Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
3 APRIL 1953. - WETSBEPALINGEN inzake de slijterijen van gegiste dranken, samengeordend op 3 april 1953. (NOTA 1 : de aanslagvoet wordt van de belastingen bedoeld in hoofdstuk III, bestaande uit de artikelen 8 tot en met 25ter, hoofdstuk IV, bestaande uit artikel 26, en hoofdstuk V, bestaande uit artikel 27, vastgesteld op nul euro in wat betreft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ; zie ORD 2002-01-10/45, art. 2 ; Inwerkingtreding : 01-01-2002) (NOTA 2 : de aanslagvoet wordt van de belastingen bedoeld in hoofdstuk III, bestaande uit de artikelen 8 tot en met 25ter, hoofdstuk IV, bestaande uit artikel 26, en hoofdstuk V, bestaande uit artikel 27, vastgesteld op nul euro in wat betreft het Waalse Gewest ; zie DWG2006-11-23/31, art. 1, Inwerkingtreding : 29-11-2006) (NOTA 3 : wet gewijzigd met uitwerking op een onbepaalde datum <W2007-04-25/38, art. 5-8, 010; Inwerkingtreding : onbepaald >) (NOTA 4 : in wat betreft de wijzigingen aangebracht bij DWG 2009-12-10/27 ; zie overgangsbepalingen : art. 103, lid 2 tot 5) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-05-2001 en tekstbijwerking tot 06-05-2016)
Titre
3 AVRIL 1953. - DISPOSITIONS LEGALES concernant les débits de boissons fermentées, coordonnées le 3 avril 1953. (NOTE 1 : le taux d'imposition des taxes prévues au chapitre III, comprenant les articles 8 à 25ter, au chapitre IV, comprenant l'article 26, et au chapitre V, comprenant l'article 27, est fixé à zéro euro pour la Région de Bruxelles-Capitale ; voir ORD 2002-01-10/45, art. 2 ; En vigueur : 01-01-2002) (NOTE 2 : le taux d'imposition des taxes prévues au chapitre III, comprenant les articles 8 à 25ter, au chapitre IV, comprenant l'article 26, et au chapitre V, comprenant l'article 27, est fixé à zéro euro pour la Région wallonne ; voir DRW2006-11-23/31, art. 1, En vigueur : 29-11-2006) (NOTE 3 : loi modifiée avec effet à une date indéterminée <L2007-04-25/38, art. 5 à 8, 010; En vigueur : indéterminée >) (NOTE 4: en ce qui concerne les modifications apportées par DRW2009-12-10/27; voir dispositions transitoires : art. 103, alinéas 2 à 5) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-05-2001 et mise à jour au 06-05-2016)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (70)
Texte (70)
HOOFDSTUK I. - Personen aan wie het recht om een drankslijterij te houden is ontzegd.
CHAPITRE I. - Personnes déchues du droit de tenir un débit de boissons.
Artikel 1. <W 06-07-1967, art. 1> (Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen, hetzij zelf,) hetzij door middel van een derde persoon, geen slijter van ter plaatse te verbruiken gegiste dranken zijn, in de betekenis van deze gecoördineerde wetten: <W 2005-07-20/32, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 07-08-2005>
  1° zij die niet ten volle hun openingsbelastingen of vijfjaarlijkse belastingen op de slijterijen van gegiste dranken, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deze gecoördineerde wetten, hebben betaald.
  Dit verval wordt opgeheven te rekenen van de betaling van die belastingen; een nieuwe openingsbelasting is verschuldigd voor de slijterijen die opnieuw worden geopend na ten minste één jaar sluiting;
  2° zij die tot een criminele straf zijn veroordeeld;
  3° zij die veroordeeld zijn wegens een van de misdrijven omschreven in de hoofdstukken IV, V, VI en VII, titel VII, Boek II van het Strafwetboek;
  4° zij die wegens heling zijn veroordeeld;
  5° zij die veroordeeld zijn hetzij wegens het houden van een speelhuis, hetzij wegens het onwettig aanvaarden van weddenschappen op paardenwedrennen, hetzij wegens het houden van een kantoor voor andere weddenschappen dan op paardenwedrennen;
  6° zij die driemaal veroordeeld zijn wegens het slijten van geestrijke dranken;
  7° zij die vallen onder artikel 4 van de wet van 10 juni 1947 betreffende accijnzen en douanen;
  8° zij die een huis van ontucht of een inrichting voor geheime prostitutie houden of hebben gehouden; het verval wordt opgehouden zodra het houden van zulk een huis of inrichting vastgesteld is door een vóór 24 september 1948 genomen beslissing van het college van burgemeester en schepenen, of door een rechterlijke beslissing;
  9° zij die hun sluiterij exploiteren in een gebouw waarin een plaatsingskantoor, een bevrachtingskantoor of een aanwervingskantoor is gevestigd, behalve wanneer dat kantoor slechts langs de openbare weg verbinding met de slijterij heeft;
  10° de onbekwamen, (...). <W 2001-04-29/39, art. 84, 002; Inwerkingtreding : 01-08-2001>
  Dit verbod geldt niet wanneer de slijterij feitelijk geëxploiteerd wordt door een vertegenwoordiger van de onbekwame.
Article 1. <L 06-07-1967, art. 1> (Sous réserve de l'article 634, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, ne peuvent être,) débitants de boissons fermentées à consommer sur place, au sens des présentes lois coordonnées, soit par eux-mêmes, soit par personnes interposée : <L 2005-07-20/32, art. 14, 008; En vigueur : 07-08-2005>
  1° ceux qui n'ont pas acquitté la totalité de leurs taxes d'ouverture ou taxes quinquennales sur les débits de boissons fermentées, établies conformément aux dispositions des présentes lois coordonnées.
  Cette déchéance est levée à partir du paiement de ces impositions, une nouvelle taxe d'ouverture étant due pour les débits rouverts après avoir été fermés pendant un an au moins;
  2° ceux qui ont été condamnés à une peine criminelle;
  3° ceux qui ont été condamnés pour une des infractions prévues aux chapitres IV, V, VI et VII du titre VII du livre II du Code pénal;
  4° ceux qui ont été condamnés pour recel;
  5° ceux qui ont été condamnés soit pour tenue d'une maison de jeux, soit pour acceptation illicite de paris sur courses de chevaux, soit pour tenue d'une agence de paris autres que sur courses de chevaux;
  6° ceux qui ont été condamnés trois fois pour avoir débité des boissons spiritueuses;
  7° ceux qui tombent sous le coup de l'article 4 de la loi du 10 juin 1947, concernant les accises et les douanes;
  8° ceux qui tiennent ou ont tenu une maison de débauche ou un établissement de prostitution clandestine; la déchéance est encourue dès que le fait de tenir une telle maison ou un tel établissement est établi par une décision du collège des bourgmestre et échevins prise avant le 24 septembre 1948 ou par une décision judiciaire;
  9° ceux qui exploitent leur débit dans un immeuble où est installé un bureau de placement, d'affrètement ou d'embauchage, sauf si ce bureau n'a d'autre voie d'accès au débit que la voie publique;
  10° les incapables, (...). <L 2001-04-29/39, art. 84, 002; En vigueur : 01-08-2001>
  Cette interdiction n'est pas applicable si le débit est en fait exploité par un représentant de la personne incapable.
Art.2. <W 06-07-1967, art. 2> § 1. (Onverminderd artikel 634, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, mogen op generlei wijze) aan de exploitatie van een slijterij van ter plaatse te verbruiken gegiste dranken deelnemen : <W 2005-07-20/32, art. 15, 008; Inwerkingtreding : 07-08-2005>
  1° als zaakvoerder of aangestelde, in de zin van deze gecoördineerde wetten, zij die zich bevinden in een van de gevallen bepaald in artikel 1, 1° tot 10°;
  2° in om 't even welke hoedanigheid, zij die zich bevinden in een van de gevallen bepaald in artikel 1, 2° tot 9°.
  Onder zaakvoerder of aangestelde wordt verstaan de persoon die een slijterij houdt waarvan de slijter lastgever is in de zin van artikel 21 of van artikel 22.
  § 2. Zolang iemand in strijd met § 1 aan de exploitatie van een slijterij van ter plaatse te verbruiken gegiste dranken deelneemt, is de slijter zelf vervallen van het recht om die slijterij te houden.
Art.2. <L 06-07-1967, art. 2> § 1. (Sous réserve de l'article 634, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle, ne peuvent participer,) d'une manière quelconque, à l'exploitation d'un débit de boissons fermentées à consommer sur place : <L 2005-07-20/32, art. 15, 008; En vigueur : 07-08-2005>
  1° à titre de gérants ou préposés, au sens des présentes lois coordonnées, ceux qui se trouvent dans l'un des cas prévus à l'article 1er, 1° à 10°;
  2° à tout autre titre, ceux qui se trouvent dans l'un des cas prévus à l'article 1er, 2° à 9°;
  On entend par gérant ou préposé, la personne qui tient un débit dont le débitant est commettant au sens de l'article 21 ou 22.
  § 2. Aussi longtemps que des personnes frappées d'exclusion en vertu du § 1er participent à l'exploitation d'un débit de boissons fermentées à consommer sur place, le débitant lui-même est déchu du droit de tenir ledit débit.
Art.3. <W 06-07-1967, art. 3> Rechtspersonen mogen geen slijter van ter plaatse te verbruiken gegiste dranken in de zin van deze gecoördineerde wetten zijn, noch aan de exploitatie van een slijterij van zodanige dranken deelnemen :
  1° wanneer zij zich bevinden in een van de gevallen bedoeld onder artikel 1, 1° en 9°;
  2° wanneer een van hun organen of van hun vertegenwoordigers die zich in een der onder artikel 1, 2° tot 10°, bedoelde gevallen bevindt, belast is met het vervullen van de in deze gecoördineerde wetten opgelegde wettelijke verplichtingen of op enige wijze bij de exploitatie van een slijterij van ter plaatse te verbruiken gegiste dranken betrokken is.
Art.3. <L 06-07-1967, art. 3> Les personnes morales ne peuvent être débitant de boissons fermentées à consommer sur place au sens des présentes lois coordonnées, ni participer à l'exploitation d'un débit de ces boissons :
  1° lorsqu'elles se trouvent dans l'un des cas prévus à l'article 1er, 1° et 9°;
  2° lorsqu'un de leurs organes ou de leurs représentants se trouvant dans l'un des cas prévus à l'article 1er, 2° à 10°, est chargé d'accomplir les obligations légales imposées par les présentes lois coordonnées ou intervient d'une manière quelconque dans l'exploitation d'un débit de boissons fermentées à consommer sur place.
Art.4. § 1. Het bepaalde in artikel 1, 2°, 3° en 8°, is op de vóór 14 december 1912 gevestigde slijters niet van toepassing wegens de veroordelingen welke vóór die datum tegen hen mochten uitgesproken zijn of wegens de inrichtingen welke zij vóór die datum gehouden hebben.
  § 2. Het bepaalde in artikel 1, 4° en 6°, is op de vóór 11 september 1919 gevestigde slijters niet van toepassing wegens de veroordelingen welke tegen hen zijn uitgesproken op grond van vóór die datum ingestelde vervolgingen.
  § 3. Het bepaalde in artikel 1, 5°, is op de veroordelingen vóór 1 januari 1925 uitgesproken wegens het houden van een speelhuis of van een kantoor voor weddenschappen niet van toepassing. Het is evenmin van toepassing op de vóór 2 april 1953 gevestigde slijters wegens de veroordelingen op grond van vóór die datum ingestelde vervolgingen voor het ongeoorloofde aanvaarden van weddenschappen op paardenwedrennen.
  § 4. Voorwaardelijke veroordeling wegens een der feiten opgesomd in artikel 1, 2° tot 5°, brengt het in de artikelen 1 en 2 bepaalde verbod slechts mede, wanneer zij definitief wordt ingevolge een nieuwe veroordeling, wegens misdaad of wanbedrijf, gedurende de proeftijd.
  § 5. Veroordelingen als bedoeld in artikel 1, 3° en 4°, brengen het in de artikelen 1 en 2 bepaalde verbod slechts mede wanneer de betrokkenen zijn veroordeeld tot een geldboete van meer dan (50 EUR) of tot een gevangenisstraf anders uitgesproken dan ten vervangende titel. <W 2002-06-26/47, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art.4. § 1. Les dispositions de l'article 1er, 2°, 3° et 8°, ne sont pas applicables aux débitants établis avant le 14 décembre 1912, à raison des condamnations qu'ils auraient encourues ou des établissements qu'ils auraient tenus antérieurement à cette date.
  § 2. Les dispositions de l'article 1er, 4° et 6° ne sont pas applicables aux débitants établis avant le 11 septembre 1919, à raison des condamnations qu'ils auraient encourues du chef de poursuites entamées avant cette même date.
  § 3. Les dispositions de l'article 1er, 5°, ne sont pas applicables aux condamnations prononcées antérieurement au 1er janvier 1925 pour tenue d'une maison de jeux ou d'une agence de paris. Elles ne sont pas non plus applicables aux débitants établis avant le 2 avril 1953, à raison des condamnations qu'ils auraient encourues du chef de poursuites entamées avant cette dernière date pour acceptation illicite de paris sur courses de chevaux.
  § 4. Les condamnations conditionnelles pour un des faits énumérés à l'article 1er, 2° à 5°, n'entraînent l'interdiction prévue aux articles 1er et 2, que si elles sont rendues définitives par une condamnation nouvelle pour crime ou délit encourue pendant le temps de l'épreuve.
  § 5. Les condamnations visées à l'article 1er, 3° et 4°, n'entraînent l'interdiction prévue aux articles 1er et 2, que si les intéressés ont été condamnés à une amende supérieure à (50 EUR) ou à une peine d'emprisonnement prononcée autrement qu'à titre subsidiaire. <L 2002-06-26/47, art. 5, 007; En vigueur : 01-01-2002>
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
HOOFDSTUK III. - Openingsbelasting op slijterijen van gegiste dranken.
CHAPITRE III. - Taxe d'ouverture des débits de boissons fermentées.
Art.8. Er wordt een openingsbelasting ingesteld op de slijterijen van gegiste dranken.
Art.8. Il est établi une taxe d'ouverture des débits de boissons fermentées.
Art.9. <W 06-07-1967, art. 5> § 1. De openingsbelasting is verschuldigd door iedere nieuwe slijter. Onverminderd artikel 15, is die belasting vastgesteld op driemaal de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde der lokalen dienende tot slijterij, met uitzondering van de lokalen of duidelijk afgescheiden delen van lokalen welke enkel dienen tot woning of tot andere doeleinden, zonder dat de belasting minder mag bedragen dan :
  3 000 frank in gehuchten, gemeenten of agglomeraties van niet meer dan 5 000 inwoners;
  4 000 frank in gemeenten of agglomeraties van meer dan 5 000 of 15 000 inwoners;
  5 000 frank in gemeenten of agglomeraties van meer dan 15 000 tot 30 000 inwoners;
  7 500 frank in gemeenten of agglomeraties van meer dan 30 000 tot 60 000 inwoners;
  10 000 frank in gemeenten of agglomeraties van meer dan 60 000 inwoners.
  § 2. Onder " lokalen dienende tot slijterij " verstaat men elke plaats, zelfs in de open lucht, waar een slijter gegiste dranken verkoopt, aanbiedt of laat gebruiken, alsmede de lokalen en de kelders waar die dranken worden opgeslagen.
  § 3. De belasting is eenvormig vastgesteld :
  1° op 5 000 frank voor de reizende slijterijen;
  2° op 200 frank per exploitatiedag voor de gelegenheidsslijterijen.
  De onder 2° bepaalde belasting dekt de exploitatie gedurende een onafgebroken tijdvak van 24 uren te rekenen van de opening van de slijterij. Zij is geheel verschuldigd voor iedere begonnen dag.
  (NOTA : Artikel 9 geldig voor de Vlaamse Gemeenschap :
  Art. 9. <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 06-07-1967, art. 5&gt;</span></span> § 1. De openingsbelasting is verschuldigd door iedere nieuwe slijter. Onverminderd artikel 15, is die belasting vastgesteld op driemaal de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde der lokalen dienende tot slijterij, met uitzondering van de lokalen of duidelijk afgescheiden delen van lokalen welke enkel dienen tot woning of tot andere doeleinden, zonder dat de belasting minder mag bedragen dan :
  (74,00 EUR)
in gehuchten, gemeenten of agglomeraties van niet meer dan 5 000 inwoners;
  (99,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 5 000 of 15 000 inwoners;
  (123,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 15 000 tot 30 000 inwoners;
  (185,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 30 000 tot 60 000 inwoners;
  (247,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 60 000 inwoners.
  § 2. Onder " lokalen dienende tot slijterij " verstaat men elke plaats, zelfs in de open lucht, waar een slijter gegiste dranken verkoopt, aanbiedt of laat gebruiken, alsmede de lokalen en de kelders waar die dranken worden opgeslagen.
  § 3. De belasting is eenvormig vastgesteld :
  1° op (123,00 EUR) voor de reizende slijterijen;
  2° op (4,90 EUR) per exploitatiedag voor de gelegenheidsslijterijen.
  De onder 2° bepaalde belasting dekt de exploitatie gedurende een onafgebroken tijdvak van 24 uren te rekenen van de opening van de slijterij. Zij is geheel verschuldigd voor iedere begonnen dag.)
  (NOTA : Artikel 9 geldig voor het Waals Gewest :
  Art. 9. W 06-07-1967, art. 5> § 1. De openingsbelasting is verschuldigd door iedere nieuwe slijter. Onverminderd artikel 15, is die belasting vastgesteld op driemaal de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde der lokalen dienende tot slijterij, met uitzondering van de lokalen of duidelijk afgescheiden delen van lokalen welke enkel dienen tot woning of tot andere doeleinden, zonder dat de belasting minder mag bedragen dan :
  (74,00 EUR)
in gehuchten, gemeenten of agglomeraties van niet meer dan 5 000 inwoners;
  (99,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 5 000 of 15 000 inwoners;
  (123,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 15 000 tot 30 000 inwoners;
  (185,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 30 000 tot 60 000 inwoners;
  (247,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 60 000 inwoners.
  § 2. Onder " lokalen dienende tot slijterij " verstaat men elke plaats, zelfs in de open lucht, waar een slijter gegiste dranken verkoopt, aanbiedt of laat gebruiken, alsmede de lokalen en de kelders waar die dranken worden opgeslagen.
  § 3. De belasting is eenvormig vastgesteld :
  1° op (123,00 EUR) voor de reizende slijterijen;
  2° op (4,90 EUR) per exploitatiedag voor de gelegenheidsslijterijen.
  De onder 2° bepaalde belasting dekt de exploitatie gedurende een onafgebroken tijdvak van 24 uren te rekenen van de opening van de slijterij. Zij is geheel verschuldigd voor iedere begonnen dag.)
  (NOTA : Artikel 9 geldig voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
  Art. 9. <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 06-07-1967, art. 5&gt;</span></span> § 1. De openingsbelasting is verschuldigd door iedere nieuwe slijter. Onverminderd artikel 15, is die belasting vastgesteld op driemaal de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde der lokalen dienende tot slijterij, met uitzondering van de lokalen of duidelijk afgescheiden delen van lokalen welke enkel dienen tot woning of tot andere doeleinden, zonder dat de belasting minder mag bedragen dan :
  (74,00 EUR)
in gehuchten, gemeenten of agglomeraties van niet meer dan 5 000 inwoners;
  (99,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 5 000 of 15 000 inwoners;
  (123,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 15 000 tot 30 000 inwoners;
  (185,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 30 000 tot 60 000 inwoners;
  (247,00 EUR) in gemeenten of agglomeraties van meer dan 60 000 inwoners.
  § 2. Onder " lokalen dienende tot slijterij " verstaat men elke plaats, zelfs in de open lucht, waar een slijter gegiste dranken verkoopt, aanbiedt of laat gebruiken, alsmede de lokalen en de kelders waar die dranken worden opgeslagen.
  § 3. De belasting is eenvormig vastgesteld :
  1° op (123,00 EUR) voor de reizende slijterijen;
  2° op (4,90 EUR) per exploitatiedag voor de gelegenheidsslijterijen.
  De onder 2° bepaalde belasting dekt de exploitatie gedurende een onafgebroken tijdvak van 24 uren te rekenen van de opening van de slijterij. Zij is geheel verschuldigd voor iedere begonnen dag.)
Art.9. <L 06-07-1967, art. 5> § 1. La taxe d'ouverture est due par tout nouveau débitant. Sans préjudice à l'article 15, elle est fixée à trois fois le montant de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, à l'exclusion des locaux ou parties de locaux nettement séparées servant uniquement à l'habitation ou à d'autres usages, sans que la taxe puisse être inférieure à :
  3 000 francs dans les hameaux, communes ou agglomérations n'ayant pas plus de 5 000 habitants;
  4 000 francs dans les communes ou agglomérations ayant plus de 5 000 jusqu'à 15 000 habitants;
  5 000 francs dans les communes ou agglomérations ayant plus de 15 000 jusqu'à 30 000 habitants;
  7 500 francs dans les communes ou agglomérations ayant plus de 30 000 jusqu'à 60 000 habitants;
  10 000 francs dans les communes ou agglomérations de plus de, 60 000 habitants.
  § 2. On entend par " locaux affectés au débit ", tout endroit, même s'il est situé en plein air, où un débitant vend, offre ou laisse consommer des boissons fermentées, ainsi que les locaux et les caves servant de lieu de dépôt de ces boissons.
  § 3. La taxe est fixée uniformément à :
  1° 5 000 francs pour les débits ambulants;
  2° 200 francs par journée d'exploitation pour les débits occasionnels.
  La taxe fixée au 2°, couvre l'exploitation pendant une période ininterrompue de vingt-quatre heures à compter de l'ouverture du débit. Elle est due en entier pour chaque journée commencée.
  (NOTE : Article 9 valable pour la Communauté flamande :
  Art. 9. <L 06-07-1967, art. 5> § 1. La taxe d'ouverture est due par tout nouveau débitant. Sans préjudice à l'article 15, elle est fixée à trois fois le montant de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, à l'exclusion des locaux ou parties de locaux nettement séparées servant uniquement à l'habitation ou à d'autres usages, sans que la taxe puisse être inférieure à :
  (74,00 EUR) dans les hameaux, communes ou agglomérations n'ayant pas plus de 5 000 habitants;
  (99,00 EUR) dans les communes ou agglomérations ayant plus de 5 000 jusqu'à 15 000 habitants;
  (123,00 EUR) dans les communes ou agglomérations ayant plus de 15 000 jusqu'à 30 000 habitants;
  (185,00 EUR) dans les communes ou agglomérations ayant plus de 30 000 jusqu'à 60 000 habitants;
  (247,00 EUR) dans les communes ou agglomérations de plus de, 60 000 habitants.
  § 2. On entend par " locaux affectés au débit ", tout endroit, même s'il est situé en plein air, où un débitant vend, offre ou laisse consommer des boissons fermentées, ainsi que les locaux et les caves servant de lieu de dépôt de ces boissons.
  § 3. La taxe est fixée uniformément à :
  1° (123,00 EUR) pour les débits ambulants;
  2° (4,90 EUR) par journée d'exploitation pour les débits occasionnels.
  La taxe fixée au 2°, couvre l'exploitation pendant une période ininterrompue de vingt-quatre heures à compter de l'ouverture du débit. Elle est due en entier pour chaque journée commencée.)
  (NOTE : Article 9 valable pour la Région wallonne :
  Art. 9. L 06-07-1967, art. 5> § 1. La taxe d'ouverture est due par tout nouveau débitant. Sans préjudice à l'article 15, elle est fixée à trois fois le montant de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, à l'exclusion des locaux ou parties de locaux nettement séparées servant uniquement à l'habitation ou à d'autres usages, sans que la taxe puisse être inférieure à :
  (74,00 EUR) dans les hameaux, communes ou agglomérations n'ayant pas plus de 5 000 habitants;
  (99,00 EUR) dans les communes ou agglomérations ayant plus de 5 000 jusqu'à 15 000 habitants;
  (123,00 EUR) dans les communes ou agglomérations ayant plus de 15 000 jusqu'à 30 000 habitants;
  (185,00 EUR) dans les communes ou agglomérations ayant plus de 30 000 jusqu'à 60 000 habitants;
  (247,00 EUR) dans les communes ou agglomérations de plus de, 60 000 habitants.
  § 2. On entend par " locaux affectés au débit ", tout endroit, même s'il est situé en plein air, où un débitant vend, offre ou laisse consommer des boissons fermentées, ainsi que les locaux et les caves servant de lieu de dépôt de ces boissons.
  § 3. La taxe est fixée uniformément à :
  1° (123,00 EUR) pour les débits ambulants;
  2° (4,90 EUR) par journée d'exploitation pour les débits occasionnels.
  La taxe fixée au 2°, couvre l'exploitation pendant une période ininterrompue de vingt-quatre heures à compter de l'ouverture du débit. Elle est due en entier pour chaque journée commencée.)
  (NOTE : Article 9 valable pour la Région de Bruxelles-Capitale :
  Art. 9. <L 06-07-1967, art. 5> § 1. La taxe d'ouverture est due par tout nouveau débitant. Sans préjudice à l'article 15, elle est fixée à trois fois le montant de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, à l'exclusion des locaux ou parties de locaux nettement séparées servant uniquement à l'habitation ou à d'autres usages, sans que la taxe puisse être inférieure à :
  (74,00 EUR) dans les hameaux, communes ou agglomérations n'ayant pas plus de 5 000 habitants;
  (99,00 EUR) dans les communes ou agglomérations ayant plus de 5 000 jusqu'à 15 000 habitants;
  (123,00 EUR) dans les communes ou agglomérations ayant plus de 15 000 jusqu'à 30 000 habitants;
  (185,00 EUR) dans les communes ou agglomérations ayant plus de 30 000 jusqu'à 60 000 habitants;
  (247,00 EUR) dans les communes ou agglomérations de plus de, 60 000 habitants.
  § 2. On entend par " locaux affectés au débit ", tout endroit, même s'il est situé en plein air, où un débitant vend, offre ou laisse consommer des boissons fermentées, ainsi que les locaux et les caves servant de lieu de dépôt de ces boissons.
  § 3. La taxe est fixée uniformément à :
  1° (123,00 EUR) pour les débits ambulants;
  2° (4,90 EUR) par journée d'exploitation pour les débits occasionnels.
  La taxe fixée au 2°, couvre l'exploitation pendant une période ininterrompue de vingt-quatre heures à compter de l'ouverture du débit. Elle est due en entier pour chaque journée commencée.)
Art.10. De werkelijke huurwaarde blijkt uit huurovereenkomsten, huurkwijtingen of andere oprecht en normaal bevonden bescheiden.
Art.10. La valeur locative réelle est celle qui résulte de baux, quittances de loyer ou autres documents reconnus sincères et normaux.
Art. 11. Onder vermoede huurwaarde is te verstaan de mogelijke huuropbrengst - huurprijs en andere voordelen - van de niet verhuurde, dan wel op abnormale wijze verhuurde slijterijen, zomede van de slijterijen waarvan de lokalen slechts een gedeelte uitmaken van het door de slijter in huur genomen onroerend goed.
  (De vermoede huurwaarde van de tot slijterij dienende lokalen wordt vastgesteld bij vergelijking met de werkelijke huurwaarde van andere slijterijen met gelijkaardige ligging en huuropbrengst of door ventilatie van de werkelijke huurwaarde van het door de slijter in huur genomen onroerend goed of gedeelte daarvan. Die vermoede huurwaarde wordt bepaald door de [2 adviseur]2 over het gebied, die vooraf het advies inwint van een door het gemeentebestuur aangewezen deskundige.) <W 06-07-1967, art. 6>
Art. 11. Par valeur locative présumée, il faut entendre le rendement locatif possible - loyer et autres avantages - des débits non loués ou loués anormalement, ainsi que des débits dont les locaux ne constituent qu'une partie seulement de l'immeuble pris en location par le débitant.
  (La valeur locative présumée des locaux affectés au débit est établie par comparaison avec la valeur locative réelle d'autres débits de situation et de rendement locatif analogues ou par ventilation de la valeur locative réelle de l'immeuble ou de la partie d'immeuble pris en location par le débitant. Cette valeur locative présumée est fixée par le [2 conseiller]2 du ressort qui consulte, au préalable, un indicateur-expert désigné par l'administration communale.) <L 06-07-1967, art. 6>
Art. 11. (Waals gewest)
   Onder vermoede huurwaarde is te verstaan de mogelijke huuropbrengst - huurprijs en andere voordelen - van de niet verhuurde, dan wel op abnormale wijze verhuurde slijterijen, zomede van de slijterijen waarvan de lokalen slechts een gedeelte uitmaken van het door de slijter in huur genomen onroerend goed.
  (De vermoede huurwaarde van de tot slijterij dienende lokalen wordt vastgesteld bij vergelijking met de werkelijke huurwaarde van andere slijterijen met gelijkaardige ligging en huuropbrengst of door ventilatie van de werkelijke huurwaarde van het door de slijter in huur genomen onroerend goed of gedeelte daarvan. Die vermoede huurwaarde wordt bepaald door [1 de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar]1, die vooraf het advies inwint van een door het gemeentebestuur aangewezen deskundige.) <W 06-07-1967, art. 6>
  
Art. 11. (Région wallonne)
   Par valeur locative présumée, il faut entendre le rendement locatif possible - loyer et autres avantages - des débits non loués ou loués anormalement, ainsi que des débits dont les locaux ne constituent qu'une partie seulement de l'immeuble pris en location par le débitant.
  (La valeur locative présumée des locaux affectés au débit est établie par comparaison avec la valeur locative réelle d'autres débits de situation et de rendement locatif analogues ou par ventilation de la valeur locative réelle de l'immeuble ou de la partie d'immeuble pris en location par le débitant. Cette valeur locative présumée est fixée par [1 le fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon]1 qui consulte, au préalable, un indicateur-expert désigné par l'administration communale.) <L 06-07-1967, art. 6>
  
Art.12. Voor de toepassing van artikel 9 komt in aanmerking het bevolkingscijfer volgens de jongste tienjaarlijkse volkstelling, bekendgemaakt vóór het jaar waarin de belasting opvorderbaar is.
Art.12. La population à considérer pour l'application de l'article 9 est celle constatée par le dernier recensement décennal publié avant l'année d'exigibilité de la taxe.
Art.13. De Koning bepaalt welke gemeenten of gedeelten van gemeenten een agglomeratie uitmaken voor de toepassing van artikel 9.
Art.13. Le Roi détermine les communes ou parties de communes qui constituent une agglomération pour l'application de l'article 9.
Art.14. De Minister van Financiën bepaalt de gehuchten waar de belasting van 3 000 frank toepasselijk is.
  (NOTA : Artikel 14 geldig voor de Vlaamse Gemeenschap :
  Art. 14. De Minister van Financiën bepaalt de gehuchten waar de belasting van (74,00 EUR)
toepasselijk is. )
  (NOTA : Artikel 14 geldig voor het Waals Gewest :
  Art. 14. De Minister van Financiën bepaalt de gehuchten waar de belasting van (74,00 EUR)
toepasselijk is. )
  (NOTA : Artikel 14 geldig voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
  Art. 14. De Minister van Financiën bepaalt de gehuchten waar de belasting van (74,00 EUR)
toepasselijk is. )
Art.14. Le Ministre des Finances désigne les hameaux où la taxe de 3 000 francs est applicable.
  (NOTE : Article 14 valable pour la Communauté flamande :
  Art. 14. Le Ministre des Finances désigne les hameaux où la taxe de (74,00 EUR) est applicable. )
  (NOTE : Article 14 valable pour la Région wallonne :
  Art. 14. Le Ministre des Finances désigne les hameaux où la taxe de (74,00 EUR) est applicable. )
  (NOTE : Article 14 valable pour la Région de Bruxelles-Capitale :
  Art. 14. Le Ministre des Finances désigne les hameaux où la taxe de (74,00 EUR) est applicable. )
Art.15. <W 06-07-1967, art. 7> De in artikel 9, § 1, bedoelde belasting wordt verminderd tot het derde, zo de nieuwe slijter onder de toepassing valt van artikel 19, 2° of 3°, en zo de laatste exploitant van de bestaande slijterij die hij overneemt, er schriftelijk van afziet aanspraak te maken op het bepaalde in artikel 20, § 1, 4°, dan wel overleden is.
Art.15. <L 06-07-1967, art. 7> La taxe visée à l'article 9, § 1er, est réduite au tiers lorsque le nouveau débitant tombe sous l'application de l'article 19, 2° ou 3° et que le dernier exploitant du débit existant qu'il reprend déclare, par écrit, renoncer à ce prévaloir des dispositions de l'article 20, § 1er, 4°, ou est décédé.
Art. 16. <W 06-07-1967, art. 8> § 1. Een aanvullende belasting is verschuldigd in geval van vergroting van de tot slijterij dienende lokalen.
  § 2. Onder " vergroting " verstaat men elke verandering - daaronder begrepen het toevoegen van nieuwe lokalen zoals deze zijn gedefinieerd in artikel 9, § 2 - die van aard is de totale tot slijterij dienende oppervlakte te vergroten.
  § 3. De bijslag wordt berekend op de verhoging van jaarlijkse huurwaarde voortvloeiende uit de vergroting; die verhoging wordt door de [2 adviseur]2 bepaald volgens de regels van artikel 11.
  Geen bijslag is nochtans verschuldigd indien de jaarlijkse huurwaarde van de lokalen, rekening houdende met de in het eerste lid bedoelde verhoging, nog lager is dan het derde van de minimumbelasting in de beschouwde gemeente.
  § 4. Voor de slijterijen die niet vallen onder de bij artikel 26 ingestelde vijfjaarlijkse belasting, bedraagt de bijslag driemaal de verhoging van de jaarlijkse huurwaarde.
  § 5. Voor de slijterijen onderworpen aan de bij artikel 26 ingestelde vijfjaarlijkse belasting, wordt de bijslag berekend :
  1° wanneer de vergroting plaats vindt gedurende het tijdvak van vijftien jaar dat door de openingsbelasting is gedekt : zoals in § 4, doch naar rata van het aantal volle maanden tussen de datum van de vergroting en de datum waarop het tijdvak van vijftien jaar verstrijkt;
  2° wanneer de vergroting plaats vindt na het onder 1° bedoelde tijdvak : op de helft van de verhoging der jaarlijkse huurwaarde en naar rata van het aantal volle maanden tussen de datum van de vergroting en de vervaldag van de eerstvolgende vijfjaarlijkse belasting.
Art. 16. <L 06-07-1967, art. 8> § 1. Un supplément de taxe est dû en cas d'agrandissement des locaux affectés au débit.
  § 2. Par " agrandissement " il y a lieu d'entendre toute modification - y compris l'adjonction de nouveaux locaux, tels qu'ils sont définis à l'article 9, § 2 - de nature à augmenter la superficie totale affectée au débit.
  § 3. Le supplément est calculé en fonction de la majoration de valeur locative annuelle résultant de l'agrandissement, cette majoration étant fixée par le [2 conseiller]2 conformément aux règles indiquées à l'article 11.
  Toutefois, aucun supplément n'est dû si, compte tenu de la majoration visée à l'alinéa 1er, la valeur locative annuelle des locaux est encore inférieure au tiers du minimum de la taxe dans la commune considérée.
  § 4. Pour les débits ne tombant pas sous l'application de la taxe quinquennale instaurée par l'article 26, le supplément s'élève à trois fois la majoration de valeur locative annuelle.
  § 5. Pour les débits donnant lieu à la perception de la taxe quinquennale instaurée par l'article 26, le supplément est calculé :
  1° lorsque l'agrandissement se situe au cours de la période de quinze ans couverte par la taxe d'ouverture, de la manière prévue au § 4, mais au prorata du nombre de mois entiers restant à courir entre le moment de l'agrandissement et celui où la période de quinze ans viendra à expiration;
  2° lorsque l'agrandissement se situe après la période visée au 1°, à raison de la moitié de la majoration de valeur locative annuelle et au prorata du nombre de mois entiers restant à courir entre le moment de l'agrandissement et celui où sera due la prochaine taxe quinquennale.
Art. 16. (Waals gewest)
  <W 06-07-1967, art. 8> § 1. Een aanvullende belasting is verschuldigd in geval van vergroting van de tot slijterij dienende lokalen.
  § 2. Onder " vergroting " verstaat men elke verandering - daaronder begrepen het toevoegen van nieuwe lokalen zoals deze zijn gedefinieerd in artikel 9, § 2 - die van aard is de totale tot slijterij dienende oppervlakte te vergroten.
  § 3. De bijslag wordt berekend op de verhoging van jaarlijkse huurwaarde voortvloeiende uit de vergroting; die verhoging wordt door [1 de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar]1 bepaald volgens de regels van artikel 11.
  Geen bijslag is nochtans verschuldigd indien de jaarlijkse huurwaarde van de lokalen, rekening houdende met de in het eerste lid bedoelde verhoging, nog lager is dan het derde van de minimumbelasting in de beschouwde gemeente.
  § 4. Voor de slijterijen die niet vallen onder de bij artikel 26 ingestelde vijfjaarlijkse belasting, bedraagt de bijslag driemaal de verhoging van de jaarlijkse huurwaarde.
  § 5. Voor de slijterijen onderworpen aan de bij artikel 26 ingestelde vijfjaarlijkse belasting, wordt de bijslag berekend :
  1° wanneer de vergroting plaats vindt gedurende het tijdvak van vijftien jaar dat door de openingsbelasting is gedekt : zoals in § 4, doch naar rata van het aantal volle maanden tussen de datum van de vergroting en de datum waarop het tijdvak van vijftien jaar verstrijkt;
  2° wanneer de vergroting plaats vindt na het onder 1° bedoelde tijdvak : op de helft van de verhoging der jaarlijkse huurwaarde en naar rata van het aantal volle maanden tussen de datum van de vergroting en de vervaldag van de eerstvolgende vijfjaarlijkse belasting.
  
Art. 16. (Région wallonne)
   <L 06-07-1967, art. 8> § 1. Un supplément de taxe est dû en cas d'agrandissement des locaux affectés au débit.
  § 2. Par " agrandissement " il y a lieu d'entendre toute modification - y compris l'adjonction de nouveaux locaux, tels qu'ils sont définis à l'article 9, § 2 - de nature à augmenter la superficie totale affectée au débit.
  § 3. Le supplément est calculé en fonction de la majoration de valeur locative annuelle résultant de l'agrandissement, cette majoration étant fixée par [1 le fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon]1 conformément aux règles indiquées à l'article 11.
  Toutefois, aucun supplément n'est dû si, compte tenu de la majoration visée à l'alinéa 1er, la valeur locative annuelle des locaux est encore inférieure au tiers du minimum de la taxe dans la commune considérée.
  § 4. Pour les débits ne tombant pas sous l'application de la taxe quinquennale instaurée par l'article 26, le supplément s'élève à trois fois la majoration de valeur locative annuelle.
  § 5. Pour les débits donnant lieu à la perception de la taxe quinquennale instaurée par l'article 26, le supplément est calculé :
  1° lorsque l'agrandissement se situe au cours de la période de quinze ans couverte par la taxe d'ouverture, de la manière prévue au § 4, mais au prorata du nombre de mois entiers restant à courir entre le moment de l'agrandissement et celui où la période de quinze ans viendra à expiration;
  2° lorsque l'agrandissement se situe après la période visée au 1°, à raison de la moitié de la majoration de valeur locative annuelle et au prorata du nombre de mois entiers restant à courir entre le moment de l'agrandissement et celui où sera due la prochaine taxe quinquennale.
  
Art.17. <W 06-07-1967, art. 9> § 1. Als slijter wordt aangemerkt, al wie - al ware het slechts éénmaal - gegiste dranken verkoopt om ter plaatse te worden gebruikt.
  Met het verkopen wordt gelijkgesteld het aanbieden of het laten gebruiken van dergelijke dranken in een voor het publiek toegankelijke plaats. Met het voor het publiek toegankelijke plaatsen worden gelijkgesteld de lokalen waar de leden van een vereniging of groepering, uitsluitend of hoofdzakelijk, bijeenkomen om sterke of gegiste dranken te gebruiken of om aan hazardspel te doen.
  § 2. Als drankslijterijen worden echter niet aangemerkt :
  1° hotels, kosthuizen, restaurants en andere soortgelijke inrichtingen mits er geen gegiste dranken worden geschonken zonder maaltijd;
  2° eigenlijke private kringen, dat wil zeggen die waarvan de toegang gereglementeerd is en welke niet uitsluitend of hoofdzakelijk opgericht zijn noch bezocht worden om sterke of gegiste dranken te gebruiken of om aan hazardspel te doen;
  3° kosthuizen die uitsluitend toegankelijk zijn voor de kostgangers;
  4° messes en kantines van het leger, van de rijkswacht en van andere openbare diensten, alsmede van onderwijsinrichtingen;
  5° kantines en refters van fabrieken, werkhuizen, banken en andere inrichtingen, voor zover die kantines en refters alleen toegankelijk zijn voor personeelsleden, zulks tijdens de uren dat het werk mag worden onderbroken;
  6° jeugdherbergen en jeugdtehuizen die uitsluitend toegankelijk zijn voor de aangeslotenen.
  Voor de toepassing van 1° worden onder maaltijd verstaan warme of koude schotels, al dan niet belegde broodjes en boterhammen, met uitsluiting van gebak, koekjes en stukjes kaas of vleeswaren die eventueel met gegiste dranken worden opgediend.
Art.17. <L 06-07-1967, art. 9> § 1. Est considéré comme débitant, quiconque vend, ne fût-ce qu'une fois, des boissons fermentées à consommer sur place.
  Est assimilé au fait de vendre, le fait d'offrir ou de laisser consommer semblables boissons dans un endroit accessible au public. Sont assimilés aux endroits accessibles au public, les locaux où les membres d'une association ou d'un groupement se réunissent uniquement ou principalement, en vue de consommer des boissons spiritueuses ou fermentées ou de se livrer à des jeux de hasard.
  § 2. Toutefois, ne sont pas considérés comme débits de boissons :
  1° les hôtels, les maisons de pension, les restaurants et autres établissements analogues, pour autant que des boissons fermentées n'y soient pas servies sans repas;
  2° les cercles privés proprement dits, c'est-à-dire ceux dont l'accès est réglementé et qui ne sont ni constitués ni fréquentés uniquement ou principalement en vue de consommer des boissons spiritueuses ou fermentées ou de se livrer à des jeux de hasard;
  3° les maisons de pension exclusivement accessibles aux seuls pensionnaires;
  4° les mess et cantines de l'armée, de la gendarmerie et des autres services publics, ainsi que des établissements d'enseignement;
  5° les cantines et les restaurants d'usines, d'ateliers, de banques et d'autres établissements, pour autant que ces cantines et restaurants ne soient accessibles qu'aux seuls membres du personnel pendant les heures où celui-ci peut interrompre son travail;
  6° les auberges de jeunesse et les maisons de jeunes dont l'accès est réservé aux seuls affiliés.
  On entend par repas, pour l'application du 1°, les plats chauds ou froids, les sandwiches, petits pains et tartines, à l'exclusion des pâtisseries, des biscuits et des morceaux de fromage ou de charcuterie servis éventuellement avec des boissons fermentées.
Art.18. <W 06-07-1967, art. 10> § 1. Onder reizende slijterijen verstaat men die welke gehouden worden in boten, schepen, spoorwagens of andere voertuigen, in kermiskramen, loodsen, tenten of andere inrichtingen welke doorgaans van de ene naar de andere plaats worden overgebracht.
  De voor reizende slijterijen bepaalde belasting wordt geheven op automaten voor gegiste dranken, tenzij die toestellen voor rekening van een regelmatig gevestigde slijter van gegiste dranken worden geëxploiteerd in een lokaal dat voor het slijten van die dranken is aangegeven.
  § 2. Onder gelegenheidsslijterijen verstaat men de vooraf als dusdanig aangegeven slijterijen die, bij enige gelegenheid van voorbijgaande aard, ten hoogste tienmaal per jaar en telkens voor niet langer dan vijftien opeenvolgende dagen worden gehouden door één van de bij artikel 22 bedoelde kringen, maatschappijen of particuliere verenigingen die zich daarvoor niet kunnen beroepen op de betaling van de bij artikel 9, § 1, of § 3, 1°, vastgestelde openingsbelasting.
  De slijterijen gehouden op tentoonstellingen en op jaarbeurzen gelden eveneens als gelegenheidsslijterijen. Zij mogen echter door om 't even wie worden geëxploiteerd en wel zolang de tentoonstelling of de jaarbeurs duurt.
Art.18. <L 06-07-1967, art. 10> § 1. On entend par débits ambulants ceux qui sont tenus dans des barques, bateaux, voitures de chemin de fer ou autres, dans les loges foraines, échoppes, tentes ou autres installations transportées habituellement de localité en localité.
  Sont soumis à la taxe fixée pour les débits ambulants, les appareils à sous qui distribuent automatiquement des boissons fermentées, à moins que ces appareils ne soient exploités, pour le compte d'un débitant de boissons fermentées régulièrement établi, dans un local déclaré comme étant affecté au débit de boissons de l'espèce.
  § 2. On entend par débits occasionnels ceux qui sont préalablement déclarés comme tels et qui, à l'occasion d'événements passagers de toute nature, sont tenus au maximum dix fois par an - chaque fois pendant une période ne dépassant pas quinze jours consécutifs - par un des cercles, sociétés ou associations particulières visés à l'article 22 ne pouvant justifier, pour l'exploitation de ces débits, du paiement de la taxe d'ouverture fixée par l'article 9, § 1er ou § 3, 1°.
  Les débits tenus dans les expositions et les foires commerciales sont également réputés occasionnels. Toutefois, ces débits peuvent être exploités par toute personne et pendant toute la durée de la foire ou de l'exposition.
Art.19. <W 06-07-1967, art. 11> Als nieuwe slijter wordt aangemerkt :
  1° hij die de exploitatie van een slijterij begint elders dan in een bestaande slijterij, behoudens de gevallen bedoeld in artikel 20, § 1, 4°, b en c.
  2° hij die, zonder aanspraak te kunnen maken op het bepaalde in artikel 20, § 1, een bestaande slijterij overneemt;
  3° hij wiens slijterij met vrijstelling van de openingsbelasting is voortgezet in één van de gevallen bedoeld bij artikel 20, § 1, 1° tot 3°, en die een andere bestaande slijterij overneemt.
  Onder bestaande slijterij wordt verstaan een regelmatig aangegeven slijterij die in bedrijf is of waarvan de lokalen sedert minder dan één jaar gesloten zijn zonder een andere bestemming te hebben gekregen en zonder naar elders te zijn overgebracht onder de voorwaarden van artikel 20, § 1, 4°, b of c.
Art.19. <L 06-07-1967, art. 11> Est considéré comme nouveau débitant :
  1° celui qui commence l'exploitation d'un débit ailleurs que dans un débit existant sauf les cas visés à l'article 20, § 1er, 4° b et c;
  2° celui qui, ne pouvant se prévaloir des dispositions de l'article 20, § 1er, reprend un débit existant;
  3° celui dont le débit est continué en exemption de la taxe d'ouverture dans l'un des cas prévus à l'article 20, § 1er, 1° à 3°, et qui reprend un autre débit existant.
  On entend par débit existant, le débit régulièrement déclaré qui est en exploitation ou dont les locaux sont fermés depuis moins d'un an sans avoir reçu une autre destination et sans avoir fait l'objet d'un transfert dans les conditions prévues à l'article 20, § 1er, 4°, b ou c.
Art. 20. <W 06-07-1967, art. 12> § 1. Als nieuwe slijter wordt niet aangemerkt :
  1° hij die in hetzelfde lokaal de slijterij, gehouden door zijn echtgenoot, voortzet;
  2° hij die in hetzelfde lokaal de slijterij, gehouden hetzij door zijn vader, zijn moeder of een andere bloedverwant in de opgaande linie, hetzij door zijn bloedverwant in de nederdalende linie, voorzet;
  3° hij die deel uitmaakte van een feitelijke vennootschap, ten bate waarvan de slijterij werd gehouden, en die slijterij in hetzelfde lokaal voor eigen rekening voortzet;
  4° met inachtneming van het bepaalde in de §§ 2 en 3, hij die slijter zijnde of sedert minder dan één jaar opgehouden hebbende het te zijn, zijn slijterij overbrengt :
  a) naar een lokaal dat is aan te merken als bestaande slijterij in de zin van artikel 19, tweede lid;
  b) naar een lokaal dat niet is aan te merken als bestaande slijterij in de zin van artikel 19, tweede lid, indien dat lokaal tot slijterij wordt bestemd door de eigenaar, de erfpachter of de vruchtgebruiker van het onroerend goed waarin een afgeschafte slijterij gevestigd was, voor zover de opening geschiedt binnen één jaar na het ophouden van die slijterij;
  c) naar een lokaal dat niet is aan te merken als bestaande slijterij in de zin van artikel 19, tweede lid, indien hij een slijterij verlaat die gevestigd was in een ten algemenen nutte verworven of onteigend onroerend goed, waarvan hij niet de eigenaar, de erfpachter of de vruchtgebruiker was;
  5° hij aan wie een brouwer of een drankhandelaar zijn brouwerij of zijn handelsfonds met de daarvan afhangende slijterijen afstaat, of de vennootschap waarin een brouwerij of het handelsfonds van een drankhandelaar met de daarvan afhangende slijterijen worden ingebracht.
  § 2. Wanneer, in de gevallen van § 1, 4°, de openingsbelasting in verband met de slijterij die overgenomen of geopend wordt ter vervanging van de overgebrachte slijterij, meer bedraagt dan de openingsbelasting in verband met laatstbedoelde slijterij, is een aanvullende openingsbelasting verschuldigd ten belope van het verschil.
  In het bij artikel 26, § 3, 2°, bedoelde geval wordt de bijslag evenwel berekend :
  1° wanneer de heropening plaats vindt gedurende het tijdvak van vijftien jaar dat door de openingsbelasting is gedekt : zoals in het eerste lid, doch naar rata van het aantal volle maanden tussen de datum van de heropening en de datum waarop het tijdvak van vijftien jaar verstrijkt;
  2° wanneer de heropening plaats vindt na het onder 1° bedoelde tijdvak : op een zesde van het verschil tussen de openingsbelasting van de overgenomen slijterij en die van de overgebrachte slijterij, doch naar rata van het aantal volle maanden tussen de datum van de heropening en de vervaldag van de eerstvolgende vijfjaarlijkse belasting.
  De in lid 1 bedoelde aanvullende belasting, geheven in een geval van toepassing van § 1, 4°, a, evenals de in lid 2, 1°, bedoelde bijslag worden verminderd tot het derde zo de laatste exploitant van de overgenomen slijterij er schriftelijk van afziet zelf aanspraak te maken op § 1, 4°, dan wel overleden is.
  § 3. Voor het vaststellen van het verschil van openingsbelasting dat aanleiding geeft tot de heffing van de bij § 2 bedoelde bijslag, wordt rekening gehouden :
  1° voor de gesloten, afgeschafte of onteigende slijterij en voor de overgenomen slijterij in het geval van § 1, 4°, a : of wel met de huurwaarde - met inbegrip van de verhoging voortvloeiende uit een eventuele vergroting - die het laatst gediend heeft voor de heffing van de openingsbelasting of van de vijfjaarlijkse belasting ingesteld bij artikel 26, of wel met de minimumbelasting die toepasselijk is overeenkomstig artikel 9, § 1;
  2° voor het lokaal geopend in de gevallen van § 1, 4°, b en c : of wel met de huurwaarde bepaald door de [2 adviseur]2 overeenkomstig artikel 11, of wel met de minimumbelasting die toepasselijk is overeenkomstig artikel 9, § 1.
  § 4. Wanneer een slijter, die zich bevindt in de voorwaarden van § 1, 4°, b of c, ingevolge omstandigheden buiten zijn wil, zijn slijterij niet heeft kunnen overbrengen binnen de termijn van één jaar te rekenen van de datum waarop de exploitatie werd gestaakt, kan de [2 administrateur-generaal van de douane en accijnzen]2 toestaan dat die termijn voor de hoogstnodige tijd wordt verlengd.
Art. 20. <L 06-07-1967, art. 12> § 1. N'est pas considéré comme nouveau débitant :
  1° celui qui continue, dans le même local, le débit tenu par son conjoint;
  2° celui qui continue, dans le même local, le débit tenu soit par son père, sa mère ou autre ascendant, soit par son descendant;
  3° celui qui, ayant fait partie d'une société de fait, au profit de laquelle le débit était exploité, continue ce débit, dans le même local pour son compte personnel;
  4° sous réserve des dispositions des §§ 2 et 3, celui qui, étant débitant ou ayant cessé de l'être depuis moins d'un an, transporte son débit :
  a) dans un local qui est à considérer comme débit existant au sens de l'article 19, alinéa 2;
  b) dans un local qui n'est pas à considérer comme débit existant au sens de l'article 19, alinéa 2, si ce local est affecté à usage de débit par le propriétaire, l'emphytéote ou l'usufruitier de l'immeuble ou était installé un débit supprimé, pour autant que l'ouverture se fasse dans l'année de cette suppression;
  c) dans un local qui n'est pas à considérer comme débit existant au sens de l'article 19, alinéa 2, s'il quitte un débit installé dans un immeuble acquis ou exproprié pour cause d'utilité publique et dont il n'est pas propriétaire, emphytéote ou usufruitier;
  5° celui auquel un brasseur ou un marchand de boissons cède sa brasserie ou son fonds de commerce avec les débits qui en dépendent, ou la société à laquelle il est fait apport d'une brasserie ou du fonds de commerce d'un marchand de boissons avec les débits qui en dépendent.
  § 2. Lorsque dans les cas visés au § 1er, 4° la taxe d'ouverture afférente au débit repris ou ouvert en remplacement du débit qu'on y transporte est supérieure à celle afférente à ce dernier débit, un supplément de taxe d'ouverture égal au montant de la taxe différence entre ces deux taxes est exigible.
  Toutefois, dans l'éventualité prévue à l'article 26, § 3, 2°, le supplément est calculé :
  1° lorsque la réouverture se situe au cours de la période de quinze ans couverte par la taxe d'ouverture : de la manière prévue au premier alinéa, mais au prorata du nombre de mois entiers restant à courir entre le moment de cette réouverture et celui où la période de quinze ans viendra à expiration;
  2° lorsque la réouverture se situe après la période visée au 1° : à raison d'un sixième de la différence entre la taxe d'ouverture du débit repris et celle afférente au débit transporté, mais au prorata du nombre de mois entiers restant à courir entre le moment de cette réouverture et celui ou sera due la prochaine taxe quinquennale.
  Le supplément visé à l'alinéa 1er lorsqu'il s'agit d'un cas d'application du § 1er, 4°, a de même que le supplément visé à l'alinéa 2, 1°, sont réduits au tiers si le dernier exploitant du débit repris déclare, par écrit, renoncer à se prévaloir du § 1er, 4°, ou est décédé.
  § 3. Pour établir la différence de taxe d'ouverture donnant lieu à la perception du supplément visé au § 2, il est tenu compte :
  1° en ce qui concerne le débit fermé, supprimé ou exproprié et le débit repris dans le cas du § 1er, 4°, a : soit de la valeur locative - y compris la majoration résultant d'un agrandissement éventuel - qui en dernier lieu, a servi de base à la perception de la taxe d'ouverture ou de la taxe quinquennale instaurée par l'article 26, soit du minimum de la taxe d'ouverture applicable en vertu de l'article 9, § 1er;
  2° en ce qui concerne le local ouvert dans les cas du § 1er, 4°, b et c : soit de la valeur locative fixée par le [2 conseiller]2 conformément à l'article 11, soit du minimum de la taxe d'ouverture applicable en vertu de l'article 9, § 1er.
  § 4. Dans l'éventualité où, à la suite de circonstances indépendantes de la volonté de l'intéressé, un débitant se trouvant dans les conditions prévues au § 1er, 4°, b ou c, n'a pu transporter son débit dans le délai d'un an à compter de la date de la cessation de l'exploitation, [2 l'administrateur général des douanes et accises]2 peut décider que ce délai soit prolongé pour le temps strictement nécessaire.
Art. 20. (Waals gewest)
   <W 06-07-1967, art. 12> § 1. Als nieuwe slijter wordt niet aangemerkt :
  1° hij die in hetzelfde lokaal de slijterij, gehouden door zijn echtgenoot, voortzet;
  2° hij die in hetzelfde lokaal de slijterij, gehouden hetzij door zijn vader, zijn moeder of een andere bloedverwant in de opgaande linie, hetzij door zijn bloedverwant in de nederdalende linie, voorzet;
  3° hij die deel uitmaakte van een feitelijke vennootschap, ten bate waarvan de slijterij werd gehouden, en die slijterij in hetzelfde lokaal voor eigen rekening voortzet;
  4° met inachtneming van het bepaalde in de §§ 2 en 3, hij die slijter zijnde of sedert minder dan één jaar opgehouden hebbende het te zijn, zijn slijterij overbrengt :
  a) naar een lokaal dat is aan te merken als bestaande slijterij in de zin van artikel 19, tweede lid;
  b) naar een lokaal dat niet is aan te merken als bestaande slijterij in de zin van artikel 19, tweede lid, indien dat lokaal tot slijterij wordt bestemd door de eigenaar, de erfpachter of de vruchtgebruiker van het onroerend goed waarin een afgeschafte slijterij gevestigd was, voor zover de opening geschiedt binnen één jaar na het ophouden van die slijterij;
  c) naar een lokaal dat niet is aan te merken als bestaande slijterij in de zin van artikel 19, tweede lid, indien hij een slijterij verlaat die gevestigd was in een ten algemenen nutte verworven of onteigend onroerend goed, waarvan hij niet de eigenaar, de erfpachter of de vruchtgebruiker was;
  5° hij aan wie een brouwer of een drankhandelaar zijn brouwerij of zijn handelsfonds met de daarvan afhangende slijterijen afstaat, of de vennootschap waarin een brouwerij of het handelsfonds van een drankhandelaar met de daarvan afhangende slijterijen worden ingebracht.
  § 2. Wanneer, in de gevallen van § 1, 4°, de openingsbelasting in verband met de slijterij die overgenomen of geopend wordt ter vervanging van de overgebrachte slijterij, meer bedraagt dan de openingsbelasting in verband met laatstbedoelde slijterij, is een aanvullende openingsbelasting verschuldigd ten belope van het verschil.
  In het bij artikel 26, § 3, 2°, bedoelde geval wordt de bijslag evenwel berekend :
  1° wanneer de heropening plaats vindt gedurende het tijdvak van vijftien jaar dat door de openingsbelasting is gedekt : zoals in het eerste lid, doch naar rata van het aantal volle maanden tussen de datum van de heropening en de datum waarop het tijdvak van vijftien jaar verstrijkt;
  2° wanneer de heropening plaats vindt na het onder 1° bedoelde tijdvak : op een zesde van het verschil tussen de openingsbelasting van de overgenomen slijterij en die van de overgebrachte slijterij, doch naar rata van het aantal volle maanden tussen de datum van de heropening en de vervaldag van de eerstvolgende vijfjaarlijkse belasting.
  De in lid 1 bedoelde aanvullende belasting, geheven in een geval van toepassing van § 1, 4°, a, evenals de in lid 2, 1°, bedoelde bijslag worden verminderd tot het derde zo de laatste exploitant van de overgenomen slijterij er schriftelijk van afziet zelf aanspraak te maken op § 1, 4°, dan wel overleden is.
  § 3. Voor het vaststellen van het verschil van openingsbelasting dat aanleiding geeft tot de heffing van de bij § 2 bedoelde bijslag, wordt rekening gehouden :
  1° voor de gesloten, afgeschafte of onteigende slijterij en voor de overgenomen slijterij in het geval van § 1, 4°, a : of wel met de huurwaarde - met inbegrip van de verhoging voortvloeiende uit een eventuele vergroting - die het laatst gediend heeft voor de heffing van de openingsbelasting of van de vijfjaarlijkse belasting ingesteld bij artikel 26, of wel met de minimumbelasting die toepasselijk is overeenkomstig artikel 9, § 1;
  2° voor het lokaal geopend in de gevallen van § 1, 4°, b en c : of wel met de huurwaarde bepaald door [1 de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar]1 overeenkomstig artikel 11, of wel met de minimumbelasting die toepasselijk is overeenkomstig artikel 9, § 1.
  § 4. Wanneer een slijter, die zich bevindt in de voorwaarden van § 1, 4°, b of c, ingevolge omstandigheden buiten zijn wil, zijn slijterij niet heeft kunnen overbrengen binnen de termijn van één jaar te rekenen van de datum waarop de exploitatie werd gestaakt, kan [1 de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar]1 toestaan dat die termijn voor de hoogstnodige tijd wordt verlengd.
Art. 20. (Région wallonne)
   <L 06-07-1967, art. 12> § 1. N'est pas considéré comme nouveau débitant :
  1° celui qui continue, dans le même local, le débit tenu par son conjoint;
  2° celui qui continue, dans le même local, le débit tenu soit par son père, sa mère ou autre ascendant, soit par son descendant;
  3° celui qui, ayant fait partie d'une société de fait, au profit de laquelle le débit était exploité, continue ce débit, dans le même local pour son compte personnel;
  4° sous réserve des dispositions des §§ 2 et 3, celui qui, étant débitant ou ayant cessé de l'être depuis moins d'un an, transporte son débit :
  a) dans un local qui est à considérer comme débit existant au sens de l'article 19, alinéa 2;
  b) dans un local qui n'est pas à considérer comme débit existant au sens de l'article 19, alinéa 2, si ce local est affecté à usage de débit par le propriétaire, l'emphytéote ou l'usufruitier de l'immeuble ou était installé un débit supprimé, pour autant que l'ouverture se fasse dans l'année de cette suppression;
  c) dans un local qui n'est pas à considérer comme débit existant au sens de l'article 19, alinéa 2, s'il quitte un débit installé dans un immeuble acquis ou exproprié pour cause d'utilité publique et dont il n'est pas propriétaire, emphytéote ou usufruitier;
  5° celui auquel un brasseur ou un marchand de boissons cède sa brasserie ou son fonds de commerce avec les débits qui en dépendent, ou la société à laquelle il est fait apport d'une brasserie ou du fonds de commerce d'un marchand de boissons avec les débits qui en dépendent.
  § 2. Lorsque dans les cas visés au § 1er, 4° la taxe d'ouverture afférente au débit repris ou ouvert en remplacement du débit qu'on y transporte est supérieure à celle afférente à ce dernier débit, un supplément de taxe d'ouverture égal au montant de la taxe différence entre ces deux taxes est exigible.
  Toutefois, dans l'éventualité prévue à l'article 26, § 3, 2°, le supplément est calculé :
  1° lorsque la réouverture se situe au cours de la période de quinze ans couverte par la taxe d'ouverture : de la manière prévue au premier alinéa, mais au prorata du nombre de mois entiers restant à courir entre le moment de cette réouverture et celui où la période de quinze ans viendra à expiration;
  2° lorsque la réouverture se situe après la période visée au 1° : à raison d'un sixième de la différence entre la taxe d'ouverture du débit repris et celle afférente au débit transporté, mais au prorata du nombre de mois entiers restant à courir entre le moment de cette réouverture et celui ou sera due la prochaine taxe quinquennale.
  Le supplément visé à l'alinéa 1er lorsqu'il s'agit d'un cas d'application du § 1er, 4°, a de même que le supplément visé à l'alinéa 2, 1°, sont réduits au tiers si le dernier exploitant du débit repris déclare, par écrit, renoncer à se prévaloir du § 1er, 4°, ou est décédé.
  § 3. Pour établir la différence de taxe d'ouverture donnant lieu à la perception du supplément visé au § 2, il est tenu compte :
  1° en ce qui concerne le débit fermé, supprimé ou exproprié et le débit repris dans le cas du § 1er, 4°, a : soit de la valeur locative - y compris la majoration résultant d'un agrandissement éventuel - qui en dernier lieu, a servi de base à la perception de la taxe d'ouverture ou de la taxe quinquennale instaurée par l'article 26, soit du minimum de la taxe d'ouverture applicable en vertu de l'article 9, § 1er;
  2° en ce qui concerne le local ouvert dans les cas du § 1er, 4°, b et c : soit de la valeur locative fixée par [1 le fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon]1 conformément à l'article 11, soit du minimum de la taxe d'ouverture applicable en vertu de l'article 9, § 1er.
  § 4. Dans l'éventualité où, à la suite de circonstances indépendantes de la volonté de l'intéressé, un débitant se trouvant dans les conditions prévues au § 1er, 4°, b ou c, n'a pu transporter son débit dans le délai d'un an à compter de la date de la cessation de l'exploitation, [1 le fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon]1 peut décider que ce délai soit prolongé pour le temps strictement nécessaire.
  
Art.21. <W 06-07-1967, art. 13> § 1. Als een slijterij door een zaakvoerder of aangestelde voor rekening van een derde wordt gehouden, wordt voor de toepassing van de belasting, alleen de lastgever als slijter aangemerkt.
  § 2. Behoudens het bepaalde in artikel 22, wordt alleen als lastgever aangemerkt, hij die bewijst of ten laste van wie bewezen wordt dat een slijterij van gegiste dranken voor zijn rekening wordt geëxploiteerd door een zaakvoerder of aangestelde wiens diensten hij op enigerlei wijze bezoldigt.
Art.21. <L 06-07-1967, art. 13> § 1. Lorsqu'un débit est tenu pour compte d'un tiers par un gérant ou préposé, le commettant est seul considéré comme débitant pour l'application de la taxe.
  § 2. Sous réserve des dispositions de l'article 22, est seul considéré comme commettant, celui qui prouve ou à charge de qui il est prouvé qu'un débit de boissons fermentées est exploité pour son compte par un gérant ou préposé dont il rémunère les services d'une manière quelconque.
Art.22. <W 06-07-1967, art. 14> § 1. Worden eveneens als lastgever aangemerkt, mits zij daar schriftelijk aanspraak op maken in een stuk dat mede ondertekend is door de zaakvoerder of aangestelde :
  1° de kringen, maatschappijen of particuliere verenigingen, wat betreft de slijterijen gevestigd in lokalen waarvan zij eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker of voornaamste huurder zijn;
  2° de brouwers of de drankhandelaars, wat betreft de slijterijen gehouden door andere personen in lokalen waarvan zij eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker of voornaamste huurder zijn en waar dranken worden verkocht die door hen zijn vervaardigd of waarin zij handel drijven.
  Tot de onder 1° vermelde kringen, maatschappijen of particuliere verenigingen behoren niet de handelsvennootschappen en de feitelijke vennootschappen met winstoogmerk.
  § 2. De bepalingen van dit artikel gelden niet voor het houden van een reizende slijterij of van een gelegenheidsslijterij.
Art.22. <L 06-07-1967, art. 14> § 1. Sont également considérés comme commettants, pour autant qu'ils revendiquent cette qualité par écrit dans un document qui est contresigné par le gérant ou préposé :
  1° les cercles, sociétés ou associations particulières, relativement aux débits établis dans des locaux dont ils sont propriétaires, emphytéotes, usufruitiers ou principaux locataires;
  2° les brasseurs ou marchands de boissons, relativement aux débits tenus par d'autres personnes dans des locaux dont ils sont propriétaires, emphytéotes, usufruitiers ou principaux locataires et où sont vendues des boissons de leur fabrication ou faisant l'objet de leur commerce.
  Les cercles, sociétés ou associations particulières mentionnées au 1°, ne comprennent ni les sociétés commerciales, ni les sociétés de fait à but lucratif.
  § 2. Les dispositions du présent article ne sont pas applicables lorsqu'il s'agit de l'exploitation d'un débit ambulant ou d'un débit occasionnel.
Art.23. <W 06-07-1967, art. 15> § 1. Ten minste vijftien dagen voordat hij zijn bedrijf begint, moet de nieuwe slijter [1 bij de ambtenaar met ten minste een titel van attaché aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen]1 over het gebied een aangifte indienen die nauwkeurig de ligging aanduidt van de tot slijterij dienende lokalen, alsmede de werkelijke of vermoede huurwaarde van die lokalen te zamen beschouwd.
   Bij die aangifte wordt een door de aangever gedagtekend en ondertekend plan van de tot slijterij dienende lokalen gevoegd en, naar gelang van het geval :
   1° [2 ...]2
   2° een door [2 het bevoegde gemeentebestuur]2 afgegeven moraliteitsattest waaruit blijkt dat de slijter en de bij hem inwonende personen, die aan de exploitatie van de slijterij zouden kunnen deelnemen, zich niet bevinden, de slijter in een der gevallen van uitsluiting bepaald bij artikel 1, 2° tot 10° en de bij hem inwonende personen, in een der gevallen van uitsluiting bepaald bij artikel 1, 2° tot 9°.
  [2 Het plan is niet vereist voor reizende slijterijen en gelegenheidsslijterijen.]2
   § 2. Is de slijter lastgever in de zin van artikel 21 of van artikel 22, dan moet de aangifte, behalve de in § 1 bepaalde gegevens, ook de naam en voornamen van de zaakvoerder of aangestelde vermelden. Daarbij moeten de in § 1 voorgeschreven documenten worden gevoegd, maar het attest voorgeschreven onder 2° van genoemde paragraaf wordt vervangen door :
   1° een attest waaruit blijkt dat de lastgever zich niet bevindt in één der gevallen van uitsluiting bepaald bij artikel 1, 2° tot 10°;
   2° een attest als bedoeld bij § 1, 2°, voor de zaakvoerder of aangestelde en de bij hem inwonende personen.
   § 3. Als de slijter een rechtspersoon is, moet :
   1° ingeval de slijterij wordt gehouden zonder zaakvoerder of aangestelde, het in § 1, 2°, bedoelde attest worden overgelegd op naam van de natuurlijke persoon of personen belast met de feitelijke exploitatie van de slijterij;
   2° ingeval de slijterij wordt gehouden door een zaakvoerder of aangestelde, het in § 2, 1°, bedoelde attest worden overgelegd op naam van het orgaan of de organen van de vennootschap of van de vereniging die belast zijn met het vervullen van de ter zake van de slijterij geldende wettelijke verplichtingen.
   § 4. Wanneer een feitelijke vereniging als slijter optreedt, vermeldt de in § 1 voorgeschreven aangifte bovendien de naam en voornamen van de natuurlijke personen en de firmanaam van de rechtspersonen die van bedoelde vereniging deel uitmaken. De moraliteitsattesten worden door ieder van die personen overgelegd overeenkomstig de §§ 1 tot 3.
   § 5. Wanneer als zaakvoerder of aangestelde een rechtspersoon wordt aangegeven, moet de bij § 1 bedoelde aangifte benevens de firmanaam ook de naam en de voornamen vermelden van de natuurlijke persoon of personen belast met de werkelijke exploitatie van de slijterij. In dat geval moet het bij § 2, 2°, bedoelde attest gesteld zijn op naam van die natuurlijke personen.
Art.23. <L 06-07-1967, art. 15> § 1. Quinze jours au moins avant de commencer son exploitation, le nouveau débitant est tenu de remettre [1 à l'agent ayant au moins un titre d'attaché désigné par l'administrateur général des douanes et accises]1 du ressort une déclaration indiquant avec précision la situation des locaux affectés au débit et la valeur locative réelle ou présumée de l'ensemble de ces locaux.
  Cette déclaration est accompagnée d'un plan - daté et signé par le déclarant - des locaux servant de débit et, selon le cas :
  1° [2 ...]2
  2° d'un certificat de moralité délivré par [2 l'administration communale compétente,]2 qui atteste que le débitant et les personnes habitant avec lui qui pourraient participer à l'exploitation du débit, ne se trouvent pas, le premier dans l'un des cas d'exclusion prévus par l'article 1er, 2° à 10°, les seconds, dans l'un des cas d'exclusion prévus par l'article 1er, 2° à 9°.
  [2 Le plan n'est pas requis s'il s'agit d'un débit ambulant ou d'un débit occasionnel.]2
  § 2. Si le débitant est commettant au sens de l'article 21 ou 22, la déclaration doit indiquer, outre les mentions prévues au § 1er, les nom et prénoms du gérant ou préposé. Elle doit être accompagnée des documents prévus au § 1er, le certificat prévu au 2° dudit paragraphe étant remplacé par :
  1° un certificat attestant que le commettant ne se trouve pas dans l'un des cas d'exclusion prévus par l'article 1er, 2° à 10°;
  2° un certificat portant, en ce qui concerne le gérant ou préposé et les personnes habitant avec lui l'attestation prévue au § 1er, 2°.
  § 3. Si le débitant est une personne morale :
  1° en cas d'exploitation sans l'intervention d'un gérant ou préposé, le certificat prévu au § 1er, 2°, est à produire au nom de la personne physique ou des personnes physiques chargées de l'exploitation effective du débit;
  2° en cas d'exploitation par l'intermédiaire d'un gérant ou préposé, le certificat prévu au § 2, 1° est à produire au nom de l'organe ou des organes de la société ou de l'association, chargés d'accomplir les obligations légales relatives au débit.
  § 4. Si le débitant est une association de fait, la déclaration prévue au § 1er, doit indiquer, en outre, les nom et prénoms des personnes physiques et la dénomination sociale des personnes morales faisant partie de cette association. Les certificats de moralité sont à produire par chacune de ces personnes conformément aux §§ 1er à 3.
  § 5. Si la personne déclarée comme gérant ou préposé est une personne morale, la déclaration visée au § 1er doit indiquer outre la dénomination sociale, les nom et prénoms de la personne ou des personnes physiques chargées de l'exploitation effective du débit. Dans ce cas, le certificat prescrit par le § 2, 2°, est à produire au nom de ces personnes physiques.
Art.24. <W 06-07-1967, art. 16> § 1. De slijter die zich in een van de in artikel 20, § 1, 1° tot 3° en 5°, vermelde gevallen bevindt, is gehouden daarvan binnen vijftien dagen aangifte te doen [1 bij de ambtenaar met ten minste een titel van attaché aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen]1 over het gebied.
  Aan die aangifte moeten de moraliteitsattesten zijn toegevoegd waarvan sprake in artikel 23.
  § 2. De slijter die zich in één van de in artikel 20, § 1, 4°, vermelde gevallen bevindt, is gehouden daarvan aangifte te doen [1 bij de ambtenaar met ten minste een titel van attaché aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen]1 over het gebied alvorens hij de slijterij in bedrijf neemt.
  Die aangifte moet alle inlichtingen bevatten die nodig zijn voor de eventuele toepassing van artikel 20, §§ 2 en 3, zodat zij, in de gevallen van § 1, 4°, b en c, van dat artikel, inzonderheid melding moet maken van de werkelijke of de vermoede huurwaarde van het nieuwe lokaal. Bovendien moet die aangifte vergezeld zijn :
  1° in het geval van artikel 20, § 1, 4°, a : van een nieuw plan van de overgenomen slijterij;
  2° in het geval van artikel 20, § 1, 4° b en c : van een plan van het nieuwe lokaal en van het attest bedoeld bij artikel 23, § 1, 1°.
  § 3. De slijter die de lokalen dienende tot zijn slijterij, vergroot, moet daarvan aangifte doen [1 bij de ambtenaar met ten minste een titel van attaché aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen]1 over het gebied binnen vijftien dagen na het einde der werken of, indien de vergroting bestaat uit het toevoegen van nieuwe lokalen, vóór het in gebruik nemen van die lokalen.
  Bij die aangifte, waarop de nieuwe toestand van de tot slijterij dienende lokalen nauwkeurig is aangeduid en die voorts melding maakt van de uit de vergroting voortvloeiende verhoging der huurwaarde, voegt de slijter een nieuw plan van de tot slijterij dienende lokalen alsmede het attest bedoeld bij artikel 23, § 1, 1°.
Art.24. <L 06-07-1967, art. 16> § 1. Le débitant qui se trouve dans l'un des cas prévus par l'article 20, § 1er, 1° à 3° et 5° est tenu d'en faire la déclaration dans les quinze jours [1 à l'agent ayant au moins un titre d'attaché désigné par l'administrateur général des douanes et accises]1 du ressort.
  Cette déclaration doit être accompagnée du ou des certificats de moralité dont il est question à l'article 23.
  § 2. Le débitant qui se trouve dans l'un des cas prévus par l'article 20, § 1er, 4° est tenu d'en faire la déclaration [1 à l'agent ayant au moins un titre d'attaché désigné par l'administrateur général des douanes et accises]1 du ressort avant la mise en exploitation du débit.
  Cette déclaration doit contenir tous les renseignements permettant l'application éventuelle de l'article 20, §§ 2 et 3, en indiquant, notamment, dans les cas visés au § 1er, 4°, b et c de cet article, la valeur locative réelle ou présumée du nouveau local. Elle doit, en outre, être accompagnée :
  1° en cas d'application de l'article 20, § 1er, 4°, a : d'un nouveau plan du débit repris;
  2° en cas d'application de l'article 20, § 1er, 4°, b et c : d'un plan du nouveau local et du certificat visé à l'article 23, § 1er, 1°.
  § 3. Le débitant qui procède à l'agrandissement des locaux affectés à son débit doit en faire la déclaration [1 à l'agent ayant au moins un titre d'attaché désigné par l'administrateur général des douanes et accises]1 du ressort dans les quinze jours suivant la fin des travaux ou, si l'agrandissement consiste en l'adjonction de nouveaux locaux, avant la mise en usage de ces locaux.
  Cette déclaration, qui indique avec précision la nouvelle situation des locaux affectés au débit et mentionne en outre la majoration de valeur locative résultant de l'agrandissement, est accompagnée d'un nouveau plan des locaux affectés au débit et du certificat visé à l'article 23, § 1er, 1°.
Art.25. <W 06-07-1967, art. 17> Bij de verandering van zaakvoerder of aangestelde of, in de gevallen van artikel 23, §§ 3, 1°, en 5, van de persoon of personen belast met de werkelijke exploitatie van de slijterij, moet de slijter daarvan aangifte doen [1 bij de ambtenaar met ten minste een titel van attaché aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen]1 over het gebied, vóór de dag waarop de nieuwe exploitant in bediening treedt.
  Bij die aangifte moet, ten aanzien van de nieuwe exploitant en van de bij hem inwonende personen, het bij artikel 23, § 1, 2°, bedoelde attest van de gemeenteoverheid zijn gevoegd.
Art.25. <L 06-07-1967, art. 17> En cas de changement du gérant ou préposé ou, dans les éventualités visées à l'article 23, §§ 3, 1°, et 5, de la personne ou des personnes chargées de l'exploitation effective du débit, le débitant est tenu d'en faire la déclaration [1 à l'agent ayant au moins un titre d'attaché désigné par l'administrateur général des douanes et accises]1 du ressort avant le jour de l'entrée en fonction du nouveau tenancier.
  Cette déclaration est accompagnée d'un certificat de l'autorité communale portant, en ce qui concerne le nouveau tenancier et les personnes habitant avec lui, l'attestation prévue à l'article 23, § 1er, 2°.
Art. 25bis. <W 06-07-1967, art. 18> § 1. De slijter die de exploitatie van zijn slijterij staakt, moet daarvan binnen vijftien dagen aangifte doen [1 bij de ambtenaar met ten minste een titel van attaché aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen]1 over het gebied.
  § 2. Wanneer de slijter lastgever is in de zin van artikel 22, is de bij § 1 bedoelde aangifte slechts ontvankelijk indien zij mede ondertekend is door de zaakvoerder of aangestelde, tenware deze laatste niet meer in de lokalen van de slijterij vertoeft.
Art. 25bis. <L 06-07-1967, art. 18> § 1. Le débitant qui cesse l'exploitation de son débit doit, dans les quinze jours, en faire la déclaration [1 à l'agent ayant au moins un titre d'attaché désigné par l'administrateur général des douanes et accises]1 du ressort.
  § 2. Lorsque le débitant est un commettant au sens de l'article 22, la déclaration visée au § 1er n'est recevable que si elle est contresignée par le gérant ou préposé, à moins que celui-ci n'ait cessé d'occuper les locaux du débit.
HOOFDSTUK IV. - Vijfjaarlijkse belasting verschuldigd voor sommige slijterijen van gegiste dranken.
CHAPITRE IV. - Taxe quinquennale due pour certains débits de boissons fermentées.
Art. 26. <W 06-07-1967, art. 20> § 1. Na een termijn van vijftien jaar te rekenen van 1 januari van het jaar waarin de slijterij werd geopend of overgenomen, zijn de bij artikel 22 bedoelde lastgevers en de slijters met rechtspersoonlijkheid om de vijf jaar een belasting verschuldigd, gelijk aan de helft van de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde van de tot slijterij dienende lokalen, zonder dat die belasting minder mag bedragen dan het zesde van de bij artikel 9, § 1, vastgestelde bedragen.
  Niettegenstaande iedere strijdige overeenkomst, blijft die belasting ten laste van de lastgevers.
  § 2. Voor de door een rechtspersoon geëxploiteerde reizende slijterijen, is de vijfjaarlijkse belasting forfaitair vastgesteld op 800 frank per slijterij.
  § 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als " overneming " aangemerkt :
  1° het voortzetten van een slijterij met vrijstelling van de openingsbelasting bij toepassing van artikel 20, § 1, 1° tot 3° en 5°.
  2° het opnieuw openen, met vrijstelling van de openingsbelasting bij toepassing van artikel 20, § 1, 4°, a) van een sedert minder dan één jaar gesloten slijterij waarvan de laatste exploitant onder toepassing viel van de vijfjaarlijkse belasting.
  In het onder 1° bedoelde geval neemt de lastgever of de rechtspersoon die de slijterij voortzet, de verplichtingen inzake vijfjaarlijkse belasting van de vorige slijter over.
  Dit geldt ook voor de lastgever of de rechtspersoon die de slijterij opnieuw opent in het onder 2° bedoelde geval. Evenwel, wanneer de slijterij gesloten is op de datum van de opvorderbaarheid van de vijfjaarlijkse belasting, is die belasting slechts verschuldigd op 1 januari van het jaar dat volgt op het opnieuw in exploitatie stellen en vervolgens om de vijf jaar te rekenen van de aldus verschoven datum.
  § 4. De voor de heffing van de bij § 1 bedoelde vijfjaarlijkse belasting in aanmerking te nemen werkelijke of vermoede jaarlijkse huurwaarde, is die welke, ten tijde waarop de belasting verschuldigd is, moet worden aangehouden voor de lokalen die alsdan tot slijterij dienen in de zin van artikel 9, § 2.
  Wanneer het om een vermoede huurwaarde gaat, wordt die huurwaarde door de [2 adviseur]2 bepaald overeenkomstig artikel 11.
Art. 26. <L 06-07-1967, art. 20> § 1. A l'expiration d'un délai de quinze ans à compter du 1er janvier de l'année de l'ouverture ou de la reprise du débit, les commettants visés à l'article 22 et les débitants dotés de la personnalité juridique doivent acquitter tous les cinq ans une taxe égale à la moitié de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, sans que cette taxe puisse être inférieure au sixième des montants fixés à l'article 9, § 1er.
  Nonobstant toute convention contraire, cette taxe restera à charge des commettants.
  § 2. Pour les débits ambulants exploités par une personne morale, la taxe quinquennale est forfaitairement fixée à (19,00 EUR) par débit.
  § 3. N'est pas considérée comme " reprise " pour l'application du présent article :
  1° la continuation d'un débit en exemption de la taxe d'ouverture par application de l'article 20, § 1er, 1° à 3° et 5°;
  2° la réouverture en exemption de la taxe d'ouverture par application de l'article 20, § 1er, 4°, a, d'un débit fermé depuis moins d'un an dont le dernier exploitant tombait sous l'application de la taxe quinquennale.
  Dans le cas visé par le 1°, le commettant ou la personne morale qui continue le débit assume en matière de taxe quinquennale, les obligations qui reposaient sur le débitant précédent.
  Il en est de même en ce qui concerne le commettant ou la personne morale qui procède à la réouverture du débit dans le cas visé par le 2°. Toutefois, si le débit est fermé à la date de l'exigibilité de la taxe quinquennale, cette taxe ne viendra à échéance que le 1er janvier de l'année suivant la remise en exploitation et, ensuite, tous les cinq ans à partir de cette date postposée.
  § 4. La valeur locative annuelle réelle ou présumée à prendre en considération pour la perception de la taxe quinquennale visée au § 1er est celle qui, lors de l'exigibilité de la taxe, est à retenir pour les locaux qui, à ce moment, sont affectés au débit au sens de l'article 9, § 2.
  Lorsqu'il s'agit d'une valeur locative présumée, cette valeur est fixée par le [2 conseiller]2 conformément à l'article 11.
Art. 26. (Vlaamse Gemeenschap)
  <W 06-07-1967, art. 20> § 1. Na een termijn van vijftien jaar te rekenen van 1 januari van het jaar waarin de slijterij werd geopend of overgenomen, zijn de bij artikel 22 bedoelde lastgevers en de slijters met rechtspersoonlijkheid om de vijf jaar een belasting verschuldigd, gelijk aan de helft van de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde van de tot slijterij dienende lokalen, zonder dat die belasting minder mag bedragen dan het zesde van de bij artikel 9, § 1, vastgestelde bedragen.
  Niettegenstaande iedere strijdige overeenkomst, blijft die belasting ten laste van de lastgevers.
  § 2. Voor de door een rechtspersoon geëxploiteerde reizende slijterijen, is de vijfjaarlijkse belasting forfaitair vastgesteld op (19,00 EUR) per slijterij.
  § 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als " overneming " aangemerkt :
  1° het voortzetten van een slijterij met vrijstelling van de openingsbelasting bij toepassing van artikel 20, § 1, 1° tot 3° en 5°.
  2° het opnieuw openen, met vrijstelling van de openingsbelasting bij toepassing van artikel 20, § 1, 4°, a) van een sedert minder dan één jaar gesloten slijterij waarvan de laatste exploitant onder toepassing viel van de vijfjaarlijkse belasting.
  In het onder 1° bedoelde geval neemt de lastgever of de rechtspersoon die de slijterij voortzet, de verplichtingen inzake vijfjaarlijkse belasting van de vorige slijter over.
  Dit geldt ook voor de lastgever of de rechtspersoon die de slijterij opnieuw opent in het onder 2° bedoelde geval. Evenwel, wanneer de slijterij gesloten is op de datum van de opvorderbaarheid van de vijfjaarlijkse belasting, is die belasting slechts verschuldigd op 1 januari van het jaar dat volgt op het opnieuw in exploitatie stellen en vervolgens om de vijf jaar te rekenen van de aldus verschoven datum.
  § 4. De voor de heffing van de bij § 1 bedoelde vijfjaarlijkse belasting in aanmerking te nemen werkelijke of vermoede jaarlijkse huurwaarde, is die welke, ten tijde waarop de belasting verschuldigd is, moet worden aangehouden voor de lokalen die alsdan tot slijterij dienen in de zin van artikel 9, § 2.
  Wanneer het om een vermoede huurwaarde gaat, wordt die huurwaarde door de controleur der accijnzen bepaald overeenkomstig artikel 11.
Art. 26. (Communauté flamande)
  <L 06-07-1967, art. 20> § 1. A l'expiration d'un délai de quinze ans à compter du 1er janvier de l'année de l'ouverture ou de la reprise du débit, les commettants visés à l'article 22 et les débitants dotés de la personnalité juridique doivent acquitter tous les cinq ans une taxe égale à la moitié de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, sans que cette taxe puisse être inférieure au sixième des montants fixés a l'article 9, § 1er.
  Nonobstant toute convention contraire, cette taxe restera à charge des commettants.
  § 2. Pour les débits ambulants exploités par une personne morale, la taxe quinquennale est forfaitairement fixée à (19,00 EUR) par débit.
  § 3. N'est pas considérée comme " reprise " pour l'application du présent article :
  1° la continuation d'un débit en exemption de la taxe d'ouverture par application de l'article 20, § 1er, 1° à 3° et 5°;
  2° la réouverture en exemption de la taxe d'ouverture par application de l'article 20, § 1er, 4°, a, d'un débit fermé depuis moins d'un an dont le dernier exploitant tombait sous l'application de la taxe quinquennale.
  Dans le cas visé par le 1°, le commettant ou la personne morale qui continue le débit assume en matière de taxe quinquennale, les obligations qui reposaient sur le débitant précédent.
  Il en est de même en ce qui concerne le commettant ou la personne morale qui procède à la réouverture du débit dans le cas visé par le 2°. Toutefois, si le débit est fermé à la date de l'exigibilité de la taxe quinquennale, cette taxe ne viendra à échéance que le 1er janvier de l'année suivant la remise en exploitation et, ensuite, tous les cinq ans à partir de cette date postposée.
  § 4. La valeur locative annuelle réelle ou présumée à prendre en considération pour la perception de la taxe quinquennale visée au § 1er est celle qui, lors de l'exigibilité de la taxe, est à retenir pour les locaux qui, à ce moment, sont affectés au débit au sens de l'article 9, § 2.
  Lorsqu'il s'agit d'une valeur locative présumée, cette valeur est fixée par le contrôleur des accises conformément à l'article 11.
Art. 26. (Waals gewest)
  W 06-07-1967, art. 20> § 1. Na een termijn van vijftien jaar te rekenen van 1 januari van het jaar waarin de slijterij werd geopend of overgenomen, zijn de bij artikel 22 bedoelde lastgevers en de slijters met rechtspersoonlijkheid om de vijf jaar een belasting verschuldigd, gelijk aan de helft van de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde van de tot slijterij dienende lokalen, zonder dat die belasting minder mag bedragen dan het zesde van de bij artikel 9, § 1, vastgestelde bedragen.
  Niettegenstaande iedere strijdige overeenkomst, blijft die belasting ten laste van de lastgevers.
  § 2. Voor de door een rechtspersoon geëxploiteerde reizende slijterijen, is de vijfjaarlijkse belasting forfaitair vastgesteld op (19,00 EUR) per slijterij.
  § 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als " overneming " aangemerkt :
  1° het voortzetten van een slijterij met vrijstelling van de openingsbelasting bij toepassing van artikel 20, § 1, 1° tot 3° en 5°.
  2° het opnieuw openen, met vrijstelling van de openingsbelasting bij toepassing van artikel 20, § 1, 4°, a) van een sedert minder dan één jaar gesloten slijterij waarvan de laatste exploitant onder toepassing viel van de vijfjaarlijkse belasting.
  In het onder 1° bedoelde geval neemt de lastgever of de rechtspersoon die de slijterij voortzet, de verplichtingen inzake vijfjaarlijkse belasting van de vorige slijter over.
  Dit geldt ook voor de lastgever of de rechtspersoon die de slijterij opnieuw opent in het onder 2° bedoelde geval. Evenwel, wanneer de slijterij gesloten is op de datum van de opvorderbaarheid van de vijfjaarlijkse belasting, is die belasting slechts verschuldigd op 1 januari van het jaar dat volgt op het opnieuw in exploitatie stellen en vervolgens om de vijf jaar te rekenen van de aldus verschoven datum.
  § 4. De voor de heffing van de bij § 1 bedoelde vijfjaarlijkse belasting in aanmerking te nemen werkelijke of vermoede jaarlijkse huurwaarde, is die welke, ten tijde waarop de belasting verschuldigd is, moet worden aangehouden voor de lokalen die alsdan tot slijterij dienen in de zin van artikel 9, § 2.
  Wanneer het om een vermoede huurwaarde gaat, wordt die huurwaarde door [1 de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar]1 bepaald overeenkomstig artikel 11.
Art. 26. (Région wallonne)
  <L 06-07-1967, art. 20> § 1. A l'expiration d'un délai de quinze ans à compter du 1er janvier de l'année de l'ouverture ou de la reprise du débit, les commettants visés à l'article 22 et les débitants dotes de la personnalité juridique doivent acquitter tous les cinq ans une taxe égale à la moitié de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, sans que cette taxe puisse être inférieure au sixième des montants fixés à l'article 9, § 1er.
  Nonobstant toute convention contraire, cette taxe restera à charge des commettants.
  § 2. Pour les débits ambulants exploités par une personne morale, la taxe quinquennale est forfaitairement fixée à (19,00 EUR) par débit.
  § 3. N'est pas considérée comme " reprise " pour l'application du présent article :
  1° la continuation d'un débit en exemption de la taxe d'ouverture par application de l'article 20, § 1er, 1° à 3° et 5°;
  2° la réouverture en exemption de la taxe d'ouverture par application de l'article 20, § 1er, 4°, a, d'un débit fermé depuis moins d'un an dont le dernier exploitant tombait sous l'application de la taxe quinquennale.
  Dans le cas visé par le 1°, le commettant ou la personne morale qui continue le débit assume en matière de taxe quinquennale, les obligations qui reposaient sur le débitant précédent.
  Il en est de même en ce qui concerne le commettant ou la personne morale qui procède à la réouverture du débit dans le cas visé par le 2°. Toutefois, si le débit est fermé à la date de l'exigibilité de la taxe quinquennale, cette taxe ne viendra à échéance que le 1er janvier de l'année suivant la remise en exploitation et, ensuite, tous les cinq ans à partir de cette date postposée.
  § 4. La valeur locative annuelle réelle ou présumée à prendre en considération pour la perception de la taxe quinquennale visée au § 1er est celle qui, lors de l'exigibilité de la taxe, est à retenir pour les locaux qui, à ce moment, sont affectés au débit au sens de l'article 9, § 2.
  Lorsqu'il s'agit d'une valeur locative présumée, cette valeur est fixée par [1 le fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon]1 conformément à l'article 11.
Art. 26. (Brussels Hoofdstedelijk Gewest)
  <W 06-07-1967, art. 20> § 1. Na een termijn van vijftien jaar te rekenen van 1 januari van het jaar waarin de slijterij werd geopend of overgenomen, zijn de bij artikel 22 bedoelde lastgevers en de slijters met rechtspersoonlijkheid om de vijf jaar een belasting verschuldigd, gelijk aan de helft van de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde van de tot slijterij dienende lokalen, zonder dat die belasting minder mag bedragen dan het zesde van de bij artikel 9, § 1, vastgestelde bedragen.
  Niettegenstaande iedere strijdige overeenkomst, blijft die belasting ten laste van de lastgevers.
  § 2. Voor de door een rechtspersoon geëxploiteerde reizende slijterijen, is de vijfjaarlijkse belasting forfaitair vastgesteld op (19,00 EUR) per slijterij.
  § 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als " overneming " aangemerkt :
  1° het voortzetten van een slijterij met vrijstelling van de openingsbelasting bij toepassing van artikel 20, § 1, 1° tot 3° en 5°.
  2° het opnieuw openen, met vrijstelling van de openingsbelasting bij toepassing van artikel 20, § 1, 4°, a) van een sedert minder dan één jaar gesloten slijterij waarvan de laatste exploitant onder toepassing viel van de vijfjaarlijkse belasting.
  In het onder 1° bedoelde geval neemt de lastgever of de rechtspersoon die de slijterij voortzet, de verplichtingen inzake vijfjaarlijkse belasting van de vorige slijter over.
  Dit geldt ook voor de lastgever of de rechtspersoon die de slijterij opnieuw opent in het onder 2° bedoelde geval. Evenwel, wanneer de slijterij gesloten is op de datum van de opvorderbaarheid van de vijfjaarlijkse belasting, is die belasting slechts verschuldigd op 1 januari van het jaar dat volgt op het opnieuw in exploitatie stellen en vervolgens om de vijf jaar te rekenen van de aldus verschoven datum.
  § 4. De voor de heffing van de bij § 1 bedoelde vijfjaarlijkse belasting in aanmerking te nemen werkelijke of vermoede jaarlijkse huurwaarde, is die welke, ten tijde waarop de belasting verschuldigd is, moet worden aangehouden voor de lokalen die alsdan tot slijterij dienen in de zin van artikel 9, § 2.
  Wanneer het om een vermoede huurwaarde gaat, wordt die huurwaarde door de controleur der accijnzen bepaald overeenkomstig artikel 11.
  
Art. 26. (Région de Bruxelles-Capitale)
  <L 06-07-1967, art. 20> § 1. A l'expiration d'un délai de quinze ans à compter du 1er janvier de l'année de l'ouverture ou de la reprise du débit, les commettants visés à l'article 22 et les débitants dotés de la personnalité juridique doivent acquitter tous les cinq ans une taxe égale à la moitié de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, sans que cette taxe puisse être inférieure au sixième des montants fixés à l'article 9, § 1er.
  Nonobstant toute convention contraire, cette taxe restera à charge des commettants.
  § 2. Pour les débits ambulants exploités par une personne morale, la taxe quinquennale est forfaitairement fixée à 800 francs par débit.
  § 3. N'est pas considérée comme " reprise " pour l'application du présent article :
  1° la continuation d'un débit en exemption de la taxe d'ouverture par application de l'article 20, § 1er, 1° à 3° et 5°;
  2° la réouverture en exemption de la taxe d'ouverture par application de l'article 20, § 1er, 4°, a, d'un débit fermé depuis moins d'un an dont le dernier exploitant tombait sous l'application de la taxe quinquennale.
  Dans le cas visé par le 1°, le commettant ou la personne morale qui continue le débit assume en matière de taxe quinquennale, les obligations qui reposaient sur le débitant précédent.
  Il en est de même en ce qui concerne le commettant ou la personne morale qui procède à la réouverture du débit dans le cas visé par le 2°. Toutefois, si le débit est fermé à la date de l'exigibilité de la taxe quinquennale, cette taxe ne viendra à échéance que le 1er janvier de l'année suivant la remise en exploitation et, ensuite, tous les cinq ans à partir de cette date postposée.
  § 4. La valeur locative annuelle réelle ou présumée à prendre en considération pour la perception de la taxe quinquennale visée au § 1er est celle qui, lors de l'exigibilité de la taxe, est à retenir pour les locaux qui, à ce moment, sont affectés au débit au sens de l'article 9, § 2.
  Lorsqu'il s'agit d'une valeur locative présumée, cette valeur est fixée par le contrôleur des accises conformément à l'article 11.)
  
HOOFDSTUK V. - Jaarlijkse belasting verschuldigd door de kleinhandelaars in geestrijke dranken.
CHAPITRE V. - Taxe annuelle due par les détaillants de boissons spiritueuses.
Art. 27. <W 06-07-1967, art. 21> § 1. Al wie, als hoofdbedrijf of als bijbedrijf, geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder verkoopt of levert, is onderworpen aan een jaarlijkse belasting gelijk aan het vijfde van de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde van de lokalen dienende tot slijterij, zonder dat die belasting minder mag bedragen dan het vijftiende van de bij artikel 9, § 1, vastgestelde bedragen.
  § 2. Voor de reizende slijterijen is de jaarlijkse belasting forfaitair vastgesteld op 300 frank.
  § 3. Wie een gelegenheidsslijterij houdt voor de verkoop of de levering van geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder, moet uit dien hoofde, ter vervanging van de jaarlijkse belasting, een belasting betalen die forfaitair is vastgesteld op 15 frank per exploitatiedag.
  § 4. Onder het hierna gemaakte voorbehoud zijn de artikelen 1, 7°, 2, 3, 9 tot 14, 16, 18 tot 21 en 23 tot 25 van toepassing op hen die de in dit artikel bedoelde belasting verschuldigd zijn :
  1° de huurwaarde die tot grondslag dient voor de heffing van de bij § 1, bedoelde jaarlijkse belasting, is de huurwaarde van de lokalen aangewend of aangegeven voor de eigenlijke verkoop of levering alsmede van de magazijnen of andere opslagplaatsen van geestrijke dranken die bij hoeveelheden van zes liter of minder worden verkocht of geleverd; wanneer die lokalen, magazijnen en andere opslagplaatsen tevens dienen voor een andere handel dan het slijten van geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder, wordt de huurwaarde berekend op voet van de verhouding tussen, enerzijds, de benaderende omzet van de slijterij van geestrijke dranken en, anderzijds, de totale omzet;
  2° de onder 1° bedoelde huurwaarde kan ieder jaar worden herzien, namelijk in geval van vergroting; die herziening gaat evenwel niet gepaard met de heffing van een bijslag voor het verdere deel van het jaar;
  3° geen nieuwe belasting is verschuldigd door wie zijn slijterij in de loop van het jaar naar elders overbrengt; die overbrenging gaat evenmin gepaard met de heffing van een bijslag;
  4° uit het moraliteitsattest dat de slijter van geestrijke dranken zowel voor zichzelf als voor zijn eventuële zaakvoerder of aangestelde verstrekt, moet alleen blijken dat de betrokkene niet onder toepassing valt van artikel 4 van de wet van 10 juni 1947, betreffende accijnzen en douanen.
Art. 27. <L 06-07-1967, art. 21> § 1. Tous ceux qui vendent ou livrent, à titre principal ou accessoire, des boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, sont assujettis à une taxe annuelle égale au cinquième de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, sans que cette taxe puisse être inférieure au quinzième des montants fixés à l'article 9, § 1er.
  § 2. Pour les débits ambulants, la taxe annuelle est forfaitairement fixée à 300 francs.
  § 3. Ceux qui exploitent un débit occasionnel pour la vente ou la livraison de boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, doivent acquitter de ce chef - pour tenir lieu de taxe annuelle - une taxe dont le montant est forfaitairement fixé à 15 francs par journée d'exploitation.
  § 4. Sous les réserves ci-après, les dispositions des articles 1er, 7°, 2, 3, 9 à 14, 16, 18 à 21 et 23 à 25 sont applicables aux redevables de la taxe prévue par le présent article;
  1° la valeur locative servant de base à la perception de la taxe annuelle visée au § 1er est celle des locaux affectés ou déclarés comme étant affectés à la vente ou à la livraison proprement dite, ainsi que des magasins et autres lieux de dépôt des boissons spiritueuses vendues ou livrées par quantités de six litres ou moins; si ces locaux, magasins et autres lieux de dépôt sont affectés en même temps à un autre commerce que le débit de boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, la valeur locative est calculée proportionnellement au rapport existant entre, d'une part, le produit approximatif dudit débit, et, d'autre part, le produit total des ventes;
  2° la valeur locative visée par le 1° est susceptible d'être revue d'année en année, notamment en cas d'agrandissement; toutefois, cette révision ne donne pas lieu à la perception d'un supplément pour la partie de l'année restant à courir;
  3° une nouvelle taxe annuelle n'est pas due par celui qui transfère son débit dans le courant d'une année, ce transfert ne devant par ailleurs pas donner lieu à la perception d'un supplément;
  4° le certificat de moralité que le débitant de boissons spiritueuses produit, tant pour lui-même que pour son gérant ou préposé éventuel, doit attester uniquement que l'intéressé ne tombe pas sous l'application de l'article 4 de la loi du 10 juin 1947 concernant les accises et les douanes.
Art. 27. (Vlaamse Gemeenschap)
  <W 06-07-1967, art. 21> § 1. Al wie, als hoofdbedrijf of als bijbedrijf, geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder verkoopt of levert, is onderworpen aan een jaarlijkse belasting gelijk aan het vijfde van de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde van de lokalen dienende tot slijterij, zonder dat die belasting minder mag bedragen dan het vijftiende van de bij artikel 9, § 1, vastgestelde bedragen.
  § 2. Voor de reizende slijterijen is de jaarlijkse belasting forfaitair vastgesteld op (7,00 EUR).
  § 3. Wie een gelegenheidsslijterij houdt voor de verkoop of de levering van geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder, moet uit dien hoofde, ter vervanging van de jaarlijkse belasting, een belasting betalen die forfaitair is vastgesteld op (0,35 EUR) per exploitatiedag.
  § 4. Onder het hierna gemaakte voorbehoud zijn de artikelen 1, 7°, 2, 3, 9 tot 14, 16, 18 tot 21 en 23 tot 25 van toepassing op hen die de in dit artikel bedoelde belasting verschuldigd zijn :
  1° de huurwaarde die tot grondslag dient voor de heffing van de bij § 1, bedoelde jaarlijkse belasting, is de huurwaarde van de lokalen aangewend of aangegeven voor de eigenlijke verkoop of levering alsmede van de magazijnen of andere opslagplaatsen van geestrijke dranken die bij hoeveelheden van zes liter of minder worden verkocht of geleverd; wanneer die lokalen, magazijnen en andere opslagplaatsen tevens dienen voor een andere handel dan het slijten van geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder, wordt de huurwaarde berekend op voet van de verhouding tussen, enerzijds, de benaderende omzet van de slijterij van geestrijke dranken en, anderzijds, de totale omzet;
  2° de onder 1° bedoelde huurwaarde kan ieder jaar worden herzien, namelijk in geval van vergroting; die herziening gaat evenwel niet gepaard met de heffing van een bijslag voor het verdere deel van het jaar;
  3° geen nieuwe belasting is verschuldigd door wie zijn slijterij in de loop van het jaar naar elders overbrengt; die overbrenging gaat evenmin gepaard met de heffing van een bijslag;
  4° uit het moraliteitsattest dat de slijter van geestrijke dranken zowel voor zichzelf als voor zijn eventuële zaakvoerder of aangestelde verstrekt, moet alleen blijken dat de betrokkene niet onder toepassing valt van artikel 4 van de wet van 10 juni 1947, betreffende accijnzen en douanen.)
Art. 27. (Communauté flamande)
  <L 06-07-1967, art. 21> § 1. Tous ceux qui vendent ou livrent, à titre principal ou accessoire, des boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, sont assujettis à une taxe annuelle égale au cinquième de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, sans que cette taxe puisse être inférieure au quinzième des montants fixés à l'article 9, § 1er.
  § 2. Pour les débits ambulants, la taxe annuelle est forfaitairement fixée à (7,00 EUR).
  § 3. Ceux qui exploitent un débit occasionnel pour la vente ou la livraison de boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, doivent acquitter de ce chef - pour tenir lieu de taxe annuelle - une taxe dont le montant est forfaitairement fixé à (0,35 EUR) par journée d'exploitation.
  § 4. Sous les réserves ci-après, les dispositions des articles 1er, 7°, 2, 3, 9 à 14, 16, 18 à 21 et 23 à 25 sont applicables aux redevables de la taxe prévue par le présent article;
  1° la valeur locative servant de base à la perception de la taxe annuelle visée au § 1er est celle des locaux affectés ou déclarés comme étant affectés à la vente ou à la livraison proprement dite, ainsi que des magasins et autres lieux de dépôt des boissons spiritueuses vendues ou livrées par quantités de six litres ou moins; si ces locaux, magasins et autres lieux de dépôt sont affectés en même temps à un autre commerce que le débit de boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, la valeur locative est calculée proportionnellement au rapport existant entre, d'une part, le produit approximatif dudit débit, et, d'autre part, le produit total des ventes;
  2° la valeur locative visée par le 1° est susceptible d'être revue d'année en année, notamment en cas d'agrandissement; toutefois, cette révision ne donne pas lieu à la perception d'un supplément pour la partie de l'année restant à courir;
  3° une nouvelle taxe annuelle n'est pas due par celui qui transfère son débit dans le courant d'une année, ce transfert ne devant par ailleurs pas donner lieu à la perception d'un supplément;
  4° le certificat de moralité que le débitant de boissons spiritueuses produit, tant pour lui-même que pour son gérant ou préposé éventuel, doit attester uniquement que l'intéressé ne tombe pas sous l'application de l'article 4 de la loi du 10 juin 1947 concernant les accises et les douanes.
Art. 27. (Waals gewest)
  <W 06-07-1967, art. 21> § 1. Al wie, als hoofdbedrijf of als bijbedrijf, geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder verkoopt of levert, is onderworpen aan een jaarlijkse belasting gelijk aan het vijfde van de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde van de lokalen dienende tot slijterij, zonder dat die belasting minder mag bedragen dan het vijftiende van de bij artikel 9, § 1, vastgestelde bedragen.
  § 2. Voor de reizende slijterijen is de jaarlijkse belasting forfaitair vastgesteld op (7,00 EUR).
  § 3. Wie een gelegenheidsslijterij houdt voor de verkoop of de levering van geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder, moet uit dien hoofde, ter vervanging van de jaarlijkse belasting, een belasting betalen die forfaitair is vastgesteld op (0,35 EUR) per exploitatiedag.
  § 4. Onder het hierna gemaakte voorbehoud zijn de artikelen 1, 7°, 2, 3, 9 tot 14, 16, 18 tot 21 [1 ...]1 van toepassing op hen die de in dit artikel bedoelde belasting verschuldigd zijn :
  1° de huurwaarde die tot grondslag dient voor de heffing van de bij § 1, bedoelde jaarlijkse belasting, is de huurwaarde van de lokalen aangewend of aangegeven voor de eigenlijke verkoop of levering alsmede van de magazijnen of andere opslagplaatsen van geestrijke dranken die bij hoeveelheden van zes liter of minder worden verkocht of geleverd; wanneer die lokalen, magazijnen en andere opslagplaatsen tevens dienen voor een andere handel dan het slijten van geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder, wordt de huurwaarde berekend op voet van de verhouding tussen, enerzijds, de benaderende omzet van de slijterij van geestrijke dranken en, anderzijds, de totale omzet;
  2° de onder 1° bedoelde huurwaarde kan ieder jaar worden herzien, namelijk in geval van vergroting; die herziening gaat evenwel niet gepaard met de heffing van een bijslag voor het verdere deel van het jaar;
  3° geen nieuwe belasting is verschuldigd door wie zijn slijterij in de loop van het jaar naar elders overbrengt; die overbrenging gaat evenmin gepaard met de heffing van een bijslag;
  4° [1 ...]1.
Art. 27. (Région wallonne)
  <L 06-07-1967, art. 21> § 1. Tous ceux qui vendent ou livrent, à titre principal ou accessoire, des boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, sont assujettis à une taxe annuelle égale au cinquième de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, sans que cette taxe puisse être inférieure au quinzième des montants fixés à l'article 9, § 1er.
  § 2. Pour les débits ambulants, la taxe annuelle est forfaitairement fixée à (7,00 EUR).
  § 3. Ceux qui exploitent un débit occasionnel pour la vente ou la livraison de boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, doivent acquitter de ce chef - pour tenir lieu de taxe annuelle - une taxe dont le montant est forfaitairement fixé à (0,35 EUR) par journée d'exploitation.
  § 4. Sous les réserves ci-après, les dispositions des articles 1er, 7°, 2, 3, 9 à 14, 16, 18 à 21 [1 ...]1 sont applicables aux redevables de la taxe prévue par le présent article;
  1° la valeur locative servant de base à la perception de la taxe annuelle visée au § 1er est celle des locaux affectés ou déclarés comme étant affectés à la vente ou à la livraison proprement dite, ainsi que des magasins et autres lieux de dépôt des boissons spiritueuses vendues ou livrées par quantités de six litres ou moins; si ces locaux, magasins et autres lieux de dépôt sont affectés en même temps à un autre commerce que le débit de boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, la valeur locative est calculée proportionnellement au rapport existant entre, d'une part, le produit approximatif dudit débit, et, d'autre part, le produit total des ventes;
  2° la valeur locative visée par le 1° est susceptible d'être revue d'année en année, notamment en cas d'agrandissement; toutefois, cette révision ne donne pas lieu à la perception d'un supplément pour la partie de l'année restant à courir;
  3° une nouvelle taxe annuelle n'est pas due par celui qui transfère son débit dans le courant d'une année, ce transfert ne devant par ailleurs pas donner lieu à la perception d'un supplément;
  4° [1 ...]1.
Art. 27. Brussels Hoofstedelijk Gewest
  <W 06-07-1967, art. 21> § 1. Al wie, als hoofdbedrijf of als bijbedrijf, geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder verkoopt of levert, is onderworpen aan een jaarlijkse belasting gelijk aan het vijfde van de werkelijke of de vermoede jaarlijkse huurwaarde van de lokalen dienende tot slijterij, zonder dat die belasting minder mag bedragen dan het vijftiende van de bij artikel 9, § 1, vastgestelde bedragen.
  § 2. Voor de reizende slijterijen is de jaarlijkse belasting forfaitair vastgesteld op (7,00 EUR).
  § 3. Wie een gelegenheidsslijterij houdt voor de verkoop of de levering van geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder, moet uit dien hoofde, ter vervanging van de jaarlijkse belasting, een belasting betalen die forfaitair is vastgesteld op (0,35 EUR) per exploitatiedag.
  § 4. Onder het hierna gemaakte voorbehoud zijn de artikelen 1, 7°, 2, 3, 9 tot 14, 16, 18 tot 21 en 23 tot 25 van toepassing op hen die de in dit artikel bedoelde belasting verschuldigd zijn :
  1° de huurwaarde die tot grondslag dient voor de heffing van de bij § 1, bedoelde jaarlijkse belasting, is de huurwaarde van de lokalen aangewend of aangegeven voor de eigenlijke verkoop of levering alsmede van de magazijnen of andere opslagplaatsen van geestrijke dranken die bij hoeveelheden van zes liter of minder worden verkocht of geleverd; wanneer die lokalen, magazijnen en andere opslagplaatsen tevens dienen voor een andere handel dan het slijten van geestrijke dranken bij hoeveelheden van zes liter of minder, wordt de huurwaarde berekend op voet van de verhouding tussen, enerzijds, de benaderende omzet van de slijterij van geestrijke dranken en, anderzijds, de totale omzet;
  2° de onder 1° bedoelde huurwaarde kan ieder jaar worden herzien, namelijk in geval van vergroting; die herziening gaat evenwel niet gepaard met de heffing van een bijslag voor het verdere deel van het jaar;
  3° geen nieuwe belasting is verschuldigd door wie zijn slijterij in de loop van het jaar naar elders overbrengt; die overbrenging gaat evenmin gepaard met de heffing van een bijslag;
  4° uit het moraliteitsattest dat de slijter van geestrijke dranken zowel voor zichzelf als voor zijn eventuële zaakvoerder of aangestelde verstrekt, moet alleen blijken dat de betrokkene niet onder toepassing valt van artikel 4 van de wet van 10 juni 1947, betreffende accijnzen en douanen.
  
Art. 27. (Région de Bruxelles-Capitale)
   <L 06-07-1967, art. 21> § 1. Tous ceux qui vendent ou livrent, à titre principal ou accessoire, des boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, sont assujettis à une taxe annuelle égale au cinquieme de la valeur locative annuelle réelle ou présumée des locaux affectés au débit, sans que cette taxe puisse être inférieure au quinzième des montants fixés à l'article 9, § 1er.
  § 2. Pour les débits ambulants, la taxe annuelle est forfaitairement fixée à (7,00 EUR).
  § 3. Ceux qui exploitent un débit occasionnel pour la vente ou la livraison de boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, doivent acquitter de ce chef - pour tenir lieu de taxe annuelle - une taxe dont le montant est forfaitairement fixé à (0,35 EUR) par journée d'exploitation.
  § 4. Sous les réserves ci-après, les dispositions des articles 1er, 7°, 2, 3, 9 à 14, 16, 18 à 21 et 23 à 25 sont applicables aux redevables de la taxe prévue par le présent article;
  1° la valeur locative servant de base à la perception de la taxe annuelle visée au § 1er est celle des locaux affectés ou déclarés comme étant affectés à la vente ou à la livraison proprement dite, ainsi que des magasins et autres lieux de dépôt des boissons spiritueuses vendues ou livrées par quantités de six litres ou moins; si ces locaux, magasins et autres lieux de dépôt sont affectés en même temps à un autre commerce que le débit de boissons spiritueuses par quantités de six litres ou moins, la valeur locative est calculée proportionnellement au rapport existant entre, d'une part, le produit approximatif dudit débit, et, d'autre part, le produit total des ventes;
  2° la valeur locative visée par le 1° est susceptible d'être revue d'année en année, notamment en cas d'agrandissement; toutefois, cette révision ne donne pas lieu à la perception d'un supplément pour la partie de l'année restant à courir;
  3° une nouvelle taxe annuelle n'est pas due par celui qui transfère son débit dans le courant d'une année, ce transfert ne devant par ailleurs pas donner lieu à la perception d'un supplément;
  4° le certificat de moralité que le débitant de boissons spiritueuses produit, tant pour lui-même que pour son gérant ou préposé éventuel, doit attester uniquement que l'intéressé ne tombe pas sous l'application de l'article 4 de la loi du 10 juin 1947 concernant les accises et les douanes.
  
HOOFDSTUK Vbis. - Bepalingen eigen aan het Vlaamse Gewest.
CHAPITRE Vbis. - Dispositions propres à la Région flamande.
Art. 27bis. Voor de belastingen bedoeld in hoofdstuk III, bestaande uit de artikelen 8 tot 25ter, hoofdstuk IV, bestaande uit artikel 26, en hoofdstuk V, bestaande uit artikel 27, worden wat het Vlaamse Gewest betreft, de aanslagvoeten op nul gebracht.
Art. 27bis. Pour les taxes visées au chapitre III, consistant en les articles 8 à 25ter, chapitre IV, consistant en l'article 26 et le chapitre V, consistant en l'article 27, les taux d'imposition sont réduits à zéro pour ce qui concerne la Région flamande.
HOOFDSTUK VI. - Betaling van de belastingen.
CHAPITRE VI. - Paiement des taxes.
Art.28. De openingsbelasting wordt bij de aangifte ineens betaald.
Art.28. La taxe d'ouverture est payée en une fois au moment de la déclaration.
Art.29. Een slijterij van gegiste dranken mag slechts worden geopend na bericht [1 van de ambtenaar met ten minste een titel van attaché aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen]1 dat voldaan is aan de eisen gesteld bij de wet en bij de ter uitvoering daarvan genomen koninklijke besluiten.
  Dit bericht moet binnen acht dagen na de aangifte ter hand gesteld worden.
  Is de opening niet toegelaten, dan wordt de betaalde som teruggegeven.
Art.29. Le débit de boissons fermentées ne peut être ouvert qu'après avis [1 de l'agent ayant au moins un titre d'attaché désigné par l'administrateur général des douanes et accises]1 que les conditions prescrites par la loi et les arrêtés royaux pris en exécution de celles-ci sont réunies.
  Cet avis doit être remis dans les huit jours de la déclaration.
  A défaut d'autorisation d'ouverture, la somme payée est restituée.
Art.30. <W 06-07-1967, art. 22> De belastingen bedoeld bij de artikelen 26 en 27 moeten worden betaald in de tweede helft van de maand januari die het begin bepaalt van de periode waarvoor ze verschuldigd zijn.
  Nochtans moet de eerste jaarlijkse belasting, verschuldigd door de bij artikel 27, bedoelde belastingschuldigen, worden betaald op het ogenblik van de aangifte. Die belasting is geheel verschuldigd voor het jaar waarin de slijterij wordt geopend.
Art.30. <L 06-07-1967, art. 22> Les taxes visées aux articles 26 et 27 doivent être acquittées au cours de la seconde quinzaine du mois de janvier qui détermine le début de la période pour laquelle elles sont dues.
  Cependant, la première taxe annuelle due par les redevables visés à l'article 27 doit être acquittée lors de la déclaration. Cette taxe est entièrement due pour l'année au cours de laquelle le débit est ouvert.
Art.31. De aanvullende belasting verschuldigd ingevolge de schatting bedoeld in artikel 11 is betaalbaar binnen tien dagen na de betekening van deze schatting.
  Bezwaar tegen de schatting schorst de opvorderbaarheid van de aanvullende belasting niet.
Art.31. Le supplément de taxe dû ensuite de l'expertise prévue à l'article 11 est payable dans les dix jours de la notification de cette expertise.
  La réclamation contre l'évaluation ne suspend pas l'exigibilité du supplément.
HOOFDSTUK VII. - Bezwaarschriften.
CHAPITRE VII. - Réclamations.
Art. 33. Elk bezwaarschrift inzake de in deze gecoördineerde wetten bedoelde belastingen moet schriftelijk worden toegezonden aan de [2 adviseur-generaal aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen]2, die uitspraak doet. Het bezwaarschrift moet, op straffe van verval, toekomen binnen drie maanden na de datum van de opvorderbaarheid van de belasting, en, zo het betrekking heeft op het bedrag van de huurwaarde, moet de belastingschuldige er de huurwaarde in vermelden die, naar zijn mening, als grondslag voor de heffing van de belasting moet dienen. De beslissing van de directeur, die eventueel de toestand van de belastingschuldige mag verzwaren, wordt deze bij een ter post aangetekende brief toegezonden.
Art. 33. Toute réclamation relative aux taxes visées par les présentes lois coordonnées doit être adressée par écrit au [2 conseiller général désigné par l'administrateur général des douanes et accises]2, qui statue. Elle doit, à peine de déchéance, parvenir dans les trois mois de la date d'exigibilité de la taxe, et lorsqu'elle est relative au montant de la valeur locative, le redevable doit y indiquer la valeur locative qu'il estime devoir servir de base à la perception de la taxe. La décision du directeur, laquelle peut, le cas échéant, aggraver la situation du redevable, est envoyée à celui-ci par pli recommandé à la poste.
Art. 33. (Waals gewest)
  [1 Elk bezwaarschrift inzake de in deze gecoördineerde wetten bedoelde belastingen moet schriftelijk worden toegezonden aan de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar, overeenkomstig de artikelen 25 en 26 van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake Waalse gewestelijke belastingen.
   Indien het betrekking heeft op het bedrag van de huurwaarde, moet de belastingschuldige er de huurwaarde in vermelden die, naar zijn mening, als grondslag voor de heffing van de belasting moet dienen.
   De beslissing van de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar, die eventueel de toestand van de belastingschuldige mag verzwaren, wordt deze bij een ter post aangetekende brief toegezonden.]1

  
Art. 33. (Région wallonne)
  [1 Toute réclamation relative aux taxes visées par les présentes lois coordonnées doit être adressée par écrit au fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon, conformément aux articles 25 et 26 du décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes.
   Lorsqu'elle est relative au montant de la valeur locative, le redevable doit y indiquer la valeur locative qu'il estime devoir servir de base à la perception de la taxe.
   La décision du fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon, laquelle peut, le cas échéant, aggraver la situation du redevable, est envoyée à celui-ci par pli recommandé à la poste.]1

  
Art. 34. § 1. Een college van experten is geroepen om uitspraak te doen in geval van geschil nopens het bedrag van de huurwaarde van de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen dienende tot de exploitatie van een drankslijterij. Dit college wordt opgericht in al de localiteiten waar een kantoor der accijnzen bestaat. Het bestaat uit twee experten aangewezen, de ene door de belastingplichtige, de andere door de [2 adviseur]2.
  § 2. Ingeval de verzoeker de beslissing van de [2 adviseur-generaal aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen]2 niet aanneemt, moet hij zulks, op straffe van verval, aan deze ambtenaar betekenen bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk de tiende werkdag te rekenen van de datum der beslissing; hij moet tevens de schatting vragen van het onroerend goed of van het gedeelte van onroerend goed dat hij bezigt voor de exploitatie van zijn drankslijterij en de door hem gekozen expert in onroerende goederen aanwijzen. Zijnerzijds wijst ook de bevoegde [2 adviseur]2 een expert in onroerende goederen aan.
  Zo de verzoeker in gebreke blijft zijn expert aan te wijzen binnen de voorgeschreven termijn, wordt zijn bezwaarschrift als niet bestaande beschouwd.
  Zo de experten zich niet akkoord stellen nopens de vaststelling van de waarde welke moet dienen tot basis voor de berekening der openingsbelasting, wordt het geschil onderworpen aan een scheidsrechter gekozen onder de experten in onroerende goederen en aangewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op aanvraag van de controleur der accijnzen.
  De scheidsrechter hoort de experten alvorens zijn beslissing te treffen.
  (§ 3. De experten en de scheidsrechter worden gekozen met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 828, 829, 830 en 966 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij moeten gedomicilieerd zijn in het gebied van de rechtbank van eerste aanleg waarin het te schatten goed of gedeelte van goed is gelegen.) <W 10-10-1967, art. 3 en art. 55>
  (§ 4. Alvorens hun ambt uit te oefenen, leggen de experten en de scheidsrechter de volgende eed af in handen van de voorzitter van de rechtbank die bedoeld is in § 3 :
  " Ik zweer in volle geweten over de mij voorgelegde zaken uitspraak te doen, zonder aanzien des persoons en volgens de bepalingen van de wet, en het geheim te beweren van al de bevindingen in verband met de geschillen. "
  De eed is geldig voor al de schattingen, die binnen twaalf maanden na de aflegging worden verricht.) <W 06-07-1967, art. 24>
  (§ 5. De experten en eventueel de scheidsrechter die optreden inzake schatting van onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen bestemd voor de exploitatie van een drankslijterij, hebben recht op een bezoldiging waarvan de Koning het bedrag vaststelt, evenals, in voorkomend geval, op de verplaatsingskosten berekend overeenkomstig het burgerlijk tarief.
  De expertisekosten met inbegrip van de verplaatsingskosten zijn ten laste :
  1° van de belastingschuldige, indien de geschatte huurwaarde gelijk is aan of hoger is dan deze door de [2 adviseur]2 bepaald;
  2° van de Schatkist, indien de geschatte huurwaarde niet hoger is dan deze door de belastingschuldige vermeld;
  3° van beide belanghebbende partijen die elk de helft ervan dragen, indien de geschatte huurwaarde ligt tussen deze door de belastingschuldige vermeld en deze door de controleur bepaald.) <W 06-07-1967, art.25>
  § 6. De experten moeten hun beslissing treffen binnen dertig dagen, te rekenen van de datum van de betekening gedaan overeenkomstig § 2.
  In geval van meningsverschil tussen de experten, treft de aangewezen scheidsrechter zijn beslissing binnen zestig dagen, te rekenen van dezelfde datum.
Art. 34. § 1. Un collège d'experts est appelé à se prononcer en cas de litige sur le montant de la valeur locative des immeubles ou parties d'immeubles affectes à l'exploitation d'un débit de boissons. Ce collège est constitué dans toutes les localités où existe un bureau des accises. Il est composé de deux experts désignés, l'un par le recevable de la taxe, l'autre par le [2 conseiller]2.
  § 2. Dans l'éventualité où le requérant n'accepte pas la décision du [2 conseiller général désigné par l'administrateur général des douanes et accises]2, il doit, à peine de forclusion, le signifier à ce fonctionnaire par lettre recommandée à la poste au plus tard le dixième jour ouvrable à compter de la date de la décision; il doit en même temps demander l'expertise de l'immeuble ou de la partie d'immeuble qu'il affecte à l'exploitation de son débit de boissons, et désigner l'expert en immeubles qu'il a choisi. De son côté, le contrôleur compétent désigne un expert en immeubles.
  A défaut, par le requérant, de désigner son expert dans le délai prescrit, sa réclamation est considérée comme non avenue.
  Si les experts ne se mettent pas d'accord sur la fixation de la valeur qui doit servir de base au calcul de la taxe d'ouverture, le litige est soumis à un tiers-arbitre, choisi parmi les experts en immeubles et désigné par le président du tribunal de première instance sur la requête du [2 conseiller]2.
  Le tiers-arbitre entend les experts avant de rendre sa décision.
  (§ 3. Les experts et le tiers-arbitre sont choisis en tenant compte des articles 828, 829, 830, et 966 du Code judiciaire. Ils doivent être domicilies dans le ressort du tribunal de première instance ou est situé l'immeuble ou la partie d'immeuble à expertiser.) <L 10-10-1967, art. 3 et art. 55>
  (§ 4. Avant d'entrer en fonctions, les experts et le tiers-arbitre prêtent devant le président du tribunal visé au §3 le serment suivant :
  " Je jure de me prononcer sur les affaires qui me seront soumises en toute conscience, sans acception de personne et d'après les dispositions de la loi, et de garder le secret sur toutes les constatations se rattachant aux litiges. "
  Le serment est valable pour toutes les expertises effectuées dans les douze mois de sa prestation.) <L 06-07-1967, art. 24>
  (§ 5. Les experts et éventuellement le tiers-arbitre intervenant en matière d'évaluation d'immeubles ou de parties d'immeubles affectés à l'exploitation d'un débit de boissons ont droit à une rémunération dont le Roi fixe le montant, ainsi que le cas échéant, aux frais de déplacement calcules conformément au tarif civil.
  Les frais d'évaluation, y compris les frais de déplacement, sont à charge :
  1° du redevable, si la valeur locative établie par l'expertise est égale ou supérieure à celle fixée par le [2 conseiller]2;
  2° du Trésor, si la valeur locative établie par l'expertise ne dépasse pas celle indiquée par le redevable;
  3° des deux parties intéressées qui en supportent chacune la moitié, si la valeur locative établie par l'expertise se situe entre celle indiquée par le redevable et celle fixée par le contrôleur.) <L 06-07-1967, art. 24>
  § 6. Les experts doivent rendre leur décision dans les trente jours à compter de la date de la signification faite conformément au § 2.
  En cas de désaccord entre les experts, le tiers-arbitre désigné rend sa décision dans les soixante jours à compter de la même date.
Art. 34. (Waals gewest)
   § 1. [1 Een college van experten is geroepen om uitspraak te doen in geval van geschil nopens het bedrag van de huurwaarde van de onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen dienende tot de exploitatie van een drankslijterij. Dit college bestaat uit twee experten aangewezen, de ene door de belastingsplichtige, de andere door de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar.]1
  § 2. Ingeval de verzoeker [1 de beslissing van de in artikel 33 bedoelde ambtenaar]1 niet aanneemt, moet hij zulks, op straffe van verval, aan deze ambtenaar betekenen bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk de tiende werkdag te rekenen van de datum der beslissing; hij moet tevens de schatting vragen van het onroerend goed of van het gedeelte van onroerend goed dat hij bezigt voor de exploitatie van zijn drankslijterij en de door hem gekozen expert in onroerende goederen aanwijzen. Zijnerzijds wijst ook [1 de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar]1 der accijnzen een expert in onroerende goederen aan.
  Zo de verzoeker in gebreke blijft zijn expert aan te wijzen binnen de voorgeschreven termijn, wordt zijn bezwaarschrift als niet bestaande beschouwd.
  Zo de experten zich niet akkoord stellen nopens de vaststelling van de waarde welke moet dienen tot basis voor de berekening der openingsbelasting, wordt het geschil onderworpen aan een scheidsrechter gekozen onder de experten in onroerende goederen en aangewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op aanvraag van [1 de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar]1.
  De scheidsrechter hoort de experten alvorens zijn beslissing te treffen.
  (§ 3. De experten en de scheidsrechter worden gekozen met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 828, 829, 830 en 966 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij moeten gedomicilieerd zijn in het gebied van de rechtbank van eerste aanleg waarin het te schatten goed of gedeelte van goed is gelegen.) <W 10-10-1967, art. 3 en art. 55>
  (§ 4. Alvorens hun ambt uit te oefenen, leggen de experten en de scheidsrechter de volgende eed af in handen van de voorzitter van de rechtbank die bedoeld is in § 3 :
  " Ik zweer in volle geweten over de mij voorgelegde zaken uitspraak te doen, zonder aanzien des persoons en volgens de bepalingen van de wet, en het geheim te beweren van al de bevindingen in verband met de geschillen. "
  De eed is geldig voor al de schattingen, die binnen twaalf maanden na de aflegging worden verricht.) <W 06-07-1967, art. 24>
  (§ 5. De experten en eventueel de scheidsrechter die optreden inzake schatting van onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen bestemd voor de exploitatie van een drankslijterij, hebben recht op een bezoldiging [1 waarvan de Waalse Regering het bedrag vaststelt]1, evenals, in voorkomend geval, op de verplaatsingskosten berekend overeenkomstig het burgerlijk tarief.
  De expertisekosten met inbegrip van de verplaatsingskosten zijn ten laste :
  1° van de belastingschuldige, indien de geschatte huurwaarde gelijk is aan of hoger is dan deze door [1 de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar]1 bepaald;
  2° [1 van de gewestelijke Schatkist]1, indien de geschatte huurwaarde niet hoger is dan deze door de belastingschuldige vermeld;
  3° van beide belanghebbende partijen die elk de helft ervan dragen, indien de geschatte huurwaarde ligt tussen deze door de belastingschuldige vermeld en deze [1 door de door de Waalse Regering aangewezen ambtenaar]1 bepaald.) <W 06-07-1967, art.25>
  § 6. De experten moeten hun beslissing treffen binnen dertig dagen, te rekenen van de datum van de betekening gedaan overeenkomstig § 2.
  In geval van meningsverschil tussen de experten, treft de aangewezen scheidsrechter zijn beslissing binnen zestig dagen, te rekenen van dezelfde datum.
  [1 § 7. Ingeval de aanvrager de in § 6 bedoelde beslissing van de experten of van de derde scheidsrechter niet aanneemt, kan de belastingplichtige een gerechtelijk beroep indienen tegen deze beslissing voor een burgerlijke rechtbank.
   Het beroep wordt ingediend door middel van een verzoekschrift op tegenspraak of bij dagvaarding betekend aan het Gewest in de persoon van de Minister-President.
   De artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op dat gerechtelijk beroep.]1

  
Art. 34. (Région wallonne)
   § 1. [1 Un collège d'experts est appelé à se prononcer en cas de litige sur le montant de la valeur locative des immeubles ou parties d'immeubles affectés à l'exploitation d'un débit de boissons. Ce collège est composé de deux experts désignés, l'un par le redevable de la taxe, l'autre par le fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon.]1
  § 2. Dans l'éventualité où le requérant n'accepte pas [1 la décision du fonctionnaire visé à l'article 33]1, il doit, à peine de forclusion, le signifier à ce fonctionnaire par lettre recommandée à la poste au plus tard le dixième jour ouvrable à compter de la date de la décision; il doit en même temps demander l'expertise de l'immeuble ou de la partie d'immeuble qu'il affecte à l'exploitation de son débit de boissons, et désigner l'expert en immeubles qu'il a choisi. De son côté, [1 le fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon]1 désigne un expert en immeubles.
  A défaut, par le requérant, de désigner son expert dans le délai prescrit, sa réclamation est considérée comme non avenue.
  Si les experts ne se mettent pas d'accord sur la fixation de la valeur qui doit servir de base au calcul de la taxe d'ouverture, le litige est soumis à un tiers-arbitre, choisi parmi les experts en immeubles et désigné par le président du tribunal de première instance sur la requête [1 du fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon ]1.
  Le tiers-arbitre entend les experts avant de rendre sa décision.
  (§ 3. Les experts et le tiers-arbitre sont choisis en tenant compte des articles 828, 829, 830, et 966 du Code judiciaire. Ils doivent être domicilies dans le ressort du tribunal de première instance ou est situé l'immeuble ou la partie d'immeuble à expertiser.) <L 10-10-1967, art. 3 et art. 55>
  (§ 4. Avant d'entrer en fonctions, les experts et le tiers-arbitre prêtent devant le président du tribunal visé au §3 le serment suivant :
  " Je jure de me prononcer sur les affaires qui me seront soumises en toute conscience, sans acception de personne et d'après les dispositions de la loi, et de garder le secret sur toutes les constatations se rattachant aux litiges. "
  Le serment est valable pour toutes les expertises effectuées dans les douze mois de sa prestation.) <L 06-07-1967, art. 24>
  (§ 5. Les experts et éventuellement le tiers-arbitre intervenant en matière d'évaluation d'immeubles ou de parties d'immeubles affectés à l'exploitation d'un débit de boissons ont droit à une rémunération [1 dont le Gouvernement wallon fixe le montant]1, ainsi que le cas échéant, aux frais de déplacement calcules conformément au tarif civil.
  Les frais d'évaluation, y compris les frais de déplacement, sont à charge :
  1° du redevable, si la valeur locative établie par l'expertise est égale ou supérieure à celle fixée par [1 le fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon]1;
  2° [1 du Trésor régional]1, si la valeur locative établie par l'expertise ne dépasse pas celle indiquée par le redevable;
  3° des deux parties intéressées qui en supportent chacune la moitié, si la valeur locative établie par l'expertise se situe entre celle indiquée par le redevable et celle fixée [1 par le fonctionnaire désigné par le Gouvernement wallon]1.) <L 06-07-1967, art. 24>
  § 6. Les experts doivent rendre leur décision dans les trente jours à compter de la date de la signification faite conformément au § 2.
  En cas de désaccord entre les experts, le tiers-arbitre désigné rend sa décision dans les soixante jours à compter de la même date.
  [1 § 7. Dans l'éventualité où le requérant n'accepte pas la décision des experts ou du tiers arbitre visée au § 6, le redevable peut introduire un recours judiciaire contre cette décision devant la juridiction civile.
   Il est introduit par requête contradictoire ou par citation dirigées contre la Région en la personne du Ministre-Président.
   Les articles 1385decies et 1385undecies du Code judiciaire sont applicables à ce recours judiciaire.]1

  
HOOFDSTUK VIII. - Strafbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Pénalités.
Art.35. <W 06-07-1967, art. 25> § 1. Elke handeling, verzuim of praktijk die tot gevolg of ten doel heeft de door deze gecoördineerde wetten bepaalde belastingen geheel of gedeeltelijk te ontgaan, wordt gestraft met een geldboete van tweemaal de in 't spel zijnde belasting, onverminderd de betaling van die belasting.
  § 2. Vallen inzonderheid onder toepassing van § 1 :
  1° de exploitatie van een slijterij van gegiste of van geestrijke dranken zonder bij de bevoegde [1 ambtenaar met ten minste een titel van attaché aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen]1 de in artikel 23 of 24, § 2 of 3, bedoelde aangifte te hebben ingediend;
  2° de aangifte van een onvoldoende huurwaarde of de onjuiste vermelding van de ligging der tot slijterij dienende lokalen. Indien het een vermoede huurwaarde betreft, is het feit slechts strafbaar wanneer de waarde die tot grondslag voor de heffing van de belasting dient, de aangegeven waarde met meer dan 40 pct. te boven gaat;
  3° de niet-betaling, binnen de wettelijke termijnen, van de door deze gecoördineerde wetten bepaalde belastingen of aanvullende belastingen.
  § 3. In geval van herhaling wordt de in § 1 bepaalde geldboete op het dubbele gebracht en wordt de overtreder bovendien gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand.
Art.35. <L 06-07-1967, art. 25> § 1. Tout acte, omission ou manoeuvre ayant pour résultat ou pour but d'échapper totalement ou partiellement aux taxes fixées par les présentes lois coordonnées, est puni d'une amende égale au double de la taxe en jeu, sans préjudice du paiement de cette taxe.
  § 2. Tombent notamment sous l'application du § 1er :
  1° l'exploitation d'un débit de boissons fermentées ou spiritueuses, sans avoir remis [1 à l'agent ayant au moins un titre d'attaché désigné par l'administrateur général des douanes et accises]1 compétent la déclaration visée à l'article 23 ou 24, §§ 2 ou 3;
  2° la déclaration d'une valeur locative insuffisante ou l'indication inexacte de la situation des locaux affectés au débit. S'il s'agit d'une valeur locative présumée, le fait n'est punissable que lorsque la valeur servant de base à la perception de la taxe dépasse la valeur déclarée de plus de 40 p.c.;
  3° le défaut de paiement dans les délais légaux de taxes fixées par les présentes lois coordonnées ou d'un supplément de ces taxes.
  § 3. En cas de récidive, l'amende prévue au § 1er est portée au double et le contrevenant est puni en outre d'un emprisonnement de huit jours à un mois.
Art.36. <W 06-07-1967, art. 26> § 1. Worden gestraft met een geldboete van (25 EUR) tot (125 EUR) : <KB 2001-07-13/50, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  1° elke overtreding van deze gecoördineerde wetten, die niet door artikel 35 is bestraft;
  2° elke overtreding van de besluiten ter uitvoering van deze gecoördineerde wetten;
  3° elke weigering van visitatie of elk ander feit dat ertoe strekt de in artikel 46 bedoelde visitaties te verhinderen of te belemmeren;
  4° elke handeling van de slijter, van zijn zaakvoerder of aangestelde of van een derde, die ertoe strekt de opsporing of de vaststelling van de overtredingen te verhinderen of te belemmeren.
  § 2. Bij herhaling wordt de in § 1 bepaalde geldboete op het dubbele gebracht.
Art. 36. <L 06-07-1967, art. 26> § 1. Sont punis d'une amende de (25 EUR) à (125 EUR) : <AR 2001-07-13/50, art. 26, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  1° toute infraction aux présentes lois coordonnées non punie par l'article 35;
  2° toute infraction aux arrêtés pris pour l'exécution des présentes lois coordonnées;
  3° tout refus de visite ou autre fait tendant a empêcher ou entraver les visites prévues par l'article 46;
  4° tout acte du débitant, de son préposé ou d'un tiers tendant à empêcher ou à entraver la recherche ou la constatation des infractions.
  § 2. En cas de récidive l'amende prévue au § 1er est portée au double.
Art.37. <W 06-07-1967, art. 27> § 1. Bij overtreding van artikel 1, 2° tot 10°, en bij overtreding bestraft door artikel 36, § 1, 3° en 4°, wordt de sluiting van de slijterij uitgesproken.
  § 2. Bij overtreding van de artikelen 1, 1°, 28, 30, en 31, wordt de sluiting van de slijterij uitgesproken tot na betaling van de belastingen en geldboeten.
  § 3. Bij overtreding van artikel 2, wordt de sluiting van de slijterij uitgesproken totdat de ontzegde personen niet meer aan de exploitatie ervan deelnemen.
  § 4. [1 Bij overtreding van artikel 29 wordt de sluiting van de slijterij uitgesproken totdat aan de door of krachtens die bepaling voorgeschreven voorwaarden is voldaan.]1
Art.37. <L 06-07-1967, art. 27> § 1. En cas d'infraction à l'article 1er, 2° à 10°, et en cas d'infraction punie par l'article 36, § 1er, 3° et 4°, la fermeture du débit est prononcée.
  § 2. En cas d'infraction aux articles 1er, 1°, 28, 30, et 31, la fermeture du débit est prononcée jusqu'après paiement des taxes et amendes.
  § 3. En cas d'infraction à l'article 2, la fermeture du débit est prononcée jusqu'au moment où les personnes exclues ne participent plus à l'exploitation du débit.
  § 4. [1 En cas d'infraction à l'article 29, la fermeture du débit est prononcée jusqu'au moment où il est satisfait aux conditions prescrites par ou en vertu de cette disposition.]1
Art.41. <W 06-07-1967, art. 28> De veroordeling met uitstel en de opschorting van de veroordeling, ingevoerd bij de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, zijn niet van toepassing op de in deze gecoördineerde wetten bepaalde straffen, met uitzondering van de hoofdgevangenisstraf.
Art. 41. <L 06-07-1967, art. 28> La condamnation avec sursis et la suspension du prononcé de la condamnation, établies par la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation, ne sont pas applicables aux peines prévues par les présentes lois coordonnées, à l'exception de l'emprisonnement principal.
HOOFDSTUK IX. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions générales.
Art.42. De bepalingen van de (algemene wet inzake douane en accijnzen) worden toepasselijk gemaakt op de heffing van de openingsbelasting op de drankslijterijen - met inbegrip van de aanvullende belastingen - van de geldboeten en van de eventuele vervolgingskosten. <W 06-07-1978, art. 2 § 16, 1°>
Art.42. Les dispositions de la (loi générale sur les douanes et accises) sont rendues applicables à la perception de la taxe d'ouverture des débits de boissons - y compris les suppléments de taxe - des amendes et des frais de poursuites éventuels. <L 06-07-1978, art. 2 § 16, 1°>
Art. 42. (Waals gewest)  [1 Het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen, is van toepassing op de bij dit koninklijk besluit bedoelde belastingen, artikel 28 van dit decreet uitgezonderd.]1
  
Art. 42. (Région wallonne)  [1 Le décret du 6 mai 1999 relatif à l'établissement, au recouvrement et au contentieux en matière de taxes régionales wallonnes, est applicable aux taxes prévues par le présent arrêté royal, à l'exception de l'article 28 de ce décret.]1
  
Art.43. Op de overtredingen van deze samengeordende wetten zijn toepasselijk de bepalingen van de algemene wet inzake douane en accijnzen namelijk betreffende het opstellen en het visa van de processen-verbaal, het afgeven van de afschriften daarvan, de bewijskracht van die akten, de wijze van vervolging - met inbegrip van de parate executie - de aansprakelijkheid, de medeplichtigheid, de poging tot omkoping, het recht van transactie.
Art. 43. Sont applicables aux infractions aux présentes lois coordonnées, les dispositions de loi générale sur les douanes et accises concernant notamment la rédaction et le visa des procès-verbaux, la remise de la copie de ceux-ci, la foie due à ces actes, le mode de poursuites - y compris la voie parée - la responsabilité, la complicité, la tentative de corruption, le droit de transiger.
Art.45. Alle agenten van het bestuur der directe belastingen en van het bestuur der douanen en accijnzen, alle beëdigde gemeentelijke agenten en de rijkswachters zijn bevoegd de overtredingen van deze samengeordende wetten alleen op te sporen en vast te stellen.
Art. 45. Tous les agents de l'administration des contributions directes et de l'administration des douanes et accises, tous les agents communaux assermentés et les gendarmes sont qualifiés à l'effet de rechercher et de constater seuls les infractions aux présentes lois coordonnées.
Art.46. <W 06-07-1967, art. 29> § 1. Gedurende de ganse tijd dat de slijterij van gegiste dranken voor de verbruikers toegankelijk is of dat de slijterij van geestrijke dranken voor de klanten toegankelijk is, mogen de in artikel 45 vermelde personen, zonder bijstand, overgaan tot de visitatie van al de gedeelten van de inrichting, met inbegrip van de aanhorigheden, waartoe de verbruikers en de klanten toegang hebben, zonder dat hoeft te worden nagegaan of die lokalen ja dan neen zijn aangegeven als dienende tot slijterij.
  § 2. Voor de visitatie van het niet voor de verbruikers of de klanten toegankelijk gedeelte van de inrichting, voor de visitatie van de belendende woning alsmede voor de visitatie van elk onroerend goed waarin de exploitatie van een slijterij van gegiste of van geestrijke dranken wordt vermoed is machtiging ((van de rechter in de politierechtbank)) vereist. Die visitaties moeten door ten minste twee beambten geschieden en mogen slechts tussen 5 en 21 uur plaats hebben.
  § 3. Gedurende de visitaties bedoeld in de §§ 1 en 2 van dit artikel, mogen de in artikel 45 genoemde personen :
  1° kosteloos monsters nemen van de voorhanden zijnde dranken; de exploitant moet, desverzocht, ook kosteloos de recipiënten leveren waarin die monsters moeten worden vervat;
  2° voorlegging eisen, zonder verplaatsing, van de facturen, boeken en andere geschriften betreffende de slijterij.
Art. 46. <L 06-07-1967, art. 29> § 1. Pendant tout le temps que le débit de boissons fermentées est accessible aux consommateurs ou que le débit de boissons spiritueuses est accessible aux clients, les personnes désignées à l'article 45 peuvent visiter, sans assistance, toutes les parties de l'établissement, y compris les dépendances, où les consommateurs ou les clients ont accès, que ces locaux aient été ou n'aient pas été déclarés comme affectés au débit.
  § 2. La visite des parties de l'établissement non accessibles aux consommateurs ou aux clients, la visite de l'habitation y attenante, ainsi que la visite de tout immeuble où l'exploitation d'un débit de boissons fermentées ou de boissons spiritueuses est soupçonnée, sont subordonnées à l'autorisation ((du juge au tribunal de police)). Elles doivent être effectuées par deux employés au moins et ne peuvent avoir lieu qu'entre 5 et 21 heures.
  § 3. Au cours des visites visées aux §§ 1er et 2 du présent article, les personnes désignées à l'article 45 peuvent :
  1° prélever gratuitement des échantillons des boissons détenues, l'exploitant étant tenu, s'il en est requis, de fournir aussi gratuitement les récipients destinés à contenir ces échantillons;
  2° se faire communiquer, sans déplacement, les factures, livres et autres écritures relatifs au débit.
Art. 47bis. <W 06-07-1967, art. 30> Voor de invordering van de in deze gecoördineerde wetten bedoelde belastingen en van de provincietaksen op de slijterijen van gegiste of van geestrijke dranken zijn van toepassing de wijze van vervolging, het voorrecht en de wettelijke hypotheek zoals ze inzake accijnzen gelden.
Art. 47bis. <L 06-07-1967, art. 30> Le mode de poursuites, le privilège et l'hypothèque légale prévus en matière d'accises sont applicables au recouvrement des taxes visées par les présentes lois coordonnées et des taxes provinciales sur les débits de boissons fermentées ou spiritueuses.
Art.48. Van het dienstjaar 1953 af en met wijziging van artikel 36 van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën, zijn de provinciën en de gemeenten slechts gemachtigd een jaarlijkse belasting op de slijterijen van gegiste of geestrijke dranken te heffen, met uitsluiting van elke gelijksoortige belasting als de openingsbelasting ten bate van de Staat.
Art.48. A partir de l'exercice 1953 et par modification à l'article 36 de la loi du 24 décembre 1948 concernant les finances provinciales et communales, les provinces et les communes ne sont autorisées à établir sur les débits de boissons fermentées ou spiritueuses qu'une taxe annuelle, à l'exception de toute taxe similaire à la taxe d'ouverture perçue au profit de l'Etat.
HOOFDSTUK X. - (Bepalingen eigen aan de Gewesten waar het tarief van de openingsbelasting tot nul werd verminderd)
CHAPITRE X. - (Dispositions propres aux Régions où le taux de la taxe d'ouverture a été réduit à zéro)
Art.50. <HERSTELD bij L 2005-12-14/35, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 07-01-2006> § 1. De artikelen 23 tot 25ter, 28 en 29 zijn niet van toepassing wanneer ofwel een vaste drankslijterij wordt geopend, ofwel wordt aangevangen met een activiteit van een reizende slijterij, ofwel een gelegenheidsslijterij wordt georganiseerd op het grondgebied van een gemeente die deel uitmaakt van een Gewest dat de openingsbelasting tot nul heeft verminderd.
  § 2. Op basis van een voorafgaande bij de gemeente ingediende aanvraag tot opening van een vaste of reizende drankslijterij, gaat de gemeentelijke overheid van de bij § 1 bedoelde gemeente na :
  1° [1 ...]1
  2° met betrekking tot de vaste drankslijterijen en reizende slijterijen, in hoeverre de slijter, als bedoeld in artikel 17, § 1, en de bij hem inwonende personen die aan de exploitatie van de slijterij zouden kunnen deelnemen, zich niet bevinden, wat betreft de slijter, in een der gevallen van uitsluiting bepaald bij artikel 1, 2° tot 10°, en wat betreft de bij hem inwonende personen, in een de gevallen van uitsluiting bepaald bij artikel 1, 2° tot 9°.
  § 3. De onder § 2 bedoelde slijterijen mogen slechts worden geopend na een positief bericht van de gemeentelijke overheid, op basis van de controles uitgevoerd overeenkomstig § 2.
  
Art.50. § 1er. Les articles 23 à 25ter, 28 et 29 ne sont pas applicables lors de l'ouverture d'un débit fixe de boissons, lors du commencement d'une activité inhérente à un débit ambulant ou lors de l'organisation d'un débit occasionnel sur le territoire d'une commune appartenant à une Région qui a réduit à zéro le taux de la taxe d'ouverture.
  § 2. Sur la base d'une demande préalable d'ouverture d'un débit fixe ou ambulant auprès de la commune, l'autorité communale de la commune visée au § 1er vérifie :
  1° [1 ...]1
  2° en ce qui concerne les débits fixes de boissons et les débits ambulants, dans quelle mesure le débitant, visé à l'article 17, § 1er, et les personnes habitant chez lui qui pourraient participer à l'exploitation du débit, ne se trouvent pas, en ce qui concerne le débitant, dans l'un des cas d'exclusion prévus par l'article 1er, 2° à 10° et en ce qui concerne les personnes habitant chez lui, dans l'un des cas d'exclusion prévus par l'article 1er, 2° à 9°.
  § 3. Les débits visés au § 2 ne peuvent être ouverts qu'après un avis positif de l'autorité communale, sur la base des vérifications opérées conformément au § 2.
  
Art.51. (Opgeheven) <W 06-07-1967, art. 32, 1°>
Art.51. (Abrogé) <L 06-07-1967, art. 32, 1°>
Art.52. (Opgeheven) <W 06-07-1967, art. 32, 1°>
Art.52. (Abrogé) <L 06-07-1967, art. 32, 1°>
HOOFDSTUK XI. - Opheffingsbepalingen.
CHAPITRE XI. - Dispositions abrogatoires.
Art.53. Afgeschaft worden :
  1° het vergunningsrecht op de slijterijen van alcoholhoudende dranken, gevestigd bij de artikelen 4 tot 14 der wet van 19 augustus 1889;
  2° met ingang van het dienstjaar 1952, de buitengewone opdecime gevestigd op de openingsbelasting op de drankslijterijen bij artikel 7 van de wet van 23 maart 1932.
Art.53. Sont abolis :
  1° le droit de licence sur les débits de boissons alcooliques établi par les articles 4 à 14 de la loi du 19 août 1889;
  2° à partir de l'exercice 1952, le décime additionnel extraordinaire établi à la taxe d'ouverture des débits de boissons par l'article 7 de la loi du 23 mars 1932.
Art. 54. Opgeheven worden :
  1° titel III der wet van 12 december 1912;
  2° artikel 2, § 3, artikel 8, § 3, en artikel 15, § 1, 2°, d, der wet van 29 augustus 1919;
  3° met ingang van het dienstjaar 1952 de artikelen 57 tot 61 van de wet van 31 december 1925.
Art. 54. Sont abrogés :
  1° le titre III de la loi du 12 décembre 1912;
  2° l'article 2, § 3, l'article 8, § 3, et l'article 15, § 1er, 2°, d, de la loi du 29 août 1919;
  3° à partir de l'exercice 1952, les articles 57 à 61 de la loi du 31 décembre 1925.