EUR |
| 743 680,60 tot 991 574,11 EUR | 7 436,81 |
| 991 574,12 tot 1 239 467,62 EUR | 9 915,74 EUR |
| + de 1 239 467,62 EUR | 12 394,68 EUR] |
| <KB 2001-12-11/44, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 01-01-2002> | |
| [ Montant des cotisations déclarées | Sanctions |
| Â | Â |
| 0 Ă 18 592,03 EUR | 123,95 EUR |
| 18 592,04 Ă 24 789,37 EUR | 185,92 EUR |
| 24 789,38 Ă 37 184,04 EUR | 247,89 EUR |
| 37 184,05 Ă 49 578,72 EUR | 371,84 EUR |
| 49 578,73 Ă 61 973,40 EUR | 495,79 EUR |
| 61 973,41 Ă 74 368,07 EUR | 619,73 EUR |
| 74 368,08 Ă 99 157,42 EUR | 743,68 EUR |
| 99 157,43 Ă 123 946,78 EUR | 991,57 EUR |
| 123 946,79 Ă 198 314,84 EUR | 1 239,47 EUR |
| 198 314,85 Ă 247 893,54 EUR | 1 983,15 EUR |
| 247 893,55 Ă 495 787,06 EUR | 2 478,94 EUR |
| 495 787,07 Ă 743 680,59 EUR | 4 957,87 EUR |
| 743 680,60 Ă 991 574,11 EUR | 7 436,81 EUR |
| 991 574,12 Ă 1 239 467,62 EUR | 9 915,74 EUR |
| + de 1 239 467,62 EUR | 12 394,68 EUR] |
| <AR 2001-12-11/44, art. 1, 100; En vigueur : 01-01-2002> | |
Wijzigingen
Wijzigingen
Art. 54ter. <INGEVOEGD bij KB 2006-06-22/50, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2006> § 1. Onverminderd de burgerlijke sancties bedoeld in de artikelen 54 en 54bis, is de werkgever [1 of de curator]1 bij gebrek aan aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte een forfaitaire vergoeding van 50 euro verschuldigd voor de ambtshalve opmaak door de ambtenaren bedoeld in artikel 31 van de wet of de ambtshalve rechtzetting van de kwartaalaangifte door de ambtenaren bedoeld in artikel 31 van de wet of door de binnendiensten van de Rijksdienst. Deze forfaitaire vergoeding wordt vermeerderd met een vergoeding van 4 euro per ontbrekende tewerkstellingslijn of per tewerkstellingslijn waarvoor het in aanmerking te nemen loon is gewijzigd.
  Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 55 wordt verstaan onder :
  1° onvolledige aangifte : een aangifte waarvoor, zes maanden na het einde van het betrokken kwartaal, één of meerdere tewerkstellingslijnen ontbreken en waarvoor het aantal natuurlijke personen waarvoor deze tewerkstellingslijnen ontbreken ten minste 5 % vertegenwoordigt van het totaal aantal natuurlijke personen vermeld in de aangifte;
  2° onjuiste aangifte : een aangifte waarvoor zes maanden na het einde van het betrokken kwartaal elementen ontbreken van het loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, waarbij deze ontbrekende elementen van het in aanmerking te nemen loon minstens 5 % vertegenwoordigen van de totale loonmassa vermeld in de aangifte;
  3° " ambtshalve " : elke opmaak of rechtzetting die niet worden uitgevoerd door, op het initiatief van of op vraag van de werkgever of zijn lasthebber [1 , of, in geval van faillissement, op het initiatief van of op vraag van de curator.]1.
  § 2. Wanneer de kwartaalaangifte en de vereiste bijlagen niet binnen de termijn bedoeld in het artikel 33 of in artikel 35bis worden ingediend bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, is de werkgever [1 of de curator]1 een forfaitaire vergoeding van 495,79 euro verschuldigd, vermeerderd met 247,89 euro per schijf van 24.789,35 euro aan bijdragen boven 49.578,70 euro.
  [2 ...]2
  Dezelfde bedragen zijn van toepassing als de Rijksdienst voor sociale zekerheid vaststelt dat de werkgever of zijn mandataris [1 of de curator die in de hoedanigheid van werkgever de activiteiten voortzet]1 gewoonlijk een onvolledige of onjuiste aangifte overmaakt. Hij zal de werkgever of zijn mandataris [1 of de curator die in de hoedanigheid van werkgever de activiteiten voortzet]1 per aangetekende brief verwittigen en zal vervolgens de forfaitaire vergoeding toepassen voor het of de volgende kwartalen als de werkgever of zijn mandataris [1 of de curator die in de hoedanigheid van werkgever de activiteiten voortzet]1 in dezelfde fout vervalt.
 Â
  Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 55 wordt verstaan onder :
  1° onvolledige aangifte : een aangifte waarvoor, zes maanden na het einde van het betrokken kwartaal, één of meerdere tewerkstellingslijnen ontbreken en waarvoor het aantal natuurlijke personen waarvoor deze tewerkstellingslijnen ontbreken ten minste 5 % vertegenwoordigt van het totaal aantal natuurlijke personen vermeld in de aangifte;
  2° onjuiste aangifte : een aangifte waarvoor zes maanden na het einde van het betrokken kwartaal elementen ontbreken van het loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen, waarbij deze ontbrekende elementen van het in aanmerking te nemen loon minstens 5 % vertegenwoordigen van de totale loonmassa vermeld in de aangifte;
  3° " ambtshalve " : elke opmaak of rechtzetting die niet worden uitgevoerd door, op het initiatief van of op vraag van de werkgever of zijn lasthebber [1 , of, in geval van faillissement, op het initiatief van of op vraag van de curator.]1.
  § 2. Wanneer de kwartaalaangifte en de vereiste bijlagen niet binnen de termijn bedoeld in het artikel 33 of in artikel 35bis worden ingediend bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, is de werkgever [1 of de curator]1 een forfaitaire vergoeding van 495,79 euro verschuldigd, vermeerderd met 247,89 euro per schijf van 24.789,35 euro aan bijdragen boven 49.578,70 euro.
  [2 ...]2
  Dezelfde bedragen zijn van toepassing als de Rijksdienst voor sociale zekerheid vaststelt dat de werkgever of zijn mandataris [1 of de curator die in de hoedanigheid van werkgever de activiteiten voortzet]1 gewoonlijk een onvolledige of onjuiste aangifte overmaakt. Hij zal de werkgever of zijn mandataris [1 of de curator die in de hoedanigheid van werkgever de activiteiten voortzet]1 per aangetekende brief verwittigen en zal vervolgens de forfaitaire vergoeding toepassen voor het of de volgende kwartalen als de werkgever of zijn mandataris [1 of de curator die in de hoedanigheid van werkgever de activiteiten voortzet]1 in dezelfde fout vervalt.
 Â
Art. 54ter. § 1er. Sans préjudice des sanctions civiles prévues aux articles 54 et 54bis, en l'absence de déclaration ou en cas de déclaration incomplÚte ou inexacte, la rédaction d'office par les fonctionnaires visés à l'article 31 de la loi ou la rectification d'office de la déclaration trimestrielle par les fonctionnaires visés à l'article 31 de la loi ou par les services intérieurs de l'Office donne lieu à débition par l'employeur [1 ou par le curateur]1 d'une indemnité forfaitaire de 50 euros, augmentée d'une indemnité de 4 euros par ligne d'occupation manquante ou pour laquelle la rémunération à prendre en compte est modifiée.
  Pour l'application du présent article et de l'article 55, on entend par :
  1° déclaration incomplÚte : une déclaration pour laquelle, six mois aprÚs la fin du trimestre concerné, une ou plusieurs lignes d'occupation font défaut et pour laquelle le nombre de personnes physiques pour lesquelles ces lignes d'occupation font défaut représente au moins 5 % du nombre total de personnes physiques reprises dans la déclaration;
  2° déclaration inexacte : une déclaration pour laquelle, six mois aprÚs la fin du trimestre concerné, des éléments de la rémunération à prendre en considération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale font défaut, ces éléments manquants de la rémunération à prendre en considération représentant au moins 5 % de la masse salariale totale reprise dans la déclaration;
  3° " d'office " : toute rédaction ou rectification qui ne sont pas effectuées par ou sur l'initiative ou à la demande de l'employeur ou de son mandataire [1 , ou, en cas de faillite, à l'initiative ou à la demande du curateur.]1.
  § 2. Le défaut de remise à l'Office national de sécurité sociale, dans le délai prévu à l'article 33 ou à l'article 35bis, de la déclaration trimestrielle et des annexes requises donne lieu à débition, par l'employeur, [1 ou par le curateur]1 d'une indemnité forfaitaire de 495,79 euros, augmentée de 247,89 euros par tranche de 24.789,35 euros de cotisations au-delà de 49.578,70 euros.
  [2 ...]2
  Ces mĂȘmes montants sont d'application lorsque l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale constate que l'employeur ou son mandataire [1 ou le curateur qui poursuit les activitĂ©s en qualitĂ© d'employeur]1 transmet habituellement une dĂ©claration incomplĂšte ou inexacte. Il avertit l'employeur ou son mandataire [1 ou le curateur qui poursuit les activitĂ©s en qualitĂ© d'employeur]1 par lettre recommandĂ©e et applique ensuite l'indemnitĂ© forfaitaire pour le ou les trimestres suivants si l'employeur ou son mandataire [1 ou le curateur qui poursuit les activitĂ©s en qualitĂ© d'employeur]1 rĂ©cidive.
 Â
  Pour l'application du présent article et de l'article 55, on entend par :
  1° déclaration incomplÚte : une déclaration pour laquelle, six mois aprÚs la fin du trimestre concerné, une ou plusieurs lignes d'occupation font défaut et pour laquelle le nombre de personnes physiques pour lesquelles ces lignes d'occupation font défaut représente au moins 5 % du nombre total de personnes physiques reprises dans la déclaration;
  2° déclaration inexacte : une déclaration pour laquelle, six mois aprÚs la fin du trimestre concerné, des éléments de la rémunération à prendre en considération pour le calcul des cotisations de sécurité sociale font défaut, ces éléments manquants de la rémunération à prendre en considération représentant au moins 5 % de la masse salariale totale reprise dans la déclaration;
  3° " d'office " : toute rédaction ou rectification qui ne sont pas effectuées par ou sur l'initiative ou à la demande de l'employeur ou de son mandataire [1 , ou, en cas de faillite, à l'initiative ou à la demande du curateur.]1.
  § 2. Le défaut de remise à l'Office national de sécurité sociale, dans le délai prévu à l'article 33 ou à l'article 35bis, de la déclaration trimestrielle et des annexes requises donne lieu à débition, par l'employeur, [1 ou par le curateur]1 d'une indemnité forfaitaire de 495,79 euros, augmentée de 247,89 euros par tranche de 24.789,35 euros de cotisations au-delà de 49.578,70 euros.
  [2 ...]2
  Ces mĂȘmes montants sont d'application lorsque l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale constate que l'employeur ou son mandataire [1 ou le curateur qui poursuit les activitĂ©s en qualitĂ© d'employeur]1 transmet habituellement une dĂ©claration incomplĂšte ou inexacte. Il avertit l'employeur ou son mandataire [1 ou le curateur qui poursuit les activitĂ©s en qualitĂ© d'employeur]1 par lettre recommandĂ©e et applique ensuite l'indemnitĂ© forfaitaire pour le ou les trimestres suivants si l'employeur ou son mandataire [1 ou le curateur qui poursuit les activitĂ©s en qualitĂ© d'employeur]1 rĂ©cidive.
 Â
Art. 55. § 1. (De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid mag, onder de voorwaarden bepaald door zijn beheerscomité, en goedgekeurd door de Minister van Sociale Voorzorg, afzien van de toepassing van de bijdrageopslagen en de verwijlintresten, bedoeld bij artikel 54, eerste lid, wanneer de bijdragen betaald werden vóór het einde van [5 de tweede maand die volgt op het kwartaal waarop ze betrekking hebben]5.
  Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de toepassing van de vergoeding, bedoeld (bij artikel 54ter, § 2), wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen ingediend werden vóór het einde van [5 de tweede maand die volgt op het kwartaal waarop ze betrekking hebben]5. (Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de vaste vergoeding, bedoeld in artikel 54bis.) <KB 2000-07-18/40, art. 3, 1°, 092; Inwerkingtreding : 01-10-2000> <KB 2006-06-22/50, art. 2, 1°, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Hij mag afzien van de betaling van de burgerlijke sancties bedoeld bij de voorgaande leden en bij artikel 54, vijfde lid, wanneer de werkgever [2 of de curator]2 aantoont dat hij wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de vastgestelde termijn.)) <KB 23-01-1974, art. 1> <KB 1999-07-01/47, art. 3, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 2. Wanneer de werkgever [2 of de curator]2 het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen (en/of de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis) met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever [2 of de curator]21 alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald [1 behalve wanneer de vrij te stellen periode bijdragen betreft die vervallen in de drie eerste kwartalen 2009 en die het voorwerp uitmaken van betalingstermijnen toegestaan bij toepassing van artikel 43octies en volgende van dit besluit.]1 <KB 2000-07-18/40, art. 3, 2°, 092; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
  (Insgelijks, indien de werkgever [2 of de curator]2 het bewijs levert van uitzonderlijke omstandigheden, dat het laattijdig indienen van de aangifte of het indienen van een onvolledige of onjuiste aangifte rechtvaardigt, kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid het bedrag van de forfaitaire vergoedingen bedoeld in artikel 54ter met ten hoogste 50 p.c. verminderen. De uitoefening van deze mogelijkheid is weliswaar onderworpen aan het indienen en voorafgaande betaling door de werkgever [2 of de curator]2 van alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen.) <KB 2006-06-22/50, art. 2, 2°, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [3 Insgelijks, indien de werkgever of de curator het bewijs levert van uitzonderlijke omstandigheden die het niet indienen van de aangifte of het indienen van een onvolledige of onjuiste aangifte voor één of meerdere voertuigen onderworpen aan de solidariteitsbijdrage rechtvaardigen, kan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bedrag van de forfaitaire vergoeding bedoeld in artikel 38, § 3quater, 10°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers met ten hoogste 50 p.c. verminderen. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan van deze mogelijkheid slechts gebruik maken indien de werkgever of de curator vooraf alle vervallen socialezekerheidsbijdragen heeft betaald en een aangifte daartoe heeft ingediend.]3
  § 3. [1 De vermindering met 50 pct. van het bedrag van de bijdrageopslagen en/of de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis en van het bedrag van de nog verschuldigde verwijlinteresten met 25 pct., voor zover deze betrekking hebben op de bijdragen vervallen tijdens de drie eerste kwartalen 2009, kunnen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op respectievelijk 100 pct. en 50 pct. worden gebracht:]1
  1° wanneer de werkgever [2 of de curator]2, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967;
  2° wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen (of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang) bij wijze van uitzondering, verantwoord is. <KB 5-11-1971, art. 1>
  [1 Wanneer de Rijksdienst het bedrag van de verschuldigde verwijlintresten vermindert, wordt rekening gehouden met de Euribor-rentevoet 1 jaar opdat, na toepassing van de vrijstelling, de nog verschuldigde verwijlintresten altijd hoger zouden liggen dan de rentevoet.]1
  [5 § 3/1. De vermindering met 50 pct. van het bedrag van de bijdrageopslagen en van de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis kan door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 100 pct. worden gebracht wanneer de werkgever, die zijn bijdragen niet gewoonlijk buiten de termijnen vastgesteld bij de artikelen 34, 35bis, § 1, eerste lid, en 41, § 1, lid 3 van genoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 betaald heeft en die door het niet-betalen binnen de vastgestelde termijn van de voor bedoeld kwartaal aangegeven bijdragen de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsregeling niet schaadt, voor een gegeven kwartaal (K), de bijdragen die betrekking hebben op dit kwartaal (K) heeft betaald voor het einde van de derde maand die volgt op het kwartaal en die de bijdragen voor het volgend kwartaal (K+1) heeft betaald binnen de termijnen vastgesteld bij de artikelen 34, 35bis, § 1, eerste lid en 41, § 1, derde lid.]5
  (§ 4. De voornoemde vermindering met 50 p.c. van het bedrag van de forfaitaire vergoedingen bedoeld in artikel 54ter kan door de Rijksdienst voor sociale zekerheid op 100 p.c. worden gebracht wanner zijn Beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende redenen van billijkheid, bij wijze van uitzondering, verantwoord is.) <KB 2006-06-22/50, art. 2, 3°, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [4 § 5. De voornoemde vermindering met 50 p.c. van het bedrag van de forfaitaire vergoeding bedoeld in artikel 38, § 3quater, 10°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers kan door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 100 p.c. worden gebracht wanneer zijn Beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende redenen van billijkheid, bij wijze van uitzondering, verantwoord is.]4
 Â
  Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de toepassing van de vergoeding, bedoeld (bij artikel 54ter, § 2), wanneer de kwartaalaangifte en haar bijlagen ingediend werden vóór het einde van [5 de tweede maand die volgt op het kwartaal waarop ze betrekking hebben]5. (Onder dezelfde voorwaarden kan hij afzien van de vaste vergoeding, bedoeld in artikel 54bis.) <KB 2000-07-18/40, art. 3, 1°, 092; Inwerkingtreding : 01-10-2000> <KB 2006-06-22/50, art. 2, 1°, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  (Hij mag afzien van de betaling van de burgerlijke sancties bedoeld bij de voorgaande leden en bij artikel 54, vijfde lid, wanneer de werkgever [2 of de curator]2 aantoont dat hij wegens behoorlijk bewezen overmacht, onmogelijk zijn verplichtingen heeft kunnen nakomen binnen de vastgestelde termijn.)) <KB 23-01-1974, art. 1> <KB 1999-07-01/47, art. 3, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 2. Wanneer de werkgever [2 of de curator]2 het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen (en/of de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis) met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever [2 of de curator]21 alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald [1 behalve wanneer de vrij te stellen periode bijdragen betreft die vervallen in de drie eerste kwartalen 2009 en die het voorwerp uitmaken van betalingstermijnen toegestaan bij toepassing van artikel 43octies en volgende van dit besluit.]1 <KB 2000-07-18/40, art. 3, 2°, 092; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
  (Insgelijks, indien de werkgever [2 of de curator]2 het bewijs levert van uitzonderlijke omstandigheden, dat het laattijdig indienen van de aangifte of het indienen van een onvolledige of onjuiste aangifte rechtvaardigt, kan de Rijksdienst voor sociale zekerheid het bedrag van de forfaitaire vergoedingen bedoeld in artikel 54ter met ten hoogste 50 p.c. verminderen. De uitoefening van deze mogelijkheid is weliswaar onderworpen aan het indienen en voorafgaande betaling door de werkgever [2 of de curator]2 van alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen.) <KB 2006-06-22/50, art. 2, 2°, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [3 Insgelijks, indien de werkgever of de curator het bewijs levert van uitzonderlijke omstandigheden die het niet indienen van de aangifte of het indienen van een onvolledige of onjuiste aangifte voor één of meerdere voertuigen onderworpen aan de solidariteitsbijdrage rechtvaardigen, kan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het bedrag van de forfaitaire vergoeding bedoeld in artikel 38, § 3quater, 10°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers met ten hoogste 50 p.c. verminderen. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan van deze mogelijkheid slechts gebruik maken indien de werkgever of de curator vooraf alle vervallen socialezekerheidsbijdragen heeft betaald en een aangifte daartoe heeft ingediend.]3
  § 3. [1 De vermindering met 50 pct. van het bedrag van de bijdrageopslagen en/of de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis en van het bedrag van de nog verschuldigde verwijlinteresten met 25 pct., voor zover deze betrekking hebben op de bijdragen vervallen tijdens de drie eerste kwartalen 2009, kunnen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op respectievelijk 100 pct. en 50 pct. worden gebracht:]1
  1° wanneer de werkgever [2 of de curator]2, ter verantwoording, het bewijs levert dat op het ogenblik dat de schuld eisbaar werd, hij een vaste en eisbare schuldvordering bezat ten opzichte van het Rijk, een provincie of provinciale openbare instelling, een gemeente, een vereniging van gemeenten, een gemeentelijke of intercommunale openbare instelling of een instelling van openbaar nut beoogd bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut of een maatschappij beoogd bij artikel 24 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 88 van 11 november 1967;
  2° wanneer zijn beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende billijkheidsredenen (of wegens dringende redenen van nationaal of gewestelijk economisch belang) bij wijze van uitzondering, verantwoord is. <KB 5-11-1971, art. 1>
  [1 Wanneer de Rijksdienst het bedrag van de verschuldigde verwijlintresten vermindert, wordt rekening gehouden met de Euribor-rentevoet 1 jaar opdat, na toepassing van de vrijstelling, de nog verschuldigde verwijlintresten altijd hoger zouden liggen dan de rentevoet.]1
  [5 § 3/1. De vermindering met 50 pct. van het bedrag van de bijdrageopslagen en van de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54bis kan door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 100 pct. worden gebracht wanneer de werkgever, die zijn bijdragen niet gewoonlijk buiten de termijnen vastgesteld bij de artikelen 34, 35bis, § 1, eerste lid, en 41, § 1, lid 3 van genoemd koninklijk besluit van 28 november 1969 betaald heeft en die door het niet-betalen binnen de vastgestelde termijn van de voor bedoeld kwartaal aangegeven bijdragen de regelmatige financiering van de sociale zekerheidsregeling niet schaadt, voor een gegeven kwartaal (K), de bijdragen die betrekking hebben op dit kwartaal (K) heeft betaald voor het einde van de derde maand die volgt op het kwartaal en die de bijdragen voor het volgend kwartaal (K+1) heeft betaald binnen de termijnen vastgesteld bij de artikelen 34, 35bis, § 1, eerste lid en 41, § 1, derde lid.]5
  (§ 4. De voornoemde vermindering met 50 p.c. van het bedrag van de forfaitaire vergoedingen bedoeld in artikel 54ter kan door de Rijksdienst voor sociale zekerheid op 100 p.c. worden gebracht wanner zijn Beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende redenen van billijkheid, bij wijze van uitzondering, verantwoord is.) <KB 2006-06-22/50, art. 2, 3°, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  [4 § 5. De voornoemde vermindering met 50 p.c. van het bedrag van de forfaitaire vergoeding bedoeld in artikel 38, § 3quater, 10°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers kan door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 100 p.c. worden gebracht wanneer zijn Beheerscomité bij een met eenparigheid van stemmen getroffen gemotiveerde beslissing, aanvaardt dat zulke vermindering, wegens dwingende redenen van billijkheid, bij wijze van uitzondering, verantwoord is.]4
 Â
Wijzigingen
Art. 55. § 1er (L'Office national de sĂ©curitĂ© sociale peut renoncer Ă l'application des majorations de cotisations ou des intĂ©rĂȘts de retard, visĂ©s Ă l'article 54, alinĂ©a 1er, dans les conditions dĂ©terminĂ©es par son comitĂ© de gestion et approuvĂ©es par le Ministre de la PrĂ©voyance sociale, lorsque les cotisations ont Ă©tĂ© payĂ©es avant la fin [5 du deuxiĂšme mois qui suit le trimestre civil auquel elles se rapportent]5. (Dans les mĂȘmes conditions, il peut renoncer au paiement des indemnitĂ©s forfaitaires visĂ©es Ă l'article 54bis.) <AR 2000-07-18/40, art. 3, 1°, 092; En vigueur : 01-10-2000>
  Dans les mĂȘmes conditions, il peut renoncer Ă l'application de l'indemnitĂ©, visĂ©e (Ă l'article 54ter, § 2), lorsque la dĂ©claration trimestrielle et ses annexes ont Ă©tĂ© remises avant la fin [5 du deuxiĂšme mois qui suit le trimestre civil auquel elles se rapportent]5. <AR 2006-06-22/50, art. 2, 1°, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  (Il peut renoncer au paiement des sanctions civiles visées aux alinéas précédents et à l'article 54, alinéa 5, lorsque l'employeur [2 ou le curateur]2 établit qu'il a été dans l'impossibilité de remplir ses obligations dans les délais fixés en raison d'un cas de force majeure dûment justifié.)) <AR 23-01-1974, art. 1er> <AR 1999-07-01/47, art. 3, 086; En vigueur : 01-01-2000>
  § 2. Lorsque l'employeur [2 ou le curateur]2 apporte la preuve de circonstances exceptionnelles, justificatives du dĂ©faut de paiement des cotisations dans les dĂ©lais rĂ©glementaires, l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale peut rĂ©duire au maximum de 50 p.c. le montant des majorations de cotisations (et/ou de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 54bis) et au maximum de 25 p.c. le montant des intĂ©rĂȘts de retard dus. L'exercice de cette facultĂ© est toutefois subordonnĂ© au paiement prĂ©alable par l'employeur [2 ou le curateur]2 de toutes ses cotisations de sĂ©curitĂ© sociale Ă©chues [1 , sauf dans le cas oĂč la pĂ©riode Ă exonĂ©rer concerne des cotisations Ă©chues pendant les trois premiers trimestres de 2009 qui font l'objet de dĂ©lais de paiement accordĂ©s en application des articles 43octies et suivants du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]1 <AR 2000-07-18/40, art. 3, 2, 092; En vigueur : 01-10-2000>
  (De mĂȘme, lorsque l'employeur [2 ou le curateur]2 apporte la preuve de circonstances exceptionnelles, justificatives de la rentrĂ©e tardive de sa dĂ©claration ou de la rentrĂ©e d'une dĂ©claration incomplĂšte ou inexacte, l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale peut rĂ©duire au maximum de 50 p.c. le montant des indemnitĂ©s forfaitaires visĂ©es Ă l'article 54ter. L'Office national de sĂ©curitĂ© sociale ne peut faire usage de cette possibilitĂ© que si l'employeur [2 ou le curateur]2 a prĂ©alablement payĂ© toutes les cotisations de sĂ©curitĂ© sociale Ă©chues et a remis une dĂ©claration Ă cette fin.) <AR 2006-06-22/50, art. 2, 2°, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  [3 De mĂȘme, lorsque l'employeur ou le curateur apporte la preuve de circonstances exceptionnelles, justificatives de l'absence de dĂ©claration ou de dĂ©claration incomplĂšte ou inexacte d'un ou de plusieurs vĂ©hicules soumis Ă la cotisation de solidaritĂ©, l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale peut rĂ©duire au maximum de 50 p.c. le montant de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 38, § 3quater, 10° de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la SĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s. L'Office national de sĂ©curitĂ© sociale ne peut faire usage de cette possibilitĂ© que si l'employeur ou le curateur a prĂ©alablement payĂ© toutes les cotisations de sĂ©curitĂ© sociale Ă©chues et a remis une dĂ©claration Ă cette fin.]3
  § 3. [1 Les rĂ©ductions susvisĂ©es de 50 p.c. du montant des majorations de cotisations et/ou de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 54bis et de 25 p.c. du montant des intĂ©rĂȘts de retard dus pour les cotisations Ă©chues durant les trois premiers trimestres 2009 peuvent ĂȘtre respectivement portĂ©es Ă 100 p.c. et 50 p.c. par l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale:]1
  1° lorsque l'employeur [2 ou le curateur]2, a l'appui de sa justification, apporte la preuve qu'au moment de l'exigibilitĂ© de la dette, il possĂ©dait une crĂ©ance certaine et exigible Ă l'Ă©gard de l'Etat, d'une province ou d'un Ă©tablissement public provincial, d'une commune, d'une association de communes ou d'un Ă©tablissement public communal ou intercommunal, ou d'un organisme d'intĂ©rĂȘt public visĂ© Ă l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrĂŽle de certains organismes d'intĂ©rĂȘt public ou d'une sociĂ©tĂ© visĂ©e Ă l'article 24 de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘte royal n° 88 du 11 novembre 1967:
  2° lorsque son comitĂ© de gestion admet par dĂ©cision motivĂ©e prise Ă l'unanimitĂ©, que des raisons impĂ©rieuses d'Ă©quitĂ© (ou d'intĂ©rĂȘt Ă©conomique national ou rĂ©gional) justifient, Ă titre exceptionnel, pareille rĂ©duction. <AR 5-11-1971, art. 1er>
  [1 Lorsque l'Office rĂ©duit le montant des intĂ©rĂȘts de retard dus, il est tenu compte du taux d'intĂ©rĂȘts Euribor 1 an afin qu'aprĂšs application de l'exonĂ©ration, les intĂ©rĂȘts restant dus soient toujours supĂ©rieurs au taux du marchĂ©.]1
  [5 § 3/1. La rĂ©duction de 50 p.c. du montant des majorations de cotisations et de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 54bis peut ĂȘtre portĂ©e Ă 100 p.c. par l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale lorsque l'employeur, qui n'a pas habituellement payĂ© ses cotisations en dehors des dĂ©lais fixĂ©s par les articles 34, 35bis, § 1er, alinĂ©a 1er, et 41, § 1er, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 28 novembre 1969 et qui, par le non-paiement dans le dĂ©lai fixĂ© des cotisations dĂ©clarĂ©es pour le trimestre en cause ne porte pas atteinte au financement rĂ©gulier du rĂ©gime de la sĂ©curitĂ© sociale, pour un trimestre donnĂ© (T), a payĂ© les cotisations affĂ©rentes Ă ce trimestre (T) avant la fin du troisiĂšme mois qui suit le trimestre et a payĂ© les cotisations du trimestre suivant (T+1) dans les dĂ©lais fixĂ©s par les articles 34, 35bis, § 1er, alinĂ©a 1er et 41, § 1er, alinĂ©a 3.]5
  (§ 4. La rĂ©duction susvisĂ©e de 50 p.c. du montant des indemnitĂ©s visĂ©es Ă l'article 54ter peut ĂȘtre portĂ© Ă 100 p.c. par l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale lorsque son ComitĂ© de gestion admet par dĂ©cision motivĂ©e prise Ă l'unanimitĂ©, que des raisons impĂ©rieuses d'Ă©quitĂ© justifient Ă titre exceptionnel pareille rĂ©duction.) <AR 2006-06-22/50, art. 2, 3°, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  [4 § 5. La rĂ©duction susvisĂ©e de 50 p.c. du montant de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 38, § 3quater, 10°, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la SĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s peut ĂȘtre portĂ©e Ă 100 p.c. par l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale lorsque son ComitĂ© de gestion admet par dĂ©cision motivĂ©e prise Ă l'unanimitĂ©, que des raisons impĂ©rieuses d'Ă©quitĂ© justifient Ă titre exceptionnel pareille rĂ©duction.]4
 Â
  Dans les mĂȘmes conditions, il peut renoncer Ă l'application de l'indemnitĂ©, visĂ©e (Ă l'article 54ter, § 2), lorsque la dĂ©claration trimestrielle et ses annexes ont Ă©tĂ© remises avant la fin [5 du deuxiĂšme mois qui suit le trimestre civil auquel elles se rapportent]5. <AR 2006-06-22/50, art. 2, 1°, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  (Il peut renoncer au paiement des sanctions civiles visées aux alinéas précédents et à l'article 54, alinéa 5, lorsque l'employeur [2 ou le curateur]2 établit qu'il a été dans l'impossibilité de remplir ses obligations dans les délais fixés en raison d'un cas de force majeure dûment justifié.)) <AR 23-01-1974, art. 1er> <AR 1999-07-01/47, art. 3, 086; En vigueur : 01-01-2000>
  § 2. Lorsque l'employeur [2 ou le curateur]2 apporte la preuve de circonstances exceptionnelles, justificatives du dĂ©faut de paiement des cotisations dans les dĂ©lais rĂ©glementaires, l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale peut rĂ©duire au maximum de 50 p.c. le montant des majorations de cotisations (et/ou de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 54bis) et au maximum de 25 p.c. le montant des intĂ©rĂȘts de retard dus. L'exercice de cette facultĂ© est toutefois subordonnĂ© au paiement prĂ©alable par l'employeur [2 ou le curateur]2 de toutes ses cotisations de sĂ©curitĂ© sociale Ă©chues [1 , sauf dans le cas oĂč la pĂ©riode Ă exonĂ©rer concerne des cotisations Ă©chues pendant les trois premiers trimestres de 2009 qui font l'objet de dĂ©lais de paiement accordĂ©s en application des articles 43octies et suivants du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]1 <AR 2000-07-18/40, art. 3, 2, 092; En vigueur : 01-10-2000>
  (De mĂȘme, lorsque l'employeur [2 ou le curateur]2 apporte la preuve de circonstances exceptionnelles, justificatives de la rentrĂ©e tardive de sa dĂ©claration ou de la rentrĂ©e d'une dĂ©claration incomplĂšte ou inexacte, l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale peut rĂ©duire au maximum de 50 p.c. le montant des indemnitĂ©s forfaitaires visĂ©es Ă l'article 54ter. L'Office national de sĂ©curitĂ© sociale ne peut faire usage de cette possibilitĂ© que si l'employeur [2 ou le curateur]2 a prĂ©alablement payĂ© toutes les cotisations de sĂ©curitĂ© sociale Ă©chues et a remis une dĂ©claration Ă cette fin.) <AR 2006-06-22/50, art. 2, 2°, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  [3 De mĂȘme, lorsque l'employeur ou le curateur apporte la preuve de circonstances exceptionnelles, justificatives de l'absence de dĂ©claration ou de dĂ©claration incomplĂšte ou inexacte d'un ou de plusieurs vĂ©hicules soumis Ă la cotisation de solidaritĂ©, l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale peut rĂ©duire au maximum de 50 p.c. le montant de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 38, § 3quater, 10° de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la SĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s. L'Office national de sĂ©curitĂ© sociale ne peut faire usage de cette possibilitĂ© que si l'employeur ou le curateur a prĂ©alablement payĂ© toutes les cotisations de sĂ©curitĂ© sociale Ă©chues et a remis une dĂ©claration Ă cette fin.]3
  § 3. [1 Les rĂ©ductions susvisĂ©es de 50 p.c. du montant des majorations de cotisations et/ou de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 54bis et de 25 p.c. du montant des intĂ©rĂȘts de retard dus pour les cotisations Ă©chues durant les trois premiers trimestres 2009 peuvent ĂȘtre respectivement portĂ©es Ă 100 p.c. et 50 p.c. par l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale:]1
  1° lorsque l'employeur [2 ou le curateur]2, a l'appui de sa justification, apporte la preuve qu'au moment de l'exigibilitĂ© de la dette, il possĂ©dait une crĂ©ance certaine et exigible Ă l'Ă©gard de l'Etat, d'une province ou d'un Ă©tablissement public provincial, d'une commune, d'une association de communes ou d'un Ă©tablissement public communal ou intercommunal, ou d'un organisme d'intĂ©rĂȘt public visĂ© Ă l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrĂŽle de certains organismes d'intĂ©rĂȘt public ou d'une sociĂ©tĂ© visĂ©e Ă l'article 24 de la mĂȘme loi, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘte royal n° 88 du 11 novembre 1967:
  2° lorsque son comitĂ© de gestion admet par dĂ©cision motivĂ©e prise Ă l'unanimitĂ©, que des raisons impĂ©rieuses d'Ă©quitĂ© (ou d'intĂ©rĂȘt Ă©conomique national ou rĂ©gional) justifient, Ă titre exceptionnel, pareille rĂ©duction. <AR 5-11-1971, art. 1er>
  [1 Lorsque l'Office rĂ©duit le montant des intĂ©rĂȘts de retard dus, il est tenu compte du taux d'intĂ©rĂȘts Euribor 1 an afin qu'aprĂšs application de l'exonĂ©ration, les intĂ©rĂȘts restant dus soient toujours supĂ©rieurs au taux du marchĂ©.]1
  [5 § 3/1. La rĂ©duction de 50 p.c. du montant des majorations de cotisations et de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 54bis peut ĂȘtre portĂ©e Ă 100 p.c. par l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale lorsque l'employeur, qui n'a pas habituellement payĂ© ses cotisations en dehors des dĂ©lais fixĂ©s par les articles 34, 35bis, § 1er, alinĂ©a 1er, et 41, § 1er, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 28 novembre 1969 et qui, par le non-paiement dans le dĂ©lai fixĂ© des cotisations dĂ©clarĂ©es pour le trimestre en cause ne porte pas atteinte au financement rĂ©gulier du rĂ©gime de la sĂ©curitĂ© sociale, pour un trimestre donnĂ© (T), a payĂ© les cotisations affĂ©rentes Ă ce trimestre (T) avant la fin du troisiĂšme mois qui suit le trimestre et a payĂ© les cotisations du trimestre suivant (T+1) dans les dĂ©lais fixĂ©s par les articles 34, 35bis, § 1er, alinĂ©a 1er et 41, § 1er, alinĂ©a 3.]5
  (§ 4. La rĂ©duction susvisĂ©e de 50 p.c. du montant des indemnitĂ©s visĂ©es Ă l'article 54ter peut ĂȘtre portĂ© Ă 100 p.c. par l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale lorsque son ComitĂ© de gestion admet par dĂ©cision motivĂ©e prise Ă l'unanimitĂ©, que des raisons impĂ©rieuses d'Ă©quitĂ© justifient Ă titre exceptionnel pareille rĂ©duction.) <AR 2006-06-22/50, art. 2, 3°, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  [4 § 5. La rĂ©duction susvisĂ©e de 50 p.c. du montant de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă l'article 38, § 3quater, 10°, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la SĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s peut ĂȘtre portĂ©e Ă 100 p.c. par l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale lorsque son ComitĂ© de gestion admet par dĂ©cision motivĂ©e prise Ă l'unanimitĂ©, que des raisons impĂ©rieuses d'Ă©quitĂ© justifient Ă titre exceptionnel pareille rĂ©duction.]4
 Â
Wijzigingen
Art. 56. (opgeheven) <KB 23-01-1974, art. 2>
Art. 56. (Abrogé) <AR 23-01-1974, art. 2>
HOOFDSTUK VI. _ Inrichting en werking van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid.
CHAPITRE VI. _ Organisation et fonctionnement de l'Office national de sécurité sociale.
Art. 57. Het beheerscomité van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid is samengesteld uit:
  1° één voorzitter;
  2° vijf leden die de representatieve werkgeversorganisaties vertegenwoordigen;
  3° vijf leden die de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigen.
  1° één voorzitter;
  2° vijf leden die de representatieve werkgeversorganisaties vertegenwoordigen;
  3° vijf leden die de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigen.
Art. 57. Le comité de gestion de l'Office national de sécurité sociale est composé de:
  1° un président;
  2° cinq membres, représentants des organisations représentatives des employeurs;
  3° cinq membres, représentants des organisations représentatives des travailleurs.
  1° un président;
  2° cinq membres, représentants des organisations représentatives des employeurs;
  3° cinq membres, représentants des organisations représentatives des travailleurs.
Art. 58. De ministeriële besluiten en beslissingen genomen in uitvoering van onderhavig besluit, worden genomen op advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid.
Art. 58. Les dĂ©cisions et arrĂȘtĂ©s ministĂ©riels pris en exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ© le sont aprĂšs avis du comitĂ© de gestion de l'Office national de sĂ©curitĂ© social.
Art. 59. <KB 30-09-1974, art. 1> De Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid is verplicht, om het kwartaal aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, bij wijze van voorschot, op het deel dat hem in de bij artikel 19 van de wet bepaalde verdeling toekomt, te betalen:
  1° het gezamelijk bedrag van het eerste provisioneel vierde betreffende elk kwartaal, dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 werd betaald;
  2° 30 pct. van het gezamelijk bedrag van het tweede provisioneel vierde betreffende elk kwartaal, dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 werd betaald.
  1° het gezamelijk bedrag van het eerste provisioneel vierde betreffende elk kwartaal, dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 werd betaald;
  2° 30 pct. van het gezamelijk bedrag van het tweede provisioneel vierde betreffende elk kwartaal, dat overeenkomstig de bepalingen van artikel 34 werd betaald.
Art. 59. <AR 30-09-1974, art. 1er> L'Office national de sécurité sociale est tenu de verser, chaque trimestre, à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, à titre d'acompte sur l part qui lui est due dans la répartition prévue à l'article 19 de la loi:
  1° le montant total du premier quart provisionnel de chaque trimestre, payé conformément aux dispositions de l'article 34;
  2° 30 pc. du montant total du deuxiÚme quart provisionnel de chaque trimestre, payé conformément aux dispositions de l'article 34.
  1° le montant total du premier quart provisionnel de chaque trimestre, payé conformément aux dispositions de l'article 34;
  2° 30 pc. du montant total du deuxiÚme quart provisionnel de chaque trimestre, payé conformément aux dispositions de l'article 34.
Art. 60. Wanneer de bij artikel 17, §1, van de wet bepaalde werknemersbijdrage geheel of gedeeltelijk ingehouden werd op een gezamelijk loonbedrag dat één of verschillende toepasselijke grenzen overschrijdt, betaalt de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid op vraag van de werknemer, het bedrag van de inhoudingen terug welke werden verricht op het loongedeelte dat deze grenzen overschrijdt.
Art. 60. Lorsque la cotisation du travailleur prévue à l'article 17, § 1er, de la loi a été retenue en tout ou en partie sur un montant total de rémunération qui excÚde une ou plusieurs des limites applicables, l'Office national de sécurité sociale restitue au travailleur, à sa demande, le montant des retenues qui ont été opérées sur la partie de la rémunération qui excÚde ces limites.
Art. 61. Wanneer de invordering van de hem verschuldigde bedragen al te onzeker of te bezwarend blijkt te zijn in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid van de invordering van die bedragen door een gedwongen tenuitvoerlegging afzien, binnen de perken van een reglement dat door zijn beheerscomité is vastgesteld en dat door een Minister van Sociale Voorzorg is goedgekeurd.
Art. 61. Lorsque le recouvrement des sommes qui lui sont dues s'avÚre trop aléatoire ou trop onéreux par rapport au montant des sommes à recouvrer, l'Office national de sécurité sociale peut, dans les limites déterminées par un rÚglement établi par son comité de gestion et approuvé par le Ministre de la Prévoyance sociale, renoncer à poursuivre par voie d'exécution forcée le recouvrement de ces sommes.
Art. 61bis. <INGEVOEGD bij KB 1990-03-12/32, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1990> De sommen geĂŻnd met toepassing van artikel 22bis, tweede lid, van de wet, worden door de Rijksdienst voor sociale zekerheid verdeeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de wet.
Art. 61bis. Les sommes perçues en application de l'article 22bis, alinéa 2, de la loi, sont réparties par l'Office national de sécurité sociale conformément à la disposition de l'article 19 de la loi.
Art. 62. Met afwijking van artikel 38 van het koninklijk besluit van 7 april 1954 houdende algemeen reglement op de begroting en de comptabiliteit der instellingen van openbaar nut, beoogd bij de wet van 16 maart 1954, m g de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid de bescheiden tot staving van zijn boekingen vernietigen, na goedkeuring door het Rekenhof van de rekeningen van het dienstjaar waarop die bescheiden betrekking hebben , en na verloop van volgende termijnen:
  1° voor de bescheiden tot staving van de op de rekening van de werkgever geboekte betalingen: vijftien jaar na de laatste dag van het kwartaal tijdens hetwelk die betalingën werden verricht ;
  2° voor de bescheiden tot staving van de op de rekeningen van de werkgevers geboekte debet- en creditposten die geen betalingen zijn: vijf jaar na de laatste dag van het kwartaal waarop de bescheiden betrekking hebben; wanneer de betrokken debet- en creditposten evenwel aanleiding hebben gegeven tot een gerechtelijk geschil, gaat die termijn in de laatste dag van het kwartaal tijdens hetwelk de laatste in uitvoering van de gerechtelijke uitspraak verschuldigde betaling werd verricht;
  3° voor alle andere bewijsstukken van boekingen: vijf jaar na het verstrijken van het dienstjaar waarop die bescheiden betrekking hebben.
  1° voor de bescheiden tot staving van de op de rekening van de werkgever geboekte betalingen: vijftien jaar na de laatste dag van het kwartaal tijdens hetwelk die betalingën werden verricht ;
  2° voor de bescheiden tot staving van de op de rekeningen van de werkgevers geboekte debet- en creditposten die geen betalingen zijn: vijf jaar na de laatste dag van het kwartaal waarop de bescheiden betrekking hebben; wanneer de betrokken debet- en creditposten evenwel aanleiding hebben gegeven tot een gerechtelijk geschil, gaat die termijn in de laatste dag van het kwartaal tijdens hetwelk de laatste in uitvoering van de gerechtelijke uitspraak verschuldigde betaling werd verricht;
  3° voor alle andere bewijsstukken van boekingen: vijf jaar na het verstrijken van het dienstjaar waarop die bescheiden betrekking hebben.
Art. 62. Par dĂ©rogation Ă l'article 38 de l'arrĂȘtĂ© royal du 7 avril 1954 portant rĂšglement gĂ©nĂ©ral sur le budget et la comptabilitĂ© des organismes d'intĂ©rĂȘt public visĂ©s par la loi du 16 mars 1954, l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale est autorisĂ© Ă supprimer les documents justificatifs des inscriptions en comptabilitĂ©, aprĂšs approbation par la Cour des comptes de l'exercice auquel ces documents se rapportent et l'Ă©coulement des dĂ©lais suivants:
  1° pour les documents justificatifs des paiements portés aux comptes des employeurs: quinze ans à partir du dernier jour du trimestre au cours duquel ces paiements ont été effectués;
  2° pour les documents justificatifs des débits et des crédits autres que les paiements portés aux comptes des employeurs: cinq ans à partir du dernier jour du trimestre auquel ces documents se rapportent; toutefois lorsque les débits et crédits ont donné lieu à un litige en justice, ce délai prend cours le dernier jour du trimestre au cours duquel le dernier paiement dû en exécution de la décision judiciaire a été effectué;
  3° pour tous les autres documents justificatifs d'inscriptions en comptabilité: cinq ans à partir de la fin de l'exercice auquel ces documents se rapportent.
  1° pour les documents justificatifs des paiements portés aux comptes des employeurs: quinze ans à partir du dernier jour du trimestre au cours duquel ces paiements ont été effectués;
  2° pour les documents justificatifs des débits et des crédits autres que les paiements portés aux comptes des employeurs: cinq ans à partir du dernier jour du trimestre auquel ces documents se rapportent; toutefois lorsque les débits et crédits ont donné lieu à un litige en justice, ce délai prend cours le dernier jour du trimestre au cours duquel le dernier paiement dû en exécution de la décision judiciaire a été effectué;
  3° pour tous les autres documents justificatifs d'inscriptions en comptabilité: cinq ans à partir de la fin de l'exercice auquel ces documents se rapportent.
HOOFDSTUK VIbis. _ (ingevoegd) Toezicht.
CHAPITRE VIbis. _ (inséré) Surveillance.
Art. 62bis. <KB 1993-06-02/38, art. 2, 051; Inwerkingtreding : 01-07-1993> De inspecteurs en de adjunct-inspecteurs [1 ...]1 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zijn belast met het toezicht op de toepassing van de wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
 Â
 Â
Wijzigingen
Art. 62bis. <AR 1993-06-02/38, art. 2, 051; En vigueur : 01-07-1993> Les inspecteurs et les inspecteurs-adjoints [1 ...]1 de l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale sont chargĂ©s de surveiller l'application de la loi et de ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution.
 Â
 Â
Wijzigingen
HOOFDSTUK VII. _ Slotbepalingen.
CHAPITRE VII. _ Dispositions finales.
Art. 63. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 46, 2°, wordt de erkenning die vóór de inwerkingtreding van dit besluit aan de sociale secretariaten van werkgevers is toegekend gehandhaafd tot het einde van het jaar na dat waarin dit besluit in werking treedt.
  (Zij behouden hun erkenning, na deze datum, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden bepaald bij de artikelen 44 tot 50, nochtans zal aan de voorwaarden vermeld in artikel 44, 2°, geacht worden te zijn voldaan, wanneer zij onder de leden van hun raad van beheer een vertegenwoordiger van een vereniging, bedoeld in die bepaling, tellen.) <KB 13-01-1971, art. 4>
  (Zij behouden hun erkenning, na deze datum, wanneer zij voldoen aan de voorwaarden bepaald bij de artikelen 44 tot 50, nochtans zal aan de voorwaarden vermeld in artikel 44, 2°, geacht worden te zijn voldaan, wanneer zij onder de leden van hun raad van beheer een vertegenwoordiger van een vereniging, bedoeld in die bepaling, tellen.) <KB 13-01-1971, art. 4>
Art. 63. Sans prĂ©judice de l'application de l'article 46, 2°, l'agrĂ©ation accordĂ©e aux secrĂ©tariats sociaux d'employeurs avant la date d'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© est maintenant jusqu'Ă l'expiration de l'annĂ©e qui suit celle de l'entrĂ©e en vigueur de cet arrĂȘtĂ©.
  (L'agrĂ©ation leur est maintenue aprĂšs cette date s'ils remplissent les conditions prescrites par les articles 44 Ă 50; toutefois la condition Ă©noncĂ©e sous l'article 44,2°, sera censĂ©e ĂȘtre remplie s'ils comptent parmi les membres de leur conseil d'administration un reprĂ©sentant d'une association visĂ©e par cette disposition.)
  (L'agrĂ©ation leur est maintenue aprĂšs cette date s'ils remplissent les conditions prescrites par les articles 44 Ă 50; toutefois la condition Ă©noncĂ©e sous l'article 44,2°, sera censĂ©e ĂȘtre remplie s'ils comptent parmi les membres de leur conseil d'administration un reprĂ©sentant d'une association visĂ©e par cette disposition.)
Art. 64.
Art. 64.
Art. 65. Treden in werking op 1 januari 1970:
  1° de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  2° de wet van 7 november 1969 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van "beroepsrenner", in zover zij betrekking heeft op de sociale zekerheidswetgeving;
  3° het onderhavig besluit.
  1° de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  2° de wet van 7 november 1969 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidswetgeving op de houders van een vergunning van "beroepsrenner", in zover zij betrekking heeft op de sociale zekerheidswetgeving;
  3° het onderhavig besluit.
Art. 65. Entrent en vigueur le 1er janvier 1970:
  1° la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs;
  2° la loi du 7 novembre 1969 relative Ă l'application de la sĂ©curitĂ© sociale aux titulaires d'une licence de "coureur cycliste professionnel" dans la mesure oĂč elle concerne la lĂ©gislation sur la sĂ©curitĂ© sociale;
  3° le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  1° la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs;
  2° la loi du 7 novembre 1969 relative Ă l'application de la sĂ©curitĂ© sociale aux titulaires d'une licence de "coureur cycliste professionnel" dans la mesure oĂč elle concerne la lĂ©gislation sur la sĂ©curitĂ© sociale;
  3° le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 66. Onze Minister van Sociale Voorzorg is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 66. Notre Ministre de la PrĂ©voyance sociale est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.