RvS-16277
🏛️ Raad van State
📅 2025-05-05
🌐 FR
Beschikking
ongegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
25 mei 2000, 29 juli 1991, 30 november 2006, Grondwet
Volledige tekst
RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID
IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE
nr. 16.277 van 5 mei 2025
in de zaak A. 244.364/VII-42.824
In zake : XXXXX
bijgestaan en vertegenwoordigd door
advocaat Romy Jessen
kantoor houdend te 4000 Luik
Rue Paul Devaux 2
bij wie woonplaats wordt gekozen
tegen :
de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN
DE STAATLOZEN
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Het cassatieberoep, ingesteld op 11 maart 2025, strekt tot de cassatie
van arrest nr. 321.211 van 5 februari 2025 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Het dossier van de zaak is op 18 maart 2025 aangekomen ter griffie.
Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde
wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit
van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’.
Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen,
vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op
12 januari 1973.
1. Noch de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ noch de materiëlemotiveringsplicht,
de zorgvuldigheidsplicht en het proportionaliteitsbeginsel als algemene beginselen van
behoorlijk bestuur zijn van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden
arrest, waarmee te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid is gedaan.
Het enige middel is in die mate kennelijk niet ontvankelijk.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.277 VII-42.824-1/8
2. Verzoeker acht artikel 31.1, d), van het Statuut van Rome inzake het
Internationaal Strafgerechtshof, ondertekend te Rome op 17 juli 1998 en goedgekeurd bij
wet van 25 mei 2000 (hierna: Statuut van Rome), geschonden met het bestreden arrest omdat
hij “feitelijk een gedwongen deelnemer aan het militaire systeem” was en de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen “ten onrechte [heeft] aangenomen dat verzoeker ‘vrijwillig’
deelnam aan misdrijven, terwijl hij een slachtoffer was van structurele dwang”.
De beoordeling of verzoeker feitelijk al dan niet een gedwongen
deelnemer aan het militaire systeem was en of hij al dan niet vrijwillig deelnam aan
misdrijven, behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter. De Raad van State treedt als cassatierechter
niet in de beoordeling van de zaak zelf.
Het enige middel is in die mate kennelijk niet ontvankelijk.
3. Verzoeker acht “[h]et uitgangspunt van de RvV dat verzoeker ‘vrij
was om bevelen te weigeren’ […] feitelijk onjuist en in strijd met internationale rapporten
over het Eritrese regime”. Volgens verzoeker moest worden “onderzocht of verzoeker een
realistisch alternatief had om bevelen te weigeren en getoetst […] of de militaire dienst in
Eritrea een verplichte en gedwongen structuur is”, met “een proportionaliteitsafweging […]
bij het bepalen van verzoekers rol binnen het militaire systeem”.
4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt betreffende
verzoekers militaire carrière:
“Te dezen wordt onder meer het volgende vastgesteld:
- verzoeker startte in 1998 zijn militaire training in […];
- na zes maanden training werd hij aangesteld als instructeur in […];
- van 2005 tot 2010 werd hij instructeur in het kamp in […];
- van 2010 tot 2013 werd hij instructeur in het kamp in […];
- verzoeker had aanvankelijk de rang van Mesre met een tiental soldaten onder zich,
terwijl hij later de functie van Ganta bekwam, met 30 à 45 soldaten onder zich;
- in 2011 werd zijn militaire eenheid overgeplaatst naar […] voor het doen van
verplichte arbeid in de landbouw. Wanneer verzoeker na zijn verlof niet tijdig
terugkeerde, werd hij in 2013 meegenomen tijdens een militaire round-up en drie
maanden vastgehouden, moest hij nadien opnieuw verplichte arbeid doen en keerde hij
uiteindelijk terug naar […] om opnieuw als instructeur aan de slag te gaan;
- in 2016 werd verzoeker nogmaals opgesloten nadat hij niet tijdig terugkeerde uit zijn
verlof;
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.277 VII-42.824-2/8
- verzoeker verliet Eritrea nadat zijn echtgenote van hem scheidde waardoor hij het
niet meer zag zitten.
Uit het voorgaande blijkt dat verzoeker bijna twintig jaar actief was binnen het
Eritrese leger en gedurende deze periode meer en meer verantwoordelijkheden kreeg
toebedeeld. Dat verzoeker als Ganta-leider 30 soldaten en 3 Mesre-leiders onder zich
had, houdt per definitie in dat hij een leidinggevende en coördinerende functie
bekleedde. De vaststelling dat verzoeker ondanks zijn nalaten om na zijn verloven
tijdig terug te keren en hierom werd opgesloten, opnieuw de functie van Ganta-leider
werd toegewezen, waarbij hij de leiding had over 30 soldaten en 3 Mesre-leiders,
getuigt ervan dat verzoeker ook na zijn desertie door de Eritrese legermacht
beschouwd werd als gehoorzaam en betrouwbaar.”
Na omstandig te zijn ingegaan op verzoekers functie en activiteiten
in het Eritrese leger en op verzoekers individuele verantwoordelijkheid voor de gepleegde
misdrijven tegen de menselijkheid, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het
volgende over de vraag of verzoeker heeft gehandeld onder dwang en of hij zich kon
onttrekken aan die dwang:
“Verzoeker betoogt dat het onredelijk is te stellen dat hij meegeholpen heeft aan het in
stand houden van een systeem van slavernij daar hij nooit uit vrije wil gehandeld heeft
en louter bevelen van zijn overste opvolgde uit vrees voor sancties. Hij stelt dat de
commissaris-generaal er op geen enkele manier rekening mee heeft gehouden dat
indien hij bevelen niet zou opvolgen of zijn taken niet zou uitvoeren, hij zelf het
voorwerp zou uitmaken van een opsluiting en de hiermee gepaard gaande foltering en
mensonterende omstandigheden. Verzoeker verwijst naar het feit dat hij zelf ook zijn
nationale dienst vervulde voor onbepaalde duur. Verzoeker citeert hierbij omstandig
uit de notities van de persoonlijke onderhouden.
In de bestreden beslissing wordt evenwel op uitgebreide en pertinente wijze
gemotiveerd dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij gehandeld heeft onder
invloed van dwang waaraan hij niet kon ontsnappen:
‘Toen u geconfronteerd werd met de mogelijkheid tot uitsluiting, legde u uit dat u
hoorde dat België een democratie is, waar er vrije meningsuiting is, en dat u hoorde
dat u hier een statuut van vluchteling kon krijgen ongeacht het feit dat u in het leger
zat […]. U voegde er ook aan toe dat het niet iets was wat u wilde doen, maar dat u
gedwongen was om dit te doen, net zoals iedereen. Waar u nog kan aanhalen dat u ook
gedwongen was om de militaire dienst te doen, net zoals de rekruten die u trainde,
wijst het CGVS er op dat u duidelijk binnen de dienst wel wat discretionaire
bevoegdheden had. Zoals u zelf al zei, had zo elke instructeur een eigen manier van
straffen opleggen, sommigen die minder extreem waren, en anderen die extremer
waren. U gaf nergens aan dat u hierbij bevelen van hogerop moest volgen, u was dus
vrij in uw keuze om bepaalde straffen al dan niet uit te voeren en op te leggen. U toont
niet aan dat u onder dwang handelde zoals vastgelegd in art. 31 §1, d van het statuut
van Rome. Art. 31 §1 (d): ‘de gedragingen waarvan wordt gesteld dat zij een misdaad
opleveren waarover het Hof rechtsmacht bezit, voortgevloeid zijn uit dwang als
gevolg van een onmiddellijke doodsdreiging of een dreiging van voortdurend of op
handen zijnde ernstig lichamelijk letsel, en de persoon noodzakelijkerwijs en redelijk
handelt teneinde deze dreiging af te wenden, op voorwaarde dat de persoon niet de
bedoeling heeft groter letsel toe te brengen dan het letsel dat hij tracht te voorkomen.
Een dergelijke dreiging kan : i) worden veroorzaakt door andere personen; of ii)
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.277 VII-42.824-3/8
worden gevormd door andere omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.’. Nergens
haalde u aan dat u zelf zwaar gestraft zou worden indien u de rekruten niet zou
straffen op de manier waarop u ze beschreef, zoals hierboven aangestipt had u zelf de
beslissingsmarge om te besluiten welke straf er wordt toegepast. Daarenboven komt
uit uw verklaringen allerminst naar voren dat u alles deed binnen uw mogelijkheden
om zich hieraan te trachten te onttrekken en niet langer deel uit te maken van dit
systeem dat flagrante mensenrechtenschendingen begaat. De beweegreden waarom u
uiteindelijk het leger verliet en Eritrea ontvluchtte is omwille van het feit dat uw
echtgenote de echtscheiding had aangevraagd en u het daardoor niet meer aankon
[…]. Dit was na ongeveer 20 jaar van militaire dienst. U was getraumatiseerd door
haar beslissing om te scheiden, uw vrouw en kinderen hadden u verlaten, en u had
geen hoop meer, noch redenen om te blijven […]. U hebt dan relatief snel en relatief
gemakkelijk het dorp verlaten […]. U hebt niemand over uw vertrek verteld, en u hebt
gewoon 5 uur gewandeld naar de grens […]. Er kan bezwaarlijk gezegd worden dat u
louter uit zogenaamde gewetenswroeging in verband met uw functie binnen het
Eritrese leger, besloten hebt om het Eritrese leger te verlaten. Gevraagd of u ooit had
geprobeerd om te vertrekken uit de militaire dienst, verklaarde u louter dat u in 2018
besloot om te vertrekken uit de dienst […]. Daarvoor zou u er wel aan gedacht
hebben, maar u sprak er nooit over uit vrees dat ze u zouden arresteren […]. Bij uw
verlof van 2018 hebt u dan toch de kans gegrepen om te vluchten. Uit uw eigen
verklaringen blijkt ook wel dat u elke zes maanden een maand verlof kreeg en uw
kinderen kon zien, dus twee maanden verlof per jaar […]. Dit verlof viel altijd
wanneer de soldaten hun training van zes maanden voorbij […]. Uit uw verklaringen
blijkt dat u gedurende uw dienst van decennialang, ruim de kans had om te vertrekken
en u te onttrekken aan deze dienst. Gevraagd naar de reden waarom u die eerdere
kansen niet benutte, legde u louter uit dat u een gezin had en uw huwelijk, wat het
moeilijker maakte om hen te verlaten […].
Voor zover u de verschoningsgrond aanhaalt dat u zou handelen onder bevel, hetgeen
evenwel niet blijkt uit bovenstaande, dient het volgende opgemerkt. Een bevel tot
handelingen waarmee foltering/marteling wordt gefaciliteerd, wordt onrechtmatig
geacht: foltering kan niet gerechtvaardigd worden door uitzonderlijke
omstandigheden, noch door een bevel van een hoger geplaatste functionaris. Dat u
onder militair bevel en wettelijk voorschrift handelde kan dus evenmin als
verschoningsgrond worden weerhouden gezien de aard van de misdrijven waaraan u
wetens en willens een bijdrage leverde, met name misdrijven tegen de menselijkheid,
onmiskenbaar onwettig zijn en er bijgevolg niet wordt voldaan aan de voorwaarden
zoals vastgelegd in art. 33 van het statuut van Rome . Art. 33 van het statuut van
Rome bepaalt: ‘Bevelen van meerderen en wettelijk voorschrift 1. Het feit dat een
misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft door een persoon is gepleegd krachtens
een bevel van een regering of van een meerdere, hetzij een militair hetzij een burger,
ontheft die persoon niet van strafrechtelijke aansprakelijkheid, tenzij : (a) de persoon
wettelijk verplicht was bevelen van de desbetreffende regering of meerdere te volgen;
(b) de persoon geen kennis had van het feit dat het bevel onwettig was; en (c) het
bevel niet onmiskenbaar onwettig was. 2. Voor de toepassing van dit artikel zijn
bevelen om genocide te plegen of misdaden tegen de mensheid onmiskenbaar
onwettig.’
U brengt u geen andere verschoningsgronden aan die u kunnen vrijpleiten van uw
individuele verantwoordelijkheid.
Bovendien stelt het CGVS toch een duidelijke loyaliteit vast van u tegenover uw
oversten. U werd namelijk zodanig vertrouwd door uw oversten om niet te vertrekken
uit Eritrea, dat u pass permits (doorlaatbewijzen) nabij de grens kreeg […], goed
wetende dat deze niet aan iedere dienstplichtige kon worden verleend gezien de grote
kans op desertie […]. Ook zelf gaf u aan dat een verlof om de zes maanden een gunst
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.277 VII-42.824-4/8
is die enkel in vertrouwen werd verleend, wanneer ze geloven dat je niet zou vluchten
[…]. Verder bent u ook nooit gezakt in rang, u bleef Gantaleider, en u hebt ook nooit
van functie moeten veranderen […]. U beweerde dat u zelf twee keer bent opgesloten
in een detentiecentrum of de gevangenis nadat u niet op tijd terugkeerde van verlof
[…]. Het is een teken van het vertrouwen dat uw oversten hadden in u, dat u na deze
detenties steeds kon terugkeren naar uw functie als ganta-leider, binnen uw divisie, in
[…]. U zou beide keren enkel nog binnen uw eenheid een waarschuwing krijgen om
het niet meer te doen […]. Bovendien bent u ook niet altijd consistent in uw
verklaringen met betrekking tot deze opsluitingen. Bij de Dienst Vreemdelingenzaken
had u verklaard dat u in 2016 vijf maanden vastzat in […]. Voor het CGVS verklaarde
u dan vervolgens dat u zes maanden opgesloten zat in […]. Het was tevens ook in mei
2016 dat u dan opnieuw verlof kreeg, u had toestemming gevraagd om te gaan
ploegen en gekregen […]. Daargelaten dat u dus maar maximum vijf maanden kan
hebben vastgezeten in 2016, tot het mei is, is het ook wel zeer opmerkelijk dat u dan
meteen na terugkeer uit de gevangenis naar uw eenheid, de toestemming zou hebben
gekregen om met verlof te gaan om te gaan zaaien. De opeenvolging van deze
gebeurtenissen is niet geloofwaardig.’
Betreffende het voormelde verweer in het verzoekschrift stelt de commissaris-generaal
in de nota met opmerkingen bovendien terecht als volgt:
‘2.5.1. Verweerder stelt vast dat verzoeker hiermee verwijst naar twee van elkaar te
onderscheiden verschoningsgronden, namelijk dwang (art. 31, §1, d van het Statuut
van Rome) en het bevel van hogerhand (ibid., art. 33). Deze zullen hieronder apart
besproken worden.
2.5.2. Wat betreft het bevel van hogerhand, merkt verweerder op dat in de bestreden
beslissing op dienstige wijze werd verwezen naar de drie cumulatieve voorwaarden
vermeld in artikel 33 van het Statuut van Rome. Eén van deze voorwaarden is dat het
bevel in kwestie niet manifest onwettig mag zijn. Paragraaf 2 van artikel 33 stelt
bovendien uitdrukkelijk dat voor de toepassing van dit artikel bevelen om genocide of
misdrijven tegen de menselijkheid te plegen manifest onwettig zijn. Gelet op het feit
dat de bepaalde van de handelingen die verzoeker zelf gesteld heeft of waartoe hij een
substantiële bijdrage heeft geleverd an sich al bijzonder ernstige inbreuken op de
fysieke integriteit van de slachtoffers vormen – en bevelen ertoe bijgevolg manifest
onwettig zijn –, maar bovendien ook als misdrijven tegen de menselijkheid dienen te
worden gekwalificeerd gezien de context waarin ze werden gepleegd, kan verzoeker
zich niet dienstig beroepen op het volgen van bevelen van hogerhand.
2.5.3. Waar verzoeker inroept dat hij onder dwang handelde, stelt verweerder vast dat
verzoeker in feite slechts zijn verklaringen afgelegd op het CGVS herhaalt. Verzoeker
hekelt weliswaar dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat hij zelf niet
aanhaalde dat hij zwaar zou worden gestraft indien hij de rekruten niet zou bestraffen
op de wijze waarop hij dit naar eigen zeggen deed – dit terwijl hij ogenschijnlijk wel
in zekere mate naar eigen inzicht straffen kon opleggen – doch brengt hierbij geen
concrete elementen aan die een ander licht werpen op deze beoordeling. Zoals supra
reeds werd geargumenteerd, kan verzoeker geenszins gevolgd worden in zijn stelling
dat hij straffen zo licht mogelijk trachtte te maken.
Bovendien blijkt uit de omstandige motivering ter zake in de bestreden beslissing dat
geenszins kan worden besloten dat verzoeker op redelijke wijze heeft gehandeld om
zich te onttrekken aan de situatie waarin hij naar eigen zeggen gedwongen zou zijn
geweest om de door hem aangehaalde handelingen als instructeur te stellen. Zo wordt
er op goede gronden gewezen op de door verzoeker aangehaalde reden om niet langer
naar zijn dienst terug te keren, waaruit geen (moreel) probleem met de inhoud van zijn
functie kan blijken; op het relatieve gemak waarmee verzoeker naar eigen zeggen
Eritrea heeft kunnen verlaten; op het feit dat verzoeker ook eerder al ruim de
gelegenheid had gehad om te vluchten; en op het feit dat verzoeker klaarblijkelijk
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.277 VII-42.824-5/8
vertrouwd werd door zijn oversten. Waar verzoeker wijst op zijn verklaring als zou hij
twee maal niet zijn teruggekeerd naar zijn post nadat zijn verlof ten einde was
gelopen, antwoordt verweerder dat verzoekers motieven hiervoor niet waren
ingegeven door morele problemen verbonden aan zijn functie in het leger, doch wel
door economische overwegingen. Verzoeker slaagt er dan ook niet in om aannemelijk
te maken dat hij redelijke stappen heeft ondernomen om zich zo snel mogelijk te
onttrekken aan het gedwongen plegen van, of bijdragen aan misdrijven tegen de
menselijkheid.’
Alsook stelt de commissaris-generaal in deze nota terecht het volgende:
‘2.6. Waar verzoeker stelt dat hij een ‘fragiel profiel’ heeft, 20 jaar onderdrukt werd
hetgeen psychisch ‘heel zwaar’ is, en op zijn 19e werd ingelijfd en sindsdien ‘altijd
onderdrukt en gebrainwashed [sic]’ is geweest, antwoordt verweerder dat verzoeker
hiermee er geenszins in slaagt om aan te tonen dat hem geen individuele
verantwoordelijkheid zou treffen aan zijn eigen handelingen.
2.6.1. Waar verzoeker nu aanhaalt dat hij gebrainwasht werd, antwoordt verweerder
vooreerst dat verzoeker dit niet had aangehaald tijdens de twee persoonlijke
onderhouden op het CGVS. Het alsnog inroepen van hersenspoeling komt dan ook
laattijdig en post-factum voor. Bovendien blijkt een dergelijke wilsverlamming of
hersenspoeling niet te rijmen met verzoekers eigen verklaringen voor het CGVS
aangaande zijn tijd in het leger. Zoals door verzoeker geschetst, dient hieruit immers
afgeleid te worden dat hij een eigen mening vormde over bepaalde zaken, en dat hij is
staat was om bepaalde keuzes te maken. Zo zou hij het naar eigen zeggen moeilijk
hebben gevonden om mensen op te leiden voor de militaire dienst […], keerde hij tot
twee keer toe niet naar zijn post terug om thuis te helpen op de velden […] en nam hij
autonoom de beslissing om Eritrea te verlaten nadat er een einde was gekomen aan
zijn huwelijk, hoewel hij naar eigen zeggen ook al eerder het idee had gehad om te
vertrekken. […].
2.6.2. In zoverre verzoeker de bovenstaande elementen in verband lijkt te brengen met
de bijzondere procedurele noden, stelt verweerder vast dat verzoeker in het geheel
nalaat om aan te tonen dat dergelijke noden in zijn hoofde bestaan, en evenmin duidt
welke specifieke steunmaatregelen desgevallend hadden moeten worden genomen
opdat hij op volwaardige wijze zou kunnen deelnemen aan de procedure.’
Gelet op het geheel van de bovenstaande vaststellingen is de Raad in navolging van
verweerder van oordeel dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker
individuele verantwoordelijkheid draagt voor misdrijven tegen de menselijkheid.”
5. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen op concreet gemotiveerde wijze tot het besluit komt dat
verzoeker met betrekking tot de door hem als militair gepleegde feiten, die als misdrijven
tegen de menselijkheid worden beschouwd, geen dwang aannemelijk maakt waartegen
verzoeker redelijke stappen zou hebben ondernomen om er zich aan te onttrekken. Deze
motieven hebben betrekking op verzoekers individuele situatie en er blijkt duidelijk uit
waarom in het licht van verzoekers concrete situatie tot de uitsluiting van de
vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus wordt besloten. Verzoeker toont
wat dat betreft geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte
jurisdictionele motiveringsplicht.
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.277 VII-42.824-6/8
Nu op grond van artikel 33.2 van het Statuut van Rome een bevel
om misdrijven tegen de menselijkheid te plegen “onmiskenbaar onwettig” is in de zin van
artikel 33.1, c), van dit Statuut, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit artikel
niet geschonden door de daarin voorziene verschoningsgrond van een bevel van een
meerdere niet te aanvaarden.
De beoordeling of verzoeker feitelijk de mogelijkheid had om zich
aan de dwang van een bevel te onttrekken, behoort tot de soevereine
beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter.
De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf.
6. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk
ongegrond.
B E S L U I T :
1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een
rolrecht van 200 euro.
Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijf mei tweeduizend
vijfentwintig, door:
Carlo Adams, kamervoorzitter,
bijgestaan door
Bryan Geerts, toegevoegd griffier.
De griffier De voorzitter
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.277 VII-42.824-7/8
Bryan Geerts Carlo Adams
ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.277 VII-42.824-8/8