Artikel 1. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Vaartuigen, vlottreinen en vlotten mogen niet varen, indien ze wegens hun afmetingen of die hunner lading, niet gemakkelijk kunnen varen door bruggen, sluizen en andere kunstwerken, waarvan de bruikbare afmetingen (De bruikbare lengte eener gewone sluis is de afstand, in rechte lijn, tusschen de koord van den stortmuur en de kamer der benedensluisdeuren. Wanneer er geen stortmuur is, wordt de afstand gemeten tusschen voormelde kamer en de koord van den bovenslagdrempel.) voor elken waterweg door de bijzondere reglementen vastgesteld zijn. Deze stellen ook de grootste diepgangen vast.
(Een vaartuig mag slechts een sluis binnenvaren wanneer zijn lengte (roer inbegrepen) ten minste 0m30 minder en zijn breedte ten minste 0m20 minder bedragen dan die van de sluis. Bij wijze van tolerantie mag de breedte van het vaartuig slechts 0m10 minder bedragen in de sluizen waarvan de bruikbare breedte niet meer dan 5m20 bedraagt. Zo mogen ook vaartuigen die niet breder zijn dan 5m10 alle sluizen binnenvaren welke een bruikbare breedte van meer dan 5m20, maar niet meer dan 5m30 hebben.) <KB 07-09-1950, art. 2, § 2>
De hoogte van de lading of van de vaste deelen der vaartuigen boven water moet 30 centimeter minder bedragen dan de vrije hoogte, aangeduid in elk bijzonder reglement.
De vlotterrein of vlotten moeten samengesteld zijn uit deelen van hoogstens 20 meter lengte en desnoods gemakkelijk van elkander gescheiden kunnen worden. Hun breedte moet ten minste 50 centimeter minder bedragen dan die, toegelaten voor de vaartuigen, en mag 5 meter niet te boven gaan. Hun diepgang is ten minste 40 centimeter minder dan de grootste diepgang der vaartuigen.
(In principe bedraagt de maximum-diepgang, die voor motorvaartuigen wordt toegestaan, 0m25 minder dan die der gewone vaartuigen. Behoudens strijdige bepaling van de bijzondere reglementen, mogen de motorvaartuigen evenwel, bij wijze van tolerantie, met de maximum-diepgang varen die voor gewone vaartuigen is opgegeven. De schippers die van deze tolerantie gebruik maken, doen zulks op eigen risico en gevaar.) <KB 07-09-1950, art. 2, § 3>
In buitengewone gevallen en in tijd van droogde, mag de diepgang verminderd worden bij beslissing van den hoofdingenieur-directeur van bruggen en wegen van het ressort. Deze beslissing wordt door middel van aankondigingen kenbaar gemaakt.
Geen enkel deel der vaartuigen mag onder de kiel zoodanig uitsteken, dat de grootste geoorloofde diepgang overschreden wordt.
(Bij de vaartuigen die meer dan 10 ton meten mag de waterspiegel, om het even welke diepgang op de waterweg toegelaten is, nooit hoger reiken dan 30 cm onder enige opening waardoor water in het vaartuig kan binnendringen, nocht het gangboord waar dan ook overschrijden.) <KB 12-07-1957, art. 1>
(In uitzonderlijke gevallen en mits zekere voorwaarden door hem te bepalen, kan de hoofdingenieur-directeur van het gebied voor de schepen met grotere dan de in de bijzondere reglementen vastgestelde afmetingen een machtiging tot doorvaren afgeven, wanneer hij, na onderzoek van de bouw van het schip, van oordeel is dat de veiligheid van de scheepvaart is gewaarborgd.) <KB 17-10-1956, art. 1>
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
15 OKTOBER 1935. - Koninklijk besluit. - [Algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk.] <Opschrift gewijzigd bij KB 07-09-1950, art. 1, § 1> (NOTA : de artikelen 1, lid 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9; artikel 4, lid 1, 2, 3, 4; artikel 6; artikel 8, 3° ; artikel 9, § 1, lid 1, 2, § 4, lid 3, 4, 5 en § 6; artikel 9bis § 1, § 2, § 3, § 6; artikel 9 ter § 1; artikel 10, lid 1; artikel 11; artikel 13, lid 1, 2, 3, 4, 5; artikel 14; artikel 15; artikel 21; artikel 24; artikel 25; artikel 26; artikel 27; artikel 28, § 1, § 2, § 3, § 4, § 5, § 6, § 8; artikel 29; artikel 30; artikel 31; artikel 32; artikel 33; artikel 34; artikel 38; artikel 39; artikel 40; artikel 42; artikel 44; artikel 45; artikel 46; artikel 47; artikel 47bis; artikel 49, alinéas 1, 2, 3; artikel 50; artikel 51; artikel 52; artikel 55; artikel 58; artikel 59; artikel 59bis; artikel 60; artikel 61; artikel 65; artikel 90; artikel 91; artikel 92; artikel 93; artikel 94; artikel 95; artikel 96; artikel 97; artikel 99; artikel 102; artikel 104; artikel 105; artikel 106; artikel 107 opgeheven voor het Waalse gewest door BWG2014-05-15/74, art. 17, 024; Inwerkingtreding : 05-09-2014> (NOTA : opgeheven voor wat de federale bevoegdheden betreft bij KB2019-06-28/08, art. 10.9, 026; Inwerkingtreding : 01-09-2019)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-07-1992 en tekstbijwerking tot 22-09-2023)
Titre
15 OCTOBRE 1935. - Arrêté royal. [Règlement général des voies navigables du Royaume.] (NOTE : articles 1er, alinéas 1er, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9; article 4, alinéas 1er, 2, 3, 4; article 6; article 8, 3° ; article 9, § 1er, alinéas 1er, 2, § 4, alinéas 3, 4, 5 et § 6; article 9bis § 1er, § 2, § 3, § 6; article 9ter § 1er; article 10, alinéa 1er; article 11; article 13, alinéas 1er, 2, 3, 4, 5; article 14; article 15; article 21; article 24; article 25; article 26; article 27; article 28, § 1er, § 2, § 3, § 4, § 5, § 6, § 8; article 29; article 30; article 31; article 32; article 33; article 34; article 38; article 39; article 40; article 42; article 44; article 45; article 46; article 47; article 47bis; article 49, alinéas 1er, 2, 3; article 50; article 51; article 52; article 55; article 58; article 59; article 59bis; article 60; article 61; article 65; article 90; article 91; article 92; article 93; article 94; article 95; article 96; article 97; article 99; article 102; article 104; article 105; article 106; article 107 abrogés pour la Région wallonne par ARW2014-05-15/74, art. 17, 024; En vigueur : 05-09-2014> <Intitulé modifié par AR 07-09-1950, art. 2, § 1> (NOTE : abrogé en ce qui concerne les compétences fédérales par AR2019-06-28/08, art. 10.9, 026; En vigueur : 01-09-2019)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-07-1992 et mise à jour au 22-09-2023)
Documentinformatie
Numac: 1935101550
Datum: 1935-10-15
Info du document
Numac: 1935101550
Date: 1935-10-15
Inhoud
TITEL I. - SCHEEPVAARTVOORSCHRIFTEN TOEPASSELIJ...
HOOFDSTUK I. - Voorwaarden om te mogen varen.
I. Algemene bepalingen.
II. Varen met grote snelheid.
III. Buitenlandse plezierboten.
HOOFDSTUK II. - Voorschriften betreffende in de...
Afdeling I. - Scheepvaarturen en voorschriften ...
Afdeling II. - Jagen, kruisen, voorbijvaren, dr...
Afdeling III. - Doorvaart van sluizen en bruggen.
HOOFDSTUK III. - Vervoeren van buskruit en ande...
HOOFDSTUK IV. - (Vrij doorvaren van de vaartuig...
HOOFDSTUK V. - Stilliggen, laden, lossen, haven...
HOOFDSTUK VI. - Verplichtingen der schippers wi...
HOOFDSTUK VII. - Vaartuigen die een geregelde d...
HOOFDSTUK VIII. - Motorboten en sleeptreinen.
TITEL II. - (INSCHRIJVEN, METEN EN SLOPEN DER V...
HOOFDSTUK I. - (Inschrijven, meten en slopen de...
HOOFDSTUK II. - Scheepvaartrechten.
Hoofdstuk III. - Afgifte van de vaarvergunning.
TITEL III. - INSTANDHOUDING DER BEVAARBARE WATE...
TITEL IV. - STRAFFEN, AMBTSHALVE TE NEMEN MAATR...
TITEL V. Aanvullende regeling voor het Vlaamse...
TITEL VI. - Aanvullende regeling voor het Brus...
BIJLAGE.
Inhoud
TITRE I. - REGLES DE NAVIGATION APPLICABLES AUX...
CHAPITRE I. - Conditions requises pour être adm...
I. Dispositions générales.
II. Navigation à grande vitesse.
III. Embarcations de plaisance étrangères.
CHAPITRE II. - Règles relatives aux bateaux en ...
Section I. - Heures de navigation et règles pou...
Section II. - Halage, croisement, trématage, vi...
Section III. - Passage aux écluses et aux ponts.
CHAPITRE III. - Transport des poudres et autres...
CHAPITRE IV. - (Libre passage des bateaux de l'...
CHAPITRE V. - Stationnement, chargement, déchar...
CHAPITRE VI. - Obligations des patrons dont les...
CHAPITRE VII. - Des bateaux faisant un service ...
CHAPITRE VIII. - Des bateaux à moteur et trains...
TITRE II. - (INSCRIPTION, JAUGEAGE ET DECHIRAGE...
CHAPITRE I. - (Inscription, jaugeage et déchira...
CHAPITRE II. - Droits de navigation.
CHAPITRE III. - Emission du permis de circulation.
TITRE III. - DE LA CONSERVATION DES VOIES NAVIG...
TITRE IV. - PENALITES, MESURES D'OFFICE, PROCES...
TITRE V. Règlement complémentaire pour la Régi...
TITRE VI. - Disposition complémentaire pour la...
ANNEXE.
Tekst (157)
Texte (157)
TITEL I. - SCHEEPVAARTVOORSCHRIFTEN TOEPASSELIJK OP VAARTUIGEN, VLOTTREINEN EN VLOTTEN.
TITRE I. - REGLES DE NAVIGATION APPLICABLES AUX BATEAUX, TRAINS ET RADEAUX.
HOOFDSTUK I. - Voorwaarden om te mogen varen.
CHAPITRE I. - Conditions requises pour être admis à naviguer.
Article 1. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Aucun bateau, train ou radeau n'est admis à naviguer, si ses dimensions et celles de son chargement ne permettent pas le passage facile aux ponts, écluses et autres ouvrages d'art dont les dimensions utiles (La longueur utile d'une écluse ordinaire est la distance rectiligne comprise entre la corde du mur de chute et l'enclave des portes d'aval. S'il n'existe pas de mur de chute, cette longueur est prise entre la dite enclave et la corde du buse amont.) sont indiquées pour chaque voie navigable par les règlements particuliers. Ceux-ci fixent également les maxima de tirant d'eau.
(Pour qu'un bateau soit admis dans une écluse, il faut que sa longueur (gouvernail compris) soit inférieure de 0m30 au moins et sa largeur de 0m20 au moins à celles de l'écluse. A titre de tolérance, il suffit que la largeur du bateau soit inférieure de 0m10 aux écluses dont la largeur utile n'excède pas 5m20. Au même titre, les bateaux dont la largeur n'excède pas 5m10 sont admis à toutes les écluses dont la largeur utile est supérieure à 5m20, sans excéder 5m30.) <AR 07-09-1950, art. 2, § 2>
La hauteur du chargement ou des parties fixes des bateaux au-dessus du plan de flottaison doit rester inférieure de 30 centimètres à la hauteur libre indiquée dans chaque règlement particulier.
Les trains ou radeaux doivent être formés de tronçons de 20 mètres de longueur au maximum, pouvant rapidement être séparés les uns des autres en cas de nécessité. Leur largeur doit être inférieure de 50 centimètres au moins à celle autorisée pour les bateaux, sans pouvoir excéder 5 mètres. Leur tirant d'eau est inférieur de 40 centimètres au moins au tirant d'eau maximum des bateaux.
(En principe, le maximum de tirant d'eau admis pour les bateaux à moteur est inférieur de 0m25 à celui des bateaux ordinaires. Cependant, sauf disposition contraire des règlements particuliers, les bateaux à moteur sont autorisés, par tolérance, à naviguer avec le maximum de tirant d'eau indiqué pour les bateaux ordinaires. Les patrons qui usent de cette tolérance le font à leurs risques et périls.) <AR 07-09-1950, art. 2, § 3>
Dans des cas exceptionnels et pendant les sécheresses, le tirant d'eau peut être réduit par décision de l'ingénieur en chef directeur des ponts et chaussées du ressort. Avis en est donné par voie de publication.
Aucune partie des bateaux ne peut faire saillie sous la quille de manière à excéder le maximum de tirant d'eau autorisé.
(Pour les bateaux jaugeant plus de 10 tonnes, quel que soit le tirant d'eau admis sur la voie navigable, le plan de flottaison ne peut jamais se trouver à moins de 30 cm en-dessous de toute ouverture permettant une rentrée d'eau à l'intérieur du bâtiment, ni dépasser, en aucun point, le plat-bord.) <AR 12-07-1957, art. 1>
(Dans des cas exceptionnels et moyennant certaines conditions à déterminer par l'ingénieur en chef-directeur du ressort, ce dernier peut délivrer une autorisation de passage aux bateaux dont les dimensions sont supérieures à celles prévues par les règlements particuliers, quand il estime, après examen de la construction du bateau que la sécurité de la navigation est assurée.) <AR 17-10-1956, art. 1>
Aucun bateau, train ou radeau n'est admis à naviguer, si ses dimensions et celles de son chargement ne permettent pas le passage facile aux ponts, écluses et autres ouvrages d'art dont les dimensions utiles (La longueur utile d'une écluse ordinaire est la distance rectiligne comprise entre la corde du mur de chute et l'enclave des portes d'aval. S'il n'existe pas de mur de chute, cette longueur est prise entre la dite enclave et la corde du buse amont.) sont indiquées pour chaque voie navigable par les règlements particuliers. Ceux-ci fixent également les maxima de tirant d'eau.
(Pour qu'un bateau soit admis dans une écluse, il faut que sa longueur (gouvernail compris) soit inférieure de 0m30 au moins et sa largeur de 0m20 au moins à celles de l'écluse. A titre de tolérance, il suffit que la largeur du bateau soit inférieure de 0m10 aux écluses dont la largeur utile n'excède pas 5m20. Au même titre, les bateaux dont la largeur n'excède pas 5m10 sont admis à toutes les écluses dont la largeur utile est supérieure à 5m20, sans excéder 5m30.) <AR 07-09-1950, art. 2, § 2>
La hauteur du chargement ou des parties fixes des bateaux au-dessus du plan de flottaison doit rester inférieure de 30 centimètres à la hauteur libre indiquée dans chaque règlement particulier.
Les trains ou radeaux doivent être formés de tronçons de 20 mètres de longueur au maximum, pouvant rapidement être séparés les uns des autres en cas de nécessité. Leur largeur doit être inférieure de 50 centimètres au moins à celle autorisée pour les bateaux, sans pouvoir excéder 5 mètres. Leur tirant d'eau est inférieur de 40 centimètres au moins au tirant d'eau maximum des bateaux.
(En principe, le maximum de tirant d'eau admis pour les bateaux à moteur est inférieur de 0m25 à celui des bateaux ordinaires. Cependant, sauf disposition contraire des règlements particuliers, les bateaux à moteur sont autorisés, par tolérance, à naviguer avec le maximum de tirant d'eau indiqué pour les bateaux ordinaires. Les patrons qui usent de cette tolérance le font à leurs risques et périls.) <AR 07-09-1950, art. 2, § 3>
Dans des cas exceptionnels et pendant les sécheresses, le tirant d'eau peut être réduit par décision de l'ingénieur en chef directeur des ponts et chaussées du ressort. Avis en est donné par voie de publication.
Aucune partie des bateaux ne peut faire saillie sous la quille de manière à excéder le maximum de tirant d'eau autorisé.
(Pour les bateaux jaugeant plus de 10 tonnes, quel que soit le tirant d'eau admis sur la voie navigable, le plan de flottaison ne peut jamais se trouver à moins de 30 cm en-dessous de toute ouverture permettant une rentrée d'eau à l'intérieur du bâtiment, ni dépasser, en aucun point, le plat-bord.) <AR 12-07-1957, art. 1>
(Dans des cas exceptionnels et moyennant certaines conditions à déterminer par l'ingénieur en chef-directeur du ressort, ce dernier peut délivrer une autorisation de passage aux bateaux dont les dimensions sont supérieures à celles prévues par les règlements particuliers, quand il estime, après examen de la construction du bateau que la sécurité de la navigation est assurée.) <AR 17-10-1956, art. 1>
Art.2. De vaartuigen moeten op hun achtersteven, in letters van ten minste 8 centimeter hoogte, hun naam, de grootste tonnenmaat, den naam, de beginletters der voornamen en de woonplaats van den eigenaar dragen.
In geval van hermeting, worden deze opschriften aangebracht overeenkomstig de voorschriften van litt. B van het hiernavolgend artikel 75.
(Derde lid opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 1°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(Vierde lid opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 2°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
In geval van hermeting, worden deze opschriften aangebracht overeenkomstig de voorschriften van litt. B van het hiernavolgend artikel 75.
(Derde lid opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 1°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(Vierde lid opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 2°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.2. Les bateaux doivent porter à la poupe, inscrits en caractères de 8 centimètres au moins de hauteur : leur dénomination, leur tonnage maximum, le nom, les initiales des prénoms et le domicile du propriétaire.
En cas de rejaugeage, les inscriptions se font conformément aux stipulations du littera b de l'article 75 ci-après.
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 1°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
(Alinéa 4 abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 2°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
En cas de rejaugeage, les inscriptions se font conformément aux stipulations du littera b de l'article 75 ci-après.
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 1°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
(Alinéa 4 abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 2°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.3. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 3°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.3. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 3°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.4. (NOTA : art. 4, punt 2, opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) Geen vaartuig, vlottrein of vlot mag varen, zo het gevaar loopt te zinken ten gevolge van gebrekkigen bouw, ouderdom, overlading of averij.
De ingenieur van het ressort of zijn afgevaardigde mag, op gelijk welk punt van de waterwegen, de daartoe noodige onderzoekingen doen.
Elk schip dat zich in slechten staat bevindt, wordt opgehouden en mag zijn weg niet voortzetten alvorens het behoorlijk hersteld is.
(De deklading der schepen moet zich ten minste 10 centimeter binnen het vlak der zijgangen van het schip bevinden en moet zodanig gestuwd zijn dat ze tijdens het stilliggen of het varen van de schepen niet in de bedding van de waterweg kan storten.) <KB 17-10-1956, art. 2>
Elk collie, waarvan het ruw gewicht duizend kilogram (een metrische ton) of meer bedraagt en bestemd is om over zee of langs binnenwateren te worden vervoerd, moet, vooraleer aan boord te worden gebracht, aan den buitenkant, duidelijk, goed leesbaar en op duurzame wijze, de melding van het gewicht dragen.
Deze aanduiding mag met het echt gewicht geen 5 t.h. verschillen.
Zijn aan deze verplichting niet onderworpen, de colli's welke, 'tzij in transito, 'tzij door bemiddeling van een vrijstellingsbewijs, uit vreemde landen worden aangevoerd.
De verplichting van gewichtaanduiding op het colli rust op elken verzender, handelend voor eigen rekening of voor rekening van een derde.
Wanneer de verzender optreedt voor rekening van een derde, valt de verplichting van gewichtaanduiding op dezen laatste, die hieraan voor de aflevering van het colli dient te voldoen, zo hij weet dat dit voor het vervoer over zee of langs de binnenwateren bestemd is.
De controle, betreffende de juistheid van het op het colli aangeduid gewicht, geschiedt door de arbeidsinspecteurs en de afgevaardigde ambtenaren van de arbeidsinspectie, alsmede door de ambtenaren aangeduid in artikel 101 van dit reglement. Te dien einde kunnen zij zich de verzendingsborderellen en cognossementen, betreffende de colli's waarover zij hun controle uitoefenen, laten voorleggen.
De Minister van Arbeid en Nijverheid kan afwijkingen toestaan op voormelde bepalingen.
Het vaststellen en het beteugelen van de inbreuken op die bepalingen geschiedt overeenkomstig de wet van 5 Mei 1888.
De ingenieur van het ressort of zijn afgevaardigde mag, op gelijk welk punt van de waterwegen, de daartoe noodige onderzoekingen doen.
Elk schip dat zich in slechten staat bevindt, wordt opgehouden en mag zijn weg niet voortzetten alvorens het behoorlijk hersteld is.
(De deklading der schepen moet zich ten minste 10 centimeter binnen het vlak der zijgangen van het schip bevinden en moet zodanig gestuwd zijn dat ze tijdens het stilliggen of het varen van de schepen niet in de bedding van de waterweg kan storten.) <KB 17-10-1956, art. 2>
Elk collie, waarvan het ruw gewicht duizend kilogram (een metrische ton) of meer bedraagt en bestemd is om over zee of langs binnenwateren te worden vervoerd, moet, vooraleer aan boord te worden gebracht, aan den buitenkant, duidelijk, goed leesbaar en op duurzame wijze, de melding van het gewicht dragen.
Deze aanduiding mag met het echt gewicht geen 5 t.h. verschillen.
Zijn aan deze verplichting niet onderworpen, de colli's welke, 'tzij in transito, 'tzij door bemiddeling van een vrijstellingsbewijs, uit vreemde landen worden aangevoerd.
De verplichting van gewichtaanduiding op het colli rust op elken verzender, handelend voor eigen rekening of voor rekening van een derde.
Wanneer de verzender optreedt voor rekening van een derde, valt de verplichting van gewichtaanduiding op dezen laatste, die hieraan voor de aflevering van het colli dient te voldoen, zo hij weet dat dit voor het vervoer over zee of langs de binnenwateren bestemd is.
De controle, betreffende de juistheid van het op het colli aangeduid gewicht, geschiedt door de arbeidsinspecteurs en de afgevaardigde ambtenaren van de arbeidsinspectie, alsmede door de ambtenaren aangeduid in artikel 101 van dit reglement. Te dien einde kunnen zij zich de verzendingsborderellen en cognossementen, betreffende de colli's waarover zij hun controle uitoefenen, laten voorleggen.
De Minister van Arbeid en Nijverheid kan afwijkingen toestaan op voormelde bepalingen.
Het vaststellen en het beteugelen van de inbreuken op die bepalingen geschiedt overeenkomstig de wet van 5 Mei 1888.
Art.4. (NOTE : l'art. 4, point 2, est abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi Il faut peut-être comprendre "alinéa 2" au lieu de "point 2".) Aucun bateau, train ou radeau n'est admis à naviguer, si, en raison d'un vice de construction, de vétusté, d'excès de chargement ou d'avaries, il est en danger de couler bas.
Les vérifications nécessaires à cet effet peuvent être faites en un point quelconque du réseau des voies navigables par l'ingénieur du ressort ou par son délégué.
Tout bateau reconnu en mauvais état est retenu et ne peut se remettre en marche qu'après avoir été convenablement réparé.
(Le chargement en comble des bateaux doit se trouver de 10 centimètres, au moins, en retrait du bordage et être arrimé de façon à ce qu'il ne puisse, pendant le stationnement des bateaux ou durant le voyage de ceux-ci, être projeté dans le lit de la voie navigable.) <AR 17-10-1956, art. 2>
Tout colis pesant mille kilogrammes (une tonne métrique) ou plus de poids brut destiné à être transporté par mer ou par voie navigable intérieure doit, avant d'être embarqué, porter l'indication de son poids marqué à l'extérieur de façon claire, apparente à la vue et durable.
Cette indication ne peut différer de plus de 5 p.c. du poids réel.
Echappent à cette obligation, les colis venant de l'étranger soit en transit, soit sous le couvert d'un permis d'exemption.
L'obligation du marquage du poids du colis incombe à tout expéditeur agissant pour son propre compte ou pour le compte d'un tiers.
Lorsque l'expéditeur agit pour le compte d'un tiers, l'obligation du marquage incombe à ce dernier, qui doit y satisfaire avant de se dessaisir du colis s'il a connaissance du fait que celui-ci est destiné à un transport par mer ou par voie d'eau intérieure.
Le contrôle de l'exactitude du poids indiqué sur le colis est exercé par les inspecteurs du travail et les délégués à l'inspection du travail ainsi que par les fonctionnaires désignés à l'article 101 du présent règlement. Ils peuvent se faire communiquer, à cet effet, les bordereaux d'expédition et connaissements relatifs aux colis sur lesquels ils exercent leur contrôle.
Le Ministre de l'Industrie et du Travail peut accorder des dérogations aux dispositions précitées.
La constatation et la répression des infractions à ces dispositions ont lieu conformément à la loi du 5 mai 1888.
Les vérifications nécessaires à cet effet peuvent être faites en un point quelconque du réseau des voies navigables par l'ingénieur du ressort ou par son délégué.
Tout bateau reconnu en mauvais état est retenu et ne peut se remettre en marche qu'après avoir été convenablement réparé.
(Le chargement en comble des bateaux doit se trouver de 10 centimètres, au moins, en retrait du bordage et être arrimé de façon à ce qu'il ne puisse, pendant le stationnement des bateaux ou durant le voyage de ceux-ci, être projeté dans le lit de la voie navigable.) <AR 17-10-1956, art. 2>
Tout colis pesant mille kilogrammes (une tonne métrique) ou plus de poids brut destiné à être transporté par mer ou par voie navigable intérieure doit, avant d'être embarqué, porter l'indication de son poids marqué à l'extérieur de façon claire, apparente à la vue et durable.
Cette indication ne peut différer de plus de 5 p.c. du poids réel.
Echappent à cette obligation, les colis venant de l'étranger soit en transit, soit sous le couvert d'un permis d'exemption.
L'obligation du marquage du poids du colis incombe à tout expéditeur agissant pour son propre compte ou pour le compte d'un tiers.
Lorsque l'expéditeur agit pour le compte d'un tiers, l'obligation du marquage incombe à ce dernier, qui doit y satisfaire avant de se dessaisir du colis s'il a connaissance du fait que celui-ci est destiné à un transport par mer ou par voie d'eau intérieure.
Le contrôle de l'exactitude du poids indiqué sur le colis est exercé par les inspecteurs du travail et les délégués à l'inspection du travail ainsi que par les fonctionnaires désignés à l'article 101 du présent règlement. Ils peuvent se faire communiquer, à cet effet, les bordereaux d'expédition et connaissements relatifs aux colis sur lesquels ils exercent leur contrôle.
Le Ministre de l'Industrie et du Travail peut accorder des dérogations aux dispositions précitées.
La constatation et la répression des infractions à ces dispositions ont lieu conformément à la loi du 5 mai 1888.
Art. 4bis. (Opgeheven) <KB 07-09-1950, art. 2, § 4>
Art. 4bis. (Abrogé) <AR 07-09-1950, art. 2, § 4>
Art.5. (opgeheven) <KB 2007-03-09/31, art. 31, 017; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Art.5. (abrogé) <AR 2007-03-09/31, art. 31, 017; En vigueur : 01-07-2007>
Art.6. Elk schipper of elk voor de binnenvaart te werken gesteld persoon die door nalatigheid,onbekwaamheid, dronkenschap of vrijwillige slechte wending, stoornis veroorzaakt, de vaart der vaartuigen, vlottreinen of vlotten hindert of vertraagt, wordt gestraft volgens artikel 100 van dit reglement. Op de eerste vordering moet de kapitein of schipper den overtreder onmiddellijk vervangen.
Art.6. Tout patron ou toute personne employée par la batellerie qui, par négligence, par incapacité, par ivresse, par fausses manoeuvres volontaires, cause du désordre, entrave ou retarde la marche des bateaux, trains ou radeaux, est passible des peines comminées par l'article 100 du présent règlement. A la première réquisition, le capitaine ou le patron est tenu de remplacer sur-le-champ le délinquant.
Art.7. Elk vaartuig, vlottrein of vlot moet, om te varen, voorzien zijn van het tuig, de touwen, meerpalen en trek- of voortstuwingsmiddelen, benoodigd voor een snelle en regelmatige vaart. (Verbandtrommels. - Bij artikel 2 (III) van het koninklijk besluit van 16 Januari 1932 (Staatsblad van 22 Januari 1932), waarbij de eerste medische hulpmiddelen in nijverheids- en handelsondernemingen worden voorgeschreven, is bepaald dat :
"Op de treinen, trams, trekmachines, sleepbooten, lichters, baggerschuiten en, over 't algemeen, op de door een krachtwerktuig voorgetrokken voer- en vaartuigen, waarvan het in werking brengen vereischt :
a) één tot vijf personen : een verbandtrommel nr 1;
b) meer dan vijf personen : een verbandtrommel nr 2", verplicht is.)
"Op de treinen, trams, trekmachines, sleepbooten, lichters, baggerschuiten en, over 't algemeen, op de door een krachtwerktuig voorgetrokken voer- en vaartuigen, waarvan het in werking brengen vereischt :
a) één tot vijf personen : een verbandtrommel nr 1;
b) meer dan vijf personen : een verbandtrommel nr 2", verplicht is.)
Art.7. Tout bateau, train ou radeau doit, pour naviguer, être muni des agrès, cordages, piquets d'amarre et des moyens de traction ou de propulsion nécessaires pour assurer une navigation active et régulière. (Boîte de secours. - A l'article 2 (III) de l'arrêté royal du 16 janvier 1932 (Moniteur belge du 22 janvier 1932), prescrivant les moyens de premiers soins médicaux dans les entreprises industrielles et commerciales, il est stipulé que
"Sur les trains, tramways, tracteurs, remorqueurs, chalands, dragueurs et, en général, sur les véhicules à traction mécanique dont le fonctionnement et l'utilisation comportent l'emploi :
a) de une à cinq personnes : une boîte de secours n° 1;
b) plus de cinq personnes : une boîte de secours n° 2" est imposée.)
"Sur les trains, tramways, tracteurs, remorqueurs, chalands, dragueurs et, en général, sur les véhicules à traction mécanique dont le fonctionnement et l'utilisation comportent l'emploi :
a) de une à cinq personnes : une boîte de secours n° 1;
b) plus de cinq personnes : une boîte de secours n° 2" est imposée.)
Art.8. <KB 31-10-1953, art. 1> Elke schipper moet in het bezit zijn :
1° (...) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 4°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° (van de in goede staat bewaarde meetbrief met een geldigheidsduur van ten hoogste vijftien jaar of van een afschrift dat deze meetbrief vervangt, uitgereikt hetzij door het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart hetzij door de bevoegde autoriteit van één van de andere Staten, gebonden door de Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, Bijlage en Protocol van Ondertekening, opgemaakt te Genève op 15 februari 1966.
[1 ...]1
In uitzonderlijke gevallen en op aanvraag van de schipper kan de ingenieur-directeur van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen, schriftelijke toelating verlenen om met een ledig vaartuig zonder meetbrief een bepaalde reisweg af te leggen. Die aanvraag vermeldt de redenen waarop ze steunt, de af te leggen reisweg, de afmetingen van het vaartuig, en naam en adres van de eigenaar;) <KB 1998-01-21/36, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
3° van een vaarvergunning en, wanneer de reis over een waterweg gaat die onder het stelsel der scheepvaartrechten valt, van een kwijtschrift blijkens hetwelk deze rechten betaald zijn;
4° eventueel, van een of meer regelmatige cognossementen, overeenkomstig de voorschriften van artikel 87, § 1, derde lid;
5° van een naamlijst met de vermelding voor elk lid van de bemanning, van naam, voornamen, geslacht, datum en plaats van geboorte, nummer en plaats van uitreiking van het officieel identiteitsbewijs, en functie aan boord.
(6° Indien het vaartuig gebruikt wordt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen :
a) [1 ...]1
b) [1 overeenkomstig de bijlage bij het koninklijk besluit van 31 juli 2009 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN)]1, afgegeven tijdelijk certifikaat van goedkeuring of normaal certifikaat van goedkeuring, eventueel vergezeld van een bijzondere machtiging voor het vervoer van sommige gevaarlijke produkten.) <KB 27-07-1977, art. 1>
De schipper moet genoemde stukken vertonen op elke vordering vanwege de agenten van de waterweg en van de ambtenaren belast met het innen van en het toezicht op de scheepvaartrechten. Desnoods dient hij zich daartoe aan wal te begeven. Aan boord moet hij de naamlijst vertonen samen met de officiële identiteitsbewijzen van de aanwezige manschappen.
Plezierboten.
1° (...) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 4°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° (van de in goede staat bewaarde meetbrief met een geldigheidsduur van ten hoogste vijftien jaar of van een afschrift dat deze meetbrief vervangt, uitgereikt hetzij door het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart hetzij door de bevoegde autoriteit van één van de andere Staten, gebonden door de Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, Bijlage en Protocol van Ondertekening, opgemaakt te Genève op 15 februari 1966.
[1 ...]1
In uitzonderlijke gevallen en op aanvraag van de schipper kan de ingenieur-directeur van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen, schriftelijke toelating verlenen om met een ledig vaartuig zonder meetbrief een bepaalde reisweg af te leggen. Die aanvraag vermeldt de redenen waarop ze steunt, de af te leggen reisweg, de afmetingen van het vaartuig, en naam en adres van de eigenaar;) <KB 1998-01-21/36, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
3° van een vaarvergunning en, wanneer de reis over een waterweg gaat die onder het stelsel der scheepvaartrechten valt, van een kwijtschrift blijkens hetwelk deze rechten betaald zijn;
4° eventueel, van een of meer regelmatige cognossementen, overeenkomstig de voorschriften van artikel 87, § 1, derde lid;
5° van een naamlijst met de vermelding voor elk lid van de bemanning, van naam, voornamen, geslacht, datum en plaats van geboorte, nummer en plaats van uitreiking van het officieel identiteitsbewijs, en functie aan boord.
(6° Indien het vaartuig gebruikt wordt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen :
a) [1 ...]1
b) [1 overeenkomstig de bijlage bij het koninklijk besluit van 31 juli 2009 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN)]1, afgegeven tijdelijk certifikaat van goedkeuring of normaal certifikaat van goedkeuring, eventueel vergezeld van een bijzondere machtiging voor het vervoer van sommige gevaarlijke produkten.) <KB 27-07-1977, art. 1>
De schipper moet genoemde stukken vertonen op elke vordering vanwege de agenten van de waterweg en van de ambtenaren belast met het innen van en het toezicht op de scheepvaartrechten. Desnoods dient hij zich daartoe aan wal te begeven. Aan boord moet hij de naamlijst vertonen samen met de officiële identiteitsbewijzen van de aanwezige manschappen.
Plezierboten.
Art.8. <AR 31-10-1953, art. 1> Tout patron doit être porteur :
1° (...) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 4°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
(2° du certificat de jaugeage en bon état de conservation d'une durée de validité ne dépassant pas quinze ans ou d'une copie qui remplace ce certificat de jaugeage, délivré soit par l'Administration des Affaires maritimes et de la Navigation soit par l'autorité compétente d'un des autres Etats signataires de la Convention relative au jaugeage des bateaux de navigation intérieure, Annexe et Protocole de Signature, faits à Genève le 15 février 1966.
[1 ...]1
Dans des cas exceptionnels et à la demande du patron, l'ingénieur-directeur de l'Administration des Affaires maritimes et de la Navigation compétent en matière de jaugeage des bateaux de navigation intérieure peut accorder une dispense écrite autorisant un bateau à effectuer à vide et sans certificat de jaugeage un trajet déterminé. Cette demande doit mentionner les raisons qui la motivent, le trajet à effectuer, les dimensions du bateau et les nom et adresse du propriétaire;) <AR 1998-01-21/36, art. 1, 005; En vigueur : 01-04-1998>
(3° d'un permis de circulation et, lorsque le voyage s'effectue sur une voie navigable soumise au régime des droits de navigation, d'une quittance constatant le payement de ces droits;
4° éventuellement d'un ou plusieurs connaissements réguliers, conformément au prescrit de l'article 87, § 1er, alinéa 3;
5° d'un rôle d'équipage, indiquant pour chaque membre de l'équipage, ses noms, prénoms, sexe, lieu et date de naissance, le numéro et le lieu de délivrance de son document officiel d'identité, et la fonction qu'il exerce à bord.) <AR 31-10-1953, art. 1>
(6° Si le bateau est utilisé pour le transport de matières dangereuses :
a) [1 ...]1
b) soit d'un certificat temporaire d'agrément ou d'un certificat normal d'agrément accompagné le cas échéant d'une autorisation spéciale pour le transport de certains produits dangereux, délivrés [1 conformément à l'annexe de l'arrêté royal du 31 juillet 2009 relatif au transport des marchandises dangereuses par voie navigable (ADN).]1
(Le patron doit représenter ces pièces à toute réquisition des agents préposés au service de la voie navigable et des fonctionnaires chargés de la perception et du contrôle des droits de navigation. au besoin, il doit se rendre à terre à cette fin. A bord, il doit représenter le rôle d'équipage accompagné des documents officiels d'identité des membres présents de l'équipage.) <AR 31-10-1953, art. 1>
Embarcations de plaisance.
1° (...) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 4°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
(2° du certificat de jaugeage en bon état de conservation d'une durée de validité ne dépassant pas quinze ans ou d'une copie qui remplace ce certificat de jaugeage, délivré soit par l'Administration des Affaires maritimes et de la Navigation soit par l'autorité compétente d'un des autres Etats signataires de la Convention relative au jaugeage des bateaux de navigation intérieure, Annexe et Protocole de Signature, faits à Genève le 15 février 1966.
[1 ...]1
Dans des cas exceptionnels et à la demande du patron, l'ingénieur-directeur de l'Administration des Affaires maritimes et de la Navigation compétent en matière de jaugeage des bateaux de navigation intérieure peut accorder une dispense écrite autorisant un bateau à effectuer à vide et sans certificat de jaugeage un trajet déterminé. Cette demande doit mentionner les raisons qui la motivent, le trajet à effectuer, les dimensions du bateau et les nom et adresse du propriétaire;) <AR 1998-01-21/36, art. 1, 005; En vigueur : 01-04-1998>
(3° d'un permis de circulation et, lorsque le voyage s'effectue sur une voie navigable soumise au régime des droits de navigation, d'une quittance constatant le payement de ces droits;
4° éventuellement d'un ou plusieurs connaissements réguliers, conformément au prescrit de l'article 87, § 1er, alinéa 3;
5° d'un rôle d'équipage, indiquant pour chaque membre de l'équipage, ses noms, prénoms, sexe, lieu et date de naissance, le numéro et le lieu de délivrance de son document officiel d'identité, et la fonction qu'il exerce à bord.) <AR 31-10-1953, art. 1>
(6° Si le bateau est utilisé pour le transport de matières dangereuses :
a) [1 ...]1
b) soit d'un certificat temporaire d'agrément ou d'un certificat normal d'agrément accompagné le cas échéant d'une autorisation spéciale pour le transport de certains produits dangereux, délivrés [1 conformément à l'annexe de l'arrêté royal du 31 juillet 2009 relatif au transport des marchandises dangereuses par voie navigable (ADN).]1
(Le patron doit représenter ces pièces à toute réquisition des agents préposés au service de la voie navigable et des fonctionnaires chargés de la perception et du contrôle des droits de navigation. au besoin, il doit se rendre à terre à cette fin. A bord, il doit représenter le rôle d'équipage accompagné des documents officiels d'identité des membres présents de l'équipage.) <AR 31-10-1953, art. 1>
Embarcations de plaisance.
Wijzigingen
Art.8_VLAAMS_GEWEST. <KB 31-10-1953, art. 1> Elke schipper moet in het bezit zijn :
1° (...) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 4°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° (van de in goede staat bewaarde meetbrief met een geldigheidsduur van ten hoogste vijftien jaar of van een afschrift dat deze meetbrief vervangt, uitgereikt hetzij [2 door de dienst, bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen]2 hetzij door de bevoegde autoriteit van één van de andere Staten, gebonden door de Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, Bijlage en Protocol van Ondertekening, opgemaakt te Genève op 15 februari 1966.
[1 ...]1
In uitzonderlijke gevallen en op aanvraag van de schipper kan [2 het personeelslid van dienst bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen]2 bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen, schriftelijke toelating verlenen om met een ledig vaartuig zonder meetbrief een bepaalde reisweg af te leggen. Die aanvraag vermeldt de redenen waarop ze steunt, de af te leggen reisweg, de afmetingen van het vaartuig, en naam en adres van de eigenaar;) <KB 1998-01-21/36, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
3° van een vaarvergunning en, wanneer de reis over een waterweg gaat die onder het stelsel der scheepvaartrechten valt, van een kwijtschrift blijkens hetwelk deze rechten betaald zijn;
4° eventueel, van een of meer regelmatige cognossementen, overeenkomstig de voorschriften van artikel 87, § 1, derde lid;
5° van een naamlijst met de vermelding voor elk lid van de bemanning, van naam, voornamen, geslacht, datum en plaats van geboorte, nummer en plaats van uitreiking van het officieel identiteitsbewijs, en functie aan boord.
(6° Indien het vaartuig gebruikt wordt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen :
a) [1 ...]1
b) [1 overeenkomstig de bijlage bij het koninklijk besluit van 31 juli 2009 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN)]1, afgegeven tijdelijk certifikaat van goedkeuring of normaal certifikaat van goedkeuring, eventueel vergezeld van een bijzondere machtiging voor het vervoer van sommige gevaarlijke produkten.) <KB 27-07-1977, art. 1>
De schipper moet genoemde stukken vertonen op elke vordering vanwege de agenten van de waterweg en van de ambtenaren belast met het innen van en het toezicht op de scheepvaartrechten. Desnoods dient hij zich daartoe aan wal te begeven. Aan boord moet hij de naamlijst vertonen samen met de officiële identiteitsbewijzen van de aanwezige manschappen.
Plezierboten.
1° (...) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 4°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
2° (van de in goede staat bewaarde meetbrief met een geldigheidsduur van ten hoogste vijftien jaar of van een afschrift dat deze meetbrief vervangt, uitgereikt hetzij [2 door de dienst, bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen]2 hetzij door de bevoegde autoriteit van één van de andere Staten, gebonden door de Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen, Bijlage en Protocol van Ondertekening, opgemaakt te Genève op 15 februari 1966.
[1 ...]1
In uitzonderlijke gevallen en op aanvraag van de schipper kan [2 het personeelslid van dienst bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen]2 bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen, schriftelijke toelating verlenen om met een ledig vaartuig zonder meetbrief een bepaalde reisweg af te leggen. Die aanvraag vermeldt de redenen waarop ze steunt, de af te leggen reisweg, de afmetingen van het vaartuig, en naam en adres van de eigenaar;) <KB 1998-01-21/36, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
3° van een vaarvergunning en, wanneer de reis over een waterweg gaat die onder het stelsel der scheepvaartrechten valt, van een kwijtschrift blijkens hetwelk deze rechten betaald zijn;
4° eventueel, van een of meer regelmatige cognossementen, overeenkomstig de voorschriften van artikel 87, § 1, derde lid;
5° van een naamlijst met de vermelding voor elk lid van de bemanning, van naam, voornamen, geslacht, datum en plaats van geboorte, nummer en plaats van uitreiking van het officieel identiteitsbewijs, en functie aan boord.
(6° Indien het vaartuig gebruikt wordt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen :
a) [1 ...]1
b) [1 overeenkomstig de bijlage bij het koninklijk besluit van 31 juli 2009 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN)]1, afgegeven tijdelijk certifikaat van goedkeuring of normaal certifikaat van goedkeuring, eventueel vergezeld van een bijzondere machtiging voor het vervoer van sommige gevaarlijke produkten.) <KB 27-07-1977, art. 1>
De schipper moet genoemde stukken vertonen op elke vordering vanwege de agenten van de waterweg en van de ambtenaren belast met het innen van en het toezicht op de scheepvaartrechten. Desnoods dient hij zich daartoe aan wal te begeven. Aan boord moet hij de naamlijst vertonen samen met de officiële identiteitsbewijzen van de aanwezige manschappen.
Plezierboten.
Art.8 _REGION_FLAMANDE.
<AR 31-10-1953, art. 1> Tout patron doit être porteur :
1° (...) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 4°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
(2° du certificat de jaugeage en bon état de conservation d'une durée de validité ne dépassant pas quinze ans ou d'une copie qui remplace ce certificat de jaugeage, délivré soit [2 par le service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure]2 soit par l'autorité compétente d'un des autres Etats signataires de la Convention relative au jaugeage des bateaux de navigation intérieure, Annexe et Protocole de Signature, faits à Genève le 15 février 1966.
[1 ...]1
Dans des cas exceptionnels et à la demande du patron, [2 le membre du personnel du service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure]2 compétent en matière de jaugeage des bateaux de navigation intérieure peut accorder une dispense écrite autorisant un bateau à effectuer à vide et sans certificat de jaugeage un trajet déterminé. Cette demande doit mentionner les raisons qui la motivent, le trajet à effectuer, les dimensions du bateau et les nom et adresse du propriétaire;) <AR 1998-01-21/36, art. 1, 005; En vigueur : 01-04-1998>
(3° d'un permis de circulation et, lorsque le voyage s'effectue sur une voie navigable soumise au régime des droits de navigation, d'une quittance constatant le payement de ces droits;
4° éventuellement d'un ou plusieurs connaissements réguliers, conformément au prescrit de l'article 87, § 1er, alinéa 3;
5° d'un rôle d'équipage, indiquant pour chaque membre de l'équipage, ses noms, prénoms, sexe, lieu et date de naissance, le numéro et le lieu de délivrance de son document officiel d'identité, et la fonction qu'il exerce à bord.) <AR 31-10-1953, art. 1>
(6° Si le bateau est utilisé pour le transport de matières dangereuses :
a) [1 ...]1
b) soit d'un certificat temporaire d'agrément ou d'un certificat normal d'agrément accompagné le cas échéant d'une autorisation spéciale pour le transport de certains produits dangereux, délivrés [1 conformément à l'annexe de l'arrêté royal du 31 juillet 2009 relatif au transport des marchandises dangereuses par voie navigable (ADN).]1
(Le patron doit représenter ces pièces à toute réquisition des agents préposés au service de la voie navigable et des fonctionnaires chargés de la perception et du contrôle des droits de navigation. au besoin, il doit se rendre à terre à cette fin. A bord, il doit représenter le rôle d'équipage accompagné des documents officiels d'identité des membres présents de l'équipage.) <AR 31-10-1953, art. 1>
Embarcations de plaisance.
<AR 31-10-1953, art. 1> Tout patron doit être porteur :
1° (...) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 4°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
(2° du certificat de jaugeage en bon état de conservation d'une durée de validité ne dépassant pas quinze ans ou d'une copie qui remplace ce certificat de jaugeage, délivré soit [2 par le service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure]2 soit par l'autorité compétente d'un des autres Etats signataires de la Convention relative au jaugeage des bateaux de navigation intérieure, Annexe et Protocole de Signature, faits à Genève le 15 février 1966.
[1 ...]1
Dans des cas exceptionnels et à la demande du patron, [2 le membre du personnel du service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure]2 compétent en matière de jaugeage des bateaux de navigation intérieure peut accorder une dispense écrite autorisant un bateau à effectuer à vide et sans certificat de jaugeage un trajet déterminé. Cette demande doit mentionner les raisons qui la motivent, le trajet à effectuer, les dimensions du bateau et les nom et adresse du propriétaire;) <AR 1998-01-21/36, art. 1, 005; En vigueur : 01-04-1998>
(3° d'un permis de circulation et, lorsque le voyage s'effectue sur une voie navigable soumise au régime des droits de navigation, d'une quittance constatant le payement de ces droits;
4° éventuellement d'un ou plusieurs connaissements réguliers, conformément au prescrit de l'article 87, § 1er, alinéa 3;
5° d'un rôle d'équipage, indiquant pour chaque membre de l'équipage, ses noms, prénoms, sexe, lieu et date de naissance, le numéro et le lieu de délivrance de son document officiel d'identité, et la fonction qu'il exerce à bord.) <AR 31-10-1953, art. 1>
(6° Si le bateau est utilisé pour le transport de matières dangereuses :
a) [1 ...]1
b) soit d'un certificat temporaire d'agrément ou d'un certificat normal d'agrément accompagné le cas échéant d'une autorisation spéciale pour le transport de certains produits dangereux, délivrés [1 conformément à l'annexe de l'arrêté royal du 31 juillet 2009 relatif au transport des marchandises dangereuses par voie navigable (ADN).]1
(Le patron doit représenter ces pièces à toute réquisition des agents préposés au service de la voie navigable et des fonctionnaires chargés de la perception et du contrôle des droits de navigation. au besoin, il doit se rendre à terre à cette fin. A bord, il doit représenter le rôle d'équipage accompagné des documents officiels d'identité des membres présents de l'équipage.) <AR 31-10-1953, art. 1>
Embarcations de plaisance.
I. Algemene bepalingen.
I. Dispositions générales.
Art.9. <KB 14-12-1979, art. 1> § 1. (NOTA : art. 9, § 1, opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) 1. Het varen met plezierboten op de aan dit reglement onderworpen scheepvaartwegen is toegelaten.
2. De hoofdingenieur-directeur van het gebied mag de vaart met plezierboten verbieden in de panden of delen van panden waar ze enige hinder voor de vrachtscheepvaart kunnen opleveren.
3. (De plezierboten met een romplengte groter dan [2 20 m]2 zijn onderworpen aan de voorschriften van titel II, hoofdstuk I, van dit reglement.) Bovendien dragen zij aan weerszijden van de voorsteven of vooraan op een zichtbare plaats, in letters van tenminste 0,08 m hoogte, de naam van het schip en op de achtersteven de naam van de thuishaven en de naam van de eigenaar in letters van tenminste 0,04 m hoogte. De letters moeten van het Latijnse lettertype zijn. <KB 1998-01-21/36, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
De hierboven vermelde herkenningstekens moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn; zij moeten licht van kleur zijn op een donkere grond of donker van kleur op een lichte grond.
§ 2. [1 ...]1.
§ 3. 1. Om een plezierboot met een motor van minder dan 7 355 watts (10 pk) te mogen besturen moet de bestuurder tenminste 16 jaar oud zijn.
Om een plezierboot met een motor van meer dan 7 355 watts (10 pk) te mogen besturen moet de bestuurder tenminste 18 jaar oud zijn. Deze leeftijdsgrens kan tot 16 jaar verlaagd worden indien een andere bestuurder van tenminste 18 jaar oud aan boord is.
2. Onverminderd de bepalingen onder 1 hierboven moet de bestuurder van een motorplezierboot die een of meer waterskiërs trekt, vergezeld zijn van een medeopvarende van tenminste 15 jaar oud.
3. De bestuurder van een varend motorplezierboot moet zich bevinden op de plaats en in de houding die voor het sturen zijn voorzien.
4. De bestuurder van een plezierboot moet in de gesteldheid zijn om te sturen en het nodige stuurmanschap bezitten. Hij moet voortdurend in staat zijn alle nodige stuurbewegingen uit te voeren en zijn boot bestendig onder controle hebben.
§ 4. 1. De plezierboten zijn gehouden aan alle vrachtschepen en drijvende werktuigen de nodige ruimte te laten om hun weg te kunnen voortzetten en om te kunnen manoeuvreren. Bovendien moeten zij zich op een voldoende afstand houden van alle bouwplaatsen op de waterweg.
2. De door een motor voortbewogen plezierboten moeten zich verwijderen uit de vaarroute van alle op een andere wijze voortbewogen plezierboten.
3. (NOTA : § 4.3 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur der Waterwegen behoort, mag vakken van de scheepvaartwegen aanduiden die hij voorbehoudt aan de zeilboten.
4. (NOTA : § 4. 4 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De bestuurder van een plezierboot dient alle nodige maatregelen te nemen ten einde schade aan de waterweg of aan de aanhorigheden ervan te voorkomen.
5. (NOTA : § 4. 5 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) Het is verboden het verkeer te water te hinderen of in gevaar te brengen hetzij door gelijk welke voorwerpen of stoffen in de waterweg te werpen, te leggen, achter te laten of te laten vallen, hetzij door er ongelegen stuurbewegingen uit te voeren. Het is eveneens verboden de gebruikers van de aanhorigheden van de waterweg te hinderen.
§ 5. 1. Het is verboden een aantal personen aan boord te nemen dat hierdoor het evenwicht en de veiligheid van de plezierboot in gevaar gebracht worden.
2. Alle varende plezierboten moeten aan boord hebben :
- een of meer pagaaien of roeispanen;
- voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest;
- een touw van 30 meter;
- een of meer meertouwen van 10 m;
- een anker of een dreg;
- een hoosvat of een handpomp;
- een misthoorne of toeter;
- een goedgekeurde poederblusser indien de plezierboot van een motor is voorzien.
§ 6. (NOTA : § 6 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) 1. De plezierboten mogen niet stilliggen in de vaargeul.
Na gebruik moeten zij op een veilige en stevige wijze worden vastgelegd. Zij mogen de scheepvaart hoegenaamd niet hinderen.
2. Plezierboten mogen niet stilliggen op minder dan 50 m van stuwen.
De hoofdingenieur-directeur van het gebied kan de ligplaatsen voor plezierboten aanwijzen.
3. Bij vloedregime op de rivieren, moeten de eigenaars van plezierboten alle nodige maatregelen nemen of doen nemen om hun boot in volkomen veiligheid te brengen.
4. Het is verboden plezierboten te koop te stellen op de waterwegen.
5. De aanhangwagens of de verplaatsbare tuigen die gebruikt werden om de plezierboten te water te laten of aan land te brengen moeten onmiddellijk van de aanhorigheden der waterwegen verwijderd worden.
2. De hoofdingenieur-directeur van het gebied mag de vaart met plezierboten verbieden in de panden of delen van panden waar ze enige hinder voor de vrachtscheepvaart kunnen opleveren.
3. (De plezierboten met een romplengte groter dan [2 20 m]2 zijn onderworpen aan de voorschriften van titel II, hoofdstuk I, van dit reglement.) Bovendien dragen zij aan weerszijden van de voorsteven of vooraan op een zichtbare plaats, in letters van tenminste 0,08 m hoogte, de naam van het schip en op de achtersteven de naam van de thuishaven en de naam van de eigenaar in letters van tenminste 0,04 m hoogte. De letters moeten van het Latijnse lettertype zijn. <KB 1998-01-21/36, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
De hierboven vermelde herkenningstekens moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn; zij moeten licht van kleur zijn op een donkere grond of donker van kleur op een lichte grond.
§ 2. [1 ...]1.
§ 3. 1. Om een plezierboot met een motor van minder dan 7 355 watts (10 pk) te mogen besturen moet de bestuurder tenminste 16 jaar oud zijn.
Om een plezierboot met een motor van meer dan 7 355 watts (10 pk) te mogen besturen moet de bestuurder tenminste 18 jaar oud zijn. Deze leeftijdsgrens kan tot 16 jaar verlaagd worden indien een andere bestuurder van tenminste 18 jaar oud aan boord is.
2. Onverminderd de bepalingen onder 1 hierboven moet de bestuurder van een motorplezierboot die een of meer waterskiërs trekt, vergezeld zijn van een medeopvarende van tenminste 15 jaar oud.
3. De bestuurder van een varend motorplezierboot moet zich bevinden op de plaats en in de houding die voor het sturen zijn voorzien.
4. De bestuurder van een plezierboot moet in de gesteldheid zijn om te sturen en het nodige stuurmanschap bezitten. Hij moet voortdurend in staat zijn alle nodige stuurbewegingen uit te voeren en zijn boot bestendig onder controle hebben.
§ 4. 1. De plezierboten zijn gehouden aan alle vrachtschepen en drijvende werktuigen de nodige ruimte te laten om hun weg te kunnen voortzetten en om te kunnen manoeuvreren. Bovendien moeten zij zich op een voldoende afstand houden van alle bouwplaatsen op de waterweg.
2. De door een motor voortbewogen plezierboten moeten zich verwijderen uit de vaarroute van alle op een andere wijze voortbewogen plezierboten.
3. (NOTA : § 4.3 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur der Waterwegen behoort, mag vakken van de scheepvaartwegen aanduiden die hij voorbehoudt aan de zeilboten.
4. (NOTA : § 4. 4 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De bestuurder van een plezierboot dient alle nodige maatregelen te nemen ten einde schade aan de waterweg of aan de aanhorigheden ervan te voorkomen.
5. (NOTA : § 4. 5 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) Het is verboden het verkeer te water te hinderen of in gevaar te brengen hetzij door gelijk welke voorwerpen of stoffen in de waterweg te werpen, te leggen, achter te laten of te laten vallen, hetzij door er ongelegen stuurbewegingen uit te voeren. Het is eveneens verboden de gebruikers van de aanhorigheden van de waterweg te hinderen.
§ 5. 1. Het is verboden een aantal personen aan boord te nemen dat hierdoor het evenwicht en de veiligheid van de plezierboot in gevaar gebracht worden.
2. Alle varende plezierboten moeten aan boord hebben :
- een of meer pagaaien of roeispanen;
- voor iedere persoon aan boord, binnen handbereik, hetzij een reddingsgordel, een reddingskussen of een reddingsvest;
- een touw van 30 meter;
- een of meer meertouwen van 10 m;
- een anker of een dreg;
- een hoosvat of een handpomp;
- een misthoorne of toeter;
- een goedgekeurde poederblusser indien de plezierboot van een motor is voorzien.
§ 6. (NOTA : § 6 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) 1. De plezierboten mogen niet stilliggen in de vaargeul.
Na gebruik moeten zij op een veilige en stevige wijze worden vastgelegd. Zij mogen de scheepvaart hoegenaamd niet hinderen.
2. Plezierboten mogen niet stilliggen op minder dan 50 m van stuwen.
De hoofdingenieur-directeur van het gebied kan de ligplaatsen voor plezierboten aanwijzen.
3. Bij vloedregime op de rivieren, moeten de eigenaars van plezierboten alle nodige maatregelen nemen of doen nemen om hun boot in volkomen veiligheid te brengen.
4. Het is verboden plezierboten te koop te stellen op de waterwegen.
5. De aanhangwagens of de verplaatsbare tuigen die gebruikt werden om de plezierboten te water te laten of aan land te brengen moeten onmiddellijk van de aanhorigheden der waterwegen verwijderd worden.
Art.9. <AR 14-12-1979, art. 1> § 1. (NOTE : § 1 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi ) 1. Les embarcations des plaisance sont admises à naviguer sur les voies navigables soumises au présent règlement.
2. L'ingénieur en chef-directeur du ressort peut interdire le passage des embarcations de plaisance dans les biefs ou parties de bief où elles pourraient causer un inconvénient quelconque pour la navigation marchande.
3. (Les embarcations de plaisance dont la longueur de la coque est égale ou supérieure à [2 20 m]2 sont soumises aux dispositions du titre II, chapitre Ier, du présent règlement.) En outre, elles portent de chaque côté de la proue ou à l'avant à un endroit visible, en lettres d'au moins 0,08 m de hauteur, le nom du bâtiment et à la poupe, le nom du port d'attache et le nom du propriétaire en caractères d'au moins 0,04 m de hauteur. Les lettres doivent être en caractère latin. <AR 1998-01-21/36, art. 2, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Les marques d'identification mentionnées ci-dessus sont en caractères bien lisibles et indélébiles; elles doivent être de couleur claire sur fond sombre ou de couleur sombre sur fond clair.
§ 2. [1 ...]1.
§ 3. 1. Pour conduire une embarcation de plaisance à moteur d'une puissance inférieure à 7 355 watts (10 chevaux-vapeur), le conducteur doit être âgé de 16 ans au moins.
Pour conduire une embarcation de plaisance à moteur d'une puissance supérieure à 7 355 watts (10 chevaux-vapeur), le conducteur doit être âgé de 18 ans au moins. Cette limite d'âge peut être ramenée à 16 ans si un autre conducteur âgé de 18 ans au moins est à bord.
2. Sans préjudice des dispositions du 1 ci-dessus, le conducteur d'une embarcation de plaisance à moteur tirant un ou plusieurs skieurs doit être accompagné d'un équipier âgé de 15 ans au moins.
3. Tout conducteur d'une embarcation de plaisance à moteur faisant route doit de trouver à la place et dans la position prévues pour conduire.
4. Tout conducteur d'une embarcation de plaisance doit être en état de conduire et posséder l'habilité nécessaire. Il doit être constamment en mesure d'effectuer toutes manoeuvres qui lui incombent et doit avoir constamment le contrôle de son embarcation.
§ 4. 1. Les embarcations de plaisance sont tenues de laisser à tous les bâtiments marchands et aux engins de travail l'espace nécessaire pour poursuivre leur route et pour manoeuvrer. En outre, elles doivent se tenir à une distance suffisante de tous les chantiers de travaux ouverts sur la voie navigable.
2. Les embarcations de plaisance propulsées par un moteur doivent s'écarter de la route de toutes les autres embarcations de plaisance propulsées par un autre moyen.
3. (NOTE : § 4. 3 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) Le Ministre qui a l'Administration des Voies hydrauliques dans ses attributions, peut indiquer des sections de voie navigable réservées à la navigation à voile.
4. (NOTE : § 4. 4 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) Tout conducteur d'embarcation de plaisance est tenu de prendre toutes mesures de nature à éviter de causer des dégâts à la voie navigable ou à ses dépendances.
5. (NOTE : § 4. 5 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) Il est interdit de gêner la circulation fluviale ou de la rendre dangereuse soit en jetant, déposant, abandonnant ou laissant tomber des objets ou matières quelconques dans la voie navigable, soit en y effectuant des manoeuvres intempestives. Il est également interdit de causer une gêne aux usagers des dépendances de la voie navigable.
§ 5. 1. Il est interdit d'embarquer un nombre de personnes qui mettrait en péril la stabilité et la sécurité de l'embarcation de plaisance.
2. Toute embarcation de plaisance faisant route doit avoir à son bord :
- une ou plusieurs pagaies ou rames;
- pour chaque personne embarquée, à portée de main, soit un anneau, un coussin ou gilet de sauvetage;
- un filin de 30 mètres;
- une ou plusieurs amarres de 10 m;
- une ancre ou un grappin;
- une écope ou une pompe à main;
- une corne de brume ou un avertisseur sonore;
- un extincteur à poudre agréé si l'embarcation est munie d'un moteur.
§ 6. (NOTE : § 6 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) 1. Les embarcations de plaisance ne peuvent stationner dans la passe navigable.
Après utilisation, elles doivent être amarrées d'une manière sûre et solide. Elles ne peuvent en aucune façon gêner la navigation.
2. Il est interdit de mettre en stationnement des embarcations de plaisance à moins de 50 m des barrages.
L'ingénieur en chef-directeur du ressort peut désigner les endroits de stationnement pour les embarcations de plaisance.
3. En cas de crue sur les rivières, les propriétaires d'embarcations de plaisance doivent prendre ou faire prendre toutes les mesures nécessaires pour mettre leurs embarcations en toute sécurité.
4. Il est interdit d'exposer sur la voie navigable des embarcations de plaisance en vue de la vente.
5. Les remorques ou les appareils mobiles qui ont été utilisés pour mettre les embarcations de plaisance à l'eau ou pour les en retirer doivent être écartés immédiatement des dépendances de la voie navigable.
2. L'ingénieur en chef-directeur du ressort peut interdire le passage des embarcations de plaisance dans les biefs ou parties de bief où elles pourraient causer un inconvénient quelconque pour la navigation marchande.
3. (Les embarcations de plaisance dont la longueur de la coque est égale ou supérieure à [2 20 m]2 sont soumises aux dispositions du titre II, chapitre Ier, du présent règlement.) En outre, elles portent de chaque côté de la proue ou à l'avant à un endroit visible, en lettres d'au moins 0,08 m de hauteur, le nom du bâtiment et à la poupe, le nom du port d'attache et le nom du propriétaire en caractères d'au moins 0,04 m de hauteur. Les lettres doivent être en caractère latin. <AR 1998-01-21/36, art. 2, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Les marques d'identification mentionnées ci-dessus sont en caractères bien lisibles et indélébiles; elles doivent être de couleur claire sur fond sombre ou de couleur sombre sur fond clair.
§ 2. [1 ...]1.
§ 3. 1. Pour conduire une embarcation de plaisance à moteur d'une puissance inférieure à 7 355 watts (10 chevaux-vapeur), le conducteur doit être âgé de 16 ans au moins.
Pour conduire une embarcation de plaisance à moteur d'une puissance supérieure à 7 355 watts (10 chevaux-vapeur), le conducteur doit être âgé de 18 ans au moins. Cette limite d'âge peut être ramenée à 16 ans si un autre conducteur âgé de 18 ans au moins est à bord.
2. Sans préjudice des dispositions du 1 ci-dessus, le conducteur d'une embarcation de plaisance à moteur tirant un ou plusieurs skieurs doit être accompagné d'un équipier âgé de 15 ans au moins.
3. Tout conducteur d'une embarcation de plaisance à moteur faisant route doit de trouver à la place et dans la position prévues pour conduire.
4. Tout conducteur d'une embarcation de plaisance doit être en état de conduire et posséder l'habilité nécessaire. Il doit être constamment en mesure d'effectuer toutes manoeuvres qui lui incombent et doit avoir constamment le contrôle de son embarcation.
§ 4. 1. Les embarcations de plaisance sont tenues de laisser à tous les bâtiments marchands et aux engins de travail l'espace nécessaire pour poursuivre leur route et pour manoeuvrer. En outre, elles doivent se tenir à une distance suffisante de tous les chantiers de travaux ouverts sur la voie navigable.
2. Les embarcations de plaisance propulsées par un moteur doivent s'écarter de la route de toutes les autres embarcations de plaisance propulsées par un autre moyen.
3. (NOTE : § 4. 3 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
4. (NOTE : § 4. 4 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
5. (NOTE : § 4. 5 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
§ 5. 1. Il est interdit d'embarquer un nombre de personnes qui mettrait en péril la stabilité et la sécurité de l'embarcation de plaisance.
2. Toute embarcation de plaisance faisant route doit avoir à son bord :
- une ou plusieurs pagaies ou rames;
- pour chaque personne embarquée, à portée de main, soit un anneau, un coussin ou gilet de sauvetage;
- un filin de 30 mètres;
- une ou plusieurs amarres de 10 m;
- une ancre ou un grappin;
- une écope ou une pompe à main;
- une corne de brume ou un avertisseur sonore;
- un extincteur à poudre agréé si l'embarcation est munie d'un moteur.
§ 6. (NOTE : § 6 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
Après utilisation, elles doivent être amarrées d'une manière sûre et solide. Elles ne peuvent en aucune façon gêner la navigation.
2. Il est interdit de mettre en stationnement des embarcations de plaisance à moins de 50 m des barrages.
L'ingénieur en chef-directeur du ressort peut désigner les endroits de stationnement pour les embarcations de plaisance.
3. En cas de crue sur les rivières, les propriétaires d'embarcations de plaisance doivent prendre ou faire prendre toutes les mesures nécessaires pour mettre leurs embarcations en toute sécurité.
4. Il est interdit d'exposer sur la voie navigable des embarcations de plaisance en vue de la vente.
5. Les remorques ou les appareils mobiles qui ont été utilisés pour mettre les embarcations de plaisance à l'eau ou pour les en retirer doivent être écartés immédiatement des dépendances de la voie navigable.
II. Varen met grote snelheid.
II. Navigation à grande vitesse.
Art. 9bis. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<INGEVOEGD bij KB 14-12-1979, art. 1> § 1. 1. De motorplezierboten mogen met een grotere snelheid dan de in dit algemeen reglement of in de bijzondere reglementen van de scheepvaartwegen bepaalde snelheden varen op de daartoe aangewezen vakken. Deze snelheden worden grote snelheden genoemd.
2. De Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur der Waterwegen behoort kan deze grote snelheden beperken.
Hij bepaalt en begrenst de vakken waar met grote snelheid mag gevaren worden.
Hij bepaalt eveneens de periode gedurende welke het varen met grote snelheid is toegelaten evenals de dagelijkse uren gedurende dewelke zij mogen beoefend worden.
3. In de vakken waar met grote snelheid mag gevaren worden, is de pleziervaart met zeil- en roeiboten verboden gedurende de tijd dat het varen met grote snelheid aldaar werkelijk wordt beoefend.
De Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur der Waterwegen behoort kan echter afhankelijk van de afmetingen van bedoelde vakken de doorvaart van zeil- en roeiboten aldaar toestaan onder de door hem te stellen voorwaarden.
§ 2. Buiten de inschrijvingsplaat voorgeschreven bij artikel 9, § 2, moeten de motorplezierboten die de vaart met grote snelheid beoefenen aan weerszijden van de voorsteven een bijzonder identificatienummer dragen, dat door het Bestuur der Waterwegen wordt toegekend.
Dit nummer kan voorafgegaan worden door een letterteken ter identificatie van kantoor van toekenning.
De kenletters evenals de cijfers moeten tenminste 21 cm hoog, 12 cm breed en 4 cm dik zijn.
§ 3. Snelheids- en behendigheidswedstrijden van motorbootjes zijn verboden, behoudens schriftelijke toestemming van de hoofdingenieur-directeur van het gebied, die in voorkomend geval de nadere regelen daarvoor vaststelt.
§ 4. Het varen met grote snelheid is verboden wanneer het zicht minder dan 150 m bedraagt.
§ 5. Snelvarende plezierboten moeten hun snelheid zodanig regelen dat zij geen schadelijke golfslag veroorzaken.
§ 6. 1. Op de vakken waar met grote snelheid mag gevaren worden is waterskiën toegelaten.
2. Ter wille van de veiligheid kan de Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur der Waterwegen behoort het waterskiën verbieden op sommige vakken waar met grote snelheid gevaren wordt, op bepaalde delen van deze vakken, of gedurende sommige perioden van het jaar of uren van de dag. In voorkomend geval kan hij eveneens de vaarrichting bepalen van de vaartuigen die waterskiërs trekken.
§ 7. Een plezierboot die een of meer skiërs trekt moet op zodanige wijze varen en iedere skiër moet zich zodanig gedragen dat zij noch hinder noch gevaar voor de andere gebruikers van de waterweg en aanhorigheden ervan opleveren.
<INGEVOEGD bij KB 14-12-1979, art. 1> § 1. 1. De motorplezierboten mogen met een grotere snelheid dan de in dit algemeen reglement of in de bijzondere reglementen van de scheepvaartwegen bepaalde snelheden varen op de daartoe aangewezen vakken. Deze snelheden worden grote snelheden genoemd.
2. De Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur der Waterwegen behoort kan deze grote snelheden beperken.
Hij bepaalt en begrenst de vakken waar met grote snelheid mag gevaren worden.
Hij bepaalt eveneens de periode gedurende welke het varen met grote snelheid is toegelaten evenals de dagelijkse uren gedurende dewelke zij mogen beoefend worden.
3. In de vakken waar met grote snelheid mag gevaren worden, is de pleziervaart met zeil- en roeiboten verboden gedurende de tijd dat het varen met grote snelheid aldaar werkelijk wordt beoefend.
De Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur der Waterwegen behoort kan echter afhankelijk van de afmetingen van bedoelde vakken de doorvaart van zeil- en roeiboten aldaar toestaan onder de door hem te stellen voorwaarden.
§ 2. Buiten de inschrijvingsplaat voorgeschreven bij artikel 9, § 2, moeten de motorplezierboten die de vaart met grote snelheid beoefenen aan weerszijden van de voorsteven een bijzonder identificatienummer dragen, dat door het Bestuur der Waterwegen wordt toegekend.
Dit nummer kan voorafgegaan worden door een letterteken ter identificatie van kantoor van toekenning.
De kenletters evenals de cijfers moeten tenminste 21 cm hoog, 12 cm breed en 4 cm dik zijn.
§ 3. Snelheids- en behendigheidswedstrijden van motorbootjes zijn verboden, behoudens schriftelijke toestemming van de hoofdingenieur-directeur van het gebied, die in voorkomend geval de nadere regelen daarvoor vaststelt.
§ 4. Het varen met grote snelheid is verboden wanneer het zicht minder dan 150 m bedraagt.
§ 5. Snelvarende plezierboten moeten hun snelheid zodanig regelen dat zij geen schadelijke golfslag veroorzaken.
§ 6. 1. Op de vakken waar met grote snelheid mag gevaren worden is waterskiën toegelaten.
2. Ter wille van de veiligheid kan de Minister tot wiens bevoegdheid het Bestuur der Waterwegen behoort het waterskiën verbieden op sommige vakken waar met grote snelheid gevaren wordt, op bepaalde delen van deze vakken, of gedurende sommige perioden van het jaar of uren van de dag. In voorkomend geval kan hij eveneens de vaarrichting bepalen van de vaartuigen die waterskiërs trekken.
§ 7. Een plezierboot die een of meer skiërs trekt moet op zodanige wijze varen en iedere skiër moet zich zodanig gedragen dat zij noch hinder noch gevaar voor de andere gebruikers van de waterweg en aanhorigheden ervan opleveren.
Art. 9bis. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
§ 1. 1. Les embarcations de plaisance à moteur peuvent se déplacer à des vitesses supérieures à celles qui sont prévues par le présent règlement ou par les règlements particuliers des voies navigables dans les sections prévues à cet effet. Ces vitesses sont appelées grandes vitesses.
2. Le Ministre qui a l'Administration des Voies hydrauliques dans ses attributions peut fixer une limite à ces grandes vitesses.
Il fixe et délimite les sections à grande vitesse.
Il détermine également la période pendant laquelle les grandes vitesses sont autorisées ainsi que les heures journalières pendant lesquelles elles peuvent être pratiquées.
3. Dans les sections à grande vitesse, la navigation de plaisance à voile ou à rames est interdite lorsque la navigation à grande vitesse y est effectivement pratiquée.
Toutefois en fonction des dimensions des sections précitées, le Ministre qui a l'Administration des Voies hydrauliques dans ses attributions, peut y autoriser le passage de la navigation à voile ou à rames aux conditions qu'il fixe.
§ 2. Outre la plaque d'immatriculation prévue à l'article 9, § 2, les embarcations de plaisance à moteur pratiquant la navigation à grande vitesse doivent porter de chaque côté de la proue un numéro d'identification spécial attribué par l'Administration des Voies hydrauliques.
Ce numéro peut être précédé d'un sigle identifiant le bureau d'attribution.
Le sigle ainsi que les chiffres doivent avoir au moins 21 cm de hauteur, 12 cm de largeur et 4 cm de plein.
§ 3. Les concours de vitesse ainsi que les épreuves d'habilité entre les canots à moteurs sont interdits sauf autorisation écrite de l'ingénieur en chef-directeur du ressort qui en fixe le cas échéant les modalités.
§ 4. La navigation à grande vitesse est interdite lorsque la visibilité est inférieure à 150 m.
§ 5. Les embarcations de plaisance naviguant à grande vitesse doivent adapter celle-ci de manière à ne pas provoquer de vagues nuisibles.
§ 6. 1. Dans les secteurs à grande vitesse, la pratique du ski nautique est autorisée.
2. En vue de garantir la sécurité, le Ministre qui a l'Administration des Voies hydrauliques dans ses attributions peut interdire le ski nautique dans certaines sections à grande vitesse, dans des parties de sections ou encore pendant certaines périodes de l'année ou heures de la journée. Le cas échéant, il peut imposer également le sens de circulation des embarcations tirant des skieurs.
§ 7. L'embarcation de plaisance tirant un ou plusieurs skieurs doit naviguer de telle façon et chaque skieur doit se comporter de telle manière qu'ils ne constituent aucune gêne, ni danger pour les autres usagers de la voie navigable ou de ses dépendances.
§ 1. 1. Les embarcations de plaisance à moteur peuvent se déplacer à des vitesses supérieures à celles qui sont prévues par le présent règlement ou par les règlements particuliers des voies navigables dans les sections prévues à cet effet. Ces vitesses sont appelées grandes vitesses.
2. Le Ministre qui a l'Administration des Voies hydrauliques dans ses attributions peut fixer une limite à ces grandes vitesses.
Il fixe et délimite les sections à grande vitesse.
Il détermine également la période pendant laquelle les grandes vitesses sont autorisées ainsi que les heures journalières pendant lesquelles elles peuvent être pratiquées.
3. Dans les sections à grande vitesse, la navigation de plaisance à voile ou à rames est interdite lorsque la navigation à grande vitesse y est effectivement pratiquée.
Toutefois en fonction des dimensions des sections précitées, le Ministre qui a l'Administration des Voies hydrauliques dans ses attributions, peut y autoriser le passage de la navigation à voile ou à rames aux conditions qu'il fixe.
§ 2. Outre la plaque d'immatriculation prévue à l'article 9, § 2, les embarcations de plaisance à moteur pratiquant la navigation à grande vitesse doivent porter de chaque côté de la proue un numéro d'identification spécial attribué par l'Administration des Voies hydrauliques.
Ce numéro peut être précédé d'un sigle identifiant le bureau d'attribution.
Le sigle ainsi que les chiffres doivent avoir au moins 21 cm de hauteur, 12 cm de largeur et 4 cm de plein.
§ 3. Les concours de vitesse ainsi que les épreuves d'habilité entre les canots à moteurs sont interdits sauf autorisation écrite de l'ingénieur en chef-directeur du ressort qui en fixe le cas échéant les modalités.
§ 4. La navigation à grande vitesse est interdite lorsque la visibilité est inférieure à 150 m.
§ 5. Les embarcations de plaisance naviguant à grande vitesse doivent adapter celle-ci de manière à ne pas provoquer de vagues nuisibles.
§ 6. 1. Dans les secteurs à grande vitesse, la pratique du ski nautique est autorisée.
2. En vue de garantir la sécurité, le Ministre qui a l'Administration des Voies hydrauliques dans ses attributions peut interdire le ski nautique dans certaines sections à grande vitesse, dans des parties de sections ou encore pendant certaines périodes de l'année ou heures de la journée. Le cas échéant, il peut imposer également le sens de circulation des embarcations tirant des skieurs.
§ 7. L'embarcation de plaisance tirant un ou plusieurs skieurs doit naviguer de telle façon et chaque skieur doit se comporter de telle manière qu'ils ne constituent aucune gêne, ni danger pour les autres usagers de la voie navigable ou de ses dépendances.
III. Buitenlandse plezierboten.
III. Embarcations de plaisance étrangères.
Art. 9ter. <INGEVOEGD bij KB 14-12-1979, art. 1> § 1. (NOTA : § 1 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De bestuurders van buitenlandse plezierboten die over de waterweg België binnenkomen moeten zich bij hun aankomst aanmelden in het eerste ontvangstkantoor der scheepvaartrechten dat zij ontmoeten, om aldaar aangifte van aankomst in België te doen. Wanneer deze plezierboten België verlaten moeten de bestuurders ervan aangifte van vertrek doen aan de laatste sluis die zij ontmoeten.
Hetzelfde geldt voor de buitenlandse plezierboten die te water gelaten worden binnen het Belgische scheepvaartwegennet of die er uit getrokken worden.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 ...]1
§ 4. [1 ...]1
Hetzelfde geldt voor de buitenlandse plezierboten die te water gelaten worden binnen het Belgische scheepvaartwegennet of die er uit getrokken worden.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 ...]1
§ 4. [1 ...]1
Art. 9ter. § 1er. (NOTE : § 1er abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi ) Les conducteurs des embarcations de plaisance étrangères qui entrent en Belgique par la voie navigable doivent à leur arrivée se présenter au premier bureau de perception des droits de navigation qu'ils rencontrent pour y faire une déclaration d'entrée en Belgique. Lorsque ces embarcations quittent la Belgique, les conducteurs doivent faire une déclaration de sortie à la dernière écluse qu'ils rencontrent.
Il en est de même pour les embarcations de plaisance étrangères qui sont mises à l'eau à l'intérieur du réseau des voies navigables belges ou qui en sont retirées.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 ...]1
§ 4. [1 ...]1
Il en est de même pour les embarcations de plaisance étrangères qui sont mises à l'eau à l'intérieur du réseau des voies navigables belges ou qui en sont retirées.
§ 2. [1 ...]1
§ 3. [1 ...]1
§ 4. [1 ...]1
Wijzigingen
Art.10. Onverminderd de toepassing der straffen, bepaald bij artikel 100, hebben de agenten van het bestuur het recht elk vaartuig, trein, vlot, bootje of pleizierboot, waarvoor bovenstaande voorschriften niet opgevolgd werden, stil te doen houden en van ambtswege naar een door hen aan te wijzen plaats te verhalen, waar het zal opgehouden worden totdat de schipper al de voorschriften nagekomen heeft.
(Nochtans, wanneer de schipper van een geladen schip geen meetbrief kan tonen, of een vervallen meetbrief voorlegt, kan hem door de inspecteur der scheepvaart van het gebied de toelating worden gegeven om zijn reis voort te zetten, mits hij zijn schip dadelijk na het lossen zal doen hermeten. In dit geval, worden de scheepvaartrechten overeenkomstig de bijzondere regelen van artikel 81, 4 berekend.) <KB 12-07-1957, art. 4>
(Nochtans, wanneer de schipper van een geladen schip geen meetbrief kan tonen, of een vervallen meetbrief voorlegt, kan hem door de inspecteur der scheepvaart van het gebied de toelating worden gegeven om zijn reis voort te zetten, mits hij zijn schip dadelijk na het lossen zal doen hermeten. In dit geval, worden de scheepvaartrechten overeenkomstig de bijzondere regelen van artikel 81, 4 berekend.) <KB 12-07-1957, art. 4>
Art.10. Sans préjudice à l'application des peines comminées par l'article 100, les agents de l'administration ont le droit d'arrêter et de faire conduire d'office à tel endroit qu'ils désignent, pour y être garé, tout bateau, train, radeau, barquette ou embarcation de plaisance pour lequel les prescriptions qui précèdent n'ont pas été observées, et de l'y faire retenir jusqu'à ce que le patron se soit mis en règle.
(Toutefois, lorsque le patron d'un bateau chargé ne peut exhiber le certificat de jaugeage, ou en exhibe un périmé, il peut obtenir de l'inspecteur de la navigation du ressort, l'autorisation de poursuivre son voyage, sous réserve de faire rejauger son bateau aussitôt après son déchargement. Dans ce cas, les droits de navigation seront calculés conformément aux règles spéciales prévues à l'article 81, 4.) <AR 12-07-1957, art. 4>
(Toutefois, lorsque le patron d'un bateau chargé ne peut exhiber le certificat de jaugeage, ou en exhibe un périmé, il peut obtenir de l'inspecteur de la navigation du ressort, l'autorisation de poursuivre son voyage, sous réserve de faire rejauger son bateau aussitôt après son déchargement. Dans ce cas, les droits de navigation seront calculés conformément aux règles spéciales prévues à l'article 81, 4.) <AR 12-07-1957, art. 4>
HOOFDSTUK II. - Voorschriften betreffende in de vaart zijnde vaartuigen.
CHAPITRE II. - Règles relatives aux bateaux en marche.
Afdeling I. - Scheepvaarturen en voorschriften voor de nachtelijke vaart.
Section I. - Heures de navigation et règles pour la navigation de nuit.
Art.11. 1. (NOTA : art. 11, 1 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) (Behoudens de hierna aangegeven of in de bijzondere reglementen voorziene afwijkingen mag de scheepvaart niet geschieden buiten de volgende uren :
Januari :
van 1 tot 15 : van 8 uur tot 17 u. 30 m.
van 16 tot 31 : van 7 u. 45 m. tot 17 u. 45 m.
Februari :
van 1 tot 15 : van 7 u. 30 m. tot 18 u. 15 m.
van 16 tot 28 (of 29) : van 7 u. 15 m. tot 18 u. 45 m.
Maart :
van 1 tot 15 : van 6 u. 45 m. tot 19 uur
van 16 tot 31 : van 6 uur tot 19 u. 30 m.
April :
van 1 tot 15 : van 5 u. 30 m. tot 20 uur
van 16 tot 30 : van 5 uur tot 20 u. 30 m.
Mei :
van 1 tot 31 : van 4 u. 30 m. tot 21 uur.
Juni :
van 1 tot 30 : van 4 u. 30 m. tot 21 u. 30 m.
Juli :
van 1 tot 31 : van 4 u. 30 m. tot 21 u. 30 m.
Augustus :
van 1 tot 15 : van 4 u. 45 m. tot 20 u. 45 m.
van 16 tot 31 : van 5 uur tot 20 u. 30 m.
September :
van 1 tot 15 : van 5 u. 30 m. tot 19 u. 45 m.
van 16 tot 30 : van 6 uur tot 19 u. 15 m.
Oktober :
van 1 tot 15 : van 6 u. 30 m. tot 18 u. 45 m.
van 16 tot 31 : van 6 uur tot 18 u. 15 m.
November :
van 1 tot 15 : van 7 u. 15 m. tot 17 u. 30 m.
van 16 tot 30 : van 7 u. 45 m. tot 17 u. 30 m.
December :
van 1 tot 31 : van 8 uur tot 17 u. 30 m.) <KB 03-10-1986, art. 3>
2. (...) <KB 03-10-1986, art. 4>
(3. (NOTA : art. 11, 3 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) Op de zon- en wettelijke feestdagen is de vrachtscheepvaart verboden behalve op de tijrivieren en aan de scheepvaartsluizen die deze rivieren in rechtstreekse verbinding stellen met de andere scheepvaartwegen.
Deze schikking is niet van toepassing op de zeeschepen.
(Volledige of gedeeltelijke afwijkingen van het verbod op vrachtscheepvaart op zon- en wettelijke feestdagen op een scheepvaartweg of op een gedeelte ervan kunnen door de beheerder van die scheepvaartweg worden toegestaan.) <KB 1993-06-02/40, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 03-07-1993>
4. (NOTA : art. 11, 4 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De hoofdingenieur-directeur van het ressort mag, voor de duur van ten hoogste vijftien dagen, de scheepvaart, buiten de onder alinea 1 van dit artikel aangegeven uren, toestaan of zelfs verplichtend maken, wanneer de schepen de panden versperren of dreigen te versperren.) <KB 03-11-1975, art. 1>
5. (NOTA : art. 11, 5 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De Minister van Openbare Werken kan door bijzondere besluiten de scheepvaart buiten voormelde uren toestaan of zelfs verplichtend maken op de bevaarbare waterwegen of op gedeelten van bevaarbare waterwegen, wanneer hij het nuttig of gepast oordeelt (...). <KB 07-09-1950, art. 2, § 7>
6. (...) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 5°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Januari :
van 1 tot 15 : van 8 uur tot 17 u. 30 m.
van 16 tot 31 : van 7 u. 45 m. tot 17 u. 45 m.
Februari :
van 1 tot 15 : van 7 u. 30 m. tot 18 u. 15 m.
van 16 tot 28 (of 29) : van 7 u. 15 m. tot 18 u. 45 m.
Maart :
van 1 tot 15 : van 6 u. 45 m. tot 19 uur
van 16 tot 31 : van 6 uur tot 19 u. 30 m.
April :
van 1 tot 15 : van 5 u. 30 m. tot 20 uur
van 16 tot 30 : van 5 uur tot 20 u. 30 m.
Mei :
van 1 tot 31 : van 4 u. 30 m. tot 21 uur.
Juni :
van 1 tot 30 : van 4 u. 30 m. tot 21 u. 30 m.
Juli :
van 1 tot 31 : van 4 u. 30 m. tot 21 u. 30 m.
Augustus :
van 1 tot 15 : van 4 u. 45 m. tot 20 u. 45 m.
van 16 tot 31 : van 5 uur tot 20 u. 30 m.
September :
van 1 tot 15 : van 5 u. 30 m. tot 19 u. 45 m.
van 16 tot 30 : van 6 uur tot 19 u. 15 m.
Oktober :
van 1 tot 15 : van 6 u. 30 m. tot 18 u. 45 m.
van 16 tot 31 : van 6 uur tot 18 u. 15 m.
November :
van 1 tot 15 : van 7 u. 15 m. tot 17 u. 30 m.
van 16 tot 30 : van 7 u. 45 m. tot 17 u. 30 m.
December :
van 1 tot 31 : van 8 uur tot 17 u. 30 m.) <KB 03-10-1986, art. 3>
2. (...) <KB 03-10-1986, art. 4>
(3. (NOTA : art. 11, 3 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) Op de zon- en wettelijke feestdagen is de vrachtscheepvaart verboden behalve op de tijrivieren en aan de scheepvaartsluizen die deze rivieren in rechtstreekse verbinding stellen met de andere scheepvaartwegen.
Deze schikking is niet van toepassing op de zeeschepen.
(Volledige of gedeeltelijke afwijkingen van het verbod op vrachtscheepvaart op zon- en wettelijke feestdagen op een scheepvaartweg of op een gedeelte ervan kunnen door de beheerder van die scheepvaartweg worden toegestaan.) <KB 1993-06-02/40, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 03-07-1993>
4. (NOTA : art. 11, 4 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De hoofdingenieur-directeur van het ressort mag, voor de duur van ten hoogste vijftien dagen, de scheepvaart, buiten de onder alinea 1 van dit artikel aangegeven uren, toestaan of zelfs verplichtend maken, wanneer de schepen de panden versperren of dreigen te versperren.) <KB 03-11-1975, art. 1>
5. (NOTA : art. 11, 5 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De Minister van Openbare Werken kan door bijzondere besluiten de scheepvaart buiten voormelde uren toestaan of zelfs verplichtend maken op de bevaarbare waterwegen of op gedeelten van bevaarbare waterwegen, wanneer hij het nuttig of gepast oordeelt (...). <KB 07-09-1950, art. 2, § 7>
6. (...) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 5°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.11. 1. (NOTE : art. 11, 1 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi ) (Sauf les dérogations indiquées ci-après ou prévues dans les règlements particuliers, la navigation ne peut se faire en dehors des heures suivantes :
Janvier :
du 1er au 15 : de 8 heures à 17 h. 30 m.
du 16 au 31 : de 7 h. 45 m. à 17 h. 45 m.
Février :
du 1er au 15 : de 7 h. 30 m. à 18 h. 15 m.
du 16 au 28 (ou 29) : de 7 h. 15 m. à 18 h. 45 m.
Mars :
du 1er au 15 : de 6 h. 45 m. à 19 heures
du 16 au 31 : de 6 heures à 19 h. 30 m.
Avril :
du 1er au 15 : de 5 h. 30 m. à 20 heures
du 16 au 30 : de 5 heures à 20 h. 30 m.
Mai :
du 1er au 31 : de 4 h. 30 m. à 21 heures.
Juin :
du 1er au 30 : de 4 h. 30 m. à 21 h. 30 m.
Juillet :
du 1er au 31 : de 4 h. 30 m. à 21 h. 30 m.
Août :
du 1er au 15 : de 4 h. 45 m. à 20 h. 45 m.
du 16 au 31 : de 5 heures à 20 h. 30 m.
Septembre :
du 1er au 15 : de 5 h. 30 m. à 19 h. 45 m.
du 16 au 30 : de 6 heures à 19 h. 15 m.
Octobre :
du 1er au 15 : de 6 h. 30 m. à 18 h. 45 m.
du 16 au 31 : de 6 heures à 18 h. 15 m.
Novembre :
du 1er au 15 : de 7 h. 15 m. à 17 h. 30 m.
du 16 au 30 : de 7 h. 45 m. à 17 h. 30 m.
Décembre :
du 1er au 31 : de 8 heures à 17 h. 30 m.) <AR 03-10-1986, art. 3>
2. (...) <AR 03-10-1986, art. 4>
(3. (NOTE : art. 11, 3. abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) Les dimanches et jours fériés légaux, la navigation marchande est interdite sauf sur les rivières soumises à l'action de la marée et aux écluses de navigation qui mettent ces rivières en communication directe avec les autres voies navigables.
Cette disposition ne s'applique pas aux navires de mer.
(Des dérogations, totales ou partielles, à l'interdiction de la navigation marchande les dimanches et jours fériés légaux sur une voie navigable ou une partie de celle-ci peuvent être accordées par le gestionnaire de cette voie navigable.) <AR 1993-06-02/40, art. 1, 004; En vigueur : 03-07-1993>
4. (NOTE : art. 11, 4 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) L'ingénieur en chef-directeur du ressort peut autoriser et même rendre obligatoire, pour une durée ne dépassant pas quinze jours, la navigation en dehors des heures indiquées au alinéa 1 du présent article, lorsque les bateaux encombrent ou menacent d'encombrer les biefs.) <AR 03-11-1975, art. 1>
5. (NOTE : art. 11, 5 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) Le Ministre des Travaux publics peut, par des arrêtés spéciaux, autoriser ou même rendre obligatoire la navigation en dehors des dites heures sur les voies navigables ou parties de voies navigables, quand il juge la mesure utile ou opportune (...). <AR 07-09-1950, art. 2, § 7>
6. (...) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 5°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Janvier :
du 1er au 15 : de 8 heures à 17 h. 30 m.
du 16 au 31 : de 7 h. 45 m. à 17 h. 45 m.
Février :
du 1er au 15 : de 7 h. 30 m. à 18 h. 15 m.
du 16 au 28 (ou 29) : de 7 h. 15 m. à 18 h. 45 m.
Mars :
du 1er au 15 : de 6 h. 45 m. à 19 heures
du 16 au 31 : de 6 heures à 19 h. 30 m.
Avril :
du 1er au 15 : de 5 h. 30 m. à 20 heures
du 16 au 30 : de 5 heures à 20 h. 30 m.
Mai :
du 1er au 31 : de 4 h. 30 m. à 21 heures.
Juin :
du 1er au 30 : de 4 h. 30 m. à 21 h. 30 m.
Juillet :
du 1er au 31 : de 4 h. 30 m. à 21 h. 30 m.
Août :
du 1er au 15 : de 4 h. 45 m. à 20 h. 45 m.
du 16 au 31 : de 5 heures à 20 h. 30 m.
Septembre :
du 1er au 15 : de 5 h. 30 m. à 19 h. 45 m.
du 16 au 30 : de 6 heures à 19 h. 15 m.
Octobre :
du 1er au 15 : de 6 h. 30 m. à 18 h. 45 m.
du 16 au 31 : de 6 heures à 18 h. 15 m.
Novembre :
du 1er au 15 : de 7 h. 15 m. à 17 h. 30 m.
du 16 au 30 : de 7 h. 45 m. à 17 h. 30 m.
Décembre :
du 1er au 31 : de 8 heures à 17 h. 30 m.) <AR 03-10-1986, art. 3>
2. (...) <AR 03-10-1986, art. 4>
(3. (NOTE : art. 11, 3. abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
Cette disposition ne s'applique pas aux navires de mer.
(Des dérogations, totales ou partielles, à l'interdiction de la navigation marchande les dimanches et jours fériés légaux sur une voie navigable ou une partie de celle-ci peuvent être accordées par le gestionnaire de cette voie navigable.) <AR 1993-06-02/40, art. 1, 004; En vigueur : 03-07-1993>
4. (NOTE : art. 11, 4 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
5. (NOTE : art. 11, 5 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
6. (...) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 5°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.12. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 6°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.12. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 6°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Afdeling II. - Jagen, kruisen, voorbijvaren, draaien, geluidseinen.
Section II. - Halage, croisement, trématage, virement, signaux sonores.
Art.13. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
De Minister van Openbare Werken mag, voor het trekken der vaartuigen op de waterwegen, de inrichting van regelmatige diensten toelaten.
(Aan sluizen met elektrische kaapstanders is het gebruik van die kaapstanders verplicht voor alle vaartuigen zonder eigen drijfkracht of die door tractoren getrokken worden.
Gesleepte vaartuigen mogen die kaapstanders eveneens bezigen met toelating van de sluisbeambten.
De schippers moeten een voldoende lange en sterke kabel in goede staat aan boord hebben en hem aan de met de bediening van de kaapstander belaste beambte toereiken.
Het bestuur is niet verantwoordelijk voor de schade, die uit het gebruik van de kaapstander mocht voortvloeien)
De Minister van Openbare Werken mag, voor het trekken der vaartuigen op de waterwegen, de inrichting van regelmatige diensten toelaten.
(Aan sluizen met elektrische kaapstanders is het gebruik van die kaapstanders verplicht voor alle vaartuigen zonder eigen drijfkracht of die door tractoren getrokken worden.
Gesleepte vaartuigen mogen die kaapstanders eveneens bezigen met toelating van de sluisbeambten.
De schippers moeten een voldoende lange en sterke kabel in goede staat aan boord hebben en hem aan de met de bediening van de kaapstander belaste beambte toereiken.
Het bestuur is niet verantwoordelijk voor de schade, die uit het gebruik van de kaapstander mocht voortvloeien)
Art.13. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Le Ministre des Travaux publics peut autoriser l'établissement de services réguliers pour la traction des bateaux sur les voies navigables.
(Aux écluses équipés de cabestans électrique, l'usage de ces cabestans est obligatoire pour tous les bateaux non munis de propulsion mécanique ou halés par tracteurs.
Les bateaux remorqués peuvent également employer ces cabestans avec l'autorisation des préposés aux écluses.
Les bateliers sont tenus d'avoir à bord un câble en bon état, d'une longueur et d'une résistance suffisantes, et doivent avancer ce câble au préposé à la manoeuvre du cabestan.
L'administration n'assure aucune responsabilité du chef des dommages résultant du service de ces engins.)
Le Ministre des Travaux publics peut autoriser l'établissement de services réguliers pour la traction des bateaux sur les voies navigables.
(Aux écluses équipés de cabestans électrique, l'usage de ces cabestans est obligatoire pour tous les bateaux non munis de propulsion mécanique ou halés par tracteurs.
Les bateaux remorqués peuvent également employer ces cabestans avec l'autorisation des préposés aux écluses.
Les bateliers sont tenus d'avoir à bord un câble en bon état, d'une longueur et d'une résistance suffisantes, et doivent avancer ce câble au préposé à la manoeuvre du cabestan.
L'administration n'assure aucune responsabilité du chef des dommages résultant du service de ces engins.)
Art.14. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Jagen van schepen met paarden of tractoren mag in geen geval geschieden zonder machtiging van de Hoofdingenieur-Directeur van het ressort.
In voorkomend geval, moeten de paarden de gehele tijd bij de toom geleid worden.
De paarden en tractoren moeten, behalve aan de kruisingen, de bestrate of met steenslag verharde strook van het jaagpad volgen. Waar zulke strook ontbreekt, worden de paarden ten minste 1m50 en de tractoren 1 meter van de oeverrand verwijderd gehouden. Deze afstand wordt berekend van af de wielen aan de kant van de waterweg.
In voorkomend geval, moeten de paarden de gehele tijd bij de toom geleid worden.
De paarden en tractoren moeten, behalve aan de kruisingen, de bestrate of met steenslag verharde strook van het jaagpad volgen. Waar zulke strook ontbreekt, worden de paarden ten minste 1m50 en de tractoren 1 meter van de oeverrand verwijderd gehouden. Deze afstand wordt berekend van af de wielen aan de kant van de waterweg.
Art.14. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Aucun halage de bateaux par chevaux ou par tracteurs ne peut s'exercer sans autorisation de l'ingénieur en chef-directeur du ressort.
Le cas échéant, les chevaux doivent être en tout temps tenus par la bride.
Les chevaux et tracteurs doivent, sauf dans les croisements, suivre la bande pavée ou empierrée du chemin de halage, à défaut de laquelle ils sont tenus éloignés de la crête de la rive de 1m. 50 au moins pour les chevaux et de 1 mètre pour les tracteurs, cette distance étant comptée à partir des roues du coté de la voie d'eau.
Le cas échéant, les chevaux doivent être en tout temps tenus par la bride.
Les chevaux et tracteurs doivent, sauf dans les croisements, suivre la bande pavée ou empierrée du chemin de halage, à défaut de laquelle ils sont tenus éloignés de la crête de la rive de 1m. 50 au moins pour les chevaux et de 1 mètre pour les tracteurs, cette distance étant comptée à partir des roues du coté de la voie d'eau.
Art.15. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Het is uitdrukkelijk verboden de jaaglijnen of trossen door te snijden.
Het is uitdrukkelijk verboden de jaaglijnen of trossen door te snijden.
Art.15. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Il est expressément défendu de couper les cordes ou les traits servant au halage.
Il est expressément défendu de couper les cordes ou les traits servant au halage.
Art.16. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 7°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.16. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 7°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.17. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 8°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.17. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 8°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.18. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 9°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.18. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 9°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.19. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 10°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.19. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 10°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.20. Elk vaartuig, vlottrein of vlot, waarvan de schipper, door inbreuk op dit reglement, de vaart van een ander vaartuig, vlottrein of vlot gehinderd of vertraagd heeft, wordt bij de eerste sluis of brug opgehouden, tot na de doorvaart van dit vaartuig.
Art.20. Tout bateau, train ou radeau, dont le patron a, par une infraction au présent règlement, entravé ou retardé la marche d'un équipage est retenu à la première écluse ou au premier pont, jusqu'après le passage de cet équipage.
Art.21. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Ten einde alle gevaar of schadevaring te vermijden, moet de snelheid der vaartuigen vertraagd worden in de doorvaart der steden, in bochten, en enge vaarwegen, voor laad- en loskaaien (De strandingsbermen inbegrepen.), in de nabijheid : van op den waterweg in uitvoering zijnde werken, van plaatsen waar voorzorgen moeten genomen worden en die aangewezen worden door den hoofdingenieur-directeur van het ressort, van vaartuigen gebezigd tot het lichten van wrakken of met ontplofbare stoffen geladen. De schippers voegen zich overigens naar de voorschriften, welke hun door den ambtenaar der werken gegeven worden.
Ten einde alle gevaar of schadevaring te vermijden, moet de snelheid der vaartuigen vertraagd worden in de doorvaart der steden, in bochten, en enge vaarwegen, voor laad- en loskaaien (De strandingsbermen inbegrepen.), in de nabijheid : van op den waterweg in uitvoering zijnde werken, van plaatsen waar voorzorgen moeten genomen worden en die aangewezen worden door den hoofdingenieur-directeur van het ressort, van vaartuigen gebezigd tot het lichten van wrakken of met ontplofbare stoffen geladen. De schippers voegen zich overigens naar de voorschriften, welke hun door den ambtenaar der werken gegeven worden.
Art.21. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Dans les traverses des villes, dans les coudes et passes étroites, devant les quais de chargement et de déchargement (Y compris les banquettes d'échouage.) à proximité des travaux en cours d'exécution dans la voie navigable, des endroits de sujétion désignés par l'ingénieur en chef directeur du ressort, des bateaux employés à relever des épaves ou chargés de matières explosives, la vitesse de marche est réduite de manière à éviter tout danger ou dommage. Les patrons se conforment à ce que le fonctionnaire dirigeant les travaux juge utile de leur prescrire.
Dans les traverses des villes, dans les coudes et passes étroites, devant les quais de chargement et de déchargement (Y compris les banquettes d'échouage.) à proximité des travaux en cours d'exécution dans la voie navigable, des endroits de sujétion désignés par l'ingénieur en chef directeur du ressort, des bateaux employés à relever des épaves ou chargés de matières explosives, la vitesse de marche est réduite de manière à éviter tout danger ou dommage. Les patrons se conforment à ce que le fonctionnaire dirigeant les travaux juge utile de leur prescrire.
Art.22. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 11°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.22. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 11°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.23. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 12°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.23. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 12°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Afdeling III. - Doorvaart van sluizen en bruggen.
Section III. - Passage aux écluses et aux ponts.
Art.24. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Bij het naderen van sluizen en beweegbare bruggen, moeten de schippers de vaart van hun vaartuig vertragen en de sluis- of brugwachters van hun aankomst verwittigen met de stoomfluit, de scheepsklok, den misthoorn of door roepen. Op het oogenblik als zij aangekomen zijn aan de palen tot aanwijzing der overzetveren, zullen de schippers een teeken geven met de fluit, de klok of den hoorn.
Het volkomen stoppen is verplicht op 100 meter van de beweegbare spoorwegbruggen en op 50 meter van de beweegbare bruggen voor wegen en van de sluizen, indien de brug- of sluiswachter de doorvaart niet toegelaten heeft.
In dit geval, moeten de schippers hun vaartuig, trein of vlot derwijze meren, dat zij het trekken of het voorbijvaren van andere vaartuigen niet hinderen. Zij voegen zich bovendien naar de aanduidingen der brug- of sluisbedienden en zetten slechts hun vaart voort met de toelating van dezen.
Bij het naderen van sluizen en beweegbare bruggen, moeten de schippers de vaart van hun vaartuig vertragen en de sluis- of brugwachters van hun aankomst verwittigen met de stoomfluit, de scheepsklok, den misthoorn of door roepen. Op het oogenblik als zij aangekomen zijn aan de palen tot aanwijzing der overzetveren, zullen de schippers een teeken geven met de fluit, de klok of den hoorn.
Het volkomen stoppen is verplicht op 100 meter van de beweegbare spoorwegbruggen en op 50 meter van de beweegbare bruggen voor wegen en van de sluizen, indien de brug- of sluiswachter de doorvaart niet toegelaten heeft.
In dit geval, moeten de schippers hun vaartuig, trein of vlot derwijze meren, dat zij het trekken of het voorbijvaren van andere vaartuigen niet hinderen. Zij voegen zich bovendien naar de aanduidingen der brug- of sluisbedienden en zetten slechts hun vaart voort met de toelating van dezen.
Art.24. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
En approchant des écluses et des ponts mobiles, les patrons doivent ralentir la marche de leur équipage et avertir les éclusiers et les pontiers de leur arrivée, par le sifflet, la cloche, la corne ou bien par des appels. Au moment où ils atteignent les poteaux signalant les passages d'eau, les patrons feront usage du sifflet, de la cloche ou de la corne.
L'arrêt complet est obligatoire à la distance de 100 mètres des ponts mobiles de chemin de fer, et de 50 mètres des ponts mobiles pour routes et des écluses, si le pontier ou l'éclusier n'a pas donné l'autorisation de franchir ces ouvrages.
Dans ce cas, les patrons doivent amarrer leurs bateaux, trains ou radeaux, de façon à ne pas entraver le halage et se ranger de manière à ne pas gêner la marche des équipages qui doivent les croiser. Ils se conforment, en outre, aux indications des préposés à la manoeuvre et ne reprennent leur marche qu'avec l'autorisation de ceux-ci.
En approchant des écluses et des ponts mobiles, les patrons doivent ralentir la marche de leur équipage et avertir les éclusiers et les pontiers de leur arrivée, par le sifflet, la cloche, la corne ou bien par des appels. Au moment où ils atteignent les poteaux signalant les passages d'eau, les patrons feront usage du sifflet, de la cloche ou de la corne.
L'arrêt complet est obligatoire à la distance de 100 mètres des ponts mobiles de chemin de fer, et de 50 mètres des ponts mobiles pour routes et des écluses, si le pontier ou l'éclusier n'a pas donné l'autorisation de franchir ces ouvrages.
Dans ce cas, les patrons doivent amarrer leurs bateaux, trains ou radeaux, de façon à ne pas entraver le halage et se ranger de manière à ne pas gêner la marche des équipages qui doivent les croiser. Ils se conforment, en outre, aux indications des préposés à la manoeuvre et ne reprennent leur marche qu'avec l'autorisation de ceux-ci.
Art.25. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Wanneer, integendeel, de doorvaart toegelaten is, doen de schippers hun vaartuig, trein of vlot langzaam vooruitvaren, daarbij zorg dragende ze aan beide uiteinden te meren in de sluiskolk. Het is verboden met stangen, bootshaken, schippersboomen en ander tuig de deelen der kunstwerken aan te raken, welke tot het besturen der vaartuigen niet bestemd zijn.
Wanneer, integendeel, de doorvaart toegelaten is, doen de schippers hun vaartuig, trein of vlot langzaam vooruitvaren, daarbij zorg dragende ze aan beide uiteinden te meren in de sluiskolk. Het is verboden met stangen, bootshaken, schippersboomen en ander tuig de deelen der kunstwerken aan te raken, welke tot het besturen der vaartuigen niet bestemd zijn.
Art.25. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Dans le cas, au contraire, où le passage est permis, les patrons doivent faire avancer leur équipage lentement et avoir soin d'amarrer leurs bateaux, trains ou radeaux à leurs deux extrémités dans le sas des écluses. Il leur est interdit de toucher avec des perches, crocs, gaffes et autres engins aux parties des ouvrages d'art qui ne sont pas établies en vue de la facilité des manoeuvres.
Dans le cas, au contraire, où le passage est permis, les patrons doivent faire avancer leur équipage lentement et avoir soin d'amarrer leurs bateaux, trains ou radeaux à leurs deux extrémités dans le sas des écluses. Il leur est interdit de toucher avec des perches, crocs, gaffes et autres engins aux parties des ouvrages d'art qui ne sont pas établies en vue de la facilité des manoeuvres.
Art.26. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
De sluis- en brugwachters alleen hebben het recht de inrichtingen van sluizen, stuwen en bruggen te bedienen.
Echter mogen zijn daarbij de hulp vragen van schippersknechten of maats.
Een deel der bemanning, voldoende voor het besturen van het vaartuig, den trein of het vlot, moet bij de doorvaart aan boord blijven.
De sluis- en brugwachters alleen hebben het recht de inrichtingen van sluizen, stuwen en bruggen te bedienen.
Echter mogen zijn daarbij de hulp vragen van schippersknechten of maats.
Een deel der bemanning, voldoende voor het besturen van het vaartuig, den trein of het vlot, moet bij de doorvaart aan boord blijven.
Art.26. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
L'éclusier et le pontier ont seul le droit de manoeuvrer les appareils des écluses, des barrages et des ponts.
Il peuvent, toutefois, pour cette manoeuvre, demander l'assistance des aides ou des mariniers.
Une partie du personnel, suffisante pour la conduite ou la manoeuvre du bateau, train ou radeau, doit rester à bord pendant le passage.
L'éclusier et le pontier ont seul le droit de manoeuvrer les appareils des écluses, des barrages et des ponts.
Il peuvent, toutefois, pour cette manoeuvre, demander l'assistance des aides ou des mariniers.
Une partie du personnel, suffisante pour la conduite ou la manoeuvre du bateau, train ou radeau, doit rester à bord pendant le passage.
Art.27. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Bij de toegangen tot en bij de doorvaart van sluizen en bruggen, zijn de schippers gehouden de bevelen der sluis- en brugwachters na te komen en zich te voegen naar de seinen die aanduiden of de weg vrij is.
Bij de toegangen tot en bij de doorvaart van sluizen en bruggen, zijn de schippers gehouden de bevelen der sluis- en brugwachters na te komen en zich te voegen naar de seinen die aanduiden of de weg vrij is.
Art.27. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Aux abords comme au passage des écluses et des ponts, les patrons sont tenus d'exécuter les ordres des éclusiers ou des pontiers et de se conformer aux signaux indiquant si le passage est libre.
Aux abords comme au passage des écluses et des ponts, les patrons sont tenus d'exécuter les ordres des éclusiers ou des pontiers et de se conformer aux signaux indiquant si le passage est libre.
Art.28. (§ 1.) (NOTA : § 1 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) <KB 12-01-1954, art. 1> De doorvaart van sluizen en beweegbare bruggen geschiedt onder voorbehoud van de volgende bepalingen, volgens de orde van aankomst der vaartuigen aan de stoppalen, die zich aan weerskanten van deze kunstwerken bevinden.
§ 2. (NOTA : § 2 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) Onverminderd het bepaalde in §6, hebben de hierna vermelde vaartuigen voorrang bij de doorvaart in de hierna aangegeven orde :
1° de vaartuigen, geladen met buskruit, schietkatoen, knalstoffen, dynamiet;
2° de vaartuigen, die het leger toebehoren of het helpen in zijn verrichtingen en zijn vervoer;
3° de vaartuigen van het bestuur waarop de nationale vlag is gehesen;
4° de vaartuigen die, met het bergingsmaterieel voor gezonken vaartuigen geladen, zich ter plaatse van het ongeval begeven en daartoe een vaarbewijs hebben, door de bevoegde ingenieur afgegeven;
5° de vaartuigen, gebruikt tot een geregelde vervoerdienst voor reizigers;
6° de vaartuigen met een lading van ten minste 50 ton of, voor vaartuigen van minder dan 100 ton, met een lading van ten minste de helft van het laadvermogen van het vaartuig, andere vloeibare brandstoffen dan die van groep K3, zoals zij omschreven zijn in de artikelen 1 en 2 van het bijzonder regelement betreffende het vervoer van vloeibare brandstoffen op de binnenwateren, gevoegd bij het besluit van de Regent van 1 augustus 1948;
7° de vaartuigen, gebruikt tot een geregelde vervoerdienst voor goederen (...); <KB 07-09-1950, art. 1, § 9>
8° (opgeheven) <AR 1998-01-21/36, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
De in 1°, 2°, 3°, 4° en 5° opgesomde vaartuigen hebben absolute voorrang. De in 6°, 7° en 8° opgesomde vaartuigen maken van hun voorrang slechts gebruik bij afwisseing met wachtende vaartuigen, met dien verstande dat het eerste voorranghebbende vaartuig na het eerste aan de stoppaal wachtende vaartuig aan de beurt komt.
De scheepvaartinspecteur kan de in 6° opgesomde vaartuigen het genot van hun voorrang ontnemen, zo hij vaststelt dat de vereiste hoeveelheid vloeibare brandstoffen slechts aan boord wordt gehouden om voorrang te krijgen.
§ 3. De Minister van Openbare Werken of zijn gemachtigde kan de vaartuigen in dringende gevallen, onder meer om in de bevoorrading van het land te voorzien of om ongevallen waarbij de scheepvaartwegen zijn betrokken, voorrang verlenen.
§ 4. (NOTA : § 4 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De gewone vaartuigen hebben recht van doorvaart vóór vlottreinen en vlotten, doch dezer doorvaart mag niet meer dan zes uur vertraagd worden.
§ 5. (NOTA : § 5 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De vaartuigen in sleep met of zonder sleepboot tellen slechts voor één eenheid. Zij worden geschut zonder tussenplaatsing van in dezelfde richting varende schepen.
§ 6. (NOTA : § 6 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) (De sluismeesters maken zoveel mogelijk gebruik van eenzelfde schutting om twee in tegenovergestelde richting varende vaartuigen door te laten.
Wanneer de te schutten vaartuigen te groot zijn om met twee of meer tegelijk geschut te worden, nemen de sluismeesters bij de schutting van een groot vaartuig één of meer vaartuigen van kleine afmetingen. De in § 2, 1°, opgesomde vaartuigen worden echter steeds afzonderlijk geschut.) <KB 1998-01-21/36, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
§ 7. (...) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 13°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 8. (NOTA : § 8 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) Geen voorrecht van doorvaren kan gelden tegenover vaartuigen die reeds binnen de kunstwerken varen.
Ieder vaartuig waarvan de voorsteven de stoppaal voorbij is, wordt beschouwd als het kunstwerk binnengevaren.
§ 9. (...) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 13°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. (NOTA : § 2 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) Onverminderd het bepaalde in §6, hebben de hierna vermelde vaartuigen voorrang bij de doorvaart in de hierna aangegeven orde :
1° de vaartuigen, geladen met buskruit, schietkatoen, knalstoffen, dynamiet;
2° de vaartuigen, die het leger toebehoren of het helpen in zijn verrichtingen en zijn vervoer;
3° de vaartuigen van het bestuur waarop de nationale vlag is gehesen;
4° de vaartuigen die, met het bergingsmaterieel voor gezonken vaartuigen geladen, zich ter plaatse van het ongeval begeven en daartoe een vaarbewijs hebben, door de bevoegde ingenieur afgegeven;
5° de vaartuigen, gebruikt tot een geregelde vervoerdienst voor reizigers;
6° de vaartuigen met een lading van ten minste 50 ton of, voor vaartuigen van minder dan 100 ton, met een lading van ten minste de helft van het laadvermogen van het vaartuig, andere vloeibare brandstoffen dan die van groep K3, zoals zij omschreven zijn in de artikelen 1 en 2 van het bijzonder regelement betreffende het vervoer van vloeibare brandstoffen op de binnenwateren, gevoegd bij het besluit van de Regent van 1 augustus 1948;
7° de vaartuigen, gebruikt tot een geregelde vervoerdienst voor goederen (...); <KB 07-09-1950, art. 1, § 9>
8° (opgeheven) <AR 1998-01-21/36, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
De in 1°, 2°, 3°, 4° en 5° opgesomde vaartuigen hebben absolute voorrang. De in 6°, 7° en 8° opgesomde vaartuigen maken van hun voorrang slechts gebruik bij afwisseing met wachtende vaartuigen, met dien verstande dat het eerste voorranghebbende vaartuig na het eerste aan de stoppaal wachtende vaartuig aan de beurt komt.
De scheepvaartinspecteur kan de in 6° opgesomde vaartuigen het genot van hun voorrang ontnemen, zo hij vaststelt dat de vereiste hoeveelheid vloeibare brandstoffen slechts aan boord wordt gehouden om voorrang te krijgen.
§ 3. De Minister van Openbare Werken of zijn gemachtigde kan de vaartuigen in dringende gevallen, onder meer om in de bevoorrading van het land te voorzien of om ongevallen waarbij de scheepvaartwegen zijn betrokken, voorrang verlenen.
§ 4. (NOTA : § 4 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De gewone vaartuigen hebben recht van doorvaart vóór vlottreinen en vlotten, doch dezer doorvaart mag niet meer dan zes uur vertraagd worden.
§ 5. (NOTA : § 5 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De vaartuigen in sleep met of zonder sleepboot tellen slechts voor één eenheid. Zij worden geschut zonder tussenplaatsing van in dezelfde richting varende schepen.
§ 6. (NOTA : § 6 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) (De sluismeesters maken zoveel mogelijk gebruik van eenzelfde schutting om twee in tegenovergestelde richting varende vaartuigen door te laten.
Wanneer de te schutten vaartuigen te groot zijn om met twee of meer tegelijk geschut te worden, nemen de sluismeesters bij de schutting van een groot vaartuig één of meer vaartuigen van kleine afmetingen. De in § 2, 1°, opgesomde vaartuigen worden echter steeds afzonderlijk geschut.) <KB 1998-01-21/36, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
§ 7. (...) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 13°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 8. (NOTA : § 8 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) Geen voorrecht van doorvaren kan gelden tegenover vaartuigen die reeds binnen de kunstwerken varen.
Ieder vaartuig waarvan de voorsteven de stoppaal voorbij is, wordt beschouwd als het kunstwerk binnengevaren.
§ 9. (...) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 13°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.28. (§ 1.) (NOTE : § 1 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi ) <AR 12 janv. 1954, art. 1> Le passage aux écluses et aux ponts mobiles a lieu suivant l'ordre d'arrivée des bateaux aux poteaux d'arrêt établis de part et d'autre de ces ouvrages, sous réserves des dispositions suivantes:
§ 2. (NOTE : § 2 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) Les embarcations désignées ci-dessous jouissent de la priorité de passage dans l'ordre indiqué ci-après, sans préjudice des dispositions du § 6:
1° Les bateaux chargés de poudre à tirer, de coton-poudre, de matières fulminantes, de dynamite;
2° Les bateaux appartenant à l'armée ou assistant celle-ci dans ses opérations et ses transports;
3° Les embarcations de l'administration à bord desquelles est arboré le pavillon national;
4° Les embarcations transportant le matériel de sauvetage de bateaux coulés bas, se rendant sur les lieux de l'accident et munies d'un laisser-passer délivré par l'ingénieur compétent;
5° Les bateaux affectés à un service régulier de transport de voyageurs;
6° Les bateaux chargés d'au moins 50 tonnes ou, pour les bateaux d'un tonnage inférieur à 100 tonnes, d'une quantité au moins égale à la moitié de la capacité du bateau, de liquides combustibles autres que ceux du groupe K3 tels qu'ils sont définis aux articles 1 et 2 du règlement particulier pour le transport de liquides combustibles sur les voies de navigation intérieure, annexé a l'arrêté du Régent du 1 août 1948;
7° Bateaux affectés à un service régulier de transport de marchandises (...); <AR 07-09-1950, art. 2, § 9>
8° (abrogé) <AR 1998-01-21/36, art. 3, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Les bateaux visés aux 1°, 2°, 3°, 4° et 5° jouissent de la priorité absolue. Les bateaux visés aux 6°, 7° et 8° n'exercent leur droit de priorité qu'en alternant avec les bateaux en attente, le premier bateau prioritaire ne prenant rang qu'après le premier bateau en attente au poteau d'arrêt.
L'inspecteur de la navigation peut retirer aux bateaux visés aux 6° le bénéfice de leur priorité s'il constate que la quantité requise de liquides combustibles n'est maintenue à leur bord qu'en vue de l'obtention de la priorité.
§ 3. Le Ministre des travaux publics ou son délégué est autorisé à accorder des priorités de passage aux bateaux en cas d'urgence, notamment en vue de pourvoi à l'approvisionnement du pays ou de parer à des accidents intéressant les voies d'eau.
§ 4. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) Les bateaux ordinaires ont le droit de passage avant les trains ou radeaux. Toutefois, le passage de ceux-ci ne peut être retardé de plus de six heures.
§ 5. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) Les bateaux en convoi avec ou sans remorqueur ne comptent que pour une unité et sont éclusés sans interposition de bateaux marchant dans le même sens.
§ 6. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) (Les éclusiers profitent autant que possible de la même éclusée pour faire passer deux bâtiments marchant en sens contraire.
Lorsque les bateaux à écluser sont trop grands pour être sassés à deux ou à plusieurs à la fois, les éclusiers incluent dans le sassement d'un grand bateau un ou plusieurs bateaux de petites dimensions. Les bateaux visés au § 2, 1°, sont toutefois toujours éclusés isolément.) <AR 1998-01-21/36, art. 3, 005; En vigueur : 01-04-1998>
§ 7. (...) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 13°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
§ 8. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) Aucun droit de trématage ne peut être exercé à l'égard des bateaux déjà engagés dans les ouvrages d'art.
Tout bateau dont la proue a dépassé le poteau d'arrêt est considéré comme engagé dans l'ouvrage.
§ 9. (...) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 14°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
§ 2. (NOTE : § 2 abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
1° Les bateaux chargés de poudre à tirer, de coton-poudre, de matières fulminantes, de dynamite;
2° Les bateaux appartenant à l'armée ou assistant celle-ci dans ses opérations et ses transports;
3° Les embarcations de l'administration à bord desquelles est arboré le pavillon national;
4° Les embarcations transportant le matériel de sauvetage de bateaux coulés bas, se rendant sur les lieux de l'accident et munies d'un laisser-passer délivré par l'ingénieur compétent;
5° Les bateaux affectés à un service régulier de transport de voyageurs;
6° Les bateaux chargés d'au moins 50 tonnes ou, pour les bateaux d'un tonnage inférieur à 100 tonnes, d'une quantité au moins égale à la moitié de la capacité du bateau, de liquides combustibles autres que ceux du groupe K3 tels qu'ils sont définis aux articles 1 et 2 du règlement particulier pour le transport de liquides combustibles sur les voies de navigation intérieure, annexé a l'arrêté du Régent du 1 août 1948;
7° Bateaux affectés à un service régulier de transport de marchandises (...); <AR 07-09-1950, art. 2, § 9>
8° (abrogé) <AR 1998-01-21/36, art. 3, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Les bateaux visés aux 1°, 2°, 3°, 4° et 5° jouissent de la priorité absolue. Les bateaux visés aux 6°, 7° et 8° n'exercent leur droit de priorité qu'en alternant avec les bateaux en attente, le premier bateau prioritaire ne prenant rang qu'après le premier bateau en attente au poteau d'arrêt.
L'inspecteur de la navigation peut retirer aux bateaux visés aux 6° le bénéfice de leur priorité s'il constate que la quantité requise de liquides combustibles n'est maintenue à leur bord qu'en vue de l'obtention de la priorité.
§ 3. Le Ministre des travaux publics ou son délégué est autorisé à accorder des priorités de passage aux bateaux en cas d'urgence, notamment en vue de pourvoi à l'approvisionnement du pays ou de parer à des accidents intéressant les voies d'eau.
§ 4. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
§ 5. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
§ 6. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
Lorsque les bateaux à écluser sont trop grands pour être sassés à deux ou à plusieurs à la fois, les éclusiers incluent dans le sassement d'un grand bateau un ou plusieurs bateaux de petites dimensions. Les bateaux visés au § 2, 1°, sont toutefois toujours éclusés isolément.) <AR 1998-01-21/36, art. 3, 005; En vigueur : 01-04-1998>
§ 7. (...) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 13°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
§ 8. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
Tout bateau dont la proue a dépassé le poteau d'arrêt est considéré comme engagé dans l'ouvrage.
§ 9. (...) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 14°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.29. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Zeilvaartuigen strijken de zeilen op ten minste 200 meter van bruggen en sluizen.
Zeilvaartuigen strijken de zeilen op ten minste 200 meter van bruggen en sluizen.
Art.29. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Les bateaux marchant à la voile doivent amener celle-ci complètement à 200 mètres au moins des ponts et des écluses.
Les bateaux marchant à la voile doivent amener celle-ci complètement à 200 mètres au moins des ponts et des écluses.
Art.30. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
De Minister van Openbare Werken mag de bediening van beweegbare bruggen en sluizen door bijzondere besluiten regelen.
Bovendien regelt hij, zo nodig, het verkeer op de bruggen en loopbrugjes van den Staat.
De afkondiging van dergelijke ministerieele besluiten geschiedt bij wijze van plakbrieven aan voormelde bruggen, loopbrugjes en sluizen.
De Minister van Openbare Werken mag de bediening van beweegbare bruggen en sluizen door bijzondere besluiten regelen.
Bovendien regelt hij, zo nodig, het verkeer op de bruggen en loopbrugjes van den Staat.
De afkondiging van dergelijke ministerieele besluiten geschiedt bij wijze van plakbrieven aan voormelde bruggen, loopbrugjes en sluizen.
Art.30. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Le Ministre des Travaux publics peut, par des arrêtés spéciaux, régler la manoeuvre des ponts mobiles et des écluses.
Il peut, en outre, en cas de besoin, régler la circulation sur les ponts et passerelles appartenant à l'Etat.
La publication des arrêtés ministériels de l'espèce a lieu par voie d'affiches apposées aux ponts, passerelles et écluses précités.
Le Ministre des Travaux publics peut, par des arrêtés spéciaux, régler la manoeuvre des ponts mobiles et des écluses.
Il peut, en outre, en cas de besoin, régler la circulation sur les ponts et passerelles appartenant à l'Etat.
La publication des arrêtés ministériels de l'espèce a lieu par voie d'affiches apposées aux ponts, passerelles et écluses précités.
Art.31. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Beweegbare spoorwegbruggen mogen niet geopend worden, wanneer een trein in het zicht is of op het punt is aan te komen.
Beweegbare spoorwegbruggen mogen niet geopend worden, wanneer een trein in het zicht is of op het punt is aan te komen.
Art.31. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
L'ouverture des ponts mobiles de chemin de fer ne peut avoir lieu si un train est en vue ou sur le point d'arriver.
L'ouverture des ponts mobiles de chemin de fer ne peut avoir lieu si un train est en vue ou sur le point d'arriver.
Art.32. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
De beweegbare bruggen worden slechts geopend, wanneer dit voor het doorvaren der vaartuigen onontbeerlijk is; dienvolgens moeten de schippers, desvoorkomend en indien dit mogelijk is, hun mast strijken of wegnemen.
De beweegbare bruggen worden slechts geopend, wanneer dit voor het doorvaren der vaartuigen onontbeerlijk is; dienvolgens moeten de schippers, desvoorkomend en indien dit mogelijk is, hun mast strijken of wegnemen.
Art.32. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Les ponts mobiles ne sont manoeuvrés que lorsque cette opération est indispensable pour permettre le passage des bateaux; en conséquence, les patrons doivent abaisser ou enlever leur mât, le cas échéant, si la chose est possible.
Les ponts mobiles ne sont manoeuvrés que lorsque cette opération est indispensable pour permettre le passage des bateaux; en conséquence, les patrons doivent abaisser ou enlever leur mât, le cas échéant, si la chose est possible.
Art.33. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Telkens als twee vaartuigen of een sleep vaartuigen door een brug gevaren zijn, mag deze gesloten worden, om doortocht aan voetgangers of rijtuigen te verlenen.
Telkens als twee vaartuigen of een sleep vaartuigen door een brug gevaren zijn, mag deze gesloten worden, om doortocht aan voetgangers of rijtuigen te verlenen.
Art.33. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Chaque fois que deux bateaux ou qu'une rame de bateaux remorqués ont traversé un pont, celui-ci peut être fermé pour livrer passage aux piétons et aux voitures.
Chaque fois que deux bateaux ou qu'une rame de bateaux remorqués ont traversé un pont, celui-ci peut être fermé pour livrer passage aux piétons et aux voitures.
Art.34. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
De vaartuigen, vlottreinen of vlotten mogen niet langer in de sluis blijven dan volstrekt nodig is voor het schutten.
De vaartuigen, vlottreinen of vlotten mogen niet langer in de sluis blijven dan volstrekt nodig is voor het schutten.
Art.34. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Les bateaux, trains ou radeaux ne peuvent rester dans les écluses que pendant le temps strictement nécessaire à la manoeuvre.
Les bateaux, trains ou radeaux ne peuvent rester dans les écluses que pendant le temps strictement nécessaire à la manoeuvre.
HOOFDSTUK III. - Vervoeren van buskruit en andere gevaarlijke stoffen.
CHAPITRE III. - Transport des poudres et autres matières dangereuses.
Art.35. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 15°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.35. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 15°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 35bis. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 16°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 35bis. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 16°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
HOOFDSTUK IV. - (Vrij doorvaren van de vaartuigen van het leger en van de Nationale Dienst voor vervoer over binnenwateren (N.D.V.B.))
CHAPITRE IV. - (Libre passage des bateaux de l'armée et de l'Office national des transports par eaux intérieures (O.N.A.T.I.)).
Art.36. <KB 26-08-1939, art. 7> De doorvaart van de vaartuigen van het leger wordt geregeld bij het koninklijk besluit van 28 December 1877 en die van de vaartuigen van de Nationale Dienst voor vervoer over de binnenwateren bij het koninklijk besluit van 26 augustus 1939.
Art.36. <AR 26-08-1939, art. 7> Le passage des bateaux de l'armée est réglé par l'arrêté royal du 28 décembre 1877 et celui des bateaux de l'Office national des transports par eaux intérieures par l'arrêté royal du 26 août 1939.
HOOFDSTUK V. - Stilliggen, laden, lossen, haven, verhalen en scheepvaartstremming.
CHAPITRE V. - Stationnement, chargement, déchargement, port, garage et chômage.
Art.37. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 17°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.37. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 17°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.38. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Stilliggende vaartuigen moeten aan beide uiteinden vastgemeerd zijn; in de langs het jaagpad gelegen havens moeten hun beweegbare masten gestreken zijn;
De vaartuigen die gemachtigd zijn in de panden stil te liggen, moeten zich op één rij schikken, langs den oever aan de overzijde van het jaagpad.
Stilliggende vaartuigen moeten aan beide uiteinden vastgemeerd zijn; in de langs het jaagpad gelegen havens moeten hun beweegbare masten gestreken zijn;
De vaartuigen die gemachtigd zijn in de panden stil te liggen, moeten zich op één rij schikken, langs den oever aan de overzijde van het jaagpad.
Art.38. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Les bateaux en stationnement sont amarrés à leurs deux extrémités; dans les ports du côté du chemin de halage, ils tiennent leurs mâts mobiles baissés.
Les bateaux autorisés à stationner dans les biefs doivent se placer sur un seul rang, du côte opposé au halage.
Les bateaux en stationnement sont amarrés à leurs deux extrémités; dans les ports du côté du chemin de halage, ils tiennent leurs mâts mobiles baissés.
Les bateaux autorisés à stationner dans les biefs doivent se placer sur un seul rang, du côte opposé au halage.
Art.39. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Het meren geschiedt slechts aan de palen, dukdalven en ringen die daartoe bestemd zijn en bij gebrek waaraan de vaartuigen hun katanker mogen gebruiken.
Het meren geschiedt slechts aan de palen, dukdalven en ringen die daartoe bestemd zijn en bij gebrek waaraan de vaartuigen hun katanker mogen gebruiken.
Art.39. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
L'amarrage ne peut se faire qu'aux poteaux, bornes, ducs d'Albe ou anneaux à ce destinés et à défaut desquels les bateaux peuvent être fixés sur leur empennelle.
L'amarrage ne peut se faire qu'aux poteaux, bornes, ducs d'Albe ou anneaux à ce destinés et à défaut desquels les bateaux peuvent être fixés sur leur empennelle.
Art.40. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
De schippers zijn gehouden onmiddellijk de bevelen uit te voeren, die hun gegeven worden door de agenten van den waterweg, voor het plaatsen en verhalen der vaartuigen aan de kaaien, alsook voor het ankeren en meren der stilliggende vaartuigen. Het is verboden de meertrouwen of kettingen in het water te gooien of te laten slepen.
De schippers zijn gehouden onmiddellijk de bevelen uit te voeren, die hun gegeven worden door de agenten van den waterweg, voor het plaatsen en verhalen der vaartuigen aan de kaaien, alsook voor het ankeren en meren der stilliggende vaartuigen. Het is verboden de meertrouwen of kettingen in het water te gooien of te laten slepen.
Art.40. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Les patrons sont tenus d'exécuter immédiatement les ordres qui leur sont donnés par les agents de la voie navigable pour tout ce qui concerne le placement et le déplacement des bateaux à quai, ainsi que l'ancrage et l'amarrage des bateaux en stationnement. Ils ne peuvent ni lancer à l'eau, ni laisser traîner les amarres.
Les patrons sont tenus d'exécuter immédiatement les ordres qui leur sont donnés par les agents de la voie navigable pour tout ce qui concerne le placement et le déplacement des bateaux à quai, ainsi que l'ancrage et l'amarrage des bateaux en stationnement. Ils ne peuvent ni lancer à l'eau, ni laisser traîner les amarres.
Art.41. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 18°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.41. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 18°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.42. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Wanneer de havens langs het jaagpad liggen, mogen de vaartuigen er niet langer vertoeven dan noodig is voor het laden of lossen. Zodra deze werkzaamheden geëindigd of onderbroken zijn, moet het vaartuig aan den overkant gaan meren of het ruim kiezen.
Wanneer de havens langs het jaagpad liggen, mogen de vaartuigen er niet langer vertoeven dan noodig is voor het laden of lossen. Zodra deze werkzaamheden geëindigd of onderbroken zijn, moet het vaartuig aan den overkant gaan meren of het ruim kiezen.
Art.42. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Lorsque les ports sont du côté du halage, les bateaux n'y restent que pendant le temps strictement nécessaire pour leur chargement ou leur déchargement. Dès que ces opérations sont terminées ou interrompues, les bateaux s'amarrent du côté opposé ou prennent le large.
Lorsque les ports sont du côté du halage, les bateaux n'y restent que pendant le temps strictement nécessaire pour leur chargement ou leur déchargement. Dès que ces opérations sont terminées ou interrompues, les bateaux s'amarrent du côté opposé ou prennent le large.
Art.43. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 19°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.43. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 19°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.44. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Vlottreinen en vlotten mogen in der havens niet blijven liggen.
Binnen acht en veertig uren na hun aankomst ter plaats van bestemming, worden ze losgemaakt en aan wal getrokken, behalve mits bijzondere toelating van den hoofdingenieur-directeur van het ressort. Deze verrichtingen geschieden zonder dat de scheepvaart er door gehinderd wordt.
Vlottreinen en vlotten mogen in der havens niet blijven liggen.
Binnen acht en veertig uren na hun aankomst ter plaats van bestemming, worden ze losgemaakt en aan wal getrokken, behalve mits bijzondere toelating van den hoofdingenieur-directeur van het ressort. Deze verrichtingen geschieden zonder dat de scheepvaart er door gehinderd wordt.
Art.44. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Les trains et radeaux ne peuvent pas séjourner dans les ports.
Dans les quarante-huit heures de leur arrivée à destination, à moins d'une autorisation spéciale de l'ingénieur en chef directeur du ressort, ils sont démontés et tirés sur la rive. Ces opérations s'effectuent de manière à ne pas gêner la navigation.
Les trains et radeaux ne peuvent pas séjourner dans les ports.
Dans les quarante-huit heures de leur arrivée à destination, à moins d'une autorisation spéciale de l'ingénieur en chef directeur du ressort, ils sont démontés et tirés sur la rive. Ces opérations s'effectuent de manière à ne pas gêner la navigation.
Art.45. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Gedurende het stilliggen, worden de vlottreinen en vlotten stevig gemeerd aan den oever, liggende op den overkant van dien waar doorgaans getrokken wordt.
Gedurende het stilliggen, worden de vlottreinen en vlotten stevig gemeerd aan den oever, liggende op den overkant van dien waar doorgaans getrokken wordt.
Art.45. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Pendant leur stationnement, les trains et radeaux sont solidement amarrés à la rive opposée a celle qui sert généralement au halage.
Pendant leur stationnement, les trains et radeaux sont solidement amarrés à la rive opposée a celle qui sert généralement au halage.
Art.46. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Barst er brand aan boord uit, dan geeft de schipper onmiddellijk alarm en verwijdert zijn vaartuig uit de nabijheid van andere vaartuigen, remmingwerken en kunstwerken.
Barst er brand aan boord uit, dan geeft de schipper onmiddellijk alarm en verwijdert zijn vaartuig uit de nabijheid van andere vaartuigen, remmingwerken en kunstwerken.
Art.46. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Si un incendie se déclare à bord, le patron donne immédiatement l'alarme et éloigne son bateau des autres bateaux, des estacades et des ouvrages d'art.
Si un incendie se déclare à bord, le patron donne immédiatement l'alarme et éloigne son bateau des autres bateaux, des estacades et des ouvrages d'art.
Art.47. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Bij vloed of wanneer het noodig is het water gansch of gedeeltelijk af te laten, worden de vaartuigen, vlottreinen of vlotten verhaald op plaatsen waar ze den vrijen loop van het water niet kunnen hinderen, noch schade veroorzaken. Ze worden stevig gemeerd door de zorgen en onder de verantwoordelijkheid der schippers. Desnoods worden ze verhaald op plaatsen, door de scheepvaartagenten aangeduid.
Deze bepaling is ook toepasselijk op bootjes en pleizierbooten, die het bestuur overigens op het droge mag doen trekken.
Bij vloed of wanneer het noodig is het water gansch of gedeeltelijk af te laten, worden de vaartuigen, vlottreinen of vlotten verhaald op plaatsen waar ze den vrijen loop van het water niet kunnen hinderen, noch schade veroorzaken. Ze worden stevig gemeerd door de zorgen en onder de verantwoordelijkheid der schippers. Desnoods worden ze verhaald op plaatsen, door de scheepvaartagenten aangeduid.
Deze bepaling is ook toepasselijk op bootjes en pleizierbooten, die het bestuur overigens op het droge mag doen trekken.
Art.47. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
En temps de crue ou s'il est nécessaire faire une baisse partielle ou totale des eaux, les bateaux, trains ou radeaux doivent se placer aux endroits où ils ne peuvent entraver le libre cours des eaux ni occasionner aucune dégradation. Ils sont solidement amarrés par les soins et sous la responsabilité des patrons. Au besoin, ils sont conduits aux endroits qui leur sont indiqués par les agents de la navigation.
Cette clause s'applique également aux barquettes et embarcations de plaisance que l'administration est, du reste, en droit de faire garer sur la terre ferme.
En temps de crue ou s'il est nécessaire faire une baisse partielle ou totale des eaux, les bateaux, trains ou radeaux doivent se placer aux endroits où ils ne peuvent entraver le libre cours des eaux ni occasionner aucune dégradation. Ils sont solidement amarrés par les soins et sous la responsabilité des patrons. Au besoin, ils sont conduits aux endroits qui leur sont indiqués par les agents de la navigation.
Cette clause s'applique également aux barquettes et embarcations de plaisance que l'administration est, du reste, en droit de faire garer sur la terre ferme.
Art. 47bis. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
(Ingevoegd bij R 18-09-1945, art. 1) Bij vriesweer zijn de eigenaars of schippers van vaartuigen verplicht het ijs, dat zich rondom hun schepen mocht vormen, te breken en gebroken te houden.
(Ingevoegd bij R 18-09-1945, art. 1) Bij vriesweer zijn de eigenaars of schippers van vaartuigen verplicht het ijs, dat zich rondom hun schepen mocht vormen, te breken en gebroken te houden.
Art. 47bis. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
En temps de gel, les propriétaires ou patrons des bateaux ont l'obligation de briser et de maintenir brisée la glace qui se formerait autour de leurs bateaux.
En temps de gel, les propriétaires ou patrons des bateaux ont l'obligation de briser et de maintenir brisée la glace qui se formerait autour de leurs bateaux.
Art.48. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Geen schadeloosstelling kan worden gevorderd wegens averij of scheepvaartstremming, veroorzaakt door gebrek aan voedingswater, door een ongeval of door maatregelen in het algemeen belang getroffen.
Geen schadeloosstelling kan worden gevorderd wegens averij of scheepvaartstremming, veroorzaakt door gebrek aan voedingswater, door een ongeval of door maatregelen in het algemeen belang getroffen.
Art.48. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Aucune indemnité ne peut être réclamée en raison des avaries ou des chômages provenant de la pénurie des eaux d'alimentation, d'une cause accidentelle ou de mesures ordonnées dans un but d'intérêt public.
Aucune indemnité ne peut être réclamée en raison des avaries ou des chômages provenant de la pénurie des eaux d'alimentation, d'une cause accidentelle ou de mesures ordonnées dans un but d'intérêt public.
HOOFDSTUK VI. - Verplichtingen der schippers wier vaartuigen gezonken zijn.
CHAPITRE VI. - Obligations des patrons dont les bateaux sont coulés bas.
Art.49. (NOTA : art. 49, 1 tot en met 3 opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) De schipper, wiens vaartuig gezonken is, moet het zo spoedig mogelijk vlotbrengen; zoniet wordt er hem een termijn aangewezen door den hoofdingenieur-directeur van het ressort, na verloop van welken desvoorkomend de noodige schikkingen van ambtswege, op zijn kosten en gevaar, genomen worden, overeenkomstig artikel 102 van dit reglement.
Onmiddellijk na het ongeval, verwittigt de schipper den scheepvaartagent die het dichtsbij woont. Verblijft geen agent binnen een omtrek van 10 kilometer, dan wordt langs den kortsten weg de hoofdingenieur-directeur of de ingenieur van het ressort gewaarschuwd.
De schipper plaatst boven of nabij het gezonken vaartuig een baak of boei, waarop 's daags een roode vlag staat en 's nachts een wit licht dat in alle richtingen verlicht.
(Vierde lid opgeheven) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 20°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Onmiddellijk na het ongeval, verwittigt de schipper den scheepvaartagent die het dichtsbij woont. Verblijft geen agent binnen een omtrek van 10 kilometer, dan wordt langs den kortsten weg de hoofdingenieur-directeur of de ingenieur van het ressort gewaarschuwd.
De schipper plaatst boven of nabij het gezonken vaartuig een baak of boei, waarop 's daags een roode vlag staat en 's nachts een wit licht dat in alle richtingen verlicht.
(Vierde lid opgeheven) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 20°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.49. (NOTE : art. 49, 1 à 3, abrogés en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi ) Tout patron dont le bateau est coulé bas est tenu de le remettre à flot le plus tôt possible; à défaut par lui de ce faire, un délai lui est assigné par l'ingénieur en chef directeur du ressort à l'expiration duquel, le cas échéant, des mesures sont prises d'office à ses frais, risques et périls, conformément à l'article 102 du présent règlement.
Immédiatement après l'accident, le patron en donne avis à l'agent de la navigation dont le domicile est le plus voisin. Si aucun agent n'habite dans un rayon de 10 kilomètres, l'avis est donné directement, par la voie la plus rapide, à l'ingénieur en chef directeur ou à l'ingénieur du ressort.
Le patron place au-dessus ou près du bateau coulé une balise ou bouée surmontée, durant le jour, d'un drapeau rouge, et durant la nuit, d'une lumière blanche éclairant dans toutes les directions.
(Alinéa 4 abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 20°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Immédiatement après l'accident, le patron en donne avis à l'agent de la navigation dont le domicile est le plus voisin. Si aucun agent n'habite dans un rayon de 10 kilomètres, l'avis est donné directement, par la voie la plus rapide, à l'ingénieur en chef directeur ou à l'ingénieur du ressort.
Le patron place au-dessus ou près du bateau coulé une balise ou bouée surmontée, durant le jour, d'un drapeau rouge, et durant la nuit, d'une lumière blanche éclairant dans toutes les directions.
(Alinéa 4 abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 20°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.50. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Zijn de schipper en de eigenaar van een gezonken vaartuig onbekend, dan verkoopt het bestuur het vaartuig of het wrak.
De opbrengst van den verkoop wordt, na aftrek der kosten voor berging, schatting en veiling, in de consignatiekas gestort, ter beschikking van de rechthebbenden.
Zijn de schipper en de eigenaar van een gezonken vaartuig onbekend, dan verkoopt het bestuur het vaartuig of het wrak.
De opbrengst van den verkoop wordt, na aftrek der kosten voor berging, schatting en veiling, in de consignatiekas gestort, ter beschikking van de rechthebbenden.
Art.50. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Si le patron et le propriétaire du bateau coule bas sont inconnus, le bateau ou ses débris sont mis en vente par l'administration.
Le produit de la vente, déduction faite des frais de sauvetage, d'expertise et de vente, est versé a la caisse des consignations à la disposition des ayants droit.
Si le patron et le propriétaire du bateau coule bas sont inconnus, le bateau ou ses débris sont mis en vente par l'administration.
Le produit de la vente, déduction faite des frais de sauvetage, d'expertise et de vente, est versé a la caisse des consignations à la disposition des ayants droit.
Art.51. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Bovenstaande bepalingen zijn toepasselijk op de lading van het gezonken vaartuig en op elk voorwerp dat in het bed van den waterweg achtergelaten is en de scheepvaart zou kunnen hinderen of het regiem van den waterloop schaden.
Bovenstaande bepalingen zijn toepasselijk op de lading van het gezonken vaartuig en op elk voorwerp dat in het bed van den waterweg achtergelaten is en de scheepvaart zou kunnen hinderen of het regiem van den waterloop schaden.
Art.51. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Les dispositions qui précèdent sont applicables à la cargaison du bateau coulé et à tout objet abandonné dans le lit des voies navigables et qui serait de nature à gêner la navigation ou à nuire au régime du cours d'eau.
Les dispositions qui précèdent sont applicables à la cargaison du bateau coulé et à tout objet abandonné dans le lit des voies navigables et qui serait de nature à gêner la navigation ou à nuire au régime du cours d'eau.
HOOFDSTUK VII. - Vaartuigen die een geregelde dienst onderhouden.
CHAPITRE VII. - Des bateaux faisant un service régulier.
Art.52. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Wordt als geregelde dienst beschouwd, de dienst van vaartuigen die op vastgestelde dagen en uren vertrekken en aankomen, en enkel in bepaalde havens aanleggen.
Wordt als geregelde dienst beschouwd, de dienst van vaartuigen die op vastgestelde dagen en uren vertrekken en aankomen, en enkel in bepaalde havens aanleggen.
Art.52. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Est qualifié régulier, le service des bateaux qui partent et arrivent à jours et à heures fixes et ne s'arrêtent qu'à des ports déterminés.
Est qualifié régulier, le service des bateaux qui partent et arrivent à jours et à heures fixes et ne s'arrêtent qu'à des ports déterminés.
Art.53. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 21°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.53. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 21°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 53bis. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 22°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 53bis. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 22°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.54. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 23°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.54. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 23°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.55. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
De uren van vertrek en aankomst worden aangeplakt aan de aanlegplaatsen, bruggen en sluishuizen.
Wanneer een dienst niet meer geregeld geschiedt, verliezen de daartoe behoorende vaartuigen de voorrechten welke dit reglement hun verleent.
De uren van vertrek en aankomst worden aangeplakt aan de aanlegplaatsen, bruggen en sluishuizen.
Wanneer een dienst niet meer geregeld geschiedt, verliezen de daartoe behoorende vaartuigen de voorrechten welke dit reglement hun verleent.
Art.55. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Le tableau des heures de départ et d'arrivée est affiché aux embarcadères, aux ponts et aux maisons éclusières.
Si un service perd son caractère de régularité, ses bateaux cessent de jouir des privilèges que le présent règlement leur accorde.
Le tableau des heures de départ et d'arrivée est affiché aux embarcadères, aux ponts et aux maisons éclusières.
Si un service perd son caractère de régularité, ses bateaux cessent de jouir des privilèges que le présent règlement leur accorde.
HOOFDSTUK VIII. - Motorboten en sleeptreinen.
CHAPITRE VIII. - Des bateaux à moteur et trains de bateaux remorqués.
Art.56. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 24°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.56. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 24°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.57. (Opgeheven) <KB 12-07-1957, art. 5>
Art.57. (Abrogé) <AR 12-07-1957, art. 5>
Art.58. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 07-09-1950, art. 2, § 11> De maximum-snelheid die voor motorvaartuigen wordt toegestaan, bedraagt per minuut en met betrekking tot de oever :
1° 70 m voor die welke geen gebruik maken van de bij artikel 1 bepaalde tolerantie betreffende de maximum-diepgang;
2° Eveneens 70 m voor die welke van deze tolerantie gebruik maken, maar van een vaste buiten de romp uitstekende schroef zijn voorzien;
3° 100 m voor die welke van voornoemde tolerantie gebruik maken en van een bijzondere inrichting tegen de golfslag zijn voorzien, zoals de schroef die binnen het vaartuig in een koker wordt geplaatst, of een inrichting waarmede men de schroef zover kan opheffen dat ze altijd ten minste 0m50 boven de toegestane maximum-diepgang is ingedompeld.
In afwijking van lid 1 bedraagt de toegestane maximum-snelheid voor alle vaartuigen die de rivieren afvaren 7 km per uur, dit is 116m66 per minuut.
In de bijzondere reglementen kunnen hogere of lagere maxima dan die van dit artikel worden vastgesteld. In zulke gevallen geven palen langs de scheepvaartwegen of vakken van scheepvaartwegen de maximum-snelheid op die er is toegestaan.
<KB 07-09-1950, art. 2, § 11> De maximum-snelheid die voor motorvaartuigen wordt toegestaan, bedraagt per minuut en met betrekking tot de oever :
1° 70 m voor die welke geen gebruik maken van de bij artikel 1 bepaalde tolerantie betreffende de maximum-diepgang;
2° Eveneens 70 m voor die welke van deze tolerantie gebruik maken, maar van een vaste buiten de romp uitstekende schroef zijn voorzien;
3° 100 m voor die welke van voornoemde tolerantie gebruik maken en van een bijzondere inrichting tegen de golfslag zijn voorzien, zoals de schroef die binnen het vaartuig in een koker wordt geplaatst, of een inrichting waarmede men de schroef zover kan opheffen dat ze altijd ten minste 0m50 boven de toegestane maximum-diepgang is ingedompeld.
In afwijking van lid 1 bedraagt de toegestane maximum-snelheid voor alle vaartuigen die de rivieren afvaren 7 km per uur, dit is 116m66 per minuut.
In de bijzondere reglementen kunnen hogere of lagere maxima dan die van dit artikel worden vastgesteld. In zulke gevallen geven palen langs de scheepvaartwegen of vakken van scheepvaartwegen de maximum-snelheid op die er is toegestaan.
Art.58. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 07-09-1950, art. 2, § 11> Les maxima de vitesse admis pour les bateaux à moteur sont, par minute et par rapport à la rive :
1° De 70 m pour ceux qui n'usent pas de la tolérance relative au maximum de tirant d'eau prévu à l'article 1er;
2° De 70 m aussi pour ceux qui usent de cette tolérance, mais sont munis d'une hélice fixe faisant saillie sur la coque;
3° De 100 m pour ceux qui usent de la dite tolérance et qui sont pourvus d'un dispositif spécial contre les remous, tel que l'hélice placée à l'intérieur du bateau dans un tunnel, ou un mécanisme permettant de relever l'hélice de telle manière qu'elle soit toujours immergée à 0m50 au moins au-dessus du maximum de tirant d'eau admis.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le maximum de vitesse admis est de 7 km à l'heure, soit 116m66 à la minute, pour tous les bateaux avalants sur les rivières.
Les règlements particuliers peuvent fixer des maxima supérieurs ou inférieurs à ceux du présent article. Dans ces cas, des poteaux placés le long des voies ou sections de voies navigables indiquent les maxima de vitesse qui y sont admis.
<AR 07-09-1950, art. 2, § 11> Les maxima de vitesse admis pour les bateaux à moteur sont, par minute et par rapport à la rive :
1° De 70 m pour ceux qui n'usent pas de la tolérance relative au maximum de tirant d'eau prévu à l'article 1er;
2° De 70 m aussi pour ceux qui usent de cette tolérance, mais sont munis d'une hélice fixe faisant saillie sur la coque;
3° De 100 m pour ceux qui usent de la dite tolérance et qui sont pourvus d'un dispositif spécial contre les remous, tel que l'hélice placée à l'intérieur du bateau dans un tunnel, ou un mécanisme permettant de relever l'hélice de telle manière qu'elle soit toujours immergée à 0m50 au moins au-dessus du maximum de tirant d'eau admis.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le maximum de vitesse admis est de 7 km à l'heure, soit 116m66 à la minute, pour tous les bateaux avalants sur les rivières.
Les règlements particuliers peuvent fixer des maxima supérieurs ou inférieurs à ceux du présent article. Dans ces cas, des poteaux placés le long des voies ou sections de voies navigables indiquent les maxima de vitesse qui y sont admis.
Art.59. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 07-09-1950, art. 2, § 12> De motorvaartuigen, die geen gebruik maken van de bij artikel 1 bepaalde tolerantie betreffende de maximum-diepgang en die door hun vorm, hun wijze van voortbeweging of hun geringe diepgang sneller kunnen varen dan bij artikel 58 is bepaald, zonder een nadelige golfslag te veroorzaken, mogen daartoe gemachtigd worden. Hun snelheid mag echter niet meer bedragen dan :
1° 100 m voor die van meer dan 90 ton;
2° 150 m voor die van 90 ton of minder, van 2m50 of meer breed of met een diepgang van 1 m of meer;
3° 200 m voor die van 90 ton of minder, van minder dan 2m50 breed en met een diepgang van minder dan 1 meter.
De machtiging wordt door de hoofdingenieur-directeur afgeleverd na proefnemingen in bijzijn en overeenkomstig de onderrichtingen der ingenieurs van bruggen en wegen. Zij kan te allen tijde worden ingetrokken. Het machtigingsbewijs moet op elke vordering van de agenten, belast met de politie en de instandhouding van de scheepvaartwegen, vertoond worden.
In de bijzondere reglementen kunnen hogere of lagere maxima dan die van dit artikel worden vastgesteld.
Alle snelheidswedstrijden tussen motorvaartuigen zijn verboden.
<KB 07-09-1950, art. 2, § 12> De motorvaartuigen, die geen gebruik maken van de bij artikel 1 bepaalde tolerantie betreffende de maximum-diepgang en die door hun vorm, hun wijze van voortbeweging of hun geringe diepgang sneller kunnen varen dan bij artikel 58 is bepaald, zonder een nadelige golfslag te veroorzaken, mogen daartoe gemachtigd worden. Hun snelheid mag echter niet meer bedragen dan :
1° 100 m voor die van meer dan 90 ton;
2° 150 m voor die van 90 ton of minder, van 2m50 of meer breed of met een diepgang van 1 m of meer;
3° 200 m voor die van 90 ton of minder, van minder dan 2m50 breed en met een diepgang van minder dan 1 meter.
De machtiging wordt door de hoofdingenieur-directeur afgeleverd na proefnemingen in bijzijn en overeenkomstig de onderrichtingen der ingenieurs van bruggen en wegen. Zij kan te allen tijde worden ingetrokken. Het machtigingsbewijs moet op elke vordering van de agenten, belast met de politie en de instandhouding van de scheepvaartwegen, vertoond worden.
In de bijzondere reglementen kunnen hogere of lagere maxima dan die van dit artikel worden vastgesteld.
Alle snelheidswedstrijden tussen motorvaartuigen zijn verboden.
Art.59. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 07-09-1950, art. 2, § 12> Les bateaux à moteur qui n'usent pas de la tolérance relative au maximum de tirant d'eau prévue à l'article 1er, et qui, par leur forme, leur mode de propulsion ou leur faible tirant d'eau, sont capables, sans provoquer d'ondulations nuisibles, de marcher à des vitesses supérieures à celles de l'article 58, peuvent être autorisés à le faire, sans que leur vitesse puisse dépasser :
1° 100 m, pour ceux de plus de 90 tonnes;
2° 150 m, pour ceux de 90 tonnes ou moins, larges de 2m50 ou plus, ou tirant 1 m ou plus;
3° 200 m, pour ceux de 90 tonnes ou moins, larges de moins de 2m50 et tirant moins d'un mètre.
L'autorisation est délivrée, après expériences faites sous les yeux et conformément aux instructions des ingénieurs des ponts et chaussées, par l'ingénieur en chef-directeur. Elle est révocable en tout temps. Le titre d'autorisation doit être présenté à toute réquisition des agents préposés à la police et à la conservation des voies navigables.
Les règlements particuliers peuvent fixer des maxima supérieurs ou inférieurs à ceux du présent article.
Toute course de vitesse entre bateaux à moteur est interdite.
<AR 07-09-1950, art. 2, § 12> Les bateaux à moteur qui n'usent pas de la tolérance relative au maximum de tirant d'eau prévue à l'article 1er, et qui, par leur forme, leur mode de propulsion ou leur faible tirant d'eau, sont capables, sans provoquer d'ondulations nuisibles, de marcher à des vitesses supérieures à celles de l'article 58, peuvent être autorisés à le faire, sans que leur vitesse puisse dépasser :
1° 100 m, pour ceux de plus de 90 tonnes;
2° 150 m, pour ceux de 90 tonnes ou moins, larges de 2m50 ou plus, ou tirant 1 m ou plus;
3° 200 m, pour ceux de 90 tonnes ou moins, larges de moins de 2m50 et tirant moins d'un mètre.
L'autorisation est délivrée, après expériences faites sous les yeux et conformément aux instructions des ingénieurs des ponts et chaussées, par l'ingénieur en chef-directeur. Elle est révocable en tout temps. Le titre d'autorisation doit être présenté à toute réquisition des agents préposés à la police et à la conservation des voies navigables.
Les règlements particuliers peuvent fixer des maxima supérieurs ou inférieurs à ceux du présent article.
Toute course de vitesse entre bateaux à moteur est interdite.
Art. 59bis. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<INGEVOEGD bij KB 03-10-1986, art. 5> De motorvaartuigen die door hun vorm, hun voortbewegingsmiddelen of hun geringe diepgang, met hoge snelheid kunnen varen, kunnen gemachtigd worden om zelfs buiten de vakken voor hoge snelheid, vastgesteld door de minister die het Bestuur der Waterwegen in zijn bevoegdheid heeft, algemene proefnemingen te doen of snelheidstests uit te voeren met hogere dan de bij de artikels 58 en 59 van dit reglement of de bij de bijzondere reglementen vastgestelde snelheden.
De proefnemingen en de tests moeten van korte duur zijn. De machtiging wordt verleend door de hoofdingenieur-directeur van het gebied die er de modaliteiten van vaststelt. Zij kan ten allen tijde worden ingetrokken.
<INGEVOEGD bij KB 03-10-1986, art. 5> De motorvaartuigen die door hun vorm, hun voortbewegingsmiddelen of hun geringe diepgang, met hoge snelheid kunnen varen, kunnen gemachtigd worden om zelfs buiten de vakken voor hoge snelheid, vastgesteld door de minister die het Bestuur der Waterwegen in zijn bevoegdheid heeft, algemene proefnemingen te doen of snelheidstests uit te voeren met hogere dan de bij de artikels 58 en 59 van dit reglement of de bij de bijzondere reglementen vastgestelde snelheden.
De proefnemingen en de tests moeten van korte duur zijn. De machtiging wordt verleend door de hoofdingenieur-directeur van het gebied die er de modaliteiten van vaststelt. Zij kan ten allen tijde worden ingetrokken.
Art. 59bis. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Les bateaux à moteur qui, par leur forme, leur mode de propulsion ou leur faible tirant d'eau, sont susceptibles de se déplacer à grande vitesse, peuvent recevoir l'autorisation de faire, même en dehors des pistes à grandes vitesses fixées par le ministre qui a l'Administration des Voies hydrauliques dans ses attributions, des essais en général ou des tests de vitesses supérieures à celles fixées par les articles 58 et 59 du présent règlement ou à celles fixées par les règlements particuliers.
Les essais et les tests doivent être de courte durée. L'autorisation est donnée par l'ingénieur en chef-directeur du ressort qui en fixe les modalités. Elle est révocable en tout temps.
Les bateaux à moteur qui, par leur forme, leur mode de propulsion ou leur faible tirant d'eau, sont susceptibles de se déplacer à grande vitesse, peuvent recevoir l'autorisation de faire, même en dehors des pistes à grandes vitesses fixées par le ministre qui a l'Administration des Voies hydrauliques dans ses attributions, des essais en général ou des tests de vitesses supérieures à celles fixées par les articles 58 et 59 du présent règlement ou à celles fixées par les règlements particuliers.
Les essais et les tests doivent être de courte durée. L'autorisation est donnée par l'ingénieur en chef-directeur du ressort qui en fixe les modalités. Elle est révocable en tout temps.
Art.60. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Alle overtredingen van de voorschriften der artikelen 58 en 59 worden niet alleen gestraft, zoals bij artikel 100 van dit reglement bepaald is, maar kunnen tevens aanleiding geven tot ophouden van het vaartuig bij de eerste beweegbare brug of voor de eerste sluis die het moet doorvaren, gedurende het dubbel van den tijd, ingewonnen door de overdreven snelheid.
Alle overtredingen van de voorschriften der artikelen 58 en 59 worden niet alleen gestraft, zoals bij artikel 100 van dit reglement bepaald is, maar kunnen tevens aanleiding geven tot ophouden van het vaartuig bij de eerste beweegbare brug of voor de eerste sluis die het moet doorvaren, gedurende het dubbel van den tijd, ingewonnen door de overdreven snelheid.
Art.60. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Toutes dérogations aux articles 58 et 59 sont passibles non seulement des peines comminées par l'article 100 du présent règlement, mais peuvent en outre donner lieu à l'arrêt du bateau devant le premier pont mobile ou devant la première écluse qu'il a à franchir, pendant un laps de temps double de celui qui a été gagné par un excès de vitesse.
Toutes dérogations aux articles 58 et 59 sont passibles non seulement des peines comminées par l'article 100 du présent règlement, mais peuvent en outre donner lieu à l'arrêt du bateau devant le premier pont mobile ou devant la première écluse qu'il a à franchir, pendant un laps de temps double de celui qui a été gagné par un excès de vitesse.
Art.61. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Het verkeer van motorboten die een nadeeligen golfslag veroorzaken, kan voorloopig door den hoofdingenieur-directeur van het ressort en voorgoed door den Minister van Openbare Werken verboden worden.
Het verkeer van motorboten die een nadeeligen golfslag veroorzaken, kan voorloopig door den hoofdingenieur-directeur van het ressort en voorgoed door den Minister van Openbare Werken verboden worden.
Art.61. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
La circulation des bateaux à moteur occasionnant des ondulations nuisibles peut être interdite provisoirement par l'ingénieur en chef directeur du ressort et définitivement par le Ministre des Travaux publics.
La circulation des bateaux à moteur occasionnant des ondulations nuisibles peut être interdite provisoirement par l'ingénieur en chef directeur du ressort et définitivement par le Ministre des Travaux publics.
Art.62. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 25°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.62. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 25°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.63. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 26°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.63. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 26°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.64. Ingetrokken.
Art.64. (Abrogé.)
Art.65. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Het is verboden de sintels der machinevuren in het water te werpen. Die worden behouden tot op de plaats van bestemming van de boot en op elke vordering der agenten van het bestuur getoond.
Het is verboden de sintels der machinevuren in het water te werpen. Die worden behouden tot op de plaats van bestemming van de boot en op elke vordering der agenten van het bestuur getoond.
Art.65. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Il est défendu de jeter dans la voie navigable les restes des feux des machines. Ces restes doivent être conservés jusqu'à l'arrivée à destination du bateau et être montrés à toute réquisition des agents de l'administration.
Il est défendu de jeter dans la voie navigable les restes des feux des machines. Ces restes doivent être conservés jusqu'à l'arrivée à destination du bateau et être montrés à toute réquisition des agents de l'administration.
Art.66. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 27°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.66. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 27°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
TITEL II. - (INSCHRIJVEN, METEN EN SLOPEN DER VAARTUIGEN. - SCHEEPVAARTRECHTEN.)
TITRE II. - (INSCRIPTION, JAUGEAGE ET DECHIRAGE DES BATEAUX. - DROITS DE NAVIGATION.)
HOOFDSTUK I. - (Inschrijven, meten en slopen der vaartuigen.)
CHAPITRE I. - (Inscription, jaugeage et déchirage des bateaux.)
Art.67. (1. (De vaartuigen worden gemeten door ambtenaren van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart, die tot scheepsmeter zijn aangesteld door de Minister die de Maritieme Zaken en de Scheepvaart in zijn bevoegdheid heeft. De vaartuigen kunnen ook worden gemeten door andere personen of organisaties, die daartoe zijn gemachtigd door dezelfde Minister. Deze kan de scheepsmeters ontheffen van hun functie of de machtiging intrekken van de personen of organisaties die belast zijn met de uitvoering van de scheepsmeting.) <KB 1998-01-21/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
De vaartuigen worden in de regel gemeten op de plaatsen, aangeduid in de bijzondere reglementen. Op aanvraag van de eigenaar of van diens gemachtigde en met de toestemming van de Hoofdingenieur-Directeur van Bruggen en Wegen van het gebied of van diens gemachtigde kunnen ze evenwel op andere plaatsen worden gemeten. In dat geval wordt de juiste plaats van meting bepaald door de scheepsmeter die met de meetverrichtingen is belast.) <KB 12-07-1957, art. 6>
2. (opgeheven) <KB 1998-01-21/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
3. (De Minister die de Maritieme Zaken en de Scheepvaart in zijn bevoegdheid heeft, stelt de regels vast voor de organisatie van de scheepsmeting, bepaalt de plaats en de organisatie van de inschrijvingskantoren en het model van de meetbrief.) <KB 1998-01-21/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
4. Het meten van zeeschepen wordt geregeld bij de wet van 20 Juni 1883 en bij de koninklijke besluiten van 27 Augustus 1883 en 2 December 1897.
5. Het meten van vlottreinen en vlotten geschiedt kosteloos door den ontvanger van het eerste kantoor der scheepvaartrechten waar ze aankomen. Deze meting wordt nagezien door den ontvanger van het laatste kantoor. Vlottreinen en vlotten zijn niet onderworpen aan de verplichting der inschrijving.
De vaartuigen worden in de regel gemeten op de plaatsen, aangeduid in de bijzondere reglementen. Op aanvraag van de eigenaar of van diens gemachtigde en met de toestemming van de Hoofdingenieur-Directeur van Bruggen en Wegen van het gebied of van diens gemachtigde kunnen ze evenwel op andere plaatsen worden gemeten. In dat geval wordt de juiste plaats van meting bepaald door de scheepsmeter die met de meetverrichtingen is belast.) <KB 12-07-1957, art. 6>
2. (opgeheven) <KB 1998-01-21/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
3. (De Minister die de Maritieme Zaken en de Scheepvaart in zijn bevoegdheid heeft, stelt de regels vast voor de organisatie van de scheepsmeting, bepaalt de plaats en de organisatie van de inschrijvingskantoren en het model van de meetbrief.) <KB 1998-01-21/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
4. Het meten van zeeschepen wordt geregeld bij de wet van 20 Juni 1883 en bij de koninklijke besluiten van 27 Augustus 1883 en 2 December 1897.
5. Het meten van vlottreinen en vlotten geschiedt kosteloos door den ontvanger van het eerste kantoor der scheepvaartrechten waar ze aankomen. Deze meting wordt nagezien door den ontvanger van het laatste kantoor. Vlottreinen en vlotten zijn niet onderworpen aan de verplichting der inschrijving.
Art.67. (1. (Les bateaux sont jaugés par des fonctionnaires de l'Administration des Affaires maritimes et de la Navigation, désignés comme experts-jaugeurs par le Ministre qui a les Affaires maritimes et la Navigation dans ses attributions. Ils peuvent aussi être jaugés par d'autres personnes ou organismes habilités à cet effet par ce même Ministre. Celui-ci peut relever les experts-jaugeurs de leur fonction ou retirer l'autorisation délivrée aux personnes ou aux organismes chargés de l'exécution du jaugeage.) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Les bateaux sont jaugés normalement aux endroits qu'indiquent les règlements particuliers. Ils peuvent, toutefois, être jaugés en d'autres endroits, à la demande du propriétaire ou de son délégué et moyennant l'accord de l'ingénieur en chef-directeur des Ponts et Chaussées du ressort ou de son délégué. Dans chaque cas, l'emplacement précis ou s'effectue le jaugeage est déterminé par l'expert-jaugeur chargé de l'opération.) <AR 12-07-1957, art. 6>
2. (abrogé) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
3. (Le Ministre qui a les Affaires maritimes et la Navigation dans ses attributions fixe les règles d'organisation du jaugeage, détermine les emplacements et l'organisation des bureaux d'inscription et le modèle du certificat de jaugeage.) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
4. Le jaugeage des navires de mer est réglé par la loi du 20 juin 1883 et par les arrêtés royaux du 27 août 1883 et du 2 décembre 1897.
5. Le cubage des trains et radeaux se fait gratis par le percepteur du premier bureau des droits de navigation rencontré. Ce cubage est vérifié par le receveur des droits de navigation du dernier bureau. Les trains et radeaux ne sont pas soumis à l'obligation de l'inscription.
Les bateaux sont jaugés normalement aux endroits qu'indiquent les règlements particuliers. Ils peuvent, toutefois, être jaugés en d'autres endroits, à la demande du propriétaire ou de son délégué et moyennant l'accord de l'ingénieur en chef-directeur des Ponts et Chaussées du ressort ou de son délégué. Dans chaque cas, l'emplacement précis ou s'effectue le jaugeage est déterminé par l'expert-jaugeur chargé de l'opération.) <AR 12-07-1957, art. 6>
2. (abrogé) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
3. (Le Ministre qui a les Affaires maritimes et la Navigation dans ses attributions fixe les règles d'organisation du jaugeage, détermine les emplacements et l'organisation des bureaux d'inscription et le modèle du certificat de jaugeage.) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
4. Le jaugeage des navires de mer est réglé par la loi du 20 juin 1883 et par les arrêtés royaux du 27 août 1883 et du 2 décembre 1897.
5. Le cubage des trains et radeaux se fait gratis par le percepteur du premier bureau des droits de navigation rencontré. Ce cubage est vérifié par le receveur des droits de navigation du dernier bureau. Les trains et radeaux ne sont pas soumis à l'obligation de l'inscription.
Art.67_VLAAMS_GEWEST. (1. ([1 De vaartuigen worden gemeten door personeelsleden van de dienst, bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen, die tot scheepsmeter zijn aangesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer.]1 De vaartuigen kunnen ook worden gemeten door andere personen of organisaties, die daartoe zijn gemachtigd door [2 de bevoegde dienst]2. Deze kan de scheepsmeters ontheffen van hun functie of de machtiging intrekken van de personen of organisaties die belast zijn met de uitvoering van de scheepsmeting.) <KB 1998-01-21/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
De vaartuigen worden in de regel gemeten op de plaatsen, aangeduid in de bijzondere reglementen. Op aanvraag van de eigenaar of van diens gemachtigde en met de toestemming van de Hoofdingenieur-Directeur van Bruggen en Wegen van het gebied of van diens gemachtigde kunnen ze evenwel op andere plaatsen worden gemeten. In dat geval wordt de juiste plaats van meting bepaald door de scheepsmeter die met de meetverrichtingen is belast.) <KB 12-07-1957, art. 6>
2. (opgeheven) <KB 1998-01-21/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
3. (De [1 Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer]1, stelt de regels vast voor de organisatie van de scheepsmeting, bepaalt de plaats en de organisatie van de inschrijvingskantoren en het model van de meetbrief.) <KB 1998-01-21/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
4. Het meten van zeeschepen wordt geregeld bij de wet van 20 Juni 1883 en bij de koninklijke besluiten van 27 Augustus 1883 en 2 December 1897.
5. Het meten van vlottreinen en vlotten geschiedt kosteloos door den ontvanger van het eerste kantoor der scheepvaartrechten waar ze aankomen. Deze meting wordt nagezien door den ontvanger van het laatste kantoor. Vlottreinen en vlotten zijn niet onderworpen aan de verplichting der inschrijving.
De vaartuigen worden in de regel gemeten op de plaatsen, aangeduid in de bijzondere reglementen. Op aanvraag van de eigenaar of van diens gemachtigde en met de toestemming van de Hoofdingenieur-Directeur van Bruggen en Wegen van het gebied of van diens gemachtigde kunnen ze evenwel op andere plaatsen worden gemeten. In dat geval wordt de juiste plaats van meting bepaald door de scheepsmeter die met de meetverrichtingen is belast.) <KB 12-07-1957, art. 6>
2. (opgeheven) <KB 1998-01-21/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
3. (De [1 Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer]1, stelt de regels vast voor de organisatie van de scheepsmeting, bepaalt de plaats en de organisatie van de inschrijvingskantoren en het model van de meetbrief.) <KB 1998-01-21/36, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
4. Het meten van zeeschepen wordt geregeld bij de wet van 20 Juni 1883 en bij de koninklijke besluiten van 27 Augustus 1883 en 2 December 1897.
5. Het meten van vlottreinen en vlotten geschiedt kosteloos door den ontvanger van het eerste kantoor der scheepvaartrechten waar ze aankomen. Deze meting wordt nagezien door den ontvanger van het laatste kantoor. Vlottreinen en vlotten zijn niet onderworpen aan de verplichting der inschrijving.
Art.67 _REGION_FLAMANDE.
(1. ([1 Les bateaux sont jaugés par des membres du personnel du service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure étant désignés comme experts-jaugeurs par le Ministre flamand ayant la politique de mobilité, les travaux publics et les transports dans ses attributions.]1 Ils peuvent aussi être jaugés par d'autres personnes ou organismes habilités à cet effet [2 par le service compétent]2. Celui-ci peut relever les experts-jaugeurs de leur fonction ou retirer l'autorisation délivrée aux personnes ou aux organismes chargés de l'exécution du jaugeage.) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Les bateaux sont jaugés normalement aux endroits qu'indiquent les règlements particuliers. Ils peuvent, toutefois, être jaugés en d'autres endroits, à la demande du propriétaire ou de son délégué et moyennant l'accord de l'ingénieur en chef-directeur des Ponts et Chaussées du ressort ou de son délégué. Dans chaque cas, l'emplacement précis ou s'effectue le jaugeage est déterminé par l'expert-jaugeur chargé de l'opération.) <AR 12-07-1957, art. 6>
2. (abrogé) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
3. (Le [1 Ministre flamand ayant la politique de mobilité, les travaux publics et les transports dans ses attributions]1 fixe les règles d'organisation du jaugeage, détermine les emplacements et l'organisation des bureaux d'inscription et le modèle du certificat de jaugeage.) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
4. Le jaugeage des navires de mer est réglé par la loi du 20 juin 1883 et par les arrêtés royaux du 27 août 1883 et du 2 décembre 1897.
5. Le cubage des trains et radeaux se fait gratis par le percepteur du premier bureau des droits de navigation rencontré. Ce cubage est vérifié par le receveur des droits de navigation du dernier bureau. Les trains et radeaux ne sont pas soumis à l'obligation de l'inscription.
(1. ([1 Les bateaux sont jaugés par des membres du personnel du service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure étant désignés comme experts-jaugeurs par le Ministre flamand ayant la politique de mobilité, les travaux publics et les transports dans ses attributions.]1 Ils peuvent aussi être jaugés par d'autres personnes ou organismes habilités à cet effet [2 par le service compétent]2. Celui-ci peut relever les experts-jaugeurs de leur fonction ou retirer l'autorisation délivrée aux personnes ou aux organismes chargés de l'exécution du jaugeage.) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Les bateaux sont jaugés normalement aux endroits qu'indiquent les règlements particuliers. Ils peuvent, toutefois, être jaugés en d'autres endroits, à la demande du propriétaire ou de son délégué et moyennant l'accord de l'ingénieur en chef-directeur des Ponts et Chaussées du ressort ou de son délégué. Dans chaque cas, l'emplacement précis ou s'effectue le jaugeage est déterminé par l'expert-jaugeur chargé de l'opération.) <AR 12-07-1957, art. 6>
2. (abrogé) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
3. (Le [1 Ministre flamand ayant la politique de mobilité, les travaux publics et les transports dans ses attributions]1 fixe les règles d'organisation du jaugeage, détermine les emplacements et l'organisation des bureaux d'inscription et le modèle du certificat de jaugeage.) <AR 1998-01-21/36, art. 4, 005; En vigueur : 01-04-1998>
4. Le jaugeage des navires de mer est réglé par la loi du 20 juin 1883 et par les arrêtés royaux du 27 août 1883 et du 2 décembre 1897.
5. Le cubage des trains et radeaux se fait gratis par le percepteur du premier bureau des droits de navigation rencontré. Ce cubage est vérifié par le receveur des droits de navigation du dernier bureau. Les trains et radeaux ne sont pas soumis à l'obligation de l'inscription.
Art.68. <KB 12-07-1957, art. 7> De meting der binnenvaartuigen heeft ten doel, eensdeels, die vaartuigen te identificeren inzonderheid door het opnemen van hun hoofdkenmerken, en, anderdeels, de progressieve waterverplaatsing ervan te bepalen.
Die inlichtingen worden in de meetbrief aangetekend.
De meetbrief vermeldt :
1° het inschrijvingskantoor;
2° de kenmerkende letters van dat kantoor, het volgnummer en de datum van inschrijving in het register, alsmede het nummer van de meetbrief;
3° de naam of de kernspreuk van het vaartuig;
4° de naam, voornamen en woonplaats van de eigenaar, zoals deze voorkomen in de akte of titel van vestiging, overdracht of verklaring van het eigendomsrecht, en, bij gebreke daarvan, in een door de eigenaar ondertekende verklaring die de oorsprong van zijn recht aantoont; akte, titel of verklaring waarvan de handtekeningen eventueel moeten gelegaliseerd zijn en waarvan een afschrift bij het scheepsmetingsregister moet gevoegd worden;
5° de wijze van constructie (hout, ijzer of gemengd) en het scheepstype;
6° de grootste lengte (roer niet inbegrepen) en de grootste breedte van de romp;
7° dat het een eerste meting betreft, of, in geval van hermeting;
a) de gegeven bedoeld onder 2° en 3° hierboven, zoals ze op de vroegere meetbrieven voorkomen;
b) dat de scheepsmeter de laatste meetbrief, welke ten gevolge van de hermeting is komen te vervallen, ontvangen heeft of dat hem aangifte is gedaan van het verlies van die brief, volgens het geval;
8° het getal, de plaats en de beschrijving van de ijkschalen, waarvan het nulpunt overeenstemt met het grondvlak van de te meten inhoud, zijnde het vlak van inzinking van het ledige vaartuig;
9° het gemiddelde van de verticale afstanden tussen enerzijds het vlak ter hoogte van de onderkant van het vaartuig bij het laagste punt in de dwarsdoorsneden over de ijkschalen en anderzijds het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, zoals bepaald in artikel 69, tweede alinea, evenals de bemanning, het materieel, de stand van het water op de bodem van het vaartuig het gewicht van het water dat normaal nodig is voor het functionneren van het voorstuwingswerktuig, welke in aanmerking zijn genomen voor het bepalen van het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, alsmede de plaats van de vaste ballast;
10° voor vaartuigen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen, de progressieve waterverplaatsing voor elke centimeter inzinking (te beginnen bij het vlak van inzinking) van het ledige vaartuig; tot het vlak van de grootste diepgang; voor vaartuigen die niet bestemd zijn voor het vervoer van goederen, de grootste waterverplaatsing te beginnen bij het vlak van inzinking van het ledige vaartuig;
11° (opgeheven) <KB 1998-01-21/36, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
12° voor sleepboten en alle vaartuigen, met eigen beweegkracht, het vermogen van de motor in paardekracht.
Dat vermogen in paardekracht wordt verkregen als volgt :
a) voor stoommachines, door het nat verwarmingsoppervlak met de coëfficiënt 2 1/2 te vermenigvuldigen;
b) voor explosiemotoren en bij motoren met inwendige verbranding, door verhoging met 20 t.h. van de rempaardekracht die is opgegeven in een certificaat van de bouwer of van een classificatiebureau erkend door de Minister die het Bestuur der Waterwegen in zijn bevoegdheid heeft.
Daartoe is de schipper van de sleepboot of het motorvaartuig gehouden aan de scheepsmeter, naar gelang van het geval, de stukken waaruit het nat verwarmingsoppervlak blijkt, dan wel het in de vorige alinea bedoelde certificaat over te leggen. Zo dit laatste door de bouwer is afgegeven en naar het oordeel van de scheepsmeter onvoldoende is, onderwerpt deze de zaak aan het inschrijvingskantoor van het ressort alvorens enige inschrijving op de meetbrief te doen. De bevoegde hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen kan de schipper verplichten zich te voorzien van een ander certificaat, uitgaande van een classificatiebureau erkend door de Minister die het Bestuur der Waterwegen in zijn bevoegdheid heeft.
Voor in het buitenland gemeten binnenvaartuigen waarvan de meetbrief het vermogen van het voortstuwingswerktuig niet vermeldt, kan een overeenkomstig de voorgaande bepalingen opgemaakt certificaat worden verkregen bij een scheepsmeter.
Geen aanvraag tot wijziging van het vermogen van een motor zal worden in aanmerking genomen, indien ze niet op een definitieve verbouwing van de motor is gegrond. Het aan de scheepsmeter over te leggen nieuw bewijsstuk moet overeenkomstig de voorgaande bepalingen zijn opgemaakt; bovendien moet het echter de aan de motor gebrachte wijzigingen vermelden en aantonen dat deze van definitieve aard zijn;
13° de afmetingen van het vaartuig, d.w.z. :
a) de lengte en breedte (roer ingetrokken);
b) de hoogte van het vaartuig boven de waterspiegel, eensdeels bij afgebroken hut, anderdeels, bij opgebouwde hut;
14° de juiste plaats waar de onuitwisbare tekens, bedoeld in artikel 71, derde lid, aangebracht zijn :
De gegevens bedoeld sub 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 12° en 13°, alsmede de aanduidingen van de gemiddelde inzinking van het ledige vaartuig, van de grootste diepgang en van de maximale tonnemaat, worden voor elk vaartuig overgeschreven in het inschrijvingsregister, tegenover het volgnummer.
Die inlichtingen worden in de meetbrief aangetekend.
De meetbrief vermeldt :
1° het inschrijvingskantoor;
2° de kenmerkende letters van dat kantoor, het volgnummer en de datum van inschrijving in het register, alsmede het nummer van de meetbrief;
3° de naam of de kernspreuk van het vaartuig;
4° de naam, voornamen en woonplaats van de eigenaar, zoals deze voorkomen in de akte of titel van vestiging, overdracht of verklaring van het eigendomsrecht, en, bij gebreke daarvan, in een door de eigenaar ondertekende verklaring die de oorsprong van zijn recht aantoont; akte, titel of verklaring waarvan de handtekeningen eventueel moeten gelegaliseerd zijn en waarvan een afschrift bij het scheepsmetingsregister moet gevoegd worden;
5° de wijze van constructie (hout, ijzer of gemengd) en het scheepstype;
6° de grootste lengte (roer niet inbegrepen) en de grootste breedte van de romp;
7° dat het een eerste meting betreft, of, in geval van hermeting;
a) de gegeven bedoeld onder 2° en 3° hierboven, zoals ze op de vroegere meetbrieven voorkomen;
b) dat de scheepsmeter de laatste meetbrief, welke ten gevolge van de hermeting is komen te vervallen, ontvangen heeft of dat hem aangifte is gedaan van het verlies van die brief, volgens het geval;
8° het getal, de plaats en de beschrijving van de ijkschalen, waarvan het nulpunt overeenstemt met het grondvlak van de te meten inhoud, zijnde het vlak van inzinking van het ledige vaartuig;
9° het gemiddelde van de verticale afstanden tussen enerzijds het vlak ter hoogte van de onderkant van het vaartuig bij het laagste punt in de dwarsdoorsneden over de ijkschalen en anderzijds het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, zoals bepaald in artikel 69, tweede alinea, evenals de bemanning, het materieel, de stand van het water op de bodem van het vaartuig het gewicht van het water dat normaal nodig is voor het functionneren van het voorstuwingswerktuig, welke in aanmerking zijn genomen voor het bepalen van het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, alsmede de plaats van de vaste ballast;
10° voor vaartuigen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen, de progressieve waterverplaatsing voor elke centimeter inzinking (te beginnen bij het vlak van inzinking) van het ledige vaartuig; tot het vlak van de grootste diepgang; voor vaartuigen die niet bestemd zijn voor het vervoer van goederen, de grootste waterverplaatsing te beginnen bij het vlak van inzinking van het ledige vaartuig;
11° (opgeheven) <KB 1998-01-21/36, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
12° voor sleepboten en alle vaartuigen, met eigen beweegkracht, het vermogen van de motor in paardekracht.
Dat vermogen in paardekracht wordt verkregen als volgt :
a) voor stoommachines, door het nat verwarmingsoppervlak met de coëfficiënt 2 1/2 te vermenigvuldigen;
b) voor explosiemotoren en bij motoren met inwendige verbranding, door verhoging met 20 t.h. van de rempaardekracht die is opgegeven in een certificaat van de bouwer of van een classificatiebureau erkend door de Minister die het Bestuur der Waterwegen in zijn bevoegdheid heeft.
Daartoe is de schipper van de sleepboot of het motorvaartuig gehouden aan de scheepsmeter, naar gelang van het geval, de stukken waaruit het nat verwarmingsoppervlak blijkt, dan wel het in de vorige alinea bedoelde certificaat over te leggen. Zo dit laatste door de bouwer is afgegeven en naar het oordeel van de scheepsmeter onvoldoende is, onderwerpt deze de zaak aan het inschrijvingskantoor van het ressort alvorens enige inschrijving op de meetbrief te doen. De bevoegde hoofdingenieur-directeur van Bruggen en Wegen kan de schipper verplichten zich te voorzien van een ander certificaat, uitgaande van een classificatiebureau erkend door de Minister die het Bestuur der Waterwegen in zijn bevoegdheid heeft.
Voor in het buitenland gemeten binnenvaartuigen waarvan de meetbrief het vermogen van het voortstuwingswerktuig niet vermeldt, kan een overeenkomstig de voorgaande bepalingen opgemaakt certificaat worden verkregen bij een scheepsmeter.
Geen aanvraag tot wijziging van het vermogen van een motor zal worden in aanmerking genomen, indien ze niet op een definitieve verbouwing van de motor is gegrond. Het aan de scheepsmeter over te leggen nieuw bewijsstuk moet overeenkomstig de voorgaande bepalingen zijn opgemaakt; bovendien moet het echter de aan de motor gebrachte wijzigingen vermelden en aantonen dat deze van definitieve aard zijn;
13° de afmetingen van het vaartuig, d.w.z. :
a) de lengte en breedte (roer ingetrokken);
b) de hoogte van het vaartuig boven de waterspiegel, eensdeels bij afgebroken hut, anderdeels, bij opgebouwde hut;
14° de juiste plaats waar de onuitwisbare tekens, bedoeld in artikel 71, derde lid, aangebracht zijn :
De gegevens bedoeld sub 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 12° en 13°, alsmede de aanduidingen van de gemiddelde inzinking van het ledige vaartuig, van de grootste diepgang en van de maximale tonnemaat, worden voor elk vaartuig overgeschreven in het inschrijvingsregister, tegenover het volgnummer.
Art.68. <AR 12-07-1957, art. 7> Le jaugeage des bâtiments de navigation intérieure a pour but d'une part, leur identification notamment par le relevé de leurs caractéristiques principales et, d'autre part, le calcul de leur déplacement progressif.
Ces renseignements sont consignes dans le certificat de jaugeage.
Ce certificat doit indiquer :
1° le bureau d'inscription;
2° les lettres distinctives du dit bureau, le numéro d'ordre et la date de l'inscription dans son registre ainsi que le numéro du certificat de jaugeage;
3° le nom ou la devise du bateau;
4° les nom, prénoms et domicile du propriétaire, tels qu'ils figurent dans l'acte ou dans le titre constitutif, translatif ou déclaratif du droit de propriété ou, à défaut dans une déclaration, signée par le propriétaire et indiquant l'origine de son droit; acte, titre ou déclaration dont les signatures doivent éventuellement être légalisées et dont copie doit être jointe au registre de jaugeage;
5° le système de construction (bois, métal ou mixte) et le type auquel appartient le bateau;
6° la plus grande longueur (gouvernail non compris) et la plus grande largeur de la coque;
7° le fait qu'il s'agit d'un premier jaugeage, ou en cas de rejaugeage;
a) le rappel des mentions visées aux 2° et 3° telles qu'elles figurent aux certificats antérieurs;
b) le fait que l'expert-jaugeur a reçu le dernier certificat annulé par le rejaugeage, ou une déclaration de la perte de ce certificat, selon le cas;
8° le nombre, l'emplacement et la description des échelles dont le zéro correspond au plan limitant inférieurement le volume à mesurer, c'est-à-dire le plan de flottaison à vide;
9° la moyenne des distances verticales entre le niveau du dessous du bateau au point le plus bas dans les sections correspondant aux échelles et le plan de flottaison à vide, tel qu'il est défini à l'article 69, alinéa 2, ainsi que le personnel, le matériel, la hauteur d'eau dans le fond du bateau et le poids de l'eau utilisée normalement pour le fonctionnement de l'appareil moteur, qui ont été admis pour la détermination de ce plan de flottaison à vide, ainsi que la situation du lest fixe;
10° pour les bâtiments affectés au transport des marchandises, le déplacement progressif par centimètre d'enfoncement depuis le plan de flottaison à vide jusqu'au plan d'enfoncement maximum; pour les bâtiments non affectés au transport des marchandises, le déplacement maximum à partir du plan de flottaison à vide;
11° (abrogé) <AR 1998-01-21/36, art. 5, 005; En vigueur : 01-04-1998>
12° pour les bateaux toueurs, les remorqueurs et tous les bateaux automoteurs, la puissance du moteur en chevaux-vapeur;
Cette puissance en chevaux-vapeur est calculé comme suit :
a) pour les moteurs à vapeur, en multipliant la surface de chauffe mouillée par le coefficient 2 1/2;
b) pour les moteurs à explosion et pour ceux à combustion interne, en augmentant de 20 p.c. la puissance au frein en chevaux-vapeur indiquée dans un certificat émanant soit du constructeur du moteur, soit d'une société de classification reconnue par le Ministre qui a l'administration des Voies Hydrauliques dans ses attributions.
A cette fin, le patron du bateau toueur, remorqueur ou automoteur est tenu de représenter à l'expert-jaugeur les pièces établissant la surface de chauffe mouillée ou le certificat visé à l'alinéa précédent, selon le cas. Si ce dernier certificat émane du constructeur et n'est pas jugé satisfaisant par l'expert-jaugeur, celui-ci en réfère, avant toute inscription au certificat de jaugeage au bureau d'inscription du ressort. L'ingénieur en chef-directeur des Ponts et Chaussées compétent pourra obliger le patron à se procurer un autre certificat émanant d'une société de classification reconnue par le Ministre qui a l'administration des Voies Hydrauliques dans ses attributions.
Pour les bâtiments de navigation intérieure jaugés à l'étranger et dont le carnet de jaugeage ne mentionne pas la puissance de l'appareil moteur, un certificat, établi conformément aux dispositions ci-dessus, peut être obtenu près d'un expert-jaugeur.
Aucune demande de changement de puissance d'un moteur ne peut être prise en considération si elle n'est pas justifiée par une modification constructive à caractère définitif. Le nouveau document justificatif à représenter à l'expert-jaugeur est établi conformément aux stipulations précitées mais doit de plus attester, tout en les mentionnant, que les modifications apportées au moteur ont un caractère définitif;
13° l'encombrement du bateau, c'est-à-dire :
a) sa largeur et sa longueur (gouvernail replié);
b) son tirant d'air, cabine démontée d'une part, cabine montée d'autre part;
14° l'emplacement précis où sont reproduites les marques indélébiles dont question a l'article 71, alinéa 3 :
Les indications reprises sous les 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 12° et 13°, ainsi que l'indication de l'enfoncement moyen à vide, de l'enfoncement maximum et du tonnage maximum, sont reproduites, pour chaque bâtiment, sur le registre d'inscription en regard de son numéro d'ordre.
Ces renseignements sont consignes dans le certificat de jaugeage.
Ce certificat doit indiquer :
1° le bureau d'inscription;
2° les lettres distinctives du dit bureau, le numéro d'ordre et la date de l'inscription dans son registre ainsi que le numéro du certificat de jaugeage;
3° le nom ou la devise du bateau;
4° les nom, prénoms et domicile du propriétaire, tels qu'ils figurent dans l'acte ou dans le titre constitutif, translatif ou déclaratif du droit de propriété ou, à défaut dans une déclaration, signée par le propriétaire et indiquant l'origine de son droit; acte, titre ou déclaration dont les signatures doivent éventuellement être légalisées et dont copie doit être jointe au registre de jaugeage;
5° le système de construction (bois, métal ou mixte) et le type auquel appartient le bateau;
6° la plus grande longueur (gouvernail non compris) et la plus grande largeur de la coque;
7° le fait qu'il s'agit d'un premier jaugeage, ou en cas de rejaugeage;
a) le rappel des mentions visées aux 2° et 3° telles qu'elles figurent aux certificats antérieurs;
b) le fait que l'expert-jaugeur a reçu le dernier certificat annulé par le rejaugeage, ou une déclaration de la perte de ce certificat, selon le cas;
8° le nombre, l'emplacement et la description des échelles dont le zéro correspond au plan limitant inférieurement le volume à mesurer, c'est-à-dire le plan de flottaison à vide;
9° la moyenne des distances verticales entre le niveau du dessous du bateau au point le plus bas dans les sections correspondant aux échelles et le plan de flottaison à vide, tel qu'il est défini à l'article 69, alinéa 2, ainsi que le personnel, le matériel, la hauteur d'eau dans le fond du bateau et le poids de l'eau utilisée normalement pour le fonctionnement de l'appareil moteur, qui ont été admis pour la détermination de ce plan de flottaison à vide, ainsi que la situation du lest fixe;
10° pour les bâtiments affectés au transport des marchandises, le déplacement progressif par centimètre d'enfoncement depuis le plan de flottaison à vide jusqu'au plan d'enfoncement maximum; pour les bâtiments non affectés au transport des marchandises, le déplacement maximum à partir du plan de flottaison à vide;
11° (abrogé) <AR 1998-01-21/36, art. 5, 005; En vigueur : 01-04-1998>
12° pour les bateaux toueurs, les remorqueurs et tous les bateaux automoteurs, la puissance du moteur en chevaux-vapeur;
Cette puissance en chevaux-vapeur est calculé comme suit :
a) pour les moteurs à vapeur, en multipliant la surface de chauffe mouillée par le coefficient 2 1/2;
b) pour les moteurs à explosion et pour ceux à combustion interne, en augmentant de 20 p.c. la puissance au frein en chevaux-vapeur indiquée dans un certificat émanant soit du constructeur du moteur, soit d'une société de classification reconnue par le Ministre qui a l'administration des Voies Hydrauliques dans ses attributions.
A cette fin, le patron du bateau toueur, remorqueur ou automoteur est tenu de représenter à l'expert-jaugeur les pièces établissant la surface de chauffe mouillée ou le certificat visé à l'alinéa précédent, selon le cas. Si ce dernier certificat émane du constructeur et n'est pas jugé satisfaisant par l'expert-jaugeur, celui-ci en réfère, avant toute inscription au certificat de jaugeage au bureau d'inscription du ressort. L'ingénieur en chef-directeur des Ponts et Chaussées compétent pourra obliger le patron à se procurer un autre certificat émanant d'une société de classification reconnue par le Ministre qui a l'administration des Voies Hydrauliques dans ses attributions.
Pour les bâtiments de navigation intérieure jaugés à l'étranger et dont le carnet de jaugeage ne mentionne pas la puissance de l'appareil moteur, un certificat, établi conformément aux dispositions ci-dessus, peut être obtenu près d'un expert-jaugeur.
Aucune demande de changement de puissance d'un moteur ne peut être prise en considération si elle n'est pas justifiée par une modification constructive à caractère définitif. Le nouveau document justificatif à représenter à l'expert-jaugeur est établi conformément aux stipulations précitées mais doit de plus attester, tout en les mentionnant, que les modifications apportées au moteur ont un caractère définitif;
13° l'encombrement du bateau, c'est-à-dire :
a) sa largeur et sa longueur (gouvernail replié);
b) son tirant d'air, cabine démontée d'une part, cabine montée d'autre part;
14° l'emplacement précis où sont reproduites les marques indélébiles dont question a l'article 71, alinéa 3 :
Les indications reprises sous les 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 12° et 13°, ainsi que l'indication de l'enfoncement moyen à vide, de l'enfoncement maximum et du tonnage maximum, sont reproduites, pour chaque bâtiment, sur le registre d'inscription en regard de son numéro d'ordre.
Art.69. <KB 12-07-1957, art. 8> De te meten inhoud is de inhoud buitenwerks van het gedeelte van de romp, begrepen tussen het vlak van grootste diepgang, zoals deze hierna zijn omschreven :
Als vlak van inzinking van het ledige vaartuig dat de te meten inhoud aan de onderzijde begrenst, wordt beschouwd het vlak dat overeenstemt met de stand die het vaartuig op het ogenblik van de meting inneemt wanneer het alleen belast is met :
1° het tuig, de provisiën en de bemanning, die onmisbaar zijn voor de navigatie van het vaartuig;
2° het water dat door de gebruikelijke middelen niet uit het ruim kan worden verwijderd;
3° bovendien, wanneer het een vaartuig met eigen beweegkracht betreft, het water dat normaal nodig is voor het voortstuwingswerktuig, maar niet de brandstof of de verplaatsbare ballast.
Het vlak van de grootste diepgang wordt omschreven als volgt :
1° het staat loodrecht op het overlangse symmetrievlak van het vaartuig;
2° het loopt evenwijdig met de verbindingslijn der laagste punten van de bodem van het vaartuig in de verticale dwarsvlakken door de uiterste ijkschalen vooraan en achteraan (in het bijzonder loopt het evenwijdig met de bodem, indien deze plat en vormvast is);
3° het moet lopen op een zodanige hoogte, dat het gemiddelde van de aflezingen aan de ijkschalen overeenstemt met het rekenkundig gemiddelde van de hoogsten der ijkschalen van hun nulpunt tot hun toppunt.
Voor het bepalen van de waterverplaatsing der vaartuigen die voor het vervoer van goederen zijn bestemd, gelden de volgende regelen :
1° de metingen worden aan het vaartuig zelf verricht;
2° het op te meten gedeelte van de romp wordt door horizontale vlakken, te beginnen bij het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, verplicht verdeeld in schijven van één decimeter hoogte. De bovenste schijf kan dus een geringere hoogte hebben.
Ingeval het vlak van inzinking van het ledige vaartuig en het vlak van de grootste diepgang niet evenwijdig mocht lopen, wordt het laatstgenoemde vervangen door een vlak dat met het eerstgenoemde evenwijdig loopt en gelegen is op een hoogte gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de hoogten der ijkschalen van hun nulpunt tot hun toppunt;
3° de horizontale vlakken die elke schijf begrenzen, worden door ordinaten loodrecht op de lengteas in delen verdeeld : middendeel, vóór- en achterdeel (voor en achterschip), en eventueel uiteinde van vóór- en achterdeel;
4° bij het berekenen van de oppervlakten in het middendeel en in vóór- en achterdeel is het gebruik van de regel van Simpson verplicht.
Die oppervlakten moeten met behulp van minstens 5 ordinaten worden berekend. Daarenboven moet het middendeel in het niet afgerond gedeelte van het vaartuig worden genomen;
5° de oppervlakten van de uiteinden van vóór- en achterdeel alsmede de oppervlakte die wegens de aanwezigheid van een tunnel moet worden afgetrokken, mogen afzonderlijk worden berekend. In principe mag de hoogte van het uiteinde niet groter zijn dan de afstand tussen twee opeenvolgende ordinaten van het aangrenzend oppervlak dat volgens de regel van Simpson wordt berekend. Voor de berekening van die oppervlakten is het gebruik van de regel van Simpson niet verplicht.
Naar gelang van hun algemene vorm, kunnen die oppervlakten eventueel met driehoeken, trapeziums, parabolen, halve ellipsen worden gelijkgesteld en rechtstreeks worden berekend in functie van de basissen en hoogten. Ze kunnen insgelijks volgens de regel van Simpson worden berekend, waarbij de basissen zo nodig loodrecht op de lengteas van het beschouwde oppervlak van inzinking staan;
6° de inhoud van een schijf wordt verkregen door de halve som van de oppervlakte der twee horizontale vlakken die de schijf begrenzen, met de hoogte te vermenigvuldigen;
7° het quotiënt, verkregen door de inhoud van een schijf te delen door haar hoogte, uitgedrukt in centimeter, wordt geacht te zijn de waterverplaatsing van het vaartuig voor iedere centimeter inzinking over de hoogte van die schijf.
Voor het bepalen van de waterverplaatsing van de vaartuigen die niet voor het vervoer van goederen zijn bestemd, gelden de volgende regelen :
1° bij dergelijke vaartuigen zoals : passagiersboten, sleepboten, woonschepen, baggermolens, enz... worden de afmetingen hetzij op het vaartuig zelf, hetzij op de constructietekeningen gemeten;
2° slechts één paar ijkschalen in het midden is vereist, doch ze moeten de tekens dragen, bedoeld in artikel 71. Voor dat paar ijkschalen moeten de principes van artikel 70, 4e alinea, worden in acht genomen, zodat een vrijboord van 30 centimeter wordt gewaarborgd;
3° bij vaartuigen met een eenvoudige geometrische vorm, alsmede bij vaartuigen die behoren tot een type waarvan de blokcoëfficiënt welbekend is, wordt de maximale waterverplaatsing te beginnen bij het vlak van ledige inzinking van het vaartuig; rechtstreeks volgens de geometrische gegevens berekend, rekening gehouden met de blokcoëfficiënt die voor dat scheepstype algemeen wordt aangenomen;
4° bij vaartuigen die aan bijzondere nautische eisen moeten voldoen en uit dien hoofde bijzonder fijne lijnen hebben, en waarvan de blokcoëfficiënt a priori onbekend is, wordt conventioneel aangenomen dat hun verplaatsing bij een gegeven vlak van inzinking wordt verkregen door te nemen zeventig honderdsten van het product der drie volgende buitenwerks genomen afmetingen van de romp, zonder rekening te houden met enig uitspringend gedeelte :
a) de lengte, bepaald door de afstand tussen de twee verticale vlakken loodrecht op de lengteas van het vaartuig en buitenwerks rakende aan de kromme lijn die het gegeven vlak van inzinking begrenst;
b) de maximumbreedte ter hoogte van dit vlak van inzinking;
c) de gemiddelde inzinking, gemeten door de verticale afstand tussen dit vlak van inzinking en het laagste gedeelte van de romp in de dwarsdoorsnede, genomen op het midden van de lengte als aangegeven sub a. De te berekenen inhoud is derhalve het verschil tussen de verplaatsing bij het vlak van inzinking van het ledige vaartuig en de verplaatsing bij het daarmede evenwijdig lopend vlak door de toppunten van de twee middenijkschalen.
Als vlak van inzinking van het ledige vaartuig dat de te meten inhoud aan de onderzijde begrenst, wordt beschouwd het vlak dat overeenstemt met de stand die het vaartuig op het ogenblik van de meting inneemt wanneer het alleen belast is met :
1° het tuig, de provisiën en de bemanning, die onmisbaar zijn voor de navigatie van het vaartuig;
2° het water dat door de gebruikelijke middelen niet uit het ruim kan worden verwijderd;
3° bovendien, wanneer het een vaartuig met eigen beweegkracht betreft, het water dat normaal nodig is voor het voortstuwingswerktuig, maar niet de brandstof of de verplaatsbare ballast.
Het vlak van de grootste diepgang wordt omschreven als volgt :
1° het staat loodrecht op het overlangse symmetrievlak van het vaartuig;
2° het loopt evenwijdig met de verbindingslijn der laagste punten van de bodem van het vaartuig in de verticale dwarsvlakken door de uiterste ijkschalen vooraan en achteraan (in het bijzonder loopt het evenwijdig met de bodem, indien deze plat en vormvast is);
3° het moet lopen op een zodanige hoogte, dat het gemiddelde van de aflezingen aan de ijkschalen overeenstemt met het rekenkundig gemiddelde van de hoogsten der ijkschalen van hun nulpunt tot hun toppunt.
Voor het bepalen van de waterverplaatsing der vaartuigen die voor het vervoer van goederen zijn bestemd, gelden de volgende regelen :
1° de metingen worden aan het vaartuig zelf verricht;
2° het op te meten gedeelte van de romp wordt door horizontale vlakken, te beginnen bij het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, verplicht verdeeld in schijven van één decimeter hoogte. De bovenste schijf kan dus een geringere hoogte hebben.
Ingeval het vlak van inzinking van het ledige vaartuig en het vlak van de grootste diepgang niet evenwijdig mocht lopen, wordt het laatstgenoemde vervangen door een vlak dat met het eerstgenoemde evenwijdig loopt en gelegen is op een hoogte gelijk aan het rekenkundig gemiddelde van de hoogten der ijkschalen van hun nulpunt tot hun toppunt;
3° de horizontale vlakken die elke schijf begrenzen, worden door ordinaten loodrecht op de lengteas in delen verdeeld : middendeel, vóór- en achterdeel (voor en achterschip), en eventueel uiteinde van vóór- en achterdeel;
4° bij het berekenen van de oppervlakten in het middendeel en in vóór- en achterdeel is het gebruik van de regel van Simpson verplicht.
Die oppervlakten moeten met behulp van minstens 5 ordinaten worden berekend. Daarenboven moet het middendeel in het niet afgerond gedeelte van het vaartuig worden genomen;
5° de oppervlakten van de uiteinden van vóór- en achterdeel alsmede de oppervlakte die wegens de aanwezigheid van een tunnel moet worden afgetrokken, mogen afzonderlijk worden berekend. In principe mag de hoogte van het uiteinde niet groter zijn dan de afstand tussen twee opeenvolgende ordinaten van het aangrenzend oppervlak dat volgens de regel van Simpson wordt berekend. Voor de berekening van die oppervlakten is het gebruik van de regel van Simpson niet verplicht.
Naar gelang van hun algemene vorm, kunnen die oppervlakten eventueel met driehoeken, trapeziums, parabolen, halve ellipsen worden gelijkgesteld en rechtstreeks worden berekend in functie van de basissen en hoogten. Ze kunnen insgelijks volgens de regel van Simpson worden berekend, waarbij de basissen zo nodig loodrecht op de lengteas van het beschouwde oppervlak van inzinking staan;
6° de inhoud van een schijf wordt verkregen door de halve som van de oppervlakte der twee horizontale vlakken die de schijf begrenzen, met de hoogte te vermenigvuldigen;
7° het quotiënt, verkregen door de inhoud van een schijf te delen door haar hoogte, uitgedrukt in centimeter, wordt geacht te zijn de waterverplaatsing van het vaartuig voor iedere centimeter inzinking over de hoogte van die schijf.
Voor het bepalen van de waterverplaatsing van de vaartuigen die niet voor het vervoer van goederen zijn bestemd, gelden de volgende regelen :
1° bij dergelijke vaartuigen zoals : passagiersboten, sleepboten, woonschepen, baggermolens, enz... worden de afmetingen hetzij op het vaartuig zelf, hetzij op de constructietekeningen gemeten;
2° slechts één paar ijkschalen in het midden is vereist, doch ze moeten de tekens dragen, bedoeld in artikel 71. Voor dat paar ijkschalen moeten de principes van artikel 70, 4e alinea, worden in acht genomen, zodat een vrijboord van 30 centimeter wordt gewaarborgd;
3° bij vaartuigen met een eenvoudige geometrische vorm, alsmede bij vaartuigen die behoren tot een type waarvan de blokcoëfficiënt welbekend is, wordt de maximale waterverplaatsing te beginnen bij het vlak van ledige inzinking van het vaartuig; rechtstreeks volgens de geometrische gegevens berekend, rekening gehouden met de blokcoëfficiënt die voor dat scheepstype algemeen wordt aangenomen;
4° bij vaartuigen die aan bijzondere nautische eisen moeten voldoen en uit dien hoofde bijzonder fijne lijnen hebben, en waarvan de blokcoëfficiënt a priori onbekend is, wordt conventioneel aangenomen dat hun verplaatsing bij een gegeven vlak van inzinking wordt verkregen door te nemen zeventig honderdsten van het product der drie volgende buitenwerks genomen afmetingen van de romp, zonder rekening te houden met enig uitspringend gedeelte :
a) de lengte, bepaald door de afstand tussen de twee verticale vlakken loodrecht op de lengteas van het vaartuig en buitenwerks rakende aan de kromme lijn die het gegeven vlak van inzinking begrenst;
b) de maximumbreedte ter hoogte van dit vlak van inzinking;
c) de gemiddelde inzinking, gemeten door de verticale afstand tussen dit vlak van inzinking en het laagste gedeelte van de romp in de dwarsdoorsnede, genomen op het midden van de lengte als aangegeven sub a. De te berekenen inhoud is derhalve het verschil tussen de verplaatsing bij het vlak van inzinking van het ledige vaartuig en de verplaatsing bij het daarmede evenwijdig lopend vlak door de toppunten van de twee middenijkschalen.
Art.69. <AR 12-07-1957, art. 8> Le volume à déterminer est le volume extérieur de la portion de la coque comprise entre le plan de flottaison à vide et le plan d'enfoncement maximum définis ci-après :
Est considéré comme plan de flottaison à vide limitant inférieurement le volume à mesurer, le plan qui correspond à la position que prend le bâtiment au moment du jaugeage lorsqu'il porte seulement :
1° les agrès, les provisions et l'équipage indispensable pour lui permettre de naviguer;
2° l'eau qu'il est impossible d'enlever de la cale par les moyens ordinaires d'épuisement;
3° en outre, s'il s'agit d'un bateau automoteur, l'eau utilisée normalement pour son fonctionnement mais non le combustible ni le lest mobile.
Le plan d'enfoncement maximum est défini comme suit :
1° il est perpendiculaire au plan longitudinal de symétrie du bateau;
2° il est parallèle à la ligne joignant les points les plus bas du fond du bateau dans les plans transversaux verticaux des échelles extrêmes avant et arrière (en particulier il est parallèle au fond, si celui-ci est plat et indéformable);
3° il doit passer à une hauteur telle que la moyenne des lectures qu'il détermine aux échelles, corresponde à la moyenne arithmétique des hauteurs des échelles depuis leur zéro jusqu'à leur sommet.
La détermination du déplacement des bâtiments affectés au transport des marchandises est soumise aux règles suivantes :
1° les mesures sont prises sur le bâtiment lui-même;
2° la portion de la coque à mesurer est obligatoirement divisée par des plans horizontaux en tranches de 1 décimètre de hauter, en partant du plan de flottaison à vide. La tranche supérieure peut donc avoir une hauteur moindre.
Dans le cas où le plan de flottaison à vide et le plan d'enfoncement maximum ne sont pas parallèles ce dernier est remplacé par un plan parallèle au premier, situé à une hauteur égale à la moyenne arithmétique des hauteurs des échelles depuis leur zéro jusqu'à leur sommet;
3° les surfaces horizontales délimitant chaque tranche sont divisées, par des ordonnées tracées normalement à leur axe longitudinal, en plusieurs éléments : partie centrale, élancements avant et arrière (proue et poupe) et éventuellement extrémités des élancements avant et arrière;
4° dans le calcul des aires de la partie centrale et des élancements avant et arrière l'emploi de la formule de Simpson est obligatoire.
Les aires de ces surfaces doivent être calculées à l'aide de 5 ordonnées au moins. De plus, la partie centrale doit être déterminée dans la partie non façonnée du bâtiment;
5° les aires des extrémités des élancements avant et arrière ainsi que l'aire à déduire du fait de l'existence d'un tunnel peuvent être calculées séparément. En principe, la hauteur de ces extrémités ne peut pas dépasser la distance entre deux ordonnées consécutives de la surface adjacente calculée par la formule de Simpson. Pour le calcul de ces surfaces, l'emploi de la formule de Simpson n'est pas obligatoire.
D'après leur forme générale, ces surfaces peuvent être éventuellement assimilées à des triangles, des trapèzes, des paraboles, des demi-ellipses et calculées directement en fonction des bases et hauteurs. Elles peuvent également être calculées par la formule de Simpson, leur bases étant à la rigueur perpendiculaires à l'axe longitudinal de la surface de flottaison considérée;
6° on obtient le volume d'une tranche en multipliant par sa hauteur, la demi-somme des aires des deux surfaces horizontales la délimitant;
7° le quotient du volume d'une tranche par le nombre de centimètres qui exprime sa hauteur, est considéré comme donnant le déplacement du bâtiment pour chaque centimètre d'enfoncement dans cette tranche.
La détermination du déplacement des bâtiments non affectés au transport des marchandises est soumise aux règles suivantes :
1° pour ces bâtiments tels que : bateaux à passagers, remorqueurs, bateaux-logements, dragues, etc., les dimensions peuvent être relevées soit sur le bateau lui-même, soit sur ses dessins d'exécution;
2° seule une paire d'échelles centrales est requise, mais elle doit porter les marques dont question à l'article 71. Cette paire doit respecter les principes de l'article 70, alinéa 4, en garantissant un franc-bord de 30 centimètres;
3° pour les bâtiments de formes géométriques simples, ainsi que pour les bâtiments d'un type dont le coefficient d'acuité est bien connu, le déplacement maximum, à partir du plan de flottaison à vide, est directement calculé d'après les données géométriques, compte tenu du coefficient d'acuité généralement admis pour ce type de bâtiment;
4° pour les bâtiments requérant des qualités nautiques et donc des finesses de lignes et dont le coefficient d'acuité est à priori inconnu on admet conventionnellement que leur déplacement correspondant à un plan de flottaison donné est représenté par les soixante-dix centièmes du produit des trois dimensions suivantes, relatives à la surface extérieure de la coque, sans tenir compte d'aucune saillie :
a) la longueur déterminée par la distance entre les deux plans verticaux normaux à l'axe longitudinal du bateau et tangents extérieurement à la ligne correspondante au plan de flottaison donné;
b) la largeur maximum à ce plan de flottaison;
c) l'enfoncement moyen, mesuré par la distance verticale entre ledit plan de flottaison et la partie la plus basse de la coque dans la section transversale correspondant au milieu de la longueur définie au littéra a) ci-dessus. Dès lors, le volume à calculer est la différence entre le déplacement correspondant au plan de flottaison à vide et celui correspondant au plan parallèle passant par les sommets des deux échelles centrales.
Est considéré comme plan de flottaison à vide limitant inférieurement le volume à mesurer, le plan qui correspond à la position que prend le bâtiment au moment du jaugeage lorsqu'il porte seulement :
1° les agrès, les provisions et l'équipage indispensable pour lui permettre de naviguer;
2° l'eau qu'il est impossible d'enlever de la cale par les moyens ordinaires d'épuisement;
3° en outre, s'il s'agit d'un bateau automoteur, l'eau utilisée normalement pour son fonctionnement mais non le combustible ni le lest mobile.
Le plan d'enfoncement maximum est défini comme suit :
1° il est perpendiculaire au plan longitudinal de symétrie du bateau;
2° il est parallèle à la ligne joignant les points les plus bas du fond du bateau dans les plans transversaux verticaux des échelles extrêmes avant et arrière (en particulier il est parallèle au fond, si celui-ci est plat et indéformable);
3° il doit passer à une hauteur telle que la moyenne des lectures qu'il détermine aux échelles, corresponde à la moyenne arithmétique des hauteurs des échelles depuis leur zéro jusqu'à leur sommet.
La détermination du déplacement des bâtiments affectés au transport des marchandises est soumise aux règles suivantes :
1° les mesures sont prises sur le bâtiment lui-même;
2° la portion de la coque à mesurer est obligatoirement divisée par des plans horizontaux en tranches de 1 décimètre de hauter, en partant du plan de flottaison à vide. La tranche supérieure peut donc avoir une hauteur moindre.
Dans le cas où le plan de flottaison à vide et le plan d'enfoncement maximum ne sont pas parallèles ce dernier est remplacé par un plan parallèle au premier, situé à une hauteur égale à la moyenne arithmétique des hauteurs des échelles depuis leur zéro jusqu'à leur sommet;
3° les surfaces horizontales délimitant chaque tranche sont divisées, par des ordonnées tracées normalement à leur axe longitudinal, en plusieurs éléments : partie centrale, élancements avant et arrière (proue et poupe) et éventuellement extrémités des élancements avant et arrière;
4° dans le calcul des aires de la partie centrale et des élancements avant et arrière l'emploi de la formule de Simpson est obligatoire.
Les aires de ces surfaces doivent être calculées à l'aide de 5 ordonnées au moins. De plus, la partie centrale doit être déterminée dans la partie non façonnée du bâtiment;
5° les aires des extrémités des élancements avant et arrière ainsi que l'aire à déduire du fait de l'existence d'un tunnel peuvent être calculées séparément. En principe, la hauteur de ces extrémités ne peut pas dépasser la distance entre deux ordonnées consécutives de la surface adjacente calculée par la formule de Simpson. Pour le calcul de ces surfaces, l'emploi de la formule de Simpson n'est pas obligatoire.
D'après leur forme générale, ces surfaces peuvent être éventuellement assimilées à des triangles, des trapèzes, des paraboles, des demi-ellipses et calculées directement en fonction des bases et hauteurs. Elles peuvent également être calculées par la formule de Simpson, leur bases étant à la rigueur perpendiculaires à l'axe longitudinal de la surface de flottaison considérée;
6° on obtient le volume d'une tranche en multipliant par sa hauteur, la demi-somme des aires des deux surfaces horizontales la délimitant;
7° le quotient du volume d'une tranche par le nombre de centimètres qui exprime sa hauteur, est considéré comme donnant le déplacement du bâtiment pour chaque centimètre d'enfoncement dans cette tranche.
La détermination du déplacement des bâtiments non affectés au transport des marchandises est soumise aux règles suivantes :
1° pour ces bâtiments tels que : bateaux à passagers, remorqueurs, bateaux-logements, dragues, etc., les dimensions peuvent être relevées soit sur le bateau lui-même, soit sur ses dessins d'exécution;
2° seule une paire d'échelles centrales est requise, mais elle doit porter les marques dont question à l'article 71. Cette paire doit respecter les principes de l'article 70, alinéa 4, en garantissant un franc-bord de 30 centimètres;
3° pour les bâtiments de formes géométriques simples, ainsi que pour les bâtiments d'un type dont le coefficient d'acuité est bien connu, le déplacement maximum, à partir du plan de flottaison à vide, est directement calculé d'après les données géométriques, compte tenu du coefficient d'acuité généralement admis pour ce type de bâtiment;
4° pour les bâtiments requérant des qualités nautiques et donc des finesses de lignes et dont le coefficient d'acuité est à priori inconnu on admet conventionnellement que leur déplacement correspondant à un plan de flottaison donné est représenté par les soixante-dix centièmes du produit des trois dimensions suivantes, relatives à la surface extérieure de la coque, sans tenir compte d'aucune saillie :
a) la longueur déterminée par la distance entre les deux plans verticaux normaux à l'axe longitudinal du bateau et tangents extérieurement à la ligne correspondante au plan de flottaison donné;
b) la largeur maximum à ce plan de flottaison;
c) l'enfoncement moyen, mesuré par la distance verticale entre ledit plan de flottaison et la partie la plus basse de la coque dans la section transversale correspondant au milieu de la longueur définie au littéra a) ci-dessus. Dès lors, le volume à calculer est la différence entre le déplacement correspondant au plan de flottaison à vide et celui correspondant au plan parallèle passant par les sommets des deux échelles centrales.
Art.70. <KB 12-07-1957, art. 9> De gemiddelde inzinking wordt geacht gelijk te zijn aan het rekenkundig gemiddelde die aan de ijkschalen worden gemeten.
Die ijkschalen worden twee aan twee op de zijden van het vaartuig aangebracht, in verticale vlakken die even ver uit elkaar en loodrecht op het overlangse symmetrievlak van het vaartuig staan. De afstand tussen die vlakken mag niet groter zijn dan 15 meter. Daarenboven zijn die vlakken streng symmetrisch ten opzichte van het zwaartepunt van het vlak van inzinking, gelegen op 3/4 van de grootste toegelaten diepgang. De twee uiterste paren ijkschalen, die zover mogelijk uit elkaar staan, moeten zich nochtans in het niet afgerond deel van het vaartuig bevinden. Wanneer het vaartuig een merkelijke langsscheepse vormverandering kan ondergaan, moet een groter aantal ijkschalen worden aangebracht.
Het nulpunt der ijkschalen moet overeenkomen met het vlak van inzinking van het ledige vaartuig.
Het toppunt der ijkschalen wordt overeenkomstig de volgende regelen bepaald :
1° de toppunten van de verschillende ijkschalen moeten zich bevinden op gelijke hoogte boven het laagste punt der dwarsdoorsnede van de scheepsromp ter plaatse van het vlak door ieder paar ijkschalen;
2° die hoogte moet zo groot mogelijk zijn, met dien verstande dat aan de navolgende eisen moet zijn voldaan;
3° ongeacht het aantal ijkschalen, mag de omtreklijn die aan weerszijden van het schip de toppunten verbindt, zich niet bevinden op minder dan 30 cm onder enige opening waardoor water in het vaartuig kan binnendringen; die omtreklijn mag evenwel op geen enkel punt hoger dan het gangboord komen te liggen. Alleen de vaste, goed waterdichte patrijspoorten mogen als wezenlijk deel van de scheepsromp worden beschouwd, op voorwaarde dat ze zich boven die omtreklijn bevinden.
De ijkschalen moeten duidelijk zichtbaar zijn en aangebracht zijn op vaste plaatsen.
De ijkschalen worden op het vaartuig aangeduid door de scheepsmeter, door middel van platen van grootste diepgang, van 30 cm lengte en 4 cm hoogte.
De as van die platen moet samenvallen met de as van de ijkschalen en de onderkant ervan duidt het toppunt der ijkschalen aan. Voor houten schepen wordt gebruik gemaakt van zinken platen, die er op worden vastgespijkerd. Op stalen schepen worden de platen aangeduid door insnijding of inbeiteling in de huid, en de schipper moet ze met verf van heldere kleur duidelijk zichtbaar maken, waarbij hij er evenwel dient op te letten dat de onderkant (toppunt van de ijkschaal) scherp afgetekend blijft.
Die ijkschalen worden twee aan twee op de zijden van het vaartuig aangebracht, in verticale vlakken die even ver uit elkaar en loodrecht op het overlangse symmetrievlak van het vaartuig staan. De afstand tussen die vlakken mag niet groter zijn dan 15 meter. Daarenboven zijn die vlakken streng symmetrisch ten opzichte van het zwaartepunt van het vlak van inzinking, gelegen op 3/4 van de grootste toegelaten diepgang. De twee uiterste paren ijkschalen, die zover mogelijk uit elkaar staan, moeten zich nochtans in het niet afgerond deel van het vaartuig bevinden. Wanneer het vaartuig een merkelijke langsscheepse vormverandering kan ondergaan, moet een groter aantal ijkschalen worden aangebracht.
Het nulpunt der ijkschalen moet overeenkomen met het vlak van inzinking van het ledige vaartuig.
Het toppunt der ijkschalen wordt overeenkomstig de volgende regelen bepaald :
1° de toppunten van de verschillende ijkschalen moeten zich bevinden op gelijke hoogte boven het laagste punt der dwarsdoorsnede van de scheepsromp ter plaatse van het vlak door ieder paar ijkschalen;
2° die hoogte moet zo groot mogelijk zijn, met dien verstande dat aan de navolgende eisen moet zijn voldaan;
3° ongeacht het aantal ijkschalen, mag de omtreklijn die aan weerszijden van het schip de toppunten verbindt, zich niet bevinden op minder dan 30 cm onder enige opening waardoor water in het vaartuig kan binnendringen; die omtreklijn mag evenwel op geen enkel punt hoger dan het gangboord komen te liggen. Alleen de vaste, goed waterdichte patrijspoorten mogen als wezenlijk deel van de scheepsromp worden beschouwd, op voorwaarde dat ze zich boven die omtreklijn bevinden.
De ijkschalen moeten duidelijk zichtbaar zijn en aangebracht zijn op vaste plaatsen.
De ijkschalen worden op het vaartuig aangeduid door de scheepsmeter, door middel van platen van grootste diepgang, van 30 cm lengte en 4 cm hoogte.
De as van die platen moet samenvallen met de as van de ijkschalen en de onderkant ervan duidt het toppunt der ijkschalen aan. Voor houten schepen wordt gebruik gemaakt van zinken platen, die er op worden vastgespijkerd. Op stalen schepen worden de platen aangeduid door insnijding of inbeiteling in de huid, en de schipper moet ze met verf van heldere kleur duidelijk zichtbaar maken, waarbij hij er evenwel dient op te letten dat de onderkant (toppunt van de ijkschaal) scherp afgetekend blijft.
Art.70. <AR 12-07-1957, art. 9> L'enfoncement moyen est estimé égal a la moyenne arithmétique des enfoncements relevés au droit des échelles.
Ces échelles sont disposées par paires sur les flancs du bâtiment dans des plans verticaux également distants les uns des autres et perpendiculaires au plan longitudinal de symétrie du bateau. La distance entre ces plans ne peut excéder 15 mètres. Ces plans sont, de plus, rigoureusement symétriques par rapport au centre de gravité de la surface de flottaison située aux 3/4 du tirant d'eau maximum autorisé. Les deux paires d'échelles extrêmes, tout en étant écartées au maximum, doivent cependant rester dans la partie non façonnée du bâtiment. Lorsque celui-ci est susceptible de subir une déformation longitudinale appréciable, il y a lieu de prévoir un plus grand nombre d'échelles.
Le zéro des échelles correspond au plan de flottaison à vide.
Le sommet des échelles est déterminé conformément aux règles suivantes :
1° pour les diverses échelles, le sommet de celles-ci doit se trouver à une même hauteur du point le plus bas de la coupe transversale déterminée dans la coque du bateau par le plan de chaque paire d'échelles;
2° cette hauteur doit être la plus grande possible compatible avec les conditions qui suivent;
3° quel que soit le nombre d'échelles, la ligne périphérique joignant, de chaque côté du bateau leur sommet, ne peut se trouver à moins de 30 cm en-dessous de toute ouverture permettant une rentrée d'eau à l'intérieur du bâtiment; cette ligne périphérique ne peut, toutefois, en aucun point, dépasser le plat-bord. Seuls les hublots fixes, bien étanches, peuvent être considérés comme faisant partie intégrante de la coque, à condition d'être situés au-dessus de la dite ligne périphérique.
Les échelles doivent être très apparentes et rattachées à des repères fixes.
Sur le bâtiment, les échelles sont indiquées par les soins de l'expert-jaugeur à l'aide de plaques d'enfoncement maximum de 30 cm de longueur et de 4 cm de hauteur.
L'axe de ces plaques doit coïncider avec celui des échelles, et leur bord inférieur détermine le sommet des échelles. Ces plaques sont en zinc pour les bâtiments en bois et y sont clouées. Elles sont poinçonnées ou burinées dans la coque des bâtiments en fer. De plus, sur ces bâtiments, le batelier est tenu de rendre les plaques bien apparentes, à l'aide de peinture claire, en veillant cependant à en garder bien net le bord inférieur (sommet de l'échelle).
Ces échelles sont disposées par paires sur les flancs du bâtiment dans des plans verticaux également distants les uns des autres et perpendiculaires au plan longitudinal de symétrie du bateau. La distance entre ces plans ne peut excéder 15 mètres. Ces plans sont, de plus, rigoureusement symétriques par rapport au centre de gravité de la surface de flottaison située aux 3/4 du tirant d'eau maximum autorisé. Les deux paires d'échelles extrêmes, tout en étant écartées au maximum, doivent cependant rester dans la partie non façonnée du bâtiment. Lorsque celui-ci est susceptible de subir une déformation longitudinale appréciable, il y a lieu de prévoir un plus grand nombre d'échelles.
Le zéro des échelles correspond au plan de flottaison à vide.
Le sommet des échelles est déterminé conformément aux règles suivantes :
1° pour les diverses échelles, le sommet de celles-ci doit se trouver à une même hauteur du point le plus bas de la coupe transversale déterminée dans la coque du bateau par le plan de chaque paire d'échelles;
2° cette hauteur doit être la plus grande possible compatible avec les conditions qui suivent;
3° quel que soit le nombre d'échelles, la ligne périphérique joignant, de chaque côté du bateau leur sommet, ne peut se trouver à moins de 30 cm en-dessous de toute ouverture permettant une rentrée d'eau à l'intérieur du bâtiment; cette ligne périphérique ne peut, toutefois, en aucun point, dépasser le plat-bord. Seuls les hublots fixes, bien étanches, peuvent être considérés comme faisant partie intégrante de la coque, à condition d'être situés au-dessus de la dite ligne périphérique.
Les échelles doivent être très apparentes et rattachées à des repères fixes.
Sur le bâtiment, les échelles sont indiquées par les soins de l'expert-jaugeur à l'aide de plaques d'enfoncement maximum de 30 cm de longueur et de 4 cm de hauteur.
L'axe de ces plaques doit coïncider avec celui des échelles, et leur bord inférieur détermine le sommet des échelles. Ces plaques sont en zinc pour les bâtiments en bois et y sont clouées. Elles sont poinçonnées ou burinées dans la coque des bâtiments en fer. De plus, sur ces bâtiments, le batelier est tenu de rendre les plaques bien apparentes, à l'aide de peinture claire, en veillant cependant à en garder bien net le bord inférieur (sommet de l'échelle).
Art.71. <KB 1998-01-21/36, art. 6, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998> § 1. Aan weerszijden van het vaartuig en op elk ijkmerk wordt door de scheepsmeter, in duidelijk leesbare en onuitwisbare tekens van 2,5 à 3 cm hoogte, het metingsmerk aangebracht. Het metingsmerk is samengesteld uit :
a) de kenmerkende letters van het inschrijvingskantoor;
b) het nummer van de inschrijving in het inschrijvingsregister;
c) de onderscheidingsletter van het land (B voor België).
Het metingsmerk moet minstens tweemaal in onuitwisbare tekens op de meest duurzame delen van het vaartuig door de scheepsmeter worden aangebracht.
§ 2. Het metingsmerk wordt door de schipper op de achtersteven van het vaartuig geschilderd.
a) de kenmerkende letters van het inschrijvingskantoor;
b) het nummer van de inschrijving in het inschrijvingsregister;
c) de onderscheidingsletter van het land (B voor België).
Het metingsmerk moet minstens tweemaal in onuitwisbare tekens op de meest duurzame delen van het vaartuig door de scheepsmeter worden aangebracht.
§ 2. Het metingsmerk wordt door de schipper op de achtersteven van het vaartuig geschilderd.
Art.71. <AR 1998-01-21/36, art. 6, 005; En vigueur : 01-04-1998> § 1er. L'expert-jaugeur apporte le signe de jaugeage en caractères apparents et indélébiles de 2,5 à 3 cm de hauteur de chaque côté du bateau et sur chaque marque de jauge. Le signe de jaugeage comporte :
a) les lettres caractéristiques du bureau d'inscription;
b) le numéro d'inscription dans le registre d'inscription;
c) la lettre distinctive du pays (B pour la Belgique).
Le signe de jaugeage doit être au moins deux fois apporté en caractères indélébiles sur les parties les plus durables du bateau par l'expert-jaugeur.
§ 2. Le signe de jaugeage est peint par le patron sur la poupe du bateau.
a) les lettres caractéristiques du bureau d'inscription;
b) le numéro d'inscription dans le registre d'inscription;
c) la lettre distinctive du pays (B pour la Belgique).
Le signe de jaugeage doit être au moins deux fois apporté en caractères indélébiles sur les parties les plus durables du bateau par l'expert-jaugeur.
§ 2. Le signe de jaugeage est peint par le patron sur la poupe du bateau.
Art.72. (opgeheven) <KB 1998-01-21/36, art. 7, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
Art.72. (abrogé) <AR 1998-01-21/36, art. 7, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Art.73. <KB 31-10-1953, art. 3> Wanneer een van beide partijen de juistheid der meting betwist, wordt de bestreden verrichting geverifieerd door de scheepsmeter in wiens dienst het vaartuig bij het ontstaan der betwisting stilligt.
De verificatie heeft plaats ten overstaan van de scheepsmetingsinspecteur.
Zo het gebleken verschil niet meer dan 1/100 bedraagt, wordt van de verificatie eenvoudig melding gemaakt in het register; zo het verschil meer dan 1/100 bedraagt wordt de onjuist bevonden meetbrief vernietigd en wordt een nieuwe opgemaakt.
De gebruiker van de waterweg kan de meting slechts binnen twaalf maanden na haar datum betwisten.
De verificatie heeft plaats ten overstaan van de scheepsmetingsinspecteur.
Zo het gebleken verschil niet meer dan 1/100 bedraagt, wordt van de verificatie eenvoudig melding gemaakt in het register; zo het verschil meer dan 1/100 bedraagt wordt de onjuist bevonden meetbrief vernietigd en wordt een nieuwe opgemaakt.
De gebruiker van de waterweg kan de meting slechts binnen twaalf maanden na haar datum betwisten.
Art.73. <AR 31-10-1953, art. 3> Si l'une ou l'autre des parties intéressées conteste l'exactitude du jaugeage, l'opération critiquée est vérifiée par l'expert-jaugeur dans le service duquel le bateau se trouve en stationnement au moment où la contestation s'élève.
La vérification a lieu en présence de l'inspecteur de jaugeage.
Si la différence révélée ne dépasse pas 1/100, la vérification est simplement mentionnée au registre; si la différence dépasse 1/100, le certificat reconnu inexact est annulé et il en est dressé un nouveau.
Le jaugeage ne peut être contesté par l'usager de la voie navigable que dans les douze mois de sa date.
La vérification a lieu en présence de l'inspecteur de jaugeage.
Si la différence révélée ne dépasse pas 1/100, la vérification est simplement mentionnée au registre; si la différence dépasse 1/100, le certificat reconnu inexact est annulé et il en est dressé un nouveau.
Le jaugeage ne peut être contesté par l'usager de la voie navigable que dans les douze mois de sa date.
Art.74. <KB 1998-01-21/36, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998> § 1. In geval van geheel of gedeeltelijk verlies of in geval van beschadiging van de meetbrief moet de schipper hetzij het vaartuig laten hermeten, hetzij een afschrift van de meetbrief aanvragen bij de Scheepsmetingsdienst Binnenvaart van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart.
§ 2. In geval van geheel verlies van de meetbrief dient de schipper, bij zijn aanvraag tot het bekomen van een afschrift van de meetbrief, een door hem ondertekende en gedagtekende verklaring van verlies te voegen, waarin hij verklaart de meetbrief niet meer te bezitten en dit document aan de in § 1 bedoelde dienst terug te bezorgen wanneer hij het terugvindt.
§ 3. In geval van gedeeltelijk verlies of beschadiging van de meetbrief, dient de schipper, bij zijn aanvraag tot het bekomen van een afschrift van de meetbrief, de gedeeltelijke of beschadigde meetbrief te voegen.
§ 4. Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgeleverd dient dit document te vermelden :
a) dat dit afschrift de meetbrief vervangt;
b) de datum van aflevering.
In het inschrijvingsregister en in het metingsregister dient daarenboven vermeld te worden dat er een afschrift werd afgeleverd, evenals de datum van aflevering.
§ 5. Naast de in vorige paragrafen vermelde afschriften kunnen uittreksels van meetbrieven, op losse bladen, bekomen worden bij de in § 1 bedoelde dienst. Deze uittreksels kunnen noch de meetbrief noch een afschrift ervan vervangen.
§ 2. In geval van geheel verlies van de meetbrief dient de schipper, bij zijn aanvraag tot het bekomen van een afschrift van de meetbrief, een door hem ondertekende en gedagtekende verklaring van verlies te voegen, waarin hij verklaart de meetbrief niet meer te bezitten en dit document aan de in § 1 bedoelde dienst terug te bezorgen wanneer hij het terugvindt.
§ 3. In geval van gedeeltelijk verlies of beschadiging van de meetbrief, dient de schipper, bij zijn aanvraag tot het bekomen van een afschrift van de meetbrief, de gedeeltelijke of beschadigde meetbrief te voegen.
§ 4. Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgeleverd dient dit document te vermelden :
a) dat dit afschrift de meetbrief vervangt;
b) de datum van aflevering.
In het inschrijvingsregister en in het metingsregister dient daarenboven vermeld te worden dat er een afschrift werd afgeleverd, evenals de datum van aflevering.
§ 5. Naast de in vorige paragrafen vermelde afschriften kunnen uittreksels van meetbrieven, op losse bladen, bekomen worden bij de in § 1 bedoelde dienst. Deze uittreksels kunnen noch de meetbrief noch een afschrift ervan vervangen.
Art.74. <AR 1998-01-21/36, art. 8, 005; En vigueur : 01-04-1998> § 1er. En cas de perte totale ou partielle du certificat de jaugeage ou en cas de détérioration de celui-ci, le patron doit soit faire rejauger le bateau soit demander une copie du certificat de jaugeage au Service de Jaugeage de la Navigation intérieure de l'Administration des Affaires maritimes et de la Navigation.
§ 2. En cas de perte totale du certificat de jaugeage, le patron doit joindre à sa demande d'obtention d'une copie du certificat de jaugeage, une déclaration de perte signée et datée par laquelle il certifie ne plus avoir le certificat de jaugeage en sa possession et retourner ce document au service visé au § 1er lorsqu'il le retrouve.
§ 3. En cas de perte partielle ou de détérioration du certificat de jaugeage, le patron doit joindre à sa demande d'obtention d'une copie du certificat de jaugeage soit la partie encore en sa possession du certificat partiellement perdu soit le certificat détérioré.
§ 4. Si une copie du certificat de jaugeage est délivrée, ce document doit mentionner :
a) que cette copie remplace le certificat de jaugeage;
b) la date de délivrance.
En outre, il sera également fait mention dans le registre d'inscription et dans le registre de jaugeage de la délivrance de la copie et de la date à laquelle elle a été délivrée.
§ 5. En dehors des copies mentionnées aux paragraphes précédents, des extraits des certificats de jaugeage peuvent être obtenus sur feuilles volantes auprès du service visé au § 1er. Ces extraits ne peuvent remplacer ni le certificat de jaugeage ni sa copie.
§ 2. En cas de perte totale du certificat de jaugeage, le patron doit joindre à sa demande d'obtention d'une copie du certificat de jaugeage, une déclaration de perte signée et datée par laquelle il certifie ne plus avoir le certificat de jaugeage en sa possession et retourner ce document au service visé au § 1er lorsqu'il le retrouve.
§ 3. En cas de perte partielle ou de détérioration du certificat de jaugeage, le patron doit joindre à sa demande d'obtention d'une copie du certificat de jaugeage soit la partie encore en sa possession du certificat partiellement perdu soit le certificat détérioré.
§ 4. Si une copie du certificat de jaugeage est délivrée, ce document doit mentionner :
a) que cette copie remplace le certificat de jaugeage;
b) la date de délivrance.
En outre, il sera également fait mention dans le registre d'inscription et dans le registre de jaugeage de la délivrance de la copie et de la date à laquelle elle a été délivrée.
§ 5. En dehors des copies mentionnées aux paragraphes précédents, des extraits des certificats de jaugeage peuvent être obtenus sur feuilles volantes auprès du service visé au § 1er. Ces extraits ne peuvent remplacer ni le certificat de jaugeage ni sa copie.
Art.74_VLAAMS_GEWEST. <KB 1998-01-21/36, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998> § 1. In geval van geheel of gedeeltelijk verlies of in geval van beschadiging van de meetbrief moet de schipper hetzij het vaartuig laten hermeten, hetzij een afschrift van de meetbrief aanvragen bij de [1 de dienst, bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen]1.
§ 2. In geval van geheel verlies van de meetbrief dient de schipper, bij zijn aanvraag tot het bekomen van een afschrift van de meetbrief, een door hem ondertekende en gedagtekende verklaring van verlies te voegen, waarin hij verklaart de meetbrief niet meer te bezitten en dit document aan de in § 1 bedoelde dienst terug te bezorgen wanneer hij het terugvindt.
§ 3. In geval van gedeeltelijk verlies of beschadiging van de meetbrief, dient de schipper, bij zijn aanvraag tot het bekomen van een afschrift van de meetbrief, de gedeeltelijke of beschadigde meetbrief te voegen.
§ 4. Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgeleverd dient dit document te vermelden :
a) dat dit afschrift de meetbrief vervangt;
b) de datum van aflevering.
In het inschrijvingsregister en in het metingsregister dient daarenboven vermeld te worden dat er een afschrift werd afgeleverd, evenals de datum van aflevering.
§ 5. Naast de in vorige paragrafen vermelde afschriften kunnen uittreksels van meetbrieven, op losse bladen, bekomen worden bij de in § 1 bedoelde dienst. Deze uittreksels kunnen noch de meetbrief noch een afschrift ervan vervangen.
§ 2. In geval van geheel verlies van de meetbrief dient de schipper, bij zijn aanvraag tot het bekomen van een afschrift van de meetbrief, een door hem ondertekende en gedagtekende verklaring van verlies te voegen, waarin hij verklaart de meetbrief niet meer te bezitten en dit document aan de in § 1 bedoelde dienst terug te bezorgen wanneer hij het terugvindt.
§ 3. In geval van gedeeltelijk verlies of beschadiging van de meetbrief, dient de schipper, bij zijn aanvraag tot het bekomen van een afschrift van de meetbrief, de gedeeltelijke of beschadigde meetbrief te voegen.
§ 4. Indien een afschrift van de meetbrief wordt afgeleverd dient dit document te vermelden :
a) dat dit afschrift de meetbrief vervangt;
b) de datum van aflevering.
In het inschrijvingsregister en in het metingsregister dient daarenboven vermeld te worden dat er een afschrift werd afgeleverd, evenals de datum van aflevering.
§ 5. Naast de in vorige paragrafen vermelde afschriften kunnen uittreksels van meetbrieven, op losse bladen, bekomen worden bij de in § 1 bedoelde dienst. Deze uittreksels kunnen noch de meetbrief noch een afschrift ervan vervangen.
Art.74 _REGION_FLAMANDE.
<AR 1998-01-21/36, art. 8, 005; En vigueur : 01-04-1998> § 1er. En cas de perte totale ou partielle du certificat de jaugeage ou en cas de détérioration de celui-ci, le patron doit soit faire rejauger le bateau soit demander une copie du certificat de jaugeage au [1 service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure]1.
§ 2. En cas de perte totale du certificat de jaugeage, le patron doit joindre à sa demande d'obtention d'une copie du certificat de jaugeage, une déclaration de perte signée et datée par laquelle il certifie ne plus avoir le certificat de jaugeage en sa possession et retourner ce document au service visé au § 1er lorsqu'il le retrouve.
§ 3. En cas de perte partielle ou de détérioration du certificat de jaugeage, le patron doit joindre à sa demande d'obtention d'une copie du certificat de jaugeage soit la partie encore en sa possession du certificat partiellement perdu soit le certificat détérioré.
§ 4. Si une copie du certificat de jaugeage est délivrée, ce document doit mentionner :
a) que cette copie remplace le certificat de jaugeage;
b) la date de délivrance.
En outre, il sera également fait mention dans le registre d'inscription et dans le registre de jaugeage de la délivrance de la copie et de la date à laquelle elle a été délivrée.
§ 5. En dehors des copies mentionnées aux paragraphes précédents, des extraits des certificats de jaugeage peuvent être obtenus sur feuilles volantes auprès du service visé au § 1er. Ces extraits ne peuvent remplacer ni le certificat de jaugeage ni sa copie.
<AR 1998-01-21/36, art. 8, 005; En vigueur : 01-04-1998> § 1er. En cas de perte totale ou partielle du certificat de jaugeage ou en cas de détérioration de celui-ci, le patron doit soit faire rejauger le bateau soit demander une copie du certificat de jaugeage au [1 service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure]1.
§ 2. En cas de perte totale du certificat de jaugeage, le patron doit joindre à sa demande d'obtention d'une copie du certificat de jaugeage, une déclaration de perte signée et datée par laquelle il certifie ne plus avoir le certificat de jaugeage en sa possession et retourner ce document au service visé au § 1er lorsqu'il le retrouve.
§ 3. En cas de perte partielle ou de détérioration du certificat de jaugeage, le patron doit joindre à sa demande d'obtention d'une copie du certificat de jaugeage soit la partie encore en sa possession du certificat partiellement perdu soit le certificat détérioré.
§ 4. Si une copie du certificat de jaugeage est délivrée, ce document doit mentionner :
a) que cette copie remplace le certificat de jaugeage;
b) la date de délivrance.
En outre, il sera également fait mention dans le registre d'inscription et dans le registre de jaugeage de la délivrance de la copie et de la date à laquelle elle a été délivrée.
§ 5. En dehors des copies mentionnées aux paragraphes précédents, des extraits des certificats de jaugeage peuvent être obtenus sur feuilles volantes auprès du service visé au § 1er. Ces extraits ne peuvent remplacer ni le certificat de jaugeage ni sa copie.
Wijzigingen
Art.75. <KB 31-10-1953, art. 5> (In geval het vaartuig een verbouwing ondergaat, die van invloed is op de in de meetbrief vermelde gegevens, moet de schipper het vaartuig laten hermeten.) Deze nieuwe meting geschiedt overeenkomstig de bovenvermelde bepalingen, zoals zij door het tegenwoordige artikel worden gewijzigd en aangevuld. <KB 1998-01-21/36, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
Zo het vaartuig niet oorspronkelijk in Frankrijk is gemeten, worden de oude merken, opschriften, ijkplaten en, eventueel, de ijkschalen afgenomen en vervangen door nieuwe, welke betrekking hebben op de nieuwe meting en op het kantoor waar het ingeschreven is.
Zo het vaartuig oorspronkelijk in Frankrijk is gemeten, worden de onuitwisbare tekens betreffende het hermetingskantoor op de voorsteven van het vaartuig aangebracht ter vervanging van die welke er reeds op staan en aan de onuitwisbare Franse tekens, welke op de achtersteven blijven, wordt een onuitwisbaar Grieks kruis toegevoegd. Bij gebrek van Franse tekens op de achtersteven van het vaartuig worden die op de voorsteven bewaard, doch aangevuld met een Grieks kruis. Het Frans opschrift dat op de achtersteven van het vaartuig is geschilderd, wordt aan een kant van het roer behouden en met een Grieks kruis in dezelfde kleur aangevuld. Het nieuw opschrift wordt aan de andere kant van het roer geschilderd. Nieuwe ijkplaten en schalen worden aangebracht; de oude ijkplaten worden met een kruis gemerkt en op gelijke hoogte, naast de nieuwe geplaatst.
De schipper is gehouden, de vorige meetbrief aan de scheepsmeter af te geven. Is dit document zoek geraakt, dan moet hij in een gedateerde en ondertekende verklaring bevestigen dat hij het niet meer bezit, en zich verbinden het aan het Bestuur te bezorgen ingeval hij het terugvindt; van die verklaring wordt hem een afschrift ter hand gesteld. (...) <KB 1998-01-21/36, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
Zo het vaartuig niet oorspronkelijk in Frankrijk is gemeten, worden de oude merken, opschriften, ijkplaten en, eventueel, de ijkschalen afgenomen en vervangen door nieuwe, welke betrekking hebben op de nieuwe meting en op het kantoor waar het ingeschreven is.
Zo het vaartuig oorspronkelijk in Frankrijk is gemeten, worden de onuitwisbare tekens betreffende het hermetingskantoor op de voorsteven van het vaartuig aangebracht ter vervanging van die welke er reeds op staan en aan de onuitwisbare Franse tekens, welke op de achtersteven blijven, wordt een onuitwisbaar Grieks kruis toegevoegd. Bij gebrek van Franse tekens op de achtersteven van het vaartuig worden die op de voorsteven bewaard, doch aangevuld met een Grieks kruis. Het Frans opschrift dat op de achtersteven van het vaartuig is geschilderd, wordt aan een kant van het roer behouden en met een Grieks kruis in dezelfde kleur aangevuld. Het nieuw opschrift wordt aan de andere kant van het roer geschilderd. Nieuwe ijkplaten en schalen worden aangebracht; de oude ijkplaten worden met een kruis gemerkt en op gelijke hoogte, naast de nieuwe geplaatst.
De schipper is gehouden, de vorige meetbrief aan de scheepsmeter af te geven. Is dit document zoek geraakt, dan moet hij in een gedateerde en ondertekende verklaring bevestigen dat hij het niet meer bezit, en zich verbinden het aan het Bestuur te bezorgen ingeval hij het terugvindt; van die verklaring wordt hem een afschrift ter hand gesteld. (...) <KB 1998-01-21/36, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
Art.75. <AR 31-10-1953, art. 5> (Lorsque le bateau subit des transformations de nature à influencer les données reprises dans le certificat de jaugeage, le patron doit faire rejauger le bateau.) Celui-ci s'opère conformément aux dispositions qui précèdent, modifiées et complétées par celles du présent article. <AR 1998-01-21/36, art. 9, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Si le bateau n'a pas été jaugé originairement en France, les anciennes marques, inscriptions, plaques de jauge et, le cas échéant, les échelles sont enlevées et remplacées par d'autres se rapportant au nouveau jaugeage et au bureau qui l'a enregistré.
Si le bateau a été jaugé originairement en France, les marques indélébiles relatives au bureau de rejaugeage sont apposées à la proue du bateau en remplacement de celles qui s'y trouvent et une croix grecque indélébile est ajoutée aux marques indélébiles françaises conservées à la poupe du bateau. A défaut de marques françaises à la poupe du bateau, celles de la proue sont maintenues, mais complétées par l'addition de la croix grecque. L'inscription française peinte à la poupe du bateau est conservée d'un côté du gouvernail et complétée par une croix grecque de même couleur. L'inscription nouvelle est peinte de l'autre côté du gouvernail. De nouvelles plaques de jauge et de nouvelles échelles sont posées; les anciennes plaques de jauge sont marquées d'une croix et placées au même niveau que les nouvelles et près de celles-ci.
Le patron est tenu de remettre à l'expert-jaugeur le certificat du jaugeage précédent. S'il a égaré ce document, il doit, par déclaration, datée et signée, certifier qu'il ne le possède plus et s'engager à le remettre à l'Administration s'il le retrouve; copie de cette déclaration lui est remise. (...). <AR 1998-01-21/36, art. 9, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Si le bateau n'a pas été jaugé originairement en France, les anciennes marques, inscriptions, plaques de jauge et, le cas échéant, les échelles sont enlevées et remplacées par d'autres se rapportant au nouveau jaugeage et au bureau qui l'a enregistré.
Si le bateau a été jaugé originairement en France, les marques indélébiles relatives au bureau de rejaugeage sont apposées à la proue du bateau en remplacement de celles qui s'y trouvent et une croix grecque indélébile est ajoutée aux marques indélébiles françaises conservées à la poupe du bateau. A défaut de marques françaises à la poupe du bateau, celles de la proue sont maintenues, mais complétées par l'addition de la croix grecque. L'inscription française peinte à la poupe du bateau est conservée d'un côté du gouvernail et complétée par une croix grecque de même couleur. L'inscription nouvelle est peinte de l'autre côté du gouvernail. De nouvelles plaques de jauge et de nouvelles échelles sont posées; les anciennes plaques de jauge sont marquées d'une croix et placées au même niveau que les nouvelles et près de celles-ci.
Le patron est tenu de remettre à l'expert-jaugeur le certificat du jaugeage précédent. S'il a égaré ce document, il doit, par déclaration, datée et signée, certifier qu'il ne le possède plus et s'engager à le remettre à l'Administration s'il le retrouve; copie de cette déclaration lui est remise. (...). <AR 1998-01-21/36, art. 9, 005; En vigueur : 01-04-1998>
Art. 75bis. (Opgeheven) <KB 31-10-1953, art. 6>
Art. 75bis. (Abrogé) <AR 31-10-1953, art. 6>
Art.76. <KB 31-10-1953, art. 7> § 1. Hij die de eigendom van een gemeten vaartuig verkrijgt, moet, binnen een termijn van tien dagen, zijn naam, voornamen en woonplaats op twee originelen van de meetbrief doen aanbrengen ter vervanging van die van de vorige eigenaar.
Daartoe moet hij de akte of titel van vestiging, overdracht of aanwijzing van het eigendomsrecht en bij ontstentenis, een door hem ondertekende verklaring waarin hij de oorsprong van zijn recht aantoont, overleggen. De handtekeningen op de akte, de titel of de verklaring moeten eventueel gelegaliseerd worden. Van het document moet de eigenaar een afschrift bezorgen dat bij het scheepsmetingsregister wordt gevoegd.
§ 2. Om de naam of kenspreuk van een vaartuig te veranderen, moet de eigenaar zich bij (de Scheepsmeetingsdienst Binnenvaart van het Bestuur van de Maritieme Zaken van de Scheepvaart) aanmelden, voorzien van zijn identiteitskaart en van een schriftelijke aanvraag vermeldende zijn naam, voornamen en woonplaats. <KB 1998-01-21/36, art. 10, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
§ 3. De vermeldingen in verband met de in §§ 1en 2 bedoelde veranderingen worden op de twee originelen van de meetbrief en op het inschrijvingsregister (...) aangebracht. Zij worden door de beambten die de inschrijving doen, gedateerd en ondertekend. <KB 1999-03-05/40, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Daartoe moet hij de akte of titel van vestiging, overdracht of aanwijzing van het eigendomsrecht en bij ontstentenis, een door hem ondertekende verklaring waarin hij de oorsprong van zijn recht aantoont, overleggen. De handtekeningen op de akte, de titel of de verklaring moeten eventueel gelegaliseerd worden. Van het document moet de eigenaar een afschrift bezorgen dat bij het scheepsmetingsregister wordt gevoegd.
§ 2. Om de naam of kenspreuk van een vaartuig te veranderen, moet de eigenaar zich bij (de Scheepsmeetingsdienst Binnenvaart van het Bestuur van de Maritieme Zaken van de Scheepvaart) aanmelden, voorzien van zijn identiteitskaart en van een schriftelijke aanvraag vermeldende zijn naam, voornamen en woonplaats. <KB 1998-01-21/36, art. 10, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
§ 3. De vermeldingen in verband met de in §§ 1en 2 bedoelde veranderingen worden op de twee originelen van de meetbrief en op het inschrijvingsregister (...) aangebracht. Zij worden door de beambten die de inschrijving doen, gedateerd en ondertekend. <KB 1999-03-05/40, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Art.76. <AR 31-10-1953, art. 7> § 1. Celui qui acquiert la propriété d'un bateau jaugé est tenu de faire inscrire, dans le délai de dix jours, sur les deux originaux du certificat de jaugeage ses nom, prénoms et domicile, en lieu et place de ceux du propriétaire précédent.
A cet effet, il est tenu de présenter l'acte ou le titre constitutif, translatif ou déclaratif du droit de propriété ou à défaut, une déclaration signée par lui et indiquant l'origine de son droit. Les signatures de l'acte, des titres ou de la déclaration doivent, éventuellement être légalisées. Copie du document doit être fournie par le propriétaire pour être jointe au registre de jaugeage.
§ 2. Pour changer le nom ou la devise d'un bateau, le propriétaire est tenu de se présenter, muni de sa carte d'identité et d'une demande écrite mentionnant ses nom, prénoms et domicile chez (le Service de Jaugeage de la Navigation intérieure de l'Administration des Affaires maritimes et de la Navigation). <AR 1998-01-21/36, art. 10, 005; En vigueur : 01-04-1998>
§ 3. Les mentions relatives aux changements visés aux §§ 1er et 2 sont portées (...) sur les deux originaux du certificat et sur le registre d'inscription. Elles sont signées et datées par les agents qui les y inscrivent. <AR 1999-03-05/40, art. 4, 007; En vigueur : 01-01-1998>
A cet effet, il est tenu de présenter l'acte ou le titre constitutif, translatif ou déclaratif du droit de propriété ou à défaut, une déclaration signée par lui et indiquant l'origine de son droit. Les signatures de l'acte, des titres ou de la déclaration doivent, éventuellement être légalisées. Copie du document doit être fournie par le propriétaire pour être jointe au registre de jaugeage.
§ 2. Pour changer le nom ou la devise d'un bateau, le propriétaire est tenu de se présenter, muni de sa carte d'identité et d'une demande écrite mentionnant ses nom, prénoms et domicile chez (le Service de Jaugeage de la Navigation intérieure de l'Administration des Affaires maritimes et de la Navigation). <AR 1998-01-21/36, art. 10, 005; En vigueur : 01-04-1998>
§ 3. Les mentions relatives aux changements visés aux §§ 1er et 2 sont portées (...) sur les deux originaux du certificat et sur le registre d'inscription. Elles sont signées et datées par les agents qui les y inscrivent. <AR 1999-03-05/40, art. 4, 007; En vigueur : 01-01-1998>
Art.76_VLAAMS_GEWEST. <KB 31-10-1953, art. 7> § 1. Hij die de eigendom van een gemeten vaartuig verkrijgt, moet, binnen een termijn van tien dagen, zijn naam, voornamen en woonplaats op twee originelen van de meetbrief doen aanbrengen ter vervanging van die van de vorige eigenaar. Daartoe moet hij de akte of titel van vestiging, overdracht of aanwijzing van het eigendomsrecht en bij ontstentenis, een door hem ondertekende verklaring waarin hij de oorsprong van zijn recht aantoont, overleggen. De handtekeningen op de akte, de titel of de verklaring moeten eventueel gelegaliseerd worden. Van het document moet de eigenaar een afschrift bezorgen dat bij het scheepsmetingsregister wordt gevoegd. § 2. Om de naam of kenspreuk van een vaartuig te veranderen, moet de eigenaar zich bij (de [1 dienst, bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen]1) aanmelden, voorzien van zijn identiteitskaart en van een schriftelijke aanvraag vermeldende zijn naam, voornamen en woonplaats. <KB 1998-01-21/36, art. 10, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998> § 3. De vermeldingen in verband met de in §§ 1en 2 bedoelde veranderingen worden op de twee originelen van de meetbrief en op het inschrijvingsregister (...) aangebracht. Zij worden door de beambten die de inschrijving doen, gedateerd en ondertekend. <KB 1999-03-05/40, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Art.76 _REGION_FLAMANDE. <AR 31-10-1953, art. 7> § 1. Celui qui acquiert la propriété d'un bateau jaugé est tenu de faire inscrire, dans le délai de dix jours, sur les deux originaux du certificat de jaugeage ses nom, prénoms et domicile, en lieu et place de ceux du propriétaire précédent. A cet effet, il est tenu de présenter l'acte ou le titre constitutif, translatif ou déclaratif du droit de propriété ou à défaut, une déclaration signée par lui et indiquant l'origine de son droit. Les signatures de l'acte, des titres ou de la déclaration doivent, éventuellement être légalisées. Copie du document doit être fournie par le propriétaire pour être jointe au registre de jaugeage. § 2. Pour changer le nom ou la devise d'un bateau, le propriétaire est tenu de se présenter, muni de sa carte d'identité et d'une demande écrite mentionnant ses nom, prénoms et domicile chez (le [1 service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure]1). <AR 1998-01-21/36, art. 10, 005; En vigueur : 01-04-1998> § 3. Les mentions relatives aux changements visés aux §§ 1er et 2 sont portées (...) sur les deux originaux du certificat et sur le registre d'inscription. Elles sont signées et datées par les agents qui les y inscrivent. <AR 1999-03-05/40, art. 4, 007; En vigueur : 01-01-1998>
Wijzigingen
Art.77. De ijknagels, ijkschalen en ijkplaten moeten ongeschonden, duidelijk en onveranderd blijven. Ze worden vastgemaakt zoals in den meetbrief aangeduid is.
De inzinking van een vaartuig mag in geen punt den onderkant der ijkplaat overschrijden, noch den grootsten diepgang vastgesteld door het bijzonder reglement van den waterweg waarop het vaart.
De inzinking van een vaartuig mag in geen punt den onderkant der ijkplaat overschrijden, noch den grootsten diepgang vastgesteld door het bijzonder reglement van den waterweg waarop het vaart.
Art.77. Les clous de repère, échelles et plaques de jauge doivent être maintenus intacts et patents, sans altération. Ils sont fixés de la manière indiquée au certificat de jaugeage.
L'immersion d'un bateau ne peut en aucun point dépasser la ligne inférieure de la plaque de jauge, ni le maximum du tirant d'eau fixé par le règlement particulier de la voie navigable sur laquelle il se trouve.
L'immersion d'un bateau ne peut en aucun point dépasser la ligne inférieure de la plaque de jauge, ni le maximum du tirant d'eau fixé par le règlement particulier de la voie navigable sur laquelle il se trouve.
Art. 77bis. <INGEVOEGD bij KB 31-10-1953, art. 9> (§ 1. Vóór de sloping van een vaartuig aangevat wordt, zijn de eigenaar en de werf gehouden de Scheepsmetingsdienst Binnenvaart van het Bestuur van de Maritieme Zaken en van de Scheepvaart te verwittigen om deze in gelegenheid te stellen om de sloping vast te stellen en er akte van op te maken.
De eigenaar dient de meetbrief in te leveren bij deze dienst. In geval van geheel verlies van de meetbrief, dient de eigenaar een door hem ondertekende en gedagtekende verklaring van verlies aan deze dienst voor te leggen, waarin hij verklaart de meetbrief niet meer te bezitten en dit document aan deze dienst terug te bezorgen wanneer hij het terugvindt.
Een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte tot vaststelling van sloping kan bekomen worden op schriftelijke aanvraag, gericht aan deze dienst.) <KB 1998-01-21/36, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
§ 2. Op de scheepvaartwegen of hun aanhorigheden mogen de vaartuigen niet gesloopt worden dan krachtens speciale vergunning afgegeven door de hoofdingenieur-directeur van het ressort, die de plaats bepaalt waar de verrichting moet plaats hebben.
Op de aanhorigheden van de scheepvaartweg wordt het slopen der vaartuigen begonnen dadelijk nadat zij op het droge zijn gebracht en ononderbroken voortgezet. De afbraakmaterialen worden, naarmate het werk vordert, derwijze opgeruimd dat geen ongevallen noch hinder worden veroorzaakt.
De eigenaar dient de meetbrief in te leveren bij deze dienst. In geval van geheel verlies van de meetbrief, dient de eigenaar een door hem ondertekende en gedagtekende verklaring van verlies aan deze dienst voor te leggen, waarin hij verklaart de meetbrief niet meer te bezitten en dit document aan deze dienst terug te bezorgen wanneer hij het terugvindt.
Een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte tot vaststelling van sloping kan bekomen worden op schriftelijke aanvraag, gericht aan deze dienst.) <KB 1998-01-21/36, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
§ 2. Op de scheepvaartwegen of hun aanhorigheden mogen de vaartuigen niet gesloopt worden dan krachtens speciale vergunning afgegeven door de hoofdingenieur-directeur van het ressort, die de plaats bepaalt waar de verrichting moet plaats hebben.
Op de aanhorigheden van de scheepvaartweg wordt het slopen der vaartuigen begonnen dadelijk nadat zij op het droge zijn gebracht en ononderbroken voortgezet. De afbraakmaterialen worden, naarmate het werk vordert, derwijze opgeruimd dat geen ongevallen noch hinder worden veroorzaakt.
Art. 77bis. <AR 31-10-1953, art. 9> (§ 1. Avant de commencer le déchirage d'un bateau, le propriétaire et le chantier sont tenus d'en avertir le Service de Jaugeage de la Navigation intérieure de l'Administration des Affaires maritimes et de la Navigation pour lui permettre de constater le déchirage et d'en dresser acte.
Le propriétaire doit remettre le certificat de jaugeage à ce service. En cas de perte totale du certificat de jaugeage, le propriétaire doit produire auprès de ce service une déclaration de perte signée et datée par laquelle il certifie ne plus avoir le certificat de jaugeage en sa possession et retourner ce document à ce service lorsqu'il le retrouve.
Une copie certifiée conforme de l'acte constatant le déchirage peut être obtenue, sur demande écrite adressée à ce service.) <AR 1998-01-21/36, art. 11, 005; En vigueur : 01-04-1998>
§ 2. Les bateaux ne peuvent être déchirés sur les voies navigables ou leurs dépendances qu'en vertu d'une autorisation spéciale délivrée par l'ingénieur en chef-directeur du ressort, qui spécifie l'endroit où l'opération doit s'effectuer.
Sur les dépendances de la voie, le déchirage des bateaux s'effectue immédiatement après leur mise à terre et est continué sans interruption. Les matériaux qui en proviennent sont enlevés au fur et à mesure, de manière à n'occasionner ni accidents ni embarras.
Le propriétaire doit remettre le certificat de jaugeage à ce service. En cas de perte totale du certificat de jaugeage, le propriétaire doit produire auprès de ce service une déclaration de perte signée et datée par laquelle il certifie ne plus avoir le certificat de jaugeage en sa possession et retourner ce document à ce service lorsqu'il le retrouve.
Une copie certifiée conforme de l'acte constatant le déchirage peut être obtenue, sur demande écrite adressée à ce service.) <AR 1998-01-21/36, art. 11, 005; En vigueur : 01-04-1998>
§ 2. Les bateaux ne peuvent être déchirés sur les voies navigables ou leurs dépendances qu'en vertu d'une autorisation spéciale délivrée par l'ingénieur en chef-directeur du ressort, qui spécifie l'endroit où l'opération doit s'effectuer.
Sur les dépendances de la voie, le déchirage des bateaux s'effectue immédiatement après leur mise à terre et est continué sans interruption. Les matériaux qui en proviennent sont enlevés au fur et à mesure, de manière à n'occasionner ni accidents ni embarras.
Art.77bis_VLAAMS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 31-10-1953, art. 9> (§ 1. Vóór de sloping van een vaartuig aangevat wordt, zijn de eigenaar en de werf gehouden de [1 dienst, bevoegd voor de meting van binnenvaartuigen]1 te verwittigen om deze in gelegenheid te stellen om de sloping vast te stellen en er akte van op te maken.
De eigenaar dient de meetbrief in te leveren bij deze dienst. In geval van geheel verlies van de meetbrief, dient de eigenaar een door hem ondertekende en gedagtekende verklaring van verlies aan deze dienst voor te leggen, waarin hij verklaart de meetbrief niet meer te bezitten en dit document aan deze dienst terug te bezorgen wanneer hij het terugvindt.
Een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte tot vaststelling van sloping kan bekomen worden op schriftelijke aanvraag, gericht aan deze dienst.) <KB 1998-01-21/36, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
§ 2. Op de scheepvaartwegen of hun aanhorigheden mogen de vaartuigen niet gesloopt worden dan krachtens speciale vergunning afgegeven door de hoofdingenieur-directeur van het ressort, die de plaats bepaalt waar de verrichting moet plaats hebben.
Op de aanhorigheden van de scheepvaartweg wordt het slopen der vaartuigen begonnen dadelijk nadat zij op het droge zijn gebracht en ononderbroken voortgezet. De afbraakmaterialen worden, naarmate het werk vordert, derwijze opgeruimd dat geen ongevallen noch hinder worden veroorzaakt.
De eigenaar dient de meetbrief in te leveren bij deze dienst. In geval van geheel verlies van de meetbrief, dient de eigenaar een door hem ondertekende en gedagtekende verklaring van verlies aan deze dienst voor te leggen, waarin hij verklaart de meetbrief niet meer te bezitten en dit document aan deze dienst terug te bezorgen wanneer hij het terugvindt.
Een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte tot vaststelling van sloping kan bekomen worden op schriftelijke aanvraag, gericht aan deze dienst.) <KB 1998-01-21/36, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-04-1998>
§ 2. Op de scheepvaartwegen of hun aanhorigheden mogen de vaartuigen niet gesloopt worden dan krachtens speciale vergunning afgegeven door de hoofdingenieur-directeur van het ressort, die de plaats bepaalt waar de verrichting moet plaats hebben.
Op de aanhorigheden van de scheepvaartweg wordt het slopen der vaartuigen begonnen dadelijk nadat zij op het droge zijn gebracht en ononderbroken voortgezet. De afbraakmaterialen worden, naarmate het werk vordert, derwijze opgeruimd dat geen ongevallen noch hinder worden veroorzaakt.
Art.77bis _REGION_FLAMANDE.
<AR 31-10-1953, art. 9> (§ 1. Avant de commencer le déchirage d'un bateau, le propriétaire et le chantier sont tenus d'en avertir le [1 service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure]1 pour lui permettre de constater le déchirage et d'en dresser acte.
Le propriétaire doit remettre le certificat de jaugeage à ce service. En cas de perte totale du certificat de jaugeage, le propriétaire doit produire auprès de ce service une déclaration de perte signée et datée par laquelle il certifie ne plus avoir le certificat de jaugeage en sa possession et retourner ce document à ce service lorsqu'il le retrouve.
Une copie certifiée conforme de l'acte constatant le déchirage peut être obtenue, sur demande écrite adressée à ce service.) <AR 1998-01-21/36, art. 11, 005; En vigueur : 01-04-1998>
§ 2. Les bateaux ne peuvent être déchirés sur les voies navigables ou leurs dépendances qu'en vertu d'une autorisation spéciale délivrée par l'ingénieur en chef-directeur du ressort, qui spécifie l'endroit où l'opération doit s'effectuer.
Sur les dépendances de la voie, le déchirage des bateaux s'effectue immédiatement après leur mise à terre et est continué sans interruption. Les matériaux qui en proviennent sont enlevés au fur et à mesure, de manière à n'occasionner ni accidents ni embarras.
<AR 31-10-1953, art. 9> (§ 1. Avant de commencer le déchirage d'un bateau, le propriétaire et le chantier sont tenus d'en avertir le [1 service compétent pour le jaugeage des bateaux de navigation intérieure]1 pour lui permettre de constater le déchirage et d'en dresser acte.
Le propriétaire doit remettre le certificat de jaugeage à ce service. En cas de perte totale du certificat de jaugeage, le propriétaire doit produire auprès de ce service une déclaration de perte signée et datée par laquelle il certifie ne plus avoir le certificat de jaugeage en sa possession et retourner ce document à ce service lorsqu'il le retrouve.
Une copie certifiée conforme de l'acte constatant le déchirage peut être obtenue, sur demande écrite adressée à ce service.) <AR 1998-01-21/36, art. 11, 005; En vigueur : 01-04-1998>
§ 2. Les bateaux ne peuvent être déchirés sur les voies navigables ou leurs dépendances qu'en vertu d'une autorisation spéciale délivrée par l'ingénieur en chef-directeur du ressort, qui spécifie l'endroit où l'opération doit s'effectuer.
Sur les dépendances de la voie, le déchirage des bateaux s'effectue immédiatement après leur mise à terre et est continué sans interruption. Les matériaux qui en proviennent sont enlevés au fur et à mesure, de manière à n'occasionner ni accidents ni embarras.
Wijzigingen
Art.78. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Onverminderd de straffen, gesteld bij artikel 100 van dit reglement, en op hem toepasselijk, betaalt de schipper wiens vaartuig overladen is, de bijrechten verschuldigd voor de overvracht en voor den reeds afgelegden weg.
Hij is, daarenboven, verplicht onmiddellijk de overdracht der lading van zijn vaartuig te lossen, bij gebreke waarvan dit ambtshalve en op zijn kosten geschiedt.
Dergelijke maatregelen worden eveneens getroffen tegenover vlottreinen of vlotten die een te grooten diepgang hebben.
Onverminderd de straffen, gesteld bij artikel 100 van dit reglement, en op hem toepasselijk, betaalt de schipper wiens vaartuig overladen is, de bijrechten verschuldigd voor de overvracht en voor den reeds afgelegden weg.
Hij is, daarenboven, verplicht onmiddellijk de overdracht der lading van zijn vaartuig te lossen, bij gebreke waarvan dit ambtshalve en op zijn kosten geschiedt.
Dergelijke maatregelen worden eveneens getroffen tegenover vlottreinen of vlotten die een te grooten diepgang hebben.
Art.78. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Indépendamment des peines comminées par l'article 100 du présent règlement et qui lui seraient applicables, le patron dont le bateau a un excès de charge paie un droit supplémentaire, à raison de la surcharge et du parcours déjà effectué.
Il est tenu, en outre, de débarquer immédiatement l'excédent de charge de son bateau, faute de quoi il y est procédé d'office et à ses frais.
Des mesures analogues sont prises à l'égard des trains ou radeaux ayant un excès de tirant d'eau.
Indépendamment des peines comminées par l'article 100 du présent règlement et qui lui seraient applicables, le patron dont le bateau a un excès de charge paie un droit supplémentaire, à raison de la surcharge et du parcours déjà effectué.
Il est tenu, en outre, de débarquer immédiatement l'excédent de charge de son bateau, faute de quoi il y est procédé d'office et à ses frais.
Des mesures analogues sont prises à l'égard des trains ou radeaux ayant un excès de tirant d'eau.
Art. 78bis. Elke vervalsching van den meetbrief welke door den scheepsmeter aan den schipper of zijn gemachtigde wordt afgeleverd onder de voorwaarden aangegeven in artikel 72 van dit reglement heeft onafhankelijk van de straffen voorzien bij artikel 196 van het strafwetboek (valschheid in openbare geschriften) voor gevolg ten laste van den overtreder :
1° De onmiddellijke inbeslagneming van het vervalschte stuk;
2° De verplichting om het schip op kosten van den schipper te hermeten.
1° De onmiddellijke inbeslagneming van het vervalschte stuk;
2° De verplichting om het schip op kosten van den schipper te hermeten.
Art. 78bis. Toute falsification du certificat de jaugeage remis par l'expert-jaugeur au patron ou à son délégué dans les conditions énumérées à l'article 72 du présent règlement, provoque, indépendamment des peines comminées par l'article 196 du Code pénal (faux en écritures publiques), à charge du délinquant :
1° La confiscation immédiate du document falsifié;
2° L'obligation de rejauger le bateau aux frais du patron.
1° La confiscation immédiate du document falsifié;
2° L'obligation de rejauger le bateau aux frais du patron.
HOOFDSTUK II. - Scheepvaartrechten.
CHAPITRE II. - Droits de navigation.
Art.79. <KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van de Staat, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.
§ 2. (Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op tien centimes per tonkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand, in kilometers).) <KB 26-05-1983, art. 1>
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.
§ 2. (Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op tien centimes per tonkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand, in kilometers).) <KB 26-05-1983, art. 1>
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.
Art.79. <AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Des droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables administrées par l'Etat, à l'exception de celles qui sont soumises à l'influence de la marée et de celles qui, non soumises à cette influence, en sont exonérées par leur règlement particulier.
§ 2. (Pour le transport de marchandises, les droits sont fixés à dix centimes par tonne kilométrique (produit de la multiplication du chargement, exprimé en tonnes métriques, par la distance à parcourir, en kilomètres).) <AR 26-05-1983, art. 1>
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle a parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexes au présent règlement.
§ 2. (Pour le transport de marchandises, les droits sont fixés à dix centimes par tonne kilométrique (produit de la multiplication du chargement, exprimé en tonnes métriques, par la distance à parcourir, en kilomètres).) <AR 26-05-1983, art. 1>
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle a parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexes au présent règlement.
Art. 79. (VLAAMSE GEWEST)
(NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) <KB 05-05-1975, art. 2>
§ 1. (Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van het Vlaamse Gewest, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.)
§ 2. (Voor het goederenvervoer wordt het recht vastgesteld op (0,00025 EUR) per tonkilometer (product van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand in kilometers).)
[2 De scheepvaartrechten worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de maand september 2011.
Deze indexering wordt eens per jaar berekend, waarbij het nieuwe indexcijfer overeenstemt met het indexcijfer van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verschuldigde scheepvaartrechten aangerekend zullen worden. De geïndexeerde tarieven gelden vervolgens voor het ganse daaropvolgende kalenderjaar. Het bedrag wordt jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling]2
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.)
(NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) <KB 05-05-1975, art. 2>
§ 1. (Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van het Vlaamse Gewest, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.)
§ 2. (Voor het goederenvervoer wordt het recht vastgesteld op (0,00025 EUR) per tonkilometer (product van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand in kilometers).)
[2 De scheepvaartrechten worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de maand september 2011.
Deze indexering wordt eens per jaar berekend, waarbij het nieuwe indexcijfer overeenstemt met het indexcijfer van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verschuldigde scheepvaartrechten aangerekend zullen worden. De geïndexeerde tarieven gelden vervolgens voor het ganse daaropvolgende kalenderjaar. Het bedrag wordt jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling]2
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.)
Art. 79. (REGION FLAMANDE)
(NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Les droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables gérées par la Région flamande, à l'exception de celles soumises à la marée ainsi que celles qui ne sont pas soumises à la marée, lesquelles sont exemptées de ces droits par le règlement concerné.)
§ 2. (En ce qui concerne le transport des marchandises, le droit est fixé à (0,00025 EUR) par kilomètre/tonne (produit de la multiplication de la cargaison, exprimée en tonnes métriques, par la distance à parcourir en kilomètres).)
[2 (NOTE : Alinéa non traduit)
(NOTE : Alinéa non traduit)]2
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.)
(NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Les droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables gérées par la Région flamande, à l'exception de celles soumises à la marée ainsi que celles qui ne sont pas soumises à la marée, lesquelles sont exemptées de ces droits par le règlement concerné.)
§ 2. (En ce qui concerne le transport des marchandises, le droit est fixé à (0,00025 EUR) par kilomètre/tonne (produit de la multiplication de la cargaison, exprimée en tonnes métriques, par la distance à parcourir en kilomètres).)
[2 (NOTE : Alinéa non traduit)
(NOTE : Alinéa non traduit)]2
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.)
Art. 79. (BRUSSELSE GEWEST)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. [1 Scheepvaartrechten die zijn verschuldigd op de scheepvaartweg beheerd door de Haven van Brussel.]1
§ 2. [1 Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op 0,00025 euro per ton lading en per kilometer. Fracties van één ton die niet groter zijn dan 500 Kg worden niet aangerekend bij de berekening van die rechten. Die welke groter zijn dan 500 Kg worden naar boven op één ton afgerond. Het minimum recht, ongeacht de aard van het vaartuig, wordt op 2,5 vastgesteld.
De scheepvaartrechten worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de maand september 2011.
Deze indexering wordt eens per jaar berekend, waarbij het nieuwe indexcijfer overeenstemt met het indexcijfer van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verschuldigde scheepvaartrechten aangerekend zullen worden.]1
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. [1 Scheepvaartrechten die zijn verschuldigd op de scheepvaartweg beheerd door de Haven van Brussel.]1
§ 2. [1 Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op 0,00025 euro per ton lading en per kilometer. Fracties van één ton die niet groter zijn dan 500 Kg worden niet aangerekend bij de berekening van die rechten. Die welke groter zijn dan 500 Kg worden naar boven op één ton afgerond. Het minimum recht, ongeacht de aard van het vaartuig, wordt op 2,5 vastgesteld.
De scheepvaartrechten worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de maand september 2011.
Deze indexering wordt eens per jaar berekend, waarbij het nieuwe indexcijfer overeenstemt met het indexcijfer van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verschuldigde scheepvaartrechten aangerekend zullen worden.]1
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.)
Art. 79. (REGION BRUXELLES-CAPITALE)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. [1 Des droits de navigation sont dus sur la voie navigable administrée par le Port de Bruxelles.]1
§ 2. [1 Pour le transport des marchandises, les droits sont fixés à 0,00025 euro par tonne de chargement et par kilomètre de parcours. Les fractions de tonnes n'excédant pas 500 kg sont négligées dans le calcul de ces droits et celles qui sont supérieures à 500 kg sont arrondies à l'unité supérieure. Le droit minimum est fixé à 2,5 quel que soit le genre de bâtiment.
Les droits de navigation sont liés à l'indice des prix à la consommation avec comme indice de base l'indice du mois de septembre 2011.
Cette indexation est calculée une fois par an, en prenant comme nouvel indice celui du mois de septembre de l'année précédant l'année où les droits de navigation seront demandés.]1
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. [1 Des droits de navigation sont dus sur la voie navigable administrée par le Port de Bruxelles.]1
§ 2. [1 Pour le transport des marchandises, les droits sont fixés à 0,00025 euro par tonne de chargement et par kilomètre de parcours. Les fractions de tonnes n'excédant pas 500 kg sont négligées dans le calcul de ces droits et celles qui sont supérieures à 500 kg sont arrondies à l'unité supérieure. Le droit minimum est fixé à 2,5 quel que soit le genre de bâtiment.
Les droits de navigation sont liés à l'indice des prix à la consommation avec comme indice de base l'indice du mois de septembre 2011.
Cette indexation est calculée une fois par an, en prenant comme nouvel indice celui du mois de septembre de l'année précédant l'année où les droits de navigation seront demandés.]1
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.)
Art. 79. (WAALSE GEWEST)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van de Staat, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.
§ 2. (Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op tien centimes per tonkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand, in kilometers).) <KB 26-05-1983, art. 1>
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.
(§ 4. De in deze bepaling bedoelde rechten worden echter teruggebracht tot 0 euro per tonkilometer op alle door het Waalse Gewest beheerde bevaarbare waterlopen.)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van de Staat, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.
§ 2. (Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op tien centimes per tonkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand, in kilometers).) <KB 26-05-1983, art. 1>
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.
(§ 4. De in deze bepaling bedoelde rechten worden echter teruggebracht tot 0 euro per tonkilometer op alle door het Waalse Gewest beheerde bevaarbare waterlopen.)
Art. 79. (REGION WALLONNE)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Des droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables administrées par l'Etat, à l'exception de celles qui sont soumises à l'influence de la marée et de celles qui, non soumises à cette influence, en sont exonérées par leur règlement particulier.
§ 2. (Pour le transport de marchandises, les droits sont fixés à dix centimes par tonne kilométrique (produit de la multiplication du chargement, exprimé en tonnes métriques, par la distance à parcourir, en kilomètres).) <AR 26-05-1983, art. 1>
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement a l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.
(§ 4. Les droits visés par la présente disposition sont toutefois ramenés à 0 euro par tonne kilométrique sur toutes les voies navigables gérées par la Région wallonne.)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Des droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables administrées par l'Etat, à l'exception de celles qui sont soumises à l'influence de la marée et de celles qui, non soumises à cette influence, en sont exonérées par leur règlement particulier.
§ 2. (Pour le transport de marchandises, les droits sont fixés à dix centimes par tonne kilométrique (produit de la multiplication du chargement, exprimé en tonnes métriques, par la distance à parcourir, en kilomètres).) <AR 26-05-1983, art. 1>
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement a l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.
(§ 4. Les droits visés par la présente disposition sont toutefois ramenés à 0 euro par tonne kilométrique sur toutes les voies navigables gérées par la Région wallonne.)
Art.79_VLAAMS_GEWEST. [3 § 1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de retributies die op grond van het gebruik van de waterwegen voor scheepvaartdoeleinden verschuldigd zijn door:
1° gemotoriseerde schepen die geschikt zijn om personen te vervoeren, maar die niet met een winstgevend doel worden gebruikt;
2° gemotoriseerde woonvaartuigen.]3
<KB 05-05-1975, art. 2> § [3 1/1 ]3. Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van de Staat, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.
§ 2. (Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op tien centimes per tonkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand, in kilometers).) <KB 26-05-1983, art. 1>
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.
1° gemotoriseerde schepen die geschikt zijn om personen te vervoeren, maar die niet met een winstgevend doel worden gebruikt;
2° gemotoriseerde woonvaartuigen.]3
<KB 05-05-1975, art. 2> § [3 1/1 ]3. Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van de Staat, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.
§ 2. (Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op tien centimes per tonkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand, in kilometers).) <KB 26-05-1983, art. 1>
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.
Art.79 _REGION_FLAMANDE.
[3 § 1er. Le présent chapitre ne s'applique pas aux redevances dues en raison de l'utilisation des voies navigables à des fins de navigation par :
1° des bateaux motorisés aptes au transport de personnes mais non utilisés à des fins lucratives ;
2° des péniches motorisées.]3
<AR 05-05-1975, art. 2> § [3 1/1 ]3. Des droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables administrées par l'Etat, à l'exception de celles qui sont soumises à l'influence de la marée et de celles qui, non soumises à cette influence, en sont exonérées par leur règlement particulier.
§ 2. (Pour le transport de marchandises, les droits sont fixés à dix centimes par tonne kilométrique (produit de la multiplication du chargement, exprimé en tonnes métriques, par la distance à parcourir, en kilomètres).) <AR 26-05-1983, art. 1>
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle a parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexes au présent règlement.
[3 § 1er. Le présent chapitre ne s'applique pas aux redevances dues en raison de l'utilisation des voies navigables à des fins de navigation par :
1° des bateaux motorisés aptes au transport de personnes mais non utilisés à des fins lucratives ;
2° des péniches motorisées.]3
<AR 05-05-1975, art. 2> § [3 1/1 ]3. Des droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables administrées par l'Etat, à l'exception de celles qui sont soumises à l'influence de la marée et de celles qui, non soumises à cette influence, en sont exonérées par leur règlement particulier.
§ 2. (Pour le transport de marchandises, les droits sont fixés à dix centimes par tonne kilométrique (produit de la multiplication du chargement, exprimé en tonnes métriques, par la distance à parcourir, en kilomètres).) <AR 26-05-1983, art. 1>
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle a parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexes au présent règlement.
Art. 79. (VLAAMSE GEWEST)
(NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) <KB 05-05-1975, art. 2>
§ 1. (Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van het Vlaamse Gewest, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.)
§ 2. (Voor het goederenvervoer wordt het recht vastgesteld op (0,00025 EUR) per tonkilometer (product van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand in kilometers).)
[2 De scheepvaartrechten worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de maand september 2011.
Deze indexering wordt eens per jaar berekend, waarbij het nieuwe indexcijfer overeenstemt met het indexcijfer van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verschuldigde scheepvaartrechten aangerekend zullen worden. De geïndexeerde tarieven gelden vervolgens voor het ganse daaropvolgende kalenderjaar. Het bedrag wordt jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling]2
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.)
(NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) <KB 05-05-1975, art. 2>
§ 1. (Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van het Vlaamse Gewest, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.)
§ 2. (Voor het goederenvervoer wordt het recht vastgesteld op (0,00025 EUR) per tonkilometer (product van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand in kilometers).)
[2 De scheepvaartrechten worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de maand september 2011.
Deze indexering wordt eens per jaar berekend, waarbij het nieuwe indexcijfer overeenstemt met het indexcijfer van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verschuldigde scheepvaartrechten aangerekend zullen worden. De geïndexeerde tarieven gelden vervolgens voor het ganse daaropvolgende kalenderjaar. Het bedrag wordt jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling]2
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.)
Art. 79. (REGION FLAMANDE)
(NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Les droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables gérées par la Région flamande, à l'exception de celles soumises à la marée ainsi que celles qui ne sont pas soumises à la marée, lesquelles sont exemptées de ces droits par le règlement concerné.)
§ 2. (En ce qui concerne le transport des marchandises, le droit est fixé à (0,00025 EUR) par kilomètre/tonne (produit de la multiplication de la cargaison, exprimée en tonnes métriques, par la distance à parcourir en kilomètres).)
[2 (NOTE : Alinéa non traduit)
(NOTE : Alinéa non traduit)]2
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.)
(NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Les droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables gérées par la Région flamande, à l'exception de celles soumises à la marée ainsi que celles qui ne sont pas soumises à la marée, lesquelles sont exemptées de ces droits par le règlement concerné.)
§ 2. (En ce qui concerne le transport des marchandises, le droit est fixé à (0,00025 EUR) par kilomètre/tonne (produit de la multiplication de la cargaison, exprimée en tonnes métriques, par la distance à parcourir en kilomètres).)
[2 (NOTE : Alinéa non traduit)
(NOTE : Alinéa non traduit)]2
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.)
Art. 79. (BRUSSELSE GEWEST)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. [1 Scheepvaartrechten die zijn verschuldigd op de scheepvaartweg beheerd door de Haven van Brussel.]1
§ 2. [1 Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op 0,00025 euro per ton lading en per kilometer. Fracties van één ton die niet groter zijn dan 500 Kg worden niet aangerekend bij de berekening van die rechten. Die welke groter zijn dan 500 Kg worden naar boven op één ton afgerond. Het minimum recht, ongeacht de aard van het vaartuig, wordt op 2,5 vastgesteld.
De scheepvaartrechten worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de maand september 2011.
Deze indexering wordt eens per jaar berekend, waarbij het nieuwe indexcijfer overeenstemt met het indexcijfer van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verschuldigde scheepvaartrechten aangerekend zullen worden.]1
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. [1 Scheepvaartrechten die zijn verschuldigd op de scheepvaartweg beheerd door de Haven van Brussel.]1
§ 2. [1 Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op 0,00025 euro per ton lading en per kilometer. Fracties van één ton die niet groter zijn dan 500 Kg worden niet aangerekend bij de berekening van die rechten. Die welke groter zijn dan 500 Kg worden naar boven op één ton afgerond. Het minimum recht, ongeacht de aard van het vaartuig, wordt op 2,5 vastgesteld.
De scheepvaartrechten worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de maand september 2011.
Deze indexering wordt eens per jaar berekend, waarbij het nieuwe indexcijfer overeenstemt met het indexcijfer van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verschuldigde scheepvaartrechten aangerekend zullen worden.]1
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.)
Art. 79. (REGION BRUXELLES-CAPITALE)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. [1 Des droits de navigation sont dus sur la voie navigable administrée par le Port de Bruxelles.]1
§ 2. [1 Pour le transport des marchandises, les droits sont fixés à 0,00025 euro par tonne de chargement et par kilomètre de parcours. Les fractions de tonnes n'excédant pas 500 kg sont négligées dans le calcul de ces droits et celles qui sont supérieures à 500 kg sont arrondies à l'unité supérieure. Le droit minimum est fixé à 2,5 quel que soit le genre de bâtiment.
Les droits de navigation sont liés à l'indice des prix à la consommation avec comme indice de base l'indice du mois de septembre 2011.
Cette indexation est calculée une fois par an, en prenant comme nouvel indice celui du mois de septembre de l'année précédant l'année où les droits de navigation seront demandés.]1
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. [1 Des droits de navigation sont dus sur la voie navigable administrée par le Port de Bruxelles.]1
§ 2. [1 Pour le transport des marchandises, les droits sont fixés à 0,00025 euro par tonne de chargement et par kilomètre de parcours. Les fractions de tonnes n'excédant pas 500 kg sont négligées dans le calcul de ces droits et celles qui sont supérieures à 500 kg sont arrondies à l'unité supérieure. Le droit minimum est fixé à 2,5 quel que soit le genre de bâtiment.
Les droits de navigation sont liés à l'indice des prix à la consommation avec comme indice de base l'indice du mois de septembre 2011.
Cette indexation est calculée une fois par an, en prenant comme nouvel indice celui du mois de septembre de l'année précédant l'année où les droits de navigation seront demandés.]1
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement à l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.)
Art. 79. (WAALSE GEWEST)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van de Staat, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.
§ 2. (Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op tien centimes per tonkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand, in kilometers).) <KB 26-05-1983, art. 1>
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.
(§ 4. De in deze bepaling bedoelde rechten worden echter teruggebracht tot 0 euro per tonkilometer op alle door het Waalse Gewest beheerde bevaarbare waterlopen.)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van de Staat, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.
§ 2. (Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op tien centimes per tonkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand, in kilometers).) <KB 26-05-1983, art. 1>
Onderdelen van een metriek ton worden, wanneer zij meer dan 50/100 bedragen voor een metrieke ton genomen; anders worden zij verwaarloosd.
§ 3. Voor het berekenen van de af te leggen afstand worden de waterwegen ingedeeld in vakken, " havens " genaamd. Deze havens, met hun grenzen en hun samengevoegde afstanden vanaf het beginpunt van de waterweg, worden bepaald door de Minister van Openbare Werken, en door deze zo nodig gewijzigd.
Gaat de reis van een vaartuig over verschillende havens dan wordt de af te leggen afstand forfaitair van haven tot haven bepaald. In de aldus bepaalde totale afstand worden onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 m bedragen, voor een kilometer genomen; anders worden zij verwaarloosd.
Geschiedt de reis geheel binnen een en dezelfde haven, dan zijn de rechten verschuldigd in verhouding tot de werkelijk af te leggen afstand, bepaald volgens afstandstafels die vastgesteld en eventueel gewijzigd worden op dezelfde wijze als de havens.
De Minister van Openbare Werken is ertoe gemachtigd de bij dit reglement behorende afstandstafels te wijzigen en aan te vullen.
(§ 4. De in deze bepaling bedoelde rechten worden echter teruggebracht tot 0 euro per tonkilometer op alle door het Waalse Gewest beheerde bevaarbare waterlopen.)
Art. 79. (REGION WALLONNE)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Des droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables administrées par l'Etat, à l'exception de celles qui sont soumises à l'influence de la marée et de celles qui, non soumises à cette influence, en sont exonérées par leur règlement particulier.
§ 2. (Pour le transport de marchandises, les droits sont fixés à dix centimes par tonne kilométrique (produit de la multiplication du chargement, exprimé en tonnes métriques, par la distance à parcourir, en kilomètres).) <AR 26-05-1983, art. 1>
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement a l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.
(§ 4. Les droits visés par la présente disposition sont toutefois ramenés à 0 euro par tonne kilométrique sur toutes les voies navigables gérées par la Région wallonne.)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Des droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables administrées par l'Etat, à l'exception de celles qui sont soumises à l'influence de la marée et de celles qui, non soumises à cette influence, en sont exonérées par leur règlement particulier.
§ 2. (Pour le transport de marchandises, les droits sont fixés à dix centimes par tonne kilométrique (produit de la multiplication du chargement, exprimé en tonnes métriques, par la distance à parcourir, en kilomètres).) <AR 26-05-1983, art. 1>
Les fractions de tonne métrique supérieures à 50/100 sont comptées pour une tonne métrique; les autres fractions sont négligées.
§ 3. Pour le calcul des distances à parcourir, les voies navigables sont divisées en tronçons dénommés " ports ". Le Ministre des Travaux publics détermine ceux-ci avec leurs limites et leurs distances cumulées moyennes à partir de l'origine de la voie navigable et les modifie quand il y a lieu.
Lorsque le voyage d'un bateau s'effectue dans plusieurs ports, la distance à parcourir est calculée forfaitairement de port à port. Dans la distance totale ainsi obtenue, les fractions de kilomètre supérieures à 500 m sont comptées pour un kilomètre; les autres fractions sont négligées.
Lorsque le voyage s'effectue entièrement a l'intérieur d'un seul port, les droits sont dus en raison de la distance réelle à parcourir d'après les tableaux de distances établis et éventuellement modifiés de la même manière que les ports.
Le Ministre des Travaux publics est autorisé à modifier et à compléter les tableaux de distances annexés au présent règlement.
(§ 4. Les droits visés par la présente disposition sont toutefois ramenés à 0 euro par tonne kilométrique sur toutes les voies navigables gérées par la Région wallonne.)
Art.80. <KB 05-05-1975, art. 2> § 1. (De schippers van ledigvarende vaartuigen voorzien zich van een vaarvergunning, die hun door de ontvangers der scheepvaartrechten wordt afgegeven tegen betaling van een recht waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
a) bij reizen van minder dan 20 kilometer :
20 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
40 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton;
b) bij reizen van 20 kilometer of meer :
35 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
70 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton.
Die vergunning is geldig voor de heenreis tot de laadhaven; er is een nieuwe vergunning vereist voor de terugreis, zo deze ook ledig gebeurt.) <KB 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Als ledigvarend worden aangemerkt :
a) de vaartuigen met een lading van ten hoogste een halve ton, evenals die waarvan de inzinking volgens de ijkschaal ten hoogste 1/4 decimeter bedraagt;
b) de pleziervaartuigen van ten minste drie ton;
c) de motorvaartuigen die geballast moeten worden om de nodige indompeling van de schroef te verkrijgen, voor zover het vlak van diepgang niet meer dan 5 centimeter hoger reikt dan het tweede vlak van ledige diepgang van het vaartuig (met ballast), zoals dit vlak overeenkomstig artikel 68, 11°, in de meetbrief is bepaald;
d) de vaartuigen die enkel de nodige waterballast meevoeren om onder de kunstwerken te kunnen doorvaren, voor zover de hoogte van het ledige vaartuig boven de waterspiegel, met afgelegde stuurhut, groter is dan de vastgestelde doorvaarthoogte van die kunstwerken.
a) bij reizen van minder dan 20 kilometer :
20 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
40 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton;
b) bij reizen van 20 kilometer of meer :
35 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
70 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton.
Die vergunning is geldig voor de heenreis tot de laadhaven; er is een nieuwe vergunning vereist voor de terugreis, zo deze ook ledig gebeurt.) <KB 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Als ledigvarend worden aangemerkt :
a) de vaartuigen met een lading van ten hoogste een halve ton, evenals die waarvan de inzinking volgens de ijkschaal ten hoogste 1/4 decimeter bedraagt;
b) de pleziervaartuigen van ten minste drie ton;
c) de motorvaartuigen die geballast moeten worden om de nodige indompeling van de schroef te verkrijgen, voor zover het vlak van diepgang niet meer dan 5 centimeter hoger reikt dan het tweede vlak van ledige diepgang van het vaartuig (met ballast), zoals dit vlak overeenkomstig artikel 68, 11°, in de meetbrief is bepaald;
d) de vaartuigen die enkel de nodige waterballast meevoeren om onder de kunstwerken te kunnen doorvaren, voor zover de hoogte van het ledige vaartuig boven de waterspiegel, met afgelegde stuurhut, groter is dan de vastgestelde doorvaarthoogte van die kunstwerken.
Art.80. <AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Les patrons des bateaux naviguant à vide se munissent d'un permis de circulation qui leur est délivré par les receveurs des droits de navigation, moyennant le paiement d'un droit fixé comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
20 francs pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
40 francs pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
35 francs pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
70 francs pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes.
Ce permis est valable pour l'aller jusqu'au port de chargement; un nouveau permis est nécessaire pour le retour, quand il s'effectue également a vide.) <AR 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Sont considérés comme bateaux vides :
a) les bateaux dont le chargement ne dépasse pas une demi-tonne ainsi que ceux dont l'immersion à l'échelle de jauge n'est pas supérieure à 1/4 de décimètre;
b) les embarcations de plaisance jaugeant au moins trois tonnes;
c) les bateaux à moteur qui doivent être ballastés pour permettre l'immersion utile de l'hélice, pour autant que leur plan de flottaison (ne dépasse pas plus de 5 centimètres le second plan de flottaison) à vide (avec ballast) tel qu'il est défini, conformément aux dispositions de l'article 68, 11°, dans le certificat de jaugeage;
d) les bateaux qui ne transportent que l'eau de ballastage nécessaire pour permettre le passage sous les ouvrages d'art pour autant que leur tirant d'air à vide, cabine démontée soit supérieur à la hauteur libre admise sous ces ouvrages.
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
20 francs pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
40 francs pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
35 francs pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
70 francs pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes.
Ce permis est valable pour l'aller jusqu'au port de chargement; un nouveau permis est nécessaire pour le retour, quand il s'effectue également a vide.) <AR 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Sont considérés comme bateaux vides :
a) les bateaux dont le chargement ne dépasse pas une demi-tonne ainsi que ceux dont l'immersion à l'échelle de jauge n'est pas supérieure à 1/4 de décimètre;
b) les embarcations de plaisance jaugeant au moins trois tonnes;
c) les bateaux à moteur qui doivent être ballastés pour permettre l'immersion utile de l'hélice, pour autant que leur plan de flottaison (ne dépasse pas plus de 5 centimètres le second plan de flottaison) à vide (avec ballast) tel qu'il est défini, conformément aux dispositions de l'article 68, 11°, dans le certificat de jaugeage;
d) les bateaux qui ne transportent que l'eau de ballastage nécessaire pour permettre le passage sous les ouvrages d'art pour autant que leur tirant d'air à vide, cabine démontée soit supérieur à la hauteur libre admise sous ces ouvrages.
Art. 80. (VLAAMSE GEWEST)
(NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>). <KB 05-05-1975, art. 2>
§ 1. (De schippers van ledigvarende vaartuigen voorzien zich van een vaarvergunning, die hun door de ontvangers der scheepvaartrechten wordt afgegeven tegen betaling van een recht waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
a) bij reizen van minder dan 20 kilometer :
(0,50 EUR) voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
(1,00 EUR) voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton;
b) bij reizen van 20 kilometer of meer :
(1,00 EUR) voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
(2,00 EUR) voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton.
Die vergunning is geldig voor de heenreis tot de laadhaven; er is een nieuwe vergunning vereist voor de terugreis, zo deze ook ledig gebeurt.) <KB 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Als ledigvarend worden aangemerkt :
a) de vaartuigen met een lading van ten hoogste een halve ton, evenals die waarvan de inzinking volgens de ijkschaal ten hoogste 1/4 decimeter bedraagt;
b) de pleziervaartuigen van ten minste drie ton;
c) de motorvaartuigen die geballast moeten worden om de nodige indompeling van de schroef te verkrijgen, voor zover het vlak van diepgang niet meer dan 5 centimeter hoger reikt dan het tweede vlak van ledige diepgang van het vaartuig (met ballast), zoals dit vlak overeenkomstig artikel 68, 11°, in de meetbrief is bepaald;
d) de vaartuigen die enkel de nodige waterballast meevoeren om onder de kunstwerken te kunnen doorvaren, voor zover de hoogte van het ledige vaartuig boven de waterspiegel, met afgelegde stuurhut, groter is dan de vastgestelde doorvaarthoogte van die kunstwerken.)
(NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>). <KB 05-05-1975, art. 2>
§ 1. (De schippers van ledigvarende vaartuigen voorzien zich van een vaarvergunning, die hun door de ontvangers der scheepvaartrechten wordt afgegeven tegen betaling van een recht waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
a) bij reizen van minder dan 20 kilometer :
(0,50 EUR) voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
(1,00 EUR) voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton;
b) bij reizen van 20 kilometer of meer :
(1,00 EUR) voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
(2,00 EUR) voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton.
Die vergunning is geldig voor de heenreis tot de laadhaven; er is een nieuwe vergunning vereist voor de terugreis, zo deze ook ledig gebeurt.) <KB 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Als ledigvarend worden aangemerkt :
a) de vaartuigen met een lading van ten hoogste een halve ton, evenals die waarvan de inzinking volgens de ijkschaal ten hoogste 1/4 decimeter bedraagt;
b) de pleziervaartuigen van ten minste drie ton;
c) de motorvaartuigen die geballast moeten worden om de nodige indompeling van de schroef te verkrijgen, voor zover het vlak van diepgang niet meer dan 5 centimeter hoger reikt dan het tweede vlak van ledige diepgang van het vaartuig (met ballast), zoals dit vlak overeenkomstig artikel 68, 11°, in de meetbrief is bepaald;
d) de vaartuigen die enkel de nodige waterballast meevoeren om onder de kunstwerken te kunnen doorvaren, voor zover de hoogte van het ledige vaartuig boven de waterspiegel, met afgelegde stuurhut, groter is dan de vastgestelde doorvaarthoogte van die kunstwerken.)
Art. 80. (REGION FLAMANDE)
(NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi) <AR 05-05-1975, art. 2>
§ 1. (Les patrons des bateaux naviguant à vide se munissent d'un permis de circulation qui leur est délivré par les receveurs des droits de navigation, moyennant le paiement d'un droit fixé comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
(0,50 EUR) pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
(1,00 EUR) pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
(1,00 EUR) pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
(2,00 EUR) pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes.
Ce permis est valable pour l'aller jusqu'au port de chargement; un nouveau permis est nécessaire pour le retour, quand il s'effectue également à vide.) <AR 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Sont considérés comme bateaux vides :
a) les bateaux dont le chargement ne dépasse pas une demi-tonne ainsi que ceux dont l'immersion à l'échelle de jauge n'est pas supérieure à 1/4 de décimètre;
b) les embarcations de plaisance jaugeant au moins trois tonnes;
c) les bateaux à moteur qui doivent être ballastés pour permettre l'immersion utile de l'hélice, pour autant que leur plan de flottaison (ne dépasse pas plus de 5 centimètres le second plan de flottaison) à vide (avec ballast) tel qu'il est défini, conformément aux dispositions de l'article 68, 11°, dans le certificat de jaugeage; Err. MB 19-06-1975>
d) les bateaux qui ne transportent que l'eau de ballastage nécessaire pour permettre le passage sous les ouvrages d'art pour autant que leur tirant d'air à vide, cabine démontée soit supérieur à la hauteur libre admise sous ces ouvrages.
(NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
§ 1. (Les patrons des bateaux naviguant à vide se munissent d'un permis de circulation qui leur est délivré par les receveurs des droits de navigation, moyennant le paiement d'un droit fixé comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
(0,50 EUR) pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
(1,00 EUR) pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
(1,00 EUR) pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
(2,00 EUR) pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes.
Ce permis est valable pour l'aller jusqu'au port de chargement; un nouveau permis est nécessaire pour le retour, quand il s'effectue également à vide.) <AR 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Sont considérés comme bateaux vides :
a) les bateaux dont le chargement ne dépasse pas une demi-tonne ainsi que ceux dont l'immersion à l'échelle de jauge n'est pas supérieure à 1/4 de décimètre;
b) les embarcations de plaisance jaugeant au moins trois tonnes;
c) les bateaux à moteur qui doivent être ballastés pour permettre l'immersion utile de l'hélice, pour autant que leur plan de flottaison (ne dépasse pas plus de 5 centimètres le second plan de flottaison) à vide (avec ballast) tel qu'il est défini, conformément aux dispositions de l'article 68, 11°, dans le certificat de jaugeage; Err. MB 19-06-1975>
d) les bateaux qui ne transportent que l'eau de ballastage nécessaire pour permettre le passage sous les ouvrages d'art pour autant que leur tirant d'air à vide, cabine démontée soit supérieur à la hauteur libre admise sous ces ouvrages.
Art. 80. (WAALSE GEWEST)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. (De schippers van ledigvarende vaartuigen voorzien zich van een vaarvergunning, die hun door de ontvangers der scheepvaartrechten wordt afgegeven tegen betaling van een recht waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
a) bij reizen van minder dan 20 kilometer :
20 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
40 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton;
b) bij reizen van 20 kilometer of meer :
35 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
70 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton.
Die vergunning is geldig voor de heenreis tot de laadhaven; er is een nieuwe vergunning vereist voor de terugreis, zo deze ook ledig gebeurt.) <KB 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Als ledigvarend worden aangemerkt :
a) de vaartuigen met een lading van ten hoogste een halve ton, evenals die waarvan de inzinking volgens de ijkschaal ten hoogste 1/4 decimeter bedraagt;
b) de pleziervaartuigen van ten minste drie ton;
c) de motorvaartuigen die geballast moeten worden om de nodige indompeling van de schroef te verkrijgen, voor zover het vlak van diepgang niet meer dan 5 centimeter hoger reikt dan het tweede vlak van ledige diepgang van het vaartuig (met ballast), zoals dit vlak overeenkomstig artikel 68, 11°, in de meetbrief is bepaald;
d) de vaartuigen die enkel de nodige waterballast meevoeren om onder de kunstwerken te kunnen doorvaren, voor zover de hoogte van het ledige vaartuig boven de waterspiegel, met afgelegde stuurhut, groter is dan de vastgestelde doorvaarthoogte van die kunstwerken.
(§ 3. De in deze bepaling bedoelde rechten worden echter teruggebracht tot 0 euro per schip op alle door het Waalse Gewest beheerde bevaarbare waterlopen.)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. (De schippers van ledigvarende vaartuigen voorzien zich van een vaarvergunning, die hun door de ontvangers der scheepvaartrechten wordt afgegeven tegen betaling van een recht waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
a) bij reizen van minder dan 20 kilometer :
20 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
40 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton;
b) bij reizen van 20 kilometer of meer :
35 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van 400 ton of minder;
70 frank voor vaartuigen met een laadvermogen van meer dan 400 ton.
Die vergunning is geldig voor de heenreis tot de laadhaven; er is een nieuwe vergunning vereist voor de terugreis, zo deze ook ledig gebeurt.) <KB 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Als ledigvarend worden aangemerkt :
a) de vaartuigen met een lading van ten hoogste een halve ton, evenals die waarvan de inzinking volgens de ijkschaal ten hoogste 1/4 decimeter bedraagt;
b) de pleziervaartuigen van ten minste drie ton;
c) de motorvaartuigen die geballast moeten worden om de nodige indompeling van de schroef te verkrijgen, voor zover het vlak van diepgang niet meer dan 5 centimeter hoger reikt dan het tweede vlak van ledige diepgang van het vaartuig (met ballast), zoals dit vlak overeenkomstig artikel 68, 11°, in de meetbrief is bepaald;
d) de vaartuigen die enkel de nodige waterballast meevoeren om onder de kunstwerken te kunnen doorvaren, voor zover de hoogte van het ledige vaartuig boven de waterspiegel, met afgelegde stuurhut, groter is dan de vastgestelde doorvaarthoogte van die kunstwerken.
(§ 3. De in deze bepaling bedoelde rechten worden echter teruggebracht tot 0 euro per schip op alle door het Waalse Gewest beheerde bevaarbare waterlopen.)
Art. 80. (REGION WALLONNE)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Les patrons des bateaux naviguant à vide se munissent d'un permis de circulation qui leur est délivré par les receveurs des droits de navigation, moyennant le paiement d'un droit fixé comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
20 francs pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
40 francs pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
35 francs pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
70 francs pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes.
Ce permis est valable pour l'aller jusqu'au port de chargement; un nouveau permis est nécessaire pour le retour, quand il s'effectue également à vide.) <AR 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Sont considérés comme bateaux vides :
a) les bateaux dont le chargement ne dépasse pas une demi-tonne ainsi que ceux dont l'immersion à l'échelle de jauge n'est pas supérieure à 1/4 de décimètre;
b) les embarcations de plaisance jaugeant au moins trois tonnes;
c) les bateaux à moteur qui doivent être ballastés pour permettre l'immersion utile de l'hélice, pour autant que leur plan de flottaison (ne dépasse pas plus de 5 centimètres le second plan de flottaison) à vide (avec ballast) tel qu'il est défini, conformément aux dispositions de l'article 68, 11°, dans le certificat de jaugeage;
d) les bateaux qui ne transportent que l'eau de ballastage nécessaire pour permettre le passage sous les ouvrages d'art pour autant que leur tirant d'air à vide, cabine démontée soit supérieur à la hauteur libre admise sous ces ouvrages.
(§ 3. Les droits visés par la présente disposition sont toutefois ramenés à 0 euro par bateau sur toutes les voies navigables gérées par la Région wallonne.)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Les patrons des bateaux naviguant à vide se munissent d'un permis de circulation qui leur est délivré par les receveurs des droits de navigation, moyennant le paiement d'un droit fixé comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
20 francs pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
40 francs pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
35 francs pour les bateaux d'un tonnage égal ou inférieur à 400 tonnes;
70 francs pour les bateaux d'un tonnage supérieur à 400 tonnes.
Ce permis est valable pour l'aller jusqu'au port de chargement; un nouveau permis est nécessaire pour le retour, quand il s'effectue également à vide.) <AR 28-04-1981, art. 2>
§ 2. Sont considérés comme bateaux vides :
a) les bateaux dont le chargement ne dépasse pas une demi-tonne ainsi que ceux dont l'immersion à l'échelle de jauge n'est pas supérieure à 1/4 de décimètre;
b) les embarcations de plaisance jaugeant au moins trois tonnes;
c) les bateaux à moteur qui doivent être ballastés pour permettre l'immersion utile de l'hélice, pour autant que leur plan de flottaison (ne dépasse pas plus de 5 centimètres le second plan de flottaison) à vide (avec ballast) tel qu'il est défini, conformément aux dispositions de l'article 68, 11°, dans le certificat de jaugeage;
d) les bateaux qui ne transportent que l'eau de ballastage nécessaire pour permettre le passage sous les ouvrages d'art pour autant que leur tirant d'air à vide, cabine démontée soit supérieur à la hauteur libre admise sous ces ouvrages.
(§ 3. Les droits visés par la présente disposition sont toutefois ramenés à 0 euro par bateau sur toutes les voies navigables gérées par la Région wallonne.)
Art.81. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 05-05-1975, art. 2> 1. De tonnage, te weten de werkelijke lading, die voor de berekening van de scheepvaartrechten in aanmerking wordt genomen, wordt volgens de gegevens van de meetbrief bepaald.
2. Een volgens dezelfde principes opgemaakt cognossement mag als grondslag voor de berekening van de rechten worden gebruikt.
3. Bestaat er evenwel twijfel omtrent de in het cognossement vermelde cijfers, dan is de in aanmerking te nemen tonnage die welke overeenkomt met het gemiddelde van de aan de ijkschalen opgenomen inzinkingen. Deze tonnage wordt rechtstreeks van de meetbrief afgelezen, waarbij de inzinking van het ledige vaartuig geacht wordt gelijk te zijn aan die ten tijde van de meting.
4. Kan de schipper de meetbrief niet overleggen, of is de meetbrief vervallen, dan worden, onverminderd de op de overtreding van artikel 8, eerste lid, 2°, gestelde straffen, de rechten voor een forfaitaire tonnage, gelijk aan het produkt van de vermenigvuldiging van de grootste lengte van de scheepsromp met de grootste breedte ervan en met de gemiddelde diepgang van het vaartuig, verminderd met 25 centimeter, door de ontvanger ambtshalve, bij wijze van voorschot, geheven.
Bij overlegging van de meetbrief wordt de tonnage overeenkomstig 3 hierboven berekend. Het te veel betaald wordt dan teruggegeven onder de in artikel 87, § 3, bepaalde voorwaarden.
<KB 05-05-1975, art. 2> 1. De tonnage, te weten de werkelijke lading, die voor de berekening van de scheepvaartrechten in aanmerking wordt genomen, wordt volgens de gegevens van de meetbrief bepaald.
2. Een volgens dezelfde principes opgemaakt cognossement mag als grondslag voor de berekening van de rechten worden gebruikt.
3. Bestaat er evenwel twijfel omtrent de in het cognossement vermelde cijfers, dan is de in aanmerking te nemen tonnage die welke overeenkomt met het gemiddelde van de aan de ijkschalen opgenomen inzinkingen. Deze tonnage wordt rechtstreeks van de meetbrief afgelezen, waarbij de inzinking van het ledige vaartuig geacht wordt gelijk te zijn aan die ten tijde van de meting.
4. Kan de schipper de meetbrief niet overleggen, of is de meetbrief vervallen, dan worden, onverminderd de op de overtreding van artikel 8, eerste lid, 2°, gestelde straffen, de rechten voor een forfaitaire tonnage, gelijk aan het produkt van de vermenigvuldiging van de grootste lengte van de scheepsromp met de grootste breedte ervan en met de gemiddelde diepgang van het vaartuig, verminderd met 25 centimeter, door de ontvanger ambtshalve, bij wijze van voorschot, geheven.
Bij overlegging van de meetbrief wordt de tonnage overeenkomstig 3 hierboven berekend. Het te veel betaald wordt dan teruggegeven onder de in artikel 87, § 3, bepaalde voorwaarden.
Art.81. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 05-05-1975, art. 2> 1. Le tonnage, chargement réel, intervenant dans le calcul des droits de navigation est établi d'après les indications figurant dans le certificat de jaugeage.
2. Un connaissement établi d'après ces mêmes principes peut servir de base au calcul des droits.
3. Toutefois, s'il y a doute au sujet des chiffres mentionnés au connaissement, le tonnage à prendre en considération sera celui correspondant à la moyenne des enfoncements relevés aux échelles de jauge. Il sera lu directement dans le certificat de jaugeage, l'enfoncement à vide étant considéré identique à celui existant lors du jaugeage.
4. Si le patron ne peut exhiber le certificat de jaugeage ou si le certificat est périmé, le receveur perçoit d'office, à titre de provision, les droits pour un tonnage forfaitaire égal au produit de la longueur maximum de la coque par sa largeur maximum et par le tirant d'eau moyen du bateau diminue de 25 centimètres sans préjudice des sanctions prévues pour les infractions à l'article 8, alinéa 1er, 2°.
Lors de la production du certificat de jaugeage, le tonnage sera calcule conformément au 3 ci-dessus. L'excédent payé sera alors remboursé dans les conditions reprises à l'article 87, § 3.
<AR 05-05-1975, art. 2> 1. Le tonnage, chargement réel, intervenant dans le calcul des droits de navigation est établi d'après les indications figurant dans le certificat de jaugeage.
2. Un connaissement établi d'après ces mêmes principes peut servir de base au calcul des droits.
3. Toutefois, s'il y a doute au sujet des chiffres mentionnés au connaissement, le tonnage à prendre en considération sera celui correspondant à la moyenne des enfoncements relevés aux échelles de jauge. Il sera lu directement dans le certificat de jaugeage, l'enfoncement à vide étant considéré identique à celui existant lors du jaugeage.
4. Si le patron ne peut exhiber le certificat de jaugeage ou si le certificat est périmé, le receveur perçoit d'office, à titre de provision, les droits pour un tonnage forfaitaire égal au produit de la longueur maximum de la coque par sa largeur maximum et par le tirant d'eau moyen du bateau diminue de 25 centimètres sans préjudice des sanctions prévues pour les infractions à l'article 8, alinéa 1er, 2°.
Lors de la production du certificat de jaugeage, le tonnage sera calcule conformément au 3 ci-dessus. L'excédent payé sera alors remboursé dans les conditions reprises à l'article 87, § 3.
Art.82. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 05-05-1975, art. 2> 1. Voor vlotten zijn dezelfde rechten verschuldigd als voor gelaten varende vaartuigen; het aantal tonnen is gelijk aan het aantal kubieke meter, verkregen door de lengte met de breedte en met de gemiddelde ingedompelde hoogte van elk vlot te vermenigvuldigen.
2. De kubieke inhoud wordt kosteloos gemeten door de ontvanger der scheepvaartrechten van het eerste kantoor dat wordt ontmoet, in bijzijn van de schipper van het vlot. Hij wordt gecontroleerd door de ontvanger der scheepvaartrechten van het laatste kantoor. In geval van betwisting wordt het vlot gemeten door een scheepsmeter, aan wie de schipper een vergoeding van (1,25 EUR) betaalt. Van deze meting wordt melding gemaakt op de door de ontvanger afgegeven kwitantie van de betaalde rechten. <KB 2000-07-20/53, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
<KB 05-05-1975, art. 2> 1. Voor vlotten zijn dezelfde rechten verschuldigd als voor gelaten varende vaartuigen; het aantal tonnen is gelijk aan het aantal kubieke meter, verkregen door de lengte met de breedte en met de gemiddelde ingedompelde hoogte van elk vlot te vermenigvuldigen.
2. De kubieke inhoud wordt kosteloos gemeten door de ontvanger der scheepvaartrechten van het eerste kantoor dat wordt ontmoet, in bijzijn van de schipper van het vlot. Hij wordt gecontroleerd door de ontvanger der scheepvaartrechten van het laatste kantoor. In geval van betwisting wordt het vlot gemeten door een scheepsmeter, aan wie de schipper een vergoeding van (1,25 EUR) betaalt. Van deze meting wordt melding gemaakt op de door de ontvanger afgegeven kwitantie van de betaalde rechten. <KB 2000-07-20/53, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art.82. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 05-05-1975, art. 2> 1. Les radeaux sont soumis aux mêmes droits que les bateaux naviguant à charge; le nombre de tonnes est égal au nombre de mètres cubes obtenu en multipliant la longueur par la largeur et par la hauteur moyenne immergée de chaque radeau.
2. Le cubage se fait gratuitement par le receveur des droits de navigation du premier bureau rencontre, en présence du patron du radeau. Il est vérifié par le receveur des droits de navigation du dernier bureau. En cas de contestation, le radeau est cubé par un expert-jaugeur, auquel le patron paie une indemnité de (1,25 EUR). Mention de ce jaugeage est faite sur l'acquit des droits délivré par le receveur. <AR 2000-07-20/53, art. 1, 009; En vigueur : 01-01-2002>
<AR 05-05-1975, art. 2> 1. Les radeaux sont soumis aux mêmes droits que les bateaux naviguant à charge; le nombre de tonnes est égal au nombre de mètres cubes obtenu en multipliant la longueur par la largeur et par la hauteur moyenne immergée de chaque radeau.
2. Le cubage se fait gratuitement par le receveur des droits de navigation du premier bureau rencontre, en présence du patron du radeau. Il est vérifié par le receveur des droits de navigation du dernier bureau. En cas de contestation, le radeau est cubé par un expert-jaugeur, auquel le patron paie une indemnité de (1,25 EUR). Mention de ce jaugeage est faite sur l'acquit des droits délivré par le receveur. <AR 2000-07-20/53, art. 1, 009; En vigueur : 01-01-2002>
Art.83. <KB 05-05-1975, art. 2> § 1. (Voor sleep- en duwboten die één of meer vaartuigen slepen of duwen, worden de rechten berekend per paardekrachtkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van het motorvermogen, uitgedrukt in paardekracht, met de af te leggen afstand in kilometer).
De bedragen van de rechten worden als volgt vastgesteld :
1° voor een vaart met vervoer van goederen :
a) van 0 tot 60 pk :
3 centimes per paardekrachtkilometer;
b) van meer dan 60 pk tot 150 pk :
2 centimes per paardekrachtkilometer, met minimum van 1,80 frank per kilometer;
c) van meer dan 150 pk tot 400 pk :
1,5 centime per paardekrachtkilometer, met minimum van 3 frank per kilometer;
d) meer dan 400 pk :
0,7 centime per paardekrachtkilometer, met minimum van 6 frank per kilometer;
2° voor een vaart zonder vervoer van goederen worden de bovenvermelde bedragen gehalveerd.
§ 2. Voor alleenvarende sleep- en duwboten worden de rechten als volgt vastgesteld :
a) voor reizen van minder dan 20 kilometer :
15 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
35 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk;
b) voor reizen van 20 kilometer en meer :
30 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
50 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk.) <KB 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Als sleep- of duwboten worden aangemerkt de motorvrachtvaartuigen die één of meer vaartuigen slepen of duwen. In dat geval zijn voor die vrachtvaartuigen de rechten verschuldigd, bepaald in artikels 79 of 80 naargelang ze geladen of ledig varen, en tevens de in § 1 van dit artikel bepaalde rechten.
§ 4. Het voor de toepassing van de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel in aanmerking te nemen aantal paardekrachten is dat van het motorvermogen, zoals dit vermogen overeenkomstig artikel 68, 12°, in de meetbrief is ingeschreven.
De bedragen van de rechten worden als volgt vastgesteld :
1° voor een vaart met vervoer van goederen :
a) van 0 tot 60 pk :
3 centimes per paardekrachtkilometer;
b) van meer dan 60 pk tot 150 pk :
2 centimes per paardekrachtkilometer, met minimum van 1,80 frank per kilometer;
c) van meer dan 150 pk tot 400 pk :
1,5 centime per paardekrachtkilometer, met minimum van 3 frank per kilometer;
d) meer dan 400 pk :
0,7 centime per paardekrachtkilometer, met minimum van 6 frank per kilometer;
2° voor een vaart zonder vervoer van goederen worden de bovenvermelde bedragen gehalveerd.
§ 2. Voor alleenvarende sleep- en duwboten worden de rechten als volgt vastgesteld :
a) voor reizen van minder dan 20 kilometer :
15 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
35 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk;
b) voor reizen van 20 kilometer en meer :
30 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
50 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk.) <KB 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Als sleep- of duwboten worden aangemerkt de motorvrachtvaartuigen die één of meer vaartuigen slepen of duwen. In dat geval zijn voor die vrachtvaartuigen de rechten verschuldigd, bepaald in artikels 79 of 80 naargelang ze geladen of ledig varen, en tevens de in § 1 van dit artikel bepaalde rechten.
§ 4. Het voor de toepassing van de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel in aanmerking te nemen aantal paardekrachten is dat van het motorvermogen, zoals dit vermogen overeenkomstig artikel 68, 12°, in de meetbrief is ingeschreven.
Art.83. <AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Pour les remorqueurs et les pousseurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou de plusieurs bateaux, les droits sont calculés par cheval-vapeur kilométrique (produit de la multiplication de la puissance du moteur, exprimée en chevaux-vapeur, par la distance à parcourir, en kilomètres).
Les taux des droits sont fixés comme suit :
1° pour une navigation avec transport de marchandises :
a) de 0 à 60 ch :
3 centimes par cheval kilométrique;
b) de plus de 60 ch à 150 ch :
2 centimes par cheval kilométrique avec un minimum de 1,80 franc par kilomètre;
c) de plus de 150 ch à 400 ch :
1,5 centime par cheval kilométrique avec un minimum de 3 francs par kilomètre;
d) de plus de 400 ch :
0,7 centime par cheval kilométrique avec un minimum de 6 francs par kilomètre;
2° pour une navigation sans transport de marchandises, les taux précités sont réduits de moitié.
§ 2. Pour les remorqueurs et les pousseurs naviguant isolément, les droits sont fixés comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
15 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
35 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
30 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
50 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch.) <AR 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Sont considérés comme remorqueurs ou pousseurs les bateaux de transport automoteurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou plusieurs bateaux. Dans ce cas ils sont redevables à la fois des droits prévus aux articles 79 ou 80 selon qu'ils sont chargés ou vides et des droits prévus au § 1er du présent article.
§ 4. Le nombre de chevaux-vapeur à prendre en considération aux §§ 1, 2 et 3 du présent article est celui de la puissance du moteur telle qu'elle est portée au certificat de jaugeage conformément au prescrit de l'article 68, 12°.
Les taux des droits sont fixés comme suit :
1° pour une navigation avec transport de marchandises :
a) de 0 à 60 ch :
3 centimes par cheval kilométrique;
b) de plus de 60 ch à 150 ch :
2 centimes par cheval kilométrique avec un minimum de 1,80 franc par kilomètre;
c) de plus de 150 ch à 400 ch :
1,5 centime par cheval kilométrique avec un minimum de 3 francs par kilomètre;
d) de plus de 400 ch :
0,7 centime par cheval kilométrique avec un minimum de 6 francs par kilomètre;
2° pour une navigation sans transport de marchandises, les taux précités sont réduits de moitié.
§ 2. Pour les remorqueurs et les pousseurs naviguant isolément, les droits sont fixés comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
15 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
35 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
30 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
50 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch.) <AR 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Sont considérés comme remorqueurs ou pousseurs les bateaux de transport automoteurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou plusieurs bateaux. Dans ce cas ils sont redevables à la fois des droits prévus aux articles 79 ou 80 selon qu'ils sont chargés ou vides et des droits prévus au § 1er du présent article.
§ 4. Le nombre de chevaux-vapeur à prendre en considération aux §§ 1, 2 et 3 du présent article est celui de la puissance du moteur telle qu'elle est portée au certificat de jaugeage conformément au prescrit de l'article 68, 12°.
Art. 83. (VLAAMSE GEWEST)
(NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) <KB 05-05-1975, art. 2>
§ 1. (Voor sleep- en duwboten die één of meer vaartuigen slepen of duwen, worden de rechten berekend per paardekrachtkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van het motorvermogen, uitgedrukt in paardekracht, met de af te leggen afstand in kilometer).
De bedragen van de rechten worden als volgt vastgesteld :
1° voor een vaart met vervoer van goederen :
a) van 0 tot 60 pk :
(0,00075 EUR) per paardekrachtkilometer;
b) van meer dan 60 pk tot 150 pk :
(0,00050 EUR) per paardekrachtkilometer, met minimum van (0,0450 EUR) per kilometer;
c) van meer dan 150 pk tot 400 pk :
(0,00037 EUR) per paardekrachtkilometer, met minimum van (0,0750 EUR) per kilometer;
d) meer dan 400 pk :
(0,00017 EUR) per paardekrachtkilometer, met minimum van (0,150 EUR) per kilometer;
2° voor een vaart zonder vervoer van goederen worden de bovenvermelde bedragen gehalveerd.
§ 2. Voor alleenvarende sleep- en duwboten worden de rechten als volgt vastgesteld :
a) voor reizen van minder dan 20 kilometer :
(0,4 EUR) voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
(1,0 EUR) voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk;
b) voor reizen van 20 kilometer en meer :
(0,75 EUR) voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
(1,25 EUR) voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk.) <KB 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Als sleep- of duwboten worden aangemerkt de motorvrachtvaartuigen die één of meer vaartuigen slepen of duwen. In dat geval zijn voor die vrachtvaartuigen de rechten verschuldigd, bepaald in artikels 79 of 80 naargelang ze geladen of ledig varen, en tevens de in § 1 van dit artikel bepaalde rechten.
§ 4. Het voor de toepassing van de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel in aanmerking te nemen aantal paardekrachten is dat van het motorvermogen, zoals dit vermogen overeenkomstig artikel 68, 12°, in de meetbrief is ingeschreven.)
(NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>) <KB 05-05-1975, art. 2>
§ 1. (Voor sleep- en duwboten die één of meer vaartuigen slepen of duwen, worden de rechten berekend per paardekrachtkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van het motorvermogen, uitgedrukt in paardekracht, met de af te leggen afstand in kilometer).
De bedragen van de rechten worden als volgt vastgesteld :
1° voor een vaart met vervoer van goederen :
a) van 0 tot 60 pk :
(0,00075 EUR) per paardekrachtkilometer;
b) van meer dan 60 pk tot 150 pk :
(0,00050 EUR) per paardekrachtkilometer, met minimum van (0,0450 EUR) per kilometer;
c) van meer dan 150 pk tot 400 pk :
(0,00037 EUR) per paardekrachtkilometer, met minimum van (0,0750 EUR) per kilometer;
d) meer dan 400 pk :
(0,00017 EUR) per paardekrachtkilometer, met minimum van (0,150 EUR) per kilometer;
2° voor een vaart zonder vervoer van goederen worden de bovenvermelde bedragen gehalveerd.
§ 2. Voor alleenvarende sleep- en duwboten worden de rechten als volgt vastgesteld :
a) voor reizen van minder dan 20 kilometer :
(0,4 EUR) voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
(1,0 EUR) voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk;
b) voor reizen van 20 kilometer en meer :
(0,75 EUR) voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
(1,25 EUR) voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk.) <KB 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Als sleep- of duwboten worden aangemerkt de motorvrachtvaartuigen die één of meer vaartuigen slepen of duwen. In dat geval zijn voor die vrachtvaartuigen de rechten verschuldigd, bepaald in artikels 79 of 80 naargelang ze geladen of ledig varen, en tevens de in § 1 van dit artikel bepaalde rechten.
§ 4. Het voor de toepassing van de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel in aanmerking te nemen aantal paardekrachten is dat van het motorvermogen, zoals dit vermogen overeenkomstig artikel 68, 12°, in de meetbrief is ingeschreven.)
Art. 83. (REGION FLAMANDE)
(NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Pour les remorqueurs et les pousseurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou de plusieurs bateaux, les droits sont calculés par cheval-vapeur kilométrique (produit de la multiplication de la puissance du moteur, exprimée en chevaux-vapeur, par la distance à parcourir, en kilomètres).
Les taux des droits sont fixés comme suit :
1° pour une navigation avec transport de marchandises :
a) de 0 à 60 ch :
(0,00075 EUR) par cheval kilométrique;
b) de plus de 60 ch à 150 ch :
(0,00050 EUR) par cheval kilométrique avec un minimum de (0,0450 EUR) par kilomètre;
c) de plus de 150 ch a 400 ch :
(0,00037 EUR) par cheval kilométrique avec un minimum de (0,0750 EUR) par kilomètre;
d) de plus de 400 ch :
(0,00017 EUR) par cheval kilométrique avec un minimum de (0,150 EUR) par kilomètre;
2° pour une navigation sans transport de marchandises, les taux précités sont réduits de moitié.
§ 2. Pour les remorqueurs et les pousseurs naviguant isolément, les droits sont fixés comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
(0,4 EUR) pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
(1,0 EUR) pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
(0,75 EUR) pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
(1,25 EUR) pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch.) <AR 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Sont considérés comme remorqueurs ou pousseurs les bateaux de transport automoteurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou plusieurs bateaux. Dans ce cas ils sont redevables à la fois des droits prévus aux articles 79 ou 80 selon qu'ils sont chargés ou vides et des droits prévus au § 1er du présent article.
§ 4. Le nombre de chevaux-vapeur à prendre en considération aux §§ 1, 2 et 3 du présent article est celui de la puissance du moteur telle qu'elle est portée au certificat de jaugeage conformément au prescrit de l'article 68, 12°.)
(NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Pour les remorqueurs et les pousseurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou de plusieurs bateaux, les droits sont calculés par cheval-vapeur kilométrique (produit de la multiplication de la puissance du moteur, exprimée en chevaux-vapeur, par la distance à parcourir, en kilomètres).
Les taux des droits sont fixés comme suit :
1° pour une navigation avec transport de marchandises :
a) de 0 à 60 ch :
(0,00075 EUR) par cheval kilométrique;
b) de plus de 60 ch à 150 ch :
(0,00050 EUR) par cheval kilométrique avec un minimum de (0,0450 EUR) par kilomètre;
c) de plus de 150 ch a 400 ch :
(0,00037 EUR) par cheval kilométrique avec un minimum de (0,0750 EUR) par kilomètre;
d) de plus de 400 ch :
(0,00017 EUR) par cheval kilométrique avec un minimum de (0,150 EUR) par kilomètre;
2° pour une navigation sans transport de marchandises, les taux précités sont réduits de moitié.
§ 2. Pour les remorqueurs et les pousseurs naviguant isolément, les droits sont fixés comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
(0,4 EUR) pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
(1,0 EUR) pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
(0,75 EUR) pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
(1,25 EUR) pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch.) <AR 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Sont considérés comme remorqueurs ou pousseurs les bateaux de transport automoteurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou plusieurs bateaux. Dans ce cas ils sont redevables à la fois des droits prévus aux articles 79 ou 80 selon qu'ils sont chargés ou vides et des droits prévus au § 1er du présent article.
§ 4. Le nombre de chevaux-vapeur à prendre en considération aux §§ 1, 2 et 3 du présent article est celui de la puissance du moteur telle qu'elle est portée au certificat de jaugeage conformément au prescrit de l'article 68, 12°.)
Art. 83. (WAALSE GEWEST)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. (Voor sleep- en duwboten die één of meer vaartuigen slepen of duwen, worden de rechten berekend per paardekrachtkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van het motorvermogen, uitgedrukt in paardekracht, met de af te leggen afstand in kilometer).
De bedragen van de rechten worden als volgt vastgesteld :
1° voor een vaart met vervoer van goederen :
a) van 0 tot 60 pk :
3 centimes per paardekrachtkilometer;
b) van meer dan 60 pk tot 150 pk :
2 centimes per paardekrachtkilometer, met minimum van 1,80 frank per kilometer;
c) van meer dan 150 pk tot 400 pk :
1,5 centime per paardekrachtkilometer, met minimum van 3 frank per kilometer;
d) meer dan 400 pk :
0,7 centime per paardekrachtkilometer, met minimum van 6 frank per kilometer;
2° voor een vaart zonder vervoer van goederen worden de bovenvermelde bedragen gehalveerd.
§ 2. Voor alleenvarende sleep- en duwboten worden de rechten als volgt vastgesteld :
a) voor reizen van minder dan 20 kilometer :
15 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
35 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk;
b) voor reizen van 20 kilometer en meer :
30 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
50 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk.) <KB 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Als sleep- of duwboten worden aangemerkt de motorvrachtvaartuigen die één of meer vaartuigen slepen of duwen. In dat geval zijn voor die vrachtvaartuigen de rechten verschuldigd, bepaald in artikels 79 of 80 naargelang ze geladen of ledig varen, en tevens de in § 1 van dit artikel bepaalde rechten.
§ 4. Het voor de toepassing van de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel in aanmerking te nemen aantal paardekrachten is dat van het motorvermogen, zoals dit vermogen overeenkomstig artikel 68, 12°, in de meetbrief is ingeschreven.
(§ 5. De in deze bepaling bedoelde rechten worden echter teruggebracht tot :
- 0 euro per paardekrachtkilometer voor de toepassing van § 1;
- 0 euro per sleep- of duwboot voor de toepassing van § 2 op alle door het Waalse Gewest beheerde bevaarbare waterlopen.)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. (Voor sleep- en duwboten die één of meer vaartuigen slepen of duwen, worden de rechten berekend per paardekrachtkilometer (produkt van de vermenigvuldiging van het motorvermogen, uitgedrukt in paardekracht, met de af te leggen afstand in kilometer).
De bedragen van de rechten worden als volgt vastgesteld :
1° voor een vaart met vervoer van goederen :
a) van 0 tot 60 pk :
3 centimes per paardekrachtkilometer;
b) van meer dan 60 pk tot 150 pk :
2 centimes per paardekrachtkilometer, met minimum van 1,80 frank per kilometer;
c) van meer dan 150 pk tot 400 pk :
1,5 centime per paardekrachtkilometer, met minimum van 3 frank per kilometer;
d) meer dan 400 pk :
0,7 centime per paardekrachtkilometer, met minimum van 6 frank per kilometer;
2° voor een vaart zonder vervoer van goederen worden de bovenvermelde bedragen gehalveerd.
§ 2. Voor alleenvarende sleep- en duwboten worden de rechten als volgt vastgesteld :
a) voor reizen van minder dan 20 kilometer :
15 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
35 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk;
b) voor reizen van 20 kilometer en meer :
30 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van 150 pk of minder;
50 frank voor sleep- en duwboten met een motorvermogen van meer dan 150 pk.) <KB 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Als sleep- of duwboten worden aangemerkt de motorvrachtvaartuigen die één of meer vaartuigen slepen of duwen. In dat geval zijn voor die vrachtvaartuigen de rechten verschuldigd, bepaald in artikels 79 of 80 naargelang ze geladen of ledig varen, en tevens de in § 1 van dit artikel bepaalde rechten.
§ 4. Het voor de toepassing van de §§ 1, 2 en 3 van dit artikel in aanmerking te nemen aantal paardekrachten is dat van het motorvermogen, zoals dit vermogen overeenkomstig artikel 68, 12°, in de meetbrief is ingeschreven.
(§ 5. De in deze bepaling bedoelde rechten worden echter teruggebracht tot :
- 0 euro per paardekrachtkilometer voor de toepassing van § 1;
- 0 euro per sleep- of duwboot voor de toepassing van § 2 op alle door het Waalse Gewest beheerde bevaarbare waterlopen.)
Art. 83. (REGION WALLONNE)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Pour les remorqueurs et les pousseurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou de plusieurs bateaux, les droits sont calculés par cheval-vapeur kilométrique (produit de la multiplication de la puissance du moteur, exprimée en chevaux-vapeur, par la distance à parcourir, en kilomètres).
Les taux des droits sont fixés comme suit :
1° pour une navigation avec transport de marchandises :
a) de 0 à 60 ch :
3 centimes par cheval kilométrique;
b) de plus de 60 ch à 150 ch :
2 centimes par cheval kilométrique avec un minimum de 1,80 franc par kilomètre;
c) de plus de 150 ch à 400 ch :
1,5 centime par cheval kilométrique avec un minimum de 3 francs par kilomètre;
d) de plus de 400 ch :
0,7 centime par cheval kilométrique avec un minimum de 6 francs par kilomètre;
2° pour une navigation sans transport de marchandises, les taux précités sont réduits de moitié.
§ 2. Pour les remorqueurs et les pousseurs naviguant isolément, les droits sont fixés comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
15 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
35 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
30 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
50 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch.) <AR 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Sont considérés comme remorqueurs ou pousseurs les bateaux de transport automoteurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou plusieurs bateaux. Dans ce cas ils sont redevables à la fois des droits prévus aux articles 79 ou 80 selon qu'ils sont chargés ou vides et des droits prévus au § 1er du présent article.
§ 4. Le nombre de chevaux-vapeur à prendre en considération aux §§ 1, 2 et 3 du présent article est celui de la puissance du moteur telle qu'elle est portée au certificat de jaugeage conformément au prescrit de l'article 68, 12°.
(§ 5. Les droits visés par la présente disposition sont toutefois ramenés à :
- 0 euro par cheval-vapeur kilométrique, pour l'application du § 1er;
- 0 euro par remorqueur ou pousseur, pour l'application du § 2 sur toutes les voies navigables gérées par la Région wallonne.)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. (Pour les remorqueurs et les pousseurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou de plusieurs bateaux, les droits sont calculés par cheval-vapeur kilométrique (produit de la multiplication de la puissance du moteur, exprimée en chevaux-vapeur, par la distance à parcourir, en kilomètres).
Les taux des droits sont fixés comme suit :
1° pour une navigation avec transport de marchandises :
a) de 0 à 60 ch :
3 centimes par cheval kilométrique;
b) de plus de 60 ch à 150 ch :
2 centimes par cheval kilométrique avec un minimum de 1,80 franc par kilomètre;
c) de plus de 150 ch à 400 ch :
1,5 centime par cheval kilométrique avec un minimum de 3 francs par kilomètre;
d) de plus de 400 ch :
0,7 centime par cheval kilométrique avec un minimum de 6 francs par kilomètre;
2° pour une navigation sans transport de marchandises, les taux précités sont réduits de moitié.
§ 2. Pour les remorqueurs et les pousseurs naviguant isolément, les droits sont fixés comme suit :
a) en ce qui concerne les parcours inférieurs à 20 kilomètres :
15 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
35 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch;
b) en ce qui concerne les parcours de 20 kilomètres et plus :
30 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est égale ou inférieure à 150 ch;
50 francs pour les remorqueurs et les pousseurs dont la puissance est supérieure à 150 ch.) <AR 28-04-1981, art. 3>
§ 3. Sont considérés comme remorqueurs ou pousseurs les bateaux de transport automoteurs effectuant la traction ou la propulsion d'un ou plusieurs bateaux. Dans ce cas ils sont redevables à la fois des droits prévus aux articles 79 ou 80 selon qu'ils sont chargés ou vides et des droits prévus au § 1er du présent article.
§ 4. Le nombre de chevaux-vapeur à prendre en considération aux §§ 1, 2 et 3 du présent article est celui de la puissance du moteur telle qu'elle est portée au certificat de jaugeage conformément au prescrit de l'article 68, 12°.
(§ 5. Les droits visés par la présente disposition sont toutefois ramenés à :
- 0 euro par cheval-vapeur kilométrique, pour l'application du § 1er;
- 0 euro par remorqueur ou pousseur, pour l'application du § 2 sur toutes les voies navigables gérées par la Région wallonne.)
Art.84. <KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Voor vaartuigen die personen tegen vergoeding vervoeren over waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, bedraagt het recht 5 pct. van de door het vervoer opgebrachte bruto-ontvangst.
Heeft niet alleen het vervoer van personen, maar ook het vervoer van bagage of van andere goederen tegen vergoeding plaats, dan wordt het recht van 5 pct. geheven op de totale door dat vervoer opgebrachte bruto-ontvangst.
Gaat de reis slechts gedeeltelijk over waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, dan wordt het recht enkel geheven voor de over deze waterwegen afgelegde reisweg.
Het bedrag van het recht wordt berekend door de 5 pct. toe te passen op de uitkomst van de vermenigvuldiging van de bruto-ontvangst met het aantal kilometers van de reisweg over de waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, gedeeld door het totale aantal afgelegde kilometers.
De afstanden worden berekend volgens de bij dit reglement behorende afstandstafels, waarbij onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 meter bedragen voor een kilometer genomen en anders verwaarloosd worden.
§ 2. Het recht van 5 pct. op de bruto-ontvangst wordt maandelijks betaald, uiterlijk de tiende dag van de maand volgende op de ontvangst.
De betaling geschiedt door storting of overschrijving op de postrekening van de rekenplichtige van de Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen. Uiterlijk de dag van de betaling zendt de vervoerder aan genoemde dienst een gewaarmerkte aangifte met opgave van de reden der betaling, het bedrag van het recht, de verschillende reizen waarvoor dit recht wordt betaald, alsmede de bruto-ontvangst per reis.
§ 3. Bij reizen met vertrekplaats in het buitenland worden de scheepvaartrechten, in afwijking van het bepaalde in de §§ 1 en 2, vastgesteld volgens het aantal vervoerde personen en de af te leggen afstand over de Belgische waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn.
(Die rechten bedragen (0,04 EUR) per persoon en per 10 km af te leggen weg zowel van de heen- als van de terugreis, waarvan elk begonnen traject van 10 km als volledig afgelegd wordt aangemerkt.) <KB 28-04-1981, art. 4>
Het bedrag van de rechten mag per persoon echter nooit meer dan (0,40 EUR) per heen- en terugreis bedragen.
De rechten worden betaald op het eerste ontvangkantoor dat tijdens de reis wordt ontmoet of genaderd. De betaling geschiedt overeenkomstig de bepalingen van artikel 87 voor zover ze op de in deze paragraaf bedoelde reizen toepasselijk zijn.
Heeft niet alleen het vervoer van personen, maar ook het vervoer van bagage of van andere goederen tegen vergoeding plaats, dan wordt het recht van 5 pct. geheven op de totale door dat vervoer opgebrachte bruto-ontvangst.
Gaat de reis slechts gedeeltelijk over waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, dan wordt het recht enkel geheven voor de over deze waterwegen afgelegde reisweg.
Het bedrag van het recht wordt berekend door de 5 pct. toe te passen op de uitkomst van de vermenigvuldiging van de bruto-ontvangst met het aantal kilometers van de reisweg over de waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, gedeeld door het totale aantal afgelegde kilometers.
De afstanden worden berekend volgens de bij dit reglement behorende afstandstafels, waarbij onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 meter bedragen voor een kilometer genomen en anders verwaarloosd worden.
§ 2. Het recht van 5 pct. op de bruto-ontvangst wordt maandelijks betaald, uiterlijk de tiende dag van de maand volgende op de ontvangst.
De betaling geschiedt door storting of overschrijving op de postrekening van de rekenplichtige van de Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen. Uiterlijk de dag van de betaling zendt de vervoerder aan genoemde dienst een gewaarmerkte aangifte met opgave van de reden der betaling, het bedrag van het recht, de verschillende reizen waarvoor dit recht wordt betaald, alsmede de bruto-ontvangst per reis.
§ 3. Bij reizen met vertrekplaats in het buitenland worden de scheepvaartrechten, in afwijking van het bepaalde in de §§ 1 en 2, vastgesteld volgens het aantal vervoerde personen en de af te leggen afstand over de Belgische waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn.
(Die rechten bedragen (0,04 EUR) per persoon en per 10 km af te leggen weg zowel van de heen- als van de terugreis, waarvan elk begonnen traject van 10 km als volledig afgelegd wordt aangemerkt.) <KB 28-04-1981, art. 4>
Het bedrag van de rechten mag per persoon echter nooit meer dan (0,40 EUR) per heen- en terugreis bedragen.
De rechten worden betaald op het eerste ontvangkantoor dat tijdens de reis wordt ontmoet of genaderd. De betaling geschiedt overeenkomstig de bepalingen van artikel 87 voor zover ze op de in deze paragraaf bedoelde reizen toepasselijk zijn.
Art.84. <AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Pour les bateaux effectuant un transport rémunéré de personnes sur les voies navigables soumises au régime des droits de navigation, les droits sont fixés à 5 p.c. de la recette brute produite par le transport.
Si, outre le transport de personnes, le transport de bagages ou autres marchandises donne également lieu à rémunération, le droit de 5 p.c. est perçu sur le total de la recette brute produite par ce transport.
Lorsqu'un voyage ne s'effectue qu'en partie en empruntant des voies navigables soumises au régime des droits de navigation le droit n'est dû que pour le trajet parcouru sur lesdites voies navigables.
Le montant du droit est établi en prélevant 5 p.c. sur le résultat obtenu par la multiplication de la recette brute par le nombre de kilomètres de la partie du voyage effectuée sur les voies soumises au droit de navigation, divisé par le nombre de kilomètres parcourus.
Les distances sont calculées d'après les tableaux des distances annexés au présent règlement, les fractions de kilomètre supérieures à 500 mètres étant comptées pour un kilomètre, les fractions de 500 mètres ou moins étant négligées.
§ 2. Le droit de 5 p.c. sur la recette brute est payable par mois et au plus tard le dixième jour du mois qui suit celui de la recette.
Le paiement se fait sous forme de versement ou de virement au compte de chèques postaux du comptable du Service d'Exploitation des Voies navigables. Le transporteur doit adresser au service, au plus tard le jour du paiement, une déclaration certifiée exacte et signée, indiquant le motif du paiement, le montant du droit, les différents voyages auxquels ils est afférent, ainsi que la recette brute par voyage.
§ 3. Par dérogation aux §§ 1 et 2, lorsqu'il s'agit d'un voyage au départ de l'étranger, les droits de navigation sont fixés en fonction du nombre de personnes transportées et de la distance à parcourir sur les voies navigables belges soumises au régime des droits de navigation.
(Le taux de ces droits est fixé à 1,5 F par personne, par trajet de 10 km, tant pour l'aller que pour le retour, tout trajet de 10 km commence étant réputé parcouru entièrement.) <AR 28-04-1981, art. 4>
Le taux des droits ne peut cependant excéder, par personne, la somme de 15 francs par voyage aller et retour.
Le paiement se fait au premier bureau de perception rencontré en cours de route ou dont le bateau se rapproche. L'article 87 regit ces paiements dans la mesure où il est applicable aux voyages visés au présent paragraphe.
Si, outre le transport de personnes, le transport de bagages ou autres marchandises donne également lieu à rémunération, le droit de 5 p.c. est perçu sur le total de la recette brute produite par ce transport.
Lorsqu'un voyage ne s'effectue qu'en partie en empruntant des voies navigables soumises au régime des droits de navigation le droit n'est dû que pour le trajet parcouru sur lesdites voies navigables.
Le montant du droit est établi en prélevant 5 p.c. sur le résultat obtenu par la multiplication de la recette brute par le nombre de kilomètres de la partie du voyage effectuée sur les voies soumises au droit de navigation, divisé par le nombre de kilomètres parcourus.
Les distances sont calculées d'après les tableaux des distances annexés au présent règlement, les fractions de kilomètre supérieures à 500 mètres étant comptées pour un kilomètre, les fractions de 500 mètres ou moins étant négligées.
§ 2. Le droit de 5 p.c. sur la recette brute est payable par mois et au plus tard le dixième jour du mois qui suit celui de la recette.
Le paiement se fait sous forme de versement ou de virement au compte de chèques postaux du comptable du Service d'Exploitation des Voies navigables. Le transporteur doit adresser au service, au plus tard le jour du paiement, une déclaration certifiée exacte et signée, indiquant le motif du paiement, le montant du droit, les différents voyages auxquels ils est afférent, ainsi que la recette brute par voyage.
§ 3. Par dérogation aux §§ 1 et 2, lorsqu'il s'agit d'un voyage au départ de l'étranger, les droits de navigation sont fixés en fonction du nombre de personnes transportées et de la distance à parcourir sur les voies navigables belges soumises au régime des droits de navigation.
(Le taux de ces droits est fixé à 1,5 F par personne, par trajet de 10 km, tant pour l'aller que pour le retour, tout trajet de 10 km commence étant réputé parcouru entièrement.) <AR 28-04-1981, art. 4>
Le taux des droits ne peut cependant excéder, par personne, la somme de 15 francs par voyage aller et retour.
Le paiement se fait au premier bureau de perception rencontré en cours de route ou dont le bateau se rapproche. L'article 87 regit ces paiements dans la mesure où il est applicable aux voyages visés au présent paragraphe.
Art. 84. (REGION FLAMANDE)
(NOTE : Abrogé pour la Communauté flamande par et confirmé par )
(NOTE : Abrogé pour la Communauté flamande par
Art. 84. (WAALSE GEWEST)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Voor vaartuigen die personen tegen vergoeding vervoeren over waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, bedraagt het recht 5 pct. van de door het vervoer opgebrachte bruto-ontvangst.
Heeft niet alleen het vervoer van personen, maar ook het vervoer van bagage of van andere goederen tegen vergoeding plaats, dan wordt het recht van 5 pct. geheven op de totale door dat vervoer opgebrachte bruto-ontvangst.
Gaat de reis slechts gedeeltelijk over waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, dan wordt het recht enkel geheven voor de over deze waterwegen afgelegde reisweg.
Het bedrag van het recht wordt berekend door de 5 pct. toe te passen op de uitkomst van de vermenigvuldiging van de bruto-ontvangst met het aantal kilometers van de reisweg over de waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, gedeeld door het totale aantal afgelegde kilometers.
De afstanden worden berekend volgens de bij dit reglement behorende afstandstafels, waarbij onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 meter bedragen voor een kilometer genomen en anders verwaarloosd worden.
§ 2. Het recht van 5 pct. op de bruto-ontvangst wordt maandelijks betaald, uiterlijk de tiende dag van de maand volgende op de ontvangst.
De betaling geschiedt door storting of overschrijving op de postrekening van de rekenplichtige van de Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen. Uiterlijk de dag van de betaling zendt de vervoerder aan genoemde dienst een gewaarmerkte aangifte met opgave van de reden der betaling, het bedrag van het recht, de verschillende reizen waarvoor dit recht wordt betaald, alsmede de bruto-ontvangst per reis.
§ 3. Bij reizen met vertrekplaats in het buitenland worden de scheepvaartrechten, in afwijking van het bepaalde in de §§ 1 en 2, vastgesteld volgens het aantal vervoerde personen en de af te leggen afstand over de Belgische waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn.
(Die rechten bedragen (0,04 EUR) per persoon en per 10 km af te leggen weg zowel van de heen- als van de terugreis, waarvan elk begonnen traject van 10 km als volledig afgelegd wordt aangemerkt.) <KB 28-04-1981, art. 4>
Het bedrag van de rechten mag per persoon echter nooit meer dan (0,40 EUR) per heen- en terugreis bedragen.
De rechten worden betaald op het eerste ontvangkantoor dat tijdens de reis wordt ontmoet of genaderd. De betaling geschiedt overeenkomstig de bepalingen van artikel 87 voor zover ze op de in deze paragraaf bedoelde reizen toepasselijk zijn.
(§ 4. De in deze bepaling bedoelde rechten worden echter teruggebracht tot :
- 0 % van de bruto-ontvangst voor de toepassing van § 1;
- 0 euro per persoon voor de toepassing van § 3 op alle door het Waalse Gewest beheerde bevaarbare waterlopen.)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Voor vaartuigen die personen tegen vergoeding vervoeren over waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, bedraagt het recht 5 pct. van de door het vervoer opgebrachte bruto-ontvangst.
Heeft niet alleen het vervoer van personen, maar ook het vervoer van bagage of van andere goederen tegen vergoeding plaats, dan wordt het recht van 5 pct. geheven op de totale door dat vervoer opgebrachte bruto-ontvangst.
Gaat de reis slechts gedeeltelijk over waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, dan wordt het recht enkel geheven voor de over deze waterwegen afgelegde reisweg.
Het bedrag van het recht wordt berekend door de 5 pct. toe te passen op de uitkomst van de vermenigvuldiging van de bruto-ontvangst met het aantal kilometers van de reisweg over de waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn, gedeeld door het totale aantal afgelegde kilometers.
De afstanden worden berekend volgens de bij dit reglement behorende afstandstafels, waarbij onderdelen van een kilometer, wanneer zij meer dan 500 meter bedragen voor een kilometer genomen en anders verwaarloosd worden.
§ 2. Het recht van 5 pct. op de bruto-ontvangst wordt maandelijks betaald, uiterlijk de tiende dag van de maand volgende op de ontvangst.
De betaling geschiedt door storting of overschrijving op de postrekening van de rekenplichtige van de Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen. Uiterlijk de dag van de betaling zendt de vervoerder aan genoemde dienst een gewaarmerkte aangifte met opgave van de reden der betaling, het bedrag van het recht, de verschillende reizen waarvoor dit recht wordt betaald, alsmede de bruto-ontvangst per reis.
§ 3. Bij reizen met vertrekplaats in het buitenland worden de scheepvaartrechten, in afwijking van het bepaalde in de §§ 1 en 2, vastgesteld volgens het aantal vervoerde personen en de af te leggen afstand over de Belgische waterwegen waarop scheepvaartrechten verschuldigd zijn.
(Die rechten bedragen (0,04 EUR) per persoon en per 10 km af te leggen weg zowel van de heen- als van de terugreis, waarvan elk begonnen traject van 10 km als volledig afgelegd wordt aangemerkt.) <KB 28-04-1981, art. 4>
Het bedrag van de rechten mag per persoon echter nooit meer dan (0,40 EUR) per heen- en terugreis bedragen.
De rechten worden betaald op het eerste ontvangkantoor dat tijdens de reis wordt ontmoet of genaderd. De betaling geschiedt overeenkomstig de bepalingen van artikel 87 voor zover ze op de in deze paragraaf bedoelde reizen toepasselijk zijn.
(§ 4. De in deze bepaling bedoelde rechten worden echter teruggebracht tot :
- 0 % van de bruto-ontvangst voor de toepassing van § 1;
- 0 euro per persoon voor de toepassing van § 3 op alle door het Waalse Gewest beheerde bevaarbare waterlopen.)
Art. 84. (REGION WALLONNE)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Pour les bateaux effectuant un transport rémunéré de personnes sur les voies navigables soumises au régime des droits de navigation, les droits sont fixés à 5 p.c. de la recette brute produite par le transport.
Si, outre le transport de personnes, le transport de bagages ou autres marchandises donne également lieu à rémunération, le droit de 5 p.c. est perçu sur le total de la recette brute produite par ce transport.
Lorsqu'un voyage ne s'effectue qu'en partie en empruntant des voies navigables soumises au régime des droits de navigation le droit n'est dû que pour le trajet parcouru sur lesdites voies navigables.
Le montant du droit est établi en prélevant 5 p.c. sur le résultat obtenu par la multiplication de la recette brute par le nombre de kilomètres de la partie du voyage effectuée sur les voies soumises au droit de navigation, divisé par le nombre de kilomètres parcourus.
Les distances sont calculées d'après les tableaux des distances annexés au présent règlement, les fractions de kilomètre supérieures à 500 mètres étant comptées pour un kilomètre, les fractions de 500 mètres ou moins étant négligées.
§ 2. Le droit de 5 p.c. sur la recette brute est payable par mois et au plus tard le dixième jour du mois qui suit celui de la recette.
Le paiement se fait sous forme de versement ou de virement au compte de chèques postaux du comptable du Service d'Exploitation des Voies navigables. Le transporteur doit adresser au service, au plus tard le jour du paiement, une déclaration certifiée exacte et signée, indiquant le motif du paiement, le montant du droit, les différents voyages auxquels ils est afférent, ainsi que la recette brute par voyage.
§ 3. Par dérogation aux §§ 1 et 2, lorsqu'il s'agit d'un voyage au départ de l'étranger, les droits de navigation sont fixés en fonction du nombre de personnes transportées et de la distance à parcourir sur les voies navigables belges soumises au régime des droits de navigation.
(Le taux de ces droits est fixé à 1,5 F par personne, par trajet de 10 km, tant pour l'aller que pour le retour, tout trajet de 10 km commencé étant réputé parcouru entièrement.) <AR 28-04-1981, art. 4>
Le taux des droits ne peut cependant excéder, par personne, la somme de 15 francs par voyage aller et retour.
Le paiement se fait au premier bureau de perception rencontré en cours de route ou dont le bateau se rapproche. L'article 87 régit ces paiements dans la mesure où il est applicable aux voyages visés au présent paragraphe.
(§ 4. Les droits visés par la présente disposition sont toutefois ramenés à :
- 0 % de la recette brute, pour l'application du § 1er;
- 0 euro par personne, pour l'application du § 3 sur toutes les voies navigables gérées par la Région wallonne.)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Pour les bateaux effectuant un transport rémunéré de personnes sur les voies navigables soumises au régime des droits de navigation, les droits sont fixés à 5 p.c. de la recette brute produite par le transport.
Si, outre le transport de personnes, le transport de bagages ou autres marchandises donne également lieu à rémunération, le droit de 5 p.c. est perçu sur le total de la recette brute produite par ce transport.
Lorsqu'un voyage ne s'effectue qu'en partie en empruntant des voies navigables soumises au régime des droits de navigation le droit n'est dû que pour le trajet parcouru sur lesdites voies navigables.
Le montant du droit est établi en prélevant 5 p.c. sur le résultat obtenu par la multiplication de la recette brute par le nombre de kilomètres de la partie du voyage effectuée sur les voies soumises au droit de navigation, divisé par le nombre de kilomètres parcourus.
Les distances sont calculées d'après les tableaux des distances annexés au présent règlement, les fractions de kilomètre supérieures à 500 mètres étant comptées pour un kilomètre, les fractions de 500 mètres ou moins étant négligées.
§ 2. Le droit de 5 p.c. sur la recette brute est payable par mois et au plus tard le dixième jour du mois qui suit celui de la recette.
Le paiement se fait sous forme de versement ou de virement au compte de chèques postaux du comptable du Service d'Exploitation des Voies navigables. Le transporteur doit adresser au service, au plus tard le jour du paiement, une déclaration certifiée exacte et signée, indiquant le motif du paiement, le montant du droit, les différents voyages auxquels ils est afférent, ainsi que la recette brute par voyage.
§ 3. Par dérogation aux §§ 1 et 2, lorsqu'il s'agit d'un voyage au départ de l'étranger, les droits de navigation sont fixés en fonction du nombre de personnes transportées et de la distance à parcourir sur les voies navigables belges soumises au régime des droits de navigation.
(Le taux de ces droits est fixé à 1,5 F par personne, par trajet de 10 km, tant pour l'aller que pour le retour, tout trajet de 10 km commencé étant réputé parcouru entièrement.) <AR 28-04-1981, art. 4>
Le taux des droits ne peut cependant excéder, par personne, la somme de 15 francs par voyage aller et retour.
Le paiement se fait au premier bureau de perception rencontré en cours de route ou dont le bateau se rapproche. L'article 87 régit ces paiements dans la mesure où il est applicable aux voyages visés au présent paragraphe.
(§ 4. Les droits visés par la présente disposition sont toutefois ramenés à :
- 0 % de la recette brute, pour l'application du § 1er;
- 0 euro par personne, pour l'application du § 3 sur toutes les voies navigables gérées par la Région wallonne.)
Art.85. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 05-05-1975, art. 2> Voor de geregelde goederen vervoerdiensten (de zogenaamde beurtdiensten) worden de scheepvaartrechten berekend op de vaste grondslag van 3/4 van het totale laadvermogen van het vaartuig, vermenigvuldigd met de af te leggen afstand, bepaald overeenkomstig artikel 79, § 3, tweede en derde lid.
De aldus berekende rechten worden geheven bij het begin van iedere reis, heen- en terugreis afzonderlijk beschouwd, tegen overlegging van het erkenningsbewijs van de beurtdienst.
<KB 05-05-1975, art. 2> Voor de geregelde goederen vervoerdiensten (de zogenaamde beurtdiensten) worden de scheepvaartrechten berekend op de vaste grondslag van 3/4 van het totale laadvermogen van het vaartuig, vermenigvuldigd met de af te leggen afstand, bepaald overeenkomstig artikel 79, § 3, tweede en derde lid.
De aldus berekende rechten worden geheven bij het begin van iedere reis, heen- en terugreis afzonderlijk beschouwd, tegen overlegging van het erkenningsbewijs van de beurtdienst.
Art.85. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 05-05-1975, art. 2> Pour les services réguliers de transport de marchandises (dits services de beurt) les droits de navigation sont calculés sur la base forfaitaire de 3/4 de la capacité totale du bateau, multipliée par la distance à parcourir, déterminée conformément aux dispositions de l'article 79, § 3, alinéas 2 et 3.
Les droits ainsi calculés sont perçus au départ de chaque voyage, qu'il s'agisse de l'aller ou du retour, sur présentation du certificat d'agréation du service de beurt.
<AR 05-05-1975, art. 2> Pour les services réguliers de transport de marchandises (dits services de beurt) les droits de navigation sont calculés sur la base forfaitaire de 3/4 de la capacité totale du bateau, multipliée par la distance à parcourir, déterminée conformément aux dispositions de l'article 79, § 3, alinéas 2 et 3.
Les droits ainsi calculés sont perçus au départ de chaque voyage, qu'il s'agisse de l'aller ou du retour, sur présentation du certificat d'agréation du service de beurt.
Art.86. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 05-05-1975, art. 2> Voor vaartuigen die uitsluitend en geregeld goederen vervoeren tussen dezelfde aanleghavens kunnen dezelfde voordelen worden toegestaan als voor de in artikel 85 bedoelde beurtschepen.
De eigenaars van die vaartuigen moeten daartoe een aanvraag richten aan de Minister van Openbare Werken (Bestuur der Waterwegen - Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen), die een onderzoek gelast. Is de beslissing van de Minister gunstig, dan wordt aan de belanghebbende een erkenningsbewijs afgegeven.
<KB 05-05-1975, art. 2> Voor vaartuigen die uitsluitend en geregeld goederen vervoeren tussen dezelfde aanleghavens kunnen dezelfde voordelen worden toegestaan als voor de in artikel 85 bedoelde beurtschepen.
De eigenaars van die vaartuigen moeten daartoe een aanvraag richten aan de Minister van Openbare Werken (Bestuur der Waterwegen - Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen), die een onderzoek gelast. Is de beslissing van de Minister gunstig, dan wordt aan de belanghebbende een erkenningsbewijs afgegeven.
Art.86. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 05-05-1975, art. 2> Les mêmes avantages que ceux dont bénéficient les bateaux affectés aux services visés à l'article 85, peuvent être accordés aux bateaux effectuant exclusivement et régulièrement le transport de marchandises entre les mêmes ports d'embarquement.
A cet effet, les propriétaires de bateaux doivent adresser une requête au Ministre des Travaux publics (Administration des Voies hydrauliques - Service d'Exploitation des Voies navigables), qui fait procéder à une enquête. Si la décision du Ministre est favorable, un certificat est délivré à l'intéressé.
<AR 05-05-1975, art. 2> Les mêmes avantages que ceux dont bénéficient les bateaux affectés aux services visés à l'article 85, peuvent être accordés aux bateaux effectuant exclusivement et régulièrement le transport de marchandises entre les mêmes ports d'embarquement.
A cet effet, les propriétaires de bateaux doivent adresser une requête au Ministre des Travaux publics (Administration des Voies hydrauliques - Service d'Exploitation des Voies navigables), qui fait procéder à une enquête. Si la décision du Ministre est favorable, un certificat est délivré à l'intéressé.
Art.87. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Op de waterwegen onder beheer van de Staat worden de scheepvaartrechten in eens voor het geheel van elke reis betaald, onverminderd de bijkomende rechten die eventueel worden geheven wanneer daarbij gevaren wordt over waterwegen onder beheer van particuliere instellingen.
De rechten worden betaald op het dichtstbijgelegen ontvangkantoor, voor de afvaart, dan wel op het eerste ontvangkantoor dat tijdens de reis wordt ontmoet. Geschiedt de gehele reis tussen twee ontvangkantoren, dan moeten de rechten op het ene of op het andere kantoor worden betaald vóór de afvaart.
Om de betaling op het ontvangkantoor te verrichten, is de schipper gehouden zich daar aan te melden, voorzien van de meetbrief van zijn vaartuig en van het cognossement betreffende de lading. Vervoert hij verscheidene partijen goederen van verschillende aard, of voorziet hij gedeeltelijke lossingen in de loop van de reis, dan moet de schipper een cognossement voor elke partij voorleggen.
§ 2. Het kantoor waar de schipper de rechten betaalt, geeft hem daarvan kwitantie en reikt hem tevens een vaarvergunning uit.
Deze stukken moeten, samen met het cognossement en de meetbrief van het vaartuig, vertoond worden op de eerste aanzegging van het toezichtspersoneel der scheepvaartwegen, alsmede op de ontvang- of controlekantoren waar het vaartuig voorbij vaart.
De vaarvergunning en de kwitantie moeten op het laatste ontvangkantoor van de Staat, dat op de reis wordt ontmoet, overhandigd worden om daar te worden gecontroleerd. De ontvanger houdt de vergunning; hij ondertekent de kwitantie en geeft ze aan de schipper terug, die ze bewaart om zich in geval van betwisting te verantwoorden.
§ 3. De controle bij de aankomst moet het mogelijk maken de betaalde scheepvaartrechten eventueel aan te passen.
Wijst de controle uit dat er te weinig is betaald, dan wordt het alsnog verschuldigde recht geïnd door de ontvanger, die een aanvullende kwitantie afgeeft.
Wijst de controle uit dat er te veel is betaald en bedraagt het verschil meer dan tien frank, dan kan de rechthebbende, eigenaar of schipper, de terugbetaling ervan eisen, mits hij op het ontvangkantoor een terugbetalingsaanvraag indient, eventueel samen met de bewijsstukken.
Steunt de aanvraag op een verandering van de bestemming van het vaartuig in de loop van de reis, dan moeten de bewijsstukken noodzakelijk omvatten :
1° de kwitantie van de op het vertrekkantoor betaalde scheepvaartrechten;
2° de verklaring van een beambte van de waterweg, dat het vaartuig zijn reis heeft beëindigd op de als nieuwe bestemming aangegeven plaats;
3° voor een geladen vaartuig, de schriftelijke order van de eigenaar van de lading, waarin de nieuwe bestemming wordt aangegeven.
De beslissing tot terugbetaling kan alleen door het hoofd van de Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen worden genomen. Ze wordt schriftelijk aan de belanghebbende medegedeeld en tegelijkertijd wordt hem zijn kwitantie teruggestuurd.
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Op de waterwegen onder beheer van de Staat worden de scheepvaartrechten in eens voor het geheel van elke reis betaald, onverminderd de bijkomende rechten die eventueel worden geheven wanneer daarbij gevaren wordt over waterwegen onder beheer van particuliere instellingen.
De rechten worden betaald op het dichtstbijgelegen ontvangkantoor, voor de afvaart, dan wel op het eerste ontvangkantoor dat tijdens de reis wordt ontmoet. Geschiedt de gehele reis tussen twee ontvangkantoren, dan moeten de rechten op het ene of op het andere kantoor worden betaald vóór de afvaart.
Om de betaling op het ontvangkantoor te verrichten, is de schipper gehouden zich daar aan te melden, voorzien van de meetbrief van zijn vaartuig en van het cognossement betreffende de lading. Vervoert hij verscheidene partijen goederen van verschillende aard, of voorziet hij gedeeltelijke lossingen in de loop van de reis, dan moet de schipper een cognossement voor elke partij voorleggen.
§ 2. Het kantoor waar de schipper de rechten betaalt, geeft hem daarvan kwitantie en reikt hem tevens een vaarvergunning uit.
Deze stukken moeten, samen met het cognossement en de meetbrief van het vaartuig, vertoond worden op de eerste aanzegging van het toezichtspersoneel der scheepvaartwegen, alsmede op de ontvang- of controlekantoren waar het vaartuig voorbij vaart.
De vaarvergunning en de kwitantie moeten op het laatste ontvangkantoor van de Staat, dat op de reis wordt ontmoet, overhandigd worden om daar te worden gecontroleerd. De ontvanger houdt de vergunning; hij ondertekent de kwitantie en geeft ze aan de schipper terug, die ze bewaart om zich in geval van betwisting te verantwoorden.
§ 3. De controle bij de aankomst moet het mogelijk maken de betaalde scheepvaartrechten eventueel aan te passen.
Wijst de controle uit dat er te weinig is betaald, dan wordt het alsnog verschuldigde recht geïnd door de ontvanger, die een aanvullende kwitantie afgeeft.
Wijst de controle uit dat er te veel is betaald en bedraagt het verschil meer dan tien frank, dan kan de rechthebbende, eigenaar of schipper, de terugbetaling ervan eisen, mits hij op het ontvangkantoor een terugbetalingsaanvraag indient, eventueel samen met de bewijsstukken.
Steunt de aanvraag op een verandering van de bestemming van het vaartuig in de loop van de reis, dan moeten de bewijsstukken noodzakelijk omvatten :
1° de kwitantie van de op het vertrekkantoor betaalde scheepvaartrechten;
2° de verklaring van een beambte van de waterweg, dat het vaartuig zijn reis heeft beëindigd op de als nieuwe bestemming aangegeven plaats;
3° voor een geladen vaartuig, de schriftelijke order van de eigenaar van de lading, waarin de nieuwe bestemming wordt aangegeven.
De beslissing tot terugbetaling kan alleen door het hoofd van de Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen worden genomen. Ze wordt schriftelijk aan de belanghebbende medegedeeld en tegelijkertijd wordt hem zijn kwitantie teruggestuurd.
Art.87. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Sur les voies navigables gérées par l'Etat, les droits de navigation sont payés en une fois pour l'entièreté de chaque voyage, sans préjudice des droits supplémentaires qui sont éventuellement perçus au passage sur les voies navigables gérées par des organismes particuliers.
Le paiement des droits se fait soit au bureau de perception le plus proche avant la mise en marche du bateau, soit au premier bureau de perception rencontré en cours de route. Si le voyage doit s'effectuer entièrement entre deux bureaux de perception, le paiement doit se faire à l'un ou l'autre, avant le départ du bateau.
Pour effectuer le paiement au bureau de perception, le patron est tenu de s'y présenter muni du carnet de jaugeage de son bateau et du connaissement relatif à la cargaison. S'il transporte plusieurs lots de marchandises de nature différente ou s'il prévoit des déchargements partiels au cours du voyage, le patron doit présenter un connaissement pour chaque lot.
§ 2. Le bureau auquel le patron paie les droits lui en donne quittance et lui délivre en même temps un permis de circulation.
Ces documents doivent être présentés, avec le connaissement et le certificat de jaugeage du bateau, à toute réquisition du personnel de surveillance des voies navigables et aux bureaux de perception ou de contrôle devant lesquels passe le bateau.
Le permis de circulation et la quittance doivent être remis au dernier bureau de perception de l'Etat rencontré au cours du voyage pour y être contrôlés. Le receveur retient le permis; il signe la quittance et la rend au patron qui la garde pour se justifier en cas de contestation.
§ 3. Le contrôle à l'arrivée doit permettre un ajustement éventuel des droits de navigation.
Si le contrôle révèle qu'il a été trop peu perçu, le droit restant dû est perçu par le receveur qui délivre une quittance complémentaire.
Si le contrôle révèle qu'il a été trop perçu et que la différence s'élève à plus de dix francs, l'ayant droit, propriétaire ou patron, peut en réclamer la restitution en introduisant au bureau de perception une demande de remboursement, éventuellement accompagnée des pièces justificatives.
Lorsque la demande est fondée sur un changement de destination du bateau en cours de voyage, les pièces justificatives comprennent nécessairement :
1° la quittance des droits de navigation perçus au bureau de départ;
2° l'attestation d'un préposé de la voie navigable certifiant que le bateau a terminé son voyage à l'endroit indiqué comme nouvelle destination;
3° s'il s'agit d'un bateau chargé, l'ordre écrit du maître de la cargaison, indiquant la nouvelle destination.
La décision de remboursement ne peut être prise que par le chef du Service d'Exploitation des Voies navigables. Elle est notifiée à l'intéressé et sa quittance lui est renvoyée en même temps.
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Sur les voies navigables gérées par l'Etat, les droits de navigation sont payés en une fois pour l'entièreté de chaque voyage, sans préjudice des droits supplémentaires qui sont éventuellement perçus au passage sur les voies navigables gérées par des organismes particuliers.
Le paiement des droits se fait soit au bureau de perception le plus proche avant la mise en marche du bateau, soit au premier bureau de perception rencontré en cours de route. Si le voyage doit s'effectuer entièrement entre deux bureaux de perception, le paiement doit se faire à l'un ou l'autre, avant le départ du bateau.
Pour effectuer le paiement au bureau de perception, le patron est tenu de s'y présenter muni du carnet de jaugeage de son bateau et du connaissement relatif à la cargaison. S'il transporte plusieurs lots de marchandises de nature différente ou s'il prévoit des déchargements partiels au cours du voyage, le patron doit présenter un connaissement pour chaque lot.
§ 2. Le bureau auquel le patron paie les droits lui en donne quittance et lui délivre en même temps un permis de circulation.
Ces documents doivent être présentés, avec le connaissement et le certificat de jaugeage du bateau, à toute réquisition du personnel de surveillance des voies navigables et aux bureaux de perception ou de contrôle devant lesquels passe le bateau.
Le permis de circulation et la quittance doivent être remis au dernier bureau de perception de l'Etat rencontré au cours du voyage pour y être contrôlés. Le receveur retient le permis; il signe la quittance et la rend au patron qui la garde pour se justifier en cas de contestation.
§ 3. Le contrôle à l'arrivée doit permettre un ajustement éventuel des droits de navigation.
Si le contrôle révèle qu'il a été trop peu perçu, le droit restant dû est perçu par le receveur qui délivre une quittance complémentaire.
Si le contrôle révèle qu'il a été trop perçu et que la différence s'élève à plus de dix francs, l'ayant droit, propriétaire ou patron, peut en réclamer la restitution en introduisant au bureau de perception une demande de remboursement, éventuellement accompagnée des pièces justificatives.
Lorsque la demande est fondée sur un changement de destination du bateau en cours de voyage, les pièces justificatives comprennent nécessairement :
1° la quittance des droits de navigation perçus au bureau de départ;
2° l'attestation d'un préposé de la voie navigable certifiant que le bateau a terminé son voyage à l'endroit indiqué comme nouvelle destination;
3° s'il s'agit d'un bateau chargé, l'ordre écrit du maître de la cargaison, indiquant la nouvelle destination.
La décision de remboursement ne peut être prise que par le chef du Service d'Exploitation des Voies navigables. Elle est notifiée à l'intéressé et sa quittance lui est renvoyée en même temps.
Art. 87. (WAALSE GEWEST)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Op de waterwegen onder beheer van de Staat worden de scheepvaartrechten in eens voor het geheel van elke reis betaald, onverminderd de bijkomende rechten die eventueel worden geheven wanneer daarbij gevaren wordt over waterwegen onder beheer van particuliere instellingen.
De rechten worden betaald op het dichtstbijgelegen ontvangkantoor, vóór de afvaart, dan wel op het eerste ontvangkantoor dat tijdens de reis wordt ontmoet. Geschiedt de gehele reis tussen twee ontvangkantoren, dan moeten de rechten op het ene of op het andere kantoor worden betaald vóór de afvaart.
Om de betaling op het ontvangkantoor te verrichten, is de schipper gehouden zich daar aan te melden, voorzien van de meetbrief van zijn vaartuig en van het cognossement betreffende de lading. Vervoert hij verscheidene partijen goederen van verschillende aard, of voorziet hij gedeeltelijke lossingen in de loop van de reis, dan moet de schipper een cognossement voor elke partij voorleggen.
§ 2. Het kantoor waar de schipper de rechten betaalt, geeft hem daarvan kwitantie en reikt hem tevens een vaarvergunning uit.
Deze stukken moeten, samen met het cognossement en de meetbrief van het vaartuig, vertoond worden op de eerste aanzegging van het toezichtspersoneel der scheepvaartwegen, alsmede op de ontvang- of controlekantoren waar het vaartuig voorbij vaart.
De vaarvergunning en de kwitantie moeten op het laatste ontvangkantoor van de Staat, dat op de reis wordt ontmoet, overhandigd worden om daar te worden gecontroleerd. De ontvanger houdt de vergunning; hij ondertekent de kwitantie en geeft ze aan de schipper terug, die ze bewaart om zich in geval van betwisting te verantwoorden.
§ 3. De controle bij de aankomst moet het mogelijk maken de betaalde scheepvaartrechten eventueel aan te passen.
Wijst de controle uit dat er te weinig is betaald, dan wordt het alsnog verschuldigde recht geïnd door de ontvanger, die een aanvullende kwitantie afgeeft.
Wijst de controle uit dat er te veel is betaald en bedraagt het verschil meer dan tien frank, dan kan de rechthebbende, eigenaar of schipper, de terugbetaling ervan eisen, mits hij op het ontvangkantoor een terugbetalingsaanvraag indient, eventueel samen met de bewijsstukken.
Steunt de aanvraag op een verandering van de bestemming van het vaartuig in de loop van de reis, dan moeten de bewijsstukken noodzakelijk omvatten :
1° de kwitantie van de op het vertrekkantoor betaalde scheepvaartrechten;
2° de verklaring van een beambte van de waterweg, dat het vaartuig zijn reis heeft beëindigd op de als nieuwe bestemming aangegeven plaats;
3° voor een geladen vaartuig, de schriftelijke order van de eigenaar van de lading, waarin de nieuwe bestemming wordt aangegeven.
De beslissing tot terugbetaling kan alleen door het hoofd van de Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen worden genomen. Ze wordt schriftelijk aan de belanghebbende medegedeeld en tegelijkertijd wordt hem zijn kwitantie teruggestuurd.
(§ 4. Deze bepaling is niet meer van toepassing op de in het Waalse Gewest gelegen bevaarbare waterlopen.)
<KB 05-05-1975, art. 2> § 1. Op de waterwegen onder beheer van de Staat worden de scheepvaartrechten in eens voor het geheel van elke reis betaald, onverminderd de bijkomende rechten die eventueel worden geheven wanneer daarbij gevaren wordt over waterwegen onder beheer van particuliere instellingen.
De rechten worden betaald op het dichtstbijgelegen ontvangkantoor, vóór de afvaart, dan wel op het eerste ontvangkantoor dat tijdens de reis wordt ontmoet. Geschiedt de gehele reis tussen twee ontvangkantoren, dan moeten de rechten op het ene of op het andere kantoor worden betaald vóór de afvaart.
Om de betaling op het ontvangkantoor te verrichten, is de schipper gehouden zich daar aan te melden, voorzien van de meetbrief van zijn vaartuig en van het cognossement betreffende de lading. Vervoert hij verscheidene partijen goederen van verschillende aard, of voorziet hij gedeeltelijke lossingen in de loop van de reis, dan moet de schipper een cognossement voor elke partij voorleggen.
§ 2. Het kantoor waar de schipper de rechten betaalt, geeft hem daarvan kwitantie en reikt hem tevens een vaarvergunning uit.
Deze stukken moeten, samen met het cognossement en de meetbrief van het vaartuig, vertoond worden op de eerste aanzegging van het toezichtspersoneel der scheepvaartwegen, alsmede op de ontvang- of controlekantoren waar het vaartuig voorbij vaart.
De vaarvergunning en de kwitantie moeten op het laatste ontvangkantoor van de Staat, dat op de reis wordt ontmoet, overhandigd worden om daar te worden gecontroleerd. De ontvanger houdt de vergunning; hij ondertekent de kwitantie en geeft ze aan de schipper terug, die ze bewaart om zich in geval van betwisting te verantwoorden.
§ 3. De controle bij de aankomst moet het mogelijk maken de betaalde scheepvaartrechten eventueel aan te passen.
Wijst de controle uit dat er te weinig is betaald, dan wordt het alsnog verschuldigde recht geïnd door de ontvanger, die een aanvullende kwitantie afgeeft.
Wijst de controle uit dat er te veel is betaald en bedraagt het verschil meer dan tien frank, dan kan de rechthebbende, eigenaar of schipper, de terugbetaling ervan eisen, mits hij op het ontvangkantoor een terugbetalingsaanvraag indient, eventueel samen met de bewijsstukken.
Steunt de aanvraag op een verandering van de bestemming van het vaartuig in de loop van de reis, dan moeten de bewijsstukken noodzakelijk omvatten :
1° de kwitantie van de op het vertrekkantoor betaalde scheepvaartrechten;
2° de verklaring van een beambte van de waterweg, dat het vaartuig zijn reis heeft beëindigd op de als nieuwe bestemming aangegeven plaats;
3° voor een geladen vaartuig, de schriftelijke order van de eigenaar van de lading, waarin de nieuwe bestemming wordt aangegeven.
De beslissing tot terugbetaling kan alleen door het hoofd van de Exploitatiedienst der Scheepvaartwegen worden genomen. Ze wordt schriftelijk aan de belanghebbende medegedeeld en tegelijkertijd wordt hem zijn kwitantie teruggestuurd.
(§ 4. Deze bepaling is niet meer van toepassing op de in het Waalse Gewest gelegen bevaarbare waterlopen.)
Art. 87. (REGION WALLONNE)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Sur les voies navigables gérées par l'Etat, les droits de navigation sont payés en une fois pour l'entièreté de chaque voyage, sans préjudice des droits supplémentaires qui sont éventuellement perçus au passage sur les voies navigables gérées par des organismes particuliers.
Le paiement des droits se fait soit au bureau de perception le plus proche avant la mise en marche du bateau, soit au premier bureau de perception rencontré en cours de route. Si le voyage doit s'effectuer entièrement entre deux bureaux de perception, le paiement doit se faire à l'un ou l'autre, avant le départ du bateau.
Pour effectuer le paiement au bureau de perception, le patron est tenu de s'y présenter muni du carnet de jaugeage de son bateau et du connaissement relatif à la cargaison. S'il transporte plusieurs lots de marchandises de nature différente ou s'il prévoit des déchargements partiels au cours du voyage, le patron doit présenter un connaissement pour chaque lot.
§ 2. Le bureau auquel le patron paie les droits lui en donne quittance et lui délivre en même temps un permis de circulation.
Ces documents doivent être présentés, avec le connaissement et le certificat de jaugeage du bateau, à toute réquisition du personnel de surveillance des voies navigables et aux bureaux de perception ou de contrôle devant lesquels passe le bateau.
Le permis de circulation et la quittance doivent être remis au dernier bureau de perception de l'Etat rencontré au cours du voyage pour y être contrôlés. Le receveur retient le permis; il signe la quittance et la rend au patron qui la garde pour se justifier en cas de contestation.
§ 3. Le contrôle à l'arrivée doit permettre un ajustement éventuel des droits de navigation.
Si le contrôle révèle qu'il a été trop peu perçu, le droit restant dû est perçu par le receveur qui délivre une quittance complémentaire.
Si le contrôle révèle qu'il a été trop perçu et que la différence s'élève à plus de dix francs, l'ayant droit, propriétaire ou patron, peut en réclamer la restitution en introduisant au bureau de perception une demande de remboursement, éventuellement accompagnée des pièces justificatives.
Lorsque la demande est fondée sur un changement de destination du bateau en cours de voyage, les pièces justificatives comprennent nécessairement :
1° la quittance des droits de navigation perçus au bureau de départ;
2° l'attestation d'un préposé de la voie navigable certifiant que le bateau a terminé son voyage à l'endroit indiqué comme nouvelle destination;
3° s'il s'agit d'un bateau chargé, l'ordre écrit du maître de la cargaison, indiquant la nouvelle destination.
La décision de remboursement ne peut être prise que par le chef du Service d'Exploitation des Voies navigables. Elle est notifiée à l'intéressé et sa quittance lui est renvoyée en même temps.
(§ 4. La présente disposition n'est plus applicable aux voies navigables situées en Région wallonne.)
<AR 05-05-1975, art. 2> § 1. Sur les voies navigables gérées par l'Etat, les droits de navigation sont payés en une fois pour l'entièreté de chaque voyage, sans préjudice des droits supplémentaires qui sont éventuellement perçus au passage sur les voies navigables gérées par des organismes particuliers.
Le paiement des droits se fait soit au bureau de perception le plus proche avant la mise en marche du bateau, soit au premier bureau de perception rencontré en cours de route. Si le voyage doit s'effectuer entièrement entre deux bureaux de perception, le paiement doit se faire à l'un ou l'autre, avant le départ du bateau.
Pour effectuer le paiement au bureau de perception, le patron est tenu de s'y présenter muni du carnet de jaugeage de son bateau et du connaissement relatif à la cargaison. S'il transporte plusieurs lots de marchandises de nature différente ou s'il prévoit des déchargements partiels au cours du voyage, le patron doit présenter un connaissement pour chaque lot.
§ 2. Le bureau auquel le patron paie les droits lui en donne quittance et lui délivre en même temps un permis de circulation.
Ces documents doivent être présentés, avec le connaissement et le certificat de jaugeage du bateau, à toute réquisition du personnel de surveillance des voies navigables et aux bureaux de perception ou de contrôle devant lesquels passe le bateau.
Le permis de circulation et la quittance doivent être remis au dernier bureau de perception de l'Etat rencontré au cours du voyage pour y être contrôlés. Le receveur retient le permis; il signe la quittance et la rend au patron qui la garde pour se justifier en cas de contestation.
§ 3. Le contrôle à l'arrivée doit permettre un ajustement éventuel des droits de navigation.
Si le contrôle révèle qu'il a été trop peu perçu, le droit restant dû est perçu par le receveur qui délivre une quittance complémentaire.
Si le contrôle révèle qu'il a été trop perçu et que la différence s'élève à plus de dix francs, l'ayant droit, propriétaire ou patron, peut en réclamer la restitution en introduisant au bureau de perception une demande de remboursement, éventuellement accompagnée des pièces justificatives.
Lorsque la demande est fondée sur un changement de destination du bateau en cours de voyage, les pièces justificatives comprennent nécessairement :
1° la quittance des droits de navigation perçus au bureau de départ;
2° l'attestation d'un préposé de la voie navigable certifiant que le bateau a terminé son voyage à l'endroit indiqué comme nouvelle destination;
3° s'il s'agit d'un bateau chargé, l'ordre écrit du maître de la cargaison, indiquant la nouvelle destination.
La décision de remboursement ne peut être prise que par le chef du Service d'Exploitation des Voies navigables. Elle est notifiée à l'intéressé et sa quittance lui est renvoyée en même temps.
(§ 4. La présente disposition n'est plus applicable aux voies navigables situées en Région wallonne.)
Art.88. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 05-05-1975, art. 2> 1. Geen scheepvaartrechten zijn verschuldigd voor :
a) legervaartuigen of door het leger voor zijn operaties en vervoer gebruikte vaartuigen, alsmede alle andere vaartuigen van de Staat die onder nationale vlag varen;
b) ledige en geladen lichters van vaartuigen die een deel van hun lading hebben moeten lossen, hetzij wegens een vermindering van de vastgestelde diepgang, hetzij uit enige andere toevallige oorzaak, als averij, enz.; de rechten zijn verschuldigd voor de totale lading van het vaartuig, het geloste deel inbegrepen;
c) vaartuigen bestemd voor de dienst der waterwegen, die op schriftelijk bevel van een beambte van het bestuur in de vaart gebracht worden;
d) voor zover de tonnemaat minder dan drie ton bedraagt, de plezierboten met of zonder motor, en de bootjes zonder motor;
e) ijsbrekers;
f) vaartuigen die ingevolge artikel 47 van dit reglement verhaald worden en die later, wanneer de oorzaak van de verplaatsing opgehouden heeft, naar hun eerste ligplaats terugkeren. Om deze vrijstelling te genieten, moeten de schippers voorzien zijn van een verklaring, opgesteld naar het bij dit reglement behorende model en ondertekend door de conducteur van bruggen en wegen van het gebied of door een met het toezicht op de waterwegen belaste beambte;
g) vaartuigen die door de aannemers worden gebruikt, hetzij voor de uitvoering van werkzaamheden tot onderhoud of verbetering van de waterwegen, hetzij voor vervoer in verband met deze werkzaamheden, voor zover die vaartuigen zich binnen de grenzen van de aanneming verplaatsen;
h) opduwers met een vermogen beneden 10 paardekracht, op voorwaarde dat ze de schipper of de redereigenaar van het geduwde vaartuig toebehoren en geen vaste bemanning hebben.
2. De schipper van een vaartuig dat in een van de hierboven vermelde uitzonderingsgevallen verkeert, moet zich bij het vertrek voorzien van een vaarvergunning, die hem kosteloos wordt uitgereikt.
<KB 05-05-1975, art. 2> 1. Geen scheepvaartrechten zijn verschuldigd voor :
a) legervaartuigen of door het leger voor zijn operaties en vervoer gebruikte vaartuigen, alsmede alle andere vaartuigen van de Staat die onder nationale vlag varen;
b) ledige en geladen lichters van vaartuigen die een deel van hun lading hebben moeten lossen, hetzij wegens een vermindering van de vastgestelde diepgang, hetzij uit enige andere toevallige oorzaak, als averij, enz.; de rechten zijn verschuldigd voor de totale lading van het vaartuig, het geloste deel inbegrepen;
c) vaartuigen bestemd voor de dienst der waterwegen, die op schriftelijk bevel van een beambte van het bestuur in de vaart gebracht worden;
d) voor zover de tonnemaat minder dan drie ton bedraagt, de plezierboten met of zonder motor, en de bootjes zonder motor;
e) ijsbrekers;
f) vaartuigen die ingevolge artikel 47 van dit reglement verhaald worden en die later, wanneer de oorzaak van de verplaatsing opgehouden heeft, naar hun eerste ligplaats terugkeren. Om deze vrijstelling te genieten, moeten de schippers voorzien zijn van een verklaring, opgesteld naar het bij dit reglement behorende model en ondertekend door de conducteur van bruggen en wegen van het gebied of door een met het toezicht op de waterwegen belaste beambte;
g) vaartuigen die door de aannemers worden gebruikt, hetzij voor de uitvoering van werkzaamheden tot onderhoud of verbetering van de waterwegen, hetzij voor vervoer in verband met deze werkzaamheden, voor zover die vaartuigen zich binnen de grenzen van de aanneming verplaatsen;
h) opduwers met een vermogen beneden 10 paardekracht, op voorwaarde dat ze de schipper of de redereigenaar van het geduwde vaartuig toebehoren en geen vaste bemanning hebben.
2. De schipper van een vaartuig dat in een van de hierboven vermelde uitzonderingsgevallen verkeert, moet zich bij het vertrek voorzien van een vaarvergunning, die hem kosteloos wordt uitgereikt.
Art.88. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 05-05-1975, art. 2> 1. Sont exempts des droits de navigation :
a) les embarcations appartenant à l'armée ou servant à ses opérations et transports, ainsi que toutes autres embarcations de l'Etat naviguant sous le pavillon national;
b) les allèges à vide et à charge, des bateaux ayant dû décharger une partie de leur cargaison par suite d'une réduction du tirant d'eau réglementaire, ou pour toute autre cause accidentelle, telles qu'avaries, etc.; le droit est dû pour le total du chargement du bateau avec son allègement;
c) les embarcations destinées au service des voies navigables et mises en circulation sur l'ordre écrit d'un agent de l'administration;
d) pour autant que le tonnage soit inférieur à trois tonnes, les embarcations de plaisance avec ou sans moteur et les barquettes sans moteur;
e) les brises-glaces;
f) les bateaux qui, en vertu de l'article 47 du présent règlement, se déplacent et reviennent ensuite à leur point de départ lorsque la cause qui a nécessité leur déplacement a cessé d'exister. Pour jouir de cette exemption, les patrons doivent être munis d'une déclaration rédigée conformément au modèle annexé au présent règlement et signée par le conducteur des ponts et chaussées du ressort ou par un agent préposé à la police de la voie navigable;
g) les bateaux employés par les entrepreneurs, soit à l'exécution de travaux d'entretien ou d'amélioration des voies navigables, soit aux transports relatifs à ces travaux, pour tout déplacement s'opérant dans les limites de l'entreprise;
h) les chaloupes de propulsion d'une puissance inférieure à 10 chevaux-vapeur, à condition qu'elles appartiennent au batelier ou armateur propriétaire du bâtiment propulsé et qu'elles ne soient pas munies d'un équipage permanent.
2. Le patron d'un bateau qui se trouve dans un de ces cas d'exception mentionnés ci-dessus, se munit au départ d'un permis de circulation qui lui est remis gratuitement.
<AR 05-05-1975, art. 2> 1. Sont exempts des droits de navigation :
a) les embarcations appartenant à l'armée ou servant à ses opérations et transports, ainsi que toutes autres embarcations de l'Etat naviguant sous le pavillon national;
b) les allèges à vide et à charge, des bateaux ayant dû décharger une partie de leur cargaison par suite d'une réduction du tirant d'eau réglementaire, ou pour toute autre cause accidentelle, telles qu'avaries, etc.; le droit est dû pour le total du chargement du bateau avec son allègement;
c) les embarcations destinées au service des voies navigables et mises en circulation sur l'ordre écrit d'un agent de l'administration;
d) pour autant que le tonnage soit inférieur à trois tonnes, les embarcations de plaisance avec ou sans moteur et les barquettes sans moteur;
e) les brises-glaces;
f) les bateaux qui, en vertu de l'article 47 du présent règlement, se déplacent et reviennent ensuite à leur point de départ lorsque la cause qui a nécessité leur déplacement a cessé d'exister. Pour jouir de cette exemption, les patrons doivent être munis d'une déclaration rédigée conformément au modèle annexé au présent règlement et signée par le conducteur des ponts et chaussées du ressort ou par un agent préposé à la police de la voie navigable;
g) les bateaux employés par les entrepreneurs, soit à l'exécution de travaux d'entretien ou d'amélioration des voies navigables, soit aux transports relatifs à ces travaux, pour tout déplacement s'opérant dans les limites de l'entreprise;
h) les chaloupes de propulsion d'une puissance inférieure à 10 chevaux-vapeur, à condition qu'elles appartiennent au batelier ou armateur propriétaire du bâtiment propulsé et qu'elles ne soient pas munies d'un équipage permanent.
2. Le patron d'un bateau qui se trouve dans un de ces cas d'exception mentionnés ci-dessus, se munit au départ d'un permis de circulation qui lui est remis gratuitement.
Hoofdstuk III. - Afgifte van de vaarvergunning.
CHAPITRE III. - Emission du permis de circulation.
Art. 88bis. (WAALSE GEWEST) <INGEVOEGD voor het Waalse Gewest bij DWG 2006-02-23/34, art. 43; Inwerkingtreding : 07-03-2006> § 1. Elke schipper moet de noodzakelijke gegevens voor de afgifte van de vergunning aan de beheerder overmaken, die daarvan de lijst opmaakt.
§ 2. Het afgeven gebeurt hetzij vóór, hetzij tijdens de reis.
In het eerste geval gebeurt het hetzij door het kantoor dat het dichtst bij het afvaartpunt van het schip ligt, hetzij d.m.v. een gelijkwaardig systeem. In het tweede geval gebeurt het op het eerste kantoor dat het schip onderweg tegenkomt.
De lijst van de kantoren die de vaarvergunning verstrekken en het of de gelijkwaardige systemen worden opgemaakt door de beheerder.
§ 3. De vergunning wordt geacht gehouden te zijn door de schipper zodra hij het door het kantoor toegekende officiële reisnummer heeft ontvangen.
§ 4. Elke schipper is verplicht de beheerder, d.m.v. door laatstgenoemde vastgestelde middelen, elke wijziging mee te delen van de gegevens die staan vermeld op de in § 1 bedoelde lijst.
§ 5. Het cognossement en de meetbrief alsook het meegedeelde officiële reisnummer moeten voorgelegd worden bij elke aanzegging van het door de beheerder aangewezen toezichtspersoneel.
§ 2. Het afgeven gebeurt hetzij vóór, hetzij tijdens de reis.
In het eerste geval gebeurt het hetzij door het kantoor dat het dichtst bij het afvaartpunt van het schip ligt, hetzij d.m.v. een gelijkwaardig systeem. In het tweede geval gebeurt het op het eerste kantoor dat het schip onderweg tegenkomt.
De lijst van de kantoren die de vaarvergunning verstrekken en het of de gelijkwaardige systemen worden opgemaakt door de beheerder.
§ 3. De vergunning wordt geacht gehouden te zijn door de schipper zodra hij het door het kantoor toegekende officiële reisnummer heeft ontvangen.
§ 4. Elke schipper is verplicht de beheerder, d.m.v. door laatstgenoemde vastgestelde middelen, elke wijziging mee te delen van de gegevens die staan vermeld op de in § 1 bedoelde lijst.
§ 5. Het cognossement en de meetbrief alsook het meegedeelde officiële reisnummer moeten voorgelegd worden bij elke aanzegging van het door de beheerder aangewezen toezichtspersoneel.
Art. 88bis. (REGION WALLONNE) § 1er. Tout patron est tenu de communiquer les renseignements nécessaires à l'émission du permis de circulation au gestionnaire qui en établit la liste.
§ 2. L'émission peut se faire soit préalablement au voyage, soit en cours de route.
Dans le premier cas, elle se fait soit par le bureau le plus proche du point de départ du bateau, soit grâce à un système équivalent. Dans le deuxième cas, elle se fait au premier bureau rencontré en cours de route.
La liste des bureaux d'émission du permis de circulation et le(s) système(s) équivalent(s) sont établis par le gestionnaire.
§ 3. Le permis est réputé détenu par le patron dès que celui-ci a obtenu le numéro officiel de voyage établi par le bureau.
§ 4. Tout patron est tenu de communiquer au gestionnaire, par les moyens établis par celui-ci, toute modification des données reprises sur la liste mentionnée au § 1er.
§ 5. Le connaissement et le certificat de jaugeage doivent être présentés et le numéro de voyage officiel communiqué à toute réquisition du personnel de surveillance désigné par le gestionnaire.
§ 2. L'émission peut se faire soit préalablement au voyage, soit en cours de route.
Dans le premier cas, elle se fait soit par le bureau le plus proche du point de départ du bateau, soit grâce à un système équivalent. Dans le deuxième cas, elle se fait au premier bureau rencontré en cours de route.
La liste des bureaux d'émission du permis de circulation et le(s) système(s) équivalent(s) sont établis par le gestionnaire.
§ 3. Le permis est réputé détenu par le patron dès que celui-ci a obtenu le numéro officiel de voyage établi par le bureau.
§ 4. Tout patron est tenu de communiquer au gestionnaire, par les moyens établis par celui-ci, toute modification des données reprises sur la liste mentionnée au § 1er.
§ 5. Le connaissement et le certificat de jaugeage doivent être présentés et le numéro de voyage officiel communiqué à toute réquisition du personnel de surveillance désigné par le gestionnaire.
TITEL III. - INSTANDHOUDING DER BEVAARBARE WATERWEGEN EN HUNNER AANHOORIGHEDEN.
TITRE III. - DE LA CONSERVATION DES VOIES NAVIGABLES ET DE LEURS DEPENDANCES.
Art.89. (Op de langs bevaarbare en vlotbare rivieren gelegen gronden die met dienstbaarheid van jaag- en voetpad bezwaard zijn, mogen door de particulieren geen werken of beplantingen uitgevoerd worden binnen de grenzen respectievelijk vast gesteld in artikel 7 (De eigenaars van erven, palende aan de bevaarbare rivieren zullen langs de boorden ten minste vier en twintig voet (7m80) breedte vrij laten voor koninklijke weg en paardetreinen, zonder dat zij bomen planten, noch afsluiting of haag aanbrengen mogen op minder dan dertig voet (9m75) aan de kant waar de schepen voortgetrokken worden en op minder dan tien voet (3m25) aan de andere boord, op straffe van 500 pond boete, verbeurdverklaring der bomen en dat zij, de overtreders er toe verplicht worden de wegen te herstellen en opnieuw in staat te brengen, op hun kosten. De Fransche voet bedraagt 0m3248394. De boete van 500 pond is verminderd tot 200 frank bij artikel 2 van de wet van 1 mei 1849.) van titel XXVIII van de verordening van 13 augustus 1669 en bij het koninklijk besluit van 4 november 1920, gewijzigd door het koninklijk besluit van 12 november 1934 en door het besluit van de Regent van 13 mei 1946, zonder dat daartoe vooraf de machtiging werd bekomen van het Ministerie van Openbare Werken. Deze machtiging doet geen afbreuk aan de rechten van de Staat zoals deze rechten uit voormelde verordening voortvloeien; ze wordt steeds onder een onbestendige titel verleend en is steeds herroepelijk.)
De eigennaars van gronden, langs andere waterwegen of hun aanhoorigheden gelegen, mogen niet bouwen of planten vooraleer zij de grens van het openbaar domein ten overstaan van beide partijen hebben doen vaststellen.
Zij moeten de voorgeschreven rooilijnen volgen, welk door de agenten van het bestuur getrokken zijn.
Zonder bijzondere toelating, mag het planten enkel geschieden op 2 meter van de grens van het openbaar domein voor hoogstammige boomen, en op een halven meter voor andere boomen en levende hagen.
De eigenaars en huurders van goederen langs bevaarbare rivieren, plaatsen en onderhouden in goeden staat, over de grachten, kreken en afvoer- of bevloeiingsgreppels, die voor hen gemaakt zijn en in die rivieren uitloopen, voetbrugjes van behoorlijke breedte, minstens 45 entimeter, opdat het jaagpad onafgebroken zou doorlopen; deze brugjes hebben aan de landzijde een wit geschilderde leuning.
De eigennaars van gronden, langs andere waterwegen of hun aanhoorigheden gelegen, mogen niet bouwen of planten vooraleer zij de grens van het openbaar domein ten overstaan van beide partijen hebben doen vaststellen.
Zij moeten de voorgeschreven rooilijnen volgen, welk door de agenten van het bestuur getrokken zijn.
Zonder bijzondere toelating, mag het planten enkel geschieden op 2 meter van de grens van het openbaar domein voor hoogstammige boomen, en op een halven meter voor andere boomen en levende hagen.
De eigenaars en huurders van goederen langs bevaarbare rivieren, plaatsen en onderhouden in goeden staat, over de grachten, kreken en afvoer- of bevloeiingsgreppels, die voor hen gemaakt zijn en in die rivieren uitloopen, voetbrugjes van behoorlijke breedte, minstens 45 entimeter, opdat het jaagpad onafgebroken zou doorlopen; deze brugjes hebben aan de landzijde een wit geschilderde leuning.
Art.89. (Sur les terrains grevés de la servitude de halage le long des rivières navigables et flottables, les particuliers ne peuvent exécuter d'ouvrages, ni faire des plantation entre les limites fixées respectivement à l'article 7 (Les propriétaires des héritages aboutissant aux rivières navigables laisseront le long des bords vingt-quatre pieds (7 m. 80) au moins de place en largeur pour chemin royal et trait des chevaux, sans qu'ils puissent planter arbres ni tenir clôture ou haie plus près que trente pieds (9 m. 75) du côté que les bateaux se tirent et dix pieds (3 m. 25) de l'autre bord, a peine de 500 livres d'amende, confiscation des arbres, et d'être les contrevenants, contraints à réparer et remettre les chemins en état à leurs frais. Le pieds français vaut 0 m. 3248394. La peine de 500 livres est réduite à 200 francs par l'article 2 de la loi du 1 mai 1849.) du titre XXVIII de l'ordonnance du 13 août 1669 et par l'arrêté royal du 4 novembre 1920, modifié par l'arrêté royal du 12 novembre 1934 et par l'Arrêté du Régent du 13 mai 1946 sans avoir obtenu l'autorisation préalable du ministère des travaux publics. Cette autorisation ne porte aucun préjudice aux droits de l'Etat tels qu'ils découlent de l'ordonnance précitée; elle n'est délivrée qu'à titre précaire et est toujours révocable.)
Les propriétaires de terrains situés le long des autres voies navigables ou de leurs dépendances ne peuvent élever des constructions ou faire des plantations avant d'avoir fait tracer contradictoirement la limite du domaine public.
Ils sont tenus de suivre les alignements décrétés qui sont tracés par les agents de l'administration.
Les plantations ne peuvent, à moins d'une autorisation spéciale, être faites qu'à une distance de 2 mètres de la limite du domaine public pour les arbres à haute tige et à la distance d'un demi-mètre pour les autres arbres et les haies vives.
Les propriétaires et les locataires des biens bordant les rivières navigables placent et entretiennent en bon état sur les fossés, criques, canaux d'évacuation ou d'irrigation établis à leur profit et qui débouchent dans ces rivières, des passerelles d'une largeur suffisante et de 45 centimètres au moins pour assurer la continuité du halage; ces passerelles doivent être munies, du côté opposé à la rivière, d'un garde-corps peint en blanc.
Les propriétaires de terrains situés le long des autres voies navigables ou de leurs dépendances ne peuvent élever des constructions ou faire des plantations avant d'avoir fait tracer contradictoirement la limite du domaine public.
Ils sont tenus de suivre les alignements décrétés qui sont tracés par les agents de l'administration.
Les plantations ne peuvent, à moins d'une autorisation spéciale, être faites qu'à une distance de 2 mètres de la limite du domaine public pour les arbres à haute tige et à la distance d'un demi-mètre pour les autres arbres et les haies vives.
Les propriétaires et les locataires des biens bordant les rivières navigables placent et entretiennent en bon état sur les fossés, criques, canaux d'évacuation ou d'irrigation établis à leur profit et qui débouchent dans ces rivières, des passerelles d'une largeur suffisante et de 45 centimètres au moins pour assurer la continuité du halage; ces passerelles doivent être munies, du côté opposé à la rivière, d'un garde-corps peint en blanc.
Art. 89. (VLAAMSE GEWEST)
[1 Langs bevaarbare waterwegen die met een erfdienstbaarheid van jaag- en voetpad zijn bezwaard, mogen door anderen dan de waterbeheerder geen handelingen of beplantingen uitgevoerd worden, zonder dat daartoe vooraf de machtiging werd verkregen van de waterbeheerder. Als de waterbeheerder over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsaanvraag een gunstig advies uitbrengt, wordt dat beschouwd als een toegestane machtiging. De waterbeheerder kan deze machtiging op elk ogenblik geheel of gedeeltelijk intrekken.]1
[1 Langs bevaarbare waterwegen die met een erfdienstbaarheid van jaag- en voetpad zijn bezwaard, mogen door anderen dan de waterbeheerder geen handelingen of beplantingen uitgevoerd worden, zonder dat daartoe vooraf de machtiging werd verkregen van de waterbeheerder. Als de waterbeheerder over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsaanvraag een gunstig advies uitbrengt, wordt dat beschouwd als een toegestane machtiging. De waterbeheerder kan deze machtiging op elk ogenblik geheel of gedeeltelijk intrekken.]1
Art. 89. (REGION FLAMANDE)
[1 Le long des voies navigables grevées de la servitude de halage, aucun acte ou aucune plantation ne peuvent être effectués par d'autres que le gestionnaire des eaux, sans que celui-ci n'ait donné son autorisation préalable. Lorsque le gestionnaire des eaux émet un avis favorable sur une demande d'autorisation urbanistique ou une demande de permis de lotir, ceci est considéré comme une autorisation accordée. Le gestionnaire des eaux peut à tout moment retirer en partie ou en entier cette autorisation.]1
[1 Le long des voies navigables grevées de la servitude de halage, aucun acte ou aucune plantation ne peuvent être effectués par d'autres que le gestionnaire des eaux, sans que celui-ci n'ait donné son autorisation préalable. Lorsque le gestionnaire des eaux émet un avis favorable sur une demande d'autorisation urbanistique ou une demande de permis de lotir, ceci est considéré comme une autorisation accordée. Le gestionnaire des eaux peut à tout moment retirer en partie ou en entier cette autorisation.]1
Wijzigingen
Art.90. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Het is verboden, zonder bijzondere toelating eenig werk uit te voeren, beplantingen aan te brengen, iets te graven of iets te storten, in het bed der waterwegen, op hun oevers en andere aanhoorigheden.
Het stapelen van koopwaren mag tijdelijk en voor korten duur op de aanhorigheden der waterwegen toegelaten worden, mits behoorlijke en beperkende vergunning van den hoofdingenieur-directeur van het ressort.
Het is in alle geval verboden op de kaaien en oevers eenige belemmeringen te veroorzaken voor het verkeer op het jaagpad en op het voetpad.
Het is verboden, zonder bijzondere toelating eenig werk uit te voeren, beplantingen aan te brengen, iets te graven of iets te storten, in het bed der waterwegen, op hun oevers en andere aanhoorigheden.
Het stapelen van koopwaren mag tijdelijk en voor korten duur op de aanhorigheden der waterwegen toegelaten worden, mits behoorlijke en beperkende vergunning van den hoofdingenieur-directeur van het ressort.
Het is in alle geval verboden op de kaaien en oevers eenige belemmeringen te veroorzaken voor het verkeer op het jaagpad en op het voetpad.
Art.90. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Il est défendu, à moins d'une autorisation spéciale, d'exécuter aucun ouvrage, de faire aucune plantation, d'opérer aucune fouille ou extraction quelconque et de faire aucun dépôt dans le lit des voies navigables, sur les berges et autres dépendances.
Des dépôts de marchandises peuvent, temporairement et pour courte durée, être tolérés sur les dépendances des voies navigables, moyennant une autorisation en due forme et limitative délivrée par l'ingénieur en chef directeur du ressort.
Dans tous les cas, il est interdit d'embarrasser les quais et rivages de toute entrave quelconque pour la circulation dans l'espace réservé au halage et au marchepied.
Il est défendu, à moins d'une autorisation spéciale, d'exécuter aucun ouvrage, de faire aucune plantation, d'opérer aucune fouille ou extraction quelconque et de faire aucun dépôt dans le lit des voies navigables, sur les berges et autres dépendances.
Des dépôts de marchandises peuvent, temporairement et pour courte durée, être tolérés sur les dépendances des voies navigables, moyennant une autorisation en due forme et limitative délivrée par l'ingénieur en chef directeur du ressort.
Dans tous les cas, il est interdit d'embarrasser les quais et rivages de toute entrave quelconque pour la circulation dans l'espace réservé au halage et au marchepied.
Art.91. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Het is verboden :
1° Rechtstreeks of onrechtstreeks het water af te leiden van de waterwegen en de waterloopen die er mede in vrije gemeenschap zijn;
2° Het bed of de aanhorigheden der waterwegen op eenige wijze te beschadigen;
3° In het bed van het waterweg, in de grachten of greppels die er van afhangen, iets te werpen, te laten vlotten of afloopen dat den bodem zou kunnen verhoogen, de scheepvaart belemmeren, den vrijen waterafvoer hinderen of het water bederven;
4° Het verkeer op de jaagpaden, dijken of vrije oevers eenigerwijze te hinderen, en touwen vast te maken aan boomen, leuningen, palen der electrische lijnen, kilometerpalen, enz.
Het is verboden :
1° Rechtstreeks of onrechtstreeks het water af te leiden van de waterwegen en de waterloopen die er mede in vrije gemeenschap zijn;
2° Het bed of de aanhorigheden der waterwegen op eenige wijze te beschadigen;
3° In het bed van het waterweg, in de grachten of greppels die er van afhangen, iets te werpen, te laten vlotten of afloopen dat den bodem zou kunnen verhoogen, de scheepvaart belemmeren, den vrijen waterafvoer hinderen of het water bederven;
4° Het verkeer op de jaagpaden, dijken of vrije oevers eenigerwijze te hinderen, en touwen vast te maken aan boomen, leuningen, palen der electrische lijnen, kilometerpalen, enz.
Art.91. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Il est défendu :
1° De détourner directement ou indirectement l'eau des voies navigables et des canaux qui sont en libre communication avec elles;
2° De dégrader ou d'endommager d'une manière quelconque le lit des voies navigables ou leurs dépendances;
3° De jeter, laisser flotter ou couler dans le lit des voies navigables, dans les fossés et rigoles qui en dépendent, aucun objet qui puisse en relever le fond, gêner la navigation ou porter obstacle au libre écoulement des eaux; aucune matière qui puisse altérer celles-ci;
4° D'entraver d'une manière quelconque la circulation sur les chemins de halage, digues ou francs-bords, et d'attacher des cordages aux arbres, aux garde-corps, aux poteaux des lignes électriques, aux bornes kilométriques, etc.
Il est défendu :
1° De détourner directement ou indirectement l'eau des voies navigables et des canaux qui sont en libre communication avec elles;
2° De dégrader ou d'endommager d'une manière quelconque le lit des voies navigables ou leurs dépendances;
3° De jeter, laisser flotter ou couler dans le lit des voies navigables, dans les fossés et rigoles qui en dépendent, aucun objet qui puisse en relever le fond, gêner la navigation ou porter obstacle au libre écoulement des eaux; aucune matière qui puisse altérer celles-ci;
4° D'entraver d'une manière quelconque la circulation sur les chemins de halage, digues ou francs-bords, et d'attacher des cordages aux arbres, aux garde-corps, aux poteaux des lignes électriques, aux bornes kilométriques, etc.
Art.92. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
De visschers mogen de scheepvaart hoegenaamd niet hinderen; wanneer ze ophouden te visschen, moet zij de palen en staken, waaraan hun netten vastgemaakt waren, wegnemen.
De visschers mogen de scheepvaart hoegenaamd niet hinderen; wanneer ze ophouden te visschen, moet zij de palen en staken, waaraan hun netten vastgemaakt waren, wegnemen.
Art.92. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Les pêcheurs ne peuvent en rien gêner la navigation; leur pêche terminée, ils doivent enlever les pieux et piquets auxquels étaient fixés les filets.
Les pêcheurs ne peuvent en rien gêner la navigation; leur pêche terminée, ils doivent enlever les pieux et piquets auxquels étaient fixés les filets.
Art.93. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Zonder toelating van den Minister van Openbare Werken, is het verboden :
1° met paarden die niet voor den jaagdienst gebruikt worden of met voertuigen te rijden op de dijken en jaagpaden die geen openbare wegen zijn;
2° op de aanhoorigheden der waterwegen, gelijk welke soort van vee te laten loopen of weiden.
Paarden en vee, zonder wachters bevonden, worden geschut op kosten van de overtreders.
De verbodsbepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op de aangelanden der bevaarbare rivieren, die op hun goederen alle rechten behouden, welke met de dienstbaarheid van jaagpad en voetpad vereenigbaar zijn.
(...) <KB 07-09-1950, art. 2, § 16>
Rijwielen, met of zonder motor, welke voldoen aan de voorwaarden voorzien in het koninklijk besluit van 1 Februari 1934, houdende algemeene verordening op de politie van het vervoer en van het verkeer, mogen op de aanhoorigheden der bevaarbare waterwegen onder beheer van den Staat rijden, onder de volgende voorwaarden :
1° De wielrijders en de motorwielrijders moeten zich voegen naar de voorschriften der reglementen betreffende de waterwegen waarvan sprake;
2° Snelheidswedstrijden zijn verboden;
3° De snelheid der voertuigen mag 30 kilometer per uur niet te boven gaan in het open veld. In de bebouwde kommen, bij het kruisen van wegen, op de sluiswallen, alsook in de nabijheid van bochten waar het uitzicht belemmerd is, wordt de snelheid beperkt op 10 kilometer per uur;
4° Bij het naderen van de personen en de gespannen dienende voor het jagen der schepen, moeten de wielrijder en de motorwielrijder derwijze uitwijken, dat zij den doorgang der scheepstrekkers of der gespannen hoegenaamd niet hinderen; desnoods moeten zij van hun voertuig afstijgen; in alle geval mag de snelheid van het voertuig, op ten minste 50 meter afstand van de gespannen, 10 kilometer per uur niet te boven gaan, en deze snelheid moet de motorwielrijder behouden tot op ten minste 20 meter voorbij het gespan;
5° In de nabijheid van de gespannen, is het streng verboden gebruik te maken van de uitlaatbuis der motoren, van den hoorn, de tromp of elk ander middel dat de paarden zop kunnen doen schrikken;
6° Toelating om te rijden wordt enkel verleend voor hetgeen betreft de politie door den Staat uitgeoefend op de aanhoorigheden der bevaarbare waterwegen en onverminderd de rechten van derden, eigenaars der gronden waarop dienstbaarheid van jaagpad bestaat.
Zonder toelating van den Minister van Openbare Werken, is het verboden :
1° met paarden die niet voor den jaagdienst gebruikt worden of met voertuigen te rijden op de dijken en jaagpaden die geen openbare wegen zijn;
2° op de aanhoorigheden der waterwegen, gelijk welke soort van vee te laten loopen of weiden.
Paarden en vee, zonder wachters bevonden, worden geschut op kosten van de overtreders.
De verbodsbepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op de aangelanden der bevaarbare rivieren, die op hun goederen alle rechten behouden, welke met de dienstbaarheid van jaagpad en voetpad vereenigbaar zijn.
(...) <KB 07-09-1950, art. 2, § 16>
Rijwielen, met of zonder motor, welke voldoen aan de voorwaarden voorzien in het koninklijk besluit van 1 Februari 1934, houdende algemeene verordening op de politie van het vervoer en van het verkeer, mogen op de aanhoorigheden der bevaarbare waterwegen onder beheer van den Staat rijden, onder de volgende voorwaarden :
1° De wielrijders en de motorwielrijders moeten zich voegen naar de voorschriften der reglementen betreffende de waterwegen waarvan sprake;
2° Snelheidswedstrijden zijn verboden;
3° De snelheid der voertuigen mag 30 kilometer per uur niet te boven gaan in het open veld. In de bebouwde kommen, bij het kruisen van wegen, op de sluiswallen, alsook in de nabijheid van bochten waar het uitzicht belemmerd is, wordt de snelheid beperkt op 10 kilometer per uur;
4° Bij het naderen van de personen en de gespannen dienende voor het jagen der schepen, moeten de wielrijder en de motorwielrijder derwijze uitwijken, dat zij den doorgang der scheepstrekkers of der gespannen hoegenaamd niet hinderen; desnoods moeten zij van hun voertuig afstijgen; in alle geval mag de snelheid van het voertuig, op ten minste 50 meter afstand van de gespannen, 10 kilometer per uur niet te boven gaan, en deze snelheid moet de motorwielrijder behouden tot op ten minste 20 meter voorbij het gespan;
5° In de nabijheid van de gespannen, is het streng verboden gebruik te maken van de uitlaatbuis der motoren, van den hoorn, de tromp of elk ander middel dat de paarden zop kunnen doen schrikken;
6° Toelating om te rijden wordt enkel verleend voor hetgeen betreft de politie door den Staat uitgeoefend op de aanhoorigheden der bevaarbare waterwegen en onverminderd de rechten van derden, eigenaars der gronden waarop dienstbaarheid van jaagpad bestaat.
Art.93. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
A moins d'être muni d'une autorisation du Ministre des Travaux publics, il est interdit :
1° de circuler avec des chevaux autres que ceux exerçant le halage ou avec des voitures sur les digues et chemins de halage qui ne constituent pas des chemins publics;
2° de laisser circuler ou paître aucune espèce de bétail sur les dépendances des voies navigables.
Les chevaux et bestiaux trouvés sans conducteur sont mis en fourrière aux frais des délinquants.
Les interdictions de cet article ne s'appliquent pas aux riverains des rivières navigables qui conservent, sur leurs biens, tous les droits compatibles avec la servitude de halage et de marchepied.
(...) <AR 07-09-1950, art. 2, § 16>
Les bicycles, avec ou sans moteur, se trouvant dans les conditions prévues à l'arrêté royal du 1er février 1934, portant règlement général sur la police du roulage et de la circulation, sont admis à circuler sur les dépendances des voies navigables administrées par l'Etat, moyennant les conditions suivantes :
1° Les vélocipédistes et motocyclistes doivent se conformer aux prescriptions des règlements applicables aux voies navigables dont il s'agit;
2° Les luttes de vitesse sont interdites;
3° La vitesse de marche des véhicules ne peut dépasser 30 kilomètres à l'heure en rase campagne. Dans les agglomérations, au croisement des chemins, sur les terre-pleins des écluses ainsi qu'aux abords des courbes où la vue est entravée, la vitesse est limitée à 10 kilomètres à l'heure;
4° En s'approchant des hommes et des attelages servant au halage des bateaux, le vélocipédiste et le motocycliste doivent s'écarter de manière à ne pas gêner en aucune façon la marche des haleurs ou des attelages; au besoin, ils doivent descendre de leur véhicule; en tout cas, à 50 mètres au moins des attelages, la vitesse du véhicule ne peut excéder 10 kilomètres à l'heure et cette allure doit être conservée par le motocycliste jusqu'à 20 mètres au delà de l'attelage;
5° Dans le voisinage des attelages, il est strictement défendu de faire usage de l'échappement du moteur, du cornet, de la trompe ou de tout autre engin de nature a effrayer les chevaux;
6° L'autorisation de circuler n'est donnée qu'au point de vue de la police à exercer par l'Etat sur les dépendances des voies navigables; elle ne porte donc aucun préjudice aux droits des tiers propriétaires de terrains assujettis à la servitude de halage.
A moins d'être muni d'une autorisation du Ministre des Travaux publics, il est interdit :
1° de circuler avec des chevaux autres que ceux exerçant le halage ou avec des voitures sur les digues et chemins de halage qui ne constituent pas des chemins publics;
2° de laisser circuler ou paître aucune espèce de bétail sur les dépendances des voies navigables.
Les chevaux et bestiaux trouvés sans conducteur sont mis en fourrière aux frais des délinquants.
Les interdictions de cet article ne s'appliquent pas aux riverains des rivières navigables qui conservent, sur leurs biens, tous les droits compatibles avec la servitude de halage et de marchepied.
(...) <AR 07-09-1950, art. 2, § 16>
Les bicycles, avec ou sans moteur, se trouvant dans les conditions prévues à l'arrêté royal du 1er février 1934, portant règlement général sur la police du roulage et de la circulation, sont admis à circuler sur les dépendances des voies navigables administrées par l'Etat, moyennant les conditions suivantes :
1° Les vélocipédistes et motocyclistes doivent se conformer aux prescriptions des règlements applicables aux voies navigables dont il s'agit;
2° Les luttes de vitesse sont interdites;
3° La vitesse de marche des véhicules ne peut dépasser 30 kilomètres à l'heure en rase campagne. Dans les agglomérations, au croisement des chemins, sur les terre-pleins des écluses ainsi qu'aux abords des courbes où la vue est entravée, la vitesse est limitée à 10 kilomètres à l'heure;
4° En s'approchant des hommes et des attelages servant au halage des bateaux, le vélocipédiste et le motocycliste doivent s'écarter de manière à ne pas gêner en aucune façon la marche des haleurs ou des attelages; au besoin, ils doivent descendre de leur véhicule; en tout cas, à 50 mètres au moins des attelages, la vitesse du véhicule ne peut excéder 10 kilomètres à l'heure et cette allure doit être conservée par le motocycliste jusqu'à 20 mètres au delà de l'attelage;
5° Dans le voisinage des attelages, il est strictement défendu de faire usage de l'échappement du moteur, du cornet, de la trompe ou de tout autre engin de nature a effrayer les chevaux;
6° L'autorisation de circuler n'est donnée qu'au point de vue de la police à exercer par l'Etat sur les dépendances des voies navigables; elle ne porte donc aucun préjudice aux droits des tiers propriétaires de terrains assujettis à la servitude de halage.
Art.94. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 11-09-1936, art. 1> Het is verboden over de beweegbare bruggen te gaan vóór ze volkomen gesloten en vastgezet zijn, daarop te blijven staan en de afsluitingen, welke de toegang tot die bruggen beletten, zonder toelating van de brugwachter te overschrijden.
<KB 11-09-1936, art. 1> Het is verboden over de beweegbare bruggen te gaan vóór ze volkomen gesloten en vastgezet zijn, daarop te blijven staan en de afsluitingen, welke de toegang tot die bruggen beletten, zonder toelating van de brugwachter te overschrijden.
Art.94. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 11-09-1936, art. 1> Il est défendu de passer sur les ponts mobiles avant leur fermeture et leur calage complets; d'y stationner et de franchir, sans l'autorisation des pontiers, les obstacles qui interdisent l'approche de ces ponts.
<AR 11-09-1936, art. 1> Il est défendu de passer sur les ponts mobiles avant leur fermeture et leur calage complets; d'y stationner et de franchir, sans l'autorisation des pontiers, les obstacles qui interdisent l'approche de ces ponts.
Art.95. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Zonder toelating van de betrokken bedienden, is het verboden te gaan op de kunstwerken die niet dienen voor den doorgang van het publiek.
Zonder toelating van de betrokken bedienden, is het verboden te gaan op de kunstwerken die niet dienen voor den doorgang van het publiek.
Art.95. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Il est défendu de circuler sur les ouvrages d'art non destinés au passage du public, à moins d'une autorisation des préposés à leur garde.
Il est défendu de circuler sur les ouvrages d'art non destinés au passage du public, à moins d'une autorisation des préposés à leur garde.
Art.96. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Wanneer ijsgang op handen is of overstrooming dreigt, moeten al de voorwerpen die medegesleept kunnen worden of ongevallen kunnen veroorzaken, door de betrokken aangelanden onmiddellijk van de aanhoorigheden van den waterweg verwijderd worden; zoniet, blijven zij voor alles verantwoordelijk.
Wanneer ijsgang op handen is of overstrooming dreigt, moeten al de voorwerpen die medegesleept kunnen worden of ongevallen kunnen veroorzaken, door de betrokken aangelanden onmiddellijk van de aanhoorigheden van den waterweg verwijderd worden; zoniet, blijven zij voor alles verantwoordelijk.
Art.96. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Lorsque les voies navigables commencent à charrier des glaces ou menacent de déborder, tous objets susceptibles d'être entraînés ou de causer des accidents sont immédiatement enlevés des dépendances de ces voies par les riverains intéressés, faute de quoi ceux-ci assument toute responsabilité.
Lorsque les voies navigables commencent à charrier des glaces ou menacent de déborder, tous objets susceptibles d'être entraînés ou de causer des accidents sont immédiatement enlevés des dépendances de ces voies par les riverains intéressés, faute de quoi ceux-ci assument toute responsabilité.
Art.97. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Het is verboden een watervang aan een bevaarbaren waterweg voort te gebruiken, wanneer het water onder de voor de scheepvaart vastgestelde hoogte gedaald is.
De watervanginrichtingen moeten in goeden staat onderhouden worden; de schuiven moeten goed dicht sluiten en, bij waterschaarschte, wateraanwas of ijsgang, geschiedt het bedienen er van volgens de bevelen der scheepvaartagenten.
Het is verboden een watervang aan een bevaarbaren waterweg voort te gebruiken, wanneer het water onder de voor de scheepvaart vastgestelde hoogte gedaald is.
De watervanginrichtingen moeten in goeden staat onderhouden worden; de schuiven moeten goed dicht sluiten en, bij waterschaarschte, wateraanwas of ijsgang, geschiedt het bedienen er van volgens de bevelen der scheepvaartagenten.
Art.97. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Il est défendu de continuer à user d'une prise d'eau à une voie navigable dont le niveau est descendu au-dessous de la hauteur réglementaire fixée pour la navigation.
Les ouvrages de prise d'eau sont entretenus en bon état; les vannes doivent être bien étanches et leur manoeuvre doit être faite conformément aux ordres des agents de la navigation, en temps de pénurie d'eau, de crues ou de débâcles.
Il est défendu de continuer à user d'une prise d'eau à une voie navigable dont le niveau est descendu au-dessous de la hauteur réglementaire fixée pour la navigation.
Les ouvrages de prise d'eau sont entretenus en bon état; les vannes doivent être bien étanches et leur manoeuvre doit être faite conformément aux ordres des agents de la navigation, en temps de pénurie d'eau, de crues ou de débâcles.
Art.98. (opgeheven) <KB 22-12-1951, art. 1>
Art.98. (abrogé) <AR 22-12-1951, art. 1>
Art.99. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
Het koninklijk besluit van 23 October 1865 op de politie der waschplaatsen blijft van kracht.
Het koninklijk besluit van 23 October 1865 op de politie der waschplaatsen blijft van kracht.
Art.99. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
L'arrêté royal du 23 octobre 1865 sur la police des lavoirs est maintenu.
L'arrêté royal du 23 octobre 1865 sur la police des lavoirs est maintenu.
TITEL IV. - STRAFFEN, AMBTSHALVE TE NEMEN MAATREGELEN, PROCESSEN-VERBAAL EN WOORDBEPALINGEN.
TITRE IV. - PENALITES, MESURES D'OFFICE, PROCES-VERBAUX, DEFINITIONS.
Art.100. Elke overtreding van dit reglement of van de bijzondere reglementen die het aanvullen (of van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren), elke weigering een reglementair bevel na te komen, gegeven door een der agenten in volgend artikel vermeld, elke ontduiking of poging tot ontduiking van scheepvaartrechten, worden gestraft volgens artikel 1 der wet van 6 Maart 1818, gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 5 Juni 1934. <KB 2006-09-24/36, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Naar luid van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, zijn de vader en de moeder verantwoordelijk voor de overtredingen door hun minderjarige kinderen begaan; de patroons voor die hunner arbeiders en hunner bemanning.
Naar luid van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, zijn de vader en de moeder verantwoordelijk voor de overtredingen door hun minderjarige kinderen begaan; de patroons voor die hunner arbeiders en hunner bemanning.
Art.100. Toute infraction au présent règlement ou aux règlements particuliers qui le complètent (ou du Règlement général de Police pour la Navigation sur les Eaux intérieures), tout refus d'obtempérer à un ordre réglementaire donné par un des agents mentionnés à l'article suivant, toute fraude ou tentative de fraude des droits de navigation, sont punis des peines comminées par l'article 1er de la loi du 6 mars 1818, amendé par l'article 1er de la loi du 5 juin 1934. <AR 2006-09-24/36, art. 6, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Aux termes de l'article 1384 du Code civil, le père et la mère sont responsables des infractions commises par leurs enfants mineurs; les patrons, de celles commises par leurs ouvriers et par les hommes de l'équipage.
Aux termes de l'article 1384 du Code civil, le père et la mère sont responsables des infractions commises par leurs enfants mineurs; les patrons, de celles commises par leurs ouvriers et par les hommes de l'équipage.
Art.101. Zijn inzonderheid belast met de uitvoering van dit reglement (, van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren) en van de bijzondere reglementen : <KB 2006-09-24/36, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
1° (De ingenieurs en conducteurs van bruggen en wegen met den dienst der scheepvaart belast, de agenten aangesteld voor het toezicht over en de bediening van bruggen, sluizen, overlaten, enz., of voor de bewaking en de politie der bevaarbare waterwegen, alsmede het speciaal daartoe aangeduid personeel van den Dienst der Scheepvaart;) <KB 15-09-1978, art. 2>
2° De controleur en de agenten, bijzonder belast met het innen der scheepvaartrechten;
3° (De ambtenaren belast met de scheepvaartcontrole) en van het loodswezen; <KB 1999-05-03/88, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
4° De nationale gendarmerie;
5° De ambtenaars belast met de polite der gemeenten, palende aan de bevaarbare waterwegen.
1° (De ingenieurs en conducteurs van bruggen en wegen met den dienst der scheepvaart belast, de agenten aangesteld voor het toezicht over en de bediening van bruggen, sluizen, overlaten, enz., of voor de bewaking en de politie der bevaarbare waterwegen, alsmede het speciaal daartoe aangeduid personeel van den Dienst der Scheepvaart;) <KB 15-09-1978, art. 2>
2° De controleur en de agenten, bijzonder belast met het innen der scheepvaartrechten;
3° (De ambtenaren belast met de scheepvaartcontrole) en van het loodswezen; <KB 1999-05-03/88, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
4° De nationale gendarmerie;
5° De ambtenaars belast met de polite der gemeenten, palende aan de bevaarbare waterwegen.
Art.101. Sont spécialement chargés de l'exécution du présent règlement (, du Règlement général de Police pour la Navigation sur les Eaux intérieures) et des règlements particuliers : <AR 2006-09-24/36, art. 7, 016; En vigueur : 01-01-2007>
1° (Les ingénieurs et conducteurs chargés du service de la navigation ou de la direction et la surveillance des chantiers ouverts sur les voies navigables ou leurs dépendances, les agents préposés à la manoeuvre ou à la surveillance des ponts, écluses, déversoirs, etc., ou à la garde et à la police des voies navigables, ainsi que le personnel de l'Office de la navigation et du "Dienst voor de Scheepvaart" spécialement désigné à cet effet.) <AR 15-09-1978, art. 2>
2° Le contrôleur et les agents spécialement attaches au service de la perception des droits de navigation;
3° (Les agents chargés du contrôle de la navigation) et de l'administration du pilotage; <AR 1999-05-03/88, art. 6, 008; En vigueur : 01-04-1999>
4° La gendarmerie nationale;
5° Les fonctionnaires chargés de la police communale des localités riveraines des voies navigables.
1° (Les ingénieurs et conducteurs chargés du service de la navigation ou de la direction et la surveillance des chantiers ouverts sur les voies navigables ou leurs dépendances, les agents préposés à la manoeuvre ou à la surveillance des ponts, écluses, déversoirs, etc., ou à la garde et à la police des voies navigables, ainsi que le personnel de l'Office de la navigation et du "Dienst voor de Scheepvaart" spécialement désigné à cet effet.) <AR 15-09-1978, art. 2>
2° Le contrôleur et les agents spécialement attaches au service de la perception des droits de navigation;
3° (Les agents chargés du contrôle de la navigation) et de l'administration du pilotage; <AR 1999-05-03/88, art. 6, 008; En vigueur : 01-04-1999>
4° La gendarmerie nationale;
5° Les fonctionnaires chargés de la police communale des localités riveraines des voies navigables.
Art.101_VLAAMS_GEWEST. Zijn inzonderheid belast met de uitvoering van dit reglement (, van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren) [1 wat betreft de aangelegenheden die ressorteren onder de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest,]1 en van de bijzondere reglementen : <KB 2006-09-24/36, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
1° (De [1 personeelsleden van de bevoegde gewestelijke waterwegbeheerders]1, de agenten aangesteld voor het toezicht over en de bediening van bruggen, sluizen, overlaten, enz., of voor de bewaking en de politie der bevaarbare waterwegen, alsmede het speciaal daartoe aangeduid personeel van den Dienst der Scheepvaart;) <KB 15-09-1978, art. 2>
2° De controleur en de agenten, bijzonder belast met het innen der scheepvaartrechten;
3° (De [1 personeelsleden, belast met de scheepvaartcontrole voor de binnenvaart]1) en van het loodswezen; <KB 1999-05-03/88, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
4° De nationale gendarmerie;
5° De ambtenaars belast met de polite der gemeenten, palende aan de bevaarbare waterwegen.
1° (De [1 personeelsleden van de bevoegde gewestelijke waterwegbeheerders]1, de agenten aangesteld voor het toezicht over en de bediening van bruggen, sluizen, overlaten, enz., of voor de bewaking en de politie der bevaarbare waterwegen, alsmede het speciaal daartoe aangeduid personeel van den Dienst der Scheepvaart;) <KB 15-09-1978, art. 2>
2° De controleur en de agenten, bijzonder belast met het innen der scheepvaartrechten;
3° (De [1 personeelsleden, belast met de scheepvaartcontrole voor de binnenvaart]1) en van het loodswezen; <KB 1999-05-03/88, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-04-1999>
4° De nationale gendarmerie;
5° De ambtenaars belast met de polite der gemeenten, palende aan de bevaarbare waterwegen.
Art.101 _REGION_FLAMANDE.
Sont spécialement chargés de l'exécution du présent règlement (, du Règlement général de Police pour la Navigation sur les Eaux intérieures) [1 , pour ce qui est des matières relevant de la compétence de la Région flamande,]1 et des règlements particuliers : <AR 2006-09-24/36, art. 7, 016; En vigueur : 01-01-2007>
1° (Les [1 membres du personnel des gestionnaires régionaux des eaux compétents]1 ou de la direction et la surveillance des chantiers ouverts sur les voies navigables ou leurs dépendances, les agents préposés à la manoeuvre ou à la surveillance des ponts, écluses, déversoirs, etc., ou à la garde et à la police des voies navigables, ainsi que le personnel de l'Office de la navigation et du "Dienst voor de Scheepvaart" spécialement désigné à cet effet.) <AR 15-09-1978, art. 2>
2° Le contrôleur et les agents spécialement attaches au service de la perception des droits de navigation;
3° (Les [1 membres du personnel chargés du contrôle de la navigation intérieure]1) et de l'administration du pilotage; <AR 1999-05-03/88, art. 6, 008; En vigueur : 01-04-1999>
4° La gendarmerie nationale;
5° Les fonctionnaires chargés de la police communale des localités riveraines des voies navigables.
Sont spécialement chargés de l'exécution du présent règlement (, du Règlement général de Police pour la Navigation sur les Eaux intérieures) [1 , pour ce qui est des matières relevant de la compétence de la Région flamande,]1 et des règlements particuliers : <AR 2006-09-24/36, art. 7, 016; En vigueur : 01-01-2007>
1° (Les [1 membres du personnel des gestionnaires régionaux des eaux compétents]1 ou de la direction et la surveillance des chantiers ouverts sur les voies navigables ou leurs dépendances, les agents préposés à la manoeuvre ou à la surveillance des ponts, écluses, déversoirs, etc., ou à la garde et à la police des voies navigables, ainsi que le personnel de l'Office de la navigation et du "Dienst voor de Scheepvaart" spécialement désigné à cet effet.) <AR 15-09-1978, art. 2>
2° Le contrôleur et les agents spécialement attaches au service de la perception des droits de navigation;
3° (Les [1 membres du personnel chargés du contrôle de la navigation intérieure]1) et de l'administration du pilotage; <AR 1999-05-03/88, art. 6, 008; En vigueur : 01-04-1999>
4° La gendarmerie nationale;
5° Les fonctionnaires chargés de la police communale des localités riveraines des voies navigables.
Wijzigingen
Art.102. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 22-12-1951, art. 2> Wanneer een vaartuig gezonken is of dreigt te zinken, wanneer het onvoldoende gemeerd is of derwijze ligt dat het de doorvaart hindert en, in het algemeen, telkens als het nodig is, de vrijheid of veiligheid der scheepvaart te verzekeren, den afvoer van het water te vergemakkelijken of de belangen van het regime der rivier te vrijwaren, mag de hoofdingenieur-directeur en, bij dringendheid, elke ambtenaar met het toezicht op den waterweg belast, aan de schippers de nodig geachte maatregelen, voorschrijven, zelfs wanneer deze in dit reglement niet voorzien zijn.
De schippers moeten aan de gegeven bevelen onmiddellijk gehoor geven. Indien zij hiermede in gebreke blijven of indien zij afwezig zijn, mogen de voorgeschreven maatregelen van ambtswege op hun kosten uitgevoerd worden.
De staat dezer kosten wordt onderzocht en vastgesteld door hoofdingenieur-directeur van het gebied.
<KB 22-12-1951, art. 2> Wanneer een vaartuig gezonken is of dreigt te zinken, wanneer het onvoldoende gemeerd is of derwijze ligt dat het de doorvaart hindert en, in het algemeen, telkens als het nodig is, de vrijheid of veiligheid der scheepvaart te verzekeren, den afvoer van het water te vergemakkelijken of de belangen van het regime der rivier te vrijwaren, mag de hoofdingenieur-directeur en, bij dringendheid, elke ambtenaar met het toezicht op den waterweg belast, aan de schippers de nodig geachte maatregelen, voorschrijven, zelfs wanneer deze in dit reglement niet voorzien zijn.
De schippers moeten aan de gegeven bevelen onmiddellijk gehoor geven. Indien zij hiermede in gebreke blijven of indien zij afwezig zijn, mogen de voorgeschreven maatregelen van ambtswege op hun kosten uitgevoerd worden.
De staat dezer kosten wordt onderzocht en vastgesteld door hoofdingenieur-directeur van het gebied.
Art.102. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 22-12-1951, art. 2> Lorsqu'un bateau est coulé ou menace de couler bas, lorsqu'il est amarré d'une manière insuffisante ou placé de façon a gêner le passage et, en général, chaque fois qu'il s'agit d'assurer la liberté ou la sécurité de la navigation, de faciliter l'écoulement des eaux ou de sauvegarder les intérêts du régime de la rivière, l'ingénieur en chef directeur et, en cas d'urgence, tout fonctionnaire préposé à la surveillance de la voie navigable est autorise à prescrire aux patrons les mesures qu'il juge nécessaires, alors même qu'elles ne sont pas prévues par le présent règlement.
Les patrons sont tenus de se conformer immédiatement aux ordres donnés. Faute de ce faire ou s'ils ne se trouvent pas présents, les mesures prescrites peuvent être exécutées d'office et à leurs frais.
L'état de ces frais est vérifié et arrêté par l'ingénieur en chef directeur du ressort.
<AR 22-12-1951, art. 2> Lorsqu'un bateau est coulé ou menace de couler bas, lorsqu'il est amarré d'une manière insuffisante ou placé de façon a gêner le passage et, en général, chaque fois qu'il s'agit d'assurer la liberté ou la sécurité de la navigation, de faciliter l'écoulement des eaux ou de sauvegarder les intérêts du régime de la rivière, l'ingénieur en chef directeur et, en cas d'urgence, tout fonctionnaire préposé à la surveillance de la voie navigable est autorise à prescrire aux patrons les mesures qu'il juge nécessaires, alors même qu'elles ne sont pas prévues par le présent règlement.
Les patrons sont tenus de se conformer immédiatement aux ordres donnés. Faute de ce faire ou s'ils ne se trouvent pas présents, les mesures prescrites peuvent être exécutées d'office et à leurs frais.
L'état de ces frais est vérifié et arrêté par l'ingénieur en chef directeur du ressort.
Art. 102bis. (Opgeheven) <KB 2006-09-24/36, art. 5, 28°, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 102bis. (Abrogé) <AR 2006-09-24/36, art. 5, 28°, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.103. Elke overtreding van dit reglement (, van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren) en van de bijzondere reglementen wordt door proces-verbaal of door alle andere wettelijke middelen vastgesteld. <KB 2006-09-24/36, art. 8, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.103. Toute contravention au présent règlement (, au Règlement général de Police pour la Navigation sur les Eaux intérieures) et aux règlements particuliers est constaté par procès-verbal ou par tous autres moyens légaux. <AR 2006-09-24/36, art. 8, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.104. De gemeentebesturen, de gendarmerie en alle personen met eenig openbaar gezag bekleed, zijn verplicht, indien zij daartoe verzocht worden, hulp te verleenen ter uitvoering van dit reglement (, van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren) en van de bijzondere reglementen. <KB 2006-09-24/36, art. 9, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.104. Les administrations communales, la gendarmerie et toutes personnes revêtues d'une autorité publique doivent, si elles en sont requises, prêter main forte pour l'exécution du présent règlement (, du Règlement général de Police pour la Navigation sur les Eaux intérieures) et des règlements particuliers. <AR 2006-09-24/36, art. 9, 016; En vigueur : 01-01-2007>
Art.105. Bij de hoofdingenieur-directeur van het ressort kan in hooger beroep gegaan worden tegen de beslissingen van de ambtenaars of agenten met het toezicht op de waterwegen belast, en bij den Minister van Openbare Werken tegen de beslissingen van dezen hoofdingenieur-directeur, onderminderd evenwel de verplichting om aan de beslissingen onverwijld gevolg te geven, indien er dringendheid bestaat.
Art.105. Il peut être appelé à l'ingénieur en chef directeur du ressort des décisions des fonctionnaires ou agents préposés à la surveillance des voies navigables, et au Ministre des Travaux publics des décisions de cet ingénieur en chef directeur, sans préjudice toutefois de l'exécution immédiate de ces décisions, s'il y a urgence.
Art.106. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Charleroi naar Brussel <BVR 2005-11-18/65, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
De sluismeesters zijn voorzien van een register, in hetwelk de schippers al hun klachten betreffende den dienst van den waterweg mogen aanteekenen.
De sluismeesters zijn voorzien van een register, in hetwelk de schippers al hun klachten betreffende den dienst van den waterweg mogen aanteekenen.
Art.106. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
Les éclusiers sont pourvus d'un registre sur lequel les patrons ont le droit d'inscrire leurs réclamations concernant le service de la voie navigable.
Les éclusiers sont pourvus d'un registre sur lequel les patrons ont le droit d'inscrire leurs réclamations concernant le service de la voie navigable.
Art.107. <KB 07-09-1950, art. 2, § 17> Tenzij daarin het tegenovergestelde wordt bepaald, betekenen in dit reglement en in de bijzondere reglementen :
1° De naam " vaartuig " : elk schip, elke schuit, boot, die op zee, op de rivieren of kanalen gebruikt worden;
2° De naam " schipper " : ieder gezagvoerder, kapitein, schipper en, in het algemeen, elk persoon die aan boord het gezag voert of met de leiding van het vaartuig belast is;
3° De uitdrukkingen " agenten van het bestuur ", " scheepvaartagenten " en " aangestelden voor het toezicht op de scheepvaartweg " : de ambtenaren en agenten, aangewezen in artikel 101, 1° en 2°.
1° De naam " vaartuig " : elk schip, elke schuit, boot, die op zee, op de rivieren of kanalen gebruikt worden;
2° De naam " schipper " : ieder gezagvoerder, kapitein, schipper en, in het algemeen, elk persoon die aan boord het gezag voert of met de leiding van het vaartuig belast is;
3° De uitdrukkingen " agenten van het bestuur ", " scheepvaartagenten " en " aangestelden voor het toezicht op de scheepvaartweg " : de ambtenaren en agenten, aangewezen in artikel 101, 1° en 2°.
Art.107. <AR 07-09-1950, art. 2, § 17> Le présent règlement et les règlements particuliers, sauf disposition contraire de ceux-ci désignent :
1° Du nom " bateau " tout navire, vaisseau, bâtiment, embarcation en usage sur la mer, sur les rivières ou sur les canaux;
2° Du nom " patron " tout commandant, capitaine, batelier et, en général, toute personne qui a l'autorité à bord ou qui est chargée de la conduite du bateau;
3° Par les expressions : " agents de l'administration ", " agents de la navigation " et " préposés à la surveillance de la voie navigable " les fonctionnaires et agents énumérés à l'article 101, 1° et 2°.
1° Du nom " bateau " tout navire, vaisseau, bâtiment, embarcation en usage sur la mer, sur les rivières ou sur les canaux;
2° Du nom " patron " tout commandant, capitaine, batelier et, en général, toute personne qui a l'autorité à bord ou qui est chargée de la conduite du bateau;
3° Par les expressions : " agents de l'administration ", " agents de la navigation " et " préposés à la surveillance de la voie navigable " les fonctionnaires et agents énumérés à l'article 101, 1° et 2°.
Art.108. <KB 07-09-1950, art. 2, § 18> Onder voorbehoud van de afwijkende bepalingen in de bijzondere reglementen, is dit reglement van toepassing op alle thans bestaande scheepvaartwegen van het Koninkrijk, met uitzondering van :
1° Het zeekanaal van Brussel naar de Rupel;
2° De Beneden-Schelde (stroomafwaarts het stroomopwaarts gelegen uiteinde der rede van Antwerpen);
3° Het Belgisch gedeelte der grensvormende vakken van de Maas;
(4° het kanaal van Gent naar Terneuzen.) <KB 2006-09-24/36, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(Enkel de artikelen 5, 7 tot 10, 30, 40, 47bis, 49, 1) tot 3), 50, 51, 67 tot 91, 93 tot 95, 103 en 109 zijn echter van toepassing op het kanaal van Gent naar Terneuzen.) <KB 1992-09-23/36, art. 55, 003; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
1° Het zeekanaal van Brussel naar de Rupel;
2° De Beneden-Schelde (stroomafwaarts het stroomopwaarts gelegen uiteinde der rede van Antwerpen);
3° Het Belgisch gedeelte der grensvormende vakken van de Maas;
(4° het kanaal van Gent naar Terneuzen.) <KB 2006-09-24/36, art. 10, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(Enkel de artikelen 5, 7 tot 10, 30, 40, 47bis, 49, 1) tot 3), 50, 51, 67 tot 91, 93 tot 95, 103 en 109 zijn echter van toepassing op het kanaal van Gent naar Terneuzen.) <KB 1992-09-23/36, art. 55, 003; Inwerkingtreding : 01-11-1992>
Art.108. <AR 07-09-1950, art. 2, § 18> Le présent règlement est applicable, sous réserve des dispositions dérogatoires des règlements particuliers, à toutes les voies navigables actuelles du Royaume, à l'exception :
1° Du canal maritime de Bruxelles au Rupel;
2° De l'Escaut maritime inférieur (en aval de l'origine amont de la rade d'Anvers);
3° De la partie belge des sections mitoyennes de la Meuse;
(4° du canal de Gand à Terneuzen.) <AR 2006-09-24/36, art. 10, 016; En vigueur : 01-01-2007>
(Toutefois, seuls les articles 5, 7 á 10, 30, 40, 47bis, 49, 1) à 3), 50, 51, 67 á 91, 93 á 95, 103 et 109 sont applicables au canal de Gand à Terneuzen.)
1° Du canal maritime de Bruxelles au Rupel;
2° De l'Escaut maritime inférieur (en aval de l'origine amont de la rade d'Anvers);
3° De la partie belge des sections mitoyennes de la Meuse;
(4° du canal de Gand à Terneuzen.) <AR 2006-09-24/36, art. 10, 016; En vigueur : 01-01-2007>
(Toutefois, seuls les articles 5, 7 á 10, 30, 40, 47bis, 49, 1) à 3), 50, 51, 67 á 91, 93 á 95, 103 et 109 sont applicables au canal de Gand à Terneuzen.)
Art. 108bis. <INGEVOEGD bij KB 2006-09-24/36, art. 11; Inwerkingtreding : 01-01-2007> In afwijking van artikel 108 van dit besluit zijn de bepalingen van dit besluit slechts van toepassing op de binnenwateren die onder het toepassingsgebied van het Algemeen Politiereglement voor de Scheepvaart op de Binnenwateren vallen voor zover ze er niet mee strijdig zijn.
Art. 108bis. En dérogation à l'article 108 du présent arrêté, les dispositions du présent arrêté ne sont applicables qu'aux eaux intérieures tombant dans le champ d'application du Règlement général de Police pour la Navigation sur les Eaux intérieures, dans la mesure où ils n'y sont pas contraires.
Art.109. (NOTA : opgeheven voor het Vlaamse Gewest, uitsluitend voor het kanaal van Brussel naar Charleroi <BVR 2005-11-18/63, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 31-03-2006>)
<KB 05-05-1975, art. 3> Overtreding van de bepalingen betreffende de scheepvaartrechten wordt gestraft met een samen met het ontdoken recht te betalen geldboete, gelijk aan tienmaal dit recht, zonder dat de boete minder dan 200 frank mag bedragen.
De eigenaar of, in voorkomend geval, de huurder van het vaartuig is civielrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van het ontdoken recht, evenals van de geldboete en van de nalatigheidsinteresten.
De processen-verbaal, door de aangestelden van de Staat opgemaakt om de overtreding vast te stellen, zijn rechtsgeldig tot het tegendeel is bewezen.
Vervolgingen voor invordering van rechten, renten, geldboeten en kosten die niet zouden kunnen geïnd zijn door de ontvangstdienst der scheepvaartrechten van de Staat - Ministerie van Openbare Werken - worden door het Bestuur der Registratie en Domeinen uitgeoefend op de wijze als in domeinzaken is bepaald.
De Minister die met het heffen van de scheepvaartrechten is belast, beslist over de vermindering of de kwijtschelding der opgelopen geldboete.
<KB 05-05-1975, art. 3> Overtreding van de bepalingen betreffende de scheepvaartrechten wordt gestraft met een samen met het ontdoken recht te betalen geldboete, gelijk aan tienmaal dit recht, zonder dat de boete minder dan 200 frank mag bedragen.
De eigenaar of, in voorkomend geval, de huurder van het vaartuig is civielrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van het ontdoken recht, evenals van de geldboete en van de nalatigheidsinteresten.
De processen-verbaal, door de aangestelden van de Staat opgemaakt om de overtreding vast te stellen, zijn rechtsgeldig tot het tegendeel is bewezen.
Vervolgingen voor invordering van rechten, renten, geldboeten en kosten die niet zouden kunnen geïnd zijn door de ontvangstdienst der scheepvaartrechten van de Staat - Ministerie van Openbare Werken - worden door het Bestuur der Registratie en Domeinen uitgeoefend op de wijze als in domeinzaken is bepaald.
De Minister die met het heffen van de scheepvaartrechten is belast, beslist over de vermindering of de kwijtschelding der opgelopen geldboete.
Art.109. (NOTE : abrogé en ce qui concerne la Région flamande et exclusivement pour le canal Bruxelles-Charleroi )
<AR 05-05-1975, art. 3> Toute personne ayant contrevenu aux dispositions relatives aux droits de navigation est passible d'une amende, à payer en même temps que le droit éludé, égale a dix fois celui-ci, sans qu'elle puisse être inférieure à 200 francs.
Le propriétaire ou le locataire du bâtiment, selon le cas, est civilement responsable du paiement du droit éludé, ainsi que de l'amende et des intérêts de retard.
Les procès-verbaux dressés par les préposés de l'Etat pour constater la contravention font foi jusqu'à preuve du contraire.
Les poursuites en recouvrement des droits, intérêts, amendes et frais qui n'auraient pu être perçus par le service de perception des droits de navigation de l'Etat - Ministère des Travaux publics - sont exercées par l'Administration de l'Enregistrement et des Domaines, de la manière prévue en matière domaniale.
Le Ministre chargé de la perception des droits de navigation décide de la réduction ou de la remise des amendes encourues.
<AR 05-05-1975, art. 3> Toute personne ayant contrevenu aux dispositions relatives aux droits de navigation est passible d'une amende, à payer en même temps que le droit éludé, égale a dix fois celui-ci, sans qu'elle puisse être inférieure à 200 francs.
Le propriétaire ou le locataire du bâtiment, selon le cas, est civilement responsable du paiement du droit éludé, ainsi que de l'amende et des intérêts de retard.
Les procès-verbaux dressés par les préposés de l'Etat pour constater la contravention font foi jusqu'à preuve du contraire.
Les poursuites en recouvrement des droits, intérêts, amendes et frais qui n'auraient pu être perçus par le service de perception des droits de navigation de l'Etat - Ministère des Travaux publics - sont exercées par l'Administration de l'Enregistrement et des Domaines, de la manière prévue en matière domaniale.
Le Ministre chargé de la perception des droits de navigation décide de la réduction ou de la remise des amendes encourues.
TITEL V. Aanvullende regeling voor het Vlaamse Gewest.
TITRE V. Règlement complémentaire pour la Région flamande.
Art.110. (VLAAMSE GEWEST) <INGEVOEGD bij BVR 1999-04-21/53, art. 1, Inwerkingtreding : 2000-01-01> Artikel 79, § 1 en § 2, eerste lid, worden vervangen door wat volgt :
"Art. 79. § l. Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van het Vlaamse Gewest, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.
§ 2. Voor het goederenvervoer wordt het recht vastgesteld op één centiem per tonkilometer (product van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand in kilometers).".
"Art. 79. § l. Scheepvaartrechten zijn verschuldigd op alle waterwegen onder beheer van het Vlaamse Gewest, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, alsmede van de niet aan het getij onderhevige welke bij het desbetreffende bijzonder reglement van rechten zijn vrijgesteld.
§ 2. Voor het goederenvervoer wordt het recht vastgesteld op één centiem per tonkilometer (product van de vermenigvuldiging van de lading, uitgedrukt in metrieke tonnen, met de af te leggen afstand in kilometers).".
Art.110. (REGION FLAMANDE) L'article 79, §§ 1er et 2, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 79. § 1er. Les droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables gérées par la Région flamande, à l'exception de celles soumises à la marée ainsi que celles qui ne sont pas soumises à la marée, lesquelles sont exemptées de ces droits par le règlement concerné.
§ 2. En ce qui concerne le transport des marchandises, le droit est fixé à un centime par kilomètre/tonne (produit de la multiplication de la cargaison, exprimée en tonnes métriques, par la distance à parcourir en kilomètres).".
"Art. 79. § 1er. Les droits de navigation sont dus sur toutes les voies navigables gérées par la Région flamande, à l'exception de celles soumises à la marée ainsi que celles qui ne sont pas soumises à la marée, lesquelles sont exemptées de ces droits par le règlement concerné.
§ 2. En ce qui concerne le transport des marchandises, le droit est fixé à un centime par kilomètre/tonne (produit de la multiplication de la cargaison, exprimée en tonnes métriques, par la distance à parcourir en kilomètres).".
TITEL VI. - Aanvullende regeling voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
TITRE VI. - Disposition complémentaire pour la Région de Bruxelles-Capitale.
Art.111. (BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST) [1 In artikel 79 van huidig besluit, worden de eerste paragraaf en de eerste alinea van de tweede paragraaf vervangen als volgt :
" § 1. Scheepvaartrechten die zijn verschuldigd op de scheepvaartweg beheerd door de Haven van Brussel.
§ 2. Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op 0,00025 euro per ton lading en per kilometer. Fracties van één ton die niet groter zijn dan 500 Kg worden niet aangerekend bij de berekening van die rechten. Die welke groter zijn dan 500 Kg worden naar boven op één ton afgerond. Het minimum recht, ongeacht de aard van het vaartuig, wordt op 2,5 vastgesteld.
De scheepvaartrechten worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de maand september 2011.
Deze indexering wordt eens per jaar berekend, waarbij het nieuwe indexcijfer overeenstemt met het indexcijfer van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verschuldigde scheepvaartrechten aangerekend zullen worden.]1
" § 1. Scheepvaartrechten die zijn verschuldigd op de scheepvaartweg beheerd door de Haven van Brussel.
§ 2. Voor het goederenvervoer worden de rechten vastgesteld op 0,00025 euro per ton lading en per kilometer. Fracties van één ton die niet groter zijn dan 500 Kg worden niet aangerekend bij de berekening van die rechten. Die welke groter zijn dan 500 Kg worden naar boven op één ton afgerond. Het minimum recht, ongeacht de aard van het vaartuig, wordt op 2,5 vastgesteld.
De scheepvaartrechten worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de maand september 2011.
Deze indexering wordt eens per jaar berekend, waarbij het nieuwe indexcijfer overeenstemt met het indexcijfer van de maand september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verschuldigde scheepvaartrechten aangerekend zullen worden.]1
Art.111. (REGION BRUXELLES-CAPITALE) [1 Dans l'article 79 du présent arrêté, le premier paragraphe et le premier alinéa du deuxième paragraphe sont remplacés par ce qui suit :
" § 1er. Des droits de navigation sont dus sur la voie navigable administrée par le Port de Bruxelles.
§ 2. Pour le transport des marchandises, les droits sont fixés à 0,00025 euro par tonne de chargement et par kilomètre de parcours. Les fractions de tonnes n'excédant pas 500 kg sont négligées dans le calcul de ces droits et celles qui sont supérieures à 500 kg sont arrondies à l'unité supérieure. Le droit minimum est fixé à 2,5 quel que soit le genre de bâtiment.
Les droits de navigation sont liés à l'indice des prix à la consommation avec comme indice de base l'indice du mois de septembre 2011.
Cette indexation est calculée une fois par an, en prenant comme nouvel indice celui du mois de septembre de l'année précédant l'année où les droits de navigation seront demandés.]1
" § 1er. Des droits de navigation sont dus sur la voie navigable administrée par le Port de Bruxelles.
§ 2. Pour le transport des marchandises, les droits sont fixés à 0,00025 euro par tonne de chargement et par kilomètre de parcours. Les fractions de tonnes n'excédant pas 500 kg sont négligées dans le calcul de ces droits et celles qui sont supérieures à 500 kg sont arrondies à l'unité supérieure. Le droit minimum est fixé à 2,5 quel que soit le genre de bâtiment.
Les droits de navigation sont liés à l'indice des prix à la consommation avec comme indice de base l'indice du mois de septembre 2011.
Cette indexation est calculée une fois par an, en prenant comme nouvel indice celui du mois de septembre de l'année précédant l'année où les droits de navigation seront demandés.]1
Wijzigingen
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijzondere reglementen der aan het algemeen reglement onderworpen bevaarbare waterwegen. Opgeheven bij KB 07-09-1950, art. 4
Art. N. Règlement particulier des voies navigables soumises au règlement général. Abrogé par AR 07-09-1950, art. 4.