RvS-16276
🏛️ Raad van State
📅 2025-05-05
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 30 november 2006
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.276 van 5 mei 2025
in de zaak A. 242.570/VII-42.602
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Françoise Jacobs
kantoor houdend te 1050 Brussel
Kroonlaan 88
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 24 juli 2024, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 308.603 van 20 juni 2024 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 24 februari 2025 aangekomen ter
griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit
van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. In de mate dat verzoekster zich richt tegen de overweging in het
bestreden arrest waarbij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er “ten overvloede” op
wijst dat verzoekster op 7 mei 2024 is vrijgelaten en dat de Raad geen toepassing heeft
gemaakt van de versnelde procedure zoals voorzien in artikel 39/77 van de wet van
15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en
de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), gaat het om een overtollig
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.276 VII-42.602-1/4
motief dat, al zou het onwettig zijn, de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben
beïnvloed. Verzoeksters kritiek is in die mate kennelijk niet ontvankelijk.
2. Volgens verzoekster heeft de toestand dat zij zich op het ogenblik
van de beslissing van de verwerende partij van 24 april 2024 “nog op een welbepaalde plaats
bevond waar zij aangehouden was, al was deze plaats een half open centrum, gelet op de
aanwezigheid van minderjarige kinderen” tot gevolg “dat haar toestand geregeld was door
artikel 57/6/4 van de [vreemdelingenwet]”.
Met de loutere bevestiging van haar standpunt toont verzoekster niet
de onwettigheid aan van de volgende door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
gemaakte beoordeling:
“De Raad wijst er vooreerst op dat in de thans bestreden beslissing – in tegenstelling
tot de beslissing van 19 maart 2024 die bij arrest nr. 304.649 van 11 april 2024 door
de Raad werd vernietigd – geen toepassing meer wordt gemaakt van artikel 57/6/4 van
de Vreemdelingenwet en van de versnelde procedure. De omstandigheid dat werd
geoordeeld dat een verder onderzoek noodzakelijk is en dat verzoekster desondanks
nog niet werd vrijgelaten op het moment dat de bestreden beslissing werd genomen,
doet daaraan geen afbreuk en maakt niet dat zij zich de facto in een versnelde
procedure zou bevinden. Van een onrechtmatige toepassing van de versnelde
procedure kan in casu dan ook geen sprake meer zijn. Te dezen maakte de adjunct-
commissaris toepassing van artikel 57/6, § 2, van de Vreemdelingenwet, dat de
voorwaarden bepaalt waarbinnen de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en
de staatlozen, c.q. de adjunct-commissaris, beslist bij voorrang. Verzoekster voert en
toont niet aan dat ten onrechte van deze procedure gebruik werd gemaakt. Haar betoog
over de onrechtmatige toepassing van de versnelde procedure mist dan ook
grondslag.”
3. In punt 2.3.4. van het bestreden arrest worden, na de desbetreffende
beoordeling in de beslissing van de verwerende partij van 24 april 2024 te hebben geciteerd,
de door verzoekster aangehaalde gronden waaruit bijzondere procedure noden zouden
blijken als volgt beoordeeld:
“Door in haar verzoekschrift louter te betogen dat haar trauma voor zich spreekt en
evident is voor ieder persoon met gezond verstand en te verwijzen naar de algemene
veiligheidssituatie in het gebied waar zij vandaan komt en waar haar man zou zijn
achtergebleven, doet verzoekster geen enkele afbreuk aan de concrete motieven van de
bestreden beslissing over de beoordeling van haar bijzondere procedurele noden. Ook
door het psychologisch attest van 25 maart 2004 dat zich reeds in het administratief
dossier bevindt […] nogmaals te voegen als bijlage bij haar stukkenbundel […], werpt
verzoekster hierop geen ander licht. De medische attesten van 1 augustus 2023 en
1 september 2023 die verzoekster bij haar verzoekschrift voegt […], hebben
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.276 VII-42.602-2/4
betrekking op de medische situatie van haar kinderen en stellen de hierboven
aangehaalde motieven evenmin in een ander daglicht. Verzoekster laat overigens na in
concreto toe te lichten welke bijzondere procedurele noden zij in casu zou hebben
(gehad) en op welke wijze de toekenning van welbepaalde specifieke
steunmaatregelen tot een andere beslissing had kunnen leiden dan de thans bestreden
beslissing. Evenmin licht verzoekster in concreto toe op welke wijze hiermee diende
rekening te worden gehouden bij de beoordeling van haar relaas.”
Verzoekster verwijst naar een beschikking van de rechtbank van
eerste aanleg van Brussel van 24 april 2024, uitgesproken op vordering van enkele
verenigingen, waarin te lezen staat dat de Belgische staat niet betwist dat de psychische
toestand van Palestijnse verzoekers om internationale bescherming is verslechterd sedert
oktober 2023. Al wordt in de bovenstaande beoordeling in het bestreden arrest niet
uitdrukkelijk naar dat vonnis verwezen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen
overweegt wel dat algemene verwijzingen niet volstaan om de concrete motieven uit de door
verzoekster aangevochten beslissing te ontkrachten. Verzoekster ontkracht ook niet de
beoordeling dat zij in haar geval niet aangeeft welke procedurele noden in haar geval zouden
bestaan, noch dat zij niet aangeeft in welke mate deze een beslissing zouden kunnen
beïnvloeden. Bovendien overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verder in punt
2.3.5. van het bestreden arrest dat de door verzoekster bijgebrachte beschikking van 24 april
2024 geen betrekking heeft op haar persoonlijke situatie, dat er op geen enkele objectieve
wijze een verslechtering van verzoeksters geestestoestand uit kan worden afgeleid en dat ze
werd getroffen in het kader van de lange behandelingstermijnen van de Palestijnse
vluchtelingendossiers door de verwerende partij, terwijl het verzoek om internationale
bescherming in casu bij voorrang werd behandeld. Verzoeksters kritiek betreffende een
schending van de jurisdictionele motiveringsplicht mist in die mate feitelijke grondslag.
4. Verzoeksters kritiek dat geen rekening is gehouden met haar
kwetsbaar profiel omdat zij ook minderjarige kinderen met zich mee heeft, is beperkt tot een
algemene stelling, zonder in te gaan op de verschillende motieven van het bestreden arrest
waarin ook de aanwezigheid van de kinderen aan bod komt.
5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.276 VII-42.602-3/4
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijf mei tweeduizend
vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.276 VII-42.602-4/4