Naar hoofdinhoud

RvS-16281

🏛️ Raad van State 📅 2025-05-08 🌐 FR Beschikking

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

11 december 1998, 11 december 1998, 30 november 2006

Volledige tekst

RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 16.281 van 8 mei 2025 in de zaak G/A 244.512/IX-10.643 In zake : J.K. tegen: de ALGEMENE DIENST INLICHTING EN VEILIGHEID -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 28 maart 2025, strekt tot de nietigverklaring van beschikking BOR-R/2024/041 en AT/2024/014 van het beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen van 19 februari 2025. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot toelating, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en bij de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 17 april 2025. IX-10.643-1/5 ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.281 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. De toelaatbaarheid 3. De Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid (ADIV) beslist op 12 juni 2024 tot het verlenen van een negatief veiligheidsadvies betreffende verzoekster. Verzoekster stelt hiertegen een beroep in bij het beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, dat op 19 februari 2025 het beroep ontvankelijk, maar ongegrond verklaart en het negatief veiligheidsadvies van de ADIV bevestigt. 4. In het verzoekschrift tot cassatie van de voormelde uitspraak voert verzoekster drie middelen aan. 5.1. Het eerste middel is geput uit de schending van “het algemeen rechtsbeginsel inzake motivering en artikel 22, 1ste en 5de lid van de Wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en de publiek gereguleerde dienst, doordat het voor verzoekende partij volstrekt onduidelijk is wat de exacte motivatie of beweegreden achter het negatief advies van ADIV precies omvat, omdat dit gewoonweg gebaseerd is op ongefundeerde vermoedens”. Het tweede middel, eerste onderdeel, is geput uit de schending van “het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de beslissing van ADIV gebaseerd is op de verkeerde juridische motieven, aangezien [verzoekster] geen sollicitant militair is maar een sollicitant voor een burgerlijke functie als medewerker in een magazijn”. Het derde middel is geput uit de schending van “het redelijkheidsbeginsel doordat het ondenkbaar is dat eenzelfde bestuur op basis van dezelfde feiten en omstandigheden tot eenzelfde beslissing zou komen als het IX-10.643-2/5 ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.281 ADIV”. 5.2. Verzoekster heeft haar verzoekschrift, wat deze middelen betreft, opgevat als een hoger beroep tegen de beslissing van het ADIV. Als cassatierechter beoordeelt de Raad van State evenwel niet ten tweede male de beslissing van de administratieve overheid, maar beoordeelt hij de beslissing van het beroepsorgaan optredend als administratief rechtscollege. Luidens artikel 14, § 2, RvS-Wet doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak, bij wijze van arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Zij treedt daarbij niet in de beoordeling van de zaken zelf. De voormelde middelen, die niet de uitspraak van het beroepsorgaan viseren, maar wel uitnodigen tot een herbeoordeling van de beslissing van de ADIV, zijn kennelijk onontvankelijk. Louter ten overvloede merkt de Raad nog op dat het beroepsorgaan als administratief rechtscollege zelf niet onderworpen is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat ook de motiveringsplicht, bedoeld in artikel 22 van de wet van 11 december 1998, gericht is tot de veiligheidsoverheid en niet tot het beroepsorgaan. 6.1. Het tweede middel, tweede onderdeel, is geput uit de schending van de hoorplicht, “doordat verzoekende partij nooit gehoord werd naar aanloop van de eerste beslissing van de ADIV”. 6.2. Uit de stukken die aan de Raad zijn voorgelegd, blijkt niet dat verzoekster de schending van de hoorplicht door de ADIV heeft aangevoerd voor het beroepsorgaan. Het middelonderdeel is nieuw en, bijgevolg, onontvankelijk. IX-10.643-3/5 ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.281 7.1. De uitspraak van het beroepsorgaan komt wel ter sprake in de toelichting bij het eerste middel en in de toelichting bij het tweede middel. 7.2. In de toelichting bij het eerste middel keert verzoekster zich tegen de volgende overweging van het beroepsorgaan: “Het Beroepsorgaan leidt uit de verklaringen van verzoekende partij tijdens de hoorzitting af dat zij vaak impulsief reageert op situaties en omstandigheden en hierbij risicovol gedrag vertoont dat niet voldoet aan de vereisten die gelden in de veiligheidswereld. Verzoekende partij plaatst zichzelf hierdoor telkens in een kwetsbare positie.” Volgens verzoekster is het een raadsel hoe het beroepsorgaan tot deze conclusie is gekomen. Verzoekster verbindt haar grief evenwel niet aan de miskenning van enige regel of vormvoorschrift, zodat het middel ook in die mate onontvankelijk is. In zoverre verzoekster in dit verband een doktersattest voorlegt dat dateert van ná de beslissing van het beroepsorgaan, vraagt zij opnieuw tevergeefs aan de Raad van State om in de beoordeling van de feiten te treden. 7.3. In de toelichting bij het tweede middel noemt verzoekster het onzorgvuldig dat het beroepsorgaan insinueert dat zij verbonden was aan de Tsjechische autoriteiten voor haar missie in Georgië. Zoals hiervóór is opgemerkt, is het beroepsorgaan niet onderworpen aan de zorgvuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zodat het middel ook in die mate onontvankelijk is. 8. Géén van de aangevoerde middelen is ontvankelijk. 9. Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dat het niet voldoet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. IX-10.643-4/5 ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.281 B E S L I S S I N G: 1. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Aldus te Brussel verleend, op acht mei tweeduizend vijfentwintig, door: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.643-5/5 ECLI:BE:RVSCE:2025:ORD.16.281

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot