Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
2 OKTOBER 1937. - Koninklijk besluit houdende het statuut van het rijkspersoneel (NOTA : opgeheven, wat de rechtspositie van het personeel van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap betreft, bij BVR1993-11-24/32, art. XV.1, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1995, doch slechts met ingang van 01-06-1994 wat niveau A betreft (art. XV.1, 1°). ) (NOTA : opgeheven, voor de ambtenaren van het Waalse Gewest, met uitzondering van de artikelen 17bis, § 2, 21, 22, 23, eerste lid, 27, § 1, § 2, lid 1 en § 3, 40, 41, 42, 42bis, 43, 44 en 70bis, lid 2, door BWG1994-11-17/35, art. 134; Inwerkingtreding : 01-12-1994) (NOTA : opgeheven, voor de ambtenaren van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, door BESL1999-05-06/52, art. 406, 1° ; Inwerkingtreding : 01-07-1999) (NOTA : gedeeltelijk opgeheven voor de Duitstalige Gemeenschap bij BDG1996-12-27/31, art. 88, § 1er, 1°; Inwerkingtreding : 01-02-1997) (NOTA : opgeheven, voor de ambtenaren van de diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, van de Hoge Raad voor de Audiovisuele sector en van de instellingen voor openbaar nut die onder het sectorcomité XVII ressorteren, door BFG2010-03-04/30, art. 34; Inwerkingtreding : 04-03-2010 (NOTA : opgeheven, voor de diensten van de Franse Gemeenschap, met uitzondering van de artikelen 17bis, § 2, 21, 22, 23, lid 1, 27 §§ 1 en 2, lid 1, en § 3, 40, 41, 42, 42bis, 43, 44 en 70bis, lid 2 en 102, door BFG1996-07-22/34, art. 130; Inwerkingtreding : 01-01-1997)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-01-2022 en tekstbijwerking tot 31-05-2024)
Titre
2 OCTOBRE 1937. - Arrêté royal portant le statut des agents de l'Etat (NOTE : abrogé, en ce qui concerne le statut du personnel du ministère flamand, par AGF1993-11-24/32, art. XV.1, 1°; En vigueur : 01-01-1995, et à partir du 01-06-1994 pour ce qui concerne le niveau A). (NOTE : abrogé pour les fonctionnaires de la Région wallonne, à l'exception des articles 17bis, § 2, 21, 22, 23, alinéa 1er, 27, § 1er, § 2, alinéa 1er et § 3, 40, 41, 42, 42bis, 43, 44 et 70bis, alinéa 2, par ARW1994-11-17/35, art. 134; En vigueur : 01-12-1994) (NOTE : abrogé pour les fonctionnaires de la Région de Bruxelles-Capitale, par ARR1999-05-06/52, art. 406, 1° ; En vigueur : 01-07-1999) (NOTE : abrogé partiellement pour la Communauté germanophone par ACG1996-12-27/31, art. 88, § 1er, 1°; En vigueur : 01-02-1997) (NOTE : abrogé, pour les agents des Services du Gouvernement de la Communauté française, du Conseil supérieur de l'Audiovisuel et des Organismes d'intérêt public qui relèvent du Comité de secteur XVII, par ACF2010-03-04/30, art. 34; En vigueur : 04-03-2010) (NOTE : abrogé, pour les services de la Communauté française, à l'exception des articles 17bis, § 2, 21, 22, 23, alinéa 1er, 27, §§ 1er et 2, alinéa 1er et § 3, 40, 41, 42, 42bis, 43, 44, 70bis, alinéa 2 et 102, par ACF1996-07-22/34, art. 130; En vigueur : 01-01-1997)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 03-01-2022 et mise à jour au 31-05-2024)
Documentinformatie
Numac: 1937100201
Datum: 1937-10-02
Info du document
Numac: 1937100201
Date: 1937-10-02
Inhoud
DEEL 1. Rijksambtenaren
DEEL II. [1 Rechten, plichten, belangenconflict...
DEEL III. [1 Selectie, werving en stage]1
TITEL I. [1 Selectie en werving]1
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
HOOFDSTUK II. Vergelijkende selecties
HOOFDSTUK IIBIS. [1 - Doorlopende selecties]1
HOOFDSTUK III. Stage en aanstelling tot rijksam...
Afdeling I. Algemene bepalingen
Afdeling II. [1 Stage van de geslaagden voor [2...
Onderafdeling I. [1 Stage van de geslaagden voo...
Onderafdeling II.
Afdeling III. Stage van de geslaagden voor [1 ....
TITEL II. [1 - Het directoraat-generaal Rekrute...
DEEL IV. Indiensttreding als rijksambtenaar
DEEL IVBIS. De opvang en de opleiding
DEEL V. [1 De mutatie]1
DEEL VI. [1 De bevordering van de gelijkheid v...
DEEL VII. Evaluatie
DEEL VIII. Anciënniteit en rangschikking
DEEL IX. Loopbaan van de rijksambtenaren
DEEL X. Tuchtregeling
TITEL 1. Tuchtstraffen
TITEL II. Raden van beroep
DEEL XI.
DEEL XII. Administratieve standen
TITEL I. Algemene regelen
TITEL II. Dienstactiviteit
TITEL III. Non-activiteit
TITEL IV. Disponibiliteit
DEEL XIII. Definitieve ambtsneerlegging
DEEL XIV. Overgangs- en slotbepalingen
BIJLAGE.
Inhoud
PARTIE I. Des agents de l'Etat
PARTIE II. [1 Des droits, des devoirs, des conf...
PARTIE III. [1 De la sélection, du recrutement ...
TITRE IER. [1 De la sélection et du recrutement]1
CHAPITRE 1er. Dispositions générales
CHAPITRE II. Des sélections comparatives
CHAPITRE IIBIS. [1 - Sélections continues]1
CHAPITRE III. Du stage et de l'admission en qua...
Section 1ère. Dispositions générales
Section II. [1 Du stage des lauréats [2 ...]2 d...
Sous-section Ière. [1 Du stage des lauréats au ...
Sous-section II.
Section III. Du stage des lauréats aux .[1 ...]...
TITRE II. [1 - La direction générale Recrutemen...
PARTIE IV. - de l'entrée en fonction en qualité...
PARTIE IVBIS. De l'accueil et de la formation
PARTIE V. [1 De la mutation]1
PARTIE VI. [1 De la promotion de l'égalité des...
PARTIE VII. De l'évaluation
PARTIE VIII. De l'ancienneté et du classement
PARTIE IX. De la carrière des agents de l'Etat
PARTIE X. Du régime disciplinaire
TITRE 1er. Des peines disciplinaires
TITRE II. Des chambres de recours
PARTIE XI.
PARTIE XII. Des positions administratives
TITRE Ier. Règles générales
TITRE II. - De l'activité de service
TITRE III. De la non-activité
TITRE IV. De la disponibilité
PARTIE XIII. De la cessation définitive des fon...
PARTIE XIV. Dispositions finales et transitoires
ANNEXE.
Tekst (198)
Texte (198)
DEEL 1. Rijksambtenaren
PARTIE I. Des agents de l'Etat
Artikel 1. Rijksambtenaar is elkeen die, in vast verband, zijn diensten aan een rijksbestuur verleent. [1 De rijksambtenaar bevindt zich in een rechtspositionele positie waaraan slechts een einde kan worden gemaakt in de gevallen waarin dit besluit voorziet.]1
Article 1er. La qualité d'agent de l'Etat est reconnue à toute personne qui, à titre définitif, preste ses services aux administrations de l'Etat. [1 L'agent de l'Etat est dans une situation statutaire à laquelle il ne peut être mis fin que dans les cas prévus par le présent arrêté.]1
Wijzigingen
Art.2. [1 De bepalingen van dit besluit zijn evenwel niet van toepassing op de provinciegouverneurs, de gouverneur en de vice-gouverneur van het administratief arrondissement van Hoofdstad-Brussel, de adjunct van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, de arrondissementcommissarissen, het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke inrichtingen van de Staat, [3 de ambtenaren van de buitendiensten van de Veiligheid van de Staat]3, en de personen, verbonden aan ministeriële kabinetten, die niet in overheidsdienst zijn tewerkgesteld, [2 en aan de leden, experten, uitvoerende personeelsleden en medewerkers bedoeld in het artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van een kabinet van een lid van een Regering of van een College van een Gemeenschap of een Gewest.]2 ]1
Art.2. [1 Les dispositions du présent arrêté ne sont toutefois pas applicables aux gouverneurs de province, au gouverneur et au vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, au gouverneur adjoint de la province du Brabant flamand, aux commissaires d'arrondissement, au personnel scientifique des établissements scientifiques de l'Etat, [3 aux agents des services extérieurs de la Sûreté de l'Etat]3, aux personnes attachées au cabinet des ministres, prises en-dehors des administrations, [2 et aux membres, experts, membres du personnel d'exécution et collaborateurs visés à l'article 13 de l'arrêté royal du 19 juillet 2001 relatif à l'installation des organes stratégiques des services publics fédéraux et relatif aux membres du personnel des services publics fédéraux désignés pour faire partie du cabinet d'un membre d'un Gouvernement ou d'un Collège d'une Communauté ou d'une Région.]2 ]1
Art.3. [1 § 1. De hiërarchische structuur van de federale overheidsdiensten wordt in vier niveaus verdeeld, namelijk niveau A, dat het hoger niveau is, en de niveaus B, C en D.
Het niveau wordt bepaald volgens de kwalificatie van de opleiding en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven om een betrekking te bekleden.
§ 2. Het niveau A bevat vijf klassen, genummerd van A1 tot A5 die de hoogste is.
Een klasse groepeert de functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden.
De functie wijst het geheel van taken en verantwoordelijkheden aan die een rijksambtenaar op zich dient te nemen.
§ 3.[2 ...]2
§ 4. In niveau A, worden de rijksambtenaren in een [2 klasse]2 benoemd.
§ 5. In de niveaus B, C en D, worden de rijksambtenaren in graden benoemd.
De graad is de titel die de ambtenaar machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen.
§ 6. Binnen elk van de niveaus B, C en D, worden de graden « gelijkwaardige graden » genoemd.
Het niveau wordt bepaald volgens de kwalificatie van de opleiding en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven om een betrekking te bekleden.
§ 2. Het niveau A bevat vijf klassen, genummerd van A1 tot A5 die de hoogste is.
Een klasse groepeert de functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden.
De functie wijst het geheel van taken en verantwoordelijkheden aan die een rijksambtenaar op zich dient te nemen.
§ 3.[2 ...]2
§ 4. In niveau A, worden de rijksambtenaren in een [2 klasse]2 benoemd.
§ 5. In de niveaus B, C en D, worden de rijksambtenaren in graden benoemd.
De graad is de titel die de ambtenaar machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen.
§ 6. Binnen elk van de niveaus B, C en D, worden de graden « gelijkwaardige graden » genoemd.
Art.3. [1 § 1. La structure hiérarchique des services publics fédéraux est répartie sur quatre niveaux nommés A, qui est le niveau supérieur, et les niveaux B, C et D;
Le niveau est déterminé selon la qualification de la formation et des aptitudes qui doivent être attestées pour occuper un emploi.
§ 2. Le niveau A comprend cinq classes numérotées de A1 à A5, qui est la plus élevée.
Une classe regroupe les fonctions ayant un niveau comparable de complexité, d'expertise technique et de responsabilité.
La fonction désigne l'ensemble des tâches et des responsabilités qu'un agent de l'Etat doit assumer.
§ 3. [2 ... ]2
§ 4. Au niveau A, les agents de l'Etat sont nommés dans une [2 classe]2.
§ 5. Aux niveaux B, C et D, les agents de l'Etat sont nommés dans un grade.
Le grade est le titre qui habilite l'agent à occuper un des emplois correspondant à ce grade.
§ 6. Au sein de chacun des niveaux B, C et D, les grades sont dénommés " grades équivalents ".]1
Le niveau est déterminé selon la qualification de la formation et des aptitudes qui doivent être attestées pour occuper un emploi.
§ 2. Le niveau A comprend cinq classes numérotées de A1 à A5, qui est la plus élevée.
Une classe regroupe les fonctions ayant un niveau comparable de complexité, d'expertise technique et de responsabilité.
La fonction désigne l'ensemble des tâches et des responsabilités qu'un agent de l'Etat doit assumer.
§ 3. [2 ... ]2
§ 4. Au niveau A, les agents de l'Etat sont nommés dans une [2 classe]2.
§ 5. Aux niveaux B, C et D, les agents de l'Etat sont nommés dans un grade.
Le grade est le titre qui habilite l'agent à occuper un des emplois correspondant à ce grade.
§ 6. Au sein de chacun des niveaux B, C et D, les grades sont dénommés " grades équivalents ".]1
Art.4. [1 § 1. De ambtenaren benoemd in de klassen A1 of A2 dragen de titel van attaché.
De ambtenaren benoemd in de klasse A3 dragen de titel van adviseur.
De ambtenaren benoemd in de klassen A4 en A5 dragen de titel van adviseur-generaal.
Een bijkomende titel kan door Ons toegevoegd worden bij de titulatuur bedoeld in het eerste, het tweede en het derde lid.
§ 2. Het niveau B omvat de graden van administratief deskundige, van financieel deskundige, van technisch deskundige en van ICT-deskundige.
Het niveau C omvat de graden van administratief assistent en van technisch assistent.
Het niveau D omvat de graden van administratief medewerker en van technisch medewerker.
Andere graden kunnen door Ons opgericht worden.]1
De ambtenaren benoemd in de klasse A3 dragen de titel van adviseur.
De ambtenaren benoemd in de klassen A4 en A5 dragen de titel van adviseur-generaal.
Een bijkomende titel kan door Ons toegevoegd worden bij de titulatuur bedoeld in het eerste, het tweede en het derde lid.
§ 2. Het niveau B omvat de graden van administratief deskundige, van financieel deskundige, van technisch deskundige en van ICT-deskundige.
Het niveau C omvat de graden van administratief assistent en van technisch assistent.
Het niveau D omvat de graden van administratief medewerker en van technisch medewerker.
Andere graden kunnen door Ons opgericht worden.]1
Wijzigingen
Art.4. [1 § 1. Les agents nommés dans les classes A1 ou A2 portent le titre d'attaché.
Les agents nommés dans la classe A3 portent le titre de conseiller.
Les agents nommés dans les classes A4 et A5 portent le titre de conseiller général.
Un titre complémentaire peut être accolé par Nous aux titres visés aux alinéas 1er, 2 et 3.
§ 2. Le niveau B comprend les grades d'expert administratif, d'expert financier, d'expert technique et d'expert ICT.
Le niveau C comprend les grades d'assistant administratif et d'assistant technique.
Le niveau D comprend les grades de collaborateur administratif et de collaborateur technique.
D'autres grades peuvent être créés par Nous.]1
Les agents nommés dans la classe A3 portent le titre de conseiller.
Les agents nommés dans les classes A4 et A5 portent le titre de conseiller général.
Un titre complémentaire peut être accolé par Nous aux titres visés aux alinéas 1er, 2 et 3.
§ 2. Le niveau B comprend les grades d'expert administratif, d'expert financier, d'expert technique et d'expert ICT.
Le niveau C comprend les grades d'assistant administratif et d'assistant technique.
Le niveau D comprend les grades de collaborateur administratif et de collaborateur technique.
D'autres grades peuvent être créés par Nous.]1
Wijzigingen
Art.5. [1 Rijksambtenaren van niveau A worden door Ons benoemd.]1
De ambtenaren van de niveaus B, C en D worden benoemd door de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.
De ambtenaren van de niveaus B, C en D worden benoemd door de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.
Wijzigingen
Art.5. [1 Les agents de l'Etat du niveau A sont nommés par Nous.]1
Les agents des niveaux B, C et D sont nommés par le président du comité de direction ou son délégué.
Les agents des niveaux B, C et D sont nommés par le président du comité de direction ou son délégué.
Wijzigingen
Art. 5ter. [1 [2 Elke functie ingedeeld in niveau A wordt in een klasse ingedeeld door de minister van Ambtenarenzaken. ]2
De aanwerving, de mobiliteit en de bevordering gebeuren uitsluitend in een van de in het eerste lid bedoelde functies.]1
De aanwerving, de mobiliteit en de bevordering gebeuren uitsluitend in een van de in het eerste lid bedoelde functies.]1
Art. 5ter. [1 [2 Chaque fonction relevant du niveau A est rangée dans une classe par le ministre de la fonction publique. ]2
Le recrutement, la mobilité et la promotion se font exclusivement dans une des fonctions visées à l'alinéa 1er.]1
Le recrutement, la mobilité et la promotion se font exclusivement dans une des fonctions visées à l'alinéa 1er.]1
Art.6. § 1. Bijzondere bepalingen voorzien, in iedere federale overheidsdienst, in de uitvoering van dit besluit en van de besluiten die het hebben gewijzigd of aangevuld.
Die bepalingen worden door Ons vastgesteld tenzij Wij die bevoegdheid aan de minister hebben opgedragen. In dit laatste geval machtigt de aan de minister opgedragen bevoegdheid hem niet, van het door Ons bepaalde statuut af te wijken, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
Alle bepalingen vastgesteld op grond van het eerste en het tweede lid worden aan het voorafgaand advies van het directiecomité onderworpen.
§ 2. De bepalingen met de in § 1 omschreven strekking die afwijkingen van dit statuut bevatten welke het niet uitdrukkelijk toestaat, worden onderworpen aan de formaliteit voorgeschreven in § 1, derde lid, en tevens aan de formaliteiten voorgeschreven in artikel 116.
Die bepalingen worden door Ons vastgesteld tenzij Wij die bevoegdheid aan de minister hebben opgedragen. In dit laatste geval machtigt de aan de minister opgedragen bevoegdheid hem niet, van het door Ons bepaalde statuut af te wijken, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
Alle bepalingen vastgesteld op grond van het eerste en het tweede lid worden aan het voorafgaand advies van het directiecomité onderworpen.
§ 2. De bepalingen met de in § 1 omschreven strekking die afwijkingen van dit statuut bevatten welke het niet uitdrukkelijk toestaat, worden onderworpen aan de formaliteit voorgeschreven in § 1, derde lid, en tevens aan de formaliteiten voorgeschreven in artikel 116.
Art.6. § 1er. Des dispositions particulières assurent, dans chaque service public fédéral, l'exécution du présent statut et des arrêtés qui l'ont modifié ou complété.
Ces dispositions sont prises par Nous, à moins que Nous n'ayons confié ce pouvoir au ministre. Dans ce dernier cas, le pouvoir attribué au ministre ne l'autorise pas, sauf disposition contraire expresse, à déroger au statut fixé par Nous.
Toutes les dispositions prises en application des alinéas 1 et 2 sont soumises à l'avis préalable du comité de direction.
§ 2. Les dispositions qui, tout en ayant l'objet défini au § 1er, contiennent des dérogations au présent statut non expressément prévues par celui-ci, sont soumises à la fois à la formalité prescrite par le § 1er, alinéa 3, et aux formalités par l'article 116.
Ces dispositions sont prises par Nous, à moins que Nous n'ayons confié ce pouvoir au ministre. Dans ce dernier cas, le pouvoir attribué au ministre ne l'autorise pas, sauf disposition contraire expresse, à déroger au statut fixé par Nous.
Toutes les dispositions prises en application des alinéas 1 et 2 sont soumises à l'avis préalable du comité de direction.
§ 2. Les dispositions qui, tout en ayant l'objet défini au § 1er, contiennent des dérogations au présent statut non expressément prévues par celui-ci, sont soumises à la fois à la formalité prescrite par le § 1er, alinéa 3, et aux formalités par l'article 116.
Art. 6bis. [2 § 1.]2 [3 De bevoegde minister of voorzitter van het directiecomité bepaalt welke vacant geworden betrekking wordt toegekend en volgens welke procedure.
De betrekking kan altijd worden toegekend via overgang naar het hogere niveau als ze daarvoor in aanmerking komt.
In geval van een betrekking in de klassen A2 tot A5, wordt er beroep gedaan:
- hetzij alleen op de bevordering naar de hogere klasse van de rijksambtenaren van de betrokken federale overheidsdienst;
- hetzij gelijktijdig op de bevordering naar de hogere klasse en op de mobiliteit.
Voor de betrekkingen in de klassen A2 tot A4, wanneer de keuze wordt gemaakt de betrekking gelijktijdig open te stellen voor de bevordering naar de hogere klasse zonder zich te beperken tot de rijksambtenaren van de betrokken federale overheidsdienst en voor de mobiliteit, kan de bevoegde minister of de voorzitter van het directiecomité echter ook tegelijkertijd een beroep doen op de aanwerving. In dat geval leidt de procedure tot een reserve op basis van de rangschikking opgemaakt door het directiecomité. De reserve heeft een geldigheidsduur van één jaar.
Voor de klassen A3 en A4 kan er niet enkel een beroep gedaan worden op de aanwerving. Voor klasse A2, in afwijking van het derde lid, kan er enkel beroep gedaan worden op de aanwerving.
Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig de regels inzake aanwerving, wordt van de kandidaten een nuttige ervaring voor de functie geëist van zes jaar voor de klasse A3 en van negen jaar voor de klasse A4.
In afwijking van het vijfde en zesde lid, kunnen artsen meteen aangeworven worden in klasse A3 zonder dat er een nuttige professionele ervaring voor de functie vereist is.]3
[2 § 2. Aan de klasseanciënniteitsvoorwaarde bedoeld in artikel 41 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel wordt voldaan op de datum waarop het bericht van vacante betrekking wordt meegedeeld.
Aan de andere voorwaarden wordt voldaan op diezelfde datum.
Als het bericht van vacante betrekking op verschillende wijzen werd meegedeeld overeenkomstig artikel 72, § 3, wordt aan de voorwaarden voldaan op de datum die het gunstigst is voor de ambtenaar.
De Minister of de voorzitter van het directiecomité bepaalt de datum waarop het personeelsbestand bepalend zal zijn, met het oog op de toepassing van artikelen 53 en 54.
Deze datum mag niet vroeger zijn dan de datum waarop het bericht van vacante betrekking wordt meegedeeld.]2
De betrekking kan altijd worden toegekend via overgang naar het hogere niveau als ze daarvoor in aanmerking komt.
In geval van een betrekking in de klassen A2 tot A5, wordt er beroep gedaan:
- hetzij alleen op de bevordering naar de hogere klasse van de rijksambtenaren van de betrokken federale overheidsdienst;
- hetzij gelijktijdig op de bevordering naar de hogere klasse en op de mobiliteit.
Voor de betrekkingen in de klassen A2 tot A4, wanneer de keuze wordt gemaakt de betrekking gelijktijdig open te stellen voor de bevordering naar de hogere klasse zonder zich te beperken tot de rijksambtenaren van de betrokken federale overheidsdienst en voor de mobiliteit, kan de bevoegde minister of de voorzitter van het directiecomité echter ook tegelijkertijd een beroep doen op de aanwerving. In dat geval leidt de procedure tot een reserve op basis van de rangschikking opgemaakt door het directiecomité. De reserve heeft een geldigheidsduur van één jaar.
Voor de klassen A3 en A4 kan er niet enkel een beroep gedaan worden op de aanwerving. Voor klasse A2, in afwijking van het derde lid, kan er enkel beroep gedaan worden op de aanwerving.
Wanneer de betrekking wordt toegekend overeenkomstig de regels inzake aanwerving, wordt van de kandidaten een nuttige ervaring voor de functie geëist van zes jaar voor de klasse A3 en van negen jaar voor de klasse A4.
In afwijking van het vijfde en zesde lid, kunnen artsen meteen aangeworven worden in klasse A3 zonder dat er een nuttige professionele ervaring voor de functie vereist is.]3
[2 § 2. Aan de klasseanciënniteitsvoorwaarde bedoeld in artikel 41 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel wordt voldaan op de datum waarop het bericht van vacante betrekking wordt meegedeeld.
Aan de andere voorwaarden wordt voldaan op diezelfde datum.
Als het bericht van vacante betrekking op verschillende wijzen werd meegedeeld overeenkomstig artikel 72, § 3, wordt aan de voorwaarden voldaan op de datum die het gunstigst is voor de ambtenaar.
De Minister of de voorzitter van het directiecomité bepaalt de datum waarop het personeelsbestand bepalend zal zijn, met het oog op de toepassing van artikelen 53 en 54.
Deze datum mag niet vroeger zijn dan de datum waarop het bericht van vacante betrekking wordt meegedeeld.]2
Wijzigingen
Art. 6bis. [2 § 1er.]2 [3 Le ministre compétent ou président du comité de direction détermine quel emploi devenu vacant sera attribué et selon quelle procédure.
L'emploi peut toujours être attribué par accession au niveau supérieur, s'il est susceptible d'une telle attribution.
Dans le cas d'un emploi dans les classes A2 à A5, il est recouru :
- soit uniquement à la promotion à la classe supérieure des agents de l'Etat du service public fédéral concerné ;
- soit simultanément à la promotion à la classe supérieure et à la mobilité.
Toutefois, pour les emplois dans les classes A2 à A4, lorsque le choix est fait d'ouvrir l'emploi simultanément à la promotion à la classe supérieure, sans se limiter aux agents de l'Etat du service public fédéral concerné, et à la mobilité, le ministre compétent ou le président du comité de direction peut aussi recourir en même temps au recrutement. Dans ce cas, la procédure aboutit à une réserve sur base du classement établi par le comité de direction. La réserve a une durée de validité d'un an.
Pour les classes A3 et A4, il ne peut pas être fait exclusivement appel au recrutement. Pour la classe A2, par dérogation à l'alinéa 3, il peut être fait appel exclusivement au recrutement.
Lorsque l'emploi est attribué conformément aux règles prévues en matière de recrutement, il est exigé des candidats une expérience utile à la fonction de six ans pour la classe A3 et de 9 ans pour la classe A4.
Par dérogation aux alinéas 5 et 6, les docteurs en médecine peuvent directement être recrutés en classe A3 sans exigence d'une expérience professionnelle utile à la fonction.]3
[2 § 2. La condition d'ancienneté de classe visée à l'article 41 de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, est remplie à la date à laquelle l'avis de vacance est communiqué.
Les autres conditions sont remplies à cette même date.
Lorsque l'avis de vacance a été communiqué au moyen de plusieurs modes, conformément à l'article 72, § 3, les conditions sont remplies à la date la plus favorable pour l'agent.
Le Ministre ou le président du comité de direction fixe la date à laquelle l'effectif du personnel sera déterminant, en vue de l'application des articles 53 et 54.
Cette date ne peut être antérieure à la date à laquelle l'avis de vacance est communiqué.]2
L'emploi peut toujours être attribué par accession au niveau supérieur, s'il est susceptible d'une telle attribution.
Dans le cas d'un emploi dans les classes A2 à A5, il est recouru :
- soit uniquement à la promotion à la classe supérieure des agents de l'Etat du service public fédéral concerné ;
- soit simultanément à la promotion à la classe supérieure et à la mobilité.
Toutefois, pour les emplois dans les classes A2 à A4, lorsque le choix est fait d'ouvrir l'emploi simultanément à la promotion à la classe supérieure, sans se limiter aux agents de l'Etat du service public fédéral concerné, et à la mobilité, le ministre compétent ou le président du comité de direction peut aussi recourir en même temps au recrutement. Dans ce cas, la procédure aboutit à une réserve sur base du classement établi par le comité de direction. La réserve a une durée de validité d'un an.
Pour les classes A3 et A4, il ne peut pas être fait exclusivement appel au recrutement. Pour la classe A2, par dérogation à l'alinéa 3, il peut être fait appel exclusivement au recrutement.
Lorsque l'emploi est attribué conformément aux règles prévues en matière de recrutement, il est exigé des candidats une expérience utile à la fonction de six ans pour la classe A3 et de 9 ans pour la classe A4.
Par dérogation aux alinéas 5 et 6, les docteurs en médecine peuvent directement être recrutés en classe A3 sans exigence d'une expérience professionnelle utile à la fonction.]3
[2 § 2. La condition d'ancienneté de classe visée à l'article 41 de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, est remplie à la date à laquelle l'avis de vacance est communiqué.
Les autres conditions sont remplies à cette même date.
Lorsque l'avis de vacance a été communiqué au moyen de plusieurs modes, conformément à l'article 72, § 3, les conditions sont remplies à la date la plus favorable pour l'agent.
Le Ministre ou le président du comité de direction fixe la date à laquelle l'effectif du personnel sera déterminant, en vue de l'application des articles 53 et 54.
Cette date ne peut être antérieure à la date à laquelle l'avis de vacance est communiqué.]2
DEEL II. [1 Rechten, plichten, belangenconflicten en cumulatie]1
PARTIE II. [1 Des droits, des devoirs, des conflits d'intérêts et du cumul]1
Art.7. [1 § 1. De rijksambtenaar oefent zijn ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen.
Daartoe dient hij :
1° de van kracht zijnde wetten en reglementen na te leven, alsmede de richtlijnen die hem gegeven worden in het kader van die wetten en reglementen;
2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;
3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren.
§ 2. De rijksambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten.
Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden.
§ 3. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering stelt de rijksambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elk onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft.]1
Daartoe dient hij :
1° de van kracht zijnde wetten en reglementen na te leven, alsmede de richtlijnen die hem gegeven worden in het kader van die wetten en reglementen;
2° nauwgezet en correct zijn adviezen te formuleren en zijn verslagen op te stellen;
3° de beslissingen zorgvuldig en plichtsbewust uit te voeren.
§ 2. De rijksambtenaar heeft het recht om met waardigheid en hoffelijkheid te worden behandeld, zowel door zijn hiërarchische meerderen, door zijn collega's, als door zijn ondergeschikten.
Hij dient zijn collega's, zijn hiërarchische meerderen en zijn ondergeschikten met waardigheid en hoffelijkheid te behandelen. Hij vermijdt elk woord, elke houding, elk voorkomen dat deze waardigheid en deze hoffelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen of de goede werking van de dienst zou kunnen schaden.
§ 3. Onverminderd artikel 29 van het Wetboek van strafvordering stelt de rijksambtenaar zijn hiërarchische meerdere of, indien nodig, een hogere hiërarchische meerdere op de hoogte van elk onwettigheid of onregelmatigheid waarvan hij kennis heeft.]1
Wijzigingen
Art.7. [1 § 1er. L'agent de l'Etat remplit les fonctions avec loyauté, conscience et intégrité sous l'autorité de ses supérieurs hiérarchiques.
A cet effet, il doit :
1° respecter les lois et règlements en vigueur ainsi que les directives qui lui sont données dans le cadre de ces lois et règlements;
2° formuler ses avis et rédiger ses rapports avec rigueur et exactitude;
3° exécuter les décisions avec diligence et conscience professionnelle.
§ 2. L' agent de l'Etat a le droit d'être traité avec dignité et courtoisie tant par ses supérieurs hiérarchiques, ses collègues que ses subordonnés.
Il a le devoir de traiter ses collègues, ses supérieurs hiérarchiques et ses subordonnés avec dignité et courtoisie. Il évite toute parole, toute attitude, toute présentation qui pourrait compromettre cette dignité et cette courtoisie ou obérer le bon fonctionnement du service.
§ 3. Sans préjudice de l'article 29 du Code d'instruction criminelle, l'agent de l'Etat informe son supérieur hiérarchique ou, si nécessaire, un supérieur hiérarchique plus élevé, de toute illégalité ou irrégularité dont il a connaissance.]1
A cet effet, il doit :
1° respecter les lois et règlements en vigueur ainsi que les directives qui lui sont données dans le cadre de ces lois et règlements;
2° formuler ses avis et rédiger ses rapports avec rigueur et exactitude;
3° exécuter les décisions avec diligence et conscience professionnelle.
§ 2. L' agent de l'Etat a le droit d'être traité avec dignité et courtoisie tant par ses supérieurs hiérarchiques, ses collègues que ses subordonnés.
Il a le devoir de traiter ses collègues, ses supérieurs hiérarchiques et ses subordonnés avec dignité et courtoisie. Il évite toute parole, toute attitude, toute présentation qui pourrait compromettre cette dignité et cette courtoisie ou obérer le bon fonctionnement du service.
§ 3. Sans préjudice de l'article 29 du Code d'instruction criminelle, l'agent de l'Etat informe son supérieur hiérarchique ou, si nécessaire, un supérieur hiérarchique plus élevé, de toute illégalité ou irrégularité dont il a connaissance.]1
Wijzigingen
Art. 7bis. [1 § 1.- De Rijksambtenaar kan enkel worden gecontacteerd buiten de normale arbeidstijd wanneer het gaat om uitzonderlijke en onvoorziene aangelegenheden waarbij actie vereist is die niet kan wachten tot de volgende arbeidsperiode of indien de Rijksambtenaar wordt aangeduid voor een wachtdienst.
Onder `normale arbeidstijd' worden alle periodes verstaan tijdens de welke de Rijksambtenaar ter beschikking staat van zijn werkgever.
De Rijksambtenaar mag geen nadelen ondervinden wanneer hij buiten zijn normale arbeidstijd zijn telefoon niet opneemt of werkgerelateerde berichten niet leest.
§ 2.- Met het oog op het verzekeren van het respect voor de rusttijden, jaarlijkse vakantie en andere verloven van de Rijksambtenaren en het vrijwaren van de balans tussen werk en privéleven, organiseert de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal op regelmatige tijdstippen een overleg over deconnectie van het werk en het gebruik van digitale communicatiemiddelen in het bevoegde overlegcomité. Het advies van de preventieadviseur kan worden gevraagd. Dit overleg vindt minstens één maal per jaar plaats.
§ 3.- Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.]1
Onder `normale arbeidstijd' worden alle periodes verstaan tijdens de welke de Rijksambtenaar ter beschikking staat van zijn werkgever.
De Rijksambtenaar mag geen nadelen ondervinden wanneer hij buiten zijn normale arbeidstijd zijn telefoon niet opneemt of werkgerelateerde berichten niet leest.
§ 2.- Met het oog op het verzekeren van het respect voor de rusttijden, jaarlijkse vakantie en andere verloven van de Rijksambtenaren en het vrijwaren van de balans tussen werk en privéleven, organiseert de voorzitter van het directiecomité of de secretaris-generaal op regelmatige tijdstippen een overleg over deconnectie van het werk en het gebruik van digitale communicatiemiddelen in het bevoegde overlegcomité. Het advies van de preventieadviseur kan worden gevraagd. Dit overleg vindt minstens één maal per jaar plaats.
§ 3.- Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.]1
Art. 7bis. [1 § 1er.- L'agent de l'Etat ne peut être contacté en dehors du temps de travail normal que pour des raisons exceptionnelles et imprévues nécessitant une action qui ne peut attendre la prochaine période de travail ou si l'agent de l'Etat est désigné à un service de garde.
Par " temps de travail normal ", on entend toutes les périodes pendant lesquelles l'agent de l'Etat est à la disposition de son employeur.
L'agent de l'Etat ne peut subir aucun préjudice s'il ne répond pas au téléphone ou ne lit pas de messages liés au travail en dehors de son temps de travail normal.
§ 2.- En vue d'assurer le respect des temps de repos, des vacances annuelles et des autres congés des agents de l'Etat et de préserver l'équilibre entre le travail et la vie privée, le président du comité de direction ou le secrétaire général organise une concertation au sein du comité de concertation compétent à des intervalles réguliers au sujet de la déconnexion du travail et de l'utilisation des moyens de communication numériques. L'avis du conseiller en prévention peut être demandé. Cette concertation a lieu au moins une fois par an.
§ 3.- Le présent article est également applicable au personnel engagé par contrat de travail.]1
Par " temps de travail normal ", on entend toutes les périodes pendant lesquelles l'agent de l'Etat est à la disposition de son employeur.
L'agent de l'Etat ne peut subir aucun préjudice s'il ne répond pas au téléphone ou ne lit pas de messages liés au travail en dehors de son temps de travail normal.
§ 2.- En vue d'assurer le respect des temps de repos, des vacances annuelles et des autres congés des agents de l'Etat et de préserver l'équilibre entre le travail et la vie privée, le président du comité de direction ou le secrétaire général organise une concertation au sein du comité de concertation compétent à des intervalles réguliers au sujet de la déconnexion du travail et de l'utilisation des moyens de communication numériques. L'avis du conseiller en prévention peut être demandé. Cette concertation a lieu au moins une fois par an.
§ 3.- Le présent article est également applicable au personnel engagé par contrat de travail.]1
Art.8. [1 § 1. De rijksambtenaar behandelt de gebruikers van zijn diensten met welwillendheid. In de manier waarop hij de vragen van de gebruikers beantwoordt of waarop hij de dossiers behandelt, eerbiedigt hij op een strikte manier de beginselen van neutraliteit, van gelijkheid in behandeling en van naleving van de wetten, de reglementen en de richtlijnen.
Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen.
§ 2. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de rijksambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke toestand waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt.
§ 3. De rijksambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar uit oorzaak hiervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.
Het eerste lid slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt.]1
Wanneer hij bij zijn ambtsuitoefening in contact komt met het publiek vermijdt de rijksambtenaar elk woord, elke houding, elk voorkomen, die van die aard zouden kunnen zijn dat ze het vertrouwen van het publiek in zijn volledige neutraliteit, in zijn bekwaamheid of in zijn waardigheid in het gedrang zouden kunnen brengen.
§ 2. Zelfs buiten de uitoefening van zijn ambt vermijdt de rijksambtenaar elk gedrag dat in strijd is met de waardigheid van zijn ambt. Hij vermijdt evenzeer elke toestand waarbij hij, zelfs door een tussenpersoon, in verband zou kunnen gebracht worden met bezigheden die in strijd zijn met de waardigheid van zijn ambt.
§ 3. De rijksambtenaar mag, noch rechtstreeks, noch door tussenpersoon, zelfs buiten zijn ambtsuitoefening, maar uit oorzaak hiervan, giften, beloningen of enig voordeel vragen, eisen of aannemen.
Het eerste lid slaat niet op symbolische geschenken van kleine waarde uitgewisseld tussen ambtenaren in de normale uitoefening van hun ambt.]1
Wijzigingen
Art.8. [1 § 1er. L'agent de l'Etat traite les usagers de ses services avec bienveillance. Dans la manière dont il répond aux demandes des usagers ou dont il traite les dossiers, il respecte strictement les principes de neutralité, d'égalité de traitement et de respect des lois, règlements et directives.
Lorsqu'il est, dans le cadre de ses fonctions, en contact avec le public, l'agent de l'Etat évite toute parole, toute attitude, toute présentation qui pourraient être de nature à ébranler la confiance du public en sa totale neutralité, en sa compétence ou en sa dignité.
§ 2. Même en dehors de l'exercice de ses fonctions, l'agent de l'Etat évite tout comportement contraire à la dignité de ses fonctions. Il évite aussi toute situation où, même par personne interposée, il pourrait être associé à des occupations contraires à la dignité de ses fonctions.
§ 3. L'agent de l'Etat ne peut solliciter, exiger ou recevoir, directement ou par personne interposée, même en-dehors de ses fonctions mais à raison de celles-ci, des dons, gratifications ou avantages quelconques.
L'alinéa 1er ne vise pas les cadeaux symboliques de faible valeur échangés entre agents dans l'exercice normal de leurs fonctions.]1
Lorsqu'il est, dans le cadre de ses fonctions, en contact avec le public, l'agent de l'Etat évite toute parole, toute attitude, toute présentation qui pourraient être de nature à ébranler la confiance du public en sa totale neutralité, en sa compétence ou en sa dignité.
§ 2. Même en dehors de l'exercice de ses fonctions, l'agent de l'Etat évite tout comportement contraire à la dignité de ses fonctions. Il évite aussi toute situation où, même par personne interposée, il pourrait être associé à des occupations contraires à la dignité de ses fonctions.
§ 3. L'agent de l'Etat ne peut solliciter, exiger ou recevoir, directement ou par personne interposée, même en-dehors de ses fonctions mais à raison de celles-ci, des dons, gratifications ou avantages quelconques.
L'alinéa 1er ne vise pas les cadeaux symboliques de faible valeur échangés entre agents dans l'exercice normal de leurs fonctions.]1
Wijzigingen
Art.9. [1 § 1. De rijksambtenaar plaatst zich niet en laat zich niet plaatsen in een toestand van belangenconflicten, dit wil zeggen in een toestand waarin hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of de gewettigde verdenking te doen ontstaan van zulke invloed.
§ 2. Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte.
In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om er een einde aan te stellen.
De rijksambtenaar kan op elk ogenblik schriftelijk om het advies van de voorzitter van het directiecomité, of van diens afgevaardigde, vragen over een toestand waarin hij zich in de toekomst zou kunnen bevinden, dit om te weten of deze de oorzaak zou kunnen zijn van een belangenconflict. Het advies wordt hem schriftelijk verstrekt binnen de maand.]1
§ 2. Wanneer een ambtenaar van oordeel is dat hij een belangenconflict heeft of vreest te hebben, brengt hij zijn hiërarchische meerdere hierover onmiddellijk op de hoogte. Deze verleent hem hiervan schriftelijk akte.
In geval van een erkend belangenconflict, neemt de hiërarchische meerdere de passende maatregelen om er een einde aan te stellen.
De rijksambtenaar kan op elk ogenblik schriftelijk om het advies van de voorzitter van het directiecomité, of van diens afgevaardigde, vragen over een toestand waarin hij zich in de toekomst zou kunnen bevinden, dit om te weten of deze de oorzaak zou kunnen zijn van een belangenconflict. Het advies wordt hem schriftelijk verstrekt binnen de maand.]1
Wijzigingen
Art.9. [1 § 1er. L'agent de l'Etat ne se place pas et ne se laisse pas placer dans une situation de conflits d'intérêts, c'est-à-dire une situation dans laquelle il a par lui-même ou par personne interposée un intérêt personnel susceptible d' influer sur l'exercice impartial et objectif de ses fonctions ou à créer la suspicion légitime d'une telle influence.
§ 2. Lorsqu'un agent estime qu'il a un conflit d'intérêt ou qu'il craint d'en avoir un, il en informe immédiatement son supérieur hiérarchique. Celui-ci lui en donne acte par écrit.
En cas de conflit d'intérêt avéré, le supérieur hiérarchique prend les mesures adéquates pour y mettre fin.
L'agent de l'Etat peut à tout moment solliciter par écrit l'avis du président du comité de direction ou de son délégué sur une situation dans laquelle il pourrait se trouver dans le futur afin de savoir si elle serait constitutive d'un conflit d'intérêt. L'avis lui est transmis par écrit dans le mois.]1
§ 2. Lorsqu'un agent estime qu'il a un conflit d'intérêt ou qu'il craint d'en avoir un, il en informe immédiatement son supérieur hiérarchique. Celui-ci lui en donne acte par écrit.
En cas de conflit d'intérêt avéré, le supérieur hiérarchique prend les mesures adéquates pour y mettre fin.
L'agent de l'Etat peut à tout moment solliciter par écrit l'avis du président du comité de direction ou de son délégué sur une situation dans laquelle il pourrait se trouver dans le futur afin de savoir si elle serait constitutive d'un conflit d'intérêt. L'avis lui est transmis par écrit dans le mois.]1
Wijzigingen
Art.10. [1 De rijksambtenaar heeft het recht op vrijheid van meningsuiting ten aanzien van de feiten waarvan hij kennis heeft uit hoofde van zijn ambt.
Het is hem enkel verboden die feiten bekend te maken die betrekking hebben op s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder op het recht op eerbied voor het privé-leven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen; evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de belangen van de overheidsdienst waarin de ambtenaar is tewerkgesteld, kunnen schaden.]1
Het is hem enkel verboden die feiten bekend te maken die betrekking hebben op s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde, de financiële belangen van de overheid, het voorkomen en het bestraffen van strafbare feiten, het medisch geheim, de rechten en de vrijheden van de burger, en in het bijzonder op het recht op eerbied voor het privé-leven; dit verbod geldt bovendien voor feiten die betrekking hebben op de voorbereiding van alle beslissingen zolang er nog geen eindbeslissing is genomen; evenals voor feiten die, wanneer zij bekend worden gemaakt, de belangen van de overheidsdienst waarin de ambtenaar is tewerkgesteld, kunnen schaden.]1
Wijzigingen
Art.10. [1 L'agent de l'Etat jouit de la liberté d'expression à l'égard des faits dont il a connaissance dans l'exercice de ses fonctions.
Il lui est uniquement interdit de révéler des faits qui ont trait à la sécurité nationale, à la protection de l'ordre public, aux intérêts financiers de l'autorité, à la prévention et à la répression des faits délictueux, au secret médical, aux droits et libertés du citoyen, et notamment le droit au respect de la vie privée; ceci vaut également pour les faits qui ont trait à la préparation de toutes les décisions aussi longtemps qu'une décision finale n'a pas encore été prise ainsi que pour les faits qui, lorsqu' ils sont divulgués, peuvent porter préjudice aux intérêts du service public dans lequel l'agent est occupé.]1
Il lui est uniquement interdit de révéler des faits qui ont trait à la sécurité nationale, à la protection de l'ordre public, aux intérêts financiers de l'autorité, à la prévention et à la répression des faits délictueux, au secret médical, aux droits et libertés du citoyen, et notamment le droit au respect de la vie privée; ceci vaut également pour les faits qui ont trait à la préparation de toutes les décisions aussi longtemps qu'une décision finale n'a pas encore été prise ainsi que pour les faits qui, lorsqu' ils sont divulgués, peuvent porter préjudice aux intérêts du service public dans lequel l'agent est occupé.]1
Wijzigingen
Art.11. [1 § 1. De rijksambtenaar heeft recht op informatie voor alle aspecten die nuttig zijn voor de uitoefening van zijn taken. Elke hiërarchische meerdere verzekert de informatiedoorstroming naar zijn ondergeschikten toe.
De rijksambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, reglementeringen en onderzoeken in de materies waarmee hij beroepshalve belast is.
§ 2. De rijksambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn werk alsook op de voortgezette opleiding met het oog op de ontwikkeling van zijn beroepsloopbaan.
[2 Dit recht op opleiding omvat een minimum van gemiddeld vijf opleidingsdagen per jaar voor elke individuele rijksambtenaar. Het gemiddelde wordt bekeken over een periode van vijf jaar.]2
De rijksambtenaar volgt, met aandacht en met de wil zijn competenties te ontwikkelen, de noodzakelijke opleidingen voor de uitoefening van zijn ambt.
§ 3. De rijkambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst.]1
[3 § 4. Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.]3
De rijksambtenaar houdt zich permanent op de hoogte van de ontwikkeling van de technieken, reglementeringen en onderzoeken in de materies waarmee hij beroepshalve belast is.
§ 2. De rijksambtenaar heeft recht op de opleiding die nuttig is voor zijn werk alsook op de voortgezette opleiding met het oog op de ontwikkeling van zijn beroepsloopbaan.
[2 Dit recht op opleiding omvat een minimum van gemiddeld vijf opleidingsdagen per jaar voor elke individuele rijksambtenaar. Het gemiddelde wordt bekeken over een periode van vijf jaar.]2
De rijksambtenaar volgt, met aandacht en met de wil zijn competenties te ontwikkelen, de noodzakelijke opleidingen voor de uitoefening van zijn ambt.
§ 3. De rijkambtenaar neemt op actieve wijze deel aan de kennisdeling binnen de openbare dienst.]1
[3 § 4. Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.]3
Art.11. [1 § 1er. L'agent de l'Etat a droit à l'information pour tous les aspects utiles à l'exercice de ses tâches. Chaque supérieur hiérarchique assure la transmission de l'information à ses subordonnés.
L'agent de l'Etat se tient au courant d'une façon permanente de l'évolution des techniques, réglementations et recherches dans les matières dont il est professionnellement chargé.
§ 2. L'agent de l'Etat a droit à la formation utile à son travail de même qu'à la formation continue en vue du développement de sa carrière professionnelle.
[2 Ce droit à la formation comprend une moyenne minimale de cinq jours de formation par an pour chaque agent d'Etat. La moyenne est prise en compte sur une période de cinq ans. ]2
L'agent de l'Etat suit, avec attention et la volonté de développer ses compétences, les formations nécessaires à l'exercice de ses fonctions.
§ 3. L'agent de l'Etat participe activement au partage des connaissances au sein du service public.]1
[3 § 4. Le présent article est également applicable au personnel engagé par contrat de travail.]3
L'agent de l'Etat se tient au courant d'une façon permanente de l'évolution des techniques, réglementations et recherches dans les matières dont il est professionnellement chargé.
§ 2. L'agent de l'Etat a droit à la formation utile à son travail de même qu'à la formation continue en vue du développement de sa carrière professionnelle.
[2 Ce droit à la formation comprend une moyenne minimale de cinq jours de formation par an pour chaque agent d'Etat. La moyenne est prise en compte sur une période de cinq ans. ]2
L'agent de l'Etat suit, avec attention et la volonté de développer ses compétences, les formations nécessaires à l'exercice de ses fonctions.
§ 3. L'agent de l'Etat participe activement au partage des connaissances au sein du service public.]1
[3 § 4. Le présent article est également applicable au personnel engagé par contrat de travail.]3
Art. 11bis. [1 § 1. De leidend ambtenaar of zijn gemachtigde gaat een scholingsbeding aan met de ambtenaar die een opleiding volgt.
Onder scholingsbeding wordt verstaan: het beding waarbij de ambtenaar die een opleiding op kosten van zijn federale dienst volgt, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de opleidingskosten terug te betalen wanneer hij zonder geldige reden de opleiding onderbreekt voor de voltooiing ervan of vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar na het einde van de opleiding:
1° ambtshalve zijn hoedanigheid verliest in toepassing van artikel 112, §§ 1 en 2 en § 3, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° en 7°, vrijwillig ontslag neemt overeenkomstig artikel 113, 1°, of ontslagen wordt wegens beroepsongeschiktheid zoals bedoeld in artikel 114;
2° in een dienst die niet behoort tot het federaal administratief openbaar ambt bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken benoemd wordt.
Onder geldige reden wordt verstaan: een situatie waarin de ambtenaar door overmacht, ziekte, arbeidsongeschiktheid of een andere reden die niet aan hem is toe te rekenen, wordt verhinderd de opleiding voort te zetten. De ambtenaar brengt in voorkomend geval zijn federale dienst zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van de reden van het afzien van de opleiding en de daarbij behorende bewijsstukken voor te leggen.
Het scholingsbeding is van toepassing op:
1° het opleidingsprogramma dat de ambtenaar dient te volgen tijdens het werkplekleertraject bedoeld in artikel 79bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 houdende de loopbaan van het Rijkspersoneel;
2° opleidingen die zich bevinden op een door de minister van Ambtenarenzaken vastgelegde lijst.
Tijdens de geldigheidsduur van het scholingsbeding kan de ambtenaar zijn rechten op een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden bedoeld in hoofdstuk XII van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen niet doen gelden voor een periode van zes maanden of meer.
Het scholingsbeding bepaalt de toepassingsvoorwaarden en de nadere regels voor de terugbetaling.
Het scholingsbeding wordt met de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde vastgelegd voordat de ambtenaar de toestemming heeft verkregen de opleiding te volgen.
De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning legt het model van het scholingsbeding vast met inachtneming van de paragrafen 2 tot 5.
§ 2. Het scholingsbeding bevat minstens:
1° een omschrijving van de overeengekomen opleiding, de duur ervan en de plaats waar ze doorgaat;
2° de kost van deze opleiding of in het geval waarin de kost niet kan worden bepaald in zijn geheel, de kostenelementen die toelaten om de waarde te schatten van de opleiding;
3° de begindatum en de geldigheidsduur van het beding;
4° het terug te betalen bedrag van de opleidingskosten.
Indien de opleiding aanleiding geeft tot het afleveren van een attest valt de begindatum van het scholingsbeding samen met de aflevering van het attest.
Het bedrag bedoeld in de bepaling onder 4° wordt op degressieve wijze uitgedrukt in functie van de geldingsduur van het scholingsbeding. Dit bedrag mag niet hoger liggen dan de grenzen vastgesteld in paragraaf 4.
§ 3. Er wordt geen scholingsbeding opgemaakt wanneer:
1° de jaarwedde van de ambtenaar het bedrag bedoeld in artikel 22bis, § 4, eerste streepje, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten niet overschrijdt;
2° het niet gaat om een opleiding ter verwerving van nieuwe competenties die in voorkomend geval ook kunnen worden aangewend buiten de federale dienst waarbinnen de ambtenaar is tewerkgesteld;
3° de door de ambtenaar gevolgde opleiding voortvloeit uit een wettelijke of reglementaire bepaling om de functie waarvoor de ambtenaar werd aangeworven, uit te oefenen;
4° de opleiding geen duur van tachtig uren bereikt of een waarde heeft gelijk aan of lager dan het dubbel van de maandwedde van een ambtenaar die de weddeschaal NDA1 op trap 0 geniet;
5° de opleiding aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
a) de opleiding is noodzakelijk om het werk waarvoor de ambtenaar is aangeworven, uit te voeren;
b) de federale dienst van de ambtenaar is verplicht de opleiding te verstrekken in toepassing van een wettelijke of reglementaire regel.
Elk scholingsbeding in strijd met de voorwaarden bedoeld in het eerste lid is nietig.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid, 4°, is verbonden aan de spilindex 138,01.
De voorwaarden bedoeld in het eerste lid, bepalingen onder 1° en 3°, zijn niet van toepassing indien het scholingsbeding betrekking heeft op een opleiding voor een functie die voorkomt op de lijst met knelpuntberoepen bedoeld in artikel 16, § 2, 1°.
Het eerste lid, bepaling onder 5°, is niet van toepassing op :
1° het opleidingsprogramma dat de ambtenaar dient te volgen tijdens het werkplekleertraject bedoeld in artikel 79bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 houdende de loopbaan van het Rijkspersoneel;
2° opleidingen die een aanzienlijke financiële inspanning vereisen en zich bevinden op de door de minister van Ambtenarenzaken vastgelegde lijst.
§ 4. Wanneer de ambtenaar de voorwaarden van het scholingsbeding niet respecteert, mag het bedrag van terugbetaling dat hij is verschuldigd niet meer inhouden dan:
1° tachtig procent van de opleidingskosten ingeval hij binnen een periode van minder dan één jaar vertrekt of de opleiding zonder geldige reden onderbreekt;
2° vijftig procent van de opleidingskosten ingeval hij binnen een periode van één en minder dan twee jaar vertrekt;
3° twintig procent van de opleidingskosten ingeval van hij van na een periode van meer dan twee jaar vertrekt.
In elk geval mag dit bedrag nooit meer dan dertig procent van de jaarwedde van de ambtenaar inhouden.
Indien de ambtenaar verlof voor stage neemt en vervolgens benoemd wordt in een dienst die niet behoort tot het federaal administratief openbaar ambt bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, wordt hij beschouwd te zijn vertrokken op de dag waarop hij zijn verlof voor stage is bekomen.
§ 5. De ambtenaar blijft de bezitter van zijn diploma's of certificaten en beschikt over het origineel of een door de opleidingsinstantie gewaarmerkt afschrift of het scholingsbeding al dan niet uitwerking heeft.]1
Onder scholingsbeding wordt verstaan: het beding waarbij de ambtenaar die een opleiding op kosten van zijn federale dienst volgt, zich ertoe verbindt om aan deze laatste een gedeelte van de opleidingskosten terug te betalen wanneer hij zonder geldige reden de opleiding onderbreekt voor de voltooiing ervan of vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar na het einde van de opleiding:
1° ambtshalve zijn hoedanigheid verliest in toepassing van artikel 112, §§ 1 en 2 en § 3, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° en 7°, vrijwillig ontslag neemt overeenkomstig artikel 113, 1°, of ontslagen wordt wegens beroepsongeschiktheid zoals bedoeld in artikel 114;
2° in een dienst die niet behoort tot het federaal administratief openbaar ambt bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken benoemd wordt.
Onder geldige reden wordt verstaan: een situatie waarin de ambtenaar door overmacht, ziekte, arbeidsongeschiktheid of een andere reden die niet aan hem is toe te rekenen, wordt verhinderd de opleiding voort te zetten. De ambtenaar brengt in voorkomend geval zijn federale dienst zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van de reden van het afzien van de opleiding en de daarbij behorende bewijsstukken voor te leggen.
Het scholingsbeding is van toepassing op:
1° het opleidingsprogramma dat de ambtenaar dient te volgen tijdens het werkplekleertraject bedoeld in artikel 79bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 houdende de loopbaan van het Rijkspersoneel;
2° opleidingen die zich bevinden op een door de minister van Ambtenarenzaken vastgelegde lijst.
Tijdens de geldigheidsduur van het scholingsbeding kan de ambtenaar zijn rechten op een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden bedoeld in hoofdstuk XII van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen niet doen gelden voor een periode van zes maanden of meer.
Het scholingsbeding bepaalt de toepassingsvoorwaarden en de nadere regels voor de terugbetaling.
Het scholingsbeding wordt met de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde vastgelegd voordat de ambtenaar de toestemming heeft verkregen de opleiding te volgen.
De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning legt het model van het scholingsbeding vast met inachtneming van de paragrafen 2 tot 5.
§ 2. Het scholingsbeding bevat minstens:
1° een omschrijving van de overeengekomen opleiding, de duur ervan en de plaats waar ze doorgaat;
2° de kost van deze opleiding of in het geval waarin de kost niet kan worden bepaald in zijn geheel, de kostenelementen die toelaten om de waarde te schatten van de opleiding;
3° de begindatum en de geldigheidsduur van het beding;
4° het terug te betalen bedrag van de opleidingskosten.
Indien de opleiding aanleiding geeft tot het afleveren van een attest valt de begindatum van het scholingsbeding samen met de aflevering van het attest.
Het bedrag bedoeld in de bepaling onder 4° wordt op degressieve wijze uitgedrukt in functie van de geldingsduur van het scholingsbeding. Dit bedrag mag niet hoger liggen dan de grenzen vastgesteld in paragraaf 4.
§ 3. Er wordt geen scholingsbeding opgemaakt wanneer:
1° de jaarwedde van de ambtenaar het bedrag bedoeld in artikel 22bis, § 4, eerste streepje, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten niet overschrijdt;
2° het niet gaat om een opleiding ter verwerving van nieuwe competenties die in voorkomend geval ook kunnen worden aangewend buiten de federale dienst waarbinnen de ambtenaar is tewerkgesteld;
3° de door de ambtenaar gevolgde opleiding voortvloeit uit een wettelijke of reglementaire bepaling om de functie waarvoor de ambtenaar werd aangeworven, uit te oefenen;
4° de opleiding geen duur van tachtig uren bereikt of een waarde heeft gelijk aan of lager dan het dubbel van de maandwedde van een ambtenaar die de weddeschaal NDA1 op trap 0 geniet;
5° de opleiding aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:
a) de opleiding is noodzakelijk om het werk waarvoor de ambtenaar is aangeworven, uit te voeren;
b) de federale dienst van de ambtenaar is verplicht de opleiding te verstrekken in toepassing van een wettelijke of reglementaire regel.
Elk scholingsbeding in strijd met de voorwaarden bedoeld in het eerste lid is nietig.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid, 4°, is verbonden aan de spilindex 138,01.
De voorwaarden bedoeld in het eerste lid, bepalingen onder 1° en 3°, zijn niet van toepassing indien het scholingsbeding betrekking heeft op een opleiding voor een functie die voorkomt op de lijst met knelpuntberoepen bedoeld in artikel 16, § 2, 1°.
Het eerste lid, bepaling onder 5°, is niet van toepassing op :
1° het opleidingsprogramma dat de ambtenaar dient te volgen tijdens het werkplekleertraject bedoeld in artikel 79bis van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 houdende de loopbaan van het Rijkspersoneel;
2° opleidingen die een aanzienlijke financiële inspanning vereisen en zich bevinden op de door de minister van Ambtenarenzaken vastgelegde lijst.
§ 4. Wanneer de ambtenaar de voorwaarden van het scholingsbeding niet respecteert, mag het bedrag van terugbetaling dat hij is verschuldigd niet meer inhouden dan:
1° tachtig procent van de opleidingskosten ingeval hij binnen een periode van minder dan één jaar vertrekt of de opleiding zonder geldige reden onderbreekt;
2° vijftig procent van de opleidingskosten ingeval hij binnen een periode van één en minder dan twee jaar vertrekt;
3° twintig procent van de opleidingskosten ingeval van hij van na een periode van meer dan twee jaar vertrekt.
In elk geval mag dit bedrag nooit meer dan dertig procent van de jaarwedde van de ambtenaar inhouden.
Indien de ambtenaar verlof voor stage neemt en vervolgens benoemd wordt in een dienst die niet behoort tot het federaal administratief openbaar ambt bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, wordt hij beschouwd te zijn vertrokken op de dag waarop hij zijn verlof voor stage is bekomen.
§ 5. De ambtenaar blijft de bezitter van zijn diploma's of certificaten en beschikt over het origineel of een door de opleidingsinstantie gewaarmerkt afschrift of het scholingsbeding al dan niet uitwerking heeft.]1
Art. 11bis. [1 § 1er. Le fonctionnaire dirigeant ou son délégué conclut une clause d'écolage avec l'agent qui suit une formation.
Par clause d'écolage, on entend la clause par laquelle l'agent qui suit une formation aux frais de son service fédéral, s'engage à rembourser à ce dernier une partie des coûts de la formation si, sans raison valable, il interrompt la formation avant son terme ou si, avant l'expiration d'un délai de trois ans à compter de la fin de la formation :
1° perd d'office sa qualité en application de l'article 112, §§ 1er et 2 et § 3, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° et 7°, démissionne volontairement conformément à l'article 113, 1°, ou est licencié pour inaptitude professionnelle conformément à l'article 114;
2° est nommé dans un service qui ne relève pas de la fonction publique administrative fédérale telle que définie à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique.
On entend par raison valable : une situation où l'agent est empêché de poursuivre la formation pour cause de force majeure, de maladie, d'incapacité de travail ou pour toute autre raison qui ne lui est pas imputable. Dans ce cas, l'agent informe par écrit son service fédéral, dans les meilleurs délais, de la raison de l'abandon de la formation et présente les pièces justificatives correspondantes.
La clause d'écolage est applicable :
1° au programme de formation à suivre par l'agent au cours du trajet d'apprentissage professionnel visé à l'article 79bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant la carrière des agents de l'Etat ;
2° à la liste des formations fixées par le ministre de la Fonction publique.
La clause d'écolage peut prévoir que, pendant sa durée, l'agent ne peut faire valoir tout ou partie de ses droits à une absence de longue durée pour raisons personnelles visée au chapitre XII de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat pour une durée de six mois ou plus.
La clause d'écolage définit les conditions d'application et les modalités de remboursement.
La clause d'écolage doit être fixée avec le fonctionnaire dirigeant ou son délégué avant réception par l'agent de l'autorisation de suivre la formation.
Le directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui fixe le modèle de la clause d'écolage conformément aux paragraphes 2 à 5.
§ 2. La clause d'écolage contient au moins :
1° une description de la formation convenue, de sa durée et du lieu où elle se déroulera ;
2° le coût de cette formation ou, dans le cas où le coût ne peut être déterminé dans son intégralité, les éléments de coût permettant d'estimer la valeur de la formation ;
3° sa date de début et sa durée de validité ;
4° le montant de la partie des coûts de formation à rembourser.
Si la formation conduit à la délivrance d'une attestation, la date, de la clause d'écolage coïncide avec la délivrance de l'attestation.
Le montant visé au point 4° est exprimé de manière dégressive en fonction de la durée de validité de la clause d'écolage. Ce montant ne peut pas dépasser les limites fixées au paragraphe 4.
§ 3. Il n'y a pas de clause d'écolage lorsque :
1° le traitement annuel de l'agent ne dépasse pas le montant visé à l'article 22bis, § 4, premier tiret, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
2° il ne s'agit pas d'une formation visant à acquérir de nouvelles compétences qui, le cas échéant, peuvent également être utilisées en dehors du service fédéral au sein duquel l'agent est en service ;
3° la formation suivie par l'agent se situe dans le cadre réglementaire ou légal requis pour l'exercice de la fonction pour laquelle l'agent a été recruté ;
4° la formation n'atteint pas une durée de quatre-vingts heures ou a une valeur égale ou inférieur au double du traitement mensuel d'un agent qui bénéfice de l'échelle de traitement NDA1 à l'échelon 0 ;
5° la formation répond aux conditions cumulatives suivantes :
a) la formation est nécessaire à l'accomplissement du travail pour lequel l'agent a été recruté ;
b) le service fédéral de l'agent est obligé organiser la formation en application d'une règle légale ou réglementaire.
Toute clause d'écolage contraire aux conditions visées à l'alinéa 1er est nulle.
Le montant visé à l'alinéa 1er, 4°, est lié à l'indice pivot 138,01.
Les conditions visées à l'alinéa 1er, 1° et 3°, ne s'appliquent pas si la clause d'écolage concerne une formation portant sur une fonction qui figure sur la liste des métiers en pénurie visée à l'article 16, § 2, 1°.
L'alinéa 1er, 5°, n'est pas applicable :
1° au programme de formation à suivre par l'agent au cours du trajet d'apprentissage professionnel visé à l'article 79bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant la carrière des agents de l'Etat ;
2° à la liste des formations, qui nécessitent un effort financier important, fixée par le ministre de la Fonction publique.
§ 4. Si l'agent ne respecte pas les conditions de la clause d'écolage le montant du remboursement dû ne peut excéder :
1° quatre-vingts pour cent des coûts de formation en cas de départ dans un délai inférieur à un an ou interrompt la formation sans raison valable;
2° cinquante pour cent des coûts de formation en cas de départ dans un délai d'un an et de moins de deux ans ;
3° vingt pour cent des coûts de formation en cas de départ après une période de plus de deux ans.
En tout état de cause, ce montant ne peut jamais dépasser trente pour cent du traitement annuel de l'agent.
Si un agent prend un congé pour stage et est ensuite nommé dans un service qui ne relève pas de la fonction publique administrative fédérale telle que définie à l'article 1 de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, il est considéré comme parti le jour où il a obtenu son congé pour stage.
§ 5. L'agent reste titulaire de ses diplômes ou certificats et dispose de l'original ou d'une copie certifiée conforme par l'instance responsable de la formation, que la clause d'écolage sorte ou non ses effets.]1
Par clause d'écolage, on entend la clause par laquelle l'agent qui suit une formation aux frais de son service fédéral, s'engage à rembourser à ce dernier une partie des coûts de la formation si, sans raison valable, il interrompt la formation avant son terme ou si, avant l'expiration d'un délai de trois ans à compter de la fin de la formation :
1° perd d'office sa qualité en application de l'article 112, §§ 1er et 2 et § 3, 1°, 2°, 3°, 5°, 6° et 7°, démissionne volontairement conformément à l'article 113, 1°, ou est licencié pour inaptitude professionnelle conformément à l'article 114;
2° est nommé dans un service qui ne relève pas de la fonction publique administrative fédérale telle que définie à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique.
On entend par raison valable : une situation où l'agent est empêché de poursuivre la formation pour cause de force majeure, de maladie, d'incapacité de travail ou pour toute autre raison qui ne lui est pas imputable. Dans ce cas, l'agent informe par écrit son service fédéral, dans les meilleurs délais, de la raison de l'abandon de la formation et présente les pièces justificatives correspondantes.
La clause d'écolage est applicable :
1° au programme de formation à suivre par l'agent au cours du trajet d'apprentissage professionnel visé à l'article 79bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant la carrière des agents de l'Etat ;
2° à la liste des formations fixées par le ministre de la Fonction publique.
La clause d'écolage peut prévoir que, pendant sa durée, l'agent ne peut faire valoir tout ou partie de ses droits à une absence de longue durée pour raisons personnelles visée au chapitre XII de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat pour une durée de six mois ou plus.
La clause d'écolage définit les conditions d'application et les modalités de remboursement.
La clause d'écolage doit être fixée avec le fonctionnaire dirigeant ou son délégué avant réception par l'agent de l'autorisation de suivre la formation.
Le directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui fixe le modèle de la clause d'écolage conformément aux paragraphes 2 à 5.
§ 2. La clause d'écolage contient au moins :
1° une description de la formation convenue, de sa durée et du lieu où elle se déroulera ;
2° le coût de cette formation ou, dans le cas où le coût ne peut être déterminé dans son intégralité, les éléments de coût permettant d'estimer la valeur de la formation ;
3° sa date de début et sa durée de validité ;
4° le montant de la partie des coûts de formation à rembourser.
Si la formation conduit à la délivrance d'une attestation, la date, de la clause d'écolage coïncide avec la délivrance de l'attestation.
Le montant visé au point 4° est exprimé de manière dégressive en fonction de la durée de validité de la clause d'écolage. Ce montant ne peut pas dépasser les limites fixées au paragraphe 4.
§ 3. Il n'y a pas de clause d'écolage lorsque :
1° le traitement annuel de l'agent ne dépasse pas le montant visé à l'article 22bis, § 4, premier tiret, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ;
2° il ne s'agit pas d'une formation visant à acquérir de nouvelles compétences qui, le cas échéant, peuvent également être utilisées en dehors du service fédéral au sein duquel l'agent est en service ;
3° la formation suivie par l'agent se situe dans le cadre réglementaire ou légal requis pour l'exercice de la fonction pour laquelle l'agent a été recruté ;
4° la formation n'atteint pas une durée de quatre-vingts heures ou a une valeur égale ou inférieur au double du traitement mensuel d'un agent qui bénéfice de l'échelle de traitement NDA1 à l'échelon 0 ;
5° la formation répond aux conditions cumulatives suivantes :
a) la formation est nécessaire à l'accomplissement du travail pour lequel l'agent a été recruté ;
b) le service fédéral de l'agent est obligé organiser la formation en application d'une règle légale ou réglementaire.
Toute clause d'écolage contraire aux conditions visées à l'alinéa 1er est nulle.
Le montant visé à l'alinéa 1er, 4°, est lié à l'indice pivot 138,01.
Les conditions visées à l'alinéa 1er, 1° et 3°, ne s'appliquent pas si la clause d'écolage concerne une formation portant sur une fonction qui figure sur la liste des métiers en pénurie visée à l'article 16, § 2, 1°.
L'alinéa 1er, 5°, n'est pas applicable :
1° au programme de formation à suivre par l'agent au cours du trajet d'apprentissage professionnel visé à l'article 79bis de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant la carrière des agents de l'Etat ;
2° à la liste des formations, qui nécessitent un effort financier important, fixée par le ministre de la Fonction publique.
§ 4. Si l'agent ne respecte pas les conditions de la clause d'écolage le montant du remboursement dû ne peut excéder :
1° quatre-vingts pour cent des coûts de formation en cas de départ dans un délai inférieur à un an ou interrompt la formation sans raison valable;
2° cinquante pour cent des coûts de formation en cas de départ dans un délai d'un an et de moins de deux ans ;
3° vingt pour cent des coûts de formation en cas de départ après une période de plus de deux ans.
En tout état de cause, ce montant ne peut jamais dépasser trente pour cent du traitement annuel de l'agent.
Si un agent prend un congé pour stage et est ensuite nommé dans un service qui ne relève pas de la fonction publique administrative fédérale telle que définie à l'article 1 de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, il est considéré comme parti le jour où il a obtenu son congé pour stage.
§ 5. L'agent reste titulaire de ses diplômes ou certificats et dispose de l'original ou d'une copie certifiée conforme par l'instance responsable de la formation, que la clause d'écolage sorte ou non ses effets.]1
Art.12. [1 § 1. De rijksambtenaar mag geen, op welke wijze ook bezoldigde, activiteit uitoefenen buiten zijn ambt, dan nadat hij een machtiging tot cumulatie bekomen heeft.
De machtiging tot cumulatie wordt verleend voor een periode van ten hoogste vier jaar. Haar verlenging is onderworpen aan een nieuwe machtiging. De machtiging tot cumulatie mag geen terugwerkende kracht hebben.
Een machtiging tot cumulatie kan enkel verleend worden als de activiteit wordt uitgeoefend buiten uren waarop hij zijn dienst vervult. Zij dient in elk geval volledig bijkomstig te blijven ten overstaan van het uitgeoefend ambt.
Een activiteit kan slechts worden uitgeoefend mits inachtname van de wetten en reglementen die de uitoefening van die activiteit regelen. In voorkomend geval, wordt het bewijs daarvan geleverd aan de instantie die de machtiging voor de cumulatie heeft verleend.
§ 2. De vraag tot cumulatie wordt door de ambtenaar ingediend bij zijn hiërarchische meerdere. Zij dient verplicht te omvatten :
1° de zo nauwkeurig mogelijke aanwijzing van de beoogde activiteit;
2° de duur van de beoogde activiteit;
3° de gemotiveerde bevestiging dat de activiteit geen aanleiding kan geven, zelfs in de toekomst, tot een toestand van belangenconflict.
§ 3. Wanneer hij het nodig acht, vraagt de hiërarchische meerdere aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
De hiërarchische meerdere zendt de vraag, langs hiërarchische weg, met zijn beoordeling, aan de voorzitter van het directiecomité of aan zijn afgevaardigde.
De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde, vraagt wanneer hij het nodig acht, aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
§ 4. De beslissing de machtiging tot cumulatie te verlenen of te weigeren wordt genomen door de voorzitter van het directiecomité. Hij kan die bevoegdheid delegeren behalve voor de titularissen van de management- en staffuncties.
De beslissing de machtiging tot cumulatie te verlenen of te weigeren wordt genomen door de Minister indien de aanvraag uitgaat van de voorzitter van het directiecomité.
Bij gebreke aan een beslissing binnen de twee maanden na de aanvraag, wordt de machtiging voor cumulatie ambsthalve verleend. De termijn wordt op drie maanden gebracht als gebruik wordt gemaakt van § 3, eerste en derde lid.
§ 5. De uitoefening van de mandaten bedoeld in de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor het personeel van de overheidsdiensten, valt niet onder de toepassing van dit artikel.
De uitoefening van bezoldigde activiteiten inherent aan het ambt wordt niet bedoeld in dit artikel. Evenwel, is steeds het voorafgaand schriftelijk akkoord van de hiërarchische meerdere vereist. Bij gebreke aan een beslissing binnen de twee maanden na de aanvraag, wordt het akkoord ambsthalve verleend.
De uitoefening van een activiteit die voortvloeit uit een aanwijzing door de bevoegde overheid wordt niet bedoeld in dit artikel. Evenwel is de informatie van de hiërarchische meerdere vereist.]1
[2 § 6. Elke machtiging tot cumulatie wordt ambtshalve opgeschort wanneer de ambtenaar afwezig is wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, wanneer hij in disponibiliteit wegens ziekte is of werkt volgens het stelsel van de verminderde prestaties wegens medische redenen.
De opschorting van de machtiging heeft geen effect op de duur ervan.]2
De machtiging tot cumulatie wordt verleend voor een periode van ten hoogste vier jaar. Haar verlenging is onderworpen aan een nieuwe machtiging. De machtiging tot cumulatie mag geen terugwerkende kracht hebben.
Een machtiging tot cumulatie kan enkel verleend worden als de activiteit wordt uitgeoefend buiten uren waarop hij zijn dienst vervult. Zij dient in elk geval volledig bijkomstig te blijven ten overstaan van het uitgeoefend ambt.
Een activiteit kan slechts worden uitgeoefend mits inachtname van de wetten en reglementen die de uitoefening van die activiteit regelen. In voorkomend geval, wordt het bewijs daarvan geleverd aan de instantie die de machtiging voor de cumulatie heeft verleend.
§ 2. De vraag tot cumulatie wordt door de ambtenaar ingediend bij zijn hiërarchische meerdere. Zij dient verplicht te omvatten :
1° de zo nauwkeurig mogelijke aanwijzing van de beoogde activiteit;
2° de duur van de beoogde activiteit;
3° de gemotiveerde bevestiging dat de activiteit geen aanleiding kan geven, zelfs in de toekomst, tot een toestand van belangenconflict.
§ 3. Wanneer hij het nodig acht, vraagt de hiërarchische meerdere aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
De hiërarchische meerdere zendt de vraag, langs hiërarchische weg, met zijn beoordeling, aan de voorzitter van het directiecomité of aan zijn afgevaardigde.
De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde, vraagt wanneer hij het nodig acht, aan de ambtenaar bijkomende informatie of verantwoordingsstukken.
§ 4. De beslissing de machtiging tot cumulatie te verlenen of te weigeren wordt genomen door de voorzitter van het directiecomité. Hij kan die bevoegdheid delegeren behalve voor de titularissen van de management- en staffuncties.
De beslissing de machtiging tot cumulatie te verlenen of te weigeren wordt genomen door de Minister indien de aanvraag uitgaat van de voorzitter van het directiecomité.
Bij gebreke aan een beslissing binnen de twee maanden na de aanvraag, wordt de machtiging voor cumulatie ambsthalve verleend. De termijn wordt op drie maanden gebracht als gebruik wordt gemaakt van § 3, eerste en derde lid.
§ 5. De uitoefening van de mandaten bedoeld in de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor het personeel van de overheidsdiensten, valt niet onder de toepassing van dit artikel.
De uitoefening van bezoldigde activiteiten inherent aan het ambt wordt niet bedoeld in dit artikel. Evenwel, is steeds het voorafgaand schriftelijk akkoord van de hiërarchische meerdere vereist. Bij gebreke aan een beslissing binnen de twee maanden na de aanvraag, wordt het akkoord ambsthalve verleend.
De uitoefening van een activiteit die voortvloeit uit een aanwijzing door de bevoegde overheid wordt niet bedoeld in dit artikel. Evenwel is de informatie van de hiërarchische meerdere vereist.]1
[2 § 6. Elke machtiging tot cumulatie wordt ambtshalve opgeschort wanneer de ambtenaar afwezig is wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, wanneer hij in disponibiliteit wegens ziekte is of werkt volgens het stelsel van de verminderde prestaties wegens medische redenen.
De opschorting van de machtiging heeft geen effect op de duur ervan.]2
Art.12. [1 § 1er. L'agent de l'Etat ne peut exercer une activité, rémunérée de quelque façon que ce soit, hors de ses fonctions qu'après avoir obtenu une autorisation de cumul.
L'autorisation de cumul est accordée pour une période maximale de quatre ans. Son renouvellement est soumis à une nouvelle autorisation. L'autorisation de cumul ne peut pas avoir d'effet rétroactif.
Une autorisation de cumul ne peut être accordée que si l'activité s'exerce en dehors des heures où il accomplit son service. Elle doit en toute hypothèse rester tout à fait accessoire par rapport aux fonctions exercées.
Une activité ne peut être exercée en cumul que dans le respect des lois et règlements organisant l'exercice de cette activité. Preuve en est fournie, le cas échéant, à l'instance qui a autorisé le cumul.
§ 2. La demande de cumul est introduite par l'agent auprès de son supérieur hiérarchique. Elle comprend obligatoirement :
1° la désignation aussi précise que possible de l'activité envisagée;
2° la durée de l'activité envisagée;
3° l'affirmation motivée que l'activité ne peut pas faire naître, même dans le futur, une situation de conflit d'intérêt.
§ 3. S'il l'estime nécessaire, le supérieur hiérarchique sollicite de l'agent des compléments d'information ou des pièces justificatives.
Le supérieur hiérarchique transmet, par la voie hiérarchique, la demande, avec son appréciation, au président du comité de direction ou à son délégué.
Le président du comité de direction ou son délégué, s'il l'estime nécessaire, sollicite de l'agent des compléments d'information ou des pièces justificatives.
§ 4. La décision d'accorder ou de refuser le cumul est prise par le président du comité de direction. Il peut déléguer cette compétence sauf pour les titulaires des fonctions de management ou d'encadrement.
La décision d'accorder ou de refuser le cumul est prise par le Ministre si la demande émane du président du comité de direction.
A défaut de décision dans les deux mois de la demande, l'autorisation de cumul est accordée d'office. Le délai est porté à trois mois s'il est fait usage du § 3, alinéas 1er et 3.
§ 5. L'exercice des mandats visés par la loi du 18 septembre 1986 instituant le congé politique pour les membres du personnel des services publics n'est pas visé par le présent article. L'exercice d'activités rémunérées inhérentes à la fonction n'est pas visé au présent article.
Toutefois, il requiert toujours l'accord écrit préalable du supérieur hiérarchique. A défaut de décision dans les deux mois de la demande, l'accord est accordé d'office.
L'exercice d'une activité qui résulte d'une désignation par l'autorité compétente n'est pas visé au présent article. Toutefois, il requiert l'information du supérieur hiérarchique.]1
[2 § 6. Toute autorisation de cumul est suspendue d'office lorsque l'agent est absent pour maladie, par suite d'un accident de travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle, lorsqu'il est en disponibilité pour maladie ou lorsqu'il travaille selon le régime des prestations réduites pour raisons médicales.
La suspension de l'autorisation n'a aucun impact sur la durée de celle-ci.]2
L'autorisation de cumul est accordée pour une période maximale de quatre ans. Son renouvellement est soumis à une nouvelle autorisation. L'autorisation de cumul ne peut pas avoir d'effet rétroactif.
Une autorisation de cumul ne peut être accordée que si l'activité s'exerce en dehors des heures où il accomplit son service. Elle doit en toute hypothèse rester tout à fait accessoire par rapport aux fonctions exercées.
Une activité ne peut être exercée en cumul que dans le respect des lois et règlements organisant l'exercice de cette activité. Preuve en est fournie, le cas échéant, à l'instance qui a autorisé le cumul.
§ 2. La demande de cumul est introduite par l'agent auprès de son supérieur hiérarchique. Elle comprend obligatoirement :
1° la désignation aussi précise que possible de l'activité envisagée;
2° la durée de l'activité envisagée;
3° l'affirmation motivée que l'activité ne peut pas faire naître, même dans le futur, une situation de conflit d'intérêt.
§ 3. S'il l'estime nécessaire, le supérieur hiérarchique sollicite de l'agent des compléments d'information ou des pièces justificatives.
Le supérieur hiérarchique transmet, par la voie hiérarchique, la demande, avec son appréciation, au président du comité de direction ou à son délégué.
Le président du comité de direction ou son délégué, s'il l'estime nécessaire, sollicite de l'agent des compléments d'information ou des pièces justificatives.
§ 4. La décision d'accorder ou de refuser le cumul est prise par le président du comité de direction. Il peut déléguer cette compétence sauf pour les titulaires des fonctions de management ou d'encadrement.
La décision d'accorder ou de refuser le cumul est prise par le Ministre si la demande émane du président du comité de direction.
A défaut de décision dans les deux mois de la demande, l'autorisation de cumul est accordée d'office. Le délai est porté à trois mois s'il est fait usage du § 3, alinéas 1er et 3.
§ 5. L'exercice des mandats visés par la loi du 18 septembre 1986 instituant le congé politique pour les membres du personnel des services publics n'est pas visé par le présent article. L'exercice d'activités rémunérées inhérentes à la fonction n'est pas visé au présent article.
Toutefois, il requiert toujours l'accord écrit préalable du supérieur hiérarchique. A défaut de décision dans les deux mois de la demande, l'accord est accordé d'office.
L'exercice d'une activité qui résulte d'une désignation par l'autorité compétente n'est pas visé au présent article. Toutefois, il requiert l'information du supérieur hiérarchique.]1
[2 § 6. Toute autorisation de cumul est suspendue d'office lorsque l'agent est absent pour maladie, par suite d'un accident de travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle, lorsqu'il est en disponibilité pour maladie ou lorsqu'il travaille selon le régime des prestations réduites pour raisons médicales.
La suspension de l'autorisation n'a aucun impact sur la durée de celle-ci.]2
Art.13. [1 Iedere rijksambtenaar heeft het recht zijn persoonlijk dossier in te kijken.
Geen enkel stuk kan worden toegevoegd aan het persoonlijk dossier zonder dat de rijksambtenaar daarvan voorafgaandelijk op de hoogte is gesteld.]1
Geen enkel stuk kan worden toegevoegd aan het persoonlijk dossier zonder dat de rijksambtenaar daarvan voorafgaandelijk op de hoogte is gesteld.]1
Wijzigingen
Art.13. [1 Tout agent de l'Etat a le droit de consulter son dossier personnel.
Aucune pièce ne peut être ajoutée au dossier personnel sans que l'agent de l'Etat en ait eu connaissance préalable.]1
Aucune pièce ne peut être ajoutée au dossier personnel sans que l'agent de l'Etat en ait eu connaissance préalable.]1
Wijzigingen
Art.14. [1 Elke inbreuk op de artikelen 7, 8, 9, § 1, 10 en 12 kan aanleiding geven tot een van de tuchtstraffen die bepaald zijn bij artikel 77, onverminderd de toepassing van de strafwetten.]1
Wijzigingen
Art.14. [1 Tout manquement aux articles 7, 8, 9, § 1er, 10 et 12 est passible de l'une des peines disciplinaires prévues par l'article 77, sans préjudice de l'application des lois pénales.]1
Wijzigingen
Art. 14bis. [1 De bepalingen van de artikelen 7 tot 14 zijn toepasselijk op de stagiairs.
De bepalingen van de artikelen 8, 9, 10, 13 en 14 zijn toepasselijk zelfs wanneer de ambtenaar voltijds met verlof, in disponibiliteit of in non-activiteit is.]1
De bepalingen van de artikelen 8, 9, 10, 13 en 14 zijn toepasselijk zelfs wanneer de ambtenaar voltijds met verlof, in disponibiliteit of in non-activiteit is.]1
Art. 14bis. [1 Les dispositions des articles 7 à 14 sont applicables aux stagiaires.
Les dispositions des articles 8, 9, 10, 13 et 14 sont applicables même lorsque l'agent est à temps plein en congé, en disponibilité ou en non- activité.]1
Les dispositions des articles 8, 9, 10, 13 et 14 sont applicables même lorsque l'agent est à temps plein en congé, en disponibilité ou en non- activité.]1
Art. 14ter. [1 Onze Ministers die bevoegd zijn voor Ambtenarenzaken en voor Begroting, stellen binnen een deontologisch kader, de meest geëigende gedragsregels vast om de bepalingen van de artikelen 7 tot 13 toe te lichten, evenzeer als deze die gegrond zijn op andere wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de rechten en de plichten van de ambtenaren.
Mits akkoord van de Ministers bedoeld in het eerste lid, kan ieder van Onze Ministers en Staatssecretarissen, binnen het deontologisch kader, bijkomende gedragsregels vaststellen om de naleving van de bepalingen bedoeld in het eerste lid te verzekeren in de diensten onder hun gezag geplaatst, dit in functie van de bijzonderheden hiervan.
De hiërarchische meerdere hebben een voorbeeldrol inzake deontologie.]1
Mits akkoord van de Ministers bedoeld in het eerste lid, kan ieder van Onze Ministers en Staatssecretarissen, binnen het deontologisch kader, bijkomende gedragsregels vaststellen om de naleving van de bepalingen bedoeld in het eerste lid te verzekeren in de diensten onder hun gezag geplaatst, dit in functie van de bijzonderheden hiervan.
De hiërarchische meerdere hebben een voorbeeldrol inzake deontologie.]1
Art. 14ter. [1 Nos Ministres qui ont la fonction publique et le budget dans leurs attributions, fixent, dans un cadre déontologique, les règles de conduite les plus propres à illustrer les dispositions des articles 7 à 13 de même que celles fondées sur d'autres dispositions légales ou réglementaires relatives aux droits et aux devoirs des agents.
Moyennant accord des Ministres visés à l'alinéa 1er, chacun de Nos Ministres et secrétaires d'Etat peut fixer, dans le cadre déontologique, des règles de conduite complémentaires propres à assurer le respect, en fonction des particularités des services placés sous leur autorité, des dispositions visées à l'alinéa 1er.
Les supérieurs hiérarchiques ont un rôle d'exemples en matière de déontologie.]1
Moyennant accord des Ministres visés à l'alinéa 1er, chacun de Nos Ministres et secrétaires d'Etat peut fixer, dans le cadre déontologique, des règles de conduite complémentaires propres à assurer le respect, en fonction des particularités des services placés sous leur autorité, des dispositions visées à l'alinéa 1er.
Les supérieurs hiérarchiques ont un rôle d'exemples en matière de déontologie.]1
Art. 14quater. [1 Onverminderd de bepalingen van Boek XI van het Wetboek van economisch recht, zijn de artikelen 14quinquies tot 14octies van toepassing op de ambtenaar, met inbegrip van de stagiair, inzake intellectuele eigendom.]1
Art. 14quater. [1 Sans préjudice des dispositions du Livre XI du Code de droit économique, les articles 14quinquies à 14octies sont applicables à l'agent, y compris le stagiaire, en matière de propriété intellectuelle.]1
Art. 14quinquies. [1 § 1. De ambtenaar draagt aan zijn federale overheidsdienst de vermogensrechten op de auteursrechtelijk beschermde werken die hij bij de uitoefening van zijn functie of in opdracht van de federale overheidsdienst tot stand brengt, over.
De overdracht van de werken bedoeld in het eerste lid is geldig voor de hele wereld en voor de volledige beschermingsduur van de vermogensrechten.
§ 2. De ambtenaar oefent het divulgatierecht uit dat hem is toegekend op grond van artikel XI.165, § 2, derde en vierde lid, van het Wetboek van economisch recht, met inachtneming van de regels betreffende het statuut van het Rijkspersoneel en de regels die de organisatie van de overheidsdienst bepalen.
§ 3. De federale overheidsdienst exploiteert het in § 1 bedoelde werk onder zijn naam.
In afwijking van het eerste lid, met het akkoord van de ambtenaar, beslist de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde om het werk onder de naam van de federale overheidsdienst en de naam van de ambtenaar of uitsluitend onder de naam van de ambtenaar of op anonieme wijze te exploiteren.
§ 4. De federale overheidsdienst heeft het recht om de werken te exploiteren in elke bestaande vorm evenals in exploitatievormen die onbekend zijn op de dag van de aanwerving van de ambtenaar in respect met de opdrachten van de openbare dienst.
§ 5. Het werk mag in het belang van de federale overheidsdienst worden gewijzigd, voor zover de wijziging de eer of de reputatie van de ambtenaar niet schendt.
§ 6. De overdracht van de in artikel 14quinquies, § 1, bedoelde vermogensrechten geeft geen recht op enige vergoeding ten laste van de federale overheidsdienst.]1
De overdracht van de werken bedoeld in het eerste lid is geldig voor de hele wereld en voor de volledige beschermingsduur van de vermogensrechten.
§ 2. De ambtenaar oefent het divulgatierecht uit dat hem is toegekend op grond van artikel XI.165, § 2, derde en vierde lid, van het Wetboek van economisch recht, met inachtneming van de regels betreffende het statuut van het Rijkspersoneel en de regels die de organisatie van de overheidsdienst bepalen.
§ 3. De federale overheidsdienst exploiteert het in § 1 bedoelde werk onder zijn naam.
In afwijking van het eerste lid, met het akkoord van de ambtenaar, beslist de leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde om het werk onder de naam van de federale overheidsdienst en de naam van de ambtenaar of uitsluitend onder de naam van de ambtenaar of op anonieme wijze te exploiteren.
§ 4. De federale overheidsdienst heeft het recht om de werken te exploiteren in elke bestaande vorm evenals in exploitatievormen die onbekend zijn op de dag van de aanwerving van de ambtenaar in respect met de opdrachten van de openbare dienst.
§ 5. Het werk mag in het belang van de federale overheidsdienst worden gewijzigd, voor zover de wijziging de eer of de reputatie van de ambtenaar niet schendt.
§ 6. De overdracht van de in artikel 14quinquies, § 1, bedoelde vermogensrechten geeft geen recht op enige vergoeding ten laste van de federale overheidsdienst.]1
Art. 14quinquies. [1 § 1. L'agent cède à son service public fédéral les droits patrimoniaux sur les oeuvres protégées par le droit d'auteur qu'il crée dans l'exercice de sa fonction ou d'après les instructions du service public fédéral.
La cession des oeuvres visées à l'alinéa 1er vaut pour le monde entier et pour la durée totale de protection des droits patrimoniaux.
§ 2. L'agent exerce le droit de divulgation qui lui est reconnu par l'article XI.165, § 2, alinéa 3 et 4, du Code de droit économique, dans le respect des règles relatives au statut des agents de l'Etat et de celles régissant l'organisation du service public.
§ 3. Le service public fédéral exploite l'oeuvre visée au § 1er sous son nom.
Par dérogation à l'alinéa 1er, de commun accord avec l'agent, le fonctionnaire dirigeant ou son délégué prend la décision d'exploiter l'oeuvre sous le nom du service public fédéral et le nom de l'agent ou exclusivement sous le nom de l'agent ou encore de façon anonyme.
§ 4. Le service public fédéral a le droit d'exploiter, dans le respect des missions du service public, les oeuvres sous toutes les formes existantes ainsi que sous les formes d'exploitation qui sont inconnues au jour du recrutement de l'agent.
§ 5. L'oeuvre peut être modifiée dans l'intérêt du service public fédéral, pour autant que la modification ne porte pas atteinte à l'honneur ou la réputation de l'agent.
§ 6. La cession des droits patrimoniaux visée à l'article 14quinquies, § 1er, ne donne pas droit à une quelconque rémunération à charge du service public fédéral.]1
La cession des oeuvres visées à l'alinéa 1er vaut pour le monde entier et pour la durée totale de protection des droits patrimoniaux.
§ 2. L'agent exerce le droit de divulgation qui lui est reconnu par l'article XI.165, § 2, alinéa 3 et 4, du Code de droit économique, dans le respect des règles relatives au statut des agents de l'Etat et de celles régissant l'organisation du service public.
§ 3. Le service public fédéral exploite l'oeuvre visée au § 1er sous son nom.
Par dérogation à l'alinéa 1er, de commun accord avec l'agent, le fonctionnaire dirigeant ou son délégué prend la décision d'exploiter l'oeuvre sous le nom du service public fédéral et le nom de l'agent ou exclusivement sous le nom de l'agent ou encore de façon anonyme.
§ 4. Le service public fédéral a le droit d'exploiter, dans le respect des missions du service public, les oeuvres sous toutes les formes existantes ainsi que sous les formes d'exploitation qui sont inconnues au jour du recrutement de l'agent.
§ 5. L'oeuvre peut être modifiée dans l'intérêt du service public fédéral, pour autant que la modification ne porte pas atteinte à l'honneur ou la réputation de l'agent.
§ 6. La cession des droits patrimoniaux visée à l'article 14quinquies, § 1er, ne donne pas droit à une quelconque rémunération à charge du service public fédéral.]1
Art. 14sexies. [1 Het vermoeden van overdracht van computerprogramma's gedefinieerd in artikel XI.296 van het Wetboek van economisch recht, is van toepassing onder dezelfde voorwaarden als die vermeld in artikel 14quinquies.]1
Art. 14sexies. [1 La présomption de cession de programmes d'ordinateur définie à l'article XI.296 du Code de droit économique, est applicable aux mêmes conditions que celles fixées à l'article 14quinquies.]1
Art. 14septies. [1 De ambtenaar draagt aan zijn federale overheidsdienst de vermogensrechten op alle prestaties die hij bij de uitoefening van zijn functie of in opdracht van de federale overheidsdienst uitvoert of vertolkt, onder dezelfde voorwaarden als die vermeld in artikel 14quinquies § 1 en §§ 3 tot 6, over.
De federale overheidsdienst mag de in het eerste lid bedoelde prestaties in alle mogelijke vormen exploiteren.]1
De federale overheidsdienst mag de in het eerste lid bedoelde prestaties in alle mogelijke vormen exploiteren.]1
Art. 14septies. [1 L'agent cède à son service public fédéral les droits patrimoniaux sur toutes les prestations qu'il exécute ou interprète, dans l'exercice de sa fonction ou d'après les instructions du service public fédéral, aux mêmes conditions que celles fixées à l'article 14quinquies § 1 et §§ 3 à 6.
Le service public fédéral peut exploiter les prestations visées à l'alinéa 1er sous toutes les formes possibles.]1
Le service public fédéral peut exploiter les prestations visées à l'alinéa 1er sous toutes les formes possibles.]1
Art. 14octies. [1 § 1. De ambtenaar heeft de plicht de federale overheidsdienst in te lichten over het bestaan van de uitvinding.
Onverminderd het eerste lid onthoudt de ambtenaar zich van elke mededeling aan derden betreffende de uitvinding.
§ 2. De federale overheidsdienst is houder van de vermogensrechten die verbonden zijn aan de uitvindingen die de ambtenaar bij de uitoefening van zijn functie of in opdracht van de federale overheidsdienst doet.
§ 3. Het recht op een octrooi in de zin van artikel XI.9 van het Wetboek van economisch recht, komt toe aan de federale overheidsdienst.
De federale overheidsdienst onderneemt, in voorkomend geval, de juridische stappen die nodig zijn voor de bescherming van de uitvinding.
§ 4. De federale overheidsdienst heeft het exclusieve recht om de uitvinding te exploiteren.
§ 5. De overdracht van de in § 2 bedoelde vermogensrechten geeft geen recht op enige vergoeding ten laste van de overheidsdienst.]1
Onverminderd het eerste lid onthoudt de ambtenaar zich van elke mededeling aan derden betreffende de uitvinding.
§ 2. De federale overheidsdienst is houder van de vermogensrechten die verbonden zijn aan de uitvindingen die de ambtenaar bij de uitoefening van zijn functie of in opdracht van de federale overheidsdienst doet.
§ 3. Het recht op een octrooi in de zin van artikel XI.9 van het Wetboek van economisch recht, komt toe aan de federale overheidsdienst.
De federale overheidsdienst onderneemt, in voorkomend geval, de juridische stappen die nodig zijn voor de bescherming van de uitvinding.
§ 4. De federale overheidsdienst heeft het exclusieve recht om de uitvinding te exploiteren.
§ 5. De overdracht van de in § 2 bedoelde vermogensrechten geeft geen recht op enige vergoeding ten laste van de overheidsdienst.]1
Art. 14octies. [1 § 1er. L'agent a l'obligation d'informer le service public fédéral de l'existence de l'invention.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, l'agent s'abstient de toute communication aux tiers concernant l'invention.
§ 2. Le service public fédéral est titulaire des droits patrimoniaux attachés aux inventions faites par l'agent dans l'exercice de sa fonction ou d'après les instructions du service public fédéral.
§ 3. Le droit au brevet, au sens de l'article XI.9 du Code de droit économique, appartient au service public fédéral.
Le service public fédéral entreprend, le cas échéant, les démarches juridiques nécessaires en vue de la protection de l'invention.
§ 4. Le service public fédéral dispose du droit exclusif d'exploiter l'invention.
§ 5. La cession des droits patrimoniaux visées au § 2 ne donne pas droit à une quelconque rémunération à charge du service.]1
Sans préjudice de l'alinéa 1er, l'agent s'abstient de toute communication aux tiers concernant l'invention.
§ 2. Le service public fédéral est titulaire des droits patrimoniaux attachés aux inventions faites par l'agent dans l'exercice de sa fonction ou d'après les instructions du service public fédéral.
§ 3. Le droit au brevet, au sens de l'article XI.9 du Code de droit économique, appartient au service public fédéral.
Le service public fédéral entreprend, le cas échéant, les démarches juridiques nécessaires en vue de la protection de l'invention.
§ 4. Le service public fédéral dispose du droit exclusif d'exploiter l'invention.
§ 5. La cession des droits patrimoniaux visées au § 2 ne donne pas droit à une quelconque rémunération à charge du service.]1
DEEL III. [1 Selectie, werving en stage]1
PARTIE III. [1 De la sélection, du recrutement et du stage]1
TITEL I. [1 Selectie en werving]1
TITRE IER. [1 De la sélection et du recrutement]1
HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. Dispositions générales
Art.15. Niemand kan tot Rijksambtenaar worden benoemd indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° de voor de te verlenen betrekking bepaalde toelaatbaarheidsvereisten vervullen ;
2° [1 slagen voor de voorgeschreven vergelijkende selectie of doorlopende selectie;]1
3° met goed gevolg de stage volbrengen.
Volgens door Ons te stellen nadere regelen moet de Rijksambtenaar bewijzen dat hij de medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt bezit.
1° de voor de te verlenen betrekking bepaalde toelaatbaarheidsvereisten vervullen ;
2° [1 slagen voor de voorgeschreven vergelijkende selectie of doorlopende selectie;]1
3° met goed gevolg de stage volbrengen.
Volgens door Ons te stellen nadere regelen moet de Rijksambtenaar bewijzen dat hij de medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt bezit.
Art.15. Nul ne peut être nommé agent de l'Etat s'il ne satisfait aux conditions suivantes :
1° réunir les conditions d'admissibilité imposées pour l'emploi à conférer ;
2° [1 réussir à la sélection comparative ou la sélection continue prévue ;]1
3° accomplir avec succès le stage probatoire.
Selon les modalités déterminées par Nous, l'agent de l'Etat doit justifier de la possession des aptitudes médicales exigées pour la fonction à exercer.
1° réunir les conditions d'admissibilité imposées pour l'emploi à conférer ;
2° [1 réussir à la sélection comparative ou la sélection continue prévue ;]1
3° accomplir avec succès le stage probatoire.
Selon les modalités déterminées par Nous, l'agent de l'Etat doit justifier de la possession des aptitudes médicales exigées pour la fonction à exercer.
Wijzigingen
Art. 16. [4 § 1.]4 Niemand kan tot Rijksambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hierna volgende algemene toelaatbaarheidsvereisten :
1° [2 Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag en ten doel hebben de algemene belangen van de Staat te behartigen, of, in de andere gevallen, Belg zijn of burger van een andere Staat die deel uitmaakt van de Europese economische ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat;]2
2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking ;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten ;
4° aan de dienstplichtwetten voldaan hebben ;
5° [3 zich niet persoonlijk bevinden in een toestand van belangenconflict;]3
6° [4 houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen klasse of graad, volgens de bij dit besluit gevoegde tabel;]4
[6 7° niet ontslagen zijn geweest wegens dringende reden of ambtshalve ontslagen zijn geweest uit zijn ambt of afgezet zijn geweest ten gevolge van een tuchtprocedure bedoeld in artikelen 77 tot 81bis in de aanwervende federale dienst en dit, te rekenen vanaf 3 jaar na de ontslagbeslissing of na de definitieve uitspraak van de tuchtstraf in een dienst van het federaal administratief openbaar ambt, zoals bepaald in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.]6
[1 ...]1
[1 ...]1
§ 2. [6 Er wordt een afwijking van de diplomavoorwaarde bedoeld in § 1, 6°, toegestaan:
1° ofwel door de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, [8 die per taalrol een lijst met knelpuntberoepen vaststelt, en en deze regelmatig bijwerkt]8 op basis van de lijsten opgesteld door de gewestelijke instellingen voor tewerkstelling en beheer van werklozen en na een analyse uitgevoerd door het wetenschappelijk adviescomité bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel. Voor elk van deze beroepen kan de betrokken administratie ambtshalve de voorziene diploma-afwijking toepassen. De lijst met knelpuntberoepen wordt ter informatie bezorgd aan de leden van de overlegcommissie voor de selectieprocedures bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel;
[8 1bis° ofwel door de aanwervende federale dienst na akkoord van de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of zijn afgevaardigde voor functies die niet in de lijst met knelpuntberoepen bedoeld in de bepaling onder 1° zijn opgenomen en waarvan binnen deze dienst de selecties een lage effectiviteit hebben vertoond over een langdurige termijn, op basis van het aantal jaren nuttige beroepservaring bepaald in de onderstaande referentietabel;
1° [2 Belg zijn wanneer de uit te oefenen functies verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag en ten doel hebben de algemene belangen van de Staat te behartigen, of, in de andere gevallen, Belg zijn of burger van een andere Staat die deel uitmaakt van de Europese economische ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat;]2
2° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking ;
3° de burgerlijke en politieke rechten genieten ;
4° aan de dienstplichtwetten voldaan hebben ;
5° [3 zich niet persoonlijk bevinden in een toestand van belangenconflict;]3
6° [4 houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen klasse of graad, volgens de bij dit besluit gevoegde tabel;]4
[6 7° niet ontslagen zijn geweest wegens dringende reden of ambtshalve ontslagen zijn geweest uit zijn ambt of afgezet zijn geweest ten gevolge van een tuchtprocedure bedoeld in artikelen 77 tot 81bis in de aanwervende federale dienst en dit, te rekenen vanaf 3 jaar na de ontslagbeslissing of na de definitieve uitspraak van de tuchtstraf in een dienst van het federaal administratief openbaar ambt, zoals bepaald in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.]6
[1 ...]1
[1 ...]1
§ 2. [6 Er wordt een afwijking van de diplomavoorwaarde bedoeld in § 1, 6°, toegestaan:
1° ofwel door de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, [8 die per taalrol een lijst met knelpuntberoepen vaststelt, en en deze regelmatig bijwerkt]8 op basis van de lijsten opgesteld door de gewestelijke instellingen voor tewerkstelling en beheer van werklozen en na een analyse uitgevoerd door het wetenschappelijk adviescomité bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel. Voor elk van deze beroepen kan de betrokken administratie ambtshalve de voorziene diploma-afwijking toepassen. De lijst met knelpuntberoepen wordt ter informatie bezorgd aan de leden van de overlegcommissie voor de selectieprocedures bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel;
[8 1bis° ofwel door de aanwervende federale dienst na akkoord van de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of zijn afgevaardigde voor functies die niet in de lijst met knelpuntberoepen bedoeld in de bepaling onder 1° zijn opgenomen en waarvan binnen deze dienst de selecties een lage effectiviteit hebben vertoond over een langdurige termijn, op basis van het aantal jaren nuttige beroepservaring bepaald in de onderstaande referentietabel;
Art. 16. [4 § 1er.]4 Nul ne peut être nommé agent de l'Etat s'il ne remplit les conditions générales d'admissibilité qui suivent :
1° [2 être Belge lorsque les fonctions à exercer sont liées à l'exercice de la puissance publique et destinées à sauvegarder les intérêts généraux de l'Etat ou, dans les autres cas, être Belge ou citoyen d'un autre Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse; ]2
2° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction ;
3° jouir des droits civils et politiques ;
4° avoir satisfait aux lois sur la milice ;
5° [3 ne pas être personnellement dans une situation de conflit d'intérêt]3;
6° [4 être porteur d'un diplôme ou certificat d'études en rapport avec le niveau de la classe ou du grade à conférer selon le tableau annexé au présent arrêté;]4
[6 7° ne pas avoir été licencié pour motif grave ou démis d'office de ses fonctions ou révoqué à la suite d'une procédure disciplinaire visée aux articles 77 à 81bis dans le service fédéral recruteur [7 à dater de trois ans après la décision de licenciement ou après le prononcé définitif de la peine disciplinaire]7.]6
[1 ...]1.
[1 ...]1.
§ 2. [6 Une dérogation de la condition de diplôme visée au § 1er, 6°, est accordée :
1° soit par le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui, [8 qui fixe, et met à jour régulièrement, une liste par rôle linguistique des métiers en pénurie]8 sur base des listes établies par les institutions régionales en charge de l'emploi et de la gestion des chômeurs et après une analyse réalisée par le comité scientifique de consultation visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat. Et pour chacun de ces métiers, l'administration concernée peut d'office appliquer la dérogation de diplôme prévue. La liste des métiers en pénurie est transmise à titre d'information aux membres de la commission de concertation relative aux procédures de sélection visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat ;
[8 1bis° soit par le service fédéral recruteur après accord du directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ou de son délégué pour des fonctions qui ne figurent pas sur la liste des métiers en pénurie visée au 1° et dont les sélections ont montré une faible efficacité sur le long terme au sein de ce service, sur la base du nombre d'années d'expérience professionnelle utile déterminée dans le tableau de référence ci-dessous
1° [2 être Belge lorsque les fonctions à exercer sont liées à l'exercice de la puissance publique et destinées à sauvegarder les intérêts généraux de l'Etat ou, dans les autres cas, être Belge ou citoyen d'un autre Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse; ]2
2° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction ;
3° jouir des droits civils et politiques ;
4° avoir satisfait aux lois sur la milice ;
5° [3 ne pas être personnellement dans une situation de conflit d'intérêt]3;
6° [4 être porteur d'un diplôme ou certificat d'études en rapport avec le niveau de la classe ou du grade à conférer selon le tableau annexé au présent arrêté;]4
[6 7° ne pas avoir été licencié pour motif grave ou démis d'office de ses fonctions ou révoqué à la suite d'une procédure disciplinaire visée aux articles 77 à 81bis dans le service fédéral recruteur [7 à dater de trois ans après la décision de licenciement ou après le prononcé définitif de la peine disciplinaire]7.]6
[1 ...]1.
[1 ...]1.
§ 2. [6 Une dérogation de la condition de diplôme visée au § 1er, 6°, est accordée :
1° soit par le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui, [8 qui fixe, et met à jour régulièrement, une liste par rôle linguistique des métiers en pénurie]8 sur base des listes établies par les institutions régionales en charge de l'emploi et de la gestion des chômeurs et après une analyse réalisée par le comité scientifique de consultation visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat. Et pour chacun de ces métiers, l'administration concernée peut d'office appliquer la dérogation de diplôme prévue. La liste des métiers en pénurie est transmise à titre d'information aux membres de la commission de concertation relative aux procédures de sélection visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat ;
[8 1bis° soit par le service fédéral recruteur après accord du directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ou de son délégué pour des fonctions qui ne figurent pas sur la liste des métiers en pénurie visée au 1° et dont les sélections ont montré une faible efficacité sur le long terme au sein de ce service, sur la base du nombre d'années d'expérience professionnelle utile déterminée dans le tableau de référence ci-dessous
| Nombre d'années d'expérience utile requise par niveau selon le diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau correspondant tel que visé à l'annexe 1 | Aantal jaren nuttige ervaring vereist per niveau volgens het diploma of getuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor toelating tot het overeenkomstige niveau zoals bedoeld in bijlage 1 | ||||||||||
| Expérience utile pour l'accès au niveau | Pas d'expérience pour l'accès au niveau D | Nuttige ervaring voor toegang tot niveau | Geen ervaring voor toegang tot niveau D | ||||||||
| Diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau | A | / | / | / | / | Diploma of getuigschrift in aanmerking voor de toelating tot de niveau | A | / | / | / | / |
| B | 2 ans | / | / | / | B | 2 Jaar | / | / | / | ||
| C | 5 ans | 3 ans | / | / | C | 5 jaar | 3 jaar | / | / | ||
| Pas de diplôme ou certificat | D | 6 ans | 4 ans | 2 ans | / | Geen diploma of getuigschrift | D | 6 jaar | 4 jaar | 2 jaar | / |
C 5 ans 3 ans //C 5 jaar3 jaar / /
Pas de diplôme ou certificatD6 ans4 ans2 ans/Geen diploma of getuigschriftD6 jaar 4 jaar 2 jaar/
De aanwervende federale dienst kan evenwel afwijken van de ervaringsvoorwaarden bepaald in de referentietabel mits bijzondere motivering in termen van instroom en doeltreffendheid van de selectie, mits akkoord van de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of zijn afgevaardigde, en zonder dat de vereiste ervaring minder dan twee jaar bedraagt;]8
2° ofwel door de minister die bevoegd is voor Ambtenarenzaken op voorstel van de voorzitter van het directiecomité, aan de kandidaten die houder zijn van een getuigschrift van generieke competenties verworven buiten diploma, dat toegang geeft tot het niveau waarop zich de graad of de klasse bevindt waartoe de functie waarvoor de selectie wordt georganiseerd behoort. Dit getuigschrift wordt uitgereikt door de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning en de geldigheidsduur ervan wordt vastgesteld op vijf jaar, te rekenen vanaf de uitreiking ervan.
[8 ...]8]6
[7 3° ofwel aan de statutaire ambtenaren van een gefedereerde entiteit die benoemd zijn in een [9 niveau bepaald]9 in de conversietabel bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 15 januari 2007 betreffende de mobiliteit van de statutaire ambtenaren in het federaal administratief openbaar ambt voor de als gelijkwaardig erkende niveaus van het statuut van het rijkspersoneel overeenkomstig dezelfde conversietabel onverminderd artikel 17, § 1, A en B.]7
[8 In de oproep naar de kandidaten wordt elke afwijking vermeld.]8
Wijzigingen
| Nombre d'années d'expérience utile requise par niveau selon le diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau correspondant tel que visé à l'annexe 1 | Aantal jaren nuttige ervaring vereist per niveau volgens het diploma of getuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor toelating tot het overeenkomstige niveau zoals bedoeld in bijlage 1 | ||||||||||
| Expérience utile pour l'accès au niveau | Pas d'expérience pour l'accès au niveau D | Nuttige ervaring voor toegang tot niveau | Geen ervaring voor toegang tot niveau D | ||||||||
| Diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau | A | / | / | / | / | Diploma of getuigschrift in aanmerking voor de toelating tot de niveau | A | / | / | / | / |
| B | 2 ans | / | / | / | B | 2 Jaar | / | / | / | ||
| C | 5 ans | 3 ans | / | / | C | 5 jaar | 3 jaar | / | / | ||
| Pas de diplôme ou certificat | D | 6 ans | 4 ans | 2 ans | / | Geen diploma of getuigschrift | D | 6 jaar | 4 jaar | 2 jaar | / |
C 5 ans 3 ans //C 5 jaar3 jaar / /
Pas de diplôme ou certificatD6 ans4 ans2 ans/Geen diploma of getuigschriftD6 jaar 4 jaar 2 jaar/
Toutefois, le service fédéral recruteur peut déroger aux conditions d'expérience utile définies dans le tableau de référence, moyennant motivation spéciale en termes d'afflux et d'effectivité de la sélection, moyennant accord du directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ou de son délégué, et sans que l'expérience requise ne soit inférieure à deux ans ;]8
2° soit, par le ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions sur proposition du président du comité de direction, aux candidats porteurs d'un certificat de compétences génériques acquises hors diplôme donnant accès au niveau où se situe le grade ou la classe à laquelle appartient la fonction pour laquelle la sélection est organisée. Ce certificat est délivré par la Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui et sa durée de validité est fixée à cinq ans à dater de sa délivrance.
[8 ...]8;]6
[7 3° soit aux agents statutaires d'une entité fédérée qui sont nommés dans un niveau défini dans le tableau de conversion de l'annexe 1er de l'arrêté royal du 15 janvier 2007 relatif à la mobilité des agents statutaires dans la fonction publique fédérale administrative pour les niveaux reconnus équivalents du statut des agents de l'Etat conformément au même tableau de conversion sans préjudice de l'article 17, § 1er, A et B.]7
[8 L'appel aux candidats fait mention de chaque dérogation.]8
Wijzigingen
Art. 16bis. [3 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 maakt de organisatie van de vergelijkende selecties bekend ten minste door een bericht in het Belgisch Staatsblad.
Het bericht vermeldt ten minste de uiterste datum van de kandidaatstelling en of er eventueel een reserve van de geslaagden wordt aangelegd. In voorkomend geval wordt de duur [2 ...]2 ervan meegedeeld.
De kandidaten beschikken over ten minste veertien kalenderdagen om zich kandidaat te stellen.
[2 In afwijking van het derde lid beschikken de kandidaten over minimum zeven dagen om zich kandidaat te stellen, als de oproep functies beoogt die gezien de arbeidsmarktvoorwaarden het noodzakelijk maken om snel te handelen of als voorgaande selecties motiveren dat er op de termijn van zeven dagen voldoende kandidaten ingeschreven zullen zijn.]2
[2 ...]2
Het bericht vermeldt ten minste de uiterste datum van de kandidaatstelling en of er eventueel een reserve van de geslaagden wordt aangelegd. In voorkomend geval wordt de duur [2 ...]2 ervan meegedeeld.
De kandidaten beschikken over ten minste veertien kalenderdagen om zich kandidaat te stellen.
[2 In afwijking van het derde lid beschikken de kandidaten over minimum zeven dagen om zich kandidaat te stellen, als de oproep functies beoogt die gezien de arbeidsmarktvoorwaarden het noodzakelijk maken om snel te handelen of als voorgaande selecties motiveren dat er op de termijn van zeven dagen voldoende kandidaten ingeschreven zullen zijn.]2
[2 ...]2
Wijzigingen
Art. 16bis. [3 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 annonce l'organisation des sélections comparatives au moins par un avis au Moniteur Belge.
L'avis mentionne au moins la date limite de candidature et la constitution éventuelle d'une réserve des lauréats. Le cas échéant, il précise la durée [2 ...]2 de cette réserve.
Les candidats disposent d'au moins quatorze jours calendrier pour se porter candidat.
[2 Par dérogation à l'alinéa 3, les candidats disposent de minimum sept jours pour se porter candidat lorsque l'appel vise des fonctions qui, compte tenu des conditions du marché du travail, exigent une action rapide ou si des sélections antérieures justifient qu'un nombre suffisant de candidats sera enregistré dans le délai de sept jours.]2
[2 ...]2
L'avis mentionne au moins la date limite de candidature et la constitution éventuelle d'une réserve des lauréats. Le cas échéant, il précise la durée [2 ...]2 de cette réserve.
Les candidats disposent d'au moins quatorze jours calendrier pour se porter candidat.
[2 Par dérogation à l'alinéa 3, les candidats disposent de minimum sept jours pour se porter candidat lorsque l'appel vise des fonctions qui, compte tenu des conditions du marché du travail, exigent une action rapide ou si des sélections antérieures justifient qu'un nombre suffisant de candidats sera enregistré dans le délai de sept jours.]2
[2 ...]2
Art.17. § 1. In voorkomend geval kunnen bijzondere toelaatbaarheidsvereisten worden opgelegd overeenkomstig het hierna bepaalde :
A. Een door de Minister van de betrokken federale overheidsdienst uit te vaardigen verordening kan, wanneer de aard van het ambt dit vereist :
1° [1 ...]1
2° voor selectie in klassen, [2 [5 [4 graden]4 ]5 ]2 of betrekkingen het bezit voorschrijven van diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen onder die welke zijn opgesomd in de tabel bedoeld in artikel 16, 6°. In dat geval wint de Minister het advies [7 van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 in.
B. Wanneer die eis gewettigd is wegens de behoeften van de dienst kan de [6 voorzitter van het directiecomité]6 van de betrokken federale overheidsdienst, na het advies van [7 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 te hebben ingewonnen, voor een bepaalde betrekking het bezit voorschrijven van bijzondere diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen :
- ofwel onder de diploma's en studiegetuigschriften die reeds door de onder A bedoelde verordening voorgeschreven zijn voor selectie [2 in de klassen]2, graden en betrekkingen waar het om gaat ;
- ofwel, bij gemis aan zulk een verordening, onder de diploma's of studiegetuigschriften die in aanmerking komen volgens artikel 16, 6°.
C. [3 [7 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 kan, voor een bepaalde vergelijkende selectie, een minimumleeftijd voorschrijven of bijzondere eisen stellen inzake beroepsbekwaamheid verworven in een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat, namelijk het bezit van praktische kennis of de uitoefening van een vorige werkzaamheid, wanneer de aard van de te verlenen betrekkingen zodanige eisen wettigt.]3
D. [8 Behalve wanneer de directeur-generaal]8 [7 van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 vermoedt dat het aantal deelnemers [8 groot genoeg zal zijn]8 om voldoende kandidaten of geslaagden op te leveren, [8 worden toegelaten tot een bepaalde vergelijkende selectie de studenten]8 die in het laatste jaar zitten van de studies voor het vereiste diploma of getuigschrift. [8 ...]8 worden tot die selectie ook toegelaten zij die voldaan hebben aan het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen.
Evenwel kunnen diegenen die, met toepassing van het eerste lid aan de vergelijkende selectie deelnamen en slaagden, zich voor hun benoeming eerst op hun rangschikking beroepen vanaf de dag waarop zij aan [7 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd.
E. Wanneer de vereisten van het uit te oefenen ambt daar niet aan in de weg staan, kan [7 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 voor de selectie in een bepaalde graad, naast de in artikel 16, 6°, vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende, andere door hem aan te wijzen diploma's en getuigschriften mede in aanmerking laten komen :
1° diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socio-culturele promotie ;
2° diploma's en getuigschriften van het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan.
F. Voor de selectie in bepaalde graden van niveau D kan [7 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 het bezit van door hem aan te wijzen studie- of opleidingsdiploma's, dan wel zodanige getuigschriften eisen wanneer dat vereiste gewettigd is wegens de technische of de gespecialiseerde aard van het uit te oefenen ambt.
Voor de selectie in bepaalde graden van [2 de niveaus A]2 , B en C kan [7 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 de houders van door hem aan te wijzen opleidingsdiploma's of opleidingsgetuig- schriften toelaten wanneer die eis verantwoord is door de technische of de gespecialiseerde aard van het uit te oefenen ambt en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 16, 6°.
§ 2. De andere toelaatbaarheidsvereisten worden door Ons bepaald.
A. Een door de Minister van de betrokken federale overheidsdienst uit te vaardigen verordening kan, wanneer de aard van het ambt dit vereist :
1° [1 ...]1
2° voor selectie in klassen, [2 [5 [4 graden]4 ]5 ]2 of betrekkingen het bezit voorschrijven van diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen onder die welke zijn opgesomd in de tabel bedoeld in artikel 16, 6°. In dat geval wint de Minister het advies [7 van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 in.
B. Wanneer die eis gewettigd is wegens de behoeften van de dienst kan de [6 voorzitter van het directiecomité]6 van de betrokken federale overheidsdienst, na het advies van [7 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 te hebben ingewonnen, voor een bepaalde betrekking het bezit voorschrijven van bijzondere diploma's of studiegetuigschriften aan te wijzen :
- ofwel onder de diploma's en studiegetuigschriften die reeds door de onder A bedoelde verordening voorgeschreven zijn voor selectie [2 in de klassen]2, graden en betrekkingen waar het om gaat ;
- ofwel, bij gemis aan zulk een verordening, onder de diploma's of studiegetuigschriften die in aanmerking komen volgens artikel 16, 6°.
C. [3 [7 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 kan, voor een bepaalde vergelijkende selectie, een minimumleeftijd voorschrijven of bijzondere eisen stellen inzake beroepsbekwaamheid verworven in een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat, namelijk het bezit van praktische kennis of de uitoefening van een vorige werkzaamheid, wanneer de aard van de te verlenen betrekkingen zodanige eisen wettigt.]3
D. [8 Behalve wanneer de directeur-generaal]8 [7 van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 vermoedt dat het aantal deelnemers [8 groot genoeg zal zijn]8 om voldoende kandidaten of geslaagden op te leveren, [8 worden toegelaten tot een bepaalde vergelijkende selectie de studenten]8 die in het laatste jaar zitten van de studies voor het vereiste diploma of getuigschrift. [8 ...]8 worden tot die selectie ook toegelaten zij die voldaan hebben aan het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen.
Evenwel kunnen diegenen die, met toepassing van het eerste lid aan de vergelijkende selectie deelnamen en slaagden, zich voor hun benoeming eerst op hun rangschikking beroepen vanaf de dag waarop zij aan [7 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd.
E. Wanneer de vereisten van het uit te oefenen ambt daar niet aan in de weg staan, kan [7 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 voor de selectie in een bepaalde graad, naast de in artikel 16, 6°, vermelde diploma's en getuigschriften, de volgende, andere door hem aan te wijzen diploma's en getuigschriften mede in aanmerking laten komen :
1° diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socio-culturele promotie ;
2° diploma's en getuigschriften van het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan.
F. Voor de selectie in bepaalde graden van niveau D kan [7 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 het bezit van door hem aan te wijzen studie- of opleidingsdiploma's, dan wel zodanige getuigschriften eisen wanneer dat vereiste gewettigd is wegens de technische of de gespecialiseerde aard van het uit te oefenen ambt.
Voor de selectie in bepaalde graden van [2 de niveaus A]2 , B en C kan [7 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]7 de houders van door hem aan te wijzen opleidingsdiploma's of opleidingsgetuig- schriften toelaten wanneer die eis verantwoord is door de technische of de gespecialiseerde aard van het uit te oefenen ambt en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 16, 6°.
§ 2. De andere toelaatbaarheidsvereisten worden door Ons bepaald.
Wijzigingen
Art.17. § 1er. Le cas échéant, des conditions spéciales d'admissibilité peuvent être imposées conformément aux dispositions ci-après :
A. Un règlement pris par le Ministre du service public fédéral intéressé peut, lorsque la nature des fonctions à exercer l'exige :
1° [1 ...]1.
2° imposer, pour la sélection à [2 [5 des [4 classes]4]5 ou]2 des grades déterminés ou à des emplois déterminés, la possession de diplômes ou certificats d'études particuliers désignés parmi ceux qui sont énumérés au tableau prévu à l'article 16, 6°. En ce cas, le Ministre prend l'avis [7 du directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7.
B. Lorsque cette condition est justifiée par les besoins du service, le [6 président du comité de direction]6 du service public fédéral intéressé peut, après avis [7 du directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7, imposer, pour un emploi déterminé, la possession de diplômes ou certificats d'études particuliers désignés :
- soit parmi les diplômes et certificats d'études qui sont déjà imposés, pour la sélection [2 aux classes]2 , aux grades et emplois dont il s'agit, par le règlement prévu au A ;
- soit, à défaut de semblable règlement, parmi les diplômes ou certificats d'études qui sont pris en considération conformément à l'article 16, 6°.
C. [3 [7 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7 peut, pour une sélection comparative déterminée, imposer la condition d'un âge minimum ou des conditions spéciales d'aptitudes professionnelles acquises au sein d'un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse, consistant dans les connaissances pratiques ou dans l'exercice d'une activité antérieure, lorsque de telles conditions sont justifiées par la nature des emplois à conférer.]3
D. [8 Sauf lorsque le directeur]8 [7 de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7 présume que les participants [8 seront assez nombreux]8 pour qu'il y ait suffisamment de candidats ou de lauréats, [8 sont admis à une sélection comparative déterminée, les étudiants]8 qui accomplissent la dernière année d'études requises pour qu'ils obtiennent le diplôme ou le certificat d'études exigé. [8 ...]8 sont également admis à cette sélection ceux qui ont satisfait à l'épreuve relative à l'avant-dernière année et qui déclarent qu'ils se présenteront devant le jury de leur Communauté pour l'épreuve relative à la dernière année.
Ceux qui, en application de l'alinéa 1er, ont participé à la sélection comparative et ont réussi celle-ci, ne peuvent toutefois faire valoir, en vue d'une nomination, le bénéfice de leur classement qu'à partir du jour où ils auront produit devant [7 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7, le diplôme ou certificat d'études exigé.
E. Lorsque les exigences des fonctions à exercer ne s'y opposent pas, [7 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7 peut, pour la sélection à un grade déterminé, admettre, outre les diplômes et certificats d'études indiqués à l'article 16, 6°, d'autres diplômes et certificats qu'il désigne parmi les suivants :
1° diplômes et certificats d'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement artistique de promotion socioculturelle ;
2° diplômes et certificats d'enseignement technique, artistique ou professionnel secondaire de plein exercice.
F. [7 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ]7 peut, pour la sélection à des grades déterminés du niveau D, exiger la possession de diplômes et certificats d'études ou de formation qu'il désigne lorsque cette condition est justifiée par le caractère technique ou spécialisé des fonctions à exercer.
[7 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7 peut, pour la sélection à des grades déterminés [2 des niveaux A]2, B et C, admettre les porteurs de diplômes ou certificats de formation qu'il désigne lorsque cette condition est justifiée par le caractère technique ou spécialisé des fonctions à exercer, et pour autant que les détenteurs de ces diplômes ou certificats soient également porteurs d'un des titres d'études prévus à l'article 16, 6°.
§ 2. Les autres conditions d'admissibilité sont déterminées par Nous.
A. Un règlement pris par le Ministre du service public fédéral intéressé peut, lorsque la nature des fonctions à exercer l'exige :
1° [1 ...]1.
2° imposer, pour la sélection à [2 [5 des [4 classes]4]5 ou]2 des grades déterminés ou à des emplois déterminés, la possession de diplômes ou certificats d'études particuliers désignés parmi ceux qui sont énumérés au tableau prévu à l'article 16, 6°. En ce cas, le Ministre prend l'avis [7 du directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7.
B. Lorsque cette condition est justifiée par les besoins du service, le [6 président du comité de direction]6 du service public fédéral intéressé peut, après avis [7 du directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7, imposer, pour un emploi déterminé, la possession de diplômes ou certificats d'études particuliers désignés :
- soit parmi les diplômes et certificats d'études qui sont déjà imposés, pour la sélection [2 aux classes]2 , aux grades et emplois dont il s'agit, par le règlement prévu au A ;
- soit, à défaut de semblable règlement, parmi les diplômes ou certificats d'études qui sont pris en considération conformément à l'article 16, 6°.
C. [3 [7 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7 peut, pour une sélection comparative déterminée, imposer la condition d'un âge minimum ou des conditions spéciales d'aptitudes professionnelles acquises au sein d'un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse, consistant dans les connaissances pratiques ou dans l'exercice d'une activité antérieure, lorsque de telles conditions sont justifiées par la nature des emplois à conférer.]3
D. [8 Sauf lorsque le directeur]8 [7 de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7 présume que les participants [8 seront assez nombreux]8 pour qu'il y ait suffisamment de candidats ou de lauréats, [8 sont admis à une sélection comparative déterminée, les étudiants]8 qui accomplissent la dernière année d'études requises pour qu'ils obtiennent le diplôme ou le certificat d'études exigé. [8 ...]8 sont également admis à cette sélection ceux qui ont satisfait à l'épreuve relative à l'avant-dernière année et qui déclarent qu'ils se présenteront devant le jury de leur Communauté pour l'épreuve relative à la dernière année.
Ceux qui, en application de l'alinéa 1er, ont participé à la sélection comparative et ont réussi celle-ci, ne peuvent toutefois faire valoir, en vue d'une nomination, le bénéfice de leur classement qu'à partir du jour où ils auront produit devant [7 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7, le diplôme ou certificat d'études exigé.
E. Lorsque les exigences des fonctions à exercer ne s'y opposent pas, [7 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7 peut, pour la sélection à un grade déterminé, admettre, outre les diplômes et certificats d'études indiqués à l'article 16, 6°, d'autres diplômes et certificats qu'il désigne parmi les suivants :
1° diplômes et certificats d'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement artistique de promotion socioculturelle ;
2° diplômes et certificats d'enseignement technique, artistique ou professionnel secondaire de plein exercice.
F. [7 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ]7 peut, pour la sélection à des grades déterminés du niveau D, exiger la possession de diplômes et certificats d'études ou de formation qu'il désigne lorsque cette condition est justifiée par le caractère technique ou spécialisé des fonctions à exercer.
[7 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]7 peut, pour la sélection à des grades déterminés [2 des niveaux A]2, B et C, admettre les porteurs de diplômes ou certificats de formation qu'il désigne lorsque cette condition est justifiée par le caractère technique ou spécialisé des fonctions à exercer, et pour autant que les détenteurs de ces diplômes ou certificats soient également porteurs d'un des titres d'études prévus à l'article 16, 6°.
§ 2. Les autres conditions d'admissibilité sont déterminées par Nous.
Wijzigingen
Art. 17bis. § 1. Bij het organiseren van een vergelijkende selectie stelt [1 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1 de datum vast waarop de gegadigden moeten voldoen aan de vereisten inzake diploma's of studiegetuigschriften en, in voorkomend geval, aan de vereiste inzake minimumleeftijd of aan de bijzondere vereisten inzake beroepsbekwaamheid.
§ 2. Zodra [1 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1, in de loop van een vergelijkende selectie, vaststelt dat een gegadigde niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan een van de algemene of bijzondere toelaatbaarheidsvereisten die gelden voor de graad waarnaar de betrokkene mededingt, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing en van de redenen ervan.
§ 2. Zodra [1 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1, in de loop van een vergelijkende selectie, vaststelt dat een gegadigde niet voldoet of niet zal kunnen voldoen aan een van de algemene of bijzondere toelaatbaarheidsvereisten die gelden voor de graad waarnaar de betrokkene mededingt, sluit hij deze van de vergelijkende selectie uit en geeft hij hem kennis van zijn beslissing en van de redenen ervan.
Art. 17bis. § 1er. Lors de l'organisation d'une sélection comparative, [1 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]1 fixe la date à laquelle les candidats doivent satisfaire aux conditions relatives aux diplômes ou certificats d'études et le cas échéant à la condition d'un âge minimum ou à des conditions spéciales d'aptitudes professionnelles.
§ 2. Dès que [1 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]1 constate, pendant une sélection comparative, qu'un candidat ne remplit pas, ou ne pourra pas remplir, une des conditions générales ou spéciales d'admissibilité requises pour le grade pour lequel l'intéressé concourt, il exclut celui-ci de la sélection comparative et lui notifie sa décision ainsi que les motifs de celle-ci.
§ 2. Dès que [1 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]1 constate, pendant une sélection comparative, qu'un candidat ne remplit pas, ou ne pourra pas remplir, une des conditions générales ou spéciales d'admissibilité requises pour le grade pour lequel l'intéressé concourt, il exclut celui-ci de la sélection comparative et lui notifie sa décision ainsi que les motifs de celle-ci.
Wijzigingen
Art.18. [1 De hoedanigheid van rijksambtenaar wordt ook verkregen, na een vergelijkende selectie, door overplaatsing vanuit het statuut van militair, op de voorwaarden door Ons bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De overplaatsing wordt voorafgegaan door een periode van terbeschikkingstelling van één jaar voor de niveaus A, B en C en van drie maanden tot één jaar voor niveau D.]1
De overplaatsing wordt voorafgegaan door een periode van terbeschikkingstelling van één jaar voor de niveaus A, B en C en van drie maanden tot één jaar voor niveau D.]1
Wijzigingen
Art.18. [1 La qualité d'agent de l'Etat s'obtient aussi, après une sélection comparative par transfert à partir du statut de militaire, aux conditions déterminées par Nous par arrêté délibéré en conseil des ministres.
Le transfert est précédé d'une période de mise à disposition d'un an aux niveaux A, B et C et de trois mois à un an au niveau D.]1
Le transfert est précédé d'une période de mise à disposition d'un an aux niveaux A, B et C et de trois mois à un an au niveau D.]1
Wijzigingen
Art.19. [1 De terbeschikkinggestelde militair heeft niet de hoedanigheid van rijksambtenaar in de zin van onderhavig besluit.
De bepalingen van de artikelen 7, 8, 9, 10, 11, 49, 99 en 101 zijn op hem van toepassing.]1
De bepalingen van de artikelen 7, 8, 9, 10, 11, 49, 99 en 101 zijn op hem van toepassing.]1
Wijzigingen
Art.19. [1 Le militaire mis à disposition n'a pas la qualité d'agent de l'Etat au sens du présent arrêté.
Lui sont applicables les dispositions des articles 7, 8, 9, 10, 11, 49, 99 et 101.]1
Lui sont applicables les dispositions des articles 7, 8, 9, 10, 11, 49, 99 et 101.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. Vergelijkende selecties
CHAPITRE II. Des sélections comparatives
Art.20. [1 § 1. Een vergelijkende selectie is de selectie die, op basis van een functiebeschrijving en het competentieprofiel, georganiseerd wordt op initiatief [4 van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4 of op aanvraag van de minister of zijn gemachtigde en leidt tot een rangschikking van de geslaagden.
§ 2. Een vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dit geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.
Indien meerdere vergelijkende selecties binnen eenzelfde niveau een module gemeenschappelijk hebben, geeft [4 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4 de geslaagden een vrijstelling voor deze module wanneer ze deelnemen aan een andere vergelijkende selectie. Deze vrijstelling wordt ook toegekend aan de personen die geslaagd zijn voor de zelfde module in het kader van de selectietest bedoeld in artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten. [5 Deze vrijstelling heeft een geldigheidsduur van twee jaar vanaf de betekening van het resultaat.]5 [5 ...]5
[5 Als een vergelijkende selectie een module gemeenschappelijk heeft met een doorlopende selectie binnen hetzelfde niveau, geeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning de geslaagden een vrijstelling voor deze module wanneer ze deelnemen aan een doorlopende selectie. Deze vrijstelling heeft een geldigheidsduur van twee jaar vanaf de betekening van het resultaat.]5
Een kandidaat die niet geslaagd is voor een module van een vergelijkende selectie wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van het opnieuw afleggen van dezelfde module.
[3 § 2bis. - Indien een schriftelijke of computergestuurde proef die niet tot een rangschikking van de kandidaten leidt gemeenschappelijk is voor verschillende modules binnen eenzelfde niveau geeft de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning een vrijstelling aan de geslaagden voor deze proef wanneer ze aan een andere vergelijkende selectie deelnemen. Deze vrijstelling is twee jaar geldig.]3
§ 3. [2 Voor elke vergelijkende selectie en indien de aard van de te begeven functie dit vereist, wordt er een bijkomende vergelijkende proef georganiseerd op basis van een functiebeschrijving en een competentieprofiel waaraan in voorkomend geval toelaatbaarheidsvereisten zoals bepaald in artikel 17, § 1 zijn verbonden, die, voor deze functie, leidt tot een afzonderlijke rangschikking van de geslaagden, die [5 twaalf maanden]5 geldig is ongeacht de geldigheidstermijn van de oorspronkelijke reserve.
De deelname aan de bijkomende vergelijkende proef is facultatief.
De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning legt, in overleg met de betrokken voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde, het maximum aantal deelnemers aan deze proef vast, rekening houdend met de rangschikking.
De geslaagden voor deze proef en de niet geslaagde kandidaten behouden de rangschikking bedoeld in § 1.
Wat de aanwerving betreft, is de minister of zijn afgevaardigde gebonden door de in het eerste lid bedoelde rangschikking.]2
[2 § 3bis. De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of, in voorkomend geval, de minister of zijn afgevaardigde, kan, voor een aanwerving waarvoor er geen reserve is aangelegd, een beroep doen op de reserves met geslaagden van statutaire selecties die onder een andere federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid vallen of van een instelling van openbaar nut die daaronder valt, met het akkoord van de overheid die er de benoemingsbevoegdheid heeft.
In dat geval wordt een bijkomende vergelijkende proef georganiseerd op de in paragraaf 3 vastgestelde voorwaarden.]2
§ 4. De vergelijkende selecties worden georganiseerd voor de benoeming in de klassen A1 tot A4 en in de graden van de niveaus B, C en D.]1
§ 2. Een vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dit geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.
Indien meerdere vergelijkende selecties binnen eenzelfde niveau een module gemeenschappelijk hebben, geeft [4 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4 de geslaagden een vrijstelling voor deze module wanneer ze deelnemen aan een andere vergelijkende selectie. Deze vrijstelling wordt ook toegekend aan de personen die geslaagd zijn voor de zelfde module in het kader van de selectietest bedoeld in artikel 2, 4°, van het koninklijk besluit van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten. [5 Deze vrijstelling heeft een geldigheidsduur van twee jaar vanaf de betekening van het resultaat.]5 [5 ...]5
[5 Als een vergelijkende selectie een module gemeenschappelijk heeft met een doorlopende selectie binnen hetzelfde niveau, geeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning de geslaagden een vrijstelling voor deze module wanneer ze deelnemen aan een doorlopende selectie. Deze vrijstelling heeft een geldigheidsduur van twee jaar vanaf de betekening van het resultaat.]5
Een kandidaat die niet geslaagd is voor een module van een vergelijkende selectie wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van het opnieuw afleggen van dezelfde module.
[3 § 2bis. - Indien een schriftelijke of computergestuurde proef die niet tot een rangschikking van de kandidaten leidt gemeenschappelijk is voor verschillende modules binnen eenzelfde niveau geeft de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning een vrijstelling aan de geslaagden voor deze proef wanneer ze aan een andere vergelijkende selectie deelnemen. Deze vrijstelling is twee jaar geldig.]3
§ 3. [2 Voor elke vergelijkende selectie en indien de aard van de te begeven functie dit vereist, wordt er een bijkomende vergelijkende proef georganiseerd op basis van een functiebeschrijving en een competentieprofiel waaraan in voorkomend geval toelaatbaarheidsvereisten zoals bepaald in artikel 17, § 1 zijn verbonden, die, voor deze functie, leidt tot een afzonderlijke rangschikking van de geslaagden, die [5 twaalf maanden]5 geldig is ongeacht de geldigheidstermijn van de oorspronkelijke reserve.
De deelname aan de bijkomende vergelijkende proef is facultatief.
De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning legt, in overleg met de betrokken voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde, het maximum aantal deelnemers aan deze proef vast, rekening houdend met de rangschikking.
De geslaagden voor deze proef en de niet geslaagde kandidaten behouden de rangschikking bedoeld in § 1.
Wat de aanwerving betreft, is de minister of zijn afgevaardigde gebonden door de in het eerste lid bedoelde rangschikking.]2
[2 § 3bis. De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of, in voorkomend geval, de minister of zijn afgevaardigde, kan, voor een aanwerving waarvoor er geen reserve is aangelegd, een beroep doen op de reserves met geslaagden van statutaire selecties die onder een andere federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid vallen of van een instelling van openbaar nut die daaronder valt, met het akkoord van de overheid die er de benoemingsbevoegdheid heeft.
In dat geval wordt een bijkomende vergelijkende proef georganiseerd op de in paragraaf 3 vastgestelde voorwaarden.]2
§ 4. De vergelijkende selecties worden georganiseerd voor de benoeming in de klassen A1 tot A4 en in de graden van de niveaus B, C en D.]1
Wijzigingen
Art.20. [1 § 1er. Une sélection comparative est la sélection qui, sur base d'une description de fonction et du profil de compétences, est organisée à l'initiative [4 du directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]4 ou à la demande du ministre ou de son délégué et conduit à un classement des lauréats.
§ 2. Une sélection comparative peut comprendre plusieurs modules d'épreuves successives auxquelles le candidat n'est admis que sous réserve de la réussite du module précédent. Dans ce cas, le classement n'est établi que sur base des résultats du dernier module.
Si un module est commun à plusieurs sélections comparatives au sein d'un même niveau, [4 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]4 dispense les lauréats de ce module lors de leur participation à une autre sélection comparative. Cette dispense est aussi accordée aux personnes qui ont réussi le même module dans le cadre du test de sélection visé à l'article 2, 4°, de l'arrêté royal du 25 avril 2005 fixant les conditions d'engagement par contrat de travail dans certains services publics. [5 Cette dispense est valable pour une durée de deux ans à dater de la notification du résultat.]5 [5 ...]5
[5 Si une sélection comparative comporte un module commun avec une sélection continue au sein du même niveau, le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui accorde aux lauréats une dispense pour ce module lorsqu'ils participent à une sélection continue. Cette dispense est valable pour une durée de deux ans à dater de la notification du résultat.]5
Un candidat qui n'a pas réussi un module d'une sélection comparative est exclu pendant une durée de six mois à dater du jour de la présentation de l'épreuve de se présenter à nouveau pour ce même module.
[3 § 2bis. Si une épreuve écrite ou informatisée ne conduisant pas à un classement des candidats est commune à plusieurs modules au sein d'un même niveau, le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui dispense les lauréats de cette épreuve lors de leur participation à une autre sélection comparative. Cette dispense est valable durant deux ans.]3
§ 3. [2 Pour toute sélection comparative et si la nature de la fonction à conférer l'exige, une épreuve comparative complémentaire est organisée sur base d'une description de fonction et d'un profil de compétences, le cas échéant, assortis de conditions d'admissibilités telles que définies à l'article 17, § 1er, qui conduit, pour cette fonction, à un classement distinct des lauréats, valable [5 douze mois]5 nonobstant le délai de validité de la réserve initiale.
La participation à l'épreuve comparative complémentaire est facultative.
Le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui fixe en concertation avec le président du comité de direction concerné ou son délégué, en tenant compte du classement, le nombre maximum de participants à cette épreuve.
Les lauréats de cette épreuve, ainsi que les candidats qui n'ont pas réussi, maintiennent le classement visé au § 1er.
Pour le recrutement, le ministre ou son délégué est lié par le classement visé à l'alinéa 1er.]2
[2 § 3bis. Le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ou, le cas échéant, le ministre ou son délégué, peut, pour un recrutement pour lequel aucune réserve n'est constituée, faire appel aux réserves de lauréats de sélections statutaires qui relèvent d'une autre autorité fédérale, régionale ou communautaire ou d'un organisme d'intérêt public qui en relève, moyennant l'accord de l'autorité qui y a le pouvoir de nomination.
Dans ce cas, une épreuve comparative complémentaire est organisée aux conditions fixées au paragraphe 3.]2
§ 4. Les sélections comparatives sont organisées pour la nomination aux classes A1 à A4 ainsi qu'aux grades des niveaux B, C et D.]1
§ 2. Une sélection comparative peut comprendre plusieurs modules d'épreuves successives auxquelles le candidat n'est admis que sous réserve de la réussite du module précédent. Dans ce cas, le classement n'est établi que sur base des résultats du dernier module.
Si un module est commun à plusieurs sélections comparatives au sein d'un même niveau, [4 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]4 dispense les lauréats de ce module lors de leur participation à une autre sélection comparative. Cette dispense est aussi accordée aux personnes qui ont réussi le même module dans le cadre du test de sélection visé à l'article 2, 4°, de l'arrêté royal du 25 avril 2005 fixant les conditions d'engagement par contrat de travail dans certains services publics. [5 Cette dispense est valable pour une durée de deux ans à dater de la notification du résultat.]5 [5 ...]5
[5 Si une sélection comparative comporte un module commun avec une sélection continue au sein du même niveau, le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui accorde aux lauréats une dispense pour ce module lorsqu'ils participent à une sélection continue. Cette dispense est valable pour une durée de deux ans à dater de la notification du résultat.]5
Un candidat qui n'a pas réussi un module d'une sélection comparative est exclu pendant une durée de six mois à dater du jour de la présentation de l'épreuve de se présenter à nouveau pour ce même module.
[3 § 2bis. Si une épreuve écrite ou informatisée ne conduisant pas à un classement des candidats est commune à plusieurs modules au sein d'un même niveau, le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui dispense les lauréats de cette épreuve lors de leur participation à une autre sélection comparative. Cette dispense est valable durant deux ans.]3
§ 3. [2 Pour toute sélection comparative et si la nature de la fonction à conférer l'exige, une épreuve comparative complémentaire est organisée sur base d'une description de fonction et d'un profil de compétences, le cas échéant, assortis de conditions d'admissibilités telles que définies à l'article 17, § 1er, qui conduit, pour cette fonction, à un classement distinct des lauréats, valable [5 douze mois]5 nonobstant le délai de validité de la réserve initiale.
La participation à l'épreuve comparative complémentaire est facultative.
Le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui fixe en concertation avec le président du comité de direction concerné ou son délégué, en tenant compte du classement, le nombre maximum de participants à cette épreuve.
Les lauréats de cette épreuve, ainsi que les candidats qui n'ont pas réussi, maintiennent le classement visé au § 1er.
Pour le recrutement, le ministre ou son délégué est lié par le classement visé à l'alinéa 1er.]2
[2 § 3bis. Le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ou, le cas échéant, le ministre ou son délégué, peut, pour un recrutement pour lequel aucune réserve n'est constituée, faire appel aux réserves de lauréats de sélections statutaires qui relèvent d'une autre autorité fédérale, régionale ou communautaire ou d'un organisme d'intérêt public qui en relève, moyennant l'accord de l'autorité qui y a le pouvoir de nomination.
Dans ce cas, une épreuve comparative complémentaire est organisée aux conditions fixées au paragraphe 3.]2
§ 4. Les sélections comparatives sont organisées pour la nomination aux classes A1 à A4 ainsi qu'aux grades des niveaux B, C et D.]1
Wijzigingen
Art. 20bis. § 1. Voor de vergelijkende selecties [2 ...]2, georganiseerd op initiatief [5 van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5, beslist hij vooraf of er een reserve van de geslaagden wordt aangelegd.
§ 2. Zo de betrokken minister of zijn gemachtigde een vergelijkende selectie [2 ...]2 aanvraagt, kan door [5 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5, na overleg met [3 het betrokken departement]3, een reserve van de geslaagden worden aangelegd.
Op basis van het aantal verwachte vacante betrekkingen in het betrokken departement bepaalt [5 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5 vooraf het aantal geslaagden dat in deze reserve wordt opgenomen. [6 In voorkomend geval kan hij vooraf beslissen alle laureaten in de reserve op te nemen.]6
[1 ...]1
[1 § 3. ]1 [4 De geldigheidsduur van een wervingsreserve wordt bepaald door [5 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5 op maximum twee jaar.
[5 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5 kan de termijn van de op zijn initiatief aangelegde reserves verlengen, telkens met een periode van maximum een jaar.
Hij verlengt de termijn van de andere reserves, zoals bedoeld in § 2, volgens dezelfde nadere regels op degelijk gemotiveerd verzoek van de betrokken Minister of zijn gemachtigde.]4 ]1
§ 2. Zo de betrokken minister of zijn gemachtigde een vergelijkende selectie [2 ...]2 aanvraagt, kan door [5 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5, na overleg met [3 het betrokken departement]3, een reserve van de geslaagden worden aangelegd.
Op basis van het aantal verwachte vacante betrekkingen in het betrokken departement bepaalt [5 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5 vooraf het aantal geslaagden dat in deze reserve wordt opgenomen. [6 In voorkomend geval kan hij vooraf beslissen alle laureaten in de reserve op te nemen.]6
[1 ...]1
[1 § 3. ]1 [4 De geldigheidsduur van een wervingsreserve wordt bepaald door [5 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5 op maximum twee jaar.
[5 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5 kan de termijn van de op zijn initiatief aangelegde reserves verlengen, telkens met een periode van maximum een jaar.
Hij verlengt de termijn van de andere reserves, zoals bedoeld in § 2, volgens dezelfde nadere regels op degelijk gemotiveerd verzoek van de betrokken Minister of zijn gemachtigde.]4 ]1
Wijzigingen
Art. 20bis. § 1er. Pour les sélections comparatives [2 ...]2, organisées à l'initiative [5 du directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5, celui-ci décide au préalable si une réserve de lauréats est constituée ou non.
§ 2. Si le ministre concerné ou son délégué demande une sélection comparative [2 ...]2, [5 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 peut, après concertation avec [3 le département concerné]3, constituer une réserve de lauréats.
[5 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 détermine au préalable, sur la base du nombre de vacances d'emplois prévisibles dans le département concerné, le nombre de lauréats admis dans cette réserve. [6 Le cas échéant, il peut décider préalablement que tous les lauréats seront repris dans la réserve.]6
[1 ...]1
[1 § 3. [4 La durée de validité d'une réserve de recrutement est fixée par [5 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 à deux ans maximum.
[5 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 peut prolonger le délai des réserves de recrutement constituées à son initiative, chaque fois à concurrence d'une période d'un an maximum.
Il prolonge le délai des autres réserves, visées au § 2, selon les mêmes modalités, à la demande dûment motivée du Ministre concerné ou de son délégué.]4 ]1
§ 2. Si le ministre concerné ou son délégué demande une sélection comparative [2 ...]2, [5 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 peut, après concertation avec [3 le département concerné]3, constituer une réserve de lauréats.
[5 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 détermine au préalable, sur la base du nombre de vacances d'emplois prévisibles dans le département concerné, le nombre de lauréats admis dans cette réserve. [6 Le cas échéant, il peut décider préalablement que tous les lauréats seront repris dans la réserve.]6
[1 ...]1
[1 § 3. [4 La durée de validité d'une réserve de recrutement est fixée par [5 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 à deux ans maximum.
[5 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 peut prolonger le délai des réserves de recrutement constituées à son initiative, chaque fois à concurrence d'une période d'un an maximum.
Il prolonge le délai des autres réserves, visées au § 2, selon les mêmes modalités, à la demande dûment motivée du Ministre concerné ou de son délégué.]4 ]1
Wijzigingen
Art. 20ter. [1 In afwijking van artikel 20, § 1, leiden de vergelijkende selecties voor functies behorende tot de klassen A3 en A4, alsook die voor functies behorende tot de klasse A2, als die ook of enkel openstaan voor de rijksambtenaren van de klasse A1 die kandidaat zijn voor een bevordering, tot de samenstelling van een groep geslaagden, die onderling niet gerangschikt zijn, bestaande uit de personen die werden beoordeeld als zijnde degenen die het best aan de functiebeschrijving en het competentieprofiel beantwoorden.
Hetzelfde geldt voor de bevorderingen in de klasse A5.
De betrokken voorzitter van het directiecomité bepaalt het maximum aantal geslaagden op basis van het aantal vacante betrekkingen per functie. Dat maximum aantal moet hoger zijn dan het aantal vacante betrekkingen en mag in geen geval minder zijn dan zes.
De oproep tot kandidaten vermeldt het aantal toe te kennen betrekkingen en het maximum aantal geslaagden.
In afwijking van artikel 20, § 2, kent de [3 directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 de kandidaten voor de bevordering of voor een federale mobiliteit een vrijstelling toe voor een of meerdere modules, behalve voor de laatste module. [2 Hij kent eveneens vrijstelling van een of meer modules, met uitsluiting van de laatste module, toe aan de houders van een management- of een staffunctie, alsook aan de vroegere houders van een van deze functies, van wie het mandaat sinds minder dan twee jaar beëindigd is. Die vrijstelling wordt niet toegekend aan houders of vroegere houders van een management- of staffunctie die tijdens hun mandaat minstens een evaluatie kregen met de vermelding "onvoldoende" of met de vermelding "te ontwikkelen". ]2
[3 Het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 bezorgt de resultaten van de vergelijkende selectie aan de voorzitter van het directiecomité.]1
Hetzelfde geldt voor de bevorderingen in de klasse A5.
De betrokken voorzitter van het directiecomité bepaalt het maximum aantal geslaagden op basis van het aantal vacante betrekkingen per functie. Dat maximum aantal moet hoger zijn dan het aantal vacante betrekkingen en mag in geen geval minder zijn dan zes.
De oproep tot kandidaten vermeldt het aantal toe te kennen betrekkingen en het maximum aantal geslaagden.
In afwijking van artikel 20, § 2, kent de [3 directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 de kandidaten voor de bevordering of voor een federale mobiliteit een vrijstelling toe voor een of meerdere modules, behalve voor de laatste module. [2 Hij kent eveneens vrijstelling van een of meer modules, met uitsluiting van de laatste module, toe aan de houders van een management- of een staffunctie, alsook aan de vroegere houders van een van deze functies, van wie het mandaat sinds minder dan twee jaar beëindigd is. Die vrijstelling wordt niet toegekend aan houders of vroegere houders van een management- of staffunctie die tijdens hun mandaat minstens een evaluatie kregen met de vermelding "onvoldoende" of met de vermelding "te ontwikkelen". ]2
[3 Het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 bezorgt de resultaten van de vergelijkende selectie aan de voorzitter van het directiecomité.]1
Wijzigingen
Art. 20ter. [1 Par dérogation à l'article 20, § 1er, les sélections comparatives pour des fonctions appartenant aux classes A3 et A4, ainsi que celles pour des fonctions appartenant à la classe A2, lorsqu'elles sont également ou exclusivement ouvertes aux agents de l'Etat de la classe A1 candidats à une promotion, conduisent à la constitution d'un groupe de lauréats, non classés entre eux, constitués de ceux qui ont été jugés correspondre au mieux à la description de fonction et au profil de compétences.
Il en est de même pour les promotions à la classe A5.
Le président du comité de direction concerné fixe le nombre maximum de lauréats sur la base du nombre d'emplois vacants par fonction, le nombre maximum étant nécessairement supérieur au nombre d'emplois vacants et ne pouvant en aucun cas être inférieur à six.
L'appel aux candidats indique le nombre d'emplois à attribuer et le nombre maximum de lauréats.
Par dérogation à l'article 20, § 2, [3 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 accorde dispense d'un ou plusieurs modules, à l'exclusion du dernier module, aux candidats à la promotion ou à une mobilité fédérale. [2 Il accorde également dispense d'un ou plusieurs modules, à l'exclusion du dernier module, aux titulaires d'une fonction de management ou d'une fonction d'encadrement, ainsi qu'aux anciens titulaires d'une de ces fonctions, dont le mandat s'est terminé depuis moins de deux ans. Cette dispense n'est pas accordée aux titulaires ou aux anciens titulaires d'une fonction de management ou d'une fonction d'encadrement qui ont eu au moins une évaluation avec mention " insuffisant " ou avec mention " à développer " lors de leur mandat » ]2
[3 La direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 transmet les résultats de la sélection comparative au président du comité de direction.]1
Il en est de même pour les promotions à la classe A5.
Le président du comité de direction concerné fixe le nombre maximum de lauréats sur la base du nombre d'emplois vacants par fonction, le nombre maximum étant nécessairement supérieur au nombre d'emplois vacants et ne pouvant en aucun cas être inférieur à six.
L'appel aux candidats indique le nombre d'emplois à attribuer et le nombre maximum de lauréats.
Par dérogation à l'article 20, § 2, [3 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 accorde dispense d'un ou plusieurs modules, à l'exclusion du dernier module, aux candidats à la promotion ou à une mobilité fédérale. [2 Il accorde également dispense d'un ou plusieurs modules, à l'exclusion du dernier module, aux titulaires d'une fonction de management ou d'une fonction d'encadrement, ainsi qu'aux anciens titulaires d'une de ces fonctions, dont le mandat s'est terminé depuis moins de deux ans. Cette dispense n'est pas accordée aux titulaires ou aux anciens titulaires d'une fonction de management ou d'une fonction d'encadrement qui ont eu au moins une évaluation avec mention " insuffisant " ou avec mention " à développer " lors de leur mandat » ]2
[3 La direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 transmet les résultats de la sélection comparative au président du comité de direction.]1
Art.21. [2 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 organiseert de vergelijkende selecties.
[1 Hij kan echter onder zijn toezicht de organisatie van deze vergelijkende selecties geheel of gedeeltelijk opdragen aan de federale overheidsdienst.]1
[1 ...]1.
[1 Hij kan echter onder zijn toezicht de organisatie van deze vergelijkende selecties geheel of gedeeltelijk opdragen aan de federale overheidsdienst.]1
[1 ...]1.
Art.21. [2 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 organise les sélections comparatives.
[1 Il peut toutefois sous sa surveillance confier tout ou partie de l'organisation de ces sélections comparatives au service public fédéral.]1
[1 ...]1
[1 Il peut toutefois sous sa surveillance confier tout ou partie de l'organisation de ces sélections comparatives au service public fédéral.]1
[1 ...]1
Art. 21bis. Opgeheven bij KB 12-08-1981, art. 7, Inwerkingtreding : 01-09-1981
Art. 21bis. Abrogé par AR 12-08-1981, art. 7, En vigueur : 01-09-1981
Art.23. Na het afsluiten van het proces-verbaal van de vergelijkende selectie ontvangt iedere deelnemer bericht van zijn uitslag.
De behaalde uitslag wordt in bijzonderheden in het individueel evaluatiedossier opgenomen als de gegadigde tot rijksambtenaar wordt benoemd.
De behaalde uitslag wordt in bijzonderheden in het individueel evaluatiedossier opgenomen als de gegadigde tot rijksambtenaar wordt benoemd.
Art.23. Après la clôture du procès-verbal de la sélection comparative, chaque participant reçoit communication de son résultat.
Les résultats détaillés obtenus par les candidats figurent à leur dossier individuel d'évaluation lorsqu'ils sont nommés en qualité d'agent de l'Etat.
Les résultats détaillés obtenus par les candidats figurent à leur dossier individuel d'évaluation lorsqu'ils sont nommés en qualité d'agent de l'Etat.
HOOFDSTUK IIBIS. [1 - Doorlopende selecties]1
CHAPITRE IIBIS. [1 - Sélections continues]1
Art.24. [1 § 1. Een doorlopende selectie is een selectie georganiseerd op initiatief van de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning op basis van een functiebeschrijving en een competentieprofiel voor kritische functies en hoogvolumefuncties. Ze leidt ertoe dat de kandidaten onderverdeeld worden in de drie volgende groepen:
1°. zeer geschikt;
2°. geschikt;
3°. niet geschikt.
Een kandidaat die op de lijst met "zeer geschikte kandidaten" geplaatst wordt, geniet voorrang.
Een kandidaat die op de lijst met "niet geschikte" kandidaten geplaatst wordt, mag zich gedurende een periode van zes maanden na de mededeling van zijn niet-slagen geen kandidaat meer stellen voor een wervingsexamen van dezelfde functie.
§ 2. Een doorlopende selectie wordt zonder vooraf bepaalde einddatum voor inschrijving gepubliceerd, en dit ten minste in het Belgisch Staatsblad en op de website van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling.
De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling [2 van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 kondigt ten minste veertien dagen op voorhand de uiterste inschrijvingsdatum aan in het Belgisch Staatsblad en op de website van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling.
§ 3. De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning legt de lijst van kritische functies en van hoogvolumefuncties vast.
Een kritische functie is een functie waarvoor weinig kandidaten zich inschrijven en waarvoor de noden van één of meerdere federale diensten niet ingevuld raken ondanks het regelmatig publiceren van vacatures.
Een hoogvolumefunctie is een functie waaraan er binnen een bepaalde federale dienst een doorlopende behoefte is die nooit volledig ingevuld raakt ondanks het hoge aantal selecties, kandidaten en laureaten.
De lijst van kritische functies en hoogvolumefuncties wordt ter informatie bezorgd aan de leden van de overlegcommissie voor de selectieprocedures bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel.]1
[2 § 4. Als meerdere doorlopende selecties binnen eenzelfde niveau een module gemeenschappelijk hebben, geeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning de geslaagden een vrijstelling voor deze module.
Als een doorlopende selectie een module gemeenschappelijk heeft met een vergelijkende selectie binnen hetzelfde niveau, geeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning de geslaagden een vrijstelling voor deze module wanneer ze deelnemen aan een vergelijkende selectie.
Deze vrijstelling wordt ook toegekend aan de personen die geslaagd zijn voor dezelfde module in het kader van een selectietest bedoeld in artikel 2, 4°, b), van het koninklijk besluit van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten.
De vrijstelling heeft een geldigheidsduur van twee jaar vanaf de betekening van het resultaat.]2
1°. zeer geschikt;
2°. geschikt;
3°. niet geschikt.
Een kandidaat die op de lijst met "zeer geschikte kandidaten" geplaatst wordt, geniet voorrang.
Een kandidaat die op de lijst met "niet geschikte" kandidaten geplaatst wordt, mag zich gedurende een periode van zes maanden na de mededeling van zijn niet-slagen geen kandidaat meer stellen voor een wervingsexamen van dezelfde functie.
§ 2. Een doorlopende selectie wordt zonder vooraf bepaalde einddatum voor inschrijving gepubliceerd, en dit ten minste in het Belgisch Staatsblad en op de website van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling.
De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling [2 van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 kondigt ten minste veertien dagen op voorhand de uiterste inschrijvingsdatum aan in het Belgisch Staatsblad en op de website van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling.
§ 3. De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning legt de lijst van kritische functies en van hoogvolumefuncties vast.
Een kritische functie is een functie waarvoor weinig kandidaten zich inschrijven en waarvoor de noden van één of meerdere federale diensten niet ingevuld raken ondanks het regelmatig publiceren van vacatures.
Een hoogvolumefunctie is een functie waaraan er binnen een bepaalde federale dienst een doorlopende behoefte is die nooit volledig ingevuld raakt ondanks het hoge aantal selecties, kandidaten en laureaten.
De lijst van kritische functies en hoogvolumefuncties wordt ter informatie bezorgd aan de leden van de overlegcommissie voor de selectieprocedures bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel.]1
[2 § 4. Als meerdere doorlopende selecties binnen eenzelfde niveau een module gemeenschappelijk hebben, geeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning de geslaagden een vrijstelling voor deze module.
Als een doorlopende selectie een module gemeenschappelijk heeft met een vergelijkende selectie binnen hetzelfde niveau, geeft de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning de geslaagden een vrijstelling voor deze module wanneer ze deelnemen aan een vergelijkende selectie.
Deze vrijstelling wordt ook toegekend aan de personen die geslaagd zijn voor dezelfde module in het kader van een selectietest bedoeld in artikel 2, 4°, b), van het koninklijk besluit van 25 april 2005 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indienstneming bij arbeidsovereenkomst in sommige overheidsdiensten.
De vrijstelling heeft een geldigheidsduur van twee jaar vanaf de betekening van het resultaat.]2
Art.24. [1 § 1er. Une sélection continue est une sélection organisée à l'initiative du directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui sur base d'une description de fonction et d'un profil de compétences pour des fonctions critiques ou pour des fonctions à gros volume. Elle conduit à la répartition des candidats dans les trois groupes suivants :
1°. très apte ;
2°. apte ;
3°. pas apte.
Le candidat figurant sur la liste " très apte " est prioritaire.
Le candidat figurant sur la liste " pas apte " n'est pas autorisé à se présenter à un examen de recrutement pour la même fonction pendant une période de six mois suivant la date de la notification de son échec.
§ 2. Une sélection continue est publiée, sans date limite d'inscription prédéfinie, et ce au moins au Moniteur belge et sur le site web de la direction générale Recrutement et Développement.
Le directeur général Recrutement et Développement [2 du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 annonce la date limite d'inscription au moins quatorze jours à l'avance au Moniteur belge et sur le site web de la direction générale Recrutement et Développement.
§ 3. Le directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui fixe la liste des fonctions critiques et des fonctions à gros volume.
Une fonction critique est une fonction pour laquelle peu de candidats s'inscrivent et pour laquelle les besoins d'un ou de plusieurs services fédéraux ne sont dès lors pas rencontrés malgré des déclarations de vacances régulières.
Une fonction à gros volume est une fonction pour laquelle, dans un service fédéral donné, le besoin est constant et jamais totalement rencontré malgré le nombre élevé de sélections, de candidats et de lauréats.
La liste des fonctions critiques et des fonctions à gros volume est transmise à titre d'information aux membres de la commission de concertation relative aux procédures de sélection visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat.]1
[2 § 4. Si plusieurs sélections continues comportent un module en commun au sein du même niveau, le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui accorde aux lauréats une dispense pour ce module.
Si une sélection continue comporte un module en commun avec une sélection comparative au sein du même niveau, le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui accorde aux lauréats une dispense pour ce module lorsqu'ils participent à une sélection comparative.
Cette dispense est également accordée aux personnes qui ont réussi le même module dans le cadre d'une épreuve de sélection visée à l'article 2, 4°, b), de l'arrêté royal du 25 avril 2005 fixant les conditions d'engagement par contrat de travail dans certains services publics.
Le dispense a une durée de validité de deux ans à compter à dater de la notification du résultat.]2
1°. très apte ;
2°. apte ;
3°. pas apte.
Le candidat figurant sur la liste " très apte " est prioritaire.
Le candidat figurant sur la liste " pas apte " n'est pas autorisé à se présenter à un examen de recrutement pour la même fonction pendant une période de six mois suivant la date de la notification de son échec.
§ 2. Une sélection continue est publiée, sans date limite d'inscription prédéfinie, et ce au moins au Moniteur belge et sur le site web de la direction générale Recrutement et Développement.
Le directeur général Recrutement et Développement [2 du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 annonce la date limite d'inscription au moins quatorze jours à l'avance au Moniteur belge et sur le site web de la direction générale Recrutement et Développement.
§ 3. Le directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui fixe la liste des fonctions critiques et des fonctions à gros volume.
Une fonction critique est une fonction pour laquelle peu de candidats s'inscrivent et pour laquelle les besoins d'un ou de plusieurs services fédéraux ne sont dès lors pas rencontrés malgré des déclarations de vacances régulières.
Une fonction à gros volume est une fonction pour laquelle, dans un service fédéral donné, le besoin est constant et jamais totalement rencontré malgré le nombre élevé de sélections, de candidats et de lauréats.
La liste des fonctions critiques et des fonctions à gros volume est transmise à titre d'information aux membres de la commission de concertation relative aux procédures de sélection visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat.]1
[2 § 4. Si plusieurs sélections continues comportent un module en commun au sein du même niveau, le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui accorde aux lauréats une dispense pour ce module.
Si une sélection continue comporte un module en commun avec une sélection comparative au sein du même niveau, le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui accorde aux lauréats une dispense pour ce module lorsqu'ils participent à une sélection comparative.
Cette dispense est également accordée aux personnes qui ont réussi le même module dans le cadre d'une épreuve de sélection visée à l'article 2, 4°, b), de l'arrêté royal du 25 avril 2005 fixant les conditions d'engagement par contrat de travail dans certains services publics.
Le dispense a une durée de validité de deux ans à compter à dater de la notification du résultat.]2
Art.25. [1 § 1. Voor de kritische functies omvat de doorlopende selectie ten minste een mondelinge proef die afgelegd wordt voor een selectiecommissie.
§ 2. Als er meerdere laureaten geïnteresseerd zijn in éénzelfde betrekking, dan wordt er een bijkomende proef georganiseerd op basis van een functiebeschrijving. Na deze bijkomende proef worden de laureaten gerangschikt.
Elke laureaat van een doorlopende selectie voor een kritische functie beschikt over een minimumtermijn van acht dagen om zijn interesse in een betrekking kenbaar te maken.
Onverminderd artikel 24, § 1, tweede lid, genieten personen met een handicap bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende [2 de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties die laureaat zijn, voorrang binnen hun groep bij de toekenning van de vacante betrekking voor zover de aanwervende federale dienst het quotum bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties niet bereikt]2.
Indien er meerdere laureaten met een handicap geïnteresseerd zijn in éénzelfde betrekking, dan wordt er een bijkomende proef georganiseerd op basis van een functiebeschrijving. Na deze bijkomende proef, worden de laureaten met een handicap gerangschikt.
§ 3. Na twee weigeringen om in dienst te treden of om eventueel deel te nemen aan de bijkomende proef bedoeld in het tweede lid, wordt de laureaat definitief van de laureatenlijst geschrapt. Onder weigering wordt verstaan: een uitdrukkelijke weigering of het uitblijven van een antwoord.]1
§ 2. Als er meerdere laureaten geïnteresseerd zijn in éénzelfde betrekking, dan wordt er een bijkomende proef georganiseerd op basis van een functiebeschrijving. Na deze bijkomende proef worden de laureaten gerangschikt.
Elke laureaat van een doorlopende selectie voor een kritische functie beschikt over een minimumtermijn van acht dagen om zijn interesse in een betrekking kenbaar te maken.
Onverminderd artikel 24, § 1, tweede lid, genieten personen met een handicap bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende [2 de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties die laureaat zijn, voorrang binnen hun groep bij de toekenning van de vacante betrekking voor zover de aanwervende federale dienst het quotum bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende de inclusie van personen met een handicap en redelijke aanpassingen tijdens selecties niet bereikt]2.
Indien er meerdere laureaten met een handicap geïnteresseerd zijn in éénzelfde betrekking, dan wordt er een bijkomende proef georganiseerd op basis van een functiebeschrijving. Na deze bijkomende proef, worden de laureaten met een handicap gerangschikt.
§ 3. Na twee weigeringen om in dienst te treden of om eventueel deel te nemen aan de bijkomende proef bedoeld in het tweede lid, wordt de laureaat definitief van de laureatenlijst geschrapt. Onder weigering wordt verstaan: een uitdrukkelijke weigering of het uitblijven van een antwoord.]1
Art.25. [1 § 1er. Pour les fonctions critiques, la sélection continue comporte au minimum une épreuve orale présentée devant une commission de sélection.
§ 2. Si plusieurs lauréats sont intéressés par un même poste, une épreuve complémentaire est organisée sur base d'une description de fonction. Les lauréats sont classés à l'issue de cette épreuve complémentaire.
Chaque lauréat d'une sélection continue pour une fonction critique dispose d'un délai de minimum huit jours pour faire part de son intérêt pour un poste.
Sans préjudice de l'article 24, § 1er, alinéa 2, les personnes présentant un handicap, visées à l'article 1er de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant [2 l'inclusion des personnes handicapées et des aménagements raisonnables lors de sélections, et qui sont lauréats, sont prioritaires dans leur groupe en ce qui concerne l'attribution de l'emploi vacant dans la mesure où le service public recruteur n'atteint pas le quota visé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant l'inclusion des personnes handicapées et des aménagements raisonnables lors de sélections]2.
Si plusieurs lauréats présentant un handicap sont intéressés par le même poste, une épreuve complémentaire sera organisée sur base d'une description de fonction. Les lauréats présentant un handicap sont classés à l'issue de cette épreuve complémentaire.
§ 3. Après deux refus d'entrer en service ou, le cas échéant, de participer à l'épreuve orale complémentaire visée à l'alinéa 2, le lauréat est supprimé définitivement de la liste des lauréats. Par refus on entend : un refus explicite ou une absence de réponse.]1
§ 2. Si plusieurs lauréats sont intéressés par un même poste, une épreuve complémentaire est organisée sur base d'une description de fonction. Les lauréats sont classés à l'issue de cette épreuve complémentaire.
Chaque lauréat d'une sélection continue pour une fonction critique dispose d'un délai de minimum huit jours pour faire part de son intérêt pour un poste.
Sans préjudice de l'article 24, § 1er, alinéa 2, les personnes présentant un handicap, visées à l'article 1er de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant [2 l'inclusion des personnes handicapées et des aménagements raisonnables lors de sélections, et qui sont lauréats, sont prioritaires dans leur groupe en ce qui concerne l'attribution de l'emploi vacant dans la mesure où le service public recruteur n'atteint pas le quota visé à l'article 3, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant l'inclusion des personnes handicapées et des aménagements raisonnables lors de sélections]2.
Si plusieurs lauréats présentant un handicap sont intéressés par le même poste, une épreuve complémentaire sera organisée sur base d'une description de fonction. Les lauréats présentant un handicap sont classés à l'issue de cette épreuve complémentaire.
§ 3. Après deux refus d'entrer en service ou, le cas échéant, de participer à l'épreuve orale complémentaire visée à l'alinéa 2, le lauréat est supprimé définitivement de la liste des lauréats. Par refus on entend : un refus explicite ou une absence de réponse.]1
Art.26. [1 Voor hoogvolumefuncties omvat de doorlopende selectie dezelfde minimumvereiste als voor kritische functies uit artikel 25, § 1.
Na twee weigeringen om in dienst te treden wordt de laureaat definitief van de laureatenlijst geschrapt. Onder weigering wordt verstaan: een uitdrukkelijke weigering of het uitblijven van een antwoord.]1
Na twee weigeringen om in dienst te treden wordt de laureaat definitief van de laureatenlijst geschrapt. Onder weigering wordt verstaan: een uitdrukkelijke weigering of het uitblijven van een antwoord.]1
Art.26. [1 Pour les fonctions à gros volume, la sélection continue comporte la même exigence minimale que pour les fonctions critiques visées à l'article 25, § 1er.
Après deux refus d'entrer en service, le lauréat est supprimé définitivement de la liste des lauréats. Par refus on entend : un refus explicite ou une absence de réponse.]1
Après deux refus d'entrer en service, le lauréat est supprimé définitivement de la liste des lauréats. Par refus on entend : un refus explicite ou une absence de réponse.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. Stage en aanstelling tot rijksambtenaar
CHAPITRE III. Du stage et de l'admission en qualité d'agent de l'Etat
Afdeling I. Algemene bepalingen
Section 1ère. Dispositions générales
Art.27. § 1. [3 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 maakt overeenkomstig de door Ons vastgestelde bepalingen de lijst op van de geslaagden [1 ...]1 van de vergelijkende selectie.
§ 2. In de gevallen waarin een onderzoek naar de medische geschiktheid is voorgeschreven, kan de aangeworven geslaagde [1 ...]1 slechts tot benoeming worden toegelaten wanneer hij zich voor het onderzoek heeft aangemeld : dat onderzoek heeft als voorwerp te bepalen of de betrokkene geschikt is om het ambt waarvoor hij is geselecteerd, uit te oefenen. Indien hij niet aan de geschiktheidsvoorwaarden voldoet, wordt hij ambtshalve ontslagen. Ten laatste op de datum van dit ontslag van ambtswege wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten. Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.
§ 3. [3 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 controleert de algemene toelaatbaarheidsvereiste, voorzien in artikel 16, 6° en de bijzondere toelaatbaarheidsvereisten van de geslaagden [1 ...]1 voorzien in artikel 17.
[2 De aangeworven geslaagden worden door de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde toelaatbaar verklaard zo zij aan de overige toelaatbaarheidsvereisten voldoen.]2
Zo er een reserve van de geslaagden is aangelegd, verwittigt de [2 voorzitter van het directiecomité]2 of zijn gemachtigde [3 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 van zijn beslissing.
[2 ...]2 .
Wanneer, overeenkomstig artikel 16, 2°, een nader onderzoek geboden is om uit te maken of een aangeworven geslaagde [1 ...]1 een gedrag heeft dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking, wordt het dossier voor beslissing aan [3 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 overgemaakt. Zolang het onderzoek duurt, wordt de geslaagde of de kandidaat voorlopig geweerd; hij wordt op de hoogte gebracht van deze procedure.
§ 2. In de gevallen waarin een onderzoek naar de medische geschiktheid is voorgeschreven, kan de aangeworven geslaagde [1 ...]1 slechts tot benoeming worden toegelaten wanneer hij zich voor het onderzoek heeft aangemeld : dat onderzoek heeft als voorwerp te bepalen of de betrokkene geschikt is om het ambt waarvoor hij is geselecteerd, uit te oefenen. Indien hij niet aan de geschiktheidsvoorwaarden voldoet, wordt hij ambtshalve ontslagen. Ten laatste op de datum van dit ontslag van ambtswege wordt met de betrokkene een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde duur afgesloten. Deze duur is gelijk aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van de werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de datum waarop deze overeenkomst begint te lopen arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.
§ 3. [3 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 controleert de algemene toelaatbaarheidsvereiste, voorzien in artikel 16, 6° en de bijzondere toelaatbaarheidsvereisten van de geslaagden [1 ...]1 voorzien in artikel 17.
[2 De aangeworven geslaagden worden door de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde toelaatbaar verklaard zo zij aan de overige toelaatbaarheidsvereisten voldoen.]2
Zo er een reserve van de geslaagden is aangelegd, verwittigt de [2 voorzitter van het directiecomité]2 of zijn gemachtigde [3 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 van zijn beslissing.
[2 ...]2 .
Wanneer, overeenkomstig artikel 16, 2°, een nader onderzoek geboden is om uit te maken of een aangeworven geslaagde [1 ...]1 een gedrag heeft dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking, wordt het dossier voor beslissing aan [3 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]3 overgemaakt. Zolang het onderzoek duurt, wordt de geslaagde of de kandidaat voorlopig geweerd; hij wordt op de hoogte gebracht van deze procedure.
Art.27. § 1er. [3 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 établit la liste des lauréats [1 ...]1 de la sélection comparative conformément aux dispositions arrêtées par Nous.
§ 2. Dans les cas où il est prévu un examen d'aptitude médicale, le lauréat recruté [1 ...]1 n'est admissible à la nomination que s'il s'est présenté à l'examen : ce dernier a pour objet de déterminer si l'intéressé est apte à exercer la fonction pour laquelle il a été sélectionné. S'il ne satisfait pas aux conditions d'aptitudes, il est démis d'office. Au plus tard à la date de cette démission d'office il est conclu avec l'intéressé un contrat de travail à durée déterminée, celle-ci étant égale à la durée minimale exigée dans son cas pour bénéficier des allocations de chômage. Lorsqu'il est dans l'incapacité de travailler à la date à laquelle prend cours ce contrat ou lorsqu'il le devient pendant l'exécution de celui-ci, un traitement lui est payé dans le premier cas durant six mois et dans le deuxième cas durant la période nécessaire pour couvrir le stage prévu dans le cadre de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités.
§ 3. [3 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 contrôle la condition générale d'admissibilité prévue à l'article 16, 6° et les conditions particulières d'admissibilité prévues à l'article 17 des lauréats [1 ...]1 .
[2 Les lauréats recrutés sont déclarés admissibles par le président du comité de direction ou son délégué s'ils remplissent les autres conditions d'admissibilité.]2
Si une réserve de lauréats est constituée, [2 le président du comité de direction]2 ou son délégué notifie sa décision [3 au directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3.
[2 ...]2 .
Lorsque, conformément à l'article 16, 2°, une enquête complémentaire s'impose afin d'apprécier si un lauréat recruté [1 ...]1 est d'une conduite répondant aux exigences de la fonction, le dossier est transmis [3 au directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 pour décision. Le lauréat ou le candidat est écarté provisoirement pendant le temps de l'enquête; il est informé de cette procédure.
§ 2. Dans les cas où il est prévu un examen d'aptitude médicale, le lauréat recruté [1 ...]1 n'est admissible à la nomination que s'il s'est présenté à l'examen : ce dernier a pour objet de déterminer si l'intéressé est apte à exercer la fonction pour laquelle il a été sélectionné. S'il ne satisfait pas aux conditions d'aptitudes, il est démis d'office. Au plus tard à la date de cette démission d'office il est conclu avec l'intéressé un contrat de travail à durée déterminée, celle-ci étant égale à la durée minimale exigée dans son cas pour bénéficier des allocations de chômage. Lorsqu'il est dans l'incapacité de travailler à la date à laquelle prend cours ce contrat ou lorsqu'il le devient pendant l'exécution de celui-ci, un traitement lui est payé dans le premier cas durant six mois et dans le deuxième cas durant la période nécessaire pour couvrir le stage prévu dans le cadre de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités.
§ 3. [3 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 contrôle la condition générale d'admissibilité prévue à l'article 16, 6° et les conditions particulières d'admissibilité prévues à l'article 17 des lauréats [1 ...]1 .
[2 Les lauréats recrutés sont déclarés admissibles par le président du comité de direction ou son délégué s'ils remplissent les autres conditions d'admissibilité.]2
Si une réserve de lauréats est constituée, [2 le président du comité de direction]2 ou son délégué notifie sa décision [3 au directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3.
[2 ...]2 .
Lorsque, conformément à l'article 16, 2°, une enquête complémentaire s'impose afin d'apprécier si un lauréat recruté [1 ...]1 est d'une conduite répondant aux exigences de la fonction, le dossier est transmis [3 au directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]3 pour décision. Le lauréat ou le candidat est écarté provisoirement pendant le temps de l'enquête; il est informé de cette procédure.
Art.28. De stagiair is geen rijksambtenaar in de zin van dit besluit.
De bepalingen van dit besluit en van de besluiten die het wijzigen of aanvullen gelden voor hem slechts in zover zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard.
De bepalingen van dit besluit en van de besluiten die het wijzigen of aanvullen gelden voor hem slechts in zover zij uitdrukkelijk op hem toepasselijk zijn verklaard.
Art.28. Le stagiaire n'a pas la qualité d'agent de l'Etat au sens du présent arrêté.
Il n'est soumis aux dispositions du présent arrêté et des arrêtés qui le modifient ou le complètent que dans la mesure où elles lui sont rendues expressément applicables.
Il n'est soumis aux dispositions du présent arrêté et des arrêtés qui le modifient ou le complètent que dans la mesure où elles lui sont rendues expressément applicables.
Art. 28bis. De stagiair komt in aanmerking voor hetgeen ten behoeve van rijksambtenaren is bepaald inzake :
1° allerhande uitkeringen en vergoedingen voor zover het daartoe grond opleverende feit bestaanbaar is met een ononderbroken stage ;
2° de bezoldigingsregeling.
Voor de toepassingen van dit artikel worden de stagiairs geacht [1 de klasse of]1 de graad te bezitten waarvoor zij zich kandidaat hebben gesteld.
1° allerhande uitkeringen en vergoedingen voor zover het daartoe grond opleverende feit bestaanbaar is met een ononderbroken stage ;
2° de bezoldigingsregeling.
Voor de toepassingen van dit artikel worden de stagiairs geacht [1 de klasse of]1 de graad te bezitten waarvoor zij zich kandidaat hebben gesteld.
Wijzigingen
Art. 28bis. Le stagiaire bénéficie des dispositions qui règlent pour les agents de l'Etat :
1° les allocations et indemnités de toute nature, dans la mesure où le fait qui donne lieu à l'octroi d'une allocation ou d'une indemnité est compatible avec l'exercice continu du stage ;
2° le statut pécuniaire.
Pour l'application du présent article, le stagiaire est censé être titulaire [1 de la classe ou]1 du grade auquel il s'est porté candidat.
1° les allocations et indemnités de toute nature, dans la mesure où le fait qui donne lieu à l'octroi d'une allocation ou d'une indemnité est compatible avec l'exercice continu du stage ;
2° le statut pécuniaire.
Pour l'application du présent article, le stagiaire est censé être titulaire [1 de la classe ou]1 du grade auquel il s'est porté candidat.
Wijzigingen
Afdeling II. [1 Stage van de geslaagden voor [2 ...]2 niveau A en hun aanstelling tot Rijksambtenaar]1
Section II. [1 Du stage des lauréats [2 ...]2 de niveau A et de leur admission en qualité d'agent de l'Etat]1
Onderafdeling I. [1 Stage van de geslaagden voor niveau A en hun aanstelling tot Rijksambtenaar]1
Sous-section Ière. [1 Du stage des lauréats au niveau A et de leur admission en qualité d'agent de l'Etat]1
Art.30. § 1. [2 De geslaagden van niveau A die worden toegelaten door de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde, worden door hem of zijn gemachtigde, tot stagiair benoemd. Zij worden in die hoedanigheid in dienst geroepen met het genot van al hun administratieve en geldelijke rechten, uiterlijk de eerste dag van de derde maand volgend op die van de toelaatbaarheidverklaring.]2
[1 Wanneer een geslaagde een opzeggingsperiode moet volbrengen bij toepassing van de toepasbare bepalingen in een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat of bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een instelling die opgericht werd door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt.]1
Het bepaalde in het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve stand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen die, in vredestijd, militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. [3 ...]3
[1 Wanneer een geslaagde een opzeggingsperiode moet volbrengen bij toepassing van de toepasbare bepalingen in een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat of bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een instelling die opgericht werd door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt.]1
Het bepaalde in het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve stand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen die, in vredestijd, militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. [3 ...]3
Art.30. § 1er. [2 Les lauréats du niveau A admis par le président du comité de direction ou son délégué sont nommés par lui ou son délégué en qualité de stagiaire. Ils sont appelés en service en cette qualité, avec la jouissance de tous leurs droits administratifs et pécuniaires, au plus tard le premier jour du troisième mois suivant celui de la déclaration d'admissibilité.]2
[1 Lorsqu'un lauréat doit accomplir une période de préavis en application des dispositions applicables dans un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse ou auprès d'une institution des Communautés européennes ou d'un organisme créé par ou en vertu d'un des traités régissant celles-ci, le délai fixé à l'alinéa 1er est prolongé jusqu'au premier jour du mois qui suit la date d'expiration du préavis.]1
L'alinéa 1er ne porte pas atteinte aux dispositions de l'arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. [3 ...]3
[1 Lorsqu'un lauréat doit accomplir une période de préavis en application des dispositions applicables dans un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse ou auprès d'une institution des Communautés européennes ou d'un organisme créé par ou en vertu d'un des traités régissant celles-ci, le délai fixé à l'alinéa 1er est prolongé jusqu'au premier jour du mois qui suit la date d'expiration du préavis.]1
L'alinéa 1er ne porte pas atteinte aux dispositions de l'arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. [3 ...]3
Art.33. § 1. [3 De stagiair wordt benoemd tot rijksambtenaar [4 wanneer hij, na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft gekregen of wanneer de evaluatiecommissie, zoals bepaald in artikel 26 van het koninklijk besluit van januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt, zijn benoeming heeft voorgesteld]4.
Hij wordt benoemd in de klasse waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Hij wordt definitief aangewezen voor een vaste betrekking van deze klasse en verkrijgt, wanneer hij zijn stage begint, de eerste weddeschaal van de voornoemde klasse onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 19 en 53 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.]3
§ 2. [2 ...]2 Voor zijn rangschikking, neemt hij rang in op de dag waarop zijn stage is begonnen.
Indien de toelating tot de stage werd vertraagd omdat een onderzoek geboden was om uit te maken of het gedrag van de stagiair wel in overeenstemming is met het uit te oefenen ambt, en indien de stagiair in zijn federale overheidsdienst door één of meer na hem gerangschikte geslaagden van hetzelfde vergelijkende selectie voorbijgegaan is, dan neemt hij echter rang in op de datum waarop die geslaagde of de best gerangschikte van die geslaagden zijn stage heeft aangevat.
§ 3. Dit artikel mag geen afbreuk doen aan de bepalingen die van toepassing zijn op de wegens medische ongeschiktheid onder voorbehoud toegelaten ambtenaren.
§ 4. [1 ...]1.
Hij wordt benoemd in de klasse waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Hij wordt definitief aangewezen voor een vaste betrekking van deze klasse en verkrijgt, wanneer hij zijn stage begint, de eerste weddeschaal van de voornoemde klasse onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 19 en 53 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.]3
§ 2. [2 ...]2 Voor zijn rangschikking, neemt hij rang in op de dag waarop zijn stage is begonnen.
Indien de toelating tot de stage werd vertraagd omdat een onderzoek geboden was om uit te maken of het gedrag van de stagiair wel in overeenstemming is met het uit te oefenen ambt, en indien de stagiair in zijn federale overheidsdienst door één of meer na hem gerangschikte geslaagden van hetzelfde vergelijkende selectie voorbijgegaan is, dan neemt hij echter rang in op de datum waarop die geslaagde of de best gerangschikte van die geslaagden zijn stage heeft aangevat.
§ 3. Dit artikel mag geen afbreuk doen aan de bepalingen die van toepassing zijn op de wegens medische ongeschiktheid onder voorbehoud toegelaten ambtenaren.
§ 4. [1 ...]1.
Art.33. § 1er. [3 Le stagiaire est nommé en qualité d'agent de l'Etat [4 lorsqu'il n'a pas obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation de stage, la mention d'évaluation " insuffisant " ou lorsque la commission d'évaluation telle que définie à l'article 26 de l'arrêté royal du janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale a proposé sa nomination]4.
Il est nommé à la classe à laquelle il s'est porté candidat. Il est affecté définitivement à un emploi permanent de cette classe et obtient, quand il commence son stage, la première échelle de traitement de ladite classe, sous réserve de l'application des articles 19 et 53 de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.]3
§ 2. [2 ...]2 Pour son classement, il prend rang à la date à laquelle a débuté son stage.
Si l'admission au stage a été retardée parce qu'une enquête s'imposait pour apprécier si la conduite du stagiaire est bien en rapport avec la fonction à exercer, et si le stagiaire a été dépassé dans son service public fédéral par un ou plusieurs lauréats de la même sélection comparative classés après lui, il prend toutefois rang à la date à laquelle ce lauréat ou le mieux classé de ces lauréats a commencé son stage.
§ 3. Le présent article ne peut porter préjudice aux dispositions applicables aux agents admis sous réserve pour des raisons d'inaptitude médicale.
§ 4.[1 ...]1
Il est nommé à la classe à laquelle il s'est porté candidat. Il est affecté définitivement à un emploi permanent de cette classe et obtient, quand il commence son stage, la première échelle de traitement de ladite classe, sous réserve de l'application des articles 19 et 53 de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.]3
§ 2. [2 ...]2 Pour son classement, il prend rang à la date à laquelle a débuté son stage.
Si l'admission au stage a été retardée parce qu'une enquête s'imposait pour apprécier si la conduite du stagiaire est bien en rapport avec la fonction à exercer, et si le stagiaire a été dépassé dans son service public fédéral par un ou plusieurs lauréats de la même sélection comparative classés après lui, il prend toutefois rang à la date à laquelle ce lauréat ou le mieux classé de ces lauréats a commencé son stage.
§ 3. Le présent article ne peut porter préjudice aux dispositions applicables aux agents admis sous réserve pour des raisons d'inaptitude médicale.
§ 4.[1 ...]1
Onderafdeling II.
Sous-section II.
Afdeling III. Stage van de geslaagden voor [1 ...]1 de niveaus B, C en D en hun aanstelling tot rijksambtenaar
Section III. Du stage des lauréats aux .[1 ...]1 niveaux B, C et D et de leur admission en qualité d'agent de l'Etat
Art.34. § 1. De tot benoemen bevoegde overheid laat de geslaagden [1 ...]1 van de niveaus B, C en D toe en benoemt ze tot stagiair. Zij worden in die hoedanigheid in dienst geroepen en aangewezen voor een vacante vaste betrekking met het genot van al hun administratieve en geldelijke rechten, uiterlijk de eerste dag van de derde maand volgend op die van de toelaatbaarheidverklaring.
Wanneer een geslaagde of een kandidaat een opzeggingsperiode moet volbrengen bij toepassing van de toepasbare bepalingen in een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat of bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een instelling die opgericht werd door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt. (7)
Het bepaalde in het eerste lid mag geen afbreuk doen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve stand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen die, in vredestijd, militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juli 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
§ 1bis. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
Wanneer een geslaagde of een kandidaat een opzeggingsperiode moet volbrengen bij toepassing van de toepasbare bepalingen in een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Bondsstaat of bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een instelling die opgericht werd door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen, wordt de in het eerste lid vastgestelde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de opzegging verstrijkt. (7)
Het bepaalde in het eerste lid mag geen afbreuk doen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 tot vaststelling van de administratieve stand van sommige ambtenaren van de rijksbesturen die, in vredestijd, militaire prestaties verrichten of diensten volbrengen ter uitvoering van de wet van 3 juli 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden.
§ 1bis. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
Art.34. § 1er. L'autorité qui détient le pouvoir de nomination admet les lauréats [1 ...]1 des niveaux B, C et D et les nomme en qualité de stagiaire. Ils sont appelés en service en cette qualité et affectés à un emploi permanent vacant avec la jouissance de tous leurs droits administratifs et pécuniaires, au plus tard le premier jour du troisième mois suivant celui de la déclaration d'admissibilité.
Lorsqu'un lauréat ou un candidat doit accomplir une période de préavis en application des dispositions applicables dans un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse ou auprès d'une institution des Communautés européennes ou d'un organisme créé par ou en vertu d'un des traités régissant celles-ci, le délai fixé à l'alinéa 1er est prolongé jusqu'au premier jour du mois qui suit la date d'expiration du préavis.
L'alinéa 1er ne porte pas atteinte aux dispositions de l'arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience.
§ 1erbis. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
Lorsqu'un lauréat ou un candidat doit accomplir une période de préavis en application des dispositions applicables dans un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse ou auprès d'une institution des Communautés européennes ou d'un organisme créé par ou en vertu d'un des traités régissant celles-ci, le délai fixé à l'alinéa 1er est prolongé jusqu'au premier jour du mois qui suit la date d'expiration du préavis.
L'alinéa 1er ne porte pas atteinte aux dispositions de l'arrêté royal du 1er juin 1964 fixant la position administrative de certains agents des administrations de l'Etat qui accomplissent, en temps de paix, des prestations militaires ou des services en exécution de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience.
§ 1erbis. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
Art.37. § 1. [2 De stagiair wordt benoemd tot rijksambtenaar [4 wanneer hij, na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft gekregen of wanneer de evaluatiecommissie, zoals bepaald in artikel 26 van het koninklijk besluit van januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt, zijn benoeming heeft voorgesteld]4.
Hij wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Hij wordt definitief aangewezen voor een vaste betrekking van deze graad en verkrijgt, wanneer hij zijn stage begint, de eerste weddeschaal van de voornoemde graad onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 19 en 53 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.]2
§ 2. [3 ...]3 Voor zijn rangschikking, neemt hij rang in op de dag waarop zijn stage is begonnen.
Indien de toelating tot de stage werd vertraagd omdat een onderzoek geboden was om uit te maken of het gedrag van de stagiair wel in overeenstemming is met het uit te oefenen ambt, en indien de stagiair in zijn federale overheidsdienst door één of meer na hem gerangschikte geslaagden van dezelfde vergelijkende selectie voorbijgegaan is, dan neemt hij echter rang in op de datum waarop die geslaagde of de best gerangschikte van die geslaagden zijn stage heeft aangevat.
§ 3. Dit artikel mag geen afbreuk doen aan de bepalingen die van toepassing zijn op de wegens medische ongeschiktheid onder voorbehoud toegelaten ambtenaren.
§ 4. [1 ...]1
Hij wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Hij wordt definitief aangewezen voor een vaste betrekking van deze graad en verkrijgt, wanneer hij zijn stage begint, de eerste weddeschaal van de voornoemde graad onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 19 en 53 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.]2
§ 2. [3 ...]3 Voor zijn rangschikking, neemt hij rang in op de dag waarop zijn stage is begonnen.
Indien de toelating tot de stage werd vertraagd omdat een onderzoek geboden was om uit te maken of het gedrag van de stagiair wel in overeenstemming is met het uit te oefenen ambt, en indien de stagiair in zijn federale overheidsdienst door één of meer na hem gerangschikte geslaagden van dezelfde vergelijkende selectie voorbijgegaan is, dan neemt hij echter rang in op de datum waarop die geslaagde of de best gerangschikte van die geslaagden zijn stage heeft aangevat.
§ 3. Dit artikel mag geen afbreuk doen aan de bepalingen die van toepassing zijn op de wegens medische ongeschiktheid onder voorbehoud toegelaten ambtenaren.
§ 4. [1 ...]1
Art.37. § 1er. [2 Le stagiaire est nommé en qualité d'agent de l'Etat [4 lorsqu'il n'a pas obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation de stage, la mention d'évaluation " insuffisant " ou lorsque la commission d'évaluation, telle que définie à l'article 26 de l'arrêté royal du janvier 2022 relatif à l'évaluation dans la fonction publique fédérale, a proposé sa nomination]4.
Il est nommé dans le grade auquel il s'est porté candidat. Il est affecté définitivement à un emploi permanent de ce grade et obtient, quand il commence son stage, la première échelle de traitement dudit grade, sous réserve de l'application des articles 19 et 53 de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.]2
§ 2. [3 ...]3 Pour son classement, il prend rang à la date à laquelle a débuté son stage.
Si l'admission au stage a été retardée parce qu'une enquête s'imposait pour apprécier si la conduite du stagiaire est bien en rapport avec la fonction à exercer, et si le stagiaire a été dépassé dans son service public fédéral par un ou plusieurs lauréats de la même sélection comparative classés après lui, il prend toutefois rang à la date à laquelle ce lauréat ou le mieux classé de ces lauréats a commencé son stage.
§ 3. Le présent article ne peut porter préjudice aux dispositions applicables aux agents admis sous réserve pour des raisons d'inaptitude médicale.
§ 4. [1 ...]1
Il est nommé dans le grade auquel il s'est porté candidat. Il est affecté définitivement à un emploi permanent de ce grade et obtient, quand il commence son stage, la première échelle de traitement dudit grade, sous réserve de l'application des articles 19 et 53 de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.]2
§ 2. [3 ...]3 Pour son classement, il prend rang à la date à laquelle a débuté son stage.
Si l'admission au stage a été retardée parce qu'une enquête s'imposait pour apprécier si la conduite du stagiaire est bien en rapport avec la fonction à exercer, et si le stagiaire a été dépassé dans son service public fédéral par un ou plusieurs lauréats de la même sélection comparative classés après lui, il prend toutefois rang à la date à laquelle ce lauréat ou le mieux classé de ces lauréats a commencé son stage.
§ 3. Le présent article ne peut porter préjudice aux dispositions applicables aux agents admis sous réserve pour des raisons d'inaptitude médicale.
§ 4. [1 ...]1
Art. 38 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
(NOTA : Opgeheven, voor het Brusselse Hoofdstedelijke Regering, door BESL2014-03-27/66, art. 513, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2014, voor wat betreft de ambtenaren die onderworpen zijn het statuut zoals bepaald door het BESL2014-03-27/66)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-06-1999 en tekstbijwerking tot 05-06-2014)">Abrogé art. 406 van 6 MEI 1999. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. (NOTA : Opgeheven, voor het Brusselse Hoofdstedelijke Regering, door BESL2014-03-27/66, art. 513, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2014, voor wat betreft de ambtenaren die onderworpen zijn het statuut zoals bepaald door het BESL2014-03-27/66)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-06-1999 en tekstbijwerking tot 05-06-2014)
(NOTA : Opgeheven, voor het Brusselse Hoofdstedelijke Regering, door BESL2014-03-27/66, art. 513, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2014, voor wat betreft de ambtenaren die onderworpen zijn het statuut zoals bepaald door het BESL2014-03-27/66)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-06-1999 en tekstbijwerking tot 05-06-2014)">Abrogé art. 406 van 6 MEI 1999. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. (NOTA : Opgeheven, voor het Brusselse Hoofdstedelijke Regering, door BESL2014-03-27/66, art. 513, 032; Inwerkingtreding : 01-07-2014, voor wat betreft de ambtenaren die onderworpen zijn het statuut zoals bepaald door het BESL2014-03-27/66)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-06-1999 en tekstbijwerking tot 05-06-2014)
TITEL II. [1 - Het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1
TITRE II. [1 - La direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]1
Art.40. [2 Het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning wordt bestuurd door een directeur-generaal.]2
[1 [2 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 wordt aangesteld krachtens de reglementaire bepalingen betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten.]1
[1 ...]1
[1 [2 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 wordt aangesteld krachtens de reglementaire bepalingen betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten.]1
[1 ...]1
Art.40. [2 La direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui est dirigée par un directeur général.]2
[1 [2 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 est désigné conformément aux dispositions réglementaires relatives à la désignation et à l'exercice des fonctions de management dans les services publics fédéraux.]1
[1 ...]1
[1 [2 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 est désigné conformément aux dispositions réglementaires relatives à la désignation et à l'exercice des fonctions de management dans les services publics fédéraux.]1
[1 ...]1
Art.42. § 1. [5 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5 is belast met de selectie van het rijkspersoneel onder de door Ons vastgestelde voorwaarden.
[1 Hij wordt bijgestaan door :
a) de ambtenaren van het Selectiebureau van de Federale Overheid competent inzake selectie;
b) de ambtenaren van het in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken bedoeld federaal administratief openbaar ambt, van wie hij de competenties inzake selectie heeft gecertificeerd.]2
[6 De directeur-generaal rekrutering en ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning kan de praktische organisatie van een selectieprocedure delegeren volgens de voorwaarden bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel.]6
Jaarlijks doet hij bij de regering verslag over zijn opdracht. Dit verslag behelst alle nuttige voorstellen omtrent de goede selectie van de rijksambtenaren.
§ 2. [1 Hij is belast met het voorzitterschap van de selectiecommissie voor elke selectie die hij organiseert en voor de bijkomende vergelijkende proeven.
[2 Hij kan die bevoegdheid evenwel, voor al de verrichtingen van een vergelijkende wervingsselectie of van een bijkomende vergelijkende proef of voor een deel daarvan, opdragen, ofwel op zijn eigen initiatief, ofwel op vraag van de betrokken overheidsdienst, aan een van de in § 1, tweede lid, bedoelde personen.]2
Voor de andere selecties kan hij die bevoegdheid daarenboven opdragen aan de betrokken overheidsdienst, alsook aan een lid van de selectiecommissie.]1
§ 3. [3 Onverminderd de bepalingen van artikel 20, §§ 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, wordt [5 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning bij afwezigheid of verhindering vervangen door de leidinggevende verantwoordelijk voor selecties bij het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5 of door een ambtenaar ten minste benoemd in de klasse A4 die hij daartoe heeft aangewezen.]3
§ 4. [4 De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning kan, ter bevordering van de afhandeling van de zaken, aan de personeelsleden van de niveaus A en B, die onder een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid vallen of een instelling van openbaar nut die daaronder valt, die hij aanwijst, opdracht geven bepaalde stukken en brieven te ondertekenen voor de selecties die betrekking hebben op de overheidsdienst waaronder ze vallen.]4
[1 Hij wordt bijgestaan door :
a) de ambtenaren van het Selectiebureau van de Federale Overheid competent inzake selectie;
b) de ambtenaren van het in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken bedoeld federaal administratief openbaar ambt, van wie hij de competenties inzake selectie heeft gecertificeerd.]2
[6 De directeur-generaal rekrutering en ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning kan de praktische organisatie van een selectieprocedure delegeren volgens de voorwaarden bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel.]6
Jaarlijks doet hij bij de regering verslag over zijn opdracht. Dit verslag behelst alle nuttige voorstellen omtrent de goede selectie van de rijksambtenaren.
§ 2. [1 Hij is belast met het voorzitterschap van de selectiecommissie voor elke selectie die hij organiseert en voor de bijkomende vergelijkende proeven.
[2 Hij kan die bevoegdheid evenwel, voor al de verrichtingen van een vergelijkende wervingsselectie of van een bijkomende vergelijkende proef of voor een deel daarvan, opdragen, ofwel op zijn eigen initiatief, ofwel op vraag van de betrokken overheidsdienst, aan een van de in § 1, tweede lid, bedoelde personen.]2
Voor de andere selecties kan hij die bevoegdheid daarenboven opdragen aan de betrokken overheidsdienst, alsook aan een lid van de selectiecommissie.]1
§ 3. [3 Onverminderd de bepalingen van artikel 20, §§ 4 en 5 van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, wordt [5 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning bij afwezigheid of verhindering vervangen door de leidinggevende verantwoordelijk voor selecties bij het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]5 of door een ambtenaar ten minste benoemd in de klasse A4 die hij daartoe heeft aangewezen.]3
§ 4. [4 De directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning kan, ter bevordering van de afhandeling van de zaken, aan de personeelsleden van de niveaus A en B, die onder een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid vallen of een instelling van openbaar nut die daaronder valt, die hij aanwijst, opdracht geven bepaalde stukken en brieven te ondertekenen voor de selecties die betrekking hebben op de overheidsdienst waaronder ze vallen.]4
Wijzigingen
Art.42. § 1er. [5 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 est chargé de la sélection des agents de l'Etat aux conditions fixées par Nous.
[2 Il est secondé par
a) les agents du Bureau de sélection de l'Administration fédérale compétents en matière de sélection;
b) les agents de la fonction publique administrative fédérale visée à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique dont il a certifié les compétences en matière de sélection.]2
[6 Le directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui peut déléguer l'organisation pratique d'une procédure de sélection dans les conditions visées à l'article 4 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat.]6
Il fait au gouvernement un rapport annuel sur sa mission. Ce rapport contient toutes suggestions utiles à une bonne sélection des agents de l'Etat.
§ 2. [1 Il est chargé de présider la commission de sélection de chacune des épreuves qu'il organise et des épreuves comparatives complémentaires.
[2 Il peut déléguer ce pouvoir, de son initiative ou à la demande du service public intéressé, pour tout ou partie des opérations d'une sélection comparative de recrutement ou d'une épreuve comparative complémentaire à une des personnes visées au § 1er, alinéa 2.]2
En ce qui concerne les autres sélections, il peut en outre déléguer ce pouvoir au service public intéressé, ainsi qu'à un membre de la commission de sélection.]1
§ 3. [3 Sans préjudice des dispositions de l'article 20, §§ 4 et 5 de l'arrêté royal du 29 octobre 2001 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management dans les services publics fédéraux et services publics fédéraux de programmation, [5 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui est en cas d'absence ou d'empêchement remplacé par le dirigeant responsable des sélections au sein de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 ou par un agent nommé au moins dans la classe A4 qu'il aura désigné à cet effet.]3
§ 4. [4 Pour faciliter l'expédition des affaires, le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui peut déléguer aux membres du personnel des niveaux A et B, qui relèvent d'une autorité fédérale, régionale ou communautaire ou d'un organisme d'intérêt public qui en relève, la signature de certaines pièces et correspondances pour les sélections qui concernent le service public dont ils relèvent.]4
[2 Il est secondé par
a) les agents du Bureau de sélection de l'Administration fédérale compétents en matière de sélection;
b) les agents de la fonction publique administrative fédérale visée à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique dont il a certifié les compétences en matière de sélection.]2
[6 Le directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui peut déléguer l'organisation pratique d'une procédure de sélection dans les conditions visées à l'article 4 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat.]6
Il fait au gouvernement un rapport annuel sur sa mission. Ce rapport contient toutes suggestions utiles à une bonne sélection des agents de l'Etat.
§ 2. [1 Il est chargé de présider la commission de sélection de chacune des épreuves qu'il organise et des épreuves comparatives complémentaires.
[2 Il peut déléguer ce pouvoir, de son initiative ou à la demande du service public intéressé, pour tout ou partie des opérations d'une sélection comparative de recrutement ou d'une épreuve comparative complémentaire à une des personnes visées au § 1er, alinéa 2.]2
En ce qui concerne les autres sélections, il peut en outre déléguer ce pouvoir au service public intéressé, ainsi qu'à un membre de la commission de sélection.]1
§ 3. [3 Sans préjudice des dispositions de l'article 20, §§ 4 et 5 de l'arrêté royal du 29 octobre 2001 relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management dans les services publics fédéraux et services publics fédéraux de programmation, [5 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui est en cas d'absence ou d'empêchement remplacé par le dirigeant responsable des sélections au sein de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]5 ou par un agent nommé au moins dans la classe A4 qu'il aura désigné à cet effet.]3
§ 4. [4 Pour faciliter l'expédition des affaires, le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui peut déléguer aux membres du personnel des niveaux A et B, qui relèvent d'une autorité fédérale, régionale ou communautaire ou d'un organisme d'intérêt public qui en relève, la signature de certaines pièces et correspondances pour les sélections qui concernent le service public dont ils relèvent.]4
Wijzigingen
Art.44. [1 Het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1 is te Brussel gevestigd. Op beslissing van [1 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1 kan het elders zitting houden.
Art.44. [1 La direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]1 a son siège à Bruxelles. Il peut, sur décision de [1 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]1, siéger en tout autre endroit.
Wijzigingen
DEEL IV. Indiensttreding als rijksambtenaar
PARTIE IV. - de l'entrée en fonction en qualité d'agent de l'Etat
Art.45. De stagiairs die aan dit besluit zijn onderworpen leggen de eed af wanneer zij tot rijksambtenaar worden benoemd.
Zij worden geacht als rijksambtenaar in dienst te zijn getreden zodra zij de eed hebben afgelegd.
[1 Indien zij weigeren de eed af te leggen, wordt hun benoeming als onbestaand beschouwd.]1
Zij worden geacht als rijksambtenaar in dienst te zijn getreden zodra zij de eed hebben afgelegd.
[1 Indien zij weigeren de eed af te leggen, wordt hun benoeming als onbestaand beschouwd.]1
Wijzigingen
Art.45. Les stagiaires soumis au présent arrêté prêtent serment lors de leur nomination en qualité d'agent de l'Etat.
Ils sont censés entrer en fonction en cette qualité dès le moment de la prestation du serment.
[1 S'ils refusent de prêter serment, leur nomination est censée ne pas avoir eu lieu.]1
Ils sont censés entrer en fonction en cette qualité dès le moment de la prestation du serment.
[1 S'ils refusent de prêter serment, leur nomination est censée ne pas avoir eu lieu.]1
Wijzigingen
Art.46. De in het vorig artikel bedoelde eed wordt afgelegd in de termen, bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
Art.46. Le serment prévu au précédent article s'énonce dans les termes fixés par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831.
Art.47. [1 Tenzij een wet anders bepaalt, leggen de ambtenaren de eed af in handen van de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.]1
Wijzigingen
Art.47. [1 Sauf si une loi en dispose autrement, les agents prêtent serment entre les mains du président du comité de direction ou son délégué.]1
Wijzigingen
Art.48. [1 De houders van de management- en staffuncties leggen de eed af in de handen van de Minister of van de Voorzitter van het directiecomité wanneer de Minister hem hiertoe machtiging verleent.
Zij leggen de eed af op het ogenblik van hun indiensttreding.
De eed wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
Indien zij weigeren de eed af te leggen, wordt hun aanwijzing als onbestaand beschouwd.]1
Zij leggen de eed af op het ogenblik van hun indiensttreding.
De eed wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
Indien zij weigeren de eed af te leggen, wordt hun aanwijzing als onbestaand beschouwd.]1
Wijzigingen
Art.48. [1 Les titulaires des fonctions de management et des fonctions d'encadrement prêtent serment entre les mains du Ministre ou du Président du comité de direction si le Ministre le délègue à cet effet.
Ils prêtent serment au moment de leur entrée en fonction.
Le serment s'énonce dans les termes fixés par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831.
S'ils refusent de prêter serment, leur désignation est censée ne pas avoir eu lieu.]1
Ils prêtent serment au moment de leur entrée en fonction.
Le serment s'énonce dans les termes fixés par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831.
S'ils refusent de prêter serment, leur désignation est censée ne pas avoir eu lieu.]1
Wijzigingen
DEEL IVBIS. De opvang en de opleiding
PARTIE IVBIS. De l'accueil et de la formation
Art. 48bis. Onder opvang dient elke maatregel te worden verstaan tot bevordering van de integratie der nieuwe personeelsleden in de administratie.
Art. 48bis. Il y a lieu d'entendre par accueil toute mesure favorisant l'intégration des nouveaux agents dans l'administration.
Art. 48ter. Onder opleiding dient elke activiteit te worden verstaan, die tot doel heeft :
- hetzij de beroepsvervolmaking ;
- hetzij de voorbereiding op de bevordering.
De deelneming aan dergelijke activiteiten kan verplicht worden gesteld door de Minister onder wie de ambtenaar ressorteert.
- hetzij de beroepsvervolmaking ;
- hetzij de voorbereiding op de bevordering.
De deelneming aan dergelijke activiteiten kan verplicht worden gesteld door de Minister onder wie de ambtenaar ressorteert.
Art. 48ter. Il y a lieu d'entendre par formation toute activité ayant pour but :
- soit le perfectionnement professionnel ;
- soit la préparation à la promotion.
La participation à ces activités peut être rendue obligatoire par le ministre dont relève l'agent.
- soit le perfectionnement professionnel ;
- soit la préparation à la promotion.
La participation à ces activités peut être rendue obligatoire par le ministre dont relève l'agent.
Art. 48quater. De minister tot wiens bevoegdheid het openbaar ambt behoort stelt de algemene beginselen vast inzake opvang en opleiding.
[1 Met inachtneming van de algemene beginselen uitgevaardigd op grond van het eerste lid, stelt elke voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde het onthaal en opleidingsprogramma vast dat aan de behoeften van de federale overheidsdienst en zijn personeel beantwoordt.]1
[1 Met inachtneming van de algemene beginselen uitgevaardigd op grond van het eerste lid, stelt elke voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde het onthaal en opleidingsprogramma vast dat aan de behoeften van de federale overheidsdienst en zijn personeel beantwoordt.]1
Wijzigingen
Art. 48quater. Le ministre qui a la fonction publique dans ses attributions définit les principes généraux qui régissent l'accueil et la formation.
[1 Chaque président du comité de direction ou son délégué fixe, en se conformant aux principes généraux définis en vertu de l'alinéa 1er, le programme d'accueil et de formation qui répond aux besoins du service public fédéral et de son personnel.]1
[1 Chaque président du comité de direction ou son délégué fixe, en se conformant aux principes généraux définis en vertu de l'alinéa 1er, le programme d'accueil et de formation qui répond aux besoins du service public fédéral et de son personnel.]1
Wijzigingen
DEEL V. [1 De mutatie]1
PARTIE V. [1 De la mutation]1
Art.49. [1 § 1. De Voorzitter van het Directiecomité of zijn gemachtigde wijst de Rijksambtenaren aan in de verschillende diensten gevestigd in dezelfde administratieve standplaats, volgens de behoeften van de diensten.
Onder dezelfde administratieve standplaats, wordt verstaan de diensten die gevestigd zijn in dezelfde gemeente.
In afwijking van het tweede lid, worden de diensten die gevestigd zijn in de verschillende agglomeraties bedoeld in [3 artikel 8 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt]3 worden beschouwd als gevestigd in dezelfde administratieve standplaats.
Wanneer centrale diensten en buitendiensten in dezelfde administratieve standplaats gevestigd zijn, gebeurt de verandering van aanwijzing van de ene naar de andere dienst enkel met het akkoord van de ambtenaar, behoudens dwingende noodzakelijkheid die behoorlijk dient gemotiveerd te worden.
§ 2. [2 De rijksambtenaar in dienstactiviteit kan op zijn vraag een mutatie krijgen naar een dienst gevestigd in een andere administratieve standplaats, mits hij voldoet aan de vereisten van de te begeven functie.
Wanneer meerdere rijksambtenaren kandidaat zijn voor een mutatie naar eenzelfde administratieve standplaats wordt de betrekking toegewezen aan de kandidaat die het best beantwoordt aan de vereisten van de te begeven functie. De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde vergelijkt daartoe de titels en verdiensten van de kandidaten in het licht van de generieke en technische competenties van de functie.
Hij bepaalt eveneens de procedure volgens welke de bij wege van mutatie te verlenen betrekkingen worden bekendgemaakt en volgens welke de rijksambtenaren zich daarvoor kandidaat kunnen stellen. Het functieprofiel wordt bij de oproep tot kandidaatstelling gevoegd.
Wanneer meerdere kandidaten voor mutatie naar dezelfde administratieve standplaats op gelijkwaardige wijze voldoen aan de vereisten van de te begeven functie worden de ambtenaren gemuteerd volgens de volgende orde van voorrang :
- de ambtenaar met de hoogste klasse- of graadanciënniteit;
- bij gelijke klasse- of graadanciënniteit de ambtenaar met de hoogste dienstanciënniteit;
- bij gelijke dienstanciënniteit de oudste ambtenaar.]2
§ 3. [2 De rijksambtenaar in dienstactiviteit kan op zijn vraag worden aangewezen voor een andere dienst in dezelfde administratieve standplaats. Wanneer er meerdere kandidaten zijn voor eenzelfde dienstaanwijzing wordt de voorrang onder de kandidaten bepaald overeenkomstig paragraaf 2, tweede en vierde lid.
De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde bepaalt de procedure volgens welke de bij wege van mutatie te verlenen betrekkingen worden bekendgemaakt en volgens welke de rijksambtenaren zich daarvoor kandidaat kunnen stellen. Het functieprofiel wordt bij de oproep tot kandidaatstelling gevoegd.]1 ]2
Onder dezelfde administratieve standplaats, wordt verstaan de diensten die gevestigd zijn in dezelfde gemeente.
In afwijking van het tweede lid, worden de diensten die gevestigd zijn in de verschillende agglomeraties bedoeld in [3 artikel 8 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt]3 worden beschouwd als gevestigd in dezelfde administratieve standplaats.
Wanneer centrale diensten en buitendiensten in dezelfde administratieve standplaats gevestigd zijn, gebeurt de verandering van aanwijzing van de ene naar de andere dienst enkel met het akkoord van de ambtenaar, behoudens dwingende noodzakelijkheid die behoorlijk dient gemotiveerd te worden.
§ 2. [2 De rijksambtenaar in dienstactiviteit kan op zijn vraag een mutatie krijgen naar een dienst gevestigd in een andere administratieve standplaats, mits hij voldoet aan de vereisten van de te begeven functie.
Wanneer meerdere rijksambtenaren kandidaat zijn voor een mutatie naar eenzelfde administratieve standplaats wordt de betrekking toegewezen aan de kandidaat die het best beantwoordt aan de vereisten van de te begeven functie. De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde vergelijkt daartoe de titels en verdiensten van de kandidaten in het licht van de generieke en technische competenties van de functie.
Hij bepaalt eveneens de procedure volgens welke de bij wege van mutatie te verlenen betrekkingen worden bekendgemaakt en volgens welke de rijksambtenaren zich daarvoor kandidaat kunnen stellen. Het functieprofiel wordt bij de oproep tot kandidaatstelling gevoegd.
Wanneer meerdere kandidaten voor mutatie naar dezelfde administratieve standplaats op gelijkwaardige wijze voldoen aan de vereisten van de te begeven functie worden de ambtenaren gemuteerd volgens de volgende orde van voorrang :
- de ambtenaar met de hoogste klasse- of graadanciënniteit;
- bij gelijke klasse- of graadanciënniteit de ambtenaar met de hoogste dienstanciënniteit;
- bij gelijke dienstanciënniteit de oudste ambtenaar.]2
§ 3. [2 De rijksambtenaar in dienstactiviteit kan op zijn vraag worden aangewezen voor een andere dienst in dezelfde administratieve standplaats. Wanneer er meerdere kandidaten zijn voor eenzelfde dienstaanwijzing wordt de voorrang onder de kandidaten bepaald overeenkomstig paragraaf 2, tweede en vierde lid.
De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde bepaalt de procedure volgens welke de bij wege van mutatie te verlenen betrekkingen worden bekendgemaakt en volgens welke de rijksambtenaren zich daarvoor kandidaat kunnen stellen. Het functieprofiel wordt bij de oproep tot kandidaatstelling gevoegd.]1 ]2
Art.49. [1 § 1er. Le Président du Comité de direction ou son délégué affecte les agents de l'Etat aux différents services situés dans la même résidence administrative, selon les besoins des services.
Par même résidence administrative, on entend les services qui sont situés dans la même commune.
Par dérogation à l'alinéa 2, les services installés dans les diverses agglomérations visées à [3 l'article 8 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale]3 sont considérés comme situés dans la même résidence administrative.
Lorsque des services centraux et des services extérieurs sont situés dans la même résidence administrative, le changement d'affectation de l'un vers l'autre ne se fait que moyennant l'accord de l'agent sauf nécessité impérieuse dûment motivée.
§ 2. [2 L'agent de l'Etat en activité de service peut, à sa demande, obtenir une mutation vers un service établi dans une autre résidence administrative, à condition qu'il réponde aux exigences de la fonction à conférer.
Lorsque plusieurs agents de l'Etat sont candidats pour une mutation vers une même résidence administrative, l'emploi est attribué au candidat qui répond le mieux aux exigences de la fonction à conférer. Le président du comité de direction ou son délégué compare à cette fin les titres et mérites des candidats au regard des compétences génériques et techniques de la fonction.
Il détermine également la procédure selon laquelle les emplois à conférer par mutation sont annoncés et selon laquelle les agents de l'Etat peuvent poser leur candidature pour ceux-ci. Le profil de la fonction est annexé à l'appel à candidature.
Si plusieurs candidats à la mutation vers la même résidence administrative répondent de manière égale aux exigences de la fonction à pourvoir, les agents sont mutés selon l'ordre de priorité suivant :
- l'agent dont l'ancienneté de classe ou de grade est la plus élevée;
- à égalité, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus élevée;
- à égalité, l'agent le plus âgé. ]2
§ 3. [2 L'agent de l'Etat en activité de service peut, à sa demande, être désigné pour un autre service dans la même résidence administrative. Lorsqu'il y a plusieurs candidats pour une même affectation, la priorité parmi les candidats sera définie conformément au paragraphe 2, alinéas 2 et 4.
Le Président du comité de direction ou son délégué détermine la procédure selon laquelle les emplois à conférer par mutation sont annoncés, selon laquelle les agents de l'Etat peuvent poser leur candidature pour ceux-ci. Le profil de la fonction est annexé à l'appel à candidature.]1 ]2
Par même résidence administrative, on entend les services qui sont situés dans la même commune.
Par dérogation à l'alinéa 2, les services installés dans les diverses agglomérations visées à [3 l'article 8 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale]3 sont considérés comme situés dans la même résidence administrative.
Lorsque des services centraux et des services extérieurs sont situés dans la même résidence administrative, le changement d'affectation de l'un vers l'autre ne se fait que moyennant l'accord de l'agent sauf nécessité impérieuse dûment motivée.
§ 2. [2 L'agent de l'Etat en activité de service peut, à sa demande, obtenir une mutation vers un service établi dans une autre résidence administrative, à condition qu'il réponde aux exigences de la fonction à conférer.
Lorsque plusieurs agents de l'Etat sont candidats pour une mutation vers une même résidence administrative, l'emploi est attribué au candidat qui répond le mieux aux exigences de la fonction à conférer. Le président du comité de direction ou son délégué compare à cette fin les titres et mérites des candidats au regard des compétences génériques et techniques de la fonction.
Il détermine également la procédure selon laquelle les emplois à conférer par mutation sont annoncés et selon laquelle les agents de l'Etat peuvent poser leur candidature pour ceux-ci. Le profil de la fonction est annexé à l'appel à candidature.
Si plusieurs candidats à la mutation vers la même résidence administrative répondent de manière égale aux exigences de la fonction à pourvoir, les agents sont mutés selon l'ordre de priorité suivant :
- l'agent dont l'ancienneté de classe ou de grade est la plus élevée;
- à égalité, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus élevée;
- à égalité, l'agent le plus âgé. ]2
§ 3. [2 L'agent de l'Etat en activité de service peut, à sa demande, être désigné pour un autre service dans la même résidence administrative. Lorsqu'il y a plusieurs candidats pour une même affectation, la priorité parmi les candidats sera définie conformément au paragraphe 2, alinéas 2 et 4.
Le Président du comité de direction ou son délégué détermine la procédure selon laquelle les emplois à conférer par mutation sont annoncés, selon laquelle les agents de l'Etat peuvent poser leur candidature pour ceux-ci. Le profil de la fonction est annexé à l'appel à candidature.]1 ]2
Art.50. [1 § 1. De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde kan een ambtenaar ambtshalve muteren naar een dienst gevestigd in een andere administratieve standplaats in de volgende gevallen :
1° wanneer de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen verhuist naar een andere administratieve standplaats;
2° wanneer de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen wordt afgeschaft en een of meerdere diensten gevestigd in een andere administratieve standplaats de materiële en territoriale bevoegdheden geheel en/of gedeeltelijk overnemen;
3° wanneer een of meerdere diensten gevestigd in een andere administratieve standplaats gedeeltelijk de materiële en/of territoriale bevoegdheden overnemen van de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen;
4° wanneer de werklast van de dienst vermindert in verhouding tot het aantal personeelsleden.
§ 2. Wanneer de in de eerste paragraaf bedoelde gevallen geen betrekking hebben op alle ambtenaren van een dienst muteert de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde de ambtenaren volgens de volgende volgorde van prioriteit :
- de ambtenaar met de minst grote klasse- of graadanciënniteit;
- in geval van gelijkheid de ambtenaar met de minst grote dienstanciënniteit;
- in geval van gelijkheid de jongste ambtenaar.
De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde wijkt af van de in het eerste lid vastgestelde prioriteiten als er ambtenaren zijn die kandidaat zijn voor de mutatie. In dit geval is de toekenningsprocedure de procedure beoogd in artikel 49, § 2, tweede en vierde lid.]1
1° wanneer de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen verhuist naar een andere administratieve standplaats;
2° wanneer de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen wordt afgeschaft en een of meerdere diensten gevestigd in een andere administratieve standplaats de materiële en territoriale bevoegdheden geheel en/of gedeeltelijk overnemen;
3° wanneer een of meerdere diensten gevestigd in een andere administratieve standplaats gedeeltelijk de materiële en/of territoriale bevoegdheden overnemen van de dienst waarvoor de ambtenaar werd aangewezen;
4° wanneer de werklast van de dienst vermindert in verhouding tot het aantal personeelsleden.
§ 2. Wanneer de in de eerste paragraaf bedoelde gevallen geen betrekking hebben op alle ambtenaren van een dienst muteert de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde de ambtenaren volgens de volgende volgorde van prioriteit :
- de ambtenaar met de minst grote klasse- of graadanciënniteit;
- in geval van gelijkheid de ambtenaar met de minst grote dienstanciënniteit;
- in geval van gelijkheid de jongste ambtenaar.
De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde wijkt af van de in het eerste lid vastgestelde prioriteiten als er ambtenaren zijn die kandidaat zijn voor de mutatie. In dit geval is de toekenningsprocedure de procedure beoogd in artikel 49, § 2, tweede en vierde lid.]1
Wijzigingen
Art.50. [1 § 1er. Le président du comité de direction ou son délégué peut muter d'office un agent vers un service établi dans une autre résidence administrative dans les cas suivants :
1° lorsque le service pour lequel l'agent a été désigné déménage dans une autre résidence administrative;
2° lorsque le service pour lequel l'agent a été désigné est supprimé et qu'un ou plusieurs services situé(s) dans une autre résidence administrative reprennent partiellement ou totalement les compétences matérielles et/ou territoriales;
3° lorsqu'un ou plusieurs services situé(s) dans une autre résidence administrative reprennent partiellement les compétences matérielles et/ou territoriales du service pour lequel l'agent a été désigné;
4° lorsque la charge de travail du service diminue par rapport au nombre de membres du personnel.
§ 2. Lorsque les cas visés au paragraphe 1er ne visent pas tous les agents d'un service, le président du comité de direction ou son délégué mute les agents selon l'ordre de priorité suivant :
- l'agent dont l'ancienneté de classe ou de grade est la moins grande;
- à égalité, l'agent dont l'ancienneté de service est la moins grande;
- à égalité, l'agent le moins âgé.
Toutefois, le président du comité de direction ou son délégué déroge aux priorités fixées dans l'alinéa 1er si des agents sont candidats à la mutation. Dans ce cas, la procédure d'attribution est celle visée dans l'article 49, § 2, alinéas 2 et 4.]1
1° lorsque le service pour lequel l'agent a été désigné déménage dans une autre résidence administrative;
2° lorsque le service pour lequel l'agent a été désigné est supprimé et qu'un ou plusieurs services situé(s) dans une autre résidence administrative reprennent partiellement ou totalement les compétences matérielles et/ou territoriales;
3° lorsqu'un ou plusieurs services situé(s) dans une autre résidence administrative reprennent partiellement les compétences matérielles et/ou territoriales du service pour lequel l'agent a été désigné;
4° lorsque la charge de travail du service diminue par rapport au nombre de membres du personnel.
§ 2. Lorsque les cas visés au paragraphe 1er ne visent pas tous les agents d'un service, le président du comité de direction ou son délégué mute les agents selon l'ordre de priorité suivant :
- l'agent dont l'ancienneté de classe ou de grade est la moins grande;
- à égalité, l'agent dont l'ancienneté de service est la moins grande;
- à égalité, l'agent le moins âgé.
Toutefois, le président du comité de direction ou son délégué déroge aux priorités fixées dans l'alinéa 1er si des agents sont candidats à la mutation. Dans ce cas, la procédure d'attribution est celle visée dans l'article 49, § 2, alinéas 2 et 4.]1
Wijzigingen
Art.51. [2 § 1.]2 [1 De rijksambtenaar kan een tijdelijke mutatie [2 ...]2 vragen voor een duur van maximaal twaalf maanden :
- wegens ernstige familiale of sociale redenen;
- wegens gezondheidsredenen.
Indien hier ernstige redenen toe zijn, kan de tijdelijke mutatie verlengd worden met periodes van maximaal twaalf maanden.
De tijdelijke mutatie is geen recht.
De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde bepaalt de procedure volgens dewelke de tijdelijke mutatie kan worden toegestaan of verlengd.
De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde neemt een met redenen omklede beslissing binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag.]1
[2 Op ieder moment mag de rijksambtenaar een einde stellen aan de tijdelijke mutatie met een opzegperiode van 30 dagen. Een kortere opzegperiode kan altijd in onderling akkoord worden overeengekomen tussen de ambtenaar en de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.]2
[2 § 2. De rijksambtenaar kan een in paragraaf 1 bedoelde tijdelijke mutatie vragen voor een betrekking van een rechtstreeks lagere klasse of een rechtstreeks lager niveau onder dezelfde voorwaarden.]2
- wegens ernstige familiale of sociale redenen;
- wegens gezondheidsredenen.
Indien hier ernstige redenen toe zijn, kan de tijdelijke mutatie verlengd worden met periodes van maximaal twaalf maanden.
De tijdelijke mutatie is geen recht.
De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde bepaalt de procedure volgens dewelke de tijdelijke mutatie kan worden toegestaan of verlengd.
De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde neemt een met redenen omklede beslissing binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag.]1
[2 Op ieder moment mag de rijksambtenaar een einde stellen aan de tijdelijke mutatie met een opzegperiode van 30 dagen. Een kortere opzegperiode kan altijd in onderling akkoord worden overeengekomen tussen de ambtenaar en de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.]2
[2 § 2. De rijksambtenaar kan een in paragraaf 1 bedoelde tijdelijke mutatie vragen voor een betrekking van een rechtstreeks lagere klasse of een rechtstreeks lager niveau onder dezelfde voorwaarden.]2
Art.51. [2 § 1er.]2 [1 L'agent de l'Etat peut solliciter une mutation temporaire [2 ...]2 pour une durée de maximum douze mois :
- pour raisons familiales ou sociales graves;
- pour raisons de santé,
S'il existe des raisons graves le justifiant, la mutation temporaire peut être prolongée par période de maximum douze mois.
La mutation temporaire n'est pas un droit.
Le président du comité de direction ou son délégué détermine la procédure selon laquelle la mutation temporaire peut être accordée ou prolongée.
Le président du comité de direction ou son délégué prend une décision motivée dans un délai de trente jours à dater de la réception de la demande.]1
[2 A tout moment, l'agent de l'Etat peut mettre fin à la mutation temporaire, moyennant un préavis de 30 jours. Un préavis plus court peut toutefois être fixé de commun accord entre l'agent et le président du comité de direction ou son délégué.]2
[2 § 2. L'agent de l'Etat peut solliciter une mutation temporaire visée au paragraphe 1er pour un emploi d'une classe directement inférieure ou d'un niveau directement inférieur selon les mêmes conditions.]2
- pour raisons familiales ou sociales graves;
- pour raisons de santé,
S'il existe des raisons graves le justifiant, la mutation temporaire peut être prolongée par période de maximum douze mois.
La mutation temporaire n'est pas un droit.
Le président du comité de direction ou son délégué détermine la procédure selon laquelle la mutation temporaire peut être accordée ou prolongée.
Le président du comité de direction ou son délégué prend une décision motivée dans un délai de trente jours à dater de la réception de la demande.]1
[2 A tout moment, l'agent de l'Etat peut mettre fin à la mutation temporaire, moyennant un préavis de 30 jours. Un préavis plus court peut toutefois être fixé de commun accord entre l'agent et le président du comité de direction ou son délégué.]2
[2 § 2. L'agent de l'Etat peut solliciter une mutation temporaire visée au paragraphe 1er pour un emploi d'une classe directement inférieure ou d'un niveau directement inférieur selon les mêmes conditions.]2
DEEL VI. [1 De bevordering van de gelijkheid van de geslachten]1
PARTIE VI. [1 De la promotion de l'égalité des genres]1
Art.53. [1 Geen enkele aanwijzing of benoeming kan als gevolg hebben dat meer dan twee derden van de betrekkingen gerangschikt in de eerste trap van de hiërarchie in toepassing van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden bekleed door ambtenaren van hetzelfde geslacht. Het resultaat wordt in voorkomend geval naar boven afgerond.
Er wordt evenwel afgeweken van het voorgaande lid indien het met toepassing van de voormelde wetten, wegens de resultaten van de selectie, wegens het recht op de hernieuwing van het mandaat of wegens de rangschikking van de kandidaten in functie van hun titels en verdiensten onmogelijk is om over te gaan tot de aanwijzing of de benoeming van een kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht.
De berekening van de twee derden evenals de voorwaarden voor de eventuele afwijking worden vastgesteld op de dag van de aanwijzing of de benoeming.]1
Er wordt evenwel afgeweken van het voorgaande lid indien het met toepassing van de voormelde wetten, wegens de resultaten van de selectie, wegens het recht op de hernieuwing van het mandaat of wegens de rangschikking van de kandidaten in functie van hun titels en verdiensten onmogelijk is om over te gaan tot de aanwijzing of de benoeming van een kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht.
De berekening van de twee derden evenals de voorwaarden voor de eventuele afwijking worden vastgesteld op de dag van de aanwijzing of de benoeming.]1
Wijzigingen
Art.53. [1 Aucune désignation ou nomination ne peut avoir pour effet que plus de deux tiers des emplois classés dans le premier degré de la hiérarchie en application des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 soient occupés par des agents appartenant au même genre. Le résultat est, le cas échéant, arrondi à l'unité supérieure.
Toutefois, il est dérogé à l'alinéa précédent si, par application des lois précitées, en raison des résultats de la sélection, en raison du droit au renouvellement du mandat ou en raison du classement des candidats en fonction de leurs titres et mérites, il est impossible de procéder à la désignation ou à la nomination d'un candidat appartenant au genre sous-représenté.
Le calcul des deux tiers, comme les conditions de l'éventuelle dérogation, sont constatés le jour de la désignation ou de la nomination.]1
Toutefois, il est dérogé à l'alinéa précédent si, par application des lois précitées, en raison des résultats de la sélection, en raison du droit au renouvellement du mandat ou en raison du classement des candidats en fonction de leurs titres et mérites, il est impossible de procéder à la désignation ou à la nomination d'un candidat appartenant au genre sous-représenté.
Le calcul des deux tiers, comme les conditions de l'éventuelle dérogation, sont constatés le jour de la désignation ou de la nomination.]1
Wijzigingen
Art.54. [1 Geen enkele aanwijzing of benoeming kan als gevolg hebben dat meer dan twee derden van de betrekkingen gerangschikt in de tweede trap van de hiërarchie in toepassing van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden bekleed door ambtenaren van hetzelfde geslacht. Het resultaat wordt in voorkomend geval naar boven afgerond.
Er wordt evenwel afgeweken van het voorgaande lid indien het met toepassing van de voormelde wetten, wegens de resultaten van de selectie, wegens het recht op de hernieuwing van het mandaat of wegens de rangschikking van de kandidaten in functie van hun titels en verdiensten onmogelijk is om over te gaan tot de aanwijzing of de benoeming van een kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht.
De berekening van de twee derden evenals de voorwaarden voor de eventuele afwijking worden vastgesteld op de dag van de aanwijzing of de benoeming.]1
Er wordt evenwel afgeweken van het voorgaande lid indien het met toepassing van de voormelde wetten, wegens de resultaten van de selectie, wegens het recht op de hernieuwing van het mandaat of wegens de rangschikking van de kandidaten in functie van hun titels en verdiensten onmogelijk is om over te gaan tot de aanwijzing of de benoeming van een kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht.
De berekening van de twee derden evenals de voorwaarden voor de eventuele afwijking worden vastgesteld op de dag van de aanwijzing of de benoeming.]1
Wijzigingen
Art.54. [1 Aucune désignation ou nomination ne peut avoir pour effet que plus de deux tiers des emplois classés dans le deuxième degré de la hiérarchie en application des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 soient occupés par des agents appartenant au même genre. Le résultat est, le cas échéant, arrondi à l'unité supérieure.
Toutefois, il est dérogé à l'alinéa précédent si, par application des lois précitées, en raison des résultats de la sélection, en raison du droit au renouvellement du mandat ou en raison du classement des candidats en fonction de leurs titres et mérites, il est impossible de procéder à la désignation ou à la nomination d'un candidat appartenant au genre sous-représenté.
Le calcul des deux tiers, comme les conditions de l'éventuelle dérogation, sont constatés le jour de la désignation ou de la nomination. ]1
Toutefois, il est dérogé à l'alinéa précédent si, par application des lois précitées, en raison des résultats de la sélection, en raison du droit au renouvellement du mandat ou en raison du classement des candidats en fonction de leurs titres et mérites, il est impossible de procéder à la désignation ou à la nomination d'un candidat appartenant au genre sous-représenté.
Le calcul des deux tiers, comme les conditions de l'éventuelle dérogation, sont constatés le jour de la désignation ou de la nomination. ]1
Wijzigingen
DEEL VII. Evaluatie
PARTIE VII. De l'évaluation
DEEL VIII. Anciënniteit en rangschikking
PARTIE VIII. De l'ancienneté et du classement
Art.63. [1 § 1. Voor de toepassing van de verordeningsbepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt onder de Rijksambtenaren van de niveaus B, C en D, wier anciënniteit moet worden vergeleken de voorrang als volgt bepaald :
1° de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit ;
2° bij gelijke graadanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit ;
3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.
§ 2. Voor de toepassing van de verordeningsbepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt onder de Rijksambtenaren van het niveau A wier anciënniteit moet worden vergeleken, de voorrang als volgt bepaald :
1° de ambtenaar met de grootste klasseanciënniteit;
2° bij gelijke klasseanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;
3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.
§ 3. Voor de toepassing van de verordeningsbepalingen die uitgaan van de graad-, de klasse-, de niveau- of de dienstanciënniteit, wordt de anciënniteit van de ambtenaar bepaald overeenkomstig de artikelen 64 tot 69.]1
1° de ambtenaar met de grootste graadanciënniteit ;
2° bij gelijke graadanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit ;
3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.
§ 2. Voor de toepassing van de verordeningsbepalingen die uitgaan van de anciënniteit, wordt onder de Rijksambtenaren van het niveau A wier anciënniteit moet worden vergeleken, de voorrang als volgt bepaald :
1° de ambtenaar met de grootste klasseanciënniteit;
2° bij gelijke klasseanciënniteit, de ambtenaar met de grootste dienstanciënniteit;
3° bij gelijke dienstanciënniteit, de oudste ambtenaar.
§ 3. Voor de toepassing van de verordeningsbepalingen die uitgaan van de graad-, de klasse-, de niveau- of de dienstanciënniteit, wordt de anciënniteit van de ambtenaar bepaald overeenkomstig de artikelen 64 tot 69.]1
Wijzigingen
Art.63. [1 § 1er. Pour l'application des dispositions réglementaires qui se fondent sur l'ancienneté, l'ordre de préférence entre agents de l'Etat des niveaux B, C et D dont l'ancienneté doit être comparée, s'établit de la façon suivante :
1° l'agent le plus ancien en grade ;
2° à égalité d'ancienneté de grade, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus grande ;
3° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.
§ 2. Pour l'application des dispositions réglementaires qui se fondent sur l'ancienneté, l'ordre de préférence entre agents de l'Etat du niveau A dont l'ancienneté doit être comparée, s'établit de la façon suivante :
1° l'agent dont l'ancienneté de classe est la plus élevée;
2° à égalité d'ancienneté de classe, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus grande;
3° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.
§ 3. Pour l'application des dispositions réglementaires qui se fondent sur l'ancienneté de grade, l'ancienneté de classe, l'ancienneté de niveau et l'ancienneté de service, l'ancienneté de l'agent est déterminée conformément aux articles 64 à 69.]1
1° l'agent le plus ancien en grade ;
2° à égalité d'ancienneté de grade, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus grande ;
3° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.
§ 2. Pour l'application des dispositions réglementaires qui se fondent sur l'ancienneté, l'ordre de préférence entre agents de l'Etat du niveau A dont l'ancienneté doit être comparée, s'établit de la façon suivante :
1° l'agent dont l'ancienneté de classe est la plus élevée;
2° à égalité d'ancienneté de classe, l'agent dont l'ancienneté de service est la plus grande;
3° à égalité d'ancienneté de service, l'agent le plus âgé.
§ 3. Pour l'application des dispositions réglementaires qui se fondent sur l'ancienneté de grade, l'ancienneté de classe, l'ancienneté de niveau et l'ancienneté de service, l'ancienneté de l'agent est déterminée conformément aux articles 64 à 69.]1
Wijzigingen
Art.64. [1 Voor het berekenen van de klasse-, graad- en niveauanciënniteit komen alleen in aanmerking de werkelijke diensten in de zin van artikel 66, § 1 die de ambtenaar als stagiair en als Rijksambtenaar verricht heeft als lid van het personeel van een ministerie of van een federale overheidsdienst en zonder vrijwillige onderbreking.]1
Wijzigingen
Art.64. [1 Pour le calcul de l'ancienneté de classe, de grade et de niveau, sont seuls admissibles les services effectifs au sens de l'article 66, § 1er, que l'agent a prestés en qualité de stagiaire et d'agent de l'Etat, en faisant partie d'un ministère ou d'un service public fédéral et sans interruption volontaire.]1
Wijzigingen
Art.65. § 1. Voor de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar is benoemd in de graden die door de toe te passen bepalingen in aanmerking worden genomen, of vanaf de datum waarop de ambtenaar voor latere bevordering is gerangschikt ingevolge terugwerking van zijn benoeming in zulke graden.
§ 2. [1 Voor de niveau-anciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar in een graad of in een klasse van het betreffende niveau is benoemd of vanaf de datum waarop hij voor latere bevordering is gerangschikt ten gevolge van de uitdrukkelijke terugwerking van zijn benoeming in zulke graad of in zulke klasse.]1
§ 3. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten in de zin van artikel 66, § 1, welke de ambtenaar heeft verricht in enigerlei hoedanigheid, zonder vrijwillige onderbreking en als lid van het personeel van een ministerie of van een federale overheidsdienst of van een openbare instelling van sociale zekerheid of van een instelling van openbaar nut met toepassing van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, of van een wetenschappelijke inrichting met toepassing van het koninklijk besluit van 16 juni 1970 tot vaststelling van het statuut van het toegevoegd vorsingspersoneel en van het beheerspersoneel van de wetenschappelijke inrichtingen van de Staat of van het koninklijk besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van het statuut van het toegevoegd vorsingspersoneel en van het beheerspersoneel van de wetenschappelijke instellingen van de Staat.
§ 4. [1 Voor de berekening van de klasseanciënniteit, worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar in de beschouwde klasse werd opgenomen.]1
[2 In afwijking van artikel 64, worden evenwel in aanmerking genomen voor de berekening van de klasseanciënniteit, in de klasse - of in de graad - waarin de rijksambtenaar aangeworven wordt of werd
1° de werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel personeelslid in dezelfde klasse;
2° de, vóór de datum van 1 december 2004, werkelijk gepresteerde diensten, in welke hoedanigheid ook, in het federaal administratief openbaar ambt in niveau 1;
[3 3° de geleverde diensten, in een functie die als analoog erkend wordt door de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde, in de openbare diensten van de Staten die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondstaat; de personeelsleden aangeworven door publiekrechtelijke - die niet hiervoor bedoeld zouden worden - of privaatrechtelijke rechtspersonen in een rechtspositie die eenzijdig bepaald is door de bevoegde overheid of krachtens een wettelijke of decretale machtiging, door hun bevoegde bestuursorgaan, worden beschouwd als behorend tot de openbare diensten.]3
[3 In geval van onenigheid tussen het personeelslid en de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde over de toepassing van het tweede lid, 3°, wordt de beslissing genomen door de Voorzitter van het Directiecomité van de [4 Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4.]3 ]2
§ 2. [1 Voor de niveau-anciënniteit worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar in een graad of in een klasse van het betreffende niveau is benoemd of vanaf de datum waarop hij voor latere bevordering is gerangschikt ten gevolge van de uitdrukkelijke terugwerking van zijn benoeming in zulke graad of in zulke klasse.]1
§ 3. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen in aanmerking de werkelijke diensten in de zin van artikel 66, § 1, welke de ambtenaar heeft verricht in enigerlei hoedanigheid, zonder vrijwillige onderbreking en als lid van het personeel van een ministerie of van een federale overheidsdienst of van een openbare instelling van sociale zekerheid of van een instelling van openbaar nut met toepassing van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut, of van een wetenschappelijke inrichting met toepassing van het koninklijk besluit van 16 juni 1970 tot vaststelling van het statuut van het toegevoegd vorsingspersoneel en van het beheerspersoneel van de wetenschappelijke inrichtingen van de Staat of van het koninklijk besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van het statuut van het toegevoegd vorsingspersoneel en van het beheerspersoneel van de wetenschappelijke instellingen van de Staat.
§ 4. [1 Voor de berekening van de klasseanciënniteit, worden de in aanmerking komende diensten aangerekend vanaf de datum waarop de ambtenaar in de beschouwde klasse werd opgenomen.]1
[2 In afwijking van artikel 64, worden evenwel in aanmerking genomen voor de berekening van de klasseanciënniteit, in de klasse - of in de graad - waarin de rijksambtenaar aangeworven wordt of werd
1° de werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel personeelslid in dezelfde klasse;
2° de, vóór de datum van 1 december 2004, werkelijk gepresteerde diensten, in welke hoedanigheid ook, in het federaal administratief openbaar ambt in niveau 1;
[3 3° de geleverde diensten, in een functie die als analoog erkend wordt door de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde, in de openbare diensten van de Staten die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondstaat; de personeelsleden aangeworven door publiekrechtelijke - die niet hiervoor bedoeld zouden worden - of privaatrechtelijke rechtspersonen in een rechtspositie die eenzijdig bepaald is door de bevoegde overheid of krachtens een wettelijke of decretale machtiging, door hun bevoegde bestuursorgaan, worden beschouwd als behorend tot de openbare diensten.]3
[3 In geval van onenigheid tussen het personeelslid en de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde over de toepassing van het tweede lid, 3°, wordt de beslissing genomen door de Voorzitter van het Directiecomité van de [4 Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4.]3 ]2
Art.65. § 1er. Pour l'ancienneté de grade, les services admissibles sont comptés à partir de la date à laquelle l'agent a été nommé aux grades pris en considération par les dispositions qui doivent lui être appliquées ou à laquelle il a été classé pour la promotion par un effet rétroactif formel de sa nomination à de tels grades.
§ 2. [1 Pour l'ancienneté de niveau, les services admissibles sont comptés à partir de la date à laquelle l'agent a été nommé à un grade ou à une classe du niveau considéré ou à laquelle il a été classé pour la promotion par un effet rétroactif formel de sa nomination à un tel grade ou à une telle classe.]1
§ 3. Pour le calcul de l'ancienneté de service, sont admissibles les services effectifs au sens de l'article 66, § 1er, que l'agent a prestés, à quelque titre que ce soit, sans interruption volontaire et comme membre du personnel d'un ministère ou d'un service public fédéral ou d'une institution publique de sécurité sociale ou d'un organisme d'intérêt public en application de l'arrêté royal du 8 janvier 1973 fixant le statut du personnel de certains organismes d'intérêt public ou d'un établissement scientifique en application de l'arrêté royal du 16 juin 1970 fixant le statut du personnel adjoint à la recherche et du personnel de gestion des établissements scientifiques de l'Etat ou de l'arrêté royal du 30 avril 1999 fixant le statut du personnel adjoint à la recherche et du personnel de gestion des établissements scientifiques de l'Etat.
§ 4. [1 Pour le calcul de l'ancienneté de classe, les services admissibles sont comptés à partir de la date à laquelle l'agent a été doté de la classe considérée.]1
[2 Par dérogation à l'article 64, sont également admissibles pour le calcul de l'ancienneté de classe dans la classe - ou le grade - dans laquelle l'agent de l'Etat est ou a été recruté :
1° les services effectifs prestés à titre contractuel dans la même classe;
2° les services effectifs prestés avant la date du 1er décembre 2004 à quelque titre que ce soit dans la Fonction publique administrative fédérale au niveau 1;
[3 3° les services rendus, dans une fonction reconnue par le président du comité de direction ou son délégué comme analogue, dans les services publics des Etats faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse; les membres du personnel engagés par des personnes morales de droit privé ou de droit public - qui ne seraient pas visées ci-avant - dans une situation juridique définie unilatéralement par l'autorité publique compétente ou, en vertu d'une habilitation légale ou décrétale, par leur organe dirigeant compétent, sont considérés comme relevant des services publics.]3
[3 En cas de désaccord entre le membre du personnel et le président du comité de direction ou son délégué sur l'application de l'alinéa 2, 3°, la décision est prise par le Président du Comité de direction du [4 Service public fédéral Stratégie et Appui ]4.]3 ]2
§ 2. [1 Pour l'ancienneté de niveau, les services admissibles sont comptés à partir de la date à laquelle l'agent a été nommé à un grade ou à une classe du niveau considéré ou à laquelle il a été classé pour la promotion par un effet rétroactif formel de sa nomination à un tel grade ou à une telle classe.]1
§ 3. Pour le calcul de l'ancienneté de service, sont admissibles les services effectifs au sens de l'article 66, § 1er, que l'agent a prestés, à quelque titre que ce soit, sans interruption volontaire et comme membre du personnel d'un ministère ou d'un service public fédéral ou d'une institution publique de sécurité sociale ou d'un organisme d'intérêt public en application de l'arrêté royal du 8 janvier 1973 fixant le statut du personnel de certains organismes d'intérêt public ou d'un établissement scientifique en application de l'arrêté royal du 16 juin 1970 fixant le statut du personnel adjoint à la recherche et du personnel de gestion des établissements scientifiques de l'Etat ou de l'arrêté royal du 30 avril 1999 fixant le statut du personnel adjoint à la recherche et du personnel de gestion des établissements scientifiques de l'Etat.
§ 4. [1 Pour le calcul de l'ancienneté de classe, les services admissibles sont comptés à partir de la date à laquelle l'agent a été doté de la classe considérée.]1
[2 Par dérogation à l'article 64, sont également admissibles pour le calcul de l'ancienneté de classe dans la classe - ou le grade - dans laquelle l'agent de l'Etat est ou a été recruté :
1° les services effectifs prestés à titre contractuel dans la même classe;
2° les services effectifs prestés avant la date du 1er décembre 2004 à quelque titre que ce soit dans la Fonction publique administrative fédérale au niveau 1;
[3 3° les services rendus, dans une fonction reconnue par le président du comité de direction ou son délégué comme analogue, dans les services publics des Etats faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse; les membres du personnel engagés par des personnes morales de droit privé ou de droit public - qui ne seraient pas visées ci-avant - dans une situation juridique définie unilatéralement par l'autorité publique compétente ou, en vertu d'une habilitation légale ou décrétale, par leur organe dirigeant compétent, sont considérés comme relevant des services publics.]3
[3 En cas de désaccord entre le membre du personnel et le président du comité de direction ou son délégué sur l'application de l'alinéa 2, 3°, la décision est prise par le Président du Comité de direction du [4 Service public fédéral Stratégie et Appui ]4.]3 ]2
Art.66. § 1. De ambtenaar wordt geacht werkelijke diensten te verrichten, zolang hij zich bevindt in een administratieve stand op grond waarvan hij, krachtens zijn statuut, zijn activiteitswedde of bij gemis daarvan, zijn aanspraak op bevordering in zijn weddeschaal behoudt.
§ 2. De onderbreking is vrijwillig als ze te wijten is aan een fout van de ambtenaar.
§ 3. [1 ...]1
§ 2. De onderbreking is vrijwillig als ze te wijten is aan een fout van de ambtenaar.
§ 3. [1 ...]1
Wijzigingen
Art.66. § 1er. L'agent est réputé prester des services effectifs tant qu'il se trouve dans une position administrative qui lui vaut, de par son statut, son traitement d'activité ou, à défaut, la conservation de ses titres à l'avancement dans son échelle de traitement.
§ 2. L'interruption est volontaire lorsqu'elle est due à la faute de l'agent.
§ 3. [1 ...]1.
§ 2. L'interruption est volontaire lorsqu'elle est due à la faute de l'agent.
§ 3. [1 ...]1.
Wijzigingen
Art.67. [1 De klasse-]1, de graad-, de niveau- en de dienstanciënniteit zijn gelijk aan de som van de volle kalendermaanden tijdens welke voor het berekenen ervan in aanmerking komende diensten zijn verricht.
Voor de toepassing van het eerste lid op de ambtenaren die gemachtigd zijn hun ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid uit te oefenen :
a) worden prestaties van 1976 uren deeltijdse arbeid geteld voor twaalf volle kalendermaanden ;
b) worden prestaties van een twaalfde van 1976 uren deeltijdse arbeid geteld voor één volle kalendermaand, waarbij elk uurgedeelte wordt verwaarloosd ;
c) worden de werkelijke diensten die niet de eerste dag van de maand begonnen zijn of die vóór de laatste dag van de maand beëindigd zijn verwaarloosd.
Voor de toepassing van het eerste lid op de ambtenaren die gemachtigd zijn hun ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid uit te oefenen :
a) worden prestaties van 1976 uren deeltijdse arbeid geteld voor twaalf volle kalendermaanden ;
b) worden prestaties van een twaalfde van 1976 uren deeltijdse arbeid geteld voor één volle kalendermaand, waarbij elk uurgedeelte wordt verwaarloosd ;
c) worden de werkelijke diensten die niet de eerste dag van de maand begonnen zijn of die vóór de laatste dag van de maand beëindigd zijn verwaarloosd.
Wijzigingen
Art.67. L'ancienneté [1 de classe]1, de grade, l'ancienneté de niveau et l'ancienneté de service correspondent à la somme des mois entiers du calendrier, compris dans les services admissibles pour leur calcul.
Pour l'application de l'alinéa 1er aux agents autorisés à exercer leurs fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle :
a) des prestations de 1.976 heures de travail à temps partiel sont comptées par douze mois entiers de calendrier ;
b) des prestations d'un douzième de 1.976 heures de travail à temps partiel sont comptées pour un mois entier de calendrier, toute fraction d'heure étant négligée ;
c) les services effectifs qui n'ont pas débuté le premier jour du mois ou qui ont pris fin avant le dernier jour du mois sont négligés.
Pour l'application de l'alinéa 1er aux agents autorisés à exercer leurs fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle :
a) des prestations de 1.976 heures de travail à temps partiel sont comptées par douze mois entiers de calendrier ;
b) des prestations d'un douzième de 1.976 heures de travail à temps partiel sont comptées pour un mois entier de calendrier, toute fraction d'heure étant négligée ;
c) les services effectifs qui n'ont pas débuté le premier jour du mois ou qui ont pris fin avant le dernier jour du mois sont négligés.
Wijzigingen
DEEL IX. Loopbaan van de rijksambtenaren
PARTIE IX. De la carrière des agents de l'Etat
Art.70. § 1. [1 Er zijn twee soorten bevorderingen :
1° wat de administratieve loopbaan betreft, is de bevordering de benoeming van een Rijksambtenaar :
a) tot een graad van een hoger niveau;
b) tot een klasse van niveau A wanneer hij deel uitmaakt van een lager niveau;
c) tot de hogere klasse;
2° wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan de Rijksambtenaar in zijn graad of in zijn klasse van de weddenschaal die hoger is dan die welke hij genoot; ze wordt « bevordering door verhoging in weddenschaal » genoemd. [3 ...]3. ]1)
§ 2. [3 ...]3
§ 2bis. [2 ...]2
§ 3. De bevordering door overgang naar het hogere niveau wordt verleend bij wege van een vergelijkende selectie.
1° wat de administratieve loopbaan betreft, is de bevordering de benoeming van een Rijksambtenaar :
a) tot een graad van een hoger niveau;
b) tot een klasse van niveau A wanneer hij deel uitmaakt van een lager niveau;
c) tot de hogere klasse;
2° wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan de Rijksambtenaar in zijn graad of in zijn klasse van de weddenschaal die hoger is dan die welke hij genoot; ze wordt « bevordering door verhoging in weddenschaal » genoemd. [3 ...]3. ]1)
§ 2. [3 ...]3
§ 2bis. [2 ...]2
§ 3. De bevordering door overgang naar het hogere niveau wordt verleend bij wege van een vergelijkende selectie.
Art.70. § 1er. [1 Il y a deux types de promotion :
1° pour ce qui concerne la carrière administrative, la promotion est la nomination d'un agent de l'Etat :
a) à un grade d'un niveau supérieur;
b) à une classe du niveau A lorsqu'il appartient à un niveau inférieur;
c) à la classe supérieure;
2° pour ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion est l'attribution à l'agent de l'Etat dans son grade ou dans sa classe de l'échelle de traitement supérieure à celle dont il bénéficiait; elle est dénommée " promotion par avancement barémique ".[3 ...]3. ]1
§ 2. [3 ...]3.
§ 2bis. [2 ...]2
§ 3. La promotion par accession au niveau supérieur est attribuée par voie d'une sélection comparative.
1° pour ce qui concerne la carrière administrative, la promotion est la nomination d'un agent de l'Etat :
a) à un grade d'un niveau supérieur;
b) à une classe du niveau A lorsqu'il appartient à un niveau inférieur;
c) à la classe supérieure;
2° pour ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion est l'attribution à l'agent de l'Etat dans son grade ou dans sa classe de l'échelle de traitement supérieure à celle dont il bénéficiait; elle est dénommée " promotion par avancement barémique ".[3 ...]3. ]1
§ 2. [3 ...]3.
§ 2bis. [2 ...]2
§ 3. La promotion par accession au niveau supérieur est attribuée par voie d'une sélection comparative.
Art. 70bis. [1 § 1. [4 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4 organiseert de vergelijkende selecties voor overgang naar het hogere niveau [2 ...]2
Hij kan onder zijn toezicht de organisatie van die selecties en metingen echter geheel of gedeeltelijk opdragen aan de betrokken federale overheidsdienst.
§ 2. [3 ...]3]1
Hij kan onder zijn toezicht de organisatie van die selecties en metingen echter geheel of gedeeltelijk opdragen aan de betrokken federale overheidsdienst.
§ 2. [3 ...]3]1
Art. 70bis. [1 § 1er. [4 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]4 - organise les sélections comparatives d'accession au niveau supérieur [2 ...]2.
Il peut toutefois confier sous sa surveillance tout ou partie de l'organisation de ces sélections et mesures au service public fédéral concerné.
§ 2. [3 ...]3]1
Il peut toutefois confier sous sa surveillance tout ou partie de l'organisation de ces sélections et mesures au service public fédéral concerné.
§ 2. [3 ...]3]1
Art.71. De verandering van graad is de benoeming van een rijksambtenaar tot een graad die gelijkwaardig is met de zijne.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Art.71. Le changement de grade est la nomination d'un agent de l'Etat à un grade équivalent au sien.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Art.72. § 1. [1 Bevordering is alleen mogelijk wanneer een vaste betrekking vacant is. Zij wordt verleend volgens door Ons bepaalde regelen.]1
§ 2. [2 De vacature van een door bevordering te begeven betrekking wordt ter kennis gebracht van de benoembare ambtenaren door een bekendmaking van vacante betrekking. Het vacaturebericht wordt ten minste meegedeeld op een van de volgende wijzen :
1° hetzij langs elektronische weg waarbij de ontvangst ervan door de ambtenaar wordt bevestigd;
2° hetzij door overhandiging aan de ambtenaar in ruil voor een door hem ondertekend ontvangstbewijs dat de datum van ontvangst vermeldt;
3° hetzij met een aangetekend schrijven naar het door de ambtenaar laatst meegedeelde adres;
4° hetzij door bekendmaking in het Belgisch Staatsblad gelijktijdig met één van de wijzen vermeld in 1° tot 3°.
Wanneer artikel 6bis, § 1, derde lid wordt toegepast, wordt het vacaturebericht ten minste meegedeeld door middel van een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Het vacaturebericht bevat alle elementen betreffende de vacante betrekking teneinde aan de kandidaten toe te laten te solliciteren met alle kennis van zaken.]2
§ 3. [2 Voor een bevordering wordt alleen rekening gehouden met de kandidaatstellingen van de benoembare ambtenaren die gesolliciteerd hebben binnen de termijn gesteld door de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde, die minimaal tien werkdagen bedraagt en ingaat op de eerste werkdag volgend op de dag :
1° waarop het vacaturebericht elektronisch werd meegedeeld en de ontvangst ervan door de ambtenaar werd bevestigd;
2° waarop het vacaturebericht aan de ambtenaar werd overhandigd en waarvoor een ontvangstbewijs werd opgemaakt dat de ambtenaar heeft ondertekend en de datum van ontvangst vermeldt;
3° waarop het vacaturebericht door middel van een aangetekend schrijven werd aangeboden op het door de ambtenaar laatst meegedeelde adres;
4° waarop het vacaturebericht werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer het vacaturebericht werd meegedeeld op meerdere in het eerste lid bedoelde wijzen is de termijn die van toepassing is die, die het gunstigst is voor de ambtenaar.
De kandidaatstelling kan bezorgd worden per brief verzonden naar het in het vacaturebericht vermelde adres volgens een van de wijzen vermelde in het eerste lid, 1° tot 3°. De kandidaatstelling bezorgd volgens de modaliteiten bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3° is enkel tegenstelbaar mits de kandidaat beschikt over een ontvangstmelding die de afgifte van de kandidaatstelling bewijst.
De ambtenaren kunnen bij voorbaat dingen naar elke betrekking die tijdens hun afwezigheid open zou worden verklaard. De geldigheid van een dergelijke kandidaatstelling is beperkt tot één maand.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder werkdag : alle dagen van de week, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en feestdagen.]2
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [1 ...]1
§ 2. [2 De vacature van een door bevordering te begeven betrekking wordt ter kennis gebracht van de benoembare ambtenaren door een bekendmaking van vacante betrekking. Het vacaturebericht wordt ten minste meegedeeld op een van de volgende wijzen :
1° hetzij langs elektronische weg waarbij de ontvangst ervan door de ambtenaar wordt bevestigd;
2° hetzij door overhandiging aan de ambtenaar in ruil voor een door hem ondertekend ontvangstbewijs dat de datum van ontvangst vermeldt;
3° hetzij met een aangetekend schrijven naar het door de ambtenaar laatst meegedeelde adres;
4° hetzij door bekendmaking in het Belgisch Staatsblad gelijktijdig met één van de wijzen vermeld in 1° tot 3°.
Wanneer artikel 6bis, § 1, derde lid wordt toegepast, wordt het vacaturebericht ten minste meegedeeld door middel van een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Het vacaturebericht bevat alle elementen betreffende de vacante betrekking teneinde aan de kandidaten toe te laten te solliciteren met alle kennis van zaken.]2
§ 3. [2 Voor een bevordering wordt alleen rekening gehouden met de kandidaatstellingen van de benoembare ambtenaren die gesolliciteerd hebben binnen de termijn gesteld door de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde, die minimaal tien werkdagen bedraagt en ingaat op de eerste werkdag volgend op de dag :
1° waarop het vacaturebericht elektronisch werd meegedeeld en de ontvangst ervan door de ambtenaar werd bevestigd;
2° waarop het vacaturebericht aan de ambtenaar werd overhandigd en waarvoor een ontvangstbewijs werd opgemaakt dat de ambtenaar heeft ondertekend en de datum van ontvangst vermeldt;
3° waarop het vacaturebericht door middel van een aangetekend schrijven werd aangeboden op het door de ambtenaar laatst meegedeelde adres;
4° waarop het vacaturebericht werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer het vacaturebericht werd meegedeeld op meerdere in het eerste lid bedoelde wijzen is de termijn die van toepassing is die, die het gunstigst is voor de ambtenaar.
De kandidaatstelling kan bezorgd worden per brief verzonden naar het in het vacaturebericht vermelde adres volgens een van de wijzen vermelde in het eerste lid, 1° tot 3°. De kandidaatstelling bezorgd volgens de modaliteiten bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3° is enkel tegenstelbaar mits de kandidaat beschikt over een ontvangstmelding die de afgifte van de kandidaatstelling bewijst.
De ambtenaren kunnen bij voorbaat dingen naar elke betrekking die tijdens hun afwezigheid open zou worden verklaard. De geldigheid van een dergelijke kandidaatstelling is beperkt tot één maand.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder werkdag : alle dagen van de week, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en feestdagen.]2
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [1 ...]1
Art.72. § 1er. [1 La promotion ne peut avoir lieu qu'en cas de vacance d'un emploi permanent. Elle est accordée selon les règles fixées par Nous.]1
§ 2. [2 La vacance d'un emploi à conférer par promotion est portée à la connaissance des agents susceptibles d'être nommés au moyen d'un avis de vacance d'emploi. L'avis de vacance est communiqué au moins par l'un des modes suivants :
1° soit par voie électronique dont la réception par l'agent est confirmée;
2° soit par la remise de la main à la main à l'agent en échange d'un récépissé portant sa signature et la date à laquelle il est délivré;
3° soit par courrier recommandé à la dernière adresse communiquée par l'agent;
4° soit par avis au Moniteur belge publié en même temps qu'un des modes repris aux points 1° à 3°.
Lorsqu'il est fait application de l'article 6bis, § 1er, alinéa 3, l'avis de vacance est communiqué au moins au moyen d'un avis au Moniteur belge.
L'avis de vacance contient tous les éléments relatifs à l'emploi vacant afin de permettre aux candidats de postuler en connaissance de cause.]2
§ 3. [2 Pour une promotion, seules sont prises en considération les candidatures des agents pouvant être nommés qui ont présenté leur candidature dans le délai fixé par le président du comité de direction ou son délégué, qui s'élève à minimum dix jours ouvrables et qui commence à courir le premier jour ouvrable qui suit celui :
1° où l'avis de vacance a été communiqué par voie électronique et dont la réception par l'agent est confirmée;
2° où l'avis de vacance a été remis de la main à la main à l'agent et pour lequel un récépissé portant la signature de l'agent et la date à laquelle il est délivré a été établi;
3° où l'avis de vacance a été présenté par courrier recommandé à la dernière adresse communiquée par l'agent;
4° où l'avis de vacance a été publié au Moniteur belge.
Lorsque l'avis de vacance a été communiqué au moyen de plusieurs modes visés à l'alinéa 1er, le délai applicable est celui qui est le plus favorable pour l'agent.
La candidature peut être transmise par courrier envoyé à l'adresse indiquée dans l'avis de vacance selon l'un des modes de communication mentionnés à l'alinéa 1er, 1° à 3°. La candidature transmise selon les modalités visées à l'alinéa 1er, 1° à 3° n'est opposable qu'à condition que le candidat dispose d'un accusé de réception qui atteste de la délivrance de la candidature.
Les agents peuvent solliciter, par anticipation, à tout emploi qui deviendrait vacant pendant leur absence. La validité d'une telle candidature est limitée à un mois.
Pour l'application de ce paragraphe, il y a lieu d'entendre par jour ouvrable : tous les jours de la semaine à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux. ]2
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [1 ...]1
§ 2. [2 La vacance d'un emploi à conférer par promotion est portée à la connaissance des agents susceptibles d'être nommés au moyen d'un avis de vacance d'emploi. L'avis de vacance est communiqué au moins par l'un des modes suivants :
1° soit par voie électronique dont la réception par l'agent est confirmée;
2° soit par la remise de la main à la main à l'agent en échange d'un récépissé portant sa signature et la date à laquelle il est délivré;
3° soit par courrier recommandé à la dernière adresse communiquée par l'agent;
4° soit par avis au Moniteur belge publié en même temps qu'un des modes repris aux points 1° à 3°.
Lorsqu'il est fait application de l'article 6bis, § 1er, alinéa 3, l'avis de vacance est communiqué au moins au moyen d'un avis au Moniteur belge.
L'avis de vacance contient tous les éléments relatifs à l'emploi vacant afin de permettre aux candidats de postuler en connaissance de cause.]2
§ 3. [2 Pour une promotion, seules sont prises en considération les candidatures des agents pouvant être nommés qui ont présenté leur candidature dans le délai fixé par le président du comité de direction ou son délégué, qui s'élève à minimum dix jours ouvrables et qui commence à courir le premier jour ouvrable qui suit celui :
1° où l'avis de vacance a été communiqué par voie électronique et dont la réception par l'agent est confirmée;
2° où l'avis de vacance a été remis de la main à la main à l'agent et pour lequel un récépissé portant la signature de l'agent et la date à laquelle il est délivré a été établi;
3° où l'avis de vacance a été présenté par courrier recommandé à la dernière adresse communiquée par l'agent;
4° où l'avis de vacance a été publié au Moniteur belge.
Lorsque l'avis de vacance a été communiqué au moyen de plusieurs modes visés à l'alinéa 1er, le délai applicable est celui qui est le plus favorable pour l'agent.
La candidature peut être transmise par courrier envoyé à l'adresse indiquée dans l'avis de vacance selon l'un des modes de communication mentionnés à l'alinéa 1er, 1° à 3°. La candidature transmise selon les modalités visées à l'alinéa 1er, 1° à 3° n'est opposable qu'à condition que le candidat dispose d'un accusé de réception qui atteste de la délivrance de la candidature.
Les agents peuvent solliciter, par anticipation, à tout emploi qui deviendrait vacant pendant leur absence. La validité d'une telle candidature est limitée à un mois.
Pour l'application de ce paragraphe, il y a lieu d'entendre par jour ouvrable : tous les jours de la semaine à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux. ]2
§ 4. [2 ...]2
§ 5. [1 ...]1
Art.73. [1 § 1. Verandering van graad is alleen mogelijk wanneer er een vaste betrekking vacant is.
§ 2. De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde bepaalt de procedure volgens dewelke de bij wege van verandering van graad te verlenen betrekkingen worden bekendgemaakt en volgens dewelke de rijksambtenaren zich hiervoor kandidaat kunnen stellen. Het functieprofiel wordt bij de oproep tot kandidaatstelling gevoegd.
Wanneer er meerdere ambtenaren kandidaat zijn voor een verandering van graad wordt de betrekking toegewezen aan de kandidaat die het best beantwoordt aan de vereisten van de te begeven functie. De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde vergelijkt daartoe de titels en verdiensten van de kandidaten in het licht van de generieke en technische competenties van de functie.]1
§ 2. De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde bepaalt de procedure volgens dewelke de bij wege van verandering van graad te verlenen betrekkingen worden bekendgemaakt en volgens dewelke de rijksambtenaren zich hiervoor kandidaat kunnen stellen. Het functieprofiel wordt bij de oproep tot kandidaatstelling gevoegd.
Wanneer er meerdere ambtenaren kandidaat zijn voor een verandering van graad wordt de betrekking toegewezen aan de kandidaat die het best beantwoordt aan de vereisten van de te begeven functie. De voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde vergelijkt daartoe de titels en verdiensten van de kandidaten in het licht van de generieke en technische competenties van de functie.]1
Wijzigingen
Art.73. [1 § 1er. Le changement de grade ne peut avoir lieu qu'en cas de vacance d'un emploi permanent.
§ 2. Le président du comité de direction ou son délégué détermine la procédure selon laquelle les emplois à conférer par changement de grade sont annoncés et selon laquelle les agents de l'Etat peuvent poser leur candidature pour ceux-ci. Le profil de la fonction est annexé à l'appel à candidature.
Lorsque plusieurs agents sont candidats à un changement de grade, l'emploi est attribué au candidat qui répond le mieux aux exigences de la fonction à conférer. Le président du comité de direction ou son délégué compare à cette fin les titres et mérites des candidats au regard des compétences génériques et techniques de la fonction.]1
§ 2. Le président du comité de direction ou son délégué détermine la procédure selon laquelle les emplois à conférer par changement de grade sont annoncés et selon laquelle les agents de l'Etat peuvent poser leur candidature pour ceux-ci. Le profil de la fonction est annexé à l'appel à candidature.
Lorsque plusieurs agents sont candidats à un changement de grade, l'emploi est attribué au candidat qui répond le mieux aux exigences de la fonction à conférer. Le président du comité de direction ou son délégué compare à cette fin les titres et mérites des candidats au regard des compétences génériques et techniques de la fonction.]1
Wijzigingen
Art. 73bis. [1 In afwijking van artikel 70, § 2, kan de bevordering door verhoging in weddenschaal of door verhoging naar de hogere klasse afhankelijk worden gesteld van het slagen voor een selectie georganiseerd door [2 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 waarvan de voorwaarden en nadere regels vastgesteld worden door de bevoegde minister, met het akkoord van de minister bevoegd voor ambtenarenzaken.
[2 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 kan onder zijn toezicht de organisatie van die selecties echter geheel of gedeeltelijk opdragen aan de betrokken federale overheidsdienst.]1
[2 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 kan onder zijn toezicht de organisatie van die selecties echter geheel of gedeeltelijk opdragen aan de betrokken federale overheidsdienst.]1
Art. 73bis. [1 Par dérogation à l'article 70, § 2, la promotion par avancement barémique ou par avancement à la classe supérieure peut être subordonnée à la réussite d'une sélection organisée par [2 la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 et dont les conditions et les modalités sont fixées par le ministre compétent, avec l'accord du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions.
[2 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 peut confier sous sa surveillance tout ou partie de l'organisation de ces sélections au service public fédéral concerné.]1
[2 Le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 peut confier sous sa surveillance tout ou partie de l'organisation de ces sélections au service public fédéral concerné.]1
Art. 73ter. [1 Een ambtenaar kan, op zijn vraag en met de goedkeuring van de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde, in een betrekking [2 van een rechtstreeks lagere klasse of van een rechtstreeks lager niveau]2 tijdelijk worden geaffecteerd, voor zover hij aan de functievereisten voldoet.
[2 De HR-verantwoordelijke van de betrokken federale dienst of zijn afgevaardigde, hoort het personeelslid dat een verzoek, zoals bedoeld in het eerste lid, indient voordat hij tijdelijk wordt tewerkgesteld in een functie in een rechtstreeks lagere rang of op een rechtstreeks lager niveau.]2
De in het eerste lid bedoelde tijdelijke affectatie in een betrekking [2 van een rechtstreeks lagere klasse of van een rechtstreeks lager niveau]2 wordt niet toegestaan wanneer de ambtenaar bij zijn laatste evaluatie de vermelding "onvoldoende" kreeg.
De in het eerste lid bedoelde tijdelijke affectatie gebeurt voor maximaal twaalf maanden. Ze kan [2 drie keer]2 worden verlengd met een periode van maximaal twaalf maanden.
Op ieder moment mag de ambtenaar een einde stellen aan de tijdelijke affectatie in een betrekking [2 van een rechtstreeks lagere klasse of van een rechtstreeks lager niveau]2 met een opzegperiode van 30 dagen. Een kortere opzegperiode kan altijd in onderling akkoord worden overeengekomen tussen de ambtenaar en de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.]1
[2 De HR-verantwoordelijke van de betrokken federale dienst of zijn afgevaardigde, hoort het personeelslid dat een verzoek, zoals bedoeld in het eerste lid, indient voordat hij tijdelijk wordt tewerkgesteld in een functie in een rechtstreeks lagere rang of op een rechtstreeks lager niveau.]2
De in het eerste lid bedoelde tijdelijke affectatie in een betrekking [2 van een rechtstreeks lagere klasse of van een rechtstreeks lager niveau]2 wordt niet toegestaan wanneer de ambtenaar bij zijn laatste evaluatie de vermelding "onvoldoende" kreeg.
De in het eerste lid bedoelde tijdelijke affectatie gebeurt voor maximaal twaalf maanden. Ze kan [2 drie keer]2 worden verlengd met een periode van maximaal twaalf maanden.
Op ieder moment mag de ambtenaar een einde stellen aan de tijdelijke affectatie in een betrekking [2 van een rechtstreeks lagere klasse of van een rechtstreeks lager niveau]2 met een opzegperiode van 30 dagen. Een kortere opzegperiode kan altijd in onderling akkoord worden overeengekomen tussen de ambtenaar en de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.]1
Art. 73ter. [1 Un agent peut, à sa demande et avec l'accord du président du comité de direction ou son délégué, être affecté temporairement dans un emploi [2 d'une classe directement inférieure ou d'un niveau directement inférieur]2, pour autant qu'il réponde aux exigences de la fonction.
[2 Le responsable des ressources humaines du service fédéral concerné ou son délégué entend l'agent qui soumet une demande visée à l'alinéa 1er préalablement à son affectation temporaire dans un emploi d'une classe directement inférieure ou d'un niveau directement inférieur.]2
L'affectation temporaire dans un emploi [2 d'une classe directement inférieure ou d'un niveau directement inférieur]2 visée à l'alinéa 1er n'est pas accordée lorsque l'agent a obtenu la mention " insuffisant " lors de sa dernière évaluation.
L'affectation temporaire visée à l'alinéa 1er se fait pour une durée de douze mois maximum. Elle peut être prolongée [2 trois fois par période]2 de douze mois maximum.
A tout moment, l'agent peut mettre fin à l'affectation temporaire dans un emploi [2 d'une classe directement inférieure ou d'un niveau directement inférieur]2, moyennant un préavis de 30 jours. Un préavis plus court peut toutefois être fixé de commun accord entre l'agent et le président du comité de direction ou son délégué.]1
[2 Le responsable des ressources humaines du service fédéral concerné ou son délégué entend l'agent qui soumet une demande visée à l'alinéa 1er préalablement à son affectation temporaire dans un emploi d'une classe directement inférieure ou d'un niveau directement inférieur.]2
L'affectation temporaire dans un emploi [2 d'une classe directement inférieure ou d'un niveau directement inférieur]2 visée à l'alinéa 1er n'est pas accordée lorsque l'agent a obtenu la mention " insuffisant " lors de sa dernière évaluation.
L'affectation temporaire visée à l'alinéa 1er se fait pour une durée de douze mois maximum. Elle peut être prolongée [2 trois fois par période]2 de douze mois maximum.
A tout moment, l'agent peut mettre fin à l'affectation temporaire dans un emploi [2 d'une classe directement inférieure ou d'un niveau directement inférieur]2, moyennant un préavis de 30 jours. Un préavis plus court peut toutefois être fixé de commun accord entre l'agent et le président du comité de direction ou son délégué.]1
Art. 73quater. [1 De rijksambtenaar kan een tijdelijke verandering van graad vragen voor een maximale duur van twaalf maanden:
- om ernstige familiale of sociale redenen;
- om gezondheidsredenen.
Indien hier ernstige redenen toe zijn, kan de tijdelijke verandering van graad verlengd worden met periodes van maximaal twaalf maanden.
De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde bepaalt de procedure volgens welke de tijdelijke verandering van graad kan worden toegekend of verlengd.
De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde neemt een met redenen omklede beslissing binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag.
Op ieder moment mag de rijksambtenaar een einde stellen aan de tijdelijke verandering van graad met een opzegperiode van 30 dagen. Een kortere opzegperiode kan altijd in onderling akkoord worden overeengekomen tussen de ambtenaar en de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.]1
- om ernstige familiale of sociale redenen;
- om gezondheidsredenen.
Indien hier ernstige redenen toe zijn, kan de tijdelijke verandering van graad verlengd worden met periodes van maximaal twaalf maanden.
De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde bepaalt de procedure volgens welke de tijdelijke verandering van graad kan worden toegekend of verlengd.
De voorzitter van het directiecomité of zijn afgevaardigde neemt een met redenen omklede beslissing binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag.
Op ieder moment mag de rijksambtenaar een einde stellen aan de tijdelijke verandering van graad met een opzegperiode van 30 dagen. Een kortere opzegperiode kan altijd in onderling akkoord worden overeengekomen tussen de ambtenaar en de voorzitter van het directiecomité of zijn gemachtigde.]1
Art. 73quater. [1 L'agent de l'Etat peut solliciter un changement de grade temporaire pour une durée maximum de douze mois :
- pour raisons familiales ou sociales graves ;
- pour raison de santé.
S'il existe des raisons graves le justifiant, le changement de grade temporaire peut être prolongé par période de maximum douze mois.
Le président du comité de direction ou son délégué détermine la procédure selon laquelle le changement de grade temporaire peut être accordé ou prolongé.
Le président du comité de direction ou son délégué prend une décision motivée dans un délai de trente jours à dater de la réception de la demande.
A tout moment, l'agent de l'Etat peut mettre fin au changement de grade temporaire, moyennant un préavis de 30 jours. Un préavis plus court peut toutefois être fixé de commun accord entre l'agent et le président du comité de direction ou son délégué.]1
- pour raisons familiales ou sociales graves ;
- pour raison de santé.
S'il existe des raisons graves le justifiant, le changement de grade temporaire peut être prolongé par période de maximum douze mois.
Le président du comité de direction ou son délégué détermine la procédure selon laquelle le changement de grade temporaire peut être accordé ou prolongé.
Le président du comité de direction ou son délégué prend une décision motivée dans un délai de trente jours à dater de la réception de la demande.
A tout moment, l'agent de l'Etat peut mettre fin au changement de grade temporaire, moyennant un préavis de 30 jours. Un préavis plus court peut toutefois être fixé de commun accord entre l'agent et le président du comité de direction ou son délégué.]1
Art.74. [1 § 1. In afwijking van artikel 72 en van de artikelen 26bis, 27bis, 32 en 34, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel worden de rijksambtenaren die kandidaat zijn voor een bevordering naar de hogere klasse door [2 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 gerangschikt als geslaagden en niet-geslaagden, in het kader van de procedure van de vergelijkende selectie bedoeld in artikel 20ter.
De rijksambtenaren die kandidaat zijn voor een bevordering moeten echter niet aan de diplomavoorwaarde voldoen.
§ 2. De voorzitter van het directiecomité legt de door [2 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 bezorgde lijst van geslaagden voor aan het directiecomité, alsook de gemotiveerde adviezen van [2 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 over elke geslaagde.
Het directiecomité rangschikt de geslaagden volgens hun aanspraken en verdiensten, in verhouding tot de vereisten van de uit te oefenen functie.
Het directiecomité kan de geslaagden horen.
Het directiecomité kan ook beslissen om geen enkel bevorderingsvoorstel te doen.
§ 3. Dit artikel is niet van toepassing als de betrekking alleen toegekend wordt door bevordering naar de hogere klasse van de rijksambtenaren van de betrokken federale overheidsdienst.]1
De rijksambtenaren die kandidaat zijn voor een bevordering moeten echter niet aan de diplomavoorwaarde voldoen.
§ 2. De voorzitter van het directiecomité legt de door [2 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 bezorgde lijst van geslaagden voor aan het directiecomité, alsook de gemotiveerde adviezen van [2 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 over elke geslaagde.
Het directiecomité rangschikt de geslaagden volgens hun aanspraken en verdiensten, in verhouding tot de vereisten van de uit te oefenen functie.
Het directiecomité kan de geslaagden horen.
Het directiecomité kan ook beslissen om geen enkel bevorderingsvoorstel te doen.
§ 3. Dit artikel is niet van toepassing als de betrekking alleen toegekend wordt door bevordering naar de hogere klasse van de rijksambtenaren van de betrokken federale overheidsdienst.]1
Art.74. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 72 et aux articles 26bis, 27bis, 32 et 34, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, les agents de l'Etat candidats à une promotion à la classe supérieure sont classés par [2 la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 en lauréats et en non lauréats, dans le cadre de la procédure de sélection comparative visée à l'article 20ter.
Toutefois, les agents de l'Etat candidats à la promotion ne doivent pas remplir la condition relative aux diplômes.
§ 2. Le président du comité de direction soumet au comité de direction la liste des lauréats transmise par [2 la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 ainsi que les avis motivés de [2 la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 sur chaque lauréat.
Le comité de direction classe les lauréats, selon leurs titres et mérites, par rapport aux exigences de la fonction à exercer.
Le comité de direction peut entendre les lauréats.
Le comité de direction peut aussi décider de ne faire aucune proposition de promotion.
§ 3. Cet article ne s'applique pas lorsque l'emploi est attribué uniquement par promotion à la classe supérieure des agents de l'Etat du service public fédéral concerné.]1
Toutefois, les agents de l'Etat candidats à la promotion ne doivent pas remplir la condition relative aux diplômes.
§ 2. Le président du comité de direction soumet au comité de direction la liste des lauréats transmise par [2 la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 ainsi que les avis motivés de [2 la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 sur chaque lauréat.
Le comité de direction classe les lauréats, selon leurs titres et mérites, par rapport aux exigences de la fonction à exercer.
Le comité de direction peut entendre les lauréats.
Le comité de direction peut aussi décider de ne faire aucune proposition de promotion.
§ 3. Cet article ne s'applique pas lorsque l'emploi est attribué uniquement par promotion à la classe supérieure des agents de l'Etat du service public fédéral concerné.]1
Art. 74bis. <KB 2005-07-08/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-10-2001 en tekstbijwerking tot 06-09-2024)">Opgeheven art. 28 van 29 OKTOBER 2001. - [Koninklijk besluit betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten.] <KB 2005-07-08/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-10-2001 en tekstbijwerking tot 06-09-2024)
Art. 74bis. <KB 2005-07-08/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-10-2001 en tekstbijwerking tot 06-09-2024)">Abrogé art. 28 van 29 OKTOBER 2001. - [Koninklijk besluit betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten.] <KB 2005-07-08/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-10-2001 en tekstbijwerking tot 06-09-2024)
Art.75. § 1. [3 Om [4 ...]4 aan een selectie voor overgang naar het hogere niveau [6 ...]6 [7 ...]7 deel te nemen, moet de ambtenaar zich bevinden in een administratieve stand waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden.]3
De in het eerste lid bepaalde voorwaarde moet vervuld zijn op de door [10 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]10 bepaalde datum.
§ 2. De ambtenaar die tijdens de selectiegedeelten niet langer de in § 1 bepaalde voorwaarde vervult, verliest het voordeel van zijn eventueel slagen voor de [4 ...]4 vergelijkende selectie [6 ...]6.
§ 3. [2 [5 Om een bevordering door verhoging in weddenschaal, door verhoging naar de hogere klasse of door overgang naar het hogere niveau ]5, [6 ...]6 of een verandering van graad te verkrijgen, moet de ambtenaar zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden. [8 Bovendien mag hij [9 geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen]9 op het einde van zijn evaluatie, en niet tijdelijk in een lagere klasse of een lager niveau zijn geaffecteerd in toepassing van artikel 73ter van dit besluit.]8 ]2
§ 4. [1 ...]1
De in het eerste lid bepaalde voorwaarde moet vervuld zijn op de door [10 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]10 bepaalde datum.
§ 2. De ambtenaar die tijdens de selectiegedeelten niet langer de in § 1 bepaalde voorwaarde vervult, verliest het voordeel van zijn eventueel slagen voor de [4 ...]4 vergelijkende selectie [6 ...]6.
§ 3. [2 [5 Om een bevordering door verhoging in weddenschaal, door verhoging naar de hogere klasse of door overgang naar het hogere niveau ]5, [6 ...]6 of een verandering van graad te verkrijgen, moet de ambtenaar zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden. [8 Bovendien mag hij [9 geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen]9 op het einde van zijn evaluatie, en niet tijdelijk in een lagere klasse of een lager niveau zijn geaffecteerd in toepassing van artikel 73ter van dit besluit.]8 ]2
§ 4. [1 ...]1
Wijzigingen
Art.75. § 1er. [3 Pour participer [4 ...]4 à une sélection d'accession au niveau supérieur [6 ...]6 [7 ...]7, l'agent doit se trouver dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion.]3
La condition fixée à l'alinéa premier doit être remplie à la date fixée par [10 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]10.
§ 2. L'agent qui, pendant les épreuves, cesse de remplir la condition fixée au § 1er, perd le bénéfice de la réussite éventuelle [4 ...]4 de la sélection comparative [6 ...]6.
§ 3. [2 [5 Pour obtenir une promotion par avancement barémique, par avancement à la classe supérieure ou par accession au niveau supérieur]5, [6 ...]6 ou un changement de grade, l'agent doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion. [8 En outre, il ne peut [9 ni avoir obtenu la mention " insuffisant"]9 au terme de son évaluation, ni avoir été affecté temporairement dans une classe inférieure ou dans un niveau inférieur en application de l'article 73ter du présent arrêté.]8 ]2
§ 4 [1 ...]1
La condition fixée à l'alinéa premier doit être remplie à la date fixée par [10 le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]10.
§ 2. L'agent qui, pendant les épreuves, cesse de remplir la condition fixée au § 1er, perd le bénéfice de la réussite éventuelle [4 ...]4 de la sélection comparative [6 ...]6.
§ 3. [2 [5 Pour obtenir une promotion par avancement barémique, par avancement à la classe supérieure ou par accession au niveau supérieur]5, [6 ...]6 ou un changement de grade, l'agent doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion. [8 En outre, il ne peut [9 ni avoir obtenu la mention " insuffisant"]9 au terme de son évaluation, ni avoir été affecté temporairement dans une classe inférieure ou dans un niveau inférieur en application de l'article 73ter du présent arrêté.]8 ]2
§ 4 [1 ...]1
Wijzigingen
DEEL X. Tuchtregeling
PARTIE X. Du régime disciplinaire
TITEL 1. Tuchtstraffen
TITRE 1er. Des peines disciplinaires
Art.77. [1 De volgende tuchtstraffen kunnen worden uitgesproken:
1° de terechtwijzing;
2° de inhouding van wedde;
3° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
4° het ontslag van ambtswege;
5° de afzetting.
De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten minste één maand en ten hoogste zesendertig maanden en mag niet hoger liggen dan die welke bepaald is in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers.
De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan op zijn aanvraag geen nieuwe aanwijzing noch overplaatsing bekomen gedurende de termijn die voor de uitwissing van zijn tuchtstraf is bepaald.]1
1° de terechtwijzing;
2° de inhouding van wedde;
3° de verplaatsing bij tuchtmaatregel;
4° het ontslag van ambtswege;
5° de afzetting.
De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten minste één maand en ten hoogste zesendertig maanden en mag niet hoger liggen dan die welke bepaald is in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers.
De bij tuchtmaatregel verplaatste ambtenaar kan op zijn aanvraag geen nieuwe aanwijzing noch overplaatsing bekomen gedurende de termijn die voor de uitwissing van zijn tuchtstraf is bepaald.]1
Wijzigingen
Art.77. [1 Les peines disciplinaires suivantes peuvent être prononcées :
1° le rappel à l'ordre;
2° la retenue de traitement;
3° le déplacement disciplinaire;
4° la démission d'office;
5° la révocation.
La retenue de traitement s'applique pendant un mois au moins et trente-six mois au plus et ne peut être supérieure à celle prévue à l'article 23, alinéa 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
L'agent déplacé par mesure disciplinaire, ne peut obtenir à sa demande ni une nouvelle affectation, ni un transfert, pendant le délai qui est fixé pour l'effacement de sa peine disciplinaire.]1
1° le rappel à l'ordre;
2° la retenue de traitement;
3° le déplacement disciplinaire;
4° la démission d'office;
5° la révocation.
La retenue de traitement s'applique pendant un mois au moins et trente-six mois au plus et ne peut être supérieure à celle prévue à l'article 23, alinéa 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
L'agent déplacé par mesure disciplinaire, ne peut obtenir à sa demande ni une nouvelle affectation, ni un transfert, pendant le délai qui est fixé pour l'effacement de sa peine disciplinaire.]1
Wijzigingen
Art.78. [1 § 1. De tuchtstraf wordt uitgesproken door de tot benoeming bevoegde overheid wat de ambtenaren van de niveaus B, C en D betreft.
Wat de ambtenaren van het niveau A aangaat, wordt zij uitgesproken door de minister, behalve het ontslag van ambtswege en de afzetting die door Ons worden opgelegd.
§ 2. De tuchtprocedure start door een oproeping gericht aan de ambtenaar door de bevoegde hiërarchische meerdere. In deze oproepingsbrief wordt de ambtenaar geïnformeerd over de feiten die hem ten laste worden gelegd en over het feit dat een tuchtprocedure tegen hem wordt opgestart.
In afwijking van het eerste lid, wordt de oproepingsbrief aan de houder van een management- of staffunctie door de minister betekend.
De oproepingsbrief vermeldt:
1° de feiten die ten laste worden gelegd;
2° het recht van de ambtenaar om zijn standpunt met alle passende middelen te doen kennen;
3° de geschonden normen;
4° de in artikel 77 bepaalde tuchtstraffen;
5° dat er een dossier ter beschikking is gesteld betreffende de ten laste gelegde feiten;
6° de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;
7° de mogelijkheid om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen.
De ambtenaar wordt op de hoogte gebracht op één van de volgende wijzen:
1° hetzij door elektronische mededeling waarvan de ontvangst door de ambtenaar wordt bevestigd;
2° hetzij door overhandiging van een schrijven aan de ambtenaren in ruil voor een door hen ondertekend ontvangstbewijs dat de datum van ontvangst vermeldt;
3° hetzij door een aangetekend schrijven.
§ 3. De ambtenaar wordt gehoord tussen de veertiende en de dertigste dag die volgen op de ontvangst van de oproeping door de bevoegde hiërarchische meerdere over de feiten die hem ten laste worden gelegd. Tijdens het verhoor heeft de ambtenaar het recht de feiten die hem ten laste worden gelegd te weerleggen. Er kunnen getuigen worden opgeroepen.
Er worden van het verhoor notulen opgesteld.
§ 4. De ambtenaar viseert de notulen en geeft ze binnen de tien dagen vanaf de datum van ontvangst terug. Indien hij bezwaren heeft tegen bepaalde vaststellingen in de notulen, geeft hij de notulen terug vergezeld van een schriftelijke nota.
Het terugsturen gebeurt op één van de wijzen bepaald in § 2, vierde lid.
§ 5. De bevoegde hiërarchische meerdere stuurt het dossier naar het directiecomité binnen een termijn van tien dagen vanaf de datum van ontvangst.
Het omstandig dossier bevat een verslag opgesteld door de bevoegde hiërarchische meerdere dat minstens de volgende elementen bevat:
o de feiten die worden ten laste gelegd;
o het verslag van de eventuele getuigenissen;
o het proces-verbaal van de hoorzitting;
o de bezwaren van de ambtenaar tegen het proces-verbaal.
§ 6. De minister of de voorzitter van het directiecomité wijst de bevoegde hiërarchische meerdere aan voor de toepassing van dit artikel.]1
Wat de ambtenaren van het niveau A aangaat, wordt zij uitgesproken door de minister, behalve het ontslag van ambtswege en de afzetting die door Ons worden opgelegd.
§ 2. De tuchtprocedure start door een oproeping gericht aan de ambtenaar door de bevoegde hiërarchische meerdere. In deze oproepingsbrief wordt de ambtenaar geïnformeerd over de feiten die hem ten laste worden gelegd en over het feit dat een tuchtprocedure tegen hem wordt opgestart.
In afwijking van het eerste lid, wordt de oproepingsbrief aan de houder van een management- of staffunctie door de minister betekend.
De oproepingsbrief vermeldt:
1° de feiten die ten laste worden gelegd;
2° het recht van de ambtenaar om zijn standpunt met alle passende middelen te doen kennen;
3° de geschonden normen;
4° de in artikel 77 bepaalde tuchtstraffen;
5° dat er een dossier ter beschikking is gesteld betreffende de ten laste gelegde feiten;
6° de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;
7° de mogelijkheid om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen.
De ambtenaar wordt op de hoogte gebracht op één van de volgende wijzen:
1° hetzij door elektronische mededeling waarvan de ontvangst door de ambtenaar wordt bevestigd;
2° hetzij door overhandiging van een schrijven aan de ambtenaren in ruil voor een door hen ondertekend ontvangstbewijs dat de datum van ontvangst vermeldt;
3° hetzij door een aangetekend schrijven.
§ 3. De ambtenaar wordt gehoord tussen de veertiende en de dertigste dag die volgen op de ontvangst van de oproeping door de bevoegde hiërarchische meerdere over de feiten die hem ten laste worden gelegd. Tijdens het verhoor heeft de ambtenaar het recht de feiten die hem ten laste worden gelegd te weerleggen. Er kunnen getuigen worden opgeroepen.
Er worden van het verhoor notulen opgesteld.
§ 4. De ambtenaar viseert de notulen en geeft ze binnen de tien dagen vanaf de datum van ontvangst terug. Indien hij bezwaren heeft tegen bepaalde vaststellingen in de notulen, geeft hij de notulen terug vergezeld van een schriftelijke nota.
Het terugsturen gebeurt op één van de wijzen bepaald in § 2, vierde lid.
§ 5. De bevoegde hiërarchische meerdere stuurt het dossier naar het directiecomité binnen een termijn van tien dagen vanaf de datum van ontvangst.
Het omstandig dossier bevat een verslag opgesteld door de bevoegde hiërarchische meerdere dat minstens de volgende elementen bevat:
o de feiten die worden ten laste gelegd;
o het verslag van de eventuele getuigenissen;
o het proces-verbaal van de hoorzitting;
o de bezwaren van de ambtenaar tegen het proces-verbaal.
§ 6. De minister of de voorzitter van het directiecomité wijst de bevoegde hiërarchische meerdere aan voor de toepassing van dit artikel.]1
Wijzigingen
Art.78. [1 § 1er. La peine disciplinaire est prononcée par l'autorité qui exerce le pouvoir de nomination en ce qui concerne les agents des niveaux B, C et D.
Pour les agents du niveau A, la peine est prononcée par le ministre, à l'exception de la démission d'office et de la révocation qui sont prononcées par Nous.
§ 2. La procédure disciplinaire débute par une convocation adressée à l'agent par le supérieur hiérarchique compétent. L'agent est informé par cette convocation des faits qui lui sont reprochés et du fait qu'une procédure disciplinaire est entamée à son encontre.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la convocation adressée au titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement est notifiée par le ministre.
La convocation mentionne :
1° les faits reprochés;
2° le droit de l'agent d'émettre son point de vue par tous les moyens utiles;
3° les normes enfreintes;
4° les peines disciplinaires définies à l'article 77;
5° la mise à disposition d'un dossier concernant les faits reprochés;
6° la possibilité de se faire assister par la personne de son choix;
7° la possibilité de demander des mesures d'instruction complémentaires.
La convocation est adressée à l'agent selon un des modes suivants:
1° soit par courriel dont la réception par l'agent est confirmée;
2° soit par remise d'un écrit de la main à la main en échange d'un récépissé portant la signature du requérant et la date à laquelle il est délivré;
3° soit par lettre recommandée.
§ 3. L'agent est entendu, entre le quatorzième et le trentième jour qui suivent la réception de la convocation, par le supérieur hiérarchique compétent sur les faits qui lui sont reprochés. Lors de l'audition, l'agent a le droit à la contradiction à propos des faits qui lui sont reprochés. Des témoins peuvent être entendus.
Il est établi un procès-verbal de l'audition.
§ 4. L'agent vise le procès-verbal et le restitue dans les dix jours à dater de sa réception. S'il a des objections à présenter contre certaines constatations reprises dans le procès-verbal, il restitue celui-ci accompagné d'une note écrite.
La restitution se fait selon un des modes définis au § 2, alinéa 4.
§ 5. Le supérieur hiérarchique compétent transmet le dossier au comité de direction dans un délai de dix jours à dater de sa réception.
Le dossier circonstancié comprend un rapport rédigé par le supérieur hiérarchique compétent qui comporte au moins les éléments suivants :
o les faits reprochés ;
o le rapport des éventuels témoignages;
o le procès-verbal de l'audition ;
o les objections de l'agent par rapport au procès-verbal.
§ 6. Le ministre ou le président du comité de direction désigne le supérieur hiérarchique compétent pour l'application du présent article.]1
Pour les agents du niveau A, la peine est prononcée par le ministre, à l'exception de la démission d'office et de la révocation qui sont prononcées par Nous.
§ 2. La procédure disciplinaire débute par une convocation adressée à l'agent par le supérieur hiérarchique compétent. L'agent est informé par cette convocation des faits qui lui sont reprochés et du fait qu'une procédure disciplinaire est entamée à son encontre.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la convocation adressée au titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement est notifiée par le ministre.
La convocation mentionne :
1° les faits reprochés;
2° le droit de l'agent d'émettre son point de vue par tous les moyens utiles;
3° les normes enfreintes;
4° les peines disciplinaires définies à l'article 77;
5° la mise à disposition d'un dossier concernant les faits reprochés;
6° la possibilité de se faire assister par la personne de son choix;
7° la possibilité de demander des mesures d'instruction complémentaires.
La convocation est adressée à l'agent selon un des modes suivants:
1° soit par courriel dont la réception par l'agent est confirmée;
2° soit par remise d'un écrit de la main à la main en échange d'un récépissé portant la signature du requérant et la date à laquelle il est délivré;
3° soit par lettre recommandée.
§ 3. L'agent est entendu, entre le quatorzième et le trentième jour qui suivent la réception de la convocation, par le supérieur hiérarchique compétent sur les faits qui lui sont reprochés. Lors de l'audition, l'agent a le droit à la contradiction à propos des faits qui lui sont reprochés. Des témoins peuvent être entendus.
Il est établi un procès-verbal de l'audition.
§ 4. L'agent vise le procès-verbal et le restitue dans les dix jours à dater de sa réception. S'il a des objections à présenter contre certaines constatations reprises dans le procès-verbal, il restitue celui-ci accompagné d'une note écrite.
La restitution se fait selon un des modes définis au § 2, alinéa 4.
§ 5. Le supérieur hiérarchique compétent transmet le dossier au comité de direction dans un délai de dix jours à dater de sa réception.
Le dossier circonstancié comprend un rapport rédigé par le supérieur hiérarchique compétent qui comporte au moins les éléments suivants :
o les faits reprochés ;
o le rapport des éventuels témoignages;
o le procès-verbal de l'audition ;
o les objections de l'agent par rapport au procès-verbal.
§ 6. Le ministre ou le président du comité de direction désigne le supérieur hiérarchique compétent pour l'application du présent article.]1
Wijzigingen
Art.79. § 1. [1 Binnen een termijn van tien dagen vanaf de dag waarop het dossier bij het directiecomité aanhangig is gemaakt, roept het directiecomité de ambtenaar op om voor hem te verschijnen.
De oproep gebeurt volgens één van de wijzen bepaald in artikel 78, § 2, vierde lid.
Het horen van de ambtenaar gebeurt tussen de twintigste en de dertigste dag volgend op het aanhangig maken bij het directiecomité.
De oproeping vermeldt:
1° de datum van aanhangigmaking bij het directiecomité;
2° de plaats, de dag en het uur van de hoorzitting;
3° de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden ingekeken.
De ambtenaar verschijnt persoonlijk. Hij mag worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze. De verdediger mag hoe dan ook geen deel uitmaken van het directiecomité.
Indien de ambtenaar of zijn verdediger ondanks een regelmatige oproeping twee opeenvolgende keren niet verschijnt, en ongeacht of de ambtenaar of zijn verdediger een geldige reden aanvoert, doet het directiecomité na de tweede hoorzitting uitspraak op basis van de stukken van het dossier.]1
§ 2. Kan geen zitting houden noch deelnemen aan de beraadslaging van het directiecomité, de ambtenaar tegen wie de tuchtvordering is ingezet of elke ambtenaar die heeft deelgenomen aan het instellen van de tuchtvordering of die in enige hoedanigheid aan de tuchtprocedure heeft deelgenomen.
§ 3. [1 Binnen een termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak bij het directiecomité is ingediend, doet deze een voorstel van tuchtstraf en betekent het voorstel aan de ambtenaar binnen de vijftien dagen.
Bij ontstentenis van deze betekening binnen de termijn van vijftien dagen, wordt het directiecomité geacht af te zien van de procedure voor de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd.]1
§ 4. [1 Binnen de twintig dagen die volgen op de betekening van het voorstel van tuchtstraf kan de ambtenaar tegen dit voorstel beroep aantekenen bij de bevoegde raad van beroep.]1
§ 5. [1 ...]1
De oproep gebeurt volgens één van de wijzen bepaald in artikel 78, § 2, vierde lid.
Het horen van de ambtenaar gebeurt tussen de twintigste en de dertigste dag volgend op het aanhangig maken bij het directiecomité.
De oproeping vermeldt:
1° de datum van aanhangigmaking bij het directiecomité;
2° de plaats, de dag en het uur van de hoorzitting;
3° de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden ingekeken.
De ambtenaar verschijnt persoonlijk. Hij mag worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze. De verdediger mag hoe dan ook geen deel uitmaken van het directiecomité.
Indien de ambtenaar of zijn verdediger ondanks een regelmatige oproeping twee opeenvolgende keren niet verschijnt, en ongeacht of de ambtenaar of zijn verdediger een geldige reden aanvoert, doet het directiecomité na de tweede hoorzitting uitspraak op basis van de stukken van het dossier.]1
§ 2. Kan geen zitting houden noch deelnemen aan de beraadslaging van het directiecomité, de ambtenaar tegen wie de tuchtvordering is ingezet of elke ambtenaar die heeft deelgenomen aan het instellen van de tuchtvordering of die in enige hoedanigheid aan de tuchtprocedure heeft deelgenomen.
§ 3. [1 Binnen een termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak bij het directiecomité is ingediend, doet deze een voorstel van tuchtstraf en betekent het voorstel aan de ambtenaar binnen de vijftien dagen.
Bij ontstentenis van deze betekening binnen de termijn van vijftien dagen, wordt het directiecomité geacht af te zien van de procedure voor de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd.]1
§ 4. [1 Binnen de twintig dagen die volgen op de betekening van het voorstel van tuchtstraf kan de ambtenaar tegen dit voorstel beroep aantekenen bij de bevoegde raad van beroep.]1
§ 5. [1 ...]1
Wijzigingen
Art.79. § 1er. [1 Le comité de direction, dans un délai de dix jours prenant cours le jour où il a été saisi du dossier, convoque l'agent à se présenter devant lui.
La convocation est envoyée selon un des modes visés à l'article 78, § 2, alinéa 4.
L'audition de l'agent a lieu entre le vingtième et le trentième jour qui suivent la saisine du comité de direction.
La convocation indique :
1° la date de saisine du comité de direction ;
2° le lieu, le jour et l'heure de l'audience ;
3° le lieu et le délai endéans lequel le dossier disciplinaire peut être consulté.
L'agent comparaît en personne. Il peut se faire assister par la personne de son choix. Le défenseur ne peut faire partie, à aucun titre, du comité de direction.
Si, bien que régulièrement convoqué, l'agent ou son défenseur s'abstient de comparaître à deux reprises successives, à l'issue de la deuxième audience, le comité de direction se prononce sur base des pièces du dossier, et ce, que l'agent ou son défenseur se prévale ou non d'une excuse valable.]1
§ 2. Ne peut ni siéger ni participer à la délibération du comité de direction le fonctionnaire faisant l'objet de l'action disciplinaire ou tout fonctionnaire qui a participé à l'intentement de l'action disciplinaire ou qui a pris part, à quelque titre que ce soit, à la procédure disciplinaire.
§ 3. [1 Dans un délai de deux mois au plus tard prenant cours le jour de la saisine du comité de direction, le comité de direction formule une proposition de peine disciplinaire et notifie sa proposition à l'agent dans les quinze jours.
A défaut de cette notification dans le délai de quinze jours, le comité de direction est réputé renoncer à la procédure pour les faits mis à charge de l'agent.]1
§ 4. [1 Dans les vingt jours qui suivent la notification de la proposition de peine disciplinaire, l'agent peut introduire un recours contre cette proposition auprès de la chambre de recours compétente.]1
§ 5. [1 ...]1
La convocation est envoyée selon un des modes visés à l'article 78, § 2, alinéa 4.
L'audition de l'agent a lieu entre le vingtième et le trentième jour qui suivent la saisine du comité de direction.
La convocation indique :
1° la date de saisine du comité de direction ;
2° le lieu, le jour et l'heure de l'audience ;
3° le lieu et le délai endéans lequel le dossier disciplinaire peut être consulté.
L'agent comparaît en personne. Il peut se faire assister par la personne de son choix. Le défenseur ne peut faire partie, à aucun titre, du comité de direction.
Si, bien que régulièrement convoqué, l'agent ou son défenseur s'abstient de comparaître à deux reprises successives, à l'issue de la deuxième audience, le comité de direction se prononce sur base des pièces du dossier, et ce, que l'agent ou son défenseur se prévale ou non d'une excuse valable.]1
§ 2. Ne peut ni siéger ni participer à la délibération du comité de direction le fonctionnaire faisant l'objet de l'action disciplinaire ou tout fonctionnaire qui a participé à l'intentement de l'action disciplinaire ou qui a pris part, à quelque titre que ce soit, à la procédure disciplinaire.
§ 3. [1 Dans un délai de deux mois au plus tard prenant cours le jour de la saisine du comité de direction, le comité de direction formule une proposition de peine disciplinaire et notifie sa proposition à l'agent dans les quinze jours.
A défaut de cette notification dans le délai de quinze jours, le comité de direction est réputé renoncer à la procédure pour les faits mis à charge de l'agent.]1
§ 4. [1 Dans les vingt jours qui suivent la notification de la proposition de peine disciplinaire, l'agent peut introduire un recours contre cette proposition auprès de la chambre de recours compétente.]1
§ 5. [1 ...]1
Wijzigingen
Art.80. § 1. Elke tuchtstraf behalve de afzetting en het ontslag van ambtswege wordt in het persoonlijk dossier van de ambtenaar uitgewist onder de in § 2 bepaalde voorwaarden.
Onverminderd de uitvoering van de straf, heeft de uitwissing tot gevolg dat met de uitgewiste tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden inzonderheid bij de appreciatie van de aanspraken op bevordering van de ambtenaar, noch bij de toekenning van de evaluatie.
§ 2. [1 De uitwissing van de tuchtstraffen geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op:
o negen maanden voor de terechtwijzing;
o twaalf maanden voor de inhouding van wedde;
o achttien maanden voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel.
De termijn voor de uitwissing van de terechtwijzing en de verplaatsing bij tuchtmaatregel loopt vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken.
De termijn voor de uitwissing van de inhouding van wedde loopt vanaf de dag die volgt op het einde van de laatste maand van de periode van de inhouding.]1
Onverminderd de uitvoering van de straf, heeft de uitwissing tot gevolg dat met de uitgewiste tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden inzonderheid bij de appreciatie van de aanspraken op bevordering van de ambtenaar, noch bij de toekenning van de evaluatie.
§ 2. [1 De uitwissing van de tuchtstraffen geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op:
o negen maanden voor de terechtwijzing;
o twaalf maanden voor de inhouding van wedde;
o achttien maanden voor de verplaatsing bij tuchtmaatregel.
De termijn voor de uitwissing van de terechtwijzing en de verplaatsing bij tuchtmaatregel loopt vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken.
De termijn voor de uitwissing van de inhouding van wedde loopt vanaf de dag die volgt op het einde van de laatste maand van de periode van de inhouding.]1
Wijzigingen
Art.80. § 1er. A l'exception de la révocation et la démission d'office, toute peine disciplinaire est effacée du dossier individuel de l'agent dans les conditions fixées au § 2.
Sans préjudice de l'exécution de la peine, l'effacement a pour effet qu'il ne peut plus être tenu compte de la peine disciplinaire effacée, notamment pour l'appréciation des titres à la promotion de l'agent ni lors de l'attribution de l'évaluation.
§ 2. [1 L'effacement des peines disciplinaires se fait d'office après une période dont la durée est fixée à :
o neuf mois pour le rappel à l'ordre;
o douze mois pour la retenue de traitement;
o dix-huit mois pour le déplacement disciplinaire.
Le délai de l'effacement du rappel à l'ordre et du déplacement disciplinaire prend cours à la date à laquelle la peine a été prononcée.
Le délai pour l'effacement de la retenue de traitement prend cours à partir du jour qui suit la fin du dernier mois de la période de retenue.]1
Sans préjudice de l'exécution de la peine, l'effacement a pour effet qu'il ne peut plus être tenu compte de la peine disciplinaire effacée, notamment pour l'appréciation des titres à la promotion de l'agent ni lors de l'attribution de l'évaluation.
§ 2. [1 L'effacement des peines disciplinaires se fait d'office après une période dont la durée est fixée à :
o neuf mois pour le rappel à l'ordre;
o douze mois pour la retenue de traitement;
o dix-huit mois pour le déplacement disciplinaire.
Le délai de l'effacement du rappel à l'ordre et du déplacement disciplinaire prend cours à la date à laquelle la peine a été prononcée.
Le délai pour l'effacement de la retenue de traitement prend cours à partir du jour qui suit la fin du dernier mois de la période de retenue.]1
Wijzigingen
Art.81. [1 § 1. De bevoegde overheid kan geen zwaardere tuchtstraf uitspreken dan die welke voorgesteld is. Een tuchtstraf kan geen uitwerking hebben over een periode voor de uitspraak.
§ 2. Wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.
Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven zonder dat de lopende procedure wordt onderbroken.
§ 3. De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld van zodra de tuchtoverheid de ambtenaar op de hoogte brengt van de tuchtprocedure zoals voorzien in artikel 78, § 2.
§ 4. Als in verband met dezelfde feiten de strafvordering werd ingesteld, wordt de termijn van § 3 gestuit tot op de dag dat de tuchtoverheid verneemt dat een beslissing werd uitgesproken en dat die beslissing in kracht van gewijsde is getreden. De tuchtoverheid is ertoe gehouden zich op de hoogte te stellen met betrekking tot de uitkomst van deze beslissing.
§ 5. De strafvordering doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken. Indien een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, moet de tuchtoverheid de opgelegde tuchtsanctie intrekken en dit met terugwerkende kracht vanaf de datum dat de tuchtstraf is uitgesproken.]1
§ 2. Wanneer meer dan één feit ten laste van de ambtenaar wordt gelegd, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.
Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven zonder dat de lopende procedure wordt onderbroken.
§ 3. De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld van zodra de tuchtoverheid de ambtenaar op de hoogte brengt van de tuchtprocedure zoals voorzien in artikel 78, § 2.
§ 4. Als in verband met dezelfde feiten de strafvordering werd ingesteld, wordt de termijn van § 3 gestuit tot op de dag dat de tuchtoverheid verneemt dat een beslissing werd uitgesproken en dat die beslissing in kracht van gewijsde is getreden. De tuchtoverheid is ertoe gehouden zich op de hoogte te stellen met betrekking tot de uitkomst van deze beslissing.
§ 5. De strafvordering doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken. Indien een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, moet de tuchtoverheid de opgelegde tuchtsanctie intrekken en dit met terugwerkende kracht vanaf de datum dat de tuchtstraf is uitgesproken.]1
Wijzigingen
Art.81. [1 § 1er. L'autorité compétente ne peut prononcer une peine disciplinaire plus lourde que celle proposée. Aucune peine disciplinaire ne peut produire d'effet pour une période qui précède son prononcé.
§ 2. Lorsque plusieurs faits sont reprochés à l'agent, il n'est toutefois entamé qu'une seule procédure disciplinaire qui peut donner lieu au prononcé d'une seule peine disciplinaire.
Si un nouveau fait est reproché pendant le déroulement d'une procédure disciplinaire, une nouvelle procédure peut être entamée sans que la procédure en cours soit interrompue pour autant.
§ 3. L'autorité disciplinaire ne peut plus entamer de poursuites disciplinaires après l'expiration d'un délai de six mois après la constatation ou la prise de connaissance par l'autorité disciplinaire des faits entrant en ligne de compte. Les poursuites disciplinaires sont réputées être entamées dès que l'agent est informé par l'autorité disciplinaire de la procédure disciplinaire telle que visée à l'article 78, § 2.
§ 4. Si l'action pénale a été intentée au sujet des mêmes faits, le délai visé au § 3 est interrompu jusqu'au jour où l'autorité disciplinaire a pris connaissance qu'une décision est intervenue et que cette décision est coulée en force de chose jugée. L'autorité disciplinaire est tenue de s'informer du résultat de cette décision.
§ 5. L'action pénale ne porte pas atteinte à la possibilité pour l'autorité disciplinaire de prononcer une peine disciplinaire. Si une peine disciplinaire infligée s'avère incompatible avec un prononcé pénal ultérieur qui est coulé en force de chose jugée, l'autorité disciplinaire doit retirer la sanction disciplinaire infligée et ce, avec un effet rétroactif à partir de la date du prononcé de la peine disciplinaire.]1
§ 2. Lorsque plusieurs faits sont reprochés à l'agent, il n'est toutefois entamé qu'une seule procédure disciplinaire qui peut donner lieu au prononcé d'une seule peine disciplinaire.
Si un nouveau fait est reproché pendant le déroulement d'une procédure disciplinaire, une nouvelle procédure peut être entamée sans que la procédure en cours soit interrompue pour autant.
§ 3. L'autorité disciplinaire ne peut plus entamer de poursuites disciplinaires après l'expiration d'un délai de six mois après la constatation ou la prise de connaissance par l'autorité disciplinaire des faits entrant en ligne de compte. Les poursuites disciplinaires sont réputées être entamées dès que l'agent est informé par l'autorité disciplinaire de la procédure disciplinaire telle que visée à l'article 78, § 2.
§ 4. Si l'action pénale a été intentée au sujet des mêmes faits, le délai visé au § 3 est interrompu jusqu'au jour où l'autorité disciplinaire a pris connaissance qu'une décision est intervenue et que cette décision est coulée en force de chose jugée. L'autorité disciplinaire est tenue de s'informer du résultat de cette décision.
§ 5. L'action pénale ne porte pas atteinte à la possibilité pour l'autorité disciplinaire de prononcer une peine disciplinaire. Si une peine disciplinaire infligée s'avère incompatible avec un prononcé pénal ultérieur qui est coulé en force de chose jugée, l'autorité disciplinaire doit retirer la sanction disciplinaire infligée et ce, avec un effet rétroactif à partir de la date du prononcé de la peine disciplinaire.]1
Wijzigingen
Art. 81bis. Deze titel is toepasselijk op de stagiairs.
Art. 81bis. Le présent titre est applicable aux stagiaires.
TITEL II. Raden van beroep
TITRE II. Des chambres de recours
Art.82. [1 De volgende raden van beroep worden ingesteld:
1° voor het geheel van de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, een raad van beroep inzake tuchtzaken voor de houders van een management- of staffunctie;
2° voor het geheel van de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, een raad van beroep inzake tuchtzaken voor de ambtenaren die geen houder van een management- of staffunctie zijn, hierna de raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren genoemd.
Elke raad van beroep bestaat uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling.
De taalrol of het taalstelsel van de ambtenaar overeenkomstig artikel 15, § 1, van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.
De ambtenaar van het Duitstalig taalstelsel verschijnt voor de afdeling voorgezeten door de voorzitter die zijn kennis van het Duits bewijst overeenkomstig artikel 84, § 1.]1
1° voor het geheel van de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, een raad van beroep inzake tuchtzaken voor de houders van een management- of staffunctie;
2° voor het geheel van de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, een raad van beroep inzake tuchtzaken voor de ambtenaren die geen houder van een management- of staffunctie zijn, hierna de raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren genoemd.
Elke raad van beroep bestaat uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling.
De taalrol of het taalstelsel van de ambtenaar overeenkomstig artikel 15, § 1, van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.
De ambtenaar van het Duitstalig taalstelsel verschijnt voor de afdeling voorgezeten door de voorzitter die zijn kennis van het Duits bewijst overeenkomstig artikel 84, § 1.]1
Wijzigingen
Art.82. [1 Il est institué les chambres de recours suivantes :
1° pour l'ensemble des services publics fédéraux et des services publics fédéraux de programmation, une chambre de recours en matière disciplinaire des titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement ;
2° pour l'ensemble des services publics fédéraux et des services publics fédéraux de programmation, une chambre de recours en matière disciplinaire des agents qui ne sont pas des titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement, appelée ci-après la chambre de recours en matière disciplinaire des agents.
Chaque chambre de recours se compose d'une section d'expression française et d'une section d'expression néerlandaise.
Le rôle linguistique ou le régime linguistique de l'agent, conformément à l'article 15, § 1er, des lois coordonnées par l'arrêté royal du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative, détermine la section devant laquelle il comparaît.
L'agent du régime linguistique germanophone comparaît devant la section présidée par le président justifiant de la connaissance de l'allemand conformément à l'article 84, § 1er.]1
1° pour l'ensemble des services publics fédéraux et des services publics fédéraux de programmation, une chambre de recours en matière disciplinaire des titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement ;
2° pour l'ensemble des services publics fédéraux et des services publics fédéraux de programmation, une chambre de recours en matière disciplinaire des agents qui ne sont pas des titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement, appelée ci-après la chambre de recours en matière disciplinaire des agents.
Chaque chambre de recours se compose d'une section d'expression française et d'une section d'expression néerlandaise.
Le rôle linguistique ou le régime linguistique de l'agent, conformément à l'article 15, § 1er, des lois coordonnées par l'arrêté royal du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative, détermine la section devant laquelle il comparaît.
L'agent du régime linguistique germanophone comparaît devant la section présidée par le président justifiant de la connaissance de l'allemand conformément à l'article 84, § 1er.]1
Wijzigingen
Art.83. [1 De raad van beroep inzake tuchtzaken voor de houders van een management- of staffunctie neemt kennis van beroepen ingesteld door :
1° de houder van een management- of staffunctie van een federale overheidsdienst;
2° de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie.
De raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren neemt kennis van een beroep ingesteld door een ambtenaar die geen houder is van een management- of staffunctie van een federale overheidsdienst of een programmatorische federale overheidsdienst of van het ministerie van Defensie.]1
1° de houder van een management- of staffunctie van een federale overheidsdienst;
2° de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie.
De raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren neemt kennis van een beroep ingesteld door een ambtenaar die geen houder is van een management- of staffunctie van een federale overheidsdienst of een programmatorische federale overheidsdienst of van het ministerie van Defensie.]1
Wijzigingen
Art.83. [1 La chambre de recours en matière disciplinaire des titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement connaît du recours introduit par:
1° un titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement d'un service public fédéral;
2° le secrétaire général du ministère de la Défense.
La chambre de recours en matière disciplinaire des agents connaît du recours introduit par un agent, qui n'est pas titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement, d'un service public fédéral ou d'un service public fédéral de programmation ou du ministère de la Défense.]1
1° un titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement d'un service public fédéral;
2° le secrétaire général du ministère de la Défense.
La chambre de recours en matière disciplinaire des agents connaît du recours introduit par un agent, qui n'est pas titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement, d'un service public fédéral ou d'un service public fédéral de programmation ou du ministère de la Défense.]1
Wijzigingen
Art. 83bis. [1 De raad van beroep inzake tuchtzaken voor de houders van een mandaat- of staffunctie]1 is samengesteld uit :
1° een voorzitter, magistraat, door Ons benoemd op de voordracht van de minister die de Ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft ; hij treedt op als voorzitter van de twee afdelingen ; hij moet zijn kennis van het Nederlands en het Frans bewijzen ;
2° per afdeling, de secretarissen-generaal van de ministeries in actieve dienst of de voorzitters van de directiecomités van de federale overheidsdiensten in actieve dienst, van dezelfde taalrol als de verzoeker ; zij hebben zitting als assessoren ;
3° een griffier, voor iedere zaak aangewezen door de minister die de Ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft ; hij is niet stemgerechtigd ;
4° een plaatsvervangende voorzitter, magistraat, aangewezen op dezelfde wijze als de voorzitter, hij neemt het voorzitterschap van de twee afdelingen waar en moet zijn kennis van het Nederlands en het Frans bewijzen.
Wanneer een secretaris-generaal of een voorzitter van het directiecomité een beroep instelt, houdt hij op zijn taak als assessor uit te oefenen tot uitspraak is gedaan over zijn beroep.
De voorzitter stelt een van de assessoren als rapporteur aan.
De secretarie en het bewaren van het archief van de raad van beroep voor opperambtenaren worden opgedragen aan de griffie van de [ raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren]1 .
De beraadslaging van de afdeling van de [1 raad van beroep inzake tuchtzaken voor de houders van een mandaat- of staffunctie]1 is geldig zodra er ten minste twee assessoren aan deelnemen.
[1 De voorzitter is stemgerechtigd.]1
1° een voorzitter, magistraat, door Ons benoemd op de voordracht van de minister die de Ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft ; hij treedt op als voorzitter van de twee afdelingen ; hij moet zijn kennis van het Nederlands en het Frans bewijzen ;
2° per afdeling, de secretarissen-generaal van de ministeries in actieve dienst of de voorzitters van de directiecomités van de federale overheidsdiensten in actieve dienst, van dezelfde taalrol als de verzoeker ; zij hebben zitting als assessoren ;
3° een griffier, voor iedere zaak aangewezen door de minister die de Ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft ; hij is niet stemgerechtigd ;
4° een plaatsvervangende voorzitter, magistraat, aangewezen op dezelfde wijze als de voorzitter, hij neemt het voorzitterschap van de twee afdelingen waar en moet zijn kennis van het Nederlands en het Frans bewijzen.
Wanneer een secretaris-generaal of een voorzitter van het directiecomité een beroep instelt, houdt hij op zijn taak als assessor uit te oefenen tot uitspraak is gedaan over zijn beroep.
De voorzitter stelt een van de assessoren als rapporteur aan.
De secretarie en het bewaren van het archief van de raad van beroep voor opperambtenaren worden opgedragen aan de griffie van de [ raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren]1 .
De beraadslaging van de afdeling van de [1 raad van beroep inzake tuchtzaken voor de houders van een mandaat- of staffunctie]1 is geldig zodra er ten minste twee assessoren aan deelnemen.
[1 De voorzitter is stemgerechtigd.]1
Wijzigingen
Art. 83bis. [1 La chambre de recours en matière disciplinaire des titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement]1 se compose :
1° d'un président, magistrat, nommé par Nous, sur proposition du ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions ; il assume la présidence des deux sections et doit justifier de la connaissance du français et du néerlandais ;
2° par section, des secrétaires généraux des ministères en activité de service ou des présidents de comité de direction des services publics fédéraux en service actif, du même rôle linguistique que le requérant ; ils siègent en qualité d'assesseur ;
3° d'un greffier, désigné dans chaque affaire par le ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions ; il n'a pas voix délibérative ;
4° d'un président suppléant, magistrat, désigné de la même façon que le président ; il assume la présidence des deux sections et doit justifier de la connaissance du français et du néerlandais.
En cas de recours introduit par un secrétaire général ou par un président du comité de direction, sa mission d'assesseur est suspendue jusqu'au moment où il est statué sur son recours.
Le président charge l'un des assesseurs de la fonction de rapporteur.
Le secrétariat et la conservation des archives de la chambre de recours des fonctionnaires généraux sont confiés au greffe de la [1 chambre de recours en matière disciplinaire des agents]1.
La délibération de la section de [1 la chambre de recours en matière disciplinaire des titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement]1 est valable dès lors qu'y participent deux assesseurs au moins.
[1 Le président à voix délibérative.]1
1° d'un président, magistrat, nommé par Nous, sur proposition du ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions ; il assume la présidence des deux sections et doit justifier de la connaissance du français et du néerlandais ;
2° par section, des secrétaires généraux des ministères en activité de service ou des présidents de comité de direction des services publics fédéraux en service actif, du même rôle linguistique que le requérant ; ils siègent en qualité d'assesseur ;
3° d'un greffier, désigné dans chaque affaire par le ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions ; il n'a pas voix délibérative ;
4° d'un président suppléant, magistrat, désigné de la même façon que le président ; il assume la présidence des deux sections et doit justifier de la connaissance du français et du néerlandais.
En cas de recours introduit par un secrétaire général ou par un président du comité de direction, sa mission d'assesseur est suspendue jusqu'au moment où il est statué sur son recours.
Le président charge l'un des assesseurs de la fonction de rapporteur.
Le secrétariat et la conservation des archives de la chambre de recours des fonctionnaires généraux sont confiés au greffe de la [1 chambre de recours en matière disciplinaire des agents]1.
La délibération de la section de [1 la chambre de recours en matière disciplinaire des titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement]1 est valable dès lors qu'y participent deux assesseurs au moins.
[1 Le président à voix délibérative.]1
Wijzigingen
Art.84. [1 § 1. De raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren is per afdeling samengesteld uit:
1° een voorzitter, magistraat, aangesteld door de Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort en gekozen uit een lijst door Ons vastgelegd;
2° twaalf assessoren gekozen uit een lijst vastgelegd door de Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort, waaronder zes assessoren aangewezen door de overheid en zes aangewezen door de representatieve vakorganisaties in de zin van artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, naar rato van twee assessoren per vakorganisatie;
3° een griffier-rapporteur.
De voorzitter die zijn kennis van het Duits bewijst, zal het voorzitterschap waarnemen voor de dossiers van de ambtenaren behorend tot het Duitstalig taalstelsel, van de Franstalige afdeling of van de Nederlandstalige afdeling, naargelang hij de kennis van die taal bewijst.
De assessoren die zitting hebben voor het onderzoek van een zaak, moeten tot hetzelfde of een hoger niveau behoren dan dat van de verzoeker.
§ 2. Per afdeling benoemt de Koning drie voorzitters, magistraten, opgenomen in een lijst.
Bij gebrek aan magistraten kunnen eremagistraten of magistraten-emeritus door de Koning worden benoemd.
Eén van de magistraten moet zijn kennis van het Duits bewijzen, alsook van het Frans of het Nederlands.
§ 3. De Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort wijst, per afdeling, achttien assessoren aan op voordracht van de voorzitters van de federale overheidsdiensten, de voorzitters van de programmatorische federale overheidsdiensten en de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie. Hij wijst, per afdeling, een griffier-rapporteur aan en een plaatsvervangend griffier-rapporteur.
De representatieve vakorganisaties wijzen, per afdeling, hun vertegenwoordigers, hetzij achttien assessoren aan. De Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort erkent de leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties.
De assessoren aangewezen door de Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort en door de representatieve vakorganisaties worden gekozen onder de ambtenaren van het niveau A of van het niveau B met zes jaar dienstanciënniteit en die behoren tot een dienst waarvoor de raad van beroep bevoegd is.
De aangewezen assessoren worden opgenomen in een lijst.
§ 4. Voor elk tuchtdossier worden de leden aangeduid uit de personen bedoeld in §§ 2 en 3, om de afdeling overeenkomstig § 1 samen te stellen die de zaak zal behandelen.
§ 5. In elke zaak wordt door de betrokken minister of door de voorzitter van het directiecomité een ambtenaar van het niveau A aangeduid, alsook een vervanger, naargelang van het geval bepaald in artikel 89, om de betwiste tuchtmaatregel te verdedigen.
§ 6. De Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort bepaalt het presentiegeld dat per zaak aan de voorzitter word toegekend.]1
1° een voorzitter, magistraat, aangesteld door de Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort en gekozen uit een lijst door Ons vastgelegd;
2° twaalf assessoren gekozen uit een lijst vastgelegd door de Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort, waaronder zes assessoren aangewezen door de overheid en zes aangewezen door de representatieve vakorganisaties in de zin van artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, naar rato van twee assessoren per vakorganisatie;
3° een griffier-rapporteur.
De voorzitter die zijn kennis van het Duits bewijst, zal het voorzitterschap waarnemen voor de dossiers van de ambtenaren behorend tot het Duitstalig taalstelsel, van de Franstalige afdeling of van de Nederlandstalige afdeling, naargelang hij de kennis van die taal bewijst.
De assessoren die zitting hebben voor het onderzoek van een zaak, moeten tot hetzelfde of een hoger niveau behoren dan dat van de verzoeker.
§ 2. Per afdeling benoemt de Koning drie voorzitters, magistraten, opgenomen in een lijst.
Bij gebrek aan magistraten kunnen eremagistraten of magistraten-emeritus door de Koning worden benoemd.
Eén van de magistraten moet zijn kennis van het Duits bewijzen, alsook van het Frans of het Nederlands.
§ 3. De Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort wijst, per afdeling, achttien assessoren aan op voordracht van de voorzitters van de federale overheidsdiensten, de voorzitters van de programmatorische federale overheidsdiensten en de secretaris-generaal van het ministerie van Defensie. Hij wijst, per afdeling, een griffier-rapporteur aan en een plaatsvervangend griffier-rapporteur.
De representatieve vakorganisaties wijzen, per afdeling, hun vertegenwoordigers, hetzij achttien assessoren aan. De Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort erkent de leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties.
De assessoren aangewezen door de Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort en door de representatieve vakorganisaties worden gekozen onder de ambtenaren van het niveau A of van het niveau B met zes jaar dienstanciënniteit en die behoren tot een dienst waarvoor de raad van beroep bevoegd is.
De aangewezen assessoren worden opgenomen in een lijst.
§ 4. Voor elk tuchtdossier worden de leden aangeduid uit de personen bedoeld in §§ 2 en 3, om de afdeling overeenkomstig § 1 samen te stellen die de zaak zal behandelen.
§ 5. In elke zaak wordt door de betrokken minister of door de voorzitter van het directiecomité een ambtenaar van het niveau A aangeduid, alsook een vervanger, naargelang van het geval bepaald in artikel 89, om de betwiste tuchtmaatregel te verdedigen.
§ 6. De Minister tot wiens bevoegdheid Ambtenarenzaken behoort bepaalt het presentiegeld dat per zaak aan de voorzitter word toegekend.]1
Wijzigingen
Art.84. [1 § 1er. La chambre de recours en matière disciplinaire des agents se compose par section:
1° d'un président, magistrat désigné par le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions, et repris sur la liste fixée par Nous ;
2° de douze assesseurs repris sur la liste fixée par le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions dont six assesseurs désignés par l'autorité et six désignés par les organisations syndicales représentatives au sens de l'article 7 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, à raison de deux assesseurs par organisation;
3° d'un greffier-rapporteur ;
Le président qui justifie de la connaissance de l'allemand présidera, pour les dossiers des agents du régime linguistique germanophone, la section d'expression française ou la section d'expression néerlandaise selon qu'il a connaissance du français ou du néerlandais.
Les assesseurs qui siègent pour l'examen d'une affaire, doivent appartenir à un niveau égal ou supérieur à celui du requérant.
§ 2. Par section, le Roi désigne, et reprend dans une liste, trois présidents, magistrats.
A défaut de magistrats, des magistrats honoraires ou émérites peuvent être désignés par le Roi.
Un des magistrats doit justifier de la connaissance de l'allemand ainsi du français ou du néerlandais.
§ 3. Le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions désigne, par section, dix-huit assesseurs sur proposition des présidents des services publics fédéraux, des présidents des services publics fédéraux de programmation et du secrétaire général du ministère de la Défense réunis en collège. Il désigne, par section, un greffier-rapporteur effectif et un greffier-rapporteur suppléant.
Les organisations syndicales représentatives désignent, par section, leurs représentants, soit dix-huit assesseurs. Le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions agrée les membres désignés par les organisations syndicales représentatives.
Les assesseurs désignés par le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions et par les organisations syndicales représentatives sont choisis parmi les agents de niveau A ou de niveau B qui comptent six années d'ancienneté de service et appartiennent à un service ressortissant à la chambre de recours.
Les assesseurs désignés sont repris dans une liste.
§ 4. Pour chaque dossier disciplinaire, il est puisé parmi les personnes visées aux §§ 2 et 3, pour composer la section appelée à connaître de l'affaire, conformément au § 1er.
§ 5. Dans chaque affaire, un agent de niveau A et un suppléant à celui-ci sont désignés par le ministre intéressé ou le président du comité de direction, selon le cas défini à l'article 89, pour défendre la mesure disciplinaire contestée.
§ 6. Le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions fixe le jeton de présence qui est attribué, par affaire, au président. ]1
1° d'un président, magistrat désigné par le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions, et repris sur la liste fixée par Nous ;
2° de douze assesseurs repris sur la liste fixée par le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions dont six assesseurs désignés par l'autorité et six désignés par les organisations syndicales représentatives au sens de l'article 7 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, à raison de deux assesseurs par organisation;
3° d'un greffier-rapporteur ;
Le président qui justifie de la connaissance de l'allemand présidera, pour les dossiers des agents du régime linguistique germanophone, la section d'expression française ou la section d'expression néerlandaise selon qu'il a connaissance du français ou du néerlandais.
Les assesseurs qui siègent pour l'examen d'une affaire, doivent appartenir à un niveau égal ou supérieur à celui du requérant.
§ 2. Par section, le Roi désigne, et reprend dans une liste, trois présidents, magistrats.
A défaut de magistrats, des magistrats honoraires ou émérites peuvent être désignés par le Roi.
Un des magistrats doit justifier de la connaissance de l'allemand ainsi du français ou du néerlandais.
§ 3. Le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions désigne, par section, dix-huit assesseurs sur proposition des présidents des services publics fédéraux, des présidents des services publics fédéraux de programmation et du secrétaire général du ministère de la Défense réunis en collège. Il désigne, par section, un greffier-rapporteur effectif et un greffier-rapporteur suppléant.
Les organisations syndicales représentatives désignent, par section, leurs représentants, soit dix-huit assesseurs. Le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions agrée les membres désignés par les organisations syndicales représentatives.
Les assesseurs désignés par le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions et par les organisations syndicales représentatives sont choisis parmi les agents de niveau A ou de niveau B qui comptent six années d'ancienneté de service et appartiennent à un service ressortissant à la chambre de recours.
Les assesseurs désignés sont repris dans une liste.
§ 4. Pour chaque dossier disciplinaire, il est puisé parmi les personnes visées aux §§ 2 et 3, pour composer la section appelée à connaître de l'affaire, conformément au § 1er.
§ 5. Dans chaque affaire, un agent de niveau A et un suppléant à celui-ci sont désignés par le ministre intéressé ou le président du comité de direction, selon le cas défini à l'article 89, pour défendre la mesure disciplinaire contestée.
§ 6. Le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions fixe le jeton de présence qui est attribué, par affaire, au président. ]1
Wijzigingen
Art.86. De verzoeker heeft het recht de assessoren te wraken. Dit recht kan slechts eenmaal tijdens een zelfde zaak worden uitgeoefend.
[1 De raad van beroep bezorgt aan de verzoeker de lijst van de assessoren die zijn opgeroepen voor het onderzoek van de hem betreffende zaak.
De lijst wordt ten minste meegedeeld op een van de volgende wijzen:
1° hetzij door elektronische mededeling, waarvan de ontvangst door de verzoeker wordt bevestigd;
2° hetzij door overhandiging van een schrijven in ruil voor een door de verzoeker ondertekend ontvangstbewijs dat de datum van ontvangst vermeldt;
3° hetzij door een aangetekend schrijven.]1
[1 Binnen een termijn van acht dagen vanaf de bekendmaking van de lijst deelt de verzoeker aan de griffie de naam van de assessoren mee die hij wraakt. De wraking wordt gemotiveerd en wordt meegedeeld op één van de wijzen bepaald in het tweede lid. ]1
[1 De raad van beroep bezorgt aan de verzoeker de lijst van de assessoren die zijn opgeroepen voor het onderzoek van de hem betreffende zaak.
De lijst wordt ten minste meegedeeld op een van de volgende wijzen:
1° hetzij door elektronische mededeling, waarvan de ontvangst door de verzoeker wordt bevestigd;
2° hetzij door overhandiging van een schrijven in ruil voor een door de verzoeker ondertekend ontvangstbewijs dat de datum van ontvangst vermeldt;
3° hetzij door een aangetekend schrijven.]1
[1 Binnen een termijn van acht dagen vanaf de bekendmaking van de lijst deelt de verzoeker aan de griffie de naam van de assessoren mee die hij wraakt. De wraking wordt gemotiveerd en wordt meegedeeld op één van de wijzen bepaald in het tweede lid. ]1
Wijzigingen
Art.86. Le requérant a le droit de récuser les assesseurs. Ce droit ne peut être exercé qu'une seule fois pour une même affaire.
[1 La chambre de recours transmet au requérant la liste des assesseurs convoqués pour l'examen de l'affaire le concernant.
La liste est communiquée par un des modes suivants :
1° soit par courriel dont la réception par le requérant est confirmée ;
2° soit par remise d'un écrit de la main à la main en échange d'un récépissé portant la signature du requérant et la date à laquelle il est délivré ;
3° soit par lettre recommandée.]1
[1 Dans un délai de huit jours à partir de la notification de la liste, le requérant communique au greffe le nom des assesseurs qu'il récuse. La récusation est motivée et est communiquée par un des trois modes définis dans l'alinéa 2.]1
[1 La chambre de recours transmet au requérant la liste des assesseurs convoqués pour l'examen de l'affaire le concernant.
La liste est communiquée par un des modes suivants :
1° soit par courriel dont la réception par le requérant est confirmée ;
2° soit par remise d'un écrit de la main à la main en échange d'un récépissé portant la signature du requérant et la date à laquelle il est délivré ;
3° soit par lettre recommandée.]1
[1 Dans un délai de huit jours à partir de la notification de la liste, le requérant communique au greffe le nom des assesseurs qu'il récuse. La récusation est motivée et est communiquée par un des trois modes définis dans l'alinéa 2.]1
Wijzigingen
Art.87. Gewraakt wordt bovendien de assessor die naar het oordeel van de voorzitter als rechter in eigen zaak beschouwd zou kunnen worden.
Art.87. Est en outre récusé, l'assesseur qui, de l'avis du président, pourrait être considéré comme juge et partie.
Art.89. [1 De zaken betreffende de ambtenaren van de niveaus B, C, en D worden bij de raad van beroep aanhangig gemaakt op vraag van de voorzitter van het directiecomité en door de minister voor de zaken betreffende de ambtenaren van het niveau A of de houder van een management- of staffunctie. De minister of de voorzitter van het directiecomité bezorgt, naargelang van het geval, het volledige dossier van de zaak.]1
Wijzigingen
Art.89. [1 La chambre de recours est saisie par les soins du Président du Comité de direction pour les affaires concernant un agent des niveaux B, C et D, et par les soins du Ministre pour les affaires concernant un agent du niveau A ou un titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement. Le Ministre ou le Président du Comité de direction transmet, selon le cas, le dossier complet de l'affaire.]1
Wijzigingen
Art.90. De raad van beroep mag over geen aanvraag beraadslagen, indien het onderzoek niet geheel geëindigd is, indien de verzoeker niet in de gelegenheid werd gesteld zijn verweermiddelen te doen gelden, en indien het dossier niet alle dienende gegevens bevat opdat de raad met volle kennis van zaken advies kan geven.
In geval van vertraging bij het vastleggen van de datum van de zitting die moet plaatsvinden uiterlijk een maand nadat de zaak bij de raad van beroep aanhangig werd gemaakt, [1 de voorzitter deelt aan de minister of de voorzitter van het directiecomité, volgens het geval zoals bepaald in artikel 89, de reden van deze vertraging mee]1 .
In geval van vertraging bij het vastleggen van de datum van de zitting die moet plaatsvinden uiterlijk een maand nadat de zaak bij de raad van beroep aanhangig werd gemaakt, [1 de voorzitter deelt aan de minister of de voorzitter van het directiecomité, volgens het geval zoals bepaald in artikel 89, de reden van deze vertraging mee]1 .
Wijzigingen
Art.90. Aucune demande ne peut faire l'objet des délibérations de la chambre de recours, si les enquêtes ne sont complètement terminées, si le requérant n'a été mis à même de faire valoir ses moyens de défense et si le dossier ne contient tous les éléments utiles susceptibles de permettre à cette chambre d'émettre un avis en toute connaissance de cause.
En cas de retard dans la date de la fixation de l'audience qui doit avoir lieu au plus tard un mois après la saisine de la chambre de recours, [1 le président avise le ministre ou le président du comité de direction, selon le cas défini dans l'article 89, des motifs qui ont entraîné ce retard]1 .
En cas de retard dans la date de la fixation de l'audience qui doit avoir lieu au plus tard un mois après la saisine de la chambre de recours, [1 le président avise le ministre ou le président du comité de direction, selon le cas défini dans l'article 89, des motifs qui ont entraîné ce retard]1 .
Wijzigingen
Art. 90bis. De raden van beroep kunnen niet beraadslagen of beslissen indien de meerderheid van de ter zitting opgeroepen assessoren niet aanwezig is.
Behalve wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 83bis [1 ...]1 , moeten evenveel door de minister als door de vakorganisaties aangewezen assessoren aan de stemming deelnemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van een of meer bij loting aangewezen assessoren.
Indien de assessoren een wettige reden van verhindering hebben, moeten zij de voorzitter schriftelijk de reden van hun afwezigheid mededelen binnen drie dagen volgend op de datum van de oproeping.
[1 De voorzitter is stemgerechtigd. De griffier-rapporteur is niet stemgerechtigd. ]1
Behalve wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 83bis [1 ...]1 , moeten evenveel door de minister als door de vakorganisaties aangewezen assessoren aan de stemming deelnemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van een of meer bij loting aangewezen assessoren.
Indien de assessoren een wettige reden van verhindering hebben, moeten zij de voorzitter schriftelijk de reden van hun afwezigheid mededelen binnen drie dagen volgend op de datum van de oproeping.
[1 De voorzitter is stemgerechtigd. De griffier-rapporteur is niet stemgerechtigd. ]1
Wijzigingen
Art. 90bis. Les chambres de recours ne peuvent délibérer que si la majorité des assesseurs convoqués à l'audience est présente.
Sauf lorsqu'il est fait application de l'article 83bis [1 ...]1, les assesseurs désignés par le ministre et ceux désignés par les organisations syndicales, qui prennent part au vote, doivent être en nombre égal. Le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination d'un ou de plusieurs assesseurs, après tirage au sort.
Si les assesseurs ont une cause légitime d'empêchement, ils sont tenus d'aviser, par écrit, le président des motifs de leur absence dans les trois jours qui suivent la date de la convocation.
[1 Le président a voix délibérative. Le greffier-rapporteur n'a pas voix délibérative.]1
Sauf lorsqu'il est fait application de l'article 83bis [1 ...]1, les assesseurs désignés par le ministre et ceux désignés par les organisations syndicales, qui prennent part au vote, doivent être en nombre égal. Le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination d'un ou de plusieurs assesseurs, après tirage au sort.
Si les assesseurs ont une cause légitime d'empêchement, ils sont tenus d'aviser, par écrit, le président des motifs de leur absence dans les trois jours qui suivent la date de la convocation.
[1 Le président a voix délibérative. Le greffier-rapporteur n'a pas voix délibérative.]1
Wijzigingen
Art.91. De raad kan een aanvullend onderzoek aanbevelen en vragen dat daartoe worden afgevaardigd twee assessoren die de beraadslagingen hebben bijgewoond ; behalve in gevallen waarin geen assessor aangewezen is door de vakorganisaties, worden deze twee assessoren gekozen, de ene uit de door de minister, de andere uit de door een vakorganisatie aangewezen assessoren.
Na onderzoek stuurt de raad van beroep [1 het dossier aan de betrokken minister of aan de voorzitter van het directiecomité, naargelang van het geval bepaald in artikel 89]1 , en geeft hij hem kennis van zijn gemotiveerd advies uiterlijk één maand na datum van de zitting. Hij vermeldt met hoeveel stemmen, voor of tegen, de stemming werd bereikt. In het geval dat de in dit lid bepaalde termijn niet wordt geëerbiedigd, [1 de voorzitter deelt de minister of de voorzitter van het directiecomité, naargelang van het geval bepaald in artikel 89, de reden van deze vertraging mee]1 .
De stemming is geheim. Bij staking van stemmen wordt het advies als gunstig voor de verzoeker beschouwd.
De verzoeker en zijn verdediger kunnen ter griffie van de raad van beroep kennis nemen van het uitgebracht advies.
Na onderzoek stuurt de raad van beroep [1 het dossier aan de betrokken minister of aan de voorzitter van het directiecomité, naargelang van het geval bepaald in artikel 89]1 , en geeft hij hem kennis van zijn gemotiveerd advies uiterlijk één maand na datum van de zitting. Hij vermeldt met hoeveel stemmen, voor of tegen, de stemming werd bereikt. In het geval dat de in dit lid bepaalde termijn niet wordt geëerbiedigd, [1 de voorzitter deelt de minister of de voorzitter van het directiecomité, naargelang van het geval bepaald in artikel 89, de reden van deze vertraging mee]1 .
De stemming is geheim. Bij staking van stemmen wordt het advies als gunstig voor de verzoeker beschouwd.
De verzoeker en zijn verdediger kunnen ter griffie van de raad van beroep kennis nemen van het uitgebracht advies.
Wijzigingen
Art.91. La chambre peut recommander des enquêtes complémentaires et demander d'y déléguer deux assesseurs qui ont assisté aux délibérations ; ceux-ci, hors les cas où aucun assesseur n'est désigné par les organisations syndicales, sont choisis l'un parmi les assesseurs désignés par le ministre, l'autre parmi les assesseurs désignés par une organisation syndicale.
Après examen, la chambre de recours envoie [1 le dossier au ministre intéressé ou au président du comité de direction, selon le cas défini à l'article 89]1, et lui fait connaître son avis motivé au plus tard dans le mois qui suit la date de l'audience. Elle mentionne par quel nombre de voix, pour ou contre, le vote a été acquis. En cas de non-respect du délai fixé par le présent alinéa, [1 le président avise le ministre ou le président du comité de direction, selon le cas défini à l'article 89, des motifs qui ont entraîné ce retard]1.
Le vote a lieu au scrutin secret. En cas de partage, l'avis est considéré comme favorable au requérant.
Le requérant et son défenseur sont admis à prendre connaissance, au greffe de la chambre de recours, de l'avis émis.
Après examen, la chambre de recours envoie [1 le dossier au ministre intéressé ou au président du comité de direction, selon le cas défini à l'article 89]1, et lui fait connaître son avis motivé au plus tard dans le mois qui suit la date de l'audience. Elle mentionne par quel nombre de voix, pour ou contre, le vote a été acquis. En cas de non-respect du délai fixé par le présent alinéa, [1 le président avise le ministre ou le président du comité de direction, selon le cas défini à l'article 89, des motifs qui ont entraîné ce retard]1.
Le vote a lieu au scrutin secret. En cas de partage, l'avis est considéré comme favorable au requérant.
Le requérant et son défenseur sont admis à prendre connaissance, au greffe de la chambre de recours, de l'avis émis.
Wijzigingen
Art.92. De ambtenaar verschijnt persoonlijk voor de raad van beroep ; hij mag worden bijgestaan door een persoon naar zijn keuze. De verdediger mag hoe dan ook geen deel uitmaken van de raad van beroep.
De ambtenaar deelt aan de griffie van de raad de naam van zijn verdediger mede binnen [ vijf dagen]1 volgend op de datum van de oproeping.
In dit laatste geval wordt de verdediger eveneens ter zitting geroepen.
De ambtenaar deelt aan de griffie van de raad de naam van zijn verdediger mede binnen [ vijf dagen]1 volgend op de datum van de oproeping.
In dit laatste geval wordt de verdediger eveneens ter zitting geroepen.
Wijzigingen
Art.92. L'agent comparaît en personne devant la chambre de recours ; il peut se faire assister par la personne de son choix. Le défenseur ne peut faire partie, à aucun titre, de la chambre de recours.
L'agent communique au greffe de la chambre le nom de son défenseur dans les [1 cinq jours]1 qui suivent la date de la convocation à l'audience.
Dans ce dernier cas, le défenseur est également convoqué à l'audience.
L'agent communique au greffe de la chambre le nom de son défenseur dans les [1 cinq jours]1 qui suivent la date de la convocation à l'audience.
Dans ce dernier cas, le défenseur est également convoqué à l'audience.
Wijzigingen
Art.93. Indien de ambtenaar of zijn verdediger, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, beschouwt de voorzitter de zaak als niet meer bij de raad aanhangig en doet hij het dossier toekomen [1 aan de minister of de voorzitter van het directiecomité, naargelang van het geval bepaald in artikel 89]1 .
De raad doet uitspraak op grond van de stukken van het dossier, zelfs indien de ambtenaar of zijn verdediger een geldige reden kan aanvoeren, zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt.
De raad doet uitspraak op grond van de stukken van het dossier, zelfs indien de ambtenaar of zijn verdediger een geldige reden kan aanvoeren, zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt.
Wijzigingen
Art.93. Si, bien que régulièrement convoqué, l'agent ou son défenseur s'abstient, sans excuse valable, de comparaître, le président considère la chambre comme dessaisie et transmet le dossier [1 au ministre ou au président du comité de direction, selon le cas défini à l'article 89.]1
La chambre se prononce sur base des pièces du dossier, même si l'agent ou son défenseur peut se prévaloir d'une excuse valable, dès que l'affaire fait l'objet de la deuxième audience.
La chambre se prononce sur base des pièces du dossier, même si l'agent ou son défenseur peut se prévaloir d'une excuse valable, dès que l'affaire fait l'objet de la deuxième audience.
Wijzigingen
Art.94. [1 Is het advies van de raad van beroep gunstig, dan wordt de beslissing altijd definitief genomen of voorgesteld door de minister of de voorzitter van het directiecomité, naargelang van het geval bepaald in artikel 89.
De minister of de voorzitter van het directiecomité motiveert elke beslissing die niet in overeenstemming is met het advies van de raad van beroep. Ze kunnen geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben. De minister of de voorzitter van het directiecomité notificeert de beslissing aan de raad van beroep.
De minister of de voorzitter van het directiecomité beslist binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep; de minister of de voorzitter van het directiecomité deelt zijn beslissing zonder verwijl mee aan de ambtenaar en aan de raad van beroep.]1
De minister of de voorzitter van het directiecomité motiveert elke beslissing die niet in overeenstemming is met het advies van de raad van beroep. Ze kunnen geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben. De minister of de voorzitter van het directiecomité notificeert de beslissing aan de raad van beroep.
De minister of de voorzitter van het directiecomité beslist binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het advies van de raad van beroep; de minister of de voorzitter van het directiecomité deelt zijn beslissing zonder verwijl mee aan de ambtenaar en aan de raad van beroep.]1
Wijzigingen
Art.94. [1 En cas d'avis favorable de la chambre de recours, la décision est toujours prise ou proposée définitivement par le ministre ou le président du comité de direction, selon le cas défini dans l'article 89.
Le ministre ou le président du comité de direction motive toute décision non conforme à l'avis de la chambre de recours. Ils ne peuvent évoquer d'autres faits que ceux ayant motivé l'avis de la chambre de recours. Le ministre ou le président du comité de direction notifie la décision à la chambre de recours.
Le ministre ou le président du comité de direction décide dans un délai de quinze jours à partir de la notification de l'avis de la chambre de recours ; le ministre ou le président du comité de direction communique sa décision sans délai à l'agent et à la chambre de recours.]1
Le ministre ou le président du comité de direction motive toute décision non conforme à l'avis de la chambre de recours. Ils ne peuvent évoquer d'autres faits que ceux ayant motivé l'avis de la chambre de recours. Le ministre ou le président du comité de direction notifie la décision à la chambre de recours.
Le ministre ou le président du comité de direction décide dans un délai de quinze jours à partir de la notification de l'avis de la chambre de recours ; le ministre ou le président du comité de direction communique sa décision sans délai à l'agent et à la chambre de recours.]1
Wijzigingen
Art.95. De assessoren, de verdediger, indien hij rijksambtenaar is, en de verzoeker indien het advies van de raad hem gunstig is, ontvangen de volgens de verordeningsbepalingen berekende vergoedingen voor reis- en verblijfkosten.
Art.95. Les indemnités pour frais de séjour et de parcours calculées suivant les dispositions réglementaires, sont accordées aux assesseurs, au défenseur s'il est agent de l'Etat, ainsi qu'au requérant si l'avis de la chambre lui est favorable.
Art. 95bis. [1 De raad van beroep inzake tuchtzaken voor de houders van een management- of staffunctie en de raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren]1 ressorteren onder de minister tot wiens bevoegdheid de Ambtenarenzaken behoren.
Elke raad van beroep maakt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring aan de betrokken minister voor.
Elke raad van beroep maakt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring aan de betrokken minister voor.
Wijzigingen
Art. 95bis. [1 La chambre de recours en matière disciplinaire des titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement et la chambre de recours en matière disciplinaire des agents]1 ressortissent à la compétence du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions.
Chaque chambre de recours établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du ministre intéressé.
Chaque chambre de recours établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du ministre intéressé.
Wijzigingen
DEEL XI.
PARTIE XI.
DEEL XII. Administratieve standen
PARTIE XII. Des positions administratives
TITEL I. Algemene regelen
TITRE Ier. Règles générales
Art.98. De rijksambtenaar bevindt zich in een van de volgende standen :
1° dienstactiviteit ;
2° non-activiteit ;
3° disponibiliteit.
1° dienstactiviteit ;
2° non-activiteit ;
3° disponibiliteit.
Art.98. L'agent de l'Etat est dans une des positions suivantes :
1° en activité de service ;
2° en non-activité ;
3° en disponibilité.
1° en activité de service ;
2° en non-activité ;
3° en disponibilité.
Art.99. De rijksambtenaar wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht in actieve dienst te zijn behoudens uitdrukkelijke bepaling die hem hetzij van rechtswege, hetzij bij beslissing van de bevoegde overheid in een andere administratieve stand plaatst.
Art.99. Pour la détermination de sa position administrative, l'agent de l'Etat est toujours censé être en activité de service, sauf disposition formelle le plaçant, soit de plein droit, soit sur décision de l'autorité compétente, dans une autre position administrative.
Art.100. De artikelen 99 en 101, eerste lid, zijn van toepassing op de stagiairs.
De overige regelen van dit deel zullen op de stagiairs toepassing vinden in de mate door Ons bepaald.
De overige regelen van dit deel zullen op de stagiairs toepassing vinden in de mate door Ons bepaald.
Art.100. Les articles 99 et 101, alinéa 1er, sont applicables aux stagiaires.
Les autres règles de la présente partie seront applicables aux stagiaires dans la mesure déterminée par Nous.
Les autres règles de la présente partie seront applicables aux stagiaires dans la mesure déterminée par Nous.
TITEL II. Dienstactiviteit
TITRE II. - De l'activité de service
Art.101. Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft de rijksambtenaar in actieve dienst recht op wedde en op bevordering in zijn weddeschaal.
Hij kan zijn aanspraken op bevordering doen gelden.
Hij kan zijn aanspraken op bevordering doen gelden.
Art.101. Sauf disposition formelle contraire, l'agent de l'Etat en activité de service a droit au traitement et à l'avancement dans son échelle de traitement.
Il peut faire valoir ses titres à la promotion.
Il peut faire valoir ses titres à la promotion.
Art.102. [1 Onder door Ons bepaalde voorwaarden krijgt de ambtenaar in dienstactiviteit verlof :
1° voor jaarlijkse vakantie en op de feestdagen, omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof ;
2° [2 voor moederschapsbescherming en het omgezet moederschapsverlof;]2
3° [2 in het kader van het ouderschapsverlof, het adoptieverlof, het opvangverlof, het pleegouderverlof en het pleegzorgverlof;]2
4° om dwingende redenen van familiaal belang ;
5° wegens ziekte ;
6° wegens verwijdering uit een schadelijke arbeidsomgeving ;
7° voor verminderde prestaties wegens ziekte ;
8° voor sociale promotie en om deel te nemen aan opleidingsactiviteiten ;
9° wegens opdracht ;
10° voor onderbreking van de beroepsloopbaan ;
11° voor vakbondsopdrachten ;
12° voor werkzaamheden bij een politieke groep die erkend is in een wetgevende vergadering van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, respectievelijk bij de voorzitter van een van die groepen ;
13° voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de Civiele Bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wet van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden ;
14° voor halftijdse vervroegde uittreding ;
15° om viervijfde van de prestaties die hem normaal worden opgelegd te verrichten over vier werkdagen per week.]1
1° voor jaarlijkse vakantie en op de feestdagen, omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof ;
2° [2 voor moederschapsbescherming en het omgezet moederschapsverlof;]2
3° [2 in het kader van het ouderschapsverlof, het adoptieverlof, het opvangverlof, het pleegouderverlof en het pleegzorgverlof;]2
4° om dwingende redenen van familiaal belang ;
5° wegens ziekte ;
6° wegens verwijdering uit een schadelijke arbeidsomgeving ;
7° voor verminderde prestaties wegens ziekte ;
8° voor sociale promotie en om deel te nemen aan opleidingsactiviteiten ;
9° wegens opdracht ;
10° voor onderbreking van de beroepsloopbaan ;
11° voor vakbondsopdrachten ;
12° voor werkzaamheden bij een politieke groep die erkend is in een wetgevende vergadering van de Staat, van een Gemeenschap of een Gewest, respectievelijk bij de voorzitter van een van die groepen ;
13° voor het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de Civiele Bescherming of van taken van openbaar nut op grond van de wet van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden ;
14° voor halftijdse vervroegde uittreding ;
15° om viervijfde van de prestaties die hem normaal worden opgelegd te verrichten over vier werkdagen per week.]1
Art.102. [1 Aux conditions fixées par Nous, l'agent en activité de service obtient des congés :
1° annuels de vacances et jours fériés, de circonstances et exceptionnels ;
2° [2 pour la protection de la maternité et le congé de maternité converti ;]2
3° [2 dans le cadre du congé parental, du congé d'adoption, du congé d'accueil, du congé parental d'accueil et du congé pour soins d'accueil ;]2
4° pour motifs impérieux d'ordre familial ;
5° pour maladie ;
6° pour écartement d'un milieu nocif ;
7° pour prestations réduites pour maladie ;
8° pour promotion sociale et pour formation ;
9° pour mission ;
10° pour interruption de la carrière professionnelle;
11° pour activité syndicale ;
12° pour exercer une activité auprès d'un groupe politique reconnu d'une assemblée législative nationale, communautaire ou régionale ou auprès du président d'un de ces groupes ;
13° en vue de l'accomplissement de certaines prestations militaires en temps de paix, ainsi que de services dans la protection civile ou de tâches d'utilité publique en application de la loi du 20 février 1980 portant coordination des lois relatives au statut des objecteurs de conscience ;
14° pour départ anticipé à mi-temps ;
15° pour accomplir à raison de 4 jours ouvrables par semaine, quatre cinquièmes des prestations qui lui sont normalement attribuées.]1
1° annuels de vacances et jours fériés, de circonstances et exceptionnels ;
2° [2 pour la protection de la maternité et le congé de maternité converti ;]2
3° [2 dans le cadre du congé parental, du congé d'adoption, du congé d'accueil, du congé parental d'accueil et du congé pour soins d'accueil ;]2
4° pour motifs impérieux d'ordre familial ;
5° pour maladie ;
6° pour écartement d'un milieu nocif ;
7° pour prestations réduites pour maladie ;
8° pour promotion sociale et pour formation ;
9° pour mission ;
10° pour interruption de la carrière professionnelle;
11° pour activité syndicale ;
12° pour exercer une activité auprès d'un groupe politique reconnu d'une assemblée législative nationale, communautaire ou régionale ou auprès du président d'un de ces groupes ;
13° en vue de l'accomplissement de certaines prestations militaires en temps de paix, ainsi que de services dans la protection civile ou de tâches d'utilité publique en application de la loi du 20 février 1980 portant coordination des lois relatives au statut des objecteurs de conscience ;
14° pour départ anticipé à mi-temps ;
15° pour accomplir à raison de 4 jours ouvrables par semaine, quatre cinquièmes des prestations qui lui sont normalement attribuées.]1
Art.103. De rijksambtenaar in actieve dienst kan, onder door Ons gestelde voorwaarden, in zijn ambt worden geschorst, wanneer het belang van de dienst het vereist.
Art.103. Aux conditions fixées par Nous, l'agent de l'Etat en activité de service peut être suspendu de ses fonctions lorsque l'intérêt du service le requiert.
Art. 103bis. [1 De afschaffing van de betrekking die de rijksambtenaar bekleedt, kan geen aanleiding geven tot het verlies van de hoedanigheid van rijksambtenaar of tot ontslag.
Deze rijksambtenaar wordt herplaatst en bevindt zich in de administratieve stand dienstactiviteit.]1
Deze rijksambtenaar wordt herplaatst en bevindt zich in de administratieve stand dienstactiviteit.]1
Wijzigingen
Art. 103bis. [1 La suppression de l'emploi occupé par l'agent ne peut donner lieu à la perte de la qualité d'agent ou au licenciement.
L'agent de l'Etat est réaffecté et se trouve dans la position administrative d'activité de service.]1
L'agent de l'Etat est réaffecté et se trouve dans la position administrative d'activité de service.]1
Wijzigingen
TITEL III. Non-activiteit
TITRE III. De la non-activité
Art.104. Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft de rijksambtenaar in de stand non-activiteit geen recht op wedde.
Hij kan alleen onder door Ons gestelde voorwaarden aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal doen gelden.
Hij kan alleen onder door Ons gestelde voorwaarden aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal doen gelden.
Art.104. Sauf disposition formelle contraire, l'agent de l'Etat qui est dans la position de non-activité, n'a pas droit au traitement.
Il ne peut faire valoir ses titres à la promotion et à l'avancement dans son échelle de traitement qu'aux conditions fixées par Nous.
Il ne peut faire valoir ses titres à la promotion et à l'avancement dans son échelle de traitement qu'aux conditions fixées par Nous.
Art.105. Niemand kan in non-activiteit gesteld of gehouden worden wanneer hij aan de vereisten voldoet om in ruste te worden gesteld.
Art.105. Nul ne peut être mis ou maintenu en non-activité s'il se trouve dans les conditions requises pour obtenir une pension de retraite.
Art.106. Onder de door Ons gestelde voorwaarden is de Rijksambtenaar op non-activiteit :
1° wanneer hij in vredestijd sommige militaire prestaties verricht of voor de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut aangewezen wordt bij toepassing van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, inzonderheid gewijzigd bij die van 3 juli 1975 ;
2° wanneer hij de uitvoering van een opdracht die niet van algemeen belang is erkend, voortzet ;
3° indien hij de toelating bekomt om voltijds afwezig te zijn voor een periode van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden ;
4° wanneer hij afwezig is ingevolge een missie die aanleiding heeft gegeven tot vrijstelling van militaire dienst overeenkomstig artikel 16 van de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962 ;
5° wanneer hij afwezig is op grond van een machtiging om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid uit te oefenen;
6° wanneer een periode van zijn verlof voor loopbaanonderbreking wordt omgezet in non-activiteit;
[1 7° wanneer de ambtenaar afwezig is van zijn dienst zonder dat hij een verlof of dienstvrijstelling gekregen heeft. ]1
[2 8° wanneer hij het onderzoek door het Bestuur van de medische expertise in het kader van de vroegtijdige oppensioenstelling wegens gezondheidsredenen belemmert of weigert.]2
1° wanneer hij in vredestijd sommige militaire prestaties verricht of voor de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut aangewezen wordt bij toepassing van de wet van 3 juni 1964 houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, inzonderheid gewijzigd bij die van 3 juli 1975 ;
2° wanneer hij de uitvoering van een opdracht die niet van algemeen belang is erkend, voortzet ;
3° indien hij de toelating bekomt om voltijds afwezig te zijn voor een periode van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden ;
4° wanneer hij afwezig is ingevolge een missie die aanleiding heeft gegeven tot vrijstelling van militaire dienst overeenkomstig artikel 16 van de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962 ;
5° wanneer hij afwezig is op grond van een machtiging om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid uit te oefenen;
6° wanneer een periode van zijn verlof voor loopbaanonderbreking wordt omgezet in non-activiteit;
[1 7° wanneer de ambtenaar afwezig is van zijn dienst zonder dat hij een verlof of dienstvrijstelling gekregen heeft. ]1
[2 8° wanneer hij het onderzoek door het Bestuur van de medische expertise in het kader van de vroegtijdige oppensioenstelling wegens gezondheidsredenen belemmert of weigert.]2
Art.106. Aux conditions fixées par Nous, l'agent de l'Etat est en non-activité :
1° lorsqu'il accomplit, en temps de paix, certaines prestations militaires ou est affecté à la protection civile ou à des tâches d'utilité publique en application de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience, modifiée notamment par celle du 3 juillet 1975 ;
2° lorsqu'il prolonge l'exercice d'une mission qui n'est pas reconnue d'intérêt général ;
3° lorsque, pour des raisons personnelles, il obtient l'autorisation de s'absenter à temps plein pour une période de longue durée ;
4° lorsqu'il s'absente en raison d'une mission ayant donné lieu à l'exemption du service militaire en application de l'article 16 des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962 ;
5° durant les absences justifiées par une autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle;
6° lorsqu'une période de son congé pour interruption de la carrière professionnelle est convertie en non-activité;
[1 7° lorsqu'il s'absente de son service sans avoir obtenu un congé ou une dispense de service.]1
[2 8° lorsqu'il empêche ou refuse l'examen de l'Administration de l'expertise médicale dans le cadre de la mise à la pension prématurée pour raisons de santé.]2
1° lorsqu'il accomplit, en temps de paix, certaines prestations militaires ou est affecté à la protection civile ou à des tâches d'utilité publique en application de la loi du 3 juin 1964 portant le statut des objecteurs de conscience, modifiée notamment par celle du 3 juillet 1975 ;
2° lorsqu'il prolonge l'exercice d'une mission qui n'est pas reconnue d'intérêt général ;
3° lorsque, pour des raisons personnelles, il obtient l'autorisation de s'absenter à temps plein pour une période de longue durée ;
4° lorsqu'il s'absente en raison d'une mission ayant donné lieu à l'exemption du service militaire en application de l'article 16 des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962 ;
5° durant les absences justifiées par une autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle;
6° lorsqu'une période de son congé pour interruption de la carrière professionnelle est convertie en non-activité;
[1 7° lorsqu'il s'absente de son service sans avoir obtenu un congé ou une dispense de service.]1
[2 8° lorsqu'il empêche ou refuse l'examen de l'Administration de l'expertise médicale dans le cadre de la mise à la pension prématurée pour raisons de santé.]2
Art.107. Tuchtschorsing plaatst de ambtenaar ambtshalve in de administratieve stand non-activiteit.
Gedurende de periodes van tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden. Er kan hem geen hogere inhouding van wedde worden opgelegd dan die waarin wordt voorzien in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
Gedurende de periodes van tuchtschorsing kan de ambtenaar zijn aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden. Er kan hem geen hogere inhouding van wedde worden opgelegd dan die waarin wordt voorzien in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
Art.107. La suspension disciplinaire place de plein droit l'agent dans la position administrative de non-activité.
Durant les périodes de suspension disciplinaire, l'agent ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'avancement dans son échelle de traitement. Il ne peut subir une retenue dans son échelle de traitement supérieure à celle prévue à l'article 23, alinéa 2, de la loi du 12 avril 1965 sur la protection de la rémunération des travailleurs.
Durant les périodes de suspension disciplinaire, l'agent ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'avancement dans son échelle de traitement. Il ne peut subir une retenue dans son échelle de traitement supérieure à celle prévue à l'article 23, alinéa 2, de la loi du 12 avril 1965 sur la protection de la rémunération des travailleurs.
TITEL IV. Disponibiliteit
TITRE IV. De la disponibilité
Art.108. De rijksambtenaar kan, onder door Ons te stellen voorwaarden, zonder opzegging in disponibiliteit worden gesteld :
1° [2 ...]2
2° wegens ziekte of gebrekkigheid waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid ;
3° [1 ...]1.
1° [2 ...]2
2° wegens ziekte of gebrekkigheid waaruit geen definitieve dienstongeschiktheid ontstaat, maar die aanleiding geeft tot langere afwezigheid dan het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid ;
3° [1 ...]1.
Art.108. Aux conditions fixées par Nous, l'agent de l'Etat peut être, sans préavis, en position de disponibilité :
1° [2 ...]2;
2° pour maladie ou infirmité n'entraînant pas l'inaptitude définitive au service, mais provoquant des absences dont la durée excède celle des congés pour maladie ou infirmité ;
3° [1 ...]1.
1° [2 ...]2;
2° pour maladie ou infirmité n'entraînant pas l'inaptitude définitive au service, mais provoquant des absences dont la durée excède celle des congés pour maladie ou infirmité ;
3° [1 ...]1.
Art.109. Niemand kan in disponibiliteit gesteld of gehouden worden, wanneer hij voldoet aan de eisen om in ruste te worden gesteld.
Art.109. Nul ne peut être mis ou maintenu en disponibilité s'il se trouve dans les conditions requises pour obtenir une pension de retraite.
Art.110. Een wachtgeld van een door Ons te bepalen bedrag kan worden verleend aan ambtenaren die overeenkomstig 1° of 2° van artikel 108 in disponibiliteit worden gesteld.
Het wachtgeld en de vergoedingen die eventueel worden toegekend aan ambtenaren in disponibiliteit, zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling welke geldt voor de bezoldiging van ambtenaren in actieve dienst.
Het wachtgeld en de vergoedingen die eventueel worden toegekend aan ambtenaren in disponibiliteit, zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling welke geldt voor de bezoldiging van ambtenaren in actieve dienst.
Art.110. Des traitements d'attente dont les taux sont fixés par Nous, peuvent être alloués aux agents mis en disponibilité par application de l'article 108, 1° ou 2°
Les traitements d'attente et les indemnités qui sont éventuellement alloués aux agents en disponibilité, sont soumis au régime de mobilité applicable aux rétributions des agents en activité de service.
Les traitements d'attente et les indemnités qui sont éventuellement alloués aux agents en disponibilité, sont soumis au régime de mobilité applicable aux rétributions des agents en activité de service.
Art.111. Rijksambtenaren in disponibiliteit blijven ter beschikking van de minister en kunnen, onder door Ons te stellen voorwaarden, bij vacature weder in de personeelsformaties tewerkgesteld worden.
Zij moeten, binnen de door de minister gestelde tijd, de hun toegewezen dienst opnemen.
Zij moeten, binnen de door de minister gestelde tijd, de hun toegewezen dienst opnemen.
Art.111. Tout agent de l'Etat en disponibilité reste à la disposition du ministre et peut, en cas de vacance d'emploi, être réaffecté dans les cadres aux conditions fixées par Nous.
Il est tenu de prendre, dans les délais fixés par le ministre, le service qui lui est assigné.
Il est tenu de prendre, dans les délais fixés par le ministre, le service qui lui est assigné.
DEEL XIII. Definitieve ambtsneerlegging
PARTIE XIII. De la cessation définitive des fonctions
Art.112. [1 § 1. Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de Belgische ambtenaar die niet meer aan de Belgische nationaliteitsvoorwaarde voldoet en van wie de functies verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag en ten doel hebben de algemene belangen van de Staat te behartigen.
§ 2. Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de ambtenaar die onderdaan is van een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat, die andere functies uitoefent dan die bedoeld in § 1 en die niet meer aan zijn nationaliteitsvoorwaarde voldoet zonder er een andere te verwerven van een andere staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat.
§ 3. Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de ambtenaar :
1° van wie de benoeming als onregelmatig werd vastgesteld binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; deze termijn is niet geldig in geval van arglist of bedrog vanwege de ambtenaar;
2° die niet meer zijn burgerlijke of politieke rechten geniet;
3° die niet langer aan de wetten over de dienstplicht voldoet of die zich niet langer in een regelmatige toestand bevindt tegenover de verplichtingen inzake de nationale dienst in de Staat waarvan hij onderdaan is;
4° van wie de medische ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld;
5° die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die behoorlijk en op voorhand verwittigd werd en om opheldering verzocht is;
6° die zich in een geval bevindt waar de toepassing van de burgerlijke wetten en de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;
7° die om tuchtredenen wordt ontslagen van ambtswege of afgezet.
De bepaling onder 5° is niet van toepassing op de ambtenaar die aan een georganiseerde werkonderbreking deelneemt.
§ 4. Dit artikel is van toepassing op de stagiairs.]1
§ 2. Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de ambtenaar die onderdaan is van een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat, die andere functies uitoefent dan die bedoeld in § 1 en die niet meer aan zijn nationaliteitsvoorwaarde voldoet zonder er een andere te verwerven van een andere staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondsstaat.
§ 3. Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de ambtenaar :
1° van wie de benoeming als onregelmatig werd vastgesteld binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; deze termijn is niet geldig in geval van arglist of bedrog vanwege de ambtenaar;
2° die niet meer zijn burgerlijke of politieke rechten geniet;
3° die niet langer aan de wetten over de dienstplicht voldoet of die zich niet langer in een regelmatige toestand bevindt tegenover de verplichtingen inzake de nationale dienst in de Staat waarvan hij onderdaan is;
4° van wie de medische ongeschiktheid behoorlijk werd vastgesteld;
5° die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die behoorlijk en op voorhand verwittigd werd en om opheldering verzocht is;
6° die zich in een geval bevindt waar de toepassing van de burgerlijke wetten en de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft;
7° die om tuchtredenen wordt ontslagen van ambtswege of afgezet.
De bepaling onder 5° is niet van toepassing op de ambtenaar die aan een georganiseerde werkonderbreking deelneemt.
§ 4. Dit artikel is van toepassing op de stagiairs.]1
Wijzigingen
Art.112. [1 § 1. Perd d'office et sans préavis la qualité d'agent, l'agent belge qui ne satisfait plus à la condition de nationalité belge et dont les fonctions sont liées à l'exercice de la puissance publique et sont destinées à sauvegarder les intérêts généraux de l'Etat.
§ 2. Perd d'office et sans préavis la qualité d'agent, l'agent ressortissant d'un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse, qui exerce d'autres fonctions que celles visées au § 1er et qui ne satisfait plus à sa condition de nationalité sans en acquérir une autre d'un autre Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse.
§ 3. Perd d'office et sans préavis la qualité d'agent, l'agent :
1° dont la nomination est constatée irrégulière dans le délai de recours en annulation devant le Conseil d'Etat; ce délai ne vaut pas en cas de fraude ou de dol de l'agent;
2° qui ne jouit plus de ses droits civils et politiques;
3° qui ne satisfait plus aux lois sur la milice ou qui ne se trouve plus dans une position régulière au regard des obligations de service national dans l'Etat dont il est ressortissant;
4° dont l'inaptitude médicale a été dûment constatée;
5° qui, sans motif valable, abandonne son poste et reste absent pendant plus de dix jours ouvrables et qui a été dûment et préalablement averti et interpellé;
6° qui se trouve dans un cas où l'application des lois civiles et pénales entraîne la cessation des fonctions;
7° qui pour des raisons disciplinaires est démis d'office ou révoqué.
La disposition sous 5° n'est pas applicable à l'agent qui participe à une action de cessation concertée du travail.
§ 4. Le présent article est applicable aux stagiaires.]1
§ 2. Perd d'office et sans préavis la qualité d'agent, l'agent ressortissant d'un Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse, qui exerce d'autres fonctions que celles visées au § 1er et qui ne satisfait plus à sa condition de nationalité sans en acquérir une autre d'un autre Etat faisant partie de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse.
§ 3. Perd d'office et sans préavis la qualité d'agent, l'agent :
1° dont la nomination est constatée irrégulière dans le délai de recours en annulation devant le Conseil d'Etat; ce délai ne vaut pas en cas de fraude ou de dol de l'agent;
2° qui ne jouit plus de ses droits civils et politiques;
3° qui ne satisfait plus aux lois sur la milice ou qui ne se trouve plus dans une position régulière au regard des obligations de service national dans l'Etat dont il est ressortissant;
4° dont l'inaptitude médicale a été dûment constatée;
5° qui, sans motif valable, abandonne son poste et reste absent pendant plus de dix jours ouvrables et qui a été dûment et préalablement averti et interpellé;
6° qui se trouve dans un cas où l'application des lois civiles et pénales entraîne la cessation des fonctions;
7° qui pour des raisons disciplinaires est démis d'office ou révoqué.
La disposition sous 5° n'est pas applicable à l'agent qui participe à une action de cessation concertée du travail.
§ 4. Le présent article est applicable aux stagiaires.]1
Wijzigingen
Art.113. Tot ambtsneerlegging geven aanleiding :
1° [1 het vrijwillig ontslag : in dit geval mag de ambtenaar zijn dienst slechts verlaten na zijn ontslag te hebben betekend, bij een ter post aangetekende brief, aan de overheid waarvan hij afhangt; ]1
[1 De in het eerste lid, 1°, bedoelde betekening gebeurt ten minste dertig dagen voorafgaand aan het ontslag, dat ingaat op de datum van verzending van de aangetekende brief. Deze termijn kan in onderlinge overeenstemming ingekort worden.]1
2° de inrustestelling;
3° een tweede voltijdse benoeming in vast dienstverband in een andere overheidsdienst, eens die benoeming niet meer vatbaar is voor vernietiging door de Raad van State.
Het eerste lid, 1° en 2° geldt mede voor de stagiairs.
1° [1 het vrijwillig ontslag : in dit geval mag de ambtenaar zijn dienst slechts verlaten na zijn ontslag te hebben betekend, bij een ter post aangetekende brief, aan de overheid waarvan hij afhangt; ]1
[1 De in het eerste lid, 1°, bedoelde betekening gebeurt ten minste dertig dagen voorafgaand aan het ontslag, dat ingaat op de datum van verzending van de aangetekende brief. Deze termijn kan in onderlinge overeenstemming ingekort worden.]1
2° de inrustestelling;
3° een tweede voltijdse benoeming in vast dienstverband in een andere overheidsdienst, eens die benoeming niet meer vatbaar is voor vernietiging door de Raad van State.
Het eerste lid, 1° en 2° geldt mede voor de stagiairs.
Wijzigingen
Art.113. Entraînent la cessation des fonctions :
1° [1 la démission volontaire : dans ce cas, l'agent ne peut abandonner son service qu'après avoir notifié sa démission, par lettre recommandée à la poste, à l'autorité dont il relève;]1
[1 La notification visée à l'alinéa 1er, 1° précède la démission de trente jours au moins, prenant cours à la date d'envoi de la lettre recommandée. Ce délai peut être réduit de commun accord.]1
2° la mise à la retraite;
3° une deuxième nomination définitive à temps plein dans un autre service public, dès que cette nomination n'est plus susceptible d'être annulée par le Conseil d'Etat.
L'alinéa 1er, 1° et 2°, est applicable aux stagiaires.
1° [1 la démission volontaire : dans ce cas, l'agent ne peut abandonner son service qu'après avoir notifié sa démission, par lettre recommandée à la poste, à l'autorité dont il relève;]1
[1 La notification visée à l'alinéa 1er, 1° précède la démission de trente jours au moins, prenant cours à la date d'envoi de la lettre recommandée. Ce délai peut être réduit de commun accord.]1
2° la mise à la retraite;
3° une deuxième nomination définitive à temps plein dans un autre service public, dès que cette nomination n'est plus susceptible d'être annulée par le Conseil d'Etat.
L'alinéa 1er, 1° et 2°, est applicable aux stagiaires.
Wijzigingen
Art.114. [1 Tot ambtsneerlegging geeft eveneens aanleiding de definitief volgens een door Ons bepaalde procedure vastgestelde beroepsongeschiktheid.
Onder de door Ons te bepalen voorwaarden kan aan belanghebbenden een vergoeding wegens ontslag worden verleend.]1
Onder de door Ons te bepalen voorwaarden kan aan belanghebbenden een vergoeding wegens ontslag worden verleend.]1
Art.114. [1 Entraîne également cessation des fonctions l'inaptitude professionnelle définitivement constatée selon une procédure fixée par Nous.
Une indemnité de départ peut être allouée aux intéressés aux conditions déterminées par Nous.]1
Une indemnité de départ peut être allouée aux intéressés aux conditions déterminées par Nous.]1
DEEL XIV. Overgangs- en slotbepalingen
PARTIE XIV. Dispositions finales et transitoires
Art.116. Iedere, zelfs gedeeltelijke wijziging [1 in dit besluit]1 aangebracht, zal het voorwerp zijn van een in Ministerraad overlegd .[1 ...]1 besluit.
Wijzigingen
Art.116. Toute modification, même partielle, apportée [1 au présent arrêté]1, fera l'objet d'un arrêté .[1 ...]1, délibéré en Conseil des ministres.
Wijzigingen
Art.117. Onze Ministers zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.117. Nos Ministres sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. [1 Bijlage bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.]1
Art. N. [1 Annexe à l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.]1
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.St. van p.100056 )
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-10-2023, p. 100061)