Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 DECEMBER 1963. - Koninklijk besluit betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-01-1981 en tekstbijwerking tot 25-06-2025)
Titre
20 DECEMBRE 1963. - ArrĂȘtĂ© royal relatif Ă  l'emploi et au chĂŽmage. (NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 29-01-1981 et mise Ă  jour au 25-06-2025)
Documentinformatie
Numac: 1963122002
Datum: 1963-12-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1963122002
Date: 1963-12-20
Moniteur: Voir
Inhoud
TITEL I. (Opgeheven) HOOFDSTUK I. (Opgeheven) HOOFDSTUK II. (Opgeheven) AFDELING I. (Opgeheven) AFDELING II. (opgeheven) AFDELING III. (opgeheven) HOOFDSTUK III. (Opgeheven) AFDELING I. (Opgeheven) AFDELING II. (Opgeheven) AFDELING III. (Opgeheven) TITEL II. _ Arbeidsvoorziening. HOOFDSTUK I. _ Arbeidsbemiddeling. AFDELING I. _ Openbare arbeidsbemiddeling. AFDELING II. _ (opgeheven) AFDELING III. - Kosteloze, bijzondere arbeidsbe... HOOFDSTUK II. _ Financiële tegemoetkomingen. AFDELING I. _ Tegemoetkoming in het loon van de... AFDELING II. _ Tegemoetkoming in de kosten van ... AFDELING III. _ Tegemoetkoming in het loon van ... AFDELING IV. _ Hulp bij oprichting uitbreiding ... AFDELING V. _ Tegemoetkoming in het loon van d... HOOFDSTUK III. _ Beroepsopleiding. AFDELING I. _ Algemene bepalingen. AFDELING II. _ Centra voor beroepsopleiding. AFDELING III. _ Opleiding in een centrum voor b... A. Toelating tot een centrum. B. Overeenkomst van versnelde beroepsopleiding. C. Rechten en plichten van de betrokkenen in op... AFDELING IV. _ Opleiding in een technische ond... AFDELING V. _ Beroepsopleiding in een onderneming. HOOFDSTUK IV. _ (Impl. opgeheven) TITEL III. (Opgeheven) HOOFDSTUK I. (Opgeheven) AFDELING I. (Opgeheven) AFDELING II. (Opgeheven) AFDELING IIBIS. (Opgeheven) AFDELING IITER. (Opgeheven) Afdeling IIQUATER. (Opgeheven) AFDELING IIQUINQUIES. (Opgeheven) AFDELING IISEXIES. (Opgeheven) AFDELING IIsepties. (Opgeheven) AFDELING III. (Opgeheven) AFDELING IV. (Opgeheven) Onderafdeling I. (Opgeheven) Onderafdeling II. (Opgeheven) AFDELING IVBIS. (Opgeheven) HOOFDSTUK 1BIS. (Opgeheven) AFDELING I. (Opgeheven) AFDELING II. (Opgeheven) AFDELING III. (Opgeheven) ONDERAFDELING 1. (Opgeheven) ONDERAFDELING 2. (Opgeheven) AFDELING IV. (Opgeheven) HOOFDSTUK II. (Opgeheven) AFDELING I. (Opgeheven) AFDELING II. (Opgeheven) AFDELING III. (Opgeheven) AFDELING IV. (Opgeheven) HOOFDSTUK III. (Opgeheven) AFDELING I. _ (opgeheven) AFDELING II. HOOFDSTUK IV. (Opgeheven) TITEL IV. (Opgeheven) TITEL V. _ Bepalingen eigen aan het Waalse Gew... Afdeling I. Tegemoetkoming in het loon van de ... Afdeling 1bis. Tijdelijke maatregelen inzake i... Afdeling 2. Hulp aan de bedrijfsoprichting, -u... Afdeling 2bis. - Tijdelijke maatregelen inzake... Onderafdeling 1. - Definities en gelijkstellingen. Onderafdeling 2. - Toekenning van een indienst... Onderafdeling 3. -Tussenkomst in de opleidingsk... Onderafdeling 4. - Aanzet tot indienstneming e...
Inhoud
TITRE Ier. (Abrogé) CHAPITRE Ier. (Abrogé) CHAPITRE II. (Abrogé) SECTION 1Úre. (Abrogé) SECTION II. (Abrogé) SECTION III. (Abrogé) CHAPITRE III. (Abrogé) SECTION 1Úre. (Abrogé) SECTION II. (Abrogé) SECTION III. (Abrogé) TITRE II. _ L'emploi. CHAPITRE Ier. _ Placement. SECTION 1Úre. _ Placement public. Section II. _ (Abrogée) Section III. _ Placement privé gratuit. CHAPITRE II. _ Interventions financiÚres. SECTION 1Úre. _ Intervention dans la rémunérati... SECTION II. - Intervention dans les frais de ré... SECTION III. _ Intervention dans la rémunératio... SECTION IV. _ Aide à la création, à l'extension... SECTION V. _ Intervention dans la rémunération... CHAPITRE III. _ Formation professionnelle SECTION I. _ Dispositions générales. SECTION II. _ Centres de formation professionne... SECTION III. _ Formation dans un centre de form... A. Admission dans un centre. B. Contrat de formation professionnelle accélérée. C. Droits et obligations des personnes bénéfici... SECTION IV. _ Formation dans un établissement ... SECTION V. _ Formation professionnelle dans une... CHAPITRE IV. _ (abrogé impl.) TITRE III. (Abrogé) CHAPITRE Ier. (Abrogé) SECTION 1Úre. (Abrogé) SECTION II. (Abrogé) SECTION IIBIS. (Abrogé) SECTION IITER. (Abrogé) Section IIQUATER. (Abrogé) SECTION IIQUINQUIES. (Abrogé) SECTION IISEXIES. (Abrogé) SECTION IIsepties. (Abrogé) SECTION III. (Abrogé) SECTION IV. (Abrogé) Sous-section I. (Abrogé) Sous-section II. (Abrogé) SECTION IVBIS. (Abrogé) CHAPITRE IBIS. (Abrogé) SECTION 1Úre. (Abrogé) SECTION II. (Abrogé) SECTION III. (Abrogé) Sous-section IÚre. (Abrogé) Sous-section 2. (Abrogé) SECTION IV. (Abrogé) CHAPITRE II. (Abrogé) SECTION 1Úre. (Abrogé) SECTION II. (Abrogé) SECTION III. (Abrogé) SECTION IV. (Abrogé) CHAPITRE III. (Abrogé) SECTION 1Úre. _ (Abrogé) SECTION II. (Abrogé) CHAPITRE IV. (Abrogé) TITRE IV. (Abrogé) TITRE V. _ Dispositions particuliÚres à la Rég... Section I. Intervention dans la rémunération d... Section 1bis. Dispositions temporaires relativ... Section 2. Aide à la création, à l'extension e... Section 2bis. - Dispositions temporaires relat... Sous-section 1. - Définitions et assimilations. Sous-section 2. - Octroi d'une prime d'embauch... Sous-section 3. - Intervention dans les coûts ... Sous-section 4. - Incitation au recrutement et...
Tekst (462)
Texte (462)
TITEL I. (Opgeheven)
TITRE Ier. (Abrogé)
HOOFDSTUK I. (Opgeheven)
CHAPITRE Ier. (Abrogé)
HOOFDSTUK II. (Opgeheven)
CHAPITRE II. (Abrogé)
AFDELING I. (Opgeheven)
SECTION 1Úre. (Abrogé)
AFDELING II. (opgeheven)
SECTION II. (Abrogé)
AFDELING III. (opgeheven)
SECTION III. (Abrogé)
HOOFDSTUK III. (Opgeheven)
CHAPITRE III. (Abrogé)
AFDELING I. (Opgeheven)
SECTION 1Úre. (Abrogé)
AFDELING II. (Opgeheven)
SECTION II. (Abrogé)
AFDELING III. (Opgeheven)
SECTION III. (Abrogé)
TITEL II. _ Arbeidsvoorziening.
TITRE II. _ L'emploi.
HOOFDSTUK I. _ Arbeidsbemiddeling.
CHAPITRE Ier. _ Placement.
AFDELING I. _ Openbare arbeidsbemiddeling.
SECTION 1Ăšre. _ Placement public.
Art. 31. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Iedereen mag zich als werkzoekende bij een dienst voor openbare arbeidsbemiddeling laten inschrijven. Deze diensten verzoeken de werkgevers van hun ambtsgebied hun behoeften aan personeel op te geven en zijn behulpzaam bij de aanwerving ervan.
Art. 31. Toute personne peut se faire inscrire comme demandeur d'emploi dans un service public de placement. Ces services invitent les employeurs de leur ressort Ă  faire connaĂźtre leurs besoins en personnel et aident au recrutement de celui-ci.
Art.31_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art.31_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 32. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De werkgevers die werk aanbieden en de werkzoekenden doen opgave van:
1° het beroep en de graad van beroepskwalificatie die vereist is voor de aangeboden dienstbetrekking of die de werkzoekende bezit, volgens de categorieën vastgesteld door de paritaire comités;
2° het aangeboden of gevraagde loon;
3° alle andere voorwaarden door de werkgever aangeboden of vereist of die de werkzoekende bezit en welke een passende aanwerving of plaatsing mogelijk maken.
Art. 32. Les employeurs qui offrent des emplois et les demandeurs d'emploi spécifient:
1° la profession et le degré de qualification professionnelle qui est requis pour l'emploi offert ou que possÚde le demandeur, suivant les catégories établies par les commissions paritaires;
2° la rémunération offerte ou demandée;
3° toutes autres conditions offertes ou requises par l'employeur ou réunies par le demandeur et qui permettent un recrutement ou un placement approprié.
Art.32_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art.32_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 33. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Voor de werkzoekenden die wegens hun ouderdom of wegens een vermindering van hun lichamelijke of geestelijke geschiktheid, moeilijk te plaatsen zijn, wenden (de subregionale diensten) bijzondere stappen aan bij de werkgevers en werkgeversorganisaties ten einde hun passende betrekkingen te bezorgen. <KB 06-10-1978, art. 16>
Art. 33. Pour les travailleurs dont le placement s'avÚre difficile en raison de leur ùge ou d'une diminution de leur capacité physique ou mentale, (les services subrégionaux) font des démarches spéciales auprÚs des employeurs et des organisations d'employeurs pour leur trouver des emplois adéquats. <AR 06-10-1978, art. 16>
Art.33_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art.33_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 34. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Ten einde te voldoen aan de aanbiedingen van werk waaraan geen onmiddellijk gevolg kan worden gegeven in het gewest, hebben compensatieverrichtingen plaats, dagelijks tussen aangrenzende (subregionale) diensten en ten minste eens per week tussen alle (subregionale) diensten van het land. <KB 06-10-1978, art. 17>
De intergewestelijke verrichtingen kunnen ook het voorwerp uitmaken van een gespecialiseerde organisatie in bepaalde bedrijfstakken, zoals de landbouw en het hotelbedrijf of voor bepaalde categorieën van werknemers, zoals het huispersoneel.
Art. 34. Pour donner suite aux offres d'emploi qui ne trouvent pas immédiatement leur contrepartie dans la région, il est procédé à des opérations de compensation, journellement entre services (subrégionaux) voisins et une fois au moins par semaine entre tous les services régionaux du pays. <AR 06-10-1978, art. 17>
Les opérations interrégionales peuvent aussi faire l'objet d'une organisation spécialisée dans certaines branches d'activité, telles que l'agriculture et l'industrie hÎteliÚre, ou pour certaines catégories de travailleurs, telles que les gens de maison.
Art.34_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art.34_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 35. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De (subregionale diensten) mogen de lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de werkzoekenden doen nagaan door middel van een geneeskundig onderzoek waarvan de kosten ten laste van de Rijksdienst zijn. <KB 06-10-1978, art. 18>
Het beheerscomité maakt de lijst op van de geneesheren belast met die onderzoekingen. Het zorgt voor de coördinatie van hun activiteiten en bepaalt welke documentatie over de lichamelijke en geestelijke vereisten van de verschillende beroepen hun moet worden bezorgd.
Art. 35. (Les services subrégionaux) peuvent faire contrÎler l'aptitude physique et mentale des demandeurs d'emploi en les soumettant à un examen médical dont les frais sont à la charge de l'Office. <AR 06-10-1978, art. 18>
Le comitĂ© de gestion Ă©tablit la liste des mĂ©decins chargĂ©s de cet examen. Il assure la coordination de leurs activitĂ©s et dĂ©termine la documentation qui doit leur ĂȘtre transmise concernant les aptitudes physiques et mentales que requiĂšrent les diverses professions.
Art.35_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art.35_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 36. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(De subregionale diensten) mogen de werkzoekenden eveneens onderwerpen aan een onderzoek betreffende hun psychologische geschiktheid in een medico-psychotechnisch centrum van de Rijksdienst. <KB 06-10-1978, art. 19>
Deze centra hebben tot doel de bijzondere vraagstukken in verband met de voorlichting, de voorselectie en de beroepsselectie van de werknemers op te lossen, inzonderheid wanneer het gaat om:
1° werknemers, zelfstandigen of uitkeringsgerechtigde werklozen die verzoeken om in een centrum voor beroepsopleiding te worden opgenomen;
2° werknemers aan te werven in geval van oprichting, uitbreiding of overschakeling van bedrijven;
3° jonge werkzoekenden wier werkloosheidsduur of de moeilijkheden ondervonden, om hun een passende betrekking te bezorgen, een inventaris van of een toezicht op hun geschiktheid vereisen;
4° werkzoekenden die wegens hun ouderdom of wegens een vermindering van hun lichamelijke of geestelijke geschiktheid, moeilijk te plaatsen zijn.
Art. 36. (Les services subrégionaux) peuvent également soumettre les demandeurs d'emploi à un examen d'aptitude psychologique dans un centre médico-psycho-technique de l'Office. <AR 06-10-1978, art. 19>
Ces centres ont pour mission de résoudre les problÚmes spéciaux d'orientation, de présélection et de sélection professionnelles des travailleurs, notamment lorsqu'il s'agit:
1° de travailleurs salariés, de travailleurs indépendants ou de chÎmeurs indemnisés qui sollicitent leur admission dans un centre de formation professionnelle;
2° de travailleurs à recruter en cas de création, d'extension ou de reconversion d'entreprises;
3° de jeunes demandeurs d'emploi pour lesquels la durée du chÎmage ou les difficultés éprouvées à leur procurer un emploi convenable rendent obligatoire un inventaire ou un contrÎle des aptitudes;
4° de demandeurs d'emploi difficiles à placer en raison de leur ùge ou d'une diminution de leurs aptitudes physiques ou mentales.
Art.36_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art.36_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 37. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De Rijksdienst beschikt over gewestelijke of intergewestelijke medico-psychotechnische centra.
Hun aantal, localisering en ambtsgebied, evenals hun organisatie, worden, na goedkeuring door de Minister, door het beheerscomité vastgesteld.
De Rijksdienst kan evenwel, op zijn kosten, om de medewerking verzoeken van een psycho-medisch-sociaal centrum, dat door de Staat wordt ingericht of gesubsidieerd. De criteria en de voorwaarden van deze medewerking worden vastgesteld door het beheerscomité en goedgekeurd door de Minister en door de Minister tot wiens bevoegdheid de Nationale Opvoeding behoort.
Art. 37. L'Office dispose de centres médico-psycho-techniques régionaux ou interrégionaux.
Le nombre, la localisation et le ressort, ainsi que l'organisation en sont fixés par le comité de gestion, moyennant l'approbation du Ministre.
L'Office peut cependant, à ses frais, faire appel au concours d'un centre psycho-médico-social organisé ou subventionné par l'Etat. Les critÚres et les conditions de ce concours sont fixés par le comité de gestion et approuvés par le Ministre et par le Ministre qui a l'Education nationale dans ses attributions.
Art.37_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art.37_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 38. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De werkzoekenden die een geneeskundig of medico-psychotechnisch onderzoek ondergaan, kunnen de terugbetaling van hun reiskosten bekomen, onder de voorwaarden vastgesteld door de Minister, na advies van het beheerscomité.
Art. 38. Les demandeurs d'emploi qui subissent un examen médical ou médico-psycho-technique peuvent obtenir le remboursement des frais de déplacement qu'ils ont exposés, aux conditions fixées par le Ministre, aprÚs avis du comité de gestion.
Art.38_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art.38_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
AFDELING II. _ (opgeheven)
Section II. _ (Abrogée)
Art. 39. (opgeheven) <KB 06-10-1978, art. 20>
Art. 39. (Abrogé) <AR 06-10-1978, art. 20>
Art. 40. (opgeheven) <KB 06-10-1978, art. 20>
Art. 40. (Abrogé) <AR 06-10-1978, art. 20>
Art. 41. (opgeheven) <KB 06-10-1978, art. 20>
Art. 41. (Abrogé) <AR 06-10-1978, art. 20>
Art. 42. (opgeheven) <KB 06-10-1978, art. 20>
Art. 42. (Abrogé) <AR 06-10-1978, art. 20>
Art. 43. (opgeheven) <KB 06-10-1978, art. 20>
Art. 43. (Abrogé) <AR 06-10-1978, art. 20>
AFDELING III. - Kosteloze, bijzondere arbeidsbemiddeling.
Section III. _ Placement privé gratuit.
Art. 44. De bureaus voor kosteloze arbeidsbemiddeling, door beroepsorganisaties of menslievende verenigingen tot stand gebracht, kunnen, na advies van het beheerscomité, door de Minister erkend worden. Daartoe richten zij tot hem een verzoek, waarin de algemene organisatie van het bureau en zijn bestaansredenen worden uiteengezet.
Art. 44. Les bureaux de placement gratuit créés par des organisations professionnelles ou philanthropiques peuvent ĂȘtre agréés par le Ministre, aprĂšs avis du comitĂ© de gestion. Ils lui adressent, Ă  cette fin, une requĂȘte dans laquelle ils exposent l'organisation gĂ©nĂ©rale du bureau et sa raison d'ĂȘtre.
Art. 45. Om te kunnen erkend worden, voegen de bureaus voor kosteloze bijzondere arbeidsbemiddeling bij het verzoekschrift twee exemplaren van hun statuten alsmede de lijst van hun beheerders.
De statuten dienen onder meer te vermelden:
1° de benaming, de zetel en het ambtsgebied van het bureau voor arbeidsbemiddeling;
2° zijn doel, waarbij inzonderheid de categorieën en de kunne van de arbeiders die het kosteloos plaatst, dienen bepaald;
3° de samenstelling van de raad van beheer, de wijze van benoeming van de beheerders, hun ontslagneming of hun afzetting , hun bevoegdheden en de duur van hun mandaat;
4° de inrichting der controle op de verrichtingen van het bureau door de leden van de raad van beheer;
5° de modaliteiten volgens welke eventueel de versmelting met een ander bureau voor kosteloze arbeidsbemiddeling of zijn ontbinding geschiedt.
Elke wijziging in de lijst van de beheerders dient aan de Minister te worden bekendgemaakt.
Art. 45. Pour pouvoir ĂȘtre agréés, les bureaux de placement privĂ© gratuit joignent Ă  la requĂȘte deux exemplaires de leurs statuts, ainsi que la liste de leurs administrateurs.
Les statuts doivent notamment mentionner:
1° la dénomination, le siÚge et le ressort du bureau de placement;
2° son objet, en précisant notamment les catégories et le sexe des travailleurs dont il effectue le placement gratuit;
3° la composition du conseil d'administration, le mode de nomination des administrateurs, de leur démission ou de leur révocation, leurs attributions et la durée de leur mandat;
4° l'organisation du contrÎle des opérations du bureau par les membres du conseil d'administration;
5° les conditions dans lesquelles s'effectue éventuellement la fusion du bureau de placement avec un autre ou sa dissolution.
Toute modification qui survient dans la liste des administrateurs doit ĂȘtre portĂ©e Ă  la connaissance du Ministre.
Art. 46. Het bureau voor kosteloze bijzondere arbeidsbemiddeling moet de verbintenis aangaan:
1° gevolg te geven aan elke aanbieding van of aanvraag om werk, ook wanneer de arbeidsbemiddeling geen aanleiding kan geven tot het verlenen van toelagen overeenkomstig artikel 52;
2° zich niet te vestigen in een drankslijterij, in een handels- of winkelhuis; indien het bureau in belendende lokalen gevestigd is, moet men er door een afzonderlijke ingang kunnen binnenkomen, zonder dat de handelaar of zijn personeel hoeft tussenbeide te komen;
3° noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks als voorwaarde voor de plaatsing, de verplichting op te leggen tot aankopen of uitgaven in een drankslijterij, een hotel of een logieshuis, of in om het even welke andere handel of bedrijf.
Art. 46. Le bureau de placement privé gratuit doit s'engager:
1° Ă  donner suite Ă  toute offre ou demande d'emploi, mĂȘme si le placement ne peut pas donner lieu Ă  l'octroi de subventions de l'Etat, conformĂ©ment Ă  l'article 52;
2° Ă  ne pas s'installer dans un dĂ©bit de boissons, magasin ou boutique; si le bureau est installĂ© dans des locaux attenants, il doit ĂȘtre accessible par une entrĂ©e particuliĂšre, sans intervention du commerçant ou de ses prĂ©posĂ©s;
3° à ne pas imposer, directement ou indirectement, comme condition du placement, l'obligation de faire des achats ou des dépenses dans un débit de boissons, un hÎtel ou une maison de logement ou dans tout autre commerce ou entreprise.
Art. 47. De erkende bureaus voor kosteloze bijzondere arbeidsbemiddeling staan onder toezicht van de Rijksdienst; zij dienen aan alle vragen om inlichtingen, tot hen door de Rijksdienst gericht, gevolg te geven.
Art. 47. Les bureaux de placement privé gratuit agréés sont soumis au contrÎle de l'Office; ils doivent répondre à toutes les demandes de renseignements qui leur sont adressées par l'Office.
Art. 48. De erkende bureaus bezorgen vóór de tiende van elke maand, aan de Rijksdienst de statistiek van de plaatsingen gedaan in de loop van de vorige maand.
Zij doen aan de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling van het ambtsgebied waarin zij gelegen zijn wekelijks opgave van de aanbiedingen van werk waaraan niet kon worden voldaan.
Zij brengen ter kennis van de gewestelijke bureaus waaronder de belanghebbenden ressorteren, de werkweigeringen van werklozen met de door hen opgegeven redenen, naarmate deze weigeringen zich voordoen.
Art. 48. Les bureaux agréés transmettent à l'Office avant le 10 de chaque mois, le relevé statistique des placements effectués au cours du mois précédent.
Ils adressent au service rĂ©gional de placement dans le ressort duquel ils sont situĂ©s, un relevĂ© hebdomadaire des offres d'emploi auxquelles il n'a pu ĂȘtre donnĂ© suite.
Ils font connaßtre aux bureaux régionaux dont les interessés relÚvent, au fur et à mesure qu'ils se produisent, les refus de travail des chÎmeurs en signalant les motifs allégués par ceux-ci.
Art. 49. De erkenning wordt, na advies van het beheerscomité door de Minister geschorst of ingetrokken, wanneer het bureau zich niet schikt naar de voorschriften van deze afdeling of de onderrichtingen van de Rijksdienst, of wanneer zijn bedrijvigheid zodanig afneemt, dat zijn bestaan kennelijk niet meer verantwoord is.
Art. 49. Le Ministre suspend ou retire l'agréation, aprÚs avis du comité de gestion, quand le bureau ne se conforme pas aux prescriptions de la présente section ou aux instructions de l'Office, ou quand son activité est à ce point réduite que son existence n'est manifestement plus justifiée.
Art. 50. De besluiten houdende erkenning, schorsing of intrekking, worden in het Belgisch Staatsblad bij uittreksel bekendgemaakt.
Art. 50. Les arrĂȘtĂ©s d'octroi de suspension ou de retrait d'agrĂ©ation, sont publiĂ©s par extrait au Moniteur belge.
Art. 51. Binnen de perken van de kredieten hiertoe op de begroting van het Ministerie waaronder de tewerkstelling ressorteert, uitgetrokken, ontvangen de erkende bureaus toelagen, waarvan de Minister, na advies van het beheerscomité, het bedrag en de wijze van uitbetaling vaststelt.
Het bedrag van deze toelagen wordt bepaald in verhouding tot het aantal gedane plaatsingen die door de Rijksdienst zijn aanvaard.
Art. 51. Dans la limite des crédits prévus à cette fin au budget du MinistÚre dont relÚve l'emploi, les bureaux agréés bénéficient de subventions, dont le montant et les modalités d'octroi sont déterminés par le Ministre, aprÚs avis du comité de gestion.
Le montant de ces subventions est fixé au prorata du nombre de placements effectués par ces bureaux et admis par l'Office.
Art. 52. Voor het verlenen van toelagen komt in aanmerking de werkelijke plaatsing van een door het bureau voorgestelde kandidaat in een betrekking, waarin hij ten minste drie dagen aan het werk is gebleven.
Voor het huispersoneel en voor de extra's in het hotelbedrijf mag het in dienst blijven beperkt zijn tot één dag, maar er wordt slecht één toelage per maand voor een zelfde persoon verleend, wat ook het aantal dienstbetrekkingen weze die hem in de loop van de maand werden bezorgd.
Art. 52. Entre en ligne de compte pour l'octroi de subventions, le placement effectif d'un candidat prĂ©sentĂ© par le bureau dans un emploi oĂč il est restĂ© occupĂ© pendant au moins trois jours.
Pour les gens de maison et les extras de l'industrie hĂŽteliĂšre, l'occupation de l'emploi peut ĂȘtre limitĂ©e Ă  un jour, Ă©tant entendu qu'il n'est accordĂ© qu'une seule subvention par mois pour une mĂȘme personne, quel que soit le nombre d'emplois dans lesquels elle a Ă©tĂ© placĂ©e au cours du mois.
HOOFDSTUK II. _ Financiële tegemoetkomingen.
CHAPITRE II. _ Interventions financiĂšres.
AFDELING I. _ Tegemoetkoming in het loon van de moeilijk te plaatsen werklozen.
SECTION 1Úre. _ Intervention dans la rémunération des chÎmeurs difficiles à placer. (Les articles 53 à 58 ne sont pas applicables en Région Wallonne; voir le Titre V inséré par AERW 1985-07-15/38, art. 1, 050)
Art. 53. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Een financiële tegemoetkoming in het loon van de moeilijk te plaatsen werklozen, die door toedoen van de Rijksdienst in dienst worden genomen, kan worden toegekend gedurende een periode van ten hoogste tweeënvijftig weken zo het een werkman betreft, en van ten hoogste twaalf maanden zo het een bediende betreft.) <KB 24-02-1967, art. 1>
Onder loon wordt verstaan, het minimumloon vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomst, bij al dan niet algemeen verbindend verklaarde beslissing van het paritair comité of, bij gebreke hiervan, door het gebruik, vermeerderd met de werkgeversbijdrage die verschuldigd is krachtens de wetgeving op de sociale zekerheid .
(NOTA : Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt art. 53 vervangen door :
"§ 1. Binnen de beperkingen van de beschikbare kredieten, kent de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling aan (kleine en middelgrote ondernemingen en V.Z.W.'s die kansarme werknemers aanwerven)
, een beroepsoverstappremie toe.
(§ 1bis. De kleine en middelgrote ondernemingen, de zogenaamde K.M.O.'s, zijn de ondernemingen :
1° met minder dan 250 werknemers;
2° en waarvan ofwel de jaaromzet 40 miljoen euro niet overschrijdt, ofwel het jaarlijks balanstotaal 27 miljoen euro niet overschrijdt;
3° en die het zelfstandigheidscriterium in acht nemen. Als zelfstandig wordt de onderneming beschouwd die niet voor 25 % of meer van het kapitaal of van de stemrechten in handen is van één onderneming of van verscheidene ondernemingen gezamenlijk, die niet aan de definitie van K.M.O. beantwoorden. Deze drempel mag in twee gevallen overschreden worden :
a) indien de onderneming in handen is van openbare participatiemaatschappijen, van ondernemingen met risicokapitaal of institutionele beleggers, mits deze individueel noch gezamenlijk in enig opzicht zeggenschap over de onderneming hebben;
b) indien het wegens de spreiding van het kapitaal onmogelijk is te weten in wiens handen het is, en de onderneming verklaart dat ze redelijkerwijs mag aannemen niet voor 25 % of meer in handen te zijn van één onderneming of, van verscheidene ondernemingen gezamenlijk die niet aan de definitie van K.M.O. beantwoorden.)
(§ 1ter. 1° De drempels bedoeld in § 1bis, worden berekend door de optelling van de gegevens van de begunstigde onderneming en van alle ondernemingen waarvan eerstgenoemde onderneming rechtstreeks of onrechtstreeks 25 % of meer van het kapitaal of van het stemrecht bezit.
2° Indien een onderneming op de datum waarop haar balans afgesloten wordt, de aangekondigde drempels inzake werknemersbestand of geldmiddelen overschrijdt of eronder zakt, verwerft of verliest bedoelde onderneming haar hoedanigheid van K.M.O. pas indien die omstandigheid zich gedurende twee opeenvolgende werkjaren voordoet.
3° Het aantal tewerkgestelde personen stemt overeen met het aantal werkeenheden per jaar, namelijk het aantal werknemers in loondienst die gedurende één jaar voltijds werkzaam zijn, waarbij deeltijdse dan wel seizoensgebonden arbeid breukgetallen van werkeenheden per jaar vormen. Het jaar dat in overweging dient te worden genomen, is het laatst afgesloten boekjaar.
4° De drempels die in acht genomen worden voor het omzetcijfer of het totaal op de balans zijn de drempels met betrekking tot het laatst afgesloten boekjaar van twaalf maanden. Voor pas in het leven geroepen ondernemingen waarvan er nog geen rekening afgesloten is, worden de in overweging genomen drempels te goeder trouw geschat in de loop van het boekjaar.)
§ 2. Om deze beroepsoverstappremie te kunnen genieten, moet (de K.M.O.) of de VZW. de volgende voorwaarden nakomen :
1° zijn werkaanbieding aan de BGDA. meedelen ;
2° zijn maatschappelijke zetel of zijn bedrijfszetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben;
3° de (kansarm) werknemer tewerkstellen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
(4° niet behoren tot de sector van de scheepsbouw of van de steenkoolnijverheid.) " )
Art. 53. (Pas applicable en Région Wallonne; voir art. 270 de l'AR) (abrogé pour la Région flamande par AEF 1988-12-21/36, art. 137, 1°, 074; voir aussi art. 138)
(Une intervention financiĂšre dans la rĂ©munĂ©ration des chĂŽmeurs difficiles Ă  placer recrutĂ©s Ă  l'intervention de l'Office peut ĂȘtre accordĂ©e pendant une pĂ©riode de cinquante-deux semaines au maximum s'il s'agit d'un ouvrier, et de douze mois au maximum s'il s'agit d'un employĂ©.) <AR 24-02-1967, art. 1er>
Par rémunération, il faut entendre la rémunération minimale fixée par voie de convention collective, par décision rendue ou non obligatoire de la commission paritaire, ou à défaut, par l'usage, majorée du montant de la cotisation patronale qui est due en vertu de la législation concernant la sécurité sociale.
(NOTE : Pour la Région de Bruxelles-Capitale, l'art. 53 est remplacé par la disposition suivante :
"§ 1er. Dans les limites des crédits disponibles, l'Office régional bruxellois de l'Emploi octroie une prime de transition professionnelle aux (petites et moyennes entreprises et A.S.B.L. qui engagent des travailleurs défavorisés).
(§ 1erbis. Les petites et moyennes entreprises dénommées P.M.E., sont les entreprises :
1° qui emploient moins de 250 personnes;
2° et dont soit le chiffre d'affaires annuel n'excÚde pas 40 millions d'euros, soit le total du bilan annuel n'excÚde pas 27 millions d'euros;
3° et qui respectent le critĂšre de l'indĂ©pendance. Sont considĂ©rĂ©es comme indĂ©pendantes les entreprises qui ne sont pas dĂ©tenues Ă  hauteur de 25 % ou plus du capital ou des droits de vote par une entreprise ou conjointement par plusieurs entreprises ne correspondant pas Ă  la dĂ©finition de la P.M.E. Ce seuil peut ĂȘtre dĂ©passĂ© dans deux cas :
a) si l'entreprise est détenue par des sociétés publiques de participation, des sociétés de capital à risque ou des investisseurs institutionnels et à la condition que ceux-ci n'exercent, à titre individuel ou conjointement, aucun contrÎle sur l'entreprise;
b) s'il rĂ©sulte de la dispersion du capital qu'il est impossible de savoir qui le dĂ©tient et que l'entreprise dĂ©clare qu'elle peut lĂ©gitimement prĂ©sumer ne pas ĂȘtre dĂ©tenue Ă  25 % ou plus par une entreprise ou conjointement par plusieurs entreprises qui ne correspondent pas Ă  la dĂ©finition de la P.M.E.)
(§ 1erter. 1° Pour le calcul des seuils visés au § 1erbis, il convient d'additionner les données de l'entreprise bénéficiaire et de toutes les entreprises dont elle détient directement ou indirectement 25 % ou plus du capital ou des droits de vote.
2° Lorsqu'une entreprise, à la date de clÎture du bilan, vient de dépasser, dans un sens ou un autre, les seuils de l'effectif ou les seuils financiers annoncés, cette circonstance ne lui fait acquérir ou perdre la qualité de P.M.E., que si elle se reproduit pendant deux exercices consécutifs.
3° Le nombre de personnes employées correspond au nombre d'unité de travail par an, c'est à dire au nombre de salariés employés à temps plein pendant une année, le travail à temps partiel ou le travail saisonnier étant des fractions du nombre d'unités de travail par an. L'année à prendre en considération est celle du dernier exercice comptable clÎturé.
4° Les seuils retenus pour le chiffre d'affaires ou le total de bilan sont ceux afférents au dernier exercice clÎturé de douze mois. Dans le cas d'une entreprise nouvellement créée et dont les comptes n'ont pas encore été clÎturés, les seuils à considérer font l'objet d'une estimation de bonne foi en cours d'exercice.)
§ 2. Pour pouvoir bénéficier de la prime de transition professionnelle, (la P.M.E.) ou l'ASBL. doit respecter les trois conditions suivantes :
1° avoir fait connaßtre son offre d'emploi à l'Orbem;
2° avoir un siÚge social ou un siÚge d'exploitation dans la Région de Bruxelles-Capitale;
3° occuper le travailleur (défavorisé) dans la Région de Bruxelles-Capitale.
(4° ne pas appartenir au secteur de la construction navale et de l'industrie charbonniÚre. )"
Art.53_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art.53_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 54. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Voor de toepassing van deze afdeling wordt als "moeilijk te plaatsen werkloze" beschouwd:
1° de werkloze die tijdens de achttien maanden onmiddellijk vóór zijn indienstneming, gedurende ten minste twaalf maanden werkloosheidsuitkering heeft genoten en die op het tijdstip van zijn indienstneming 55 of 40 jaar is naargelang het een werkman of een bediende betreft: op advies van het beheerscomité kan de Minister van die leeftijdsvoorwaarde afwijken voor een bepaalde streek, een bepaald beroep of een bepaalde bedrijfstak;
2° de werkloze die, tijdens de negen maanden onmiddellijk vóór zijn indienstneming, gedurende ten minste zes maanden werkloosheidsuitkering heeft genoten en wiens arbeidsgeschiktheid op het ogenblik van zijn indienstneming, verminderd is, hetzij met tenminste 30 pct. wegens een vermindering van zijn lichamelijke geschiktheid, hetzij met tenminste 20 pct. wegens een vermindering van zijn geestelijke geschiktheid.
(Voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met dagen waarvoor werkloosheidsuitkering wordt verleend, de dagen die aanleiding hebben gegeven tot toekenning van een uitkering met toepassing van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit of van een vergoeding voor arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar en van het werk , beroepsziekten of ongevallen van gemeen recht.) <KB 24-02-1967, art. 2>
(In geval van sluiting van een onderneming, kan de Minister echter, na advies van het beheerscomité, aan de directeur toelating verlenen om de ontslagen werknemers vrij te stellen van de voorwaarde genoten te hebben van de werkloosheidsuitkeringen gedurende de perioden bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, indien de toestand van de arbeidsmarkt en de bijzondere toestand der belanghebbenden niet toelaten hen te herplaatsen zonder de financiële tegemoetkoming bedoeld in artikel 53.) <KB 24-02-1967, art. 2>
(NOTA : Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt art. 54 vervangen door :
"§ 1. (De beroepsoverstappremie kan verkregen worden voor de werkzoekenden die op het ogenblik van hun aanwerving ingeschreven zijn bij de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en meer bepaald voor :
1° de personen jonger dan 25 jaar die nog geen eerste regelmatige bezoldigde beroepsactiviteit voor een duur gelijk aan of hoger dan drie opeenvolgende maanden vonden en niet houder zijn van een diploma, getuigschrift, brevet of een ander gelijkgesteld document hoger dan het hoger secundair onderwijs;
2° de personen die zich willen inschakelen of herinschakelen op de arbeidsmarkt en die gedurende ten minste twee jaar niet gewerkt hebben noch een opleiding gevolgd hebben en meer bepaald alle personen die gestopt zijn met werken omwille van problemen bij het combineren van het professionele leven en het gezinsleven;
3° de personen ouder dan 45 jaar, die geen houder zijn van een diploma, getuigschrift, brevet of een ander gelijkgesteld document hoger dan het hoger secundair onderwijs en de personen ouder dan 55 jaar die geen werk hebben;
4° de personen die gedurende twaalf opeenvolgende maanden, of in geval van personen jonger dan 25 jaar gedurende zes opeenvolgende maanden, niet gewerkt hebben en geen houder zijn van een diploma, getuigschrift, brevet of een ander gelijkgesteld document hoger dan het hoger secundair onderwijs;
5° de personen die geen eerste rechtsgeldige bezoldigde beroepsactiviteit vonden nadat ze een vrijheidsstraf hebben uitgezeten;
6° de niet-werkende personen jonger dan 46 jaar die geen houder zijn van een diploma, getuigschrift, brevet of een gelijkgesteld document hoger dan het lager secundair onderwijs en die niet behoren tot de categorieën 1°, 2°, 4° en 5°, van onderhavig artikel, op voorwaarde dat hun aanwerving aanleiding geeft tot het creëren van netto-arbeidsplaatsen. Onder het creëren van arbeidsplaatsen moet worden verstaan, een stijging van het aantal loontrekkenden uitgedrukt in voltijdse equivalenten gedurende de twaalf kalendermaanden die aan de aanwerving voorafgaan.)

§ 2. (opgeheven) " )
Art. 54. Pour l'application de la présente section, est considéré comme "chÎmeur difficile à placer":
1° le chÎmeur qui a bénéficié d'allocations de chÎmage pendant au moins douze mois au cours des dix-huit mois précédant son embauchage et qui est ùgé, au moment de celui-ci, de 55 ans ou de 40 ans selon qu'il s'agit d'un ouvrier ou d'un employé; sur avis du comité de gestion, le Ministre peut déroger à cette condition d'ùge pour une région, une profession ou une branche d'activité déterminée;
2° le chÎmeur qui a béneficié d'allocations de chÎmage pendant au moins six mois au cours des neuf mois précédant son embauchage et dont l'aptitude au travail, au moment de cet embauchage, est réduite, soit de 30 p.c. au moins par suite d'une diminution de son aptitude physique, soit de 20 p.c. au moins par suite d'une diminution de son aptitude mentale.
(Pour l'application du présent article, sont assimilées à des journées de chÎmage indemnisé, les journées qui ont donné lieu à l'octroi d'une indemnité au titre de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, du chef de dommages résultant d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail, d'une maladie professionnelle ou d'un accident de droit commun.) <AR 24-02-1967, art. 2>
Toutefois, en cas de fermeture d'entreprise, le Ministre peut, aprés avis du comité de gestion, autoriser le directeur à dispenser les travailleurs licenciés de la condition d'avoir bénéficié d'allocations de chÎmage pendant les périodes visées à l'alinéa 1er, 1° et 2°, lorsque l'état du marché de l'emploi et la situation particulie«re des intéressés ne permettent pas de les replacer sans l'intervention financiére visée à l'article 53.) <AR 24-02-1967, art. 2>
(NOTE : Pour la région de Bruxelles-Capitale, l'art. 54 est remplacé par la disposition suivante :
"§ 1er. (La prime de transition professionnelle peut ĂȘtre obtenue pour les demandeurs d'emploi inscrits, au moment de leur engagement, Ă  l'Office rĂ©gional bruxellois de l'Emploi et plus spĂ©cifiquement :
1° les personnes de moins de 25 ans n'ayant pas encore trouvé leur premiÚre activité professionnelle réguliÚre rémunérée, d'une durée équivalente ou supérieure à trois mois consécutifs et non titulaires d'un diplÎme, certificat, brevet ou autre document assimilé supérieur à l'enseignement secondaire supérieur;
2° les personnes souhaitant intégrer ou réintégrer le marché de travail et n'ayant pas travaillé ni suivi de formation pendant au moins deux ans, et en particulier toute personne ayant cessé de travailler en raison des difficultés auxquelles elle se heurtait pour concilier sa vie professionnelle et sa vie de famille;
3° les personnes de plus de 45 ans, non titulaires d'un diplÎme, certificat, brevet ou autre document assimilé supérieur à l'enseignement secondaire supérieur, et les personnes de plus de 55 ans sans emploi;
4° les personnes sans emploi depuis douze mois consécutifs ou depuis six mois consécutifs dans le cas des personnes de moins de 25 ans et non titulaires d'un diplÎme, certificat, brevet ou autre document assimilé supérieur à l'enseignement secondaire supérieur;
5° les personnes n'ayant pas trouvé de premiÚre activité réguliÚre rémunérée aprÚs avoir purgé une peine privative de liberté;
6° les personnes inoccupées, ùgées de moins de 46 ans, non titulaires d'un diplÎme, certificat, brevet ou autre document assimilé supérieur à l'enseignement secondaire inférieur et non reprises dans les catégories 1°, 2°, 4° et 5°, du présent article, à condition que leur recrutement occasionne une création nette d'emploi. Il faut entendre par création nette d'emploi, l'augmentation du nombre de salariés exprimés en équivalent temps plein pendant les douze mois calendrier qui précÚdent l'engagement.)
§ 2. (abrogé) "
Art.54_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art.54_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 55. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
<KB 11-10-1971, art. 1> De in artikel 53 bedoelde tegemoetkoming bedraagt:
1° gedurende een periode van ten hoogste zes maanden : 24,30 frank per uur of 4.860 frank per maand, naargelang het een werkman of een bediende betreft; deze bedragen worden evenwel verhoogd tot respectievelijk 31,05 en 6.210 frank voor de werklozen die terzelfdertijd de voorwaarden vervullen, bepaald in artikel 54, eerste lid, 1° en 2°;
2° gedurende een periode van ten hoogste drie maanden volgend op de onder 1° vernoemde periode : 12,15 frank per uur of 2.430 frank per maand, naargelang het een werkman of een bediende betreft;
3° gedurende een periode van ten hoogste drie maanden volgend op de onder 2° vernoemde periode : 6,75 frank per uur of 1.215 frank per maand, naargelang het een werkman of een bediende betreft.
De in het eerste lid, 1° bedoelde bedragen worden beperkt tot 50 pct. van het door de werkgever betaald brutoloon wanneer dit loon minder bedraagt dan 43,20 frank per uur of 8.640 frank per maand, naargelang het een werkman of een bediende betreft.
De in het eerste lid bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 114,20. Zij worden verhoogd of verminderd volgens de regels bedoeld in artikel 159, tweede en derde lid.
(NOTA : Artikel 55 geldig voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest :
Art. 55. § 1. De beroepsoverstappremie wordt toegekend tijdens een periode van twaalf maanden (en onder voorbehoud van de effectieve prestaties uitgevoerd door de kansarme werknemer)
.
De twaalf maanden moeten vallen binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanwerving van de (kansarme werknemer) plaatsvindt. Bij het verstrijken van deze termijn vervalt het recht op de premie.
§ 2. (De premie bedraagt :
1° 500 euro per maand bij de aanwerving voor onbepaalde duur en voltijds van een kansarme werknemer bedoeld in artikel 54, § 1, waaraan het voordeel wordt toegekend van een beroepsopleiding in een K.M.O. van minimum 240 uur met het oog op de optimale inzetbaarheid ervan, mits de erkenning van de beroepsopleiding door de bevoegde entiteit.
2° 250 euro per maand bij aanwerving van een kansarme werknemer bedoeld in artikel 54, § 1, 1°, 2°, 4°, 5° en 6°, met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en minstens halftijds, het voordeel wordt toegekend van een beroepsopleiding in een K.M.O. van minimum 240 uur met het oog op de optimale inzetbaarheid ervan, mits de erkenning van de beroepsopleiding door de bevoegde entiteit. Dat Contract moet ook voldoen aan de voorwaarden van artikel 27, lid 1 en 2, van de wet van 24 december 1999, zoals gewijzigd door de programmawet van 24 december 2002 en de programmawet van 22 december 2003;
3° 125 euro per maand bij de aanwerving van een kansarme werknemer bedoeld in artikel 54, § 1, 1°, 2°, 4°, 5° en 6° :
- met een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur en minstens halftijds, voorzover zij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 27, lid 1 en 2, van de wet van 24 december 1999, zoals gewijzigd door de programmawet van 24 december 2002 en de programmawet van 22 december 2003;
- met een leerovereenkomst, een stageovereenkomst of een inschakelingsovereenkomst, voor zover zij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 27, lid 1, 3°, van de wet van 24 december 1999, zoals gewijzigd door de programmawet van 24 december 2002 en de programmawet van 22 december 2003.
De in dit lid bedoelde overeenkomsten moeten een duur hebben van minstens één jaar.
Alleen de prioritaire sectoren, die jaarlijks door het Beheerscomité van de BGDA worden bepaald, kunnen een beroepsoverstappremie krijgen bedoeld in artikel § 2, 3°, van dit besluit. Deze sectoren zullen in een ministerieel besluit opgenomen worden. Onder prioritaire sector wordt verstaan, de beroepssector die op een bepaald ogenblik problemen ondervindt om vacante arbeidsplaatsen in te vullen met geschikte arbeidskrachten.
De opleiding, de leerovereenkomst, de stageovereenkomst of inschakelingsovereenkomst bedoeld in artikel § 2, 3, 3°, van dit besluit, moeten kaderen in opleidingsfiliÚres voor het alternerend leren/werken. Onder opleidingsfiliÚres voor het alternerend leren/werken wordt verstaan, de organisatie van een kwalificerende opleiding, met de steun en de betrokkenheid van de betrokken beroepssector(en), op grond van het inschakelingstraject dat de volgende elementen omvatten :
- de organisatie voorafgaand aan de opleiding alternerend leren/werken, oriënterende acties en de voorbereidende vorming van de jongeren;
- de opleiding alternerend leren/werken voor jongeren die wordt bevestigd door een getuigschrift of een bekwaamheidsdiploma, die een theoretische, algemene en praktische kwalificerende opleiding koppelt aan een stage in een onderneming;
- de indienstneming van de jongeren na afloop van de opleidingen die met een gunstige beoordeling werden afgesloten.
De opleidingstrajecten alternerend leren/werken dienen erkend te worden door de bevoegde Minister van Beroepsomschakeling en Bijscholing.)
§ 3. De beroepsoverstappremie wordt niet toegekend voor de aanwerving ter vervanging van een werknemer anders dan ontslagen wegens zware fout of die met pensioen ging.
§ 4. Zij mag, ter gelegenheid van de aanwerving of de tewerkstelling van een (kansarme werknemer) zoals bedoeld in artikel 54, uit hoofde van de werkgever niet gecumuleerd worden met om het even welk ander financieel voordeel dan een vermindering van de bijdragen van de sociale zekerheid. (Bovendien is zij niet cumuleerbaar met een staatstussenkomst verbonden aan een investering.)
(§ 5. De werkgever is verplicht te zorgen voor de omkadering van de opleiding van de kansarme werknemer.
§ 6. Onrechtmatig verkregen premies worden ingevorderd of ingehouden op de bedragen verschuldigd aan de werkgever. Zo nodig zendt de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling de dossiers van weerspannige debiteurs aan de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen. De vervolgingen ingesteld door de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen geschieden overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949; de aldus ingevorderde bedragen worden door de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, na aftrek van de eventuele kosten, aan de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling terugbetaald.) )
Art. 55. <AR 11-10-1971, art. 1> L'intervention financiÚre visée à l'article 53 s'élÚve:
1° pendant une période maximale de six mois : à 24,30 francs l'heure ou à 4.860 francs par mois, selon qu'il s'agit d'un ouvrier ou d'un employé; ces montants sont toutefois portés respectivement à 31,05 et 6.210 francs pour les chÎmeurs qui réunissent les conditions prévues par l'article 54, alinéa 1er, 1° et 2°;
2° pendant une période maximale de trois mois consécutive à la période visée au 1° : à 12,15 francs l'heure ou à 2.430 francs par mois, selon qu'il s'agit d'un ouvrier ou d'un employé;
3° pendant une période maximale de trois mois consécutive à la période visée au 2° : à 6,75 francs ou à 1.215 francs par mois, selon qu'il s'agit d'un ouvrier ou d'un employé.
Les montants prévus à l'alinéa 1er, 1°, sont limités à 50 p.c. de la rémunération brute payée par l'employeur lorsque celle-ci est inférieure à 43,20 francs l'heure ou 8.640 francs par mois, selon qu'il s'agit d'un ouvrier ou d'un employé.
Les montants prévus au 1er alinéa sont liés à l'indice-pivot 114,20. Ils sont augmentés ou diminués suivant les rÚgles prévues à l'article 159, 2e et 3e alinéas.
(NOTE : Article 55 valable pour la Région de Bruxelles-Capitale :
Art. 55. § 1. La prime de transition professionnelle est octroyée pendant une période de douze mois (et sous réseve des prestations effectives par le travailleur défavorisé).
Les douze mois doivent se situer dans un délai de deux ans à dater du premier jour du mois au cours duquel a lieu l'engagement du (travailleur défavorisé). Passé ce délai, le droit à la prime s'éteint.
§ 2. (La prime s'élÚve à :
1° 500 euros par mois en cas d'engagement à durée indéterminée et à temps plein d'un travailleur défavorisé tel que déterminé à l'article 54, § 1er, et auquel est accordé le bénéfice d'une formation professionnelle en PME de minimum 240 heures visant à accroßtre son employabilité, moyennant l'agrément de la formation par l'entité compétente.
2° 250 euros par mois en cas d'engagement d'un travailleur défavorisé tel que déterminé à l'article 54, § 1er,1°, 2°, 4°, 5° et 6°, par contrat de travail à durée indéterminée et à temps partiel d'au moins mi-temps et auquel est accordé le bénéfice d'une formation professionnelle en P.M.E. de minimum 240 heures visant à accroßtre son employabilité, moyennant l'agrément de la formation par l'entité compétent. Ce contrat doit également répondre aux conditions de l'article 27 alinéa 1er, 2°, de la loi du 24 décembre 1999, tel que modifié par la loi-programme du 24 décembre 2002 et la loi-programme du 22 décembre 2003;
3° 125 euros par mois en cas d'engagement d'un travailleur défavorisé tel que determiné à l'article 54, § 1er, 1°, 2°, 4°, 5° et 6° :
- par contrat de travail à durée déterminée et à temps partiel d'au moins mi-temps répondant aux conditions visées à l'article 27 alinéa 1er, 2°, de la loi du 24 décembre 1999, tel que modifié par la loi-programme du 24 décembre 2002 et la loi-programme du 22 décembre 2003;
- par un contrat d'apprentissage, une convention de stage ou une convention d'insertion répondant aux conditions visées à l'article 27 alinéa 1er, 3°, de la loi du 24 décembre 1999 tel que modifié par la loi-programme du 24 décembre 2002 et la loi-programme du 22 décembre 2003.
Les contrats visés dans le présent alinéa doivent avoir une durée de minimum un an.
Seuls les secteurs prioritaires tels que dĂ©terminĂ©s annuellement par le ComitĂ© de Gestion de l'ORBEm peuvent obtenir la prime de transition professionnelle visĂ©e Ă  l'article § 2, 3°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Ces secteurs seront repris dans un arrĂȘtĂ© ministĂ©riel. On entend par secteur prioritaire, le secteur professionnel qui Ă©prouve Ă  un moment donnĂ© des difficultĂ©s Ă  pourvoir les postes vacants par une main d'oeuvre adĂ©quate.
La formation, le contrat d'apprentissage, la convention de stage ou d'insertion visĂ©s Ă  l'article § 2, 3, 3°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ© doivent entrer dans le cadre de filiĂšres de formation en alternance. On entend par filiĂšre de formation en alternance l'organisation d'une formation qualifiante, avec l'appui et l'implication du ou des secteur(s) professionnel(s) concernĂ©(s), sur base du parcours d'insertion comprenant :
- l'organisation en amont de la formation en alternance, d'actions d'orientation et de formation préparatoire des jeunes;
- la formation des jeunes en alternance, sanctionnée par un certificat ou un titre de compétences, qui combine étroitement une formation qualifiante théorique, générale et pratique avec un apprentissage professionnel en entreprise;
- l'embauche des jeunes au terme des évaluations jugées favorablement.
Les filiĂšres de formation en alternance doivent ĂȘtre agréées par le Ministre de la Reconversion et du Recyclage professionnels compĂ©tent.)
§ 3. La prime de transition professionnelle n'est pas octroyée pour l'engagement d'un travailleur appelé à remplacer un travailleur licencié pour un motif autre que la faute grave ou la mise à la pension.
§ 4. Elle ne peut ĂȘtre cumulĂ©e, dans le chef de l'employeur avec un avantage financier quelconque octroye Ă  l'occasion de l'engagement ou de l'occupation d'un (travailleur dĂ©favorisĂ©) visĂ© Ă  l'article 54, autre qu'une diminution de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale. (En outre elle ne peut ĂȘtre cumulĂ©e avec une intervention publique liĂ©e Ă  un investissement.)
(§ 5. L'employeur est tenu d'encadrer la formation du travailleur défavorisé.
§ 6. Les primes perçues indûment sont récupérées ou retenues sur les montants dus à l'employeur. En cas de nécessité, l'Office régional bruxellois de l'Emploi envoie les dossiers des débiteurs récalcitrants à l'Administration de la T.V.A. et de l'Enregistrement et des Domaines. Les poursuites engagées par l'Administration de la T.V.A. et de l'Enregistrement et des Domaines ont lieu conformément à l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949; les montants ainsi récupérés seront remboursés par l'Administration de la T.V.A. et de l'Enregistrement et des Domaines, à l'Office régional bruxellois de l'Emploi, aprÚs déduction des frais éventuels.) )
Art.55_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art.55_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 56. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Opgeheven voor het Brusselse bij BESL 2004-03-11/50, art. 4, 130; Inwerkingtreding : 01-01-2004)
De aanvraag tot het bekomen van de tegemoetkoming wordt ingediend bij het gewestelijk bureau.
De nodige bewijsstukken moeten bij het gewestelijk bureau worden ingediend uiterlijk de laatste dag van het kalendertrimester dat volgt op het trimester tijdens hetwelk de arbeid is verricht.
De Minister kan bij gemotiveerde beslissing die termijn met een trimester verlengen, indien de werkgever doet blijken, dat de vertraging te wijten is aan een oorzaak buiten zijn wil.
Art. 56. (Abrogé pour la Région flamande par AEF 1988-12-21/36, art. 137, 1°, 074; voir aussi art. 138)
(Abrogé pour la Région de Bruxelles-Capitale par ARR 2004-03-11/50, art. 4, 130; En vigueur : 01-01-2004)
La demande d'intervention est introduite auprÚs du bureau régional.
Les documents justificatifs requis doivent ĂȘtre introduits auprĂšs du bureau rĂ©gional au plus tard le dernier jour du trimestre civil qui suit celui au cours duquel les prestations de travail ont Ă©tĂ© fournies.
Le Ministre peut, par décision motivée, proroger ce délai d'un trimestre, si l'employeur établit que le retard est imputable à une cause indépendante de sa volonté.
Art. 57. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De directeur beslist over de toekenning van de tegemoetkoming en stelt de maximumduur ervan vast.
De uitbetaling geschiedt door de Rijksdienst na het verstrijken van elk burgerlijk trimester, tegen overlegging van de door hem gevergde bewijsstukken.
(NOTA : Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt art. 57 vervangen door :
"§ 1. (Het maandelijkse bedrag van de beroepsoverstappremie mag in geen geval het maandelijkse nettoloon dat door de werkgever aan de werknemer wordt betaald, overschrijden.
De aanwerving van de werknemer gebeurt op de eerste dag van een maand.
De beroepsoverstappremie is niet verschuldigd gedurende de maand(en)
waarin de werkgever aan de kansarme werknemer bedoeld in artikel 54, § 1, geen loon uitbetaalt.)
(§ 2. Alvorens te kunnen overgaan tot de aanwerving van de kansarme werknemer bedoeld in artikel 54, § 1, moet de K.M.O. of de V.Z.W. de goedkeuring bekomen van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling. Hiertoe moet zij haar aanvraag tot aanwerving aan de hand van het document dat haar ter beschikking wordt gesteld door de Dienst, bij de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling indienen.
Zodra de K.M.O. of de V.Z.W. de goedkeuring heeft verkregen, zal zij binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van aanwerving van de kansarme werknemer, de documenten die de aanwerving van de kansarme werknemer bewijzen per aangetekende zending aan de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling toesturen, teneinde de beroepsoverstappremie te verkrijgen.
De premie zal door de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling gestort worden onder voorbehoud van het inzenden van de bewijsstukken houdende de prestaties binnen een termijn van drie maanden volgend op de kalendermaand waarop zij betrekking hebben.) " )
Art. 57. Le directeur statue sur l'octroi de l'intervention et détermine la durée maximale de celle-ci.
Le paiement est effectué par l'Office à l'expiration de chaque trimestre civil sur production des documents justificatifs qu'il réclame.
(NOTE : Pour la Région de Bruxelles-Capitale, l'art. 57 est remplacé par la disposition suivante :
" (§ 1er. Le montant mensuel de la prime de transition professionnelle ne pourra en aucun cas excéder la rémunération nette mensuelle payée au travailleur par l'employeur.
L'engagement du travailleur se fera le premier jour d'un mois.
La prime de transition professionnelle n'est pas due pour le ou les mois pendant le(s)quel(s) l'employeur ne verse aucune rémunération au travailleur défavorisé tel que déterminé à l'article 54, § 1er.)
(§ 2. Avant de pouvoir procéder à l'engagement du travailleur défavorisé tel que déterminé à l'article 54, § 1er, la P.M.E. ou l'A.S.B.L. devra obtenir l'accord de l'Office régional bruxellois de l'Emploi. Elle fera à cet effet parvenir sa demande d'engagement à l'Office régional bruxellois de l'Emploi au moyen du document mis à sa disposition par ce dernier.
DÚs que la P.M.E. ou l'A.S.B.L. aura obtenu l'accord, elle fera parvenir par envoi recommandé à l'Office régional bruxellois de l'Emploi, dans un délai de deux mois à compter de la date d'engagement du travailleur défavorisé, les documents justifiant l'engagement du travailleur défavorisé afin d'obtenir la prime de transition professionnelle.
La prime sera payée par l'Office régional bruxellois de l'Emploi sous réserve de l'envoi des documents justificatifs relatifs aux prestations dans les trois mois qui suivent le mois civil auxquels ils se rapportent.) )
Art.57_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art.57_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 58. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De directeur ontzegt de tegemoetkoming op advies van het (subregionale comité): <KB 06-10-1978, art. 21>
1° wanneer uit nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens blijkt dat een werkgever één of meer werknemers heeft ontslagen om ze te vervangen door één of meer moeilijk te plaatsen werklozen, voor wie hij de tegemoetkoming geniet;
2° wanneer de werkgever de geldende regelingen van lonen en andere arbeidsvoorwaarden niet in acht neemt.
Deze beslissing heeft uitwerking vanaf de eerste dag van het kalendertrimester tijdens hetwelk zij is genomen.
(NOTA : Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt art. 58 vervangen door :
"Art. 58. § 1. De inspecteurs van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling houden toezicht op de naleving van de bepalingen voorzien in hoofdstuk II - afdeling 1 van dit besluit.
De Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling kan van de werkgever eisen dat hij alle nodige documenten of inlichtingen verstrekt ter nazicht van de besteding van de premies.
§ 2. Indien de werkgever de bepalingen van dit besluit, de sociale regelgeving of de arbeidswetgeving niet naleeft, kan de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling in absoluut dringende gevallen en bij wijze van voorlopige maatregel beslissen de premie niet meer uit te betalen en kan hij de terugbetaling van de premies eisen overeenkomstig art. 55, § 6, van dit besluit. ")
Art. 58. Sur avis (du comité subrégional), le directeur exclut du bénéfice de l'intervention: <AR 06-10-1978, art. 21>:
1° l'employeur qui, d'aprÚs des présomptions précises et concordantes, a licencié un ou plusieurs travailleurs afin de les remplacer par un ou plusieurs chÎmeurs difficiles à placer pour lesquels il béneficie de l'intervention;
2° l'employeur qui n'observe pas les réglementations qui sont applicables en matiÚre de rémunération et autres conditions de travail.
Cette exclusion produit ses effets à partir du premier jour du trimestre civil au cours duquel elle est décidée.
(NOTE : Pour la Région de Bruxelles-Capitale, l'art. 58 est remplacé par la disposition suivante :
" Art.58. § 1er. Les inspecteurs de l'Office rĂ©gional bruxellois de l'Emploi veillent au respect des dispositions prĂ©vues dans le chapitre II - section 1Ăšre du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
L'Office régional bruxellois de l'Emploi peut exiger que l'employeur fournisse tout document ou tout renseignement nécessaire à la vérification de l'affectation des primes.
§ 2. Lorsque l'employeur ne respecte pas les dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, la lĂ©gislation sociale ou du travail, l'Office rĂ©gional bruxellois de l'Emploi peut, en cas d'urgence impĂ©rative et Ă  titre de mesure provisoire dĂ©cider de ne plus payer la prime et peut exiger le remboursement des primes conformĂ©ment Ă  l'art. 55, § 6, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. ")
Art.58_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art.58_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
AFDELING II. _ Tegemoetkoming in de kosten van nieuwe installatie der werklozen.
SECTION II. - Intervention dans les frais de réinstallation des chÎmeurs.
Art. 59. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-02-20/15, art. 27, 134; Inwerkingtreding : 23-03-2014)
Een financiële tegemoetkoming in de kosten van nieuwe installatie wordt toegekend aan de werklozen die verplicht zijn zich in een nieuwe verblijfplaats te installeren om in een andere gemeente van het land een nieuwe betrekking te vervullen of een beroepsopleiding, bedoeld in hoofdstuk III, te ontvangen.
Deze afdeling is niet van toepassing op de werknemers die, krachtens het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor kolen en staal, een tegemoetkoming in hun kosten van nieuwe installatie kunnen genieten.

Art. 59. De Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling kent een financiële tegemoetkoming toe in de kosten van nieuwe installatie van werklozen die zich domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest om in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest een betrekking in loondienst met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en voor tenminste 18 werkuren per week te vervullen.
Art. 59. (Abrogé pour la Région wallonne par DRW 2014-02-20/15, art. 27, 134; En vigueur : 23-03-2014)
Une intervention financiÚre dans les frais de réinstallation est accordée aux chÎmeurs qui sont obligés de s'installer dans une nouvelle résidence pour occuper un nouvel emploi ou pour recevoir une formation professionnelle, visée au chapitre III, dans une autre commune du pays.
La présente section n'est pas applicable aux travailleurs qui sont admissibles au bénéfice d'une intervention dans leurs frais de réinstallation en vertu du traite instituant la Communauté européenne du charbon et de l'acier.

Art. 59. L'Office régional bruxellois de l'emploi octroie une intervention financiÚre dans les frais de réinstallation des chÎmeurs qui fixent leur domicile dans la Région de Bruxelles-Capitale pour occuper dans la Région de Bruxelles-Capitale un emploi salarié dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée et comportant au moins 18 heures de travail par semaine.
Art. 60. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-02-20/15, art. 27, 134; Inwerkingtreding : 23-03-2014)
Voor de toepassing van deze afdeling komt in aanmerking, de werkloze die:
1° ten minste 18 jaar is;
2° sedert ten minste één maand als werkzoekende ingeschreven is bij een gewestelijk bureau en generlei betrekking in loondienst vervult noch een zelfstandig beroep uitoefent;
3° zonder zijn verblijfplaats te veranderen, geen dienstbetrekking heeft kunnen vinden van soortgelijke aard en van hetzelfde niveau als die welke hij vervulde toen hij werkloos werd, of welke, voor het geval hij nooit in loondienst heeft gewerkt, met zijn normale mogelijkheden overeenstemt.
Met een werkloze wordt gelijkgesteld, de werknemer of zelfstandige die zich kennelijk bij voortduring in een toestand van onvoldoende tewerkstelling bevindt en die sedert ten minste één jaar bij een gewestelijk bureau is ingeschreven als werkzoekende voor een volledige dienstbetrekking.

Art. 60. De financiële tegemoetkoming wordt toegekend voor zover aan alle onderstaande voorwaarden voldaan werd :
- de vroegere woonplaats moet op het nationaal grondgebied gelegen zijn;
- de nieuwe woonplaats moet in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn;
- de nieuwe plaats van tewerkstelling moet in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest gelegen zijn;
- de nieuwe woonplaats moet op een afstand van tenminste 30 kilometer van de vorige gelegen zijn;
- de betrekking dient door de tussenkomst van de Dienst te worden verkregen.)
Art. 60. (Abrogé pour la Région wallonne par DRW 2014-02-20/15, art. 27, 134; En vigueur : 23-03-2014)
Est admis au bénéfice de la présente section, le chÎmeur qui:
1° est ùgé de dix-huit ans au moins;
2° est inscrit à un bureau régional comme demandeur d'emploi depuis un mois au moins et qui n'occupe pas d'emploi salarié ni n'exerce une profession indépendante;
3° n'a pu obtenir, sans changer le lieu de sa résidence , un emploi de nature analogue et de niveau équivalent à celui qu'il occupait au moment de sa mise en chÎmage ou correspondant à ses possibilités normales s'il n'a jamais occupé d'emploi salarié.
Est assimilé au chÎmeur le travailleur salarié ou indépendant qui se trouve dans une situation manifeste de sous-emploi prolongé et qui est inscrit à un bureau régional comme demandeur d'un emploi à temps plein depuis un an au moins.

Art. 60. L'intervention financiÚre est accordée pour autant que soient réunies toutes les conditions suivantes :
- l'ancien domicile doit ĂȘtre situĂ© sur le territoire national;
- le nouveau domicile doit ĂȘtre situĂ© dans la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale;
- le nouveau lieu de travail doit ĂȘtre situĂ© dans la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale;
- le nouveau domicile doit ĂȘtre distant d'au moins 30 kilomĂštres de l'ancien;
- l'emploi doit avoir été obtenu à l'intervention de l'Office.
Art. 61. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-02-20/15, art. 27, 134; Inwerkingtreding : 23-03-2014)
De verandering van verblijfplaats wordt als noodzakelijk beschouwd, wanneer daaruit een vermindering van ten minste een uur afwezigheid van huis voortvloeit, en op voorwaarde dat de werkloze ofwel:
1° om zijn nieuwe dienstbetrekking te vervullen, zijn nieuwe verblijfplaats vestigt op ten minste dertig kilometer van zijn vroegere verblijfplaats: de in aanmerking genomen afstanden zijn die welke voorkomen in het officiële boek van de wettelijke afstanden;
2° om zijn nieuwe dienstbetrekking te vervullen of om zijn beroepsopleiding te ontvangen, gewoonlijk meer dan twaalf uren per dag van huis moet zijn, rekening houdend met de trajecten te voet en met het normale wachten op aansluitingen inherent aan het gebruik van gemeenschappelijke vervoermiddelen.
3° om een van de in 2° genoemde redenen, vervoerkosten moet maken, die dagelijks twintig frank hoger zijn dan die welke hij geregeld maakte voordat hij werkloos werd, rekening houdend met de mogelijkheden van gemeenschappelijk vervoer en met de verminderingen van vervoerkosten waarop hij aanspraak kan maken.

Art. 61. De financiële tegemoetkoming wordt toegekend aan de aanvrager die tenminste 18 jaar is en die alvorens zijn betrekking te bekleden, uitkeringsgerechtigde werkloze was of een vrij ingeschreven niet werkende werkzoekende sinds minstens drie maand ingeschreven bij een Subregionale Tewerkstellingsdienst als loontrekkende werkzoekende.
Art. 61. (Abrogé pour la Région wallonne par DRW 2014-02-20/15, art. 27, 134; En vigueur : 23-03-2014)
Le changement de lieu de résidence est considéré comme nécessaire s'il a pour effet de réduire la durée de l'absence du foyer d'une heure au moins et pour autant que le chÎmeur, ou bien:
1° pour occuper son nouvel emploi, fixe sa nouvelle résidence à trente kilométres au moins de l'ancienne, les distances à prendre en considération étant celles qui figurent au dictionnaire officiel des distances légales;
2° pour occuper son nouvel emploi ou recevoir sa formation professionnelle, doive s'absenter habituellement de son foyer pendant plus de douze heures par jour, compte tenu des trajets à pied et des attentes normales de correspondances inhérentes à l'utilisation de moyens de transport en commun;
3° pour l'un des motifs énoncés au 2°, doive exposer des frais de transport dépassant de vingt francs par jour ceux qu'il exposait reguliérement avant sa mise en chÎmage, compte tenu des possibilités de transport en commun et des réductions du coût de transport auxquelles il peut prétendre.

Art. 61. L'intervention financiÚre est accordée au demandeur ùgé de 18 ans au moins et qui avant d'occuper son emploi était chÎmeur indemnisé ou demandeur d'emploi libre inoccupé inscrit depuis au moins trois mois auprÚs d'un Service subrégional de l'emploi comme demandeur d'emploi salarié.
Art. 62. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-02-20/15, art. 27, 134; Inwerkingtreding : 23-03-2014)
De kosten van nieuwe installatie, die kunnen terugbetaald worden, omvatten:
1° de reiskosten van de werkloze en van de personen te zijnen laste, als zodanig beschouwd voor de toepassing van de bedrijfsbelastingen, berekend op basis van de prijs van het goedkoopste gemeenschappelijk vervoermiddel;
2° de kosten voor het vervoer van zijn inboedel; na advies van het beheerscomité, kan de Minister hiervoor echter een forfaitaire vergoeding vaststellen;
3° een forfaitaire vergoeding tot dekking van de overige kosten. Die vergoeding is gelijk aan driemaal het gemiddelde van het verdiende weekloon gedurende de eerste zes maanden activiteit na zijn nieuwe installatie; zij wordt per persoon ten laste vermeerderd met anderhalf maal hetzelfde gemiddelde; de totale vergoeding mag niet hoger zijn dan twaalf maal dat gemiddelde.
(NOTA : Artikel 62 geldig voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
Art. 62. De tegemoetkoming in de kosten voor nieuwe installatie omvat :
1° de betaling van de reiskosten van de aanvrager, van de inwonende personen te zijnen/haren laste en van zijn/haar wettelijke of feitelijke echtgeno(o)
t(e), zelfs wanneer deze niet te zijn/haar laste is; deze kosten worden berekend op basis van de prijs van het goedkoopste openbaar vervoer; de personen ten laste zijn die die als dusdanig voorkomen op de laatste belastingsaangifte in de personenbelasting van de aanvrager;
2° de terugbetaling van de vervoerkosten van de inboedel tegen afgifte van de facturen tot een maximaal bedrag van (500 EUR);
3° een forfaitaire vergoeding van (375 EUR) voor de kosten van nieuwe installatie; deze wordt met 50 % per persoon ten laste vermeerderd zoals bepaald in 1° van dit artikel. )
Art. 62. (Abrogé pour la Région wallonne par DRW 2014-02-20/15, art. 27, 134; En vigueur : 23-03-2014)
Les frais de rĂ©installation qui peuvent ĂȘtre remboursĂ©s comprennent:
1° les frais du voyage, du chÎmeur et des personnes à sa charge considérées comme telles pour l'application de la taxe professionnelle, calculés sur base du prix du moyen de transport en commun le plus économique;
2° les frais de transport de son mobilier. Le Ministre peut toutefois, aprés avis du comité de gestion, fixer pour ces frais une indemnité forfaitaire;
3° une indemnitĂ© forfaitaire couvrant les autres frais. Cette indemnitĂ© est Ă©gale Ă  trois fois la moyenne du salaire hebdomadaire promĂ©ritĂ© pendant les six premiers mois aprĂ©s sa rĂ©installation; elle est majorĂ©e d'une fois et demi la mĂȘme moyenne par personne Ă  charge; l'indemnitĂ© totale ne peut dĂ©passer douze fois cette moyenne.
(NOTE : Article 62 valable pour la Région de Bruxelles-Capitale :
Art. 62. L'intervention dans les frais de réinstallation comprend :
1° le paiement des frais de voyage du demandeur, des personnes cohabitantes qui sont Ă  sa charge et de son conjoint de droit ou de fait, mĂȘme si celui-ci n'est pas Ă  sa charge; ces frais sont calculĂ©s sur base du prix moyen du transport en commun le plus Ă©conomique; les personnes Ă  charge sont celles qui sont mentionnĂ©es comme telles sur la derniĂšre dĂ©claration Ă  l'impĂŽt sur les personnes physiques du demandeur;
2° le remboursement des frais de transport de son mobilier, contre remise des factures à concurrence d'un montant maximum de (500 EUR);
3° une indemnité forfaitaire pour frais de réinstallation de (375 EUR); celles-ci est majorée de 50 % par personnes à charge telle que définie au 1° du présent article. )
Art. 63. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-02-20/15, art. 27, 134; Inwerkingtreding : 23-03-2014)
De werkloze die van verblijfplaats is veranderd om een nieuwe dienstbetrekking te vervullen, kan de terugbetaling bekomen van de reiskosten en van de vervoerkosten, bedoeld in artikel 62 zodra hij binnen zes maanden volgende op de datum van vertrek uit zijn vroegere verblijfplaats, een volledige dienstbetrekking, aangeboden of erkend door de Rijksdienst, heeft vervuld.
Hij kan de uitbetaling bekomen van de forfaitaire vergoeding, bedoeld bij artikel 62, 3°, zodra hij, binnen twaalf maanden volgende op de datum van vertrek uit zijn vroegere verblijfplaats, gedurende ten minste zes maanden één of verscheidene volledige dienstbetrekkingen, aangeboden of erkend door de Rijksdienst heeft vervuld.

Art. 63. Ingeval twee wettelijke of feitelijke echtgenoten tegelijkertijd een nieuwe betrekking bekleden waarop de onderhavige bepalingen van toepassing zijn, heeft slechts één van de twee echtgenoten recht op het voordeel van de tegemoetkomingen bedoeld bij 2° en 3° van het vorige artikel. In dit geval wordt voor de toepassing van 3° van voorgaand artikel één van beiden echtgenoten beschouwd als een persoon ten laste.
Art. 63. (Abrogé pour la Région wallonne par DRW 2014-02-20/15, art. 27, 134; En vigueur : 23-03-2014)
Le chÎmeur qui a changé le lieu de sa résidence pour occuper un nouvel emploi, peut obtenir le remboursement des frais de voyage et des frais de transport visés à l'article 62, dÚs qu'il occupe, dans les six mois qui suivent la date de son départ de l'ancienne résidence, un emploi à temps plein offert ou admis par l'Office.
Il peut obtenir le paiement de l'indemnité forfaitaire visée à l'article 62, 3°, dés que, dans les douze mois qui suivent la date de son départ de l'ancienne résidence, il a occupé pendant au moins six mois un ou plusieurs emplois à temps plein offerts ou admis par l'Office.

Art. 63. Dans le cas oĂč deux conjoints de droit ou de fait occupent simultanĂ©ment un nouvel emploi au sens des prĂ©sentes dispositions, le droit au bĂ©nĂ©fice des interventions tels que dĂ©fini au 2° et 3° de l'article prĂ©cĂ©dent n'est ouvert dans le chef que d'un seul des deux conjoints. Dans ce cas, pour l'application du 3° de l'article prĂ©cĂ©dent, l'un des deux conjoints est assimilĂ© Ă  une personne Ă  charge.
Art. 64. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-02-20/15, art. 27, 134; Inwerkingtreding : 23-03-2014)
De werkloze die van verblijfplaats verandert om een beroepsopleiding, bedoeld in hoofdstuk III, te ontvangen, kan de terugbetaling van de kosten van nieuwe installatie bekomen, vanaf het ogenblik dat hij binnen twaalf maanden volgende op het einde van de opleiding, gedurende ten minste zes maanden één of verscheidene volledige dienstbetrekkingen, aangeboden of erkend door de Rijksdienst, heeft vervuld.

Art. 64. De aanvrager dient binnen de twaalf maanden volgend op de datum waarop hij de betrekking innam verhuisd te zijn. Als datum van verhuizing geldt de datum van inschrijving in het bevolkingsregister van zijn nieuwe gemeente.)
Art. 64. (Abrogé pour la Région wallonne par DRW 2014-02-20/15, art. 27, 134; En vigueur : 23-03-2014)
Le chÎmeur qui change le lieu de sa résidence pour recevoir une formation professionnelle, visée au chapitre III, peut obtenir le remboursement des frais de réinstallation dés que, dans les douze mois qui suivent la fin de la formation, il a occupé pendant au moins six mois un ou plusieurs emplois à temps plein offerts ou admis par l'Office.

Art. 64. Le demandeur doit avoir dĂ©mĂ©nagĂ© dans les douze mois qui suivent la date Ă  laquelle il a commencĂ© son emploi. La date du dĂ©mĂ©nagement est rĂ©putĂ©e ĂȘtre celle de l'inscription au registre de la population de sa nouvelle commune.
Art. 65. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-02-20/15, art. 27, 134; Inwerkingtreding : 23-03-2014)
Alvorens van verblijfplaats te veranderen vraagt de werkloze de toelating aan de directeur in wiens ambtsgebied hij verblijft.
De aanvraag om terugbetaling van de reis- en vervoerkosten bedoeld bij artikel 63, eerste lid, moet worden ingediend bij de directeur in wiens ambtsgebied de dienstbetrekking wordt vervuld, binnen twee maanden volgend op de datum waarop de werkloze in deze dienstbetrekking is getreden.
De aanvraag om terugbetaling van de forfaitaire vergoeding bedoeld bij artikel 63, tweede lid, en van de kosten van nieuwe installatie bedoeld bij artikel 64 moet worden ingediend bij de directeur in wiens ambtsgebied de laatste periode van tewerkstelling werd volbracht, binnen twee maanden volgend op de door deze artikelen voorziene periode van zes maanden.

Art. 65. De aanvraag voor tegemoetkoming moet per aangetekend schrijven ingediend worden bij de direkteur-generaal van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling en dit ten laatste binnen de drie maanden volgend op de inschrijvingsdatum in het bevolkingsregister van zijn nieuwe gemeente.
Art. 65. (Abrogé pour la Région wallonne par DRW 2014-02-20/15, art. 27, 134; En vigueur : 23-03-2014)
Avant de changer le lieu de sa résidence , le chÎmeur demande l'autorisation du directeur dans le ressort duquel il réside.
La demande en remboursement des frais de voyage et de transport visĂ©e Ă  l'article 63, alinĂ©a 1er, doit ĂȘtre introduite auprĂ©s du directeur dans le ressort duquel l'emploi est occupĂ©, dans les deux mois suivant la date Ă  laquelle le chĂŽmeur a occupĂ© cet emploi.
La demande en remboursement de l'indemnitĂ© forfaitaire visĂ©e Ă  l'article 63, alinĂ©a 2, et des frais de rĂ©installation visĂ©s Ă  l'article 64 doit ĂȘtre introduite auprĂ©s du directeur dans le ressort duquel la derniere periode d'occupation a Ă©tĂ© accomplie, dans les deux mois qui suivent la pĂ©riode de six mois prĂ©vue par ces articles.

Art. 65. La demande d'intervention doit ĂȘtre introduite par lettre recommandĂ©e auprĂšs du directeur gĂ©nĂ©ral de l'Office rĂ©gional bruxellois de l'emploi au plus tard dans les trois mois qui suivent la date de l'inscription au registre de la population de sa nouvelle commune.
Art. 66. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-02-20/15, art. 27, 134; Inwerkingtreding : 23-03-2014)
De beslissingen van de bevoegde directeurs over de vraag om toelating en over de aanvraag om terugbetaling worden bij ter post aangetekende brief ter kennis van de werkloze gebracht.
Tegen deze beslissingen kan worden opgekomen bij het beheerscomité. Het beroep tegen de beslissing over de aanvraag tot terugbetaling moet bij ter post aangetekende brief worden ingediend binnen vijftien dagen volgend op de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.

Art. 66. De Brusselse Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling mag om elk bewijsstuk dat hij nodig acht verzoeken.)
Art. 66. (Abrogé pour la Région wallonne par DRW 2014-02-20/15, art. 27, 134; En vigueur : 23-03-2014)
Les décisions prises par les directeurs compétents sur la demande en autorisation et sur la demande en remboursement sont notifiées au chomeur par lettre recommandée à la poste.
Ces dĂ©cisions sont susceptibles de recours devant le comitĂ© de gestion. Le recours contre la dĂ©cision intervenue sur une demande en remboursement doit ĂȘtre forme par lettre recommandĂ©e Ă  la poste dans les quinze jours qui suivent la notification prĂ©vue Ă  l'alinĂ©a 1er.

Art. 66. L'Office régional bruxellois de l'emploi peut réclamer la production de toute piÚce justificative qu'il estime nécessaire.
Art. 67. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
(Opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 2014-02-20/15, art. 27, 134; Inwerkingtreding : 23-03-2014)
De kosten van nieuwe installatie worden door de Rijksdienst terugbetaald tegen overlegging van de door hem gevergde bewijsstukken.

Art. 67. De beslissing wordt per aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de aanvrager. Tegen deze beslissing kan beroep ingesteld worden bij het Beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor arbeidsbemiddeling. Dit met redenen omklede beroep moet per aangetekend schrijven ingediend worden binnen de vijftien dagen volgend op de bekendmaking van de beslissing.
Art. 67. (Abrogé pour la Région wallonne par DRW 2014-02-20/15, art. 27, 134; En vigueur : 23-03-2014)
Les frais de réinstallation sont remboursés par l'Office sur production des piÚces justificatives qu'il réclame.

Art. 67. La dĂ©cision est notifiĂ©e au demandeur par lettre recommandĂ©e. Cette dĂ©cision est susceptible de recours auprĂšs du ComitĂ© de gestion de l'Office rĂ©gional bruxellois de l'emploi. Ce recours motivĂ© doit ĂȘtre introduit par lettre recommandĂ©e dans les quinze jours qui suivent la notification de la dĂ©cision.
AFDELING III. _ Tegemoetkoming in het loon van werknemers door overschakeling getroffen.
SECTION III. _ Intervention dans la rémunération des travailleurs touchés par une reconversion.
Art. 68. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De Rijksdienst kent aan de werkgevers een financiële tegemoetkoming toe in het loon van de werknemers die door de overschakeling van de onderneming die hen te werk stelt getroffen worden.
Deze afdeling is niet van toepassing op de werknemers die een tegemoetkoming in een loon genieten krachtens het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor kolen en staal.
Art. 68. L'Office accorde aux employeurs une intervention financiÚre dans la rémunération des travailleurs touchés par la reconversion de l'entreprise qui les occupe.
La présente section n'est pas applicable aux travailleurs qui sont admissibles au bénéfice d'une intervention dans leur rémunération en vertu du traité instituant la Communauté européenne du charbon et de l'acier.
Art. 69. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Onder overschakeling van een onderneming wordt in deze afdeling verstaan: iedere niet voorlopige verandering van het produktieprogramma van een onderneming of gedeelte van een onderneming met een eigen produktieprogramma welke de hoofdbestanddelen van dit programma beĂŻnvloedt en de voortbrenging beoogt van nieuwe produkten welke zich anders dan door verbeteringen of aanvullingen van de oude produkten onderscheiden.
De verandering moet gepaard gaan met een vermindering of onderbreking van de arbeid van het personeel, nadat van de in de onderneming zelf aanwezige mogelijkheden tot passende tewerkstelling van deze arbeidskrachten gebruik is gemaakt, terwijl na afloop van de periode van overschakeling het gehele personeel of een gedeelte daarvan wederom moet kunnen te werk gesteld worden. De overschakeling moet tot gevolg hebben, dat tijdens of onmiddellijk vóór de overschakeling het gemiddelde aantal arbeidsuren van het ganse personeel met ten minste 10 pct. of de personeelssterkte met ten minste 5 pct. in de onderneming of in het betrokken gedeelte daarvan is verminderd.
De overschakeling mag niet langer dan zes maanden duren. De Minister kan evenwel van deze tijdsvoorwaarde afwijken wanneer ernstige redenen dit rechtvaardigen.
Art. 69. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par reconversion d'une entreprise: tout changement non provisoire du programme de production d'une entreprise ou partie d'entreprise ayant son propre programme de production, affectant les éléments déterminants de ce programme et ayant pour but la production de nouveaux produits qui se différencient des anciens autrement que par des améliorations ou des compléments.
Le changement doit ĂȘtre accompagnĂ© d'une rĂ©duction ou d'une interruption de l'activitĂ© du personnel, aprĂšs qu'auront Ă©tĂ© Ă©puisĂ©es les possibilitĂ©s d'emploi appropriĂ© offertes par l'entreprise elle-mĂȘme, et doit permettre le rĂ©emploi de tout ou partie de ce personnel aprĂšs la pĂ©riode de reconversion. La reconversion doit entraĂźner, pendant ou immĂ©diatement avant les opĂ©rations qu'elle comporte, une rĂ©duction de 10 p.c. au moins de la moyenne des heures de travail de l'ensemble du personnel ou de 5 p.c. au moins de l'effectif de l'entreprise ou de la partie d'entreprise en cause.
La reconversion ne peut pas durer plus de six mois. Toutefois, le Ministre peut déroger à cette condition lorsque des motifs sérieux le justifient.
Art. 70. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Door overschakeling getroffen is iedere werknemer die vóór de overschakeling een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd in de betrokken onderneming of het betrokken gedeelte daarvan vervulde en die tijdelijk geen arbeid, gedeeltelijke arbeid of andere arbeid tegen een geringer loon verricht.
De werknemer die geen arbeid verricht moet zich als werkzoekende bij het gewestelijk bureau laten inschrijven.
Weigert hij zonder geldige redenen een passende dienstbetrekking te aanvaarden, dan wordt de tegemoetkoming, wat hem betreft, gedurende ten minste vier weken en ten hoogste acht weken niet toegekend.
Art. 70. Est touché par une reconversion, tout travailleur qui, antérieurement à cette reconversion, occupait dans l'entreprise ou dans la partie d'entreprise en cause un emploi de durée indéterminée et qui, temporairement, ne fournit pas de prestations de travail, fournit des prestations de travail à temps réduit ou fournit des prestations de travail autres, moins bien rémunérées.
Le travailleur qui ne fournit pas de prestations de travail est tenu de se faire inscrire au bureau régional comme demandeur d'emploi.
S'il refuse un emploi convenable sans motif valable, l' intervention cesse d'ĂȘtre octroyĂ©e, en ce qui le concerne, pendant quatre semaines au moins et huit semaines au plus.
Art. 71. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Het bedrag van de tegemoetkoming is gelijk aan 90 pct. van het loon van de door overschakeling getroffen werknemer en van de stortingen die nodig zijn voor het behoud van de al dan niet wettelijke voordelen welke met dit loon verband houden en waarop de werknemer gedurende een normale betalingsperiode recht had.
Dit bedrag wordt verminderd met het verdiende loon en de daarop verschuldigde werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid, wanneer de betrokken werknemer gedeeltelijke arbeid verricht, andere arbeid tegen geringer loon verricht, of door toedoen of met instemming van de Rijksdienst tijdelijk in dienst van een andere werkgever arbeid verricht. Het aldus verdiende loon mag niet lager zijn dan het minimumloon bepaald door een collectieve arbeidsovereenkomst of een al dan niet algemeen verbindend verklaarde beslissing van een paritair comité of, bij gebreke hiervan, door het gebruik.
Art. 71. Le montant de l'intervention est égal à 90 p.c. de la rémunération du travailleur touché par la reconversion et des versements indispensables au maintien des avantages légaux et extra-légaux qui se rattachent à cette rémunération et auxquels il avait droit pour une période de paie normale.
Ce montant est diminuĂ© de la rĂ©munĂ©ration perçue et de la cotisation patronale de sĂ©curitĂ© sociale due sur cette rĂ©munĂ©ration, lorsque le travailleur fournit des prestations de travail Ă  temps rĂ©duit, fournit des prestations de travail autres, moins bien rĂ©munĂ©rĂ©es, ou fournit, Ă  l'intervention ou avec l'accord de l'Office, des prestations de travail au service d'un autre employeur. La rĂ©munĂ©ration ainsi perçue ne peut ĂȘtre infĂ©rieure Ă  la rĂ©munĂ©ration minimale fixĂ©e par une convention collective ou par une dĂ©cision d'une commission paritaire rendue ou non obligatoire ou, Ă  dĂ©faut, par l'usage.
Art. 72. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Het loon, dat overeenkomstig artikel 71, eerste lid, voor de berekening van de tegemoetkoming in aanmerking komt, wordt vastgesteld aan de hand van de loonboekhouding van de onderneming en van de individuele rekeningen; het wordt berekend vóór iedere verplichte aftrek wegens door de werknemers te betalen bijdragen voor sociale zekerheid en belastingen.
Het omvat:
1° het geldloon;
2° de tegenwaarde van de voordelen in natura, overeengekomen als tegenprestatie voor werkelijke arbeid, die gedurende de periode van overschakeling niet worden gehandhaafd;
3° de contractueel bedongen premies die een rechtstreekse aanvulling van het loon betekenen, doch met uitzondering van alle premies en vergoedingen in geld of in natura, verleend ter bestrijding van door de arbeid veroorzaakte reiskosten en van kosten wegens werkelijke arbeid.
Het vast loon in geld wordt berekend overeenkomstig de uurlonen gedurende de laatste betalingsperiode voorafgaande aan de indiening van het plan tot overschakeling, bedoeld bij artikel 73 en op basis van het normale aantal arbeidsuren van elke werknemer dat in de onderneming gebruikelijk is. Deze berekening mag echter niet worden gemaakt voor de arbeidsduur boven (vijfenveertig) uren per week, behoudens voor zover voor bepaalde beroepen of werkzaamheden een langere arbeidstijd is toegestaan krachtens een in een wet of verordening vervatte afwijking van blijvende aard. <KB 07-10-1971, art. 1>
Het veranderlijk loon wordt geraamd op basis van de gemiddelde prestatie in de laatste zes maanden voorafgaande aan het indienen van het plan tot overschakeling.
Art. 72. La rémunération à prendre en considération conformément à l'article 71, alinéa 1er pour le calcul de l'intervention, est déterminée à l'aide des documents comptables relatifs aux salaires de l'entreprise et des comptes individuels; elle est calculée avant toute déduction obligatoire de cotisations de sécurité sociale et de retenues fiscales à la charge des travailleurs.
Elle comprend:
1° la rémunération en espÚces;
2° la valeur représentative des avantages en nature, accordés en contrepartie d'un travail effectif, qui ne sont pas maintenus durant la période de reconversion;
3° les primes contractuelles constitutives d'un complément direct de salaire, à l'exclusion de toutes primes et indemnités en espÚces ou en nature octroyées pour defrayer des dépenses relatives aux déplacements occasionnés par le travail et à l'exercice d'un travail effectif.
Le salaire fixe en espÚces est calculé, suivant les taux horaires de la derniÚre période de paie précédant la présentation du projet de reconversion prévue à l'article 73 et sur la base de l'horaire normal de chaque travailleur, tel qu'il est habituellement pratiqué dans l'entreprise. Toutefois, le calcul ne peut pas s'effectuer sur la base d'une durée de travail supérieure (à quarante-cinq heures) par semaine, sauf dérogation légale ou réglementaire de caractÚre permanent autorisant pour des professions ou des travaux déterminés un horaire plus élevé. <AR 07-10-1971, art. 1er>
La rémunération variable est évaluée sur la base du rendement moyen des six derniers mois précedant le dépÎt du projet de reconversion.
Art. 73. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De onderneming die een overschakeling ontwerpt, moet de Rijksdienst alle gegevens voorleggen die het mogelijk maken het voorgenomen overschakelingsplan te beoordelen, waaronder ten minste de volgende gegevens:
- noodzaak, doel, omvang en financiering van de overschakeling;
- waarschijnlijk benodigde tijd om de overschakeling te volbrengen en het tijdschema van de werkzaamheden;
- aantal werknemers dat in dienst zal worden gehouden als gevolg van door de onderneming zelf genomen maatregelen;
- aantal werknemers wier werk tijdelijk geheel of gedeeltelijk zal worden ingekrompen of stilgelegd en beschrijving van de beoogde nieuwe werkzaamheden;
- tijdschema van de inkrimpingen en van de hernieuwde tewerkstellingen;
- financiële gevolgen van de handhaving van hetzelfde loonpeil der getroffen werknemers;
- rechtvaardiging van de wenselijkheid van een eventueel herscholingsprogramma en aantal daarbij betrokken werknemers ;
- financiële gevolgen van de uitvoering van dit herscholingsprogramma.
Art. 73. L'entreprise qui projette une reconversion doit soumettre à l'Office toute donnée permettant de juger du plan de reconversion envisagé, et au moins les indications suivantes:
- nécessité, but, ampleur et financement de la reconversion;
- durée prévue des opérations de reconversion et leur rythme d'exécution;
- nombre de travailleurs dont l'emploi sera maintenu Ă  la suite de mesures prises par l'entreprise elle-mĂȘme;
- nombre de travailleurs dont l'emploi sera temporairement réduit ou suspendu en tout ou en partie et description des nouveaux emplois prévus;
- échelonnement des réductions et des réemplois;
- incidences financiĂšres du maintien du mĂȘme niveau de rĂ©munĂ©ration des travailleurs touchĂ©s;
- justification de l'opportunité d'un programme éventuel de réeducation professionnelle et nombre de travailleurs intéressés;
- incidences financiÚres de l'exécution de ce programme de rééducation professionnelle.
Art. 74. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Het ontwerp evenals de vraag tot financiële tegemoetkoming moeten minstens drie maanden voor het begin van de overschakelingsverrichtingen aan het centraal bestuur van de Rijksdienst worden voorgelegd.
Het voorgelegd ontwerp moet door de Minister worden goedgekeurd.
Art. 74. Le projet, ainsi que la demande d'intervention financiĂšre, doivent ĂȘtre soumis Ă  l'administration centrale de l'Office trois mois au moins avant le dĂ©but des opĂ©rations de reconversion.
Le projet présenté requiert l'approbation du Ministre.
Art. 75. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Tijdens de duur van de overschakeling ontvangt de werkgever maandelijks van de Rijksdienst de terugbetaling van de helft der tegemoetkoming.
De andere helft wordt hem overgemaakt zodra hij het bewijs levert, dat hij gedurende ten minste zes maanden na het einde van de overschakeling, de werknemers die het voordeel van het behoud van loon hebben ontvangen, volledig heeft te werk gesteld.
Om de terugbetaling van deze tweede helft te bekomen moet binnen acht maanden na het einde van de goedgekeurde overschakelingsverrichtingen, een bij ter post aangetekend verzoekschrift worden gericht aan de directeur in wiens ambtsgebied de onderneming of het betrokken gedeelte ervan gelegen is.
Art. 75. Pendant la durée de la reconversion, l'employeur obtient mensuellement de l'Office le remboursement de la moitié de l'intervention.
L'autre moitié lui est versée dÚs qu'il administre la preuve qu'il a occupé à temps plein pendant au moins six mois aprÚs la fin de la reconversion, les travailleurs à qui le bénéfice de la rémunération a été maintenu.
Pour obtenir le remboursement de cette seconde moitié, il est tenu d'adresser, dans les huit mois qui suivent la fin des opérations de reconversion, par lettre recommandée à la poste, une demande au directeur dans le ressort duquel l'entreprise ou la partie d'entreprise en cause est établie.
AFDELING IV. _ Hulp bij oprichting uitbreiding of overschakeling van ondernemingen.
SECTION IV. _ Aide à la création, à l'extension ou à la reconversion d'entreprises.
Art. 76. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De Rijksdienst kan tegemoetkomen in de uitgaven inherent aan de selectie, de beroepsopleiding en de nieuwe installatie van het door een werkgever in dienst genomen personeel met het oog op de oprichting van een onderneming, de uitbreiding of de overschakeling van zijn onderneming.
(NOTA : Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt art. 76 vervangen door de volgende bepaling : "Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder :
1° onderneming : de commerciële vennootschap die haar sociale zetel of een exploitatiezetel heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
2° beroepsopleiding : de opleiding die gegeven wordt aan de werkzoekenden binnen de onderneming die hen aanwerft of erbuiten om hen toe te laten zich aan te passen aan de ontwikkelingen in hun beroep of zich om te scholen naar een nieuwe activiteit;
3° oprichting : de oprichting van een onderneming en het effectief opstarten van een activiteit;
4° uitbreiding : de oprichting van een filiaal, van een nieuwe afdeling binnen een onderneming of het aanbieden van nieuwe produkten of diensten;
5° omschakeling : de bestendige wijziging van het produktieproces meer bepaald verbonden aan de technologische evolutie en/of de aanpassing aan een nieuwe activiteit."; BESL 1995-01-19-38, art. 2, 125; Inwerkingtreding : 13-07-1995)
Art. 76. L'Office peut intervenir dans les dépenses inhérentes à la sélection, la formation professionnelle et la réinstallation du personnel recruté par un employeur en vue de la création d'une entreprise, de l'extension ou de la reconversion de son entreprise.
(NOTE : Pour la Région de Bruxelles-Capitale, l'art. 76 est remplacé par la disposition suivante : "Pour l'application de la présente section, on entend par :
1° entreprise : la société commerciale qui a son siÚge social ou un siÚge d'exploitation, dans la Région de Bruxelles-Capitale;
2° formation professionnelle : la formation donnée aux demandeurs d'emploi dans l'entreprise qui les engage ou à l'extérieur de celle-ci pour leur permettre de s'adapter au progrÚs dans leur profession ou de se reconvertir dans une nouvelle activité;
3° creation : la constitution d'une entreprise et le commencement effectif d'une activité;
4° extension : la création d'une succursale, d'un nouveau département au sein d'une entreprise ou l'offre de produits ou de services nouveaux;
5° reconversion : la modification durable du processus de production liée notamment aux évolutions technologiques et/ou l'adaptation à une nouvelle activité."; ARR 1995-01-19-38, art. 2, 125; En vigueur : 13-07-1995)
Art. 77. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De selectie van de werknemers wordt met de medewerking van de diensten voor openbare arbeidsbemiddeling uitgevoerd.
Deze diensten mogen de kandidaten aan een geneeskundig of aan een psychotechnisch onderzoek onderwerpen.
De kandidaten die aan een onderzoek worden onderworpen , kunnen de terugbetaling van hun reiskosten bekomen, onder de voorwaarden vastgesteld door de Minister, na advies van het beheerscomité.
De Minister kan ook na advies van het beheerscomité, beslissen dat de Rijksdienst bijdraagt in andere uitgaven inherent aan de selectie.
(NOTA : Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt art. 77 vervangen door de volgende bepaling : "De Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling kan een financiële tussenkomst verlenen in de uitgaven voor de beroepsopleiding van bij hem ingeschreven werkzoekenden die door zijn tussenkomst aangeworven worden door een onderneming in oprichting, uitbreiding of omschakeling waarvan het personeelsbestand maximaal 250 werknemers bedraagt.
Het personeelsbestand wordt vastgesteld op basis van het rekenkundig gemiddelde van de raamstatistieken die gevoegd worden bij de aangifte aan de RSZ betreffende de vier kalenderkwartalen die het kalenderkwartaal voorafgaan waarin de bijscholing aanvangt."; BESL 1995-01-19-38, art. 2, 125; Inwerkingtreding : 13-07-1995)
Art. 77. La sélection des travailleurs est opérée en collaboration avec les services publics de placement.
Ces services peuvent soumettre les candidats à un examen médical ou à un examen psychotechnique.
Les candidats qui ont été soumis à un examen peuvent obtenir le remboursement des frais de déplacement qu'ils ont exposés, aux conditions fixées par le Ministre, aprÚs avis du comité de gestion.
Le Ministre peut également décider, aprÚs avis du comité de gestion, que l'Office interviendra dans d'autres dépenses inhérentes a la sélection.
(NOTE : Pour la Région de Bruxelles-Capitale, l'art. 77 est remplacé par la disposition suivante : "L'Office régional bruxellois de l'emploi peut intervenir financiÚrement dans les dépenses inhérentes à la formation professionnelle des demandeurs d'emploi inscrits auprÚs de lui et engagés à son intervention par une entreprise en phase de création, d'extension ou de reconversion et dont l'effectif est de 250 travailleurs maximum.
L'effectif du personnel est déterminé en calculant la moyenne arithmétique de l'effectif mentionné dans les cadres statistiques joints à la déclaration adressée à l'ONSS pour les quatre trimestres civils qui précÚdent celui au cours duquel le recyclage débute."; ARR 1995-01-19-38, art. 2, 125; En vigueur : 13-07-1995)
Art. 78. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
§ 1. De werknemer die beroepsopleiding dient te ontvangen om ter beschikking te worden gesteld van een werkgever die een onderneming opricht, zijn onderneming uitbreidt of overschakelt, kan bij voorrang toegelaten worden tot de centra voor beroepsopleiding, bedoeld in de artikelen 87 en 88. Hij moet eventueel vóór de in artikel 92 bedoelde werknemer toegelaten worden.
§ 2. De Minister kan de Rijksdienst machtigen om met werkgevers een overeenkomst te sluiten met het oog op de opleiding in hun onderneming van de werknemers in dienst genomen of overgeplaatst voor de oprichting, de uitbreiding of de overschakeling van de onderneming.
Deze overeenkomst bepaalt de voorwaarden, het bedrag en de duur van de tegemoetkoming door de Rijksdienst in het loon, vermeerderd met de hiermede verbonden sociale lasten, van het personeel dat met de opleiding is belast en van de werknemers in opleiding.
§ 3. Indien de aard van de fabricagemethodes of van de aangewende procédés of andere technische redenen vergen dat één of meer werknemers de nodige opleiding in het buitenland verwerven of dat monitors of technici voor een bepaalde tijd in het buitenland worden aangeworven om die opleiding te geven, kan het beheerscomité, met machtiging van de Minister, een tegemoetkoming verlenen ten belope van maximum 50 pct. in de te dien einde door de werkgever gedane uitgaven.
§ 4. Op eensluidend advies van het beheerscomité, kan de Minister de Rijksdienst machtigen om bij te dragen in andere uitgaven die inherent zijn aan de opleiding van de in dit artikel bedoelde werknemers.
(NOTA : Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt art. 78 vervangen door de volgende bepaling : "§ 1. Om recht te kunnen geven op een financiële tussenkomst moet de beroepsopleiding :
1° betrekking hebben op werkzoekenden aangeworven met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
2° betrekking hebben op werkzoekenden waarvan de plaats van tewerkstelling zich bevindt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° ingericht worden hetzij door één of meerdere instructeurs vreemd aan de onderneming, hetzij door een of meerdere instructeurs die hiervoor, al dan niet tijdelijk, aangeworven zijn door de onderneming, hetzij door één of meerdere personeelsleden die hiervoor een aangepaste opleiding hebben gekregen.
§ 2. Voor wat ondernemingen betreft (met een personeelsbestand van minder dan 50 werknemers)
wordt de financiële tussenkomst slechts toegekend op voorwaarde dat het globale tewerkstellingsvolume behouden blijft, behoudens afwijking toegekend door de Minister bevoegd voor Tewerkstelling, op voorstel van het Beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling. (Err. B.St. 13-12-1995, p. 33457)
Het behoud van het globale tewerkstellingsvolume wordt beoordeeld door het rekenkundig gemiddelde van het personeelsbestand van de onderneming vermeld in de raamstatistieken die gevoegd worden bij de aangifte aan de RSZ betreffende de vier kalenderkwartalen die het kalenderkwartaal voorafgaan waarin de beroepsopleiding aanvangt, te vergelijken met het personeelsbestand vermeld in de raamstatistiek die gevoegd wordt bij de verklaring aan de RSZ betreffende het kalenderkwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de beroepsopleiding wordt beëindigd.
§ 3. Voor wat ondernemingen betreft met een personeelsbestand tussen de 50 en de 250 werknemers wordt de financiële tussenkomst slechts toegekend op voorwaarde dat de onderneming voor haar oprichting, uitbreiding of omschakeling begunstigde is van de tweede bijkomende investeringstoelage bedoeld in artikel 6, § 2, van de ordonnantie van 1 juli 1993 betreffende de bevordering van de economische expansie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest."; BESL 1995-01-19-38, art. 2, 125; Inwerkingtreding : 13-07-1995)
Art. 78. § 1er. Le travailleur qui doit recevoir une formation professionnelle, afin d'ĂȘtre mis Ă  la disposition d'un employeur qui procĂšde Ă  la crĂ©ation d'une entreprise ou Ă  l'extension ou Ă  la reconversion de son entreprise, peut ĂȘtre admis par prioritĂ© dans les centres de formation professionnelle visĂ©s aux articles 87 et 88. Il doit Ă©ventuellement ĂȘtre admis avant le travailleur visĂ© Ă  l'article 92.
§ 2. Le Ministre peut autoriser l'Office à conclure avec des employeurs une convention en vue d'assurer la formation, au sein de leur entreprise, des travailleurs embauchés ou transférés pour la création, l'extension ou la reconversion de celle-ci.
Cette convention fixe les conditions, le montant et la durée de l'intervention de l'Office dans la rémunération, augmentée des charges sociales y afférentes, du personnel chargé de la formation et des travailleurs bénéficiant de celle-ci.
§ 3. Si la nature des méthodes de fabrication ou les procédés utilisés ou d'autres motifs techniques exigent qu'un ou plusieurs travailleurs acquierent à l'étranger la formation requise ou que des moniteurs ou techniciens soient recrutés à l'étranger pour une durée déterminée afin de donner cette formation, le comité de gestion peut, moyennant l'autorisation du Ministre, accorder une intervention de 50 p.c. au plus dans les dépenses exposées à cet effet par l'employeur.
§ 4. Sur avis conforme du comité de gestion, le Ministre peut autoriser l'Office à intervenir dans d'autres dépenses inhérentes à la formation des travailleurs vises au présent article.
(NOTE : Pour la Région de Bruxelles-Capitale, l'art. 78 est remplacé par la disposition suivante : "§ 1er. Pour pouvoir faire l'objet d'une intervention financiÚre, la formation professionnelle doit :
1° concerner des demandeurs d'emploi engages sous un contrat de travail à durée indéterminée;
2° concerner des demandeurs d'emploi dont le lieu de travail se situe dans la Région de Bruxelles-Capitale;
3° ĂȘtre assurĂ© soit par un ou plusieurs formateur(s) Ă©trangers Ă  l'entreprise, soit par un ou plusieurs formateur(s) engagĂ©s par celle-ci Ă  cet effet, temporairement ou non, soit par un ou plusieurs membres du personnel ayant suivi, dans ce but, une formation appropriĂ©e.
§ 2. En ce qui concerne les entreprises occupant moins de 50 travailleurs, l'intervention financiÚre n'est octroyée, sauf dérogation accordée par le ministre qui a l'emploi dans ses attributions sur proposition du Comité de Gestion de l'Office régional bruxellois de l'emploi, qu'à la condition que le volume global de l'emploi soit maintenu.
Le maintien du volume de l'emploi s'apprécie en comparant la moyenne arithmetique de l'effectif du personnel de l'entreprise mentionné dans les cadres statistiques joints à la declaration adressée à l'ONSS pour les quatre trimestres civils qui précÚdent celui au cours duquel la formation professionnelle a débuté et l'effectif du personnel mentionné dans le cadre statistique joint à la déclaration adressée à l'ONSS pour le trimestre civil qui suit celui au cours duquel la formation professionnelle a pris fin.
§ 3. En ce qui concerne les entreprises occupant de 50 à 250 travailleurs, l'intervention financiÚre n'est octroyée qu'à la condition que l'entreprise bénéficie pour sa création, son extension ou sa reconversion de la seconde aide complémentaire à l'investissement visée à l'article 6, § 2, de l'ordonnance du 1er juillet 1993 concernant la promotion de l'expansion économique dans la Région de Bruxelles-Capitale."; ARR 1995-01-19-38, art. 2, 125; En vigueur : 13-07-1995)
Art. 79. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
<KB 26-03-1965, art. 1> Met machtiging van de Minister kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van nieuwe installatie worden toegekend aan niet werkloze geschoolde of geoefende werknemers die ten minste achttien jaar oud zijn en van verblijfplaats moeten veranderen om ter beschikking te worden gesteld of ter beschikking te blijven van een werkgever die een onderneming opricht of zijn onderneming uitbreidt of overschakelt, in het ambtsgebied van één der gewestelijke bureaus waarvan de lijst, na advies van het beheerscomité, door de Minister wordt opgemaakt.
Op deze tegemoetkoming zijn de artikelen 59, tweede lid, 61 en 62, 1° en 2°, toepasselijk.
De in het eerste lid bedoelde werknemer kan deze tegemoetkoming bekomen, indien hij door de Rijksdienst gevergde bescheiden indient bij de directeur in wiens ambtsgebied de onderneming is gevestigd.
Om geldig te zijn, dient de aanvraag om tegemoetkoming in de kosten van nieuwe installatie ingediend te worden binnen een termijn van zes maanden nadat de werknemer van verblijfplaats veranderde ofwel binnen de zes maanden volgend op de datum van goedkeuring door de Minister van de beslissing waarbij het beheerscomité het in artikel 80 voorgeschreven verzoekschrift van de werkgever inwilligt.
De beslissing van de bevoegde directeur over de aanvraag om tegemoetkoming in de kosten van nieuwe installatie wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de werknemer.
Tegen deze beslissing kan worden opgekomen bij het beheerscomité. Dit beroep moet bij een ter post aangetekende brief worden ingediend binnen vijftien dagen volgend op de in het vijfde lid bedoelde kennisgeving.
(NOTA : Artikel 79 geldig voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest :
Art. 79. § 1. De financiële tussenkomst is enerzijds bestemd voor de bezoldiging van de op te leiden werkzoekende en anderzijds voor de kost van de instructeurs.
Ze wordt vastgesteld op 50 percent van de bezoldiging voor de opleidingsuren, van de op te leiden werkzoekenden en van de hierop toepasselijke werkgeversbijdrage voor de sociale zekerheid en op 50 percent van hun eventuele verplaatsingskosten.
Ze wordt vastgesteld op 50 percent hetzij van de bezoldiging van de instructeur of instructeurs en van de werkgeversbijdrage hiervoor aan de sociale zekerheid, hetzij van het forfait dat door een derde voor de bijscholing aan de onderneming gefactureerd wordt.
Het maximale bedrag van de financiële tussenkomst wordt vastgesteld gemiddeld op (2 500 EUR)
per opgeleide werkzoekende, inclusief de kost van de instructeurs en mag in totaal de (125 000 EUR) per bedrijf en per periode van twee jaar niet overschrijden.
§ 3. De looptijd van de financiële tussenkomst bedraagt maximum 6 maanden voor iedere opgeleide werkzoekende.
Een beroepsopleiding die minder dan 20 uren duurt kan geen aanleiding geven tot een tussenkomst.
§ 4. De financiële tussenkomst mag voor eenzelfde opleiding en eenzelfde werknemer niet gecumuleerd worden met tussenkomsten waarin voorzien is door de wetgeving betreffende het betaald educatief verlof of door het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 november 1994 tot wijziging van de artikelen 53 tot 58 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en de werkloosheid.)
Art. 79. <AR 26-03-1965, art. 1er> Moyennant l'autorisation du Ministre, une intervention financiĂšre dans les frais de rĂ©installation peut ĂȘtre accordĂ©e aux travailleurs qualifiĂ©s ou spĂ©cialisĂ©s non chĂŽmeurs, ĂągĂ©s de dix-huit ans au moins, qui doivent changer de lieu de rĂ©sidence pour ĂȘtre mis ou rester Ă  la disposition d'un employeur qui procĂšde Ă  la crĂ©ation d'une entreprise ou Ă  l'extension ou Ă  la reconversion de son entreprise, dans le ressort d' un des bureaux rĂ©gionaux dont la liste est dressĂ©e par le Ministre,aprĂšs avis du comitĂ© de gestion.
Les articles 59, alinéa 2, 61 et 62, 1° et 2°, sont applicables à cette intervention.
Le travailleur visé à l'alinéa 1er peut obtenir cette intervention, s'il introduit les documents réclamés par l'Office auprÚs du directeur dans le ressort duquel l'entreprise est établie.
Pour ĂȘtre valable, la demande en intervention financiĂšre dans les frais de rĂ©installation doit ĂȘtre introduite dans les six mois qui suivent le changement de rĂ©sidence ou la date de l'approbation par le Ministre de la dĂ©cision du comitĂ© de gestion accueillant la demande de l'employeur prĂ©vue Ă  l'article 80.
La décision prise par le directeur compétent sur la demande en intervention financiÚre dans les frais de réinstallation est notifiée au travailleur par lettre recommandée à la poste.
Un recours contre cette dĂ©cision est ouvert auprĂšs du comitĂ© de gestion. Ce recours doit ĂȘtre formĂ© par lettre recommandĂ©e Ă  la poste, dans les quinze jours qui suivent la notification prĂ©vue Ă  l'alinĂ©a 5.
(NOTE : Article 79 valable pour la Région de Bruxelles-Capitale :
Art. 79. § 1er. L'intervention financiÚre a trait, d'une part, a la rémunération du demandeur d'emploi à former et, d'autre part, au coût des formateurs.
Elle est fixée à 50 p.c. de la rémunération des heures de formation, des demandeurs d'emploi à former et des cotisations patronales de sécurité sociale afferentes et à 50 p.c. de leurs frais de déplacement éventuels.
Elle est fixée à 50 p.c., soit de la rémunération du ou des formateurs et des cotisations patronales de sécurité sociale y afférentes, soit du forfait facturé par un tiers à l'entreprise pour le recyclage.
§ 2. Le montant de l'intervention financiÚre est plafonné à (2 500 EUR) en moyenne par demandeur d'emploi formé, en ce compris le coût des formateurs et ne peut excéder au total (125 000 EUR) par entreprise et par période de deux ans.
§ 3. La durée de l'intervention financiÚre est de 6 mois maximum pour chaque demandeur d'emploi formé.
Une formation professionnelle inférieure à 20 heures ne peut donner lieu à une intervention.
§ 4. L'intervention financiĂšre ne peut ĂȘtre cumulĂ©e pour une mĂȘme formation et un mĂȘme travailleur avec les interventions prĂ©vues par la lĂ©gislation relative au congĂ© Ă©ducation payĂ© et par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 25 novembre 1994 modifiant les articles 53 Ă  58 de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1963 relatif Ă  l'emploi et au chĂŽmage.)
Art. 80. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
De werkgever richt een bij ter post aangetekend verzoekschrift aan het centraal bestuur van de Rijksdienst.
In zijn verzoekschrift doet hij opgave van de andere tegemoetkomingen of voordelen die hij met het oog op de oprichting, de uitbreiding of de overschakeling van zijn onderneming van de openbare besturen heeft bekomen of bij deze heeft aangevraagd.
Bovendien voegt hij bij het verzoekschrift een plan, waarin inzonderheid de volgende inlichtingen voorkomen:
1° in geval van oprichting van een onderneming:
a) plaats waar de onderneming zal worden gevestigd;
b) aard van de activiteit der onderneming;
c) raming van het aantal werknemers die in dienst zullen worden genomen, alsook tijdschema van de indienstnemingen;
d) kwalificatie van deze werknemers, opgave en eventueel beschrijving van hun beroep;
e) voorziene arbeidstijdregeling en bedrag van het aangeboden loon en de aangeboden voordelen;
2° in geval van uitbreiding van een onderneming:
a) handelsnaam en adres van de onderneming, alsmede aard van de activiteit ervan;
b) plaats waar de in dienst te nemen werknemers hun activiteit zullen uitoefenen;
c) raming van het aanvullend aantal werknemers die in dienst zullen worden genomen, alsmede tijdschema van die indienstnemingen;
d) kwalificatie van deze werknemers en beschrijving van hun beroep;
e) voorziene arbeidstijdregeling en bedrag van het aangeboden loon en de aangeboden voordelen;
3° in geval van overschakeling van een onderneming:
a) handelsnaam en adres van de onderneming, alsmede aard van de activiteit ervan;
b) plaats waar de in dienst te nemen werknemers hun activiteit zullen uitoefenen;
c) noodzaak, doel, omvang en financiering van de overschakeling;
d) tijd die waarschijnlijk nodig is om de overschakeling te volbrengen en tijdsschema van de werkzaamheden;
e) raming van het aantal werknemers wier betrekking zal behouden worden tijdens de overschakelingsverrichtingen;
f) raming van het aantal werknemers wier arbeid gedurende deze overschakeling tijdelijk zal worden verminderd of onderbroken;
g) raming van het aantal en beschrijving van de nieuwe in uitzicht gestelde betrekkingen;
h) tijdschema van de verminderingen en de hernieuwde tewerkstellingen van personeel;
i) rechtvaardiging van de wenselijkheid van een eventueel scholingsprogramma; raming van het aantal bij de opleiding betrokken werknemers en beschrijving van het nieuwe beroep dat zij moeten uitoefenen.
(NOTA : Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt art. 80 vervangen door de volgende bepaling : "§ 1. Voor ondernemingen met een personeelsbestand van minder dan 50 werknemers, moet de aanvraag tot tegemoetkoming op straffe van nietigheid per aangetekende brief worden ingediend bij de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en dit voor de aanvang van de beroepsopleiding.
Voor ondernemingen met 50 tot 250 werknemers moet de aanvraag tot tegemoetkoming op straffe van nietigheid per aangetekende brief worden ingediend bij de Dienst Economische Expansie van de Administratie voor Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, samen met de aanvraag van de onderneming tot toekenning van de tweede bijkomende investeringstoelage bedoeld in artikel 6, § 2, van voormelde ordonnantie van 1 juli 1993 en dit voor de aanvang van de beroepsopleiding.
§ 2. Het Beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling beslist over de aanvragen tot tussenkomst.
In geval van gunstig advies van het Beheerscomité en op grond van de inlichtingen die door de onderneming werden overgemaakt, wordt een overeenkomst gesloten tussen de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en de onderneming, waarin de toekenningsvoorwaarden en het maximumbedrag van de financiële tussenkomst worden vastgesteld."; BESL 1995-01-19-38, art. 2, 125; Inwerkingtreding : 13-07-1995)
Art. 80. L'employeur adresse une demande a l'administration centrale de l'Office par lettre recommandée à la poste.
Il indique dans cette demande les autres interventions ou avantages qu'il a obtenus ou sollicités des pouvoirs publics, en vue de la création, de l'extension ou de la reconversion de son entreprise.
Il y joint un plan qui contient notamment les renseignements ci-aprĂšs:
1° en cas de création d'une entreprise:
a) la localité dans laquelle l'entreprise sera établie;
b) la nature de l'activité de l'entreprise;
c) l'évaluation du nombre de travailleurs qui seront recrutés, ainsi que l'échelonnement de ces recrutements;
d) la qualification de ces travailleurs, l'indication et, éventuellement la description de leur profession;
e) le régime de travail prévu et le montant de la rémunération et des avantages offerts;
2° en cas d'extension d'une entreprise:
a) la raison sociale et l'adresse de l'entreprise, ainsi que la nature de son activité;
b) la localité dans laquelle les travailleurs à recruter devront exercer leur activite;
c) l'évaluation du nombre de travailleurs supplémentaires qui seront recrutés, ainsi que l'échelonnement de ces recrutements;
d) la qualification de ces travailleurs et la description de leur profession;
e) le régime de travail prévu et le montant de la rémunération et des avantages offerts;
3° en cas de reconversion d'une entreprise:
a) la raison sociale et l'adresse de l'entreprise, ainsi que la nature de son activité;
b) la localité dans laquelle les travailleurs à recruter devront exercer leur activité;
c) la nécessité, le but, l'ampleur et le financement de la reconversion;
d) la durée prévue des opérations de reconversion et leur rythme d'éxécution;
e) l'évaluation du nombre de travailleurs dont l'emploi sera maintenu dans l'entreprise pendant les opérations de reconversion:
f) l'évaluation du nombre de travailleurs dont le travail sera temporairement réduit ou interrompu pendant la reconversion;
g) l'évaluation du nombre et la description des nouveaux emplois qui sont prévus;
h) l'échelonnement des réductions et des réemplois de personnel;
i) la justification de l'opportunité d'un programme éventuel de formation professionnelle; l'évaluation du nombre de travailleurs intéressés par cette formation et la description de la nouvelle profession qu'ils sont appelés à exercer.
(NOTE : Pour la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale, l'art. 80 est remplacĂ© par la disposition suivante : "§ 1er. Pour les entreprises occupant moins de 50 travailleurs, la demande d'intervention doit, Ă  peine de nullitĂ©, ĂȘtre introduite par lettre recommandĂ©e auprĂšs de l'Office rĂ©gional bruxellois de l'emploi avant le dĂ©but de la formation professionnelle.
Pour les entreprises de 50 Ă  250 personnes, la demande d'intervention doit, Ă  peine de nullitĂ©, ĂȘtre introduite par lettre recommandĂ©e auprĂšs du Service Expansion Ă©conomique de l'Administration de l'Economie et de l'Emploi du MinistĂšre de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale, conjointement Ă  la demande introduite par l'entreprise pour bĂ©nĂ©ficier de la seconde aide complĂ©mentaire Ă  l'investissement visĂ©e Ă  l'article 6, § 2, de l'ordonnance du 1er juillet 1993 prĂ©citĂ©e, avant le dĂ©but de la formation professionnelle.
§ 2. Le Comité de Gestion de l'Office régional bruxellois de l'emploi statue sur les demandes d'intervention.
En cas de décision favorable du Comité de Gestion et sur base des renseignements transmis par l'entreprise, une convention est établie entre l'Office régional bruxellois de l'emploi et l'entreprise qui rÚgle les conditions d'octroi et le montant maximum de l'intervention financiÚre."; ARR 1995-01-19-38, art. 2, 125; En vigueur : 13-07-1995)
Art. 81. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
Het beheerscomité beslist over de aanvragen om tegemoetkoming.
Deze beslissingen worden aan de goedkeuring van de Minister onderworpen.
De uitbetaling geschiedt na overlegging van de bewijsstukken die de Rijksdienst vordert.
(NOTA : Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt art. 80 vervangen door de volgende bepaling : "De helft van de financiële tussenkomst wordt na de beroepsopleiding gestort op grond van de bewijsstukken die de onderneming binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf het einde van de bijscholing, op straffe van nietigheid per aangetekende zending moet overmaken. Nadat is gecontroleerd of het globaal tewerkstellingsvolume in de onderneming werd behouden of de toekenningsvoorwaarden voor de tweede bijkomende investeringstoelage bedoeld in artikel 6, § 2, van voormelde ordonnantie van 1 juli 1993 werden nageleefd, wordt het saldo in voorkomend geval gestort."; BESL 1995-01-19-38, art. 2, 125; Inwerkingtreding : 13-07-1995)
Art. 81. Le comité de gestion statue sur les demandes d'intervention.
Ces décisions sont soumises à l'approbation du Ministre.
Le paiement est fait sur production des piÚces justificatives réclamées par l'Office.
(NOTE : Pour la Région de Bruxelles-Capitale, l'art. 81 est remplacé par la disposition suivante : "L'intervention financiÚre est versée pour moitié aprÚs la formation professionnelle et sur base de documents justificatifs que l'entreprise doit, à peine de nullité, introduire par recommandé dans un délai de trois mois à partir de la fin du recyclage. Le solde est versé, le cas échéant, aprÚs contrÎle du maintien du volume global de l'emploi dans l'entreprise ou du respect des conditions d'octroi de la seconde aide complémentaire à l'investissement visée à l'article 6, § 2, de l'ordonnance du 1er juillet 1993 précitée."; ARR 1995-01-19-38, art. 2, 125; En vigueur : 13-07-1995)
AFDELING V. _ Tegemoetkoming in het loon van de minder-validen.
SECTION V. _ Intervention dans la rémunération des handicapés.
Art. 81bis. (Opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij BVE 1988-12-21/36; zie ook art. 138)
<KB 04-02-1977> § 1. Voor de toepassing van deze afdeling dient te worden verstaan onder:
1° minder-valide werknemer: de minder-valide voor wie de mogelijkheden van tewerkstelling werkelijk beperkt zijn wegens een ontoereikendheid of een vermindering van zijn lichamelijke geschiktheid met ten minste 30 pct. of van zijn geestelijke geschiktheid met ten minste 20 pct., die niet door het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen is ingeschreven, die door toedoen van de Rijksdienst in dienst wordt genomen en die wordt tewerkgesteld krachtens een arbeidsovereenkomst waardoor onderwerping aan de sociale zekerheid ontstaat, met uitzondering van de arbeidsovereenkomst voor dienstboden;
2° werkgever: ieder privaatrechtelijk persoon die een onder 1° bedoelde minder-valide werknemer tewerkstelt;
3° loon: het minimumregelingsloon dat voor de valide werknemers door het bevoegde paritair comité is vastgesteld, of, bij ontstentenis van een paritair comité, het door het gebruik bepaalde minimumloon, vermeerderd met het bedrag van de werkgeversbijdrage die verschuldigd is krachtens de wetgeving betreffende de sociale zekerheid en de arbeidsongevallen.
§ 2. De Rijksdienst betaalt een financiële tegemoetkoming aan de werkgevers die door de inspecteurs en de adjunct-inspecteurs van de Administratie van de arbeidsbetrekkingen en reglementering gemachtigd zijn om aan de minder-validen een onder het loon liggend bedrag te betalen, voor zover het rendement van die minder-valide werknemers niet het normale bereikt.
Bij die machtiging wordt bepaald welk percentage het door de werkgever gedragen loongedeelte beloopt; dat percentage mag niet lager zijn dan 50 pct. van het loon.
De machtiging mag pas na advies van het door de Rijksdienst erkende medisch-psychotechnische centrum worden verleend.
De machtiging mag slechts worden verleend voor een maximumduur van één jaar. Ze is echter hernieuwbaar.
§ 3. De financiële tegemoetkoming van de Rijksdienst vult het door de werkgevers gedragen gedeelte aan, zodanig dat het bedrag van het aan de valide werknemers betaalde loon wordt bereikt.
§ 4. De financiële tegemoetkoming van de Rijksdienst mag niet worden gecumuleerd met die bepaald bij de artikelen 53 tot 58.
§ 5. De aanvraag om tegemoetkoming en de bewijsstukken dienen uiterlijk, op de laatste dag van de eerste veertien dagen der maand welke volgt op die waarin de arbeidsprestaties zijn verricht, te worden ingediend bij het gewestelijk bureau van de Rijksdienst in het ressort waarvan de onderneming is gevestigd. De uitbetaling van de tegemoetkoming geschiedt door de Rijksdienst vóór het einde van de maand waarin de aanvraag en de bewijsstukken overeenkomstig het eerste lid zijn ingediend.
§ 6. Van het genot der tegemoetkoming wordt uitgesloten en, in voorkomend geval, is verplicht tot terugbetaling van de tegemoetkoming die hij reeds zou hebben genoten:
1° de werkgever die, volgens nauwkeurige en overeenstemmende vermoedens, een of meer werknemers heeft ontslagen en hen heeft vervangen door een of meer minder-valide werknemers met het enige doel de bij dit besluit bepaalde tegemoetkoming te genieten;
2° de werkgever die niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire verplichtingen die hij als werkgever te dragen heeft.
Art. 81bis. <AR 04-02-1977, art. 1er> § 1er. Pour l'application de la présente section, il y a lieu d'entendre par:
1° travailleur handicapé: le handicapé dont les possibilites d'emploi sont effectivement réduites par suite d'une insuffisance ou d'une diminution d'au moins 30 p.c. de sa capacité physique ou d' au moins 20 p.c. de sa capacité mentale, qui n'est pas enregistré par le Fonds national de reclassement social des handicapés, qui est recruté à l'intervention de l'Office et qui est occupé en vertu d'un contrat de louage de travail donnant lieu à l'assujettissement à la sécurité sociale, excepté le contrat de travail domestique;
2° employeur: toute personne de droit privé qui occupe un travailleur handicapé visé au 1°;
3° rémunération: la rémunération conventionnelle minimale fixée, pour les travailleurs valides, par la commission paritaire compétente ou, à défaut de commission paritaire, la rémunération minimale fixée par l'usage, majorée du montant de la cotisation patronale due en vertu de la législation concernant la sécurité sociale et les accidents du travail.
§ 2. L'Office verse une intervention financiĂšre aux employeurs autorisĂ©s par les inspecteurs et les inspecteurs adjoints de l'Administration de la rĂ©glementation et des relations du travail Ă  payer aux handicapĂ©s un montant infĂ©rieur Ă  la rĂ©munĂ©ration, dans la mesure oĂč le rendement de ces travailleurs handicapĂ©s est infĂ©rieur a la normale.
L'autorisation dĂ©termine le pourcentage de la part de rĂ©munĂ©ration supportĂ©e par les employeurs; ce pourcentage ne peut ĂȘtre infĂ©rieur Ă  50 p.c. de la remunĂ©ration.
L'autorisation ne peut ĂȘtre accordĂ©e qu'aprĂšs avis du centre mĂ©dico-psycho-technique reconnu par l'Office.
L'autorisation ne peut ĂȘtre accordĂ©e que pour une durĂ©e maximum d'un an. Elle peut toutefois ĂȘtre renouvelee.
§ 3. L'intervention financiÚre de l'Office complÚte la part supportée par les employeurs de maniÚre à atteindre le montant de la rémunération payée aux travailleurs valides.
§ 4. L'intervention financiĂšre de l'Office ne peut ĂȘtre cumulĂ©e avec celle prĂ©vue aux articles 53 Ă  58.
§ 5. La demande d'intervention et les documents justificatifs doivent ĂȘtre introduits auprĂšs du bureau regional de l'Office dans le ressort duquel se situe l'entreprise au plus tard le dernier jour de la premiĂšre quinzaine du mois qui suit celui au cours duquel les prestations de travail ont Ă©tĂ© fournies. Le paiement de l'intervention financiĂšre est effectuĂ© par l'Office avant la fin du mois au cours duquel la demande et les documents justificatifs ont Ă©tĂ© introduits conformĂ©ment Ă  l'alinĂ©a 1er.
§ 6. Est exclu du bénéfice de l'intervention et, le cas échéant, tenu de rembourser l'intervention dont il aurait déjà bénéficié:
1° l'employeur qui, aprĂšs des prĂ©somptions prĂ©cises et concordantes, a licenciĂ© un ou plusieurs travailleurs et les a remplacĂ©s par un ou plusieurs travailleurs handicapĂ©s Ă  seule fin de bĂ©nĂ©ficier de l'intervention prĂ©vue au prĂ©sent arrĂȘte:
2° l'employeur qui ne satisfait pas aux obligations légales ou réglementaires qui s'imposent à lui en sa qualite d'employeur.
HOOFDSTUK III. _ Beroepsopleiding.
CHAPITRE III. _ Formation professionnelle
AFDELING I. _ Algemene bepalingen.
SECTION I. _ Dispositions générales.
Art. 82. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 82. (abrogé)
Art. 83. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 83. (abrogé)
Art. 84. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 84. (abrogé)
Art. 85. (opgeheven) (KB 07-12-1973, art. 26> (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 85. (abrogé) <AR 07-12-1973, art. 26> (ACF 1988-12-21/36, art. 137, 1°; voir aussi art. 138)
AFDELING II. _ Centra voor beroepsopleiding.
SECTION II. _ Centres de formation professionnelle.
Art. 87. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 87. (abrogé)
Art. 88. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 88. (abrogé)
Art. 89. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 89. (abrogé)
Art. 90. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 90. (abrogé)
Art. 91. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 91. (abrogé)
AFDELING III. _ Opleiding in een centrum voor beroepsopleiding.
SECTION III. _ Formation dans un centre de formation professionnelle.
A. Toelating tot een centrum.
A. Admission dans un centre.
Art. 92. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 13)>
Art. 92. (abrogé)
Art. 93. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 93. (abrogé)
Art. 94. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 94. (abrogé)
Art. 95. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 95. (abrogé)
B. Overeenkomst van versnelde beroepsopleiding.
B. Contrat de formation professionnelle accélérée.
Art. 96. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 96. (abrogé)
Art. 97. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 97. (abrogé)
Art. 98. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 98. (abrogé)
Art. 99. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 99. (abrogé)
Art. 100. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 100. (abrogé)
Art. 101. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 101. (abroge)
Art. 102. (opgeheven) (KB 07-12-1973, art. 26>
Art. 102. (abrogé) <AR 07-12-1973, art. 26> (ACF 1988-12-21/36, art. 137, 1°; voir aussi art. 138)
Art. 103. (opgeheven) (B>E 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 103. (abrogé)
C. Rechten en plichten van de betrokkenen in opleiding.
C. Droits et obligations des personnes bénéficiant d'une formation.
Art. 104. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 104. (abrogé)
Art. 105. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 105. (abrogé)
Art. 106. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 106. (abrogé)
Art. 107. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 107. (abrogé)
Art. 108. (Opgeheven) <KB 07-12-1973, art. 26> (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 108. (abrogé) <AR 07-12-1973, art. 26> (ACF 1988-12-21/36, art. 137, 1°; voir aussi art. 138)
Art. 109. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 109. (abrogé)
AFDELING IV. _ Opleiding in een technische onderwijsinrichting.
SECTION IV. _ Formation dans un établissement d'enseignement technique.
Art. 110. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 110. (abrogé)
Art. 111. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 111. (abrogé)
Art. 112. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 112. (abrogé)
AFDELING V. _ Beroepsopleiding in een onderneming.
SECTION V. _ Formation professionnelle dans une entreprise.
Art. 113. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 113. (abrogé)
Art. 114. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 114. (abrogé)
Art. 115. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 115. (abrogé)
Art. 116. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 116. (abrogé)
Art. 117. (opgeheven) (BVE 1988-12-21/36, art. 137, 1°; zie ook art. 138)
Art. 117. (abrogé)
HOOFDSTUK IV. _ (Impl. opgeheven)
CHAPITRE IV. _ (abrogé impl.)
Art. 117bis. (Impl. opgeheven) <KB 24-09-1976>
Art. 117bis. (abrogé impl.) <AR 24-09-1976>
TITEL III. (Opgeheven)
TITRE III. (Abrogé)
HOOFDSTUK I. (Opgeheven)
CHAPITRE Ier. (Abrogé)
AFDELING I. (Opgeheven)
SECTION 1Úre. (Abrogé)
AFDELING II. (Opgeheven)
SECTION II. (Abrogé)
AFDELING IIBIS. (Opgeheven)
SECTION IIBIS. (Abrogé)
AFDELING IITER. (Opgeheven)
SECTION IITER. (Abrogé)
Afdeling IIQUATER. (Opgeheven)
Section IIQUATER. (Abrogé)
AFDELING IIQUINQUIES. (Opgeheven)
SECTION IIQUINQUIES. (Abrogé)
AFDELING IISEXIES. (Opgeheven)
SECTION IISEXIES. (Abrogé)
AFDELING IIsepties. (Opgeheven)
SECTION IIsepties. (Abrogé)
AFDELING III. (Opgeheven)
SECTION III. (Abrogé)
AFDELING IV. (Opgeheven)
SECTION IV. (Abrogé)
Onderafdeling I. (Opgeheven)
Sous-section I. (Abrogé)
Onderafdeling II. (Opgeheven)
Sous-section II. (Abrogé)
AFDELING IVBIS. (Opgeheven)
SECTION IVBIS. (Abrogé)
HOOFDSTUK 1BIS. (Opgeheven)
CHAPITRE IBIS. (Abrogé)
AFDELING I. (Opgeheven)
SECTION 1Úre. (Abrogé)
AFDELING II. (Opgeheven)
SECTION II. (Abrogé)
AFDELING III. (Opgeheven)
SECTION III. (Abrogé)
ONDERAFDELING 1. (Opgeheven)
Sous-section IÚre. (Abrogé)
ONDERAFDELING 2. (Opgeheven)
Sous-section 2. (Abrogé)
AFDELING IV. (Opgeheven)
SECTION IV. (Abrogé)
HOOFDSTUK II. (Opgeheven)
CHAPITRE II. (Abrogé)
AFDELING I. (Opgeheven)
SECTION 1Úre. (Abrogé)
AFDELING II. (Opgeheven)
SECTION II. (Abrogé)
AFDELING III. (Opgeheven)
SECTION III. (Abrogé)
AFDELING IV. (Opgeheven)
SECTION IV. (Abrogé)
HOOFDSTUK III. (Opgeheven)
CHAPITRE III. (Abrogé)
AFDELING I. _ (opgeheven)
SECTION 1Úre. _ (Abrogé)
AFDELING II.
SECTION II. (Abrogé)
HOOFDSTUK IV. (Opgeheven)
CHAPITRE IV. (Abrogé)
TITEL IV. (Opgeheven)
TITRE IV. (Abrogé)
TITEL V. _ Bepalingen eigen aan het Waalse Gewest.
TITRE V. _ Dispositions particuliÚres à la Région wallonne.
Afdeling I. Tegemoetkoming in het loon van de moeilijk te plaatsen werklozen.
Section I. Intervention dans la rémunération des chÎmeurs difficiles à placer.
Art. 270. De artikelen 53 tot 58 van dit besluit zijn niet meer van toepassing op het Waalse Gewest.
Art. 270. Les articles 53 Ă  58 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne sont pas applicables en RĂ©gion wallonne.
Art. 271. (opgeheven)
Art. 271. (abrogé)
Art. 272. (opgeheven)
Art. 272. (abrogé)
Art. 273. (opgeheven)
Art. 273. (abrogé)
Art. 274. (opgeheven)
Art. 274. (abrogé)
Art. 275. (opgeheven)
Art. 275. (abrogé)
Art. 276. (opgeheven)
Art. 276. (abrogé)
Art. 277. (opgeheven)
Art. 277. (abrogé)
Art. 278. (opgeheven)
Art. 278. (abrogé)
Art. 278bis. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 1, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> Met uitzondering van de aanvragen die het onderwerp waren van een beslissing vóór de inwerkingtreding van afdeling 1bis, houdt onderhavige afdeling op van toepassing te zijn op de in artikel 278quater bedoelde werkgevers tot 31 december 1992.
Art. 278bis. A l'exception des demandes ayant fait l'objet d'une dĂ©cision avant l'entrĂ©e en vigueur de la section 1bis, la prĂ©sente section cesse d'ĂȘtre applicable jusqu'au 31 dĂ©cembre 1992 aux employeurs visĂ©s Ă  l'article 278quater.
Afdeling 1bis. Tijdelijke maatregelen inzake indienstneming.
Section 1bis. Dispositions temporaires relatives Ă  l'embauche.
Art. 278ter. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> Voor de toepassing van onderhavige afdeling wordt verstaan onder :
1° de Dienst : de Gemeenschaps- en Gewestdienst voor Beroepsopleiding en Arbeidsbemiddeling (FOREM);
2° de Minister : de Minister van het Waalse Gewest tot wiens bevoegdheden de Tewerkstelling behoort.
Art. 278ter. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par :
1° l'Office : l'Office communautaire et régional de la formation professionnelle et de l'emploi (FOREM);
2° le Ministre : le Ministre de la Région wallonne qui a l'emploi dans ses attributions.
Art. 278quater. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> Iedere natuurlijke of rechtspersoon die een werkzoekende in dienst neemt door een arbeidsovereenkomst geniet, onder de voorwaarden vastgesteld in onderhavige afdeling, van een indienstnemingspremie, " Plus-premie " genaamd.
Worden echter ervan uitgesloten :
1° de publiekrechtelijke rechtspersonen;
2° de personen die een onderwijsinstelling, een vrij psycho-medisch-sociaal centrum of een vrije dienst voor school- of beroepsoriëntatie inrichten;
3° de ondernemingen zonder industrieel of commercieel doeleinde;
4° de verzorgings- en verblijfinstellingen;
5° de schouwspelbedrijven;
6° de uitzendbureau's;
7° de werkgevers die uitsluitend huispersoneel in dienst hebben;
8° de personen die één der volgende vrije beroepen uitoefenen : dokters, apothekers, tandartsen, paramedische beroepen, veeartsen, advokaten, notarissen, architecten en gerechtsdeurwaarders;
9° de feitelijke vennootschappen en de burgerlijke beroepsvennootschappen samengesteld door personen die één der sub 8° opgesomde beroepen uitoefenen;
10° de ondernemingen zonder uitbatingscentrum in het Waalse Gewest.
Art. 278quater. Toute personne physique ou morale qui engage un demandeur d'emploi dans les liens d'un contrat de travail bénéficie, aux conditions fixées par la présente section, d'une prime d'embauche, dénommée prime " PLUS ".
Sont toutefois exclus :
1° les personnes morales de droit public;
2° les personnes qui organisent un etablissement d'enseignement, un centre psycho-médico-social libre ou un office libre d'orientation scolaire ou professionnelle;
3° les entreprises sans finalité industrielle ou commerciale;
4° les établissements de soins et d'hébergement;
5° les entreprises du spectacle;
6° les entreprises de travail intérimaire;
7° les employeurs qui occupent uniquement des travailleurs domestiques;
8° les personnes qui exercent une des professions libérales suivantes : médecins, pharmaciens, dentistes, professions paramédicales, vétérinaires, avocats, notaires, architectes et huissiers de justice;
9° les associations de fait et les sociétés civiles professionnelles formées par les personnes exerçant une des professions énumérées au 8°;
10° les entreprises qui n'ont pas de siÚge d'exploitation en Région wallonne.
Art. 278quinquies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> Is werkzoekende in de zin van artikel 278quater, iedere in het Waalse Gewest woonachtige en verblijvende persoon die :
a) hetzij ingeschreven is als werkzoekende bij de diensten van de Dienst en :
1° die deeltijds schoolplichtig is;
2° of die, zijnde minstens 18 jaar en nog geen 25 jaar oud, aanzien wordt als minder gekwalificeerd en die sinds ten minste 12 maanden ononderbroken als werkzoekende ingeschreven is.
Wordt niet aanzien als minder gekwalificeerd de werkzoekende die titularis is van een diploma dat het slagen bekrachtigt van universitaire studies of van studies van het hoger onderwijs van het lange of korte type of van het algemeen hoger sekundair onderwijs of van het lager technisch sekundair onderwijs;
3° of die, zijnde ten minste 40 jaar oud, sinds minstens 12 maanden ononderbroken als werkzoekende ingeschreven is;
4° of die sinds minstens 3 maanden van het bestaansminimum geniet voor zover dit bestaansminimum niet toegekend werd na een sanctie betreffende een werkweigering of werkverlating;
5° of waarvan de werkgeschiktheid verminderd is ten gevolge van een ontoereikendheid of vermindering van hetzij minstens 20 % van zijn geestelijk vermogen, hetzij minstens 30 % van zijn fysisch vermogen;
6° of die tewerkgesteld is in een deeltijdse betrekking waarvan de duur gelijk of lager is dan het derde van de normale duur van een voltijds werk in het bedrijf waar hij in dienst is;
7° of die bedoeld is in artikel 171bis van onderhavig besluit;
8° of die een beroepsopleiding geniet dewelke ingericht of erkend is door de Dienst of door het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen;
b) hetzij volledig uitkeringsgerechtigde niet-werkzoekende werkloze is en die bedoeld is in artikelen 153bis, 155 en 155ter van onderhavig besluit.
Voor de toepassing van onderhavig artikel wordt de situatie van de werkzoekende of van de werkloze in acht genomen op de dag van het begin van de kontraktuitvoering.
Art. 278quinquies. Est demandeur d'emploi au sens de l'article 278quater toute personne domiciliée et résidant en région wallonne qui est :
a) soit inscrite comme demandeur d'emploi auprĂšs des services de l'Office et :
1° qui se trouve en période d'obligation scolaire à temps partiel;
2° ou qui, ùgée de 18 ans au moins et de moins de 25 ans, est considérée comme étant à qualification réduite et est inscrite comme demandeur d'emploi depuis au moins 12 mois sans interruption.
N'est pas considéré comme étant à qualification réduite, le demandeur d'emploi titulaire d'un diplÎme sanctionnant la réussite d'études universitaires ou de l'enseignement supérieur de type long ou court ou de l'enseignement secondaire général supérieur ou de l'enseignement technique secondaire inferieur;
3° ou qui, ùgée d'au moins 40 ans, est inscrite comme demandeur d'emploi depuis au moins 12 mois sans interruption;
4° ou qui bénéficie du minimum de moyens d'existence depuis au moins 3 mois pour autant que le minimum de moyens d'existence n'ait pas été accordé aprÚs une sanction relative à un refus ou un abandon de travail;
5° ou dont l'aptitude au travail est réduite par suite d'une insuffisance ou d'une diminution soit d'au moins 20 % de sa capacité mentale soit d'au moins 30 % de sa capacité physique;
6° ou qui est occupee dans un emploi à temps partiel dont la durée des prestations est égale ou inférieure au tiers de la durée normale de travail à temps plein dans l'entreprise qui l'occupe;
7° ou qui est visĂ©e Ă  l'article 171bis du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
8° ou qui est en formation professionnelle organisée ou agréée par l'Office ou le Fonds national de reclassement social des handicapés;
b) soit chĂŽmeur complet indemnise non demandeur d'emploi et visĂ©e aux articles 153bis, 155 et 155ter du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Pour l'application du prĂ©sent article, la situation du demandeur d'emploi ou du chĂŽmeur est apprĂ©ciĂ©e le jour oĂč commence l'exĂ©cution du contrat.
Art. 278sexies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> Voor de toepassing van artikel 278quinquies, eerste lid, a, 2° en 3°, worden niet als onderbrekingsperiodes aanzien :
1° de periodes van inschrijvingsonderbreking die, gecumuleerd, niet langer dan 3 maanden zijn;
2° de periodes die aanleiding gegeven hebben tot de betaling van een vergoeding bij toepassing van de wettelijke of reglementaire bepalingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
3° de periodes die aanleiding gegeven hebben tot de betaling van een vergoeding bij toepassing van de wettelijke of reglementaire bepalingen inzake schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten.
Bovendien wordt de periode van inschrijving als werkzoekende onderbroken door :
1° de periodes van gevangenisstraf in België;
2° de periodes van oproep of wederoproep onder de wapens of van burgerlijke dienst.
Art. 278sexies. Pour l'application de l'article 278quinquies, alinéa 1er, a, 2° et 3°, ne sont pas considérées comme périodes d'interruption :
1° les périodes d'interruption d'inscription qui, cumulées, ne dépassent pas 3 mois;
2° les périodes qui ont donné lieu au payement d'une indemnité en application des dispositions légales ou réglementaires concernant l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité;
3° les périodes qui ont donné lieu au payement d'une indemnité en application des dispositions légales ou réglementaires concernant la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles.
Par ailleurs, la période d'inscription comme demandeur d'emploi est suspendue par :
1° les périodes d'emprisonnement en Belgique;
2° les périodes d'appel ou de rappel sous les armes ou de service civil.
Art. 278septies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> De in artikel 278quater bedoelde arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor een voltijdse of deeltijdse onbeperkte duur.
Nochtans, indien de werkzoekende bedoeld is in artikel 278quinquies, 1e lid, a, 6°, mag de indienstneming slechts voltijds aangegaan worden.
Art. 278septies. Le contrat de travail visé à l'article 278quater est conclu à durée indéterminée, à temps plein ou à temps partiel.
Cependant, si le demandeur d'emploi est visĂ© Ă  l'article 278quinquies, alinĂ©a 1er, a, 6°, l'engagement ne peut ĂȘtre conclu qu'Ă  temps plein.
Art. 278octies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> De toekenning van de " Plus-premie " is onderworpen aan volgende voorwaarden :
1° het aantal bij de R.S.Z. aangegeven werknemers moet, op het einde van elk der drie eerste trimesters gevende aanleiding tot een tussenkomst, met minstens zoveel eenheden als toegekende tussenkomsten hoger zijn dan hetwelk aangegeven op het einde van elk der drie overeenstemmende trimesters van het vorig jaar.
Wat betreft het laatste trimester gevende aanleiding tot een tussenkomst, moet het aantal bij de R.S.Z. aangegeven werknemers ten minste gelijk zijn aan het aantal dat aangegeven werd op het einde van het trimester tijdens hetwelk de indienstneming plaats vond;
2° de bijkomende betrekkingen voortkomend uit de in artikel 278quater van onderhavige afdeling bedoelde indienstnemingen moeten behouden worden gedurende twee jaar vanaf het begin van het eerste trimester gevende aanleiding tot de " Plus-premie ".
Het bewijs van de indiensthouding van de werknemers waarvoor de " Plus-premie " toegekend werd of van hun vervangers wordt vastgesteld door de voorlegging van de nominatieve staat ingediend bij de R.S.Z. op het einde van elk der acht betrokkene trimesters.
Art. 278octies. L'octroi de la prime " PLUS " est subordonnée aux conditions suivantes :
1° le nombre de travailleurs dĂ©clarĂ©s Ă  l'O.N.S.S. doit, Ă  la fin de chacun des trois premiers trimestres donnant lieu Ă  une intervention, ĂȘtre supĂ©rieur a celui dĂ©clarĂ© Ă  la fin de chacun des trois trimestres correspondant de l'annĂ©e prĂ©cĂ©dente d'au moins autant d'unitĂ©s qu'il y a d'interventions accordĂ©es.
En ce qui concerne le dernier trimestre donnant lieu Ă  une intervention le nombre de travailleurs dĂ©clarĂ©s Ă  l'O.N.S.S. Ă  la fin de ce trimestre doit ĂȘtre au moins Ă©gal Ă  celui dĂ©clarĂ© Ă  la fin du trimestre au cours duquel l'engagement a eu lieu;
2° les emplois supplĂ©mentaires rĂ©sultant des engagements visĂ©s Ă  l'article 278quater de la prĂ©sente section doivent ĂȘtre maintenus pendant une durĂ©e de deux ans Ă  dater du dĂ©but du premier trimestre ayant donnĂ© lieu Ă  la prime " PLUS ".
La preuve du maintien en activité des travailleurs pour lesquels la prime " PLUS " a été accordée ou de leurs remplacants est établie par la production du relevé nominatif introduit à l'O.N.S.S. au terme de chacun des huit trimestres concernés.
Art. 278novies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> De in artikel 278quater bedoelde " Plus-premie " bedraagt 40 000 F per volledige werkkalendertrimester van de voltijds indienstgenomen werknemer.
Zij wordt voor maximum vier trimesters toegekend.
Het eerste trimester tijdens hetwelk zij toegekend is, is het trimester dat het begin van de uitvoering van het kontrakt volgt.
In geval van deeltijds werk is het bedrag van de " Plus-premie " evenredig verminderd.
Art. 278novies. La prime " PLUS " visée à l'article 278quater est de 40 000 francs par trimestre civil complet d'occupation du demandeur d'emploi engagé à temps plein.
Elle est accordée pendant quatre trimestres maximum.
Le premier trimestre pendant lequel elle est accordée est celui qui suit le début de l'exécution du contrat.
En cas d'occupation à temps partiel, le montant de la prime " PLUS " est réduit proportionnellement.
Art. 278decies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> Een werkgever kan niet meer dan vier " Plus-premies " genieten tijdens eenzelfde trimester.
Art. 278decies. Un employeur ne peut bĂ©nĂ©ficier de plus de quatre primes " PLUS " pendant un mĂȘme trimestre.
Art. 278undecies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> Een werkgever kan niet van een " Plus-premie " genieten indien, voor eenzelfde indienstneming, hij reeds van een andere door het Waalse Gewest toegekende hulp of premie geniet.
Art. 278undecies. Un employeur ne peut bĂ©nĂ©ficier d'une prime " PLUS " si, pour le mĂȘme engagement, il bĂ©nĂ©ficie par ailleurs d'une autre aide ou prime accordĂ©e par la RĂ©gion wallonne.
Art. 278duodecies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> De aanvraag om een " Plus-premie " wordt ingediend ten laatste op het einde van het trimester na hetwelk de uitvoering van het kontrakt begonnen is.
Zij wordt ingediend bij de subregionale diensten van de Dienst en door hem behandeld.
De volgende stukken worden erbij gevoegd :
1° een gedetailleerde toestand van de evolutie van de tewerkstelling in het bedrijf tijdens de drie trimesters voorafgaand het begin van de uitvoering van het kontrakt;
2° de R.S.Z.-attesten betreffende deze drie trimesters;
3° de identiteit, de woonplaats en de verblijfplaats van de indienstgenomen werkzoekende;
4° een attest van de Dienst waarbij de in artikel 278quinquies bedoelde categorie tot dewelke de indienstgenomen werkzoekende behoorde, aangeduid wordt;
5° een verklaring van de werkgever waarbij hij bevestigt dat hij onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en dat hij geen van de in artikel 278quater, 2e lid, bedoelde werkgevers is;
6° een afschrift van de arbeidsovereenkomst afgesloten met de indienstgenomen werkzoekende;
7° een verbintenis van de werkgever waarbij de ambtenaren en agenten van de Dienst toegelaten worden in het bedrijf of bij zijn lasthebber de toepassing van de bepalingen van onderhavige afdeling te controleren.
Art. 278duodecies. La demande de prime " PLUS " est introduite au plus tard à la fin du trimestre qui suit celui au cours duquel commence l'exécution du contrat.
Elle est introduite auprÚs des services subrégionaux de l'Office et instruite par celui-ci.
Y sont joints les documents suivants :
1° une situation détaillée de l'évolution de l'emploi dans l'entreprise au cours des trois trimestres précédant le début de l'exécution du contrat;
2° les attestations ONSS relatives à ces trois trimestres;
3° l'identité, le domicile et la résidence du demandeur d'emploi engagé;
4° une attestation de l'Office indiquant la catégorie visée à l'article 278quinquies à laquelle le demandeur d'emploi engagé appartenait;
5° une dĂ©claration de l'employeur affirmant qu'il est soumis Ă  la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs et qu'il n'est pas un des employeurs visĂ©s a l'article 278quater, alinĂ©a 2;
6° une copie de contrat de travail conclu avec le demandeur d'emploi engagé;
7° un engagement de l'employeur à permettre aux fonctionnaires et agents de l'Office d'exercer dans l'entreprise ou auprÚs de son mandataire le contrÎle de l'application des dispositions de la présente section.
Art. 278terdecies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> Het bevoegde subregionaal comité voor arbeidsbemiddeling en vorming geeft zijn advies binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag.
Na deze termijn is het advies niet meer gevraagd.
Het ongunstig advies moet met redenen omschreven zijn.
Art. 278terdecies. Le Comité subrégional de l'emploi et de la formation compétent donne son avis dans un délai de trente jours à dater de l'introduction de la demande.
Passé ce délai, l'avis n'est plus requis.
L'avis dĂ©favorable doit ĂȘtre motivĂ©.
Art. 278quaterdecies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> De Minister betekent zijn beslissing betreffende de toekenning van de " Plus-premie " aan de werkgever.
De " Plus-premie " wordt toegekend binnen de grenzen van de begrotingskredieten die beschikbaar zijn voor het lopende jaar op het moment van de indiening van de aanvraag.
Art. 278quaterdecies. Le Ministre notifie à l'employeur sa décision quant à l'octroi de la prime " PLUS ".
La prime " PLUS " est accordée dans les limites des crédits budgétaires disponibles pour l'année en cours au moment de l'introduction de la demande.
Art. 278quinquiesdecies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> De betaling geschiedt door de Dienst op het einde van elke kalendertrimester op voorlegging van het overeenstemmend driemaandelijks attest van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Art. 278quinquiesdecies. Le payement est effectué par l'Office à l'expiration de chaque trimestre civil sur production de l'attestation trimestrielle correspondante de l'Office national de sécurité sociale.
Art. 278sexiesdecies. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/41, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 05-03-1991> § 1. Wordt uitgesloten van het voordeel van de " Plus-premie " :
1° de werkgever die één of meerdere werknemers ontslagen heeft ten einde ze te vervangen door één of meerdere werkzoekenden waarvoor hij het voordeel van de " Plus-premie " aanvraagt;
2° de werkgever die, tijdens de laatste drie jaren vóór de indiening van de aanvraag, gestraft werd wegens niet-naleving van de reglementeringen die van toepassing zijn inzake bezoldiging en andere werkomstandigheden.
Deze uitsluiting heeft uitwerking vanaf de eerste dag van het kalendertrimester tijdens hetwelk zij besloten wordt.
§ 2. Wordt ertoe gehouden de " Plus-premie " terug te betalen :
1° de werkgever die een " Plus-premie " genoten heeft bij overtreding van onderhavige afdeling;
2° de werkgever die de in § 1, 1°, handelingen verricht tussen het ogenblik van de indiening van de aanvraag en het einde van de periode die voorzien is in de beslissing tot toekenning van de " Plus-premie ".
§ 3. In geval van ontslag of afdanking wegens ernstige redenen van de werkzoekende vóór het einde van de in artikel 278novies bedoelde periode, wordt de " Plus-premie " gehandhaafd tot het einde van deze periode in geval van indienstneming, onder de in onderhavige afdeling voorziene voorwaarden, van een werkzoekende ter vervanging van de werkzoekende wiens indienstneming beëindigt is.
§ 4. De vordering tot terugbetaling van de tegemoetkomingen is voorgeschreven per drie jaar vanaf de betaling.
Art. 278sexiesdecies. § 1. Est exclu du bénéfice de la prime " PLUS " :
1° l'employeur qui a licencié un ou plusieurs travailleurs afin de les remplacer par un ou plusieurs demandeurs d'emploi pour lesquels il demande le bénéfice de la prime " PLUS ";
2° l'employeur qui, au cours des trois derniÚres années précédant l'introduction de la demande, a été sanctionné pour n'avoir pas respecté les réglementations qui sont applicables en matiÚre de rémunerations et autres conditions de travail.
Cette exclusion produit ses effets à partir du premier jour du trimestre civil au cours duquel elle est décidée.
§ 2. Est tenu de restituer la prime " PLUS " :
1° l'employeur qui a bénéficié d'une prime " PLUS " en violation de la présente section;
2° l'employeur qui commet les actes cités au § 1er, 1°, entre le moment de l'introduction de la demande et la fin de la période prévue dans la décision d'octroi de la prime " PLUS ".
§ 2. En cas de démission ou de licenciement pour motif grave du demandeur d'emploi avant l'expiration de la période visée à l'article 278novies, la prime " PLUS " est maintenue jusqu'à l'expiration de cette période en cas d'engagement, dans les conditions prévues à la présente section, d'un demandeur d'emploi en remplacement de celui dont l'occupation a cessé.
§ 4. L'action en restitution des interventions se prescrit par trois ans à dater du payement.
Afdeling 2. Hulp aan de bedrijfsoprichting, -uitbreiding en -herschakeling.
Section 2. Aide à la création, à l'extension et à la reconversion d'entreprises.
Art. 279. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De artikelen 76 tot 81 zijn niet meer van toepassing voor het Waalse Gewest.
Art. 279. Les articles 76 Ă  81 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© cessent d'ĂȘtre applicables Ă  la RĂ©gion wallonne.
Art. 280. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De Dienst kan tussenkomen in de uitgaven verbonden aan de schifting en de opleiding van het personeel met het oog op de oprichting van een bedrijf, de uitbreiding of de herschakeling ervan.
Art. 280. L'Office peut intervenir dans les dépenses inhérentes à la sélection et à la formation du personnel en vue de la création d'une entreprise, de son extension, ou de sa reconversion.
Art. 281. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De schifting van de werknemers wordt uitgevoerd in samenwerking met de openbare diensten voor arbeidsbemiddeling. Deze diensten kunnen de kandidaten aan een medisch of psychologisch onderzoek onderwerpen.
De kandidaten die aan een onderzoek onderworpen geweest zijn kunnen de terugbetaling van de door hen medegedeelde verplaatsingskosten, aan de voorwaarden vastgesteld door de Minister, na advies van de Raad van beheer verkrijgen.
De Minister kan eveneens bepalen, na advies van de Raad van beheer of de dienst zal tussenkomen in andere uitgaven aan de opleiding verbonden.
Art. 281. La sélection des travailleurs est opérée en collaboration avec les services publics de placement. Ces services peuvent soumettre les candidats à un examen médical ou à un examen psychologique.
Les candidats qui ont été soumis à un examen peuvent obtenir le remboursement des frais de déplacement qu'ils ont exposés, aux conditions fixées par le Ministre, aprÚs avis du Comité de gestion.
Le Ministre peut également décider, aprÚs avis du Comité de gestion, que l'Office interviendra dans d'autres dépenses inhérentes à la sélection.
Art. 282. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> § 1. De Dienst is gemachtigd overeenkomsten met werkgevers betreffende de opleiding in hun bedrijf van de werknemers die zij tewerkstellen door een arbeidskontrakt van onbepaalde duur met het oog op de oprichting, de uitbreiding of de herschakeling ervan af te sluiten.
De overeenkomst bepaald de voorwaarden en de duur van de bijdragen van de dienst in het loon vermeerderd met de maatschappelijke lasten en de verzekeringen voor arbeidsongevallen van het personeel belast met de opleiding en de ervan genietende werknemers.
§ 2. Indien de vervaardigingsmethoden of de procédés of andere technische redenen eisen dat één of meerdere werknemers de nodige opleiding in het buitenland verkrijgen of dat vreemde leiders of technici een opleiding in het bedrijf verzekeren kan de Raad van beheer evenals een bijdrage in de door de werkgever voor dit doel medegedeelde uitgaven voorstellen.
Art. 282. § 1. L'Office est autorisé à conclure avec des employeurs des conventions relatives à la formation au sein de leur entreprise des travailleurs qu'ils emploient dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée en vue de la création, de l'extension ou de la reconversion de celle-ci.
La convention fixe les conditions et la durée des interventions de l'office dans la rémunération augmentée des charges sociales et assurances contre les accidents de travail du personnel chargé de la formation et des travailleurs bénéficiant de celle-ci.
§ 2. Si la nature des méthodes de fabrication ou les procédés ou d'autres motifs techniques exigent qu'un ou plusieurs travailleurs acquiÚrent à l'étranger la formation requise ou que des moniteurs ou techniciens étrangers assurent une formation dans l'entreprise, le Comité de gestion peut également proposer une intervention dans les dépenses exposées à cet effet par l'employeur.
Art. 283. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De bijdrage betreffende de opleidingsstage van werknemers in het buitenland en de uitgaven betreffende vreemde leiders houdt in, bovendien de lonen en lasten, de uitgaven verbonden aan de retourreizen (één per bestemmingsland voor de opgeleide werknemers) evenals de verblijfskosten en -vergoedingen.
In vervallend geval, is de bijdrage voor de hierboven bedoelde kosten met uitzondering voor de reiskosten beperkt voor de aan het bedrijf vreemde leiders tot 28 850 F per week.
Indien de leider andere lasten dan de opleiding van het personeel uitoefent kan enkel de bijdrage in de lonen en lasten in rekening genomen worden.
Art. 283. L'intervention concernant les stages de formation de travailleurs à l'étranger et les frais relatifs aux moniteurs étrangers, porte, en plus des rémunérations et charges, sur les frais inhérents aux voyages aller-retour (un par pays de destination pour les travailleurs formés) ainsi qu'aux frais et indemnités de séjour.
Le cas échéant, l'intervention pour les frais visés ci-dessus mis à part les frais de voyage, est limitée pour les moniteurs étrangers à l'entreprise à 28 850 F par semaine.
Si le moniteur exerce d'autres charges que la formation du personnel, seule l'intervention dans les rĂ©munĂ©rations et charges peut ĂȘtre prise en compte.
Art. 284. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De bijdrage voor de leiders wordt berekend afhankelijk van het aantal weken van effectieve opleiding met inachtneming van het beroep en het aantal stagiairs die zij opleiden.
Deze bijdrage is maximaal indien zij betrekking heeft op ten minste vijf werknemers, zo niet, wordt zij berekend naar verhouding van het aantal opgeleide werknemers.
Art. 284. L'intervention pour les moniteurs est calculée en fonction du nombre de semaines de formation effective, eu égard à la profession, et du nombre de stagiaires qu'ils forment.
Cette intervention est maximale si elle concerne cinq travailleurs au moins, sinon elle est calculée au prorata du nombre de travailleurs formés.
Art. 285. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> Kunnen enkel genieten van een bijdrage de industriële bedrijven of die met een industrieel karakter waarvan een uitbatingszetel in het Waalse Gewest gelegen is, met uitzondering van :
- dewelke activiteiten van de tertiaire sector in verband met de handel van verdeling van goederen en diensten, groot of klein, vervolgen;
- dewelke een activiteit van productie en verdeling van energie hebben.
De opleidingen waarvoor het bedrijf van de bijdragen van het Gewest kan genieten moeten een volstrekt technisch karakter bekleden met het oog op de inwerkingstelling van nieuwe procédés voor deze zetel die een opleiding van ten minste vier weken nodig maken indien zij plaats hebben in het bedrijf, verbonden of niet aan de voorbereiding van nieuwe produkten.
De maximale opleidingsduur voor een werknemer is bepaald tot zesentwintig weken, of zij in het bedrijf of er buiten plaats heeft.
De stage in het buitenland wordt enkel in acht genomen indien hij een minimale duur van vijf opeenvolgende dagen telt.
De opgeleide werknemers moeten burger van een Lid-Staat van de E.E.G. zijn of werkelijk in het Waalse Gewest verblijven, minstens achttien jaar oud zijn en aan het bedrijf door een arbeidskontrakt van onbepaalde duur verbonden zijn.
Art. 285. Seules peuvent bénéficier d'une intervention les entreprises industrielles ou à caractÚre industriel dont un siÚge d'exploitation est situé en Région wallonne, à l'exception :
- de celles qui poursuivent des activités du secteur tertiaire relatives au commerce de distribution de biens et des services, de gros ou de détail;
- de celles qui ont une activité de production et de distribution d'énergie.
Les formations pour lesquelles l'entreprise peut benĂ©ficier de l'intervention de la RĂ©gion doivent revĂȘtir un caractĂšre essentiellement technique en vue de la mise en route de procĂ©dĂ©s nouveaux pour ce siĂšge nĂ©cessitant une formation d'au moins quatre semaines lorsqu'elles se dĂ©roulent dans l'entreprise, qu'ils soient liĂ©s ou non Ă  l'Ă©laboration de nouveaux produits.
La durée maximale de formation pour un travailleur est limitée à vingt-six semaines, qu'elle se déroule à l'entreprise ou en dehors.
Le stage à l'étranger n'est pris en considération que s'il a une durée minimale de cinq jours consécutifs.
Les travailleurs formĂ©s doivent ĂȘtre ressortissants d'un Etat-Membre de la C.E.E. ou resider effectivement en RĂ©gion wallonne, ĂȘtre ĂągĂ©s d'au moins dix-huit ans et liĂ©s Ă  l'entreprise par contrat d'emploi Ă  durĂ©e indĂ©terminĂ©e.
Art. 286. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> Om van de bijdrage te kunnen genieten moet een nieuw bedrijf de instelling van ten minste vijf nieuwe betrekkingen als gevolg hebben.
De investeringen uitgevoerd bij de uitbreiding van een bedrijf en die, hetzij de oprichting van een nieuwe afdeling in een bestaande maatschappij om andere produkten te vervaardigen, hetzij een verhoging van de capaciteit door toepassing van nieuwe technieken als gevolg hebben, moeten de bestaande tewerkstelling behouden.
De uitvoering in een bedrijf of in een van zijn dochtermaatschappijen van investeringen met het oog op de herschakeling door de produktie van :
- andere produkten door nieuwe technieken;
- gelijkaardige produkten door andere technieken;
- nieuwe produkten bestemd voor nieuwe markten, moeten het behouden van ten minste 80 pct. van de in het Waalse Gewest bestaande betrekkingen, hetzij in de maatschappij, hetzij in een van de dochtermaatschappijen als gevolg hebben wanneer deze investeringen er voor de herschakeling uitgevoerd worden.
Art. 286. Pour pouvoir bénéficier de l'intervention, une entreprise nouvelle doit entraßner la création de cinq emplois nouveaux au moins.
Les investissements réalisés lors de l'extension d'une entreprise et qui entraßnent soit la création au sein d'une société existante d'une nouvelle division pour réaliser des produits différents, soit un accroissement de capacité par application de nouvelles techniques, doivent maintenir l'emploi existant.
La réalisation au sein d'une entreprise ou au sein d'une de ses filiales d'investissements visant à la reconversion par la production :
- de produits différents par des techniques nouvelles;
- de produits similaires par des techniques différentes;
- de produits nouveaux destinés à de nouveaux marchés, doivent entraßner le maintien d'au moins 80 p.c. des emplois existant en Région wallonne, soit au sein de la société ou d'une de ses filiales lorsque ces investissements y sont réalisés en vue de la reconversion.
Art. 287. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De bijdrage is beperkt tot 50 pct. van de door de werkgever voorgelegde uitgaven en is vastgesteld op de maximumgrens van 5 miljoen franken.
Deze maximumgrens kan overschreden worden :
1° indien het een in het vorig artikel voorziene bedrijfsoprichting betreft, op voorwaarde dat het begin van zijn industriële activiteit noch door de overheveling van produktiewerknemers afkomstig uit een ander bedrijf welk deel heeft in het kapitaal van het nieuw bedrijf noch door beroep te doen op werknemers uitoefende dezelfde activiteit in dezelfde industriezone tot stand komt;
2° indien een bedrijfsuitbreiding of -herschakeling een duidelijke verhoging van betrekkingen van minstens 25 pct. van het aantal ter plaatse opgeleide werknemers veroorzaakt.
Het bedrijf verliest het voordeel van de bijdrage zonder begrenzing indien het de voorwaarden op het einde van de door de overeenkomst bepaalde operatie niet meer vervult.
Art. 287. L'intervention est limitée à 50 p.c. des dépenses exposées par l'employeur et est plafonnée à 5 millions de francs.
Ce plafond peut ĂȘtre dĂ©passĂ© :
1° lorsqu'il s'agit d'une crĂ©ation d'entreprise prĂ©vue Ă  l'article prĂ©cĂ©dent, Ă  condition que le dĂ©but de son activitĂ© industrielle ne se rĂ©alise ni par le transfert de travailleurs de production originaires d'une autre entreprise participant au capital de la nouvelle entreprise ni en recourant aux travailleurs exerçant la mĂȘme activitĂ© sur le mĂȘme site industriel;
2° lorsqu'une extension ou une reconversion d'entreprise provoque une augmentation nette d'emplois d'au moins 25 p.c. du nombre de travailleurs formés sur place.
L'entreprise perd le bénéfice de l'intervention déplafonnée si elle ne remplit plus les conditions au terme de l'opération fixée par la convention.
Art. 288. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De overeenkomst tot toekenning van de bijdrage begint, voor een maximale duur van twee jaar, ten vroegste op de datum waarop het bedrijf zijn basisaanvraag naar de Dienst heeft toegezonden en, ten laatste, op deze van het begin van de eerste opleiding.
Art. 288. La convention accordant l'intervention prend cours, pour une période maximale de deux ans, au plus tÎt à la date à laquelle l'entreprise a adressé sa demande de base à l'Office et, au plus tard, à celle du début de la premiÚre formation.
Art. 289. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> § 1. De werkgever verstuurt deze basisaanvraag naar het centraal bestuur van de Dienst bij een ter post aangetekende brief.
§ 2. Hij doet aan de Dienst ten laatste bij het begin van de bedoelde industriële activiteit een kompleet dossier toekomen waarin hij vermeldt :
1° de andere bijdragen of voordelen die hij bekomen of aangevraagd heeft bij de overheid met het oog op de oprichting, de uitbreiding of de herschakeling van zijn bedrijf;
2° in geval van oprichting :
a) de plaats waar het bedrijf gevestigd is of zal zijn;
b) de aard van de activiteit van het bedrijf;
c) de raming van het aantal werknemers die aangeworven zullen zijn evenals de spreiding van deze aanwervingen;
d) de kwalificatie van deze werknemers, de aanduiding en, eventueel, de beschrijving van hun beroep;
e) de voorziene arbeidsregeling en het bedrag van het loon en van de aangeboden voordelen;
f) de aard en het plan van de investeringen verbonden aan de oprichting;
3° in geval van uitbreiding :
a) de firma en het adres van het bedrijf evenals de aard van zijn activiteit;
b) de plaats waar de aan te werven werknemers hun activiteit zullen moeten uitoefenen;
c) de raming van het aantal bijkomende werknemers die aangeworven zullen worden, evenals de spreiding van deze aanwervingen;
d) de kwalificatie van deze werknemers en de beschrijving van hun beroep;
e) de voorziene arbeidsregeling en het bedrag van het loon en van de aangeboden voordelen;
f) de aard en het plan van de investeringen verbonden aan de uitbreiding;
4° in geval van herschakeling :
a) de firma en het adres van het bedrijf evenals de aard van zijn activiteit;
b) de plaats waar de aan te werven werknemers hun activiteit zullen moeten uitoefenen;
c) de noodzakelijkheid, het doel, de omvang en de financiering van de herschakeling;
d) de voorziene duur van de herschakelingsoperaties en hun uitvoeringstempo;
e) de raming van het aantal werknemers waarvan de tewerkstelling in het bedrijf tijdens de herschakelingsoperaties zal behouden worden;
f) de raming van het aantal werknemers waarvan het werk tijdelijk verminderd of onderbroken zal zijn tijdens de herschakeling;
g) de raming van het aantal en de beschrijving van de nieuwe voorziene betrekkingen;
h) de spreiding van de verminderingen en van de nieuwe dienstbetrekkingen van het personeel;
i) de verantwoording van de geschiktheid van een eventueel programma van beroepsopleiding; de raming van het aantal werknemers betrokken in deze opleiding en het nieuwe beroep dat zij zullen moeten uitoefenen;
j) de aard en het plan van de investeringen verbonden aan de herschakeling.
Art. 289. § 1. L'employeur adresse cette demande de base à l'administration centrale de l'Office par lettre recommandée à la poste.
§ 2. Il envoie à l'Office au plus tard au moment du début de l'activité industrielle visee, un dossier complet dans lequel il mentionne :
1° les autres interventions ou avantages qu'il a obtenus ou sollicités des pouvoirs publics en vue de la création, de l'extension ou de la reconversion de son entreprise;
2° en cas de création :
a) la localité dans laquelle l'entreprise est ou sera établie;
b) la nature de l'activité de l'entreprise;
c) l'évaluation du nombre de travailleurs qui seront recrutés, ainsi que l'échelonnement de ces recrutements;
d) la qualification de ces travailleurs, l'indication et, éventuellement, la description de leur profession;
e) le régime de travail prévu et le montant de la rémunération et des avantages offerts;
f) la nature et le plan des investissements liés à la création;
3° en cas d'extension :
a) la raison sociale et l'adresse de l'entreprise ainsi que la nature de son activité;
b) la localité dans laquelle les travailleurs à recruter devront exercer leur activité;
c) l'évaluation du nombre de travailleurs supplémentaires qui seront recrutés, ainsi que l'échelonnement de ces recrutements;
d) la qualification de ces travailleurs et la description de leur profession;
e) le régime de travail prévu et le montant de la rémuneration et des avantages offerts;
f) la nature et le plan des investissements liés à l'extension;
4° en cas de reconversion :
a) la raison sociale et l'adresse de l'entreprise, ainsi que la nature de son activité;
b) la localité dans laquelle les travailleurs à recruter devront exercer leur activité;
c) la nécessité, le but, l'ampleur, et le financement de la reconversion;
d) la durée prévue des opérations de reconversion et leur rythme d'exécution;
e) l'évaluation du nombre de travailleurs dont l'emploi sera maintenu dans l'entreprise pendant les opérations de reconversion;
f) l'évaluation du nombre de travailleurs dont le travail sera temporairement reduit ou interrompu pendant la reconversion;
g) l'évaluation du nombre et la description des nouveaux emplois qui sont prévus;
h) l'échelonnement des réductions et des réemplois du personnel;
i) la justification de l'opportunité d'un programme éventuel de formation professionnelle; l'évaluation du nombre de travailleurs intéressés par cette formation et la nouvelle profession qu'ils sont appelés à exercer;
j) la nature et le plan des investissements liés à la reconversion.
Art. 290. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De Raad van beheer beslist over de overeenstemming van de aanvragen tot bijdrage met de voorziene bepalingen, over het gevolg eraan te geven en bepaalt, in geval van voordelig gevolg, het maximum bedrag van de bijdrage, de begrotingstoerekening evenals het voorleggingstermijn door het bedrijf van de bewijsstukken.
De Minister keurt de aanvragen goed. De Raad van beheer sluit de overeenkomsten.
Geen gunstige beslissing kan genomen worden tenzij binnen de grenzen van de beschikbare begrotingsgrenzen.
Art. 290. Le Comité de gestion statue sur la conformité des demandes d'intervention aux dispositions prévues, sur la suite a leur réserver et fixe, en cas de suite favorable, le montant maximal d'intervention, son imputation budgétaire ainsi que le délai de production par l'entreprise des piÚces justificatives.
Le Ministre approuve les demandes. Le Comité de gestion conclut les conventions.
Aucune dĂ©cision favorable ne peut ĂȘtre prise si ce n'est dans les limites budgĂ©taires disponibles.
Art. 291. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De bijdragen voor de bedrijven waarvan de oprichting, de uitbreiding of de herschakeling het overschrijden van de in artikel 287 voorziene maximumgrens toelaat, zullen, in alle onderstelling, na beëindiging van de overeenkomst vereffend worden.
Art. 291. Les interventions auprÚs des entreprises dont la creation, l'extension ou la reconversion permet le dépassement du plafond prévu à l'article 287 seront liquidées, en toute hypothÚse, aprÚs expiration de la convention.
Art. 292. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De vereffening van de bijdrage zal op voorlegging door het bedrijf van de in de overeenkomst opgesomde bewijsstukken plaats hebben.
Deze stukken zullen op de dienst ingediend worden op een in de overeenkomst bepaalde datum. De overschrijding van de aldus zo voorziene vervaldag zal hetzij de teruginning van de reeds gestorte bijdragegedeelte, hetzij het niet-storten van de bijdrage als gevolg hebben.
Art. 292. Le payement de l'intervention sera effectué sur production par l'entreprise des piÚces justificatives énumérées dans la convention.
Ces piĂšces devront ĂȘtre transmises Ă  l'Office Ă  une date dĂ©terminĂ©e dans la convention. Le dĂ©passement de l'Ă©chĂ©ance ainsi prĂ©vue entraĂźnera soit la rĂ©cupĂ©ration des tranches d'interventions dĂ©jĂ  versĂ©es, soit le non versement de l'intervention.
Art. 293. <INGEVOEGD bij BEWG 1987-09-24/31, art. 1, 066, Inwerkingtreding : 1987-11-17> De artikelen 76 tot 81 blijven de vóór de inwerkingtreding van de artikelen 279 tot 292 gesloten overeenkomsten regelen.
De aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van dit besluit blijven geldig en, in afwijking van artikel 289, § 2, kunnen de volledige dossiers ingediend worden na het begin van de bedoelde activiteit, ten laatste op 31 december 1987.
Art. 293. Les articles 76 à 81 continuent de régir les conventions conclues avant la date d'entrée en vigueur des articles 279 à 292.
Les demandes introduites avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ© restent valables et, par dĂ©rogation Ă  l'article 289, § 2, les dossiers complets peuvent ĂȘtre introduits aprĂšs le dĂ©but de l'activitĂ© visĂ©e, au plus tard le 31 dĂ©cembre 1987.
Afdeling 2bis. - Tijdelijke maatregelen inzake opleiding.
Section 2bis. - Dispositions temporaires relatives Ă  la formation.
Onderafdeling 1. - Definities en gelijkstellingen.
Sous-section 1. - Définitions et assimilations.
Art. 294. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> § 1. Voor de toepassing van onderhavige afdeling wordt verstaan onder :
1° de Dienst : de Gemeenschaps- en Gewestdienst voor Beroepsopleiding en Arbeidsbemiddeling (FOREM);
2° de Minister : de Minister van het Waalse Gewest tot wiens bevoegdheden de Tewerkstelling behoort;
3° de werkzoekenden : de bij de diensten van de Dienst ingeschreven werkloze personen.
§ 2. Voor de toepassing van onderhavige afdeling worden gelijkgesteld met werkzoekende :
1° de werkzoekende met een deeltijdse betrekking waarvan de duur gelijk of lager is dan het derde van de normale duur van een voltijds werk in het bedrijf waar hij in dienst is;
2° de in artikelen 153bis, 155 en 155ter van onderhavig besluit bedoelde volledig uitkeringsgerechtigde niet-werkzoekende werkloze;
3° de in artikel 171bis van onderhavig besluit bedoelde werkzoekende;
4° de werkzoekende die een beroepsopleiding volgt dewelke ingericht of erkend is door de Dienst of door het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen.
§ 3. Voor de toepassing van onderhavige afdeling, worden niet als onderbreking van de inschrijvingsperiode bij de diensten van de Dienst aanzien :
1° de periodes van inschrijvingsonderbreking die, gecumuleerd, niet langer dan 3 maanden zijn;
2° de periodes die aanleiding gegeven hebben tot de betaling van een vergoeding bij toepassing van de wettelijke of reglementaire bepalingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
3° de periodes die aanleiding gegeven hebben tot de betaling van een vergoeding bij toepassing van een wettelijke of reglementaire bepaling inzake schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten.
§ 4. De periode van inschrijving als werkzoekende wordt onderbroken door :
1° de periodes van gevangenisstraf in België;
2° de periodes van oproep of wederoproep onder de wapens of van burgerlijke dienst.
Art. 294. §1. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par :
1° l'Office : l'Office communautaire et régional de la formation professionnelle et de l'emploi (FOREM);
2° le Ministre : le Ministre de la Région wallonne qui a l'emploi dans ses attributions;
3° les demandeurs d'emploi : les personnes sans emploi inscrites auprÚs des services de l'Office.
§ 2. Pour l'application de la présente section, sont assimilés au demandeur d'emploi :
1° le demandeur d'emploi occupé dans un emploi à temps partiel dont la durée des prestations est égale ou inférieure au tiers de la durée normale de travail à temps plein dans l'entreprise qui l'occupe;
2° le chĂŽmeur complet indemnisĂ© non demandeur d'emploi, visĂ© aux articles 153bis, 155 et 155ter du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
3° le demandeur d'emploi visĂ© Ă  l'article 171bis du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
4° le demandeur d'emploi en formation professionnelle organisée ou agréée par l'Office ou le Fonds national de reclassement social des handicapés.
§ 3. Pour l'application de la présente section, ne sont pas considerées comme interruption de la période d'inscription auprÚs des services de l'Office :
1° les périodes d'interruption d'inscription qui, cumulées, ne dépassent pas 3 mois;
2° les périodes qui ont donné lieu au payement d'une indemnité en application des dispositions légales ou réglementaires concernant l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité;
3° les périodes qui ont donné lieu au payement d'une indemnité en application des dispositions légales ou réglementaires concernant la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles.
§ 4. La période d'inscription comme demandeur d'emploi est suspendue par :
1° les périodes d'emprisonnement en Belgique;
2° les périodes d'appel ou de rappel sous les armes ou de service civil.
Onderafdeling 2. - Toekenning van een indienstnemings- en opleidingspremie.
Sous-section 2. - Octroi d'une prime d'embauche et de formation.
Art. 295. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De in artikel 285 van onderhavig besluit bedoelde industriebedrijven die een in artikel 288 van hetzelfde besluit bedoelde opleidingspremie met de Dienst afgesloten hebben of zullen afsluiten kunnen van een premie genieten wanneer zij werkzoekenden in dienst nemen met het oog op hun opleiding.
Deze indienstnemings- en opleidingspremie kan gecumuleerd worden met de in artikelen 279 tot 293 van hetzelfde besluit bedoelde tussenkomsten.
Art. 295. Les entreprises industrielles visĂ©es Ă  l'article 285 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© qui ont conclu ou concluront avec l'Office une convention de formation visĂ©e Ă  l'article 288 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, peuvent bĂ©nĂ©ficier d'une prime lorsqu'elles embauchent des demandeurs d'emploi en vue de leur formation.
Cette prime d'embauche et de formation peut ĂȘtre cumulĂ©e avec les interventions visĂ©es par les articles 279 Ă  293 du mĂȘme arrĂȘtĂ©.
Art. 296. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De Dienst is gemachtigd aanhangsels af te sluiten met de werkgevers bij de reeds vastgestelde overeenkomsten en die betrekking hebben op de opleiding, binnen hun bedrijf, van werkzoekenden indienstgenomen door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur, met het oog op de oprichting, de uitbreiding of de herschakeling ervan.
Het aanhangsel bij de overeenkomst bepaalt de voorwaarden en de bedragen van de premies.
Art. 296. L'Office est autorisé à conclure avec les employeurs des avenants aux conventions déjà établies et relatifs à la formation, au sein de leur entreprise, de demandeurs d'emploi engagés dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée en vue de la création, de l'extension ou de la reconversion de celle-ci.
L'avenant Ă  la convention fixe les conditions et les montants des primes.
Art. 297. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De in artikel 295 bedoelde premie bedraagt :
1° 50 000 frank voor de indienstneming van één werkzoekende;
2° 75 000 frank voor de indienstneming van één werkzoekende sinds ten minste zes ononderbroken maanden en sinds maximum één jaar;
3° 100 000 frank voor de indienstneming van één werkzoekende sinds meer dan één ononderbroken jaar.
Voor de toepassing van dit artikel wordt de situatie van de werkzoekende in acht genomen op de dag van het begin van de kontraktuitvoering.
Art. 297. La prime visée à l'article 295 s'élÚve à :
1° 50 000 francs en cas d'engagement d'un demandeur d'emploi;
2° 75 000 francs en cas d'engagement d'un demandeur d'emploi depuis six mois au moins sans interruption et depuis un an au plus;
3° 100 000 francs en cas d'engagement d'un demandeur d'emploi depuis plus d'un an sans interruption.
Pour l'application du prĂ©sent article la situation du demandeur d'emploi est apprĂ©ciĂ©e le jour oĂč commence l'exĂ©cution du contrat.
Art. 298. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De in artikel 295, 1e lid, bedoelde opleidingsovereenkomsten zijn dewelke eindigen tussen 1 januari 1990 en 31 december 1992.
Art. 298. Les conventions de formation visées à l'article 295, alinéa 1er, sont celles dont le terme expire entre le 1er janvier 1990 et le 31 décembre 1992.
Art. 299. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> Het Beheerscomité van de Dienst beslist over de overeenstemming van de premieaanvragen, over het hun te geven gevolg en bepaalt hun bedrag en hun begrotingstoerekening.
De Minister tot wiens bevoegdheden de tewerkstelling behoort beslist over de toekenning van de premies.
Het Beheerscomité van de Dienst sluit de aanhangsels bij de overeenkomsten af.
De premies worden toegekend binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten.
Art. 299. Le Comité de gestion de l'Office statue sur la conformité des demandes de primes, sur la suite à leur réserver et fixe leur montant et leur imputation budgétaire.
Le Ministre ayant l'emploi dans ses attributions décide de l'octroi des primes.
Le Comité de gestion de l'Office conclut les avenants aux conventions.
Les primes sont accordées dans la limite des crédits budgétaires disponibles.
Art. 300. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De betaling van de tussenkomst geschiedt na nazicht door de Dienst van de door het bedrijf overgemaakte bewijsstukken.
Art. 300. Le payement de l'intervention est effectué aprÚs vérification par l'Office des piÚces justificatives transmises par l'entreprise.
Onderafdeling 3. -Tussenkomst in de opleidingskosten van werknemers ter vervanging van het naar nieuwe productieuitrustingen overgedragen personeel.
Sous-section 3. - Intervention dans les coûts de formation de travailleurs destinés à remplacer le personnel transféré sur de nouveaux équipements de production.
Art. 301. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De in artikel 295, 1e lid, bedoelde bedrijven kunnen een tussenkomst van de Dienst genieten in de selectie en de opleiding van het indienstgenomen personeel ter vervanging van de naar nieuwe productieuitrustingen overgedragen werknemers in het kader van een overeenkomst afgesloten overeenkomstig artikelen 279 tot 293 van het voormeld koninklijk besluit van 20 december 1963.
Art. 301. Les entreprises visĂ©es Ă  l'article 295, alinĂ©a 1er, peuvent bĂ©nĂ©ficier d'une intervention de l'Office dans la sĂ©lection et la formation du personnel recrutĂ© pour remplacer les travailleurs transfĂ©rĂ©s sur de nouveaux Ă©quipements de production dans le cadre d'une convention conclue conformĂ©ment aux articles 279 Ă  293 de l'arrĂȘtĂ© royal du 20 dĂ©cembre 1963 prĂ©citĂ©.
Art. 302. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De Dienst is gemachtigd overeenkomsten af te sluiten met werkgevers betreffende de opleiding, binnen het bedrijf, van het in artikel 301 bedoelde personeel op voorwaarde dat zij werkzoekend zijn sinds minstens zes ononderbroken maanden wanneer de uitvoering van het kontrakt begint.
De overeenkomst bepaalt de voorwaarden en de duur van de tussenkomst van de Dienst in de bezoldiging vermeerderd met de sociale lasten en de verzekeringen voor de werkongevallen van de instructeurs belast met de opleiding en van de werknemers die ervan genieten.
Art. 302. L'Office est autorisé à conclure avec des employeurs des conventions relatives à la formation, au sein de l'entreprise, du personnel visé à l'article 301 à condition qu'il s'agisse de demandeurs d'emploi depuis au moins six mois sans interruption au moment du début de l'exécution du contrat.
La convention fixe les conditions et la durée de l'intervention de l'Office dans la rémunération augmentée des charges sociales et des assurances contre les accidents de travail des moniteurs chargés de la formation et des travailleurs bénéficiant de celle-ci.
Art. 303. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De tussenkomst voor de instructeurs is berekend naargelang het aantal weken effectieve opleiding, rekening houdend met het beroep, en het aantal stagiairs die zij opleiden.
Deze tussenkomst is maximaal indien zij betrekking heeft op minstens vijf werknemers, zo niet wordt zij berekend naar evenredigheid van het aantal opgeleide werknemers.
Art. 303. L'intervention pour les moniteurs est calculée en fonction du nombre de semaines de formation effective, eu égard à la profession, et du nombre de stagiaires qu'ils forment.
Cette intervention est maximale si elle concerne cinq travailleurs au moins, sinon elle est calculée au prorata du nombre de travailleurs formés.
Art. 304. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De minimale en maximale opleidingsduur voor een werknemer zijn respectievelijk 4 en 18 weken.
De opgeleide werknemers moeten burger zijn van een lid-Staat van de E.E.G. of werkelijk in het Waalse Gewest verblijven, minstens achttien jaar oud zijn en aan het bedrijf gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.
Art. 304. Les durées minimale et maximale de formation pour un travailleur sont respectivement de 4 et 18 semaines.
Les travailleurs formĂ©s doivent ĂȘtre ressortissants d'un Etat-membre de la C.E.E. ou rĂ©sider effectivement en rĂ©gion wallonne, ĂȘtre ĂągĂ©s d'au moins dix-huit ans et liĂ©s Ă  l'entreprise par un contrat de travail Ă  durĂ©e indĂ©terminĂ©e.
Art. 305. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De tussenkomst is beperkt tot 50 % van de door de werkgever voorgelegde uitgaven.
Art. 305. L'intervention est limitée à 50 % des dépenses exposées par l'employeur.
Art. 306. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De overeenkomst houdende toekenning van de tussenkomst begint voor een maximale duur van twee jaar, ten vroegste op de datum waarop het bedrijf haar eerste aanvraag aan de Dienst gericht heeft en, laatstens op de datum van het begin van de eerste opleiding.
Art. 306. La convention accordant l'intervention prend cours, pour une période maximale de deux ans, au plus tÎt à la date à laquelle l'entreprise a adressé sa demande initiale à l'Office et, au plus tard, à celle du début de la premiÚre formation.
Art. 307. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De in artikelen 289, 290 en 292 van onderhavig besluit voorziene vordering is toepasselijk op de aanvragen die door onderhavige onderafdeling geregeld worden.
Art. 307. La procĂ©dure prĂ©vue aux articles 289, 290 et 292 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© est d'application pour les demandes regies par la prĂ©sente sous-section.
Onderafdeling 4. - Aanzet tot indienstneming en opleiding van weinig gekwalificeerd personeel.
Sous-section 4. - Incitation au recrutement et à la formation du personnel peu qualifié.
Art. 308. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De in artikel 295, 1e lid, bedoelde bedrijven kunnen genieten van een tussenkomst van de Dienst in de uitgaven verbonden aan de selectie en de opleiding van het indienstgenomen personeel om een betrekking van verminderde kwalificatie te bekleden die rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden is aan de toepassing van nieuwe technieken.
Art. 308. Les entreprises visées à l'article 295, alinéa 1er, peuvent bénéficier d'une intervention de l'Office dans les dépenses inhérentes à la sélection et à la formation du personnel recruté pour occuper une fonction à qualification réduite liée directement ou indirectement à l'application de nouvelles techniques.
Art. 309. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De Dienst is gemachtigd overeenkomsten af te sluiten met werkgevers betreffende de opleiding, binnen het bedrijf, van het in artikel 308 bedoelde personeel op voorwaarde dat zij werkzoekend zijn sinds minstens één jaar wanneer de uitvoering van het kontrakt begint.
De overeenkomst bepaalt de voorwaarden en de duur van de tussenkomsten van de Dienst in de bezoldiging vermeerderd met de sociale lasten en de verzekeringen voor de werkongevallen van de instructeurs belast met de opleiding en van de werknemers die ervan genieten.
Art. 309. L'Office est autorisé à conclure avec des employeurs des conventions relatives à la formation au sein de l'entreprise du personnel visé à l'article 308 à condition qu'il s'agisse de demandeurs d'emploi depuis au moins un an au moment du début de l'exécution du contrat.
La convention fixe les conditions et la durée des interventions de l'Office dans la rémunération, augmentée des charges sociales et des assurances contre les accidents de travail, des moniteurs chargés de la formation et des travailleurs bénéficiant de celle-ci.
Art. 310. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De tussenkomst voor de instructeurs is berekend naargelang het aantal weken effectieve opleiding, rekening houdend met het beroep, en het aantal stagiairs die zij opleiden.
Deze tussenkomst is maximaal indien zij betrekking heeft op minstens vijf werknemers, zo niet wordt zij berekend naar evenredigheid van het aantal opgeleide werknemers.
Art. 310. L'intervention pour les moniteurs est calculée en fonction du nombre de semaines de formation effective, eu égard à la profession, et du nombre de stagiaires qu'ils forment.
Cette intervention est maximale si elle concerne cinq travailleurs au moins, sinon elle est calculée au prorata du nombre de travailleurs formés.
Art. 311. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De minimale en maximale opleidingsduur voor een werknemer zijn respectievelijk 2 en 13 weken.
De opgeleide werknemers moeten burger zijn van een lid-Staat van de E.E.G. of werkelijk in het Waalse Gewest verblijven, minstens achttien jaar oud zijn en aan het bedrijf gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur.
Art. 311. Les durées minimale et maximale de formation pour un travailleur sont respectivement de 2 et 13 semaines.
Les travailleurs formĂ©s doivent ĂȘtre ressortissants d'un Etat-membre de la C.E.E. ou rĂ©sider effectivement en RĂ©gion wallonne, ĂȘtre ĂągĂ©s d'au moins dix-huit ans et liĂ©s Ă  l'entreprise par un contrat de travail Ă  durĂ©e indĂ©terminĂ©e.
Art. 312. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De tussenkomst is beperkt tot 50 % van de door de werkgever voorgelegde uitgaven.
Art. 312. L'intervention est limitée à 50 % des dépenses exposées par l'employeur.
Art. 313. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De overeenkomst houdende toekenning van de tussenkomst begint voor een maximale duur van twee jaar, ten vroegste op de datum waarop het bedrijf haar eerste aanvraag aan de Dienst gericht heeft en, laatstens op de datum van het begin van de eerste opleiding.
Art. 313. La convention accordant l'intervention prend cours, pour une période maximale de deux ans, au plus tÎt à la date à laquelle l'entreprise a adressé sa demande initiale à l'Office et, au plus tard, à celle du début de la premiÚre formation.
Art. 314. <INGEVOEGD bij BWG 1990-12-12/40, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 05-03-1991; zal niet meer van kracht zijn vanaf 31-12-1992> De in artikelen 289, 290 en 292 van onderhavig besluit voorziene vordering is toepasselijk op de aanvragen die door onderhavige onderafdeling geregeld worden.
Art. 314. La procĂ©dure prĂ©vue aux articles 289, 290 et 292 du prĂ©sent arrĂȘtĂ© est d'application pour les demandes rĂ©gies par la prĂ©sente sous-section.