Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
14 DECEMBER 1808. - WETBOEK VAN STRAFVORDERING. - BOEK II, TITELS V EN VI. (Art. 525 tot en met 588) (NOTA : Om technische redenen is het Wetboek van Strafvordering ingedeeld in 8 delen waarvan het zevende deel Titels V en VI van het tweede Boek omvat) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-04-1998 en tekstbijwerking tot 03-06-2024)
Titre
14 DECEMBRE 1808. - CODE D'INSTRUCTION CRIMINELLE. - LIVRE II, TITRES V ET VI. (Art. 525 à 588) (NOTE : Pour des raisons techniques, le Code d'Instruction Criminelle est divisé en 8 parties, dont les Titres V et VI du deuxième Livre sont la septième partie) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-04-1998 et mise à jour au 03-06-2024)
Documentinformatie
Numac: 1808121450
Datum: 1808-12-14
Info du document
Numac: 1808121450
Date: 1808-12-14
Inhoud
TITEL V. - REGELING VAN RECHTSGEBIED EN VERWIJZ...
HOOFDSTUK I. - REGELING VAN RECHTSGEBIED.
HOOFDSTUK II. - VERWIJZING VAN DE ENE RECHTBANK...
TITEL VI. - (Bemiddeling.)
TITEL VIbis. [1 Het gebruik van videoconferentie]1
TITEL VIquinquies. [1 Opname van de zitting]1
TITEL VIsexies. [1 Gegevensverwerking in het ka...
TITEL VIter. [1 - Het digitaal dossier]1
TITEL VIquater. [1 - Het Centraal register van ...
Inhoud
TITRE V. - DES REGLEMENTS DE JUGES ET DES RENVO...
CHAPITRE I. - DES REGLEMENTS DE JUGES.
CHAPITRE II. - DES RENVOIS D'UN TRIBUNAL A UN A...
TITRE VI. - [De la médiation.]
TITRE VIbis. [1 - L'utilisation de la vidéoconf...
TITRE VIquinquies. [1 De l'enregistrement de l'...
TITRE VIsexies. [1 Traitement des données dans ...
TITRE VIter. [1 - Le dossier numérique]1
TITRE VIquater. [1 - Le Registre central des do...
Tekst (76)
Texte (76)
TITEL V. - REGELING VAN RECHTSGEBIED EN VERWIJZING VAN DE ENE RECHTBANK NAAR DE ANDERE.
TITRE V. - DES REGLEMENTS DE JUGES ET DES RENVOIS D'UN TRIBUNAL A UN AUTRE.
HOOFDSTUK I. - REGELING VAN RECHTSGEBIED.
CHAPITRE I. - DES REGLEMENTS DE JUGES.
Artikel 525. Ieder verzoek tot regeling van rechtsgebied wordt summier en op enkele memorie behandeld en uitgewezen.
Article 525. Toutes demandes en règlement de juges seront instruites et jugées sommairement, et sur simples mémoires.
Art. 526. Er is grond tot regeling van rechtsgebied door het Hof van Cassatie in criminele, correctionele of politiezaken, wanneer onderscheidene hoven, rechtbanken of onderzoeksrechters, die niet tot elkaars rechtsgebied behoren, kennis nemen van een zelfde misdrijf of van samenhangende misdrijven of van een zelfde overtreding.
Art. 526. Il y aura lieu à être réglé de juges par la Cour de cassation, en matière criminelle, correctionnelle ou de police, lorsque des cours, tribunaux, ou juges d'instruction, ne ressortissant point les uns des autres, seront saisis de la connaissance du même délit ou de délits connexes, ou de la même contravention.
Art. 526bis. <INGEVOEGD bij W 2001-06-21/42, art. 59; Inwerkingtreding : 21-05-2002> Er is eveneens grond tot regeling van rechtsgebied door het Hof van Cassatie wanneer onderscheiden onderzoeksrechters kennis nemen van eenzelfde misdrijf of samenhangende misdrijven waarvoor de uitoefening van de strafvordering geschiedt door de federale procureur.
Art. 526bis. Il y aura lieu également au règlement de juges par la Cour de cassation, lorsque différents juges d'instruction prennent connaissance d'un même délit ou de délits connexes pour lesquels le procureur fédéral est chargé de l'exercice de l'action publique.
Art. 527. Er is eveneens grond tot regeling van rechtsgebied door het Hof van Cassatie, wanneer enerzijds een militaire rechtbank (in oorlogstijd) of (...) enige andere uitzonderingsrechtbank, en anderzijds een hof van beroep, een hof van assisen (...(, een correctionele rechtbank, een politierechtbank of een onderzoeksrechter kennis nemen van eenzelfde misdrijf of van samenhangende misdrijven of van eenzelfde overtreding. <W 10-07-1967, art. 1, 217°> <W 2003-04-10/59, art. 87, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 527. Il y aura lieu également à être réglé de juges par la Cour de cassation, lorsqu'un tribunal militaire [en temps de guerre], ou [...] tout autre tribunal d'exception, d'une part, [une cour d'appel ou une cour d'assises], un tribunal jugeant correctionnellement, un tribunal de police, ou un juge d'instruction, d'autre part, seront saisis de la connaissance du même délit ou de délits connexes, ou de la même contravention. <L 10-07-1967, art. 1, 217°> <L 2003-04-10/59, art. 87, 006; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 527bis. <W 10-10-1967, art. 157> De vorderingen tot regeling van rechtsgebied worden ingediend op verzoek van de vervolgende partij of bij een met bewijsstukken gestaafde memorie van de burgerlijke partij.
(De vordering tot regeling van rechtsgebied, zoals bedoeld in artikel 526bis wordt ingediend door de federale procureur, na overleg met de procureur des Konings.) <W 2001-06-21/42, art. 60, 003; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
De eerste voorzitter benoemt een verslaggever, zonder vooraf mededeling van de stukken te bevelen; voor de mededeling aan de procureur-generaal en de bepaling van de rechtsdag worden de [1 in artikel 432]1 voorgeschreven regels gevolgd.
(De vordering tot regeling van rechtsgebied, zoals bedoeld in artikel 526bis wordt ingediend door de federale procureur, na overleg met de procureur des Konings.) <W 2001-06-21/42, art. 60, 003; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
De eerste voorzitter benoemt een verslaggever, zonder vooraf mededeling van de stukken te bevelen; voor de mededeling aan de procureur-generaal en de bepaling van de rechtsdag worden de [1 in artikel 432]1 voorgeschreven regels gevolgd.
Art. 527bis. <L 10-10-1967, art. 157> Les demandes en règlement de juges sont introduites par requête de la partie poursuivante, ou par un mémoire de la partie civile, appuyé des pièces justificatives.
[Les demandes en règlement de juges visées à l'article 526bis sont introduites par le procureur fédéral après concertation avec le procureur du Roi.] <L 2001-06-21/42, art. 60, 003; En vigueur : 21-05-2002>
Le premier président nomme un rapporteur, sans ordonner préalablement la communication des pièces, et on suit quant à la communication à faire au procureur général et à la fixation de l'audience, les règles prescrites [1 par l'article 432]1.
[Les demandes en règlement de juges visées à l'article 526bis sont introduites par le procureur fédéral après concertation avec le procureur du Roi.] <L 2001-06-21/42, art. 60, 003; En vigueur : 21-05-2002>
Le premier président nomme un rapporteur, sans ordonner préalablement la communication des pièces, et on suit quant à la communication à faire au procureur général et à la fixation de l'audience, les règles prescrites [1 par l'article 432]1.
Wijzigingen
Art. 528. Na inzage van het verzoekschrift en van de stukken beveelt (de kamer van het Hof van Cassatie die kennis neemt van de cassatieberoepen in criminele, correctionele en politiezaken) dat alles aan partijen zal worden meegedeeld, of doet einduitspraak, behoudens verzet. <W 10-07-1967, art. 1, 218°>
Art. 528. Sur le vu de la requête et des pièces, [la chambre de la Cour de cassation qui connaît des pourvois en matière criminelle, correctionnelle ou de police], ordonnera que le tout soit communiqué aux parties, ou statuera définitivement, sauf l'opposition. <L 10-07-1967, art. 1, 218°>
Art. 528bis. <W 10-10-1967, art. 158> De verzoeker tot regeling van rechtsgebied kan zijn zaak bepleiten zoals in burgerlijke zaken. Na het openbaar ministerie te hebben gehoord, doet het hof de einduitspraak of beveelt naar gelang van de omstandigheden bij een voorbereidend arrest, dat de memorie vooraf aan de tegenpartij zal worden meegedeeld.
Art. 528bis. <L 10-10-1967, art. 158> Le demandeur en règlement de juges peut plaider sa cause comme en matière civile. La cour, après avoir entendu le ministère public, prononce définitivement, ou ordonne suivant les circonstances par un arrêt préparatoire que le mémoire sera préalablement communiqué à la partie adverse.
Art. 529. Ingeval de mededeling wordt bevolen op de voorziening tot regeling van rechtsgebied ingesteld door de beklaagde, de beschuldigde of de burgerlijke partij, beveelt het arrest aan de twee ambtenaren belast met het openbaar ministerie bij de rechterlijke instanties waarbij de zaak gelijktijdig aanhangig is, de processtukken in te zenden onder bijvoeging van een met redenen omkleed advies omtrent het geschil.
Art. 529. Dans le cas où la communication serait ordonnée sur le pourvoi en conflit du prévenu, de l'accusé ou de la partie civile, l'arrêt enjoindra à l'un et à l'autre des officiers chargés du ministère public près les autorités judiciaires, concurremment saisies, de transmettre les pièces du procès et leur avis motivé sur le conflit.
Art. 530. Wanneer de mededeling wordt bevolen op de voorziening van een van die ambtenaren, beveelt het arrest aan de andere de stukken en zijn met redenen omkleed advies in te zenden.
Art. 530. Lorsque la communication sera ordonnée sur le pourvoi de l'un de ces officiers, l'arrêt ordonnera à l'autre de transmettre les pièces et son avis motivé.
Art. 531. Het arrest houdende bevel tot mededeling vermeldt in het kort de akten die aanleiding geven tot het geschil, en bepaalt al naar de afstanden de termijn waarbinnen de stukken en de met redenen omklede adviezen op de griffie moeten worden neergelegd.
De betekening van dit arrest aan de partijen schorst van rechtswege de berechting van de zaak en in criminele zaken de inbeschuldigingstelling, of, indien deze reeds uitgesproken is, de samenstelling van de jury in de hoven van assisen, (...), doch zij schorst noch de daden en procedures tot bewaring van recht noch die van onderzoek. <W 10-07-1967, art. 1, 218°>
De beklaagde of de beschuldigde en de burgerlijke partij kunnen hun middelen betreffende het geschil van rechtsgebied voordragen in de vorm in hoofdstuk II, titel III van dit boek bepaald, voor het cassatieberoep.
De betekening van dit arrest aan de partijen schorst van rechtswege de berechting van de zaak en in criminele zaken de inbeschuldigingstelling, of, indien deze reeds uitgesproken is, de samenstelling van de jury in de hoven van assisen, (...), doch zij schorst noch de daden en procedures tot bewaring van recht noch die van onderzoek. <W 10-07-1967, art. 1, 218°>
De beklaagde of de beschuldigde en de burgerlijke partij kunnen hun middelen betreffende het geschil van rechtsgebied voordragen in de vorm in hoofdstuk II, titel III van dit boek bepaald, voor het cassatieberoep.
Art. 531. L'arrêt de " soit communiqué " fera mention sommaire des actes d'où naîtra le conflit, et fixera, selon la distance des lieux, le délai dans lequel les pièces et les avis motivés seront apportés au greffe.
La notification qui sera faite de cet arrêt aux parties emportera de plein droit sursis au jugement du procès, et, en matière criminelle, à la mise en accusation, ou, si elle a déjà été prononcée, à la formation du jury dans les cours d'assises [...], mais non aux actes et aux procédures conservatoires ou d'instruction. <L 10-07-1967, art. 1, 218°>
Le prévenu ou l'accusé et la partie civile pourront présenter leurs moyens sur le conflit, dans la forme réglée par le chapitre II du titre III du présent livre, pour le recours en cassation.
La notification qui sera faite de cet arrêt aux parties emportera de plein droit sursis au jugement du procès, et, en matière criminelle, à la mise en accusation, ou, si elle a déjà été prononcée, à la formation du jury dans les cours d'assises [...], mais non aux actes et aux procédures conservatoires ou d'instruction. <L 10-07-1967, art. 1, 218°>
Le prévenu ou l'accusé et la partie civile pourront présenter leurs moyens sur le conflit, dans la forme réglée par le chapitre II du titre III du présent livre, pour le recours en cassation.
Art. 532. Wanneer op enkel verzoekschrift een arrest gewezen wordt over het verzoek tot regeling van rechtsgebied, wordt dat arrest door de zorg van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie en door bemiddeling van de minister van Justitie, betekend aan de ambtenaar belast met het openbaar ministerie bij het hof, de rechtbank of de magistraat, aan wie de zaak onttrokken wordt.
Het wordt mede betekend aan de beklaagde of aan de beschuldigde en aan de burgerlijke partij, indien er een is.
Het wordt mede betekend aan de beklaagde of aan de beschuldigde en aan de burgerlijke partij, indien er een is.
Art. 532. Lorsque, sur la simple requête, il sera intervenu arrêt qui aura statué sur la demande en règlement de juges, cet arrêt sera à la diligence du procureur général près la Cour de cassation, et par l'intermédiaire du [...] ministre de la justice, notifié à l'officier chargé du ministère public près la cour, le tribunal ou le magistrat dessaisi. <L 10-07-1967, art. 1, 22°>
Il sera notifié de même au prévenu ou à l'accusé, et à la partie civile, s'il y en a une.
Il sera notifié de même au prévenu ou à l'accusé, et à la partie civile, s'il y en a une.
Art. 533. <W 10-10-1967, art. 159> De beklaagde of beschuldigde en de burgerlijke partij kunnen tegen het arrest dat zonder voorafgaande mededeling is gewezen, in verzet komen binnen een maand te rekenen van de betekening en in de vormen die hoofdstuk II van titel III van dit boek voorschrijft voor het beroep in cassatie.
Art. 533. <L 10-10-1967, art. 159> Le prévenu ou l'accusé et la partie civile peuvent former opposition à l'arrêt rendu sans communication préalable, dans le délai d'un mois à compter de la signification, et dans les formes prescrites par le chapitre II du titre III du présent livre pour le recours en cassation.
Art. 534. Het in het vorige artikel vermelde verzet schorst van rechtswege de berechting van de zaak, zoals in artikel 531 bepaald is.
Art. 534. L'opposition dont il est parlé au précédent article entraînera de plein droit sursis au jugement du procès, comme il est dit en l'article 531.
Art. 535. De beklaagde die niet in hechtenis is, de beschuldigde die zich niet in het huis van justitie bevindt, en de burgerlijke partij kunnen niet in verzet komen, tenzij zij tevoren of binnen de bij artikel 533 bepaalde termijn woonplaats hebben gekozen in de gemeente waar een van de rechterlijke instanties tussen wie het geschil bestaat, haar zetel heeft.
Bij gebreke van die keuze kunnen zij ook niet tegenwerpen dat hun geen mededeling is gedaan, waartoe in dat geval de verzoeker te hunnen opzichte niet verplicht is.
Bij gebreke van die keuze kunnen zij ook niet tegenwerpen dat hun geen mededeling is gedaan, waartoe in dat geval de verzoeker te hunnen opzichte niet verplicht is.
Art. 535. Le prévenu qui ne sera pas en arrestation, l'accusé qui ne sera pas retenu dans la maison de justice, et la partie civile, ne seront point admis au bénéfice de l'opposition, s'ils n'ont antérieurement, ou dans le délai fixé par l'article 533, élu domicile dans le lieu où siège l'une des autorités judiciaires en conflit.
A défaut de cette élection, ils ne pourront non plus exciper de ce qu'il ne leur aurait été fourni aucune communication, dont le poursuivant sera dispensé à leur égard.
A défaut de cette élection, ils ne pourront non plus exciper de ce qu'il ne leur aurait été fourni aucune communication, dont le poursuivant sera dispensé à leur égard.
Art. 536. Het hof van Cassatie doet, bij de beslissing van het geschil van rechtsgebied, uitspraak over alle handelingen die mochten verricht zijn door het hof, de rechtbank of de rechter, aan wie het de zaak onttrekt.
Art. 536. La Cour de cassation, en jugeant le conflit, statuera sur tous les actes qui pourraient avoir été faits par la cour, le tribunal ou le magistrat qu'elle dessaisira.
Art. 537. De arresten over geschillen van rechtsgebied kunnen niet door verzet worden bestreden, wanneer zij voorafgegaan zijn door een behoorlijk ten uitvoer gelegd arrest houdende bevel tot mededeling.
Art. 537. Les arrêts rendus sur des conflits ne pourront pas être attaqués par la voie de l'opposition, lorsqu'ils auront été précédés d'un arrêt de " soit communiqué ", dûment exécuté.
Art. 538. Het arrest, gewezen na een arrest houdende bevel tot mededeling of gewezen op verzet, wordt aan dezelfde partijen en in dezelfde vorm betekend als het arrest dat eraan voorafgegaan is.
Art. 538. L'arrêt rendu, ou après un " soit communiqué ", ou sur une opposition, sera notifié aux mêmes parties et dans la même forme que l'arrêt qui l'aura précédé.
Art. 539. Wanneer (de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde,) de ambtenaar belast met het openbaar ministerie of de burgerlijke partij hetzij de exceptie van onbevoegdheid van een rechtbank van eerste aanleg of van een onderzoeksrechter, hetzij een declinatoire exceptie heeft opgeworpen, kan niemand zich tot het Hof van Cassatie wenden om regeling van rechtsgebied te verkrijgen, onverschillig of de exceptie aangenomen dan wel verworpen is; onverminderd het recht om voor het hof van beroep hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg of van de onderzoeksrechter, en het recht om zich in cassatie te voorzien tegen het arrest van het hof van beroep, indien daartoe grond bestaat.
Art. 539. Lorsque [l'inculpé, le prévenu ou l'accusé], l'officier chargé du ministère public, ou la partie civile, aura excipé de l'incompétence d'un tribunal de première instance, ou d'un juge d'instruction, ou proposé un déclinatoire, soit que l'exception ait été admise ou rejetée, nul ne pourra recourir à la Cour de cassation pour être réglé de juges; sauf à se pourvoir devant la [cour d'appel] contre le décision portée par le tribunal de première instance ou le juge d'instruction, et à se pourvoir en cassation, s'il y a lieu, contre l'arrêt rendu par la [cour d'appel]. <L 10-07-1967, art. 1, 222°>
Art. 540. Wanneer twee onderzoeksrechters of twee rechtbanken van eerste aanleg, in het rechtsgebied van een zelfde hof van beroep gevestigd, kennis nemen van een zelfde misdrijf of van samenhangende misdrijven, beslist dit hof over de regeling van rechtsgebied in de vorm bepaald in dit hoofdstuk, behoudens voorziening in cassatie, indien daartoe grond bestaat.
Wanneer twee politierechtbanken kennis nemen van een zelfde overtreding of van samenhangende overtredingen, wordt over de regeling van rechtsgebied beslist door de rechtbank tot wier rechtsgebied beide rechtbanken behoren; indien zij tot het rechtsgebied van verschillende rechtbanken behoren, wordt over het geschil beslist door het hof van beroep, behoudens voorziening in cassatie, indien daartoe grond bestaat.
Wanneer twee politierechtbanken kennis nemen van een zelfde overtreding of van samenhangende overtredingen, wordt over de regeling van rechtsgebied beslist door de rechtbank tot wier rechtsgebied beide rechtbanken behoren; indien zij tot het rechtsgebied van verschillende rechtbanken behoren, wordt over het geschil beslist door het hof van beroep, behoudens voorziening in cassatie, indien daartoe grond bestaat.
Art. 540. Lorsque deux juges d'instruction ou deux tribunaux de première instance, établis dans le ressort de la même [cour d'appel], seront saisis de la connaissance du même délit ou de délits connexes, les parties seront réglées de juges par cette cour, suivant la forme prescrite au présent chapitre, sauf le recours, s'il y a lieu, à la Cour de cassation.
Lorsque deux [tribunaux de police] seront saisis de la connaissance de la même contravention ou de contraventions connexes, les parties seront réglées de juges par le tribunal auxquels ils ressortissent l'un et l'autre; et s'ils ressortissent à différents tribunaux, elles seront réglées par la [cour d'appel], sauf le recours, s'il y a lieu, à la cour de cassation. <L 10-07-1967, art. 1, 223°>
Lorsque deux [tribunaux de police] seront saisis de la connaissance de la même contravention ou de contraventions connexes, les parties seront réglées de juges par le tribunal auxquels ils ressortissent l'un et l'autre; et s'ils ressortissent à différents tribunaux, elles seront réglées par la [cour d'appel], sauf le recours, s'il y a lieu, à la cour de cassation. <L 10-07-1967, art. 1, 223°>
Art. 541. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 224°>
Art. 541. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 224°>
HOOFDSTUK II. - VERWIJZING VAN DE ENE RECHTBANK NAAR DE ANDERE.
CHAPITRE II. - DES RENVOIS D'UN TRIBUNAL A UN AUTRE.
Art. 542. In criminele, correctionele en politiezaken kan het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal bij dit hof, een zaak verwijzen van een hof van beroep of van een hof van assisen (...) naar een ander, van een correctionele rechtbank of van een politierechtbank naar een andere rechtbank van dezelfde hoedanigheid, (...), om reden van openbare veiligheid of op grond van gewettigde verdenking. <W 10-07-1967, art. 1, 225°> <W 1998-03-12/38, art. 9, 002, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
Die verwijzing kan ook bevolen worden op vordering van de belanghebbende partijen [1 door een advocaat ondertekend]1, doch alleen op grond van gewettigde verdenking.
Die verwijzing kan ook bevolen worden op vordering van de belanghebbende partijen [1 door een advocaat ondertekend]1, doch alleen op grond van gewettigde verdenking.
Art. 542. En matière criminelle, correctionnelle et de police, la Cour de cassation peut, sur la réquisition du procureur général près cette Cour, renvoyer la connaissance d'une affaire [d'une cour d'appel et d'une cour d'assises] à une autre, d'un tribunal correctionnel ou de police à un autre tribunal de même qualité, [...], pour cause de sûreté publique ou de suspicion légitime. <L 10-07-1967, art. 1, 225°> <L 1998-03-12/38, art. 9, 002, En vigueur : 1998-04-12>
Ce renvoi peut aussi être ordonné sur la réquisition des parties intéressées [1 signé par un avocat]1, mais seulement pour cause de suspicion légitime.
Ce renvoi peut aussi être ordonné sur la réquisition des parties intéressées [1 signé par un avocat]1, mais seulement pour cause de suspicion légitime.
Wijzigingen
Art. 543. De belanghebbende partij die vrijwillig heeft geprocedeerd voor een hof, een rechtbank of een onderzoeksrechter, is in haar verzoek tot verwijzing niet ontvankelijk dan op grond van omstandigheden die zich nadien hebben voorgedaan en die van zodanige aard zijn dat zij een gewettigde verdenking doen ontstaan.
Art. 543. La partie intéressée qui aura procédé volontairement devant une cour, un tribunal ou un juge d'instruction, ne sera reçue à demander le renvoi qu'à raison des circonstances survenues depuis, lorsqu'elles seront de nature à faire naître une suspicion légitime.
Art. 544. De ambtenaren belast met het openbaar ministerie kunnen zich rechtstreeks wenden tot het Hof van Cassatie om de verwijzing te vorderen op grond van gewettigde verdenking; betreft het echter een verzoek tot verwijzing om redenen van openbare veiligheid, dan zijn zij gehouden hun vorderingen, hun beweegredenen en de stukken tot staving te bezorgen aan de minister van Justitie, die ze aan het Hof van Cassatie doet toekomen, indien daartoe grond bestaat.
Art. 544. Les officiers chargés du ministère public pourront se pourvoir immédiatement devant la Cour de cassation, pour demander le renvoi pour cause de suspicion légitime; mais lorsqu'il s'agira d'une demande en renvoi pour cause de sûreté publique, ils seront tenus d'adresser leurs réclamations, leurs motifs et les pièces à l'appui, au [...] ministre de la justice, qui les transmettra, s'il y a lieu, à la Cour de cassation. <L 10-07-1967, art. 1, 226°>
Art. 545. [1 Na inzage van het verzoekschrift en van de bewijsstukken doet de kamer van het Hof van Cassatie die kennis neemt van het cassatieberoep in criminele, correctionele en politiezaken, onmiddellijk einduitspraak indien het verzoek kennelijk onontvankelijk is of wanneer de in het verzoekschrift en de bewijsstukken overgelegde gegevens daartoe volstaan.
Indien daarenboven een geldboete wegens kennelijk onontvankelijk verzoek verantwoord kan zijn, wordt, bij dezelfde beslissing, een rechtsdag bepaald op een nabije datum, waarop alleen dit punt zal worden behandeld. De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op om tegen die datum hun opmerkingen schriftelijk mee te delen.
De geldboete bedraagt honderdvijfentwintig euro tot tweeduizend vijfhonderd euro. De Koning mag het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De geldboete wordt geïnd door de Administratie der Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.
Wanneer niet voldaan is aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor een onmiddellijke einduitspraak, beveelt het Hof van Cassatie ten spoedigste en uiterlijk binnen acht dagen :
1° a) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de rechter in de politierechtbank tegen wie onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen;
b) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang van het gerecht waartegen onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn, een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen in overleg met de leden van het gerecht die met naam worden vermeld en deze verklaring mede ondertekenen;
2° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de niet-verzoekende partijen en dat hun de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van hun conclusies ter griffie en de dag van verschijning voor het Hof; deze dag van verschijning vindt plaats uiterlijk binnen twee maanden na het indienen van het verzoekschrift; het Hof is daartoe evenwel niet gehouden wanneer het, onder opgave van redenen, deze mededeling en de kennisgeving van de dag van verschijning nadelig acht voor het onderzoek;
3° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan het openbaar ministerie bij het gerecht waartegen de verwijzing wordt gevorderd en dat de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van een advies, indien het Hof van Cassatie dit nodig acht;
4° dat een van de raadsheren die in het arrest wordt aangewezen, op een bepaalde dag verslag uitbrengt.
Behoudens de onder de bepaling 2° bepaalde uitzondering, worden de conclusies en, in voorkomend geval, het advies van het openbaar ministerie ten laatste op de dag van de neerlegging ter griffie meegedeeld aan de partijen.]1
Indien daarenboven een geldboete wegens kennelijk onontvankelijk verzoek verantwoord kan zijn, wordt, bij dezelfde beslissing, een rechtsdag bepaald op een nabije datum, waarop alleen dit punt zal worden behandeld. De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op om tegen die datum hun opmerkingen schriftelijk mee te delen.
De geldboete bedraagt honderdvijfentwintig euro tot tweeduizend vijfhonderd euro. De Koning mag het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De geldboete wordt geïnd door de Administratie der Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.
Wanneer niet voldaan is aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor een onmiddellijke einduitspraak, beveelt het Hof van Cassatie ten spoedigste en uiterlijk binnen acht dagen :
1° a) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de rechter in de politierechtbank tegen wie onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen;
b) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang van het gerecht waartegen onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn, een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen in overleg met de leden van het gerecht die met naam worden vermeld en deze verklaring mede ondertekenen;
2° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de niet-verzoekende partijen en dat hun de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van hun conclusies ter griffie en de dag van verschijning voor het Hof; deze dag van verschijning vindt plaats uiterlijk binnen twee maanden na het indienen van het verzoekschrift; het Hof is daartoe evenwel niet gehouden wanneer het, onder opgave van redenen, deze mededeling en de kennisgeving van de dag van verschijning nadelig acht voor het onderzoek;
3° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan het openbaar ministerie bij het gerecht waartegen de verwijzing wordt gevorderd en dat de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van een advies, indien het Hof van Cassatie dit nodig acht;
4° dat een van de raadsheren die in het arrest wordt aangewezen, op een bepaalde dag verslag uitbrengt.
Behoudens de onder de bepaling 2° bepaalde uitzondering, worden de conclusies en, in voorkomend geval, het advies van het openbaar ministerie ten laatste op de dag van de neerlegging ter griffie meegedeeld aan de partijen.]1
Art. 545. [1 Sur le vu de la requête et des pièces justificatives, la chambre de la Cour de cassation qui connaît des pourvois en matière criminelle, correctionnelle ou de police, statue immédiatement et définitivement lorsque la requête est manifestement irrecevable ou lorsque les éléments reproduits dans la requête et les pièces justificatives suffisent.
Si, en outre, une amende pour requête manifestement irrecevable peut se justifier, ce point seul sera traité à une audience fixée par la même décision à une date rapprochée. Le greffier convoque les parties par pli judiciaire afin qu'elles fassent connaître leurs observations par écrit pour cette date.
L'amende est de cent vingt-cinq euros à deux mille cinq cents euros. Tous les cinq ans, le Roi peut adapter les montants minimums et maximums au coût de la vie. Le recouvrement de l'amende est poursuivi par toutes voies de droit à la diligence de l'Administration de l'enregistrement et des domaines.
Lorsque les conditions requises à l'alinéa 1er pour une décision immédiate et définitive ne sont pas remplies, la Cour de cassation ordonne dans le plus bref délai et au plus tard dans les huit jours :
1° a) la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées au juge au tribunal de police dont le dessaisissement est demandé, pour qu'il fasse, dans le délai fixé par la Cour, une déclaration sur l'expédition de l'arrêt;
b) la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées au premier président ou au président, selon la juridiction dont le dessaisissement est demandé, pour qu'il fasse, dans le délai fixé par la Cour, une déclaration sur l'expédition de l'arrêt, et ce, en concertation avec les membres de la juridiction nommément désignés, qui contresigneront ladite déclaration;
2° la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées aux parties non requérantes ainsi que la communication du délai dont celles-ci disposent pour le dépôt de leurs conclusions au greffe et du jour de comparution devant la Cour; cette comparution a lieu au plus tard dans les deux mois du dépôt de la requête; toutefois, la Cour de cassation n'ordonnera pas la communication lorsque, par les motifs qu'elle énonce, elle juge la communication et la notification de la date de comparution néfastes pour l'instruction;
3° la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées au ministère public près la juridiction contre laquelle la demande en renvoi est formée ainsi que la communication du délai dans lequel doit être déposé son avis, si la Cour de cassation le juge nécessaire;
4° le rapport, au jour indiqué, par l'un des conseillers nommé par l'arrêt.
Sans préjudice de l'exception prévue au point 2°, les conclusions et, le cas échéant, l'avis du ministère public sont communiqués aux parties au plus tard le jour du dépôt au greffe.]1
Si, en outre, une amende pour requête manifestement irrecevable peut se justifier, ce point seul sera traité à une audience fixée par la même décision à une date rapprochée. Le greffier convoque les parties par pli judiciaire afin qu'elles fassent connaître leurs observations par écrit pour cette date.
L'amende est de cent vingt-cinq euros à deux mille cinq cents euros. Tous les cinq ans, le Roi peut adapter les montants minimums et maximums au coût de la vie. Le recouvrement de l'amende est poursuivi par toutes voies de droit à la diligence de l'Administration de l'enregistrement et des domaines.
Lorsque les conditions requises à l'alinéa 1er pour une décision immédiate et définitive ne sont pas remplies, la Cour de cassation ordonne dans le plus bref délai et au plus tard dans les huit jours :
1° a) la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées au juge au tribunal de police dont le dessaisissement est demandé, pour qu'il fasse, dans le délai fixé par la Cour, une déclaration sur l'expédition de l'arrêt;
b) la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées au premier président ou au président, selon la juridiction dont le dessaisissement est demandé, pour qu'il fasse, dans le délai fixé par la Cour, une déclaration sur l'expédition de l'arrêt, et ce, en concertation avec les membres de la juridiction nommément désignés, qui contresigneront ladite déclaration;
2° la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées aux parties non requérantes ainsi que la communication du délai dont celles-ci disposent pour le dépôt de leurs conclusions au greffe et du jour de comparution devant la Cour; cette comparution a lieu au plus tard dans les deux mois du dépôt de la requête; toutefois, la Cour de cassation n'ordonnera pas la communication lorsque, par les motifs qu'elle énonce, elle juge la communication et la notification de la date de comparution néfastes pour l'instruction;
3° la communication de l'arrêt, de la requête et des pièces y annexées au ministère public près la juridiction contre laquelle la demande en renvoi est formée ainsi que la communication du délai dans lequel doit être déposé son avis, si la Cour de cassation le juge nécessaire;
4° le rapport, au jour indiqué, par l'un des conseillers nommé par l'arrêt.
Sans préjudice de l'exception prévue au point 2°, les conclusions et, le cas échéant, l'avis du ministère public sont communiqués aux parties au plus tard le jour du dépôt au greffe.]1
Wijzigingen
Art. 546. (Opgeheven) <W 1998-03-12/38, art. 14, 002, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
Art. 546. [Abrogé] <L 1998-03-12/38, art. 14, 002, En vigueur : 1998-04-12>
Art. 547. <W 1998-03-12/38, art. 11, 002, Inwerkingtreding : 1998-04-12> Het Hof van Cassatie neemt de voorbereidende beslissingen die het nodig acht.
Art. 547. <L 1998-03-12/38, art. 11, 002, En vigueur : 1998-04-12> La Cour de cassation prononcera les dispositions préparatoires qu'elle jugera nécessaires.
Art. 548. <W 1998-03-12/38, art. 12, 002, Inwerkingtreding : 1998-04-12> De griffier van het Hof van Cassatie zendt bij aangetekende brief aan de rechter bedoeld in artikel 545, tweede lid, 1°, aan de verzoeker, [1 en, behoudens wanneer het Hof in zijn arrest, onder opgave van redenen deze toezending nadelig acht voor het onderzoek,]1 aan de niet-verzoekende partijen bedoeld in artikel 545 of, in voorkomend geval, aan hun advocaten, een niet-ondertekend afschrift van de einduitspraak over het verzoek tot verwijzing.
Art. 548. <L 1998-03-12/38, art. 12, 002, En vigueur : 1998-04-12> Le greffier de la Cour de cassation adresse, par lettre recommandée, au juge visé à l'article 545, alinéa 2, 1°, au requérant et [1 , sauf si, par les motifs qu'elle énonce dans son arrêt, la Cour juge cet envoi néfaste pour l'instruction,]1 aux parties non requérantes visées à l'article 545, ou, le cas échéant, à leurs avocats, une copie non signée de la décision définitive sur la demande en renvoi.
Wijzigingen
Art. 549. (Opgeheven) <W 1998-03-12/38, art. 14, 002, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
Art. 549. [Abrogé] <L 1998-03-12/38, art. 14, 002, En vigueur : 1998-04-12>
Art. 550. (Opgeheven) <W 1998-03-12/38, art. 14, 002, Inwerkingtreding : 1998-04-12>
Art. 550. [Abrogé] <L 1998-03-12/38, art. 14, 002, En vigueur : 1998-04-12>
Art. 551. <W 1998-03-12/38, art. 13, 002, Inwerkingtreding : 1998-04-12> De artikelen 525, 531 en 536 zijn van overeenkomstige toepassing op het verzoek tot verwijzing van de ene rechtbank naar een andere.
Art. 551. <L 1998-03-12/38, art. 13, 002, En vigueur : 1998-04-12> Les articles 525, 531 et 536 s'appliquent par analogie aux demandes en renvoi d'un tribunal à un autre.
Art. 552. Het arrest waarbij een verzoek tot verwijzing wordt verworpen, vormt geen beletsel voor een nieuw verzoek tot verwijzing op grond van feiten die zich nadien hebben voorgedaan.
Art. 552. L'arrêt qui aura rejeté une demande en renvoi n'exclura pas une nouvelle demande en renvoi fondée sur des faits survenus depuis.
TITEL VI. - (Bemiddeling.)
TITRE VI. - [De la médiation.]
Art. 553. <W 2005-06-22/35, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 31-01-2006> § 1. Onder voorbehoud van artikel 216ter van dit Wetboek, kan elkeen die een direct belang heeft in elke fase van de strafprocedure en tijdens de strafuitvoering verzoeken om bemiddeling.
§ 2. Het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten en de rechter zien erop toe dat de personen betrokken in een gerechtelijke procedure worden geïnformeerd over de mogelijkheid een bemiddeling te vragen. Voor zover zij dit in concrete dossiers opportuun achten, kunnen zij zelf aan de partijen een bemiddeling voorstellen.
§ 3. De vraag tot bemiddeling wordt gericht aan een dienst bedoeld in artikel 554, § 1.
Deze dienst kan de procureur des Konings inlichten van deze vraag en, in voorkomend geval, om de toelating verzoeken kennis te mogen nemen van het dossier.
§ 4. De partijen kunnen tijdens de bemiddeling worden bijgestaan door een advocaat.
§ 2. Het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten en de rechter zien erop toe dat de personen betrokken in een gerechtelijke procedure worden geïnformeerd over de mogelijkheid een bemiddeling te vragen. Voor zover zij dit in concrete dossiers opportuun achten, kunnen zij zelf aan de partijen een bemiddeling voorstellen.
§ 3. De vraag tot bemiddeling wordt gericht aan een dienst bedoeld in artikel 554, § 1.
Deze dienst kan de procureur des Konings inlichten van deze vraag en, in voorkomend geval, om de toelating verzoeken kennis te mogen nemen van het dossier.
§ 4. De partijen kunnen tijdens de bemiddeling worden bijgestaan door een advocaat.
Art. 553. <L 2005-06-22/35, art. 6, 007; En vigueur : 31-01-2006> § 1er. Sous réserve de l'article 216ter du présent Code, toute personne qui a un intérêt direct peut, dans chaque phase de la procédure pénale et de l'exécution de la peine formuler une demande de médiation.
§ 2. Le ministère public, le juge d'instruction, les juridictions d'instruction et le juge veillent à ce que les parties impliquées dans une procédure judiciaire soient informées sur la possibilité de demander une médiation. Pour autant qu'ils l'estiment opportun dans des dossiers concrets, ils peuvent eux-mêmes proposer une médiation aux parties.
§ 3. La demande de médiation est adressée à un service visé à l'article 554, § 1er.
Ce service peut informer le procureur du Roi de la demande et solliciter le cas échéant l'autorisation de prendre connaissance du dossier.
§ 4. Les parties peuvent se faire assister par un avocat au cours de la médiation.
§ 2. Le ministère public, le juge d'instruction, les juridictions d'instruction et le juge veillent à ce que les parties impliquées dans une procédure judiciaire soient informées sur la possibilité de demander une médiation. Pour autant qu'ils l'estiment opportun dans des dossiers concrets, ils peuvent eux-mêmes proposer une médiation aux parties.
§ 3. La demande de médiation est adressée à un service visé à l'article 554, § 1er.
Ce service peut informer le procureur du Roi de la demande et solliciter le cas échéant l'autorisation de prendre connaissance du dossier.
§ 4. Les parties peuvent se faire assister par un avocat au cours de la médiation.
Art. 554. <W 2005-06-22/35, art. 7, 007; Inwerkingtreding : 31-01-2006> § 1. Bemiddelaars maken deel uit van een dienst die bemiddeling aanbiedt en die door de Minister van Justitie is erkend. De erkenningscriteria worden door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit bepaald en hebben betrekking op de rechtspersoonlijkheid van de dienst, de activiteiten van de dienst, de multidisciplinaire samenstelling van de dienst en het verplicht zorgen voor een aangepaste vorming en een gespecialiseerde ondersteuning. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit tevens de procedures voor de toekenning, schorsing en intrekking van de erkenning evenals de regeling van de financiering van deze diensten.
§ 2. Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt ten behoeve van deze diensten een "deontologische commissie" bemiddeling opgericht. Deze commissie heeft tot taak een deontologische code inzake bemiddeling op te stellen en te actualiseren en deontologische problemen op te volgen. De commissie bestaat uit twaalf leden die worden aangewezen op basis van hun kennis en ervaring inzake de materie. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere regels inzake de samenstelling en de werking van de commissie. In de samenstelling wordt de taalpariteit in acht genomen.
§ 2. Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt ten behoeve van deze diensten een "deontologische commissie" bemiddeling opgericht. Deze commissie heeft tot taak een deontologische code inzake bemiddeling op te stellen en te actualiseren en deontologische problemen op te volgen. De commissie bestaat uit twaalf leden die worden aangewezen op basis van hun kennis en ervaring inzake de materie. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere regels inzake de samenstelling en de werking van de commissie. In de samenstelling wordt de taalpariteit in acht genomen.
Art. 554. <L 2005-06-22/35, art. 7, 007; En vigueur : 31-01-2006> § 1er. Les médiateurs font partie d'un service qui offre de la médiation et qui est agréé par le Ministre de la Justice. Les critères d'agrément sont fixés par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et ont trait à la personnalité juridique du service, à ses activités, à sa composition pluridisciplinaire et à l'obligation de prévoir une formation adaptée et un soutien spécialisé. En outre, le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres les procédures d'octroi, de suspension et de retrait d'agrément ainsi que l'organisation de financement de ces services.
§ 2. Il est créé auprès du Service public fédéral Justice une "commission déontologique médiation" pour ces services. Cette commission aura pour mission d'élaborer et d'actualiser un code de déontologie en matière de médiation ainsi que d'assurer le suivi des problèmes déontologiques. La commission se compose de douze membres désignés sur la base de leurs connaissances et de leur expérience dans la matière. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les règles concernant la composition et le fonctionnement de la commission. La composition respecte la parité linguistique.
§ 2. Il est créé auprès du Service public fédéral Justice une "commission déontologique médiation" pour ces services. Cette commission aura pour mission d'élaborer et d'actualiser un code de déontologie en matière de médiation ainsi que d'assurer le suivi des problèmes déontologiques. La commission se compose de douze membres désignés sur la base de leurs connaissances et de leur expérience dans la matière. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des ministres les règles concernant la composition et le fonctionnement de la commission. La composition respecte la parité linguistique.
Art. 555. <W 2005-06-22/35, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 31-01-2006> § 1. De documenten die worden opgemaakt en de mededelingen die worden gedaan in het kader van de tussenkomst van de bemiddelaar zijn vertrouwelijk, met uitzondering van datgene waarmee de partijen instemmen om het ter kennis van de gerechtelijke instanties te brengen. Zij kunnen niet worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of in enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.
§ 2. Vertrouwelijke documenten die toch zijn meegedeeld of waarop een partij steunt in strijd met de geheimhoudingsplicht, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.
§ 3. Onverminderd de verplichtingen die hem bij wet worden opgelegd, mag de bemiddelaar de feiten waarvan hij uit hoofde van zijn ambt kennis krijgt, niet openbaar maken. Hij mag niet worden opgeroepen als getuige in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of in enige andere procedure met betrekking tot de feiten waarvan hij in de loop van een bemiddeling kennis heeft genomen.
Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bemiddelaar.
§ 2. Vertrouwelijke documenten die toch zijn meegedeeld of waarop een partij steunt in strijd met de geheimhoudingsplicht, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.
§ 3. Onverminderd de verplichtingen die hem bij wet worden opgelegd, mag de bemiddelaar de feiten waarvan hij uit hoofde van zijn ambt kennis krijgt, niet openbaar maken. Hij mag niet worden opgeroepen als getuige in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of in enige andere procedure met betrekking tot de feiten waarvan hij in de loop van een bemiddeling kennis heeft genomen.
Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bemiddelaar.
Art. 555. <L 2005-06-22/35, art. 8, 007; En vigueur : 31-01-2006> § 1er. Les documents établis et les communications faites dans le cadre d'une intervention d'un médiateur sont confidentiels, à l'exception de ce que les parties consentent à porter à la connaissance des autorités judiciaires. Ils ne peuvent être utilisés dans une procédure pénale, civile, administrative ou arbitrale ou dans toute autre procédure visant à résoudre des conflits et ne sont pas admissibles comme preuve, même comme aveu extrajudiciaire.
§ 2. Les documents confidentiels qui sont tout de même communiqués ou sur lesquels une partie se base en violation de l'obligation de secret sont d'office écartés des débats.
§ 3. Sans préjudice des obligations que la loi lui impose, le médiateur ne peut rendre publics les faits dont il prend connaissance du fait de sa fonction. Il ne peut être appelé comme témoin dans une procédure pénale, civile, administrative ou arbitrale ou dans toute autre procédure relative aux faits dont il a pris connaissance au cours d'une médiation.
L'article 458 du Code pénal s'applique au médiateur.
§ 2. Les documents confidentiels qui sont tout de même communiqués ou sur lesquels une partie se base en violation de l'obligation de secret sont d'office écartés des débats.
§ 3. Sans préjudice des obligations que la loi lui impose, le médiateur ne peut rendre publics les faits dont il prend connaissance du fait de sa fonction. Il ne peut être appelé comme témoin dans une procédure pénale, civile, administrative ou arbitrale ou dans toute autre procédure relative aux faits dont il a pris connaissance au cours d'une médiation.
L'article 458 du Code pénal s'applique au médiateur.
TITEL VIbis. [1 Het gebruik van videoconferentie]1
TITRE VIbis. [1 - L'utilisation de la vidéoconférence]1
Art. 556. [1 § 1. Voor de toepassing van deze titel wordt begrepen onder:
1° videoconferentie: elke rechtstreekse audiovisuele verbinding, in reële tijd, met als doel het verzekeren van een multidirectionele en gelijktijdige communicatie van beeld en geluid en een visuele, auditieve en verbale interactie tussen meerdere geografisch van elkaar verwijderde personen of groepen van personen;
2° videoconferentiesysteem: het informaticasysteem, opgericht bij de door de Koning aangewezen dienst, dat toelaat:
a) een videoconferentie te houden overeenkomstig de voorwaarden en vereisten van deze titel;
b) een openbare terechtzitting op te nemen overeenkomstig artikel 566 en, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 558, § 4;
c) het regelen van de vaststelling van zittingen te vergemakkelijken.
§ 2. De bepalingen van deze titel doen geen afbreuk aan de algemene regel dat de zittingen van de rechtbanken fysiek doorgaan in een gerechtsgebouw. In afwijking van deze regel kunnen zittingen enkel worden georganiseerd via videoconferentie overeenkomstig de bepalingen van deze titel.]1
1° videoconferentie: elke rechtstreekse audiovisuele verbinding, in reële tijd, met als doel het verzekeren van een multidirectionele en gelijktijdige communicatie van beeld en geluid en een visuele, auditieve en verbale interactie tussen meerdere geografisch van elkaar verwijderde personen of groepen van personen;
2° videoconferentiesysteem: het informaticasysteem, opgericht bij de door de Koning aangewezen dienst, dat toelaat:
a) een videoconferentie te houden overeenkomstig de voorwaarden en vereisten van deze titel;
b) een openbare terechtzitting op te nemen overeenkomstig artikel 566 en, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 558, § 4;
c) het regelen van de vaststelling van zittingen te vergemakkelijken.
§ 2. De bepalingen van deze titel doen geen afbreuk aan de algemene regel dat de zittingen van de rechtbanken fysiek doorgaan in een gerechtsgebouw. In afwijking van deze regel kunnen zittingen enkel worden georganiseerd via videoconferentie overeenkomstig de bepalingen van deze titel.]1
Art. 556. [1 § 1er. Pour l'application du présent titre, on entend par:
1° vidéoconférence: toute liaison audiovisuelle directe, en temps réel, ayant pour but d'assurer une communication multidirectionnelle et simultanée de l'image et du son et une interaction visuelle, auditive et verbale entre plusieurs personnes ou groupes de personnes géographiquement éloignés;
2° système de vidéoconférence: le système informatique, institué auprès du service désigné par le Roi qui permet:
a) de tenir une vidéoconférence conformément aux conditions et exigences du présent titre;
b) d'enregistrer une audience conformément à l'article 566 et, le cas échéant, conformément à l'article 558, § 4;
c) de faciliter l'organisation des fixations d'audiences.
§ 2. Les dispositions du présent titre ne portent pas atteinte au principe général selon lequel les audiences des tribunaux se tiennent physiquement dans les bâtiments de la justice. Par dérogation à ce principe, des audiences ne peuvent être organisées par vidéoconférence que conformément aux dispositions du présent titre.]1
1° vidéoconférence: toute liaison audiovisuelle directe, en temps réel, ayant pour but d'assurer une communication multidirectionnelle et simultanée de l'image et du son et une interaction visuelle, auditive et verbale entre plusieurs personnes ou groupes de personnes géographiquement éloignés;
2° système de vidéoconférence: le système informatique, institué auprès du service désigné par le Roi qui permet:
a) de tenir une vidéoconférence conformément aux conditions et exigences du présent titre;
b) d'enregistrer une audience conformément à l'article 566 et, le cas échéant, conformément à l'article 558, § 4;
c) de faciliter l'organisation des fixations d'audiences.
§ 2. Les dispositions du présent titre ne portent pas atteinte au principe général selon lequel les audiences des tribunaux se tiennent physiquement dans les bâtiments de la justice. Par dérogation à ce principe, des audiences ne peuvent être organisées par vidéoconférence que conformément aux dispositions du présent titre.]1
Wijzigingen
Art. 557. [1 Het gebruik van de videoconferentie in strafzaken heeft als doel om een of meerdere personen of, in voorkomend geval, hun vertegenwoordigers, of de leden van het gerecht toe te laten om vanop afstand op een zitting te verschijnen, eraan deel te nemen of er te zetelen onder de in deze titel vastgestelde voorwaarden.]1
Art. 557. [1 L'utilisation de la vidéoconférence en matière pénale a pour finalité de permettre à une ou plusieurs personnes ou, le cas échéant, à leurs représentants ou à des membres de la juridiction, de comparaitre, de participer ou de siéger à une audience à distance dans les conditions fixées par le présent titre.]1
Wijzigingen
Art. 558. [1 § 1. De organisatie en het verloop van de zitting per videoconferentie en het videoconferentiesysteem worden op zo'n wijze ontworpen dat verzekerd wordt dat, in de gevallen waarin een of meer personen per videoconferentie verschijnen of deelnemen en voor zover deze titel daar niet van afwijkt, de per videoconferentie op de zitting verschijnende of eraan deelnemende personen en de personen die op de zitting verschijnen of eraan deelnemen in de zittingszaal, dezelfde rechten en verplichtingen hebben als diegene die hen zijn toegekend in het kader van een zitting waarbij niemand verschijnt per videoconferentie.
§ 2. De organisatie en het verloop van de zitting per videoconferentie en het videoconferentiesysteem waarborgen dat:
1° de op de zitting verschijnende, eraan deelnemende en er zetelende personen in staat zijn om op effectieve wijze deel te nemen aan de rechtspleging en de debatten effectief en integraal te volgen;
2° de op de zitting verschijnende, eraan deelnemende of er zetelende personen zich kunnen uitdrukken en kunnen gezien en gehoord worden zonder technische belemmeringen;
3° indien een advocaat optreedt voor de verschijnende persoon, de verschijnende persoon tijdens de videoconferentie daadwerkelijk en vertrouwelijk kan communiceren met zijn advocaat;
4° indien er verschillende partijen in het geding zijn of verschillende te horen personen, kunnen zij elkaar gelijktijdig zien en horen, voor zover de wet het toelaat;
5° behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen, is het opnemen, het bewaren, en elke andere vorm van verwerking van de videoconferentie niet toegelaten.
§ 3. De Koning duidt het videoconferentiesysteem bedoeld in artikel 556, § 1, 2°, aan en bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder bedoeld in artikel 782, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek en het College van het openbaar ministerie, de nadere regels voor de inrichting en werking van het videoconferentiesysteem.
Toegang tot het videoconferentiesysteem wordt verkregen door middel van de federaal ondersteunde authentificatieprotocollen of een authentificatiemiddel dat gelijkwaardige garanties biedt. De Koning kan de authentificatiemiddelen bepalen.
De Koning kan bepalen op welke wijze de gebruikers of potentiële gebruikers van het videoconferentiesysteem worden geïnformeerd over de werking, het gebruik en de voor- en nadelen van het videoconferentiesysteem.
De Koning kan ook de minimale regels bepalen waaraan de informatica-apparatuur van de personen die verschijnen of deelnemen aan de videoconferentie moet voldoen.
§ 4. De zitting per videoconferentie kan door het gerecht worden opgenomen om de in artikel 559, eerste lid, bedoelde openbaarheid te waarborgen. Deze opname wordt niet langer dan de duur van de zitting bewaard.]1
§ 2. De organisatie en het verloop van de zitting per videoconferentie en het videoconferentiesysteem waarborgen dat:
1° de op de zitting verschijnende, eraan deelnemende en er zetelende personen in staat zijn om op effectieve wijze deel te nemen aan de rechtspleging en de debatten effectief en integraal te volgen;
2° de op de zitting verschijnende, eraan deelnemende of er zetelende personen zich kunnen uitdrukken en kunnen gezien en gehoord worden zonder technische belemmeringen;
3° indien een advocaat optreedt voor de verschijnende persoon, de verschijnende persoon tijdens de videoconferentie daadwerkelijk en vertrouwelijk kan communiceren met zijn advocaat;
4° indien er verschillende partijen in het geding zijn of verschillende te horen personen, kunnen zij elkaar gelijktijdig zien en horen, voor zover de wet het toelaat;
5° behoudens de bij wet bepaalde uitzonderingen, is het opnemen, het bewaren, en elke andere vorm van verwerking van de videoconferentie niet toegelaten.
§ 3. De Koning duidt het videoconferentiesysteem bedoeld in artikel 556, § 1, 2°, aan en bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder bedoeld in artikel 782, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek en het College van het openbaar ministerie, de nadere regels voor de inrichting en werking van het videoconferentiesysteem.
Toegang tot het videoconferentiesysteem wordt verkregen door middel van de federaal ondersteunde authentificatieprotocollen of een authentificatiemiddel dat gelijkwaardige garanties biedt. De Koning kan de authentificatiemiddelen bepalen.
De Koning kan bepalen op welke wijze de gebruikers of potentiële gebruikers van het videoconferentiesysteem worden geïnformeerd over de werking, het gebruik en de voor- en nadelen van het videoconferentiesysteem.
De Koning kan ook de minimale regels bepalen waaraan de informatica-apparatuur van de personen die verschijnen of deelnemen aan de videoconferentie moet voldoen.
§ 4. De zitting per videoconferentie kan door het gerecht worden opgenomen om de in artikel 559, eerste lid, bedoelde openbaarheid te waarborgen. Deze opname wordt niet langer dan de duur van de zitting bewaard.]1
Art. 558. [1 § 1er. L'organisation et le déroulement de l'audience par vidéoconférence ainsi que le système de vidéoconférence sont conçus de façon à garantir que les personnes comparaissant ou participant à l'audience par vidéoconférence et les personnes y comparaissant ou participant dans la salle d'audience dans les cas où une ou plusieurs personnes comparaissent ou participent par vidéoconférence, disposent, pour autant que le présent titre n'y déroge pas, des mêmes droits et obligations que ceux qu'elles ont dans le cadre d'une audience dans laquelle personne ne comparaît par vidéoconférence.
§ 2. L'organisation et le déroulement de l'audience par vidéoconférence ainsi que le système de vidéoconférence garantissent que:
1° les personnes comparaissant, participant et siégeant à l'audience sont en mesure de participer de manière effective à la procédure et de suivre effectivement et intégralement les débats;
2° les personnes comparaissant, participant ou siégeant à l'audience peuvent s'exprimer et être vues et entendues sans entrave technique;
3° si un avocat agit pour le comparant, le comparant peut communiquer effectivement et confidentiellement avec son avocat pendant la vidéoconférence;
4° s'il y a plusieurs parties au procès ou plusieurs personnes à entendre, elles peuvent se voir et s'entendre simultanément, pour autant que la loi le permette;
5° sauf exceptions prévues par la loi, l'enregistrement, la sauvegarde, et tout autre forme de traitement de la vidéoconférence ne sont pas autorisés.
§ 3. Le Roi désigne le système de vidéoconférence visé à l'article 556, § 1er, 2°, et détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire visé à l'article 782, § 6, du Code judiciaire et du Collège du ministère public, les modalités de mise en place, et de fonctionnement du système de vidéoconférence.
L'accès au système de vidéoconférence s'obtient au moyen des protocoles d'authentification appuyés par l'autorité fédérale ou d'un moyen d'authentification offrant des garanties équivalentes. Le Roi peut déterminer les moyens d'authentification.
Le Roi peut déterminer la manière dont les utilisateurs ou les potentiels utilisateurs du système de vidéoconférence sont informés sur son fonctionnement, son utilisation, ses inconvénients et ses avantages.
Le Roi peut également déterminer les règles minimales que doit respecter l'équipement informatique des personnes comparaissant ou participant à la vidéoconférence.
§ 4. L'audience par vidéoconférence peut être enregistrée par la juridiction afin d'assurer la publicité visée à l'article 559, alinéa 1er. Cet enregistrement n'est pas conservé au-delà du terme de l'audience.]1
§ 2. L'organisation et le déroulement de l'audience par vidéoconférence ainsi que le système de vidéoconférence garantissent que:
1° les personnes comparaissant, participant et siégeant à l'audience sont en mesure de participer de manière effective à la procédure et de suivre effectivement et intégralement les débats;
2° les personnes comparaissant, participant ou siégeant à l'audience peuvent s'exprimer et être vues et entendues sans entrave technique;
3° si un avocat agit pour le comparant, le comparant peut communiquer effectivement et confidentiellement avec son avocat pendant la vidéoconférence;
4° s'il y a plusieurs parties au procès ou plusieurs personnes à entendre, elles peuvent se voir et s'entendre simultanément, pour autant que la loi le permette;
5° sauf exceptions prévues par la loi, l'enregistrement, la sauvegarde, et tout autre forme de traitement de la vidéoconférence ne sont pas autorisés.
§ 3. Le Roi désigne le système de vidéoconférence visé à l'article 556, § 1er, 2°, et détermine, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire visé à l'article 782, § 6, du Code judiciaire et du Collège du ministère public, les modalités de mise en place, et de fonctionnement du système de vidéoconférence.
L'accès au système de vidéoconférence s'obtient au moyen des protocoles d'authentification appuyés par l'autorité fédérale ou d'un moyen d'authentification offrant des garanties équivalentes. Le Roi peut déterminer les moyens d'authentification.
Le Roi peut déterminer la manière dont les utilisateurs ou les potentiels utilisateurs du système de vidéoconférence sont informés sur son fonctionnement, son utilisation, ses inconvénients et ses avantages.
Le Roi peut également déterminer les règles minimales que doit respecter l'équipement informatique des personnes comparaissant ou participant à la vidéoconférence.
§ 4. L'audience par vidéoconférence peut être enregistrée par la juridiction afin d'assurer la publicité visée à l'article 559, alinéa 1er. Cet enregistrement n'est pas conservé au-delà du terme de l'audience.]1
Wijzigingen
Art. 559. [1 De openbaarheid van de zittingen per videoconferentie wordt verzekerd via het videoconferentiesysteem of een ander door de Koning aangewezen informaticasysteem of via de toegang tot de zittingszaal waar het gerecht zetelt. De openbaarheid van de zittingen kan ook verzekerd worden door een combinatie van de voornoemde middelen.
De behandeling per videoconferentie met gesloten deuren wordt gewaarborgd door het videoconferentiesysteem en door de toegang te weigeren tot de zittingszaal waar het gerecht zetelt.
De Koning stelt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder bedoeld in artikel 782, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek en het College van het openbaar ministerie, de nadere regels vast met betrekking tot de openbaarheid van de zittingen via het videoconferentiesysteem, evenals, in voorkomend geval, de nadere regels voor de inrichting en werking van het in eerste lid bedoelde informaticasysteem.]1
De behandeling per videoconferentie met gesloten deuren wordt gewaarborgd door het videoconferentiesysteem en door de toegang te weigeren tot de zittingszaal waar het gerecht zetelt.
De Koning stelt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder bedoeld in artikel 782, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek en het College van het openbaar ministerie, de nadere regels vast met betrekking tot de openbaarheid van de zittingen via het videoconferentiesysteem, evenals, in voorkomend geval, de nadere regels voor de inrichting en werking van het in eerste lid bedoelde informaticasysteem.]1
Art. 559. [1 La publicité des audiences par vidéoconférence est assurée par le système de vidéoconférence ou un autre système informatique désigné par le Roi ou par l'accès à la salle d'audience où siège la juridiction. La publicité des audiences peut également être assurée par une combinaison des moyens précités.
Le huis clos par vidéoconférence est garanti par le système de vidéoconférence et par l'interdiction de l'accès à la salle d'audience où siège la juridiction.
Le Roi fixe, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire visé à l'article 782, § 6, du Code judiciaire et du Collège du ministère public, les modalités relatives à la publicité des audiences au moyen du système de vidéoconférence, ainsi que, le cas échéant, celles de mise en place et de fonctionnement du système informatique visé à l'alinéa 1er.]1
Le huis clos par vidéoconférence est garanti par le système de vidéoconférence et par l'interdiction de l'accès à la salle d'audience où siège la juridiction.
Le Roi fixe, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire visé à l'article 782, § 6, du Code judiciaire et du Collège du ministère public, les modalités relatives à la publicité des audiences au moyen du système de vidéoconférence, ainsi que, le cas échéant, celles de mise en place et de fonctionnement du système informatique visé à l'alinéa 1er.]1
Wijzigingen
Art. 560. [1 § 1. De onderzoeksgerechten, de rechtbanken, de hoven van beroep, de voorzitter van een hof van assisen en het Hof van Cassatie kunnen ambtshalve een of meerdere personen of het openbaar ministerie uitnodigen om te verschijnen of deel te nemen per videoconferentie aan de eerste zitting voor wat de onderzoeksgerechten betreft, de inleidingszitting, de preliminaire zitting, de zitting enkel gewijd aan de afhandeling van de burgerlijke belangen of voor de uitspraak, mits hun akkoord, elk voor wat hun verschijning of deelname betreft, wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van de videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld.
Voor de in het eerste lid, 1°, bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de duur van de procedure, het aantal partijen, de mogelijkheid tot interactie tussen de partijen, de fase van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, de beroepsmogelijkheden, de technische capaciteit van de gevangenissen, de verblijfssituatie waarin een partij zich bevindt, de fysieke of psychische toestand en de kwetsbare toestand van een persoon die gehoord moet worden.
Indien op de zitting bedoeld in het eerste lid, blijkt dat alle partijen en het openbaar ministerie akkoord zijn om de zaak, in afwijking van het eerste lid, ten gronde te behandelen, kan de zitting worden voortgezet, zonder dat deze zaak evenwel in beraad kan worden genomen.
De betrokkene en alle partijen worden hiervan in kennis gesteld bij de dagvaarding of kennisgeving van de rechtsdag, zo niet stelt de griffie van het gerecht hen uiterlijk op de dag voor de zitting hiervan in kennis.
Ten aanzien van een gedaagde die in kennis is gesteld van een uitnodiging om per videoconferentie te verschijnen en die niet verschijnt, noch per videoconferentie, noch op de plaats waar het gerecht zetelt op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 2. Een persoon kan, reeds voor de inleidingszitting of de eerste zitting, het gerecht verzoeken om toelating om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen. Dit verzoek wordt ten laatste op de zesde dag voor de zitting op elektronische wijze toegezonden aan de griffie van het gerecht waarvoor de persoon moet verschijnen of worden gehoord, en aan de partijen. Dit verzoek bevat het elektronisch adres van de verzoeker.
In afwijking van het eerste lid wordt het verzoek tot verschijning of deelname per videoconferentie uiterlijk op de dag die volgt op de dag van de betekening van de dagvaarding ingediend wanneer de termijnen van de dagvaarding worden verkort overeenkomstig artikel 184, derde of vierde lid.
Het onderzoeksgerecht, de rechtbank, het hof van beroep, de voorzitter van een hof van assisen of het Hof van Cassatie kunnen dit verzoek inwilligen indien ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld.
De griffie van het gerecht stelt de verzoeker, alle partijen in de zaak en het openbaar ministerie van deze beslissing in kennis, ten laatste op de derde dag voor de zitting of wanneer de termijnen van de dagvaarding worden verkort overeenkomstig artikel 184, derde of vierde lid, ten laatste op de dag vóór de zitting.
Mits het akkoord van alle betrokken partijen en het openbaar ministerie kan het gerecht een verzoek om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of aan de zitting deel te nemen, toestaan, buiten de termijnen en de procedure van kennisgeving bedoeld in het eerste tot vierde lid.
Ten aanzien van een gedaagde die heeft verzocht per videoconferentie te mogen verschijnen, aan wie een toelating ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, noch per videoconferentie, noch op de plaats waar het gerecht zetelt op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
In geval van weigering, mag de verzoeker geen verzoek met hetzelfde voorwerp toezenden aan de griffie vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, behoudens wanneer het eerder verzoek omwille van het gebrek aan technische middelen zou zijn geweigerd.
§ 3. De onderzoeksgerechten, de rechtbanken, de hoven van beroep, de voorzitter van een hof van assisen en het Hof van Cassatie kunnen ambtshalve, bij een met redenen omklede beslissing, een of meerdere personen verbieden fysiek te verschijnen of deel te nemen aan de zitting wanneer zij van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak, die worden beoordeeld zoals voorzien in paragraaf 1, tweede lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;
3° ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat:
a) de epidemische noodsituatie is afgekondigd overeenkomstig artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt, of;
b) er objectiveerbare aanwijzingen zijn van een ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid dat verhindert dat de betrokkene aanwezig kan zijn op de zitting of dat, ingeval de betrokkene gedetineerd is, zijn transport naar de zittingszaal in veiligheid kan worden gegarandeerd.
De griffie geeft, ten laatste op de zesde dag voor de zitting, kennis van deze beslissing aan alle personen opgeroepen om te verschijnen of deel te nemen aan de zitting per videoconferentie.
Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld bij de voorzitter of de eerste voorzitter van het gerecht dat kennis van dit verbod heeft gegeven. Dit beroep moet door de partij die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen, ten minste vierentwintig uur voor de dag en het tijdstip die zijn vastgesteld voor de in het verbod genoemde zitting, worden ingesteld door een schriftelijke verklaring ter griffie. De andere partijen evenals het openbaar ministerie worden eveneens in kennis gesteld van het beroep.
De voorzitter, of in voorkomend geval de eerste voorzitter, beslist zonder verwijl en hoort de verzoeker en de andere partijen in hun opmerkingen of hij ontvangt, in voorkomend geval, hun opmerkingen schriftelijk.
Voorziening in cassatie tegen deze beslissing staat slechts open na het eindvonnis over de grond van de zaak.
Ten aanzien van een gedaagde die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen of deel te nemen, dat, in voorkomend geval, werd bevestigd, en die niet per videoconferentie op de zitting verschijnt, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 4. Elke partij of het openbaar ministerie kan aan het gerecht zijn standpunt geven over het passend karakter van het eventuele gebruik van videoconferentie, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak. Dit standpunt kan aan de griffie van het gerecht waarvoor de partij moet verschijnen op elektronische wijze worden meegedeeld. De oproeping voor de zitting vermeldt deze mogelijkheid.
Dit standpunt wordt de rechter ter beoordeling voorgelegd.
§ 5. De verschijning of deelname aan de zitting van een persoon per videoconferentie vindt, indien deze daarop werd uitgenodigd overeenkomstig de paragraaf 1, plaats mits het akkoord van deze persoon. Dit akkoord wordt langs elektronische weg meegedeeld aan de griffie. De inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde die van zijn vrijheid is benomen, deelt zijn akkoord mee ten laatste op de derde dag voor de zitting. Behalve in het geval van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde die van zijn vrijheid is benomen, geldt de connectie met het videoconferentiesysteem op de dag en het tijdstip die in de oproeping zijn vermeld eveneens als akkoord.
De persoon die overeenkomstig paragraaf 2 werd toegelaten om per videoconferentie te verschijnen, wordt verondersteld te hebben toegestemd om te verschijnen per videoconferentie.
Behalve de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde die van zijn vrijheid is benomen, heeft de persoon die werd uitgenodigd om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen of die daartoe werd toegelaten, altijd het recht om vóór het begin van de zitting te beslissen om op de plaats waar het gerecht zetelt op de zitting te verschijnen of deel te nemen.
Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.
§ 6. In gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van videoconferentie, nemen de onderzoeksgerechten, de rechtbanken, de hoven van beroep, het hof van assisen of het Hof van Cassatie zitting in de zittingszaal, en oefent de griffier er zijn griffie- en bijstandstaken uit.
In afwijking van het eerste lid en met uitzondering van de leden van een hof van assisen en de gezworenen, kan een rechter per videoconferentie op de zitting zetelen of kan een griffier per videoconferentie zijn griffie- en bijstandstaken uitoefenen, wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bedoeld in paragraaf 1, tweede lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;
3° alle partijen en het openbaar ministerie stemmen in met het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier;
4° de rechter heeft de toestemming van zijn korpschef om per videoconferentie op de zitting te zetelen of de griffier heeft de toestemming van de rechter om zijn griffie- en bijstandstaken per videoconferentie op de zitting uit te oefenen, naargelang het geval.
In de gevallen bedoeld in het tweede lid en wanneer de voorwaarden bedoeld in de bepalingen onder 1°, 2° en 4° vervuld zijn, stelt de griffie de partijen bij de zaak en het openbaar ministerie ten laatste op de zesde dag voor de zitting in kennis dat de rechter op de zitting per videoconferentie zal zetelen en dat de griffier de griffie- en bijstandstaken per videoconferentie op de zitting zal uitoefenen. De griffier vraagt de partijen en het openbaar ministerie of zij instemmen met het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier. Dit akkoord wordt de griffie ten laatste op de derde dag voor de zitting op elektronische wijze meegedeeld. Bij afwezigheid van de mededeling van het akkoord door een partij of het openbaar ministerie, wordt deze partij of het openbaar ministerie verondersteld het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier te hebben geweigerd.
§ 7. Een getuige of een deskundige kan worden gehoord onder de voorwaarden bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 wanneer de verschijning per videoconferentie beantwoordt aan de voorwaarden zoals bedoeld voor de rechtspleging achter gesloten deuren bedoeld in artikel 561, § 1.
Artikel 561, §§ 2 tot 5, is van toepassing op de verschijning bedoeld in het eerste lid.
§ 8. Indien het gerecht in de loop van de zitting, ambtshalve of op aangeven van één van de partijen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat niet langer is voldaan aan de in artikel 558, §§ 1 en 2, bedoelde waarborgen of, in voorkomend geval, de in artikel 561 bedoelde voorwaarden, beveelt het:
1° de schorsing van de zitting totdat weer is voldaan aan deze voorwaarden;
2° in voorkomend geval, de voortzetting van het geding op een andere datum, hetzij per videoconferentie, hetzij in de zittingszaal in fysieke aanwezigheid van de personen die per videoconferentie verschenen, indien het gerecht vaststelt dat de voornoemde waarborgen en voorwaarden niet opnieuw vervuld kunnen zijn binnen een redelijke termijn, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen. Het gerecht geeft de redenen voor deze beslissing aan in het proces-verbaal van de zitting.
Indien het gerecht tijdens de zitting per videoconferentie, ambtshalve of op aangeven van één van de personen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat het gebruik van de videoconferentie niet of niet meer verenigbaar is met de bijzondere omstandigheden van de zaak of dat, in voorkomend geval, de epidemische noodsituatie of het ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid heeft opgehouden te bestaan, beveelt het, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen, de voortzetting van de zitting in aanwezigheid van de personen die verschenen per videoconferentie. De rechter laat de redenen voor deze beslissing opnemen in het proces-verbaal van de zitting.
§ 9. Indien de partij die per videoconferentie verschijnt wordt bijgestaan door een beëdigde tolk, kan deze plaats nemen in dezelfde zaal als de leden van het gerecht, op dezelfde plaats als de partij of op een andere plaats die door de rechtbank geschikt wordt geacht.
Indien de betrokkene geniet van de bijstand van zijn advocaat, kan deze plaats nemen in dezelfde zaal als de leden van het gerecht of op dezelfde plaats als zijn cliënt of elkeen per videoconferentie op een andere plaats die door de rechtbank geschikt wordt geacht.
§ 10. De Koning kan, na advies van het College van hoven en rechtbanken en van het College van het openbaar ministerie, de praktische en technische nadere regels betreffende de organisatie en het verloop van de zitting per videoconferentie vervolledigen. De Koning bepaalt de in paragraaf 2, eerste lid, paragraaf 4, eerste lid, paragraaf 5, eerste lid, en paragraaf 6, derde lid, bedoelde elektronische wijze.
§ 11. Elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in deze titel gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een partij of een persoon betreft die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die partij of persoon of, in voorkomend geval, het elektronisch adres van de griffie van de gevangenis als de persoon gedetineerd is of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat die partij of persoon heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokkene enkel fysiek in de zittingszaal verschijnen op de zitting waarop hij regelmatig werd opgeroepen om te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.]1
1° het gebruik van de videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld.
Voor de in het eerste lid, 1°, bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de duur van de procedure, het aantal partijen, de mogelijkheid tot interactie tussen de partijen, de fase van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, de beroepsmogelijkheden, de technische capaciteit van de gevangenissen, de verblijfssituatie waarin een partij zich bevindt, de fysieke of psychische toestand en de kwetsbare toestand van een persoon die gehoord moet worden.
Indien op de zitting bedoeld in het eerste lid, blijkt dat alle partijen en het openbaar ministerie akkoord zijn om de zaak, in afwijking van het eerste lid, ten gronde te behandelen, kan de zitting worden voortgezet, zonder dat deze zaak evenwel in beraad kan worden genomen.
De betrokkene en alle partijen worden hiervan in kennis gesteld bij de dagvaarding of kennisgeving van de rechtsdag, zo niet stelt de griffie van het gerecht hen uiterlijk op de dag voor de zitting hiervan in kennis.
Ten aanzien van een gedaagde die in kennis is gesteld van een uitnodiging om per videoconferentie te verschijnen en die niet verschijnt, noch per videoconferentie, noch op de plaats waar het gerecht zetelt op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 2. Een persoon kan, reeds voor de inleidingszitting of de eerste zitting, het gerecht verzoeken om toelating om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen. Dit verzoek wordt ten laatste op de zesde dag voor de zitting op elektronische wijze toegezonden aan de griffie van het gerecht waarvoor de persoon moet verschijnen of worden gehoord, en aan de partijen. Dit verzoek bevat het elektronisch adres van de verzoeker.
In afwijking van het eerste lid wordt het verzoek tot verschijning of deelname per videoconferentie uiterlijk op de dag die volgt op de dag van de betekening van de dagvaarding ingediend wanneer de termijnen van de dagvaarding worden verkort overeenkomstig artikel 184, derde of vierde lid.
Het onderzoeksgerecht, de rechtbank, het hof van beroep, de voorzitter van een hof van assisen of het Hof van Cassatie kunnen dit verzoek inwilligen indien ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bepaald in paragraaf 1, tweede lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld.
De griffie van het gerecht stelt de verzoeker, alle partijen in de zaak en het openbaar ministerie van deze beslissing in kennis, ten laatste op de derde dag voor de zitting of wanneer de termijnen van de dagvaarding worden verkort overeenkomstig artikel 184, derde of vierde lid, ten laatste op de dag vóór de zitting.
Mits het akkoord van alle betrokken partijen en het openbaar ministerie kan het gerecht een verzoek om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of aan de zitting deel te nemen, toestaan, buiten de termijnen en de procedure van kennisgeving bedoeld in het eerste tot vierde lid.
Ten aanzien van een gedaagde die heeft verzocht per videoconferentie te mogen verschijnen, aan wie een toelating ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, noch per videoconferentie, noch op de plaats waar het gerecht zetelt op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
In geval van weigering, mag de verzoeker geen verzoek met hetzelfde voorwerp toezenden aan de griffie vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, behoudens wanneer het eerder verzoek omwille van het gebrek aan technische middelen zou zijn geweigerd.
§ 3. De onderzoeksgerechten, de rechtbanken, de hoven van beroep, de voorzitter van een hof van assisen en het Hof van Cassatie kunnen ambtshalve, bij een met redenen omklede beslissing, een of meerdere personen verbieden fysiek te verschijnen of deel te nemen aan de zitting wanneer zij van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak, die worden beoordeeld zoals voorzien in paragraaf 1, tweede lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;
3° ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat:
a) de epidemische noodsituatie is afgekondigd overeenkomstig artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt, of;
b) er objectiveerbare aanwijzingen zijn van een ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid dat verhindert dat de betrokkene aanwezig kan zijn op de zitting of dat, ingeval de betrokkene gedetineerd is, zijn transport naar de zittingszaal in veiligheid kan worden gegarandeerd.
De griffie geeft, ten laatste op de zesde dag voor de zitting, kennis van deze beslissing aan alle personen opgeroepen om te verschijnen of deel te nemen aan de zitting per videoconferentie.
Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld bij de voorzitter of de eerste voorzitter van het gerecht dat kennis van dit verbod heeft gegeven. Dit beroep moet door de partij die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen, ten minste vierentwintig uur voor de dag en het tijdstip die zijn vastgesteld voor de in het verbod genoemde zitting, worden ingesteld door een schriftelijke verklaring ter griffie. De andere partijen evenals het openbaar ministerie worden eveneens in kennis gesteld van het beroep.
De voorzitter, of in voorkomend geval de eerste voorzitter, beslist zonder verwijl en hoort de verzoeker en de andere partijen in hun opmerkingen of hij ontvangt, in voorkomend geval, hun opmerkingen schriftelijk.
Voorziening in cassatie tegen deze beslissing staat slechts open na het eindvonnis over de grond van de zaak.
Ten aanzien van een gedaagde die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen of deel te nemen, dat, in voorkomend geval, werd bevestigd, en die niet per videoconferentie op de zitting verschijnt, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 4. Elke partij of het openbaar ministerie kan aan het gerecht zijn standpunt geven over het passend karakter van het eventuele gebruik van videoconferentie, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak. Dit standpunt kan aan de griffie van het gerecht waarvoor de partij moet verschijnen op elektronische wijze worden meegedeeld. De oproeping voor de zitting vermeldt deze mogelijkheid.
Dit standpunt wordt de rechter ter beoordeling voorgelegd.
§ 5. De verschijning of deelname aan de zitting van een persoon per videoconferentie vindt, indien deze daarop werd uitgenodigd overeenkomstig de paragraaf 1, plaats mits het akkoord van deze persoon. Dit akkoord wordt langs elektronische weg meegedeeld aan de griffie. De inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde die van zijn vrijheid is benomen, deelt zijn akkoord mee ten laatste op de derde dag voor de zitting. Behalve in het geval van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde die van zijn vrijheid is benomen, geldt de connectie met het videoconferentiesysteem op de dag en het tijdstip die in de oproeping zijn vermeld eveneens als akkoord.
De persoon die overeenkomstig paragraaf 2 werd toegelaten om per videoconferentie te verschijnen, wordt verondersteld te hebben toegestemd om te verschijnen per videoconferentie.
Behalve de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de beschuldigde die van zijn vrijheid is benomen, heeft de persoon die werd uitgenodigd om op de zitting per videoconferentie te verschijnen of eraan deel te nemen of die daartoe werd toegelaten, altijd het recht om vóór het begin van de zitting te beslissen om op de plaats waar het gerecht zetelt op de zitting te verschijnen of deel te nemen.
Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.
§ 6. In gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van videoconferentie, nemen de onderzoeksgerechten, de rechtbanken, de hoven van beroep, het hof van assisen of het Hof van Cassatie zitting in de zittingszaal, en oefent de griffier er zijn griffie- en bijstandstaken uit.
In afwijking van het eerste lid en met uitzondering van de leden van een hof van assisen en de gezworenen, kan een rechter per videoconferentie op de zitting zetelen of kan een griffier per videoconferentie zijn griffie- en bijstandstaken uitoefenen, wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak die worden beoordeeld zoals bedoeld in paragraaf 1, tweede lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, moet voldoen, zijn vervuld;
3° alle partijen en het openbaar ministerie stemmen in met het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier;
4° de rechter heeft de toestemming van zijn korpschef om per videoconferentie op de zitting te zetelen of de griffier heeft de toestemming van de rechter om zijn griffie- en bijstandstaken per videoconferentie op de zitting uit te oefenen, naargelang het geval.
In de gevallen bedoeld in het tweede lid en wanneer de voorwaarden bedoeld in de bepalingen onder 1°, 2° en 4° vervuld zijn, stelt de griffie de partijen bij de zaak en het openbaar ministerie ten laatste op de zesde dag voor de zitting in kennis dat de rechter op de zitting per videoconferentie zal zetelen en dat de griffier de griffie- en bijstandstaken per videoconferentie op de zitting zal uitoefenen. De griffier vraagt de partijen en het openbaar ministerie of zij instemmen met het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier. Dit akkoord wordt de griffie ten laatste op de derde dag voor de zitting op elektronische wijze meegedeeld. Bij afwezigheid van de mededeling van het akkoord door een partij of het openbaar ministerie, wordt deze partij of het openbaar ministerie verondersteld het gebruik van videoconferentie door de rechter of de griffier te hebben geweigerd.
§ 7. Een getuige of een deskundige kan worden gehoord onder de voorwaarden bedoeld in de paragrafen 1 tot 3 wanneer de verschijning per videoconferentie beantwoordt aan de voorwaarden zoals bedoeld voor de rechtspleging achter gesloten deuren bedoeld in artikel 561, § 1.
Artikel 561, §§ 2 tot 5, is van toepassing op de verschijning bedoeld in het eerste lid.
§ 8. Indien het gerecht in de loop van de zitting, ambtshalve of op aangeven van één van de partijen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat niet langer is voldaan aan de in artikel 558, §§ 1 en 2, bedoelde waarborgen of, in voorkomend geval, de in artikel 561 bedoelde voorwaarden, beveelt het:
1° de schorsing van de zitting totdat weer is voldaan aan deze voorwaarden;
2° in voorkomend geval, de voortzetting van het geding op een andere datum, hetzij per videoconferentie, hetzij in de zittingszaal in fysieke aanwezigheid van de personen die per videoconferentie verschenen, indien het gerecht vaststelt dat de voornoemde waarborgen en voorwaarden niet opnieuw vervuld kunnen zijn binnen een redelijke termijn, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen. Het gerecht geeft de redenen voor deze beslissing aan in het proces-verbaal van de zitting.
Indien het gerecht tijdens de zitting per videoconferentie, ambtshalve of op aangeven van één van de personen die deelnemen aan de zitting, vaststelt dat het gebruik van de videoconferentie niet of niet meer verenigbaar is met de bijzondere omstandigheden van de zaak of dat, in voorkomend geval, de epidemische noodsituatie of het ernstig en concreet risico voor de openbare veiligheid heeft opgehouden te bestaan, beveelt het, na kennis te hebben genomen van het standpunt van de partijen, de voortzetting van de zitting in aanwezigheid van de personen die verschenen per videoconferentie. De rechter laat de redenen voor deze beslissing opnemen in het proces-verbaal van de zitting.
§ 9. Indien de partij die per videoconferentie verschijnt wordt bijgestaan door een beëdigde tolk, kan deze plaats nemen in dezelfde zaal als de leden van het gerecht, op dezelfde plaats als de partij of op een andere plaats die door de rechtbank geschikt wordt geacht.
Indien de betrokkene geniet van de bijstand van zijn advocaat, kan deze plaats nemen in dezelfde zaal als de leden van het gerecht of op dezelfde plaats als zijn cliënt of elkeen per videoconferentie op een andere plaats die door de rechtbank geschikt wordt geacht.
§ 10. De Koning kan, na advies van het College van hoven en rechtbanken en van het College van het openbaar ministerie, de praktische en technische nadere regels betreffende de organisatie en het verloop van de zitting per videoconferentie vervolledigen. De Koning bepaalt de in paragraaf 2, eerste lid, paragraaf 4, eerste lid, paragraaf 5, eerste lid, en paragraaf 6, derde lid, bedoelde elektronische wijze.
§ 11. Elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in deze titel gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een partij of een persoon betreft die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die partij of persoon of, in voorkomend geval, het elektronisch adres van de griffie van de gevangenis als de persoon gedetineerd is of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat die partij of persoon heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokkene enkel fysiek in de zittingszaal verschijnen op de zitting waarop hij regelmatig werd opgeroepen om te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.]1
Art. 560. [1 § 1er. Les juridictions d'instruction, les tribunaux, les cours d'appel, le président d'une cour d'assises et la Cour de cassation peuvent, d'initiative, inviter une ou plusieurs personnes ou le ministère public à comparaitre ou participer par vidéoconférence à la première audience pour ce qui concerne les juridictions d'instruction, l'audience d'introduction, l'audience préliminaire, l'audience au cours de laquelle il est statué uniquement sur les intérêts civils ou pour le prononcé, moyennant leur accord, chacun pour ce qui concerne sa comparution ou participation, s'ils estiment que les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, sont réunies.
Pour l'évaluation des circonstances particulières de l'affaire visée à l'alinéa 1er, 1°, il est notamment tenu compte de la durée de la procédure, du nombre de parties, de la possibilité d'interaction entre les parties, de la phase de la procédure, de la nature du litige, de la complexité de l'affaire, de l'assistance d'un avocat, des possibilités de recours, de la capacité technique des prisons, de la situation de résidence dans laquelle se trouve une partie, de la situation physique ou psychique et de la situation de vulnérabilité d'une personne qui doit être entendue.
Si, lors de l'audience visée à l'alinéa 1er, il apparaît que toutes les parties et le ministère public conviennent de traiter l'affaire au fond, par dérogation à l'alinéa 1er, l'audience peut être poursuivie, sans que l'affaire puisse être prise en délibérée.
L'intéressé et toutes les parties sont avisés par citation ou notification d'audience, à défaut de quoi le greffe de la juridiction les en avise au plus tard le jour qui précède l'audience.
A l'égard de la personne citée à qui une invitation à comparaitre par vidéoconférence a été notifiée et qui ne comparait ni par vidéoconférence, ni au lieu où siège la juridiction à l'heure indiquée dans la convocation, les règles du défaut s'appliquent.
§ 2. Une personne peut demander à la juridiction, dès avant l'audience d'introduction ou la première audience, l'autorisation de comparaître ou de participer à l'audience par vidéoconférence. Cette demande est adressée au plus tard le sixième jour avant l'audience par voie électronique au greffe de la juridiction devant laquelle la personne doit comparaitre ou être entendue ainsi qu'aux parties. Cette demande contient l'adresse électronique du demandeur.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la demande de comparution ou de participation par vidéoconférence est adressée au plus tard le jour qui suit celui de la signification de la citation lorsque les délais de citation sont abrégés, conformément à l'article 184, alinéas 3 ou 4.
La juridiction d'instruction, le tribunal, la cour d'appel, le président d'une cour d'assises ou la Cour de cassation peut faire droit à cette demande s'ils estiment que les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, évaluées comme prévu au paragraphe 1er, alinéa 2;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, sont réunies.
Le greffe de la juridiction notifie cette décision au requérant, à toutes les parties au procès ainsi qu'au ministère public, au plus tard le troisième jour avant l'audience ou lorsque les délais sont abrégés conformément à l'article 184, alinéas 3 ou 4, au plus tard le jour qui précède l'audience.
Moyennant l'accord de toutes les parties concernées et du ministère public, la juridiction peut autoriser une demande de comparution ou de participation à l'audience par vidéoconférence en dehors des délais et de la procédure de notification visés aux alinéas 1er à 4.
A l'égard de la personne citée qui a demandé de comparaitre par vidéoconférence, à qui une autorisation a été notifiée et qui ne comparait ni par vidéoconférence, ni au lieu où siège la juridiction à l'heure indiquée dans la convocation, les règles du défaut s'appliquent.
En cas de refus, le requérant ne peut pas adresser au greffe une demande ayant le même objet avant l'expiration d'un délai de trois mois à compter de la dernière décision portant sur le même objet, sauf dans le cas où la demande précédente aurait été refusée pour manque de moyens techniques.
§ 3. Les juridictions d'instruction, les tribunaux, les cours d'appel, le président d'une cour d'assises et la Cour de cassation peuvent d'office, par décision motivée, interdire une ou plusieurs personnes de comparaitre ou de participer à l'audience physiquement, s'ils estiment que les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, qui sont évaluées comme prévu au paragraphe 1er, alinéa 2;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, sont réunies;
3° lorsque la vidéoconférence est l'unique possibilité de participer à l'audience car:
a) une situation d'urgence épidémique est déclarée conformément à l'article 3, § 1er, de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique et des mesures de police administrative empêchant la comparution physique à l'audience ou ayant pour conséquence d'empêcher une telle comparution physique sont adoptées, ou;
b) il existe des indices objectivables d'un risque grave et concret pour la sécurité publique qui empêche que la personne concernée soit présente à l'audience ou que le transport vers la salle d'audience en sécurité soit garanti lorsque la personne concernée est détenue.
Cette décision est notifiée par le greffe à l'ensemble des personnes appelées à comparaitre ou à participer à l'audience par vidéoconférence, au plus tard, le sixième jour avant l'audience.
Un recours contre cette décision peut être introduit auprès du président ou le premier président de la juridiction qui a notifié cette interdiction. Ce recours doit être introduit par la partie qui s'est vue notifier une interdiction de comparaitre physiquement, au moins vingt-quatre heures avant le jour et l'heure prévus pour l'audience visée par l'interdiction par déclaration écrite faite au greffe. Le recours est également notifié aux autres parties ainsi qu'au ministère public.
Le président ou, le cas échéant, le premier président, statue sans délai et entend le requérant et les autres parties, dans leurs observations ou, le cas échéant, il reçoit leurs observations par écrit.
Un pourvoi en cassation contre cette décision ne peut être formé qu'après un jugement définitif sur le fond.
A l'égard de la personne citée à qui une interdiction de comparaitre physiquement a été notifiée et, le cas échéant, confirmée, et qui ne comparait pas à l'audience par vidéoconférence, les règles du défaut s'appliquent.
§ 4. Toute partie ou le ministère public peut faire part à la juridiction de son avis quant au caractère approprié de l'usage éventuel de la vidéoconférence, compte tenu des circonstances particulières de l'affaire. Cet avis peut être communiqué au greffe de la juridiction devant laquelle la partie doit comparaitre par voie électronique. La convocation à l'audience mentionne cette possibilité.
Cet avis est soumis à l'appréciation du juge.
§ 5. La comparution ou la participation par vidéoconférence d'une personne appelée à comparaitre, lorsqu'elle y est invitée en conformément au paragraphe 1er, a lieu moyennant l'accord de cette personne. Cet accord est communiqué au greffe par voie électronique. Le prévenu, l'inculpé ou l'accusé qui est privé de sa liberté communique son accord au plus tard le troisième jour avant l'audience. Sauf en ce qui concerne le prévenu, l'inculpé ou l'accusé qui est privé de sa liberté, la connexion au système de vidéoconférence aux jour et heure indiqués dans la convocation vaut également accord.
La personne ayant été autorisée à comparaitre par vidéoconférence conformément au paragraphe 2 est présumée avoir marqué son accord à comparaitre par vidéoconférence.
Sauf en ce qui concerne l'inculpé, le prévenu ou l'accusé qui est privé de sa liberté, la personne ayant été invitée à comparaitre ou participer à l'audience par vidéoconférence ou y ayant été autorisée, a toujours le droit de décider, avant le début de l'audience, de comparaitre ou participer à l'audience au lieu où la juridiction siège.
Au début de chaque audience, la juridiction vérifie que l'accord est libre et éclairé. Le procès-verbal de l'audience en fait mention.
§ 6. Dans les cas où il est fait usage de la vidéoconférence, les juridictions d'instruction, les tribunaux, les cours d'appel, la cour d'assises ou la Cour de cassation siègent dans la salle d'audience, et le greffier y exerce ses tâches de greffe et d'assistance.
Par dérogation à l'alinéa 1er et à l'exception des membres d'une cour d'assises et des jurés, un juge peut siéger à l'audience par vidéoconférence ou un greffier peut exercer ses tâches de greffe et d'assistance à l'audience par vidéoconférence, lorsque les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, évaluées comme visé au paragraphe 1er, alinéa 2;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, sont réunies;
3° toutes les parties et le ministère public marquent leur accord sur l'utilisation de la vidéoconférence par le juge ou le greffier;
4° le juge a reçu l'autorisation de son chef de corps pour siéger à l'audience par vidéoconférence, ou le greffier a reçu l'autorisation du juge pour exercer ses tâches de greffe et d'assistance à l'audience par vidéoconférence, selon le cas.
Dans les cas visés à l'alinéa 2, et lorsque les conditions visées aux 1°, 2° et 4° sont remplies, le greffe notifie aux parties à l'affaire et au ministère public, au plus tard le sixième jour avant l'audience, que le juge siégera à l'audience par vidéoconférence et que le greffier exercera ses tâches de greffe et d'assistance à l'audience par vidéoconférence. Le greffier demande aux parties et au ministère public si elles marquent leur accord sur l'usage de la vidéoconférence par le juge ou le greffier. Cet accord est communiqué au greffe par voie électronique au plus tard le troisième jour avant l'audience. En l'absence d'accord communiqué par une partie ou le ministère public, cette partie ou le ministère public est présumé avoir refusé l'usage de la vidéoconférence par le juge ou le greffier.
§ 7. Un témoin ou un expert peuvent être entendus dans les conditions visées aux paragraphes 1er à 3 lorsque la comparution par vidéoconférence réunit les conditions telles que visées pour la procédure du huis clos visée à l'article 561, § 1er.
L'article 561, §§ 2 à 5, s'applique à la comparution visée à l'alinéa 1er.
§ 8. Si la juridiction constate, au cours de l'audience, d'office ou sur indication d'une des personnes participant à l'audience, que les garanties visées à l'article 558, §§ 1er et 2, ou, le cas échéant, les conditions visées à l'article 561 ne sont plus réunies, elle ordonne:
1° la suspension de l'audience jusqu'à ce que ces conditions soient à nouveau réunies;
2° le cas échéant, la poursuite du procès à une autre date, soit par vidéoconférence, soit dans la salle d'audience en présence physique de toutes les personnes qui comparaissent par vidéoconférence, si la juridiction constate que les garanties et conditions précitées ne peuvent être à nouveau réunies dans un délai raisonnable après avoir pris connaissance de l'avis des parties. La juridiction indique les motifs de cette décision dans le procès-verbal de l'audience.
Si la juridiction constate, au cours de l'audience par vidéoconférence, d'office ou sur indication d'une des personnes participant à l'audience, que le recours à la vidéoconférence n'est pas ou plus compatible avec les circonstances particulières de l'affaire ou, le cas échéant, que la situation d'urgence épidémique ou le risque grave et concret pour la sécurité publique a cessé d'exister, celle-ci ordonne, après avoir pris connaissance de la position des parties, la reprise de l'audience en présence des personnes qui comparaissent par vidéoconférence. Le juge fait acter les motifs de cette décision dans le procès-verbal de l'audience.
§ 9. Si la partie qui comparait par vidéoconférence est assistée par un interprète assermenté, celui-ci peut prendre place dans la même salle que les membres de la juridiction, au même endroit que la partie ou dans un lieu différent, jugé approprié par la juridiction.
Si l'intéressé bénéficie de l'assistance de son avocat, celui-ci peut prendre place dans la même salle que les membres de la juridiction ou au même endroit que son client ou chacun par vidéoconférence dans un lieu différent, jugé approprié par la juridiction.
§ 10. Le Roi peut compléter, après avoir recueilli l'avis du Collège des cours et tribunaux et du Collège du ministère public, les modalités pratiques et techniques liées à l'organisation et au déroulement de l'audience par vidéoconférence. Le Roi détermine la voie électronique visée au paragraphe 2, alinéa 1er, paragraphe 4, alinéa 1er, paragraphe 5, alinéa 1er et paragraphe 6, alinéa 3.
§ 11. Toute notification par le greffe visée au présent titre a lieu par voie électronique à l'adresse électronique professionnelle de l'avocat ou, s'il s'agit d'une partie ou d'une personne non représentée par un avocat, à l'adresse judiciaire électronique de cette partie ou de cette personne ou, le cas échéant, à l'adresse électronique du greffe de la prison si la personne est détenue ou, à défaut, à la dernière adresse électronique que cette partie ou personne a fournie dans le cadre de la procédure. Si aucune adresse électronique n'est connue du greffier, ou si la notification à l'adresse électronique a manifestement échoué, la personne concernée ne peut comparaitre que physiquement dans la salle d'audience à l'audience à laquelle elle a été régulièrement convoquée. Lorsque l'interdiction de comparaitre physiquement n'a pas pu être notifiée, la juridiction peut remettre l'audience à une date ultérieure.]1
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, sont réunies.
Pour l'évaluation des circonstances particulières de l'affaire visée à l'alinéa 1er, 1°, il est notamment tenu compte de la durée de la procédure, du nombre de parties, de la possibilité d'interaction entre les parties, de la phase de la procédure, de la nature du litige, de la complexité de l'affaire, de l'assistance d'un avocat, des possibilités de recours, de la capacité technique des prisons, de la situation de résidence dans laquelle se trouve une partie, de la situation physique ou psychique et de la situation de vulnérabilité d'une personne qui doit être entendue.
Si, lors de l'audience visée à l'alinéa 1er, il apparaît que toutes les parties et le ministère public conviennent de traiter l'affaire au fond, par dérogation à l'alinéa 1er, l'audience peut être poursuivie, sans que l'affaire puisse être prise en délibérée.
L'intéressé et toutes les parties sont avisés par citation ou notification d'audience, à défaut de quoi le greffe de la juridiction les en avise au plus tard le jour qui précède l'audience.
A l'égard de la personne citée à qui une invitation à comparaitre par vidéoconférence a été notifiée et qui ne comparait ni par vidéoconférence, ni au lieu où siège la juridiction à l'heure indiquée dans la convocation, les règles du défaut s'appliquent.
§ 2. Une personne peut demander à la juridiction, dès avant l'audience d'introduction ou la première audience, l'autorisation de comparaître ou de participer à l'audience par vidéoconférence. Cette demande est adressée au plus tard le sixième jour avant l'audience par voie électronique au greffe de la juridiction devant laquelle la personne doit comparaitre ou être entendue ainsi qu'aux parties. Cette demande contient l'adresse électronique du demandeur.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la demande de comparution ou de participation par vidéoconférence est adressée au plus tard le jour qui suit celui de la signification de la citation lorsque les délais de citation sont abrégés, conformément à l'article 184, alinéas 3 ou 4.
La juridiction d'instruction, le tribunal, la cour d'appel, le président d'une cour d'assises ou la Cour de cassation peut faire droit à cette demande s'ils estiment que les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, évaluées comme prévu au paragraphe 1er, alinéa 2;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, sont réunies.
Le greffe de la juridiction notifie cette décision au requérant, à toutes les parties au procès ainsi qu'au ministère public, au plus tard le troisième jour avant l'audience ou lorsque les délais sont abrégés conformément à l'article 184, alinéas 3 ou 4, au plus tard le jour qui précède l'audience.
Moyennant l'accord de toutes les parties concernées et du ministère public, la juridiction peut autoriser une demande de comparution ou de participation à l'audience par vidéoconférence en dehors des délais et de la procédure de notification visés aux alinéas 1er à 4.
A l'égard de la personne citée qui a demandé de comparaitre par vidéoconférence, à qui une autorisation a été notifiée et qui ne comparait ni par vidéoconférence, ni au lieu où siège la juridiction à l'heure indiquée dans la convocation, les règles du défaut s'appliquent.
En cas de refus, le requérant ne peut pas adresser au greffe une demande ayant le même objet avant l'expiration d'un délai de trois mois à compter de la dernière décision portant sur le même objet, sauf dans le cas où la demande précédente aurait été refusée pour manque de moyens techniques.
§ 3. Les juridictions d'instruction, les tribunaux, les cours d'appel, le président d'une cour d'assises et la Cour de cassation peuvent d'office, par décision motivée, interdire une ou plusieurs personnes de comparaitre ou de participer à l'audience physiquement, s'ils estiment que les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, qui sont évaluées comme prévu au paragraphe 1er, alinéa 2;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, sont réunies;
3° lorsque la vidéoconférence est l'unique possibilité de participer à l'audience car:
a) une situation d'urgence épidémique est déclarée conformément à l'article 3, § 1er, de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique et des mesures de police administrative empêchant la comparution physique à l'audience ou ayant pour conséquence d'empêcher une telle comparution physique sont adoptées, ou;
b) il existe des indices objectivables d'un risque grave et concret pour la sécurité publique qui empêche que la personne concernée soit présente à l'audience ou que le transport vers la salle d'audience en sécurité soit garanti lorsque la personne concernée est détenue.
Cette décision est notifiée par le greffe à l'ensemble des personnes appelées à comparaitre ou à participer à l'audience par vidéoconférence, au plus tard, le sixième jour avant l'audience.
Un recours contre cette décision peut être introduit auprès du président ou le premier président de la juridiction qui a notifié cette interdiction. Ce recours doit être introduit par la partie qui s'est vue notifier une interdiction de comparaitre physiquement, au moins vingt-quatre heures avant le jour et l'heure prévus pour l'audience visée par l'interdiction par déclaration écrite faite au greffe. Le recours est également notifié aux autres parties ainsi qu'au ministère public.
Le président ou, le cas échéant, le premier président, statue sans délai et entend le requérant et les autres parties, dans leurs observations ou, le cas échéant, il reçoit leurs observations par écrit.
Un pourvoi en cassation contre cette décision ne peut être formé qu'après un jugement définitif sur le fond.
A l'égard de la personne citée à qui une interdiction de comparaitre physiquement a été notifiée et, le cas échéant, confirmée, et qui ne comparait pas à l'audience par vidéoconférence, les règles du défaut s'appliquent.
§ 4. Toute partie ou le ministère public peut faire part à la juridiction de son avis quant au caractère approprié de l'usage éventuel de la vidéoconférence, compte tenu des circonstances particulières de l'affaire. Cet avis peut être communiqué au greffe de la juridiction devant laquelle la partie doit comparaitre par voie électronique. La convocation à l'audience mentionne cette possibilité.
Cet avis est soumis à l'appréciation du juge.
§ 5. La comparution ou la participation par vidéoconférence d'une personne appelée à comparaitre, lorsqu'elle y est invitée en conformément au paragraphe 1er, a lieu moyennant l'accord de cette personne. Cet accord est communiqué au greffe par voie électronique. Le prévenu, l'inculpé ou l'accusé qui est privé de sa liberté communique son accord au plus tard le troisième jour avant l'audience. Sauf en ce qui concerne le prévenu, l'inculpé ou l'accusé qui est privé de sa liberté, la connexion au système de vidéoconférence aux jour et heure indiqués dans la convocation vaut également accord.
La personne ayant été autorisée à comparaitre par vidéoconférence conformément au paragraphe 2 est présumée avoir marqué son accord à comparaitre par vidéoconférence.
Sauf en ce qui concerne l'inculpé, le prévenu ou l'accusé qui est privé de sa liberté, la personne ayant été invitée à comparaitre ou participer à l'audience par vidéoconférence ou y ayant été autorisée, a toujours le droit de décider, avant le début de l'audience, de comparaitre ou participer à l'audience au lieu où la juridiction siège.
Au début de chaque audience, la juridiction vérifie que l'accord est libre et éclairé. Le procès-verbal de l'audience en fait mention.
§ 6. Dans les cas où il est fait usage de la vidéoconférence, les juridictions d'instruction, les tribunaux, les cours d'appel, la cour d'assises ou la Cour de cassation siègent dans la salle d'audience, et le greffier y exerce ses tâches de greffe et d'assistance.
Par dérogation à l'alinéa 1er et à l'exception des membres d'une cour d'assises et des jurés, un juge peut siéger à l'audience par vidéoconférence ou un greffier peut exercer ses tâches de greffe et d'assistance à l'audience par vidéoconférence, lorsque les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, évaluées comme visé au paragraphe 1er, alinéa 2;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, sont réunies;
3° toutes les parties et le ministère public marquent leur accord sur l'utilisation de la vidéoconférence par le juge ou le greffier;
4° le juge a reçu l'autorisation de son chef de corps pour siéger à l'audience par vidéoconférence, ou le greffier a reçu l'autorisation du juge pour exercer ses tâches de greffe et d'assistance à l'audience par vidéoconférence, selon le cas.
Dans les cas visés à l'alinéa 2, et lorsque les conditions visées aux 1°, 2° et 4° sont remplies, le greffe notifie aux parties à l'affaire et au ministère public, au plus tard le sixième jour avant l'audience, que le juge siégera à l'audience par vidéoconférence et que le greffier exercera ses tâches de greffe et d'assistance à l'audience par vidéoconférence. Le greffier demande aux parties et au ministère public si elles marquent leur accord sur l'usage de la vidéoconférence par le juge ou le greffier. Cet accord est communiqué au greffe par voie électronique au plus tard le troisième jour avant l'audience. En l'absence d'accord communiqué par une partie ou le ministère public, cette partie ou le ministère public est présumé avoir refusé l'usage de la vidéoconférence par le juge ou le greffier.
§ 7. Un témoin ou un expert peuvent être entendus dans les conditions visées aux paragraphes 1er à 3 lorsque la comparution par vidéoconférence réunit les conditions telles que visées pour la procédure du huis clos visée à l'article 561, § 1er.
L'article 561, §§ 2 à 5, s'applique à la comparution visée à l'alinéa 1er.
§ 8. Si la juridiction constate, au cours de l'audience, d'office ou sur indication d'une des personnes participant à l'audience, que les garanties visées à l'article 558, §§ 1er et 2, ou, le cas échéant, les conditions visées à l'article 561 ne sont plus réunies, elle ordonne:
1° la suspension de l'audience jusqu'à ce que ces conditions soient à nouveau réunies;
2° le cas échéant, la poursuite du procès à une autre date, soit par vidéoconférence, soit dans la salle d'audience en présence physique de toutes les personnes qui comparaissent par vidéoconférence, si la juridiction constate que les garanties et conditions précitées ne peuvent être à nouveau réunies dans un délai raisonnable après avoir pris connaissance de l'avis des parties. La juridiction indique les motifs de cette décision dans le procès-verbal de l'audience.
Si la juridiction constate, au cours de l'audience par vidéoconférence, d'office ou sur indication d'une des personnes participant à l'audience, que le recours à la vidéoconférence n'est pas ou plus compatible avec les circonstances particulières de l'affaire ou, le cas échéant, que la situation d'urgence épidémique ou le risque grave et concret pour la sécurité publique a cessé d'exister, celle-ci ordonne, après avoir pris connaissance de la position des parties, la reprise de l'audience en présence des personnes qui comparaissent par vidéoconférence. Le juge fait acter les motifs de cette décision dans le procès-verbal de l'audience.
§ 9. Si la partie qui comparait par vidéoconférence est assistée par un interprète assermenté, celui-ci peut prendre place dans la même salle que les membres de la juridiction, au même endroit que la partie ou dans un lieu différent, jugé approprié par la juridiction.
Si l'intéressé bénéficie de l'assistance de son avocat, celui-ci peut prendre place dans la même salle que les membres de la juridiction ou au même endroit que son client ou chacun par vidéoconférence dans un lieu différent, jugé approprié par la juridiction.
§ 10. Le Roi peut compléter, après avoir recueilli l'avis du Collège des cours et tribunaux et du Collège du ministère public, les modalités pratiques et techniques liées à l'organisation et au déroulement de l'audience par vidéoconférence. Le Roi détermine la voie électronique visée au paragraphe 2, alinéa 1er, paragraphe 4, alinéa 1er, paragraphe 5, alinéa 1er et paragraphe 6, alinéa 3.
§ 11. Toute notification par le greffe visée au présent titre a lieu par voie électronique à l'adresse électronique professionnelle de l'avocat ou, s'il s'agit d'une partie ou d'une personne non représentée par un avocat, à l'adresse judiciaire électronique de cette partie ou de cette personne ou, le cas échéant, à l'adresse électronique du greffe de la prison si la personne est détenue ou, à défaut, à la dernière adresse électronique que cette partie ou personne a fournie dans le cadre de la procédure. Si aucune adresse électronique n'est connue du greffier, ou si la notification à l'adresse électronique a manifestement échoué, la personne concernée ne peut comparaitre que physiquement dans la salle d'audience à l'audience à laquelle elle a été régulièrement convoquée. Lorsque l'interdiction de comparaitre physiquement n'a pas pu être notifiée, la juridiction peut remettre l'audience à une date ultérieure.]1
Wijzigingen
Art. 561. [1 § 1. Wanneer de rechtspleging achter gesloten deuren dient te verlopen is de verschijning per videoconferentie slechts mogelijk indien het videoconferentiesysteem de waarborgen vervult van artikel 558, §§ 1 en 2, indien aan de voorwaarden bedoeld in artikel 560 is voldaan en:
1° ingeval de persoon die van zijn vrijheid is benomen, een gemachtigde van de directeur van de gevangenis of, in voorkomend geval, zijn advocaat als hij aanwezig is, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf en de persoon die van zijn vrijheid is benomen en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar ze zich bevinden, noch op andere wijze kan worden gevolgd wat er wordt gezegd; of
2° de persoon zelf of, in voorkomend geval, zijn advocaat aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd; of
3° ingeval het gerecht van oordeel is dat de aanwezigheid van de advocaat of, bij gebreke ervan, een gerechtsdeurwaarder bij de persoon vereist is, de advocaat of, bij gebreke ervan, de gerechtsdeurwaarder, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan hijzelf en de betrokkene en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd.
§ 2. De afwezigheid van een andere persoon dan de verschijnende persoon en, in voorkomend geval, zijn advocaat, de gemachtigde van de directeur van de gevangenis, de gerechtsdeurwaarder, een beëdigde tolk of, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, kan door het gerecht ook met technische of organisatorische middelen worden gecontroleerd.
§ 3. Indien de verschijnende persoon, in voorkomend geval, de advocaat, de gemachtigde van de directeur van de gevangenis of de gerechtsdeurwaarder en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, vaststelt dat de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden niet meer zijn vervuld, licht deze het gerecht hier onmiddellijk over in.
§ 4. De kosten van het optreden, op bevel van de rechter, van een gerechtsdeurwaarder bij de persoon die krachtens dit artikel per videoconferentie verschijnt en die niet over een advocaat beschikt, komen ten laste van de Staat.
§ 5. De Koning kan de in paragraaf 2 bedoelde technische of organisatorische middelen bepalen.]1
1° ingeval de persoon die van zijn vrijheid is benomen, een gemachtigde van de directeur van de gevangenis of, in voorkomend geval, zijn advocaat als hij aanwezig is, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf en de persoon die van zijn vrijheid is benomen en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar ze zich bevinden, noch op andere wijze kan worden gevolgd wat er wordt gezegd; of
2° de persoon zelf of, in voorkomend geval, zijn advocaat aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd; of
3° ingeval het gerecht van oordeel is dat de aanwezigheid van de advocaat of, bij gebreke ervan, een gerechtsdeurwaarder bij de persoon vereist is, de advocaat of, bij gebreke ervan, de gerechtsdeurwaarder, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan hijzelf en de betrokkene en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd.
§ 2. De afwezigheid van een andere persoon dan de verschijnende persoon en, in voorkomend geval, zijn advocaat, de gemachtigde van de directeur van de gevangenis, de gerechtsdeurwaarder, een beëdigde tolk of, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, kan door het gerecht ook met technische of organisatorische middelen worden gecontroleerd.
§ 3. Indien de verschijnende persoon, in voorkomend geval, de advocaat, de gemachtigde van de directeur van de gevangenis of de gerechtsdeurwaarder en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, vaststelt dat de in paragraaf 1 bedoelde voorwaarden niet meer zijn vervuld, licht deze het gerecht hier onmiddellijk over in.
§ 4. De kosten van het optreden, op bevel van de rechter, van een gerechtsdeurwaarder bij de persoon die krachtens dit artikel per videoconferentie verschijnt en die niet over een advocaat beschikt, komen ten laste van de Staat.
§ 5. De Koning kan de in paragraaf 2 bedoelde technische of organisatorische middelen bepalen.]1
Art. 561. [1 § 1er. Lorsque la procédure doit se dérouler à huis clos, la comparution par vidéoconférence n'est possible que si le système de vidéoconférence réunit les garanties de l'article 558, §§ 1er et 2, si les conditions visées à l'article 560 sont remplies et:
1° lorsque la personne qui est privée de sa liberté, un délégué du directeur de la prison ou, le cas échéant, son avocat lorsque celui-ci est présent, confirment à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes et la personne privée de liberté et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où ils se trouvent et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
2° que la personne-même ou, le cas échéant, son avocat confirme à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
3° lorsque la juridiction estime que la présence de l'avocat ou, à défaut, d'un huissier de justice est requise auprès de la personne, l'avocat ou, à défaut, l'huissier de justice confirme à la juridiction que personne d'autre que lui-même, la personne concernée et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution, et ne peut suivre autrement ce qui y est dit.
§ 2. L'absence de toute personne en dehors du comparant et, le cas échéant, de son avocat, du délégué du directeur de la prison, de l'huissier de justice, d'un interprète assermenté ou, le cas échéant, des personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, peut également être contrôlée par la juridiction par le biais de moyens techniques ou organisationnels.
§ 3. Si le comparant, le cas échéant, l'avocat, le délégué du directeur de la prison ou l'huissier de justice et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, constate que les conditions visées au paragraphe 1er ne sont plus remplies, celui-ci ou celle-ci en informe immédiatement la juridiction.
§ 4. Les frais de l'intervention de l'huissier de justice, ordonnée par le juge, auprès de la personne qui comparait par vidéoconférence dans le cadre du présent article et qui ne dispose pas d'un avocat, sont pris en charge par l'Etat.
§ 5. Le Roi peut déterminer les moyens techniques ou organisationnels visés au paragraphe 2.]1
1° lorsque la personne qui est privée de sa liberté, un délégué du directeur de la prison ou, le cas échéant, son avocat lorsque celui-ci est présent, confirment à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes et la personne privée de liberté et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où ils se trouvent et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
2° que la personne-même ou, le cas échéant, son avocat confirme à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
3° lorsque la juridiction estime que la présence de l'avocat ou, à défaut, d'un huissier de justice est requise auprès de la personne, l'avocat ou, à défaut, l'huissier de justice confirme à la juridiction que personne d'autre que lui-même, la personne concernée et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution, et ne peut suivre autrement ce qui y est dit.
§ 2. L'absence de toute personne en dehors du comparant et, le cas échéant, de son avocat, du délégué du directeur de la prison, de l'huissier de justice, d'un interprète assermenté ou, le cas échéant, des personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, peut également être contrôlée par la juridiction par le biais de moyens techniques ou organisationnels.
§ 3. Si le comparant, le cas échéant, l'avocat, le délégué du directeur de la prison ou l'huissier de justice et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, constate que les conditions visées au paragraphe 1er ne sont plus remplies, celui-ci ou celle-ci en informe immédiatement la juridiction.
§ 4. Les frais de l'intervention de l'huissier de justice, ordonnée par le juge, auprès de la personne qui comparait par vidéoconférence dans le cadre du présent article et qui ne dispose pas d'un avocat, sont pris en charge par l'Etat.
§ 5. Le Roi peut déterminer les moyens techniques ou organisationnels visés au paragraphe 2.]1
Wijzigingen
Art. 562. [1 Onverminderd artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, wordt het proces-verbaal, het verslag of het document tussen het gerecht en de ondertekenaar uitgewisseld via het videoconferentiesysteem of bij de door de Koning, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder bedoeld in artikel 782, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek en het College van het openbaar ministerie, bepaalde elektronische wijze.]1
Art. 562. [1 Sans préjudice de l'article 32ter du Code judiciaire, le procès-verbal, le rapport ou le document est échangé entre la juridiction et le signataire par le système de vidéoconférence ou par la voie électronique déterminée par le Roi après avoir recueilli l'avis du gestionnaire visé à l'article 782, § 6, du Code judiciaire et du Collège du ministère public.]1
Wijzigingen
Art. 563. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 563. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 564. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 564. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
TITEL VIquinquies. [1 Opname van de zitting]1
TITRE VIquinquies. [1 De l'enregistrement de l'audience]1
Art. 565. [1 Het maken van geluids- of audiovisuele opnames van de zitting, het bewaren, het verspreiden daarvan onder derden of het verrichten van enige andere verwerking, zonder voorafgaande toestemming van het gerecht, wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met een geldboete van tweehonderd euro tot tienduizend euro, of met een van die straffen alleen.]1
Art. 565. [1 L'enregistrement sonore ou audiovisuel de l'audience, la sauvegarde, la diffusion à des tiers d'une audience, ou tout autre traitement sans autorisation préalable de la juridiction est puni d'un emprisonnement de six mois à deux ans et d'une amende de deux cents euros à dix mille euros ou d'une de ces peines seulement.]1
Wijzigingen
Art. 566. [1 Onverminderd artikel 258/2, kan het gerecht waarvoor de openbare zitting wordt gehouden, beslissen, ten uitzonderlijken titel, de openbare zitting op te nemen wanneer deze geluids- of audiovisuele opname van belang is voor het aanleggen van historische justitiearchieven of voor educatieve doeleinden met het oog op het overdragen van kennis over het recht of de werking van het rechtssysteem, met de toestemming van de personen voor de opname van hun stem of afbeelding, elk voor wat hen betreft. Die toestemming kan worden ingetrokken op elk ogenblik tijdens de zitting.
Elke op de zitting, fysiek of per videoconferentie verschijnende, eraan deelnemende of er zetelende persoon, alsook het publiek kan worden onderworpen aan deze opnames.
De opname kan plaatsvinden op voorwaarde dat zij het goede verloop van het geding en de uitoefening van de rechten van verdediging niet belemmert. De opnames worden vanaf vaste punten gemaakt.
Het gerecht kan te allen tijde de opname schorsen of beëindigen in de uitoefening van zijn bevoegdheid van handhaving van de orde ter terechtzitting.
Deze opname wordt gemaakt en bewaard middels het videoconferentiesysteem bedoeld in artikel 556, § 1, 2°. De digitale drager met de volledige opname wordt na de sluiting van de debatten bij het strafdossier en in voormeld videoconferentiesysteem gevoegd. De Koning bepaalt de nadere praktische en technische regels in verband met de opname en met zijn bewaring.
De in het beheerscomité bedoeld in artikel 782, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek vertegenwoordigde entiteiten, treden op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken overeenkomstig artikel 52 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
De in het videoconferentiesysteem bewaarde opnames kunnen uitsluitend worden geraadpleegd en verwerkt binnen de grenzen en conform de nadere regels van dit Wetboek en de bijzondere wetten die betrekking hebben op de strafrechtspleging en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
Elke op de zitting, fysiek of per videoconferentie verschijnende, eraan deelnemende of er zetelende persoon, alsook het publiek kan worden onderworpen aan deze opnames.
De opname kan plaatsvinden op voorwaarde dat zij het goede verloop van het geding en de uitoefening van de rechten van verdediging niet belemmert. De opnames worden vanaf vaste punten gemaakt.
Het gerecht kan te allen tijde de opname schorsen of beëindigen in de uitoefening van zijn bevoegdheid van handhaving van de orde ter terechtzitting.
Deze opname wordt gemaakt en bewaard middels het videoconferentiesysteem bedoeld in artikel 556, § 1, 2°. De digitale drager met de volledige opname wordt na de sluiting van de debatten bij het strafdossier en in voormeld videoconferentiesysteem gevoegd. De Koning bepaalt de nadere praktische en technische regels in verband met de opname en met zijn bewaring.
De in het beheerscomité bedoeld in artikel 782, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek vertegenwoordigde entiteiten, treden op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken overeenkomstig artikel 52 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
De in het videoconferentiesysteem bewaarde opnames kunnen uitsluitend worden geraadpleegd en verwerkt binnen de grenzen en conform de nadere regels van dit Wetboek en de bijzondere wetten die betrekking hebben op de strafrechtspleging en de uitvoeringsbesluiten ervan.]1
Art. 566. [1 Sans préjudice de l'article 258/2, la juridiction devant laquelle l'audience publique se déroule peut décider, à titre exceptionnel, d'enregistrer l'audience publique lorsque cet enregistrement sonore ou audiovisuel présente un intérêt pour la constitution d'archives historiques de la justice ou à des fins éducatives dans le but de transmettre des connaissances dans le domaine du droit ou sur le fonctionnement de la justice, avec le consentement des personnes dont la voix ou l'image sont enregistrées, chacune pour ce qui la concerne. Ce consentement peut être retiré à tout moment durant l'audience.
Toute personne comparaissant, participant ou siégeant à l'audience, physiquement ou par vidéoconférence, ainsi que le public peuvent faire l'objet de ces enregistrements.
L'enregistrement peut avoir lieu pour autant qu'il n'entrave pas le bon déroulement du procès ni l'exercice des droits de la défense. Les enregistrements sont faits à partir de points fixes.
La juridiction peut, à tout moment, suspendre ou mettre fin à l'enregistrement dans l'exercice de son pouvoir de maintien de l'ordre à l'audience.
Cet enregistrement est fait et conservé moyennant le système de vidéoconférence visé à l'article 556, § 1er, 2°. Le support numérique avec l'enregistrement complet sera versé au dossier pénal après la conclusion des débats et dans le système de vidéoconférence susmentionné. Le Roi détermine les modalités pratiques et techniques relatives à l'enregistrement et à sa conservation.
Les entités représentées au sein du comité de gestion visé à l'article 782, § 6, du Code judiciaire, sont les responsables conjoint du traitement conformément à l'article 52 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Les enregistrements conservés dans le système de vidéoconférence peuvent être consultés et traités exclusivement dans les limites et conformément aux autres règles du présent Code, aux lois particulières relatives à la procédure pénale ainsi qu'aux arrêtés d'exécution.]1
Toute personne comparaissant, participant ou siégeant à l'audience, physiquement ou par vidéoconférence, ainsi que le public peuvent faire l'objet de ces enregistrements.
L'enregistrement peut avoir lieu pour autant qu'il n'entrave pas le bon déroulement du procès ni l'exercice des droits de la défense. Les enregistrements sont faits à partir de points fixes.
La juridiction peut, à tout moment, suspendre ou mettre fin à l'enregistrement dans l'exercice de son pouvoir de maintien de l'ordre à l'audience.
Cet enregistrement est fait et conservé moyennant le système de vidéoconférence visé à l'article 556, § 1er, 2°. Le support numérique avec l'enregistrement complet sera versé au dossier pénal après la conclusion des débats et dans le système de vidéoconférence susmentionné. Le Roi détermine les modalités pratiques et techniques relatives à l'enregistrement et à sa conservation.
Les entités représentées au sein du comité de gestion visé à l'article 782, § 6, du Code judiciaire, sont les responsables conjoint du traitement conformément à l'article 52 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Les enregistrements conservés dans le système de vidéoconférence peuvent être consultés et traités exclusivement dans les limites et conformément aux autres règles du présent Code, aux lois particulières relatives à la procédure pénale ainsi qu'aux arrêtés d'exécution.]1
Wijzigingen
TITEL VIsexies. [1 Gegevensverwerking in het kader van het gebruik van het videoconferentiesysteem]1
TITRE VIsexies. [1 Traitement des données dans le cadre de l'utilisation du système de vidéoconférence]1
Art. 567. [1 § 1. Het beheerscomité van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en van het videoconferentiesysteem van Justitie bedoeld in artikel 782, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek, hierna "de beheerder" genoemd, beheert het videoconferentiesysteem.
De vertegenwoordigers bedoeld in artikel 782, § 6, tweede lid, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek hebben stemrecht in de aangelegenheden die betrekking hebben op de inzet van de middelen, de technische aspecten en de voor het publiek toegankelijke onderdelen van het videoconferentiesysteem, in zoverre deze laatsten geen invloed hebben op de inhoud van de zitting. Zij zetelen als waarnemer in aangelegenheden die louter betrekking hebben op de interne werking van de rechterlijke orde.
§ 2. De beheerder staat in voor de inrichting, het beheer en de controle van de werking van het videoconferentiesysteem. Hij heeft in het bijzonder als opdracht:
1° het bewaken van het respecteren van de doelen van het videoconferentiesysteem;
2° het toezien op de werking van het videoconferentiesysteem, met inbegrip van het toezicht op het toegangsbeleid en het uitoefenen van de controle hierop;
3° het toezien op de technische infrastructuur van het videoconferentiesysteem;
4° het regelmatig verslag uitbrengen over de werking van het videoconferentiesysteem en over de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 3°.
Het verslag bedoeld in het tweede lid, 4°, wordt jaarlijks neergelegd bij de minister van Justitie en bij de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in paragraaf 3, tweede lid. Het verslag is openbaar.
§ 3. De in de beheerder vertegenwoordigde entiteiten bedoeld in artikel 782, § 6, tweede lid, 1° tot 4°, van het Gerechtelijk Wetboek treden met betrekking tot het videoconferentiesysteem op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken in de zin van artikel 26, 8°, en overeenkomstig artikel 52 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
De gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken stellen in overleg een functionaris voor de gegevensbescherming aan.
De in het eerste lid bedoelde entiteiten dragen geen verwerkingsverantwoordeljikheid in de aangelegenheden waarin zij zetelen als waarnemer.
Hij die, in welke hoedanigheid ook, deelneemt aan de verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, of wegens zijn functie kennis heeft van zo'n gegevens, is gehouden om hun vertrouwelijk karakter te respecteren. De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
§ 4. Het gebruik van het videoconferentiesysteem vereist de verwerking van de volgende categorieën van gegevens:
1° Voor elke natuurlijke persoon:
a) de naam en voorna(a)m(en);
b) de hoedanigheid waarin wordt deelgenomen aan de zitting;
c) in voorkomend geval, de geboortedatum en -plaats;
d) in voorkomend geval, de woonplaats onverminderd de artikelen 75ter, 155ter en 297, of voor de leden van de rechterlijke orde, het dienstadres of het adres waarop zij gewoonlijk hun beroep uitoefenen;
e) in voorkomend geval, het rijksregister- of bisregisternummer;
f) in voorkomend geval, het ondernemingsnummer van de onderneming die hij vertegenwoordigt;
g) in voorkomend geval, het adres van de zetel van de onderneming die hij vertegenwoordigt;
h) in voorkomend geval, de unieke referentie van de advocaat;
2° voor elke gebruiker, de metagegevens gegenereerd door de connectie met het videoconferentiesysteem;
3° de afbeelding en de stem van de personen die deelnemen aan de zitting;
4° de gegevens, met inbegrip van de persoonsgegevens, meegedeeld in de loop van de zitting;
5° de gegevens betreffende de zitting waaraan wordt deelgenomen en het uniek identificatienummer van het dossier dat ter zitting wordt behandeld.
Het eerste lid, 1°, c) en e) tot h), is niet van toepassing op leden van de rechterlijke orde.
De Koning verduidelijkt, na advies van de beheerder en het College van het openbaar ministerie, de gegevens van de bovenvermelde categorieën die verwerkt worden in het kader van het gebruik van het videoconferentiesysteem.
§ 5. Behoudens de bij wet bedoelde uitzonderingen, worden de gegevens bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, 1° en 2°, voor doeleinden van latere controle en bewijs van daadwerkelijke deelname van een persoon aan de zitting bewaard door de beheerder tot uitputting van alle gewone rechtsmiddelen en van de voorziening in cassatie. De gegevens bedoeld in paragraaf 4 worden eveneens bewaard voor een periode van vijf jaar voor statistische doeleinden met het oog op het evalueren van het videoconferentiesysteem en het gebruik ervan. Bij de daaropvolgende verwerking voor statistische doeleinden respecteert de beheerder de waarborgen vastgelegd door de artikelen 188 tot 208 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.
Toegang tot de gegevens bedoeld in het eerste lid is alleen toegestaan aan:
1° de beheerder, voor de uitvoering van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde opdrachten;
2° de per videoconferentie verschijnende personen, elk voor wat hen aanbelangt.]1
De vertegenwoordigers bedoeld in artikel 782, § 6, tweede lid, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek hebben stemrecht in de aangelegenheden die betrekking hebben op de inzet van de middelen, de technische aspecten en de voor het publiek toegankelijke onderdelen van het videoconferentiesysteem, in zoverre deze laatsten geen invloed hebben op de inhoud van de zitting. Zij zetelen als waarnemer in aangelegenheden die louter betrekking hebben op de interne werking van de rechterlijke orde.
§ 2. De beheerder staat in voor de inrichting, het beheer en de controle van de werking van het videoconferentiesysteem. Hij heeft in het bijzonder als opdracht:
1° het bewaken van het respecteren van de doelen van het videoconferentiesysteem;
2° het toezien op de werking van het videoconferentiesysteem, met inbegrip van het toezicht op het toegangsbeleid en het uitoefenen van de controle hierop;
3° het toezien op de technische infrastructuur van het videoconferentiesysteem;
4° het regelmatig verslag uitbrengen over de werking van het videoconferentiesysteem en over de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 3°.
Het verslag bedoeld in het tweede lid, 4°, wordt jaarlijks neergelegd bij de minister van Justitie en bij de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in paragraaf 3, tweede lid. Het verslag is openbaar.
§ 3. De in de beheerder vertegenwoordigde entiteiten bedoeld in artikel 782, § 6, tweede lid, 1° tot 4°, van het Gerechtelijk Wetboek treden met betrekking tot het videoconferentiesysteem op als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken in de zin van artikel 26, 8°, en overeenkomstig artikel 52 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
De gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken stellen in overleg een functionaris voor de gegevensbescherming aan.
De in het eerste lid bedoelde entiteiten dragen geen verwerkingsverantwoordeljikheid in de aangelegenheden waarin zij zetelen als waarnemer.
Hij die, in welke hoedanigheid ook, deelneemt aan de verwerking van de gegevens bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, of wegens zijn functie kennis heeft van zo'n gegevens, is gehouden om hun vertrouwelijk karakter te respecteren. De niet-naleving van deze verplichting wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
§ 4. Het gebruik van het videoconferentiesysteem vereist de verwerking van de volgende categorieën van gegevens:
1° Voor elke natuurlijke persoon:
a) de naam en voorna(a)m(en);
b) de hoedanigheid waarin wordt deelgenomen aan de zitting;
c) in voorkomend geval, de geboortedatum en -plaats;
d) in voorkomend geval, de woonplaats onverminderd de artikelen 75ter, 155ter en 297, of voor de leden van de rechterlijke orde, het dienstadres of het adres waarop zij gewoonlijk hun beroep uitoefenen;
e) in voorkomend geval, het rijksregister- of bisregisternummer;
f) in voorkomend geval, het ondernemingsnummer van de onderneming die hij vertegenwoordigt;
g) in voorkomend geval, het adres van de zetel van de onderneming die hij vertegenwoordigt;
h) in voorkomend geval, de unieke referentie van de advocaat;
2° voor elke gebruiker, de metagegevens gegenereerd door de connectie met het videoconferentiesysteem;
3° de afbeelding en de stem van de personen die deelnemen aan de zitting;
4° de gegevens, met inbegrip van de persoonsgegevens, meegedeeld in de loop van de zitting;
5° de gegevens betreffende de zitting waaraan wordt deelgenomen en het uniek identificatienummer van het dossier dat ter zitting wordt behandeld.
Het eerste lid, 1°, c) en e) tot h), is niet van toepassing op leden van de rechterlijke orde.
De Koning verduidelijkt, na advies van de beheerder en het College van het openbaar ministerie, de gegevens van de bovenvermelde categorieën die verwerkt worden in het kader van het gebruik van het videoconferentiesysteem.
§ 5. Behoudens de bij wet bedoelde uitzonderingen, worden de gegevens bedoeld in paragraaf 4, eerste lid, 1° en 2°, voor doeleinden van latere controle en bewijs van daadwerkelijke deelname van een persoon aan de zitting bewaard door de beheerder tot uitputting van alle gewone rechtsmiddelen en van de voorziening in cassatie. De gegevens bedoeld in paragraaf 4 worden eveneens bewaard voor een periode van vijf jaar voor statistische doeleinden met het oog op het evalueren van het videoconferentiesysteem en het gebruik ervan. Bij de daaropvolgende verwerking voor statistische doeleinden respecteert de beheerder de waarborgen vastgelegd door de artikelen 188 tot 208 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.
Toegang tot de gegevens bedoeld in het eerste lid is alleen toegestaan aan:
1° de beheerder, voor de uitvoering van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde opdrachten;
2° de per videoconferentie verschijnende personen, elk voor wat hen aanbelangt.]1
Art. 567. [1 § 1er. Le comité de gestion du Registre central des décisions de l'ordre judiciaire et du système de vidéoconférence de la justice visé par l'article 782, § 6, du Code judiciaire, ci-après dénommé "le gestionnaire" gère le système de vidéoconférence.
Les représentants visés à l'article 782, § 6, alinéa 2, 4°, du Code judiciaire, ont voix délibérative pour ce qui concerne l'utilisation des moyens, les aspects techniques et les parties du système de vidéoconférence accessibles au public, pour autant que ces dernières n'aient aucune incidence sur le contenu de l'audience. Ils siègent comme observateur dans les matières qui portent uniquement sur le fonctionnement interne de l'ordre judiciaire.
§ 2. Le gestionnaire met en place, gère et contrôle le fonctionnement du système de vidéoconférence. Il a plus spécifiquement pour mission:
1° de surveiller le respect des objectifs du système de vidéoconférence;
2° de superviser le fonctionnement du système de vidéoconférence, y compris la supervision de la politique d'accès et d'en exercer le contrôle;
3° de superviser l'infrastructure technique du système de vidéoconférence;
4° de rapporter régulièrement sur le fonctionnement du système de vidéoconférence et sur l'exercice des missions visées aux 1° à 3°.
Le rapport visé à l'alinéa 2, 4°, est déposé annuellement auprès du ministre de la Justice et du délégué à la protection des données visé au paragraphe 3, alinéa 2. Le rapport est public.
§ 3. Les entités représentées au sein du gestionnaire visées à l'article 782, § 6, alinéa 2, 1° à 4°, du Code judiciaire agissent, pour ce qui concerne le système de vidéoconférence, en qualité de responsables conjoints du traitement, au sens de l'article 26, 8°, et conformément à l'article 52 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Les responsables conjoints du traitement désignent, de concert, un délégué à la protection des données.
Les entités visées à l'alinéa 1er n'assument pas de responsabilité de traitement dans les matières dans lesquelles elles siègent comme observateur.
Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, au traitement des données visées au paragraphe 4, alinéa 1er, ou a connaissance de telles données en raison de sa fonction, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. Le non-respect de cette obligation est puni conformément à l'article 458 du Code pénal.
§ 4. L'utilisation du système de vidéoconférence requiert le traitement des catégories de données suivantes:
1° Pour chaque personne physique:
a) les nom et prénom(s);
b) la qualité en laquelle il est participé à l'audience;
c) le cas échéant, la date et le lieu de naissance;
d) le cas échéant, le domicile sans préjudice des articles 75ter, 155ter et 297, ou pour les membres de l'ordre judiciaire, l'adresse de service ou l'adresse à laquelle ils exercent habituellement leur profession;
e) le cas échéant, le numéro de registre national ou de registre bis;
f) le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'entreprise qu'il représente;
g) le cas échéant, l'adresse du siège de l'entreprise qu'il représente;
h) le cas échéant, la référence unique de l'avocat;
2° pour chaque utilisateur, les métadonnées générées par la connexion au système de vidéoconférence;
3° l'image et la voix des personnes participant à l'audience;
4° les données, y compris celles à caractère personnel, communiquées au cours de l'audience;
5° les données relatives à l'audience à laquelle il est participé et le numéro d'identification unique du dossier qui y est traité.
L'alinéa 1er, 1°, c) et e) à h), ne s'applique pas aux membres de l'ordre judiciaire.
Le Roi précise, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire et du Collège du ministère public, les données des catégories susmentionnées qui sont traitées dans le cadre de l'utilisation du système de vidéoconférence.
§ 5. Sauf les exceptions visées par la loi, les données visées au paragraphe 4, alinéa 1er, 1° et 2°, sont conservées par le gestionnaire jusqu'à épuisement de toutes les voies de recours ordinaires ainsi que le pourvoi en cassation, à des fins de contrôle ultérieur et de preuve de la participation effective d'une personne à l'audience par vidéoconférence. Les données visées au paragraphe 4 sont également conservées pour une durée de cinq ans à des fins de statistique dans le but d'évaluer le système de vidéoconférence et son utilisation. Lors du traitement ultérieur à des fins statistiques, le gestionnaire respecte les garanties établies par les articles 188 à 208 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
L'accès aux données visées à l'alinéa 1er n'est autorisé que:
1° au gestionnaire, pour l'exécution des missions visées au paragraphe 2, alinéa 1er;
2° aux personnes qui comparaissent par vidéoconférence, chacune pour ce qui la concerne.]1
Les représentants visés à l'article 782, § 6, alinéa 2, 4°, du Code judiciaire, ont voix délibérative pour ce qui concerne l'utilisation des moyens, les aspects techniques et les parties du système de vidéoconférence accessibles au public, pour autant que ces dernières n'aient aucune incidence sur le contenu de l'audience. Ils siègent comme observateur dans les matières qui portent uniquement sur le fonctionnement interne de l'ordre judiciaire.
§ 2. Le gestionnaire met en place, gère et contrôle le fonctionnement du système de vidéoconférence. Il a plus spécifiquement pour mission:
1° de surveiller le respect des objectifs du système de vidéoconférence;
2° de superviser le fonctionnement du système de vidéoconférence, y compris la supervision de la politique d'accès et d'en exercer le contrôle;
3° de superviser l'infrastructure technique du système de vidéoconférence;
4° de rapporter régulièrement sur le fonctionnement du système de vidéoconférence et sur l'exercice des missions visées aux 1° à 3°.
Le rapport visé à l'alinéa 2, 4°, est déposé annuellement auprès du ministre de la Justice et du délégué à la protection des données visé au paragraphe 3, alinéa 2. Le rapport est public.
§ 3. Les entités représentées au sein du gestionnaire visées à l'article 782, § 6, alinéa 2, 1° à 4°, du Code judiciaire agissent, pour ce qui concerne le système de vidéoconférence, en qualité de responsables conjoints du traitement, au sens de l'article 26, 8°, et conformément à l'article 52 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Les responsables conjoints du traitement désignent, de concert, un délégué à la protection des données.
Les entités visées à l'alinéa 1er n'assument pas de responsabilité de traitement dans les matières dans lesquelles elles siègent comme observateur.
Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, au traitement des données visées au paragraphe 4, alinéa 1er, ou a connaissance de telles données en raison de sa fonction, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. Le non-respect de cette obligation est puni conformément à l'article 458 du Code pénal.
§ 4. L'utilisation du système de vidéoconférence requiert le traitement des catégories de données suivantes:
1° Pour chaque personne physique:
a) les nom et prénom(s);
b) la qualité en laquelle il est participé à l'audience;
c) le cas échéant, la date et le lieu de naissance;
d) le cas échéant, le domicile sans préjudice des articles 75ter, 155ter et 297, ou pour les membres de l'ordre judiciaire, l'adresse de service ou l'adresse à laquelle ils exercent habituellement leur profession;
e) le cas échéant, le numéro de registre national ou de registre bis;
f) le cas échéant, le numéro d'entreprise de l'entreprise qu'il représente;
g) le cas échéant, l'adresse du siège de l'entreprise qu'il représente;
h) le cas échéant, la référence unique de l'avocat;
2° pour chaque utilisateur, les métadonnées générées par la connexion au système de vidéoconférence;
3° l'image et la voix des personnes participant à l'audience;
4° les données, y compris celles à caractère personnel, communiquées au cours de l'audience;
5° les données relatives à l'audience à laquelle il est participé et le numéro d'identification unique du dossier qui y est traité.
L'alinéa 1er, 1°, c) et e) à h), ne s'applique pas aux membres de l'ordre judiciaire.
Le Roi précise, après avoir recueilli l'avis du gestionnaire et du Collège du ministère public, les données des catégories susmentionnées qui sont traitées dans le cadre de l'utilisation du système de vidéoconférence.
§ 5. Sauf les exceptions visées par la loi, les données visées au paragraphe 4, alinéa 1er, 1° et 2°, sont conservées par le gestionnaire jusqu'à épuisement de toutes les voies de recours ordinaires ainsi que le pourvoi en cassation, à des fins de contrôle ultérieur et de preuve de la participation effective d'une personne à l'audience par vidéoconférence. Les données visées au paragraphe 4 sont également conservées pour une durée de cinq ans à des fins de statistique dans le but d'évaluer le système de vidéoconférence et son utilisation. Lors du traitement ultérieur à des fins statistiques, le gestionnaire respecte les garanties établies par les articles 188 à 208 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
L'accès aux données visées à l'alinéa 1er n'est autorisé que:
1° au gestionnaire, pour l'exécution des missions visées au paragraphe 2, alinéa 1er;
2° aux personnes qui comparaissent par vidéoconférence, chacune pour ce qui la concerne.]1
Wijzigingen
TITEL VIter. [1 - Het digitaal dossier]1
TITRE VIter. [1 - Le dossier numérique]1
Art. 568. [1 § 1. Een procedurestuk kan opgemaakt worden in gedematerialiseerde en in materiële vorm.
§ 2. Onverminderd artikel 40 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt wordt een procedurestuk dat in gedematerialiseerde vorm wordt opgemaakt en stuitende werking heeft, ondertekend met een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
Voor een procedurestuk dat in gedematerialiseerde vorm wordt opgemaakt en geen stuitende werking heeft, volstaat een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.11 van de Verordening bedoeld in het eerste lid, of een geavanceerd elektronisch zegel in de zin van artikel 3.26 van die Verordening.
De elektronische ondertekening van een procedurestuk door een lid van de rechterlijk orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde elektronische lijst, verzekert de hoedanigheid waarin de ondertekenaar ondertekent.
§ 3. Het digitaal dossier kan zowel bestaan uit stukken opgemaakt in gedematerialiseerde vorm, als uit stukken opgemaakt in materiële vorm die worden gedematerialiseerd.
Voor de door de rechterlijke orde in materiële vorm opgemaakte stukken die gedematerialiseerd worden of voor de in materiële vorm opgemaakte stukken van externe bronnen die na neerlegging gedematerialiseerd worden en toegevoegd worden aan het digitaal dossier, verklaart de secretaris of de griffier, naargelang de stand van de strafprocedure, via een elektronisch zegel als bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, of een elektronische handtekening als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, het gedematerialiseerde stuk eensluidend aan het materiële stuk.
§ 4. Het proces-verbaal van de terechtzitting wordt door de griffier in gedematerialiseerde vorm gevoegd bij het strafdossier.
De in de zaak gewezen beschikkingen, vonnissen en arresten worden door de griffier onmiddellijk na ondertekening in gedematerialiseerde vorm gevoegd bij het dossier.
§ 5. Iedere wijziging in de samenstelling van het dossier of in een stuk wordt geregistreerd.
§ 6. De Koning bepaalt de veiligheidsmaatregelen en de minimale technische normen waaraan de informaticasystemen die tot doel hebben de in paragraaf 2 bedoelde handelingen en verwerkingen te verrichten, moeten voldoen.
De Koning kan de wijze bepalen waarop de gekwalificeerde elektronische handtekening wordt gevisualiseerd.
§ 7. Het deel van het strafdossier in materiële vorm dat overeenkomstig paragraaf 3, tweede lid, is gedematerialiseerd en is opgenomen in het digitaal dossier in het Centraal register bedoeld in artikel 564, § 1, verliest zijn authentiek karakter. De griffier vermeldt in de inventaris van het dossier voor elk stuk van dit deel waar het wordt bewaard in het Centraal register.
Stukken uit het deel bedoeld in het eerste lid kunnen uit het strafdossier in materiële vorm worden verwijderd door de griffier. Hij maakt hiervan melding in de inventaris van het dossier.]1
§ 2. Onverminderd artikel 40 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt wordt een procedurestuk dat in gedematerialiseerde vorm wordt opgemaakt en stuitende werking heeft, ondertekend met een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
Voor een procedurestuk dat in gedematerialiseerde vorm wordt opgemaakt en geen stuitende werking heeft, volstaat een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.11 van de Verordening bedoeld in het eerste lid, of een geavanceerd elektronisch zegel in de zin van artikel 3.26 van die Verordening.
De elektronische ondertekening van een procedurestuk door een lid van de rechterlijk orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde elektronische lijst, verzekert de hoedanigheid waarin de ondertekenaar ondertekent.
§ 3. Het digitaal dossier kan zowel bestaan uit stukken opgemaakt in gedematerialiseerde vorm, als uit stukken opgemaakt in materiële vorm die worden gedematerialiseerd.
Voor de door de rechterlijke orde in materiële vorm opgemaakte stukken die gedematerialiseerd worden of voor de in materiële vorm opgemaakte stukken van externe bronnen die na neerlegging gedematerialiseerd worden en toegevoegd worden aan het digitaal dossier, verklaart de secretaris of de griffier, naargelang de stand van de strafprocedure, via een elektronisch zegel als bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, of een elektronische handtekening als bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, het gedematerialiseerde stuk eensluidend aan het materiële stuk.
§ 4. Het proces-verbaal van de terechtzitting wordt door de griffier in gedematerialiseerde vorm gevoegd bij het strafdossier.
De in de zaak gewezen beschikkingen, vonnissen en arresten worden door de griffier onmiddellijk na ondertekening in gedematerialiseerde vorm gevoegd bij het dossier.
§ 5. Iedere wijziging in de samenstelling van het dossier of in een stuk wordt geregistreerd.
§ 6. De Koning bepaalt de veiligheidsmaatregelen en de minimale technische normen waaraan de informaticasystemen die tot doel hebben de in paragraaf 2 bedoelde handelingen en verwerkingen te verrichten, moeten voldoen.
De Koning kan de wijze bepalen waarop de gekwalificeerde elektronische handtekening wordt gevisualiseerd.
§ 7. Het deel van het strafdossier in materiële vorm dat overeenkomstig paragraaf 3, tweede lid, is gedematerialiseerd en is opgenomen in het digitaal dossier in het Centraal register bedoeld in artikel 564, § 1, verliest zijn authentiek karakter. De griffier vermeldt in de inventaris van het dossier voor elk stuk van dit deel waar het wordt bewaard in het Centraal register.
Stukken uit het deel bedoeld in het eerste lid kunnen uit het strafdossier in materiële vorm worden verwijderd door de griffier. Hij maakt hiervan melding in de inventaris van het dossier.]1
Art. 568. [1 § 1er. Une pièce de procédure peut être établie sous forme dématérialisée et sous forme matérielle.
§ 2. Sans préjudice de l'article 40 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, une pièce de procédure qui est établie sous forme dématérialisée et ayant un effet interruptif, est signée en apposant une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12 du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.
Pour une pièce de procédure établie sous forme dématérialisée et sans effet interruptif, une signature électronique avancée au sens de l'article 3.11 du règlement visé à l'alinéa 1er, ou un cachet électronique avancé au sens de l'article 3.26 de ce règlement est suffisant.
La signature électronique d'une pièce de procédure par un membre de l'ordre judiciaire figurant sur la liste électronique visée à l'article 315ter, § 1er, alinéa 1er, du Code judiciaire garantit la qualité en laquelle le signataire signe.
§ 3. Le dossier numérique peut être composé à la fois des pièces établies sous forme dématérialisée et des pièces établies sous forme matérielle qui sont dématérialisées.
Pour les pièces établies sous forme matérielle par l'ordre judiciaire qui sont dématérialisées ou pour les pièces établies sous forme matérielle de sources externes qui sont dématérialisées et ajoutées au dossier numérique après leur dépôt, le secrétaire ou le greffier, selon l'état de la procédure pénale, certifie la conformité de la pièce dématérialisée à la pièce matérielle au moyen d'un cachet électronique tel que visé au paragraphe 2, alinéa 2, ou d'une signature électronique telle que visée au paragraphe 2, alinéa 1er.
§ 4. Le procès-verbal de l'audience est versé sous forme dématérialisée au dossier pénal.
Les ordonnances, jugements et arrêts rendus en la cause sont versés au dossier sous forme dématérialisée par le greffier immédiatement après la signature.
§ 5. Toute modification de la composition du dossier ou d'une pièce est enregistrée.
§ 6. Le Roi détermine les mesures de sécurité et les normes techniques minimales auxquelles doivent répondre les systèmes informatiques destinés à effectuer les opérations et traitements visés au paragraphe 2.
Le Roi peut déterminer la manière dont la signature électronique qualifiée est visualisée.
§ 7. La partie du dossier pénal sous format matériel qui est, conformément au paragraphe 3, alinéa 2, dématérialisée et enregistrée dans le dossier numérique dans le Registre central visé à l'article 564, § 1er, perd son caractère authentique. Le greffier mentionne dans l'inventaire du dossier pour chaque pièce de cette partie où elle est conservée dans le Registre central.
Des pièces de la partie visée à l'alinéa 1er peuvent être supprimées du dossier pénal sous forme matérielle par le greffier. Il en fait mention dans l'inventaire du dossier.]1
§ 2. Sans préjudice de l'article 40 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, une pièce de procédure qui est établie sous forme dématérialisée et ayant un effet interruptif, est signée en apposant une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12 du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.
Pour une pièce de procédure établie sous forme dématérialisée et sans effet interruptif, une signature électronique avancée au sens de l'article 3.11 du règlement visé à l'alinéa 1er, ou un cachet électronique avancé au sens de l'article 3.26 de ce règlement est suffisant.
La signature électronique d'une pièce de procédure par un membre de l'ordre judiciaire figurant sur la liste électronique visée à l'article 315ter, § 1er, alinéa 1er, du Code judiciaire garantit la qualité en laquelle le signataire signe.
§ 3. Le dossier numérique peut être composé à la fois des pièces établies sous forme dématérialisée et des pièces établies sous forme matérielle qui sont dématérialisées.
Pour les pièces établies sous forme matérielle par l'ordre judiciaire qui sont dématérialisées ou pour les pièces établies sous forme matérielle de sources externes qui sont dématérialisées et ajoutées au dossier numérique après leur dépôt, le secrétaire ou le greffier, selon l'état de la procédure pénale, certifie la conformité de la pièce dématérialisée à la pièce matérielle au moyen d'un cachet électronique tel que visé au paragraphe 2, alinéa 2, ou d'une signature électronique telle que visée au paragraphe 2, alinéa 1er.
§ 4. Le procès-verbal de l'audience est versé sous forme dématérialisée au dossier pénal.
Les ordonnances, jugements et arrêts rendus en la cause sont versés au dossier sous forme dématérialisée par le greffier immédiatement après la signature.
§ 5. Toute modification de la composition du dossier ou d'une pièce est enregistrée.
§ 6. Le Roi détermine les mesures de sécurité et les normes techniques minimales auxquelles doivent répondre les systèmes informatiques destinés à effectuer les opérations et traitements visés au paragraphe 2.
Le Roi peut déterminer la manière dont la signature électronique qualifiée est visualisée.
§ 7. La partie du dossier pénal sous format matériel qui est, conformément au paragraphe 3, alinéa 2, dématérialisée et enregistrée dans le dossier numérique dans le Registre central visé à l'article 564, § 1er, perd son caractère authentique. Le greffier mentionne dans l'inventaire du dossier pour chaque pièce de cette partie où elle est conservée dans le Registre central.
Des pièces de la partie visée à l'alinéa 1er peuvent être supprimées du dossier pénal sous forme matérielle par le greffier. Il en fait mention dans l'inventaire du dossier.]1
Wijzigingen
TITEL VIquater. [1 - Het Centraal register van Strafdossiers]1
TITRE VIquater. [1 - Le Registre central des dossiers pénaux]1
Art. 569. [1 § 1. Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt een "Centraal register van Strafdossiers" opgericht, hierna "Centraal register" genoemd.
Het Centraal register is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doelen:
1° het gecentraliseerd opnemen en bewaren in gedematerialiseerde vorm van de strafdossiers teneinde de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de rechterlijke orde te vergemakkelijken;
2° te fungeren als authentieke bron, bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 augustus 2012 houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator, van de strafdossiers die er geheel in zijn opgenomen, en van de strafdossiers die er gedeeltelijk in zijn opgenomen, voor dat gedeelte;
3° de raadpleging via elektronische weg van de in het Centraal register opgenomen gegevens toe te laten door de personen en actoren die deze met toepassing van paragraaf 5, eerste lid, mogen raadplegen;
4° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor het verbeteren van de kwaliteit van die gegevens;
5° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor het optimaliseren van de organisatie van de rechterlijke orde, om een efficiënter beheer, een betere beleidsondersteuning, een betere impactanalyse van wetswijzigingen en een betere toewijzing van de menselijke en logistieke middelen binnen de rechterlijke orde mogelijk te maken;
6° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde elektronische lijst, bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
7° de verwerking van een geheel van of van individuele in het Centraal register opgenomen gegevens, voor historische of wetenschappelijke doeleinden;
8° de verwerking van gespecifieerde individuele in het Centraal register opgenomen gegevens, voor journalistieke doeleinden;
9° de verwerking voor statistische doeleinden, binnen de grenzen gesteld door titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, van de in het Centraal register opgenomen gegevens.
§ 2. In het Centraal register worden de volgende gegevens opgenomen:
1° het overeenkomstig de wet in gedematerialiseerde vorm opgemaakte strafdossier;
2° het overeenkomstig de wet gedematerialiseerde strafdossier;
3° de metagegevens noodzakelijk voor het bereiken van de doelen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, te weten:
a) de gegevens van het openbaar ministerie, het strafgerecht, de dienst en de personen die het strafdossier beheren;
b) de gegevens betreffende het strafdossier;
c) de noodzakelijke identificatiegegevens van de in het strafdossier vermelde personen;
d) het unieke identificatienummer van het strafdossier;
e) de omschrijving van de feiten in tijd en ruimte.
4° de gegevens noodzakelijk voor de veiligheid van het Centraal register.
De Koning bepaalt, na advies van de in paragraaf 3 bedoelde beheerder, de exacte gegevens bedoeld in het eerste lid, 3°, die worden opgenomen in het Centraal register.
De Koning bepaalt de technische voorwaarden waaraan het strafdossier moet voldoen met het oog op zijn opname in het Centraal register.
§ 3. Het Centraal register wordt beheerd door de beheerder bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie.
De beheerder staat in voor de inrichting en het beheer van het Centraal register. Hij heeft in het bijzonder als opdracht:
1° het bewaken van het respecteren van de doelen van het Centraal register en van de maximale afwezigheid van ongemachtigd downloaden van gegevens;
2° het toezien op de werking van het Centraal register, met inbegrip van het toezicht op het toegangsbeleid en het uitoefenen van de controle hierop;
3° het schriftelijk en onder voorwaarden machtigen van de derden en de publieke overheden bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 8° en 9°, voor de verwerkingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6° of 9° ;
4° het toezien op de technische infrastructuur van het Centraal register;
5° het regelmatig verslag uitbrengen over de werking van het Centraal register en over de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°.
Het verslag bedoeld in het tweede lid, 5°, wordt jaarlijks neergelegd bij de minister van Justitie en bij de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 5°, e).
§ 4. De verwerkingsverantwoordelijkheid wordt geregeld overeenkomstig artikel 42, derde lid, van de wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie.
§ 5. Hebben toegang tot het Centraal register:
1° de magistraten van de zetel van alle strafgerechten en de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank alsmede de griffies, het openbaar ministerie, de parketsecretariaten en de probatiecommissie voor het neerleggen, aanvullen en verbeteren van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens;
2° in het kader van de uitvoering van hun opdrachten bedoeld in artikel 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, de leden van de politiediensten voor wie het noodzakelijk is om de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde relevante gegevens neer te leggen en te raadplegen:
a) om de controle en/of de opvolging te verzekeren bedoeld in artikel 44/7, eerste lid, 5°, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt waar het gaat om maatregelen genomen door een overheid van gerechtelijke politie en in de artikelen 19 tot 20 van de wet op het politieambt;
b) om de opvolging te verzekeren van de via een kantschrift gevraagde onderzoekshandelingen door de magistraten in een strafdossier;
3° in het raam van de uitvoering van hun taken bedoeld in artikel 7 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de leden van de Veiligheid van de Staat die de relevante gegevens bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, namelijk de inhoud van de processen-verbaal, moeten kunnen raadplegen, na een machtiging verleend door de bevoegde magistraat;
4° ten uitzonderlijke titel, wanneer de vereisten van hun opdracht deze toegang onontbeerlijk maken, en voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 4°, de door de beheerder aangestelde personen belast met het technisch en operationeel beheer van het Centraal register, handelend binnen het kader van hun functie;
5° voor het raadplegen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens:
a) de magistraten van de zetel van alle strafgerechten, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies;
b) het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
c) de probatiecommissie en haar secretariaat. Zij wijzen binnen hun diensten de personen met een leesrecht aan. Dit leesrecht wordt individueel toegekend en is toereikend, ter zake dienend en niet overmatig voor het uitvoeren van specifieke taken in het kader van hun wettelijke of reglementaire opdrachten;
d) de Entiteit Cassatie, het College van de hoven en rechtbanken, het College van het openbaar ministerie. Zij wijzen binnen hun diensten de personen met een leesrecht aan. Dit leesrecht wordt individueel toegekend en is toereikend, ter zake dienend en niet overmatig voor het uitvoeren van specifieke taken in het kader van hun wettelijke of reglementaire opdrachten;
e) de functionaris voor gegevensbescherming aangesteld door de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, binnen de grenzen van zijn wettelijke opdrachten;
f) de diensten van slachtofferonthaal na een machtiging verleend door de bevoegde magistraat;
6° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 5° :
a) de gerechtelijke overheden belast met het beheer en de organisatie van de hoven en rechtbanken;
b) de diensten belast met statistische analyse bij de in de beheerder vertegenwoordigde entiteiten;
7° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6°, de door de beheerder schriftelijk gemachtigde derden, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden;
8° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 9°, de door de beheerder schriftelijk gemachtigde publieke overheden, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden;
9° voor de raadpleging via elektronische weg van een in het Centraal register opgenomen strafdossier, de partijen in dat strafdossier en, in voorkomend geval, hun advocaat of vertegenwoordiger in rechte, evenals derden, waarbij het inzagerecht uitsluitend wordt uitgeoefend binnen de grenzen en conform de nadere regels van het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering, de bijzondere wetten die betrekking hebben op de strafrechtspleging en de uitvoeringsbesluiten.
Onverminderd de bepalingen onder 1° en 4° kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen voor het neerleggen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens.
De verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor andere doelen dan diegene bedoeld in paragraaf 1 is verboden. De overtreding van dit verbod wordt bestraft met de straf bedoeld in artikel 222 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
De Koning bepaalt, na advies van de beheerder, de nadere regels en procedures betreffende de toegang tot het Centraal register.
Hij die in welke hoedanigheid dan ook deelneemt aan het verzamelen of aan de registratie van gegevens in het Centraal register of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens en daardoor kennis heeft van die gegevens, moet het desgevallend vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Bij een inbreuk zijn de straffen van artikel 458 van het Strafwetboek op hem van toepassing.
Wanneer de beheerder vaststelt dat ongerechtvaardigd gebruik wordt gemaakt van de toegang tot het Centraal register, brengt hij dit ter kennis van de overheid die krachtens de wet bevoegd is om een tuchtprocedure in te stellen ten aanzien van de betrokken gebruiker.
§ 6. De termijnen voor de bewaring worden gelijkgesteld met de termijnen van de verjaring van de strafvordering zoals voorzien in artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.
In elk geval dient het dossier bewaard te worden tot het einde van de strafuitvoering en mag de bewaartermijn niet korter zijn dan deze voorzien in de archiefwet van 24 juni 1955.
Het tweede lid is eveneens van toepassing voor de misdrijven bedoeld in artikel 21bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Voor de dossiers waarin het voor die misdrijven niet tot een veroordeling is gekomen, gelden de bewaartermijnen voorzien in de archiefwet van 24 juni 1955.
§ 7. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder, de nadere technische en materiële regels voor de inrichting en werking van het Centraal register, die echter geen invloed kunnen hebben op de inhoud of de begrijpelijkheid van de in het Centraal register opgenomen strafdossiers.]1
Het Centraal register is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doelen:
1° het gecentraliseerd opnemen en bewaren in gedematerialiseerde vorm van de strafdossiers teneinde de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de rechterlijke orde te vergemakkelijken;
2° te fungeren als authentieke bron, bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 augustus 2012 houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator, van de strafdossiers die er geheel in zijn opgenomen, en van de strafdossiers die er gedeeltelijk in zijn opgenomen, voor dat gedeelte;
3° de raadpleging via elektronische weg van de in het Centraal register opgenomen gegevens toe te laten door de personen en actoren die deze met toepassing van paragraaf 5, eerste lid, mogen raadplegen;
4° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor het verbeteren van de kwaliteit van die gegevens;
5° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor het optimaliseren van de organisatie van de rechterlijke orde, om een efficiënter beheer, een betere beleidsondersteuning, een betere impactanalyse van wetswijzigingen en een betere toewijzing van de menselijke en logistieke middelen binnen de rechterlijke orde mogelijk te maken;
6° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde elektronische lijst, bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
7° de verwerking van een geheel van of van individuele in het Centraal register opgenomen gegevens, voor historische of wetenschappelijke doeleinden;
8° de verwerking van gespecifieerde individuele in het Centraal register opgenomen gegevens, voor journalistieke doeleinden;
9° de verwerking voor statistische doeleinden, binnen de grenzen gesteld door titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, van de in het Centraal register opgenomen gegevens.
§ 2. In het Centraal register worden de volgende gegevens opgenomen:
1° het overeenkomstig de wet in gedematerialiseerde vorm opgemaakte strafdossier;
2° het overeenkomstig de wet gedematerialiseerde strafdossier;
3° de metagegevens noodzakelijk voor het bereiken van de doelen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, te weten:
a) de gegevens van het openbaar ministerie, het strafgerecht, de dienst en de personen die het strafdossier beheren;
b) de gegevens betreffende het strafdossier;
c) de noodzakelijke identificatiegegevens van de in het strafdossier vermelde personen;
d) het unieke identificatienummer van het strafdossier;
e) de omschrijving van de feiten in tijd en ruimte.
4° de gegevens noodzakelijk voor de veiligheid van het Centraal register.
De Koning bepaalt, na advies van de in paragraaf 3 bedoelde beheerder, de exacte gegevens bedoeld in het eerste lid, 3°, die worden opgenomen in het Centraal register.
De Koning bepaalt de technische voorwaarden waaraan het strafdossier moet voldoen met het oog op zijn opname in het Centraal register.
§ 3. Het Centraal register wordt beheerd door de beheerder bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie.
De beheerder staat in voor de inrichting en het beheer van het Centraal register. Hij heeft in het bijzonder als opdracht:
1° het bewaken van het respecteren van de doelen van het Centraal register en van de maximale afwezigheid van ongemachtigd downloaden van gegevens;
2° het toezien op de werking van het Centraal register, met inbegrip van het toezicht op het toegangsbeleid en het uitoefenen van de controle hierop;
3° het schriftelijk en onder voorwaarden machtigen van de derden en de publieke overheden bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 8° en 9°, voor de verwerkingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6° of 9° ;
4° het toezien op de technische infrastructuur van het Centraal register;
5° het regelmatig verslag uitbrengen over de werking van het Centraal register en over de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°.
Het verslag bedoeld in het tweede lid, 5°, wordt jaarlijks neergelegd bij de minister van Justitie en bij de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 5°, e).
§ 4. De verwerkingsverantwoordelijkheid wordt geregeld overeenkomstig artikel 42, derde lid, van de wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie.
§ 5. Hebben toegang tot het Centraal register:
1° de magistraten van de zetel van alle strafgerechten en de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank alsmede de griffies, het openbaar ministerie, de parketsecretariaten en de probatiecommissie voor het neerleggen, aanvullen en verbeteren van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens;
2° in het kader van de uitvoering van hun opdrachten bedoeld in artikel 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, de leden van de politiediensten voor wie het noodzakelijk is om de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde relevante gegevens neer te leggen en te raadplegen:
a) om de controle en/of de opvolging te verzekeren bedoeld in artikel 44/7, eerste lid, 5°, van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt waar het gaat om maatregelen genomen door een overheid van gerechtelijke politie en in de artikelen 19 tot 20 van de wet op het politieambt;
b) om de opvolging te verzekeren van de via een kantschrift gevraagde onderzoekshandelingen door de magistraten in een strafdossier;
3° in het raam van de uitvoering van hun taken bedoeld in artikel 7 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de leden van de Veiligheid van de Staat die de relevante gegevens bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, namelijk de inhoud van de processen-verbaal, moeten kunnen raadplegen, na een machtiging verleend door de bevoegde magistraat;
4° ten uitzonderlijke titel, wanneer de vereisten van hun opdracht deze toegang onontbeerlijk maken, en voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 4°, de door de beheerder aangestelde personen belast met het technisch en operationeel beheer van het Centraal register, handelend binnen het kader van hun functie;
5° voor het raadplegen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens:
a) de magistraten van de zetel van alle strafgerechten, de assessoren bij de strafuitvoeringsrechtbank en de griffies;
b) het openbaar ministerie en de parketsecretariaten;
c) de probatiecommissie en haar secretariaat. Zij wijzen binnen hun diensten de personen met een leesrecht aan. Dit leesrecht wordt individueel toegekend en is toereikend, ter zake dienend en niet overmatig voor het uitvoeren van specifieke taken in het kader van hun wettelijke of reglementaire opdrachten;
d) de Entiteit Cassatie, het College van de hoven en rechtbanken, het College van het openbaar ministerie. Zij wijzen binnen hun diensten de personen met een leesrecht aan. Dit leesrecht wordt individueel toegekend en is toereikend, ter zake dienend en niet overmatig voor het uitvoeren van specifieke taken in het kader van hun wettelijke of reglementaire opdrachten;
e) de functionaris voor gegevensbescherming aangesteld door de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, binnen de grenzen van zijn wettelijke opdrachten;
f) de diensten van slachtofferonthaal na een machtiging verleend door de bevoegde magistraat;
6° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 5° :
a) de gerechtelijke overheden belast met het beheer en de organisatie van de hoven en rechtbanken;
b) de diensten belast met statistische analyse bij de in de beheerder vertegenwoordigde entiteiten;
7° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6°, de door de beheerder schriftelijk gemachtigde derden, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden;
8° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 9°, de door de beheerder schriftelijk gemachtigde publieke overheden, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden;
9° voor de raadpleging via elektronische weg van een in het Centraal register opgenomen strafdossier, de partijen in dat strafdossier en, in voorkomend geval, hun advocaat of vertegenwoordiger in rechte, evenals derden, waarbij het inzagerecht uitsluitend wordt uitgeoefend binnen de grenzen en conform de nadere regels van het Gerechtelijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering, de bijzondere wetten die betrekking hebben op de strafrechtspleging en de uitvoeringsbesluiten.
Onverminderd de bepalingen onder 1° en 4° kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen voor het neerleggen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens.
De verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor andere doelen dan diegene bedoeld in paragraaf 1 is verboden. De overtreding van dit verbod wordt bestraft met de straf bedoeld in artikel 222 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
De Koning bepaalt, na advies van de beheerder, de nadere regels en procedures betreffende de toegang tot het Centraal register.
Hij die in welke hoedanigheid dan ook deelneemt aan het verzamelen of aan de registratie van gegevens in het Centraal register of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens en daardoor kennis heeft van die gegevens, moet het desgevallend vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Bij een inbreuk zijn de straffen van artikel 458 van het Strafwetboek op hem van toepassing.
Wanneer de beheerder vaststelt dat ongerechtvaardigd gebruik wordt gemaakt van de toegang tot het Centraal register, brengt hij dit ter kennis van de overheid die krachtens de wet bevoegd is om een tuchtprocedure in te stellen ten aanzien van de betrokken gebruiker.
§ 6. De termijnen voor de bewaring worden gelijkgesteld met de termijnen van de verjaring van de strafvordering zoals voorzien in artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.
In elk geval dient het dossier bewaard te worden tot het einde van de strafuitvoering en mag de bewaartermijn niet korter zijn dan deze voorzien in de archiefwet van 24 juni 1955.
Het tweede lid is eveneens van toepassing voor de misdrijven bedoeld in artikel 21bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Voor de dossiers waarin het voor die misdrijven niet tot een veroordeling is gekomen, gelden de bewaartermijnen voorzien in de archiefwet van 24 juni 1955.
§ 7. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder, de nadere technische en materiële regels voor de inrichting en werking van het Centraal register, die echter geen invloed kunnen hebben op de inhoud of de begrijpelijkheid van de in het Centraal register opgenomen strafdossiers.]1
Art. 569. [1 § 1er. Il est institué auprès du Service public fédéral Justice un registre dénommé "Registre central des dossiers pénaux", ci-après dénommé "Registre central".
Le Registre central est une banque de données informatisée ayant comme objectifs:
1° l'enregistrement et la conservation centralisés sous forme dématérialisée des dossiers pénaux afin de faciliter l'exécution des missions légales de l'ordre judiciaire;
2° de servir comme source authentique, visée à l'article 2, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 août 2012 relative à la création et à l'organisation d'un intégrateur de services fédéral, des dossiers pénaux qui y sont enregistrés en tout, et des dossiers pénaux qui y sont enregistrés en partie, pour cette partie;
3° de permettre la consultation par voie électronique des données enregistrées dans le Registre central par les personnes et acteurs qui sont en droit de les consulter en application du paragraphe 5, alinéa 1er;
4° le traitement des données enregistrées dans le Registre central afin d'améliorer la qualité de ces données;
5° le traitement des données enregistrées dans le Registre central afin d'optimaliser l'organisation de l'ordre judiciaire, permettant une gestion plus efficace, un meilleur soutien de politiques, une meilleure analyse de l'impact des modifications législatives et une meilleure affectation des moyens humains et logistiques au sein de l'ordre judiciaire;
6° le traitement des données enregistrées dans le Registre central pour le développement des systèmes informatiques pour soutenir les membres de l'ordre judiciaire, repris dans la liste électronique visée à l'article 315ter, § 1er, alinéa 1er, du Code judiciaire, dans l'exécution de leurs missions légales;
7° le traitement d'un ensemble de données ou des données individuelles enregistrées dans le Registre central, à des fins historiques ou scientifiques;
8° le traitement de données individuelles spécifiées enregistrées dans le Registre central, à des fins journalistiques;
9° le traitement à des fins statistiques, dans les limites déterminées par le titre 4 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, des données enregistrées dans le Registre central.
§ 2. Dans le Registre central, les données suivantes sont enregistrées:
1° le dossier pénal établi sous forme dématérialisée conformément à la loi;
2° le dossier pénal dématérialisé conformément à la loi;
3° les métadonnées nécessaires pour atteindre les finalités visées au paragraphe 1er, alinéa 2, à savoir:
a) les données du ministère public, de la juridiction pénale, du service et des personnes qui gèrent le dossier pénal;
b) les données relatives au dossier pénal;
c) les données d'identification nécessaires des personnes mentionnées dans le dossier pénal;
d) le numéro d'identification unique du dossier pénal;
e) la description des faits dans le temps et l'espace.
4° les données nécessaires à la sécurité du Registre central.
Le Roi détermine, après avis du gestionnaire visé au paragraphe 3, les données exactes visées à l'alinéa 1er, 3°, qui sont enregistrées dans le Registre central.
Le Roi détermine les conditions techniques auxquelles le dossier pénal doit satisfaire en vue de son enregistrement dans le Registre central.
§ 3. Le Registre central est géré par le gestionnaire visé à l'article 42, alinéa 1er, de la loi du 18 février 2014 relative à l'introduction d'une gestion autonome pour l'organisation judiciaire.
Le gestionnaire met en place et gère le fonctionnement du Registre central. Il a plus spécifiquement pour mission:
1° de surveiller le respect des objectifs du Registre central et de l'absence maximale de téléchargement non-autorisé des données;
2° de superviser le fonctionnement du Registre central, y compris la supervision de la politique d'accès et d'en exercer le contrôle;
3° d'autoriser par écrit et sous conditions les tiers et les autorités publiques visés au paragraphe 5, alinéa 1er, 8° et 9°, pour les traitements visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 6° ou 9° ;
4° de superviser l'infrastructure technique du Registre central;
5° de rapporter régulièrement sur le fonctionnement du Registre central et sur l'exercice des missions visées aux 1° à 4°.
Le rapport visé à l'alinéa 2, 5°, est déposé annuellement auprès du ministre de la Justice et du délégué à la protection des données visé au paragraphe 5, alinéa 1er, 5°, e).
§ 4. La responsabilité de traitement est réglée conformément à l'article 42, alinéa 3, de la loi du 18 février 2014 relative à l'introduction d'une gestion autonome pour l'organisation judiciaire.
§ 5. Ont accès au Registre central:
1° les magistrats du siège de toutes les juridictions pénales et les assesseurs au tribunal de l'application des peines ainsi que les greffes, le ministère public, les secrétariats du parquet et la commission de probation pour déposer, compléter ou rectifier les données visées au paragraphe 2, alinéa 1er;
2° dans le cadre de la réalisation de leurs missions visées à l'article 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, les membres des services de police qui ont le besoin de consulter et déposer les données pertinentes visées au paragraphe 2, alinéa 1er, afin d'assurer:
a) le contrôle et/ou le suivi visés à l'article 44/7, alinéa 1er, 5°, de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, lorsqu'il s'agit de mesures adoptées par une autorité de police judiciaire, et aux articles 19 à 20 de la loi sur la fonction de police;
b) le suivi des actes d'enquête demandés via une apostille par les magistrats dans un dossier pénal;
3° dans le cadre de la réalisation de leurs missions visées à l'article 7 de la loi du 30 novembre 1998 organique des services de renseignement et de sécurité, les membres de la Sûreté de l'Etat qui ont le besoin de consulter les données pertinentes visées au paragraphe 2, alinéa 1er, soit le contenu des procès-verbaux, après une autorisation octroyée par le magistrat compétent;
4° à titre exceptionnel, lorsque les exigences de leur mission rendent cet accès indispensable, et pour le traitement des données visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 4°, les personnes, désignées par le gestionnaire, chargées de la gestion technique et opérationnelle du Registre central, agissant dans le cadre de leur fonction;
5° pour consulter les données visées au paragraphe 2, alinéa 1er:
a) les magistrats du siège de toutes les juridictions pénales, les assesseurs au tribunal de l'application des peines et les greffes;
b) le ministère public et les secrétariats du parquet;
c) la commission de probation et son secrétariat. Ils désignent au sein de leurs services les personnes qui disposent d'un droit de lecture. Ce droit de lecture est accordé individuellement et est adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de tâches spécifiques dans le cadre de leurs missions légales ou réglementaires;
d) l'Entité de cassation, le Collège des cours et tribunaux, le Collège du ministère public. Ils désignent au sein de leurs services les personnes qui disposent d'un droit de lecture. Ce droit de lecture est accordé individuellement et est adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de tâches spécifiques dans le cadre de leurs missions légales ou réglementaires;
e) le délégué à la protection des données désigné par les responsables conjoints du traitement, dans les limites de ses missions légales;
f) les services d'accueil des victimes après une autorisation octroyée par le magistrat compétent;
6° pour le traitement des données visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 5° :
a) les autorités judiciaires chargées de la gestion et de l'organisation des cours et tribunaux;
b) les services chargés de l'analyse statistique auprès des entités représentées au sein du gestionnaire;
7° pour le traitement des données visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 6°, les tiers autorisés par écrit par le gestionnaire, dans les conditions déterminées par le gestionnaire;
8° pour le traitement des données visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 9°, les autorités publiques autorisées par écrit par le gestionnaire, dans les conditions déterminées par le gestionnaire;
9° pour la consultation électronique d'un dossier pénal inscrit au Registre central, les parties à ce dossier pénal et, le cas échéant, leur avocat ou représentant légal, ainsi que des tiers, le droit de consultation s'exerçant exclusivement dans les limites et conformément aux autres règles du Code judiciaire, au Code d'instruction criminelle, aux lois particulières relatives à la procédure pénale ainsi qu'aux arrêtés d'exécution.
Sans préjudice des 1° et 4°, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'Autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services pour déposer les données visées au paragraphe 2, alinéa 1er.
Le traitement des données enregistrées dans le Registre central pour des objectifs autres que ceux visés au paragraphe 1er est interdit. La violation de cette interdiction est punie de la peine visée à l'article 222 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Le Roi détermine, après avis du gestionnaire, les modalités de l'accès au Registre central ainsi que les procédures relatives à cet accès.
Quiconque, à quelque titre que ce soit, participe à la collecte ou à l'enregistrement des données dans le Registre central, ou au traitement ou à la communication des données qui y sont enregistrées et qui, de ce fait a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel, le cas échéant. En cas d'infraction les peines de l'article 458 du Code pénal lui sont applicables.
Lorsque le gestionnaire constate une utilisation injustifiée de l'accès au Registre central, il porte cela à la connaissance de l'autorité compétente, en vertu de la loi, pour intenter une procédure disciplinaire en ce qui concerne l'utilisateur concerné.
§ 6. Les délais pour la conservation sont assimilés aux délais de la prescription de l'action publique comme prévus à l'article 21 du titre préliminaire du Code de procédure pénale.
Dans tous les cas, le dossier doit être conservé jusqu'à la fin de l'exécution de la peine et la durée de conservation ne peut pas être inférieure à celle prévue par la loi du 24 juin 1955 relative aux archives.
L'alinéa 2 s'applique également aux infractions prévues à l'article 21bis du titre préliminaire du Code de procédure pénale. Les dossiers dans lesquels aucune condamnation n'a été prononcée pour ces infractions sont soumis aux délais de conservation prévus par la loi du 24 juin 1955 relative aux archives.
§ 7. Le Roi détermine, après avis du gestionnaire, les modalités techniques et matérielles de mise en place et de fonctionnement du Registre central, qui ne peuvent toutefois avoir aucune incidence sur le contenu ou la compréhension des dossiers pénaux enregistrés dans le Registre central.]1
Le Registre central est une banque de données informatisée ayant comme objectifs:
1° l'enregistrement et la conservation centralisés sous forme dématérialisée des dossiers pénaux afin de faciliter l'exécution des missions légales de l'ordre judiciaire;
2° de servir comme source authentique, visée à l'article 2, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 août 2012 relative à la création et à l'organisation d'un intégrateur de services fédéral, des dossiers pénaux qui y sont enregistrés en tout, et des dossiers pénaux qui y sont enregistrés en partie, pour cette partie;
3° de permettre la consultation par voie électronique des données enregistrées dans le Registre central par les personnes et acteurs qui sont en droit de les consulter en application du paragraphe 5, alinéa 1er;
4° le traitement des données enregistrées dans le Registre central afin d'améliorer la qualité de ces données;
5° le traitement des données enregistrées dans le Registre central afin d'optimaliser l'organisation de l'ordre judiciaire, permettant une gestion plus efficace, un meilleur soutien de politiques, une meilleure analyse de l'impact des modifications législatives et une meilleure affectation des moyens humains et logistiques au sein de l'ordre judiciaire;
6° le traitement des données enregistrées dans le Registre central pour le développement des systèmes informatiques pour soutenir les membres de l'ordre judiciaire, repris dans la liste électronique visée à l'article 315ter, § 1er, alinéa 1er, du Code judiciaire, dans l'exécution de leurs missions légales;
7° le traitement d'un ensemble de données ou des données individuelles enregistrées dans le Registre central, à des fins historiques ou scientifiques;
8° le traitement de données individuelles spécifiées enregistrées dans le Registre central, à des fins journalistiques;
9° le traitement à des fins statistiques, dans les limites déterminées par le titre 4 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, des données enregistrées dans le Registre central.
§ 2. Dans le Registre central, les données suivantes sont enregistrées:
1° le dossier pénal établi sous forme dématérialisée conformément à la loi;
2° le dossier pénal dématérialisé conformément à la loi;
3° les métadonnées nécessaires pour atteindre les finalités visées au paragraphe 1er, alinéa 2, à savoir:
a) les données du ministère public, de la juridiction pénale, du service et des personnes qui gèrent le dossier pénal;
b) les données relatives au dossier pénal;
c) les données d'identification nécessaires des personnes mentionnées dans le dossier pénal;
d) le numéro d'identification unique du dossier pénal;
e) la description des faits dans le temps et l'espace.
4° les données nécessaires à la sécurité du Registre central.
Le Roi détermine, après avis du gestionnaire visé au paragraphe 3, les données exactes visées à l'alinéa 1er, 3°, qui sont enregistrées dans le Registre central.
Le Roi détermine les conditions techniques auxquelles le dossier pénal doit satisfaire en vue de son enregistrement dans le Registre central.
§ 3. Le Registre central est géré par le gestionnaire visé à l'article 42, alinéa 1er, de la loi du 18 février 2014 relative à l'introduction d'une gestion autonome pour l'organisation judiciaire.
Le gestionnaire met en place et gère le fonctionnement du Registre central. Il a plus spécifiquement pour mission:
1° de surveiller le respect des objectifs du Registre central et de l'absence maximale de téléchargement non-autorisé des données;
2° de superviser le fonctionnement du Registre central, y compris la supervision de la politique d'accès et d'en exercer le contrôle;
3° d'autoriser par écrit et sous conditions les tiers et les autorités publiques visés au paragraphe 5, alinéa 1er, 8° et 9°, pour les traitements visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 6° ou 9° ;
4° de superviser l'infrastructure technique du Registre central;
5° de rapporter régulièrement sur le fonctionnement du Registre central et sur l'exercice des missions visées aux 1° à 4°.
Le rapport visé à l'alinéa 2, 5°, est déposé annuellement auprès du ministre de la Justice et du délégué à la protection des données visé au paragraphe 5, alinéa 1er, 5°, e).
§ 4. La responsabilité de traitement est réglée conformément à l'article 42, alinéa 3, de la loi du 18 février 2014 relative à l'introduction d'une gestion autonome pour l'organisation judiciaire.
§ 5. Ont accès au Registre central:
1° les magistrats du siège de toutes les juridictions pénales et les assesseurs au tribunal de l'application des peines ainsi que les greffes, le ministère public, les secrétariats du parquet et la commission de probation pour déposer, compléter ou rectifier les données visées au paragraphe 2, alinéa 1er;
2° dans le cadre de la réalisation de leurs missions visées à l'article 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, les membres des services de police qui ont le besoin de consulter et déposer les données pertinentes visées au paragraphe 2, alinéa 1er, afin d'assurer:
a) le contrôle et/ou le suivi visés à l'article 44/7, alinéa 1er, 5°, de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, lorsqu'il s'agit de mesures adoptées par une autorité de police judiciaire, et aux articles 19 à 20 de la loi sur la fonction de police;
b) le suivi des actes d'enquête demandés via une apostille par les magistrats dans un dossier pénal;
3° dans le cadre de la réalisation de leurs missions visées à l'article 7 de la loi du 30 novembre 1998 organique des services de renseignement et de sécurité, les membres de la Sûreté de l'Etat qui ont le besoin de consulter les données pertinentes visées au paragraphe 2, alinéa 1er, soit le contenu des procès-verbaux, après une autorisation octroyée par le magistrat compétent;
4° à titre exceptionnel, lorsque les exigences de leur mission rendent cet accès indispensable, et pour le traitement des données visé au paragraphe 1er, alinéa 2, 4°, les personnes, désignées par le gestionnaire, chargées de la gestion technique et opérationnelle du Registre central, agissant dans le cadre de leur fonction;
5° pour consulter les données visées au paragraphe 2, alinéa 1er:
a) les magistrats du siège de toutes les juridictions pénales, les assesseurs au tribunal de l'application des peines et les greffes;
b) le ministère public et les secrétariats du parquet;
c) la commission de probation et son secrétariat. Ils désignent au sein de leurs services les personnes qui disposent d'un droit de lecture. Ce droit de lecture est accordé individuellement et est adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de tâches spécifiques dans le cadre de leurs missions légales ou réglementaires;
d) l'Entité de cassation, le Collège des cours et tribunaux, le Collège du ministère public. Ils désignent au sein de leurs services les personnes qui disposent d'un droit de lecture. Ce droit de lecture est accordé individuellement et est adéquat, pertinent et non excessif pour l'accomplissement de tâches spécifiques dans le cadre de leurs missions légales ou réglementaires;
e) le délégué à la protection des données désigné par les responsables conjoints du traitement, dans les limites de ses missions légales;
f) les services d'accueil des victimes après une autorisation octroyée par le magistrat compétent;
6° pour le traitement des données visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 5° :
a) les autorités judiciaires chargées de la gestion et de l'organisation des cours et tribunaux;
b) les services chargés de l'analyse statistique auprès des entités représentées au sein du gestionnaire;
7° pour le traitement des données visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 6°, les tiers autorisés par écrit par le gestionnaire, dans les conditions déterminées par le gestionnaire;
8° pour le traitement des données visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 9°, les autorités publiques autorisées par écrit par le gestionnaire, dans les conditions déterminées par le gestionnaire;
9° pour la consultation électronique d'un dossier pénal inscrit au Registre central, les parties à ce dossier pénal et, le cas échéant, leur avocat ou représentant légal, ainsi que des tiers, le droit de consultation s'exerçant exclusivement dans les limites et conformément aux autres règles du Code judiciaire, au Code d'instruction criminelle, aux lois particulières relatives à la procédure pénale ainsi qu'aux arrêtés d'exécution.
Sans préjudice des 1° et 4°, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis de l'Autorité de contrôle compétente, désigner d'autres autorités, organes ou services pour déposer les données visées au paragraphe 2, alinéa 1er.
Le traitement des données enregistrées dans le Registre central pour des objectifs autres que ceux visés au paragraphe 1er est interdit. La violation de cette interdiction est punie de la peine visée à l'article 222 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
Le Roi détermine, après avis du gestionnaire, les modalités de l'accès au Registre central ainsi que les procédures relatives à cet accès.
Quiconque, à quelque titre que ce soit, participe à la collecte ou à l'enregistrement des données dans le Registre central, ou au traitement ou à la communication des données qui y sont enregistrées et qui, de ce fait a connaissance de telles données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel, le cas échéant. En cas d'infraction les peines de l'article 458 du Code pénal lui sont applicables.
Lorsque le gestionnaire constate une utilisation injustifiée de l'accès au Registre central, il porte cela à la connaissance de l'autorité compétente, en vertu de la loi, pour intenter une procédure disciplinaire en ce qui concerne l'utilisateur concerné.
§ 6. Les délais pour la conservation sont assimilés aux délais de la prescription de l'action publique comme prévus à l'article 21 du titre préliminaire du Code de procédure pénale.
Dans tous les cas, le dossier doit être conservé jusqu'à la fin de l'exécution de la peine et la durée de conservation ne peut pas être inférieure à celle prévue par la loi du 24 juin 1955 relative aux archives.
L'alinéa 2 s'applique également aux infractions prévues à l'article 21bis du titre préliminaire du Code de procédure pénale. Les dossiers dans lesquels aucune condamnation n'a été prononcée pour ces infractions sont soumis aux délais de conservation prévus par la loi du 24 juin 1955 relative aux archives.
§ 7. Le Roi détermine, après avis du gestionnaire, les modalités techniques et matérielles de mise en place et de fonctionnement du Registre central, qui ne peuvent toutefois avoir aucune incidence sur le contenu ou la compréhension des dossiers pénaux enregistrés dans le Registre central.]1
Wijzigingen
Art. 570. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 570. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 571. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 571. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 572. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 572. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 573. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 573. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 574. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 574. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 575. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 575. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 576. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 576. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 577. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 577. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 578. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 578. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 579. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 579. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 580. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 580. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 581. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 581. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 582. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 582. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 583. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 583. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 584. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 584. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 585. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 585. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 586. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 586. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 587. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 587. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
Art. 588. (Opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 229°>
(NOTA : De artikelen 589 tot en met 599, opgeheven bij W 10-07-1967, art. 1, 229°, zijn heringevoegd in de artikelen 3 en volgende in het volgende deel van het SV 1808-12-16/30 bij W 1997-08-08/14)
(NOTA : De artikelen 589 tot en met 599, opgeheven bij W 10-07-1967, art. 1, 229°, zijn heringevoegd in de artikelen 3 en volgende in het volgende deel van het SV 1808-12-16/30 bij W 1997-08-08/14)
Art. 588. [Abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 229°>
(NOTE : les articles 589 à 599 abrogés par L 10-07-1967, art. 1, 229° ont été réintroduit dans la partie suivante du CIC 1808-12-16/30 par L 1997-08-08/14 articles 3 et suivants)
(NOTE : les articles 589 à 599 abrogés par L 10-07-1967, art. 1, 229° ont été réintroduit dans la partie suivante du CIC 1808-12-16/30 par L 1997-08-08/14 articles 3 et suivants)