Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
12 DECEMBER 1808. - WETBOEK VAN STRAFVORDERING. - BOEK II, TITEL IV. (448 tot en met 524septies) <Om technische redenen is het Wetboek van Strafvordering ingedeeld in 8 delen waarvan het zesde deel Titel IV van het tweede Boek omvat.> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-10-1996 en tekstbijwerking tot 28-05-2024)
Titre
12 DECEMBRE 1808. - CODE D'INSTRUCTION CRIMINELLE. - LIVRE II, TITRE IV. (448 à 524septies) <Pour des raisons techniques, le Code d'Instruction Criminelle est divisé en 8 parties, dont le Titre IV du deuxième Livre est la sixième partie.> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-10-1996 et mise à jour au 28-05-2024)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (159)
Texte (159)
TITEL IV. - ENIGE RECHTSPLEGINGEN VAN BIJZONDERE AARD.
TITRE IV. - DE QUELQUES PROCEDURES PARTICULIERES.
HOOFDSTUK I. - VALSHEID.
CHAPITRE I. - DU FAUX.
Artikel 448. In alle gedingen ter zake van valsheid in geschrifte wordt het van valsheid betichte stuk, zodra het is ingebracht, neergelegd op de griffie, getekend en geparafeerd op elke bladzijde door de griffier, die een omstandig proces-verbaal opmaakt van de materiële toestand van het stuk, alsook door degene die het heeft neergelegd, indien hij kan tekenen, waarvan melding wordt gemaakt; een en ander op straffe van geldboete van vijftig frank tegen de griffier die het stuk in ontvangst heeft genomen zonder dat die formaliteit vervuld is.
Article 448. Dans tous les procès pour faux en écriture, la pièce arguée de faux, aussitôt qu'elle aura été produite, sera déposée au greffe, signée et paraphée à toutes les pages par le greffier, qui dressera un procès-verbal détaillé de l'état matériel de la pièce, et par la personne qui l'aura déposée, si elle sait signer, ce dont il sera fait mention; le tout à peine de cinquante francs d'amende contre le greffier qui l'aura reçue sans que cette formalité ait été remplie.
Art. 449. Indien het van valsheid betichte stuk uit een openbare bewaarplaats wordt genomen, wordt het ook door de ambtenaar die het uit handen geeft, getekend en geparafeerd zoals hiervoren bepaald is, op straffe van dezelfde geldboete.
Art. 449. Si la pièce arguée de faux est tirée d'un dépôt public, le fonctionnaire qui s'en dessaisira la signera aussi et la paraphera, comme il vient d'être dit, sous peine d'une pareille amende.
Art. 450. Het van valsheid betichte stuk wordt bovendien getekend door de officier van gerechtelijke politie, en door de burgerlijke partij of haar pleitbezorger indien dezen zich aanmelden.
  Het wordt ook getekend door de verdachte op het ogenblik dat hij verschijnt.
  Indien de verschijnende personen of enige onder hen niet kunnen of niet willen tekenen, maakt het proces-verbaal daarvan melding.
  In geval van nalatigheid of van verzuim wordt de griffier gestraft met geldboete van vijftig frank.
Art. 450. La pièce arguée de faux sera de plus signée par l'officier de police judiciaire, et par la partie civile ou son avoué, si ceux-ci se présentent.
  Elle le sera également par [l'inculpé], au moment de sa comparution. <L 10-07-1967, art. 1, 171°>
  Si les comparants, ou quelques-uns d'entre eux, ne peuvent pas ou ne veulent pas signer, le procès-verbal en fera mention.
  En cas de négligence ou d'omission, le greffier sera puni de cinquante francs d'amende.
Art. 451. Aan de klachten en aangiften ter zake van valsheid kan altijd gevolg gegeven worden, zelfs wanneer de van valsheid betichte stukken tot grondslag hebben gediend van gerechtelijke of burgerlijke akten.
Art. 451. Les plaintes et dénonciations en faux pourront toujours être suivies, lors même que les pièces qui en sont l'objet auraient servi de fondement à des actes judiciaires ou civils.
Art. 452. Ieder openbaar of bijzonder bewaarder van stukken die van valsheid beticht worden, is verplicht (...) die af te geven op bevelschrift van de ambtenaar van het openbaar ministerie of van de onderzoeksrechter. <W 10-07-1967, art. 1, 172°>
  Dit bevelschrift en de akte van neerlegging strekken hem tot ontlasting jegens allen die bij het stuk belang hebben.
Art. 452. Tout dépositaire public ou particulier de pièces arguées de faux est tenu [...] de les remettre, sur l'ordonnance donnée par l'officier du ministère public ou par le juge d'instruction. <L 10-07-1967, art. 1, 172°>
  Cette ordonnance et l'acte de dépôt lui serviront de décharge envers tous ceux qui auront intérêt à la pièce.
Art. 453. De stukken die overgebracht worden om tot vergelijking te dienen, worden getekend en geparafeerd, zoals in de eerste drie artikelen van dit hoofdstuk bepaald is betreffende het van valsheid betichte stuk, en onder dezelfde straffen.
Art. 453. Les pièces qui seront fournies pour servir de comparaison seront signées et paraphées, comme il est dit aux trois premiers articles du présent chapitre pour la pièce arguée de faux, et sous les mêmes peines.
Art. 454. Alle openbare bewaarders kunnen worden genoodzaakt (...) de stukken van vergelijking die zij in hun bezit hebben, over te brengen; het bevelschrift en de akte van neerlegging strekken hun tot ontlasting jegens hen die bij die stukken belang mochten hebben. <W 10-07-1967, art. 1, 173°>
Art. 454. Tous dépositaires publics pourront être contraints [...] à fournir les pièces de comparaison qui seront en leur possession : l'ordonnance par écrit et l'acte de dépôt leur serviront de décharge envers ceux qui pourraient avoir intérêt à ces pièces. <L 10-07-1967, art. 1, 173°>
Art. 455. (Indien het nodig is dat een openbaar bewaarder een authentiek stuk uit handen geeft, wordt het vooraf gefotografeerd en een fotocopie wordt na verificatie door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement, die daarvan proces-verbaal opmaakt, door de bewaarder bij zijn minuten gelegd om in de plaats te treden van het stuk totdat het wordt teruggezonden, en hij mag grossen of uitgiften daarvan afgeven met vermelding van het proces-verbaal dat is opgemaakt.) <KB 246 22-02-1936, art. 4>
  [1 Wanneer het over te leggen stuk de minuut van een authentieke akte van een notaris betreft, is het eerste lid niet van toepassing en geschiedt de overlegging overeenkomstig artikel 22 van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt.]1
  Indien het stuk evenwel deel uitmaakt van een register zodat het daarvan niet voor een tijd kan worden afgescheiden, kan de rechtbank de overbrenging van het register bevelen en van de bij dit artikel vastgestelde formaliteit vrijstellen.
  
Art. 455. [S'il est nécessaire de dessaisir un dépositaire public d'une pièce authentique, la pièce sera préalablement photographiée et une copie photographique, après vérification par le président du tribunal de première instance de son arrondissement, qui en dressera procès-verbal, sera mise par le dépositaire au rang de ses minutes, pour en tenir lieu jusqu'au renvoi des pièces, et il pourra en délivrer grosse ou expédition, en faisant mention du procès-verbal qui aura été dressé.] <AR 246 22-02-1936, art. 4>
  [1 Lorsque la pièce à produire est la minute d'un acte authentique d'un notaire, l'alinéa 1er ne s'applique pas et la production a lieu conformément à l'article 22 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat.]1
  Néanmoins, si la pièce se trouve faire partie d'un registre de manière à ne pouvoir en être momentanément distraite, le tribunal pourra, en ordonnant l'apport du registre, dispenser de la formalité établie par le présent article.
  
Art. 456. Onderhandse geschriften kunnen eveneens als stukken van vergelijking overgelegd en als zodanig aangenomen worden, indien de belanghebbende partijen ze erkennen.
  Evenwel kunnen bijzondere personen die zodanige geschriften, zelfs volgens eigen bekentenis, in hun bezit hebben, niet onmiddellijk worden genoodzaakt die af te geven; doch indien zij voor de rechtbank die met de kennisneming van de zaak is belast, gedagvaard worden om die afgifte te doen of om de redenen van hun weigering voor te dragen, en zij in het ongelijk worden gesteld, kan het arrest of het vonnis bevelen dat zij daartoe (...) zullen worden genoodzaakt. <W 10-07-1967, art. 1, 174°>
Art. 456. Les écritures privées peuvent aussi être produites pour pièces de comparaison, et être admises à ce titre, si les parties intéressées les reconnaissent.
  Néanmoins, les particuliers qui, même de leur aveu, en sont possesseurs, ne peuvent être immédiatement contraints à les remettre; mais si, après avoir été cités devant le tribunal saisi pour faire cette remise ou déduire les motifs de leur refus, ils succombent, l'arrêt ou le jugement pourra ordonner qu'ils y seront contraints [...]. <L 10-07-1967, art. 1, 174°>
Art. 457. Wanneer de getuigen zich verklaren omtrent een stuk van het geding, paraferen en tekenen zij het; kunnen zij niet tekenen, dan maakt het proces-verbaal daarvan melding.
Art. 457. Lorsque les témoins s'expliqueront sur une pièce du procès, ils la parapheront et la signeront; et s'ils ne peuvent signer, le procès-verbal en fera mention.
Art. 458. Indien een van de partijen in de loop van een onderzoek of van een rechtspleging een overgelegd stuk van valsheid beticht, maant zij de andere partij aan te verklaren of zij zich van het stuk wil bedienen.
Art. 458. Si, dans le cours d'une instruction ou d'une procédure, une pièce produite est arguée de faux par l'une des parties, elle sommera l'autre de déclarer si elle entend se servir de la pièce.
Art. 459. Indien de partij verklaart zich van het stuk niet te willen bedienen of indien zij binnen acht dagen geen verklaring doet, wordt het stuk buiten het geding gehouden en wordt overgegaan tot het onderzoek en de uitspraak.
  Indien de partij verklaart dat hij zich van het stuk wil bedienen, wordt de valsheid als tussengeschil behandeld voor het hof of de rechtbank waarvoor de hoofdzaak aanhangig is.
Art. 459. La pièce sera rejetée du procès, si la partie déclare qu'elle ne veut pas s'en servir, ou si, dans le délai de huit jours, elle ne fait aucune déclaration; et il sera passé outre à l'instruction et au jugement.
  Si la partie déclare qu'elle entend se servir de la pièce, l'instruction sur le faux sera suivie incidemment devant la cour ou le tribunal saisi de l'affaire principale.
Art. 460. Indien de partij die het stuk van valsheid beticht heeft, staande houdt dat hij die het overgelegd heeft, dader van of medeplichtige aan de valsheid is, of indien uit de rechtspleging blijkt dat de dader of de medeplichtige nog in leven is en de vervolging van de misdaad nog niet vervallen is door verjaring, zal de strafvervolging plaatshebben in de hierboven voorgeschreven vorm.
  Indien het geding ingesteld is voor de burgerlijke rechter, wordt de berechting geschorst totdat over de valsheid is beslist.
  Indien het een misdaad, een wanbedrijf of een overtreding betreft, moet het hof of de rechtbank waarvoor de zaak aanhangig is, vooraf beslissen, na de ambtenaar belast met het openbaar ministerie te hebben gehoord, of er al dan niet reden is tot schorsing.
Art. 460. Si la partie qui a argué de faux la pièce soutient que celui qui l'a produite est l'auteur ou le complice du faux, ou s'il résulte de la procédure que l'auteur ou le complice du faux soit vivant, et la poursuite du crime non éteinte par la prescription, l'accusation sera suivie criminellement dans les formes ci-dessus prescrites.
  Si le procès est engagé au civil, il sera sursis au jugement jusqu'à ce qu'il ait été prononcé sur le faux.
  S'il s'agit de crimes, délits ou contraventions, la cour ou le tribunal saisi est tenu de décider préalablement, et après avoir entendu l'officier chargé du ministère public, s'il y a lieu ou non à surseoir.
Art. 461. Van de beklaagde of de beschuldigde kan worden gevorderd dat hij een geschreven stuk overlegt of een schrijfproef aflegt; bij weigering of stilzwijgen maakt het proces-verbaal daarvan melding.
Art. 461. Le prévenu ou l'accusé pourra être requis de produire et de former un corps d'écriture; en cas de refus ou de silence, le procès-verbal en fera mention.
Art. 462. Indien het hof of een rechtbank, bij het onderzoek van een geding, zelfs van een burgerlijk geding, aanwijzingen vindt omtrent een valsheid en omtrent de persoon die ze gepleegd heeft, doet de ambtenaar belast met het openbaar ministerie of de voorzitter de stukken toekomen aan (de procureur des Konings) bij de onderzoeksrechter, hetzij van de plaats waar het misdrijf schijnt gepleegd te zijn, hetzij van de plaats waar de verdachte mocht worden gevat, en hij kan zelfs een bevel tot medebrenging verlenen. <W 10-10-1967, art. 156>
Art. 462. Si une cour ou un tribunal trouve dans la visite d'un procès, même civil, des indices sur un faux et sur la personne qui l'a commis, l'officier chargé du ministère public ou le président transmettra les pièces [au procureur du Roi] près le juge d'instruction, soit du lieu où le délit paraîtra avoir été commis, soit du lieu où [l'inculpé] pourra être saisi, et il pourra même délivrer le mandat d'amener. <L 10-10-1967, art. 156> <L 10-07-1967, art. 1, 175°>
Art. 463. Wanneer authentieke akten geheel of ten dele vals verklaard zijn, beveelt het hof of de rechtbank die van de valsheid heeft kennis genomen, dat zij zullen worden hersteld, doorgehaald of verbeterd; van alles wordt proces-verbaal opgemaakt.
  De stukken van vergelijking worden teruggezonden naar de bewaarplaatsen waaruit zij zijn genomen, of terugbezorgd aan de personen die ze hebben meegedeeld, een en ander binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de dag van het arrest of het vonnis, op straffe van geldboete van vijftig frank tegen de griffier.
Art. 463. Lorsque des actes authentiques auront été déclarés faux en tout ou en partie, la cour ou le tribunal qui aura connu du faux ordonnera qu'ils soient rétablis, rayés ou déformés, et du tout il sera dressé procès-verbal.
  Les pièces de comparaison seront renvoyées dans les dépôts d'où elles auront été tirées, ou seront remises aux personnes qui les auront communiquées; le tout dans le délai de quinzaine à compter du jour de l'arrêt ou jugement, à peine d'une amende de cinquante francs contre le greffier.
Art. 464. Voor het overige geschiedt het onderzoek omtrent de valsheid zoals voor de andere misdrijven, behoudens de volgende uitzondering.
  De voorzitters van de hoven van assisen (...), de procureurs-generaal of de procureur des Konings), de onderzoeksrechters en de (rechters in de politierechtbank) kunnen de nodige opsporingen buiten hun rechtsgebied voortzetten bij personen die verdacht worden (valse biljetten aan toonder door de Staatskas uitgegeven of valse bankbiljetten aan toonder waarvan de uitgifte door of krachtens een wet is toegelaten), te hebben vervaardigd, ingevoerd of verspreid. <W 10-07-1967, art. 1, 176°> <W 10-10-1967, art. 91, § 3 en 156, § 2>
  Deze bepaling geldt ook voor de misdaad van valsmunterij of van namaking van 's Lands zegel.
Art. 464. Le surplus de l'instruction sur le faux se fera comme sur les autres délits, sauf l'exception suivante :
  Les présidents des cours d'assises, [les procureurs généraux ou les procureurs du Roi], les juges d'instruction et les [juges au tribunal de police] pourront continuer, hors de leur ressort, les visites nécessaires chez les personnes soupçonnées d'avoir fabriqué, introduit, distribué de faux papiers nationaux, [de faux billets au porteur émis par le Trésor public ou de faux billets de banque au porteur dont l'émission est autorisée par une loi ou en vertu d'une loi]. <L 10-07-1967, art. 1, 176°> <L 10-10-1967, art. 91, § 3 et 156, § 2>
  La présente disposition a lieu également pour le crime de fausse monnaie, ou de contrefaçon du sceau de l'Etat.
HOOFDSTUK Ibis. -[1 Strafrechtelijk uitvoerings-onderzoek]1
CHAPITRE Ierbis. - [1 De l'enquête pénale d'exécution]1
Afdeling 1. - [1 Begrip en algemene beginselen]1
Section 1re. - [1 Notion et principes généraux]1
Art. 464/1. [1 § 1. Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, hierna het "SUO" genoemd, is het geheel van handelingen dat strekt tot de opsporing, de identificatie en de inbeslagneming van het vermogen waarop de veroordeling tot betaling van een geldboete, een bijzondere verbeurdverklaring of de gerechtskosten kan worden uitgevoerd.
   § 2. Het SUO wordt gevoerd door en onder het gezag en de leiding van het openbaar ministerie.
   De magistraat van het openbaar ministerie die het SUO voert, hierna "de SUO-magistraat" genoemd, waakt over de wettigheid van de uitvoeringshandelingen.
   § 3. Het SUO wordt gevoerd ten aanzien van de veroordeelde dader, hierna "de veroordeelde" genoemd, en de derden die wetens en willens met de veroordeelde samenspannen om zijn vermogen te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de uitvoerbare veroordelingen [6 , hierna "de malafide derde" genoemd]6.
   § 4. Behoudens wettelijke uitzonderingen mogen de uitvoeringshandelingen geen enkele dwangmaatregel noch schending inhouden van individuele rechten en vrijheden. De bij wet toegelaten inbreuken op de fundamentele rechten en vrijheden mogen niet verder gaan dan hetgeen nodig is voor het bereiken van het in § 1 omschreven doel van het SUO.
   § 5. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het SUO geheim.
   Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het SUO is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de in artikel 458 van het Strafwetboek bepaalde straffen.
   Onverminderd de uitoefening van het recht van verdediging in andere strafprocedures door de veroordeelde of derden, beslist de SUO-magistraat over het verlenen van inzage van het dossier of het verkrijgen van een afschrift ervan, als de veroordeelde of een belanghebbende derde hierom verzoekt. Deze beslissing is niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.
  [2 Het verzoek tot het verlenen van inzage van het dossier of het verkrijgen van een afschrift ervan door de veroordeelde of een belanghebbende derde, wordt op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats of zijn zetel niet heeft.
   Het verzoekschrift wordt toegezonden aan of neergelegd op het secretariaat van het bevoegde parket of arbeidsauditoraat, dat het opneemt in een daartoe bestemd register.
   De SUO-magistraat neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van vier maanden na de opname van het verzoekschrift in het register.
   De SUO-magistraat kan de inzage beperken tot het deel van het dossier waarvoor de verzoeker een belang kan doen gelden. De SUO-magistraat kan de inzage of het verkrijgen van een afschrift ervan weigeren omdat het SUO-onderzoek nog niet heeft geleid tot een inbeslagneming of tot de ontdekking van nieuwe strafbare feiten, omdat de noodwendigheden van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek dit vereisen of omdat de verzoeker geen rechtmatige beweegredenen kan aanvoeren voor de inzage van het dossier.
   Ingeval het verzoek om inzage te verlenen van het dossier of er een afschrift van te verkrijgen wordt ingewilligd, wordt, het dossier binnen twintig dagen na de beslissing van de SUO-magistraat, in origineel of in afschrift, gedurende ten minste achtenveertig uur, voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en diens advocaat. Het secretariaat van het bevoegde parket of arbeidsauditoraat brengt de verzoeker en diens advocaat per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg op de hoogte van het tijdstip waarop het dossier kan worden ingezien. [4 Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.]4 De verzoeker kan de door de inzage of het nemen van een afschrift verkregen inlichtingen alleen gebruiken in het belang van zijn verdediging, op voorwaarde dat hij het vermoeden van onschuld in acht neemt, alsook de rechten van verdediging van derden, het privéleven en de waardigheid van de persoon. Elk misbruik wordt gestraft overeenkomstig artikel 460ter van het Strafwetboek.
   De met redenen omklede beslissing van de SUO-magistraat wordt per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg meegedeeld aan de verzoeker, en, in voorkomend geval, aan zijn advocaat, binnen een termijn van acht dagen na de beslissing. De verzoeker mag op straffe van niet-ontvankelijkheid geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.
   De verzoeker kan hoger beroep instellen tegen de beslissing voor de strafuitvoeringsrechter binnen vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing, door een verklaring gedaan op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en opgenomen in een daartoe bestemd register. Indien de SUO-magistraat geen beslissing heeft genomen binnen de in het zesde lid vermelde termijn, vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich wenden tot de strafuitvoeringsrechter. Dit recht vervalt indien het met redenen omklede verzoekschrift niet binnen acht dagen na het verstrijken van die termijn is neergelegd op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Het verzoekschrift wordt opgenomen in een daartoe bestemd register. De griffier geeft onverwijld kennis van de verklaring aan de SUO-magistraat die het onderzoek voert. De SUO-magistraat zendt de stukken van het dossier toe aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank, die ze ter griffie neerlegt. De griffier stelt de verzoeker of zijn advocaat per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg, uiterlijk zeven dagen vooraf, in kennis van de plaats, de dag en het uur van de zitting. De griffier geeft onverwijld kennis van de zitting aan de SUO-magistraat. De verzoeker, zijn advocaat en het openbaar ministerie kunnen worden gehoord. De strafuitvoeringsrechter kan afzonderlijk de SUO-magistraat horen.
   De strafuitvoeringsrechter doet binnen een termijn van dertig dagen na de neerlegging van de verklaring uitspraak. De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld, kan veroordeeld worden in de kosten. De griffier geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg kennis van het vonnis van de strafuitvoeringsrechter aan de verzoeker of zijn advocaat alsook aan de SUO-magistraat.
   Het vonnis van de strafuitvoeringsrechter is niet vatbaar voor verzet of cassatieberoep.]2

   Onverminderd de toepassing van [3 artikel 32 van de wet van 4 februari 2018 houdende de opdrachten en de samenstelling van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]3, kan de SUO-magistraat tijdens het SUO aan een burgerlijke partij inzage van het dossier verlenen om haar te informeren over de vermogensbestanddelen waarop de uitvoerbare veroordeling tot betaling van een schadevergoeding kan worden uitgevoerd. De SUO-magistraat kan de inzage van het dossier of het nemen van een afschrift ervan beperken tot het deel van het dossier waarvoor de burgerlijke partij een belang kan doen gelden.
   § 6. De SUO-magistraat deelt, indien nodig, alle in het raam van het SUO verzamelde relevante inlichtingen over het vermogen van de veroordeelde mee aan de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën of deelt aan die ambtenaar mee dat deze inlichtingen ter beschikking zijn voor inzage en het nemen van een afschrift, met als doel het vergemakkelijken van de invordering van de door de veroordeelde verschuldigde verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten.
   De politieambtenaren die niet zijn gevorderd door de SUO-magistraat delen onmiddellijk en op eigen initiatief aan deze magistraat de voor het SUO nuttige inlichtingen mee die ze hebben verzameld in het raam van een opsporingsonderzoek, gerechtelijk onderzoek of een ander SUO.
   De politieambtenaren die in het raam van het SUO inlichtingen hebben verzameld die van belang kunnen zijn voor een lopend opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek of een ander SUO, brengen deze inlichtingen onmiddellijk ter kennis van het bevoegde openbaar ministerie of de bevoegde onderzoeksrechter. Wanneer zij in de loop van het SUO feiten ontdekken die een wanbedrijf of misdaad kunnen uitmaken, stellen zij het bevoegde openbaar ministerie hiervan onmiddellijk in kennis.
   De leden van het openbaar ministerie kunnen de inlichtingen die op regelmatige wijze zijn verzameld in het raam van het SUO aanwenden wanneer zij hun ambt uitoefenen in andere strafrechtelijke en burgerrechtelijke procedures.
   § 7. De geldsommen die de SUO-magistraat en het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring, hierna het "COIV" genoemd, ontvangen of beheren in het raam van het SUO worden zodra mogelijk gestort naar de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, de geldboete en de gerechtskosten.
   § 8. Onverminderd de toepassing van [3 artikel 32 van de wet van 4 februari 2018 houdende de opdrachten en de samenstelling van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]3, doet het SUO geen afbreuk aan de uitoefening van het recht van de burgerlijke partij of derden te goeder trouw om overeenkomstig [5 artikel 3.36]5 van het Burgerlijk Wetboek hun schuldvorderingen ten uitvoer te leggen op het vermogen van de veroordeelde.
   Bij samenloop van een burgerlijk uitvoerend beslag en een beslag gelegd in het raam van het SUO met betrekking tot dezelfde vermogensbestanddelen worden de in § 1 bedoelde veroordelingen verder ten uitvoer gelegd door de federale overheidsdienst Financiën via de uitoefening van de rechten die de wet toekent aan de schuldeisers in het raam van de evenredige verdeling of rangregeling.
   Indien de veroordeelde of de [6 malafide derde]6 het voorwerp is van een collectieve insolventieprocedure, worden de in § 1 bedoelde veroordelingen verder ten uitvoer gelegd door de federale overheidsdienst Financiën via de uitoefening van de rechten die de wet toekent aan de schuldeisers in het raam van de collectieve insolventieprocedure.
   Een collectieve insolventieprocedure in de zin van deze paragraaf is het faillissement, de gerechtelijke reorganisatie, de collectieve schuldenregeling of elke andere Belgische of buitenlandse rechterlijke, administratieve of vrijwillige collectieve procedure die de realisatie van de activa en de verdeling van de opbrengst van die realisatie onder, naar gelang van het geval, de schuldeisers, de aandeelhouders, de vennoten of de leden inhoudt.
   De kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure kan enkel worden toegestaan met toepassing van de artikelen 110 en 111 van de Grondwet.
   De samenloop met een burgerlijk uitvoerend beslag of een lopende collectieve insolventieprocedure vormt geen beletsel voor het verzamelen van inlichtingen over het vermogen van de veroordeelde door het openbaar ministerie in het raam van het SUO en de mededeling ervan aan de federale overheidsdienst Financiën.]1
Art. 464/1. [1 § 1er. L'enquête pénale d'exécution, dénommée ci-après "EPE", est l'ensemble des actes qui tendent à la recherche, l'identification et la saisie du patrimoine sur lequel la condamnation au paiement d'une amende, d'une confiscation spéciale ou des frais de justice peut être exécutée.
   § 2. L'EPE est menée par et sous l'autorité et la direction du ministère public.
   Le magistrat du ministère public qui mène l'EPE, dénommé ci-après "le magistrat EPE", veille à la légalité des actes d'exécution.
   § 3. L'EPE est menée à l'égard de l'auteur condamné, dénommé ci-après "le condamné", et à l'égard de tiers qui conspirent sciemment et volontairement avec le condamné afin de soustraire son patrimoine à l'exécution des condamnations exécutoires [6 dénommés ci-après "le tiers de mauvaise foi"]6.
   § 4. Sauf les exceptions prévues par la loi, les actes d'exécution ne peuvent comprendre aucun acte de contrainte ni porter atteinte aux libertés et aux droits individuels. Les atteintes aux libertés et droits fondamentaux tolérées par la loi ne peuvent excéder ce qui est nécessaire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini au § 1er.
   § 5. Sauf les exceptions prévues par la loi, l'EPE est secrète.
   Toute personne appelée à prêter son concours professionnel à l'EPE est tenue au secret. Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.
   Sans préjudice de l'exercice du droit de défense dans d'autres procédures pénales par le condamné ou des tiers, le magistrat EPE décide sur l'autorisation de consulter le dossier ou d'en obtenir une copie, si le condamné ou un tiers ayant un intérêt en fait la demande. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
  [2 La demande d'autorisation de consulter le dossier ou d'en obtenir copie par le condamné ou un tiers ayant un intérêt est, à peine d'irrecevabilité, motivée et contient l'élection de domicile en Belgique si le requérant n'y a pas son domicile ou son siège.
   La requête est adressée ou déposée au secrétariat du parquet ou de l'auditorat du travail compétent, qui l'insère dans un registre ouvert à ce sujet.
   Le magistrat EPE statue au plus tard dans un délai de quatre mois après l'insertion de la requête dans le registre.
   Le magistrat EPE peut limiter la consultation à la partie du dossier pour laquelle le requérant peut justifier d'un intérêt. Le magistrat EPE peut refuser la consultation du dossier ou l'obtention d'une copie de celui-ci parce que l'enquête pénale d'exécution n'a pas encore mené à une saisie ou à la découverte de nouvelles infractions, parce que les nécessités de l'enquête pénale d'exécution le requièrent ou parce que le requérant ne peut justifier par un motif légitime la consultation du dossier.
   Si la demande de consultation du dossier ou d'obtention d'une copie de ce dernier est acceptée, le dossier est, dans les vingt jours qui suivent la décision du magistrat EPE, mis à la disposition du requérant et de son avocat, en original ou en copie, pour consultation durant une période minimale de quarante-huit heures. Le secrétariat du parquet ou de l'auditorat compétent informe le requérant et son avocat par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique du moment où le dossier peut être consulté. [4 Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.]4 Le requérant ne peut faire usage des renseignements obtenus par la consultation ou par la prise d'une copie du dossier que dans l'intérêt de sa défense, à condition de respecter la présomption d'innocence et les droits de la défense de tiers, la vie privée et la dignité de la personne. Tout abus est puni conformément l'article 460ter du Code pénal.
   La décision motivée du magistrat EPE est communiquée au requérant et, le cas échéant, à son avocat, par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, dans un délai de huit jours à compter de la décision. Le requérant ne peut, à peine d'irrecevabilité, envoyer ni déposer de requête ayant le même objet avant l'expiration d'un délai de trois mois à compter de la dernière décision portant sur le même objet.
   Le requérant peut interjeter appel de la décision devant le juge de l'application des peines dans les quinze jours à compter de la notification de la décision, par une déclaration faite au greffe de la prison ou au greffe du tribunal de l'application des peines et insérée dans un registre prévu à cet effet. Si le magistrat EPE n'a pas pris de décision dans le délai prévu à l'alinéa 6, augmenté de quinze jours, le requérant peut s'adresser au juge de l'application des peines. Ce droit prend fin si la requête motivée n'est pas déposée dans les huit jours suivant l'expiration du délai, au greffe du tribunal de l'application des peines. La requête est insérée dans un registre prévu à cet effet. Le greffier informe immédiatement le magistrat EPE qui mène l'enquête de la déclaration. Le magistrat EPE envoie les pièces du dossier au greffier du tribunal de l'application des peines qui les dépose au greffe. Le greffier communique, par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, les lieu, jour et heure de l'audience au requérant ou à son avocat, au plus tard sept jours au préalable. Le greffier informe immédiatement le magistrat EPE de l'audience. Le requérant, son avocat et le ministère public peuvent être entendus. Le juge de l'application des peines peut entendre le magistrat EPE séparément.
   Le juge de l'application des peines statue dans un délai de trente jours à compter du dépôt de la déclaration. Le requérant qui succombe peut être condamné aux dépens. Le greffier communique, dans les vingt-quatre heures du prononcé, par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, le jugement du juge de l'application des peines au requérant ou à son avocat ainsi qu'au magistrat EPE.
   Le jugement du juge de l'application des peines n'est pas susceptible d'opposition ou de pourvoi en cassation.]2

   Sans préjudice de l'application de [3 l'article 32 de la loi du 4 février 2018 contenant les missions et la composition de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]3, le magistrat EPE peut, au cours de l'EPE, autoriser une partie civile à consulter le dossier afin de l'informer des avoirs patrimoniaux sur lesquels la condamnation exécutoire au paiement de dommages-intérêts peut être exécutée. Le magistrat EPE peut limiter la consultation du dossier ou la prise d'une copie de celui-ci à la partie du dossier à l'égard de laquelle la partie civile peut justifier d'un intérêt.
   § 6. Le magistrat EPE communique, au besoin, tous les renseignements pertinents collectés dans le cadre de l'EPE et ayant trait au patrimoine du condamné au fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances, ou informe ce fonctionnaire que ces renseignements sont à disposition pour être consultés et prise d'une copie, en vue de faciliter le recouvrement des confiscations, amendes et frais de justice dus par le condamné.
   Les fonctionnaires de police qui ne sont pas requis par le magistrat EPE communiquent immédiatement et d'initiative à ce magistrat les renseignements utiles pour l'EPE qu'ils ont collectés dans le cadre d'une information, d'une instruction ou d'une autre EPE.
   Les fonctionnaires de police qui, dans le cadre de l'EPE, ont collecté des renseignements qui peuvent être importants pour une information ou une instruction en cours ou une autre EPE, les portent immédiatement à la connaissance du ministère public compétent ou du juge d'instruction compétent. Lorsqu'ils découvrent au cours de l'EPE des faits qui peuvent former un délit ou un crime, ils en informent immédiatement le ministère public compétent.
   Les membres du ministère public peuvent utiliser les renseignements qui ont été collectés régulièrement dans le cadre de l'EPE lorsqu'ils exercent leur fonction dans d'autres procédures pénales et civiles.
   § 7. Les sommes d'argent que le magistrat EPE et l'Organe central pour la saisie et la confiscation, dénommé ci-après l'"OCSC", reçoivent ou gèrent dans le cadre de l'EPE sont versées dès que possible au fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice.
   § 8. Sans préjudice de l'application de [3 l'article 32 de la loi du 4 février 2018 contenant les missions et la composition de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]3, l'EPE ne porte pas atteinte à l'exercice du droit de la partie civile ou de tiers de bonne foi d'exécuter leurs créances sur le patrimoine du condamné, conformément [5 à l'article 3.36]5 du Code civil.
   En cas de concours d'une saisie-exécution civile avec une saisie pratiquée dans le cadre de l'EPE portant sur les mêmes avoirs patrimoniaux, les condamnations visées au § 1er sont exécutées par le service public fédéral Finances par l'exercice des droits accordés par la loi aux créanciers dans le cadre de la distribution par contribution ou de l'ordre.
   Si le condamné ou [6 le tiers de mauvaise foi]6 fait l'objet d'une procédure collective d'insolvabilité, les condamnations visées au § 1er sont exécutées par le service public fédéral Finances par l'exercice des droits accordés par la loi aux créanciers dans le cadre de la procédure collective d'insolvabilité.
   Au sens du présent paragraphe, une procédure collective d'insolvabilité est la faillite, la réorganisation judiciaire, le règlement collectif de dettes ou toute autre procédure collective judiciaire, administrative ou volontaire, belge ou étrangère, qui implique la réalisation des actifs et la distribution du produit de cette réalisation entre, selon le cas, les créanciers, les actionnaires, les associés ou les membres.
   La remise ou réduction des peines dans le cadre d'une procédure collective d'insolvabilité ou d'une procédure de saisie civile ne peut être accordée qu'en application des articles 110 et 111 de la Constitution.
   Le concours avec une saisie-exécution civile ou une procédure collective d'insolvabilité en cours ne constitue pas un obstacle à la collecte de renseignements sur le patrimoine du condamné par le ministère public dans le cadre de l'EPE et la communication de ceux-ci au service public fédéral Finances.]1
Afdeling 2. - [1 Organen van het onderzoek]1
Section 2. - [1 Des organes de l'enquête]1
Art. 464/2. [1 § 1. Het SUO wordt gevoerd door en onder het gezag en de leiding van de SUO-magistraat die bevoegd is voor de uitvoering van de in kracht van gewijsde gegane veroordeling. Deze magistraat draagt hiervoor de verantwoordelijkheid.
   § 2. De SUO-magistraat kan over het hele grondgebied van het Rijk alle uitvoeringshandelingen verrichten of laten verrichten die tot zijn bevoegdheid behoren.
   § 3. Het lid van het openbaar ministerie bij een hof van beroep dat het SUO voert, is bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. Hij oefent het ambt van officier van gerechtelijke politie uit onder het toezicht van de procureur-generaal.
   § 4. De SUO-magistraat kan de politiediensten bedoeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politie-ambt vorderen om, met uitzondering van de door de wet voorziene beperkingen, alle voor het SUO noodzakelijke uitvoeringshandelingen uit te voeren.
  [2 De in het eerste lid bedoelde politiediensten genieten de bescherming van hun identiteit onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 112quater en 112quinquies.]2
   De vorderingen worden gericht aan de bevoegde politieoverheid en uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 8 tot 8/3 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
   De gevorderde politiediensten bezorgen het verslag over de opdrachten die ze hebben uitgevoerd en de inlichtingen die ze naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de vorderende magistraat.]1

  
Art. 464/2. [1 § 1er. L'EPE est menée par et sous l'autorité et la direction du magistrat EPE compétent pour l'exécution de la condamnation coulée en force de chose jugée. Ce magistrat en porte la responsabilité.
   § 2. Le magistrat EPE peut accomplir ou faire accomplir, sur l'ensemble du territoire du Royaume, tous les actes d'exécution qui relèvent de sa compétence.
   § 3. Le membre du ministère public près une cour d'appel qui mène l'EPE est revêtu de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi. Il exerce cette fonction sous la surveillance du procureur général.
   § 4. Le magistrat EPE peut requérir les services de police visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, en vue de faire accomplir, à l'exception des limites prévues par la loi, tous les actes d'exécution nécessaires à l'EPE.
  [2 Les services de police visés à l'alinéa 1er bénéficient de la protection de leur identité dans les conditions fixées aux articles 112quater et 112quinquies.]2
   Les réquisitions sont adressées à l'autorité de police compétente et exécutées conformément aux articles 8 à 8/3 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
   Les services de police requis communiquent au magistrat requérant le rapport des missions qu'ils ont effectuées et les renseignements qu'ils ont collectés à cette occasion.]1

  
Art. 464/3. [1 § 1. De SUO-magistraat kan in de zaken die hij aanwijst, de directeur van het COIV belasten met het voeren van een SUO in zijn naam, dan wel hem verzoeken hem bijstand te verlenen tijdens het SUO dat hij zelf voert.
   [3 Een magistraat van het COIV]3 kan de SUO-magistraat ambtshalve voorstellen om het COIV een SUO te laten voeren. Hij kan deze magistraat ook ambtshalve voorstellen bijstand te verlenen bij het SUO dat hij voert.
   § 2. Het SUO waarmee het COIV wordt gelast kan enkel gevoerd worden door een magistraat van het COIV, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt.
   § 3. Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 464/2, § 1, berust de leiding van het SUO bij de magistraat van het COIV aan wie dit onderzoek is toevertrouwd. Hij voert zijn opdracht uit onder het gezag en de leiding van de directeur van het COIV.
   Indien het COIV bijstand verleent in het raam van het SUO gevoerd door de SUO-magistraat, doet hij dit in nauw overleg met deze magistraat.
   § 4. Bij de uitoefening van de in § 2 bedoelde opdracht beschikt de magistraat van het COIV die het SUO voert over dezelfde bevoegdheden als de SUO-magistraat.
   Hij kan over het hele grondgebied van het Rijk alle uitvoeringshandelingen verrichten die tot zijn bevoegdheid behoren.
   Hij is bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. In die hoedanigheid staat hij onder het toezicht van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel.
   Hij kan een in de [2 artikelen 21 en 22 van de wet van 4 februari 2018 houdende de opdrachten en de samenstelling van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]2 bedoeld solvabiliteitsonderzoek uitvoeren of laten uitvoeren. Dit solvabiliteitsonderzoek strekt zich ook uit tot de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een strafrechtelijke geldboete of de gerechtskosten.
   § 5. De magistraat van het COIV die het SUO voert mag zich laten bijstaan door het personeel van het COIV en door de in [2 artikel 36 van de wet van 4 februari 2018 houdende de opdrachten en de samenstelling van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]2 bedoelde ambtenaren die ter beschikking worden gesteld van het COIV.
   Hij kan overeenkomstig artikel 464/2, § 4, een politiedienst vorderen om uitvoeringshandelingen te laten uitvoeren.]1

  
Art. 464/3. [1 § 1er. Le magistrat EPE peut, dans les affaires qu'il détermine, charger le directeur de l'OSCSC, de mener une EPE en son nom ou lui demander de lui prêter assistance pendant l'EPE qu'il mène lui-même.
   [3 Un magistrat de l'OCSC]3 peut proposer d'office au magistrat EPE de faire mener une EPE par l'OCSC. Il peut également proposer d'office à ce magistrat de prêter assistance à l'EPE qu'il mène.
   § 2. L'EPE dont est chargé l'OCSC peut uniquement être menée par un magistrat de l'OCSC, qui en porte la responsabilité.
   § 3. Sans préjudice du prescrit de l'article 464/2, § 1er, la direction de l'EPE est entre les mains du magistrat de l'OCSC à qui cette enquête a été confiée. Il effectue sa mission sous l'autorité et la direction du directeur de l'OCSC.
   Si l'OCSC prête assistance dans le cadre de l'EPE menée par le magistrat EPE, il le fait en étroite concertation avec ce magistrat.
   § 4. Dans l'exercice de la mission visée au § 2, le magistrat de l'OCSC qui mène l'EPE dispose des mêmes compétences que le magistrat EPE.
   Il peut accomplir, sur l'ensemble du territoire du Royaume, tous les actes d'exécution qui relèvent de sa compétence.
   Il est revêtu de la qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi. En cette qualité, il est placé sous la surveillance du procureur général près la cour d'appel de Bruxelles.
   Il peut exécuter ou faire exécuter une enquête sur la solvabilité visée aux [2 articles 21 et 22 de la loi du 4 février 2018 contenant les missions et la composition de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]2. Cette enquête sur la solvabilité s'étend également à l'exécution de condamnations à une amende pénale ou aux frais de justice.
   § 5. Le magistrat de l'OCSC qui mène l'EPE peut se faire assister par le personnel de l'OCSC et par les fonctionnaires visés à [2 l'article 36 de la loi du 4 février 2018 contenant les missions et la composition de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]2, qui sont mis à la disposition de l'OCSC.
   Il peut requérir un service de police conformément à l'article 464/2, § 4, pour faire exécuter des actes d'exécution.]1

  
Afdeling 3. [1 Opening van het onderzoek]1
Section 3. - [1 De l'ouverture de l'enquête]1
Art. 464/4. [1 § 1. Het bevoegde openbaar ministerie kan een SUO instellen of het COIV hiermee gelasten bij gebrek aan volledige betaling van de opgelegde bijzondere verbeurdverklaring, de geldboetes of de gerechtskosten binnen de door het openbaar ministerie of de federale overheidsdienst Financiën bepaalde termijn en mits het bedrag van de betalingsverplichting belangrijk is. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister bevoegd voor Justitie en bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in functie van de hoogte van het in te vorderen bedrag van de veroordeling of de ernst van het strafbaar feit dat ten grondslag ligt aan de veroordeling, wat onder een belangrijk bedrag van de betalingsverplichting wordt verstaan.
   Tegen de beslissing van het bevoegde openbaar ministerie om een SUO te openen of op te dragen aan het COIV kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
   § 2. Indien uit de inlichtingen waarover het openbaar ministerie of de federale overheidsdienst Financiën beschikt blijkt dat de veroordeelde zijn betalingsverplichting heeft verzuimd of, zoals blijkt uit ernstige en concrete elementen, zal verzuimen moet hij niet meer vooraf worden uitgenodigd om de bijzondere verbeurdverklaringen, de geldboetes of de gerechtskosten te voldoen.]1

  
Art. 464/4. [1 § 1er. Le ministère public peut ouvrir une EPE ou en charger l'OCSC à défaut de paiement complet de la confiscation spéciale, des amendes ou des frais de justice imposés, dans le délai fixé par le ministère public ou le service public fédéral Finances et pour autant que le montant de l'obligation de paiement soit important. Le Roi détermine, sur la proposition du ministre qui a la Justice dans ses attributions et par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, en fonction du montant à recouvrer de la condamnation ou de la gravité de l'infraction qui a motivé la condamnation, ce qu'il faut entendre par un montant important de l'obligation de paiement.
   La décision du ministère public compétent d'ouvrir une EPE ou d'en charger l'OCSC n'est susceptible d'aucun recours.
   § 2. S'il ressort des renseignements dont dispose le ministère public ou le service public fédéral Finances que le condamné a omis ou, suivant des éléments sérieux et concrets, omettra de satisfaire à son obligation de paiement, il ne doit plus être invité au préalable à satisfaire aux confiscations spéciales, aux amendes ou aux frais de justice.]1

  
Afdeling 4. [1 Gewone uitvoeringshandelingen ]1
Section 4. - [1 Compétences des organes d'exécution]1
Onderafdeling 1. [1 Gewone uitvoeringshandelingen]1
Sous-section 1re. - [1 Des actes d'exécution ordinaire]1
Art. 464/5. [1 § 1. De SUO-magistraat kan als uitvoeringshandeling elke onderzoeksdaad, die toegelaten is in het raam van het in artikel 28bis bedoelde opsporingsonderzoek,verrichten of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, mits deze handeling kan bijdragen tot het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel.
   Bij de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid is het nemen van een vrijheidsberovende maatregel in de zin van de artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis verboden.
   § 2. De SUO-magistraat kan een in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt bedoelde politiedienst vorderen om een vermogensonderzoek uit te voeren.
   De gevorderde politiedienst verzamelt inlichtingen over de bezittingen en de inkomsten van de veroordeelde en de [2 malafide derde]2.
   Behoudens andersluidende beslissing van de SUO-magistraat kan de politiedienst die het vermogensonderzoek uitvoert noch de in de artikelen 464/7 en 464/12 tot 464/14 bedoelde gewone uitvoeringshandelingen noch de in onderafdeling 2 omschreven specifieke uitvoeringshandelingen, aanwenden.]1

  
Art. 464/5. [1 § 1er. Le magistrat EPE peut exécuter ou faire exécuter à titre d'acte d'exécution, par le service de police requis, tout acte d'enquête autorisé dans le cadre de l'information visée à l'article 28bis, pour autant que cet acte puisse contribuer à atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
   Dans l'exercice de la compétence visée à l'alinéa 1er, il est interdit de prendre une mesure privative de liberté au sens des articles 1er et 2 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
   § 2. Le magistrat EPE peut requérir un service de police visé à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police afin d'effectuer une enquête patrimoniale.
   Le service de police requis collecte des renseignements sur les possessions et les revenus du condamné et du [2 tiers de mauvaise foi]2.
   Sauf décision contraire du magistrat EPE, le service de police qui effectue l'enquête patrimoniale ne peut pas recourir aux actes d'exécution ordinaires visés aux articles 464/7, et 464/12 à 464/14, ni aux actes d'exécution spécifiques définis à la sous-section 2.]1

  
Art. 464/6. [1 § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, kan getuigen, zonder eedaflegging, de veroordeelde of de [2 malafide derde]2 verhoren over de vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en de derde, alsook over de samenstelling en de vindplaats van hun vermogen.
   Het verhoor begint met de mededeling dat de te verhoren persoon wordt ondervraagd in de hoedanigheid van veroordeelde, van derde in de zin van artikel 464/1, § 3, of als getuige.
   § 2. De getuige beantwoordt elke vraag, tenzij hij zich kan beroepen op een geheimhoudingsplicht die bij wet is ingesteld of hij zichzelf zou beschuldigen van een misdrijf.
   De veroordeelde of de derde kan ofwel een verklaring afleggen, ofwel antwoorden op de hem gestelde vragen, ofwel zwijgen.
   § 3. Indien de te verhoren persoon zich in een andere taal dan die van het onderzoek wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigd tolk, ofwel worden zijn verklaringen opgetekend in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring op te tekenen. Indien het verhoor met behulp van een tolk wordt afgenomen, worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld.
   § 4. Van het verhoor van de veroordeelde, de derde of de getuige wordt een proces-verbaal opgemaakt.
   De verhoorde kan op zijn vraag en kosteloos een afschrift van de tekst van zijn verhoor ontvangen.]1

  
Art. 464/6. [1 § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut entendre des témoins, sans prestation de serment, le condamné ou le [2 tiers de mauvaise foi]2, sur les transactions patrimoniales qui ont été effectuées par le condamné et le tiers, ainsi que sur la composition et la localisation de leur patrimoine.
   Au début de l'audition, il est indiqué que la personne à entendre est interrogée en qualité de condamné, de tiers au sens de l'article 464/1, § 3, ou de témoin.
   § 2. Le témoin répond à toute question, sauf s'il peut invoquer une obligation de secret prévue par la loi ou s'il s'accuserait lui-même d'une infraction.
   Le condamné ou le tiers peut soit faire une déclaration, soit répondre aux questions qui lui sont posées soit se taire.
   § 3. Si la personne à entendre souhaite s'exprimer dans une autre langue que celle de l'enquête, soit il est fait appel à un interprète assermenté, soit ses déclarations sont notées dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration. Si l'audition a lieu avec l'assistance d'un interprète, son identité et sa qualité sont mentionnées.
   § 4. Il est dressé procès-verbal de l'audition du condamné, du tiers ou du témoin.
   Si elle en fait la demande, la personne entendue peut recevoir gratuitement une copie du texte de son audition.]1

  
Art. 464/7. [1 De SUO-magistraat kan een technisch adviseur aanwijzen die, zonder eedaflegging, een advies geeft over de vermogenssituatie van de veroordeelde of de [2 malafide derde]2 of over welbepaalde vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en deze derde.]1
  
Art. 464/7. [1 Le magistrat EPE peut désigner un conseiller technique qui, sans prestation de serment, donne un avis sur la situation patrimoniale du condamné ou du [2 tiers de mauvaise foi]2, ou sur certaines transactions patrimoniales qui ont été effectuées par le condamné et le tiers.]1
  
Art. 464/8. [1 § 1. De SUO-magistraat, of de gevorderde politiedienst kan met de schriftelijke en voorafgaande toestemming van de persoon die het werkelijke genot ervan heeft, te allen tijde een niet voor het publiek toegankelijke plaats betreden om de in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.
   § 2. Onverminderd artikel 464/22 kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, na de voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechtmatige gebruiker, te allen tijde een zoeking uitvoeren in een privaat informaticasysteem dat zich bevindt op een niet voor het publiek toegankelijke plaats.
   Hij kan, behoudens verzet van de rechtmatige gebruiker, de zoeking uitbreiden tot een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking wordt uitgevoerd, als :
   1° deze uitbreiding noodzakelijk is om de in artikel 464/29, § 2, 2°, bedoelde inlichtingen te verzamelen, en
   2° andere maatregelen om deze inlichtingen te vergaren disproportioneel zouden zijn, of er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding deze inlichtingen verloren gaan.
   De uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informatica-systemen of de delen daarvan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.
   Als de door de uitbreiding van de zoeking overeenkomstig het tweede en derde lid in een informaticasysteem aangetroffen gegevens nuttig zijn voor het doel van het SUO, worden ze in beslag genomen.]1

  
Art. 464/8. [1 Le magistrat EPE ou le service de police requis peut, moyennant l'accord écrit préalable de la personne qui en a la jouissance effective, pénétrer à tout moment dans un lieu non accessible au public afin de rechercher et de saisir les biens et supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er.
   § 2. Sans préjudice de l'article 464/22, le magistrat EPE ou le service de police requis peut, moyennant l'accord préalable et écrit de l'utilisateur légitime, effectuer à tout moment une recherche dans un système informatique privé qui se trouve dans un lieu non accessible au public.
   Sauf opposition de l'utilisateur légitime, le magistrat EPE peut étendre la recherche à un système informatique ou une partie de celui-ci qui se trouve dans un autre lieu que celui où la recherche est effectuée si :
   1° cette extension est nécessaire pour collecter les renseignements visés à l'article 464/29, § 2, 2°, et
   2° d'autres mesures pour collecter ces renseignements seraient disproportionnées ou il existe un risque que, sans cette extension, ces renseignements soient perdus.
   L'extension de la recherche dans un système informatique ne peut pas excéder les systèmes informatiques ou les parties de tels systèmes auxquels les personnes autorisées à utiliser le système informatique qui fait l'objet de la mesure ont spécifiquement accès.
   Si les données recueillies par l'extension de la recherche dans un système informatique, conformément aux alinéas 2 et 3, sont utiles pour atteindre l'objectif de l'EPE, elles sont saisies.]1

  
Art. 464/9. [1 De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een voor het publiek toegankelijke plaats betreden, gedurende de tijd dat het voor het publiek is toegelaten, om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen]1
  
Art. 464/9. [1 Le magistrat EPE ou le service de police requis peut pénétrer dans un lieu accessible au public, pendant que le public y est également autorisé, afin de rechercher et de saisir les biens et supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er.]1
  
Art. 464/10. [1 De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een vaartuig, voertuig of enig ander vervoermiddel doorzoeken, zowel in het verkeer als geparkeerd op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen, indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat er in het vaartuig, voertuig of vervoermiddel in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers aanwezig zijn die vatbaar zijn voor inbeslagneming.]1
  
Art. 464/10. [1 Le magistrat EPE ou le service de police requis peut fouiller un bateau, un véhicule ou tout autre moyen de transport, tant dans la circulation que stationné sur la voie publique ou en des lieux accessibles au public, s'il existe des indices sérieux et concrets qu'il y a dans le bateau, le véhicule ou le moyen de transport des biens ou des supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er, susceptibles d'être saisis.]1
  
Art. 464/11. [1 De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, kan de veroordeelde of een [2 malafide derde]2, fouilleren door het betasten van hun lichaam en de kleding die ze dragen, evenals hun bagage controleren, indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat zij in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers bij zich dragen die vatbaar zijn voor inbeslagneming.]1
  
Art. 464/11. [1 Le magistrat EPE ou le service de police requis peut fouiller le condamné ou un [2 tiers de mauvaise foi]2, en palpant leur corps et les vêtements qu'ils portent, ainsi que contrôler leurs bagages, s'il existe des indices sérieux et concrets qu'ils portent sur eux des biens ou des supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er, susceptibles d'être saisis.]1
  
Art. 464/12. [1 § 1. Bij de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf, kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van de in [2 artikel 5, § 1, 1° tot en met 22°, 29° tot en met 32°, en § 3, eerste lid, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten]2 bedoelde ondernemingen en personen, de mededeling van de volgende inlichtingen vorderen :
   1° de lijst van bankrekeningen, bankkluizen of de in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten bedoelde financiële instrumenten waarvan de veroordeelde of de [3 malafide derde]3, titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijk gerechtigde is en, in voorkomend geval, alle nadere gegevens hieromtrent;
   2° de transacties die in een bepaalde periode zijn uitgevoerd op een of meer van deze bankrekeningen of financiële instrumenten, met inbegrip van de bijzonderheden betreffende de rekening van herkomst of bestemming;
   3° de gegevens met betrekking tot de titularissen of gevolmachtigden, die tijdens een bepaalde periode toegang hebben of hadden tot deze bankkluizen.
   De SUO-magistraat bepaalt in zijn beslissing de vorm waarin de in het eerste lid vermelde gegevens hem worden meegedeeld.
  [4 § 1/1. Bij de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf, kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst op specifiek en met redenen omkleed verzoek, overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, met betrekking tot de veroordeelde of de malafide derde alle beschikbare informatie opvragen bij het centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten bij de Nationale Bank van België.
   § 1/2. Bij de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf, kan de SUO-magistraat, of de gevorderde politiedienst, op specifiek en met redenen omkleed verzoek, met betrekking tot de veroordeelde of de malafide derde alle voor het SUO nuttige informatie over geleverde producten, verleende diensten of uitgevoerde verrichtingen betreffende virtuele valuta opvragen bij de personen en instellingen die op het Belgisch grondgebied diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden bewaard of uitgewisseld.]4

   § 2. Indien het noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling, kan de SUO-magistraat bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing bovendien vorderen dat :
   1° gedurende een vernieuwbare periode van maximum twee maanden de transacties met betrekking tot een of meer van deze bankrekeningen, [4 bankkluizen, financiële instrumenten of virtuele valuta]4 van de veroordeelde of de derde onder toezicht worden geplaatst;
   2° de aangezochte persoon of onderneming de tegoeden en verbintenissen die verbonden zijn aan deze bankrekeningen, [4 bankkluizen, financiële instrumenten of virtuele valuta]4, niet meer uit handen mag geven voor een termijn die hij bepaalt, maar die niet langer kan zijn dan de termijn die loopt van het ogenblik waarop hij of zij kennis neemt van zijn vordering, die per telefax of bij aangetekende zending is toegezonden tot vijf werkdagen na de kennisgeving van de bedoelde gegevens aan de SUO-magistraat.
   De maatregel neemt van rechtswege een einde bij het verstrijken van de door de SUO-magistraat vastgestelde termijn of in geval van volledige betaling van de verschuldigde verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten.
   § 3. De in § 1 bedoelde aangezochte persoon of onderneming verleent onverwijld zijn of haar medewerking aan de uitvoering van de in [4 bankkluizen, financiële instrumenten of virtuele valuta]4 bedoelde maatregelen.
   De persoon of onderneming die zijn medewerking weigert aan de in [4 bankkluizen, financiële instrumenten of virtuele valuta]4 bedoelde vorderingen van de SUO-magistraat wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met één van die straffen alleen.
   De persoon of onderneming of elke derde die goederen bewaart of beheert die het voorwerp uitmaken van een in § 2 bedoelde maatregel en deze met bedrieglijk opzet wegmaakt, wordt gestraft met de in artikel 507 van het Strafwetboek bepaalde straffen. De poging wordt gestraft met dezelfde straffen.
   § 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de in [4 bankkluizen, financiële instrumenten of virtuele valuta]4 bedoelde maatregelen of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
   Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.]1

  
Art. 464/12. [1 § 1er. Lors de l'exécution d'une condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou d'une peine plus lourde, le magistrat EPE ou le service de police requis peut, par décision écrite et motivée demander aux organismes et personnes visés à [2 l'article 5, § 1er, 1° à 22°, 29° à 32°, et § 3, alinéa 1er, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces]2, demander la communication des renseignements suivants :
   1° la liste des comptes bancaires, coffres bancaires ou instruments financiers visés à l'article 2, 1°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, dont le condamné ou le [3 tiers de mauvaise foi]3, est le titulaire, le mandataire ou le bénéficiaire final et, le cas échéant, toutes les précisions à ce sujet;
   2° les transactions qui ont été réalisées pendant une période déterminée sur un ou plusieurs de ces comptes bancaires ou instruments financiers, y compris les détails concernant le compte émetteur ou récepteur;
   3° les données concernant les titulaires ou mandataires qui, pendant une période déterminée, ont ou avaient accès à ces coffres bancaires.
   Le magistrat EPE définit dans sa décision la forme sous laquelle les données mentionnées à l'alinéa 1er lui sont communiquées.
  [4 § 1er/1. Lors de l'exécution d'une condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement principal d'un an ou d'une peine plus lourde, le magistrat EPE ou le service de police requis peut, par requête spécifique et motivée, conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt, demander toutes les informations disponibles concernant le condamné ou le tiers de mauvaise foi au point de contact central des comptes et contrats financiers tenus par la Banque nationale de Belgique.
   § 1er/2. Lors de l'exécution d'une condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement principal d'un an ou d'une peine plus lourde, le magistrat EPE ou le service de police requis peut, par requête spécifique et motivée, demander concernant le condamné ou le tiers de mauvaise foi toutes les informations utiles pour l'EPE sur des produits livrés, des services fournis ou des transactions effectuées en lien avec des valeurs virtuelles à des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant de conserver ou d'échanger des moyens de paiement réglementés en valeurs virtuelles.]4

   § 2. Si c'est nécessaire à l'exécution de la condamnation, le magistrat EPE peut en outre requérir, par décision écrite motivée, que :
   1° pendant une période renouvelable de maximum deux mois, les transactions réalisées sur un ou plusieurs de ces comptes bancaires, [4 coffres bancaires, instruments financiers ou valeurs virtuelles]4 du condamné ou du tiers, soient surveillées;
   2° la personne requise ou l'organisme requis ne puisse plus aliéner les créances et engagements liés à ces comptes bancaires, [4 coffres bancaires, instruments financiers ou valeurs virtuelles]4 pour une période qu'il détermine, mais qui ne peut excéder la période entre la prise de connaissance de ses réquisitions envoyées par téléfax ou envoi recommandé et cinq jours ouvrables après la notification des données visées au magistrat EPE.
   La mesure cesse automatiquement à l'expiration du délai fixé par le magistrat EPE ou en cas de paiement intégral de la confiscation, de l'amende et des frais de justice dus.
   § 3. La personne requise ou l'organisme requis visé au § 1er prête son concours sans délai à l'exécution des mesures visées aux [4 §§ 1er, 1er/1, 1er/2 et 2]4.
   La personne ou l'organisme qui refuse de prêter son concours aux réquisitions du magistrat EPE visées aux [4 §§ 1er, 1er/1, 1er/2 et 2]4 est puni d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros ou d'une de ces peines seulement.
   La personne ou l'organisme ou tout tiers qui conserve ou gère des biens qui font l'objet d'une mesure visée au § 2 et qui les fait disparaître dans une intention frauduleuse, est puni des peines prévues à l'article 507 du Code pénal. La tentative est punie des mêmes peines.
   § 4. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance des mesures visées aux [4 §§ 1er, 1er/1, 1er/2 et 2]4 ou y prête son concours, est tenue de garder le secret.
   Toute violation du secret sera punie conformément à l'article 458 du Code pénal.]1

  
Art. 464/13. [1 § 1. [2 De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, van de actoren bedoeld in het tweede lid de mededeling van de volgende inlichtingen vorderen:
   1° de identificatie van een abonnee of een gewoonlijke gebruiker van een dienst bedoeld in het tweede lid, tweede streepje, of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel;
   2° de identificatie van de diensten bedoeld in het tweede lid, tweede streepje, waarop een bepaalde persoon geabonneerd is of die door een bepaalde persoon gewoonlijk worden gebruikt.
   De volgende actoren zijn gehouden tot medewerking overeenkomstig het eerste lid:
   - de operator van een elektronisch communicatie-netwerk;
   - iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen.]2

   § 2.[2 De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, verstrekken alle beschikbare inlichtingen in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de beslissing, volgens de nadere regels die bepaald worden bij het ter uitvoering van artikel 46bis, § 2, eerste en tweede lid, genomen koninklijk besluit.
   Iedere persoon die de gegevens weigert mee te delen of deze niet meedeelt in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de beslissing, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro]2

   § 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
   Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.]1

  
Art. 464/13. [1 § 1er. [2 Le magistrat EPE ou le service de police requis peut, par décision écrite et motivée, requérir les acteurs visés à l'alinéa 2 de lui communiquer les renseignements suivants:
   1° l'identification d'un abonné ou d'un utilisateur habituel d'un service visé à l'alinéa 2, deuxième tiret, ou bien du moyen de communication électronique utilisé;
   2° l'identification des services visés à l'alinéa 2, deuxième tiret, auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée.
   Les acteurs suivants sont tenus de collaborer conformément à l'alinéa 1er:
   - l'opérateur d'un réseau de communications électroniques;
   - toute personne qui met à disposition ou offre, sur le territoire belge, d'une quelconque manière, un service qui consiste à transmettre des signaux via des réseaux de communications électroniques ou à autoriser des utilisateurs à obtenir, recevoir ou diffuser des informations via un réseau de communications électroniques. Est également compris le fournisseur d'un service de communications électroniques.]2

   § 2. [2 Les acteurs visés au § 1er, alinéa 2, fournissent tous les renseignements disponibles en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la décision, selon les modalités fixées par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 46bis, § 2, alinéas 1er et 2.
   Toute personne qui refuse de communiquer les données ou qui ne les communique pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition est punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros.]2

   § 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours est tenue de garder le secret.
   Toute violation du secret sera punie conformément à l'article 458 du Code pénal.]1

  
Art. 464/14. [1 § 1. De SUO-magistraat kan bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing een politiedienst machtigen om een observatie uit te voeren.
   § 2. Observatie is mogelijk als :
   1° de overige gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken, en
   2° de uitvoeringshandeling uitsluitend wordt aangewend ter tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf;
   § 3. De machtiging tot observatie is schriftelijk en bevat de volgende vermeldingen :
   1° de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waaruit blijkt dat de veroordeelde gehouden is tot betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat hij schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf;
   2° de redenen waarom de overige gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken;
   3° de naam of, indien die niet bekend is, een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de in § 1 geobserveerde persoon of personen, alsmede van de zaken, plaatsen of gebeurtenissen;
   4° de wijze waarop de observatie zal worden uitgevoerd;
   5° de periode tijdens welke de observatie kan worden uitgevoerd en die niet langer mag zijn dan drie maanden te rekenen van de datum van de machtiging.
   § 4. In spoedeisende gevallen kan de machtiging tot observatie mondeling worden verstrekt. De machtiging moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de in § 3 bepaalde vorm.
   § 5. De SUO-magistraat kan steeds op gemotiveerde wijze zijn machtiging tot observatie wijzigen, aanvullen of verlengen. Hij kan te allen tijde zijn machtiging intrekken. Hij gaat bij elke wijziging, aanvulling of verlenging van zijn machtiging na of de in § 2 bedoelde voorwaarden nog zijn vervuld en handelt daarbij overeenkomstig § 3, 1°, 2°, 3° en 5°.
   § 6. De politieambtenaar die de operationele leiding heeft over de uitvoering van de observatie brengt de SUO-magistraat volledig en waarheidsgetrouw schriftelijk verslag uit over de uitvoering van de observaties. Hij zendt die verslagen, die vertrouwelijk zijn, rechtstreeks aan deze magistraat.
   § 7. De in § 6 bedoelde politieambtenaar stelt proces-verbaal op van de uitvoering van de observatie, doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant en van de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het in § 6 bedoelde schriftelijk verslag.
   In een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie en worden de in § 3, 1°, 2°, 3° en 5° bedoelde vermeldingen, opgenomen. De magistraat bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot observatie.
   De opgestelde processen-verbaal en de in het tweede lid bedoelde beslissing worden uiterlijk bij het beëindigen van de observatie bij het dossier van het SUO gevoegd.
   § 8. De SUO-magistraat bewaart een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier dat de volgende stukken bevat :
   1° de machtiging tot observatie en de beslissingen tot wijziging, aanvulling of verlenging;
   2° de toelating tot het plegen van misdrijven overeenkomstig artikel 464/15;
   3° de vertrouwelijke verslagen die zijn opgesteld door de politieambtenaar die de operationele leiding heeft over de uitvoering van de observatie.
   De SUO-magistraat en het bevoegde openbaar ministerie hebben als enige toegang tot dit afzonderlijk en vertrouwelijk dossier, onverminderd het in artikel 464/18 bedoelde inzagerecht van de kamer van inbeschuldigingstelling. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.]1

  
Art. 464/14. [1 § 1er. Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, autoriser un service de police à procéder à une observation.
   § 2. L'observation est possible si :
   1° les autres actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er, et
   2° l'acte d'exécution est exclusivement appliqué aux fins d'exécution d'une condamnation coulée en force de chose jugée de paiement de confiscations, d'amendes et de frais de justice après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou d'une peine plus lourde.
   § 3. L'autorisation de procéder à l'observation est écrite et contient les mentions suivantes :
   1° les données de la décision judiciaire coulée en force de chose jugée qui font apparaître que le condamné est tenu au paiement de confiscations, d'amendes et de frais de justice après qu'il a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou d'une peine plus lourde;
   2° les raisons pour lesquelles les autres actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er;
   3° le nom ou, si celui-ci n'est pas connu, une description aussi précise que possible de la personne ou des personnes observées, ainsi que des choses, des lieux ou des événements visés au § 1er;
   4° la manière dont l'observation sera exécutée;
   5° la période au cours de laquelle l'observation peut être effectuée et qui ne peut pas excéder trois mois à compter de la date de l'autorisation.
   § 4. En cas d'urgence, l'autorisation d'observation peut être accordée verbalement. Cette autorisation doit être confirmée dans les plus brefs délais dans la forme prévue au § 3.
   § 5. Le magistrat EPE peut à tout instant, de manière motivée, modifier, étendre ou prolonger son autorisation d'observation. Il peut à tout moment retirer son autorisation. Chaque fois que son autorisation est modifiée, étendue ou prolongée, il vérifie si les conditions visées au § 2 sont toujours remplies et procède à cet égard conformément au § 3, 1°, 2°, 3° et 5°.
   § 6. Le fonctionnaire de police chargé de la direction opérationnelle de l'exécution de l'observation fait rapport par écrit, de manière complète et conforme à la vérité, au magistrat EPE sur l'exécution des observations. Il envoie directement ces rapports, qui sont confidentiels, à ce magistrat.
   § 7. Le fonctionnaire de police visé au § 6 dresse procès-verbal de l'exécution de l'observation, mais n'y mentionne aucun des éléments susceptibles de compromettre les techniques d'enquête policière utilisées ou la préservation de la sécurité et de l'anonymat de l'indicateur et des fonctionnaires de police chargés de l'exécution de l'observation. Ces éléments ne figurent que dans le rapport écrit visé au § 6.
   II est fait référence, dans un procès-verbal à l'autorisation d'observation et il y est fait mention des indications visées au § 3, 1°, 2°, 3° et 5°. Le magistrat confirme, par décision écrite, l'existence de l'autorisation d'observation qu'il a accordée.
   Les procès-verbaux rédigés et la décision visée à l'alinéa 2 sont joints au dossier de l'EPE au plus tard à la fin de l'observation.
   § 8. Le magistrat EPE conserve un dossier séparé et confidentiel qui contient les pièces suivantes :
   1° l'autorisation d'observation et les décisions de modification, d'extension ou de prolongation;
   2° l'autorisation de commettre des infractions conformément à l'article 464/15;
   3° les rapports confidentiels rédigés par le fonctionnaire de police chargé de la direction opérationnelle de l'exécution de l'observation.
   Le magistrat EPE et le ministère public compétent sont les seuls à avoir accès à ce dossier séparé et confidentiel, sans préjudice du droit de consultation de la chambre des mises en accusation visé à l'article 464/18. Le contenu de ce dossier est couvert par le secret professionnel.]1

  
Art. 464/15. [1 § 1. Onverminderd het in § 2 bepaalde is het de politieambtenaren, belast met de uitvoering van een observatie, verboden in het kader van hun opdracht strafbare feiten te plegen.
   § 2. Blijven vrij van straf de politieambtenaren die, in het kader van hun opdracht en met het oog op het welslagen ervan, strikt noodzakelijke misdrijven plegen, met het uitdrukkelijk akkoord van de SUO-magistraat.
   De magistraat die het akkoord verleent, met inachtneming van de bepalingen die betrekking hebben op het SUO, blijft vrij van straf.
   De politieambtenaren melden schriftelijk en vóór de uitvoering van de observatie aan de SUO-magistraat de in het eerste lid bedoelde misdrijven die zij voornemens zijn te plegen.
   Indien deze voorafgaande kennisgeving niet kon gebeuren, stellen de politieambtenaren de SUO-magistraat onverwijld in kennis van de misdrijven die zij hebben gepleegd en bevestigen dit nadien schriftelijk.]1

  
Art. 464/15. [1 § 1er. Sans préjudice des dispositions du § 2, il est interdit aux fonctionnaires de police, chargés de l'exécution d'une observation, de commettre des infractions dans le cadre de leur mission.
   § 2. Sont exemptés de peine, les fonctionnaires de police qui, dans le cadre de leur mission et en vue de la réussite de celle-ci, commettent des infractions absolument nécessaires, avec l'accord exprès du magistrat EPE.
   Le magistrat qui donne l'accord, dans le respect des dispositions relatives à l'EPE n'encourt aucune peine.
   Les fonctionnaires de police communiquent au magistrat EPE, par écrit et préalablement à l'exécution de l'observation, les infractions visées à l'alinéa 1er qu'ils ont l'intention de commettre.
   Si cette communication préalable n'a pas pu avoir lieu, les fonctionnaires de police informent sans délai le magistrat EPE des infractions qu'ils ont commises et en donnent ensuite confirmation par écrit.]1

  
Art. 464/16. [1 § 1. De SUO-magistraat of het bevoegde openbaar ministerie kan via de informantenwerking alle nuttige inlichtingen verzamelen over het vermogen waarop de veroordeling tot betaling van een verbeurdverklaring, een geldboete of de gerechtskosten kan worden uitgevoerd.
   De informantenwerking in de zin van dit artikel is het onderhouden van regelmatige contacten door een politieambtenaar, "contactambtenaar" genoemd, met een persoon, "informant" genoemd, van wie vermoed wordt dat hij nauwe banden heeft met een of meer personen, die schuldig zijn verklaard aan een misdrijf en die als gevolg hiervan zijn veroordeeld tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten of de gerechtskosten, of met een [2 malafide derde]2 die de politieambtenaar, al dan niet gevraagd, inlichtingen en gegevens verstrekt over de vermogensbestanddelen waarop deze veroordelingen kunnen worden uitgevoerd.
   § 2. De lokale informantenbeheerder deelt zodra mogelijk en spontaan alle voor het SUO nuttige inlichtingen in een vertrouwelijk verslag rechtstreeks mee aan de SUO-magistraat.
   De SUO-magistraat bewaart de meegedeelde inlichtingen in een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier. De SUO-magistraat en het bevoegde openbaar ministerie hebben als enige toegang tot dit afzonderlijk en vertrouwelijk dossier, onverminderd het in artikel 464/18 bedoelde inzagerecht van de kamer van inbeschuldigingstelling. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.
   De SUO-magistraat beslist of, in functie van het belang van de aangebrachte informatie en met inachtneming van de veiligheid van de informant, hiervan proces-verbaal wordt opgesteld.
   § 3. De organisatie van de informantenwerking ingesteld bij artikel 47decies, § 2 tot 6, tweede lid, is van toepassing op de in § 1 bedoelde informantenwerking.]1

  
Art. 464/16. [1 § 1er. Le magistrat EPE ou le ministère public compétent peut, en recourant à des indicateurs, collecter tous les renseignements utiles concernant le patrimoine sur lequel la condamnation au paiement d'une confiscation, d'une amende ou des frais de justice peut être exécutée.
   Le recours aux indicateurs au sens du présent article est le fait, pour un fonctionnaire de police, appelé "fonctionnaire de contact", d'entretenir des contacts réguliers avec une personne, appelée "indicateur", dont il est supposé qu'elle entretient des relations étroites avec une ou plusieurs personnes qui sont déclarées coupables d'une infraction et qui sont condamnées en conséquence au paiement de confiscations, d'amendes ou de frais de justice, ou avec un [2 tiers de mauvaise foi]2, qui fournit au fonctionnaire de police des renseignements et des données, demandés ou non, concernant les biens sur lesquels ces condamnations peuvent être exécutées.
   § 2. Le gestionnaire local des indicateurs communique dès que possible et spontanément et directement au magistrat EPE, dans un rapport confidentiel, tous les renseignements utiles à l'EPE.
   Le magistrat EPE conserve les renseignements communiqués dans un dossier séparé et confidentiel. Le magistrat EPE et le ministère public compétent sont les seuls à avoir accès à ce dossier séparé et confidentiel, sans préjudice du droit de consultation de la chambre des mises en accusation visé à l'article 464/18. Le contenu de ce dossier est couvert par le secret professionnel.
   Le magistrat EPE décide si, en fonction de l'importance des informations fournies et en tenant compte de la sécurité de l'indicateur, il en dresse un procès-verbal.
   § 3. L'organisation du recours aux indicateurs instauré à l'article 47decies, § 2 à 6, alinéa 2, est applicable au recours aux indicateurs visé au § 1er.]1

  
Art. 464/17. [1 De SUO-magistraat staat in voor de permanente controle over de uitvoering van observaties en de aangewende informantenwerking door de politiediensten in het raam van dit onderzoek.]1
  
Art. 464/17. [1 Le magistrat EPE veille au contrôle permanent de l'exécution des observations et du recours aux indicateurs par les services de police dans le cadre de cette enquête.]1
  
Art. 464/18. [1 § 1. De kamer van inbeschuldigingstelling controleert de uitvoering van de in de artikelen 464/14 en 464/27 bedoelde observatie die gegevens heeft opgeleverd die nadien door het openbaar ministerie werden aangewend in het raam van een gerechtelijk onderzoek of een opsporingsonderzoek.
   De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt op het ogenblik dat de onderzoeksrechter zijn dossier aan de procureur des Konings toezendt krachtens artikel 127, § 1, eerste lid, op vordering van de procureur-generaal, de regelmatigheid van deze observatie.
   De kamer van inbeschuldigingstelling onderzoekt, op vordering van de procureur-generaal, de regelmatigheid van de observatie bij het afsluiten van het opsporingsonderzoek en alvorens het openbaar ministerie tot rechtstreekse dagvaarding overgaat.
   De rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling verloopt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 235ter, §§ 2 tot 6.
   § 2. Op vraag van de strafuitvoeringsrechter die kennis neemt van een voorziening op grond van artikel 464/36, § 4, controleert de kamer van inbeschuldigingstelling de regelmatigheid van de uitvoering van de in de artikelen 464/14 en 464/27 bedoelde observaties die gegevens hebben opgeleverd die door het openbaar ministerie zijn aangewend in het raam van het SUO.
   De hoven en rechtbanken die kennis nemen van burgerrechtelijke vorderingen betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen houdende veroordeling tot een bijzondere verbeurdverklaring, een geldboete en de gerechtskosten in het kader van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, kunnen, alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van deze rechtsvordering, de zaak verzenden naar de kamer van inbeschuldigingstelling teneinde de regelmatigheid te controleren van de in het raam van het SUO uitgevoerde observatie.
   De rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling verloopt overeenkomstig het bepaalde bij artikel 235ter, §§ 2 tot 5.
   De griffier deelt een afschrift van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling mee aan de gedingvoerende partijen en aan het hof of de rechtbank die bedoeld zijn in het tweede lid.]1

  
Art. 464/18. [1 § 1er. La chambre des mises en accusation contrôle l'application de l'observation visée aux articles 464/14 et 464/27 qui a fourni des données qui ont ensuite été utilisées par le ministère public dans le cadre d'une instruction ou d'une information.
   La chambre des mises en accusation examine, sur réquisitoire du procureur général, la régularité de cette observation au moment où le juge d'instruction communique son dossier au procureur du Roi, conformément à l'article 127, § 1er, alinéa 1er.
   La chambre des mises en accusation examine, sur réquisitoire du procureur général, la régularité de l'observation à la clôture de l'information et avant que le ministère public procède à la citation directe.
   La procédure devant la chambre des mises en accusation se déroule conformément à ce qui est prévu à l'article 235ter, §§ 2 à 6.
   § 2. La chambre des mises en accusation contrôle à la demande du juge de l'application des peines qui connaît d'un recours visé par l'article 464/36, § 4, la régularité de l'application des observations visées aux articles 464/14 et 464/27 qui ont fourni des données utilisées par le ministère public dans le cadre de l'EPE.
   Les cours et tribunaux qui connaissent de demandes civiles relatives à l'exécution de décisions judiciaires portant condamnation à une confiscation spéciale, à une amende et aux frais de justice dans le cadre de l'enquête pénale d'exécution peuvent, avant de statuer sur le bien-fondé de cette demande en justice, renvoyer l'affaire devant la chambre des mises en accusation afin de contrôler la régularité de l'observation effectuée dans le cadre de l'EPE.
   La procédure devant la chambre des mises en accusation se déroule conformément à ce qui est prévu à l'article 235ter, §§ 2 à 5.
   Le greffier communique une copie de l'arrêt de la chambre des mises en accusation aux parties en cause et à la cour ou au tribunal visé à l'alinéa 2.]1

  
Onderafdeling 2. - [1 Specifieke uitvoeringshandelingen]1
Sous-section 2. - [1 Des actes d'exécution spécifiques]1
Art. 464/19. [1 De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing als uitvoeringshandeling, de onderzoekshandelingen waarvoor in het kader van een gerechtelijk onderzoek uitsluitend de onderzoeksrechter bevoegd is, verrichten of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, als ze noodzakelijk zijn voor het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
   De uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid is evenwel beperkt tot de in deze onderafdeling omschreven uitvoerings-handelingen.]1

  
Art. 464/19. [1 Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, exécuter ou faire exécuter à titre d'acte d'exécution par le service de police requis, les actes d'enquête qui, dans le cadre d'une instruction, sont de la compétence exclusive du juge d'instruction, s'ils sont nécessaires pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
   Toutefois, l'exercice de la compétence visé à l'alinéa 1er est limité aux actes d'exécution définis à la présente sous-section.]1

  
Art. 464/20. [1 De SUO-magistraat kan een in artikel 464/19 bedoelde uitvoeringshandeling enkel verrichten of laten verrichten na voorafgaande machtiging die wordt verleend door de strafuitvoeringsrechter.
   De strafuitvoeringsrechter doet over het schriftelijke en met redenen omklede verzoek tot machtiging uitspraak uiterlijk binnen een termijn van vijf werkdagen na de ontvangst van het verzoek.
   De strafuitvoeringsrechter onderzoekt uitsluitend de wettigheid, de proportionaliteit en de subsidiariteit van de gevorderde uitvoeringshandeling.
   De SUO-magistraat staat in voor de tenuitvoerlegging van de toegelaten uitvoeringshandeling.]1

  
Art. 464/20. [1 Le magistrat EPE ne peut accomplir ou faire accomplir un acte d'exécution visé à l'article 464/19 qu'après autorisation préalable du juge de l'application des peines.
   Le juge de l'application des peines statue sur la demande écrite et motivée d'autorisation au plus tard dans un délai de cinq jours ouvrables à compter de la réception de la demande.
   Le juge de l'application des peines examine uniquement la légalité, la proportionnalité et la subsidiarité de l'acte d'exécution requis.
   Le magistrat EPE se charge de l'exécution de l'acte d'exécution autorisé.]1

  
Art. 464/21. [1 § 1. De SUO-magistraat kan bij het Hof van Cassatie een cassatieberoep instellen tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter.
   § 2. De SUO-magistraat stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de uitspraak van het bestreden vonnis.
   Het cassatieberoep wordt ingesteld door een verklaring ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
   § 3. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt het dossier van de rechtspleging onverwijld aan de griffie van het Hof van Cassatie.
   De cassatiemiddelen worden aangevoerd in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie wordt neergelegd, ten laatste op de vijfde dag na het afleggen van de verklaring.
   § 4. Het Hof van Cassatie doet uitspraak binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de instelling van het cassatieberoep.
   De griffie van het Hof van Cassatie geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak van het arrest per aangetekende zending of telefax kennis van dit arrest aan de SUO-magistraat.
   § 5. Na een cassatiearrest met verwijzing doet een andere strafuitvoeringsrechter uitspraak binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de uitspraak van het arrest van het Hof van Cassatie.
   § 6. Voor het overige verloopt de rechtspleging zoals in correctionele zaken.]1

  
Art. 464/21. [1 § 1er. Le magistrat EPE peut introduire un pourvoi en cassation devant la Cour de cassation contre le jugement du juge de l'application des peines.
   § 2. Le magistrat EPE se pourvoit en cassation dans un délai de quinze jours à compter du prononcé du jugement attaqué.
   Le pourvoi en cassation est formé par une déclaration au greffe du tribunal de l'application des peines.
   § 3. Le greffe du tribunal de l'application des peines envoie immédiatement le dossier de la procédure au greffe de la Cour de cassation.
   Les moyens de cassation sont invoqués dans un mémoire déposé au greffe de la Cour de cassation au plus tard le cinquième jour suivant la déclaration.
   § 4. La Cour de cassation statue dans un délai de trente jours à compter de la date du pourvoi en cassation.
   Le greffe de la Cour de cassation communique l'arrêt au magistrat EPE, dans les vingt-quatre heures du prononcé et par envoi recommandé ou par téléfax.
   § 5. Après un arrêt de cassation avec renvoi, un autre juge de l'application des peines statue dans un délai de quinze jours à compter du prononcé de l'arrêt de la Cour de Cassation.
   § 6. La procédure se déroule pour le surplus selon les formes qui prévalent en matière correctionnelle.]1

  
Art. 464/22. [1 De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, een huiszoeking verrichten of door de gevorderde politiedienst laten verrichten in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.
   Geen huiszoeking mag worden verricht vóór vijf uur `s morgens en na negen uur `s avonds.]1

  
Art. 464/22. [1 Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, effectuer ou faire effectuer par le service de police requis une perquisition dans un lieu non accessible au public afin de rechercher et de saisir les biens et supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er.
   Aucune perquisition ne peut être effectuée avant cinq heures du matin et après neuf heures du soir]1

  
Art. 464/23. [2 § 1.]2 [1 De SUO-magistraat kan de zoeking in een informaticasysteem of een deel daarvan, die hij uitvoert of door de gevorderde politiedienst laat uitvoeren, uitbreiden tot een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking plaatsvindt als :
   1° deze uitbreiding noodzakelijk is om de in artikel 464/29, § 2, bedoelde inlichtingen, te verzamelen, en
   2° indien andere maatregelen om deze inlichtingen te vergaren disproportioneel zouden zijn of indien er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding deze inlichtingen verloren gaan.]1

  [2 § 2. De uitbreiding van een zoeking in een informaticasysteem mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informaticasystemen of de delen daarvan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.]2
  
Art. 464/23. [2 § 1er.]2 [1 Le magistrat EPE peut étendre la recherche qu'il effectue ou fait effectuer par le service de police requis dans un système informatique ou une partie de celui-ci à un système informatique ou une partie de celui-ci qui se trouve dans un autre lieu que celui où la recherche est effectuée si :
   1° cette extension est nécessaire pour collecter les renseignements visés à l'article 464/29, § 2, et
   2° si d'autres mesures pour collecter ces renseignements seraient disproportionnées ou s'il existe un risque que, sans cette extension, ces renseignements soient perdus.]1

  [2 § 2. L'extension d'une recherche dans un système informatique ne peut pas excéder les systèmes informatiques ou les parties de tels systèmes auxquels les personnes autorisées à utiliser le système informatique qui fait l'objet de la mesure ont spécifiquement accès.]2
  
Art. 464/24. [1 § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan personen van wie hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van het informaticasysteem dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking of van diensten om gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen om in een verstaanbare vorm inlichtingen te verstrekken over de werking ervan en over de wijze om toegang te verkrijgen tot de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen.
   § 2. [2 De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan iedere geschikte persoon verzoeken om zelf het informaticasysteem te bedienen of de ter zake dienende gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, naar gelang van het geval, te zoeken, toegankelijk te maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of te verwijderen, in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voor zover dit in hun mogelijkheden ligt. Deze personen kunnen echter hun medewerking weigeren, in het bijzonder wanneer ze zichzelf zouden beschuldigen van een misdrijf.]2
   § 3. [2 Derden die weigeren de in de paragrafen 1 en 2 gevorderde medewerking te verlenen of de zoeking in het informaticasysteem hinderen, worden gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen.
   Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
   Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.]2

   § 4. [2 ...]2]1
Art. 464/24. [1 § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut ordonner aux personnes dont il présume qu'elles ont une connaissance particulière du système informatique qui fait l'objet de la recherche ou des services qui permettent de protéger ou de crypter les données qui sont stockées, traitées ou transmises par un système informatique, de fournir, dans une forme compréhensible, des informations sur le fonctionnement de ce système et sur la manière d'accéder aux données stockées, traitées ou transmises par celui-ci.
   § 2. [2 Le magistrat EPE ou le service de police requis peut demander à toute personne appropriée de mettre en fonctionnement elle-même le système informatique ou, selon le cas, de rechercher, rendre accessibles, copier, rendre inaccessibles ou retirer les données pertinentes qui sont stockées, traitées ou transmises par ce système, dans la forme qu'il aura demandée. Ces personnes sont tenues d'y donner suite, dans la mesure de leurs moyens. Ces personnes peuvent toutefois refuser de prêter leur collaboration, en particulier dans le cas où elles s'accuseraient d'une infraction.]2
   § 3. [2 Les tiers qui refusent de fournir la collaboration ordonnée aux paragraphes 1er et 2 ou qui font obstacle à la recherche dans le système informatique, sont punis d'un emprisonnement de six mois à un an et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement.
   Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret.
   Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal.]2

   § 4. [2 ...]2]1
  (NOTA : bij arrest nr 178/2015 van 17-12-2015 (B.St. 08-02-2016,p . 8566), heeft het Grondwettelijk Hof dit artikel 464/24,§2 en §3 in zovere medewerkingsplicht ook geldt voor de veroordeelde of voor derden bedoeld in artikel 464/1,§3, van het Wetboek van strafvordering ten aanzien van wie er aanwijzingen zijn dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan en ander misdrijf dan datgene dat geleid heeft tot de veroordeling waarop het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek betrekking heeft vernietigd)
  
(NOTE : par son arrêt n° 178/2015 du 17-12-2015 (M.B. 08-02-2016,p. 8587), la Cour constitutionnelle a annulé l'article 464/24,§2 et §3 dans la mesure où l'obligation de collaborer s'applique également au condamné ou aux tiers visés à l'article 464/1,§3, du Code d'instruction criminelle à l'égard desquels existent des indices dont il ressort qu'ils se sont rendus coupables d'une infraction autre que celle qui a mené à la condamnation à laquelle se rapporte l'enquête pénale d'exécution d'exécution)
  
Art. 464/25. [1 § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan [3 de actoren bedoeld in het tweede lid]3 vorderen om :
   1° de oproepgegevens te doen opsporen van elektronische communicatiemiddelen waaruit of waarnaar oproepen worden of werden gedaan;
   2° de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties te laten lokaliseren.
  [3 De volgende actoren zijn gehouden tot medewerking overeenkomstig het eerste lid:
   - de operator van een elektronisch communicatie-netwerk;
   - iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen.]3

   In de in het eerste lid bedoelde gevallen worden voor ieder elektronisch communicatiemiddel waarvoor de oproep-gegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de elektronische communicaties wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur en, indien nodig, de plaats van de oproep vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal.
   De SUO-magistraat vermeldt in zijn beslissing de duur van de maatregel, die, wat de toekomstige elektronische communicatiegegevens betreft, niet langer kan zijn dan twee maanden te rekenen vanaf het bevelschrift, behoudens een hernieuwing.
   § 2. [3 De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, delen de gevorderde inlichtingen mee in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de beslissing, volgens de nadere regels die bepaald worden bij het ter uitvoering van artikel 88bis, § 4, eerste en derde lid, genomen koninklijk besluit.
   Iedere persoon die zijn technische medewerking aan de in dit artikel bedoelde vorderingen weigert of niet verleent in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de beslissing, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.]3

   § 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
   Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.]1

  
Art. 464/25. [1 § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut faire procéder, en requérant [3 les acteurs visés à l'alinéa 2]3 :
   1° au repérage des données d'appel de moyens de communication électronique à partir desquels ou vers lesquels des appels sont adressés ou ont été adressés;
   2° à la localisation de l'origine ou de la destination de communications électroniques.
  [3 Les acteurs suivants sont tenus de collaborer conformément à l'alinéa 1er:
   - l'opérateur d'un réseau de communications électroniques;
   - toute personne qui met à disposition ou offre, sur le territoire belge, d'une quelconque manière, un service qui consiste à transmettre des signaux via des réseaux de communications électroniques ou à autoriser des utilisateurs à obtenir, recevoir ou diffuser des informations via un réseau de communications électroniques. Est également compris le fournisseur d'un service de communications électroniques.]3

   Dans les cas visés à l'alinéa 1er, pour chaque moyen de communication électronique dont les données d'appel sont repérées ou pour lequel l'origine ou la destination de la communication électronique est localisée, le jour, l'heure, la durée et, si nécessaire, le lieu de la communication électronique sont indiqués et consignés dans un procès-verbal.
   Le magistrat EPE précise dans sa décision la durée pendant laquelle la mesure pourra s'appliquer, cette durée ne pouvant excéder, en ce qui concerne les futures données de communication électronique, deux mois à dater de l'ordonnance, sans préjudice de renouvellement.
   § 2. [3 Les acteurs visés au § 1er, alinéa 2, communiquent les renseignements requis en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la décision, selon les modalités fixées par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 88bis, § 4, alinéas 1er et 3.
   Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées dans le présent article ou ne le prête pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la décision est punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros.]3

   § 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours est tenue de garder le secret.
   Toute violation du secret sera punie conformément à l'article 458 du Code pénal.]1

  
Art. 464/26. [1 § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan privécommunicatie of privéelektronische communicatie, tijdens de overbrenging ervan, afluisteren, er kennis van nemen en opnemen.
   Teneinde het mogelijk te maken privécommunicatie of -elektronische communicatie direct af te luisteren, er kennis van te nemen of op te nemen met technische hulpmiddelen, kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, te allen tijde, ook buiten medeweten of zonder de toestemming van hetzij de bewoner, hetzij de eigenaar of zijn rechthebbenden, in een woning of in een private plaats binnendringen.
   § 2. De in § 1 bedoelde bewakingsmaatregel kan worden bevolen als :
   1° hij uitsluitend aangewend wordt ter tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, die is uitgesproken nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een in artikel 90ter, § 2 tot 4, bedoeld misdrijf;
   2° de gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken.
   § 3. De in § 1 bedoelde bewakingsmaatregel kan alleen worden bevolen ten aanzien van de veroordeelde, ten aanzien van de communicatie- of telecommunicatiemiddelen die geregeld worden gebruikt door deze veroordeelde, of ten aanzien van de plaatsen waar deze vermoed wordt te vertoeven. De maatregel kan eveneens worden bevolen ten aanzien van de [2 malafide derde]2 dan wel ten aanzien van de personen die vermoed worden regelmatig in contact te staan met de veroordeelde of de [2 malafide derde]2.
   De maatregel kan alleen betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van een advocaat of een arts, indien deze zelf een veroordeelde of een [2 malafide derde]2, of indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan waaruit blijkt dat de woning of beroepslokalen van de arts of de advocaat worden aangewend om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten.
   De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat, naar gelang van het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte werd gebracht. Dezelfde personen zullen door de magistraat die het onderzoek voert in kennis worden gesteld van hetgeen volgens hem als communicatie of telecommunicatie onder het beroepsgeheim valt en niet zal worden opgetekend in het in § 7 bedoelde proces-verbaal.
   § 4. De met redenen omklede beslissing van de SUO-magistraat houdende verzoek tot machtiging gericht aan de strafuitvoeringsrechter vermeldt :
   1° de identiteit van de veroordeelde en, in voorkomend geval, van de [2 malafide derde]2;
   2° de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waaruit blijkt dat het SUO betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat de veroordeelde schuldig verklaard is aan een in artikel 90ter, § 2 tot 4, bedoeld misdrijf of van een [2 malafide derde]2;
   3° het verschuldigde saldo van de veroordeling tot de betaling van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten;
   4° de redenen waarom de gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden, of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken;
   5° de identiteit van de persoon, het communicatie- of elektronisch communicatiemiddelmiddel of de plaats die het voorwerp is van de bewakingsmaatregel;
   6° de voorgestelde periode tijdens welke de bewaking kan worden uitgeoefend, die niet langer mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de ondertekening van de machtiging die werd verleend krachtens artikel 464/20.
   § 5. De SUO-magistraat kan met de machtiging van de strafuitvoeringsrechter, de duur van de bewakingsmaatregel een of meer malen verlengen met een termijn die telkens niet langer mag zijn dan één maand, met een maximum van zes maanden, onverminderd zijn beslissing om aan de maatregel een einde te maken, zodra de omstandigheden die deze gerechtvaardigd hebben, verdwenen zijn.
   Na het verstrijken van de maximumduur kan de uitvoering van de bewakingsmaatregel worden hernieuwd met de machtiging van de strafuitvoeringsrechter, voor zover er nieuwe omstandigheden voorhanden zijn en dit telkens voor één maand met een maximum van zes maanden.
   § 6. De SUO-magistraat of de politieambtenaar die belast is met de operationele leiding van de uitvoering van de bewakingsmaatregel, neemt de bij artikel 90quater, § 2 en 4, voorziene maatregelen als ze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die maatregel. De bij artikel 90quater, § 2, tweede en derde lid, en § 4, derde en vierde lid, bepaalde strafsancties zijn van toepassing op de personen die de verplichtingen tot medewerking en geheimhouding schenden.
   § 7. De politiedienst die belast is met de uitvoering van de bewakingsmaatregel staat in voor :
   1° de selectie en transcriptie van de delen van de opnamen die voor het SUO relevant geachte inlichtingen betreffende de vermogenssituatie van de veroordeelde en de [2 malafide derde]2 bevatten, onder het toezicht van de SUO-magistraat;
   2° het vertalen of het laten vertalen van de relevante inlichtingen naar de taal waarin het SUO wordt gevoerd, na toelating van de SUO-magistraat;
   3° de neerlegging van de opnamen, samen met de uitgevoerde transcripties, vertalingen en de gemaakte notities, onder verzegelde omslag, op het secretariaat van het openbaar ministerie dat het SUO voert;
   4° het vernietigen of het laten vernietigen van de opnamen, selecties van transcripties en vertalingen, na toelating van de SUO-magistraat;
   De gevorderde politiedienst stelt een proces-verbaal op waarin hij verslag uitbrengt over de uitvoering van de bewakingsmaatregel en de opdrachten bedoeld in het eerste lid, dat aan de SUO-magistraat wordt toegezonden.
   De communicatie of elektronische communicatie die onder het beroepsgeheim of journalistiek bronnengeheim valt, wordt niet opgetekend in het proces-verbaal dat wordt opgesteld naar aanleiding van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde opdracht.
   De gevorderde politiedienst neemt alle noodzakelijke maatregelen om de integriteit en de vertrouwelijkheid te waarborgen van de opgenomen, overgeschreven en vertaalde communicatie of elektronische communicatie tot de neerlegging ervan op het secretariaat overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 90septies, vijfde lid, genomen koninklijk besluit.
   § 8. Het secretariaat van het openbaar ministerie dat het SUO voert, staat in voor de bewaring van de overeenkomstige § 7, eerste lid, 3°, neergelegde voorwerpen en akten.
   De SUO-magistraat neemt, overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 90septies, vijfde lid, genomen koninklijk besluit, alle noodzakelijke maatregelen om tijdens de bewaring op het secretariaat de integriteit en de vertrouwelijkheid te waarborgen van de neergelegde opnamen, transcripties en vertalingen.
   De SUO-magistraat oordeelt overeenkomstig artikel 464/1, § 5, over de inzage van de voorwerpen en akten die zijn neergelegd door de veroordeelde, de [2 malafide derde]2 of elke andere belanghebbende.
   De SUO-magistraat beveelt de vernietiging van de neergelegde voorwerpen en akten die niet bestemd zijn voor de exploitatie in het raam van het SUO of die niet bruikbaar zijn voor de doeleinden bedoeld in artikel 464/1, § 6, uiterlijk bij de afsluiting van het SUO.]1

  
Art. 464/26. [1 § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut écouter, prendre connaissance et enregistrer, pendant leur transmission, des communications privées ou des communications électroniques privées.
   En vue de permettre l'écoute, la prise de connaissance ou l'enregistrement direct de communications ou communications électroniques privées à l'aide de moyens techniques, le magistrat EPE ou le service de police requis peut également à l'insu ou sans le consentement de l'occupant, du propriétaire ou de ses ayants droit, ordonner la pénétration, à tout moment, dans un domicile ou dans un lieu privé.
   § 2. La mesure de surveillance visée au § 1er peut être ordonnée si :
   1° elle est appliquée uniquement en vue de l'exécution d'une condamnation, passée en force de chose jugée, au paiement de confiscations, d'amendes et des frais de justice, prononcée après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction visée à l'article 90ter, § 2 à 4;
   2° les autres actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
   § 3. La mesure de surveillance visée au § 1er ne peut être ordonnée qu'à l'égard du condamné, ou à l'égard des moyens de communication ou de télécommunication régulièrement utilisés par ce condamné, ou à l'égard des lieux présumés fréquentés par celui-ci. Elle peut l'être également à l'égard du [2 tiers de mauvaise foi]2, ou à l'égard des personnes présumées être en communication régulière avec le condamné ou le [2 tiers de mauvaise foi]2.
   La mesure ne pourra porter sur les locaux utilisés à des fins professionnelles, la résidence ou les moyens de communication ou de télécommunication d'un avocat ou d'un médecin que si celui-ci est lui-même un condamné ou un [2 tiers de mauvaise foi]2, ou s'il existe des indices sérieux et concrets qui font apparaître que l'habitation ou les locaux utilisés à des fins professionnelles du médecin ou de l'avocat sont utilisés pour soustraire les biens ou supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er, à l'exécution de la condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice.
   La mesure ne peut être exécutée sans que le bâtonnier ou le représentant de l'ordre provincial des médecins, selon le cas, en soit averti. Ces mêmes personnes seront informées, par le magistrat qui mène l'enquête, des communications ou télécommunications recueillies qu'il estime relever du secret professionnel et qui ne seront pas consignées au procès-verbal visé au § 7.
   § 4. La décision motivée du magistrat EPE portant demande d'autorisation adressée au juge de l'application des peines mentionne :
   1° l'identité du condamné et, le cas échéant, du [2 tiers de mauvaise foi]2;
   2° les données de la décision passée en force de chose jugée qui font apparaître que l'EPE porte sur l'exécution d'une condamnation au paiement de confiscations, d'amendes et de frais de justice, après que le condamné ou un [2 tiers de mauvaise foi]2, a été déclaré coupable d'une infraction visée à l'article 90ter, § 2 à 4;
   3° le solde dû de la condamnation au paiement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice;
   4° les raisons pour lesquelles les actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er;
   5° l'identité de la personne, le moyen de communication ou de communication électronique ou le lieu soumis à la surveillance;
   6° la période proposée pendant laquelle la surveillance peut être pratiquée et qui ne peut excéder un mois à compter de la signature de l'autorisation accordée en vertu de l'article 464/20.
   § 5. Le magistrat EPE peut, moyennant autorisation du juge de l'application des peines, prolonger une ou plusieurs fois la durée de la mesure de surveillance pour un nouveau terme qui ne peut à chaque fois dépasser un mois, avec un maximum de six mois, sans préjudice de sa décision de mettre fin à la mesure dès que les circonstances qui l'ont justifiée ont disparu.
   A l'expiration de la durée maximale, l'exécution de la mesure de surveillance peut être renouvelée moyennant autorisation du juge de l'application des peines, pour autant qu'il y ait de nouvelles circonstances, et ce, pour un mois chaque fois, avec un maximum de six mois.
   § 6. Le magistrat EPE ou le fonctionnaire de police chargé de la direction opérationnelle de l'exécution de la mesure de surveillance prend les mesures prévues à l'article 90quater, § 2 et 4, si elles sont nécessaires à l'exécution de cette mesure. Les sanctions pénales prévues à l'article 90quater, § 2, alinéas 2 et 3, et § 4, alinéas 3 et 4, sont d'application aux personnes qui violent les obligations de collaboration et de secret.
   § 7. Le service de police chargé de l'exécution de la mesure de surveillance se charge :
   1° de sélectionner et transcrire, sous le contrôle du magistrat EPE, les parties des enregistrements qui contiennent des renseignements jugés pertinents pour l'EPE concernant la situation patrimoniale du condamné et du [2 tiers de mauvaise foi]2;
   2° de traduire ou faire traduire, après autorisation du magistrat EPE, les renseignements pertinents dans la langue dans laquelle l'EPE est menée;
   3° de déposer les enregistrements, accompagnés des transcriptions, des traductions et des notices effectuées, sous pli scellé, au secrétariat du ministère public qui mène l'EPE;
   4° de détruire ou faire détruire, après autorisation du magistrat EPE, les enregistrements, les sélections de transcription et les traductions.
   Le service de police requis dresse un procès-verbal dans lequel il fait rapport sur l'exécution de la mesure de surveillance et des missions visées à l'alinéa 1er et l'envoie au magistrat EPE.
   La communication ou communication électronique qui relève du secret professionnel ou du secret des sources journalistiques n'est pas consignée dans le procès-verbal dressé à la suite de la mission visée à l'alinéa 1er, 1° et 2°.
   Le service de police requis prend toutes les mesures nécessaires afin de garantir l'intégrité et la confidentialité de la communication ou communication électronique enregistrée, transcrite et traduite jusqu'à son dépôt au secrétariat conformément à l'arrêté royal pris en exécution de l'article 90septies, alinéa 5.
   § 8. Le secrétariat du ministère public qui mène l'EPE veille à la conservation des objets et actes déposés conformément au § 7, alinéa 1er, 3°.
   Le magistrat EPE prend, conformément à l'arrêté royal pris en exécution de l'article 90septies, alinéa 5, toutes les mesures nécessaires afin de garantir l'intégrité et la confidentialité des enregistrements, transcriptions et traductions déposés pendant leur conservation au secrétariat.
   Le magistrat EPE statue conformément à l'article 464/1, § 5, sur la consultation des objets et actes déposés par le condamné, le [2 tiers de mauvaise foi]2, ou tout autre ayant droit.
   Le magistrat EPE ordonne la destruction des objets et actes déposés qui ne sont pas destinés à l'exploitation dans le cadre de l'EPE ou qui ne sont pas utilisables aux fins visées à l'article 464/1, § 6, au plus tard à la clôture de l'EPE.]1

  
Art. 464/27. [1 § 1. De SUO-magistraat die het onderzoek voert, kan een politiedienst machtigen om een observatie uit te voeren zoals bedoeld in artikel 47sexies, om met gebruik van technische hulpmiddelen zicht te verwerven in een woning of in de door deze woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek, of in een lokaal dat aangewend wordt voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts.
   De in artikel 464/15 bedoelde verschoningsgrond is van toepassing op deze observatie.
   § 2. De magistraat vermeldt in zijn machtiging tot observatie het adres of een zo nauwkeurig mogelijke plaatsbepaling van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde woning, het lokaal dat aangewend wordt voor beroepsdoeleinden of de woonplaats waarop de observatie betrekking heeft.
   § 3. De in paragraaf 1 bedoelde observatie kan worden bevolen als :
   1° hij uitsluitend aangewend wordt ter tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, die is uitgesproken nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, bedoeld misdrijf of een strafbaar feit in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek;
   2° de gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken.
   Bovendien kan een observatie zoals bedoeld in paragraaf 1, die betrekking heeft op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts, slechts door de SUO-magistraat gemachtigd worden wanneer de advocaat of de arts zelf het voorwerp uitmaakt van de in kracht van gewijsde gegane veroordeling bedoeld in de bepaling onder 1°, of indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die het voorwerp uitmaken van een dergelijke veroordeling, gebruik maken van diens lokalen of woonplaats.
   Deze maatregel kan niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte is. Deze personen zijn tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
   Er wordt gehandeld overeenkomstig artikel 464/14.]1

  
Art. 464/27. [1 § 1er. Le magistrat EPE qui mène l'enquête peut autoriser un service de police à procéder à une observation visée à l'article 47sexies, effectuée à l'aide de moyens techniques afin d'avoir une vue dans une habitation, ou dans une dépendance propre y enclose de cette habitation au sens des articles 479, 480 et 481 du Code pénal, ou dans un local utilisé à des fins professionnelles ou le domicile d'un avocat ou d'un médecin.
   La cause d'excuse visée à l'article 464/15 est d'application à cette observation.
   § 2. Le magistrat mentionne dans son autorisation d'observation l'adresse ou une localisation aussi précise que possible de l'habitation, du local utilisé à des fins professionnelles ou du domicile visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, qui fait l'objet de l'observation.
   § 3. L'observation visée au paragraphe 1er peut être ordonnée si :
   1° elle est appliquée exclusivement en exécution d'une condamnation au paiement de confiscations, d'amendes et de frais de justice passée en force de chose jugée et prononcée après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction visée à l'article 90ter, §§ 2 à 4 ou d'une infraction dans le cadre d'une organisation criminelle visée à l'article 324bis du Code pénal;
   2° les actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE décrit à l'article 464/1, § 1er.
   En outre, une observation visée au paragraphe 1er, se rapportant aux locaux utilisés à des fins professionnelles ou au domicile d'un avocat ou d'un médecin, ne peut être autorisée par le magistrat EPE que si l'avocat ou le médecin fait lui-même l'objet de la condamnation passée en force de chose jugée visée au 1°, ou que des faits précis laissent supposer que des tiers faisant l'objet d'une telle condamnation utilisent ces locaux ou ce domicile.
   Cette mesure ne peut être exécutée sans que le bâtonnier ou le représentant de l'ordre provincial des médecins en soit averti. Ces personnes sont tenues au secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal.
   Il est agi conformément l'article 464/14.]1

  
Art. 464/28. [1 Indien er tijdens het SUO ernstige aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde of de [2 malafide derde]2 als rechtspersoon zijn vermogen wil onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten op dit vermogen, kan de SUO-magistraat de volgende maat-regelen gelasten, indien bijzondere omstandigheden dat vergen :
   1° de schorsing van de procedure van ontbinding of vereffening van de rechtspersoon;
   2° het verbod van specifieke vermogensrechtelijke transacties die tot het onvermogen van de rechtspersoon kunnen leiden;
   3° de storting van een borgsom op de rekening van het COIV tot een door hem bepaald bedrag, als waarborg voor de inachtneming van de maatregelen die hij gelast.
   Indien de in het eerste lid bedoelde maatregelen betrekking hebben op onroerende goederen, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 464/33.
   De rechtspersoon kan om de opheffing van de genomen maatregel verzoeken overeenkomstig artikel 464/36.]1

  
Art. 464/28. [1 Lorsqu'au cours de l'EPE, il existe des indices sérieux que le condamné ou le [2 tiers de mauvaise foi]2, veut, en tant que personne morale, soustraire son patrimoine à l'exécution de la condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice sur ce patrimoine, le magistrat EPE peut, si des circonstances particulières le requièrent, ordonner les mesures suivantes :
   1° la suspension de la procédure de dissolution ou de liquidation de la personne morale;
   2° l'interdiction de transactions patrimoniales spécifiques susceptibles d'entraîner l'insolvabilité de la personne morale;
   3° le versement d'un cautionnement dont il fixe le montant sur le compte de l'OCSC, en vue de garantir le respect des mesures qu'il ordonne.
   Si les mesures visées à l'alinéa 1er concernent des biens immeubles, il est procédé conformément à l'article 464/33.
   La personne morale peut demander la levée de la mesure prise conformément à l'article 464/36.]1

  
Onderafdeling 3. - [1 Inbeslagneming ten behoeve van de straf-uitvoering]1
Sous-section 3. - [1 De la saisie pour assurer l'exécution de la peine.]1
Art. 464/29. [1 § 1. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en gemotiveerde beslissing, alle inbeslagnemingen verrichten, of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, die kunnen bijdragen tot het bereiken van het doel van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
   Iedere politieambtenaar mag ambtshalve overgaan tot de inbeslagneming van de roerende goederen en documenten bedoeld in § 2 die kunnen bijdragen tot het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
   § 2. Zijn vatbaar voor inbeslagneming :
   1° alle goederen, zowel roerende als onroerende, lichamelijke als onlichamelijke, in het vermogen van de veroordeelde, waarop de uitvoerbare veroordeling tot betaling van een verbeurdverklaring, geldboete en de gerechtskosten kan worden uitgevoerd;
   2° alle informatiedragers, in origineel of in kopie, die zich bevinden bij de veroordeelde of derden en inlichtingen bevatten over de vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en over de samenstelling en de vindplaats van zijn vermogen.
   § 3. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.
   De informatiedragers die inlichtingen bevatten die gedekt zijn door een beroepsgeheim zijn niet vatbaar voor beslag.]1

  
Art. 464/29. [1 § 1er. Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, effectuer ou faire effectuer par le service de police requis toutes les saisies qui peuvent contribuer à atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
   Chaque fonctionnaire de police peut procéder d'office à la saisie des biens meubles et documents visés au § 2 qui peuvent contribuer à atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
   § 2. Sont saisissables :
   1° tous les biens meubles et immeubles, corporels ou incorporels, du patrimoine du condamné sur lesquels la condamnation exécutoire au paiement d'une confiscation, d'une amende et des frais de justice peut être exécutée;
   2° tous les supports d'information, sous forme originale ou de copie, qui se trouvent chez le condamné ou des tiers, qui contiennent des informations sur les transactions patrimoniales effectuées par le condamné et sur la composition et l'emplacement de son patrimoine.
   § 3. Les biens insaisissables conformément aux articles 1408 à 1412bis du Code judiciaire ou à des lois spéciales ne peuvent en aucun cas être saisis.
   Les supports d'information qui contiennent des informations couvertes par un secret professionnel sont insaisissables.]1

  
Art. 464/30. [1 § 1. De SUO-magistraat kan beslag leggen op de in artikel 464/29, § 2, 1°, bedoelde goederen die niet toebehoren aan de veroordeelde, onder de volgende voorwaarden :
   1° er zijn voldoende ernstige en concrete aanwijzingen dat de veroordeelde het goed heeft overgedragen, zelfs voor het in kracht van gewijsde gaan van de veroordeling, aan de derde met het kennelijke doel de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten te verhinderen, of aanzienlijk te bemoeilijken;
   2° de derde wist of moest redelijkerwijs weten dat het goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks was overgedragen door de veroordeelde met het oogmerk om het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare of mogelijke veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten.
   In zijn beslissing vermeldt de magistraat de ernstige en concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de veroordeelde het goed wil onttrekken aan de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten alsook de inlichtingen waaruit de wetenschap van de derde blijkt of kan worden afgeleid en die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.
   § 2. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.]1

  
Art. 464/30. [1 § 1er. Le magistrat EPE peut saisir les biens visés à l'article 464/29, § 2, 1°, qui n'appartiennent pas au condamné aux conditions suivantes :
   1° il existe suffisamment d'indices sérieux et concrets que le condamné a transféré le bien au tiers, même avant que la condamnation soit passée en force de chose jugée, dans le but manifeste d'empêcher ou de compliquer fortement le recouvrement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice;
   2° le tiers savait ou devait raisonnablement savoir que le bien lui avait été cédé directement ou indirectement par le condamné en vue de le soustraire à l'exécution d'une condamnation exécutoire ou possible à une confiscation, une amende ou aux frais de justice.
   Dans sa décision, le magistrat mentionne les indices sérieux et concrets qui font apparaître que le condamné veut soustraire le bien au recouvrement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice, ainsi que les informations dont il ressort ou peut être déduit que le tiers en a connaissance et qui justifient la saisie. Ces données figurent dans le procès-verbal dressé à l'occasion de la saisie.
   § 2. Les biens insaisissables conformément aux articles 1408 à 1412bis du Code judiciaire ou à des lois spéciales ne peuvent en aucun cas être saisis.]1

  
Art. 464/31. [1 § 1. Ingeval wordt overgegaan tot inbeslagneming krachtens de artikelen 464/29, 464/30 en 464/32 maakt de beslagleggende SUO-magistraat of politiedienst een proces-verbaal op waarin de in beslag genomen zaken worden vermeld.
   § 2. Het proces-verbaal wordt ter ondertekening aan de beslagene aangeboden, die er kosteloos een afschrift van kan ontvangen. Indien de beslagene weigert het proces-verbaal te ondertekenen en/of het afschrift daarvan in ontvangst te nemen of niet bereikt kan worden, maakt de SUO-magistraat of politieambtenaar daarvan melding op het origineel en wordt de kennisgeving geacht te zijn gedaan op de dag waarop de verbalisant de weigering vaststelt. Indien het afschrift niet onmiddellijk wordt overhandigd, wordt het binnen achtenveertig uur verstuurd.
   Het afschrift van het proces-verbaal bevat :
   1° de waarschuwing dat de beslagene, de goederen die het voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen mag geven, op straffe van toepassing van artikel 507 van het Strafwetboek;
   2° de referenties eigen aan de zaak;
   3° de tekst van het artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.]1

  
Art. 464/31. [1 § 1er. Lorsqu'il est procédé à la saisie en vertu des articles 464/29, 464/30 et 464/32, le magistrat EPE saisissant ou le service de police saisissant rédige un procès-verbal énumérant les choses saisies.
   § 2. Le procès-verbal est présenté pour signature au saisi, qui peut en recevoir une copie sans frais. Si le saisi refuse de signer le procès-verbal et/ou d'en recevoir une copie ou ne peut être joint, le magistrat EPE ou le fonctionnaire de police en fait mention sur l'original et la notification est réputée faite le jour où le verbalisant constate le refus. Si la copie n'est pas remise immédiatement, elle est envoyée dans les quarante-huit heures.
   La copie du procès-verbal contient :
   1° l'avertissement que le saisi ne peut plus se dessaisir des biens qui font l'objet de la saisie, sous peine de l'application de l'article 507 du Code pénal;
   2° les références de l'affaire;
   3° le texte de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.]1

  
Art. 464/32. [1 Wanneer de in 464/29, § 2, 2°, bedoelde inlichtingen zijn opgeslagen in een informaticasysteem, maar de inbeslagneming van de drager ervan niet wenselijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens die noodzakelijk zijn om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen kan gebruik gemaakt worden van dragers die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn het informaticasysteem te gebruiken.]1
  
Art. 464/32. [1 Si des informations visées à l'article 464/29, § 2, 2°, sont stockées dans un système informatique, mais que la saisie du support n'est pas opportune, il est procédé à la copie de ces données, ainsi que des données nécessaires pour pouvoir les comprendre, sur des supports appartenant à l'autorité. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, il peut être fait usage de supports qui sont à la disposition de personnes habilitées à utiliser le système informatique.]1
  
Art. 464/33. [1 § 1. De SUO-magistraat kan de onroerende goederen die een zaak in de zin van artikel 464/29, § 2, 1°, vormen, in beslag laten nemen.
   § 2. Het beslag wordt op vordering van de SUO-magistraat gelegd bij proces-verbaal dat door deze magistraat of de gevorderde politiedienst aan de eigenaar wordt betekend. In voorkomende geval wordt het proces-verbaal van inbeslagneming betekend aan de blote eigenaar, de vruchtgebruiker, de erfpachter, de opstalhouder en, in voorkomende geval, de huurder.
   Het proces-verbaal van inbeslagneming bevat op straffe van nietigheid :
   1° een afschrift van de vordering van de SUO-magistraat;
   2° de identiteit van de beslagene, met vermelding van zijn naam, voornaam, woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats en de geboortedatum- en plaats, indien het een natuurlijk persoon betreft, of van zijn benaming, rechtsvorm, ondernemingsnummer en zetel, indien het een rechtspersoon betreft;
   3° een omschrijving van het onroerend goed waarop beslag wordt gelegd op de wijze die is voorgeschreven door artikel 141 van de Hypotheekwet van 16 december 1851;
   4° een uittreksel uit de kadastrale legger, dat minder dan drie maanden oud is;
   5° de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek;
   § 3. Binnen vierentwintig uur na de handeling van het beslag biedt de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst het proces-verbaal van inbeslagneming ter overschrijving aan op het [2 bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2 van de plaats waar de goederen gelegen zijn.
   De overschrijving wordt door de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2, op straffe van schadevergoeding, gedaan uiterlijk binnen acht dagen na de afgifte van het voormelde proces-verbaal van inbeslagneming. Als dagtekening van de overschrijving geldt evenwel de dag van afgifte van het proces-verbaal.
   Als de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2 de overschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming niet kan verrichten op het ogenblik dat hij wordt gevorderd, dan vermeldt [2 zij ]2 op de originele processen-verbaal die bij [2 haar]2 worden achtergelaten de dag en het uur waarop zij [2 haar]2 werden overhandigd.
   § 4. Het beslag doet geen afbreuk aan de uitoefening van het recht van de eigenaar of elke andere gerechtigde persoon om het in beslag genomen onroerend goed verder te gebruiken als een goede huisvader.
   § 5 De burgerlijke vruchten die het onroerend goed tijdens de duur van het beslag opbrengt, zijn in het beslag be-grepen, behoudens andersluidende beslissing van de SUO-magistraat.
   De SUO-magistraat kan het COIV verzoeken om in te staan voor de inning van de vruchten van een onroerend goed. Indien het beslag uitgaat van een magistraat van het COIV, kan hij ambtshalve beslissen deze vruchten te innen. Onverminderd de toepassing van artikel 464/36 staat er geen rechtsmiddel open tegen de beslissing van de SUO-magistraat.
   Het COIV brengt de in het tweede lid bedoelde beslissing tweede lid ter kennis van de schuldenaar en schuldeiser van deze inkomsten bij een aangetekend schrijven of door de overhandiging van een proces-verbaal. De kennisgeving bevat de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van Strafwetboek.
   Vanaf de ontvangst van de kennisgeving worden alle burgerlijke vruchten die tijdens het beslag vervallen, van rechtswege begrepen in het voorwerp van het beslag.
   De schuldenaar en de schuldeiser mogen de geldsommen die begrepen zijn in het voorwerp van het beslag niet meer op een andere wijze uit handen geven dan die welke in het zesde lid wordt bedoeld, op straffe van toepassing van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.
   De schuldenaar van de inkomsten kan enkel bevrijdend betalen in handen van het COIV. Betalingen in handen van de schuldeiser die zijn verricht na de regelmatige kennisgeving van de in het tweede lid bedoelde beslissing, kunnen niet worden tegengeworpen aan de Staat.
   § 6. Het bewarend beslag op onroerend goed geldt gedurende drie jaar met ingang van de dagtekening van de overschrijving, behoudens vernieuwing overeenkomstig § 7. Bij het verstrijken van deze termijn verliest het beslag van rechtswege zijn uitwerking en wordt er geen melding meer van gemaakt in hypothecaire getuigschriften.
   De in het eerste lid bedoelde termijn wordt geschorst gedurende de procedure voor de vervreemding van het onroerend goed, vanaf de ontvangst van de toelating tot vervreemding door het COIV of vanaf de datum van de beslissing tot vervreemding door de magistraat van het COIV die het SUO voert, tot de dag waarop het goed is verkocht.
   Op verzoek van de directeur van het COIV wordt de definitieve beslissing tot vervreemding van het onroerend goed door de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2 op beknopte wijze vermeld op de kant van het overgeschreven beslagexploot.
   § 7. De SUO-magistraat kan vóór het verstrijken van de geldigheidsduur de vernieuwing van het gelegde beslag bevelen.
   De beslissing van de magistraat wordt door hemzelf of door de gevorderde politiedienst door middel van een proces-verbaal ter kennis gebracht van de in § 2, eerste lid, bedoelde personen. Het proces-verbaal van kennisgeving bevat de in § 2, tweede lid, opgesomde vermeldingen.
   De vernieuwing heeft plaats op overlegging aan de [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2 van een proces-verbaal dat is ondertekend door de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, met nauwkeurige opgave van de te vernieuwen overschrijving, samen met een afschrift van de vordering van de magistraat.
   De vernieuwing geldt voor drie jaar. De nieuwe termijn gaat in op de dag waarop de overschrijving wordt vernieuwd.
   § 8. In geval van opheffing van het beslag wordt een afschrift van de beslissing van de SUO-magistraat of, in voorkomend geval, van de rechterlijke beslissing die de opheffing beveelt, ter kennis gebracht van de in § 2, eerste lid, bedoelde personen en van [2 het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2 door middel van de toezending van de beslissing bij aangetekende zending of door overhandiging ervan die vastgesteld wordt bij proces-verbaal.
   De [2 Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie]2 verricht op grond hiervan de doorhaling van de overschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming. Na de doorhaling wordt er van het beslag geen melding meer gemaakt in hypothecaire getuigschriften.]1

  
Art. 464/33. [1 § 1er. Le magistrat EPE peut faire saisir les biens immeubles qui constituent une chose au sens de l'article 464/29, § 2, 1°.
   § 2. La saisie est pratiquée sur réquisition du magistrat EPE par procès-verbal signifié au propriétaire par ce magistrat EPE ou le service de police requis, au propriétaire. Le cas échéant, le procès-verbal de saisie est signifié au nu-propriétaire, à l'usufruitier, à l'emphytéote, au superficiaire et, le cas échéant, au locataire.
   Le procès-verbal de saisie contient à peine de nullité :
   1° une copie de la réquisition du magistrat EPE;
   2° l'identité du saisi, avec mention de ses nom et prénom, de son domicile ou, à défaut de domicile, de sa résidence ainsi que la date et le lieu de naissance, s'il s'agit d'une personne physique, ou de sa dénomination, sa forme juridique, son numéro d'entreprise et son siège, s'il s'agit d'une personne morale;
   3° une description du bien immeuble sur lequel la saisie est pratiquée selon la manière prescrite à l'article 141 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851;
   4° un extrait de la matrice cadastrale, datant de moins de trois mois;
   5° le texte du présent article et de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
   § 3. Dans les vingt-quatre heures suivant l'acte de saisie, le magistrat EPE ou le service de police requis présente le procès-verbal de saisie à la transcription au [2 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 du lieu où les biens sont situés.
   La transcription est faite par [2 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2, sous peine de dommages-intérêts, au plus tard dans les huit jours de la remise du procès-verbal de saisie précité. Néanmoins, la transcription prend date du jour de la remise de ce procès-verbal.
   Si [2 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 ne peut procéder à la transcription du procès-verbal de saisie à l'instant où elle est requise, [2 elle]2 fait mention, sur les procès-verbaux originaux qui lui sont laissés, du jour et de l'heure où la remise lui en a été faite.
   § 4. La saisie ne porte pas préjudice à l'exercice du droit du propriétaire ou de toute autre personne habilitée de continuer à utiliser le bien immeuble saisi en bon père de famille.
   § 5. Les fruits civils produits par le bien immeuble pendant la durée de la saisie sont compris dans la saisie, sauf décision contraire du magistrat EPE.
   Le magistrat EPE peut demander à l'OCSC de s'occuper de l'encaissement des fruits d'un bien immeuble. Si la saisie émane d'un magistrat de l'OCSC, il peut décider d'office d'encaisser ces fruits. Sans préjudice de l'application de l'article 464/36, la décision du magistrat EPE n'est susceptible d'aucun recours.
   L'OCSC porte la décision visée à l'alinéa 2 à la connaissance du débiteur et du créancier de ces revenus par lettre recommandée ou par le biais de la remise d'un procès-verbal. La notification contient le texte du présent article et de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
   Dès réception de la notification, tous les fruits civils qui sont échus pendant la saisie sont compris d'office dans l'objet de la saisie.
   Le débiteur et le créancier ne peuvent plus se dessaisir des sommes d'argent comprises dans l'objet de la saisie d'une manière autre que celle visée à l'alinéa 6, sous peine d'application de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
   Le débiteur des revenus peut uniquement procéder au paiement libératoire entre les mains de l'OCSC. Les paiements entre les mains du créancier, qui sont effectués après la notification régulière de la décision visée à l'alinéa 2, ne sont pas opposables à l'Etat.
   § 6. La saisie immobilière conservatoire est valable pendant trois années prenant cours à la date de sa transcription, sauf renouvellement conformément au § 7. A l'expiration de ce délai, la saisie cesse de plein droit de produire des effets et il n'en est plus fait mention dans les certificats hypothécaires.
   Le délai visé à l'alinéa 1er est suspendu pendant la procédure d'aliénation du bien immeuble, depuis la réception de l'autorisation d'aliéner par l'OCSC ou depuis la date de la décision d'aliéner par le magistrat de l'OCSC qui mène l'EPE jusqu'au jour où le bien est vendu.
   A la demande du directeur de l'OCSC, [2 l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 mentionne sommairement la décision définitive d'aliéner le bien immeuble en marge de l'exploit de saisie transcrit.
   § 7. Le magistrat EPE peut ordonner le renouvellement de la saisie pratiquée avant l'expiration de la durée de validité.
   La décision du magistrat est notifiée par lui-même ou par le service de police requis, par un procès-verbal à la personne visée au § 2, alinéa 1er. Le procès-verbal de notification contient les mentions énumérées au § 2, alinéa 2.
   Le renouvellement de la transcription a lieu sur présentation [2 à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 d'un procès-verbal et signé par le magistrat EPE ou le service de police requis, contenant l'indication précise de la transcription à renouveler, accompagné d'une copie de la réquisition du magistrat.
   La durée du renouvellement est de trois ans. Le nouveau délai prend cours le jour du renouvellement de la transcription.
   § 8. En cas de levée de la saisie, il est procédé à la notification de la décision du magistrat EPE ou, le cas échéant, de la décision judiciaire ordonnant la levée, aux personnes visées au § 2, alinéa 1er, et au [2 bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 par le biais de l'envoi de la décision par envoi recommandé ou remise constatée par procès-verbal.
  [2 L'Administration générale de la Documentation patrimoniale]2 opère sur cette base la radiation de la transcription du procès-verbal Après la radiation, il n'est plus fait mention de la saisie sur les certificats hypothécaires.]1

  
Art. 464/34. [1 § 1. De SUO-magistraat kan beslag leggen op de geldsommen die de derde-beslagene moet betalen aan of op zaken die de derde-beslagene moet afgeven aan de veroordeelde of de [2 malafide derde]2 ten laste van wie het beslag wordt gelegd.
   Zijn van rechtswege in het voorwerp van het beslag begrepen :
   1° de intresten die na het beslag aan de titularis van de schuldvordering verschuldigd zijn;
   2° alle na het beslag vervallen termijnen van een schuldvordering betreffende periodieke inkomsten.
   § 2. Het beslag op een schuldvordering, met uitzondering van het beslag op rechten aan order of aan toonder, gebeurt door de schriftelijke kennisgeving van de beslissing tot inbeslagneming aan de beslagene en de derde-beslagene.
   De SUO-magistraat of de politieambtenaar brengt de beslissing ter kennis door middel van :
   1° de toezending van de beslissing per telefax of bij een aangetekende zending, of
   2° de afgifte van een kosteloos afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming dat is opgesteld door de politieambtenaar.
   De kennisgeving bevat de referenties eigen aan de zaak, alsmede de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek. In de kennisgeving gericht aan de derde-beslagene wordt bovendien de tekst van artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek vermeld.
   § 3. Vanaf de ontvangst van de kennisgeving mag de derde-beslagene de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen geven, op straffe van toepassing van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.
   De SUO-magistraat kan de derde-beslagene bevelen de geldsommen die het voorwerp zijn van het beslag over te dragen aan het COIV.
   § 4. De derde-beslagene heeft recht op de vergoeding van de kosten van de verklaring. De Koning bepaalt het maximumbedrag van deze vergoeding.]1

  
Art. 464/34. [1 § 1er. Le magistrat EPE peut saisir les sommes d'argent que le tiers saisi doit payer ou des choses que celui-ci doit remettre au condamné ou au [2 tiers de mauvaise foi]2, à l'égard de qui la saisie est pratiquée.
   Sont de plein droit compris dans l'objet de la saisie :
   1° les intérêts qui sont dus au titulaire de la créance après la saisie;
   2° tous les termes échus après la saisie d'une créance concernant des revenus périodiques.
   § 2. La saisie d'une créance, à l'exception d'une saisie de droits à ordre ou au porteur, est effectuée par notification écrite de la décision de saisie au saisi et au tiers saisi.
   Le magistrat EPE ou le fonctionnaire de police informe de la décision en procédant :
   1° à l'expédition de la décision par téléfax ou par envoi recommandé, ou
   2° à la délivrance d'une copie sans frais du procès-verbal de saisie, dressé par le fonctionnaire de police.
   La notification contient les références de l'affaire ainsi que le texte du présent article et de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal. La notification adressée au tiers saisi contient en outre le texte de l'article 1452 du Code judiciaire.
   § 3. Dès la réception de la notification, le tiers saisi ne peut plus se dessaisir des sommes ou choses qui font l'objet de la saisie, sous peine de l'application de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
   Le magistrat EPE peut ordonner au tiers saisi de transférer à l'OCSC les sommes d'argent qui font l'objet de la saisie.
   § 4. Le tiers saisi a droit au remboursement des frais de déclaration. Le Roi fixe le montant maximum de ce remboursement.]1

  
Art. 464/35. [1 § 1. De in beslag genomen roerende goederen worden neergelegd op de griffie van de rechtbank of het hof waarbij de SUO-magistraat zijn ambt uitoefent.
   De griffie staat in voor de bewaring van de in beslag genomen goederen en schrijft ze in in het daartoe bestemde register.
   § 2. In afwijking van § 1 kan de SUO-magistraat de bewaring in natura van het in beslag genomen roerend goed beëindigen en het teruggeven aan de beslagene tegen betaling van een geldsom, waarvan hij het bedrag bepaalt.
   Als de beslagene hiermee instemt, treedt de betaalde geldsom van rechtswege in de plaats van het teruggegeven in beslag genomen goed.
   § 3. In afwijking van § 1 worden de in beslag genomen geldsommen gestort op de rekening die het COIV geopend heeft bij een financiële instelling.
   Zodra zijn rekening is gecrediteerd, staat het COIV in voor de bewaring van de aan hem toevertrouwde geldsommen.
   § 4. In afwijking van § 1 kan de SUO-magistraat het COIV verzoeken in te staan voor het beheer van effecten of van geldsommen die zijn in beslag genomen bij een financiële instelling, alsmede van de andere vermogensbestanddelen die een bijzonder beheer vereisen.
   Als een magistraat van het COIV het SUO voert kan hij ambtshalve beslissen in beslag genomen effecten, geldsommen of vermogensbestanddelen in beheer te nemen.
   Het COIV kan de in beslag genomen effecten en vermogensbestanddelen toevertrouwen aan een door hem aangestelde lasthebber of beheerder.
   De SUO-magistraat maakt de door het COIV beheerde effecten en andere vermogensbestanddelen te gelde overeenkomstig artikel 464/37.]1

  
Art. 464/35. [1 § 1er. Les biens meubles saisis sont déposés au greffe du tribunal ou de la cour auprès duquel le magistrat EPE exerce son office.
   Le greffe se charge de la conservation des biens saisis et les inscrit dans un registre tenu à cet effet.
   § 2. Par dérogation au § 1er, le magistrat EPE peut mettre un terme à la conservation en nature du bien meuble saisi et le restituer au saisi contre paiement d'une somme d'argent dont il détermine le montant.
   Si le saisi y consent, la somme payée remplace de plein droit le bien saisi restitué.
   § 3. Par dérogation au § 1er, les sommes saisies sont versées sur le compte ouvert par l'OCSC dans une institution financière.
   Dès que son compte est crédité, l'OCSC s'occupe de la conservation des sommes qui lui sont confiées.
   § 4. Par dérogation au § 1er, le magistrat EPE peut demander à l'OCSC de s'occuper de la gestion des effets ou des sommes saisis dans une institution financière, ainsi que des autres biens qui nécessitent une gestion particulière.
   Si un magistrat de l'OCSC mène l'EPE, il peut décider d'office de prendre les effets, sommes ou biens saisis en gestion.
   L'OCSC peut confier les effets et biens saisis à un mandataire ou à un gérant désigné par lui.
   Le magistrat EPE réalise les effets et autres biens gérés par l'OCSC conformément à l'article 464/37.]1

  
Art. 464/36. [1 § 1. Elke persoon die benadeeld is door een inbeslagneming met betrekking tot zijn goederen kan de SUO-magistraat verzoeken deze uitvoeringshandeling op te heffen.
   § 2. Het verzoekschrift wordt met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats of zetel niet heeft. Het wordt per aangetekende zending of telefax toegezonden aan het secretariaat van het bevoegde openbaar ministerie en ingeschreven in het daartoe bestemde register.
   § 3. De SUO-magistraat doet uitspraak binnen een termijn van vijftien dagen na de inschrijving van het verzoekschrift in het register.
   Hij kan het verzoek afwijzen indien hij van oordeel is dat de noodwendigheden van het onderzoek het vereisen of wanneer de veroordeling tot de betaling van een verbeurdverklaring, de geldboete en de gerechtskosten kan worden uitgevoerd op de betrokken goederen.
   De met redenen omklede beslissing van de SUO-magistraat wordt per telefax of bij een aangetekende zending meegedeeld aan de verzoeker, en in voorkomend geval, aan zijn advocaat binnen een termijn van acht dagen na de beslissing.
   § 4. De verzoeker kan de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechter binnen vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing.
   Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen indien één van deze personen buiten het Rijk verblijft.
   De zaak wordt bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig gemaakt door een verklaring gedaan op de griffie van de gevangenis of de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier geeft onverwijld kennis van de verklaring aan de SUO-magistraat die het onderzoek voert.
   § 5. De SUO-magistraat zendt de stukken van het dossier met betrekking tot de inbeslagneming toe aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank, die ze ter griffie neerlegt. De stukken van het in de artikelen 464/14, 464/16 en 464/27 bedoelde vertrouwelijk dossier worden niet ter beschikking gesteld van de griffier, de strafuitvoeringsrechter, de verzoeker of zijn advocaat.
   De griffier stelt de verzoeker of zijn advocaat per telefax of bij een aangetekende zending, uiterlijk zeven dagen vooraf, in kennis van de plaats, de dag en het uur van de zitting. De griffier geeft onverwijld kennis van de zitting aan de SUO-magistraat.
   De stukken van het dossier die betrekking hebben op de inbeslagneming worden gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. [2 Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.]2 De verzoeker kan, op zijn verzoek, een afschrift van de stukken verkrijgen.
   De verzoeker, zijn advocaat en het openbaar ministerie worden gehoord.
   § 6. De strafuitvoeringsrechter onderzoekt uitsluitend de wettigheid en de proportionaliteit van de inbeslagneming en doet binnen een termijn van dertig dagen na de neerlegging van de verklaring in eerste en laatste aanleg uitspraak over het verzoek tot opheffing van de inbeslagneming. Deze termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel op vraag van de verzoeker of zijn advocaat.
   De strafuitvoeringsrechter kan op vraag van de verzoeker of ambtshalve de controle waarin artikel 464/18, § 2, eerste lid, voorziet laten uitvoeren indien het beslag is gesteund op gegevens die zijn verkregen op grond van een observatie die wordt bedoeld in de artikelen 464/14 en 464/27 of die de inbeslagneming van de in de artikelen 464/29, § 2, of 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers mogelijk heeft gemaakt.
   De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld kan worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
   De griffier geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak per aangetekende zending of per telefax kennis van het vonnis van de strafuitvoeringsrechter aan de verzoeker of zijn advocaat alsook aan de SUO-magistraat en, in voorkomend geval, aan de directeur van het COIV.
   Het vonnis van de strafuitvoeringsrechter is niet vatbaar voor verzet of cassatieberoep.]1

  
Art. 464/36. [1 § 1er. Toute personne lésée par une saisie concernant ses biens peut demander au magistrat EPE la levée de cet acte d'exécution.
   § 2. La requête est motivée et contient élection de domicile en Belgique si le requérant n'y a pas son domicile ou son siège. Elle est envoyée par envoi recommandé ou par téléfax au secrétariat du ministère public compétent et inscrite dans un registre tenu à cet effet.
   § 3. Le magistrat EPE statue dans un délai de quinze jours à compter de l'inscription de la requête dans le registre.
   Il peut rejeter la requête s'il estime que les nécessités de l'enquête le requièrent ou si la condamnation au paiement d'une confiscation, d'une amende et des frais de justice peut être exécutée sur les biens concernés.
   La décision motivée du magistrat EPE est communiquée au requérant et, le cas échéant, à son avocat, par téléfax ou par envoi recommandé, dans un délai de huit jours à compter de la décision.
   § 4. Le requérant peut porter l'affaire devant le juge de l'application des peines dans un délai de quinze jours à compter de la notification de la décision.
   Ce délai est prolongé de quinze jours si une de ces personnes réside hors du Royaume.
   L'affaire est portée devant le juge de l'application des peines par une déclaration faite au greffe de la prison ou au greffe du tribunal de l'application des peines et inscrite dans un dossier tenu à cet effet. Le greffier porte immédiatement la déclaration à la connaissance du magistrat EPE qui mène l'enquête.
   § 5. Le magistrat EPE envoie les pièces du dossier concernant la saisie au greffier du tribunal de l'application des peines, qui les dépose au greffe. Les pièces du dossier confidentiel visé aux articles 464/14, 464/16 et 464/27 ne sont pas mises à la disposition du greffier, du juge de l'application des peines, du requérant ou de son conseil.
   Le greffier communique, par téléfax ou par envoi recommandé, les lieux, jour et heure de l'audience au requérant ou à son avocat, au plus tard sept jours au préalable. Le greffier informe immédiatement le magistrat EPE de l'audience.
   Les pièces du dossier qui concernent la saisie sont mises à la disposition du requérant et de son avocat pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines, pendant au moins quatre jours avant la date de l'audience. [2 Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.]2 Le requérant peut, à sa demande, obtenir une copie des pièces.
   Le requérant, son avocat et le ministère public sont entendus.
   § 6. Le juge de l'application des peines examine exclusivement la légalité et la proportionnalité de la saisie et statue en premier et dernier ressort sur la demande de levée de la saisie, dans un délai de trente jours à compter du dépôt de la déclaration. Ce délai est suspendu pendant le temps de la remise, à la demande du requérant ou de son avocat.
   Le juge de l'application des peines peut, à la demande du requérant ou d'office, faire procéder au contrôle prévu par l'article 464/18, § 2, alinéa 1er, si la saisie est basée sur des données obtenues à l'aide d'une observation visée aux articles 464/14 et 464/27, ou qui a permis la saisie de biens ou des supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, ou 464/30, § 1er.
   Le requérant qui succombe peut être condamné aux dépens.
   Le greffier communique, dans les vingt-quatre heures du prononcé et par envoi recommandé ou téléfax, le jugement du juge de l'application des peines au requérant ou à son avocat ainsi qu'au magistrat EPE et, le cas échéant, au directeur de l'OCSC.
   Le jugement du juge de l'application n'est pas susceptible d'opposition ou de pourvoi en cassation.]1

  
Art. 464/37. [1 § 1. De SUO-magistraat kan het COIV machtigen om in beslag genomen goederen te vervreemden met het oog op de aanzuivering van de verschuldigde verbeurdverklaarde geldsommen, geldboeten en gerechtskosten.
   Als een magistraat van het COIV het SUO voert, kan hij ambtshalve de vervreemding bevelen met hetzelfde doel.
   § 2. Het COIV stelt in overleg met de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten een lasthebber aan die instaat voor de verkoop van de in beslag genomen goederen en de verdeling van de opbrengst.
   De in beslag genomen goederen mogen niet verkocht worden aan een lagere prijs dan de waarde die in onderling overleg is bepaald door het COIV en zijn lasthebber.
   De procedure voor de verkoop van de goederen verloopt overeenkomstig de bepalingen die toepasselijk zijn op de vervreemding van vermogensbestanddelen in het raam van het opsporingsonderzoek.
   § 3. Wanneer de beslissing tot vervreemding een onroerend goed betreft, dan gaan door de toewijzing de rechten van de ingeschreven schuldeisers van de veroordeelde over op de prijs, onder voorbehoud van de toepassing van [2 artikel 32 van de wet van 4 februari 2018 houdende de opdrachten en de samenstelling van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]2.
   § 4. De aangestelde lasthebber staat in voor de evenredige verdeling of de rangregeling overeenkomstig de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek.]1

  
Art. 464/37. [1 § 1er. Le magistrat EPE peut autoriser l'OCSC à procéder à l'aliénation de biens saisis en vue d'apurer les sommes confisquées, les amendes et les frais de justice dus.
   Si un magistrat de l'OCSC mène l'EPE, il peut d'office ordonner l'aliénation dans le même but.
   § 2. En concertation avec le fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation, de l'amende ou des frais de justice, l'OCSC désigne un mandataire qui s'occupera de la vente des biens saisis et du partage du produit.
   Les biens saisis ne peuvent être vendus à un prix inférieur à la valeur déterminée en concertation par l'OCSC et son mandataire.
   La procédure de vente des biens se déroule conformément aux dispositions applicables à l'aliénation de biens dans le cadre de l'information.
   § 3. Lorsque la décision d'aliénation porte sur un immeuble, l'adjudication a pour effet que les droits des créanciers inscrits du condamné sont reportés sur le prix, sous réserve de l'application de [2 l'article 32 de la loi du 4 février 2018 contenant les missions et la composition de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]2.
   § 4. Le mandataire désigné s'occupe de la distribution par contribution ou de l'ordre conformément aux dispositions de la partie V du Code judiciaire.]1

  
Art. 464/38. [1 § 1. De SUO-magistraat die de vervreemding heeft toegestaan of bevolen geeft kennis of gelast de kennisgeving van zijn beslissing door middel van een aangetekende zending of per telefax verzonden aan :
   1° de personen ten laste van wie en in wiens handen het beslag werd gelegd, voor zover hun adressen gekend zijn, of hun advocaten;
   2° de personen die zich blijkens de gegevens van het dossier uitdrukkelijk hebben kenbaar gemaakt als zijnde geschaad door de inbeslagneming, of hun advocaten;
   3° in geval van onroerend beslag, de schuldeisers die overeenkomstig de hypothecaire staat bekend zijn, of hun advocaten.
   Er dient geen kennisgeving gericht te worden aan de personen die hun instemming hebben gegeven met de betrokken maatregel of die afstand hebben gedaan van hun rechten op de in beslag genomen goederen.
   Evenzo dient geen kennisgeving te worden gericht aan de beslagene die overeenkomstig de artikelen 464/31, 464/33 en 464/34 op regelmatige wijze is ingelicht over de inbeslagneming en die zich niet per aangetekende zending die wordt gericht aan de SUO-magistraat heeft verzet tegen een eventuele vervreemding van het in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde in beslag genomen goed uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van het afschrift van het in artikel 464/31, § 2, eerste lid, of artikel 464/33, § 2, eerste lid, bedoelde proces-verbaal of de in artikel 464/34, § 2, tweede lid, bedoelde schriftelijke kennisgeving waarin de tekst van dit artikel is opgenomen.
   § 2. De personen aan wie de kennisgeving werd gericht kunnen de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken binnen vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing.
   Deze termijn wordt verlengd met vijftien dagen indien een van deze personen buiten het Rijk verblijft.
   De zaak wordt bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig gemaakt door een verklaring gedaan op de griffie van de gevangenis of de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en ingeschreven in een daartoe bestemd register. De griffier geeft onverwijld kennis van de afgelegde verklaring aan de magistraat die het onderzoek voert.
   § 3. De SUO-magistraat zendt de stukken van het dossier met betrekking tot de inbeslagneming en de vervreemding waarop de bestreden beslissing slaat, toe aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank, die ze ter griffie neerlegt.
   De griffier stelt de verzoeker of zijn advocaat per telefax of bij een aangetekende zending, uiterlijk zeven dagen vooraf, in kennis van de plaats, de dag en het uur van de zitting. De griffier geeft onverwijld kennis van de zitting aan de SUO-magistraat.
   De stukken van het dossier worden gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. [2 Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie ervan nemen ter plaatse.]2 De verzoeker kan, op zijn verzoek, een afschrift van de stukken verkrijgen.
   De verzoeker, zijn advocaat en het openbaar ministerie worden gehoord.
   § 4. De strafuitvoeringsrechter doet binnen een termijn van dertig dagen na de neerlegging van de verklaring in eerste en laatste aanleg uitspraak over het verzoek tot opheffing van de vervreemdingsmaatregel. Deze termijn wordt geschorst tijdens de duur van het uitstel op vraag van de verzoeker of zijn advocaat.
   De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld kan worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
   De griffier geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak per aangetekende zending of per telefax kennis van het vonnis van de strafuitvoeringsrechter aan de verzoeker of zijn advocaat alsook aan de SUO-magistraat, en, in voorkomend geval, aan de [3 magistraat van het COIV]3.
   § 5. Tegen de beslissing van de strafuitvoeringsrechter staat geen cassatieberoep open voor de verzoeker en de SUO-magistraat.]1

  
Art. 464/38. [1 § 1er. Le magistrat EPE qui a accordé ou ordonné l'aliénation communique sa décision ou ordonne la notification de celle-ci par envoi recommandé ou par téléfax :
   1° aux personnes à charge et entre les mains desquelles la saisie a été pratiquée, pour autant que leurs adresses soient connues, ou à leurs avocats;
   2° aux personnes qui, d'après les données du dossier, se sont expressément manifestées comme lésées par la saisie, ou à leurs avocats;
   3° en cas de saisie immobilière, aux créanciers connus selon l'état hypothécaire, ou à leurs avocats.
   Il ne doit pas être adressé de notification aux personnes qui ont donné leur consentement pour la mesure concernée ou qui ont renoncé à leurs droits sur les biens saisis.
   De même, il ne doit pas être adressé de notification au saisi qui a été informé de la saisie de manière régulière conformément aux articles 464/31, 464/33 et 464/34 et qui ne s'est pas opposé à une éventuelle aliénation du bien saisi visé aux articles 464/29, § 2 et 464/30, § 1er, par lettre recommandée adressée au magistrat, au plus tard dans un délai de trente jours à compter de la notification de la copie du procès-verbal visé à l'article 464/31, § 2, alinéa 1er, ou à l'article 464/33, § 2, alinéa 1er, ou de la notification écrite visée à l'article 464/34, § 2, alinéa 2, dans laquelle le texte du présent article est mentionné.
   § 2. Les personnes auxquelles la notification a été adressée peuvent saisir le juge de l'application des peines dans un délai de quinze jours à compter de la notification de la décision.
   Ce délai est prolongé de quinze jours si une de ces personnes réside hors du Royaume.
   L'affaire est portée devant le juge d'application des peines par une déclaration faite au greffe de la prison ou au greffe du tribunal d'application des peines et inscrite dans un dossier tenu à cet effet. Le greffier communique immédiatement la déclaration prononcée au magistrat qui mène l'enquête.
   § 3. Le magistrat EPE envoie les pièces du dossier concernant la saisie et l'aliénation sur lesquelles porte la décision attaquée au greffe du tribunal de l'application des peines, qui les dépose au greffe.
   Le greffier communique, par téléfax ou par envoi recommandé, les lieu, jour et heure de l'audience au requérant ou à son avocat, au plus tard sept jours au préalable. Le greffier informe immédiatement le magistrat EPE de l'audience.
   Les pièces du dossier sont mises à la disposition du requérant et son avocat, pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines, pendant au moins quatre jours avant la date de l'audience. [2 Ils peuvent eux-mêmes et par leurs propres moyens, en prendre une copie gratuitement, sur place.]2 Le requérant peut, à sa demande, obtenir une copie des pièces.
   Le requérant, son avocat et le ministère public sont entendus.
   § 4. Le juge de l'application des peines statue en premier et dernier ressort sur la demande de levée de la mesure d'aliénation, dans un délai de trente jours à compter du dépôt de la déclaration. Ce délai est suspendu pendant le temps de la remise, à la demande du requérant ou de son avocat.
   Le requérant qui succombe peut être condamné aux dépens.
   Le greffier communique, dans les vingt-quatre heures du prononcé et par envoi recommandé ou par téléfax, le jugement du juge de l'application des peines au requérant ou à son avocat, ainsi qu'au magistrat EPE et, le cas échéant, au [3 magistrat de l'OCSC]3.
   § 5. La décision du juge de l'application des peines n'est pas susceptible de pourvoi en cassation par le requérant et le magistrat EPE.]1

  
Afdeling 5. - [1 Kosten van het onderzoek]1
Section 5. [1 Des coûts de l'enquête]1
AfArt. 464/39. [1 De kosten van het SUO omvatten alle kosten die veroorzaakt worden door de toepassing van de gewone en specifieke uitvoeringshandelingen, uitgezonderd de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan het optreden van de betrokken magistraten, politieambtenaren en ambtenaren van de federale overheidsdienst Financiën.
Art. 464/39. [1 Les coûts de l'EPE comprennent tous les frais occasionnés par l'application des actes d'exécution ordinaires et spécifiques, à l'exception des frais de personnel et de fonctionnement liés à l'intervention des magistrats, fonctionnaires de police et fonctionnaires du service public fédéral Finances concernés.
AfArt. 464/40. [1 [2 De kosten die namens het ambt van de SUO-magistraat zijn gemaakt worden begroot overeenkomstig de regelgeving inzake de gerechtskosten in strafzaken.]2
Art. 464/40.[1 [2 Les frais qui sont exposés au nom de l'office du magistrat EPE sont taxés conformément la règlementation des frais de justice.]2
Afdeling 6. - [1 Afsluiting van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek]1
Section 6. - [1 De la clôture de l'enquête pénale d'exécution]1
Art. 464/41. [1 § 1. Er wordt een einde gemaakt aan het SUO indien :
   1° de veroordeelde aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
   2° de veroordeling teniet is gegaan.
   § 2. Indien de SUO-magistraat oordeelt dat het onderzoek moet worden afgesloten, brengt hij zijn beslissing ter kennis van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, en van de directeur van het COIV.
   § 3. Uiterlijk één maand nadat het SUO is afgesloten, verzoekt de magistraat die het heeft gevoerd het secretariaat van het bevoegde openbaar ministerie of het COIV, naar gelang van het geval, iedere persoon ten aanzien van wie een in artikel 464/26 bedoelde maatregel is genomen, schriftelijk in kennis te stellen van de aard van die maatregel en van de dagen waarop deze is uitgevoerd.]1

  
Art. 464/41. [1 § 1er. Il est mis fin à l'EPE si :
   1° le condamné a satisfait à son obligation de paiement;
   2° la condamnation est éteinte.
   § 2. Si le magistrat EPE estime que l'enquête doit être clôturée, il porte sa décision à la connaissance du fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement des confiscations, des amendes et des frais de justice, et du directeur de l'OCSC.
   § 3. Au plus tard un mois après la clôture de l'EPE, le magistrat qui l'a menée invite le secrétariat du ministère public compétent ou l'OCSC, selon le cas, à informer par écrit toute personne ayant fait l'objet d'une mesure visée à l'article 464/26 de la nature de ladite mesure et des dates auxquelles elle a été exécutée.]1

  
HOOFDSTUK II. - WEERSPANNIGHEID AAN DE WET.
CHAPITRE II. - DES CONTUMACES.
HOOFDSTUK III. [1 DE VERVOLGING VAN EN HET ONDERZOEK NAAR MISDADEN EN WANBEDRIJVEN INZAKE MAGISTRATEN]1
CHAPITRE III. [1 DE LA POURSUITE ET DE L'INSTRUCTION DES CRIMES ET DÉLITS IMPUTÉS À DES MAGISTRATS]1
AFDELING I. [1 - Algemene bepalingen.]1
SECTION I. [1 - Dispositions générales.]1
Art. 479. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een bij een misdrijf betrokken magistraat verstaan hij die van het plegen van een misdaad of wanbedrijf verdacht, in verdenking gesteld, beklaagd of beschuldigd wordt en die op het moment van het misdrijf of op het moment van de vervolging een van volgende ambten bekleedt:
   - vrederechter of rechter in de politierechtbank met uitzondering van de plaatsvervangende rechters;
   - magistraat in of bij de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de ondernemingsrechtbank, met uitzondering van de rechters in sociale zaken, de rechters in ondernemingszaken of de plaatsvervangende rechters;
   - magistraat in of bij het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof, met uitzondering van de raadsheren in sociale zaken of de plaatsvervangende raadsheren;
   - elke andere magistraat van het openbaar ministerie;
   - magistraat van het Grondwettelijk Hof, de Raad van State, het auditoraat bij de Raad van State, het Rekenhof of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
   Dit hoofdstuk is niet van toepassing op handelingen door de bij een misdrijf betrokken magistraat gesteld na zijn opruststelling, tenzij hij het ambt van plaatsvervangend magistraat bekleedt of zijn ambt verder uitoefent overeenkomstig de artikelen 156bis, 383, §§ 2 tot 4, en 383bis van het Gerechtelijk Wetboek.]1

  
Art. 479. [1 Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par magistrat mis en cause celui qui est soupçonné, inculpé, prévenu ou accusé du chef d'un crime ou d'un délit et revêtu de l'une des fonctions suivantes soit au moment de l'infraction, soit au moment de la poursuite:
   - juge de paix ou juge au tribunal de police à l'exclusion des juges suppléants;
   - magistrat au ou près le tribunal de première instance, le tribunal du travail ou le tribunal de l'entreprise, à l'exclusion des juges sociaux, consulaires ou suppléants;
   - magistrat à ou près la Cour de cassation, la cour d'appel ou la cour du travail, à l'exclusion des conseillers sociaux ou suppléants;
   - tout autre magistrat du ministère public;
   - magistrat de la Cour constitutionnelle, du Conseil d'Etat, de l'auditorat du Conseil d'Etat, de la Cour des comptes ou du Conseil du Contentieux des étrangers.
   Le présent chapitre ne s'applique pas aux actes posés par le magistrat en cause après son admission à la retraite, sauf s'il est revêtu de la fonction de magistrat suppléant ou qu'il continue d'exercer sa fonction en application des articles 156bis, 383, §§ 2 à 4, et 383bis du Code judiciaire.]1

  
Art. 480. [1 De overige bepalingen van dit Wetboek die niet in strijd zijn met de in dit hoofdstuk beschreven procedure worden nageleefd.]1
  
Art. 480. [1 Les autres dispositions du présent Code qui ne sont pas contraires à la procédure prescrite au présent chapitre sont observées.]1
  
Art. 481. [1 Met uitzondering van de misdrijven die tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoren, is enkel het hof van beroep bevoegd om bij een misdrijf betrokken magistraten te berechten.]1
  
Art. 481. [1 A l'exception des infractions qui ressortissent à la cour d'assises, la cour d'appel est seule compétente pour juger les magistrats mis en cause.]1
  
Art. 482. [1 Een bij een misdrijf betrokken magistraat wordt uitsluitend door de procureur-generaal bij het hof van beroep vervolgd.
   De burgerlijkepartijstelling tegen een bij een misdrijf betrokken magistraat is enkel ontvankelijk wanneer deze plaatsvindt bij de onderzoeksmagistraat, de kamer van inbeschuldigingstelling, de correctionele kamer van het hof van beroep of het hof van assisen voor misdaden of wanbedrijven die voorafgaandelijk bij hen aanhangig gemaakt werden overeenkomstig dit hoofdstuk.]1

  
Art. 482. [1 Les poursuites à l'encontre d'un magistrat mis en cause sont intentées exclusivement par le procureur général près la cour d'appel.
   La constitution de partie civile à l'encontre d'un magistrat mis en cause n'est recevable que devant le magistrat instructeur, la chambre des mises en accusation, la chambre correctionnelle de la cour d'appel ou la cour d'assises, du chef du crime ou délit dont ils ont été préalablement saisis conformément au présent chapitre.]1

  
AFDELING II.
SECTION II.
Art. 483. [1 Tegen de beslissingen van het hof van beroep, correctionele kamer of de kamer van inbeschuldigingstelling is geen hoger beroep mogelijk.
   Tegen de beslissingen van de onderzoekmagistraat kan in dezelfde mate en volgens dezelfde vorm en voorwaarden hoger beroep ingesteld worden als tegen de beslissingen van de onderzoeksrechter in het gemeen recht. Dit hoger beroep wordt ingesteld op de griffie van de kamer van inbeschuldigingstelling. De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak overeenkomstig het gemeen recht.]1

  
Art. 483. [1 Il n'y a pas d'appel contre les décisions de la cour d'appel, chambre correctionnelle ou chambre des mises en accusation.
   Les décisions du magistrat instructeur peuvent faire l'objet d'un appel dans la même mesure et sous les mêmes formes et conditions que celles du juge d'instruction selon le droit commun. L'appel est formé au greffe de la chambre des mises en accusation. La chambre des mise en accusation statue selon le droit commun.]1

  
Afdeling 2. [1 - Het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.]1
Section 2. [1 - De l'information et de l'instruction]1
Art. 484. [1 De ambtsverrichtingen die in het gemeen recht tot de bevoegdheid van de procureur des Konings behoren, worden uitgeoefend door de bevoegde procureur-generaal bij het hof van beroep of de door hem hiertoe aangewezen magistraat van het openbaar ministerie. De ambtsverrichtingen die in het gemeen recht tot de bevoegdheid van de onderzoeksrechter behoren worden door de eerste voorzitter van dit hof, of door de door hem hiertoe aangewezen raadsheer in het hof van beroep of rechter in de rechtbank van eerste aanleg van zijn rechtsgebied uitgeoefend.
   Op het hele grondgebied van het Rijk stellen zij of laten zij alle opsporings- of onderzoekhandelingen stellen die tot hun respectieve bevoegdheden behoren. In voorkomend geval brengen zij de procureur-generaal van het rechtsgebied waar de handeling gesteld moet worden hiervan op de hoogte. Deze procureur-generaal licht op zijn beurt de procureur des Konings van het arrondissement waar de handeling gesteld moet worden in.
   De bevoegdheden die in het gemeen recht tot de raadkamer behoren worden door de kamer van inbeschuldigingstelling uitgeoefend.]1

  
Art. 484. [1 Les pouvoirs qui ressortissent au procureur du Roi selon le droit commun sont exercés par le procureur général près la cour d'appel compétent, ou par le magistrat du ministère public qu'il désigne à cette fin. Les pouvoirs qui ressortissent au juge d'instruction selon le droit commun sont exercés par le premier président de la cour d'appel, ou par le conseiller à la cour d'appel ou le juge au tribunal de première instance de son ressort qu'il désigne à cette fin.
   Ils procèdent et font procéder à tout acte d'information ou d'instruction relevant de leurs attributions respectives sur tout le territoire du Royaume. Ils en informent le cas échéant le procureur général du ressort où l'acte doit être posé, qui en informe à son tour le procureur du Roi de l'arrondissement où l'acte doit être posé.
   Les compétences qui ressortissent à la chambre du conseil selon le droit commun sont exercées à la chambre des mises en accusation.]1

  
Art. 485. [1 Bij ontdekking op heterdaad gelden de door dit Wetboek en de bijzondere wetten bepaalde uitzonderingen op het gemeen recht.
   Iedere officier van gerechtelijke politie kan een misdrijf ontdekt op heterdaad vaststellen en de nodige maatregelen nemen tot op het moment waarop de in artikel 484 vermelde magistraten optreden.]1

  
Art. 485. [1 En cas de flagrant délit, les dérogations à la procédure de droit commun prévues par le présent Code et les lois particulières s'appliquent.
   Tout officier de police judiciaire peut constater un flagrant délit et prendre les mesures nécessaires jusqu'à l'intervention des magistrats visés à l'article 484.]1

  
Afdeling 3. [1 - Verwijzing naar een ander rechtsgebied en aangifte van misdaden en wanbedrijven.]1
Section 3. [1 - Du renvoi à un autre ressort et de la dénonciation des crimes et délits.]1
Art. 486. [1 Indien het een magistraat van of bij een hof van beroep of arbeidshof betreft die bij een misdrijf betrokken is en het bevoegde hof van beroep datgene is van het rechtsgebied van het gerecht waarbij deze magistraat benoemd werd, wordt als volgt gehandeld.
   Indien een gerechtelijk onderzoek gevorderd werd, bezorgt de procureur-generaal onverwijld het origineel of een afschrift van de stukken aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie zonder vertraging van het gerechtelijk onderzoek dat verder gevoerd wordt tot de zaak verwezen wordt volgens de procedure bedoeld in het derde lid.
   De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie legt het dossier onverwijld voor aan de kamer van dit Hof bevoegd voor de behandeling van cassatieberoepen in criminele en correctionele zaken en hij vordert de verwijzing van de zaak naar een hof van beroep van een ander rechtsgebied dan dat van de bij een misdrijf betrokken magistraat. Zonder de partijen op te roepen doet het Hof van Cassatie onmiddellijk en definitief uitspraak wanneer de in de vordering en de bewijsstukken aangehaalde elementen volstaan voor het bevelen van de verwijzing of wanneer de vordering klaarblijkelijk onontvankelijk is.
   Indien geen gerechtelijk onderzoek gevorderd werd en de procureur-generaal van oordeel is dat een gerechtelijk onderzoek moet worden gevoerd of strafvervolging voor de strafrechter moet worden ingesteld, bezorgt hij het origineel of een afschrift van de stukken aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie die de zaak verwijst naar de procureur-generaal van een ander rechtsgebied dan dat van de bij een misdrijf betrokken magistraat.]1

  
Art. 486. [1 Si c'est un magistrat d'une ou près une cour d'appel ou du travail qui est mis en cause et que la cour d'appel compétente est celle du ressort de la juridiction où ce magistrat a été nommé, il est procédé comme suit.
   Si le dossier est à l'instruction, le procureur général transmet sans délai, en original ou en copie, les pièces au procureur général près la Cour de cassation sans retard de l'instruction, qui sera continuée jusqu'à ce que l'affaire soit renvoyée selon la procédure visée à l'alinéa 3.
   Le procureur général près la Cour de cassation saisit sans délai la chambre de cette Cour qui connaît des pourvois en matière criminelle et correctionnelle et requiert le renvoi de l'affaire à une cour d'appel d'un ressort autre que celui du magistrat mis en cause. La Cour de cassation statue sans convocation des parties, immédiatement et définitivement lorsque les éléments reproduits dans la requête et les pièces justificatives suffisent pour ordonner ce renvoi ou lorsque la requête est manifestement irrecevable.
   Si le dossier n'a pas été mis à l'instruction et que le procureur général estime qu'il y a lieu de mettre le dossier à l'instruction ou de saisir une juridiction de fond, il transmet les pièces en original ou en copie au procureur général près la Cour de cassation, qui renvoie l'affaire au procureur général d'un autre ressort que celui du magistrat mis en cause.]1

  
Art. 487. [1 De minister van Justitie bezorgt de door hem ontvangen aangiften en klachten over een bij een misdrijf betrokken magistraat via een schriftelijke kennisgeving aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie die deze aan de bevoegde procureur-generaal bij het hof van beroep voor behandeling toezendt.
   Een misdaad of wanbedrijf in verband met de uitoefening van het ambt van magistraat kan ook rechtstreeks bij het Hof van Cassatie aangegeven worden door de persoon die beweert benadeeld te zijn, maar enkel wanneer hij ook een verzoek tot verhaal op de rechter of op de rechtbank indient of wanneer de aangifte incidenteel gedaan wordt in een zaak die voor het Hof van Cassatie aanhangig is.
   In het geval bedoeld in het tweede lid of wanneer bij het onderzoek van een dossier betreffende het verhaal op de rechter of op de rechtbank of van eender welke andere zaak en zonder dat er sprake is van een rechtstreekse of incidentele aangifte, een van de kamers van het Hof van Cassatie een misdaad of wanbedrijf vaststelt inzake een magistraat doet zij van deze feiten ambtshalve aangifte bij de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie die deze aan de bevoegde procureur-generaal bij het hof van beroep voor behandeling toezendt. Deze kamer kan in dat geval ook beslissen het onderzoek van de hangende zaak op te schorten in afwachting van de beslissing van de procureur-generaal bij het hof van beroep of het in kracht van gewijsde treden van het arrest over de feiten waarvan aangifte werd gedaan.]1

  
Art. 487. [1 Le ministre de la Justice transmet par notification écrite les dénonciations et plaintes qu'il reçoit d'un magistrat mis en cause au procureur général près la Cour de cassation, lequel les transmet pour traitement au procureur général près la cour d'appel compétent.
   Un crime ou un délit relatif à l'exercice des fonctions du magistrat peut aussi être dénoncé directement à la Cour de cassation par les personnes qui se prétendent lésées, mais seulement lorsqu'elles demandent à prendre à partie le tribunal ou le juge, ou lorsque la dénonciation est incidente à une affaire pendante à la Cour de cassation.
   Dans le cas visé à l'alinéa 2, ou lorsque, dans l'examen d'une demande en prise à partie ou de toute autre affaire, et sans qu'il y ait de dénonciation directe ni incidente, l'une des chambres de la Cour de cassation aperçoit quelque crime ou délit en cause d'un magistrat, elle dénonce d'office les faits au procureur général près la Cour de cassation lequel les dénonce pour traitement au procureur général près la cour d'appel compétent. Cette chambre peut aussi dans ce cas décider de suspendre l'examen de l'affaire pendante dans l'attente de la décision du procureur général près la cour d'appel ou de l'arrêt coulé en force de chose jugée quant aux faits qu'elle a dénoncés.]1

  
Afdeling 4. [1 Aanhouding en voorlopige hechtenis]1
Section 4. [1 - De l'arrestation et de la détention préventive]1
Art. 488. [1 Buiten heterdaad is de aanhouding van een bij een misdrijf betrokken magistraat enkel mogelijk op bevel van de bevoegde procureur-generaal, eerste voorzitter of onderzoeksmagistraat.
   De bepalingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis die niet in strijd zijn met de in dit hoofdstuk beschreven procedure worden nageleefd.]1

  
Art. 488. [1 Hormis le cas de flagrant délit, l'arrestation d'un magistrat mis en cause n'est possible que sur l'ordre du procureur général, du premier président ou du magistrat instructeur compétent.
   Les dispositions de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive qui ne sont pas contraires à la procédure prescrite au présent chapitre s'appliquent.]1

  
Afdeling 5. [1 - Samenhang.]1
Section 5. [1 - De la connexité]1
Art. 489. [1 De mededaders en medeplichtigen van het misdrijf waarvoor de bij een misdrijf betrokken magistraat vervolgd wordt en de daders van de samenhangende misdrijven worden samen met deze magistraat vervolgd en berecht.
   Zelfs wanneer zij niet met een rechterlijk ambt bekleed zijn, maken zij het voorwerp uit van hetzelfde opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek.]1

  
Art. 489. [1 Les coauteurs et les complices de l'infraction pour laquelle le magistrat mis en cause est poursuivi et les auteurs des infractions connexes sont poursuivis et jugés en même temps que ce magistrat.
   L'information ou l'instruction leur est commune, lors même qu'ils ne seraient pas revêtus de fonctions judiciaires.]1

  
HOOFDSTUK IV. - MISDRIJVEN TEGEN DE EERBIED AAN DE GESTELDE OVERHEDEN VERSCHULDIGD.
CHAPITRE IV. - DES DELITS CONTRAIRES AU RESPECT DU AUX AUTORITES CONSTITUEES.
Art. 504. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 32>
Art. 504. [Abrogé] <L 10-10-1967, art. 32>
Art. 505. (Opgeheven) <W 10-10-1967, art. 32>
Art. 505. [Abrogé] <L 10-10-1967, art. 32>
Art. 506. Betreft het een misdaad gepleegd ter terechtzitting van een enkele rechter of van een rechtbank waartegen hoger beroep openstaat, dan verwijst de rechter of de rechtbank, na de dader te hebben doen aanhouden en van de feiten proces-verbaal te hebben opgemaakt, de stukken en de verdachte naar de bevoegde rechters.
Art. 506. S'il s'agit d'un crime commis à l'audience d'un juge seul, ou d'un tribunal sujet à appel, le juge ou le tribunal, après avoir fait arrêter le délinquant et dressé procès-verbal des faits, enverra les pièces et [l'inculpé] devant les juges compétents. <L 10-07-1967, art. 1, 206°>
Art. 507. Ten aanzien van de feitelijkheden die tot misdaad zijn geworden, of van alle andere op heterdaad vastgestelde misdaden, gepleegd ter terechtzitting van het Hof van Cassatie, van een hof van beroep of van een hof van assisen (...), gaat het hof onmiddellijk en bij voorrang tot het berechten daarvan over. <W 10-07-1967, art. 1, 207°>
  Het hoort de getuigen, de dader en de raadsman die hij gekozen heeft of die de voorzitter hem heeft toegevoegd; na de feiten te hebben vastgesteld en de procureur-generaal of zijn substituut te hebben gehoord, alles in het openbaar, legt het de straf op bij een met redenen omkleed arrest.
Art. 507. A l'égard des voies de fait qui auraient dégénéré en crimes, ou de tous autres crimes flagrants et commis à l'audience de la Cour de cassation, [d'une cour d'appel ou d'une cour d'assises], la cour procédera au jugement de suite et sans désemparer. <L 10-07-1967, art. 1, 207°>
  Elle entendra les témoins, le délinquant et le conseil qu'il aura choisi ou qui lui aura été désigné par le président; et, après avoir constaté les faits et ouï le procureur général ou son substitut, le tout publiquement, elle appliquera la peine par un arrêt qui sera motivé.
Art. 508. Indien er in het geval van het vorige artikel vijf of zes rechters tegenwoordig zijn op de terechtzitting, zijn vier stemmen vereist voor de veroordeling.
  Zijn er zeven tegenwoordig, dan zijn vijf stemmen vereist voor de veroordeling.
  Zij er acht of meer tegenwoordig, dan wordt het veroordelend arrest uitgesproken met drie vierden van de stemmen, met dien verstande, dat indien er na de berekening van die drie vierden een breuk overblijft, deze ten voordele komt van de vrijspraak.
Art. 508. Dans le cas de l'article précédent, si les juges présents à l'audience sont au nombre de cinq ou de six, il faudra quatre voix pour opérer la condamnation.
  S'ils sont au nombre de sept, il faudra cinq voix pour condamner.
  Au nombre de huit et au delà, l'arrêt de condamnation sera prononcé aux trois quarts des voix, de manière toutefois que, dans le calcul de ces trois quarts, les fractions, s'il s'en trouve, soient appliquées en faveur de l'absolution.
Art. 509. Wanneer de provinciegouverneurs, arrondissementscommissarissen, burgemeesters en schepenen, officieren van administratieve of van gerechtelijke politie, in het openbaar enige handeling van hun ambt verrichten, oefenen ook zij de bij artikel 504 geregelde politiebevoegdheden uit; en na de rustverstoorders te hebben doen vatten, maken zij proces-verbaal op van het misdrijf en verwijzen dit proces-verbaal, indien daartoe grond bestaat, alsmede de verdachten naar de bevoegde rechters.
Art. 509. [Les gouverneurs de province, commissaires d'arrondissement, bourgmestres et échevin], officiers de police administrative ou judiciaire, lorsqu'ils rempliront publiquement quelques actes de leur ministère, exerceront aussi les fonctions de police réglées par l'article 504; et, après avoir fait saisir les perturbateurs, ils dresseront procès-verbal du délit, et enverront ce procès-verbal, s'il y a lieu, ainsi que les [inculpés], devant les juges compétents. <L 10-07-1967, art. 1, 208°>
HOOFDSTUK V. - WIJZE WAAROP GETUIGENISSEN VAN DE PRINSEN EN VAN SOMMIGE STAATSAMBTENAREN WORDEN AFGENOMEN IN CRIMINELE, CORRECTIONELE EN POLITIEZAKEN.
CHAPITRE V. - DE LA MANIERE DONT SERONT RECUES, EN MATIERE CRIMINELLE, CORRECTIONNELLE ET DE POLICE, LES DEPOSITIONS DES PRINCES ET DE CERTAINS FONCTIONNAIRES DE L'ETAT.
Art. 510. De prinsen of prinsessen van koninklijken bloede, (...) en de minister van Justitie kunnen nooit als getuige worden gedagvaard, zelfs niet voor de debatten die ten overstaan van de jury worden gehouden, tenzij de Koning, op verzoek van een partij en op verslag van de minister van Justitie, bij een bijzonder besluit die verschijning toelaat. <W 10-07-1967, art. 1, 209°>
Art. 510. Les princes ou princesses du sang [royal, et le Ministre de la Justice] ne pourront jamais être cités comme témoins, même pour les débats qui ont lieu en présence du jury, si ce n'est dans le cas où [le Roi], sur la demande d'une partie et le rapport du [Ministre de la Justice], aurait, par un [arrêté] spécial, autorisé cette comparution. <L 10-07-1967, art. 1, 209°>
Art. 511. De getuigenissen van de personen van die hoedanigheid worden, behoudens de hierboven bepaalde uitzondering, schriftelijk opgemaakt en afgenomen door de eerste voorzitter van het hof van beroep, indien de in het vorige artikel genoemde personen in de hoofdplaats van een hof van beroep verblijven of zich aldaar bevinden; anders door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar zij hun woonplaats hebben of waar zij zich toevallig bevinden.
  Te dien einde zendt het hof of de onderzoeksrechter waarbij de zaak aanhangig is, aan de voornoemde voorzitter een opgave van de feiten en vraagpunten waarover het getuigenis gevorderd wordt.
  Deze voorzitter begeeft zich naar de woning van de bedoelde personen om hun getuigenis af te nemen.
Art. 511. Les dépositions des personnes de cette qualité seront, sauf l'exception ci-dessus prévue, rédigées par écrit et reçues par le premier président de la [cour d'appel], si les personnes dénommées en l'article précédent résident ou se trouvent au chef-lieu d'une [cour d'appel]; sinon par le président du tribunal de première instance de l'arrondissement dans lequel elles auraient leur domicile, ou se trouveraient accidentellement. <L 10-07-1967, art. 1, 210°>
  Il sera, à cet effet, adressé par la cour ou le juge d'instruction saisi de l'affaire, au président ci-dessus nommé, un état des faits, demandes et questions, sur lesquels le témoignage est requis.
  Ce président se transportera aux demeures des personnes dont il s'agit, pour recevoir leurs dépositions.
Art. 512. De aldus afgenomen getuigenissen worden dadelijk op de griffie neergelegd of gesloten en verzegeld toegezonden aan de griffie van het hof of van de rechter die ze heeft gevorderd, en onverwijld meegedeeld aan de ambtenaar belast met het openbaar ministerie.
  Bij het onderzoek voor de jury worden zij aan de gezworenen in het openbaar voorgelezen en aan de debatten onderworpen, op straffe van nietigheid.
Art. 512. Les dépositions ainsi reçues seront immédiatement remises au greffe, ou envoyées closes et cachetées à celui de la cour ou du juge requérant, et communiquées sans délai à l'officier chargé du ministère public.
  Dans l'examen devant le jury, elles seront lues publiquement aux jurés et soumises aux débats, sous peine de nullité.
Art. 513. Ingeval de Koning een besluit neemt waarbij de verschijning van enige van de voormelde personen voor de jury wordt bevolen of toegelaten, wijst hetzelfde koninklijk besluit het ceremonieel aan dat te hunnen opzichte in acht zal worden genomen.
Art. 513. Dans le cas où [le Roi aurait pris un arrêté] ordonnant ou autorisant la comparution de quelques-unes des personnes ci-dessus désignées, devant le jury, le même [arrêté royal] désignera le cérémonial à observer à leur égard. <L 10-07-1967, art. 1, 211°>
Art. 514. Ten opzichte van andere ministers dan de minister van Justitie, (...), ambassadeurs of andere agenten van de Koning bij de vreemde staatshoofden geaccrediteerd, wordt gehandeld als volgt : <W 10-07-1967, art. 1, 212°>
  Indien hun getuigenis gevorderd wordt hetzij voor het hof van assisen, hetzij voor de onderzoeksrechter van de plaats van hun verblijf of van de plaats waar zij zich toevallig bevinden, moeten zij getuigenis afleggen in de gewone vorm.
  Indien het een getuigenis betreft in een zaak die vervolgd wordt buiten de plaats waar zij voor de uitoefening van hun ambt verblijven en buiten de plaats waar zij zich toevallig bevinden, en indien het getuigenis niet gevorderd wordt voor de jury, doet de voorzitter of de onderzoeksrechter bij wie de zaak aanhangig is, aan zijn ambtgenoot van de plaats waar die ambtenaren uit hoofde van hun ambt verblijven, een opgave toekomen van de feiten en vraagpunten waarover het getuigenis wordt gevorderd.
  Indien het een getuigenis betreft van een bij een vreemde regering residerend agent, wordt die opgave gezonden aan de minister van Justitie, die ze te bestemder plaatse laat bezorgen en de persoon aanwijst die het getuigenis zal afnemen.
Art. 514. A l'égard des ministres [autres que le Ministre de la Justice] ambassadeurs ou autres agents [du Roi accrédités près les chefs d'Etat étrangers], il sera procédé comme suit : <L 10-07-1967, art. 1, 212°>
  Si leur déposition est requise devant la cour d'assises ou devant le juge d'instruction du lieu de leur résidence ou de celui où ils se trouveraient accidentellement, ils devront la fournir dans les formes ordinaires.
  S'il s'agit d'une déposition relative à une affaire poursuivie hors du lieu où ils résident pour l'exercice de leurs fonctions et de celui où ils se trouveraient accidentellement, et si cette déposition n'est pas requise devant le jury, le président ou le juge d'instruction saisi de l'affaire adressera à celui du lieu où résident ces fonctionnaires à raison de leurs fonctions, un état des faits, demandes et questions sur lesquels leur témoignage est requis.
  S'il s'agit du témoignage d'un agent résidant auprès d'un gouvernement étranger, cet état sera adressé au ministre de la justice, qui en fera le renvoi sur les lieux, et désignera la personne qui recevra la déposition.
Art. 515. De voorzitter of de onderzoeksrechter aan wie de in het vorige artikel vermelde opgave wordt toegezonden, doet de ambtenaar voor zich dagvaarden en laat hem schriftelijk getuigenis afleggen.
Art. 515. Le président ou le juge d'instruction auquel sera adressé l'état mentionné en l'article précédent fera assigner le fonctionnaire devant lui, et recevra sa déposition par écrit.
Art. 516. Dit getuigenis wordt gesloten en verzegeld toegezonden aan de griffie van het hof of van de rechter die het gevorderd heeft, alsook meegedeeld en voorgelezen zoals in artikel 512 is bepaald en onder dezelfde straffen.
Art. 516. Cette déposition sera envoyée close et cachetée au greffe de la cour du juge requérant, communiquée et lue, comme il est dit en l'article 512, et sous les mêmes peines.
Art. 517. Wanneer ambtenaren van de hoedanigheid als vermeld in artikel 514, gedagvaard worden om als getuige te verschijnen voor een jury die vergaderd is buiten de plaats waar zij voor de uitoefening van hun ambt verblijven of waar zij zich toevallig bevinden, kunnen zij daarvan bij een koninklijk besluit worden vrijgesteld.
  In dat geval leggen zij schriftelijk getuigenis af en de voorschriften van de artikelen 514, 515 en 516 worden in acht genomen.
Art. 517. Si les fonctionnaires de la qualité exprimée dans l'article 514 sont cités à comparaître comme témoins devant un jury assemblé hors du lieu où ils résident pour l'exercice de leurs fonctions, ou de celui où ils se trouveraient accidentellement, ils pourront en être dispensés par un [arrêté royal]. <L 10-07-1967, art. 1, 213°>
  Dans ce cas, ils déposeront par écrit et l'on observera les dispositions prescrites par les articles 514, 515 et 516.
HOOFDSTUK VI. - VASTSTELLING VAN DE IDENTITEIT VAN ONTVLUCHTE EN OPNIEUW AANGEHOUDEN VEROORDEELDEN.
CHAPITRE VI. - DE LA RECONNAISSANCE DE L'IDENTITE DES INDIVIDUS CONDAMNES, EVADES ET REPRIS.
Art. 518. De vaststelling van de identiteit van een veroordeelde die ontvlucht is en opnieuw aangehouden, geschiedt door het hof dat hem veroordeeld heeft.
  (Lid 2 opgeheven) <W 10-07-1967, art. 1, 214°>
Art. 518. La reconnaissance de l'identité d'un individu condamné, évadé et repris sera faite par la cour qui aura prononcé sa condamnation.
  [Alinéa 2 abrogé] <L 10-07-1967, art. 1, 214°>
Art. 519. De desbetreffende vonnissen worden gewezen zonder bijstand van gezworenen, nadat het hof de getuigen gehoord heeft die opgeroepen zijn zowel op verzoek van de procureur-generaal als van de aangehoudene, indien deze getuigen heeft doen dagvaarden.
  De terechtzitting is openbaar en de aangehoudene moet tegenwoordig zijn, op straffe van nietigheid.
Art. 519. Tous ces jugements seront rendus sans assistance de jurés, après que la cour aura entendu les témoins appelés tant à la requête du procureur général qu'à celle de l'individu repris, si ce dernier en a fait citer.
  L'audience sera publique, et l'individu repris sera présent, à peine de nullité.
Art. 520. De procureur-generaal en de aangehoudene kunnen zich, in de vorm en binnen de termijn bij dit wetboek bepaald, in cassatie voorzien tegen het arrest dat op de vordering tot vaststelling van identiteit gewezen is.
Art. 520. Le [procureur général] et l'individu repris pourront se pourvoir en cassation, dans la forme et dans le délai déterminés par le présent Code, contre l'arrêt rendu sur la poursuite en reconnaissance d'identité. <L 10-07-1967, art. 1, 215°>
HOOFDSTUK VIbis. [1 - Opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffenstraffen, opsluitingen of interneringen.]1
CHAPITRE VIbis. [1 - Recherche de personnes qui se sont soustraites à l'exécution de peines d'emprisonnement à titre principal, de réclusions ou d'internements.]1
Art. 520bis. [1 § 1. De opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffen, opsluitingen of interneringen wordt gevoerd onder het gezag en de leiding van de magistraat van het openbaar ministerie dat bevoegd is voor de uitvoering van de in gezag of kracht van gewijsde gegane veroordeling.
   Het eerste lid is ook van toepassing op personen bedoeld in het eerste lid tegen wie een Europees aanhoudingsbevel, een rechtshulpverzoek of een verzoek tot uitlevering is uitgevaardigd. De bevoegde procureur des Konings is deze van de plaats waar de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel of verzoek tot uitlevering is uitgevaardigd, kan worden aangetroffen.
   Het bevoegde openbaar ministerie waakt over de wettigheid van de opsporingshandelingen.
   § 2. Behoudens de wettelijke uitzonderingen, verloopt de opsporing van personen die zich onttrokken hebben aan de uitvoering van hoofdgevangenisstraffen, opsluitingen of interneringen volgens de regels van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.
   Het openbaar ministerie kan over het hele grondgebied van het Rijk alle opsporingshandelingen verrichten of laten verrichten die tot zijn bevoegdheid horen.
   § 3. De politieambtenaren die in het raam van een opsporing bedoeld in paragraaf 1 inlichtingen hebben verzameld die van belang kunnen zijn voor een lopend strafonderzoek of strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, brengen deze inlichtingen onmiddellijk ter kennis van de bevoegde procureur des Konings. Wanneer zij in de loop van een opsporing zoals bedoeld in paragraaf 1 feiten ontdekken die een wanbedrijf of misdaad kunnen uitmaken, stellen zij het bevoegde openbaar ministerie hiervan onmiddellijk in kennis.
   Het bevoegde openbaar ministerie kan de inlichtingen bedoeld in het eerste lid, die op regelmatige wijze zijn verzameld, aanwenden in het kader van de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten in een lopend strafonderzoek of strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.]1

  
Art. 520bis. [1 § 1er. La recherche de personnes qui se sont soustraites à l'exécution de peines d'emprisonnement à titre principal, de réclusions ou d'internements est menée sous l'autorité et la direction du magistrat du ministère public compétent pour l'exécution de la condamnation coulée en autorité ou force de chose jugée.
   L'alinéa 1er s'applique également à l'égard des personnes visées à l'alinéa 1er contre lesquelles un mandat d'arrêt européen, une demande d'entraide judiciaire ou une demande d'extradition est lancée. Le procureur du Roi compétent est celui du lieu où la personne contre laquelle un mandat d'arrêt européen ou une demande d'extradition est lancée, peut être trouvée.
   Le ministère public compétent veille à la légalité des actes de recherche.
   § 2. Sauf les exceptions prévues par la loi, la recherche de personnes qui se sont soustraites à l'exécution de peines d'emprisonnement à titre principal, de réclusions ou d'internements se déroule selon les règles de l'information et de l'instruction.
   Le ministère public peut procéder ou faire procéder sur l'ensemble du territoire du Royaume à tous les actes de recherche relevant de sa compétence.
   § 3. Les fonctionnaires de police qui, dans le cadre d'une recherche visée au paragraphe 1er, ont recueilli des renseignements pouvant avoir de l'importance pour l'enquête pénale ou l'enquête pénale d'exécution en cours portent immédiatement ces renseignements à la connaissance du procureur du Roi compétent. Lorsqu'au cours d'une recherche visée au paragraphe 1er ils découvrent des faits susceptibles de constituer un délit ou un crime, ils en informent immédiatement le ministère public compétent.
   Le ministère public compétent peut faire usage des renseignements visés à l'alinéa 1er, collectés de manière régulière, dans le cadre de l'exercice de ses missions légales dans une enquête pénale ou une enquête pénale d'exécution en cours.]1

  
Art. 520ter. [1 § 1. Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie elke opsporingshandeling die toegelaten is in het raam van het in artikel 28bis bedoelde opsporingsonderzoek laten verrichten door de gevorderde politiedienst, met uitzondering van de maatregelen bepaald in de artikelen 47sexies en 47octies.
   § 2. De opsporingshandelingen bedoeld in paragraaf 1 kunnen enkel worden toegepast wanneer is voldaan aan de voorwaarden vermeld in de artikelen die betrekking hebben op deze opsporingshandelingen.]1

  
Art. 520ter. [1 § 1er. En vue de la recherche des personnes visées à l'article 520bis, § 1er, le ministère public compétent peut faire procéder à tout acte d'information autorisé dans le cadre de l'information visée à l'article 28bis par le service de police requis, à l'exception des mesures prévues aux articles 47sexies et 47octies.
   § 2. Les actes de recherche visés au paragraphe 1er ne peuvent être appliqués que s'il a été satisfait aux conditions mentionnées aux articles relatifs à ces actes de recherche.]1

  
Art. 520quater. [1 Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie de informantenwerking toepassen overeenkomstig artikel 47decies.]1
  
Art. 520quater. [1 En vue de la recherche des personnes visées à l'article 520bis, § 1er, le ministère public compétent peut appliquer le recours aux indicateurs conformément à l'article 47decies.]1
  
Art. 520quinquies. [1 § 1. Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie de onderzoeksrechter van de plaats waar de straf of de vrijheidsberovende maatregel is uitgesproken, vorderen om machtiging te verlenen tot toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie of infiltratie, zoals omschreven in de artikelen 47sexies tot 47novies, met inachtneming van de hierna omschreven voorwaarden.
   § 2. De onderzoeksrechter kan slechts machtiging verlenen tot een observatie of een infiltratie wanneer deze onontbeerlijk is voor de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1.
   § 3. Een observatie met gebruik van technische hulpmiddelen kan enkel gemachtigd worden wanneer de strafbare feiten waarvoor de hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken, een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben.
   Een infiltratie en een observatie met gebruik van technische hulpmiddelen om zicht te verwerven in een woning, of in de door deze woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek, of in een lokaal dat aangewend wordt voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts, kunnen enkel gemachtigd worden wanneer een hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken voor een strafbaar feit bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4 , of dat gepleegd werd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek.
   Wanneer een observatie als bedoeld in het tweede lid of een infiltratie betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts, kunnen zij bovendien slechts gemachtigd worden wanneer tegen de advocaat of de arts een hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken voor één van de strafbare feiten bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, of voor een strafbaar feit gepleegd in het kader van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek, of indien precieze feiten doen vermoeden dat derden waartegen een dergelijke hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken, gebruik maken van diens lokalen of woonplaats.
   Deze maatregelen kunnen niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte is. Deze personen zijn tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
   § 4. De vordering bedoeld in paragraaf 1 vermeldt :
   1° de dag, de maand en het jaar;
   2° de naam van het lid van het bevoegde openbaar ministerie dat de vordering indient;
   3° de identiteitsgegevens van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van zijn hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering heeft onttrokken;
   4° het strafbare feit waarvoor een hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken;
   5° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;
   6° de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 3°, 5° en 6°, of in artikel 47octies, § 3, 3°, 5° en 6°.
   Een afschrift van de vrijheidsberovende titel wordt bij de vordering gevoegd.
   Van zodra de onderzoeksrechter de vordering ontvangen heeft, controleert hij of aan de voorwaarden voor de toepassing van een observatie of infiltratie voldaan is, en indien dit het geval is, verleent hij een schriftelijke machtiging.
   De machtiging vermeldt :
   1° de naam van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van zijn hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering heeft onttrokken;
   2° het strafbare feit waarvoor een hoofdgevangenisstraf of opsluiting of internering is uitgesproken, en de rechterlijke beslissing waarbij deze is uitgesproken;
   3° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;
   4° de vermeldingen bedoeld in artikel 47sexies, § 3, 3° tot 6°, of 47octies, § 3, 3° tot 6°.
   De onderzoeksrechter zendt de machtiging en de stukken rechtstreeks aan het bevoegde openbaar ministerie. Het bevoegde openbaar ministerie bewaart de machtiging in een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier en heeft als enige toegang tot dit dossier, onverminderd het inzagerecht van de machtigende onderzoeksrechter bedoeld in paragraaf 8, derde lid. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.
   § 5. In spoedeisende gevallen kan de vordering bedoeld in paragraaf 1 of de machtiging bedoeld in paragraaf 4 mondeling worden gedaan. De vordering en de machtiging moeten zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in paragraaf 4, eerste en vierde lid.
   § 6. Op verzoek van het bevoegde openbaar ministerie kan de onderzoeksrechter steeds op gemotiveerde wijze zijn machtiging tot observatie of infiltratie wijzigen, aanvullen of verlengen. Hij kan te allen tijde zijn machtiging intrekken. Hij gaat bij elke wijziging, aanvulling of verlenging van zijn machtiging na of de voorwaarden bepaald in paragrafen 1 tot 4 zijn vervuld en handelt daarbij in overeenstemming met paragraaf 4, vierde lid, 1° tot 4°. De beslissingen tot wijziging, aanvulling of verlenging worden door het bevoegde openbaar ministerie bij het vertrouwelijk dossier gevoegd.
   § 7. Het bevoegde openbaar ministerie staat in voor de tenuitvoerlegging van de machtigingen tot observatie of infiltratie die zijn verleend door de onderzoeksrechter.
   Het vermeldt op dat ogenblik in een afzonderlijke en schriftelijke beslissing de misdrijven die door de politiediensten en de personen bedoeld in artikel 47quinquies, § 2, derde lid, in het kader van de door de onderzoeksrechter gemachtigde observatie of infiltratie kunnen worden gepleegd. Deze beslissing wordt in het dossier bedoeld in paragraaf 4, vijfde lid, bewaard.
   § 8. De officier van gerechtelijke politie die de leiding heeft over de uitvoering van de observatie of de infiltratie brengt het bevoegde openbaar ministerie nauwgezet, volledig en waarheidsgetrouw schriftelijk verslag uit over elke fase in de uitvoering van de maatregelen.
   Deze vertrouwelijke verslagen worden rechtstreeks aan het bevoegde openbaar ministerie overgezonden, die ze bewaart in het dossier bedoeld in paragraaf 4, vijfde lid.
   De onderzoeksrechter heeft steeds het recht het vertrouwelijk dossier aangaande de uitvoering van de observatie of de infiltratie in te zien, zonder dat hij van de inhoud ervan in het kader van zijn opdracht gewag kan maken.
   § 9. De officier van gerechtelijke politie die de leiding heeft over de uitvoering van de observatie of de infiltratie stelt proces-verbaal op van de verschillende fasen van de uitvoering van de observatie of de infiltratie, doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren belast met de uitvoering van de observatie of de infiltratie, en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het schriftelijk verslag bedoeld in paragraaf 8, eerste lid.
   In een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie of infiltratie en worden de vermeldingen bedoeld in paragraaf 4, derde lid, 1° tot 4°, opgenomen, met uitzondering van de vermelding in 4° die verwijst naar de artikelen 47sexies, paragraaf 3, 4° en 6°, en 47octies, paragraaf 3, 4° en 6°.
   De onderzoeksrechter bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot observatie of infiltratie.
   De opgestelde processen-verbaal en de in het derde lid bedoelde beslissing worden bij het proceduredossier gevoegd.]1

  
Art. 520quinquies. [1 § 1er. En vue de la recherche des personnes visées à l'article 520bis, § 1er, le ministère public compétent peut requérir le juge d'instruction du lieu où la peine ou la mesure privative de liberté a été prononcée, d'autoriser la mise en oeuvre des méthodes particulières de recherche de l'observation ou de l'infiltration, définies aux articles 47sexies à 47novies dans le respect des conditions définies ci-après.
   § 2. Le juge d'instruction ne peut autoriser une observation ou une infiltration que si elle est indispensable à la recherche des personnes visées à l'article 520bis, § 1er.
   § 3. Une observation effectuée à l'aide de moyens techniques ne peut être autorisée que si les infractions pour lesquelles la peine d'emprisonnement à titre principal, la réclusion ou l'internement a été prononcé peuvent donner lieu à un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou à une peine plus lourde.
   Une infiltration et une observation effectuées à l'aide de moyens techniques en vue d'avoir une vue dans un domicile, ou dans une dépendance propre y enclose de ce domicile au sens des articles 479, 480 et 481 du Code pénal, ou dans un local utilisé à des fins professionnelles ou comme résidence par un avocat ou un médecin, ne peuvent être autorisées que si une peine d'emprisonnement à titre principal, une réclusion ou un internement a été prononcé pour une infraction visée à l'article 90ter, §§ 2 à 4, ou commise dans le cadre d'une organisation criminelle visée à l'article 324bis du Code pénal.
   Lorsqu'une observation visée à l'alinéa 2 ou une infiltration porte sur les locaux utilisés à des fins professionnelles ou comme résidence par un avocat ou un médecin, elle ne peut en outre être autorisée que si une peine d'emprisonnement à titre principal, une réclusion ou un internement a été prononcé à l'égard de l'avocat ou du médecin pour l'une des infractions visées à l'article 90ter, §§ 2 à 4, ou pour une infraction commise dans le cadre d'une organisation criminelle visée à l'article 324bis du Code pénal, ou si des faits précis laissent présumer que des tiers à l'égard desquels une telle peine d'emprisonnement à titre principal, une telle réclusion ou un tel internement a été prononcé, utilisent ses locaux ou sa résidence.
   Ces mesures ne peuvent être exécutées sans que le bâtonnier ou le représentant de l'ordre provincial des médecins en soit averti. Ces personnes sont tenues au secret professionnel. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal.
   § 4. La requête visée au paragraphe 1er mentionne :
   1° l'indication des jour, mois et année;
   2° le nom du membre du ministère public compétent qui dépose la requête;
   3° les données d'identité de la personne qui a été condamnée et qui s'est soustraite à l'exécution de sa peine d'emprisonnement à titre principal, de sa réclusion ou de son internement;
   4° l'infraction pour laquelle une peine d'emprisonnement à titre principal, une réclusion ou un internement a été prononcé;
   5° les motifs pour lesquels la mesure est indispensable pour la recherche de la personne concernée;
   6° les mentions visées à l'article 47sexies, § 3, 3°, 5° et 6°, ou à l'article 47octies, § 3, 3°, 5° et 6°.
   Une copie du titre de privation de liberté est jointe à la requête.
   Dès réception de la requête, le juge d'instruction vérifie si les conditions pour l'application d'une observation ou d'une infiltration sont réunies et, si tel est le cas, accorde une autorisation écrite.
   L'autorisation mentionne :
   1° le nom de la personne qui a été condamnée et qui s'est soustraite à l'exécution de sa peine d'emprisonnement à titre principal, de sa réclusion ou de son internement;
   2° l'infraction pour laquelle une peine d'emprisonnement, une réclusion ou un internement a été prononcé, et la décision judiciaire qui l'a prononcé(e);
   3° les motifs pour lesquels la mesure est indispensable pour la recherche de la personne concernée;
   4° les mentions visées aux articles 47sexies, § 3, 3° à 6°, ou 47octies, § 3, 3° à 6°.
   Le juge d'instruction communique l'autorisation ainsi que les pièces directement au ministère public compétent. Le ministère public compétent conserve l'autorisation dans un dossier séparé et confidentiel et est le seul à avoir accès à ce dossier, sans préjudice du droit de consultation du juge d'instruction qui accorde l'autorisation, visé au paragraphe 8, alinéa 3. Le contenu de ce dossier est couvert par le secret professionnel.
   § 5. En cas d'urgence, la requête visée au paragraphe 1er ou l'autorisation visée au paragraphe 4 peut être faite verbalement. La requête et l'autorisation doivent être confirmées dans les plus brefs délais dans la forme prévue au paragraphe 4, alinéas 1er et 4.
   § 6. A la demande du ministère public compétent, le juge d'instruction peut à tout instant, de manière motivée, modifier, compléter ou prolonger son autorisation d'observation ou d'infiltration. Il peut à tout moment retirer son autorisation. Il vérifie si les conditions visées aux paragraphes 1er à 4 sont remplies chaque fois que son autorisation est modifiée, complétée ou prolongée et agit conformément au paragraphe 4, alinéa 4, 1° à 4°. Les décisions de modification, d'extension ou de prolongation sont versées au dossier confidentiel par le ministère public compétent.
   § 7. Le ministère public compétent est chargé de l'exécution des autorisations d'observation ou d'infiltration accordées par le juge d'instruction.
   Il énonce à ce moment dans une décision écrite séparée les infractions pouvant être commises par les services de police et les personnes visées à l'article 47quinquies, § 2, alinéa 3, dans le cadre de l'observation ou de l'infiltration autorisée par le juge d'instruction. Cette décision est conservée dans le dossier visé au paragraphe 4, alinéa 5.
   § 8. L'officier de police judiciaire qui dirige l'exécution de l'observation ou de l'infiltration fait rapport écrit de manière précise, complète et conforme à la vérité au ministère public compétent sur chaque phase de l'exécution de la mesure.
   Ces rapports confidentiels sont communiqués directement au ministère public compétent, qui les conserve dans le dossier visé au paragraphe 4, alinéa 5.
   Le juge d'instruction a toujours le droit de consulter le dossier confidentiel relatif à l'exécution de l'observation ou de l'infiltration, sans pouvoir faire mention de son contenu dans le cadre de sa mission.
   § 9. L'officier de police judiciaire qui dirige l'exécution de l'observation ou de l'infiltration rédige le procès-verbal des différentes phases de l'exécution de l'observation ou de l'infiltration, mais n'y mentionne aucun des éléments susceptibles de compromettre les moyens techniques et les techniques d'enquête policière utilisés ou la garantie de la sécurité et de l'anonymat de l'indicateur, des fonctionnaires de police chargés de l'exécution de l'observation ou de l'infiltration, et du civil visé à l'article 47octies, § 1er, alinéa 2. Ces éléments ne figurent que dans le rapport écrit visé au paragraphe 8, alinéa 1er.
   Un procès-verbal renvoie à l'autorisation d'observation ou d'infiltration et contient les mentions visées au paragraphe 4, alinéa 3, 1° à 4°, à l'exception de la mention au 4° renvoyant aux articles 47sexies, § 3, 4° et 6°, et 47octies, § 3, 4° et 6°.
   Le juge d'instruction confirme par décision écrite l'existence de l'autorisation d'observation ou d'infiltration qu'il a accordée.
   Les procès-verbaux qui ont été rédigés ainsi que la décision visée à l'alinéa 3 sont versés au dossier de procédure.]1

  
Art. 520sexies. [1 § 1. Met het oog op de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, kan het bevoegde openbaar ministerie de onderzoeksrechter van de plaats waar de straf of de vrijheidsberovende maatregel is uitgesproken, vorderen om, met inachtneming van de hierna omschreven voorwaarden, de onderzoekshandelingen te machtigen waarvoor alleen de onderzoeksrechter bevoegd is.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde onderzoekshandelingen kunnen enkel worden gemachtigd wanneer is voldaan aan de voorwaarden vermeld in dezelfde artikelen die deze onderzoekshandelingen regelen in het kader van een gerechtelijk onderzoek.
   § 3. De vordering bedoeld in paragraaf 1 vermeldt :
   1° de dag, de maand en het jaar;
   2° de naam van het lid van het bevoegde openbaar ministerie dat de vordering indient;
   3° de identiteitsgegevens van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van zijn hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering heeft onttrokken;
   4° het strafbare feit waarvoor een hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken;
   5° de redenen waarom de onderzoekshandeling onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;
   6° de onderzoekshandeling bedoeld in paragraaf 1 waarvoor het bevoegde openbaar ministerie een machtiging van de onderzoeksrechter vraagt.
   Een afschrift van de vrijheidsberovende titel wordt bij de vordering gevoegd.
   Van zodra de onderzoeksrechter de vordering ontvangen heeft, controleert hij of aan de voorwaarden voor de toepassing van de onderzoekshandeling bedoeld in het eerste lid, 6°, voldaan is, en indien dit het geval is, verleent hij een schriftelijke machtiging.
   De machtiging vermeldt :
   1° de naam van de persoon die veroordeeld is en zich aan de uitvoering van zijn hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering heeft onttrokken;
   2° het strafbare feit waarvoor een hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering is uitgesproken, en de rechterlijke beslissing waarbij deze is uitgesproken;
   3° de redenen waarom de onderzoekshandeling onontbeerlijk is voor de opsporing van de betrokken persoon;
   4° de onderzoekshandeling die gemachtigd wordt en, desgevallend, de voorwaarden ervoor.
   De onderzoeksrechter zendt de machtiging en de stukken rechtstreeks aan het bevoegde openbaar ministerie.
   § 4. In spoedeisende gevallen kan de vordering bedoeld in paragraaf 1 of de machtiging bedoeld in paragraaf 3 mondeling worden gedaan. De vordering en de machtiging moeten zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in paragraaf 3, eerste en vierde lid.
   § 5. Het bevoegde openbaar ministerie staat in voor de tenuitvoerlegging van de machtigingen tot de in paragraaf 1 bedoelde onderzoekshandelingen die zijn verleend door de onderzoeksrechter.]1

  
Art. 520sexies. [1 § 1er. En vue de la recherche des personnes visées à l'article 520bis, § 1er, le ministère public compétent peut demander au juge d'instruction du lieu où la peine ou la mesure privative de liberté a été prononcée, d'autoriser, dans le respect des conditions définies ci-après, les actes d'instruction pour lesquels seul le juge d'instruction est compétent.
   § 2. Les actes d'instruction visés au paragraphe 1er ne peuvent être autorisés que s'il est satisfait aux conditions mentionnées dans les mêmes articles qui régissent ces actes d'instruction dans le cadre d'une instruction.
   § 3. La requête visée au paragraphe 1er mentionne :
   1° l'indication des jour, mois et année;
   2° le nom du membre du ministère public compétent qui dépose la requête;
   3° les données d'identité de la personne qui a été condamnée et qui s'est soustraite à l'exécution de sa peine d'emprisonnement à titre principal, de sa réclusion ou de son internement;
   4° l'infraction pour laquelle une peine d'emprisonnement à titre principal, une réclusion ou un internement a été prononcé;
   5° les motifs pour lesquels l'acte d'instruction est indispensable pour la recherche de la personne concernée;
   6° l'acte d'instruction visé au paragraphe 1er pour lequel le ministère public compétent demande une autorisation du juge d'instruction.
   Une copie du titre de privation de liberté est jointe à la requête.
   Dès réception de la requête, le juge d'instruction vérifie si les conditions pour l'application de l'acte d'instruction visé à l'alinéa 1er, 6°, sont réunies et, si tel est le cas, accorde une autorisation écrite.
   L'autorisation mentionne :
   1° le nom de la personne qui a été condamnée et qui s'est soustraite à l'exécution de sa peine d'emprisonnement à titre principal, de sa réclusion ou de son internement;
   2° l'infraction pour laquelle une peine d'emprisonnement, une réclusion ou un internement a été prononcé, et la décision judiciaire qui l'a prononcé;
   3° les motifs pour lesquels l'acte d'instruction est indispensable pour la recherche de la personne concernée;
   4° l'acte d'instruction autorisé et, le cas échéant, ses conditions.
   Le juge d'instruction communique l'autorisation ainsi que les pièces directement au ministère public compétent.
   § 4. En cas d'urgence, la requête visée au paragraphe 1er ou l'autorisation visée au paragraphe 3 peut être faite verbalement. La requête et l'autorisation doivent être confirmées dans les plus brefs délais dans la forme prévue au paragraphe 3, alinéas 1er et 4.
   § 5. Le ministère public compétent est chargé de l'exécution des autorisations relatives aux actes d'instruction visés au paragraphe 1er, accordées par le juge d'instruction.]1

  
Art. 520septies. [1 De kosten van de opsporing van de personen bedoeld in artikel 520bis, § 1, omvatten alle kosten die veroorzaakt worden door de toepassing van de opsporingshandelingen bedoeld in de voorgaande artikelen, uitgezonderd de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan het optreden van de betrokken magistraten en politieambtenaren.
   De kosten zijn ten laste van de persoon die zich onttrokken heeft aan de uitvoering van de betreffende hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering. De kosten die het gevolg zijn van onregelmatige opsporingshandelingen en de kosten die kennelijk niet te wijten zijn aan de persoonlijke gedraging van de betrokken persoon zijn ten laste van de Staat.
   Indien een vergoeding moet worden betaald voor de in het eerste lid bedoelde opsporingshandelingen, gelden de tarieven die bepaald zijn bij de regelgeving betreffende de gerechtskosten in strafzaken.
   De magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing begroot de kosten, die namens zijn ambt zijn gemaakt.
   De vervolging tot invordering van deze kosten wordt namens de magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën.
   De beslissing van de magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing om de kosten ten laste van de persoon die zich onttrokken heeft aan de uitvoering van de betreffende hoofdgevangenisstraf, opsluiting of internering te leggen, wordt bij een ter post aangetekende brief aan de betrokken persoon ter kennis gebracht.
   De betrokken persoon kan tegen de beslissing van de magistraat van het openbaar ministerie dat de leiding heeft over de opsporing om de kosten te zijnen laste te leggen, een beroep instellen bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij aangetekende zending binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de bestreden beslissing.
   De Kamer van Inbeschuldigingstelling doet in eerste en laatste aanleg uitspraak over de vordering.]1

  
Art. 520septies. [1 Les frais liés à la recherche des personnes visées à l'article 520bis, § 1er, englobent tous les frais engendrés par l'application des actes de recherche visés aux articles précédents, à l'exception des frais de personnel et de fonctionnement liés à l'intervention des magistrats et fonctionnaires de police concernés.
   Les frais sont à charge de la personne qui s'est soustraite à l'exécution de la peine d'emprisonnement à titre principal, de la réclusion ou de l'internement en question. Les frais engendrés par des actes de recherche irréguliers et les frais qui ne sont manifestement pas imputables au comportement personnel de la personne concernée sont à charge de l'Etat.
   Si une indemnité doit être payée pour les actes de recherche visés à l'alinéa 1er, les tarifs prévus dans la réglementation relative aux frais de justice en matière répressive s'appliquent.
   Le magistrat du ministère public qui dirige la recherche taxe les frais qui sont exposés au nom de son office.
   Les poursuites en vue du recouvrement de ces frais sont exercées au nom du magistrat du ministère public qui dirige la recherche par le fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances.
   La décision du magistrat du ministère public qui dirige la recherche de mettre les frais à la charge de la personne qui s'est soustraite à l'exécution de la peine d'emprisonnement à titre principal, de la réclusion ou de l'internement, est notifiée à la personne concernée par lettre recommandée à la poste.
   La personne concernée peut faire appel de la décision du magistrat du ministère public qui dirige l'information de mettre les frais à sa charge, en introduisant un recours devant la chambre des mises en accusation, par lettre recommandée, dans un délai de trente jours à compter de la notification de la décision attaquée.
   La chambre des mises en accusation statue sur la demande en premier et dernier ressort.]1

  
HOOFDSTUK VII. - RECHTSPLEGING IN GEVAL VAN VERNIELING OF WEGNEMING VAN HET VONNIS OF VAN DE STUKKEN VAN EEN ZAAK.
CHAPITRE VII. - MANIERE DE PROCEDER EN CAS DE DESTRUCTION OU D'ENLEVEMENT DES PIECES OU DU JUGEMENT D'UNE AFFAIRE.
Art. 521. Wanneer ten gevolge van brand, overstroming of enige andere buitengewone oorzaak minuten van nog niet ten uitvoer gelegde arresten in criminele of correctionele zaken, of stukken van nog niet afgedane processen vernield, weggenomen of zoekgeraakt zijn en het niet mogelijk is die weer op te maken, wordt gehandeld als volgt.
Art. 521. Lorsque, par l'effet d'un incendie, d'une inondation ou de toute autre cause extraordinaire, des minutes d'arrêts rendus en matière criminelle ou correctionnelle, et non encore exécutés, ou des procédures encore indécises, auront été détruites, enlevées, ou se trouveront égarées, et qu'il n'aura pas été possible de les rétablir, il sera procédé ainsi qu'il suit.
Art. 522. Indien er een uitgifte of een authentiek afschrift van het arrest bestaat, wordt die uitgifte of dat afschrift als minuut beschouwd en derhalve in de bewaarplaats van de arresten neergelegd.
  Te dien einde is ieder openbaar ambtenaar of ieder persoon die een uitgifte of een authentiek afschrift van het arrest in bewaring heeft, verplicht (...) die uitgifte of dat afschrift op de griffie van het hof dat het arrest gewezen heeft, neer te leggen, op het bevel door de voorzitter van dat hof daartoe gegeven. <W 10-07-1967, art. 1, 216°>
  Dit bevel strekt hem tot ontlasting jegens hen die bij het stuk belang hebben.
  De bewaarder van de uitgifte of het authentiek afschrift van de vernielde, weggenomen of zoekgeraakte minuut is gerechtigd om zich daarvan, bij het neerleggen in de openbare bewaarplaats, kosteloos een uitgifte te doen uitleveren.
Art. 522. S'il existe une expédition ou copie authentique de l'arrêt, elle sera considérée comme minute, et en conséquence remise dans le dépôt destiné à la conservation des arrêts.
  A cet effet, tout officier public ou tout individu dépositaire d'une expédition ou d'une copie authentique de l'arrêt est tenu, de la remettre au greffe de la cour qui l'a rendu, sur l'ordre qui en sera donné par le président de cette cour.
  Cet ordre lui servira de décharge envers ceux qui auront intérêt à la pièce.
  Le dépositaire de l'expédition ou copie authentique de la minute détruite, enlevée ou égarée, aura la liberté, en la remettant dans le dépôt public, de s'en faire délivrer une expédition sans frais.
Art. 523. Wanneer er in criminele zaken geen uitgifte en ook geen authentiek afschrift van het arrest meer bestaat, en indien de verklaring van de jury in minuut of in authentiek afschrift nog voorhanden is, wordt op grond van die verklaring een nieuw vonnis gewezen.
Art. 523. Lorsqu'il n'existera plus, en matière criminelle, d'expédition ni de copie authentique de l'arrêt, si la déclaration du jury existe encore en minute ou en copie authentique, on procédera, d'après cette déclaration, à un nouveau jugement.
Art. 524. Wanneer de verklaring van de jury niet meer kan worden overgelegd of wanneer de zaak gevonnist is zonder gezworenen en er geen schriftelijke akte van bestaat, wordt het onderzoek opnieuw begonnen van waar de stukken, zowel in minuut als in uitgifte of authentiek afschrift, ontbreken.
Art. 524. Lorsque la déclaration du jury ne pourra plus être représentée, ou lorsque l'affaire aura été jugée sans jurés, et qu'il n'en existera aucun acte par écrit, l'instruction sera recommencée, à partir du point où les pièces se trouveront manquer tant en minute qu'en expédition ou copie authentique.
HOOFDSTUK VIII. - BIJZONDER ONDERZOEK NAAR DE VERMOGENSVOORDELEN.
CHAPITRE VIII. - ENQUETE PARTICULIERE SUR LES AVANTAGES PATRIMONIAUX.
Art. 524bis. <INGEVOEGD bij W 2002-12-19/86, art. 14; Inwerkingtreding : 24-02-2003> § 1. De rechter die de beklaagde schuldig verklaart aan het ten laste gelegde feit kan, op vordering van het openbaar ministerie, beslissen dat een bijzonder onderzoek naar de in artikel 42, 3°, artikel 43bis en 43quater , van het Strafwetboek bedoelde vermogensvoordelen zal worden gevoerd met het oog op het bepalen van deze vermogensvoordelen.
  [1 Het voeren van dit bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen is evenwel enkel mogelijk indien het openbaar ministerie door middel van ernstige en concrete aanwijzingen aantoont dat de veroordeelde vermogensvoordelen van enig belang heeft behaald, hetzij uit het misdrijf waarvoor hij werd veroordeeld, hetzij uit andere misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel, voor zover ze voorkomen [2 in dezelfde rubriek, bedoeld in artikel 43quater, § 1, van het Strafwetboek, als het misdrijf waarvoor de betrokkene werd veroordeeld]2.]1
  De vordering van het openbaar ministerie tot het instellen van een bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen kan nooit voor het eerst in tweede aanleg worden gesteld.
  § 2. Het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen wordt gevoerd onder de leiding en het gezag van de bevoegde procureur des Konings, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt. Hij waakt over de wettigheid van de bewijsmiddelen en de loyaliteit waarmee ze worden verzameld.
  Het instellen van een rechtsmiddel verhindert niet dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen reeds wordt aangevat.
  § 3. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen geheim. Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 4. De handelingen die in het kader van het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen worden verricht, mogen geen enkele dwangmaatregel inhouden noch schending inhouden van individuele rechten en vrijheden. Deze handelingen kunnen evenwel de inbeslagneming van de zaken vermeld in de artikelen 35 en 35ter inhouden. In geval van beslag op een onroerend goed, wordt gehandeld overeenkomstig de vormvoorschriften van artikel 35bis.
  In geval van beslag overeenkomstig het eerste lid, is artikel 28sexies van toepassing.
  § 5. De procureur des Konings, of in voorkomend geval de procureur-generaal kan de rechtbank of het hof dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen heeft gelast, schriftelijk verzoeken over te gaan tot het aanstellen van een deskundige, het bevelen van de bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter of het bevelen van een huiszoeking.
  Over dit verzoek wordt uitspraak gedaan binnen vijftien dagen. De beschikking wordt door de griffier medegedeeld aan het openbaar ministerie. Tegen een weigering om de gevraagde dwangmaatregel te bevelen staat geen rechtsmiddel open.
  Indien het verzoek strekt tot het bevelen van een bewakingsmaatregel bedoeld in artikel 90ter , neemt de rechtbank of het hof een beschikking overeenkomstig artikel 90quater , § 1, en gelast de rechtbank of het hof een onderzoeksrechter met de uitvoering van de maatregel overeenkomstig de artikelen 90quater , §§ 2 en 3, tot 90octies.
  § 6. Wanneer de procureur des Konings, of in voorkomend geval de procureur-generaal oordeelt dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen voltooid is, maakt hij de vordering tot verbeurdverklaring aanhangig bij de rechtbank of het hof dat het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen heeft gelast. Dit gebeurt door een dagvaarding rechtstreeks gericht aan de veroordeelde, en in voorkomend geval aan de burgerlijke partij.
  Een termijn van tien dagen, die in voorkomend geval verlengd wordt wegens de afstand, moet tussen de dagvaarding en de verschijning gelaten worden, op straffe van nietigheid van de veroordeling tot verbeurdverklaring die bij verstek tegen de gedaagde mocht worden uitgesproken. Deze nietigheid kan echter niet worden ingeroepen dan op de eerste terechtzitting en vóór alle exceptie of verweer.
  § 7. De aanhangigmaking van de vordering tot verbeurdverklaring zoals bedoeld in § 6, dient op straffe van verval van de vordering tot verbeurdverklaring te geschieden vóór het verstrijken van een termijn van twee jaar vanaf de dag waarop het bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen door de rechter werd gelast, voor zover de uitspraak over de schuld reeds in kracht van gewijsde is gegaan.
  Indien de uitspraak over de schuld na het verstrijken van deze termijn nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de termijn verlengd tot één maand vanaf de dag waarop de uitspraak waarbij het misdrijf voor bewezen werd verklaard in kracht van gewijsde is gegaan.
  Indien de appelrechter in de bodemprocedure feiten bewezen verklaart waarvoor de beklaagde in eerste aanleg werd vrijgesproken, kan hij op vordering van het openbaar ministerie de in het eerste lid bedoelde termijn met een termijn van maximum zes maanden verlengen.
  
Art. 524bis. § 1er. Le juge qui déclare le prévenu coupable pour le fait qui lui est imputé peut, sur réquisition du ministère public, ordonner une enquête particulière sur les avantages patrimoniaux visés aux articles 42, 3°, 43bis et 43quater , du Code pénal en vue de déterminer ces avantages patrimoniaux.
  [1 Cette enquête particulière sur les avantages patrimoniaux n'est toutefois possible que si le ministère public démontre, sur la base d'indices sérieux et concrets, que le condamné a tiré des avantages patrimoniaux de quelque intérêt soit de l'infraction pour laquelle il a été condamné, soit d'autres infractions susceptibles de donner lieu, directement ou indirectement, à un avantage économique, pour autant qu'elles figurent [2 sous la même rubrique, visée à l'article 43quater, § 1er, du Code pénal, que l'infraction qui fait l'objet de la condamnation]2.]1
  La réquisition du ministère public pour mener une enquête particulière sur les avantages patrimoniaux ne peut jamais être introduite pour la première fois en degré d'appel.
  § 2. L'enquête particulière sur les avantages patrimoniaux est menée sous la direction et la surveillance du procureur du Roi compétent, qui en assume la responsabilité. Il veille à la légalité des moyens de preuve ainsi qu'à la loyauté avec laquelle ils sont rassemblés.
  L'exercice d'un recours n'est pas suspensif de l'enquête particulière sur les avantages patrimoniaux.
  § 3. Sous réserve des exceptions légales, l'enquête particulière sur les avantages patrimoniaux est secrète. Toute personne qui est appelée à prêter son concours professionnel à l'enquête particulièrement sur les avantages patrimoniaux est tenue au secret. Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.
  § 4. Les actes accomplis dans le cadre de l'enquête particulière sur les avantages patrimoniaux ne peuvent contenir aucune mesure de contrainte ni aucune violation des droits et libertés individuels. Ces actes peuvent toutefois contenir la saisie des choses mentionnée aux articles 35 et 35ter . En cas de saisie d'un bien immeuble, il est procédé conformément aux formalité de l'article 35bis.
  En cas de saisie conformément à l'alinéa 1er, l'article 28sexies est d'application.
  § 5. Le procureur du Roi ou le cas échéant le procureur général, peut requérir par écrit, au tribunal ou à la cour qui a ordonné l'enquête particulière sur les avantages patrimoniaux, de procéder à la désignation d'un expert, d'ordonner la mesure de surveillance visée à l'article 90ter ou d'ordonner une perquisition.
  Il est statué sur cette requête dans les quinze jours. L'ordonnance est communiquée au ministère public par le greffier. Le refus d'ordonner la mesure de contrainte demandée n'est susceptible d'aucun recours.
  Si la requête a pour objet d'ordonner une mesure de surveillance visée à l'article 90ter , le tribunal ou la cour rend une ordonnance conformément à l'article 90quater , § 1er, et charge un juge d'instruction de l'exécution de la mesure conformément aux articles 90quater , §§ 2 et 3, à 90octies.
  § 6. Lorsque le procureur du Roi ou, le cas échéant, le procureur général juge que l'enquête particulière sur les avantages patrimoniaux est terminée, il porte l'action en confiscation devant le tribunal ou la cour qui a ordonné l'enquête particulière sur les avantages patrimoniaux. Ceci se passe par une citation adressée directement au condamné et, le cas échéant, à la partie civile.
  Un délai de dix jours, augmenté le cas échéant à raison des distances, doit être prévu entre la citation et la comparution, à peine de nullité de la condamnation à la confiscation qui a pu être prononcée par défaut à l'encontre de la personne citée. Cette nullité ne peut toutefois être opposée qu'à la première audience et avant toutes autres exceptions et moyens de défense.
  § 7. A peine de déchéance de l'action en confiscation, le tribunal ou la cour doivent être saisis de l'action en confiscation visée au § 6 avant l'expiration d'un délai de deux ans qui court à dater du jour où l'enquête particulière sur les avantages patrimoniaux a été ordonnée par le juge, pour autant que le prononcé rendu sur la culpabilité soit déjà coulé en force de chose jugée.
  Si, à l'expiration de ce délai, la décision rendue sur la culpabilité n'est pas encore coulée en force de chose jugée, le délai est prolongé d'un mois à dater du jour ou le jugement établissant la preuve de l'infraction a acquis force de chose jugée.
  Si, dans la procédure au fond, le juge d'appel déclare établis des faits pour lesquels le prévenu a été acquitté en première instance, il peut, sur réquisition du ministère public, prolonger de six mois maximum le délai visé à l'alinéa 1er.
  
Art. 524ter. <INGEVOEGD bij W 2002-12-19/86, art. 14; Inwerkingtreding : 24-02-2003> § 1. Indien de rechter de vordering tot verbeurdverklaring, bedoeld in artikel 524bis , § 6, ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de verbeurdverklaring uitgesproken van het door hem bepaalde wederrechtelijk verkregen vermogensvoordeel.
  § 2. Tegen de beslissing over de vordering tot verbeurdverklaring staan alle in dit Wetboek opgenomen gewone en buitengewone rechtsmiddelen open.
Art. 524ter. § 1er. Si le juge déclare l'action en confiscation visée à l'article 524bis , § 6, recevable et fondée, la confiscation de l'avantage patrimonial obtenu illicitement et déterminé par lui est prononcée.
  § 2. La décision concernant l'action en confiscation est susceptible de tous les recours ordinaire et extraordinaires prévus dans le présent Code.
HOOFDSTUK IX. [1 - Onderzoek naar de mogelijkheid van overbrenging van een ernstige besmettelijke ziekte bij gelegenheid van een strafbaar feit]1
CHAPITRE IX. [1 - De l'analyse de la possibilité de transmission d'une maladie contagieuse grave lors de la commission d'une infraction]1
Art. 524quater. [1 § 1. Als er ernstige aanwijzingen zijn dat een slachtoffer van een misdrijf bij gelegenheid van dat strafbaar feit besmet kan zijn met een ernstige ziekte die voorkomt op een bij koninklijk besluit vastgestelde lijst, kan de procureur des Konings de verdachte vragen een bloedstaal te laten afnemen om te onderzoeken of hij drager is van deze ziekte. Als er ernstige aanwijzingen zijn dat het slachtoffer met deze ziekte besmet kan zijn via het bloed van een andere persoon dan de verdachte, kan de procureur des Konings dat ook aan die derde vragen. De verdachte en de derde kunnen enkel schriftelijk met de bloedafname instemmen. Deze instemming kan alleen op geldige wijze worden gegeven als de procureur des Konings of een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, hem vooraf in kennis heeft gesteld van het wettelijk kader waarbinnen de afname wordt gevraagd; in het bijzonder wordt gewezen op het louter medisch doeleinde van de afname. Van die informatie wordt melding gemaakt in de schriftelijke instemming van de betrokkene.
   § 2. Indien de verdachte weigert met de bloedafname in te stemmen, kan de procureur des Konings in het belang van het slachtoffer bevelen dat van hem een hoeveelheid wangslijmvlies wordt afgenomen ten behoeve van het onderzoek bedoeld in paragraaf 1. Het bevel kan slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging van de onderzoeksrechter op vordering van de procureur des Konings.
   § 3. Het onderzoek, bedoeld in paragraaf 1, wordt uitgevoerd door afname van een bloedstaal door een arts, tenzij aannemelijk is dat afname van bloed om bijzondere medische redenen onwenselijk is. In dat geval kan worden overgegaan tot de afname van een hoeveelheid wangslijmvlies, hetzij met vrijwillige medewerking van de betrokkene, hetzij op de wijze bepaald in paragraaf 2.
   De verdachte of de derde die om een afname van een hoeveelheid bloed of van een hoeveelheid wangslijmvlies wordt verzocht kan vanaf de leeftijd van zestien jaar hiermee schriftelijk instemmen. Indien de verdachte of de derde de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt, dan dient hij zich voor de toepassing van de paragrafen 1 en 2 te laten begeleiden door minstens een van zijn ouders, door een advocaat of door een andere meerderjarige persoon van zijn keuze.
   § 4. Door een arts wordt zoveel bloed of een hoeveelheid wangslijmvlies afgenomen als voor het onderzoek, bedoeld in paragraaf 1 of paragraaf 2, noodzakelijk is. Indien de maatregel, bedoeld in paragraaf 2 onder fysieke dwang moet worden uitgevoerd, wordt die dwang uitgeoefend door politieambtenaren onder het bevel van een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.
   § 5. De procureur des Konings kan opdracht geven op bloed dat is aangetroffen ter zake van een misdrijf als bedoeld in paragraaf 1, een onderzoek als bedoeld in paragraaf 1 te verrichten.]1

  
Art. 524quater. [1 § 1er. S'il existe des indices sérieux laissant présumer que la victime d'une infraction pourrait avoir été contaminée, lors de la commission de cette infraction, par une des maladies graves dont la liste est établie par arrêté royal, le procureur du Roi peut demander au suspect de se soumettre à un prélèvement sanguin afin d'analyser s'il est porteur de cette maladie. S'il existe des indices sérieux laissant présumer que la victime peut avoir été contaminée par le sang d'une autre personne que le suspect, le procureur du Roi peut également adresser cette demande à ce tiers. Le suspect et le tiers ne peuvent consentir au prélèvement sanguin que par écrit. Ce consentement ne peut être valablement donné que si le procureur du Roi ou un officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi, l'a préalablement informé du cadre légal dans lequel le prélèvement est demandé, en soulignant particulièrement la finalité purement médicale du prélèvement. Il est fait mention de cette information dans le consentement écrit de la personne concernée.
   § 2. Si le suspect refuse de consentir au prélèvement sanguin, le procureur du Roi peut, dans l'intérêt de la victime, lui ordonner de se soumettre à un frottis buccal aux fins de l'analyse visée au paragraphe 1er. L'ordre ne peut être donné qu'après autorisation écrite du juge d'instruction sur réquisition du procureur du Roi.
   § 3. L'analyse visée au paragraphe 1er est effectuée par le prélèvement, par un médecin, d'un échantillon sanguin, sauf si le prélèvement sanguin s'avère contre-indiqué pour des raisons médicales particulières. Dans ce cas, il peut être procédé à un frottis buccal soit avec la collaboration volontaire de l'intéressé soit de la manière prévue au paragraphe 2.
   Le suspect ou le tiers qui est prié de se soumettre à un prélèvement sanguin ou à la réalisation d'un frottis buccal peut y consentir par écrit à partir de l'âge de seize ans. Si le suspect ou le tiers n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans, il doit, pour l'application des paragraphes 1er et 2, se faire accompagner par au moins un de ses parents, par un avocat ou par une autre personne majeure de son choix.
   § 4. Le médecin prélève la quantité de sang ou effectue un frottis buccal nécessaire pour l'analyse visée au paragraphe 1er ou au paragraphe 2. Si la mesure, visée au paragraphe 2, doit être exécutée sous la contrainte physique, celle-ci est exercée par des fonctionnaires de police sous l'ordre d'un officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi.
   § 5. Le procureur du Roi peut ordonner qu'une analyse telle que visée au paragraphe 1er soit effectuée sur du sang découvert à l'occasion d'une infraction visée au paragraphe 1er.]1

  
Art. 524quinquies. [1 § 1. Het onderzoek, bedoeld in artikel 524quater, §§ 1, 2 en 5, wordt door de procureur des Konings opgedragen aan een deskundige, verbonden aan een door de Koning erkend laboratorium. De deskundige bezorgt zo spoedig mogelijk een exemplaar van zijn verslag aan de behandelende arts van het slachtoffer. Hij bezorgt eveneens een exemplaar van zijn verslag aan de behandelende arts van de verdachte, als de verdachte binnen drie maanden na de bloedafname dan wel de afname van de hoeveelheid wangslijmvlies daarom verzoekt. Hij bezorgt, in voorkomend geval, eveneens een exemplaar van zijn verslag aan de behandelende arts van de derde van wie een hoeveelheid bloed of wangslijmvlies werd afgenomen, als deze derde binnen drie maanden na de bloedafname of de afname van de hoeveelheid wangslijmvlies daarom verzoekt.
   § 2. De deskundige meldt aan de procureur des Konings dat het verslag werd doorgestuurd.
   § 3. De deskundige vernietigt het afgenomen bloedstaal of de afgenomen hoeveelheid wangslijmvlies ten laatste een week na de datum van de analyse ervan.
   § 4. De resultaten van het onderzoek maken enkel deel uit van het medisch dossier. Zij worden beschouwd als gegevens die betrekking hebben op derden in de zin van artikel 9, § 2, derde lid, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. De resultaten van het onderzoek maken geen deel uit van het strafdossier en hebben geen gevolg voor het verdere verloop van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek. De resultaten kunnen niet als bewijs in rechte worden gebruikt. In zijn kantschrift vermeldt de procureur des Konings dat het onderzoek bedoeld in artikel 524quater, §§ 1, 2 of 5 werd gevraagd.]1

  
Art. 524quinquies. [1 § 1er. L'analyse visée à l'article 524quater, §§ 1er, 2 et 5, est confiée par le procureur du Roi à un expert attaché à un laboratoire agréé par le Roi. L'expert transmet dans les meilleurs délais un exemplaire de son rapport au médecin traitant de la victime. Il transmet aussi un exemplaire de son rapport au médecin traitant du suspect si celui-ci en fait la demande dans les trois mois du prélèvement sanguin ou de la réalisation du frottis buccal. Le cas échéant, il transmet également un exemplaire de son rapport au médecin traitant du tiers qui a fait l'objet d'un prélèvement de sang ou d'un frottis buccal si celui-ci en fait la demande dans les trois mois du prélèvement de sang ou du frottis buccal.
   § 2. L'expert informe le procureur du Roi de la transmission du rapport.
   § 3. L'expert détruit l'échantillon de sang prélevé ou le frottis buccal au plus tard une semaine après la date de son analyse.
   § 4. Les résultats de l'analyse font uniquement partie du dossier médical et sont considérés comme des données concernant des tiers au sens de l'article 9, § 2, alinéa 3, de la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient. Les résultats de l'analyse ne font pas partie du dossier pénal et n'ont pas d'incidence sur le déroulement ultérieur de l'information ou de l'instruction. Les résultats ne peuvent être utilisés comme preuve en justice. Dans son apostille, le procureur du Roi indique que l'analyse visée à l'article 524quater, §§ 1er, 2 ou 5 a été demandée.]1

  
Art. 524sexies. [1 § 1. Het slachtoffer van een misdrijf als bedoeld in artikel 524quater, § 1, kan de procureur des Konings verzoeken het onderzoek bedoeld in artikel 524quater, § 1, te vragen.
   § 2. De procureur des Konings doet mededeling van zijn met redenen omklede beslissing op het verzoek binnen vierentwintig uur nadat hij het verzoek heeft ontvangen.]1

  
Art. 524sexies. [1 § 1er. La victime de l'infraction visée à l'article 524quater, § 1er, peut solliciter du procureur du Roi qu'il demande l'analyse visée à l'article 524quater, § 1er.
   § 2. Le procureur du Roi communique sa décision motivée relative à la demande dans les vingt-quatre heures de la réception de celle-ci.]1

  
Art. 524septies. [1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn, met uitzondering van artikel 524quater, § 2, tweede zin, van overeenkomstige toepassing op de onderzoeksrechter ingeval een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld.]1
  
Art. 524septies. [1 Les dispositions du présent chapitre, à l'exception de l'article 524quater, § 2, deuxième phrase, s'appliquent par analogie au juge d'instruction au cas où une instruction est ouverte.]1