Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 SEPTEMBER 1965. - Koninklijk besluit met betrekking tot de inning van de bijdragen in de regeling voor de overzeese sociale zekerheid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-03-2017 en tekstbijwerking tot 12-02-2026)
Titre
15 SEPTEMBRE 1965. - Arrêté royal relatif à la perception des cotisations du régime de la sécurité sociale d'outre-mer(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-03-2017 et mise à jour au 12-02-2026)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK I_ Over de deelneming aan het stelsel voor overzeese sociale zekerheid.
CHAPITRE Ier_ De la participation au régime de la sécurité sociale d'outre-mer.
Artikel 1. De deelneming aan de verzekeringen bepaald in de hoofdstukken III, IV en V van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, is ondergeschikt aan een wilsuiting van de verzekerde, die kan blijken uit een verklaring afgelegd bij de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid, ofwel door de verzekerde, ofwel door zijn werkgever, of uit de storting van bijdragen.
Article 1. La participation aux assurances prévues par les chapitres III, IV et V de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer, est subordonnée à une manifestation de volonté de l'assuré qui peut résulter d'une déclaration faite à l'Office de sécurité sociale d'outre-mer, soit par l'assuré, soit par son employeur ou du versement des cotisations.
Art. 2. De verzekerde deelt de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid mede: zijn naam en voornamen, burgerlijke staat, geslacht, geboorteplaats en -datum, nationaliteit en verblijfplaats, evenals het bedrag van de maandelijkse bijdragen die hij voornemens is te storten.
Art. 2. L'assuré fait connaître à l'Office de sécurité sociale d'outre-mer ses nom et prénoms, état civil, sexe, lieu et date de naissance, nationalité et résidence ainsi que le montant des cotisations mensuelles qu'il se propose de verser.
Art. 3. Wanneer de verzekerde zijn stortingen onderbroken heeft gedurende de termijn van zes of twaalf maanden waarover respectievelijk sprake in de leden 1 en 2 van artikel 10, is zijn deelneming aan de verzekeringen, bepaald in hoofdstukken III, IV en V van de wet van 17 juli 1963 ondergeschikt aan een nieuwe wilsuiting overeenkomstig de bepalingen van artikel 1.
Art. 3. Lorsque l'assuré à interrompu ses versements pendant le délai de six ou de douze mois visé respectivement aux alinéas 1er et 2 de l'article 10, sa participation aux assurances prévues par les chapitres III, IV et V de la loi du 17 juillet 1963 est subordonnée à une nouvelle manifestation de volonté conformément aux dispositions de l'article 1er.
HOOFDSTUK II_ Over de storting van de bijdragen bepaald in hoofdstuk II van de wet van 17 juli 1963.
CHAPITRE II_ Du versement des cotisations prévues par le chapitre II de la loi du 17 juillet 1963.
Art. 4. <KB 8-7-1970, art 5.> De maandelijkse bijdrage mag gestort worden;
a) voor elke maand waarin de verzekerde zijn beroepsbedrijvigheid uitoefent in één van de landen aangeduid bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1965 tot afbakening van het toepassingsgebied van de wet van 17 juli 1963;
b) voor de perioden waarin de verzekerde tijdelijk zijn beroepsbedrijvigheid uitoefent in een van de landen andere dan die waarover sprake onder littera a, voor zover hij aldaar niet onderworpen is aan een stelsel voor sociale zekerheid, en dat de betrokken periode niet meer dan zes maanden duurt;
c) voor de duur van het onmiddellijk na één der sub a en b bedoelde perioden komend verlof dat de verzekerde geniet, krachtens de arbeidsovereenkomst ter uitvoering waarvan hij zijn beroepsactiviteit heeft;
d) voor de twaalf maanden die onmiddellijk volgen op één van de sub a, b en c bedoelde perioden van verzekeringsdeelneming en bijaldien de verzekerde geen winstgevende activiteit heeft.
Om gedurende de sub c en d bedoelde perioden aan de verzekering deel te kunnen nemen, moet de verzekerde al de bijdragen betaald hebben die sedert het einde van de sub a bedoelde periode betaald hadden kunnen worden, of mag de termijn voor die storting nog niet verstreken zijn.
a) voor elke maand waarin de verzekerde zijn beroepsbedrijvigheid uitoefent in één van de landen aangeduid bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1965 tot afbakening van het toepassingsgebied van de wet van 17 juli 1963;
b) voor de perioden waarin de verzekerde tijdelijk zijn beroepsbedrijvigheid uitoefent in een van de landen andere dan die waarover sprake onder littera a, voor zover hij aldaar niet onderworpen is aan een stelsel voor sociale zekerheid, en dat de betrokken periode niet meer dan zes maanden duurt;
c) voor de duur van het onmiddellijk na één der sub a en b bedoelde perioden komend verlof dat de verzekerde geniet, krachtens de arbeidsovereenkomst ter uitvoering waarvan hij zijn beroepsactiviteit heeft;
d) voor de twaalf maanden die onmiddellijk volgen op één van de sub a, b en c bedoelde perioden van verzekeringsdeelneming en bijaldien de verzekerde geen winstgevende activiteit heeft.
Om gedurende de sub c en d bedoelde perioden aan de verzekering deel te kunnen nemen, moet de verzekerde al de bijdragen betaald hebben die sedert het einde van de sub a bedoelde periode betaald hadden kunnen worden, of mag de termijn voor die storting nog niet verstreken zijn.
Art. 4. <AR 8-7-1970, art. 5.> La cotisation mensuelle peut être versée :
a) pour chacun des mois au cours duquel l'assuré exerce son activité professionnelle dans l'un des pays désignés aux termes de l'article 1er de l'arrêté royal du 15 mars 1965, délimitant le champ d'application de la loi du 17 juillet 1963;
b) pour les périodes au cours desquelles l'assuré exerce temporairement son activité professionnelle dans l'un des pays autres que ceux visés au littera a, pour autant qu'il n'y soit pas assujetti à un régime de sécurité sociale et que la période en cause n'excède pas une durée de six mois;
c) pour la durée du congé suivant immédiatement l'une des périodes visées aux litteras a et b, dont l'assuré bénéficie en exécution du contrat de louage de services en vertu duquel il exerce son activité professionnelle;
d) pour une période de douze mois au maximum suivant immédiatement une des périodes visées aux litteras a, b et c, au cours de laquelle l'assuré a participé à l'assurance et pour autant qu'il n'exerce aucune activité lucrative.
Pour pouvoir participer à l'assurance pendant les périodes visées aux litteras c et d, l'assuré doit avoir versé toutes les cotisations qui pouvaient l'être depuis la fin de la période visée au littera a ou se trouver encore dans le délai pour le faire.
a) pour chacun des mois au cours duquel l'assuré exerce son activité professionnelle dans l'un des pays désignés aux termes de l'article 1er de l'arrêté royal du 15 mars 1965, délimitant le champ d'application de la loi du 17 juillet 1963;
b) pour les périodes au cours desquelles l'assuré exerce temporairement son activité professionnelle dans l'un des pays autres que ceux visés au littera a, pour autant qu'il n'y soit pas assujetti à un régime de sécurité sociale et que la période en cause n'excède pas une durée de six mois;
c) pour la durée du congé suivant immédiatement l'une des périodes visées aux litteras a et b, dont l'assuré bénéficie en exécution du contrat de louage de services en vertu duquel il exerce son activité professionnelle;
d) pour une période de douze mois au maximum suivant immédiatement une des périodes visées aux litteras a, b et c, au cours de laquelle l'assuré a participé à l'assurance et pour autant qu'il n'exerce aucune activité lucrative.
Pour pouvoir participer à l'assurance pendant les périodes visées aux litteras c et d, l'assuré doit avoir versé toutes les cotisations qui pouvaient l'être depuis la fin de la période visée au littera a ou se trouver encore dans le délai pour le faire.
Art. 4bis. <INGEVOEGD bij KB 1994-12-22/33, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-1995> [1 De in artikel 15 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid bedoelde bijdragen mogen niet minder dan 231,82 EUR noch meer dan 1.409,65 EUR bedragen.
De in artikel 18, § 1, a, van dezelfde wet bedoelde bijdragen mogen niet minder dan 208,69 EUR noch meer dan 1.268,63 EUR bedragen.
De in artikel 18, § 1, b, van dezelfde wet bedoelde bijdragen mogen niet minder dan 185,49 EUR noch meer dan 1.127,71 EUR bedragen.]1
De in artikel 18, § 1, a, van dezelfde wet bedoelde bijdragen mogen niet minder dan 208,69 EUR noch meer dan 1.268,63 EUR bedragen.
De in artikel 18, § 1, b, van dezelfde wet bedoelde bijdragen mogen niet minder dan 185,49 EUR noch meer dan 1.127,71 EUR bedragen.]1
Art. 4bis. [1 Le montant des cotisations visées à l'article 15 de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer ne peut être inférieur à 231,82 EUR ni supérieur à 1.409,65 EUR.
Le montant des cotisations visées à l'article 18, § 1er, a, de la même loi ne peut être inférieur à 208,69 EUR ni supérieur à 1.268,63 EUR.
Le montant des cotisations visées à l'article 18, § 1er, b, de la même loi ne peut être inférieur à 185,49 EUR ni supérieur à 1.127,71 EUR.]1
Le montant des cotisations visées à l'article 18, § 1er, a, de la même loi ne peut être inférieur à 208,69 EUR ni supérieur à 1.268,63 EUR.
Le montant des cotisations visées à l'article 18, § 1er, b, de la même loi ne peut être inférieur à 185,49 EUR ni supérieur à 1.127,71 EUR.]1
Wijzigingen
Art. 5. Welk ook het aantal dagen zij van een burgerlijke maand gedurende welke de verzekerde de mogelijkheid heeft deel te nemen aan de verzekeringen bepaald in de hoofdstukken III, IV en V van de wet van 17 juli 1963, mag de bijdrage die voor deze maand gestort wordt niet kleiner zijn dan het bedrag van de minimum bijdrage vastgesteld in toepassing van de artikelen 15 en 19 of, desgevallend, van de artikelen 18 en 19 van genoemde wet.
Art. 5. Quel que soit le nombre de jours d'un mois civil au cours desquels l'assuré a la faculté de participer aux assurances prévues par les chapitres III, IV et V, de la loi du 17 juillet 1963, la cotisation versée pour ce mois ne peut être inférieure au montant de la cotisation minimum fixée en application des articles 15 et 19, ou, le cas échéant, des articles 18 et 19 de ladite loi.
Art. 6. De verzekerde van vreemde nationaliteit die gebruik wenst te maken van de mogelijkheid die hem door artikel 18 van de wet van 17 juli 1963 geboden wordt om alleen bij te dragen tot de ouderdoms- en overlevingsverzekering, verklaart zulks bij de Dienst en hij verduidelijkt hierbij of de bijdragen die hij stort, buiten het gedeelte voor de financiering van de ouderdoms- en weduwenrenten, besteed moeten worden aan de financiering van de prestaties ten laste van het Solidariteits- en perequatiefonds, of uitsluitend bestemd zijn tot financiering van de wezenuitkeringen, bepaald in de artikelen 24 tot 26 van genoemde wet.
Wanneer de verzekerde de bij het eerste lid voorziene verklaring niet aflegde, worden de bijdragen die hij stort, besteed op de manier voorzien bij artikel 17 van meergenoemde wet.
Wanneer de verzekerde de bij het eerste lid voorziene verklaring niet aflegde, worden de bijdragen die hij stort, besteed op de manier voorzien bij artikel 17 van meergenoemde wet.
Art. 6. L'assuré de nationalité étrangère qui entend faire usage de la faculté qui lui est réservée par l'article 18 de la loi du 17 juillet 1963 de ne participer qu'à l'assurance vieillesse et survie, en fait la déclaration à l'Office en précisant si les cotisations qu'il verse doivent être affectées, outre la part destinée au financement des rentes de retraite et de veuve, au financement des prestations qui sont à charge du Fonds de solidarité et de péréquation ou uniquement à celui des allocations d'orphelins prévues aux articles 24 à 26 de ladite loi.
Lorsque l'assuré n'a pas effectué la déclaration prévue au premier alinéa, les cotisations qu'il verse reçoivent l'affectation prévue par l'article 17 de la loi précitée.
Lorsque l'assuré n'a pas effectué la déclaration prévue au premier alinéa, les cotisations qu'il verse reçoivent l'affectation prévue par l'article 17 de la loi précitée.
Art. 7. Ter gelegenheid van de storting van de bijdragen moet het document waardoor de Dienst van deze storting in kennis gesteld wordt de naam en de voornamen van de verzekerde vermelden alsook zij aansluitingsnummer of zoniet zijn geboortedatum, de maandelijkse perioden waarvoor de storting gebeurt, evenals het bedrag voor elk daarvan.
Wanneer de storting voor meerdere verzekerden geschiedt,moet het document waardoor de Dienst van de storting op de hoogte gebracht wordt, verwijzen naar de stukken aan de hand waarvan hij in kennis gesteld werd met de inlichtingen die de identificatie van de verzekerden en de boeking van de bijdragen toelaten.
Wanneer de storting voor meerdere verzekerden geschiedt,moet het document waardoor de Dienst van de storting op de hoogte gebracht wordt, verwijzen naar de stukken aan de hand waarvan hij in kennis gesteld werd met de inlichtingen die de identificatie van de verzekerden en de boeking van de bijdragen toelaten.
Art. 7. Lors du versement des cotisations le document par lequel celui-ci est porté à la connaissance de l'Office doit mentionner les nom et prénoms de l'assuré, son numéro d'affiliation ou, à défaut, sa date de naissance, les périodes mensuelles auxquelles le versement se rapporte ainsi que le montant versé pour chacune d'elles.
Lorsque le versement concerne plusieurs assurés, le document aux termes duquel l'Office en est informé doit comporter une référence aux documents portant à sa connaissance les renseignements permettant l'identification des assurés et l'imputation des cotisations.
Lorsque le versement concerne plusieurs assurés, le document aux termes duquel l'Office en est informé doit comporter une référence aux documents portant à sa connaissance les renseignements permettant l'identification des assurés et l'imputation des cotisations.
Art. 8. Wanneer de maandelijkse bijdrage gestort wordt meer dan drie maand na het einde van de maand op dewelke ze betrekking heeft, wordt zij vermeerderd met een verwijlinterest berekend tegen 6 pct. per jaar vanaf de eerste van de maand die volgt op de maand voor dewelke de bijdrage bestemd is tot op de dag waarop zij op de credietzijde gebracht wordt van, ofwel [1 de Staatsrekening op naam van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, ofwel elke andere financiële rekening door deze laatste]1 geopend met het oog op de inning van de bijdragen.
Zo de verwijlinteresten niet betaald worden, wordt hun bedrag onder de vorm van negatieve enige premie geboekt op de rekening van de verzekerde bij het Pensioenfonds van de Dienst.
Zo de verwijlinteresten niet betaald worden, wordt hun bedrag onder de vorm van negatieve enige premie geboekt op de rekening van de verzekerde bij het Pensioenfonds van de Dienst.
Art. 8. Lorsque la cotisation mensuelle est versée plus de trois mois après l'expiration du mois auquel elle se rapporte, elle est majorée d'un intérêt de retard calculé au taux de 6 p.c. l'an depuis le premier du mois qui suit celui auquel la cotisation se rapporte jusqu'au jour ou celle-ci est portée au crédit soit [1 du compte d'Etat ouvert au nom de l'Office national de sécurité sociale]1, soit de tout autre compte financier ouvert par celui-ci en vue de la perception des cotisations.
A défaut de paiement des intérêts de retard, leur montant est porté en prime unique négative au compte ouvert au nom de l'assuré au Fonds des pensions de l'Office.
A défaut de paiement des intérêts de retard, leur montant est porté en prime unique négative au compte ouvert au nom de l'assuré au Fonds des pensions de l'Office.
Wijzigingen
Art. 9. De verzekerde mag jaarlijks aan de Dienst de staat van de bijdragen vragen die op zijn rekening gestort zijn voor het lopende dienstjaar en voor het vorige dienstjaar.
Art. 9. L'assuré est autorisé à demander annuellement à l'Office le relevé des cotisations versées à son compte pour l'exercice en cours et l'exercice précédent.
Art. 10. Onverminderd het recht van de verzekerde de enige premie te storten bepaald bij artikel 63, 1°, van de wet van 17 juli 1963, mag de maandelijkse bijdrage niet meer gestort worden na afloop van de zesde maand die volgt op deze voor dewelke zij bestemd is.
De Dienst mag nochtans voor een periode van maximum zes maand de termijn, waarover sprake in het eerste lid, verlengen wanneer de verzekerde een gemotiveerde aanvraag daarvoor indient vóór het verstrijken van deze termijn en zelfs indien deze aanvraag niet bestaat, wanneer zij het gevolg is van omstandigheden van overmacht.
De Dienst mag nochtans voor een periode van maximum zes maand de termijn, waarover sprake in het eerste lid, verlengen wanneer de verzekerde een gemotiveerde aanvraag daarvoor indient vóór het verstrijken van deze termijn en zelfs indien deze aanvraag niet bestaat, wanneer zij het gevolg is van omstandigheden van overmacht.
Art. 10. Sans préjudice au droit de l'assuré d'effectuer le versement de la prime unique prévue à l'article 63, § 1er, de la loi du 17 juillet 1963, la cotisation mensuelle ne peut plus être versée après l'expiration du sixième mois qui suit celui auquel elle se rapporte.
L'Office peut toutefois prolonger pour une période de six mois au maximum le délai visé au premier alinéa lorsque l'assuré introduit une demande motivée en ce sens avant l'expiration de celui-ci et même en l'absence d'une telle demande lorsqu'elle résulte de circonstances de force majeure.
L'Office peut toutefois prolonger pour une période de six mois au maximum le délai visé au premier alinéa lorsque l'assuré introduit une demande motivée en ce sens avant l'expiration de celui-ci et même en l'absence d'une telle demande lorsqu'elle résulte de circonstances de force majeure.
Art. 11. Wanneer één van de risico's, die naar de bewoordingen van de hoofdstukken III, IV en V van de wet van 17 juli 1963, verzekerd worden, zich voordoet in de loop van een periode waarvoor de verzekerde zijn wil te kennen gaf deel te nemen aan de verzekering, mogen de bijdragen, die hij nog gerechtigd was te storten overeenkomstig de bepalingen van artikel 10, niettemin gestort worden.
Het maandelijks bedrag van deze bijdragen is gelijk aan het gemiddeld bedrag van de stortingen die op de rekening van de verzekerde geboekt worden in de loop van een ononderbroken periode waarvoor gestort werd, maar deze laatste mag uit geen groter aantal maanden bestaan dan het aantal maanden waarvoor de regularisatie inzake bijdragen mag gebeuren. Om dit bedrag te berekenen moet het totaal bedrag van de stortingen die uitgevoerd werden in de loop van bedoelde periode gedeeld worden door het aantal in deze periode begrepen maanden tijdens welke de verzekerde aan de verzekering deelnam.
Wanneer nog geen enkele bijdrage gestort werd sedert het ogenblik waarop de verzekerde zijn wil te kennen gaf deel te nemen aan de verzekering, is het maandelijks bedrag van de bijdragen gelijk aan wat hij verklaarde te willen storten of, bij gebrek aan een verklaring hieromtrent, aan de helft van de maximumbijdrage die gestort mocht worden in toepassing van de artikelen 15 en 19, of, in voorkomend geval, van de artikelen 18 en 19 van genoemde wet.
Het maandelijks bedrag van deze bijdragen is gelijk aan het gemiddeld bedrag van de stortingen die op de rekening van de verzekerde geboekt worden in de loop van een ononderbroken periode waarvoor gestort werd, maar deze laatste mag uit geen groter aantal maanden bestaan dan het aantal maanden waarvoor de regularisatie inzake bijdragen mag gebeuren. Om dit bedrag te berekenen moet het totaal bedrag van de stortingen die uitgevoerd werden in de loop van bedoelde periode gedeeld worden door het aantal in deze periode begrepen maanden tijdens welke de verzekerde aan de verzekering deelnam.
Wanneer nog geen enkele bijdrage gestort werd sedert het ogenblik waarop de verzekerde zijn wil te kennen gaf deel te nemen aan de verzekering, is het maandelijks bedrag van de bijdragen gelijk aan wat hij verklaarde te willen storten of, bij gebrek aan een verklaring hieromtrent, aan de helft van de maximumbijdrage die gestort mocht worden in toepassing van de artikelen 15 en 19, of, in voorkomend geval, van de artikelen 18 en 19 van genoemde wet.
Art. 11. Lorsque l'un des risques assurés aux termes des chapitres III, IV et V, de la loi du 17 juillet 1963 survient au cours d'une période pour laquelle l'assuré à manifesté sa volonté de participer à l'assurance, les cotisations qu'il était encore en droit de verser conformément aux dispositions de l'article 10 peuvent néanmoins l'être.
Le montant mensuel de ces cotisations est égal au montant moyen des versements opérés au compte de l'assuré au cours de la dernière période ininterrompue de versements sans que celle-ci puisse représenter un nombre de mois supérieur à celui des mois pour lesquels la régularisation des cotisations peut s'effectuer. Pour la détermination de ce montant, il y a lieu de diviser le montant total des versements effectués au cours de ladite période par le nombre de mois compris dans celle-ci au cours desquels l'assuré a participé à l'assurance.
Lorsqu'aucune cotisation n'a encore été versée depuis le moment ou l'assuré a manifesté sa volonté de participer à l'assurance, le montant mensuel des cotisations est égal à celui qu'il a déclaré vouloir effectuer ou, à défaut de déclaration à ce sujet, à la moitié de la cotisation mensuelle maximum qui pouvait être versée en application des articles 15 et 19, ou le cas échéant, les articles 18 et 19 de ladite loi.
Le montant mensuel de ces cotisations est égal au montant moyen des versements opérés au compte de l'assuré au cours de la dernière période ininterrompue de versements sans que celle-ci puisse représenter un nombre de mois supérieur à celui des mois pour lesquels la régularisation des cotisations peut s'effectuer. Pour la détermination de ce montant, il y a lieu de diviser le montant total des versements effectués au cours de ladite période par le nombre de mois compris dans celle-ci au cours desquels l'assuré a participé à l'assurance.
Lorsqu'aucune cotisation n'a encore été versée depuis le moment ou l'assuré a manifesté sa volonté de participer à l'assurance, le montant mensuel des cotisations est égal à celui qu'il a déclaré vouloir effectuer ou, à défaut de déclaration à ce sujet, à la moitié de la cotisation mensuelle maximum qui pouvait être versée en application des articles 15 et 19, ou le cas échéant, les articles 18 et 19 de ladite loi.
HOOFDSTUK III_ Over de storting van de enige premies bepaald bij artikel 63 van de wet van 17 juli 1963.
CHAPITRE III_ Du versement des primes uniques prévues par l'article 63 de la loi du 17 juillet 1963.
Art. 12. (De personen die geen gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid tot deelneming aan het stelsel van overzeese sociale zekerheid, mogen een premie ineens betalen ter verkrijging voor zichzelf of voor hun rechthebbenden van, ofwel de ouderdoms- en overlevingsverzekeringsuitkeringen, ofwel deze uitkeringen en de ziekengeldverzekeringen, de invaliditeitsverzekeringen en de uitkeringen inzake verzekering geneeskundige verzorging.)
Zij moeten in dit geval een schriftelijke aanvraag indienen bij de Dienst voor overzeese sociale zekerheid en het bedrag aanduiden van de maandelijkse bijdrage dat in aanmerking zal moeten genomen worden voor het berekenen van de enige premie.
(lid 3 opgeheven)
Zij moeten in dit geval een schriftelijke aanvraag indienen bij de Dienst voor overzeese sociale zekerheid en het bedrag aanduiden van de maandelijkse bijdrage dat in aanmerking zal moeten genomen worden voor het berekenen van de enige premie.
(lid 3 opgeheven)
Art. 12. (Les personnes qui n'ont pas usé de la faculté de participer au régime de la sécurité sociale d'outre-mer peuvent verser une prime unique qui leur assure ou qui assure à leurs ayants-droit,soit le bénéfice des prestations en matière d'assurance vieillesse et survie, soit le bénéfice de ces prestations et de celles prévues en matière d'assurance indemnité pour maladie, d'assurance invalidité et d'assurance soins de santé.) <AR 20-7-1971, art. 1er.>
Elles doivent en ce cas introduire une demande écrite auprès de l'Office de sécurité sociale d'outre-mer en indiquant le montant de la cotisation mensuelle à prendre en considération pour la détermination de la prime unique.
(alinéa 3 abrogé) <AR 25-3-1974, art. 1er.>
Elles doivent en ce cas introduire une demande écrite auprès de l'Office de sécurité sociale d'outre-mer en indiquant le montant de la cotisation mensuelle à prendre en considération pour la détermination de la prime unique.
(alinéa 3 abrogé) <AR 25-3-1974, art. 1er.>
Art. 13. <KB 25-3-1974, art. 2> De enige premie, bepaald in artikel 63, § 1, van de wet van 17 juli 1963, is gelijk aan het produkt van volgende drie faktoren :
a) het aantal maanden begrepen in de verzekeringsperiode die de enige premie moet dekken;
b) het bedrag van de maandelijkse bijdrage, bepaald in artikelen 17 en 18 van genoemde wet, vermeerderd overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van die wet, rekening houdend met de index van de consumptieprijzen op het ogenblik van de storting;
c) een vermeerderingscoëfficient gelijk aan (1,025)t-1 X (1,04) n-3, in hetwelk t het aantal jaren aanduidt begrepen in de verzekeringsperiode die de enige premie moet dekken en n het aantal jaren verstreken sedert het einde van deze periode tot de datum van de storting.
Voor de toepassing van littera c van vorig lid wordt de in aanmerking te nemen duur afgerond tot het dichtste bijkomend aantal jaren.
Voor de toepassing van littera b van hetzelfde lid, mag het bedrag van de maandelijkse bijdrage, het maximum geldig gedurende de periode door dewelke de enige premie wordt gestort, niet overschrijden; die maximum is vastgesteld geworden rekening houdend met de bepalingen van artikel 63bis van de wet van 17 juli 1963.
Wanneer de verzekerde het voordeel niet wenst te verwerven van de uitkeringen inzake verzekering tegen ziekte, verzekering tegen invaliditeit en gezondheidsverzorging, is de enige premie gelijk aan negen tienden van diegene bepaald in het eerste lid.
Voor de verzekerden van vreemde nationaliteit die aan de Dienst de verklaring afleggen bepaald in artikel 6, verduidelijkend dat ze uitsluitend wensen deel te nemen, i.v.m. de uitkeringen ten laste van het Solidariteits- en Perequatiefonds, aan de verzekering inzake wezentoelagen, is het bedrag van de enige premie gelijk aan de acht tienden van deze bepaald in het eerste lid.
a) het aantal maanden begrepen in de verzekeringsperiode die de enige premie moet dekken;
b) het bedrag van de maandelijkse bijdrage, bepaald in artikelen 17 en 18 van genoemde wet, vermeerderd overeenkomstig de bepalingen van artikel 19 van die wet, rekening houdend met de index van de consumptieprijzen op het ogenblik van de storting;
c) een vermeerderingscoëfficient gelijk aan (1,025)t-1 X (1,04) n-3, in hetwelk t het aantal jaren aanduidt begrepen in de verzekeringsperiode die de enige premie moet dekken en n het aantal jaren verstreken sedert het einde van deze periode tot de datum van de storting.
Voor de toepassing van littera c van vorig lid wordt de in aanmerking te nemen duur afgerond tot het dichtste bijkomend aantal jaren.
Voor de toepassing van littera b van hetzelfde lid, mag het bedrag van de maandelijkse bijdrage, het maximum geldig gedurende de periode door dewelke de enige premie wordt gestort, niet overschrijden; die maximum is vastgesteld geworden rekening houdend met de bepalingen van artikel 63bis van de wet van 17 juli 1963.
Wanneer de verzekerde het voordeel niet wenst te verwerven van de uitkeringen inzake verzekering tegen ziekte, verzekering tegen invaliditeit en gezondheidsverzorging, is de enige premie gelijk aan negen tienden van diegene bepaald in het eerste lid.
Voor de verzekerden van vreemde nationaliteit die aan de Dienst de verklaring afleggen bepaald in artikel 6, verduidelijkend dat ze uitsluitend wensen deel te nemen, i.v.m. de uitkeringen ten laste van het Solidariteits- en Perequatiefonds, aan de verzekering inzake wezentoelagen, is het bedrag van de enige premie gelijk aan de acht tienden van deze bepaald in het eerste lid.
Art. 13. <AR 25-3-1974, art. 2> La prime unique prévue à l'article 63, § 1er, de la loi du 17 juillet 1963, est égale au produit des trois facteurs suivants :
a) le nombre de mois que comporte la période d'assurance que la prime unique est destinée à couvrir;
b) le montant de la cotisation mensuelle visée aux articles 17 et 18 de la loi précitée, majorée conformément aux dispositions de l'article 19 de ladite loi, compte tenu du niveau atteint par l'indice des prix à la consommation au moment du versement;
c) un coefficient de majoration égal à (1,025) t-1 x (1,04) n-3, dans lequel t représente le nombre d'années que comporte la durée de la période d'assurance que la prime unique est destinée à couvrir, et n représente le nombre d'années écoulées depuis la fin de cette période d'assurance jusqu'à la date du versement.
Pour l'application du littera c de l'alinéa précédent, les durées à prendre en considération sont arrondies au nombre entier d'années le plus voisin.
Pour l'application du littera b du même alinéa, le montant de la cotisation mensuelle ne peut excéder le maximum en vigueur pendant la période pour laquelle la prime unique est versée, ce maximum étant fixé compte tenu des dispositions de l'article 63bis, de la loi du 17 juillet 1963.
Lorsque l'assuré ne désire pas obtenir le bénéfice des prestations en matière d'assurance d'indemnité pour maladie, d'assurance invalidité et d'assurance soins de santé, la prime unique est égale aux neuf dixièmes de celle définie à l'alinéa premier.
En ce qui concerne les assurés de nationalité étrangère qui font à l'Office la déclaration prévue à l'article 6 en précisant qu'ils entendent participer en matière de prestations à charge du Fonds de solidarité et de péréquation, uniquement à l'assurance des allocations d'orphelins, le montant de la prime unique est égal aux huit dixièmes de celle définie à l'alinéa premier.
a) le nombre de mois que comporte la période d'assurance que la prime unique est destinée à couvrir;
b) le montant de la cotisation mensuelle visée aux articles 17 et 18 de la loi précitée, majorée conformément aux dispositions de l'article 19 de ladite loi, compte tenu du niveau atteint par l'indice des prix à la consommation au moment du versement;
c) un coefficient de majoration égal à (1,025) t-1 x (1,04) n-3, dans lequel t représente le nombre d'années que comporte la durée de la période d'assurance que la prime unique est destinée à couvrir, et n représente le nombre d'années écoulées depuis la fin de cette période d'assurance jusqu'à la date du versement.
Pour l'application du littera c de l'alinéa précédent, les durées à prendre en considération sont arrondies au nombre entier d'années le plus voisin.
Pour l'application du littera b du même alinéa, le montant de la cotisation mensuelle ne peut excéder le maximum en vigueur pendant la période pour laquelle la prime unique est versée, ce maximum étant fixé compte tenu des dispositions de l'article 63bis, de la loi du 17 juillet 1963.
Lorsque l'assuré ne désire pas obtenir le bénéfice des prestations en matière d'assurance d'indemnité pour maladie, d'assurance invalidité et d'assurance soins de santé, la prime unique est égale aux neuf dixièmes de celle définie à l'alinéa premier.
En ce qui concerne les assurés de nationalité étrangère qui font à l'Office la déclaration prévue à l'article 6 en précisant qu'ils entendent participer en matière de prestations à charge du Fonds de solidarité et de péréquation, uniquement à l'assurance des allocations d'orphelins, le montant de la prime unique est égal aux huit dixièmes de celle définie à l'alinéa premier.
Art. 14. <KB 25-3-1974, art. 3> De enige premie bepaald in het eerste lid van artikel 13 wordt voor 70 pct. uitgekeerd aan het Pensioenfonds, voor 20,5 pct. aan het Solidariteits- en Perequatiefonds en voor 9,5 pct. aan het Invaliditeitsfonds.
Deze bepaald in het 4e lid van artikel 13 wordt voor 77,78 pct. uitgekeerd aan het Pensioenfonds en voor 22,22 pct. aan het Solidariteits- en Perequatiefonds.
Deze bepaald in het 5e lid van artikel 13 wordt voor 87,5 pct. uitgekeerd aan het Pensioenfonds en voor 12,5 pct. aan het Solidariteits- en Perequatiefonds.
Deze bepaald in het 4e lid van artikel 13 wordt voor 77,78 pct. uitgekeerd aan het Pensioenfonds en voor 22,22 pct. aan het Solidariteits- en Perequatiefonds.
Deze bepaald in het 5e lid van artikel 13 wordt voor 87,5 pct. uitgekeerd aan het Pensioenfonds en voor 12,5 pct. aan het Solidariteits- en Perequatiefonds.
Art. 14. <AR 25-3-1974, art. 3> La prime unique définie à l'alinéa premier de l'article 13, est affectée à raison de 70 p.c., au Fonds des pensions, de 20,5 p.c., au Fonds de solidarité et de péréquation et de 9,5 p.c., au Fonds des invalidités.
Celle prévue à l'alinéa 4 de l'article 13 est affectée à raison de 77,78 p.c. au Fonds des pensions et de 22,22 p.c. au Fonds de solidarité et de péréquation.
Celle prévue à l'alinéa 5 de l'article 13 est affectée à raison de 87,5 p.c. au Fonds des pension et de 12,5 p.c. au Fonds de solidarité et de péréquation.
Celle prévue à l'alinéa 4 de l'article 13 est affectée à raison de 77,78 p.c. au Fonds des pensions et de 22,22 p.c. au Fonds de solidarité et de péréquation.
Celle prévue à l'alinéa 5 de l'article 13 est affectée à raison de 87,5 p.c. au Fonds des pension et de 12,5 p.c. au Fonds de solidarité et de péréquation.
Art. 15. De enige premie mag niet meer gestort worden wanneer twaalf maanden verlopen zijn sedert de datum van de aanvraag.
In dit geval staat het de verzekerde vrij een nieuwe aanvraag in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.
In dit geval staat het de verzekerde vrij een nieuwe aanvraag in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 12.
Art. 15. La prime unique ne peut plus être versée lorsque douze mois se sont écoulés depuis la date de la demande.
Il est dans ce cas loisible à l'assuré d'introduire une nouvelle demande conformément aux dispositions de l'article 12.
Il est dans ce cas loisible à l'assuré d'introduire une nouvelle demande conformément aux dispositions de l'article 12.
HOOFDSTUK IV_ Over de storting van de bijdrage bepaald in artikel 68 van de wet van 17 juli 1963.
CHAPITRE IV_ Du versement de la cotisation prévue par l'article 68 de la loi du 17 juillet 1963.
Art. 16. De ondernemingen waarover sprake in artikel 68 van de wet van 17 juli 1963 zijn verplicht, vóór het einde van de maand februari van elk jaar, aan de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid de lijst te sturen van hun personeelsleden die de Belgische nationaliteit bezitten of afkomstig zijn van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord nopens de toepassing van de bepalingen van de wet van 16 juni 1960 afgesloten zal geweest zijn, en die hun beroepsbedrijvigheid in de loop van het vorig dienstjaar uitgeoefend hebben in de gebieden van gewezen Belgisch-Kongo en van Ruanda-Urundi.
Deze lijst vermeldt de naam, voornamen, nationaliteit, geboorteplaats en -datum van de betrokken personen, evenals de perioden waarvoor de maandelijkse bijdrage gestort mag worden in toepassing van de bepalingen van artikel 4 van onderhavig besluit.
Deze lijst vermeldt de naam, voornamen, nationaliteit, geboorteplaats en -datum van de betrokken personen, evenals de perioden waarvoor de maandelijkse bijdrage gestort mag worden in toepassing van de bepalingen van artikel 4 van onderhavig besluit.
Art. 16. Les entreprises visées à l'article 68 de la loi du 17 juillet 1963 sont tenues d'adresser à l'Office de sécurité sociale d'outre-mer avant la fin du mois de février de chaque année, la liste des membres de leur personnel de nationalité belge ou ressortissant d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité relatif à l'application des dispositions de la loi du 16 juin 1960, qui ont exercé leur activité professionnelle au cours de l'exercice précédent dans les territoires de l'ancien Congo Belge et du Ruanda-Urundi.
Cette liste mentionne les nom, prénoms, nationalité, lieu et date de naissance des personnes en cause ainsi que les périodes pour lesquelles la cotisation mensuelle peut être versée en application des dispositions de l'article 4 du présent arrêté.
Cette liste mentionne les nom, prénoms, nationalité, lieu et date de naissance des personnes en cause ainsi que les périodes pour lesquelles la cotisation mensuelle peut être versée en application des dispositions de l'article 4 du présent arrêté.
Art. 17. Wanneer een onderneming voor haar personeelsleden, over wie sprake in artikel 16, bijdragen stort in het kader van het stelsel voor de overzeese sociale zekerheid, mag de Dienst ze, op haar verzoek, vrijstellen van de verplichting waarin genoemd artikel voorziet en haar toelating verlenen om slechts de aanvullende inlichtingen mede te delen die vereist worden voor de berekening van het bedrag van de bijdragen verschuldigd in toepassing van de voorschriften van de artikelen 68 en 70 van de wet van 17 juli 1963.
Art. 17. Lorsqu'une entreprise verse pour les membres de son personnel désignés à l'article 16 des cotisations relatives au régime de la sécurité sociale d'outre-mer, l'Office peut à sa demande, la dispenser de l'obligation prévue audit article et l'autoriser à ne communiquer que les renseignements complémentaires nécessaires à la détermination du montant des cotisations dues en application des dispositions des articles 68 et 70 de la loi du 17 juillet 1963.
Art. 18. De storting van de bijdragen waarover gehandeld wordt in de artikelen 68 en 70 van de wet van 17 juli 1963 moet gebeuren binnen de drie maanden vanaf de datum waarop de Dienst het bedrag ervan medegedeeld heeft aan de onderneming.
Art. 18. Le versement des cotisations prévues aux articles 68 et 70 de la loi du 17 juillet 1963 doit être effectué dans les trois mois de la date à laquelle l'Office en a communiqué le montant à l'entreprise.
Art. 19. <KB 20-7-1971, art. 3> Wanneer een onderneming de bijdragen niet binnen de bij artikel 18 bepaalde tijdsspanne betaald heeft, worden die bijdragen vermeerderd met een verwijlinterest van 6 pct. 's jaars, berekend van 1 januari van het jaar, volgend op het jaar waarover zij lopen, tot de datum waarop de Dienst ervoor in rekening gecrediteerd wordt.
Wanneer een onderneming de bij artikel 16 bedoelde lijst niet binnen de gestelde tijd heeft overgezonden, is zij gehouden een som van 500 frank per ontbrekend stuk te betalen. Die som wordt vermeerderd met 500 frank per groep van vijf personen waarover sprake in evengenoemd artikel 16.
Wanneer een onderneming de bij artikel 16 bedoelde lijst niet binnen de gestelde tijd heeft overgezonden, is zij gehouden een som van 500 frank per ontbrekend stuk te betalen. Die som wordt vermeerderd met 500 frank per groep van vijf personen waarover sprake in evengenoemd artikel 16.
Art. 19. <AR 20-7-1971, art. 3> Lorsqu'une entreprise n'a pas effectué le versement des cotisations dans le délai prévu à l'article 18, celles-ci sont majorées d'un intérêt de retard calculé au taux de 6 p.c. l'an depuis le 1er janvier de l'exercice suivant celui auquel elles se rapportent jusqu'à la date à laquelle l'Office en est crédité.
Lorsqu'une entreprise n'a pas fait parvenir dans le délai requis la liste prévue à l'article 16, elle est tenu au paiement d'une somme de 500 francs par document manquant; cette somme est augmentée de 500 francs par groupe de cinq personnes visées audit article 16.
Lorsqu'une entreprise n'a pas fait parvenir dans le délai requis la liste prévue à l'article 16, elle est tenu au paiement d'une somme de 500 francs par document manquant; cette somme est augmentée de 500 francs par groupe de cinq personnes visées audit article 16.
HOOFDSTUK V_ Overgangsbepalingen.
CHAPITRE V_ Dispositions transitoires.
Art. 20. (opgeheven) <KB 25-3-1974, art. 4>
Art. 20. (abrogé) <AR 25-3-1974, art. 4>
Art. 21. Wie wenst gebruik te maken van de mogelijkheid welke hem voorbehouden wordt bij artikel 63, § 2, van de wet van 17 juli 1963 of, in voorkomend geval, bij § 3, van genoemd artikel, moet een verklaring in die zin aan de Dienst sturen binnen de twaalf maanden vanaf het in voege treden van dit besluit.
Art. 21. Les personnes qui entendent faire usage de la faculté qui leur est réservée par l'article 63, § 2, de la loi du 17 juillet 1963 ou, le cas échéant, par le § 3 dudit article, doivent en faire la déclaration à l'Office dans les douze mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art. 22. De bijdragen bedoeld bij artikel 63, §§ 2 en 3, van de wet van 17 juli 1963 worden vermeerderd met een interest berekend tegen de rentevoet van 4,5 pct. per jaar, vanaf de eerste dag van de vierde maand die volgt op de maand waarop zij betrekking hebben tot op de dag waarop de Dienst in rekening ervoor gecrediteerd wordt. De bijdragen die gestort worden in toepassing van artikel 63, § 3, dragen evenwel slechts interest tot 7 januari 1964 inbegrepen.
Deze bijdragen moeten gestort worden binnen een termijn van drie jaar die volgt op het in voege treden van onderhavig besluit.
Wanneer deze interesten niet gestort zijn, wordt hun bedrag onder de vorm van negatieve enige premie geboekt op de rekening van de verzekerde bij het Pensioenfonds van de Dienst.
Deze bijdragen moeten gestort worden binnen een termijn van drie jaar die volgt op het in voege treden van onderhavig besluit.
Wanneer deze interesten niet gestort zijn, wordt hun bedrag onder de vorm van negatieve enige premie geboekt op de rekening van de verzekerde bij het Pensioenfonds van de Dienst.
Art. 22. Les cotisations visées à l'article 63, §§ 2 et 3, de la loi du 17 juillet 1963, sont majorées d'un intérêt calculé au taux de 4,5 p.c. l'an depuis le premier jour du quatrième mois suivant celui auquel elles se rapportent jusqu'au jour ou l'Office en est crédité; celles qui sont versées en application de l'article 63, § 3, ne portent toutefois intérêt que jusqu'au 7 janvier 1964 inclus.
Ces cotisations doivent être versées dans le délai de trois ans qui suit l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Lorsque ces intérêts ne sont pas versés, leur montant est porté en prime négative au compte ouvert au nom de l'assuré au Fonds des pensions de l'Office.
Ces cotisations doivent être versées dans le délai de trois ans qui suit l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Lorsque ces intérêts ne sont pas versés, leur montant est porté en prime négative au compte ouvert au nom de l'assuré au Fonds des pensions de l'Office.
Art. 23. Voor het tweede halfjaar 1960 en voor elkeen van de dienstjaren 1961 tot 1964 moet de lijst, waarover sprake in artikel 16, aan de Dienst gestuurd worden binnen de zes maanden die volgen op het invoege treden van dit besluit.
De bijdragen die in toepassing van de artikelen 68 en 70 van de wet van 17 juli 1963 verschuldigd zijn voor de perioden vermeld in het voorgaande lid, moeten bij de Dienst gestort worden binnen de drie maanden vanaf de datum waarop deze laatste er het bedrag van meedeelde aan de onderneming.
Zo de bijdragen binnen deze termijn niet gestort worden, zullen ze vermeerderd worden met een verwijlinterest berekend tegen de rentevoet van 6 pct. per jaar, vanaf de datum waarop de Dienst in rekening gecrediteerd wordt.
De bijdragen die in toepassing van de artikelen 68 en 70 van de wet van 17 juli 1963 verschuldigd zijn voor de perioden vermeld in het voorgaande lid, moeten bij de Dienst gestort worden binnen de drie maanden vanaf de datum waarop deze laatste er het bedrag van meedeelde aan de onderneming.
Zo de bijdragen binnen deze termijn niet gestort worden, zullen ze vermeerderd worden met een verwijlinterest berekend tegen de rentevoet van 6 pct. per jaar, vanaf de datum waarop de Dienst in rekening gecrediteerd wordt.
Art. 23. La liste prévue à l'article 16 doit être adressée à l'Office, en ce qui concerne le deuxième semestre 1960 et chacun des exercices 1961 à 1964, dans les six mois de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Les cotisations dues en application des articles 68 et 70 de la loi du 17 juillet 1963, pour les périodes mentionnées à l'alinéa précédent, doivent être versées à l'Office dans les trois mois de la date à laquelle celui-ci en a communiqué le montant à l'entreprise.
A défaut du versement des cotisations dans ce délai, celles-ci sont majorées d'un intérêt de retard calculé au taux de 6 p.c. l'an à compter de la date à laquelle l'Office en a communiqué le montant à l'entreprise jusqu'à la date à laquelle il en est crédité.
Les cotisations dues en application des articles 68 et 70 de la loi du 17 juillet 1963, pour les périodes mentionnées à l'alinéa précédent, doivent être versées à l'Office dans les trois mois de la date à laquelle celui-ci en a communiqué le montant à l'entreprise.
A défaut du versement des cotisations dans ce délai, celles-ci sont majorées d'un intérêt de retard calculé au taux de 6 p.c. l'an à compter de la date à laquelle l'Office en a communiqué le montant à l'entreprise jusqu'à la date à laquelle il en est crédité.
Art. 24. Onze Minister van Financiën en Onze Minister-Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel zijn gelast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 24. Notre Ministre des Finances et Notre Ministre-Sécrétaire d'Etat à la Coopération au Développement et au Commerce extérieur, sont chargé de l'exécution de cet arrêté.