Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
16 DECEMBER 1808. - WETBOEK VAN STRAFVORDERING. - BOEK II, TITEL VII. (Art. 589 tot en met 648) (NOTA : Om technische redenen is het Wetboek van Strafvordering ingedeeld in 8 delen waarvan het achtste deel Titel VII van het tweede Boek omvat) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-02-1991 en tekstbijwerking tot 04-07-2024)
Titre
16 DECEMBRE 1808. - CODE D'INSTRUCTION CRIMINELLE. - LIVRE II, TITRE VII. (Art. 589 à 648) (NOTE : Pour des raisons techniques, le Code d'Instruction Criminelle est divisé en 8 parties, dont le Titre VII du deuxième Livre est la huitième) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 05-02-1991 et mise à jour au 04-07-2024)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (73)
Texte (73)
TITEL VII. - ENIGE ZAKEN VAN OPENBAAR BELANG EN VAN ALGEMENE VEILIGHEID.
TITRE VII. - DE QUELQUES OBJETS D'INTERET PUBLIC ET DE SURETE GENERALE.
HOOFDSTUK I. - (OVER HET CENTRAAL STRAFREGISTER.) (NOTA : de artikelen 589 tot en met 599, opgeheven bij W 10-07-1967, art. 1, 229°, zijn ingevoegd in dit deel van het SV, bij W 1997-08-08/14)
CHAPITRE I. - [DU CASIER JUDICIAIRE CENTRAL.] (NOTE : les articles 589 à 599 abrogés par L 10-07-1967, art. 1, 229° ont été introduit dans cette partie du CIC par L 1997-08-08/14)
Art. 589. <W 1997-08-08/14, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> Het Centraal Strafregister, hierna " Strafregister " genoemd, is een systeem van geautomatiseerde verwerking gehouden onder het gezag van de Minister van Justitie waarin, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, gegevens betreffende beslissingen genomen in strafzaken of ter bescherming van de maatschappij worden geregistreerd, bewaard en gewijzigd. [3 De Federale Overheidsdienst Justitie wordt beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.]3
  De doelstelling van het Strafregister bestaat erin de daarin geregistreerde gegevens mede te delen aan :
  1° de overheden belast met de uitvoering van de opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken;
  [3 1° /1 de leden van de politiediensten bedoeld in artikel 593 belast met de uitvoering van opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie overeenkomstig de artikelen 14 en 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;]3
  2° de administratieve overheden met het oog op de toepassing van bepalingen waarvoor kennis is vereist van het gerechtelijk verleden van de personen op wie administratieve maatregelen betrekking hebben;
  [3 2° /1 de leden van de politiediensten bedoeld in artikel 593 die in het kader van andere opdrachten voorzien bij of krachtens de wet kennis moeten hebben van het gerechtelijk verleden van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;
   2° /2 de personeelsleden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
   2° /3 de personeelsleden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van zijn Dienst Enquêtes, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
   2° /4 de leden en personeelsleden van het Controleorgaan op de politionele informatie en van zijn Dienst Onderzoeken, bedoeld in artikel 593, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
   2° /5 de personeelsleden van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, bedoeld in artikel 593 in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;]3

  3° [2 natuurlijke personen en rechtspersonen ingeval zij een uittreksel uit het Strafregister moeten voorleggen;]2
  4° buitenlandse overheden in de gevallen omschreven in internationale overeenkomsten [1 of een regel van afgeleid recht van de Europese Unie waardoor België is gebonden]1.
  De gegevens worden geregistreerd door de griffies van de hoven en rechtbanken of door de dienst van het Strafregister van [2 de Federale Overheidsdienst Justitie]2.
  [2 Deze gegevens kunnen dienen als grondslag voor statistieken uitgewerkt en verspreid op initiatief van de Federale Overheidsdienst Justitie.]2
  
Art. 589. <L 1997-08-08/14, art. 3, 006; En vigueur : 03-09-2001> Le Casier judiciaire central, dénommé ci-après " le Casier judiciaire ", est un système de traitement automatisé tenu sous l'autorité du Ministre de la Justice, qui assure, conformément aux dispositions du présent chapitre, l'enregistrement, la conservation et la modification des données concernant les décisions rendues en matière pénale et de défense sociale. [3 Le Service Public Fédéral Justice est considéré, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7), du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.]3
  La finalité du Casier judiciaire est la communication des renseignements qui y sont enregistrés :
  1° aux autorités chargées de l'exécution des missions judiciaires en matière pénale;
  [3 1° /1 aux membres des services de police visés à l'article 593 qui sont chargés de l'exécution de missions de police administrative et judiciaire conformément aux articles 14 et 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;]3
  2° aux autorités administratives afin d'appliquer des dispositions nécessitant la connaissance du passé judiciaire des personnes concernées par des mesures administratives;
  [3 2° /1 aux membres des services de police visés à l'article 593 qui, dans le cadre d'autres missions prévues par ou en vertu de la loi, doivent avoir connaissance des antécédents judiciaires d'une personne physique ou d'une personne morale;
   2° /2 aux membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de police et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593, dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
   2° /3 aux membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de renseignements et de sécurité et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593, dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
   2° /4 aux membres et membres du personnel de l'Organe de contrôle de l'information policière et de son Service d'enquêtes, visés à l'article 593 dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales;
   2° /5 aux membres du personnel de l'inspection générale de la police fédérale et de la police locale, visés à l'article 593, dans le cadre de l'exercice de leurs missions légales ;]3

  3° [2 aux personnes physiques et aux personnes morales lorsqu'elles doivent produire un extrait de casier judiciaire;]2;
  4° aux autorités étrangères dans les cas prévus par des conventions internationales [1 ou une règle de droit dérivé de l'Union européenne liant la Belgique]1.
  L'enregistrement des informations est effectué par les greffes des cours et tribunaux ou par le service du Casier judiciaire du [2 Service public fédéral Justice]2.
  [2 Ces informations peuvent servir de base à des statistiques établies et diffusées à l'initiative du Service public fédéral Justice.]2
  
Art. 590. <W 1997-08-08/14, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> Volgende persoonsgegevens worden in het Strafregister opgenomen :
  1° veroordelingen tot criminele, correctionele of politiestraffen;
  2° beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling of tot probatie-opschorting, beslissingen tot herroeping van de opschorting of van de probatie-opschorting, alsook beslissingen waarbij een gewone opschorting wordt vervangen door een probatie-opschorting, overeenkomstig de artikelen 3 tot 6 en 13 van de wet van 29 juni 1964 betreffende het uitstel, de opschorting en de probatie;
  2°bis. [5 ...]5
  3° beslissingen tot herroeping van het [10 , gewone of]10 probatie-uitstel, overeenkomstig artikel 14 van dezelfde wet;
  4° [9 beslissingen tot internering, tot toekenning of herroeping van de invrijheidstelling op proef of vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en tot definitieve invrijheidstelling die genomen zijn overeenkomstig de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.]9 [13 evenals beslissingen tot een beveiligingsmaatregel ter bescherming van de maatschappij, de beslissingen tot vrijheidsbeneming die overeenkomstig artikel 13 van de wet van 29 februari 2024 tot invoering van een beveiligingsmaatregel van de maatschappij zijn genomen en de beslissingen tot toekenning of herroeping van de invrijheidstelling op proef of vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en tot definitieve invrijheidstelling die overeenkomstig deze wet zijn genomen;]13
  5° [4 beslissingen tot terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank en tot vrijheidsbeneming die overeenkomstig de artikelen 34bis tot en met 34quater van het Strafwetboek en artikel 95/7 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten zijn genomen.]4
  6° beslissingen tot internering van de veroordeelden bedoeld in artikel 21 van dezelfde wet, alsook beslissingen op grond waarvan hun terugkeer naar de strafinrichting wordt gelast;
  7° [1 de ontzettingen uit de ouderlijke macht en herstel ervan, de maatregelen uitgesproken ten aanzien van minderjarigen opgesomd in artikel 63 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, alsook opheffingen of wijzigingen van die maatregelen die met toepassing van artikel 60 van dezelfde wet door de jeugdrechtbank worden uitgesproken;]1
  8° vernietigingsarresten uitgesproken op grond van de artikelen 416 tot 442 of van de artikelen 443 tot 447bis van dit wetboek;
  9° intrekkingsbeslissingen genomen op grond van de artikelen 10 tot 14 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het [2 Grondwettelijk Hof]2;
  10° beslissingen tot uitlegging of verbetering;
  11° arresten van herstel in eer en rechten uitgesproken op grond van de artikelen 621 tot 634 van dit wetboek;
  12° besluiten tot herstel in eer en rechten uitgevaardigd overeenkomstig de besluitwet van 9 december 1943 op het herstel in eer en rechten van zeelieden en op het verdwijnen van strafvervolgingen en straffen voor bepaalde maritieme inbreuken;
  13° besluiten tot herstel in eer en rechten uitgevaardigd overeenkomstig de besluitwet van 22 april 1918 op het militair eerherstel;
  14° genadebesluiten;
  15° beslissingen tot toekenning of herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
  16° beslissingen in strafzaken genomen door buitenlandse rechtscolleges ten aanzien van Belgen [10 of rechtspersonen die hun maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in België hebben]10, die krachtens internationale overeenkomsten [6 of een regel van afgeleid recht van de Europese Unie waardoor België is gebonden,]6 ter kennis van de Belgische regering worden gebracht, alsook maatregelen tot amnestie, uitwissing van de veroordeling of herstel in eer en rechten, genomen door een buitenlandse overheid, welke een invloed kunnen hebben op die beslissingen en aan de Belgische Regering zijn medegedeeld.
  [1 17° de veroordelingen met eenvoudige schuldigverklaring uitgesproken met toepassing van [14 artikel 27]14 van de wet van 17 april 1878, houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering;]1
  [1 18° het in artikel 35, § 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis bedoelde verbod [10 ...]10;]1
  [8 19° [11 het verval van de strafvordering overeenkomstig de artikelen 216bis, § 2 en 216ter, § 6;]11]8
  [15 20° de havenverboden zoals bedoeld in artikel 4, § 3bis, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen en in artikel 4.1.2.48, § 4, van het Belgisch Scheepvaartwetboek.]15
  In het Strafregister worden ook bijkomende straffen, vervangende straffen en veiligheidsmaatregelen geregistreerd, alsook het gewone of het probatie-uitstel verbonden aan veroordelingen.
  Reeds geregistreerde veroordelingen vernietigd ingevolge een verzet aangetekend tijdens de buitengewone verzetstermijn of een verwijzing na nietigverklaring, worden uit het Strafregister gewist.
  [12 Naast de in het eerste lid bedoelde persoonsgegevens worden door het Strafregister de unieke dactyloscopische referenties zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 11 maart 2019 betreffende de nadere regels voor de rechtstreekse bevraging van de Algemene Nationale Gegevensbank bedoeld in artikel 44/7 van de wet op het politieambt ten behoeve van de Federale Overheidsdienst Justitie met het oogmerk bij te dragen tot de unieke identificatie van gedetineerden, indien deze gegevens beschikbaar zijn, geregistreerd en verwerkt ten behoeve van de overheden en personen bedoeld in artikel 589, tweede lid, 4°, en artikel 593 van dit Wetboek.
   De administratieve overheden bedoeld in artikel 594 van hetzelfde Wetboek kunnen kennis nemen van deze unieke dactyloscopische referenties indien deze informatie noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke bevoegdheden en indien de mededeling van de unieke dactyloscopische referenties aan deze autoriteiten uitdrukkelijk is toegestaan door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
   Betreffende de onderdanen van een derde land in de zin van artikel 3 van de Verordening (EU) 2019/816 van het Europees parlement en de Raad tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (Ecris-TCN) ter aanvulling van het Europees Strafregisterinformatiesysteem en tot wijziging van de Verordening (EU) 2018/1726 worden de biometrische gegevens zoals bedoeld in artikel 44/1, § 2, 1°, van de wet op het politieambt door het Strafregister bij de bevoegde dienst van de directie van de technische en wetenschappelijke politie, bedoeld in artikel 102, 4°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, opgevraagd aan de hand van de unieke dactyloscopische referentie en onverwijld uit het Strafregister verwijderd nadat deze gegevens werden overgezonden overeenkomstig artikel 5 van de Verordening.
   De technische en functionele modaliteiten van deze transactie worden bepaald in een protocol tussen de Federale Overheidsdienst Justitie en de Federale Politie. Dit protocol omvat minstens de veiligheidsmaatregelen met betrekking tot deze communicatie en de bewaartermijn van de gegevens en informatie.]12

  
Art. 590. <L 1997-08-08/14, art. 4, 006; En vigueur : 03-09-2001> Pour chaque personne, le Casier judiciaire enregistre les informations suivantes :
  1° les condamnations à une peine criminelle, correctionnelle ou de police;
  2° les décisions ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation ou la suspension probatoire, constatant la révocation de la suspension ou prononçant la révocation de la suspension probatoire, ou remplaçant la suspension simple par la suspension probatoire, prises par application des articles 3 à 6 et 13 de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation;
  2°bis. [5 ...]5.
  3° les décisions prononçant la révocation du sursis [10 , simple ou]10 probatoire, prises par application de l'article 14 de la même loi;
  4° [9 les décisions d'internement, d'octroi ou de révocation de la libération à l'essai ou de la libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise, et de libération définitive, prises en application de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.]9 [13 ainsi que les décisions imposant une mesure de sûreté pour la protection de la société, les décisions de privation de liberté prises en application de l'article 13 de la loi du 29 février 2024 en vue d'insérer une mesure de sûreté pour la protection de la société et les décisions d'octroi ou de révocation de la libération à l'essai ou de la libération anticipée en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise, et de libération définitive, prises en application de la présente loi;]13
  5° [4 les décisions de mise à la disposition du tribunal de l'application des peines et de privation de liberté prises par application des articles 34bis à 34quater du Code pénal et de l'article 95/7 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine;]4
  6° les décisions d'internement des condamnés visés à l'article 21 de la même loi, et celles ordonnant leur retour au centre pénitentiaire;
  7° [1 les déchéances de l'autorité parentale et les réintégrations, les mesures prononcées à l'égard des mineurs, énumérées à l'article 63 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, de même que les levées ou modifications de ces mesures décidées par le tribunal de la jeunesse en application de l'article 60 de la même loi;]1
  8° les arrêts d'annulation rendus par application des articles 416 à 442 ou des articles 443 à 447bis du présent code;
  9° les décisions de rétractation rendues par application des articles 10 à 14 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la [2 Cour constitutionnelle]2;
  10° les décisions interprétatives ou rectificatives;
  11° les arrêts de réhabilitation rendus par application des articles 621 à 634 du présent code;
  12° les arrêtés de réhabilitation pris par application de l'arrêté-loi du 9 décembre 1943 sur la réhabilitation des gens de mer et sur l'extinction des poursuites répressives et des peines relatives à certaines infractions maritimes;
  13° les arrêtés de réhabilitation pris par application de l'arrêté-loi du 22 avril 1918 relatif à la réhabilitation militaire;
  14° les arrêtés de grâce;
  15° les décisions d'octroi ou de révocation de la libération conditionnelle;
  16° les décisions rendues en matière pénale par des juridictions étrangères à charge de Belges [10 ou de personnes morales ayant leur siège social ou un siège d'exploitation en Belgique]10, qui sont notifiées au Gouvernement belge en vertu de conventions internationales [6 ou d'une règle de droit dérivé de l'Union européenne liant la Belgique]6, ainsi que les mesures d'amnistie, d'effacement de condamnation ou de réhabilitation prises par une autorité étrangère, susceptibles d'affecter ces dernières décisions, qui sont portées à la connaissance du Gouvernement belge.
  [1 17° les condamnations par simple déclaration de culpabilité prononcées en application de l'[14 article 27]14 de la loi du 17 avril 1878 contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale;]1
   [1 18° l' interdiction visée à l'article 35, § 1er, alinéa 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive [10 ...]10;]1
  [8 19° [11 l'extinction de l'action publique conformément à l'article 216bis, § 2, et à l'article 216ter, § 6;]11]8
  [15 20° les interdictions portuaires visées à l'article 4, § 3bis, de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes et à l'article 4.1.2.48, § 4, du Code belge de la Navigation.]15
  Le Casier judiciaire enregistre également les peines accessoires ou subsidiaires et les mesures de sûreté, ainsi que le sursis, simple ou probatoire, assortissant les condamnations.
  Les condamnations qui auraient déjà été enregistrées et qui feraient l'objet d'une décision d'acquittement prononcée à la suite d'un recours en opposition introduit durant le délai extraordinaire d'opposition ou d'un renvoi après annulation, sont effacées du Casier judiciaire.
  [12 Outre les données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er, les références dactyloscopiques uniques visées dans l'arrêté royal du 11 mars 2019 relatif aux modalités d'interrogation directe de la Banque de données nationale générale visée à l'article 44/7 de la loi sur la fonction de police au profit du Service public fédéral Justice dans le but de contribuer à l'identification unique des détenus, si elles sont disponibles, sont enregistrées et traitées par le Casier judiciaire au profit des autorités et des personnes visées à l'article 589, alinéa 2, 4°, et à l'article 593 du présent Code.
   Les autorités administratives visées à l'article 594 du présent Code peuvent prendre connaissance de ces références dactyloscopiques uniques si cette information est nécessaire à l'exercice de leurs compétences légales et si la communication des références dactyloscopiques uniques à ces autorités a été expressément autorisée par le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   Concernant les ressortissants d'un pays tiers au sens de l'article 3 du Règlement (UE) 2019/816 du Parlement Européen et du Conseil portant création d'un système centralisé permettant d'identifier les Etats membres détenant des informations relatives aux condamnations concernant des ressortissants de pays tiers et des apatrides (Ecris-TCN), qui vise à compléter le système européen d'information sur les casiers judiciaires, et modifiant le règlement (UE) 2018/1726, les données biométriques visées à l'article 44/1, § 2, 1°, de la loi sur la fonction de police sont demandées par le Casier judiciaire au service compétent de la direction de la police technique et scientifique visée à l'article 102, 4°, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, au moyen d'une référence dactyloscopique unique et supprimées sans délai du Casier judiciaire après que ces données ont été transmises conformément à l'article 5 du règlement.
   Les modalités techniques et fonctionnelles de cette transaction sont déterminées dans un protocole d'accord entre le Service public fédéral Justice et la police fédérale. Ce protocole porte au moins sur les mesures de sécurité en relation avec cette communication et la durée de conservation de ces données et informations.]12

  
Art. 591. [1 § 1. De schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau A van de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie, de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van dienst en de griffiers van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde hebben, uitsluitend in het kader van het beheer van het Strafregister, toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen [2 en tot de gegevens bedoeld in artikel 590, vierde lid]2.
   De personen bedoeld in artikel 593 hebben in het kader van de raadpleging van het Strafregister toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9° en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen [2 en tot de gegevens bedoeld in artikel 590, vierde lid]2.
   § 2. De personen bedoeld in paragraaf 1 mogen de identificatienummers van het Rijksregister van de natuurlijke personen [2 en de unieke dactyloscopische referentie van de gegevens bedoeld in artikel 590, vierde lid,]2 alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen of op te nemen personen.
   Zij mogen het inschrijvingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen bedoeld in artikel III.49 van het Wetboek van economisch recht alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen of op te nemen rechtspersonen.
   § 3. De personen bedoeld in paragraaf 1 kunnen de bevoegdheden bedoeld in paragraaf 2 overdragen aan één of meer schriftelijk bij naam aangewezen personen binnen hun dienst. Dergelijke delegaties moeten met redenen zijn omkleed en verantwoord door de behoeften van de dienst.
   De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder die delegaties worden verleend.]1

  
Art. 591. [1 § 1er. Les agents de niveau A du service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice, nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, les greffiers-chefs de service et les greffiers des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire ont, uniquement dans le cadre de la gestion du Casier judiciaire, accès aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques [2 et aux données visées à l'article 590, alinéa 4]2.
   Les personnes visées à l'article 593 ont, dans le cadre de la consultation du Casier judiciaire, accès aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 9°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques [2 et aux données visées à l'article 590, alinéa 4]2.
   § 2. Les personnes visées au paragraphe 1er sont autorisées à utiliser les numéros d'identification du Registre national des personnes physiques [2 et la référence dactyloscopique unique des données visées à l'article 590, alinéa 4,]2 à seule fin d'identification des personnes inscrites ou à inscrire dans le Casier judiciaire.
   Elles sont autorisées à utiliser le numéro d'inscription dans la Banque-Carrefour des Entreprises tel que prévu par l'article III.49 du Code de droit économique à seule fin d'identification des personnes morales inscrites ou à inscrire dans le Casier judiciaire.
   § 3. Les personnes visées au paragraphe 1er peuvent déléguer les facultés visées au paragraphe 2 à une ou plusieurs personnes de leur service, désignées nommément et par écrit. Ces délégations doivent être motivées et justifiées par les nécessités du service.
   Le Roi fixe les conditions dans lesquelles ces délégations sont données.]1

  
Art. 592. <W 1997-08-08/14, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> De griffiers maken de in artikel 590 opgesomde beslissingen over aan het Strafregister, binnen de drie dagen volgend op de dag waarop die in kracht van gewijsde zijn gegaan.
  [1 Indien de beslissing is uitgesproken door van een rechtscollege, dat noch een politierechtbank noch een rechtbank van eerste aanleg zetelend in hoger beroep tegen een vonnis van een politierechtbank is, en die beslissing heeft betrekking op een rechtspersoon die zijn statuten in België heeft neergelegd, zenden de griffiers bovendien een uittreksel van deze beslissing aan de griffie van het rechtscollege waar de statuten van deze rechtspersoon zijn neergelegd.]1
  Ze zijn verantwoordelijk voor de conformiteit van de overgezonden gegevens met de door de rechtscolleges uitgesproken beslissingen.
  
Art. 592. <L 1997-08-08/14, art. 6, 006; En vigueur : 03-09-2001> Les greffiers transmettent au Casier judiciaire les décisions visées à l'article 590 dans les trois jours qui suivent celui où celles-ci sont passées en force de chose jugée.
  [1 Lorsque la décision est prononcée par une juridiction autre qu'un tribunal de police ou qu'un tribunal de première instance siégeant en degré d'appel contre un jugement du tribunal de police, et qu'elle concerne une personne morale qui a déposé ses statuts en Belgique, les greffiers transmettent en outre un extrait de cette décision au greffe de la juridiction où les statuts de celle-ci ont été déposés.]1
  Ils sont responsables de la conformité des informations transmises aux décisions rendues par les juridictions.
  
Art. 593. <W 1997-08-08/14, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> De magistraten van het openbaar ministerie (onder wie het Belgische lid bij Eurojust), de onderzoeksrechters, [3 de vrederechters,]3 [1 de rechters en de assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken,]1 de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van [1 niveau A]1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, [4 de leden van de politiediensten die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de korpschefs van de lokale politie en de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de directeurs van de federale politie, de personeelsleden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en van zijn Dienst Enquêtes, opgericht door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de voorzitter van dit Comité, de leden en personeelsleden van het Controleorgaan op de politionele informatie, opgericht door de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de voorzitter van dit Controleorgaan, de personeelsleden van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van zijn Dienst Enquêtes, opgericht door dezelfde wet, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam zijn aangewezen door de voorzitter van dit Comité, de leden van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 15 mei 2007 op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten, die een kennisbehoefte hebben en die voorafgaandelijk en bij naam worden aangewezen door de Inspecteur-generaal]4, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de inlichtingendiensten in de zin van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, de leden van de Cel voor de verwerking van financiële informatie alsook de personeelsleden ervan die bekleed zijn met een graad welke overeenstemt met niveau 1 bij de ambtenaren, schriftelijk bij naam aangewezen, hebben steeds en uitsluitend in het kader van hun bij wet bepaalde opdrachten waarvoor kennis van gegevens uit het Strafregister is vereist, toegang tot de daarin opgenomen persoonsgegevens, met uitzondering van : <W 2004-06-21/35, art. 12, 009; Inwerkingtreding : 12-08-2004>
  1° veroordelingen waarvoor amnestie is verleend;
  2° beslissingen vernietigd op grond van artikel 416 tot 442 of artikel 443 tot 447bis van dit wetboek;
  3° beslissingen tot intrekking genomen op grond van de artikelen 10 tot 14 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het [2 Grondwettelijk Hof]2;
  4° veroordelingen en beslissingen uitgesproken op grond van een opgeheven wetsbepaling, op voorwaarde dat de strafbaarheid van het feit is opgeheven.
  [5 Zij hebben eveneens, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke bevoegdheden, toegang tot de informatie met betrekking tot de strafrechtelijke veroordelingen in een andere lidstaat van de Europese Unie via het Strafregister in zijn hoedanigheid van centrale autoriteit in de zin van artikel 3 van het Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten.]5
  [1 De in het eerste lid bedoelde magistraten van het openbaar ministerie, onderzoeksrechters, [3 vrederechters,]3 rechters en assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken, en ambtenaren van niveau A, kunnen deze bevoegdheid overdragen aan één of meer schriftelijk en bij naam aangewezen personen die onder hun gezag ressorteren.]1
  [4 De toegangsmodaliteiten maken het voorwerp uit van een protocolakkoord in de zin van artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens tussen de verantwoordelijke van de verwerking van het Strafregister en de aanvrager, zijnde de diensten bedoeld in artikel 593, eerste lid. Dit protocol bevat eveneens de gepaste maatregelen om de rechten en vrijheden van de betrokken personen te beschermen, in het bijzonder deze met betrekking tot :
   a) de registratie van de toegangen;
   b) de verplichting gehouden te zijn aan het beroepsgeheim of aan de vertrouwelijkheidsplicht;
   c) de technische en organisatorische maatregelen betreffende het beheer van de toegangen.
   De registratie van de toegangen dient ten minste toe te laten vast te stellen wie toegang had wanneer, tot welke gegevens en vanuit welke post en voor welke doeleinden de toegang werd gerealiseerd.]4

  
Art. 593. <L 1997-08-08/14, art. 7, 006; En vigueur : 03-09-2001> Les magistrats du ministère public [y compris le membre belge d'Eurojust], les juges d'instruction, [3 les juges de paix,]3 [1 les juges et assesseurs des tribunaux de l'application des peines,]1 les agents de [1 niveau A]1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, [4 les membres des services de police qui ont le besoin d'en connaître et nominativement et préalablement désignés par les chefs de corps pour la police locale, le commissaire général, les directeurs généraux et les directeurs pour la police fédérale, les membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de police, et de son Service d'enquêtes, tel institués par la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignement et de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par le Président dudit Comité, les membres du personnel de l'Organe de contrôle, et de son Service d'enquêtes, tel institués par la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitement de données à caractère personnel, qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par le Président dudit organe, les membres du personnel du Comité permanent de contrôle des services de renseignements et de sécurité, et de son Service d'enquêtes, tels qu'institués par la même loi, qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par le Président dudit Comité, les membres de l'inspection générale de la police fédérale et de la police locale, tels que visés à l'article 4 de la loi du 15 mai 2007 sur l'Inspection générale et portant des dispositions diverses relatives au statut de certains membres des services de police, qui ont le besoin d'en connaître, nominativement et préalablement désignés par l'Inspecteur général]4, les agents de niveau 1 des services de renseignements au sens de la loi du 18 juillet 1991 organique du contrôle des services de police et de renseignements, nommément désignés par écrit, et les membres de la Cellule de traitement des informations financières ainsi que les membres du personnel de celle-ci revêtus d'un grade équivalent à celui du niveau 1 des agents de l'Etat, nommément désignés par écrit, ont accès en permanence, uniquement dans le cadre de leurs missions prévues par la loi qui requièrent la connaissance du casier judiciaire, aux informations enregistrées dans le Casier judiciaire concernant chaque personne, à l'exception : <L 2004-06-21/35, art. 12, 009; En vigueur : 12-08-2004>
  1° des condamnations ayant fait l'objet d'une mesure d'amnistie;
  2° des décisions annulées par application des articles 416 à 442 ou des articles 443 à 447bis du présent code;
  3° des décisions de rétractation rendues par application des articles 10 à 14 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la [2 Cour constitutionnelle]2;
  4° des condamnations et des décisions prononcées sur la base d'une disposition ayant fait l'objet d'une abrogation, à la condition que l'incrimination pénale du fait soit supprimée.
  [5 Ils peuvent également, dans l'exercice de leurs compétences légales, accéder aux informations relatives aux condamnations pénales dans un autre Etat membre de l'Union européenne par l'intermédiaire du Casier judiciaire en sa qualité d'autorité centrale au sens de l'article 3 de la décision-cadre 2009/315/JAI du Conseil du 26 février 2009 concernant l'organisation et le contenu des échanges d'informations extraites du casier judiciaire entre les Etats membres.]5
   [1 Les magistrats du ministère public, juges d'instruction, [3 juges de paix,]3 juges et assesseurs des tribunaux de l'application des peines et agents de niveau A, visés à l'alinéa 1er, peuvent déléguer cette faculté à une ou plusieurs personnes qui relèvent de leur autorité, désignées nommément et par écrit.]1
  [4 Les modalités d'accès font l'objet d'un protocole d'accord au sens de l'article 20 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel entre le responsable du traitement du Casier judiciaire et le demandeur, c'est-à-dire les services visés à l'article 593, 1er alinéa. Ce protocole contient également les mesures appropriées pour protéger les droits et libertés des personnes concernées dont notamment celles relatives :
   a) à la journalisation des accès;
   b) à l'obligation d'être tenu au secret professionnel ou au devoir de confidentialité;
   c) aux mesures techniques et organisationnelles relatives à la gestion des accès.
   La journalisation des accès doit au minimum permettre d'établir qui a eu accès quand, à quelles données, à partir de quel poste et pour quelles finalités l'accès a été réalisé.]4

  
Art. 594. <W 1997-08-08/14, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer aan bepaalde administratieve overheden toegang verlenen tot in het Strafregister opgenomen gegevens, zulks uitsluitend in het kader van door of krachtens de wet bepaalde doeleinden, en met uitzondering van :
  1° de veroordelingen en beslissingen bedoeld in artikel 593, 1° tot 4°;
  2° arresten van herstel in eer en rechten en veroordelingen waarop dat herstel in eer en rechten betrekking heeft;
  3° beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en tot probatie-opschorting [5 of [6 het verval van de strafvordering overeenkomstig de artikelen 216bis, § 2 en 216ter, § 6]6]5;
  4° [2 [3 de beslissingen die veroordelen tot een werkstraf overeenkomstig artikel 37quinquies van het Strafwetboek, met uitzondering voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek;]3 ]2.
  [3 5° de beslissingen die veroordelen tot een straf onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 37ter van het Strafwetboek, met uitzondering voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek;]3
  [4 6° de beslissingen die veroordelen tot een autonome probatiestraf overeenkomstig artikel 37octies van het Strafwetboek, behalve voor het opmaken van de voorbereidende lijst van gezworenen overeenkomstig artikel 224, 13°, van het Gerechtelijk Wetboek.]4
  Zij hebben geen toegang meer tot gegevens betreffende veroordelingen tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden [1 , tot veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring]1, tot geldboete van ten hoogste [1 500 euro]1 en tot geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve indien deze veroordelingen een vervallenverklaring of een ontzetting inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken, uitgesproken in het vonnis of waarvan die overheden absoluut kennis moeten hebben om een wets- of verordeningsbepaling te kunnen toepassen.
  Zij hebben wel toegang tot gegevens inzake de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van [de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade], onder de voorwaarden vastgesteld in dat artikel. <W 2006-05-15/35, art. 16; 011; Inwerkingtreding : 16-10-2006>
  [7 Zij hebben eveneens, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke bevoegdheden en voor zover zij hiertoe door de Koning individueel werden gemachtigd bij in Ministerraad overlegd besluit, toegang tot de informatie met betrekking tot de strafrechtelijke veroordelingen in een andere lidstaat van de Europese Unie via het Strafregister in zijn hoedanigheid van centrale autoriteit in de zin van artikel 3 van het Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten.]7
  
Art. 594. <L 1997-08-08/14, art. 8, 006; En vigueur : 03-09-2001> Le Roi peut autoriser certaines administrations publiques, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis de la Commission de la protection de la vie privée, à accéder aux informations enregistrées dans le Casier judiciaire, uniquement dans le cadre d'une fin déterminée par ou en vertu de la loi, à l'exception :
  1° des condamnations et décisions énumérées à l'article 593, 1° à 4°;
  2° des arrêts de réhabilitation et des condamnations visées par cette réhabilitation;
  3° des décisions ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation et la suspension probatoire [5 ou [6 l'extinction de l'action publique conformément à l'article 216bis, § 2 et à l'article 216ter, § 6]6]5;
  4° [2 [3 les décisions condamnant à une peine de travail conformément à l'article 37quinquies du Code pénal, excepté pour constituer la liste préparatoire des jurés conformément à l'article 224, 13° du Code judiciaire;]3 ]2;
  [3 5° les décisions condamnant à une peine de surveillance électronique conformément à l'article 37ter du Code pénal, excepté pour constituer la liste préparatoire des jurés conformément à l'article 224, 13° du Code judiciaire;]3
  [4 6° des décisions condamnant à une peine de probation autonome conformément à l'article 37octies du Code pénal, excepté pour constituer la liste préparatoire des jurés conformément à l'article 224, 13°, du Code judiciaire.]4
  Elles n'ont plus accès aux condamnations à des peines d'emprisonnement de six mois au plus, [1 , aux condamnations par simple déclaration de culpabilité,]1 à des peines d'amende ne dépassant pas [1 500 euros]1 et à des peines d'amende infligées en vertu des lois coordonnées par l'arrêté royal du 16 mars 1968 relatives à la police de la circulation routière quel que soit leur montant, après un délai de trois ans à compter de la date de la décision judiciaire définitive qui les prononce, sauf si ces condamnations comportent des déchéances ou des interdictions dont les effets dépassent une durée de trois ans, prononcées dans le jugement ou dont la connaissance leur est indispensable pour l'application d'une disposition légale ou réglementaire.
  Elles ont accès aux déchéances et mesures énumérées par l'article 63 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse [, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait], selon les conditions fixées par cet article. <L 2006-05-15/35, art. 16, 011; En vigueur : 16-10-2006>
  [7 Elles peuvent également, dans l'exercice de leurs compétences légales et dans la mesure où elles y ont été individuellement autorisées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, accéder aux informations relatives aux condamnations pénales dans un autre Etat membre de l'Union européenne via le Casier judiciaire en sa qualité d'autorité centrale au sens de l'article 3 de la décision-cadre 2009/315/JAI du Conseil du 26 février 2009 concernant l'organisation et le contenu des échanges d'informations extraites du casier judiciaire entre les Etats membres.]7
  
Art. 595. <W 1997-08-08/14, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001, gelet op de opheffing van art. 29 van W 1997-08-08/14> [4 Elke natuurlijke persoon of elke persoon bekwaam om een rechtspersoon te vertegenwoordigen,]4 die zijn identiteit bewijst, kan een uittreksel uit het Strafregister verkrijgen, dat een overzicht bevat van de daarin opgenomen persoonsgegevens die op hem [4 of, naar gelang het geval, op de rechtspersoon]4 betrekking hebben, met uitzondering van :
  1° [3 de veroordelingen, beslissingen of maatregelen opgesomd in artikel 594, 1° tot 6° ;]3
  2° maatregelen getroffen ten aanzien van abnormalen op grond van de wet van 1 juli 1964;
  3° de ontzettingen en maatregelen bedoeld in artikel 63 van [de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade]. <W 2006-05-15/35, art. 17, 011; Inwerkingtreding : 16-10-2006>
  Veroordelingen tot gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden [1 , veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring, en veroordelingen]1 tot geldboete van ten hoogste [1 500 euro]1 en tot geldboete, ongeacht het bedrag ervan, die is opgelegd krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, worden niet meer op dit uittreksel vermeld na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken, behalve als ze in het vonnis, voorzien in een ontzetting of een vervallenverklaring waarvan de gevolgen de duur van 3 jaar overstijgen.
  [4 De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.]4
  [4 Elke natuurlijke persoon, voor zover hij zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van de rechtstreeks op hem betrekking hebbende gegevens uit het Strafregister, overeenkomstig artikel 10 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Ieder persoon bevoegd om een rechtspersoon te vertegenwoordigen, voor zover hij zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van gegevens uit het Strafregister die betrekking hebben op de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt.]4
  [5 De gegevens uit het strafregister die worden opgevraagd door onderdanen van een lidstaat of onderdanen van een derde land en die op henzelf betrekking hebben, worden onverwijld door het Strafregister opgevraagd bij de lidstaat waarvan de betrokkene de nationaliteit heeft respectievelijk de lidstaat of lidstaten die over gegevens uit het strafregister aangaande de betrokken derdelander beschikken overeenkomstig artikel 6, paragrafen 3 en 3bis, van het Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten en vervolgens meegedeeld aan de betrokken persoon.]5
  
Art. 595. <L 1997-08-08/14, art. 9, 006; En vigueur : 03-09-2001, vu l'abrogation de l'art. 29 de la loi modificative> Toute personne [4 physique ou toute personne compétente pour représenter une personne morale,]4 justifiant de son identité peut obtenir un extrait du Casier judiciaire comportant le relevé des informations enregistrées dans le Casier judiciaire qui la concernent personnellement [4 ou la personne morale selon le cas,]4, à l'exception :
  1° [3 des condamnations, décisions ou mesures énumérées à l'article 594, 1° à 6° ;]3
  2° des mesures prises à l'égard des anormaux par application de la loi du 1er juillet 1964;
  3° des déchéances et mesures énumérées par l'article 63 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse [, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait]. <L 2006-05-15/35, art. 17, 011; En vigueur : 16-10-2006>
  Les condamnations à des peines d'emprisonnement de six mois au plus [1 , les condamnations par simple déclaration de culpabilité et les condamnations]1 à des peines d'amende ne dépassant pas [1 500 euros]1 et à des peines d'amende infligées en vertu des lois coordonnées par l'arrêté royal du 16 mars 1968 relatives à la police de la circulation routière quel que soit leur montant, ne sont plus mentionnées dans cet extrait après un délai de trois ans à compter de la date de la décision judiciaire définitive qui les prononce, sauf si elles prévoient, dans le jugement, une déchéance ou une interdiction dont les effets dépassent une durée de trois ans.
  [4 Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de cet extrait. Lorsque l'extrait concerne une personne physique qui a son domicile ou sa résidence en Belgique, il est délivré par l'administration de la commune où la personne physique a son domicile ou sa résidence. Si elle n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice. Lorsque l'extrait concerne une personne morale, il est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice.]4
  [4 Toute personne physique, justifiant de son identité, bénéficie du droit de communication des données du Casier judiciaire qui la concernent directement, conformément à l'article 10 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel. Toute personne compétente pour représenter une personne morale, justifiant de son identité, bénéficie du droit de communication des données du Casier judiciaire qui concernent la personne morale qu'elle représente.]4
  [5 Les informations du casier judiciaire demandées par les ressortissants d'un Etat membre ou les ressortissants d'un pays tiers les concernant sont demandées sans délai par le Casier judiciaire respectivement à l'Etat membre de la nationalité de l'intéressé ou à l'Etat membre ou aux Etats membres qui détiennent des informations sur le casier judiciaire du ressortissant de pays tiers concerné conformément à l'article 6, paragraphes 3 et 3bis, de la décision-cadre 2009/315/JAI du Conseil du 26 février 2009 concernant l'organisation et le contenu des échanges d'informations extraites du casier judiciaire entre les Etats membres et ensuite communiquée à la personne concernée.]5
  
Art. 596. <W 1997-08-08/14, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001, gelet op de opheffing van art. 29 van W 1997-08-08/14> Wanneer het uittreksel evenwel wordt aangevraagd teneinde toegang te krijgen tot een activiteit waarvan de toegangs- of uitoefeningsvoorwaarden bij wets- of verordeningsbepalingen zijn vastgesteld, worden de veroordelingen bedoeld in artikel 595, tweede lid vermeld indien zij een ontzetting of een vervallenverklaring inhouden waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken en die de betrokkene verbieden deze activiteit uit te oefenen.
  [1 Wanneer het uittreksel wordt aangevraagd ten einde toegang te krijgen tot een activiteit die onder opvoeding, psycho-medisch-sociale begeleiding, hulpverlening aan de jeugd, kinderbescherming, animatie of begeleiding van minderjarigen valt, vermeldt het uittreksel behalve de veroordelingen en de beslissingen bedoeld in het eerste lid, ook [3 de beslissingen bedoeld in artikel 594, 4° tot 6°,]3 de veroordelingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 1° en 17°, en de beslissingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 2°, 4°, 5° en 16°, voor feiten gepleegd ten aanzien van een minderjarige en voor zover dit een constitutief element van de inbreuk is of de straf verzwaart. De gemeentelijke administratie vermeldt bovendien of de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een verbod om een activiteit uit te oefenen die hem in contact zou brengen met minderjarigen, uitgesproken door een rechter of een onderzoeksgerecht met toepassing van artikel 35, § 1, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis. Het verbod dient op het uittreksel te worden vermeld tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen. [5 ...]5]1
  [4 De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.]4
  [1 Het in het tweede lid bedoelde uittreksel mag niet worden afgeleverd aan een persoon die zich in voorlopige hechtenis bevindt.]1
Art. 596. <L 1997-08-08/14, art. 10, 006; En vigueur : 03-09-2001, vu l'abrogation de l'art. 29 de la loi modificative> Lorsque la demande d'extrait est effectuée en vue d'accéder à une activité dont les conditions d'accès ou d'exercice ont été définies par des dispositions légales ou réglementaires, l'extrait mentionne les décisions visées à l'article 595 alinéa 2 lorsqu'elles comportent des déchéances ou des interdictions dont les effets dépassent une durée de trois ans, ayant pour effet d'interdire à la personne concernée d'exercer cette activité.
  [1 Lorsque la demande d'extrait est effectuée en vue d'accéder à une activité qui relève de l'éducation, de la guidance psycho-médico-sociale, de l'aide à la jeunesse, de la protection infantile, de l'animation ou de l'encadrement de mineurs, l'extrait mentionne, outre les décisions visées à l'alinéa 1er, aussi [3 les décisions visées à l'article 594, 4° à 6° et]3 les condamnations visées à l'article 590, alinéa 1er, 1° et 17°, et les décisions visées à l'article 590, alinéa 1er, 2°, 4°, 5° et 16°, pour des faits commis à l'égard d'un mineur, et pour autant que cet élément soit constitutif de l'infraction ou qu'il en aggrave la peine. L'administration communale mentionne en outre, si l'intéressé fait l'objet d'une interdiction d'exercer une activité qui la mettrait en contact avec des mineurs, décidée par un juge ou une juridiction d'instruction en application de l'article 35, § 1er, alinéa 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive. L'interdiction doit être mentionnée sur l'extrait jusqu'au moment où le jugement qui s'ensuit acquiert force de chose jugée. [5 ...]5]1
  [4 Le Roi fixe les conditions et les modalités de délivrance de cet extrait. Lorsque l'extrait concerne une personne physique qui a son domicile ou sa résidence en Belgique, il est délivré par l'administration de la commune où la personne physique a son domicile ou sa résidence. Si elle n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice. Lorsque l'extrait concerne une personne morale, il est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice.]4
  [1 L'extrait visé à l'alinéa 2 ne peut être délivré à une personne qui se trouve en détention préventive.]1
(NOTA : bij arrest nr 1/2011 van 13-01-2011 (B.St. 15-03-2011, p. 16342-16350), heeft het Grondwettelijk Hof in artikel 596, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij artikel 6, 1°, van de wet van 31 juli 2009 betreffende diverse bepalingen met betrekking tot het Centraal Strafregister, de woorden " tot op het moment dat de daarop volgende rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft verkregen " vernietigd)
  
(NOTE : par son arrêt n° 1/2011 du 13-01-2011 (M.B. 15-03-2011, p. 16334-16341), la Cour Constitutionnelle a annulé dans l'article 596, alinéa 2, du Code d'instruction criminelle, remplacé par l'article 6, 1°, de la loi du 31 juillet 2009 portant diverses dispositions concernant le Casier judiciaire central, les mots " jusqu'au moment où le jugement qui s'ensuit acquiert force de chose jugée ")
  
Art. 596bis. [1 Wanneer het uittreksel bedoeld in artikel 596, eerste lid, wordt aangevraagd ten einde toegang te krijgen tot een activiteit in een haven, een havenfaciliteit, een terminal gelegen in het binnenland of een vestigingseenheid met impact op de maritieme beveiliging, zoals bedoeld in artikel 2.5.2.3, 4°, 5°, 16° en 17°, van het Belgisch Scheepvaartwetboek, vermeldt het uittreksel:
   1° de veroordelingen en de beslissingen bedoeld in artikel 596, eerste lid;
   2° de veroordelingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 1°, 3°, 17° en 20° ;
   3° gedurende drie jaar vanaf de dag van de veroordeling de beslissingen bedoeld in artikel 594, 4° tot 6° in het geval deze betrekking hebben op inbreuken op:
   i. de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen, en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen;
   ii. één van de misdrijven bedoeld in boek II, titel VI, hoofdstuk I van het Strafwetboek;
   iii. één van de misdrijven bedoeld in boek II, titel IX, hoofdstuk I, afdeling I van het Strafwetboek;
   iv. één van de misdrijven bedoeld in boek II, titel IX, hoofdstuk III, afdeling VIIIbis van het Strafwetboek;
   v. een ongeoorloofde actie in de zin van artikel 4.1.2.48, § 2 of § 3, van het Belgisch Scheepvaartwetboek.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.]1

  
Art. 596bis. [1 Lorsque l'extrait visé à l'article 596, alinéa 1er, est demandé en vue d'accéder à une activité dans un port, une installation portuaire, un terminal intérieur ou une unité d'établissement ayant un impact sur la sûreté maritime, tels que visés à l'article 2.5.2.3, 4°, 5°, 16° et 17°, l'extrait mentionne:
   1° les condamnations et décisions visées à l'article 596, alinéa 1er;
   2° les condamnations visées à l'article 590, alinéa 1er, 1°, 3° 17° et 20° ;
   3° pendant trois ans à compter du jour de la condamnation les décisions visées à l'article 594, 4° à 6° au cas où celles-ci concernent des infractions sur:
   i. la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes;
   ii. une des infractions visées au livre II, titre VI, chapitre Ier du Code pénal;
   iii. une des infractions visées au livre II, titre IX, chapitre Ier, section Ire du Code pénal;
   iv. une des infractions visées au livre II, titre IX, chapitre III, section VIIIbis du Code pénal;
   v. une action illicite au sens de l'article 4.1.2.48, § 2 ou § 3, du Code belge de la Navigation.
   Le Roi détermine les conditions et modalités de délivrance de cet extrait. Pour une personne physique ayant son domicile ou son lieu de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par l'administration communale du domicile ou du lieu de résidence. Si l'intéressé n'a pas son domicile ou son lieu de résidence en Belgique, l'extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice. Lorsqu'il s'agit d'une personne morale, cet extrait est délivré par le service du Casier judiciaire du Service public fédéral Justice.]1

  
Art. 597. <W 1997-08-08/14, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> Uittreksels uit het Strafregister worden aan buitenlandse overheden uitgereikt in de gevallen omschreven in internationale overeenkomsten [1 of een regel van afgeleid recht van de Europese Unie waardoor België is gebonden]1.
  
Art. 597. <L 1997-08-08/14, art. 3, 006; En vigueur : 03-09-2001> Des extraits du Casier judiciaire sont délivrés aux autorités étrangères dans les cas prévus par des conventions internationales [1 ou une règle de droit dérivé de l'Union européenne liant la Belgique]1.
  
Art. 598. [1 De gegevens van het Strafregister die betrekking hebben op overleden natuurlijke personen of rechtspersonen na afsluiting van de vereffening, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening, worden eenmaal per jaar aan het Algemeen Rijksarchief toegezonden.]1
  
Art. 598. [1 Les renseignements enregistrés dans le Casier judiciaire au sujet de personnes physiques décédées ou de personnes morales après clôture de la liquidation, dissolution judiciaire ou dissolution sans liquidation, sont transmis une fois par an aux Archives générales du Royaume.]1
  
Art. 599. <W 1997-08-08/14, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> De raadpleging van het Strafregister en de afgifte van uittreksels kunnen aanleiding geven tot vergoedingen vastgesteld door de Koning.
Art. 599. <L 1997-08-08/14, art. 13, 006; En vigueur : 03-09-2001> La consultation du Casier judiciaire et la délivrance des extraits peuvent donner lieu à des rétributions fixées par le Roi.
Art. 600. <W 1997-08-08/14, art. 14, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> De door het Strafregister meegedeelde gegevens vormen geen bewijs van de rechterlijke of administratieve beslissingen waarop zij betrekking hebben.
Art. 600. <L 1997-08-08/14, art. 14, 006; En vigueur : 03-09-2001> Les informations communiquées par le Casier judiciaire ne constituent pas la preuve des décisions judiciaires ou administratives auxquelles elles se rapportent.
Art. 601. <W 1997-08-08/14, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> De personen die in de uitoefening van hun ambt meewerken aan het verzamelen, het verwerken of het toezenden van de in artikel 590 bedoelde gegevens, zijn gebonden door het beroepsgeheim. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing.
  Zij moeten alle maatregelen nemen die nodig zijn om de veiligheid van de geregistreerde gegevens te waarborgen, waarbij zij inzonderheid moeten verhinderen dat zij worden vervalst, beschadigd of meegedeeld aan personen die geen machtiging hebben om kennis ervan te nemen.
  Zij moeten nagaan of de programma's voor de geautomatiseerde verwerking van de gegevens geschikt zijn en rechtmatig worden toegepast.
  Zij moeten ervoor zorgen dat de gegevens op rechtmatige wijze worden overgezonden.
  De identiteit van de personen die om raadpleging van het Strafregister verzoeken, wordt geregistreerd in een controlesysteem. Deze gegevens worden gedurende zes maanden bewaard.
Art. 601. <L 1997-08-08/14, art. 15, 006; En vigueur : 03-09-2001> Les personnes qui, dans l'exercice de leurs fonctions, interviennent dans la collecte, le traitement ou la transmission des informations visées par l'article 590 sont tenues au secret professionnel. L'article 458 du Code pénal leur est applicable.
  Elles prennent toutes mesures utiles afin d'assurer la sécurité des informations enregistrées et empêchent notamment qu'elles soient déformées, endommagées, ou communiquées à des personnes qui n'ont pas obtenu l'autorisation d'en prendre connaissance.
   Elles s'assurent du caractère approprié des programmes servant au traitement automatique des informations ainsi que de la régularité de leur application.
  Elles veillent à la régularité de la transmission des informations.
  L'identité des auteurs de toute demande de consultation du Casier judiciaire est enregistrée dans un système de contrôle. Ces informations sont conservées pendant six mois.
Art. 602. <W 1997-08-08/14, art. 16, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> De Koning kan maatregelen vaststellen die erop zijn gericht de veiligheid van de gegevens opgenomen in het Strafregister te waarborgen.
Art. 602. <L 1997-08-08/14, art. 16, 006; En vigueur : 03-09-2001> Le Roi peut fixer des mesures propres à assurer la sécurité de l'information relative au Casier judiciaire.
HOOFDSTUK II. (GEVANGENISSEN).
CHAPITRE II. - [Des prisons]
Art. 603. <W 1999-05-07/61, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1999> Behalve de (strafinrichtingen), bestemd voor de uitvoering van de straffen, zal er in ieder arrondissement bij de Rechtbank van eerste aanleg een Huis van arrest zijn om er de verdachten in op te nemen. Eveneens zal er bij ieder Hof van Assisen een Huis van arrest zijn om er degenen in op te nemen tegen wie een beschikking tot gevangenneming is uitgevaardigd. <W 2005-01-12/39, art. 172, 010; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art. 603. <L 1999-05-07/61, art. 9, 005; En vigueur : 01-07-1999> Excepté les [établissements pénitentiaires, destinés à] l'exécution des peines, il y aura, dans chaque arrondissement près le Tribunal de première instance, une Maison d'arrêt pour y admettre les inculpés. De même, il y aura près de chaque Cour d'Assises une Maison d'arrêt pour y admettre ceux contre lesquels une ordonnance de prise de corps a été décernée. <L 2005-01-12/39, art. 172, 010; En vigueur : 15-01-2007>
Art. 603bis. [1 Door de Koning wordt een beveiligd klinisch observatiecentrum opgericht waar verdachten ter observatie in voorhechtenis kunnen opgesloten worden, overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.]1
  
Art. 603bis. [1 Il est créé par le Roi un centre d'observation clinique sécurisé où des inculpés pourront être placés en détention préventive pour mise en observation, conformément à la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.]1
  
Art. 604. De huizen van arrest (...) zijn volkomen onderscheiden van de (strafinrichtingen) bestemd voor de uitvoering van de straffen. <W 1999-0-07/61, art. 10, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1999> <W 2005-01-12/39, art. 172, 010; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art. 604. Les maisons d'arrêt [...] seront entièrement distinctes des [établissements pénitentiaires établis] pour peines. <L 1999-05-07/61, art. 10, 005; En vigueur : 01-07-1999> <L 2005-01-12/39, art. 172, 010; En vigueur : 15-01-2007>
Art. 605. De gouverneurs dragen zorg dat die verschillende huizen niet alleen veilig, maar ook zindelijk zijn, en in zodanige staat dat de gezondheid van de gevangenen generlei schade kan lijden.
Art. 605. Les [gouverneurs] veilleront à ce que ces différentes maisons soient non seulement sûres, mais propres, et telles que la santé des prisonniers ne puisse être aucunement altérée. <L 10-07-1967, art. 1, 234°>
Art. 606. [1 De personen tegen wie, ingevolge een uithandengeving die uitgesproken is op grond van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, worden geplaatst in een gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
   Indien voornoemde personen veroordeeld zijn tot een hoofdgevangenisstraf of een bijkomende gevangenisstraf, zitten zij die straf uit in de strafvleugel van een gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
   Wanneer deze personen achttien jaar of ouder zijn en het aantal plaatsen van de gemeenschapscentra op het tijdstip van de plaatsing of later ontoereikend is, worden zij evenwel in een strafinrichting voor volwassenen geplaatst. Ze worden ook in een strafinrichting voor volwassenen geplaatst of ernaar overgebracht wanneer ze drieëntwintig jaar of ouder zijn.
   Ingeval de jongere die de volle leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, het leven in het centrum ernstig verstoort of de integriteit van de andere jongeren of van het personeel van het centrum in gevaar brengt, richt de bevoegde overheid van de gemeenschap een omstandig verslag aan de minister van Justitie. Deze kan de jongere dan naar een strafinrichting voor volwassenen verwijzen.]1

  
Art. 606. [1 Les personnes qui, à la suite d'un dessaisissement prononcé sur base de l'article 57bis de la loi 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, font l'objet d'un mandat d'arrêt, sont placées dans un centre communautaire pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction.
   Si les mêmes personnes font l'objet d'une condamnation à une peine d'emprisonnement principal ou accessoire, elles exécutent cette peine dans l'aile punitive d'un centre communautaire pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction.
   Toutefois, si ces personnes sont âgées de dix-huit ans ou plus et qu'au moment du placement ou ultérieurement, le nombre de places dans les centres communautaires est insuffisant, elles sont placées dans un établissement pénitentiaire pour adultes. Elles sont également placées ou renvoyées dans un établissement pénitentiaire pour adultes lorsqu'elles sont âgées de vingt-trois ans ou plus.
   Si le jeune de dix-huit ans accomplis cause des troubles graves au sein du centre ou met en danger l'intégrité des autres jeunes ou du personnel du centre, l'autorité communautaire compétente peut adresser au ministre de la Justice un rapport circonstancié. Celui-ci peut alors renvoyer le jeune dans un établissement pénitentiaire pour adultes.]1

  
Art. 606 _FRANSE_GEMEENSCHAP.
   [1 De personen tegen wie, ingevolge een uithandengeving die uitgesproken is op grond van artikel 57bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade [2 en artikel 125 van het decreet van 18 januari 2018 houdende het wetboek van preventie, hulpverlening aan de jeugd en jeugdbescherming]2, een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, worden geplaatst in een gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
   Indien voornoemde personen veroordeeld zijn tot een hoofdgevangenisstraf of een bijkomende gevangenisstraf, zitten zij die straf uit in de strafvleugel van een gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
   Wanneer deze personen achttien jaar of ouder zijn en het aantal plaatsen van de gemeenschapscentra op het tijdstip van de plaatsing of later ontoereikend is, worden zij evenwel in een strafinrichting voor volwassenen geplaatst. Ze worden ook in een strafinrichting voor volwassenen geplaatst of ernaar overgebracht wanneer ze drieëntwintig jaar of ouder zijn.
   Ingeval de jongere die de volle leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, het leven in het centrum ernstig verstoort of de integriteit van de andere jongeren of van het personeel van het centrum in gevaar brengt, richt de bevoegde overheid van de gemeenschap een omstandig verslag aan de minister van Justitie. Deze kan de jongere dan naar een strafinrichting voor volwassenen verwijzen.]1
Art. 606 _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
   [1 Les personnes qui, à la suite d'un dessaisissement prononcé sur base de l'article 57bis de la loi 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait [2 et l'article 125 du décret du 18 janvier 2018 portant le code de la prévention, de l'aide à la jeunesse et de la protection de la jeunesse]2, font l'objet d'un mandat d'arrêt, sont placées dans un centre communautaire pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction.
   Si les mêmes personnes font l'objet d'une condamnation à une peine d'emprisonnement principal ou accessoire, elles exécutent cette peine dans l'aile punitive d'un centre communautaire pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction.
   Toutefois, si ces personnes sont âgées de dix-huit ans ou plus et qu'au moment du placement ou ultérieurement, le nombre de places dans les centres communautaires est insuffisant, elles sont placées dans un établissement pénitentiaire pour adultes. Elles sont également placées ou renvoyées dans un établissement pénitentiaire pour adultes lorsqu'elles sont âgées de vingt-trois ans ou plus.
   Si le jeune de dix-huit ans accomplis cause des troubles graves au sein du centre ou met en danger l'intégrité des autres jeunes ou du personnel du centre, l'autorité communautaire compétente peut adresser au ministre de la Justice un rapport circonstancié. Celui-ci peut alors renvoyer le jeune dans un établissement pénitentiaire pour adultes.]1
Art. 606_VLAAMS_GEWEST.    [1 De personen tegen wie, ingevolge een uithandengeving die uitgesproken is op grond van artikel [2 38 van het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht]2, een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, worden geplaatst in een gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
   Indien voornoemde personen veroordeeld zijn tot een hoofdgevangenisstraf of een bijkomende gevangenisstraf, zitten zij die straf uit in de strafvleugel van een gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
   Wanneer deze personen achttien jaar of ouder zijn en het aantal plaatsen van de gemeenschapscentra op het tijdstip van de plaatsing of later ontoereikend is, worden zij evenwel in een strafinrichting voor volwassenen geplaatst. Ze worden ook in een strafinrichting voor volwassenen geplaatst of ernaar overgebracht wanneer ze drieëntwintig jaar of ouder zijn.
   Ingeval de jongere die de volle leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, het leven in het centrum ernstig verstoort of de integriteit van de andere jongeren of van het personeel van het centrum in gevaar brengt, richt de bevoegde overheid van de gemeenschap een omstandig verslag aan de minister van Justitie. Deze kan de jongere dan naar een strafinrichting voor volwassenen verwijzen.]1
Art. 606 _REGION_FLAMANDE.
   [1 Les personnes qui, à la suite d'un dessaisissement prononcé sur base de l'article [2 38 du décret du 15 février 2019 sur le droit en matière de délinquance juvénile]2 font l'objet d'un mandat d'arrêt, sont placées dans un centre communautaire pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction.
   Si les mêmes personnes font l'objet d'une condamnation à une peine d'emprisonnement principal ou accessoire, elles exécutent cette peine dans l'aile punitive d'un centre communautaire pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction.
   Toutefois, si ces personnes sont âgées de dix-huit ans ou plus et qu'au moment du placement ou ultérieurement, le nombre de places dans les centres communautaires est insuffisant, elles sont placées dans un établissement pénitentiaire pour adultes. Elles sont également placées ou renvoyées dans un établissement pénitentiaire pour adultes lorsqu'elles sont âgées de vingt-trois ans ou plus.
   Si le jeune de dix-huit ans accomplis cause des troubles graves au sein du centre ou met en danger l'intégrité des autres jeunes ou du personnel du centre, l'autorité communautaire compétente peut adresser au ministre de la Justice un rapport circonstancié. Celui-ci peut alors renvoyer le jeune dans un établissement pénitentiaire pour adultes.]1
Art. 607. De bewaarders van de huizen van arrest, (...) en van de gevangenissen zijn verplicht een register te bezitten. <W 1999-05-07/61, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
  (Dit register wordt op alle bladzijden getekend en geparafeerd door de onderzoekrechter voor de huizen van arrest bij de rechtbanken van eerste aanleg, door de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg voor de huizen van arrest bij de hoven van assisen en door de provinciegouverneur voor de gevangenissen bestemd voor de uitvoering van de straffen.) <W 1999-05-07/61, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
Art. 607. Les gardiens des maisons d'arrêt, [...] et des prisons, seront tenus d'avoir un registre. <L 1999-05-07/61, art. 11, 005; En vigueur : 01-07-1999>
  [Ce registre sera signé sur toutes les pages et paraphé par le juge d'instruction pour les maisons d'arrêt près des tribunaux de première instance, par le président du Tribunal de première instance pour les maisons d'arrêt près les cours d'assises et par le gouverneur de province pour les prisons destinées à l'exécution des peines.] <L 1999-05-07/61, art. 11, 005; En vigueur : 01-07-1999>
Art. 608. Ieder uitvoerder van een bevel tot aanhouding, van een beschikking tot gevangenneming, van een veroordelend arrest of vonnis is verplicht de akte waarvan hij houder is, op het register te doen inschrijven, voordat hij de door hem opgebrachte persoon aan de bewaarder overgeeft; de akte van overgifte wordt in zijn bijzijn geschreven.
  Een en ander wordt door hem en door de bewaarder getekend.
  De bewaarder geeft hem, te zijner ontlasting, een afschrift dat hij ondertekent.
Art. 608. Tout exécuteur de mandat d'arrêt, d'ordonnance de prise de corps, d'arrêt ou de jugement de condamnation, est tenu, avant de remettre au gardien la personne qu'il conduira, de faire inscrire sur le registre l'acte dont il sera porteur; l'acte de remise sera écrit devant lui.
  Le tout sera signé tant par lui que par le gardien.
  Le gardien lui en remettra une copie signée de lui, pour sa décharge.
Art. 609. Geen bewaarder mag, op straffe van vervolging en veroordeling wegens willekeurige vrijheidsberoving, iemand in de gevangenis opnemen of vasthouden dan uit kracht hetzij van een bevel tot bewaring, hetzij van een bevel tot aanhouding in de bij de wet vereiste vorm uitgevaardigd, hetzij van een arrest van verwijzing naar het hof van assisen (...), van een arrest of vonnis van veroordeling tot een criminele straf of een gevangenisstraf, en zonder dat de overschrijving ervan op zijn register gedaan is. <W 10-07-1967, art. 1, 237°>
Art. 609. Nul gardien ne pourra, à peine d'être poursuivi et puni comme coupable de détention arbitraire, recevoir ni retenir aucune personne qu'en vertu soit d'un mandat de dépôt, soit d'un mandat d'arrêt décerné selon les formes prescrites par la loi, soit d'un arrêt de renvoi devant une cour d'assises [...] d'un arrêt ou jugement de condamnation [à une peine criminelle], ou à un emprisonnement et, sans que la transcription en ait été faite sur son registre. <L 10-07-1967, art. 1, 237°>
Art. 610. Het voormelde register bevat eveneens, op de kant van de akte van overgifte van de gevangene, de datum van zijn ontslag, alsook de beschikking, het arrest of het vonnis uit kracht waarvan het ontslag geschiedt.
Art. 610. Le registre ci-dessus mentionné contiendra également, en marge de l'acte de remise, la date de la sortie du prisonnier, ainsi que l'ordonnance, l'arrêt ou le jugement en vertu duquel elle aura lieu.
Art. 611. De onderzoeksrechter is verplicht ten minste eens in de maand de in het huis van arrest (bij de rechtbank van eerste aanleg) van het arrondissement opgesloten personen te bezoeken. <W 1999-05-07/61, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
  [1 Tweede lid opgeheven.]1
  De gouverneur is verplicht ten minste eens in het jaar alle (huizen van arrest bij de hoven van assisen en alle gevangenissen) en alle gevangenen van de provincie te bezoeken. <W 1999-05-07/61, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
  
Art. 611. Le juge d'instruction est tenu de visiter au moins une fois par mois, les personnes retenues dans la maison d'arrêt [près du tribunal de première instance] de l'arrondissement. <L 1999-0-07/61, art. 12, 005; En vigueur : 01-07-1999>
  [1 Alinéa 2 abrogé.]1
  [Le gouverneur] est tenu de visiter au moins une fois par an, toutes les [maisons d'arrêt près des cours d'assises et toutes les] prisons, et tous les prisonniers [de la province]. <L 10-07-1967, art. 1, 238°> <L 1999-05-07/61, art. 12, 005; En vigueur : 01-07-1999>
  
Art. 612. Bovendien is ook de burgemeester van elke gemeente waar (...), (...), (...) een gevangenis bestaat (...) verplicht die huizen ten minste eens in de maand te bezoeken. <W 10-07-1967, art. 1, 239°> <W 1999-05-07/61, art. 13, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1999> <W 2005-01-12/39, art. 173, 010; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art. 612. Indépendamment des visites ordonnées par l'article précédent, le [bourgmestre] de chaque commune où il y aura [...] une prison, [...] est tenu de faire, au moins une fois par mois, la visite de ces maisons. <L 10-07-1967, art. 1, 239°> <L 1999-05-07/61, art. 13, 005; En vigueur : 01-07-1999> <L 2005-01-12/39, art. 173, 010; En vigueur : 15-01-2007>
Art. 613. De burgemeester (...) waakt ervoor dat de gevangenen voldoende en gezond voedsel krijgen; de handhaving van de orde in die huizen behoort tot zijn bevoegdheid. <W 10-07-1967, art. 1, 240°>
  (De voorzitter van het hof van assisen kan alle voor de berechting noodzakelijke bevelen geven die in de huizen van arrest bij de hoven van assisen moeten worden uitgevoerd.) <W 2005-01-12/39, art. 174, 010; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art. 613. [Le bourgmestre] veillera à ce que la nourriture des prisonniers soit suffisante et saine : la police de ces maisons lui appartiendra. <L 10-07-1967, art. 1, 240°>
  [Le président de la cour d'assises pourra donner tous les ordres nécessaires pour le jugement qui devront être exécutés dans les maisons d'arrêt près des cours d'assises.] <L 2005-01-12/39, art. 174, 010; En vigueur : 15-01-2007>
Art. 614. De gevangene die zich schuldig maakt aan bedreigingen, beledigingen of gewelddaden hetzij tegen (het personeel (van de gevangenissen)), hetzij tegen andere gevangenen, wordt, op bevel van wie daartoe bevoegd is, strenger bewaakt (of afgezonderd), onverminderd de vervolgingen waartoe zijn gedrag aanleiding kan geven. <W 10-07-1967, art. 1, 241°> <W 2005-01-12/39, art. 175, 010; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art. 614. Si quelque prisonnier use de menaces, injures ou violences, soit à l'égard [du personnel [des prisons]], soit à l'égard des autres prisonniers, il sera, sur les ordres de qui il appartiendra, resserré plus étroitement, [ou enfermé seul], sans préjudice des poursuites auxquelles il pourrait avoir donné lieu. <L 10-07-1967, art. 1, 241°> <L 2005-01-12/39, art. 175, 010; En vigueur : 15-01-2007>
HOOFDSTUK III. - MIDDELEN OM DE PERSOONLIJKE VRIJHEID TE VERZEKEREN TEGEN WEDERRECHTELIJKE VRIJHEIDSBEROVING OF ANDERE DADEN VAN WILLEKEUR.
CHAPITRE III. - DES MOYENS D'ASSURER LA LIBERTE INDIVIDUELLE CONTRE LES DETENTIONS ILLEGALES OU D'AUTRES ACTES ARBITRAIRES.
Art. 615. (...) Ieder die ervan kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt in een plaats welke niet bestemd is om tot huis van arrest, (...) of (strafinrichting) te dienen, is verplicht daarvan bericht te geven aan de (rechter in de politierechtbank), aan de procureur des Konings (...) of aan de onderzoeksrechter, of aan de procureur-generaal bij het hof van beroep. <W 10-07-1967, art. 1, 242°> <W 10-10-1967, art. 91, § 3> <W 1999-05-07/61, art. 15, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1999> <W 2005-01-12/39, art. 176, 010; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art. 615. [...] Quiconque aura connaissance qu'un individu est détenu dans un lieu qui n'a pas été destiné à servir de maison d'arrêt, [...] ou [d'établissement pénitentiaire], est tenu d'en donner avis au [juge au tribunal de police], au [procureur du Roi], ou au juge d'instruction, ou au [procureur général près la cour d'appel]. <L 10-07-1967, art. 1, 242°> <L 10-10-1967, art. 91, § 3> <L 1999-05-07/61, art. 15, 005; En vigueur : 01-07-1999> <L 2005-01-12/39, art. 176, 007; En vigueur : 15-01-2007>
Art. 616. Ieder (rechter in de politierechtbank), ieder ambtenaar belast met het openbaar ministerie, ieder onderzoeksrechter is gehouden, op straffe van te worden vervolgd als medeplichtig aan willekeurige vrijheidsberoving, zich ambtshalve of na ontvangen bericht dadelijk ter plaatse te begeven en de gevangen gehouden persoon in vrijheid te doen stellen, of, indien er een wettelijke grond tot hechtenis aangevoerd wordt, hem terstond voor de bevoegde magistraat te doen brengen. <W 10-10-1967, art. 91, § 3>
  Hij maakt van alles proces-verbaal op.
Art. 616. Tout [juge au tribunal de police], tout officier chargé du ministère public, tout juge d'instruction, est tenu d'office, ou sur l'avis qu'il en aura reçu, sous peine d'être poursuivi comme complice de détention arbitraire, de s'y transporter aussitôt, et de faire mettre en liberté la personne détenue, ou, s'il est allégué quelque cause légale de détention, de la faire conduire sur-le-champ devant le magistrat compétent. <L 10-10-1967, art. 91, § 3>
  Il dressera du tout son procès-verbal.
Art. 617. Desnoods geeft hij een beschikking in de vorm bij artikel 95 van dit wetboek voorgeschreven.
  Ingeval hij weerstand ondervindt, kan hij zich door de nodige macht doen bijstaan en ieder die wordt opgevorderd, is verplicht hulp te bieden.
Art. 617. Il rendra, au besoin, une ordonnance dans la forme prescrite par l'article 95 du présent Code.
  En cas de résistance, il pourra se faire assister de la force nécessaire; et toute personne requise est tenue de prêter main-forte.
Art. 618. Als schuldig of medeplichtig aan willekeurige vrijheidsberoving wordt vervolgd ieder bewaarder die weigert hetzij, op de daartoe gedane vordering, de gevangene te vertonen aan de houder van het bevel van de burgerlijke officier die belast is met het toezicht op het huis van arrest, (...) of de gevangenis, hetzij het bevel te vertonen dat hem zulks verbiedt, hetzij aan de (rechter in de politierechtbank) zijn registers over te leggen of hem van een gedeelte van zijn registers zodanig afschrift te laten nemen als deze nodig oordeelt. <W 10-10-1967, art. 91, § 3> <W 1999-05-07/61, art. 16, 005; Inwerkingtreding : 01-07-1999> <W 2004-06-21/35, art. 176, 010; Inwerkingtreding : 15-01-2007 (AR 2006-12-28/40, art. 1 à 3)>
Art. 618. Tout gardien qui aura refusé, ou de montrer au porteur de l'ordre de l'officier civil ayant la police de la maison d'arrêt, [...], ou [de l'établissement pénitentiaire], la personne du détenu, sur la réquisition qui en sera faite, ou de montrer l'ordre qui le lui défend ou de faire au [juge au tribunal de police] l'exhibition de ses registres, ou de lui laisser prendre telle copie que celui-ci croira nécessaire de partie de ses registres, sera poursuivi comme coupable ou complice de détention arbitraire. <L 10-10-1967, art. 91, § 3> <L 1999-05-07/61, art. 16, 005; En vigueur : 01-07-1999> <L 2005-01-12/39, art. 176, 010; En vigueur : 15-01-2007 (AR 2006-12-28/40, art. 1 à 3))>
HOOFDSTUK IV. - (UITWISSING VAN VEROORDELINGEN EN HERSTEL IN EER EN RECHTEN IN STRAFZAKEN.)
CHAPITRE IV. - [DE L'EFFACEMENT DES CONDAMNATIONS ET DE LA REHABILITATION EN MATIERE PENALE.]
AFDELING I. - UITWISSING VAN VEROORDELINGEN.
SECTION I. - DE L'EFFACEMENT DES CONDAMNATIONS.
Art. 619. <W 07-04-1964, art. 2> (Veroordelingen tot een politiestraf worden uitgewist na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken. (De uitwissing verhindert evenwel niet de invordering van de door die definitieve rechterlijke beslissing opgelegde geldboete.) [1 Onder dezelfde voorwaarden worden de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring en de beslissing tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling uitgewist indien het feit waarvoor de beslissing werd uitgesproken strafbaar is met een politiestraf. De beslissing tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt niet vóór het verstrijken van de proeftermijn uitgewist.]1 <W 2006-12-27/32, art. 301, 012; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  Het vorige lid is niet van toepassing op veroordelingen die een vervallenverklaring of ontzetting inhouden uitgesproken volgens het vonnis waarvan de gevolgen zich over meer dan drie jaar uitstrekken, tenzij het gaat om een verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke ongeschiktheid, uitgesproken op grond van de bepalingen van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer.) <W 1997-08-08/14, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001>
  
Art. 619. <L 07-04-1964, art. 2> [Les condamnations à des peines de police sont effacées après un délai de trois ans à compter de la décision judiciaire définitive qui les prononce. [L'effacement n'empêche toutefois pas le recouvrement de l'amende prononcée par cette décision judiciaire définitive.] [1 Dans les mêmes conditions, la condamnation par simple déclaration de culpabilité et la décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation sont effacées si le fait qui a donné lieu à la décision est passible d'une peine de police. La décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation n'est pas effacée avant l'expiration du délai d'épreuve.]1 <L 2006-12-27/32, art. 301, 012; En vigueur : 07-01-2007>
  L'alinéa précédent n'est pas applicable aux condamnations qui comportent une déchéance ou une interdiction prononcée lors du jugement dont les effets dépassent une durée de trois ans, sauf s'il s'agit d'une déchéance du droit de conduire prononcée pour incapacité physique du conducteur en vertu des dispositions de l'arrêté royal du 16 mars 1968 portant coordination des lois relatives à la police de la circulation routière.] <L 1997-08-08/14, art. 17, 006; En vigueur : 03-09-2001>
  
Art. 620. <W 07-04-1964, art. 3> Uitwissing van veroordelingen heeft de gevolgen van herstel in eer en rechten.
Art. 620. <L 07-04-1964, art. 3> L'effacement des condamnations produit les effets de la réhabilitation.
AFDELING II. - HERSTEL IN EER EN RECHTEN IN STRAFZAKEN.
SECTION II. - DE LA REHABILITATION EN MATIERE PENALE.
Art. 621. <W 12-07-1984, art. 1> Iedere veroordeelde tot straffen die niet kunnen worden uitgewist overeenkomstig artikel 619, kan in eer en rechten hersteld worden, indien hij sedert ten minste tien jaar geen zodanig herstel heeft genoten. (...). <W 1991-01-09/33, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 15-02-1991>
  [1 Het eerste lid geldt eveneens voor de personen veroordeeld bij eenvoudige schuldigverklaring of die de opschorting van de uitspraak van de veroordeling genieten, indien de beslissing niet kan worden uitgewist over-eenkomstig artikel 619.]1
  (Indien het herstel in eer en rechten sedert minder dan tien jaar is verleend en alleen betrekking heeft op de veroordelingen bedoeld in artikel 627, kan het Hof evenwel beslissen dat zulks geen beletsel vormt voor een nieuw herstel in eer en rechten voor het verstrijken van deze termijn.) <W 1997-08-08/14, art. 18, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001>
  
Art. 621. <L 12-07-1984, art. 1> Tout condamné à des peines non susceptibles d'être effacées conformément à l'article 619 peut être réhabilité s'il n'a pas bénéficié de la réhabilitation depuis dix ans au moins. [...] <L 1991-01-09/33, art. 4, 002; En vigueur : 15-02-1991>
  [1 L'alinéa 1er s'applique aussi aux personnes condamnées par simple déclaration de culpabilité ou qui bénéficient de la suspension du prononcé de la condamnation si la décision ne peut pas être effacée conformément à l'article 619.]1
  [Toutefois, si la réhabilitation accordée depuis moins de dix ans ne porte que sur des condamnations visées à l'article 627, la Cour peut décider qu'elle ne fait pas obstacle à une nouvelle réhabilitation avant l'expiration de ce délai.] <L 1997-08-08/14, art. 18, 006; En vigueur : 03-09-2001>
  
Art. 622. <W 07-04-1964, art. 5> De veroordeelde moet de vrijheidsstraffen hebben ondergaan en de geldstraffen hebben gekweten, tenzij die straffen krachtens het recht van genade kwijtgescholden zijn, of, indien zij voorwaardelijk zijn uitgesproken of voorwaardelijk zijn geworden bij genademaatregel, als niet bestaande worden beschouwd. Is de straf verjaard, dan kan de veroordeelde alleen in eer en rechten hersteld worden wanneer de niet-uitvoering niet aan hem te wijten is.
Art. 622. <L 07-04-1964, art. 5> Le condamné doit avoir subi les peines privatives de liberté et acquitté les peines pécuniaires, à moins que ces peines aient été remises en vertu du droit de grâce ou que, si elles ont été prononcées conditionnellement ou rendues conditionnelles par voie de grâce, elles soient considérées comme non avenues. Lorsque la peine est prescrite, le condamné ne peut être réhabilité que si le défaut d'exécution ne lui est pas imputable.
Art. 623. <W 07-04-1964, art. 6> De veroordeelde moet voldaan hebben aan de in het vonnis bepaalde verplichting tot teruggave, schadevergoeding en betaling van kosten, en (indien hij veroordeeld is wegens overtreding van artikel 489ter van het Strafwetboek) moet hij het passief van het faillissement, hoofdsom, interesten en kosten, hebben gekweten. <W 1997-08-08/80, art. 125, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  Het hof dat over het verzoek tot eerherstel moet beslissen, kan de veroordeelde evenwel van deze voorwaarde ontslaan, indien hij aantoont dat hij in de onmogelijkheid verkeerde om aan de verplichtingen te voldoen hetzij wegens zijn onvermogen, hetzij wegens enig ander feit waaraan hij geen schuld heeft. Het hof kan in dat geval, onverminderd de rechten van de schuldeisers, ook het gedeelte bepalen van de teruggave, de schadevergoeding, de gerechtskosten en het passief, dat de veroordeelde moet hebben voldaan alvorens hem herstel in eer en rechten kan worden toegestaan.
Art. 623. <L 07-04-1964, art. 6> Le condamné doit être libéré des restitutions, des dommages-intérêts et des frais auxquels il a été condamné et, [s'il a été condamné pour infraction à l'article 489ter du Code pénal], il doit être libéré du passif de la faillite, en principal, intérêts et frais. <L 1997-08-08/80, art. 125, 003; En vigueur : 01-01-1998>
  Toutefois, la cour appelée à statuer sur la demande en réhabilitation peut affranchir de ces conditions le condamné qui justifie s'être trouvé dans l'impossibilité de se libérer, soit en raison de son indigence, soit en raison de toute autre cause qui ne lui est pas imputable. Elle peut aussi, dans ce cas et sans préjudice des droits des créanciers, fixer la partie des restitutions, des dommages-intérêts, des frais de justice et du passif dont le condamné doit être libéré avant qu'il puisse être admis à la réhabilitation.
Art. 624. <W 07-04-1964, art. 7> [1 Herstel in eer en rechten is afhankelijk van een proeftijd gedurende dewelke de verzoeker die een natuurlijke persoon is in België of in het buitenland een vaste verblijfplaats moet hebben gehad en blijk moet hebben gegeven van verbetering en van goed gedrag.
   Wanneer het een rechtspersoon betreft, is het herstel in eer en rechten afhankelijk van een proeftijd gedurende dewelke de rechtspersoon zijn bedrijfszetel of een exploitatiezetel in België moet hebben gehad en worden de elementen die in aanmerking komen om de aanvraag tot herstel in eer en rechten te beoordelen door de procureur des Konings bepaald.]1

  Het hof moet bij zijn beoordeling inzonderheid rekening houden met de moeite door de verzoeker gedaan om de uit de misdrijven voortvloeiende schade die niet gerechtelijk mocht zijn vastgesteld, te herstellen.
  (...) <W 1997-08-08/14, art. 19, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001>
  
Art. 624. <L 07-04-1964, art. 7> [1 La réhabilitation est subordonnée à un temps d'épreuve au cours duquel le requérant, personne physique, doit avoir eu une résidence certaine en Belgique ou à l'étranger et avoir fait preuve d'amendement et avoir été de bonne conduite.
   Lorsque la réhabilitation concerne une personne morale, elle est subordonnée à un temps d'épreuve au cours duquel la personne morale doit avoir eu son siège social ou un siège d'exploitation en Belgique, et le procureur du Roi détermine les éléments susceptibles d'influencer l'évaluation de la demande en réhabilitation.]1

  La cour doit notamment tenir compte dans son appréciation des efforts faits par le requérant pour réparer les dommages résultant des infractions, qui n'auraient pas été établis judiciairement.
  [...] <L 1997-08-08/14, art. 19, 006; En vigueur : 03-09-2001>
  
Art. 625. <W 07-04-1964, art. 8> De proeftijd, (die voortduurt tot de dag waarop het arrest van eerherstel wordt gewezen), loopt <W 1991-01-09/33, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 15-02-1991> :
  1° Van de dag van de voorwaardelijke veroordeling [2 , van de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring of de beslissing tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling]2;
  2° Van de dagtekening van het koninklijk genadebesluit waarbij de straf voorwaardelijk wordt gemaakt;
  3° Van de dag van de voorwaardelijke invrijheidstelling, mits de definitieve invrijheidstelling verkregen is ten tijde van het indienen van de aanvraag;
  [1 3°bis van de dag van de invrijheidstelling onder toezicht, mits de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank een einde heeft genomen ten tijde van het indienen van de aanvraag;]1
  4° In de overige gevallen bedoeld bij artikel 622, van de dag van het verval van de straffen of van de dag waarop zij verjaren, voor zover de niet-uitvoering niet te wijten is aan de verzoeker.
  
Art. 625. <L 07-04-1964, art. 8> Le temps d'épreuve, [qui se prolonge jusqu'à l'arrêt prononçant la réhabilitation], prend cours à compter <L 1991-01-09/33, art. 5, 002; En vigueur : 15-02-1991> :
  1° du jour de la condamnation conditionnelle [2 , de la condamnation par simple déclaration de culpabilité ou de la décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation]2;
  2° du jour de la date de l'arrêté royal de grâce qui a rendu la peine conditionnelle;
  3° du jour de la libération conditionnelle, à condition que la libération définitive soit acquise au moment de l'introduction de la demande;
  [1 3°bis du jour de la libération sous surveillance, à condition que la mise à la disposition du tribunal de l'application des peines ait pris fin au moment de l'introduction de la demande;]1
  4° dans les autres cas visés à l'article 622, du jour de l'extinction des peines ou du jour où leur prescription est acquise, à condition que leur non-exécution ne soit pas imputable au requérant.
  
Art. 626. [1 § 1. De minimumduur van de proeftijd is bepaald op drie jaar voor veroordelingen tot politiestraffen of correctionele straffen die een gevangenisstraf van vijf jaar niet te boven gaan.
   In het geval van veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring, bedraagt de minimumduur van de proeftijd drie jaar, als de feiten die ten grondslag liggen van de veroordeling strafbaar zijn met een politiestraf of een correctionele straf.
   Die termijn wordt echter op ten minste zes jaar gebracht, indien de verzoeker wegens wettelijke herhaling veroordeeld is overeenkomstig de artikelen 54 tot 57bis van het Strafwetboek, of indien hij ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank is gesteld ingevolge de artikelen 34bis, 34ter of 34quater van het Strafwetboek.
   § 2. De minimumduur van de proeftijd is bepaald op vijf jaar voor veroordelingen tot criminele straffen of tot correctionele straffen die een gevangenisstraf van vijf jaar te boven gaan.
   In het geval van veroordelingen bij eenvoudige schuldigverklaring, bedraagt de minimumduur van de proeftijd vijf jaar, als de feiten die ten grondslag liggen van de veroordeling strafbaar zijn met een criminele straf.
   Die termijn wordt echter op ten minste tien jaar gebracht, indien de verzoeker wegens wettelijke herhaling veroordeeld is overeenkomstig de artikelen 54 tot 57bis van het Strafwetboek, of indien hij ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank is gesteld ingevolge de artikelen 34bis, 34ter of 34quater van het Strafwetboek.
   § 3. Wat de voorwaardelijke veroordelingen betreft, mag de duur van de proeftijd niet minder bedragen dan de duur van het uitstel, tenzij deze bij genade werd verminderd. Wat de beslissing tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling betreft, mag de duur van de proeftijd niet minder zijn dan de duur van de proeftermijn waarin de opschorting van de uitspraak is voorzien.]1

  
Art. 626. [1 § 1er. La durée minimum du temps d'épreuve est de trois années pour les condamnations à des peines de police ou à des peines correctionnelles n'excédant pas un emprisonnement de cinq ans.
   Dans le cas de condamnations par simple déclaration de culpabilité, la durée minimum du temps d'épreuve est de trois années, si les faits donnant lieu à la condamnation sont punissables d'une peine de police ou d'une peine correctionnelle.
   Toutefois, ce délai est porté à six ans au minimum si le requérant a été condamné en état de récidive légale, conformément aux articles 54 à 57bis du Code pénal, ou s'il a été mis à la disposition du tribunal de l'application des peines par application des articles 34bis, 34ter ou 34quater du Code pénal.
   § 2. La durée minimum du temps d'épreuve est de cinq années pour les condamnations à des peines criminelles ou à des peines correctionnelles excédant un emprisonnement de cinq ans.
   Dans le cas de condamnations par simple déclaration de culpabilité, la durée minimum du temps d'épreuve est de cinq années, si les faits donnant lieu à la condamnation sont punissables d'une peine criminelle.
   Toutefois, ce délai est porté à dix ans au minimum si le requérant a été condamné en état de récidive légale, conformément aux articles 54 à 57bis du Code pénal, ou s'il a été mis à la disposition du tribunal de l'application des peines par application des articles 34bis, 34ter ou 34quater du Code pénal.
   § 3. En ce qui concerne les condamnations conditionnelles, la durée du temps d'épreuve ne peut être inférieure à la durée du sursis sauf si celle-ci a été réduite par voie de grâce. En ce qui concerne les décisions ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation, la durée du temps d'épreuve ne peut être inférieure à la durée du délai d'épreuve prévue pour la suspension du prononcé.]1

  
Art. 627. <W 1997-08-08/14, art. 20, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001> Indien de verzoeker tijdens de proeftijd bedoeld in de vorige artikelen [1 veroordeeld is bij eenvoudige schuldigverklaring, hij het voorwerp is geweest van een beslissing waarbij de opschorting van de uitspraak van een veroordeling wordt gelast of]1 veroordeeld is tot een politiestraf, tot een correctionele geldboete of tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van ten hoogste een maand wegens overtreding van :
  de artikelen 242, 263, 283, 285, 294, 295, tweede lid, 361, 362, 419, 420, 421, 422 en 519 van het Strafwetboek;
  de artikelen 333 en 334 van hetzelfde Wetboek, die betrekking hebben op gevallen van nalatigheid;
  bijzondere wetten en verordeningen,
  kan het Hof beslissen dat deze veroordelingen geen beletsel vormen voor de toekenning van het herstel in eer en rechten.
  
Art. 627. <L 1997-08-08/14, art. 20, 006; En vigueur : 03-09-2001> Si, au cours du temps d'épreuve prévu aux articles précédents, le requérant a été [1 condamné par simple déclaration de culpabilité, a bénéficié d'une décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation ou a été]1 condamné, soit à des peines de police, soit à des peines d'amende correctionnelle, soit à des peines d'emprisonnement correctionnel principal ne dépassant pas un mois pour infraction :
  aux articles 242, 263, 283, 285, 294, 295, alinéa 2, 361, 362, 419, 420, 421, 422 et 519 du Code pénal;
  aux articles 333 et 334 du même Code en tant qu'ils se rapportent au cas de négligence;
  aux lois et règlements particuliers,
  la Cour peut décider que ces condamnations ne font pas obstacle à l'octroi de la réhabilitation.
  
Art. 628. <W 07-04-1964, art. 11> [1 De verzoeker richt zijn aanvraag tot herstel in eer en rechten aan de procureur des Konings van het arrondissement waarin hij verblijft of indien het een rechtspersoon betreft, waarin zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel gevestigd is, onder opgave van de veroordelingen waarop de aanvraag betrekking heeft en van de plaatsen waar hij gedurende de proeftijd verbleven heeft of zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel heeft gehad.
   Wanneer de verzoeker in het buitenland verblijft of indien het een rechtspersoon betreft die zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in het buitenland heeft, wordt de aanvraag gericht aan de procureur des Konings van het arrondissement Brussel.]1

  (De aanvraag kan ten vroegste een jaar vóór het verstrijken van de in artikel 626 bedoelde termijn worden ingediend.) <W 1991-01-09/33, art. 6,2°, 002; Inwerkingtreding : 15-02-1991>
  
Art. 628. <L 07-04-1964, art. 11> [1 Le requérant adresse sa demande en réhabilitation au procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel il réside, ou s'il s'agit d'une personne morale, dans lequel elle a établi son siège social ou un siège d'exploitation, en lui faisant connaître les condamnations que vise la demande et les lieux où il a résidé ou elle a eu son siège social ou un siège d'exploitation pendant le délai d'épreuve.
   Lorsqu'il réside à l'étranger, ou s'il s'agit d'une personne morale, qui a son siège social ou un siège d'exploitation à l'étranger, la demande est adressée au procureur du Roi de l'arrondissement de Bruxelles.]1

  [La demande ne pourra être adressée plus d'un an avant l'expiration du délai visé par l'article 626.] <L 1991-01-09/33, art. 6,2°, 002; En vigueur : 15-02-1991>
  
Art. 629. [1 § 1. Wanneer de verzoeker een natuurlijke persoon is, laat de procureur des Konings zich afgeven :
   1° een uittreksel uit het strafregister van de verzoeker;
   2° een voor eensluidend verklaard uittreksel uit alle arresten en vonnissen in strafzaken die de verzoeker betreffen;
   3° een uittreksel uit het moraliteitsregister van de verzoeker gehouden tijdens de uitvoering van de vrijheidsstraffen of de maatregelen van vrijheidsbeneming die hij heeft ondergaan;
   4° de verklaringen van de burgemeesters van de gemeenten waar hij gedurende de proeftijd heeft verbleven, betreffende het tijdstip en de duur van zijn verblijf in elke gemeente, zijn beroepsarbeid, zijn middelen van bestaan en zijn gedrag gedurende die tijd.
   De in het eerste lid, 2°, bedoelde uittreksels vermelden, benevens de juiste aard van de feiten en de uitgesproken straffen of maatregelen, iedere veroordeling tot teruggave, tot schadevergoeding jegens een burgerlijke partij en in de proceskosten.
   § 2. Wanneer de verzoeker een rechtspersoon is, laat de procureur des Konings zich afgeven :
   1° een uittreksel uit het strafregister van de verzoeker;
   2° een voor eensluidend verklaard uittreksel uit alle arresten en vonnissen in strafzaken de verzoeker betreffende.
   Die uittreksels vermelden, benevens de juiste aard van de feiten en de uitgesproken straffen of maatregelen, iedere veroordeling tot teruggave, tot schadevergoeding jegens een burgerlijke partij en in de proceskosten.
   3° de verklaringen van de burgemeesters van de gemeenten waar de rechtspersoon zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel gevestigd was tijdens de proeftijd, betreffende de elementen die door de procureur des Konings worden bepaald om de aanvraag tot herstel in eer en rechten te beoordelen.
   Wanneer de verzoeker een rechtspersoon is met maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in het buitenland, bepaalt de procureur des Konings welke verklaringen moeten worden overgelegd ter vervanging van de hierboven bedoelde, of verschaft zich de nodige bescheiden.
   § 3. De procureur des Konings wint ambtshalve of op verzoek van de procureur-generaal alle nodig geachte inlichtingen in. Hij zendt het dossier met de stukken en zijn advies aan de procureur-generaal.
   [3 Wanneer de verzoeker een natuurlijke persoon is en het voorwerp is geweest van een beslissing waarbij de opschorting van de uitspraak van de veroordeling is gelast of is veroordeeld voor feiten bedoeld in de artikelen 417/7 tot 417/24, 417/55 en 417/58 van het Strafwetboek of voor feiten bedoeld in de artikelen 417/25 tot 417/48, 417/52 tot 417/54, 417/59, 417/62 en 417/63 van hetzelfde Wetboek]3 indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, bevat het dossier het advies van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten]1

  
Art. 629. [1 § 1er. Lorsque le requérant est une personne physique, le procureur du Roi se fait délivrer :
   1° un extrait de casier judiciaire du requérant;
   2° un extrait certifié conforme de tous les arrêts et jugements en matière répressive qui concernent le requérant;
   3° un extrait du registre de comptabilité morale du requérant tenu pendant l'exécution des peines ou mesures privatives de liberté qu'il a subies;
   4° les attestations des bourgmestres des communes où le requérant a résidé pendant le délai d'épreuve, faisant connaître l'époque et la durée de sa résidence dans chaque commune, son activité professionnelle, ses moyens de subsistance et sa conduite pendant le même temps.
   Les extraits visés à l'alinéa 1er mentionnent, outre la nature précise des faits et les peines ou mesures prononcées, toute condamnation à des restitutions, à des dommages-intérêts envers une partie civile et aux frais de l'instance.
   § 2. Lorsque le demandeur est une personne morale, le procureur du Roi se fait délivrer :
   1 ° un extrait du casier judiciaire du requérant;
   2° un extrait certifié conforme de tous les arrêts ou jugements en matière répressive qui concernent le requérant.
   Ces extraits mentionnent, outre la nature précise des faits et les peines ou mesures prononcées, toute condamnation à des restitutions, à des dommages-intérêts envers une partie civile et aux frais de l'instance;
   3° les attestations des bourgmestres des communes où la personne morale a établi son siège social ou un siège d'exploitation pendant le délai d'épreuve, relatifs aux éléments déterminés par le procureur du Roi pour évaluer la demande de réhabilitation.
   Si le requérant est une personne morale ayant son siège social ou un siège d'exploitation à l'étranger, le procureur du Roi détermine les attestations à produire pour tenir lieu de celles prévues ci-dessus, ou se procure les documents nécessaires.
   § 3. Le procureur du Roi prend d'office ou à la demande du procureur général toutes informations jugées nécessaires. Il transmet le dossier de la procédure avec son avis au procureur général.
   [3 Si le requérant est une personne physique et a fait l'objet d'une décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation ou a été condamné pour des faits visés aux articles 417/7 à 417/24, 417/55 et 417/58 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 417/25 à 417/48, 417/52 à 417/54, 417/59, 417/62 et 417/63 du même Code]3 du même Code lorsque ceux-ci ont été accomplis sur des mineurs ou ont impliqué leur participation, le dossier contient l'avis d'un service spécialisé dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels.]1

  
Art. 630. <W 07-04-1964, art. 13> Binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag legt de procureur-generaal de processtukken voor aan de kamer van inbeschuldigingstelling die binnen een maand de zaak behandelt en beslist met gesloten deuren.
  Oordeelt de procureur-generaal dat het verschijnen van de verzoeker niet onontbeerlijk is en dat er grond bestaat om de aanvraag in te willigen, dan kan het hof zonder verdere formaliteiten herstel in eer en rechten verlenen.
  In de overige gevallen worden de procureur-generaal, de verzoeker en zijn raadsman gehoord.
  Het dossier wordt gedurende ten minste vijf dagen ter beschikking gesteld van de verzoeker en van zijn raadsman.
  De verzoeker verschijnt op een dagvaarding die hem door de procureur-generaal ten minste acht vrije dagen vóór de vastgestelde dag wordt gedaan.
  Oordeelt het hof, na de verschijning, dat een onderzoek nodig is, dan bepaalt het de feiten waarop dit moet slaan, wijst het de getuigen aan en stelt een dag vast voor hun verhoor.
  Dadelijk na het verhoor van de getuigen worden de procureur-generaal, de verzoeker en zijn raadsman opnieuw gehoord.
  De getuigen worden opgeroepen door de zorg van de procureur-generaal. Hun verschijning, verhoor en vergoedingen worden geregeld als voor de getuigen in correctionele zaken.
  [1 De verzoeker moet verschijnen op elke terechtzitting, behalve op die waarop het arrest wordt uitgesproken. De verzoeker die natuurlijke persoon is, verschijnt in persoon. De verzoeker die rechtspersoon is, verschijnt in de persoon van degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen.]1
  Indien hij niet verschijnt zonder een wettige reden van verschoning aan te voeren, wijst het hof zijn aanvraag af.
  Voert hij zodanige reden wel aan, dan zet het hof, na de raadsman te hebben gehoord, de behandeling van de zaak voort of stelt deze uit.
  
Art. 630. <L 07-04-1964, art. 13> Dans les deux mois de la réception de la requête, le procureur général soumet le dossier de la procédure à la chambre des mises en accusation qui procède et statue à huis clos dans le mois.
  Si le procureur général estime que la comparution du requérant n'est pas indispensable et qu'il y a lieu de faire droit à la demande, la cour peut accorder la réhabilitation sans autres formalités.
  Dans les autres cas, le procureur général, le requérant et son conseil sont entendus.
  Le dossier est mis à la disposition du requérant et de son conseil pendant cinq jours au moins.
  Le requérant comparaît sur citation donnée par le procureur général huit jours francs avant la date fixée.
  Si après la comparution, la cour juge une enquête nécessaire, elle indique les faits sur lesquels celle-ci portera, désigne les témoins et fixe le jour pour l'audition de ceux-ci.
  Immédiatement après l'audition des témoins, le procureur général, le requérant et son conseil sont entendus à nouveau.
  Les témoins sont appelés à la diligence du procureur général. Leur comparution, leur audition et leurs indemnités seront réglées comme celles des témoins en matière correctionnelle.
  [1 Le requérant doit comparaître à chaque audience sauf à celle où l'arrêt est prononcé. Le requérant qui est une personne physique comparaît en personne. S'il s'agit d'une personne morale, c'est la personne compétente pour la représenter qui comparaît.]1
  S'il fait défaut sans justifier d'une excuse légitime, la cour rejette la demande.
  S'il justifie de pareille excuse, la cour passe outre, après audition du conseil, ou remet la cause.
  
Art. 631. <W 07-04-1964, art. 14> Indien het hof de aanvraag afwijst, mag deze pas worden hernieuwd na verloop van twee jaren na de dagtekening van het arrest. In het afwijzend arrest mag het hof een kortere termijn stellen, behalve wanneer het herstel in eer en rechten geweigerd wordt wegens gemis van verbetering of van goed gedrag.
  Indien het hof het herstel verleent, wordt het arrest door de zorg van de procureur-generaal ten uitvoer gelegd.
Art. 631. <L 07-04-1964, art. 14> Si la cour rejette la demande, celle-ci ne peut être renouvelée avant l'expiration de deux années depuis la date de l'arrêt. Sauf si la réhabilitation est refusée pour défaut d'amendement ou de bonne conduite, la cour peut dans l'arrêt de rejet fixer un délai plus court.
  Si la cour prononce la réhabilitation, l'arrêt est exécuté à la diligence du procureur général.
Art. 632. <W 07-04-1964, art. 15> [1 Van het herstel in eer en rechten wordt melding gemaakt op de kant van de eindarresten of -vonnissen waarvoor het wordt verleend; een uittreksel uit het arrest wordt gezonden aan de minister van Justitie, aan de procureur des Konings die verslag heeft gedaan, aan de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker zijn woonplaats of indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel heeft. Indien de in eer en rechten herstelde een privaatrechtelijke rechtspersoon is die zijn statuten in België heeft neergelegd, dan wordt een uittreksel van het arrest toegezonden aan de griffie van het rechtscollege waar de statuten van deze zijn neergelegd.]1
  De in eer en rechten herstelde kan zich een uitgifte van het arrest van herstel doen afgeven.
  
Art. 632. <L 07-04-1964, art. 15> [1 Mention de la réhabilitation est faite en marge des arrêts ou jugements définitifs pour lesquels elle est accordée; un extrait de l'arrêt est adressé au ministre de la Justice, au procureur du Roi qui a fait rapport, au bourgmestre de la commune où le requérant est domicilié ou, s'il s'agit d'une personne morale, où elle a son siège social ou un siège d'exploitation. Lorsque le réhabilité est une personne morale qui a déposé ses statuts en Belgique, un extrait de l'arrêt est adressé au greffe de la juridiction où les statuts de celle-ci ont été déposés.]1
  Le réhabilité peut se faire délivrer une expédition de l'arrêt de réhabilitation.
  
Art. 633. <W 07-04-1964, art. 16> (De kosten van de rechtspleging tot herstel in eer en rechten komen ten laste van de verzoeker. Zij worden geregeld zoals in correctionele zaken.
  De griffier van het Hof stelt de verzoeker bij een ter post aangetekende brief in kennis van het bedrag van de procedurekosten, waarbij aan betrokkene wordt gevraagd daarvan binnen twee maanden na de uitspraak ter griffie betaling te doen.
  Een kopie van de kwitantie wordt bij het dossier gevoegd en het arrest wordt vervolgens ten uitvoer gelegd overeenkomstig artikel 631, tweede lid.) <W 1997-08-08/14, art. 23, 006; Inwerkingtreding : 03-09-2001>
Art. 633. <L 07-04-1964, art. 16>[Les frais de la procédure en réhabilitation sont à charge du requérant. Ils sont réglés comme en matière correctionnelle.
  Par lettre recommandée à la poste, le greffier de la Cour avise le requérant du montant des frais de la procédure et l'invite à les verser au greffe dans les deux mois du prononcé.
  Copie de la quittance est jointe au dossier et l'arrêt est alors exécuté comme dit à l'article 631 alinéa 2.] <L 1997-08-08/14, art. 23, 006; En vigueur : 03-09-2001>
Art. 634. <W 07-04-1964, art. 17> Herstel in eer en rechten doet voor het toekomende alle gevolgen van de veroordeling ophouden in de persoon van de veroordeelde, onverminderd de rechten door derden verkregen.
  en met name :
  Het doet in de persoon van de veroordeelde de onbekwaamheden ophouden die uit de veroordeling zijn voortgevloeid;
  Het verhindert dat die beslissing als grondslag dient voor de herhaling, een beletsel vormt voor de voorwaardelijke veroordeling of in de uittreksels uit het strafregister of uit het militair stamboek wordt vermeld;
  Het herstelt de veroordeelde niet in de titels, graden, openbare ambten, bedieningen en betrekkingen die hij door afzetting verloren heeft;
  Het ontheft hem niet van de onwaardigheid om te erven;
  Het verhindert noch de rechtsvordering tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, noch de rechtsvordering tot schadevergoeding, die op de rechterlijke beslissing gegrond is.
Art. 634. <L 07-04-1964, art. 17> La réhabilitation fait cesser, pour l'avenir, dans la personne du condamné, tous les effets de la condamnation, sans préjudice des droits acquis aux tiers.
  Notamment :
  elle fait cesser dans la personne du condamné les incapacités qui résultaient de la condamnation;
  elle empêche que cette décision serve de base à la récidive, fasse obstacle à la condamnation conditionnelle ou soit mentionnée dans les extraits du casier judiciaire et du registre matricule militaire;
  elle ne restitue pas au condamné les titres, grades, fonctions, emplois et offices publics dont il a été destitué;
  elle ne le relève pas de l'indignité successorale;
  elle n'empêche ni l'action en divorce ou en séparation de corps, ni l'action en dommages-intérêts fondée sur la décision judiciaire.
HOOFDSTUK V. - VERJARING.
CHAPITRE V. - DE LA PRESCRIPTION.
Art. 635. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 635. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 636. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 636. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 637. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 637. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 638. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 638. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 639. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 639. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 640. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 640. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 244°>
Art. 641. In geen geval kunnen de bij verstek of bij weerspannigheid aan de wet veroordeelden wier straf verjaard is, toegelaten worden om zich te zuiveren van het verstek of de weerspannigheid.
Art. 641. En aucun cas, les condamnés par défaut ou par contumace, dont la peine est prescrite, ne pourront être admis à se présenter pour purger le défaut ou la contumace.
Art. 642. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 245°>
Art. 642. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 245°>
Art. 643. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 245°>
Art. 643. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 245°>
HOOFDSTUK VI. - BIJZONDERE BEPALING.
CHAPITRE VI. - DISPOSITION PARTICULIERE.
Art. 644. <W 23-12-1963, enig art.> Wanneer de wettelijke termijn om een proceshandeling in strafzaken te verrichten, eindigt op een zaterdag, op een zondag of een andere wettelijke feestdag, wordt hij verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
  Wanneer de wettelijke termijn om een handeling in strafzaken op een griffie te verrichten, eindigt op een dag dat deze gesloten is, wordt de handeling er op geldige wijze verricht, de eerstvolgende dag dat de griffie geopend is.
Art. 644. <L 23-12-1963, art. unique> Lorsque pour faire un acte de procédure en matière répressive, le délai légal expire un samedi, un dimanche ou un autre jour férié légal, il est prorogé jusqu'au plus prochain jour ouvrable.
  Lorsque, pour faire à un greffe un acte en matière répressive, le délai expire un jour où ce greffe est fermé, l'acte y est valablement reçu le plus prochain jour d'ouverture de ce greffe.
Art. 645. <INGEVOEGD bij W 2008-07-24/35, art. 136; Inwerkingtreding : 17-08-2008> De politieambtenaren, de directeurs van de penitentiaire inrichtingen en de vertegenwoordigers van de directeurs van de penitentiaire inrichtingen, [1 de directeurs van de gemeenschapscentra voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en hun vertegenwoordigers]1 kunnen, net als de gerechtsdeurwaarders, maar zonder kosten, door het openbaar ministerie worden belast met de betekening of kennisgeving van alle gerechtelijke akten in strafzaken.
  
Art. 645. Les fonctionnaires de police, les directeurs d'établissements pénitentiaires et les représentants des directeurs d'établissements pénitentiaires [1 , les directeurs des centres communautaires pour mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et leurs représentants]1 peuvent être chargés par le ministère public, à l'instar des huissiers de justice, mais sans frais, de la signification ou notification de tous les actes judiciaires en matière répressive.
  
Art. 646. [1 De categorieën van informatie afkomstig van de door een correctionele rechtbank, een hof van assisen of een hof van beroep, in kracht van gewijsde gegane, gevelde beslissingen, die de in de algemene nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/7 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, hierna A.N.G genoemd, geregistreerde informatie zouden kunnen wijzigen, worden binnen de dertig dagen aan de politie meegedeeld volgens de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde nadere regels.
   De categorieën van informatie afkomstig van beslissingen tot buitenvervolgingstelling van de onderzoeksgerechten, die de in de A.N.G. geregistreerde informatie zouden kunnen wijzigen, worden binnen de dertig dagen aan de politie meegedeeld volgens de door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde nadere regels.
   De categorieën van informatie afkomstig van door het openbaar ministerie genomen beslissingen tot seponering zonder gevolg wegens onvoldoende bezwaren of afwezigheid van inbreuk, die de in de A.N.G. geregistreerde informatie zouden kunnen wijzigen, worden binnen de dertig dagen aan de politie meegedeeld volgens de door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde nadere regels.]1

  
Art. 646. [1 Les catégories d'informations extraites de décisions coulées en force de chose jugée prise par un tribunal correctionnel, une cour d'assises ou une cour d'appel et qui sont susceptibles de modifier celles enregistrées dans la banque de données nationale générale visée à l'article 44/7 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, dénommée ci-après BNG, sont communiquées endéans les trente jours à la police, selon les modalités définies par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   Les catégories d'informations extraites de décisions de non-lieu des juridictions d'instructions qui sont susceptibles de modifier celles enregistrées en BNG sont communiquées endéans les trente jours à la police, selon les modalités définies par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   Les catégories d'informations extraites de décisions de classement sans suite pour charge insuffisante ou pour absence d'infraction, prises par le ministère public qui sont susceptibles de modifier celles enregistrées en BNG sont communiquées endéans les trente jours à la police, selon les modalités définies par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.]1

  
Art. 648. [1 In alle gevallen waarin processtukken worden verzonden, voegt de griffier daarbij een inventaris van deze processtukken.]1
  
Art. 648. [1 Dans tous les cas où il y aura envoi de pièces d'une procédure, le greffier y joint un inventaire de ces pièces.]1